Kitabı oku: «Toen de duisternis dreigde»
A. van der Flier
Toen de duisternis dreigde

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066402686
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IX.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI.
HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK XV.
HOOFDSTUK XVI.
HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVIII.
HOOFDSTUK XIX.
HOOFDSTUK XX.
HOOFDSTUK XXI.
HOOFDSTUK XXII.
HOOFDSTUK XXIII.
HOOFDSTUK XXIV.
HOOFDSTUK XXV.
HOOFDSTUK XXVI.
HOOFDSTUK XXVII.
HOOFDSTUK XXVIII.
HOOFDSTUK XXIX.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
Hoog aan den zomerhemel zweefde nog het gouden zonlicht. Als in glans en gloed gedoopt bewogen zich de toppen der dennen ritselend op den wind. Maar aan den voet der bruine stammen legerden reeds de schaduwen van den avond, zij bedekten de rose en lila bloemkelken der erica’s en gaven den golfjes der kleine beek, die als een verlaten zwerver door de bruine heide kronkelde, een staalkleurige tint.
De lijster zong zijn avondzang, zacht murmelde het water. Niet lang bleef dit meer het eenige geluid, dat de stilte verbrak. Uit de groene schaduw der dennen trad een jong meisje te voorschijn. Voorzichtig hield zij met de eene hand de plooien van haar wit, met een breeden rooden rand omzoomd kleed bijeen; de linkerarm boog zich om een hondje, dat den kop tegen haar schouder vlijde. In de avondzon glansde haar lang neergolvend haar. Vlug ging zij naar de beek, knielde neer en wiesch zorgvuldig het bloed af, dat aan den rechtervoorpoot van het dier kleefde.
„Arme Grijp! Stil maar beestje!” Zacht was haar stem, de witte rozelaar, die boven haar hoofd wiegelde, niet blanker dan haar gelaat.
Een schaduw viel over het water, donkerder dan werd geworpen door de purper omzoomde avondwolken; het was die van een man, een jager blijkbaar. Dat bewees de boog, die over zijn schouder hing, de blinkende hartsvanger aan zijn linkerzij, het wambuis van hertevel, de reigerveer op zijn muts. Zijn mond lachte en liet twee rijen schitterend witte tanden zien, zijn donkere oogen hadden een stoutmoedigen blik. Hun uitdrukking toonde, dat zij wèl het licht van het leven hadden aanschouwd, doch nog zelden zijn schaduwen. Een toonbeeld van jeugdige kracht was hij, met zijn slanke gestalte en kloek gedragen hoofd.
Dacht dit ook het meisje, dat hij nu op zijde trad, door eenvoudig over de beek te stappen?
„Wat is er aan de hand, Swanwitha? Heeft Grijp weer stoutigheden verricht?”
„Hij is in een greppel gesprongen en heeft zijn poot bezeerd. ’k Wou, dat ik iets had om hem te verbinden, maar ik kan dien rooden runenrand toch niet gebruiken. Wat zou grootvader dan wel zeggen!”
Schertsend waren haar woorden; toch trilde er een weemoedige klank in. Zij wees op haar kleed. Inderdaad waren in den rand geheimzinnige karakters geweven, heilaanbrengende runen, gelijk eenmaal de belijders droegen der woeste godenleer van Wodan en Donar.
Hij fronste de donkere wenkbrauwen:
„Uw heer grootvader is, geloof ik, de laatste heiden van dit land. Hij moest voorzichtiger wezen; als de keizer het verneemt, zou ’t gauw gedaan wezen met zijn macht. Hoe durft hij, in dit geheel gekerstende land, als onder de muren van Utrecht, nog vasthouden aan zijn duivelenleer?”
Verschrikt hief zij de hand op, een hand als een lelieblad wit en teer:
„Stil, stil! Hij heeft machtige bondgenooten, niet alleen in dit land, maar ook daarbuiten. Als hij hoorde wat gij daar hebt gezegd....”
„Dan moest Grijp door een ander verbonden worden, nietwaar, Witha?” Hij staakte voor een oogenblik dat verbinden, bewerkstelligd door breede riethalmen en vatte haar weerstrevend handje. Met een glimlach, die zich verborg in een blos, weerde zij hem af.
„Houd mij niet langer op, Unruoch! Ik moet naar huis, of poort en valbrug zijn opgehaald en gesloten.”
„Een uitstekend voorwendsel om voor goed afscheid te nemen van dat aangename verblijf.”
„Wat zou er dan van mijn grootvader worden? Ik ben de eenige die”....
