Kitabı oku: «De Negerhut»

Yazı tipi:

Harriet Beecher Stowe

De Negerhut


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311780

Inhoudsopgave

VOORREDE.

EERSTE HOOFDSTUK

TWEEDE HOOFDSTUK

DERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

DERTIGSTE HOOFDSTUK

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

VOORREDE.

Inhoudsopgave

De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders, onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting heeft kunnen verwerven.

Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag; letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des Christendoms: "In de menschen een welbehagen!"

De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen.

De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen, en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen.

In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden gesmeekt heeft.

Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen, dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk den slavenhandel overleefd.

Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft, te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles, wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor hen kan beproefd worden.

Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der slavernij zijn betrokken.

De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen, nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het onbeschrijfelijk geheel.

In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn, zal op zijnen tijd blijken.

Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden te bestaan.

Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving, taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den Israëliet—eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost heeft!

EERSTE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

WAARIN DE LEZER EEN MENSCHLIEVEND MAN LEERT KENNEN.

Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten ernst over een belangrijk onderwerp te spreken.

Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter, als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting, met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan, welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen.

De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een gentleman, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een ernstig gesprek.

"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby.

"Op die manier kan ik geen handel doen—stellig niet, Mijnheer Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen zijn oog en het licht.

"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is die som zeker overal waardig—nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was."

"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley, zich nog een glas brandewijn inschenkende.

"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb—geld, huis, paarden—ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden."

"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby," zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep, dien ik naar Orleans bracht—het was inderdaad zoo goed als eene preek, dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als het namelijk echte waar is."

"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg—dat wist ik wel. Eenige gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet naar Canada gedrost?"—"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt."

"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op kan nahouden—zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware," zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier, ziet ge, is een beetje te veel gevergd—een beetje te veel."

De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog eens bij.

"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na eene tusschenpoos van drukkende stilte.

"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?"

"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het."

Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron, tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond, vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden.

"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op."

Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester lachte.

"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij.

Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder de kin.

"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen kunt."

Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf, alles juist op de maat zijner muziek.

"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel toewerpende.

"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek heeft."

Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende, gelijk de oude man deed, dien hij nabootste.

Beide heeren schaterden van lachen.

"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe ouderling Robbins psalmen zingt."

Het kind rekte zijn rond gezichtje tot eene verbazende lengte uit, en begon door zijn neus eene psalmwijs te zingen, alles met den grootsten ernst.

"Bravo! Wat een jongen!" zeide Haley. "Dat kereltje is knap, dat beloof ik u. Wil ik eens wat zeggen," en daarbij klopte hij Mr. Shelby op den schouder; "geef dat kereltje er op toe, en ik houd de zaak voor afgedaan—dat doe ik. Kom aan, is dat nu geen spijkers met koppen slaan?"

Op dit oogenblik werd de deur zachtjes opengeduwd, en kwam eene jonge quadrone, van vijf-en-twintig jaren naar het scheen, de kamer binnen.

Men behoefde slechts even van het kind naar haar te zien, om haar als de moeder daarvan te herkennen. Zij had dezelfde donkere groote oogen met lange wimpers, hetzelfde golvende zijdeachtige zwarte haar. Het bruin harer kleur maakte voor een donkeren blos plaats, toen zij den blik van den vreemden man met onverholen bewondering op haar gevestigd zag. Hare kleeding paste zeer net en deed hare fraai gevormde gestalte voordeelig uitkomen. Een fijne hand en nette voet waren bijzonderheden, die het snelle oog des handelaars niet ontsnapten, wel gewoon om met een enkelen blik de eigenschappen van vrouwelijke waar op te merken.

"Wel, Eliza!" zeide haar meester, toen zij staan bleef en hem aarzelend aanzag.

"Verschooning, Mijnheer, ik zocht naar Harry," en het kind sprong naar haar toe en liet haar zijn buit zien, dien hij in een slip van zijn rokje had gedaan.

"Neem hem dan maar mede," zeide Mr. Shelby, en zij ging haastig heen met het kind op den arm.

"Bij Jupiter, dat is goede waar!" zeide de handelaar, den ander met opgetogenheid aanziende. "Aan die meid kunt gij in Orleans geld verdienen, wanneer ge maar wilt. Ik heb wel eens over de duizend zien betalen voor meiden die geen zier mooier waren."

"Ik wil geen geld aan haar verdienen," zeide Shelby droogjes, en om het gesprek eene andere wending te geven, trok hij eene versche flesch wijn open en vroeg Haley wat hij daarvan dacht.

"Heerlijk," antwoordde de handelaar kortaf, en toen, Shelby weder familiaar op den schouder kloppende, vervolgde hij: "kom, laten wij eens over die meid handelen. Wat zal ik voor haar bieden? Hoeveel wilt gij voor haar nemen?"

"Zij is niet te koop, Mijnheer Haley," zeide Shelby. "Mijne vrouw zou haar niet willen missen voor haar gewicht aan goud."

"Ja, ja, vrouwen zeggen zulke dingen altijd, omdat ze niet rekenen. Laat ze maar eens zien, hoeveel horloges, pluimen en snuisterijen men voor iemands gewicht in goud krijgen kan, en dan verandert de zaak, zou ik denken."

"Ik zeg u, Haley, hiervan moet niet gesproken worden. Ik zeg neen, en ik meen neen," antwoordde Shelby beslissend.

"Nu, gij zult mij den jongen toch wel laten?" hervatte de handelaar. "Gij moet bekennen, dat ik tamelijk veel voor hem bied."

"Wat op de wereld kunt gij met het kind willen doen?" zeide Shelby.

"Wel, ik heb een vriend, die in dat vak gaat doen; hij wil mooie jongens koopen, om voor de markt op te fokken. Liefhebberij-artikelen om te verkoopen voor lijfknechts en zoo voort aan rijke heeren, die mooi goed kunnen betalen. Dat maakt figuur in een groot huis—een echt mooie jongen, om de deur open te doen en te bedienen. Zij halen eene goede som, en die kleine drommel is zulk een koddig, muzikaal ventje—hij is net de rechte soort."

"Ik wilde hem liever niet verkoopen," zeide Shelby nadenkend. "Om de waarheid te zeggen, Mijnheer, ik denk menschelijk en scheid niet gaarne het kind van de moeder."

"O zoo!—Ja wel, iets van dien aard. Ik begrijp het volkomen. Het is somtijds heel lastig met die vrouwen terecht te komen. Ik heb altijd een hekel aan zulk een huil- en schreeuwtijd. Het is machtig lastig en onpleizierig; maar zooals ik de zaak overleg, Mijnheer, vermijd ik die onaangenaamheid meestal. Als gij nu maar de meid voor een dag, of eene week of zoo uit den weg zendt, dan wordt het stilletjes gedaan, en alles is voorbij eer zij tehuis komt. Uwe vrouw kan haar een paar oorringen geven, of eene nieuwe japon, of zulke nesterij, om het haar te verzoeten."

"Ik vrees van neen."

"Och vriend, ja. Die schepsels zijn niet zooals de blanken, weet ge; zij komen over alles heen, als men het maar goed aanlegt. Men zegt wel eens," vervolgde Haley, een oprechten en vertrouwelijken toon aannemende, "dat deze soort van handel het gevoel verhardt; maar dat heb ik niet ondervonden. Het is de waarheid, dat ik nooit zoo zou kunnen handelen, als sommige kerels doen. Ik heb er gekend, die eene vrouw haar kind uit de armen zouden halen en het opzetten om te verkoopen, terwijl zij al doorschreeuwt, als of zij dol was. Zeer slecht overleg—beschadigt de waar—maakt ze somtijds geheel onbruikbaar. Ik heb eens in Orleans eene echt mooie meid gezien, die door deze manier van handelen gansch bedorven werd. De kerel, die haar kocht, wilde haar kind niet, en zij was eene van de lastige soort als haar bloed warm werd. Ik kan u zeggen, zij klemde haar kind in hare armen, en babbelde, en roerde zich ijselijk. Ik word haast nog koud, als ik er aan denk; en toen zij haar kind wegbrachten en haar opsloten, werd zij heel en al razend en stierf binnen de week. Dat was duizend dollars zoo maar weggegooid, Mijnheer, alleen door gebrek aan overleg. Het is altijd best, menschelijk te wezen, Mijnheer, dat is mijne ondervinding."

De handelaar liet zich in zijn stoel zakken, sloeg zijne armen met zekere onverschilligheid over elkander en scheen zichzelven voor een tweeden Wilberforce te houden.

Het scheen dat hij het onderwerp zeer belangrijk vond, want terwijl Shelby peinzend een sinaasappel schilde, begon Haley opnieuw, wel met eene zekere schroomvalligheid, maar alsof de kracht der waarheid hem werkelijk dwong om nog iets te zeggen:

"Het staat voor iemand niet mooi als hij zich zelven prijst, maar ik zeg het alleen, omdat het de waarheid is. Ik geloof men houdt mij voor den man die de mooiste troepen negers aanvoert, die er gebracht worden, tenminste zoo heeft men mij gezegd; honderd zoo goed als een, allen in goeden staat, vet en welgedaan, en ik verlies er zoo weinig als iemand in het vak. En dat alles ligt aan mijne behandeling, Mijnheer; en menschelijk, Mijnheer, dat mag ik wel zeggen, is de groote steunpilaar van mijn handelen."

Shelby wist niet wat te zeggen, en zeide dus: "inderdaad!"

"Men heeft mij uitgelachen om mijne denkbeelden, Mijnheer, en men heeft er mij over aangesproken. Zij zijn niet bemind, Mijnheer, en zij zijn niet gewoon, maar ik blijf er bij: ik ben er bij gebleven en heb er goed geld mede verdiend; ja, mijnheer, zij hebben hunne vracht betaald, mag ik wel zeggen."

En de handelaar lachte om zijne eigene aardigheid.

Er was iets zoo origineels in deze redeneeringen over menschelijkheid, dat Shelby niet kon nalaten met hem mede te lachen. Misschien lacht gij ook waarde lezer, maar gij weet wel, de menschelijkheid vertoont zich tegenwoordig in allerlei vreemde gedaanten en zegt en doet allerlei wonderlijke dingen.

Shelby's lachen bemoedigde den handelaar om voort te gaan.

"Het is wel vreemd, maar ik heb het den menschen nooit in het hoofd kunnen stampen. Daar was Tom Loker, mijn oude compagnon in Natchez; hij was een knappe kerel, dat was Tom, maar een duivel voor de negers—om reden was hij dat, ziet ge, want hij had zulk een goed hart als iemand, die ooit brood gebroken heeft; het was zijn systeem, Mijnheer. Ik placht wel met Tom te praten en te zeggen: "Wel, Tom, als die meiden eens aangaan en huilen, wat baat het dan, ze een gat in den kop te slaan en af te ranselen? Het is belachelijk," zeide ik, "en het doet nooit goed. Ik voor mij zie geen kwaad in het huilen," zeide ik; "dat is hare natuur, en als de natuur niet op de eene manier er uit kan, dan neemt zij eene andere. Bovendien Tom," zei ik, "gij bederft de meiden maar. Zij worden ziekelijk en neerslachtig, en somtijds worden ze leelijk—vooral de gele meiden doen dat. Waarom kunt gij ze niet een beetje flikflooien en mooie woorden geven? Ge kunt er op aan, Tom, een beetje menschelijkheid nu en dan te pas gebracht, helpt veel meer dan uw ranselen, en brengt meer geld op, geloof dat vrij." Maar Tom kon er geen smaak in krijgen, en hij bedierf er nog zooveel, dat ik van hem scheiden moest, hoewel hij een goedhartige kerel was en anders wel verstand van den handel had."

"En gij vindt dus uwe manier van doen voordeeliger dan die van

Tom?" zeide Shelby.

"Ja, mijnheer, dat lijkt wel. Ziet ge, als ik eenigszins kan, ben ik een beetje voorzichtig met onpleizierige dingen, zooals het jonge goed te verkoopen en zoo meer—zend de meiden uit den weg—uit het oog uit het hart, weet ge, en als het afgedaan en niet meer te veranderen is, worden zij er vanzelf aan gewoon. Het is niet als met de blanken, die geleerd hebben te verwachten, dat zij hunne vrouwen en kinderen zullen houden. Negers, die behoorlijk zijn grootgebracht, hebben zulke verwachtingen niet, en dus valt hun dat alles lichter."

"Ik vrees dan, dat de mijne niet behoorlijk zijn grootgebracht," zeide Shelby.

"Dat denk ik ook wel. Gij, in Kentucky, bederft uwe negers. Gij meent het goed met hen, maar het is toch geene ware goedheid. Voor een neger, die door de wereld moet gesold en aan Tom en Dick en de hemel weet wien verkocht worden, is het geene goedheid, als men hem andere denkbeelden en verwachtingen geeft en hem al te goed opbrengt; want dan valt het slingeren en sollen hem naderhand zooveel te harder. Ik durf wel zeggen, uwe negers zouden lang niet in hun schik zijn op eene plaats, waar de meeste plantage-negers zouden zingen en joelen als bezetenen. Iedereen, weet ge, Mijnheer Shelby, denkt natuurlijk goed over zijne eigene manieren, en ik geloof dat ik de negers omtrent zoo goed behandel, als het ooit de moeite waard is ze te behandelen."

"Het is gelukkig als men weltevreden is," zeide Shelby, even zijne schouders ophalende, en blijkbaar met een gevoel van onaangenamen aard.

"Wel, wat zegt ge?" zeide Haley, nadat beiden eene poos stilzwijgend noten hadden geplozen.

"Ik zal eens over de zaak denken en er met mijne vrouw over spreken," antwoordde Shelby. "Ondertusschen, Haley, als gij de zaak op die stille manier wilt uitvoeren, waarvan ge spreekt, deedt ge best niet te laten bekend worden, wat ge hier in de buurt komt doen. Het zal anders onder mijn volk ruchtbaar worden, en dan zal het niet heel stil toegaan, een van hen weg te brengen; dat kan ik u zeggen."

"O zeker, mondje dicht, natuurlijk. Maar ik moet u zeggen, ik heb eene drommelsche haast, en wilde wel zoo spoedig mogelijk weten waar ik op aan kan," zeide Haley terwijl hij opstond en zijn jas aantrok.

"Welnu, kom van avond tusschen zes en zeven uur, dan zult ge mijn antwoord krijgen," liet Shelby hierop volgen, en de handelaar ging buigende heen.

"Hoe gaarne was ik in staat geweest om dien onbeschaamden kerel de trap af te schoppen," zeide Shelby bij zich zelven, toen hij alleen was; "maar hij weet welk een voordeel hij op mij heeft. Als iemand mij ooit gezegd had, dat ik Tom aan een van die schelmsche handelaars uit het Zuiden zou verkoopen, zou ik gezegd hebben: "is uw dienstknecht een hond, dat hij deze zaak zou doen?" en nu moet het er toch toe komen. En Eliza's kind ook! Ik weet wel dat ik daarover onaangenaamheden met mijne vrouw zal hebben; en over Tom ook al. Zoo gaat het als men schulden heeft. O! die kerel ziet zijn voordeel en weet er gebruik van te maken."

Misschien is de zachtste vorm van het stelsel der slavernij in den staat Kentucky te zien. De algemeenheid eener soort van landbouw, waarbij de arbeid stil en bedaard zijn gang gaat, en die geene tijden van overgroote haast en drukte medebrengt, gelijk de landbouw van meer zuidelijke gewesten, maakt daar de taak van den neger gezonder en redelijker; terwijl de meester, tevreden met langzamer geld te winnen, die verzoekingen tot hardvochtigheid niet heeft, welke den zwakken mensch altijd verlokken, wanneer het vooruitzicht op eene snelle en plotselinge winst in eene weegschaal wordt gewogen, die geen ander tegenwicht heeft dan de belangen van weerlooze ondergeschikten.

Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende schaduw—de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren—zoolang het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen—zóólang is het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets schoons of begeerlijks te geven.

Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd—had zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van het voorafgaande gesprek.

Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar iemand van haren meester wilde koopen.

Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar dit onmogelijk.

Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar met verbazing aanzag.

"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen, en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast had moeten krijgen.

Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel.

"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder.

"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord."

"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?"

"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit.

"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt, gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo, maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren."

"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om—om…."

"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk, Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen moet om hem te koopen."

Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare eigene vrees.

Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken, vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht, hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken, in den hemel zou komen.

De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar, was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden moest verwachten.

Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken, ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen.

TWEEDE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

DE MOEDER

Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld.

De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt, welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den naam van George Harris droeg.

Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2].

Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een slaaf van zooveel waarde.

Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien, door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak, zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen, machines uit te vinden en onder gentlemen het hoofd op te steken? Hij zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde en hem terug wilde nemen.

"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat toch niet wat haastig?"

"En al was dat zoo?—Is de man niet van mij?"

"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!"

"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne arbeiders, of ik moet er lust toe hebben."

"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt."

"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem zette, dat kan ik zeggen."

"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een der werklieden er tamelijk ongelukkig op in.

"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen."

George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem, zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd:

"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel zien te helpen."

De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn slachtoffer bezat.

George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon worden—ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden.

Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden, hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten, om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls, en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst poogde terug te brengen.

Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen eigenaar gebracht.

De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken, nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman terug te bekomen.

"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide

Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!"

"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de voorgestelde conditiën aan ons te laten."

"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn, en ik doe met hem wat ik verkies—zoo is het."

En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich, dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen dwingeland kon uitdenken.

Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden, dat erger is.

DERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

DE ECHTGENOOT EN VADER.

Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien, toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in hare schoone oogen.

"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij, dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje, wij hebben den geheelen tijd voor ons."

Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep van hare meesteres.

"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar

Harry! Wat groeit hij!"

Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast.

"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven.

"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was."

Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit.

"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken," zeide hij met teederheid—"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij nooit gezien hadt—dan hadt gij gelukkig kunnen zijn."

"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo gelukkig geweest."

"Dat zijn wij, lieve," zeide George.

Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken.

"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte, dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!"

"O George, hoe kunt gij zoo spreken?"

"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme, ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten, om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was."

"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal er iets…."

"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde, zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende, en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb."

"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester, moet ge denken."

"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik denk—welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij; ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij; ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd, zonder dat ik er hem voor behoef te danken—ik heb het geleerd ondanks hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,—mij af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij, en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken, en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk."

"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch voorzichtig—om mijnentwil—om Harry's wil!"

"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen, neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek, toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis."

"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig.

"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast, en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd, en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!"

Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne jonge vrouw deed beven.

"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt—dat wil ik maar weten," voegde hij er bij.

"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn."

"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen kind grootgebracht—u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen, zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad—dat is wel eene reden, waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt, gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig betaald. Ik wil het niet verdragen—neen, ik wil niet!" zeide hij, en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht.

Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk een hartstocht als riet te zwichten.

"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst, toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en in den vijver te smijten."

"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!"

"Gedaan?—Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast."

"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen."

"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen zoo zijn?"

"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste doet."

"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn, maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet."

"Wat kan er nu nog moeten komen?"

"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken, en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de rivier af zou verkoopen."

"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig.

"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit gezien had—waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter voor ons beiden zijn geweest—het zou beter voor dit arme kind zijn geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren."

"O, maar meester is zoo goed."

"Ja, maar wie weet?—Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon, schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind—dat alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden."

Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich.

"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen, ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar: Mevrouw bedriegt ons nooit."

"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed en vaarwel. Ik ga heen."

"Heen, George—waarheen?"

"Naar Canada," antwoordde hij, zich recht oprichtende, "en als ik daar ben, zal ik u koopen; dat is alle hoop, die ons overblijft. Gij hebt een goeden meester, die niet weigeren zal u te verkoopen. Ik zal u koopen en het kind—als God mij helpt, dat zal ik."

"O schrikkelijk!—Als gij gevat mocht worden!"

"Ik zal mij niet laten vatten, Eliza. Ik zal liever sterven. Ik wil vrij zijn of sterven."

"Gij zult toch u zelven niet ombrengen?"

"Dat zal niet behoeven; zij zullen mij wel ombrengen; zij zullen mij niet levend de rivier afkrijgen."

"O George, om mijnentwil, wees toch voorzichtig. Doe geene goddeloosheid; sla geene handen aan u zelven of iemand anders. Gij wordt al te zwaar verzocht—al te zwaar; maar—gaan moet gij—maar doe het voorzichtig en bid God om u te helpen."

"Welnu, Eliza, hoor dan mijn plan. Meester heeft het in zijn hoofd gekregen om mij hier vlak voorbij te zenden, met een briefje aan Mijnheer Simmes, die eene mijl verder woont. Hij dacht, geloof ik, dat ik wel hier zou komen om u te zeggen wat mij scheelt. Het zou hem verheugen, als hij de Shelby's, zooals hij ze noemt, daarmede verdriet kan doen. Ik ga nu heel stil naar huis, begrijpt ge, alsof ik mij geheel onderwierp en alles afgedaan was. Ik heb nog eenige toebereidselen te maken, en er zijn er wel die mij wel zullen helpen; en na eene week of zoo zal ik onder de vermisten zijn. Bid voor mij, Eliza; misschien zal onze lieve Heer u hooren."

"O bid zelf, George, en ga in vertrouwen op Hem; dan zult gij niets doen wat goddeloos is."

"Welnu dan, vaarwel!" zeide George, Eliza bij de handen vattende en haar in de oogen starende, zonder heen te gaan. Zij bleven zwijgend staan; toen kwamen er nog laatste woorden en snikken en bittere tranen—zulk een afscheid als zij nemen, wier hoop om elkander weder te zien zoo broos als spinrag is; en man en vrouw hadden elkander verlaten.

VIERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

EEN AVOND IN DE HUT VAN OOM TOM.

De hut van Oom Tom was een gebouwtje van boomstammen en planken dicht bij "het huis" gelijk de neger de woning van zijnen meester noemt. Voor deze hut lag een tuintje, waar elken zomer aardbeziën, frambozen en allerlei vruchten en groenten, zorgvuldig gekweekt, welig groeiden. De geheele voorgevel was met eene groote roode bignonia en een wilden rozestruik begroeid, die zich zoodanig door elkander strengelden, dat er bijna niets van de ruwe houtsblokken te zien was. Hier vonden in den zomer ook verschillende eenjarige bloemplanten een hoekje, om hare pracht te laten schitteren, en waren de blijdschap en trots van Tante Chloe's hart.

Laten wij de woning binnentreden. In "het huis" is het avondmaal reeds voorbij, en Tante Chloe, die als eerste keukenmeid het oppertoezicht over de bereiding daarvan heeft gehad, heeft aan de mindere keukenbedienden het wasschen en wegruimen van borden en schotels overgelaten, en is naar hare eigene lieve woning gekomen, om wat voor "haar ouden man" klaar te maken. Dus is zij het zonder twijfel, die gij daar bij het vuur ziet, terwijl zij met oplettende belangstelling het oog houdt op zekere sissende dingen in een braadpan, en somtijds met ernstige bedachtzaamheid het deksel van een ketel oplicht, waaruit een geurige damp opstijgt, die ontwijfelbaar iets bijzonder lekkers aankondigt. Zij heeft een rond zwart gezicht, zoo glanzig, dat het iemand op de gedachte brengt, of het ook met eiwit mocht bestreken zijn, gelijk haar eigen theebanket. Geheel dat ronde gezicht straalt van genoegen en tevredenheid onder haren welgesteven geruiten tulband, maar vertoont ook, dit moeten wij bekennen, een zweempje van die bewustheid van eigenwaarde, welke de beste keukenmeid van den geheelen omtrek voegt, waarvoor Tante Chloe algemeen erkend wordt.

Zij was zeker eene keukenmeid tot in het diepst van hare ziel. Geen kuiken, kalkoen of eend was er op het pleintje bij de schuur of hij keek ernstig en begon aan zijn einde te denken, als hij haar zag naderen, en zeker speelden hare zinnen ook altijd zoozeer op plukken, vullen en braden, dat haar gezicht een nadenkenden vogel moest beangstigen. Hare koeken en koekjes van allerlei soort waren een verheven mysterie voor alle minder ervarene baksters; en zij lachte dat zij schudde, met een mengeling van spotterij en hoogmoed, als zij vertelde van de vruchtelooze pogingen, die deze en gene harer mededingsters hadden gedaan om hare hoogte te bereiken.

De komst van gasten in huis en het beschikken van een diner of souper, "in staatsie", deed al haar ijver en geestkracht ontwaken, en geen gezicht was haar aangenamer dan een hoop reiskoffers onder de veranda opgestapeld, want dit deed haar nieuwe drukte en nieuwe zegepralen te gemoet zien.

Juist op het oogenblik echter kijkt Tante Chloe in de braadpan, en aan die streelende bezigheid zullen wij haar laten, tot wij onze schilderij van hare woning hebben voltooid.

In een hoek stond een bed, netjes met een sneeuwwitte sprei bedekt, en daarnaast lag een stuk tapijt van aanmerkelijke grootte. Op dit tapijt grondde Tante Chloe hare aanspraken op eene fatsoenlijke manier van leven, daar het ontegenzeggelijk iets voornaams was; en dit tapijt en het bed waarbij het lag, ja eigenlijk die geheele hoek werden in zekere eere gehouden, en zooveel mogelijk beveiligd voor strooptochten en aanvallen van het kleine goed. Die hoek was zooveel als staatsiekamer van het huis. In een anderen hoek stond een bed, dat er minder deftig uitzag en blijkbaar tot gebruik bestemd was. De muur tegenover den schoorsteen was met eenige zeer schitterende bijbelsche prenten versierd, en ook met een portret van generaal Washington, geteekend en gekleurd op een manier, waarover die heer zich zeker zelf zou verbaasd hebben, als hij het ooit had kunnen zien.

Op eene ruwe bank in dezen hoek zaten eenige jongens met wollige kroeskoppen, glinsterende zwarte oogen en ronde blinkende wangen, bezig met het opzicht over de eerste loopmanoeuvres van het kleinste kind, die, gelijk doorgaans daarmede het geval is, bestonden in zich even op te richten, een oogenblik op zijne voeten te balanceeren en dan weder om te tuimelen—terwijl elke mislukking als een buitengemeen kunststuk werd toegejuicht.

Eene tafel, eenigszins wankelend op hare pooten, was voor het vuur geschoven en met een tafellaken bedekt, waarop kopjes en schoteltjes met schitterende kleuren en andere voorteekenen van een naderenden maaltijd stonden. Aan deze tafel was Oom Tom gezeten, Mr. Shelby's meest vertrouwde dienaar, wien wij, daar hij de held van ons verhaal zal zijn, met de getrouwheid eener daguerreotype voor onze lezers moeten afteekenen. Hij was een rijzig en forsch gebouwd man met eene breede borst en een glanzig zwart gezicht, welks echt Afrikaansche trekken gekenmerkt werden door eene uitdrukking van ernst en degelijk gezond verstand, met veel goedhartigheid en zachtaardigheid vereenigd. Geheel zijn voorkomen had iets deftigs, alsof het hem niet aan gevoel van eigenwaarde ontbrak; maar deze deftigheid ging met eene vertrouwelijke en nederige eenvoudigheid gepaard.

Hij had op dat oogenblik al zijn aandacht gevestigd op eene lei, die voor hem lag, waarop hij zorgvuldig en langzaam eenige letters poogde na te trekken, in welke bezigheid hij geholpen werd door jongeheer George, een vluggen, schranderen knaap van dertien jaren, die de waardigheid zijner betrekking van onderwijzer ten volle scheen te gevoelen.

"Niet zoo, Oom Tom; niet naar dien kant," zeide hij driftig, toen Oom Tom met stijve vingers den staart van eene g naar den verkeerden kant omhaalde. "Dat wordt eene q, ziet ge wel?"

"O, zoo wordt het?" zeide Oom Tom, met eerbiedige bewondering toekijkende, terwijl zijn jonge meester, tot zijne onderrichting, vlug eene ontelbare rij van g's en q's krabbelde. Daarop nam hij het grifje weder tusschen zijne groote grove vingers en hervatte met geduld zijne taak.

"Hoe gemakkelijk doen blanke menschen altijd iets!" zeide Tante Chloe, even ophoudende, terwijl zij een rooster met een stukje spek aan eene vork insmeerde, en haar jonge meester met zekere trotschheid aanziende.

"Zooals hij schrijven kan! En lezen ook! En dan 's avonds hier te komen en ons zijne lessen te leeren. Het is waarlijk om er pleizier in te hebben."

"Maar, Tante Chloe, ik krijg een geweldigen honger," zeide George. "Is de koek in de ketel niet haast klaar?"

"Haast, jongeheer George," antwoordde Tante Chloe, het deksel oplichtende en eens kijkende. "Hij bruint al mooi—heerlijk bruin. Vertrouw dat maar aan mij. Mevrouw liet Sally laatst eens probeeren om een koek te maken, om haar te laten leeren, zeide zij. Och loop heen, Mevrouw," zei ik. "Het gaat mij waarlijk aan het hart, om dat goede eten zoo te zien bederven! De koek is alles aan één kant gerezen—geen fatsoen aan, niet meer dan mijn schoen. Loop heen."

Met deze laatste uitdrukking van minachting voor Sally's onbedrevenheid, nam Chloe het deksel van den ketel en ontblootte zoo een heerlijk gebakken koek, waarvoor geen stadspasteibakker zich had behoeven te schamen. Daar deze koek blijkbaar de hoofdzaak van het onthaal moest wezen, begon Tante Chloe nu met drukte de tafel gereed te maken.

"Hier gij, Mozes en Peter, uit den weg, gij, negers! Weg, Polly, liefje, maatje zal haar kleintje zoo meteen wat geven. Nu, jongeheer George, neem nu die boeken maar weg en ga bij mijn ouden man zitten, dan zal ik de saucijzen opdoen, en zult ge in minder dan een oogenblik het eerste baksel geroosterde koekjes op uw bord hebben."

"Zij wilde hebben dat ik in huis zou eten," zeide George, "maar ik wist mijn weetje te wel, om dat te doen, Tante Chloe!"

"Ja, dat deedt ge zeker," zeide zij, hem eenige snikheete koekjes op zijn bord schuivende. "Gij weet wel dat uwe oude tante het beste voor u bewaart. Dat weet gij wel—loop heen!"

Daarmede gaf zij George schertsende een duwtje met haar vinger en keerde zich toen met vernieuwden ijver weder naar den rooster.

"Nu aan den ketelkoek," zeide George, toen de geroosterde koekjes nagenoeg op waren, en meteen zwaaide hij een groot mes over het bedoelde gebak.

"Halt, jongeheer George!" zeide Tante Chloe zeer ernstig en hield tegelijk zijn arm vast. "Woudt ge hem met dat groote zware mes gaan snijden? Gij zoudt hem geheel in elkaar drukken en al het mooi van het rijzen bederven. Hier heb ik een oud dun mes, dat ik er met opzet scherp voor houd. Daar, ziet ge, dat gaat er door, zoo licht als een veertje. Eet nu maar,—ge zult niet licht iets krijgen dat lekkerder is."

"Tom Lincoln zegt," zeide George, met een vollen mond sprekende, "dat hunne Jenny beter keukenmeid is dan gij."

"Die Lincolns hebben niet veel te beduiden," zeide Tante Chloe verachtelijk; "ik meen naast ons huis. De lieden zijn fatsoenlijk genoeg, op eene soort van eenvoudige manier, maar om iets met staatsie op te maken, daar hebben zij geen begrip van. Zet jongeheer Lincoln—nu eens naast jongeheer Shelby—och och! En Mevrouw Lincoln—kan zij zoo de kamer inkomen als mijne mevrouw—met zulk eene soort van staatsie, weet ge? Och loop heen—praat me niet van de Lincolns."

"Wel, ik heb u toch hooren zeggen," hervatte George, "dat Jenny eene goede keukenmeid was."

"Dat heb ik ook gezegd en dat mag ik zeggen. Een goeden, eenvoudigen pot kan Jenny koken, en hare korenkoekjes zijn wel niet extra, maar zij schikken,—zij schikken. Maar, och, kom eens hooger, en wat kan zij dan? Zij kan taarten maken,—zeker dat doet zij; maar wat voor soort van korst? Kan ze het echte brosse deeg maken, dat zoo luchtig is als schuim en in den mond wegsmelt? Ik ben daar eens naar toe geweest, toen Miss Mary zou gaan trouwen, en Jenny liet me de bruiloftstaarten zien. Jenny en ik zijn goede vriendinnen, weet ge? Ik zei niets; maar loop heen, jongeheer George! Wel ik zou er geene week van kunnen slapen, als ik zulk een baksel taarten gemaakt had. Neen, ze konden er volstrekt niet door."

"En Jenny zal al gedacht hebben, dat ze heel lekker waren," zeide

George.

"Of ze dat dacht? Zij was immers zoo onnoozel om ze nog te laten zien. Gij ziet, daar ligt het aan; Jenny weet het niet. Och, de familie beduidt niets; men kan niet verwachten dat zij het weet. Het is hare schuld niet. O jongeheer George, gij kent nog niet half het voorrecht van uwe familie en uwe opvoeding." En tante Chloe slaakte een zucht, en liet van aandoening het wit harer oogen zien.

"O zeker Tante Chloe, ik begrijp al mijne taart- en koek-voorrechten," zeide George. "Vraag Tom Lincoln maar, of ik er hem niet mee plaag, zoo dikwijls ik hem zie."

Tante Chloe liet zich op haren stoel zakken, en lachte over deze geestigheid van haren jongen meester tot haar de tranen over de zwarte blinkende wangen rolden. Nu en dan hield zij even op, om George schertsend een klap of stoot te geven, en hem te commandeeren om weg te loopen, en te zeggen, dat hij zeker nog eens haar dood zou zijn: tusschen welke akelige voorspellingen zij telkens weder in eene nieuwe vlaag van lachen uitbarstte, elk harder en langer dan de vorige, totdat George werkelijk begon te denken dat hij een gevaarlijk geestige jongen was, en moest oppassen om niet zóó grappig te zijn als hij wel kon.

"Ei zoo, hebt gij er Tom over gesproken? Och, wat doen die jongens niet al. Wel heb ik ooit! Een paardenvlieg zou er om moeten lachen."

"Ja," zeide George, "ik zei: Tom, gij moest Tante Chloe's taarten eens zien; dat is rechte taart."

"Jammer dat Tom het niet kon," zeide Tante Chloe, op wier menschlievend hart de ongelukkige onkunde van Tom een diepen indruk scheen te maken. "Gij moet hem hier eens ten eten vragen, jongeheer George," vervolgde zij, "dat zou lief van u zijn. Gij weet wel, jongeheer George, gij moogt u boven niemand verheffen op uwe voorrechten, omdat al onze voorrechten ons gegeven zijn. Dat moeten wij altijd onthouden," zeide Tante Chloe met een zeer ernstig gezicht.

"Wel, ik zal Tom aanstaande week eens hier vragen," zeide George; "en doe dan uw best, Tante Chloe, dan zullen wij hem eens laten opkijken. He! zullen we hem niet zoo laten eten, dat hij het in geen veertien dagen te boven komt?"

"Ja, ja, zeker," zeide Tante Chloe opgetogen. "Gij zult eens zien! O! als ik nog aan sommige van onze diners denk! Heugt u nog die groote keukenpastei, die ik maakte, toen wij generaal Knox ten eten hadden? Ik en mevrouw kregen toen haast ruzie over de korst. Wat de dames somtijds in het hoofd krijgen weet ik niet; maar juist als iemand het machtig druk en veel te verantwoorden heeft, nemen zij den tijd waar om in den weg te loopen en overal tusschen te willen komen. Nu wilde Mevrouw mij dit zóó laten doen en dat zóó, en eindelijk werd ik vrijpostig en zeide: nu, Mevrouw, zie eens naar die mooie witte handen van u met lange vingers, en overal schitterende van ringen gelijk mijne witte leliën als de dauw er op ligt; en zie dan naar mijne groote zwarte stomperige handen. Denkt ge nu niet dat de Heer mij moet bedoeld hebben om taartenkorst te maken, en u om in de voorkamer te blijven? Ja, zoo vrijpostig was ik, jongeheer George!"

"En wat zei moeder toen?" vroeg George.

"Wat zij zeide? Wel, zij lachte met hare oogen, die mooie groote oogen, die zij heeft; en toen zeide ze: "Wel, Tante Chloe, ik denk dat gij eenigszins gelijk hebt." Dat zei ze en ging naar de voorkamer. Zij had mij een gat in het hoofd moeten slaan, omdat ik zoo onbeschaamd was; maar zoo is het—met dames in de keuken kan ik niets uitrichten."

"Nu, gij hebt het toch goed gemaakt met dat diner. Ik weet nog wel dat iedereen dat zeide."

"Heb ik niet? En was ik niet achter de deur van de eetzaal dienzelfden dag; en zag ik den generaal niet driemaal zijn bord geven, om nog meer van diezelfde taart; en zeide hij niet: "Gij moet eene ongemeene keukenmeid hebben, Mevrouw Shelby?" O! ik dacht dat ik barsten zou!"

"En de generaal weet wat koken is," vervolgde Tante Chloe, zich trotsch oprichtende. "Heel fatsoenlijk man, die generaal! Hij komt van eene der eerste familiën in Oud-Virginië! Hij heeft er verstand van, zoo goed als ik—die generaal. Weet ge, elke taart heeft haar eisch, jongeheer George; maar het is niet iedereen, die weet wat er de eisch van is. Maar de generaal weet het; dat hoorde ik aan wat hij er van zeide. Ja, hij weet er den eisch van."

Thans was de jongeheer George zoover gekomen, als zelfs een jongen (in buitengewone gevallen) komen kan, zoover namelijk, dat hij inderdaad geen brok meer kon eten; en had dus den tijd om op den hoop wollige kroeskoppen en glinsterende oogen te letten, die in den anderen hoek zijn bedrijf hongerig gadesloegen.

"Hier, gij, Mozes en Peter," zeide hij, milde stukken voor hen afbrekende. "Gij lust ook wel wat, niet waar? Kom, Tante Chloe, bak nog wat koekjes voor hen."

George en Tom kozen nu een gemakkelijk plaatsje in het hoekje van den haard, terwijl Tante Chloe, na een goeden stapel koekjes te hebben gebakken, haar kleintje op haren schoot nam, en aan het werk ging om beurtelings haar eigen mond en dien van het wichtje te vullen, en aan hare twee jongens uit te deelen, die hunne portie liefst schenen op te eten, terwijl zij onder de tafel over den grond rolden en elkander krieuwelden of het schootkindje bij de beenen trokken.

"O, loopt heen, zal je!" zeide de moeder, nu en dan in den blinde een schop onder de tafel gevende, als de beweging al te erg werd. "Kunt ge u niet ordentelijk houden als er blanke menschen bij ons komen? Houdt op daarmee, zal je? Pas op, ik zal je een knoopsgat lager maken, als de jongeheer George weg is."

Wat dit verschrikkelijke dreigement eigenlijk beteekende, is moeielijk te raden; maar de geduchte onduidelijkheid er van scheen toch zeer weinig indruk op de aangesproken kleine zondaars te maken.

"Och," zeide Oom Tom, "zij zijn zoo vol pret, dat zij zich niet goed kunnen houden."

Nu kwamen de jongens onder de tafel vandaan en begonnen met welbestroopte gezichten, het kleine zusje te zoenen.

"Loopt heen!" zeide de moeder, hunne kroeskoppen wegduwende. "Ge zult allen aan elkander blijven plakken en nooit weer van elkaar loskomen. Loopt naar de bron en gaat uw gezicht wasschen!"

Zij bekrachtigde hare vermaning met een klap, die geducht klonk, maar toch de jongens slechts des te harder scheen te doen lachen, terwijl zij over elkander de deur uittuimelden, om hunne pret buiten uit te gieren.

"Hebt gij ooit zulke lastige jongens gezien?" zeide Tante Chloe, maar met zeker welbehagen naar het scheen, nam vervolgens een ouden handdoek, voor zulke dringende gevallen bewaard, schonk het water uit den gebarsten trekpot daarop, en begon de stroop van het kleine gezichtje af te wrijven. Nadat zij het kind gepoetst had tot het blonk, zette zij het Tom op zijne knie, terwijl zij de tafel ging opruimen. Het wichtje gebruikte dien tijd om Tom bij zijn neus te trekken, in zijn gezicht te krabben, en de dikke handjes in zijn wollig haar te verwarren, waarin het vooral vermaak scheen te hebben.

"Is het niet een nest van een meid?" zeide Tom, haar op armslengte van zich afhoudende, om haar eens geheel te overzien; en toen opstaande, zette hij de kleine op zijn breeden schouder en begon met haar te springen en te dansen, terwijl George met zijn zakdoek naar haar sloeg, en Mozes en Peter, die teruggekomen waren, haar als beren aanbromden, tot Tante Chloe verklaarde dat haar hoofd spleet van het leven. Daar echter volgens haar eigen zeggen, hetzelfde ongeluk dagelijks plaats had, deed deze verklaring de vroolijkheid niet verminderen, totdat iedereen zich zelven tot bedaren had gedanst, gesprongen en geschreeuwd.

"Wel, nu hoop ik dat gij gedaan hebt," zeide Tante Chloe, die in eene soort van pakkist, welke zij onder het bed weghaalde, nog een bed had opgemaakt. "Komt aan, Mozes en Peter, maakt dat gij er in komt, want er is eene meeting van avond."

"O moeder, dat willen wij niet. Wij wilden liever opblijven. De meeting is zoo aardig."

"Och, Tante Chloe, schuif het weer weg en laat hen maar opblijven," zeide George, de kist alreeds een duw gevende.

Tante Chloe, aldus een schijn van ordelievendheid bewaard hebbende, scheen blijde dat zij het ding weder weg kon schuiven en zeide, terwijl zij dit deed: "Wel, misschien zal het hun nog wel goed doen."

Men trad nu in ernstig overleg, om aanstalten voor de bijeenkomst te maken.

"Hoe wij het nu met stoelen zullen maken, verklaar ik niet te weten," zeide Tante Chloe.

Daar echter de bijeenkomst sedert onheuglijken tijd wekelijks bij Oom Tom gehouden was, zonder dat men meer stoelen had gehad, scheen men te mogen hopen, dat de zaak zich nu ook wel zou schikken.

"Oude Oom Peter heeft verleden week twee pooten van dien ouden stoel afgewrongen," merkte Mozes aan.

"Loop heen! Ik geloof zeker, dat gij ze er afgebroken hebt," zeide zijne moeder.

"O, hij kan nog wel staan, als hij maar vlak tegen den muur wordt gezet."

"Dan moet Oom Peter er niet op gaan zitten, omdat hij altijd hobbelt als hij aan het zingen komt," zeide Peter. "Laatst hobbelde hij bijna de geheele kamer door."

"Toe! laat hij er dan op zitten", viel Mozes er op in. "He! dan begint hij: "Komt, heiligen en zondaars!" en dan tuimelt hij omver."

Mozes bootste den neusklank des ouden mans zeer getrouw na en liet zich op den grond vallen, om een voorbeeld van de verwachte grap te geven.

"Kom, wees ordentelijk!" zeide Tante Chloe. "Schaamt gij u niet?"

De jongeheer George lachte echter met den kleinen zwarten deugniet mede, en verklaarde volmondig dat Mozes een "platje" was, zoodat de moederlijke vermaning weinig baatte.

"Wel, oude man," zeide Tante Chloe, "dan moeten wij de vaatjes maar weer nemen."

Er werden twee ledige vaten binnengerold, en nadat deze met steenen waren vastgezet, legde men er planken dwars overheen. Met dezen toestel, benevens het omkeeren van eenige tobben en emmers, en het plaatsen der wrakke stoelen, waren de toebereidselen voltooid.

"De jongeheer George is zulk een heerlijk lezer," zeide Tante Chloe nu. "Zeker zal hij wel willen blijven om voor ons te lezen; dat zou zooveel stichtelijker zijn."

George gaf bereidwillig zijne toestemming, want een jongen is altijd gereed voor iets dat hem tot een persoon van gewicht maakt.

Weldra werd het vertrek gevuld met eene zeer gemengde vergadering van den grijzen patriarch van tachtig jaren tot het jonge meisje en den knaap van vijftien. Men had een onschuldig praatje over allerlei onderwerpen, zooals: waar oude Tante Sally haar nieuwen rooden hoofddoek had gekregen, en aan wie Mevrouw Lizzy haar mousselinen japon zou geven, als zij haar nieuwe zijden had laten maken en hoe de jongeheer Shelby een bruin veulen zou koopen, dat de staatsie van het huishouden zou vergrooten. Eenige aanwezigen behoorden tot familiën in de nabijheid en brachten eenige belangrijke berichten mede aangaande het zeggen en doen in huis en op het goed, die even vaardig rondgingen als dezelfde soort van kleine munt in hoogere kringen doet.

Na een poosje begon het zingen, tot blijkbaar genoegen van alle aanwezigen. Zelfs de leelijke gewoonte om door den neus te zingen, kon den indruk der inderdaad fraaie stemmen en der tegelijk wilde en levendige melodiën niet bederven. De woorden waren somtijds de gewone welbekende liederen, die in de kerken in het rond gezongen werden, maar hadden ook somtijds een meer dwependen toon en waren bij veldpredicatiën gehoord en aangeleerd.

Het koor van een dier liederen luidde als volgt en werd met bijzondere kracht en stichting gezongen:

"Sterven op het slagveld,

Sterven op het slagveld,

Heerlijkheid in mijne ziel."

In een ander geliefkoosd lied werden dikwijls de woorden herhaald:

"'k Ga nu naar de heerlijkheid:

Gaat gij met mij mee?

Ziet gij d'engelen niet wenken

Naar de heilige stee?

Ziet gij niet de gouden muren,

Waar de dag zal duren?"

Er waren nog andere, waarin gedurig melding werd gemaakt van den "oever des Jordaans", "de velden Kanaäns", en het "nieuwe Jeruzalem", want het hartstochtelijke gemoed des negers schept vooral behagen in levendige, schilderachtige voorstellingen en uitdrukkingen; en terwijl zij zongen, begonnen sommigen te lachen, anderen te schreien, en sommigen klapten in de handen, of drukten elkander met verrukking de hand, als hadden zij de overzijde der rivier reeds bereikt.

Verschillende vermaningen en verhalen van bevindingen volgden daarop, telkens weder met zingen afgewisseld. Eene oude vrouw, die al lang niet meer werken kon, maar als eene soort van kroniek van het verledene werd geëerd, stond op, en op haar stok leunende zeide zij:

"Wel, kinderen, wel, ik ben machtig blijde, u allen nog eens te zien en te hooren, omdat ik niet weet wanneer ik naar de heerlijkheid zal gegaan zijn; maar ik heb mij geheel klaargemaakt, kinderen; het is alsof ik mijn pakje al gemaakt had en mijn hoed op, zoo wachtende tot de postwagen langs komt en mij medeneemt naar huis. Somtijds in den nacht, denk ik dat ik de wielen al hoor ratelen; en al dien tijd zie ik uit. Weest ook maar gereed, want ik zeg u allen, kinderen," en daarbij stampte zij met haar stok op den vloer, "dat die heerlijkheid een machtig ding is! Het is een machtig ding, kinderen—gij weet er nog niets van—het is wonderbaar!"

En de oude vrouw zette zich weder neder, overstelpt van aandoening en met een stroom van tranen, terwijl de geheele kring aanhief:

"O Kanaän, schoon Kanaän,

Ik ga naar 't land van Kanaän!"

De jongeheer George las daarna op verzoek de laatste hoofdstukken der Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn de beloften nu!"—"Hoor dat nu eens!"—"Denk daar eens aan!"—"Zal dat alles zeker komen?"

George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid, waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was."

Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien, zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten.

Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn.

De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap.

"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen."

Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze, als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid, welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam.

"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande.

"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!"

"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij voorkomt," zeide de handelaar.

"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten in welke soort van handen hij komt."

"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar.

"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoordde

Shelby trotsch.

"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen, daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben."

Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in eenzaamheid zijne sigaar rooken.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAT LEVENDE KOOPWAAR GEVOELT BIJ VERWISSELING VAN EIGENAAR.

Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien, welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende, zeide zij losweg:

"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij ons aan tafel hebt gebracht?"

"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende.

"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?"

"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik laatst naar Natchez was."

"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen alsof hij thuis was?"

"Wel, ik had hem gevraagd—ik had eene rekening met hem te sluiten," zeide Shelby.

"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende.

"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby opziende.

"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat zij hem een bod had hooren doen naar heur kind—dat onnoozele gansje!"

"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende dat hij dien het onderste boven hield.

"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed als ooit."

"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel."

"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn, dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten verkoopen."

"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen."

"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te verkoopen."

"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man—die van kind af uw trouwe dienaar is geweest? O Shelby—en gij hebt hem nog zijne vrijheid beloofd—gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby op een toon tusschen smart en verontwaardiging.

"Welnu,—daar gij alles weten moet—het is zoo. Ik heb toegestemd om Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle dagen doet."

"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan verkoopen moet?"

"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen—dat is het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter zou bevallen."

"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit.

"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor."

"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou, als het van hem gevergd werd."

"Dat weet ik—dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij anders niet helpen."

"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht—zoo getrouw getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen—om mijn plicht aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie, tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen; en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken—over haren plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken, voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en haar kind verkoopen?—verkoopen misschien tot zeker verderf voor lichaam en ziel!"

"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily—waarlijk het spijt mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld—en de prijs van deze twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?"

Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en slaakte een kermenden zucht.

"Dat is Gods vloek op de slavernij!—een bitter, diep vervloekt ding!—een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden—ik dacht dat ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!"

"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist."

"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet, dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en goed heb gehouden—nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben."

"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden," zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel, verleden Zondag?"

"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet stuiten—kunnen het evenmin genezen als wij—maar het verdedigen!—dat streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet veel waarde aan die preek hebt gehecht."

"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat de omstandigheden veroorloofden."

"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde," vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb."

"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen, Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen."

"Is hij dan zoo hardvochtig?"

"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder gevoel—een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk kwaad te willen doen."

"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en van Eliza's kind!"

"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl zij buiten 't gezicht is."

"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan gevoelen. En Eliza—daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons overkomen moet?"

Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets daarvan konden vermoeden.

De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het gesprokene gemist.

Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek, huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw, die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs, bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping, waar haar meesteres sliep.

Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind, met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach als een zonnestraal over het geheele gezichtje.

"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar uwe moeder zal u nog redden."

Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood:

"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar—denk toch niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden—gij zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al uwe goedheid."

Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en haar doek omsloeg.

"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje en mutsje naar het bed kwam.

Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was.

"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen, zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan."

Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten.

Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst om haren hals vastklemde.

De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek, terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte.

De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren.

"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook en krabt aan de deur. Wat op de wereld—! Ik zal de deur maar gaan opendoen."

Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde oogen der vluchteling.

"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek, of wat is u overkomen?"

"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester heeft het verkocht."

"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende.

"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed, en dat die man vandaag bezit van u zou nemen."

Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden, zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën.

"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester hem verkoopen zou?"

"Hij heeft niets gedaan—daar is het niet om. Meester wilde niet verkoopen, en Mevrouw—zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon—dat hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had, en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of allen—zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet; maar Mevrouw—o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd, dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel, en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven, want ik kan het niet laten."

"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken."

Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond, en zeide:

"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders," vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd gereed gevonden—en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe, en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme…."

Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op den grond—zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw, als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart!

"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"—zij keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan, en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk der hemelen weder te zien."

"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij moet niet met mij meeloopen, het goede beest."

Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden, en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop zij stil heen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

DE ONTDEKKING.

Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was, dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen.

"Het verwondert mij waarom Eliza niet komt," zeide Mevrouw Shelby, nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken.

Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen binnen om zijn meester heet water te brengen.

"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij er bij zich zelve zuchtend bij.

Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing.

"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is."

Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de waarheid.

"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit.

"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby.

"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En daarmede snelde hij de kamer uit.

Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van het gewoel om zich heen.

Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes, als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen.

"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy.

"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake.

"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord."

En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen.

Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken; hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg, rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht schoppende, hunne pret uit.

"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne tanden.

"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten achter den rug van den ongelukkigen handelaar.

"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid weggeloopen is met haar jong."

"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby.

"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?"

"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken, moet gij eenigszins de manieren van een gentleman in acht nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar kind is weggeloopen."

"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik bekennen," zeide Haley.

"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende, "wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel trekt, heb ik maar een antwoord voor hem."

De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden.

"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden, bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande, "het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven, en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is."

Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te bedienen, verliet zij de kamer.

"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar te zijn.

"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren spreken," antwoordde Shelby droogjes.

"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley, gemaakt lachende.

"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby hierop.

"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompelde

Haley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren."

Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht—eene voorbeeldelooze gebeurtenis op het goed—bracht er ook niet weinig toe bij om de algemeene spanning te vergrooten.

Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te Washington tot eer zouden zijn geweest.

"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait—zoo is het," zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding, waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn.

"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde hij. "Daar is nu Tom naar omlaag—natuurlijk geeft dat ruimte voor een anderen neger om omhoog te komen—en waarom deze neger niet?—dat is de vraag. Tom het land doorrijden—met gepoetste laarzen—pas in zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten."

"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen," riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende.

"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?"

"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen."

"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo dom niet."

"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken."

"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam, die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet vang. Meester zal zien wat Sam doen kan."

"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken; want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het u betaald zetten."

"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?"

"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei: "vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden; dat zeg ik u."

Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op, zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen.

"Men kan toch nooit iets zeggen,—nooit—van iets op deze wereld," zeide hij eindelijk.

Hij legde zulk een nadruk op het woord deze, alsof hij in verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp beraad tot zijn besluit gekomen was.

"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naar

Lizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij.

"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het."

"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon, welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers gehoord hebben.

"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen."

Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde en trok hard aan zijn halster.

"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O, ik zal u wel mak maken."

Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen, stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken.

"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen rollen. "Nu heb ik hem klaar."

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken, als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of Washington.

"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij u haasten moest."

"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en de Heer weet waar."

"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet", en dergelijke? Dat is goddeloos."

"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets meer zeggen."

"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan."

"Heb ik? O, Heere—ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen."

"Gij moet attent wezen, Sam."

"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter oppassen. Ik zal heel attent zijn."

"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen."

Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen nadruk.

"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen."

"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot.

"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip.

"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch, dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn."

Andy grinnikte.

"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen—en wij zouden hem helpen, zekerlijk."

Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden.

Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken; van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?"

"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd verliezen."

"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere paarden losmaakte.

Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong, die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy schreeuwden—honden blaften hier en daar—en een heele troep zwarte en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde, met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver.

Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren, met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen, schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier, die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven.

Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven, en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de grond van die verwarring was.

Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was.

"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb hem gevangen."

"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn."

"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij neerdruipt."

"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij."

"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat."

"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest."

Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had, besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten, gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid alle mogelijke haast zou maken.

Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks, naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden naar de stalwerf bracht.

"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap, zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo."

Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden uitgelachen.

"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig."

"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?"

"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen."

"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy.

"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt, en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op, Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende talenten; maar aanwennen kan veel doen."

"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had, zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy.

"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien, Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus, Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer eens buitengemeen goed laten onthalen."

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

MOEDERANGST EN MOEDERKRACHT.

Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet.

Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was—van de plaats waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken, en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit.

Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid; maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte, met stuipachtige kracht aan hare borst.

De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken, die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven: "Heere help mij! Heere behoud mij!"

Indien het uw Harry was, moeder, of uw Willie, die u morgenochtend door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden—indien ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan van middernacht tot aan den ochtend—hoe snel zoudt gij dan kunnen gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige uren, met den lieveling aan uwe borst—met het slapende hoofdje op uwen schouder—met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals?

Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg:

"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?"

"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet."

"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?"

"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en een helder licht in hare oogen.

"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?"

"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal, zoodat de zwakken zoo sterk worden.

De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den open weg vond.

Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen.

Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen, begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond, bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen, welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht hem menige halve mijl ver.

Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende, die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande, haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het haar alsof keelkramp haar zou doen stikken.

"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten voort—voort tot wij aan de rivier komen."

En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om bedaard en geregeld voort te stappen.

Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende, dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks, was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven.

Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen; want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis als honger.

De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat waarheid mocht zijn.

Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde.

Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak, was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet, en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden, waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den anderen uitstrekte.

Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine herberg op den oever om eenige navraag te doen.

De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem haar in haar werk stoorde.

"Wat is er?" zeide zij.

"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F*** over te zetten?" vroeg Eliza.

"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden met varen."

Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij zeide vragend:

"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig te zijn."

"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan, in de hoop om nog aan het veer te komen."

"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.—Salomon!" riep zij uit het venster naar een achtergebouwtje.

Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan de deur.