„Die zijn wil waagt te weerstreven,” viel eensklaps een gebiedende stem in. Ongemerkt was een forsche gestalte nader gekomen. Het struikgewas had haar verborgen. Nu trof Swanwitha een dreigende blik uit twee scherpe, grijze, door borstelige wenkbrauwen overschaduwde oogen. Dit was bijna het eenige wat van de gelaatstrekken van den spreker was te zien: een ijzeren helm bedekte schier geheel zijn gelaat. Van het hoofd tot de voeten was hij in een geschubden maliënkolder gestoken, om zijn middel hing, aan een breeden, met gouden doppen versierden gordel, een breed slagzwaard, een dolk glinsterde er naast, een rond schild haakte om zijn linkerarm. Het was alsof hun forsch geschouderde eigenaar gereed stond onmiddellijk ter heirvaart te trekken, want ook zijn paard, dat op geringen afstand aan een boom was gebonden, droeg een volkomen maliënbedekking, terwijl aan den zadelboog dreigend een strijdbijl flikkerde.
„Ga mee, Swanwitha, terstond!” klonk het bevelend tot het jonge meisje. Toch werd de blik van den spreker een weinig minder stroef, toen die op haar bevallig gezichtje rustte. Zij stond op, gejaagd, met een angstigen blos.
„Vaarwel, Unruoch!” Als een ademtocht gleed het over haar lippen.
„Swanwitha!” Dreigend schudde de geharnaste krijger haar bij den arm. Zijn oogen met hun somberen gloed boorden in de hare.
„Grootvader!”.... smeekend, half verstikt van angst klonk het. Haar gezichtje was wit geworden, het herinnerde aan de kleur der zwanen, waarvan zij den naam droeg. Hij sloeg er geen acht op, hard, als met koperen klank beval haar zijn stem; — in zijn drift vergat hij wie hem hoorde: „Ik verbied u, verstaat gij? Ik verbied u ooit weer een woord te wisselen met dien daar!” Welk een verachting lag in de handbeweging, waarmee hij op Unruoch wees! — „Hij behoort tot hen, die ik zal bestrijden, zoolang Thor mijn arm kracht verleent, tot de dag aanbreekt waarop de macht van den sterkste zegepraalt op het geloof aan den witten Christus!”
Op het schild aan zijn arm, het zwaard aan zijn zijde viel een laatste, roode lichtstraal; het was of beide opvlamden in bloed gedoopt. Bloed vergoten door de macht van den sterkste.
Het bleef een oogenblik stil in het bosch, waar de adem der menschen ging, snel en stormachtig. En te midden van dat beklemmend zwijgen murmelde de kleine beek. Zij drenkte met haar heldere golfjes het dorre land en wekte tot nieuw leven wat veroordeeld scheen om onder te gaan in den nacht van den dood.
Liefde en mededoogen, verwinnend ruw geweld, machtiger dan haat en wraak.... Wie zou hier dè sterkste blijken?
Deed deze gedachte Unruoch uitroepen: „Gij kunt evenmin den loop der gebeurtenissen stremmen als dit water” — hij wees op de beek — „dwingen terug te keeren tot de bron! Rolfr Jarl, het christendom heeft ook het volk van dit land milder begrippen, zachter zeden gebracht, het de oogen geopend voor de dwalingen van het geloof der heidenen. En verwacht gij wat leeft in de zielen, wat de harten liefhebben en de denkende hoofden erkennen als heilig en waar, te kunnen overwinnen door ruwe kracht, door het geweld van speer en zwaard?”...
„Ruwe kracht! Onbeschaamde knaap, zij zal tenminste sterk genoeg zijn om u den mond te snoeren!”
De stem van den Jarl was heesch van woede. Plotseling vloog hij op Unruoch aan, als razend van toorn, misschien wel het meest omdat hij, meegesleept door zijn drift, de voorzichtigheid had vergeten, die hem gebood te zwijgen. De aanval was zoo onstuimig, zoo onverwacht, dat Unruoch geen tijd had zich in postuur te stellen. Wat zou hij, met zijn slanke, jonge gestalte, ook hebben vermocht tegen de reuzenkracht van den breedgeschouderden Rolfr Jarl?
Toch worstelden zij samen, de Noorman aanvallend, Unruoch zich verwerend. Geen van beiden sloeg acht op het smeeken van Swanwitha. Heviger werd de tweekamp met ieder oogenblik; niet twijfelachtig scheen het einde meer. Nu werd Unruoch met een slag ter aarde geworpen. Swanwitha zag iets flikkeren, zag hoe de Jarl de knie drukte op de hijgende borst van zijn slachtoffer. Met een gil wierp zij zich over hem. Het wapen schramde haar wang, zij voelde het niet, in vertwijfeling omklemde zij den arm van den overwinnaar — weldra misschien een moordenaar.
„Grootvader, grootvader! Bedenk wat gij doet! Ook gij staat onder de wetten van dit land!”
Deed het beroep op zijn eigenbelang wat geen gevoel van plicht en eer vermochten? Onder een gesmoorde verwensching stiet de Jarl met den voet naar het weerlooze lichaam van zijn machteloozen tegenstander, toen keerde hij zich met een ruk om en wenkte zijn kleindochter hem te volgen.
Zij zag hem aan met oogen wijd geopend van angst, schuwe ontzetting in hun diepten. Als geslagen trad hij terug, zwijgend; een rilling liep door zijn leden.
„Die oogen, die oogen, altijd! Hoe vergeet ik ze, hoe!”....
Hij drukte de lippen opeen tot zij slechts een smalle streep vormden in zijn gelaat. Toen tilde hij Swanwitha zwijgend voor zich op het paard.
Een zacht geluid klonk eensklaps uit de verte; de wind droeg trillende, zilveren tonen over: het kleppen eener kleine kerkklok, die riep tot het gebed. Bij dien klank hief de Jarl den gepantserden arm op: het was als legde hij een gelofte af gedrenkt in haat, te vreeselijker, omdat zij geen woorden bezat, waarin zij zich uitte.
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
Omgolfd door het floers van den dalenden avond reden zij beiden heen, het jonge, teere meisje, de ijzeren gestalte van den reeds grijzenden man, wiens geheele houding onverzettelijkheid teekende en verzet. Unruoch neergesmakt op het mos, dat spaarzaam groeide, waar de beek den bodem vochtigheid gaf, zag hen na, niet in staat zich te bewegen, nauwelijks uit zijn verdooving ontwaakt. En het was hem, alsof voor hem heentrok, als in een visioen, het verleden van het land, waarin hij geen blijvende plaats zou hebben, waar hij slechts enkele weken vertoefde als gast van zijn voogd, den Utrechtschen kerkvoogd Ansfried, die nu bijna zes jaar geleden — anno 994 teekenden toen de clerken — was gewijd als opvolger van bisschop Boudewijn den Eerste.
Het waren rampspoedige tijden voor de jonge christenkerk in het lage land, dat zich uitstrekte van de Lauwers tot het Sincfal. Friezen en Sassen, die eenmaal manmoedig weerstand hadden geboden aan de veroveringszucht der Romeinen, die door hen als bondgenooten waren begroet, wier onverzettelijke begrippen van vrijheid en onafhankelijkheid zelfs Karel de Groote had geëerbiedigd, al moesten zij hem huldigen als keizer, kromden zich onder de slagen hun toegebracht door de mannen der „grimma hjerna.”
De Noormannen! Niet ten onrechte droegen zij dien naam. Woest en stout waren zij als het trotsche bergland, dat hen zag geboren worden, waar de zee schuimend krulde tegen de klippen, en donkere pijnbosschen de hellingen der bergen bedekten, wier toppen, glinsterend van eeuwige sneeuw en als versteend in hun ontzagwekkende rust, zwijgend neerblikten op de branding in de diepte, op het woelen der onstuimige zonen van het Noorden aan hun voet.
„Nooit den beker te hebben geledigd aan den vlammenden haard; nooit te hebben gerust onder een beschermend dak!” dat was de eerzucht, de trots van iederen Noorman. Fier doorsneden hun vlugge drakenschepen de golven, zilverglinsterend in het licht van den rijzenden dag, goudgetint door de zonnestralen, door het avondrood purper bestraald. En zij volgden dien „weg der zwanen”, de dappere Vikingen, ook als de stormwind de baren kokend deed opspatten in lillend schuim of gewassen tot een orkaan hun vaartuigen neerplofte op de kust, indien hij ze niet reddeloos meesleurde naar de grondelooze diepte.