"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten niet overbrengen?"

"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te wagen was," antwoordde de man.

"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan, als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de vrouw er bij en bood hem een koekje aan.

Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis.

"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo gehaast," zeide Eliza.

"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende waarin een goed bed stond.

Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde.

Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar hare vervolgers terug te keeren.

Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken, dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang.

Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was, en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de vensters en de veranda wandelde."

"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging.

"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe het hem gaan zal."

"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide kleine Jake.

"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de Openbaring las—zielen roepende onder het altaar,—roepende tot den Heer om wraak over dezulken,—en eens zal de Heer hen hooren.—dat zal Hij!"

Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt, had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten.

"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy.

"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen.

"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken.

Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het gesprek stond te luisteren.

"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk wezen toewenschen."

"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk goddeloos."

"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem—en de kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden, rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles—drinken en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?"

En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot, en begon in goeden ernst te snikken.

"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom.

"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan niet voor hen bidden."

"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom, "maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is, dat zulke dingen doet—gij moest God danken, dat gij niet aan hem gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat dat arme schepsel heeft."

"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?"

Andy haalde zijne schouders op.

"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest; maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij."

Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen.

"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven, dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen."

"Dank u meester," zeide Tom.

"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt zoo glad als alen."

"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester, heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral sedert ik een Christen ben geworden?"

Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen.

"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen, zou de geheele wereld u niet van mij koopen."

"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby, "zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten."

"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en verhandel hem weer."

"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeide

Mevrouw Shelby.

"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is wat wij allen zoeken, denk ik."

Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde, des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd ongemerkt te doen omgaan.

Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend.

Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen.

"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij gereed was om op te stijgen.

"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno—dat is een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond van de eene of andere soort."

"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden, waarop Sam mompelde:

"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken."

"Maar uw meester houdt geene honden—ik weet haast wel zeker van neen—om negers op te sporen."

Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom onnoozel kijken.

"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij, en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen naar hem toekwam.

"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar."

Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar hem deed.

"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit is de manier niet om Mijnheer te helpen."

"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend, toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den overkant."

"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier: de landweg en de tolweg;—welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?"

Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene nadrukkelijke herhaling.

"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen heeft, die het minst begaan en bereden wordt."

Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen.

"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht.

De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk ernstig bleef.

"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het beste."

"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten.

"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen, maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd ik het voor beter den tolweg te nemen."

Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam wanneer zij daar aankwamen.

"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen."

"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley.

"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?"

Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet compromitteeren.

Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten.

Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in, door de twee negers gevolgd.

De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot.

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt, maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen, zwijg dus maar stil."

Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef.

Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep, eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren, maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd.

"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer van het land zal weten dan iemand die er geboren is?"

"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten."

"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was, en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het gehoord."

Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug en sloegen den gewonen grooten weg in.

Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep, die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed het venster voorbij naar de voordeur.

Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.

De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende, springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.

"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met een vloek.

Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve, niet ver van hare oude woning.

"O, Mijnheer Symmes, red mij—red mij toch—verberg mij!" riep zij uit.

"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van

Shelby is!"

"Mijn kind—dit jongetje—hij heeft hem verkocht! Daar is zijn meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes, gij hebt ook een jongetje!"

"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."

Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.

"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij daarheen gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen—zij zijn aan dat alles gewoon."

"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.

"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft niets te beduiden."

"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"

"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft, zult gij ze hebben."

Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden heen. De man bleef haar staan nakijken.

"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."

Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen, hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest, niet had mogen doen.

Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam en Andy met een verwonderd vragenden blik.

"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.

"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij sprong als een wilde kat."

"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor gelach hooren.

"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.

"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.

"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar hunne hoofden met zijne karwats.

Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren te paard eer hij hen bereikte.

"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast, dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.

"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over Lizzy's brug brachten."

En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun schaterend gelach overwoei.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

ELIZA'S ONTSNAPPING.

Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.

"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"

Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.

Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.

"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat Tom Loker daar is."

Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot, die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange, smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen, stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant, alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte, bedachtzame teugjes uitdrinken.

"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij,

Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.

"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.

De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende vragend aan.

"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."

"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"

"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig aanziende. "Een compagnon misschien?"

"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben geweest."

"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks, eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer Haley, geloof ik?"

"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."

Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt, en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.

Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken; want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven, en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.

"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig gedaan."

"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.

"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf," liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste uitvinding van onzen tijd zou zijn."

"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt, zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."

"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.—"Och, geef mij eens het water aan!—Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens heb ik eene meid gekocht—eene knappe, frissche meid was zij, en tamelijk mooi ook—en die had een jong dat ellendig ziekelijk was, een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken; maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."

"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was—stekeblind. Wel, gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal, grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u, zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit weder boven."

"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. Mijne meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."

"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.

"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren—geen begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij, niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt, of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u, zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt, wel…." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.

"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening, Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder; dat wil ik voor u getuigen."

Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo vriendelijk als hem mogelijk was.

Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing van zedelijk gevoel te ontwaren—geen ongewoon verschijnsel bij heeren van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.

"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden, en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen, als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet ge dat nog wel?"

"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half glas klaren brandewijn uit.

"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel te drijven om er geld mede te winnen, eerst en vooral zoo goed als iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles, want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie mij dat hoort zeggen—en ik denk er ver….d dikwijls aan, zoodat ik het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen, en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."

"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene ziel vinden."

"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"

"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes—die zouden mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel hebt—maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid, dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd van betalen wordt. Bah!"

"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom, hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu, Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"

"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."

"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.

"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die meid er uit, en wat is zij?"

"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."

"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen; wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"

Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.

"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier, waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden, maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens willen zien—meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger zijn, als zij dat deden, weet ge!"

Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.

"Ik doe het," zeide hij.

"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar uwe vuist maar voor tijd van nood."

"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg

Haley nu.

"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde

Loker. "Wat wilt gij anders?"

"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."

Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist op de tafel vallen.

"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij, zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons vinden kunt, staat het u vrij."

"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld Tom, en uw woord gehouden."

"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem; maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."

"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden, waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."

"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."

"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt onredelijk."

"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen, zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet eens pakken—meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken—wat dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"

"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij verkiest; niet waar, Tom?"

"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.

Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen:

"Barnes—Shelby County—jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood of levend, Edward—Dick en Lucy—man en vrouw, zeshonderd dollars; meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen waarnemen.—Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden," zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen tijd geboekt."

"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.

"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien, want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld worden;"—daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen, Mijnheer Haley?"

"Zeker—zoo duidelijk als ik u zie."

"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.

"Zeker zag ik dat."

"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat is de vraag. Wat zegt gij Tom?"

"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.

"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"

"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden," antwoordde Tom beslissend.

"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en…."

"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg [3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"

"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar—"

"Maar wat?"

"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."

"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede," zeide Tom.

"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.

"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch niets van haar, om aan te laten ruiken."

"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek, dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."

"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."

"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar onverwacht pakten," zeide Haley.

"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden terug roepen."

"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.

"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"

"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks…."

Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor dien avond.

Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft, laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt, kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie gerekend worden.

Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde zelfvoldoening naar huis.

Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker, tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.

"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"

"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk vermoeid, Mevrouw."

"En Eliza, Sam?"

"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand mogen zeggen."

"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende, toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.

"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."

Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen en beelden te pas als hij maar kon.

"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom, Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."

"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw—geene moeder? Zijn wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God, reken ons deze zonden niet toe!"

"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar gedaan hebben wat wij moesten doen."

"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde

Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."

"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"

En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in de hand, voor de deur der voorkamer.

"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide

Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"

"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant; het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."

"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.

"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik reed een beetje vooruit—ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen, dat ik mij niet kon inhouden—en toen ik voorbij het venster kwam, daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit, en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed, en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht zeker dat hij haar al had—en toen gaf zij zulk een schreeuw als ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende en springende—en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"

Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten, terwijl Sam dit verhaalde.

"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar waar is het arme kind nu?"

"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb, dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af, anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."

"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid veinzen kon.

Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken, al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette, en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.

"Meester heeft gelijk—volkomen gelijk. Het was leelijk van mij—dat is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen gentleman, gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat wel zien."

"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy moeten wel honger hebben."

"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge buiging en ging heen.

Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver had kunnen brengen—een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.

"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat zij mij met open mond staan aan te kijken."

Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had, met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden, waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom, Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid om die roeping te volgen.

Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had, besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd, geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan, om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.

Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken pan, die eene olla podrida bevatte van alles wat er in de laatste twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen, hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant aan zijne rechterhand.

De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed, dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte, en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte zijner welsprekendheid af te dalen.

"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te verdedigen—ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen; gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft—ik ben de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor uwe rechten strijden—ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."

"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd, dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij voor dat uw praten niet goed samenhangt."

"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens, zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."

Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende schenen te houden. Sam vervolgde:

"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen, dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep, dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn geweten—omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja, beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok; "waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is, dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje hebben; het is nog niet schoon afgekloven."

Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders doen dan voortgaan.

"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende, "is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de gentlemen en de schoone sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"

"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden, daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."

"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch om ze te bekennen—zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden; ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."

"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan, en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij, jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat heel gauw!"

"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest brave jongens."

En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS.

Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom, die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen, welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd doen staan.

"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de kat niet bij haar staart—arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij, toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.

"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb hoofdpijn."

Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes, dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.

"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het is een vervelend werk, dat wetten maken."

En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.

"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"

Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird, dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde oogen op, en antwoordde:

"Niet veel van belang."

"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak, maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."

"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."

"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"

"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid te doen bedaren."

"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"

"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."

Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof, een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding, dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden, om een weerloos katje te steenigen.

"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."

Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een even vastberaden toon:

"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk houdt."

"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?"

"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór gestemd?"

"Juist zoo, mijne schoone politieke dame."

"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop, dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn—die ongelukkigen!"

"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten."

"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen; daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen."

"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen zou stichten…."

"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen gelijk Hij ons beveelt."

"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke redeneering bewijzen…."

"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt ge dat?"

Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar voordeel te vervolgen.

"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen, of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten, zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan."

"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird op zeer gematigden toon.

"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen, dat is mijne leer. Als ik slaven had—ik hoop dat ik ze nooit hebben zal—zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen, en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is; en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!"

"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!"

"Ik heb een hekel aan redeneeren, John, vooral aan het redeneeren over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg, John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt het ook evenmin doen als ik."

Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht, zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen.

Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt."

Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.—Eene jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe, de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen.

"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam, toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan, zou ik denken, aan hare handen te zien."

"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag.

Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?"

Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en stak zijne armpjes uit.

"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit.

"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naar

Mevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!"

"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd."

"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren schoot poogde te komen.

Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef.

Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar, hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig, terwijl haar man deed alsof hij de courant las.

"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne courant neerleggende.

"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien," antwoordde Mevrouw.

"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had zitten peinzen.

"Wel, lieve?"

"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij."

Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird, toen zij antwoordde: "Wij zullen zien."

"Zeg eens, vrouw!"

"Wel, wat nu?"

"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om mij mee toe te dekken, als ik na den eten een dutje doe, dien mocht gij haar ook wel geven. Zij heeft wel warme kleeren noodig."

Op dit oogenblik kwam Dina zeggen, dat de vrouw wakker was en Mevrouw verlangde te zien.

De echtgenooten gingen te zamen naar de keuken, gevolgd door de twee oudste jongens, daar het kleine goed in dien tijd naar bed was gebracht.

De vrouw zat nu op de rustbank bij het vuur. Ze staarde strak in de vlam, met eene kalme treurigheid in haren blik, zeer verschillend van haren vroegeren woesten angst.

"Hebt gij naar mij gevraagd?" zeide Mevrouw Bird vriendelijk. "Ik hoop dat gij u nu beter gevoelt, arme vrouw."

Een diepe, angstige zucht was het eenige antwoord; maar zij sloeg hare donkere oogen op, en zag Mevrouw Bird aan met zulk een jammerlijk smeekenden blik, dat het goede vrouwtje zelve tranen in de oogen kreeg.

"Gij behoeft voor niets bang te zijn. Wij zijn hier vrienden, arme vrouw. Zeg mij, waar gij vandaan komt en wat gij hier zoekt," zeide zij.

"Ik ben uit Kentucky gekomen," was het antwoord.

"Wanneer?" zeide Mr. Bird, het verhoor opvattende.

"Dezen avond."

"Hoe zijt gij dan gekomen?"

"Ik ben over het ijs gegaan."

"Over het ijs gegaan?" herhaalden al de aanwezigen.

"Ja," zeide de vrouw langzaam. "Dat heb ik gedaan. Daar God mij hielp, ben ik over het ijs gegaan; want zij waren achter mij—vlak achter mij—en er was geen andere weg."

"O, Mevrouw!" riep Cudjoe nu uit. "Het ijs is geheel aan schotsen gebroken, en dobbert op en neer op het water."

"Dat weet ik wel," hervatte zij met eenige woestheid. "Maar ik deed het toch. Ik dacht niet, dat ik er over zou komen; maar daar gaf ik niet om. Ik kon maar sterven, als het niet gelukte. De Heere hielp mij. Niemand weet hoeveel de Heere helpen kan, eer hij het beproeft," voegde zij er met flikkerende oogen bij.

"Waart gij slavin?" zeide Mr. Bird.

"Ja, Mijnheer; ik behoorde aan iemand in Kentucky."

"Was hij hard voor u?"

"Neen, Mijnheer! hij was een goed meester."

"Was uwe meesteres dan hard voor u?"

"Neen, Mijnheer! neen, mijne meesteres was altijd goed voor mij."

"Wat kon u dan bewegen om een goed tehuis te verlaten en weg te loopen, en u in zulk een gevaar te storten?"

De vrouw zag Mevrouw Bird aan met een scherpen, uitvorschenden blik, en het ontsnapte haar niet, dat zij in rouw gekleed was.

"Mevrouw," zeide zij plotseling, "hebt gij ooit een kind verloren?"

De vraag was onverwacht en trof eene versche wonde; want het was pas eene maand geleden dat de lieveling der familie naar het graf was gebracht.

Mr. Bird keerde zich om en ging naar het venster, zijne vrouw barstte in tranen uit, en toen zij hare stem terug had, zeide zij:

"Waarom vraagt gij dat? Ik heb pas een kleintje verloren."

"Dan zult gij gevoel voor mij hebben. Ik heb twee kinderen verloren, het eene na het andere. Ik heb ze begraven gelaten waar ik vandaan kwam, en ik had maar dit eene over. Ik sliep nooit een nacht zonder hem; hij was al wat ik had. Hij was mijn troost en mijn trots, nacht en dag; en, Mevrouw, zij wilden hem mij afnemen—hem verkoopen—hem naar het Zuiden verkoopen, Mevrouw, om alleen daarheen te gaan—een klein kind, dat zijn leven lang nooit van zijne moeder was geweest. Dat kon ik niet afwachten, Mevrouw. Ik wist dat ik nooit meer tot iets deugen zou als zij dat deden; en toen ik wist dat de papieren geteekend waren en dat hij verkocht was, nam ik hem op en liep in den nacht weg. En zij jaagden mij na—de man die hem gekocht had, en eenigen van het volk van mijnen meester—en zij kwamen vlak achter mij aan en ik hoorde hen. Ik sprong op het ijs, en hoe ik er over kwam weet ik niet. Het eerste waar ik van wist, was een man die mij op den kant hielp."

De vrouw schreide niet of snikte niet; zij verkeerde nog in een angst, die geene tranen kent; maar allen om haar heen gaven, ieder op zijne manier, blijken van het hartelijkste medelijden.

De twee kleine jongens hadden, nadat zij wanhopig in hunne zakken naar die zakdoeken hadden gezocht, welke moeders wel weten dat daar nooit te vinden zijn, ieder eene slip van hun moeders rok gepakt, en veegden daaraan al snikkende naar hartelust oogen en neuzen af; Mevrouw Bird had haar gezicht geheel in haren zakdoek verborgen; en de oude Dina, wie de tranen over de wangen rolden, riep gedurig met evenveel kracht als bij eene veldpredikatie: "Heere, wees ons genadig!" terwijl Cudjoe, zijne oogen met zijne mouw afwrijvende en eene buitengewone verscheidenheid van scheeve gezichten trekkende, dien uitroep tusschenbeide met hetzelfde vuur herhaalde. Onze senator was een staatsman, van wien men natuurlijk niet verwachten kon dat hij gelijk andere stervelingen zou schreien: hij keerde dus het gezelschap zijn rug toe, keek uit het venster en scheen het bijzonder druk te hebben met zijn keel te schrapen en zijn bril af te vegen; tusschenbeide zijn neus snuitende op eene manier, welke zeker achterdocht had moeten verwekken, indien iemand in staat was geweest om op hem te letten.

"Hoe hebt ge mij dan kunnen zeggen, dat gij een goed meester had?" zeide hij eensklaps, met geweld iets dat hem in de keel scheen te komen bedwingende, en keerde zich eenigszins driftig naar de vrouw om.

"Omdat hij waarlijk een goed meester was—dat zal ik altijd van hem zeggen; en mijne meesteres was ook goed; maar zij konden niet anders. Zij waren geld schuldig, en er was iets dat ik niet zeggen kan, waardoor die man hen dwingen kon, en zij waren genoodzaakt hem zijn zin te geven. Ik luisterde en hoorde hem dat aan mijne meesteres zeggen, en haar voor mij bidden en smeeken; hij zeide haar dat hij niet anders meer kon en dat de papieren al geteekend waren; en toen nam ik hem op en liep weg. Ik wist wel dat ik niet meer kon blijven leven als zij dat deden; want het is mij alsof dat kind alles is wat ik heb."

"Hebt gij geen man?"

"Ja, maar hij behoort aan iemand anders. Zijn meester is waarlijk hard voor hem en wil hem bijna nooit laten gaan om mij te zien; en hij is al harder en harder voor ons geworden en dreigt hem naar het Zuiden te verkoopen. Het is denkelijk, dat ik hem nooit zal weerzien."

De kalme toon waarmede de vrouw dit zeide, had een oppervlakkig opmerker kunnen doen denken, dat zij geheel onverschillig was; maar er sprak eene stille, diepe zielesmart uit hare donkere oogen, die geheel iets anders aanduidde.

"En waar denkt gij nu heen te gaan, arme vrouw?" zeide Mevrouw Bird.

"Naar Canada, als ik maar wist waar dat ligt. Het is heel veraf,

Canada, niet waar?" zeide zij, met hartelijk vertrouwen naar Mevrouw

Bird opziende.

"Arme ziel!" zeide Mevrouw Bird onwillekeurig.

"Het is heel ver weg, denk ik?" herhaalde de vrouw ernstig.

"Veel verder dan gij denkt, arm kind," antwoordde Mevrouw Bird. "Maar wij zullen ons best doen om te overleggen wat er voor u gedaan kan worden. Dina, maak een bed voor haar in uwe eigene kamer, dan zal ik morgen zien wat er voor haar te doen is. Wees ondertusschen niet bang, arme vrouw. Stel uw vertrouwen op God. Hij zal u beschermen."

Mevrouw Bird en haar echtgenoot gingen weder naar de voorkamer. Zij zette zich op haar schommelstoeltje voor het vuur en liet zich peinzend wiegen; terwijl Mr. Bird de kamer op en neer ging en bij zich zelven bromde: "Hm, och! Drommels lastige historie!" Eindelijk kwam hij met een paar groote stappen naar zijne vrouw en zeide:

"Zeg eens, vrouw, zij moet dezen nacht nog hier vandaan. Die kerel zal haar morgenochtend al op het spoor zijn. Als het de vrouw alleen was, kon zij stil blijven schuilen tot hij weder was afgetrokken; maar dat kind zal niet te houden zijn, vrees ik. Het zou zich verraden door uit een raam te kijken of zoo. Het zou eene leelijke geschiedenis voor mij zijn, als die twee nu juist hier betrapt werden. Neen, zij moeten van nacht nog voort."

"Van nacht! Hoe is dat mogelijk? Waarheen?"

"Ik weet al zoo tamelijk wel waarheen," antwoordde de senator en begon zijne laarzen aan te trekken; maar toen zijn eene been half in de laars was, bleef hij met beide handen om zijne knie geslagen peinzend zitten.

"Het is eene verduiveld leelijke, lastige historie; dat is maar zoo," zeide hij eindelijk en begon weder aan de laars te trekken.

Nadat de eene laars aan was, bleef de senator, met de andere in de hand, naar de ruiten op het tapijt zitten staren.

"Het zal toch moeten gedaan worden, zoover ik zien kan. Maar lastig is het," zeide hij weder, trok de andere laars aan en keek eens uit het venster.

Nu was Mevrouw Bird een bescheiden en verstandig vrouwtje—een vrouwtje, dat nooit zeide: "dat heb ik u wel gezegd," en hoewel zij bij deze gelegenheid wel wist welken loop de gedachten van haren echtgenoot namen, was zij voorzichtig genoeg om zich daarmede niet te bemoeien en bleef maar stil zitten, zich gereed houdende om de meeningen van haren heer en meester aan te hooren, wanneer het hem goeddacht die te kennen te geven.

"Gij weet wel," zeide hij eindelijk, "daar is mijn oude cliënt Van Trompe, die uit Kentucky is overgekomen en al zijne slaven in vrijheid heeft gesteld. Hij heeft een goed gekocht, hierachter in de bosschen, zeven mijlen de kreek op, waar niemand ooit komt of het moet met opzet wezen, en dan is de plaats nog niet gemakkelijk te vinden. Daar zal zij veilig genoeg wezen; maar het lastige van de zaak is, dat niemand haar daar van nacht met rijtuig naar toe kan brengen dan ik."

"Waarom niet? Cudjoe rijdt heel goed."

"Ja, ja, maar hier zit het in. Men moet tweemaal de kreek over, en de tweede maal is het gevaarlijk, als iemand de plek niet zoo goed kent als ik. Ik ben daar wel honderdmaal te paard over geweest, en weet nauwkeurig welke draaien men moet nemen. Dus, ziet ge, is er niets anders op. Cudjoe moet tegen twaalf uren zoo stil als hij kan de paarden voorspannen, en ik zal haar brengen. Maar om de zaak een kleurtje te geven, moet hij tot aan de naaste herberg met mij mee, alsof hij mij op den postwagen naar Columbus bracht, die daar tegen drie of vier uren voorbijkomt; zoo zal het schijnen, alsof ik het rijtuig alleen daarvoor gebruikt had. Dan kan ik morgenochtend in de vergadering zijn. Ik denk dat ik mij daar wel wat beklemd zal voelen, na al wat er gezegd en gedaan is; maar verduiveld, ik kan het niet helpen."

"Uw hart is beter dan uw hoofd in dit geval, John!" zeide zijne vrouw, haar handje op zijne hand leggende. "Had ik u ooit kunnen liefhebben, als ik u niet beter gekend had dan gij u zelven kent!"

En het vrouwtje zag er zoo bekoorlijk uit, met de tranen die in hare oogen glinsterden, dat de senator dacht welk een knap man hij toch wel moest wezen, om zulk een aardig wijfje zulk eene hartstochtelijke bewondering voor zich in te boezemen. Wat kon hij dan anders doen, dan stil heengaan om naar het rijtuig te zien! Bij de deur bleef hij echter een oogenblik stilstaan, en toen terugkomende, zeide hij met eenige aarzeling:

"Mary, ik weet niet wat gij er van denkt, maar daar is nog de lade vol goed van—van den lieven kleinen Henry."

Daarmede keerde hij zich snel om en sloot de deur achter zich.

Zijne vrouw opende een slaapkamertje naast hare kamer, zette daar de kaars die zij had medegenomen op een bureau, nam vervolgens een sleutel, stak dien peinzende in het slot eener lade en bleef toen stilstaan, terwijl de twee knapen, die haar, zooals jongens doen, op de hielen waren gevolgd, met veelbeteekenende blikken naar hunne moeder keken. O, moeder, die dit leest, is er in uw huis nooit eene lade of kast geweest, waarbij het u, als gij ze opendeedt, was alsof er een kindergrafje geopend werd? O gelukkige moeder, die gij zijt, als het nooit zoo geweest is!

Mevrouw Bird opende langzaam de lade. Daar lagen kleertjes van verschillenden vorm en stof, stapels schortjes en rijen kousjes; zelfs een paar schoentjes met afgesleten neuzen kwamen uit de vouwen van een papier kijken. Er lag ook eenig speelgoed—een paardje en een wagentje, een tol en een bal—gedachtenissen met menigen traan en menigen zucht opgezameld. Zij zette zich neer, en met haar hoofd in hare handen schreide zij, tot de tranen door hare vingers in de lade droppelden. Toen eensklaps haar hoofd opheffende, begon zij met zenuwachtigen haast het eenvoudigste en sterkste van alles uit te zoeken en maakte een pakje daarvan.

"Mama," zeide een van de knapen, haar zacht aan den arm stootende, "gaat gij dat goed weggeven?"

"Lieve jongens," antwoordde zij met zachten ernst, "als onze dierbare, lieve, kleine Henry uit den hemel neerzag, zou hij zich verheugen dat wij dit doen. Ik zou het hart niet hebben om iets daarvan weg te geven aan een gewoon mensch—aan iemand die gelukkig was; maar ik geef het aan eene moeder, die nog droeviger is dan ik en ik hoop dat God zijn zegen er bij zal zenden."

Er zijn gezegende zielen op de wereld, wier smarten allen in vreugde voor anderen overgaan; wier aardsche hoop, met vele tranen in het graf gelegd, het zaad is waaruit genezende bloemen en balsem groeien voor bedroefden en noodlijdenden. Onder deze behoorde die tengere vrouw, die daar zat en langzaam tranen liet droppelen, terwijl zij de gedachtenissen van haren eigen verloren lieveling voor dien der arme zwervelinge gereed maakte.

Na eene poos opende Mevrouw Bird eene kleerkast, en daaruit een paar sterke japonnen nemende, zette zij zich bij haar werktafeltje en begon met schaar, naald en draad aan het "uitleggen", dat haar echtgenoot had aanbevolen. Zij bleef druk daarmede bezig, tot de klok twaalf sloeg, en zij het zachte geratel van wielen hoorde.

"Mary," zeide haar man, met zijn jas over den arm binnenkomende, "gij moet haar nu wakker maken; wij moeten voort."

Haastig pakte Mevrouw Bird al wat zij verzameld had in een koffertje, verzocht haar echtgenoot om dit in het rijtuig te laten zetten en ging de arme vrouw roepen. Spoedig met een mantel, hoed en doek gekleed, die hare weldoenster hadden toebehoord, kwam deze met haar kind op den arm de deur uit. Mr. Bird haastte haar om in het rijtuig te stappen, zijn vrouw kwam buiten tot aan de trede. Eliza boog zich uit het portier en stak hare hand uit, eene hand even schoon als die haar werd toegereikt. Zij zag Mevrouw Bird aan met oogen vol ernstige beteekenis en scheen te willen spreken. Zij beproefde dit een paar malen en bewoog hare lippen, maar er kwam geen geluid, en naar boven wijzende met een blik dien men nooit vergeten kon, zonk zij achterover op de bank en bedekte haar gelaat. Het portier werd gesloten en de koets reed voort.

Welk een toestand voor een patriotsch senator, die een geheele week lang de wetgevende macht van den staat, waarin hij geboren was, had aangespoord om strengere maatregelen te verordenen tegen de vluchtelingen en medeplichtigen, die hen voorthielpen!

Onze goede senator had zich in de staatsvergadering door geen zijner broederen te Washington laten overtreffen in die soort van welsprekendheid, welke deze heeren een onsterfelijken roem heeft doen verwerven. Hoe statig had hij daar gezeten met zijne handen in zijne zakken en gesmaald op de sentimenteele zwakheid van hen, die het welzijn van eenige ellendige vluchtelingen boven de groote belangen van den staat wilden stellen!

Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven, maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand, van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn, of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet, met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky, zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder, is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze plaats waart?

Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet, uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was.

"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger, die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed met een spoorweg in verband te brengen.

Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken, waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol zwarte modder daartusschen.

Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator, vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken, terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen, die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op, de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind, en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet.

Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier.

"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen moeten leggen."

De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door Cudjoe opgevischt.

Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen en gaan verder.

Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan, en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid, die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken.

De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen; en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio, kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve, met zijn geweten en zijne overdenkingen.

"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers wilt bergen?" vroeg de senator ronduit.

"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk.

"Ik dacht het ook wel," zeide de senator.

"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen, ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij komen; dat maakt voor ons geen verschil."

En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en lachte smakelijk.

Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza.

"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij, naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede sloot hij de deur.

"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen moeten hebben. Ik weet dat alles wel."

De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis.

"Ja, zoo gaat het—of ik het weet," zeide de goede man medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest, dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;—en toen beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk—dat deed ik," zeide John, onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende, waaruit hij een paar glazen vulde.

"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een bed voor u laten maken."

"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan."

"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die weg is al heel slecht."

John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de senator hem een briefje van tien dollars in de hand.

"Het is voor haar," zeide hij kortaf.

"Ja wel," antwoordde John even kort.

Zij gaven elkander de hand en scheidden.

TIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

DE GEKOCHTE WAAR WORDT WEGGEHAALD.

Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de tranen af te vegen die over hare wangen rolden.

Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en de kinderen lagen allen nog te slapen.

Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne kinderen zien.

"Het is de laatste maal!" zeide hij.

Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd, dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende.

"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen hoe zij hen daar op de plantages laten werken!"

"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is."

"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen troost vinden."

"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is dat ik het ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen met mij gebeuren; en de Heere—Hij zal mij helpen—ik weet dat Hij dat zal."

O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel in de keel—maar hij sprak toch dapper en stout.

"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was, daaraan te denken.

"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed, het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten maken, dat gij voor zijne schuld kondt genomen worden. Gij hebt al wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!"

"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon, dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben."

"Nu, er is toch ergens iets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is, dat zie ik duidelijk."

"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen—er valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil."

"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet wanneer gij er weder een krijgen zult."

Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land, van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt."

Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst, waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde—een lot, dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.—Die angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger, koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om weder gevat te worden.

De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in "het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden, haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer groote gelegenheden te voorschijn kwamen.

"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van het kuiken.

Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden: "Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit tehuis zal hebben?"

"O Chloe!" zeide Tom zacht.

"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe."

De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen.

"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme kinderen! Moeder is te driftig geweest."

De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou zijn bewezen.

"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe, spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel—zij zijn er gemeen genoeg toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar, och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden."

Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht, trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret.

"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel verkocht worden, denk ik—waarom niet?—als zij tot iets beginnen te deugen. Negers behoeven immers niets te houden."

Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!"

"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken.

"Tom," zeide zij, "ik kom om…."

Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon te snikken.

"O God, Mevrouw, dat niet—dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen, smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is, uit medelijden geschreid?

"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor kan krijgen; en tot zoolang—vertrouw op God!"

Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur, dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi te achterhalen.

"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?—Uw dienaar,

Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij Mevrouw

Shelby zag.

Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige vonken schenen te veranderen.

Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog schreiende achteraan.

Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar, in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid over hem, vooral onder de vrouwen.

"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede Chloe bij den wagen stond.

"Mijne tranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien ouden duivel, om nog zooveel niet."

"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande, die hem met dreigende blikken aanzagen.

Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels.

Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda:

"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is."

"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier verloren, en kan er niet meer aan wagen."

"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende aan haren rok vasthielden.

"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis moest wezen."

George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen.

"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig.

Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden.

Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht, om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was, en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen, dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als hij terugkwam.

Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden, hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen.

"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien toonende en naar Tom wijzende.

"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch niet verkocht?'

"Ja, dat heeft hij," zeide Haley.

"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste en trouwste…."

"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden; maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken—als ik mij niet vergis."

"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?"

"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk levendig houden," antwoordde Haley.

"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die suikerplantages moet afgewerkt worden."

"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen."

"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?"

"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal vrouwen genoeg."

Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals, en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging.

"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik maar een man was, zouden zij het niet doen—neen, dat zouden zij niet!"

"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed, meer dan ik u zeggen kan."

Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George de kluisters in het oog.

"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in den kop slaan—dat zal ik."

"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt."

"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk—is het geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis."

"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George."

"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom," zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar den winkel te keeren, "hier breng ik u mijn dollar."

"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeide

Tom ontroerd. "Dat nooit."

"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol schelden. Dat zou mij goed doen."

"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed doen."

"Welnu, dan zal ik het niet, om uwentwil," zeide George, en deed Tom haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet, dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet."

"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken."

"Nu, ik meen geen kwaad, Tom."

"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te zijn. Dat zult gij immers, niet waar?"

"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig.

"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden, als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig—dat is natuurlijk. Maar echte gentlemen, zooals ik hoop dat gij er een worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg, jongeheer George."

"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad gegeven."

"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O, jongeheer George, gij hebt alles—kundigheden, voorrechten, lezen en schrijven—en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester, gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George."

"Ik wil waarlijk goed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O, gij zult nog eens een goeden tijd krijgen."

Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand.

"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende, met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen hoe gij Oom Tom behandelt."

"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar.

"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou denken dat gij u laag moest voelen," zeide George.

"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen."

"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest."

En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond, alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn gevoelen.

"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk.

"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart, toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte hem vast tegen zijne borst.

"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen, zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen, als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen, heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld en niet de mijne."

Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand, die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden.

En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der andere personen van ons verhaal te vervolgen.

ELFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

WAARIN EEN SLAAF VOORKOMT DIE GEEN SLAAF MEER IS.

Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange, grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt, met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen—jachtroeren in een hoek bijeengezet—weitasschen, kogelzakken, jachthonden en kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den schoorsteenmantel—eene houding, welke men in Westersche herbergen zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen.

De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd, en een hoogen hoed daar bovenop.

Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige, zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond, dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had van die hoeden eene geheele studie kunnen maken.

Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat—terwijl de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen en weder zwieren—en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden eener landelijke herberg in Kentucky.

De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne vaderen waren groote jagers—menschen, die in de bosschen leefden en onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten; en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het open veld hield—heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras ging liggen, met zijne voeten op een boomstam—laat winter en zomer deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote longen—noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling," en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste schepsel op de wereld.

Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed, met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel, zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden, en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten.

"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer, een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende.

"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom het dreigende eerbewijs ontweek.

"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak en een groot mes uit zijn zak.

"Niets, dat ik weet," was het antwoord.

"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden.

"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke zich afwendende.

"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond, waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging.

De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte, was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant te keeren en spuwde in het vuur.

"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet.

"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf.

Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij het volgende:

"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H.

"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is."

De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde.

De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op, kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote klad tabakssap.

"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten.

"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein.

"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was," antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand het verlangt te weten."

"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook iets in zijn boek.

"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier, waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog: ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel, mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze als menschen en gij zult menschenwerk hebben."

En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch in het vuur.

"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson; "en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel—dat is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren—inderdaad een kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen en zijn meester heeft het patent daarvan."

"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje geteekend zou blijven."

"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou dat niet gebeuren."

"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan.

"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou."

"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper.

Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van een gentleman had, terwijl een zwarte knecht het paard mende.

Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden, ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar de advertentie en las die hardop.

"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?"

"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker."

"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond iets te schrijven had.

De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein, gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat.

De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte, vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem, maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze naar hem toekwam.

"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij herinnert—Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby."

"Ja wel—ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die in een droom spreekt.

Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer gereed was.

"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft."

Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar eene laatste hand aan te leggen.

Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag Mr. Wilson strak in het gezicht.

"George," zeide Mr. Wilson.

"Ja, George," antwoordde de jonkman.

"Ik kon het haast niet denken."

"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd; dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord."

"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u nooit geraden hebben?."

"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George met een trotschen glimlach.

Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht, welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden, ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest, had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had aangenomen, de rol van een gentleman die met zijne bediende op reis was.

Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan:

"Wel, wel, George—ik vermoed dat gij weggeloopen zijt—uw wettigen meester verlaten, George—het verwondert mij wel niet—maar het spijt mij toch ook, George—ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat zeggen. George—het is mijn plicht—om u dat te zeggen."

"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard.

"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land."

"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!"

"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos, is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester—eigenlijk is hij—nu ja, hij gedraagt zich berispelijk—ik wil zijne verdediging niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand; en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond."

"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson," zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek."

"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man, zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een hard geval—zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George—ziet gij dat niet in?"

George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen deed krullen.

"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af, en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt houden. Zoudt gij niet?"

Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel gezond verstand—en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het woord voeren niet eens—om niets te zeggen waar niets gezegd kan worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen:

"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen."

"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt, kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen—den eersten en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn."

"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand komen tegen de wetten van uw land."

"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson, gij hebt een land; maar wat land heb ik, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet—wij stemmen er niet in toe—wij hebben er niets mede te doen. Alles wat zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?"

Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene baal katoen zou kunnen vergelijken—donzig zacht en verward. Hij had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden; maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke volharding "het goede" voor te houden.

"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht, zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden."

En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich zenuwachtig in de vingers.

"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie naar mijn gezicht—naar mijne handen—naar mijne houding," en daarmede richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen zal. Ik heb een vader gehad—een van uwe heeren uit Kentucky—die mij niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen; en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden."

"En toen?"

"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand anders. Zij was een vroom, goed meisje—lid van de baptistenkerk—en even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer; ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen om haar te helpen.—En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,—om niet anders dan dat—en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu, ik groeide op—lang waren de jaren—zonder vader, moeder of zuster, zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen, kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp; en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen, Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen, Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien—gij weet hoe schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel, nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden, van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten, geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was; om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan, Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken, of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij die wetten de wetten van mijn land? Mijnheer, ik heb evenmin een land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil niets van uw land, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél."

Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij ijverig zijn gezicht afveegde.

"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik dat niet gezegd—die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig, mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of—maar gij zoudt beter doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met zenuwachtige onrust opstaande.

"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen."

"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!"

"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid.

"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik vrees haast dat ik niet met overleg handel—loop heen, ik wil niet met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!"

En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood hij dit George aan.

"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is."

"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem het—kom aan, neem het, mijn jongen,"

"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het dan aan," zeide George.

"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te stout. En die zwarte kerel, wie is hij?"

"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen: en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen."

"Heeft hij haar gekregen?"

"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio, om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben, en dan zal hij om haar terugkomen."

"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man.

George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting.

De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere onnoozele verwondering.

"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart geworden."

"Omdat ik nu een vrij man ben, Mijnheer," zeide George met trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester" tegen iemand gezegd. Ik ben vrij."

"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden."

"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson, als het zoover komt," zeide George.

"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier zoo recht naar de naaste herberg te komen."

"Mijnheer Wilson, het is zoo vermetel en de herberg is zoo nabij, dat zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken, en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien, hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de advertentie niet aanhouden."

"Maar het merk in uwe hand?"

George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne hand zien.

"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij, zijn handschoen weder aantrekkende.

"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk—uwe omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson.

"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend heet," antwoordde George.

"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus, Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik dood ben."

George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit.

George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de deur weder en zeide:

"Mijnheer Wilson, nog een woordje."

De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij, als met inspanning:

"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een christen getoond—ik wilde een laatste daad van christelijke liefde van u vragen."

"Wel, George?"

"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij denken—behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje, het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?"

"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan.

"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch, dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe goed hare meesteres ook wezen mag—hoeveel zij van hare woonplaats mag houden, laat zij niet terugkeeren—want slavernij eindigt in ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden, en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat, Mijnheer Wilson; wilt gij?"

"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen waart, hoewel—maar ik wenschte het toch."

"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond.

"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?"

"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van Zijnen troon. Er is een God, George—geloof dat, vertrouw op Hem, en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen—zoo niet in dit leven, dan in een ander."

De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht:

"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er aan denken."

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

EEN PROEFJE VAN WAT ER IN DEN WETTIGEN HANDEL VOORKOMT.

Eene stem is gehoord in Rama, geklag, geween, en groot gekerm; Rachel beweent hare kinderen en wil niet vertroost wezen, omdat zij niet meer zijn.

Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in hunne gedachten zullen vinden.

Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte, breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden, als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen, dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven.

Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek, dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door "onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme, eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed, kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was.

Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen, als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht begrepen. Op dezen toon las hij het volgende:

"Verkoop bij executie.—Negers.—Volgens machtiging van het Hof zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis, in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul, oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford.

Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren."

"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl ik zaken ga doen."

Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg, den ander in de gevangenis.

Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende, spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging, en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen, die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd, was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder; zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren, met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen.

"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het wel schikken kon om u te zamen te verkoopen."

"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop, hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg hun dat—zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij.

Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan, zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken, om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen, om zijne vlugheid te toonen.

"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen—een boel werk, meester."

"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat gelijkt er wel naar."

En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder drentelen.

"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan.

"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de jongsten en op dien knaap bieden."

"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte de man.

"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak met knokken, die haar zout niet waard is."

"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?"

"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de rheumatiek, en nog simpel ook er bij."

"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend.

"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb haar gezien."

"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen; zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu goedkoop op hem toegeven?"

"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven zij er haar op toe."

"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man.

"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes.

Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en greep onwillekeurig haar zoon vast.

"Blijf dicht bij mij, Albert—dicht bij mij—zij zullen ons te zamen opzetten," zeide zij.

"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap.

"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij heftig uit.

De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken, kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden, werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.

"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt."

"Zet ons samen op,—samen, als het u belieft, meester," riep de oude vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende.

"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt het laatst. Kom aan, zwarte, spring!"

En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog.

Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen, tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak.

"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal sterven als gij het niet doet."

"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg ik." En daarmede keerde hij zich om.

Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn, kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers uiteen te gaan.

De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien.

"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat ik er één houden zou—altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij gedurig op een hartbrekenden toon.

"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen droevig.

"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende.

"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat gij een goeden meester hebt gekregen."

"Dat kan mij niet schelen—dat kan mij niet schelen. O, Albert, o, mijn jongen—mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?"

"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar immers geen goed dat zij zoo te werk gaat."

De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding, half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester brachten.

"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit naar de gevangenis.

Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten, die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard, welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten.

La Belle Riviére—zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had bevaren, naar welke zij genoemd was—dreef vroolijk de rivier af, onder eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley, die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen.

"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed, en ik zal mij ook goed houden."

De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester," dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen, moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien, en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze niet zoo aanstonds gereed.

"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John, oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie, "en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!"

"Waar woont zij?" zeide Tom.

"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoordde

John. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon."

Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen, die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten.

En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede.

"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen, "er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven daar beneden."

"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en verontwaardiging.

"Wat is er?" zeide eene andere dame.

"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder.

"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje.

"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men zoo iets ziet."

"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben dan het geval zou zijn als zij vrij waren."

"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen bij voorbeeld."

"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt."

"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee kinderen van u afgenomen en verkocht werden."

"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het jurkje.

"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben—een even fijn gevoel—nog fijner misschien dan wij."

"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het beter hebben, dan wanneer zij vrij waren."

"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zal hij zijn, zegt de Schrift."

"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide een lang man, die er bij stond.

"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet aandruischen."

"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk, niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley.

"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds berouw te zullen hebben, weet ge?"

"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"—hoe heet het ook weer?—en alles zou in orde zijn geweest."

Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht.

Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde, nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij, "dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'"

"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden, zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan.

De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen, toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde.

"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij naar buiten gingen.

De man knikte.

Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem—haren echtgenoot.

Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te dikwerf—die dagelijks herhaald wordt—hoe harten gebroken worden, en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke!

Dit behoeft niet meer herhaald te worden;—elke dag verhaalt het, verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij lang stilzwijgt.

De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem.

"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het gerecht treden."

De handelaar keerde zich zwijgend om.

"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende, "dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän" schijnt bij dezen niet af te doen, he?"

Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds.

"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk wij allen toch moeten, geloof ik."

Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot.

"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad gevaarlijk."

Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust geweten hebben bevonden.

De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden, de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort.

Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen.

Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte en hijgde, en de boot voer weder af.

De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen, zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen.

Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een zachten, onverschilligen toon.

Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel en driftig antwoord gaf.

"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek den gek maar met mij."

"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder, en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen—dus!"

"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering.

"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg wat het is."

"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het is alles in orde, zoover ik zien kan."

De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de reden van hare aandoening was.

"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw.

"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders."

"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier.

"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan haar niet veel schelen, zie ik."

Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over haar hoofd—dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond, maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht.

Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong.

"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?"

"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder.

De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak.

"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede wandelde hij fluitend heen.

Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan, die op een stapel kisten zat te rooken.

De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij:

"Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling."

"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk uitblazende.

"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man.

Haley knikte slechts.

"Voor eene plantage?" was wederom de vraag.

"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor; kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard."

"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben," zeide de man.

"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoordde

Haley en stak eene andere sigaar aan.

"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak neerzette.

"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen, welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker."

"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen."

"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De kleine snaak zal over een maand overal heenloopen."

"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid heeft verleden week een jong verloren—in de waschtobbe verdronken, terwijl zij het goed te drogen hing—en het zou niet kwaad zijn haar dit te geven om groot te brengen."

Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide de vreemdeling:

"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?"

Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk.

"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken.

"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?"

"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen, als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent minder dan vijftig voor hem nemen."

"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken."

"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk.

"Welnu, ik zal u veertig dollars geven."

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste wat ik doen wil."

"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens.

"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?"

"Te Louisville."

"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het kind zal slapen—zooveel te beter—gij kunt hem stil meepakken, zonder schreeuwen of huilen—dat komt heel mooi uit—ik doe gaarne alles met zachtheid—ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder.

Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond, nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid, en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong.

"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid."

De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den hoop menschen die naar de werf gingen.

Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar—het kind was er niet meer.

"Wat—waar?" begon zij verbijsterd van verrassing.

"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen."

De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden, die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht.

De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm.

De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet.

"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen, Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen."

"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof ze op het punt was om te stikken.

Maar Haley bleef aanhouden.

"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen, en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als gij zijt…."

"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op, en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek.

De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan om naar haar te kijken.

"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer bijkomen."

Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige, zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest, zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt, "geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is." Daar Tom echter, gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over hetgeen hij hield voor het kwaad, dat de arme vrouw werd aangedaan, die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en kisten rangschikten, waartusschen het lag.

Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen.

De nacht kwam,—die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw.

"O, wat zal ik doen? O, Heere, o, goede Heere, help mij!" en zoo al gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield.

In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief het hoofd op—de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil, en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven gesloten had.

Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde; want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen."

De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd rond te kijken.

"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom.

Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide dat hij het niet wist.

"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen."

Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord.

De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere, tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de schoorsteenen, maar tevergeefs.

"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er iets van. Maak mij maar niets wijs—ik weet het beter. Ik heb de meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf, en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg, en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets weten—dat kan niet anders."

"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat is al wat ik er van weet."

De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls gezien—was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis met hem gemaakt—hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman, die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij, als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom, hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel op de rekening van verliezen.

Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is het inderdaad niet schrikkelijk?

O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen veracht—nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten.

Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij?

Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel en hij dom, niet waar?

Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u.

Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn, gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en in stand te houden.

Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het declameeren tegen den vreemden slavenhandel? Er is in dit opzicht een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te denken. Maar de negerhandel uit Kentucky—dat is geheel iets anders!

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

DE KWAKERS.

We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke, net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer, zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld, en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens wordt ondersteund—een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel, voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.—En in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht, welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was.

Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten, waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid, die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere, oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag, zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen; waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken van dien stoel gekomen—ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar genezen—geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven—alles door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar!

"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij, voortgaande met hare perziken te bekijken.

"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik kan hier niet blijven."

"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken, mijne dochter."

Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om "moeder" tegen haar te zeggen.

Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk, waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij antwoordde:

"Ik zal—alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets vinden zal."

"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeide

Rachel.

"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er huiverend bij.

"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de eerste zult wezen."

Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed, met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid.

"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen.

"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond, hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn—gelijk de meeste menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van een man verheugde.

"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan ik u gesproken heb."

"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere sluwheid aannam.

"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel.

"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien."

Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het kind binnen.

"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende, "wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!"

"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette, eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien.

"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de moeder, zacht vermanende.

Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel, door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet.

Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje te gaan halen?" waarop Mary weder verdween.

"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden.

"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb beloofd er van avond weder heen te gaan."

"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het verstelwerk zien," zeide Rachel.

"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij, "dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest—ik moet morgen daarnaar toe."

"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen dag blijft," zeide Ruth hierop.

"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon."

Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen.

"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En hoe is het met John?"

"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig.

"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in den oven stak.

"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten met paarden," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord, terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje zijn handen wiesch.

"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza.

"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza, weder binnenkomende.

Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs voor haar was uitgeloofd.

"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het achterkeukentje ging.

"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende.

"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen," zeide Simeon.

"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een gezicht als het ware stralende van blijdschap.

"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen, en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij is een knap, schrander man.—Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde hij er na een oogenblik stilzwijgens bij.

"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier."

Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het achterkeukentje.

"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen."

Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten halsdoek zwierden.

"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons, zullen wij het haar nu zeggen?"

"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was, wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond."

"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende.

"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel niet voor haar kunnen hebben.—Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het haar zegt."

Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen."

Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om.

"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga binnen, ga binnen."

Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon hem hartelijk te kussen.

"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met verbazing aanzag.

Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel nam

Eliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide:

"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is ontkomen uit het huis der dienstbaarheid."

Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij zich neer.

"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen brengen."

"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!"

De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld.

Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt, terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken, en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt; zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen; zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren, en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten.

Zij droomde van een schoon land—een land van rust kwam het haar voor—met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water; en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat snikkend bij haar bed.

Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder" was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen, en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of "dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen.

Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed, er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche welwillendheid—zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden—en toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen, werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam.

Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden gezet.

Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen aan het eten en drinken dat zij aanbood.

Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid.

Hier was hij waarlijk tehuis;—tehuis, eene uitdrukking waarvan hij nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen; terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie, afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon nimmer zullen verliezen.

"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede, onder het boteren van een geroosterd koekje.

"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes.

"Maar als zij u in de gevangenis zetten?"

"Zoudt gij en moeder de hoeve niet kunnen waarnemen?" antwoordde

Simeon met een glimlach.

"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene schande zulke wetten te maken?"

"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven."

"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetsch reformer kan koesteren.

"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen."

Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken."

"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld."

"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig."

"Maar voor mij," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen."

"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats—u en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u; wij moeten niet dralen."

"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?"

"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen."

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

EVANGELINE.

De Mississippi! Hoe zijn als door een tooverstaf de tooneelen langs dien stroom veranderd, sedert Chateaubriand zijne dichterlijke beschrijving gaf van de rivier, voortrollende in een trotsche, onafgebroken eenzaamheid, tusschen onbekende wonderen der planten- en dierenwereld!

Doch als in een uur is deze rivier van romaneske droomen in eene nauwelijks minder romaneske en grootsche werkelijkheid herschapen. Welke andere rivier van de wereld voert op hare golven de schatten en voortbrengselen van nog zulk een land naar den oceaan—van een land waar de natuur alles voortbrengt wat tusschen de keerkringen en de polen te vinden is? Die troebele golven, die bruisend en schuimend voortsnellen, zijn een gepast zinnebeeld van dat voorthollende handelsgetij, over die wateren voortgedreven door een menschengeslacht, driftiger dan de oude wereld er ooit een gezien heeft! Ach, droegen zij maar ook niet eene akelige, schrikkelijke vracht—de tranen der onderdrukten, de zuchten der hulpeloozen, de bittere gebeden der arme, onkundige harten tot een onbekenden God—onbekend, ongezien en zwijgend, maar die toch eens "zal komen om al de armen der aarde te redden."

De schuinsche stralen der ondergaande zon flikkeren over de breede watervlakte der rivier; het trillende riet en de hooge donkere cypressen, met kransen van nog donkerder mos behangen, gloeien in het gouden licht, terwijl de zwaar beladen stoomboot voortvaart.

Met stapels katoenbalen van menige plantage op het dek bevracht, tot zij in de verte op een vierkanten, grijzen klomp gelijkt, drijft zij log voorwaarts naar de naderende markt. Wij moeten eenigen tijd op het volgepropte dek zoeken, eer wij onzen nederigen vriend Tom wedervinden. Hoog op het bovendek, in een hoekje tusschen de alles overstelpende katoenbalen treffen wij hem eindelijk aan.

Gedeeltelijk door de aanbeveling van Mr. Shelby, gedeeltelijk door zijn eigen, stil en onderworpen gedrag, had Tom in zekere mate zelfs het vertrouwen van zulk een man als Haley gewonnen.

In het eerst had deze hem over dag zorgvuldig in het oog gehouden en des nachts nooit ongeboeid laten slapen; maar het geduld en de schijnbare tevredenheid van Tom deden hem langzamerhand deze voorzorgen nalaten, en sedert eenigen tijd was Tom als het ware een gevangene op parool en mocht op de boot gaan waar hij wilde.

Altijd stil en gedwee, en dan gewillig om de werklieden beneden wanneer het noodig was te helpen, had hij de goede meening van al het bootsvolk verworven, en sleet menig uur onder hen, medehelpende aan hun werk met zulk eene hartelijke goedwilligheid, als waarmede hij ooit in Kentucky op het veld had gearbeid.

Als er niets voor hem te doen scheen te zijn, klom hij naar een hoekje tusschen de katoenbalen op het bovendek, en hield zich bezig met in zijnen Bijbel te lezen. Daar is het dan ook, dat wij hem nu vinden.

Honderd of meer mijlen ver boven Nieuw-Orleans is de rivier hooger dan het omliggende land en stuwt zij hare ontzaglijke watermassa tusschen zware dijken van twintig voet hoogte voort. De reiziger op het dek eener stoomboot overziet, als van den trans van een drijvend kasteel, het geheele land mijlen ver in het rond. Tom zag dus in de elkander opvolgende plantages een tafereel van het leven voor zich dat hem wachtte.

Hij zag de slaven aan hunnen arbeid; hij zag in de verte hunne dorpen van hutten in lange rijen tusschen het plantsoen blinken, afgezonderd van het statige huis en den tuin des meesters; en terwijl dit bewegende schilderij hem voorbijschoof, keerde zijn kinderlijk hart terug naar de hoeve in Kentucky met hare oude schaduwrijke beuken, naar het huis van den meester met zijne ruime, koele zalen, en naar de hut dicht daarbij met multiflora en bignonia begroeid. Daar scheen hij de bekende gezichten zijner makkers te zien, die van hunne kindsheid af met hem waren opgegroeid; hij zag zijne werkzame vrouw, bezig met zijn avondmaaltijd gereed te maken, hij hoorde het vroolijk lachen zijner jongens onder hun spel, en het kraaien van het wichtje op zijne knie, en toen was met een gevoel van schrik alles verdwenen, en zag hij weder de moerassen en cypressen van voorbijglijdende plantages, en hoorde hij weder het knarsen en kraken der machinerie, hem maar al te duidelijk zeggende dat zijn vroeger leven geheel voorbij was.

In zulk een geval schrijft gij aan uwe vrouw en zendt gij boodschappen aan uwe kinderen; maar Tom kon niet schrijven, de brievenpost had voor hem geen reden van bestaan, en over de kloof der scheiding lag geene brug, zelfs niet van een vriendelijk woord of teeken.

Is het dan vreemd dat er eenige tranen op zijnen Bijbel vallen, terwijl hij dien op de katoenbaal openslaat en met geduldigen vinger langzaam van woord tot woord zijn weg zoekende, de bijbelsche beloften naspoort? Daar hij laat had leeren lezen, las Tom zeer langzaam en kwam slechts ten koste van moeite en tijd van vers tot vers. Gelukkig was het voor hem dat het boek, hetwelk hij voor zich had, er een is, waaraan langzaam lezen geen kwaad kan doen—integendeel, een boek waarvan de woorden, gelijk goudstaven, dikwijls afzonderlijk schijnen te moeten gewogen worden, eer het gemoed hunne waarde recht kan vatten. Laten wij hem een oogenblik volgen, terwijl hij, van woord tot woord wijzende en ieder woord halfluid uitsprekende,

leest:

"Uw—hart—worde—niet—ontroerd. In—het—huis—mijns—Vaders—zijn—vele—woningen. Ik—ga—heen—om—u plaats te—bereiden."