Maar steeds verzamelden zij zich opnieuw, „de Denen” — gelijk zij gewoonlijk werden genoemd — wier stoutheid grooter scheen te worden, wanneer zij de gedunde rijen telden hunner tochtgenooten. Vaster snoerde zich dan de rij der ijzeren schilden aaneen. Wilden zij hun gering aantal vergoeden door kracht en moed, die rees tot schier woeste razernij, zoo menigmaal zij een torenspits zagen oprijzen boven de toppen der boomen of menschen vonden, die de leer beleden van den Gekruisigde? Dan gingen kerk en toren in vlammen op, dan lagen verwoest en verbrand heem en hof, en vluchtte jammerend het landvolk naar een der weinige steden, om ook die te vinden verkeerd in een puinhoop.
„Wij hebben hun de lansenmis gezongen!” hoonden dan de mannen uit het noorden; en verder stuurden zij hun vloot, met kerkroof en kostbaarheden der inwoners zwaar beladen, achter zich latend een uitgemergeld land, een uitgeschud volk, mannen, die hen nastaarden met een verwensching op de lippen, bleeke vrouwen met haat in het flikkerend oog.
En de plundertochten der Noormannen namen toe met ieder jaar en radeloos toonden de Frankische koningen hun eigen machteloosheid aan de vermetele aanvallers, door hun rooftochten af te koopen met goed en met goud. Het deed hun overmoed slechts toenemen. In het eerste jaar der tiende eeuw hielden de Denen zelfs Utrecht met al het omliggende land in bezit, de christenen doodend en verdrijvend waar zij hen vonden, bisschop Radboud noodzakend tot de vlucht.
Droomden zij toen de landen der Friezen en Sassen voor goed te zullen onderwerpen aan hun heerschappij? De verwezenlijking van dien stouten wensch scheen niet meer geheel onmogelijk, sinds keizer Lodewijk den Deenschen koning Harold met een uitgestrekt graafschap ten oosten van Friesland beleende, diens broeder Roruk Dorestad[1], Kennemerland en Walcheren schonk. Wel luidde ’s keizers eisch: „Treedt toe tot de christenen,” en de Deensche vorsten gehoorzaamden in schijn. Zij lieten zich doopen, maar hun hart bleef koud voor de leer, die zij heetten te belijden, koud als het pantser waartegen het klopte. En terwijl zij in het geheim Odin vereerden en Thor, den Donderaar, was hun vermeende afval een schoonschijnend voorwendsel voor nieuwe Noorsche legerdrommen, om Harold, die zich had laten kerstenen, te bestoken in zijn pas verworven bezittingen, roovend wat hun begeerlijk scheen, vertredend het zwakke, neerstootend wie waagde hen te weerstaan. En het land sidderde onder hun slagen en menige eigenhoorige was gedwongen bij het lijk van zijn meester een noorschen geweldenaar te huldigen als heer, hem te begroeten als gebieder in een door ruwe kracht veroverde stad of versterkt landkasteel.
Ook Rolfr Jarl dankte aan zulk een strooptocht thans zijn bezittingen. Een zijner voorvaderen, ook Roruk geheeten, behoorde tot de „gezellen” van hertog Godfried, dien Karel de Dikke beleende met een groot deel van Kennemerland, op voorwaarde, dat hij dit zou beschermen tegen de invallen zijner Deensche landgenooten. Wat baatte echter den armen inwoners dit verdrag? Zij zagen Utrecht en Daventra, hun bolwerken van christendom en beschaving, opgaan in vlammen, zij werden door Godfried gedwongen stroppen om den hals te dragen. En velen schreven aan Rolfr Jarl, den zoon van zijn gunsteling, het bevel toe om hun huisdeuren tegen het noorden te timmeren en ze zoo laag te maken, „dat zij zich bij het naar buiten treden steeds voor het vaderland hunner meesters moesten buigen”....
En thans — na meer dan een eeuw, — die wel verademing had geschonken aan het verdrukte volk, schoon geen geheele bevrijding, heerschte opnieuw een Rolfr Jarl in het Sticht, toonde deze zich den naam van den woesten Viking, van wien hij afstamde, volkomen waardig. Want ofschoon de Denen thans bijna allen gekerstend heetten, en zelfs de onverzoenlijke Friezen bogen voor het kruis, toch waren er nog velen — in West-Friesland vooral — die den ouden godsdienst trouw bleven in het geheim, die droomden hem te herstellen in het openbaar. En hun hoofd en leider was Rolfr Jarl en thans drong hem in de ooren het kleppen der klok van een christenkerk, die luidde, als ten plechtigen welkomstgroet. Hij wist, wie dat nederige bedehuis had gesticht op den Hohorst, aan de grens van zijn gebied, haast onder den ringmuur van zijn geduchten Noormannenburcht. Al het bloed was geweken uit