Toen Cicero zijne lieveling, zijn eenige dochter begroef, had hij een hart even vol van oprechte smart als dat van den armen Tom—misschien niet voller, want beiden waren slechts menschen; maar Cicero kon geene zulke plechtige woorden van hoop lezen, kon naar geene zulke toekomstige hereeniging uitzien, en indien hij ze gelezen had, zou het tien tegen een zijn geweest, dat hij ze niet had geloofd; hij had zich eerst het hoofd moeten breken over de echtheid van het geschrift en de nauwkeurigheid der vertaling. Maar voor den armen Tom waren die woorden, gelijk hij ze daar las, juist wat hij noodig had, zoo blijkbaar waar en goddelijk, dat zelfs de mogelijkheid van eene twijfeling nooit in zijn eenvoudig hoofd opkwam. Zij moesten waar zijn; want waren zij niet waar, hoe kon hij dan leven?

Wat Toms Bijbel aangaat, hoewel deze geene aanteekeningen van geleerde uitleggers op den kant had, was hij toch versierd met zekere merken en aanwijzingen van Tom zelven, die hem meer hielpen dan de geleerdste verklaringen zouden gedaan hebben. Het was zijne gewoonte geweest, zich den Bijbel door de kinderen van zijnen meester te laten voorlezen, inzonderheid door den jongeheer George; en terwijl zij lazen, teekende hij met inktstrepen en figuren de plaatsen aan, die vooral zijne ooren streelden of zijn hart troffen. Zijn Bijbel was zoo van het begin tot het einde met allerlei teekens gemerkt, zoodat hij in een oogenblik zijne geliefkoosde plaatsen kon vinden, zonder de moeite van alles te spellen wat daartusschen stond; en terwijl het boek daar voor hem lag met die aangeteekende plaatsen, die hem alle een vroeger huiselijk tooneel of gelukkig oogenblik herinnerden, scheen zijn Bijbel alles te zijn wat hem van dit leven was overgebleven, zoowel als de belofte van een toekomstig leven.

Onder de passagiers op de boot was een jong heer van vermogen en aanzienlijke familie, die te Nieuw-Orleans woonde en den naam van St.-Clare voerde. Hij had een dochtertje bij zich, tusschen de vijf en zes jaren oud, en eene dame die op beiden betrekking scheen te hebben, en de kleine bijzonder onder haar opzicht had.

Tom had dit kleine meisje dikwijls even gezien, want het was een van die levendige schepseltjes, die men evenmin op eene plaats kan vasthouden als een zonnestraal of een zomerkoeltje, en ook was zij een kind, dat men, als men haar eens had gezien, niet licht weder vergeten kon.

Hare gestalte was het volmaakte van kinderlijke schoonheid, zonder de gewone plompheid van vormen. Zij had eene luchtigheid en liefelijkheid zooals men zich een mythisch of allegorisch wezen zou voorstellen.

Haar gezichtje was minder opmerkelijk door de volmaakte schoonheid der trekken, dan door eene zonderlinge uitdrukking van peinzenden ernst, welke iemand, die dieper doordacht, bijna deed schrikken als hij haar aanzag, en zelfs op de botsten en minst nadenkenden indruk maakte, zonder dat zij recht wisten waarom. De vorm van haar hoofd en de houding van haren hals was bijzonder edel, en de lange bruine lokken, die als eene wolk daaromheen zweefden, en de schrandere ernstigheid harer donkerblauwe oogen—alles onderscheidde haar van andere kinderen, en deed iedereen omkijken en haar aanzien als zij op de boot heen en weder zweefde. Evenwel was de kleine niet wat men een ernstig of zwaarmoedig kind had kunnen noemen. Integendeel, eene vroolijke onschuldige dartelheid scheen, als de schaduw van zomergebladerte over het kinderlijke gezichtje en om geheel hare gestalte te flikkeren. Zij was altijd in beweging, altijd met een halven glimlach op de roode lipjes, heen en weder huppelende met een luchtigen, zwevenden tred bij zich zelve zingende, als in een genoegelijken droom. Haar vader en hare bewaakster moesten haar gedurig naloopen; maar als zij haar hadden opgevangen, verdween zij weder als een zomerwolkje, en daar geen woord van berisping of streng verbod haar ooit in de ooren klonk wat zij ook verkoos te doen, zwierf zij naar willekeur over de geheele boot. Altijd in het wit gekleed, dwaalde zij op allerlei plaatsen rond, zonder zich ooit vuil te maken; en er was geen hoekje boven of beneden, waar dat romaneske hoofdje met gouden lokken en donkerblauwe oogen zich niet liet zien.

Wanneer de stoker van zijnen heeten arbeid opkeek, zag hij die oogen somtijds met verbazing in de gloeiende diepte van het fornuis turen, en dan met angst en medelijden naar hem omzien, alsof zij dacht dat hij in vreeselijk gevaar verkeerde. Dan weder glimlachte de stuurman aan het rad, als dat schilderachtige hoofdje op eens voor hem kwam en in een oogenblik weder verdwenen was. Duizendmaal op een dag riepen ruwe stemmen haar een vriendelijken zegenwensch toe, en gleed een glimlach van ongewone zachtheid over stroeve gezichten; en wanneer zij onbevreesd over gevaarlijke plaatsen trippelde, werden grove, zwartberookte handen onwillekeurig uitgestoken om haar te redden of een weg te banen.

Tom, die de zachte, meewarige inborst van zijn goedaardig geslacht had, dat zich altijd aan het onnoozele en kinderlijke hecht, sloeg dit kleine meisje met dagelijks toenemende belangstelling gade. In zijne oogen was zij bijna iets goddelijks; en wanneer haar gouden hoofdje met de donkerblauwe oogen van achter eene grauwe katoenbaal te voorschijn kwam, of over den rand van een stapel pakken op hem neerzag, geloofde hij bijna dat hem een der engelen uit zijn Nieuw Testament verscheen.

Dikwijls wandelde zij treurig om de plek rond, waar Haley's geboeide troep van slaven en slavinnen zat. Somtijds sloop zij tusschen hen in en zag hen met zekere bevreemding en treurigen ernst aan; somtijds tilde zij met hare kleine handjes hunne ketenen op, en zuchtte dan droevig, als zij weder heensloop. Verscheidene malen stapte zij onverwachts tusschen hen met de handen vol kandijklontjes, noten en sinaasappelen, die zij met blijdschap onder hen uitdeelde, om dan weder heen te snellen.

Tom sloeg dit dametje langen tijd gade, eer hij het waagde een stap tot nadere kennismaking te doen. Hij wist eenvoudige middelen genoeg om de gunst van kinderen te winnen en hen tot zich te lokken, en besloot nu met voorzichtig overleg te werk te gaan. Hij kon aardige mandjes van kersepitten snijden, groteske gezichten van noten, en koddige, springende popjes van vlierpit vervaardigen; en hij was een Pan in het maken van fluitjes van allerlei soort en grootte. Hij had zijne zakken nog vol aardige kleinigheden, die hij in vroeger tijd voor de kinderen van zijnen meester had opgezameld en thans met voorzichtige spaarzaamheid een voor een te voorschijn haalde en als lokmiddelen tot kennismaking en vriendschap aanwendde.

In weerwil van al hare levendige belangstelling in hetgeen er om haar heen voorviel, was het meisje schuw en niet gemakkelijk te temmen. Een tijdlang bleef zij als een vogeltje op eene kist of baal dicht bij Tom zitten, en nam van hem zoo, met zekere schroomvalligheid en beschaamdheid de kleinigheden aan die hij haar aanbood. Eindelijk kwamen zij echter op een zeer vertrouwelijken voet met elkander.

"Hoe heet het kleine juffertje," vroeg Tom toen hij meende ver genoeg te zijn gekomen om zulk eene vraag te doen.

"Evangeline St.-Clare," antwoordde de kleine, "hoewel papa en iedereen mij Eva noemen. En hoe heet gij nu?"

"Mijn naam is Tom, en de kleine kinderen, daar heel ver in Kentucky, plachten mij Oom Tom te noemen."

"Dan wil ik u ook Oom Tom noemen, omdat ik van u houd, weet ge," zeide Eva. "Dus Oom Tom waar gaat gij naar toe?"

"Dat weet ik niet, jongejuffrouw Eva."

"Weet gij dat niet?"

"Neen. Ik zal aan iemand verkocht worden en ik weet niet aan wien."

"Mijn papa kon u wel koopen," zeide Eva snel; "en als hij u koopt, zult gij goede dagen hebben. Ik zal het hem vragen, vandaag nog."

De boot bleef nu stilliggen om hout in te nemen, en toen Eva de stem van hare vader hoorde, huppelde zij heen. Tom ging naar voren, om zijn dienst aan te bieden bij het hout inladen en was spoedig daarbij aan het werk.

Eva en haar vader stonden bij het dek om de boot te zien afsteken, en het rad had een paar malen omgedraaid, toen door eene onverwachte beweging de kleine Eva het evenwicht verloor en over den kant in het water stortte. Haar vader, nauwelijks wetende wat hij deed, wilde haar terstond naspringen, maar werd door de lieden, die achter hem stonden en zagen dat het kind reeds betere hulp kreeg, vastgehouden.

Tom stond vlak onder haar op het benedendek [6] toen zij viel. Hij zag haar in het water plompen en zinken en sprong haar oogenblikkelijk achterna. Het kostte den forsch gespierden zwemmer geene de minste moeite, een korte poos te blijven drijven, tot het kind weder bovenkwam; toen greep hij de kleine, zwom naar de boot, en reikte haar druipende aan de honderden handen toe, die, alsof zij aan één persoon behoorden, werden uitgestoken om haar aan te nemen. Nog eene korte poos en haar vader droeg haar bewusteloos naar de dameskajuit, waar, gelijk in zulke omstandigheden meestal het geval is, een welmeenende wedstrijd ontstond, wie het meest zou doen om noodelooze opschudding te maken, en het herstel der kleine drenkelinge op alle mogelijke manieren te verhinderen.

Des anderen daags, met zoel en benauwd weder, naderde de stoomboot Nieuw-Orleans. Een algemeen gewoel van toebereidselen om te landen heerschte op de boot. In de kajuit was deze en gene bezig met reeds zijn goed bijeen te zoeken; en de hofmeester en de kamermeid waren met nog anderen aan het schoonmaken, boenen en poetsen, opdat de prachtige boot in volle staatsie zou aankomen.

Op het benedendek zat onze vriend Tom met zijne armen over elkander, en keek van tijd tot tijd angstig naar een groep aan den anderen kant van de boot.

Daar stond de bevallige Evangeline, een weinig bleeker dan den vorigen dag, maar anders zonder eenig spoor van het ongeluk dat haar getroffen had. Een welgemaakt en welgekleed jongman stond naast haar, met den elleboog leunende op een katoenbaal, waarop eene portefeuille was nedergelegd. Het was met een enkelen blik duidelijk te zien, dat die heer Eva's vader was. Hij had denzelfden edelen gelaatsvorm, dezelfde blauwe oogen, hetzelfde goudachtig bruine haar, maar de uitdrukking was toch geheel verschillend. In de heldere blauwe oogen ontbrak, hoewel teekening en kleur volkomen overeenstemden, die peinzende, mijmerende uitdrukking: alles was licht en helder, maar het was een licht geheel van deze wereld; de fraai besneden mond had eene trotsche, eenigszins spottende uitdrukking, terwijl zeker gevoel van meerderheid, ongedwongen aan den dag gelegd, in al zijne bewegingen doorstraalde. Hij luisterde met onverschillige vriendelijkheid, waarin zekere schertsende minachting doorstraalde, naar Haley, die met groote woordenrijkheid uitweidde over de goede hoedanigheden van een artikel dat hij te koop had.

"Alle zedelijke en christelijke deugden compleet, in zwart marokijn gebonden," zeide hij, toen Haley eindelijk zweeg. "En nu, goede man, kortaf, wat moet dat ding nu kosten? Voor hoeveel zult gij mij beetnemen? Spreek maar op!"

"Wel," antwoordde Haley, "als ik dertienhonderd dollars voor dien kerel zeide, zou ik maar juist geene schade hebben, dat zou ik waarlijk."

"Arme man," zeide de ander, zijne scherpe, spottende oogen op hem vestigende. "Maar ik geloof dat ge mij hem daarvoor toch geven zoudt, uit bijzondere achting voor mij?"

"Wel, de jongejuffrouw schijnt op hem gesteld te zijn, dat is natuurlijk genoeg."

"O, zeker, dat is een beroep op uwe welwillendheid mijn vriend. Zeg nu eens uit christelijke menschlievendheid hoe goedkoop zoudt ge hem kunnen geven om eene jonge juffrouw pleizier te doen, die bijzonder op hem gesteld is?"

"Wel, denk er eens over," zeide de handelaar. "Kijk eens naar die beenen—en wat een breede borst, zoo sterk als een paard. Zie eens naar dat hoofd; die hooge voorhoofden teekenen altijd schrandere negers, van wien men alles gedaan kan krijgen. Dat heb ik opgemerkt. Nu is een neger van zulke makelij al een goede som waard, alleen, mag men wel zeggen, voor zijn lichaam, al is hij dom; maar als men nu zijne verstandelijke vermogens er bij rekent—en ik kan bewijzen, dat die buitengemeen zijn—dan moet hij natuurlijk hooger komen. Ik kan u zeggen, die kerel heeft de geheele hoeve van zijn meester bestuurd. Hij heeft een overleg zooals men weinig vindt."

"Dat is erg, heel erg. Dan weet hij veel te veel," zeide St.-Clare met denzelfden spottenden glimlach. "Die knappe kerels loopen gedurig weg en stelen paarden, en spelen over het geheel den drommel. Mij dunkt, gij moest er een paar honderd afnemen, omdat hij knap is."

"Wel, daar zoudt ge wel eenigszins gelijk in kunnen hebben, als het niet om zijn karakter was; maar ik kan u recommandatiën van zijnen meester en anderen laten zien, om te bewijzen dat hij een van de vromen is—zoo nederig en vroom als gij er ooit een gezien hebt. Men noemde hem zelfs een prediker in die streek waar hij vandaan komt."

"Dan zou ik hem misschien voor huiskapelaan kunnen gebruiken," zeide St.-Clare droogjes. "Geen kwade inval. De godsdienst is bij ons in huis eene bijzonder schaarsche waar."

"Nu steekt gij er den gek mede."

"Hoe weet gij dat? Hebt gij mij niet verzekerd dat hij een prediker was? Is hij door een synode of concilie geëxamineerd? Kom, laat uwe papieren maar eens zien."

Als de handelaar niet door zekere flikkering in de groote blauwe oogen verzekerd was geworden, dat al dat schertsen eindelijk toch op een koop zou uitloopen, zou hij misschien wel wat ongeduldig zijn geworden; maar thans legde hij zijn portefeuille op een baal katoen en zocht met ijver eenige papieren daaruit op terwijl de ander met een onverschillig spottend gezicht bleef staan toekijken.

"O, Papa, koop hem toch! Het komt er immers niet opaan wat gij betaalt," fluisterde Eva, nadat zij op een pak was geklommen en haar arm om heur vaders hals had geslagen. "Gij hebt geld genoeg, dat weet ik wel; en ik wou hem hebben."

"Waarom, poesje? Zult ge hem als hobbelpaard gebruiken, of wat wilt ge met hem doen?"

"Ik wil hem gelukkig maken."

"Dat is zeker eene origineele reden."

Nu gaf de handelaar een certificaat over, met den naam van Shelby onderteekend, hetwelk St.-Clare met de toppen zijner lange vingers aannam en onverschillig doorkeek.

"Eene fatsoenlijke hand," zeide hij, "en goed gespeld ook. Maar van zijne godsdienstigheid ben ik toch nog niet zeker," vervolgde hij, terwijl het spotachtige flikkeren in zijn oog terugkwam. "Het land wordt bijna geruïneerd door de vrome blanken. Bij de verkiezingen voor kerk en staat ziet men zooveel vroomheid, dat iemand niet weet wie hem nog het meest zal foppen. Dan weet ik ook niet of de godsdienstigheid nu wel hoog aan de markt is. Ik heb in lang niet in de courant gezien hoeveel zij geldt. Hoeveel honderd dollars hebt gij er wel voor zijne godsdienstigheid opgelegd?"

"Gij steekt er den gek nu maar mee," antwoordde de handelaar; "maar gij hebt toch wel eenigszins gelijk. Ik weet wel dat er verschil in godsdienstigheid is. Sommige soorten zijn ellendig; men heeft vroomheid die in praten, zingen en bulderen bestaat, en die tel ik niet bij blanken of bij negers. Maar dit is de echte soort; en die heb ik even dikwijls bij negers gezien als bij iemand anders, die stille, eerlijke, oprechte, gestadige godsdienstigheid van zulke vromen, die de geheele wereld niet zou kunnen verleiden om iets te doen dat zij voor kwaad hielden; en gij ziet in dien brief wat Toms oude meester van hem zegt."

"Welnu," zeide St.-Clare ernstiger, "als gij mij verzekeren kunt dat ik deze soort van vroomheid werkelijk kan koopen en dat zij in het boek daar boven op mijne rekening zal worden gezet, als iets dat mij toebehoort, wil ik er niet op zien om er iets extra voor te betalen. Wat zegt gij?"

"Ja, dat kan ik werkelijk niet doen," antwoordde Haley. "Ik denk dat daar ginder ieder op zijn eigen wieken zal moeten drijven."

"Het is wel hard voor iemand, die voor godsdienstigheid extra betaalt, dat hij ze niet kan laten gelden in het land waar hij ze meest zou noodig hebben, vindt ge niet?" hervatte St.-Clare, en zocht al sprekende eenige banknoten uit. "Daar, tel uw geld maar, oude jongen," vervolgde hij, de banknoten aan Haley overgevende.

"In orde," zeide Haley met een gezicht dat van blijdschap straalde; hij haalde daarop een inktkoker uit en ging een koopbrief invullen, dien hij vervolgers aan St.-Clare overgaf.

"Het zou mij benieuwen," zeide deze, "als ik eens verdeeld en geïnventariseerd werd, hoeveel ik wel zou opbrengen. Zeg zooveel voor den vorm van mijn gezicht, zooveel voor een hoog voorhoofd, zooveel voor armen, handen en beenen; zooveel voor beschaving, kundigheden, talenten en godsdienst. Och, dat laatste artikel zou weinig uitmaken, denk ik. Maar kom, Eva," vervolgde hij, nam zijn dochtertje bij de hand en stapte met haar de boot over.

"Kijk eens op, Tom," zeide hij vriendelijk en tikte Tom even met den vinger onder de kin; "en zie hoe uw nieuwe meester u bevalt."

Tom zag op. Het was onmogelijk dat vroolijke, jeugdige, wel besneden gezicht zonder welgevallen aan te zien, en Tom voelde de tranen in zijne oogen komen toen hij hartelijk zeide:

"God zegene u, meester."

"Wel, ik hoop dat Hij het doen zal. Misschien zal Hij het op uw vragen nog eer doen dan op het mijne, naar al wat ik hoor. Kunt ge rijden, Tom?"

"Ik ben altijd met paarden gewend geweest," antwoordde Tom. "Mijnheer

Shelby fokte er veel aan."

"Welnu, ik geloof dat ik u op eene koets zal zetten, Tom, onder voorwaarde dat ge niet meer dan eens in de week dronken zijt, behalve in geval van groote noodzakelijkheid."

Tom keek verwonderd en eenigszins beleedigd op en antwoordde:

"Ik drink nooit, meester."

"Dat heb ik meer hooren zeggen, Tom: maar wij zullen zien. Het zal een bijzonder gemak wezen voor allen wie het aangaat, als het waar is. Trek het u maar niet aan, jongen," vervolgde hij vriendelijk, toen hij zag dat Tom nog ernstig keek: "ik twijfel er niet aan of gij meent het goed."

"Zeker doe ik dat, meester," zeide Tom.

"En gij zult goede dagen hebben," zeide Eva nu. "Papa is heel goed voor alle menschen, maar hij wil ze maar altijd uitlachen."

"Papa is u zeer verplicht voor uwe recommandatie," zeide St.-Clare lachende, keerde zich om en ging heen.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN.

Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins met hen te doen kennis maken.

Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders, weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden, opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden.

In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in vlam gezet. Zijn uur kwam—het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster rees aan den horizon—die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat, om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende belle van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje, een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk hield iedereen hem voor een gelukkig man.

Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij, maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk:

"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles wat ik hoorde. Ik was wanhopig. Ik ben getrouwd en alles is voorbij. Vergeten—dit is het eenige wat ons beiden overblijft."

En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine St. Clare. Doch het werkelijke bleef over—het werkelijke, gelijk het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven, met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen, met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen—en lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem.

Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet, wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten, drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten, lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk leven noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen doen—gelijk vrouwen dat kunnen—om de gebroken levensdraden weder aan te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen.

Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen, raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij, dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had, was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan, eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets dat naar teederheid geleek ontwaken.

St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven, scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen werkeloosheid naar het lichaam en den geest—het uitputtende van gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking, welke het kraambed naliet—dat alles veranderde in den loop van weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte, ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield.

Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen, hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen aan onze lezers hebben voorgesteld.

Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren.

Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting, geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime, zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize, Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was—zij heeft met deze meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd," en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen, schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht.

Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het land te oordeelen.

De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de heidenen te gaan.

Het werd bij den dominee, bij den dokter en bij Miss Peabody, de wollenaaister, bekend, dat Ophelia St.-Clare er over praatte, om met haren neef naar Orleans te gaan, en natuurlijk kon het geheele dorp niet minder doen dan er mede over helpen praten. De dominee, die tot de abolitionistische begrippen overhelde, twijfelde of zulk een stap de Zuiderlingen niet eenigszins in het stelsel der slavernij zou kunnen steunen; terwijl de dokter, die een ijverig colonisationist was, tot het gevoelen overhelde dat Miss Ophelia behoorde te gaan, om de lieden van Orleans te toonen dat zij toch zoo slecht niet over hen dachten. Toen het echter volkomen zeker was dat zij gaan zou, werd zij veertien dagen achtereen door alle vriendinnen en geburinnen op de thee gevraagd, en bij die gelegenheid werden hare plannen en vooruitzichten naar behooren onderzocht en besproken. Miss Mosely, die aan huis kwam om te helpen naaien, kon dagelijks nieuwe berichten geven aangaande den voorraad van onder- en bovengoed dien Miss Ophelia zou medenemen. Men vernam aldus, dat de oude Sinclare, gelijk zijn naam gewoonlijk werd samengetrokken, zijne dochter vijftig dollars had gegeven, met vrijheid daarvoor te koopen wat zij noodig achtte, en dat men twee nieuwe zijden japonnen en een hoed van Boston had laten komen. Over het voegzame van zulke buitengewone onkosten waren de stemmen van het publiek verdeeld; sommigen zeiden dat men, alles in aanmerking genomen, voor eene enkele maal zoo iets wel doen mocht; en anderen beweerden dat men het geld liever aan de zendelingen had moeten geven; maar allen kwamen daarin overeen, dat men nog nooit zulk een parasol had gezien als er uit Nieuw-York was gekomen, en dat de eene zijden japon heel wel in staat was om alleen op zich zelven te staan, wat men ook in dit opzicht van de eigenares mocht zeggen. Er liepen ook geloofwaardige geruchten van gestikte zakdoeken; en men wilde zelfs zeggen dat Miss Ophelia één zakdoek had, rondom met kant bezet—sommigen voegden er ook bij met geborduurde hoeken; maar dit laatste punt werd nooit geheel uitgemaakt en blijft tot heden toe onbeslist.

Miss Ophelia, gelijk gij haar nu ziet, staat voor u in een reisgewaad van blinkend bruin linnen, rijzig, beenderig en hoekig van figuur. Haar gezicht was mager en had tamelijk scherpe trekken; de lippen waren dichtgeknepen, gelijk van iemand die gewoon is over alle voorkomende dingen terstond eene beslissende meening op te vatten, terwijl hare donkere oogen een bijzonder bedachtzaam zoekenden blik hadden, en over alles heen en weder gingen, alsof zij naar iets zochten waarop gelet en gepast moest worden.

Al hare bewegingen waren snel, vast en krachtig, en hoewel zij nooit veel sprak, waren, wanneer zij dit deed, hare woorden altijd bijzonder puntig en bondig.

In hare gewoonten en manieren was zij de orde, regelmatigheid en nauwkeurigheid in eigen persoon. Zij paste op haren tijd met de juistheid van eene klok en de onverbiddelijkheid van een spoortrein, en voor alles wat zich niet aan zulk een regel hield, koesterde zij evenveel minachting als afkeer.

De allergrootste zonde in hare oogen—de som van alle kwaad—werd aangeduid door eene veel gebezigde en zeer gewichtige uitdrukking in haar woordenboek;—"onbeholpenheid." Haar ultimatum van afkeuring bestond in het nadrukkelijk uitspreken van het woord "onbeholpen;" en daarmede bestempelde zij alle bedrijven en manieren van handelen die niet duidelijk en rechtstreeks op een bepaald doel afgingen. Menschen, die niets deden of niet recht wisten wat zij deden, of niet den kortsten weg namen om uit te voeren wat zij begonnen, waren voorwerpen van hare diepe verachting, eene verachting, welke zij doorgaans minder toonde door iets dat zij zeide, dan wel door zekere steenachtige norschheid van uitzicht, alsof zij het beneden zich achtte iets van de zaak te zeggen.

Wat hare verstandsontwikkeling betrof, zoo had zij een helder en krachtig oordeel, was welbelezen in de geschiedenis en de oudere Engelsche klassieke schrijvers, en redeneerde zeer juist binnen zekere beperkte grenzen. Haar godgeleerde stellingen waren alle in den meest bepaalden en duidelijken vorm gebracht, en werden zoo bewaard gelijk de pakjes garen in haar naaikistje: er waren juist zooveel en er moest nooit eene meer zijn. Zoo was het ook gelegen met hare meeste denkbeelden over wereldsche zaken, bij voorbeeld over het huishouden in al zijne takken, en de politieke aangelegenheden van het dorp harer geboorte. Doch onder dat alles, dieper, breeder en hooger dan iets anders, lag het krachtigste beginsel van haar gemoed—nauwgezetheid van geweten. Nergens heerscht het geweten zoo geheel en boven alles, als bij de vrouwen van Nieuw-Engeland. Het is de granietformatie welke het diepste ligt, en toch zelfs tot aan de toppen der hoogste bergen oprijst.

Miss Ophelia was de slavin van het "moeten." Wanneer het haar eens duidelijk bleek, "dat de baan van haren plicht," gelijk zij het gewoonlijk uitdrukte, in zekere richting lag, konden vuur en water haar niet daarvan doen afwijken. Zij zou recht op een afgrond of op de tromp van een geladen kanon zijn afgegaan, indien zij maar zeker was geweest dat de baan van haren plicht daarheen voerde. Haar regel van recht en plicht was zoo verheven, zoo alles omvattend, ging tot in zulke kleine bijzonderheden en kende zoo weinig oogluiking voor menschelijke zwakheden, dat zij, hoewel zij met heldhaftigen ijver naar haar eigen ideaal streefde, dien toch nooit bereiken kon, en daardoor natuurlijk steeds een kwellend gevoel van hare tekortkomingen met zich omdroeg. Dit gaf hare godsdienstige stemming eene strenge en eenigszins sombere kleur.

Maar hoe in de wereld kan Miss Ophelia met Augustine St.-Clare te recht komen—een vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig, vergeetachtig, ongodsdienstig jongmensch, die met onbeschaamde vrijpostigheid tegen al hare geliefkoosde meeningen en gewoonten aanloopt?

Om dan de waarheid te zeggen, Miss Ophelia had hem lief. Toen hij nog een kind was, was zij het die hem zijnen catechismus moest leeren, zijne kleeren verstellen, zijne haren kammen, en over het geheel hem onder opzicht en bedwang houden; en daar haar hart ook een warmen kant had, was het Augustine gelukt zich een groot gedeelte daarvan toe te eigenen, en zoo was het hem niet moeielijk geweest haar te overreden, dat "de baan van haren plicht" in de richting van Nieuw-Orleans lag, en dat zij met hem mede moest gaan om op Eva te passen, en te zorgen dat niet alles door de bestendige ziekelijkheid zijner vrouw in de war liep en hij eindelijk geruïneerd werd. Het denkbeeld van een huishouden zonder iemand om er op te passen, ging haar aan het hart; dan had zij ook de innemende Eva lief gekregen, gelijk weinige menschen konden laten; en hoewel zij Augustine voor een halven heiden hield, had zij hem toch lief, lachte over zijne grappen, en verdroeg zijne gebreken zelfs in eene mate, welke diegenen die hem kenden geheel ongelooflijk voorkwam. Doch wat er meer of anders van Miss Ophelia geweten moet worden, zal de lezer wel door persoonlijke kennismaking ontdekken.

Daar zit zij nu op de stoomboot in haar kamertje, omringd door een aantal groote en kleine reiszakken, doozen en manden, die alle iets bevatten waarvoor zij verantwoordelijk is, met een zeer ernstig gezicht vast te binden, toe te sluiten en bijeen te pakken.

"Wel, Eva, hebt gij nu uw goed nageteld? Neen, zeker niet—kinderen denken daar nooit om. Daar is de geruite reiszak en de blauwe doos met uwen besten hoed—dat is twee; dan dat geverniste zakje, dat is drie; en mijn garendoosje is vier; en mijn lintendoosje is vijf; en mijne kragendoos is zes; en dat koffertje is zeven. Waar hebt ge uw parasol gelaten? Geef haar mij hier, dan zal ik er een papier om doen en haar met mijne parapluie en parasol bijeenbinden. Daar nu."

"Maar, Tante, wij gaan maar naar huis. Waartoe hoeft dat zoo?"

"Om alles netjes te houden, kind. Iemand moet op zijn goed passen, als hij het bewaren wil. Hebt gij uw vingerhoed nu geborgen, Eva?"

"Waarlijk, Tante, ik weet het niet."

"Nu, dat doet er niet toe; ik zal uw doosje wel eens nazien. Vingerhoed, stukje was, twee lepeltjes, schaar, mesje, rijgpen—alles is er. Zet het nu daar maar neer. Hoe hebt gij het toch gemaakt, kind, toen ge met uwen papa alleen op reis waart? Ik zou denken dat gij al wat gij hadt moest verloren hebben."

"Wel, Tante, ik verloor ook veel; maar als we dan ergens stilhielden, kocht papa weder nieuw daarvoor."

"Wel lieve deugd, kind, welk eene manier van doen!"

"O, het was eene heel gemakkelijke manier, Tante," zeide Eva.

"Maar hoe roekeloos!" zeide tante.

"Maar, tante, hoe zult ge het nu maken?" hervatte Eva. "Die koffer is te vol om dicht te kunnen."

"Hij moet dicht," zeide tante op een toon van een commandeerend generaal en stapte boven op het deksel; maar hoe het goed ook werd samengeperst, de koffer bleef nog een weinig gapen.

"Ga hier eens op zitten, Eva," zeide Miss Ophelia onverschrokken. "Wat eens gegaan heeft kan ook weer gaan. Die koffer moet gesloten worden; dat mag niet anders."

En waarschijnlijk door deze vastberadenheid beangstigd, zwichtte de koffer. De kram knipte in het gat, en Miss Ophelia draaide den sleutel om en stak dien zegepralend in haren zak.

"Nu zijn wij klaar. Waar is uw papa? Ik acht het tijd dat zijne bagage uitgezet wordt. Ga toch eens kijken, Eva, waar uw papa is."

"Hij is in de heerenkajuit," antwoordde Eva.

"Hij weet zeker niet hoe dichtbij wij al komen," zeide tante. "Zoudt gij niet eens naar hem toe gaan en hem waarschuwen?"

"Papa haast zich nooit met iets," antwoordde Eva; "en wij zijn nog niet aan land. Kom eens kijken, Tante. Zie, daar staat ons huis, daar in die straat."

De boot begon nu, steunende als een afgemat monsterdier, zich door de menigte van andere stoombooten langs de kade heen te werken. Eva wees met blijdschap naar den toren, koepels en andere voorwerpen, waaraan zij hare geboorteplaats herkende.

"Ja, ja, lieve, alles is heel mooi," zeide Miss Ophelia. "Maar lieve hemel, daar ligt de boot al stil en waar is uw vader?"

Nu kwam de gewone drukte van het landen—knechts wilden naar twintig kanten te gelijk heenloopen—mannen sleepten met koffers, doozen en reiszakken—vrouwen riepen angstig om hare kinderen, en allen drongen dicht op elkander naar de loopplank.

Miss Ophelia zette zich op den laatst overmeesterden koffer, en nadat zij eene verschansing van hare andere goederen had gebouwd, scheen zij zich gereed te houden om die tot het uiterste te verdedigen.

"Zal ik uw koffer dragen, Juffrouw?"—"Zal ik uwe bagage opladen?"—"Laat mij maar voor uw goed zorgen."—"Zal ik u helpen, Juffrouw?" regende het om haar heen, zonder dat zij er op lette. Zij bleef, haar bundel van parapluies en parasols vasthoudende, stokstijf zitten, en keek zoo zuur, dat zelfs een huurkoetsier er bang voor moest worden, tusschenbeide Eva aansprekende om te betuigen dat zij niet begreep waar haar papa bleef.

"Hij kan toch niet overboord gevallen zijn; maar er moet zeker iets gebeurd wezen."

Juist toen zij zich inderdaad angstig begon te maken, kwam St.-Clare met zijne gewone onverschilligheid aankuieren, en nadat hij Eva een vierdepartje van een sinaasappel had gegeven, dien hij nog bezig was te eten, zeide hij:

"Wel, Nicht Vermont, ik geloof haast dat ge klaar zult zijn?"

"Ik heb al haast een uur zitten wachten," antwoordde Ophelia. "Ik begon waarlijk ongerust over u te worden."

"Welnu," zeide hij, "het rijtuig staat te wachten en het gedrang is over, zoodat men nu op eene fatsoenlijke manier aan land kan gaan, zonder geduwd en gestooten te worden. Hier," vervolgde hij tot een koetsier die achter hem stond, "neem die dingen eens op."

"O, ik zal ze zelve wel dragen en bergen," zeide Ophelia.

"Kom, kom, Nicht, waartoe dat?"

"Nu, in allen gevalle wil ik dit, en dit, en dit, zelve dragen," zeide Ophelia, drie doozen en een reiszakje uitzoekende.

"Maar lieve Miss Vermont, gij moet hier niet doen alsof gij in de Groene Bergen waart. Gij moet ten minste iets van onze zuidelijke manieren overnemen en u zelve niet zoo bevrachten. Men zou u voor een kamenier houden. Geef die dingen maar aan dien man; hij zal er zoo voorzichtig mee omgaan alsof het eieren waren."

Miss Ophelia liet zich met een wanhopig gezicht al hare schatten afnemen, en was zeer blijde toen zij er behouden mede in het rijtuig zat.

"Waar is Tom?" zeide Eva.

"Hij zit achterop, poesje. Ik zal hem aan mama geven tot een presentje om vrede te maken en haar dien dronken kerel te doen vergeten, die de kast heeft omgesmeten."

"O, Tom zal zeker een uitmuntend koetsier zijn," zeide Eva. "Hij zal zich nooit dronken drinken."

Het rijtuig hield stil voor een oud huis, hetwelk die zonderlinge mengeling van den Spaanschen en Franschen bouwtrant vertoonde, waarvan men in sommige gedeelten van Nieuw-Orleans nog voorbeelden ziet. Het was een vierkant gebouw, dat een binnenplein omsloot, hetwelk men door eene gewelfde koetspoort opreed. Dit binnenplein was blijkbaar ingericht om aan een schilderachtigen en weelderigen smaak te voldoen. Om al de vier zijden liepen breede galerijen, met bogen, ranke pilaren en arabesken versierd, die den geest als in een droom naar den romanesken tijd van de heerschappij der Oosterlingen in Spanje terugvoerden. In het midden wierp eene fontein haar zilveren waterstraal, die als regen in een marmeren bekken neerviel met een breeden rand van geurige bloemen omzoomd. Het water in dat bekken, zoo helder als kristal, wemelde van goud- en zilvervischjes, die als zoovele levende juweelen flikkerend heen en weder schoten. Om de fontein liep een pad met een mozaïek van keitjes bevloerd, in allerlei grillige figuren geschikt; en dit werd wederom omgeven door een grasperk, zoo effen als groen fluweel, terwijl een breed rijpad het geheel omsloot. Twee groote oranjeboomen, thans met geurige bloesems beladen, gaven eene verkwikkelijke schaduw; en in een kring op het gras stonden fraai gebeeldhouwde marmeren vazen, met de keurigst bloeiende heesters der keerkringslanden. De galerijen om dit plein waren met gordijnen van gebloemde stof gedrapeerd, die naar welgevallen konden neergelaten worden om de zonnestralen af te weren. Het voorkomen van het geheel was bij uitstek weelderig en romanesk. Toen men de poort inreed, geleek Eva, in hare woeste blijdschap, naar een vogeltje dat uit zijne kooi wil breken.

"O, is het hier niet mooi, niet heerlijk?" zeide zij tegen Miss

Ophelia. "Hoe vindt gij mijn huis? Is het niet allerliefst?"

"Het is heel aardig," antwoordde Ophelia afstappende, "hoewel het mij wel wat ouderwetsch en heidensch voorkomt."

Tom stapte van het rijtuig en zag met stil maar innig genot om zich heen. De neger, moet men bedenken, is uit het heerlijkste der wereld afkomstig en heeft eene hartstochtelijke zucht voor alles wat prachtig, rijk en veelkleurig is, eene zucht, welke hem, wanneer hij haar met zijnen onbeschaafden smaak involgt, aan den spot der koelere, juister oordeelende blanken blootstelt.

St.-Clare, die in zijn hart een poëtisch wellusteling was, glimlachte bij Ophelia's oordeel over zijne woning, en zich naar Tom wendende, die nog met een glans van bewondering op zijn zwart gezicht stond rond te zien, zeide hij:

"Wel, Tom, mijn jongen, dat schijnt u te bevallen?"

"Ja, meester," antwoordde Tom, "dat lijkt haast het rechte ding te wezen."

Dit alles gebeurde in een oogenblik, terwijl de koffers werden afgeladen, de huurkoetsier betaald werd, en een troep mannen, vrouwen en kinderen door de galerijen boven en beneden kwam aanloopen om meester te zien komen. Vooraan plaatste zich een jonge mulat, blijkbaar een gedistingueerd persoon, die overdreven zwierig en naar de mode gekleed was, en sierlijk met een geparfumeerden zakdoek stond te wuiven.

Deze persoon joeg met grooten ijver den geheelen troep van bedienden terug.

"Ik schaam mij over u," zeide hij op een toon van gezag. "Zoudt gij u bij meesters huiselijke betrekkingen willen indringen, in het eerste uur zijner terugkomst?"

Allen stonden verslagen over deze fraaie bestraffing, die met niet weinig air werd uitgesproken, en bleven op een afstand, met uitzondering van twee sterke negers, die nader kwamen en de bagage begonnen weg te dragen.

Mr. Adolf had het zoo aangelegd, dat er, toen St.-Clare den huurkoetsier had betaald en zich omkeerde, niemand in het gezicht was, behalve Mr. Adolf zelf, die door zijn satijnen vest, gouden horlogeketting en wit linnengoed genoeg in het oog liep en met onbeschrijfelijke gratie en vriendelijkheid stond te buigen.

"Ha, Adolf! zijt gij daar?" zeide zijn meester hem de hand toereikende. "Hoe gaat het mijn jongen?" En daarop bracht Adolf met groote vlugheid eene aanspraak voor den dag, welke hij sedert veertien dagen zorgvuldig had bedacht en van buiten geleerd.

"Goed, goed," zeide St.-Clare, met zijne gewone spottende onverschilligheid voortstappende; "dat is alles heel mooi bijeengelapt, Adolf. Zorg eens dat de bagage goed geborgen wordt. Ik zal zoo meteen bij het volk komen." En met deze woorden bracht hij Miss Ophelia naar eene kamer die op de galerij uitkwam.

Terwijl dit voorviel was Eva als een vogeltje naar een klein boudoir gevlogen, dat insgelijks op de galerij uitkwam.

Eene rijzige, geelbleeke vrouw met donkere oogen richtte zich half op van de sofa waarop zij lag.

"Mama!" riep Eva in eene verrukking van blijdschap, sloeg hare armpjes om haren hals en kuste haar nogmaals en nogmaals.

"Dat is genoeg—pas op, kind—maak niet dat ik hoofdpijn krijg," zeide de Moeder, na haar flauw een kus te hebben gegeven.

Nu kwam St.-Clare binnen, gaf zijn vrouw een echt orthodoxen, echtelijken kus en presenteerde haar daarna zijne nicht. Marie sloeg met zekeren zweem van nieuwsgierigheid hare groote oogen naar Ophelia op en ontving haar met kwijnende beleefdheid. Een troep bedienden verdrong elkander om den ingang; de voorste daaronder was eene mulattin van middelbare jaren en een fatsoenlijk voorkomen, die van vroolijk ongeduld scheen te beven.

"O, daar is Mammy!" riep Eva, vloog de kamer door, wierp zich in hare armen en kuste haar verscheidene malen.

Deze vrouw sprak niet van hoofdpijn, maar liefkoosde haar en lachte en schreide, tot men er aan twijfelen kon of zij wel bij haar verstand was, en toen zij haar losliet, vloog Eva van den een naar den ander, handen gevende en kussende, op eene manier waarvan Miss Ophelia naderhand zeide dat zij inderdaad misselijk was geworden.

"Nu," zeide zij, "uwe kinderen in het Zuiden kunnen iets doen, dat ik niet zou kunnen doen."

"Wat is dat?" zeide St.-Clare.

"Wel, ik wil wel tegen iedereen vriendelijk zijn en zou niemand willen kwaad doen; maar negers…."

"Zoenen te geven," zeide St.-Clare, "daartoe zijt gij niet in staat, niet waar?"

"Ja, dat is het. Hoe kan zij het doen?"

St. Clare lachte en stapte de gang in.

"Holla daar, waar blijft gij nu? Hier, allemaal—Mammy, Jimmy, Polty, Suckey—blij dat ge meester weerziet?" zeide hij en gaf allen achtereen de hand. "Pas op de kinderen," vervolgde hij, toen hij over een pikzwarten kabouter struikelde, die op handen en voeten kroop. "Als ik er op een trap, laat hij het dan maar zeggen."

Gelach en zegewenschen in overvloed beloonden den meester, toen hij kleingeld onder hen uitdeelde.

"En maak nu dat gij wegkomt, als goede jongens en meiden," zeide hij en de geheele vergadering, zwart en bruin, stoof de deur uit naar de galerij, gevolgd door Eva, die een grooten zak medenam, welken zij op de geheele reis naar huis met appelen, noten, kandijklontjes, eindjes lint en kant en allerlei speelgoed had gevuld.

Toen St. Clare zich omkeerde om heen te gaan, viel hem Tom in het oog, die onrustig nu op den eenen dan op den anderen voet stond te wiegelen, terwijl Adolf, tegen een pilaar leunende, hem door een lorgnet bekeek, met een air dat een modeheertje tot eer zou hebben gestrekt.

"Gij, aap!" zeide zijn meester en sloeg hem het lorgnet uit de hand: "is dat de manier om uw gezelschap te behandelen? Mij dunkt, Dolf," vervolgde hij, met zijnen vinger naar het gebloemd satijnen vest wijzende waarmede Adolf pronkte, "mij dunkt dat is mijn vest."

"O, meester, dat vest was overal met wijn bemorst. Natuurlijk kon een gentleman van meesters fatsoen zulk een vest nooit meer dragen. Ik dacht dat ik het wel hebben mocht. Voor een armen neger zooals ik, is het nog goed."

Adolf wierp zijn hoofd in den nek en streek zijne vingers sierlijk door zijne geparfumeerde haren.

"Zoo, is dat het geval?" zeide St.-Clare onverschillig. "Nu, ik zal Tom aan zijne meesteres laten zien, en neem hem dan mede naar de keuken, en pas op dat gij u niet weer zulke airs tegen hem geeft. Hij is meer waard dan twee zulke apen als gij."

"Meester wil altijd gekscheren," zeide Adolf lachende. "Ik ben blij dat ik meester weer zoo vroolijk zie."

"Hier, Tom!" zeide St.-Clare hem wenkende.

Tom trad de kamer binnen. Hij zag de tapijten en de voorbeeldelooze pracht der spiegels, schilderijen, standbeelden en gordijnen, en, gelijk de koningin van Scheba voor Salomo, er was geen geest meer in hem. Hij scheen zelfs bevreesd om zijn voet neer te zetten.

"Zie eens hier, Marie," zeide St.-Clare tot zijne vrouw, "nu heb ik eindelijk een koetsier voor u gekocht zooals ge hebben woudt. Hij is zoo zwart en deftig als eene geheele lijkstaatsie en zal u ook even deftig rijden als gij wilt. Doe uwe oogen nu eens open en zie hem aan. Zeg nu niet meer dat ik nooit om u denk als ik uit ben."

Marie opende hare oogen en keek naar Tom, maar zonder zich op te richten.

"Ik weet toch wel dat hij ook drinken zal," zeide zij nu.

"Neen, men heeft er voor ingestaan dat hij vroom en nuchter is."

"Nu, ik hoop dat het met hem schikken zal," zeide de dame; "maar het is meer dan ik verwacht."

"Dolf!" zeide St.-Clare, "wijs Tom den weg naar de keuken. En pas op," voegde hij er bij, "onthoud wat ik u gezegd heb."

Adolf trippelde sierlijk heen. Tom volgde met zware schreden.

"Hij gelijkt wel een olifant," zeide Marie.

"Komaan, Marie," zeide St.-Clare, zich bij de sofa op een stoel zettende, "wees nu eens vriendelijk en zeg iemand iets aardigs."

"Gij zijt veertien dagen over den tijd uitgebleven," zeide de dame pruilende.

"Maar gij weet wel, ik heb u de reden geschreven."

"Zulk een korten, koelen brief."

"Maar mijn hemel, de post zou vertrekken, ik moest kort schrijven of geheel niet."

"Zoo is het altijd," zeide de dame; "altijd is er iets om uwe reizen lang en uwe brieven kort te maken."

"Zie nu eens hier," hervatte hij, een elegant fluweelen doosje uit zijnen zak halende en openende, "hier is een presentje, dat ik u uit Nieuw-York heb medegebracht."

Het was eene daguerreotype, zoo duidelijk en fraai als eene gravure, van Eva en haar vader, hand aan hand naast elkander zittende.

Marie bekeek die portretjes met een onvergenoegd gezicht.

"Waarom moest gij in zulk een stijve houding zitten?"

"Nu, over de houding mag verschil van meening zijn; maar wat vindt gij van die gelijkenis?"

"Als gij u aan mijne meening in dit opzicht niet stoort, zult gij het ook wel in het andere niet doen," antwoordde zij, het doosje sluitende.

"Welk een onaangenaam wijf!" dacht St.-Clare bij zich zelven; maar overluid zeide hij: "Komaan nu, Marie, wat dunkt u van de gelijkenis? Wees nu niet dwaas."

"Het is al zeer ongevoelig van u, St.-Clare," antwoordde de dame, "dat gij mij dwingt om nu naar allerlei dingen te kijken en er over te spreken. Gij weet wel dat ik den geheelen dag met hoofdpijn heb gelegen, en sedert gij tehuis gekomen zijt, is er zulk een geweld gemaakt, dat ik halfdood ben."

"Zijt gij zoo aan hoofdpijn onderhevig, Mevrouw?" zeide Miss Ophelia, uit de diepte van een kussenstoel oprijzende, waarin zij stil was blijven zitten, bij zich zelve een inventaris van de meubelen makende en berekenende wat zij moesten gekost hebben.

"Ja, ik ben eene martelares daarvan," antwoordde de dame.

"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia, "tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo te zeggen, en zij had veel ondervinding."

"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht, zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens hier komen."

De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het meisje zelf om haar hoofd had gewonden.

"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er voor dat zij alle gemak heeft."

Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

TOMS NIEUWE MEESTERES EN HARE GEVOELENS.

"En nu, Marie," zeide St.-Clare, "zullen er gouden dagen voor u aankomen. Hier is nu onze knappe huishoudelijke nicht uit Nieuw-Engeland, die den geheelen last van zorgen van uwe schouders zal nemen, en u tijd laten om u op te frisschen om weder jong en mooi te worden. Gij moest nu maar terstond tot de ceremonie van het overgeven der sleutels komen."

Dit zeide hij aan de ontbijttafel, eenige ochtenden nadat hij met

Ophelia was aangekomen.

"O, zij is welkom," zeide Marie en liet kwijnend haar hoofd op hare handen rusten. "Ik denk dat zij wel iets ondervinden zal, namelijk, dat wij meesteressen hier eigenlijk de slavinnen zijn."

"O zeker, dat zal zij wel ontdekken, en nog een aantal heilzame waarheden bovendien," zeide St.-Clare.

"Men praat van slaven houden, alsof wij het voor ons gemak deden," hervatte Marie. "Zeker, als wij daarom dachten, zouden wij hen allen terstond laten gaan."

Evangeline zag hare moeder ernstig aan, alsof er iets gezegd was dat haar verbijsterde, en vroeg toen eenvoudig:

"Waarom houdt gij ze dan, Mama?"

"Dat weet ik zelf niet, of het moest tot eene plaag wezen; zij zijn de plaag van mijn leven. Ik geloof dat zij meer de schuld van mijne ziekelijkheid zijn dan iets anders; en de onze, dat weet gij wel, zijn de ergsten waarmede ooit iemand geplaagd was."

"Och kom, Marie, ge zijt van morgen melancholiek," zeide St.-Clare. "Gij weet wel dat het zoo niet is. Daar is Mammy—die is immers de beste meid van de wereld. Hoe zoudt gij het zonder haar maken?"

"Mammy is de beste die ik ooit gekend heb," zeide Marie hierop; "en Mammy is toch zoo eigenlievend—schrikkelijk eigenlievend; dat is het gebrek van het geheele ras."

"Eigenliefde is inderdaad een akelig gebrek," zeide St.-Clare ernstig.

"Nu, daar is dan die Mammy," hervatte Marie. "Mij dunkt, het is zeer eigenlievend van haar, des nachts zoo vast te slapen. Zij weet wel dat ik gedurig kleine diensten noodig heb, als ik mijne ergste vlagen krijg, en toch is zij zoo moeielijk te wekken, dat ik van morgen stellig erger was door de inspanning, die ik van nacht van mij had moeten vergen om haar wakker te krijgen."

"Maar is zij niet al verscheidene nachten bij u opgebleven,

Mama?" zeide Eva.

"Hoe weet gij daarvan?" zeide Marie scherp. "Zij zal er denkelijk over geklaagd hebben."

"Zij heeft niet geklaagd. Zij zeide mij maar welke slechte nachten zij gehad hadt, zooveel achtereen."

"Waarom neemt gij Jane of Rosa niet voor een paar nachten in hare plaats, en laat haar uitslapen?" zeide St.-Clare.

"Hoe kunt ge mij zoo iets voorstellen?" antwoordde Marie. "Gij zijt waarlijk ongevoelig, St.-Clare. Zoo zenuwachtig als ik ben, brengt het minste mij van streek, en eene vreemde helpster bij mij zou mij haast razend maken. Als Mammy zooveel om mij gaf als zij doen moest, zou zij gemakkelijker wakker worden—natuurlijk zou zij dat. Ik heb wel van menschen gehoord die zulke trouwe dienstboden hadden; maar ik ben nooit zoo gelukkig geweest." En Marie slaakte een zucht.

Miss Ophelia had met een gezicht vol scherpe, ernstige oplettendheid naar dit gesprek geluisterd en kneep nu hare lippen nog vaster dicht, alsof zij zich voornam eerst met volle zekerheid waar te nemen welke menschen zij hier voor zich had, eer zij zich eenigszins compromitteerde.

"Mammy heeft wel zekere soort van goedhartigheid," hervatte Marie; "zij is vriendelijk en gedienstig; maar eigenlijk is zij toch zeer eigenlievend. Zoo wil zij maar nooit ophouden over dien man van haar te kniezen en te malen. Gij begrijpt wel, toen ik getrouwd was en hier kwam wonen, moest ik haar natuurlijk medenemen, en haar man kon mijn vader niet missen. Hij was een smid en daar zeer noodzakelijk; en ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij liever van elkander moesten afzien, daar zij waarschijnlijk toch nooit weder met elkander zouden kunnen leven. Ik wenschte nu wel dat ik dat had doorgezet en Mammy met iemand anders getrouwd; maar ik was dwaas en al te inschikkelijk en wilde het niet doorzetten. Ik zeide Mammy toen, dat zij niet denken moest hem meer dan nog een paar maal in haar leven weer te zien, want dat de lucht van de streek, waar mijn vader woonde, niet goed voor mijne gezondheid is, en ik daar dus zeer zelden weder komen zou, en ik raadde haar om met iemand anders te leven; maar neen—zij wilde niet. Mammy heeft zekere koppigheid in enkele opzichten, die iedereen niet zoo waarneemt als ik doe."

"Heeft zij kinderen?" vroeg Ophelia.

"Ja, zij heeft er twee."

"Het zal haar denkelijk wel spijten dat zij daarvan gescheiden is."

"O, natuurlijk kon ik die niet meenemen. Het waren nog kleine morsige dingen, die ik niet onder mijne oogen velen kon; en bovendien namen zij te veel van haren tijd weg; maar ik geloof toch dat Mammy daarover altijd eenigszins is blijven wrokken. Zij wil met niemand anders trouwen, en ik geloof zeker dat zij, hoewel zij weet hoe ik haar noodig heb en hoe zwak mijne gezondheid is, morgen weder naar haren man zou gaan, als zij maar kon. Ja zeker; en zoo eigenlievend zijn de besten van die wezens."

"Het is treurig om aan te denken," zeide St.-Clare droogjes.

Ophelia zag hem scherp aan, en bemerkte den blos van ergenis en de spottend krullende lip, waarmede hij dit zeide.

"Nu is Mammy toch altijd eene soort van troetelkindje van mij geweest," zeide Marie. "Ik wenschte dat uwe vrije dienstboden uit het Noorden hare kasten met kleeren eens konden zien. Zijden en mousselinen japonnen, en eene van echt kamerdoek heeft zij daarin hangen, en ik heb somtijds een heelen middag gewerkt om hare mutsen op te maken en haar voor een partijtje op te schikken. Wat mishandelen betreft, zij weet niet eens wat dat is. Zij heeft niet meer dan eens of tweemaal in haar geheele leven de zweep gehad. Zij heeft alle dagen haar koffie of thee met witte suiker. Dat is wel overdadig; maar St.-Clare wil dat zij in de keuken ook op een grooten voet leven, en ieder doet daar dus wat hem bevalt. Om de waarheid te zeggen, onze bedienden hebben het al te goed. Ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is, dat zij zoo eigenlievend zijn en doen als bedorven kinderen. Maar ik heb gepraat dat ik er moede van ben."

"En ik ook," zeide St.-Clare.

Eva had naar hare moeder staan luisteren met dien blik vol geheimzinnigen ernst, die haar bijzonder eigen was. Nu kwam zij naar hare moeder toe en sloeg haar arm om haren hals.

"Wel, Eva, wat nu?" zeide Marie.

"Mama, zou ik u niet voor een nacht kunnen oppassen—maar één? Ik zou u zeker niet zenuwachtig maken, en ik zou ook niet slapen. Ik lig toch dikwijls des nachts wakker te denken…."

"Och, dwaasheid kind," antwoordde Marie. "Welk een wonderlijk kind zijt ge toch!"

"Maar mag ik, Mama? Ik denk," zeide zij schroomvallig, "dat Mammy niet wel is. Zij heeft mij gezegd, dat zij tegenwoordig aanhoudend hoofdpijn heeft."

"Dat is weer eene van hare kuren. Mammy is als al de rest—allen maken zij zulk een beweging van wat pijn hier of daar; maar daar geef ik nooit aan toe—nooit. Dat is een grondregel van mij," vervolgde zij, zich naar Ophelia keerende, "en gij zult zelve ondervinden hoe noodzakelijk die is. Als men bedienden toelaat om zich aan ieder onaangenaam gevoel te storen en over elke kleine onpasselijkheid te klagen, heeft men er nooit rust van. Ik zelve klaag nooit—niemand weet wat ik lijd. Ik acht het mijn plicht om dat stil te dragen, en dat doe ik ook."

Ophelia's oogen gaven hare ongeveinsde verbazing over dit besluit der redevoering te kennen, hetwelk St.-Clare zoo overmatig koddig vond, dat hij in een luiden lach uitbarstte.

"St.-Clare lacht altijd, als ik het minste woord van mijne ziekelijkheid zeg," zeide Marie op den toon van eene geduldige martelares. "Ik hoop maar dat er niet eens een dag zal komen, dat hij daaraan denken zal." En daarmede hield zij haar zakdoek voor hare oogen.

Natuurlijk volgde er nu eene eenigszins lastige stilte. Eindelijk keek St.-Clare op zijn horloge, zeide dat hij uit moest, stond op en ging heen. Eva trippelde hem na, en zoo bleven nu Marie en Ophelia met elkander alleen.

"Zoo maakt St.-Clare het altijd," zeide de eerste, en nam met een tamelijk driftigen zwaai haar zakdoek van haar gezicht, toen de misdadiger, wiens hart zij wilde roeren, buiten de deur was. "Hij verbeeldt zich nooit, hij kan en zal zich nooit verbeelden wat ik jarenlang geleden heb en nog lijd. Als ik veel van klagen hield, of ooit eenige beweging over mijne kwalen maakte, zou hij gelijk hebben. Natuurlijk worden de mannen eene vrouw moede, die altijd klaagt. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en gedragen, doch St.-Clare denkt dat ik alles dragen kan."

Ophelia wist niet recht wat zij hierop moest antwoorden.

Terwijl zij zich nog bedacht wat zij zeggen zou, veegde Marie hare tranen af, streek als het ware hare veeren glad, gelijk een duif na eene regenbui haar toilet maakt, en begon een huishoudelijk praatje over hare kasten met aardewerk, glas en tafelgoed, hare provisiekamers en andere dingen, waarover de nicht het beheer zou aanvaarden, en gaf zoovele regelen, waarschuwingen en aanwijzingen, dat een minder koel en helder hoofd dan dat van Ophelia er geheel door verbijsterd zou zijn geworden.

"En nu," zeide Marie, "geloof ik dat ik u alles gezegd heb, zoodat gij, als ik weder eene vlaag van mijne kwaal krijg, wel geheel zult voort kunnen, zonder mij ergens naar te vragen. Maar nu nog over Eva—het is noodig dat er op haar gelet wordt."

"Zij schijnt een heel zoet kind te zijn," zeide Ophelia. "Ik heb nooit zoeter kind gezien."

"Eva is een vreemd kind, een zeer vreemd," zeide de moeder. "Zij heeft dingen over zich die heel wonderlijk zijn: zij gelijkt volstrekt niet naar mij." En Marie zuchtte, alsof dit eene droevige gedachte was.

Ophelia zeide in haar hart: "Ik hoop wel van neen," maar zij was voorzichtig genoeg om dit te verzwijgen.

"Eva is altijd liefst bij de bedienden geweest, en dat houd ik voor sommige kinderen voor heel goed. Ik heb altijd met de kleine negers van mijnen vader gespeeld, en dat heeft mij nooit kwaad gedaan; maar Eva schijnt zich altijd met ieder die haar nabijkomt gelijk te willen stellen. Het is iets vreemds in dat kind. Ik heb haar dat nooit kunnen afwennen. St.-Clare, geloof ik, helpt haar daarin voort. Om de waarheid te zeggen: St.-Clare is er op uit om iedereen te believen, behalve zijne vrouw."

Wederom bewaarde Ophelia een bot stilzwijgen.

"Men kan met bedienden niet te recht komen," zeide Marie, "of men moet hen onder zich brengen en onder zich houden. Dat is mij van kindsbeen af altijd eigen geweest. Eva is in staat om een geheel huisvol te bederven. Hoe zij het maken zal als zij zelve eens moet huishouden, betuig ik niet te weten. Ik ben gaarne goed voor bedienden, en dat ben ik ook; maar men moet zorgen dat zij op een afstand blijven en weten wat zij zijn. Dat doet Eva nooit; men kan het kind geen zweem van een denkbeeld in het hoofd krijgen, wat een bediende is en op welken afstand hij behoort te blijven. Gij hebt wel gehoord, hoe zij des nachts bij mij wilde waken om Mammy te laten slapen. Dat is nu een staaltje van de manier waarop het kind altijd handelen zou, als men haar liet begaan."

"Wel," zeide Ophelia zonder omwegen, "ik meen dat gij toch ook denken zult dat uwe bedienden menschelijke wezens zijn, en rust behooren te hebben als zij moe zijn."

"Wel zeker—natuurlijk. Ik ben er bijzonder op gesteld om hen alles te laten hebben wat mij maar eenigszins gelegen komt, alles wat mij maar niet geheel van mijn streek brengt. Mammy kan haar slaap op een of anderen tijd inhalen; daar is geen bezwaar in. Zij is het slaperigste stuk vleesch dat ik ooit gezien heb; naaiende, zittende of staande, overal valt dat schepsel in slaap. Men behoeft niet bang te zijn dat Mammy geen slaap genoeg krijgt. Maar de bedienden zoo te behandelen, alsof zij uitheemsche bloemen of porseleinen vazen waren, is inderdaad belachelijk," zeide Marie, terwijl zij zich in de diepte eener donzige sofa liet zinken, en een fraai geslepen reukfleschje opnam.

"Gij merkt wel," vervolgde zij met eene flauwe, echt damesachtige stem, gelijk de stervende ademtocht van eene Arabische jasmijn, of iets even kwijnends en aetherisch, "gij merkt wel, Nicht Ophelia, ik spreek niet dikwijls van mij zelve. Dat is mijne gewoonte niet. Om de waarheid te zeggen, ik heb er de kracht niet toe; maar er zijn punten waarover St.-Clare en ik altijd verschillen. St.-Clare heeft mij nooit gewaardeerd. Dat geloof ik is de grond van al mijne ziekelijkheid. St.-Clare meent het goed, dat ben ik verplicht te gelooven; maar de mannen zijn eigenlievend van aard en hebben geen gevoel voor eene vrouw. Zoo denk ik ten minste."

Ophelia, die geen gering aandeel van de echte Nieuw-Engelsche voorzichtigheid bezat en zeer ongaarne in huiselijke geschillen betrokken werd, begon nu te zien dat haar iets van dien aard bedreigde; zij zette dus haar gezicht in de plooien eener stroeve neutraliteit, haalde een begonnen kous uit haren zak, die zij daar bewaarde als een specifiek middel tegen datgene wat volgens Dr. Watts eene gewoonte van Satan is, als de menschen ledige handen hebben, en begon met ijver te breien, tegelijk hare lippen dichtknijpende op eene manier die duidelijk zeide: "Gij behoeft niet te probeeren om mij te doen spreken; ik wil niets met uwe zaken te doen hebben;"—kortom zij keek nagenoeg zoo medelijdend als een steenen leeuw. Marie stoorde zich echter niet daaraan. Zij had iemand om tegen te praten en dat was genoeg. Nadat zij nog eens aan haar flacon had geroken, om hare krachten te herstellen, vervolgde zij:

"Gij moet weten, ik heb mijn vermogen en mijne bedienden in eigendom gehouden toen ik met St. Clare trouwde, en heb een wettig recht om er op mijne eigene manier mede te handelen. St. Clare heeft zijn vermogen en zijne bedienden, en ik heb er volstrekt niet tegen dat hij daarmede naar zijnen eigen zin handelt; maar St. Clare wil zich altijd met het mijne bemoeien. Hij heeft wonderlijk buitensporige denkbeelden over allerlei dingen, vooral over de behandeling van bedienden. Hij doet waarlijk alsof hij zijne bedienden boven mij stelde en boven zich zelven ook: want hij laat zich allerlei last door hen veroorzaken en licht nooit een vinger op. Nu is St. Clare, wat sommige dingen betreft, schrikkelijk ongemakkelijk—zoodat hij mij bang maakt, hoe goedaardig hij er ook uitziet. Zoo heeft hij zich in het hoofd gezet dat er, wat er ook gebeuren mag, geen slag in huis mag gegeven worden, behalve door mij of door hem; en dat drijft hij door op eene manier, dat ik er mij waarlijk niet overheen durf zetten. Nu zult gij wel zien waar dat op uitloopt, want St. Clare zou de hand niet oplichten al liepen zij allen over hem heen, en ik—gij begrijpt wel hoe barbaarsch het zou zijn van mij te vergen om mij zoo te vermoeien. En toch, gij weet wel, die bedienden zijn niet anders dan volwassen kinderen."

"Daar weet ik niets van en ik dank den Heere dat ik er niets van weet," antwoordde Ophelia nu kortaf.

"O, gij zult het wel leeren en dat ten uwen koste, als gij hier blijft. Gij weet nog niet welke onverdragelijke, domme, loszinnige, onredelijke, kinderachtige, ondankbare ellendelingen zij zijn."

Marie scheen altijd eene verwonderlijke kracht te bekomen, als zij aan dit onderwerp begon. Zij hield nu hare oogen open en scheen hare kwijnende zwakheid geheel te vergeten.

"Gij weet nog niet," vervolgde zij, "en kunt nog niet weten, hoe eene huishoudster altijd en overal door hen geplaagd wordt. Maar het baat niet bij St. Clare daarover te klagen. Hij heeft dan de wonderlijkste redeneeringen. Hij zegt: wij hebben hen gemaakt wat zij zijn en moeten hen verdragen. Hij zegt dat al hunne gebreken aan ons te wijten zijn, en dat het wreed zou zijn eerst de schuld te veroorzaken en dan te straffen. Hij zegt dat wij in hunne plaats niet beter zouden doen; alsof er tusschen hen en ons vergelijkingen konden gemaakt worden."

"Gelooft gij niet dat de Heere hen uit één bloed met ons geschapen heeft?" zeide Ophelia weder kortaf.

"Wel waarlijk niet! Dat zou wat moois zijn. Ze zijn een vernederd geslacht."

"Denkt gij niet dat zij onsterfelijke zielen hebben?" zeide Ophelia, met toenemende verontwaardiging.

"O, natuurlijk, daar twijfelt niemand aan," antwoordde Marie geeuwende. "Maar hen op gelijken rang te plaatsen, alsof wij met elkander te vergelijken waren, dat is immers onmogelijk! En nu heeft St. Clare inderdaad wel met mij gesproken alsof het 't zelfde was, dat Mammy van haar man werd afgehouden, als het zijn zou als ik van den mijnen werd gehouden. Zóó kan men geene vergelijkingen maken. Mammy kan zulk een gevoel niet hebben als ik hebben zou. Het is geheel iets anders—dat spreekt vanzelf; en toch houdt St. Clare zich alsof hij dat niet begreep, en praat alsof Mammy hare zwarte smerige kinderen even lief zou hebben als ik Eva heb. Ja, eens heeft St. Clare mij werkelijk en ernstig willen overreden, dat het mijn plicht was, met mijne zwakke gezondheid en al wat ik lijd, Mammy terug te zenden en iemand anders in hare plaats te nemen. Dat was een weinigje te veel, zelfs voor mij om te dragen. Ik toon niet dikwijls mijn gevoel. Ik maak er een regel van om alles in stilte te verduren, dat is het harde lot eener vrouw. Maar toen barstte ik toch uit, zoodat hij nooit weder daarover gesproken heeft. Maar uit zijn gezicht en uit kleinigheden die hij zegt, kan ik wel opmaken dat hij nog eveneens denkt; en dat is immers iemand tergen."

Ophelia keek, alsof zij zeer bang was dat zij tegen wil en dank iets zeggen zou; maar liet slechts hare breinaalden ratelen op eene manier, die zooveel zeide als men in een geheel boekdeel zou kunnen schrijven; indien Marie het maar had kunnen verstaan.

"Gij begrijpt dus," vervolgde deze, "wat gij hier te stellen zult hebben. Een huishouden zonder eenigen regel, waar de bedienden allen hun eigen zin volgen, doen wat hun aanstaat en nemen wat hun aanstaat, behalve in zooverre, als ik met mijne zwakke gezondheid eenige orde heb gehandhaafd. Ik houd mijne zweep bij mij en sla er somtijds mee toe; maar het vermoeit mij al te veel. Als St. Clare dat maar wilde laten doen zooals anderen het doen."

"En hoe is dat?"

"Wel, hen naar den calaboose of een van de andere plaatsen zenden om gestraft te worden. Dat is de eenige manier, als ik niet zoo zwak en ziekelijk was, geloof ik dat ik hen met tweemaal zooveel geestkracht naar mijne hand zou zetten als St. Clare doet."

"En hoe zet hij hen dan naar zijne hand?" zeide Ophelia. "Gij zegt dat hij nooit slaat."

"Wel, mannen hebben een forscher toon; voor hen is dat gemakkelijk; en bovendien, als gij hem ooit vlak in de oogen hebt gezien—zij hebben iets bijzonders, die oogen—en als hij ernstig spreekt, is er een soort van flikkering in. Ik ben zelve bang daarvoor en de bedienden weten dan wel dat zij oppassen moeten. Ik zou zooveel niet kunnen doen met leven en kijven, als St. Clare door een enkelen blik van zijn oog, als hij het ernstig meent. St. Clare behoeft zich geene moeite te geven, en dat is de reden dat hij geen gevoel voor mij heeft. Maar gij zult ondervinden, als gij in het huishouden komt, dat men zonder strengheid niet voort kan—zoo slecht, zoo logenachtig en zoo lui zijn zij."

"Het oude liedje," zeide St. Clare, op zijn gemak binnenkomende. "Welk eene geduchte verantwoording zullen die slechte schepsels eindelijk eens hebben, vooral voor die luiheid! Gij ziet wel, Nicht," vervolgde hij, zich zoo lang als hij was op eene sofa tegenover Marie uitstrekkende, "die luiheid is geheel onverschoonlijk in hen, bij het voorbeeld dat Marie en ik hun geven."

"O, St. Clare, nu maakt gij het al te erg!" zeide Marie.

"Doe ik! Wel, ik dacht dat ik voor mijn doen al bijzonder goed sprak. Ik poog altijd kracht aan uwe gezegden bij te zetten, Marie."

"Gij weet wel dat ik het zoo niet gemeend heb, St. Clare."

"O, dan moet ik mij vergist hebben. Dank, lieve, dat ge mij te recht helpt."

"Gij probeert mij waarlijk boos te maken," zeide Marie.

"Och kom, Marie, het wordt een warme dag vandaag, en ik heb juist eene lange woordenwisseling met Dolf gehad, die mij geweldig vermoeid heeft. Eilieve, wees dus vriendelijk, en laat iemand eens in het licht van uwen glimlach rusten."

"Wat is er met Dolf?" zeide Marie. "De onbeschaamdheid van dien knaap begint tot eene hoogte te komen, die mij werkelijk onuitstaanbaar wordt. Ik wenschte maar dat ik een poosje naar mijnen zin met hem doen kon; ik zou hem wel klein krijgen."

"Wat ge daar zegt, lieve," antwoordde St. Clare, "is weder een blijk van uwe gewone scherpzinnigheid. Wat Dolf betreft, de zaak is deze, dat hij zich zoolang moeite heeft gegeven om al mijne goede eigenschappen na te bootsen, dat hij eindelijk inderdaad met zich zelven en zijnen meester in de war geraakt en den een voor den ander houdt. Ik ben dus verplicht geweest hem zijne vergissing eens aan het verstand te brengen."

"Hoe zoo?" zeide Marie.

"Wel, ik was verplicht hem duidelijk te doen verstaan, dat ik eenige van mijne kleeren liever voor mijn eigen gebruik wilde houden; ik heb zijne excellentie ook op een rantsoen van eau-de-cologne gesteld, en ben inderdaad zoo wreed geweest om hem tot een dozijn van kamerdoeksche zakdoeken te beperken. Dolf was daarover bijzonder geraakt, en ik moest hem vaderlijk aanspreken om hem tot berusting te brengen."

"O, St. Clare, wanneer zult gij eens leeren hoe men zijne bedienden behandelen moet? Het is ijselijk, zooals gij alles toelaat," zeide Marie.

"Maar wel bezien, wat kwaad steekt er eigenlijk in, dat de arme jakhals naar zijnen meester wil gelijken? En als ik hem niet beter heb opgebracht, dan om hem zijn hoogste goed in eau-de-cologne en kamerdoeksche zakdoeken te doen vinden, waarom zou ik ze hem dan niet geven?"

"En waarom hebt gij hem niet beter opgebracht," zeide Ophelia botweg.

"Te veel moeite; luiheid, Nicht, luiheid, die meer zielen bederft dan waarover gij knorren kunt. Als het niet door mijne luiheid was, zou ik zelf een volmaakte engel zijn.

Ik begin haast te gelooven dat luiheid, zooals die dominee in Vermont zeide, nog meer dan de gierigheid de wortel van alle kwaad is; en dat is zeker eene gedachte om iemand onrustig te maken."

"Ik denk dat gij, slavenhouders, eene geduchte verantwoordelijkheid hebt," zeide Ophelia. "Ik zou die voor geene duizend werelden willen hebben. Gij behoort uwe slaven op te voeden en hen te behandelen als redelijke wezens, als onsterfelijke wezens, waarmede gij voor Gods rechterstoel zult moeten komen. Zoo denk ik er over!" zeide de goede oudste vrijster, en liet aldus eensklaps al den ijver uitbarsten, dien zij den geheelen morgen in haar gemoed had opgekropt.

"Och kom, kom," zeide St. Clare snel opstaande, "wat weet gij van ons?"

Hij zette zich voor de piano en begon een levendig stuk te spelen. St. Clare had veel aanleg voor muziek en was een goed, ja zelfs verbazend vlug en schitterend pianist. Zijne vingers vlogen over de toetsen, terwijl hij het eene stuk na het andere afspeelde, gelijk iemand die zich zelven in een goed humeur wil spelen. Daarna schoof hij de muziek weg, stond op en zeide vroolijk:

"Welnu, Nicht, gij hebt ons eene goede les gegeven en uw plicht gedaan; en over het geheel acht ik u er te meer om. Ik twijfel niet of gij hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd gegooid, hoewel hij mij zoo vlak in het gezicht raakte, dat hij in het eerst niet naar waarde erkend werd."

"Wat mij betreft, ik zie niet dat zulk praten ergens toe dient," zeide Marie. "Als iemand meer voor bedienden doet dan wij doen, zou ik wel eens willen weten wie; en het doet hun toch geen goed, geen zier; zij worden al erger en erger. Wat praten of zoo iets betreft, ik heb tegen hen gepraat tot ik er moe en schor van was, en hen hun plicht voorgehouden en dat alles; en zij kunnen naar de kerk gaan wanneer zij willen, hoewel zij toch even weinig van de preek verstaan als zooveel varkens zouden doen, zoodat het hun toch niet veel baat of zij gaan, zou ik denken. Maar zij gaan toch en hebben dus alle gelegenheid; maar zooals ik reeds gezegd heb, zij zijn een vernederd geslacht en zullen dat altijd zijn, en er is niets aan hen te doen; gij kunt niets van hen maken, al doet gij nog zoo uw best. Gij begrijpt wel, nicht Ophelia, ik heb het geprobeerd en gij nog niet; ik ben onder hen geboren en opgegroeid en ik weet het wel."

Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en zweeg dus. St. Clare floot een wijsje.

"St. Clare, laat ik u mogen verzoeken om niet te fluiten," zeide Marie, "dat maakt mijn hoofd veel erger."

"Dan zal ik het laten," antwoordde St. Clare. "Is er ook nog iets dat ge mij woudt verzoeken om niet te doen?"

"Ik wenschte dat gij wel eenige meedoogendheid had met hetgeen ik uitsta; gij hebt nooit gevoel voor mij."

"Dierbare, beschuldigende engel!" zeide St. Clare hierop.

"Als gij zoo tegen mij spreekt, moet ik immers denken dat het is om mij te plagen."

"Hoe wilt ge dan dat ik tegen u spreken zal? Ik wil spreken zooals ge het maar verlangt, om u maar te voldoen."

Een vroolijk gelach klonk van het binnenplein door de zijden gordijnen der galerij. St. Clare lichtte de gordijn op en begon insgelijks te lachen.

"Wat is het?" vroeg Ophelia, naar de deur komende.

Daar zat Tom op eene bank, met jasmijnen in al zijne knoopsgaten gestoken, terwijl Eva, vroolijk lachende, hem nog een krans van rozen om den hals hing, en toen nog lachende op zijne knie sprong.

"O Tom, nu ziet gij er zoo grappig uit."

Tom zag haar met een stillen, welwillenden glimlach aan, en scheen zich op zijne bedaarde manier evenzeer met de grap te vermaken als zijne kleine meesteres. Toen hij zijn meester zag, sloeg hij smeekend de oogen naar hem op, alsof hij verschooning wilde vragen.

"Hoe kunt gij haar dat toelaten?" zeide Ophelia.

"Waarom niet?" vroeg St. Clare.

"Wel, ik weet het niet, maar het komt mij zoo akelig voor."

"Gij zoudt er geen kwaad in vinden als het kind een grooten hond liefkoosde, al was hij zwart; maar voor een schepsel dat kan denken, redeneeren en gevoelen, huivert gij: beken het maar, Nicht. Ik weet wel hoe dat bij u in het Noorden gesteld is. Niet dat het eene deugd is dat wij anders zijn; maar de gewoonte doet bij ons wat het christendom behoorde te doen—zij neemt het gevoel van persoonlijk vooroordeel weg. Ik heb op mijne reizen in het Noorden opgemerkt, hoeveel sterker dat gevoel bij u is dan bij ons. Gij zijt vies van hen als van eene slang of padde, en toch verontwaardigt gij u over het onrecht dat zij lijden. Gij zoudt hen niet willen laten mishandelen, maar gij wilt toch zelven niets met hen te maken hebben. Gij zoudt hen naar Afrika willen zenden, buiten uw gezicht en uwen reuk, en hun dan een paar zendelingen willen sturen om al de zelfverloochening, die noodig is om hen te verbeteren, in eens af te doen. Is het dat niet?"

"Wel, Neef," antwoordde Ophelia nadenkend, "dat kan wel eenigszins de waarheid zijn."

"Wat zouden de armen en geringen doen zonder kinderen?" hervatte St. Clare, terwijl hij Eva nazag, die met Tom aan de hand heenhuppelde. "Een kind is de eenige echte democraat. Die Tom is een held voor Eva: zijne vertellingen zijn wonderen voor haar; zijne liedjes en methodistische gezangen zijn pleizieriger dan eene opera; de snuisterijen in zijnen zak zijn eene mijn van juweelen, en hij zelf is de verwonderlijkste Tom, die ooit eene zwarte huid had. Dit is eene der rozen van het Eden, welke de Heere opzettelijk voor de armen en geringen heeft gestrooid, die er weinig genoeg van andere soort krijgen."

"Het is vreemd, Neef," zeide Ophelia hierop. "Als men u zoo hoort spreken, zou men haast denken dat gij een "belijder" waart."

"Een belijder?" herhaalde St. Clare.

"Ja, een belijder van den godsdienst."

"Lang niet. Ik ben geen "belijder", zooals men dat bij u noemt; en wat erger is: ik vrees dat ik ook geen "beoefenaar" ben."

"Hoe komt het dan dat gij zoo spreekt?"

"Niets is gemakkelijker dan het praten," antwoordde St. Clare. "Het is Shakespeare, geloof ik, die iemand laat zeggen: "ik zou u eerder twintig dingen kunnen toonen die goed waren om te doen, dan een van de twintig zijn om mijne eigene aanwijzing te volgen." Niets gaat boven verdeeling van arbeid. Mijn fort ligt in het praten, het uwe in het doen."

Tom had nu in zijne uitwendige omstandigheden, gelijk de wereld zegt, niets om over te klagen. De kinderlijke genegenheid die de kleine Eva voor hem had opgevat—de instinctmatige dankbaarheid van een edel hart—had haar heur vader doen verzoeken om hem haar tot bijzonder geleider te geven, als zij op hare wandelingen of rijtoertjes een bediende noodig had; en Tom had een algemeenen last ontvangen om alle andere dingen te laten staan en Eva te vergezellen, wanneer zij hem daarom vroeg—een last die hem, gelijk men wel denken kan, verre van onaangenaam was. Hij was altijd welgekleed, want St. Clare was op dit punt zeer keurig. Zijn staldienst was eene sinecure, en bestond slechts in een dagelijksch toezicht of de mindere bedienden hun plicht deden; want Marie St. Clare zeide dat hij geene paardenlucht moest medebrengen als hij bij haar kwam, en nooit iets doen moest dat hem voor haar onaangenaam kon maken, dewijl haar zenuwgestel zoo iets niet velen kon; eene onaangename lucht zou, volgens haar zeggen, genoeg zijn om op eens een einde aan al hare aardsche onaangenaamheden te maken. Tom zag er dus met zijn welgeborsteld lakensch pak, zijnen glanzigen hoed, zijne blinkende laarzen, onberispelijk linnengoed en ernstig en goedhartig zwart gezicht, deftig genoeg uit, om bisschop van Carthago te zijn, gelijk lieden van zijne kleur in vroegere eeuwen waren.

Dan had hij ook eene heerlijke woonplaats, iets waarvoor zijn licht getroffen geslacht nooit onverschillig is, en hij verheugde zich met stil genot in de vogelen, de bloemen, de fontein, het licht en al de andere schoonheden van het binnenplein, en de zijden behangsels, schilderijen, kroonkandelaars, het beeld- en verguldwerk, waardoor de vertrekken tot zalen van een tooverpaleis voor hem gemaakt werden.

Indien Afrika ooit de zetel wordt van een beschaafd menschengeslacht—en op een of anderen tijd moet het toch aan de beurt komen, om in het groote drama van den vooruitgang der menschheid zijne rol te spelen—dan zal het leven daar ontwaken met een glans en eene pracht, waarvan onze koude Westersche menschenstammen slechts een flauw begrip hebben. In dat afgelegen land van goud en juweelen, specerijen en wuivende palmboomen, wonderbare bloemen en even wonderbare vruchtbaarheid zullen nieuwe kunstvormen, nieuwe soorten van weelde ontwaken; en het negergeslacht, niet langer veracht en vertreden, zal misschien eene der laatste en heerlijkste openbaringen van den menschelijken geest vertoonen. Zeker zullen de negers met hunne zachtmoedigheid, met hunne nederigheid van hart, met hunne neiging om meer verheven geesten te vertrouwen en zich op hoogere macht te verlaten, met hunne kinderlijke eenvoudigheid, liefderijkheid en vergevensgezindheid, den hoogsten vorm van het eigenaardig christelijk leven aanbieden, en misschien, daar God kastijdt wien Hij liefheeft, heeft Hij het arme Afrika, thans zoo diep vernederd, uitverkoren om het te maken tot het hoogste en edelste in dat koninkrijk, dat opgericht zal worden wanneer alle andere koninkrijken zijn gewogen en te licht bevonden; want de eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.

Was het dit waaraan Marie St. Clare dacht, toen zij op een Zondagochtend prachtig gekleed onder de galerij stond, en een juweelen armband om hare tengere arm vastmaakte? Waarschijnlijk wel. Of indien zij daaraan niet dacht, was het aan iets anders; want Marie hield van het goede en ging nu in volle pracht,—met diamanten, zijde, kanten en alles—naar eene fashionable kerk, om eens zeer godsdienstig te zijn. Marie maakte er een regel van om zich op Zondag vroom te toonen. Daar stond zij dus, zoo tenger, zoo elegant, zoo sierlijk in al hare bewegingen, met de kanten voile, die haar als een nevel omhulde. Zij zag er bekoorlijk uit en voelde dat zij zeer goed was—en zeer elegant. Miss Ophelia stond naast haar als haar volmaakt contrast. Zij had, wel is waar, eene even fraaie zijden japon en een even fijnen zakdoek, doch zekere onbeschrijfelijke, maar duidelijke stijfheid en houterigheid lagen evenzeer over geheel haar voorkomen verspreid, als zekere gratie over dat harer elegante nicht.

"Waar is Eva?" zeide Marie.

"Het kind is op de trap blijven staan om iets tegen Mammy te zeggen."

En wat zeide Eva tegen Mammy op de trap? Luister, lezer! en gij zult het hooren, ofschoon Marie het niet hoort.

"Lieve Mammy, ik zie wel dat gij schrikkelijke hoofdpijn hebt."

"God zegene u, Miss Eva, ik heb tegenwoordig altijd hoofdpijn. Gij behoeft u daarover niet te kwellen."

"Nu, ik ben blij dat gij nu ook uitgaat; en hier, Mammy," en daarmede sloeg het meisje hare armen om haar heen, "gij moet mijn flacon ook medenemen."

"Wat? Dat mooie gouden ding van u, met diamanten? Wel, Jongejuffrouw, dat zou geheel niet voegen."

"Waarom niet? Gij hebt het noodig en ik niet. Mama gebruikt het altijd tegen hoofdpijn, en dan zult gij ook beter worden. Kom nu, neem maar aan, om mij pleizier te doen."

"Hoor dat lieve kind eens!" zeide Mammy bij zich zelve, toen Eva den flacon in hare borst stopte, haar een kus gaf en vervolgens de trap af hare moeder naliep.

"Waarom hebt gij u opgehouden?"

"Ik hield mij maar even op, Mama, om Mammy mijn flacon te geven, om mede naar de kerk te nemen."

"Uw gouden flacon aan Mammy!" zeide Marie, ongeduldig met haren voet stampende. "Wanneer zult gij toch eens manieren leeren, kind? Ga dien terstond terugvragen."

Eva keek bedroefd voor zich en keerde zich langzaam om.

"Och, Marie, laat het kind begaan; zij mag doen wat zij verkiest," zeide St. Clare.

"Maar, St. Clare, hoe zal zij ooit door de wereld komen?" zeide Marie.

"Dat weet de Heere," antwoordde St. Clare; "maar zij zal beter naar den hemel komen dan gij of ik."

"O, Papa, spreek zoo niet," zeide Eva, hem zacht aan den arm stootende, "dat maakt moeder verdrietig."

"Wel, Neef! zijt gij ook gereed om naar de meeting te gaan?" zeide Ophelia, zich vlak voor St. Clare plaatsende.

"Wèl verplicht; ik ga niet."

"Ik wenschte zoo dat St. Clare maar eens naar de kerk wilde gaan," zeide Marie; "maar hij geeft niets om den godsdienst. Het is inderdaad niet fatsoenlijk."

"Dat weet ik wel," zeide St. Clare hierop. "Gij, dames, gaat naar de kerk, om te leeren hoe door de wereld te komen, naar ik meen, en uwe vroomheid deelt ons fatsoen mede. Als ik al ging, zou ik gaan waar Mammy gaat; daar is tenminste nog iets om iemand wakker te houden."

"Wat, naar die schreeuwende methodisten?" zeide Mary. "Afschuwelijk!"

"Alles liever dan de doode zee van uwe fatsoenlijke kerken, Marie. Dat is waarlijk te veel van iemand gevergd. Eva, gaat gij wel gaarne mede? Kom blijf tehuis en speel met mij."

"Dank u, Papa, maar ik wilde liever naar de kerk gaan."

"Is dat dan niet schrikkelijk vervelend?" zeide St. Clare.

"Ik vind het wel wat vervelend," antwoordde Eva: "en ik ben ook wel slaperig, maar ik doe mijn best om wakker te blijven."

"Waarom gaat gij dan?"

"Wel, gij weet, Papa," antwoordde zij fluisterend, "nicht heeft mij gezegd dat God dit van ons hebben wil; en Hij geeft ons alles, weet ge; en het is niet veel om dat te doen, als Hij het hebben wil. Het is toch zoo heel vervelend niet."

"Ge zijt een lief gewillig kind," zeide St. Clare—en kuste haar. "Ga maar als een goed meisje en bid voor mij."

"Zeker, dat doe ik altijd," antwoordde Eva, en zij sprong hare moeder na in de koets.

St. Clare bleef op de stoep staan en wierp haar een handkus na toen de koets wegreed. Er waren groote tranen in zijne oogen.

"O Evangeline! Wel moogt gij uw naam dragen," zeide hij. "Heeft God u niet tot een evangelie voor mij gemaakt?"

Zoo dacht en voelde hij voor een oogenblik; toen ging hij eene sigaar rooken en een onderhoudend boek lezen, en vergat zijn klein evangelie. Verschilde hij wel veel van anderen?

"Gij begrijpt wel, Evangeline," zeide hare moeder, "het is wel behoorlijk de bedienden altijd goed te behandelen, maar het is niet voegzaam hen eveneens te behandelen als wij onze bloedverwanten of menschen van onze eigene klasse zouden doen. Als Mammy nu eens ziek was, zoudt gij haar dan in uw eigen bed willen leggen?"

"Dat zou ik wel gaarne, Mama," antwoordde Eva, "omdat het dan veel gemakkelijker zou zijn haar op te passen, en ook omdat mijn bed beter is dan het hare."

Marie werd wanhopig over het gebrek aan zedelijk begrip, dat dit antwoord aanduidde.

"Wat kan ik doen om mij door dit kind te doen verstaan?" zeide zij.

"Niets," antwoordde Ophelia met nadruk.

Eva keek voor een oogenblik droevig en verslagen; maar bij kinderen blijft een indruk gelukkig niet lang bestaan, en weldra lachte zij weder vroolijk over allerhande dingen, die zij in het voorbijrijden zag.

"Wel, dames," zeide St. Clare, toen zij aan het diner zaten: "wat heeft men u vandaag in de kerk opgedischt?"

"O, Dr. G.— heeft vandaag een heerlijke preek gehouden," zeide Marie. "Het was juist zulk een preek als gij hadt moeten hooren. Hij heeft alles gezegd wat ik dikwijls denk."

"Dat zal zeer stichtelijk geweest zijn," zeide St. Clare, "en het onderwerp moet ook uitgebreid geweest zijn.'

"Wel, ik meen wat ik over de maatschappij en zulke dingen denk," zeide Marie. "De tekst was: "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt in zijnen tijd," en hij bewees: hoe alle rangen en onderscheidingen in de maatschappij van God kwamen; en dat het zoo gepast en schoon was dat sommigen hoog en sommigen gering waren; dat sommigen geboren werden om te gebieden en anderen om te dienen, en alzoo meer, weet ge; en hij paste dat zoo wèl toe op de belachelijke opschudding die over de slavernij gemaakt wordt, en hij bewees duidelijk dat de Bijbel op onzen kant was en al onze instellingen bevestigde. Ik wenschte maar dat gij hem gehoord hadt."

"Och, ik had dat niet noodig," antwoordde St. Clare; "ik kan dat zelfde wel in andere boeken lezen, en dan nog eene sigaar er bij rooken, wat ik in eene kerk niet doen kan."

"Gelooft gij dus niet aan zulke stellingen?" zeide Ophelia.

"Wie—ik? Ik moet bekennen dat ik lichtzinnig genoeg ben niet veel stichting te vinden in godsdienstige redeneeringen over zulke dingen. Als ik iets over die quaestie van de slavernij moest zeggen, zou ik ronduit bekennen: Wij zitten er nu mee. Wij hebben ze en willen ze houden. Het is voor ons gemak en voordeel. Dat is toch het lange en het korte er van, en dat is het ook waar die schijnheilige praatjes eigenlijk op neer komen; en ik denk, dat zou voor iedereen en overal verstaanbaar zijn."

"Ik vind dat gij al heel oneerbiedig zijt, Augustine," zeide Marie. "Ik vind het ijselijk u zoo te hooren spreken."

"IJselijk! Het is de waarheid. Dat godsdienstig gebabbel over zulke dingen—waarom drijven zij het niet nog wat verder en bewijzen hoe schoon het is, als iemand op zijnen tijd een glas te veel drinkt, of wat te laat bij de kaarten blijft zitten, kortom, het schoone van al die beschikkingen der Voorzienigheid, die onder ons, jongelieden, tamelijk dikwijls voorkomen? Wij zouden gaarne willen hooren dat al die dingen ook goed en goddelijk zijn."

"Maar," zeide Ophelia, "houdt gij nu de slavernij voor recht of onrecht?"

"Gij moet mij niet op die akelige Nieuw-Engelsche manier met zulke rechtstreeksche vragen komen bestoken, Nicht," zeide St. Clare schertsend. "Als ik die eene vraag beantwoord, weet ik dat ge mij nog met een half dozijn meer op het lijf valt, de eene al lastiger dan de andere, en dat wil ik niet afwachten. Ik ben een van die soort, die wel met steenen willen smijten naar de glazen huizen van anderen, maar nooit zelf een glazen huis willen bouwen om hen met steenen te laten gooien."

"Dat is de manier waarop hij altijd praat," zeide Marie. "Men kan nooit bepaalde antwoorden van hem krijgen. Ik geloof dat het is omdat hij niet van den godsdienst houdt, dat hij er altijd zoo omheen praat."

"Godsdienst!" zeide St. Clare, op een toon die beide dames naar hem deed opzien. "Godsdienst! Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat, wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst wat minder billijk, minder edelmoedig, minder rechtvaardig, minder meedoogend voor den mensch is dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is."

"Dus gelooft gij niet dat de Bijbel de slavernij rechtvaardigt?" zeide

Ophelia.

"De Bijbel was mijn moeders boek," antwoordde St. Clare. "Daarmede heeft zij geleefd en is zij gestorven, en het zou mij zeer spijten als ik denken moest dat hij dat deed. Ik zou mij even gaarne zien bewijzen dat mijne moeder brandewijn dronk, en tabak pruimde, en vloekte, om mij zoo gerust te stellen dat ik recht had om hetzelfde te doen. Dat zou mij met die dingen voor mij zelven geheel niet beter tevreden maken en het zou mij den troost ontnemen van haar te eerbiedigen; en het is waarlijk een troost, in deze wereld iets te hebben dat men eerbiedigen kan. Kortom," vervolgde hij, eensklaps zijn schertsende toon hernemende, "al wat ik verlang is, dat verschillende dingen in verschillende doozen bewaard worden. Het geheele samenstel der maatschappij, zoowel in Amerika als in Europa, is van allerlei dingen gemaakt, die niet voor de proef eener maar eenigszins strenge zedelijkheid bestand zijn. Men is het tamelijk algemeen eens, dat de menschen niet naar het absolute recht streven, maar alleen omtrent zoo goed willen zijn als anderen. Als nu iemand opstaat en spreekt als een man, en zegt dat de slavernij noodig voor ons is, dat wij er niet buiten kunnen, dat wij doodarm zouden worden als wij er van afzagen, en dat wij ze natuurlijk denken te behouden—dan is dat krachtige, duidelijke, bondige taal, die het achtenswaardige der oprechtheid heeft; en als wij op het doorgaande gebruik kunnen afgaan, zal de meerderheid der wereld ons daarin gelijk geven. Maar als hij een lang gezicht wil zetten, temende preeken houden en de Schrift er bij aanhalen, dan begin ik te denken dat hij niet van de beste soort is."

"Gij oordeelt zeer liefdeloos," zeide Marie.

"Wel," hervatte St. Clare, "onderstel eens dat iets den prijs van het katoen voor altijd zoodanig deed dalen, dat slaven geene waarde meer hadden; zoudt ge dan niet denken dat wij spoedig eene andere uitlegging van de Schrift zouden krijgen? Welk een vloed van licht zou dan op eens in de kerk stroomen en oogenblikkelijk doen ontdekken dat de Bijbel geheel het tegendeel leerde!"

"Nu," zeide Marie, zich op de sofa uitstrekkende, "ik ben in allen gevalle blijde, dat ik ergens geboren ben waar de slavernij bestaat; en ik geloof dat zij rechtmatig is—ik voel dat zij dit wezen moet; en in allen gevalle, ik zou er niet buiten kunnen."

"Zeg eens, wat denkt gij, poesje?" zeide St. Clare tot Eva, die juist met eene bloem in de hand binnenkwam.

"Waarover, Papa?"

"Wel, wat bevalt u het beste, zoo te leven als bij uwen oom in Vermont, of een huis vol bedienden te hebben zooals wij?"

"O natuurlijk, onze manier is veel pleizieriger," zeide Eva.

"Waarom?" zeide St. Clare, haar over het hoofd streelende.

"Wel, dan heeft men er zooveel meer om zich heen om lief te hebben," antwoordde Eva hem ernstig aanziende.

"Dat is weder zoo wonderlijk gesproken als gij altijd doet, Eva," zeide Marie.

"Is dat zoo wonderlijk gesproken, Papa?" fluisterde Eva, toen zij op zijne knie was geklommen.

"Een beetje wonderlijk, poesje, bij hetgeen de wereld gewoonlijk zegt," antwoordde St. Clare. "Maar waar is mijne kleine Eva onder het diner geweest?"

"Ik ben bij Tom geweest op zijne kamer, ik heb hem hooren zingen, en tante Dina heeft mij eten gegeven."

"Zoo! Hebt gij Tom hooren zingen!"

"Ja. Hij zingt zulke mooie dingen van Nieuw-Jeruzalem, en de heerlijke engelen en het land van Kanaän."

"Dat is nog veel mooier dan in de opera, niet waar?"

"Ja, en hij zal ze mij leeren."

"Zanglessen? Zoo, gij begint te vorderen."

"Ja, hij zingt voor mij, en ik lees voor hem in mijnen Bijbel; en hij verklaart wat het beduidt, weet ge!"

"Nu, dat zal kluchtig zijn," zeide Marie.

"Tom is zoo kwaad niet om de Schrift uit te leggen," zeide St. Clare. "Hij heeft een natuurlijk talent voor den godsdienst. Ik wilde van morgen vroeg de paarden hebben en ging dus naar Tom's kamertje boven den stal, en daar hoorde ik hem in zijne eenigheid eene meeting houden; en waarlijk, ik heb in langen tijd niets zoo hartelijks gehoord als het gebed van Tom. Hij bad voor mij met een ijver die waarlijk apostolisch was."

"Misschien kon hij raden dat gij stondt te luisteren. Ik heb wel meer van die streken gehoord."

"Als hij dat deed, was het niet zeer politiek; want hij zeide den Heere tamelijk vrijpostig zijne meening over mij. Tom scheen te denken dat er nog vrij wat aan mij te verbeteren viel, en het ernstig met mijne bekeering te meenen."

"Ik hoop dat gij het ter harte zult nemen," zeide Ophelia.

"Het schijnt dus dat gij zoo wat van dezelfde meening zijt," antwoordde

St. Clare. "Wij zullen zien—niet waar, Eva?"

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

EEN VRIJ MAN, DIE ZIJNE VRIJHEID VERDEDIGT.

Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder, en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen van tranen op hunne wangen.

"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij zijt een goed kind—veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God almachtig weet dat ik wèl heb willen doen—dat ik mij ingespannen heb om wèl te doen—toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn Bijbel lezen en een goed man leeren worden."

"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven."

"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O, Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een man is, dat zijne vrouw en zijne kinderen hem toebehooren! Ik heb mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderen zijn eigen kon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja, hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn, zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig."

"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn nog niet in Canada."

"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk."

Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza opende haar schielijk.

Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet; eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en manier van spreken afstaken.

"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren."

"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel, Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer, en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was, en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen."

"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes.

"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp," zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester, die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht man sterk. Dus, wat is er nu te doen?"

De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren, stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild der wetten van een christelijk volk.

"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw.

"Ik weet wel wat ik doen zal," antwoordde George en ging het kamertje weder binnen, om zijne pistolen na te zien.

"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er op volgen moet."

"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover niet komen zal."

"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks."

"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten; maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet."

"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George.

"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo vriendelijk om het mij te laten weten."

"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel, George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen wijzende, "wees niet al te haastig met de—jong bloed is heet."

"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan; maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker—"er is eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon krijgen. Kunt gij mij laken?"

"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt."

"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?"

"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch is zwak."

"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn," zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af te doen."

"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen; maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet; maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden."

"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht worden—welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles."

"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u."

Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was, en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige zachtmoedigheid bij hem op te merken.

"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte plaats zit."

"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht verhaasten?"

"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen, en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan, en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen, en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden, en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot.

"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen dat voor u gedaan kan worden, George."

"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George.

"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden, want wij moeten hen niet vastende heenzenden."

Terwijl Rachel en hare kinderen bezig waren met koornkoek te bakken, ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden.

"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij, die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt—wel, het was bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt, zal over mijn lijk moeten stappen."

"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen."

"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen—christenen zoo goed of beter dan zij—liggen in het stof onder hunne voeten. Zij koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne zuchten en tranen, en God laat hun dat toe."

"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen psalm; hij zal u misschien goed doen."

George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las:

"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?"

"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf geschreven had."

"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt, O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere."

Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken eene uitdrukking van kalmte en onderwerping.

"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen, die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome, Hij zal hier namaals wèl maken."

Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde, hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht werden ingeboezemd.

Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen.

"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den kleinen jongen—drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn, weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand, terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel, willen toch altijd eten."

"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza.

"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel.

"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag, Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En daarmede trippelde Ruth weder de deur uit.

Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon kwamen ook buiten.

"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor de vrouwen en het kind."

"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen nacht te rijden."

Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder, die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij ieder oogenblik een vervolger verwachtte.

"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar vaste stem.

"Ja, wel zeker," antwoordde Jim.

"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?"

"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende, dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal laten krijgen?"

Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen, en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op de buffelhuiden neer.

De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden en Phineas klom voorop.

"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten.

"God zegene u!" was het antwoord van binnen.

En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes.

Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den elleboog. Phineas hield stil en luisterde.

"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen galop te kennen."

Hij stond op en keek oplettend den weg langs.

Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden, die haastig aankwam.

"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas.

George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte, binnen beroep.

"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende, riep hij: "Holla daar, Michael!"

"Phineas, zijt gij dat?"

"Ja! Wat nieuws? Komen zij?"

"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn, vloekende en schuimbekkende als wolven."

En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van galoppeerende ruiters aan.

"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet, wacht dan tot gij een eind verder zijt."

Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel, en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen, daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst; de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd.

"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende; en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit, allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen, om met die kerels te spreken."

In een oogenblik waren allen uit den wagen.

"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt."

Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen, waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed.

"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt op!"

Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen, en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen top der rots bedekte.

"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!"

Weldra waren allen aan den overkant.

Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde, niet van beneden kon gezien worden.

"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden, gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door, onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?"

"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat, zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten."

"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie, die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog, gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen, om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden, als zij dat doen?"

De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve mede op de jacht te gaan.

"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen.

"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of wij vinden ze."

"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks, "en dat zou leelijk zijn."

"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar geen gevaar! Negers zijn veel te laf."

"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds als duivels."

Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en zeide met eene heldere en vaste stem:

"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?"

"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky behoort?"

"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond, en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u, die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende ook, en zoo voort tot den laatsten toe."

"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge, want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven."

"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt," antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat goedkeuren—des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet, wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt; en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze vrijheid vechten tot wij sterven."

George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots, toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep, hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op.

Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch, om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag, ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche vluchtelingen hetzelfde doen—dan is het—wat is het dan?

Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde, gaf hij vuur op hem.

"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem in

Kentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af.

George sprong achteruit—Eliza gaf een gil—de kogel was bijna door zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan.

"Het is niets, Eliza," zeide George snel.

"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt," zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken."

"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur; gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge, twee schoten kruit aan één te verspillen."

"Maar als gij niet raakt?"

"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig.

"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas binnensmonds.

De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos eenigszins besluiteloos staan.

"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt mij?" riep hij en sprong tegen de rots op.

George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest.

Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof.

George gaf vuur—de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst, wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder de vluchtelingen zou gebracht hebben.

"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig."

Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel kracht neer—met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was.

"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen.

"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen, terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen."

En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen.

"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat ons hier in den steek."

"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander; "maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend of dood is."

Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken, stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held beurtelings lag te vloeken en te kermen.

"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg bezeerd?"

"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond."

Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden.

"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden te stuiten."

George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide hij duizelend om en viel met een slag op den grond.

"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al de anderen stond toe te zien.

"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn."

"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza.

"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk wezen voor de ziel van dat arme schepsel."

"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas.

Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas het raadzaam ook niet langer te toeven.

"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen."

Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te paard vergezeld.

"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met blijdschap uit. "Nu zijn we behouden—zoo goed alsof wij daar al waren."

"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen man. Hij kermt zoo akelig."

"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij hem maar optillen en medenemen"

"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem gaan kijken."

En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn toestand te onderzoeken.

"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?"

"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is al lang voort."

"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou."

"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder," zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met hem te hebben."

"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij het gezelschap nog kon bekomen.

"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem.

"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten," antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom, laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend zal oppassen—zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen."

Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit.

De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in haren schoot.

"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat.

"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren."

"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak."

"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook neemt—mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden, heb ik ze tamelijk wel overgenomen."

"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George.

"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens—Dorcas noemen zij haar—zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of zoo bij haar laten."

Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning, waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden, en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

MISS OPHELIA AANVAARDT HARE TAAK.

Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte; en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister.

St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd, die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon, de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij somtijds wenken en raad.

In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht, vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen op de markt en elders aan hem werden opgedragen.

"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet alleen wat er noodig is—Tom weet wat het kost en waar het gekocht moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als wij niet iemand daarop lieten passen."

Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde, eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid.

Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van het mijn en dijn geraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was, zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn.

Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd—waren dingen, welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben, maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand, welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom, die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden.

"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag, toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef.

"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht.

St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan.

"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene doodkist."

"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester voor alle menschen goed zou zijn."

"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding."

"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is."

"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent gij?"

"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven."

Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij lachte toch.

"O, is dat alles?" zeide hij luchtig.

"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies van alles zal zijn—van alles—lichaam en ziel. Het goede boek zegt: Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester."

Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen.

"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom," zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht, en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende, duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult."

Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen.

"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur sluitende.

Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook, was geene groote verzoeking voor hem.

Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak van huishoudster aanvaardde?

Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden, zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden, dat daardoor een goed geheel ontstaat.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders, en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag te leggen.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten.

Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij, tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen, waarvan zij de sleutels had.

De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd gepraat en gemompeld.

De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon.

Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe, want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam; maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig en onhandelbaar was.

Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag, overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen.

Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef.

Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij in geene aanmerking kwam—schoon hare keuken er doorgaans uitzag alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel, zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken.

Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke muzen aan te roepen.

Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen, aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat zij ook ten volle had aangenomen.

Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren, geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen.

De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels, en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had.

Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk om haar heen.

Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden.

"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij.

"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord.

Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend hebbende om rauw vleesch in te wikkelen.

"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres niet om het vleesch heenslaan?"

"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg—en toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten wasschen—daarom ligt het daar maar."

"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen, een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen, een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien, verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit specerijen door de geheele lade waren gestrooid.

"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad.

"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar."

"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia.

"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok naar de schuldige.

"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade ophoudende.

"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand te hebben."

"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?"

"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag verwisseld hebben."

"Hier zijn twee damasten servetten."

"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen."

"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet worden?"

"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n omslag om het deksel op te lichten."

"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?"

"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen, dat er nooit plaats op is."

"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten."

"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog, gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij nooit iets daarvan gezegd."

"Zoo! En hier zijn die uien."

"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had vergeten dat ze in dien ouden lap waren."

Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op.

"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze vinden kan."

"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig."

"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina.

"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst."

"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina, onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij, Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven, als ge niet oppast."

"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen; en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult."

"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is."

Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel verbaasd stond.

"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar ik ze niet vinden kan."

Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden" noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan, ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren, hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te zeggen dat zij "opruimde."—"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten, dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den "opruimtijd" weder verflauwd was.

Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag bij St.-Clare.

"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel gelijkt in dit huishouden te brengen."

"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare.

"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen, zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien."

"Dat zult ge zeker wel niet."

"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart."

"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden, dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen."

"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo in de war te laten loopen…."

"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner—soep, ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles—en dat schept zij uit een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan, lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan."

"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb."

"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt, en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit—dat er vijf en zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van het huis—dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht, en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en staatslieden beoordeelt, naar den uitslag."

"Maar de verspilling—de onkosten!"

"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine porties uit en vraag nooit naar overschotjes—dat is het beste."

"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel zeker dat men hen vertrouwen kan?"

Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht, waarmede Ophelia deze vraag deed.

"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!—alsof men zoo iets verwachten kon. Eerlijk!—Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?"

"Waarom leert gij hun dan niet beter?"

"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen."

"Zijn er dan geene eerlijke?"

"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel, braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft, de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als dien Tom aangaat—hij is een zedelijk mirakel."

"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia.

"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in de andere met hen mag afloopen."

"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen."

"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk, zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins anderen vorm doen dan zij."

"In Vermont is het zoo niet."

"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit; dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht, en gaan dineeren."

Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en knorrende, zooals zij altijd doet."

Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen.

"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina.

Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide:

"Och! ik wou dat ik maar dood was!!"

"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia.

"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch en zonder hare oogen op te slaan.

"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen, Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder het spreken hare koralen oorbellen bengelen.

De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan.

"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen, zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten."

"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal ze betalen."

Ophelia nam er een paar dozijn van.

"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan."

"Loodjes—waar zijn die voor?" zeide Ophelia.

"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor."

"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als het niet uitkomt slaan ze mij halfdood."

"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje, "als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij, Juffrouw."

"En dat wil ik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en mijne ellende vergeten."

"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken."

"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen—ja, ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik maar dood was en uit mijne ellende."

Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd, maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog met hare oorbellen stond te spelen.

"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt er niet op aan—gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden, zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet drinken zult—drinken—drinken—u zelve naar de hel drinken; en dat zal uw verdiende loon zijn—oe!" En met een kwaadaardig geluid ging zij heen.

"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was, zou ik haar nog erger laten afzweepen."

"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit meer genezen."

"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan, Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf omdraaiende.

Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend, behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend,

"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf.

Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde onder hare lijfbedienden.

"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend."

"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt."

"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf.

"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de trap kwam aanwippen.

"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd."

"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten beslissen."

"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende.

"Hij maakt mij altijd kwaad op hem."

"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden en dat zult gij te verantwoorden hebben."

"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van het lachen.

"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met uwe zotternij."

"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan," zeide Rosa.

"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch maar negers, zoo goed als ik."

"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad te doen worden," zeide Jane.

"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend hare lange zijden krullen.

"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard is—een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben."

Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia er weder aan en zeide:

"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat aan uw naaiwerk."

Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken.

"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend.

"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig."

"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom.

"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.

"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?"

"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos—ik ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was."

Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven, onverschilligen ernst werden uitgesproken.

"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van Jezus

Christus gehoord?"

"Jezus Christus, wie is dat?"

"Wel hij is de Heere," zeide Tom.

"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb ik wel van gehoord."

"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?"

"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit liefgehad sedert mijn oude man dood is."

"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom.

"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester kreeg mij van hem."

"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?"

"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen; en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden; maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word."

"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?"

"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel, als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom—veel liever."

En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en ging heen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

GESCHIEDENIS VAN ST.-CLARE.

Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en oogen die van blijdschap straalden.

"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u, Tom? Gij ziet zoo ernstig."

"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig.

"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende oude Prue zien spreken."

Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst en slaakte een zwaren zucht.

"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet gaan rijden," zeide zij toen.

"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?"

"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging weder in huis.

Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue, de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken.

"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?"

"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig.

"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?"

"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw met een blik naar Ophelia,

Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede naar de deur.

"Wat is er toch met Prue?" zeide zij.

De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde op een zachten, geheimzinnigen toon:

"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest—en zij brachten haar in een kelder—en lieten haar daar den geheelen dag; ik hoorde zeggen dat de vliegen haar hadden beetgekregen—en nu is zij dood!"

Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen.

"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!"

"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden."

"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen."

Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven.

Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien ochtend had vernomen.

"Dat is nu toch iets verschrikkelijks—iets verfoeielijks!" riep Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant zat te lezen.

"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij.

"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde.

"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare, zijne courant weder inkijkende.

"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen te onderzoeken en zich aan te trekken?"

"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen."

"Het is ontzettend—het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens een oordeel over u brengen."

"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is: oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat ons overschiet."

"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo maar laten?"

"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele klasse—verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar—zonder eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in het oog houden—want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is: beproeven om er mij zelven vrij van te houden."

St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij:

"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn opgelicht—nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen.

Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste voort en eindelijk barstte zij uit:

"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten, indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een stelsel te verdedigen—zoo denk ik er over."

"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?"

"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen," herhaalde Ophelia met toenemende warmte.

"Ik het verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik het verdedigde?" zeide St.-Clare.

"Wel zeker verdedigt gij het—dat doet gij allen—al gij

Zuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?"

"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht houdt?"

"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia en liet vinnig hare breinaalden ratelen.

"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik heb er op den duur berouw van."

"Waarom gaat gij er dan mede voort?"

"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw van hadt, goede Nicht?"

"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoordde

Ophelia.

"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is juist de moeielijkheid."

"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef ook het te laten."

"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?"

"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft."

"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn gaande te maken—anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig, ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk."

"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeide

Ophelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende.

"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik—maar ik praat niet gaarne ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik geloof—daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak."

"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd."

"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik," vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij…."

"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in.

"Wacht maar—ik kom er toe—gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht," zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd, "over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede moeten winnen—geestelijken, die planters naar den mond moeten praten—staatkundigen, die er gezag door willen voeren—mogen de taal en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel, en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje van hetgeen hij in zijn vak doen kan."

Not available
This book is not available in your country. If you are using VPN, please disable it

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
18 ocak 2025
Hacim:
680 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066311780
Yayıncı:
Tercüman:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar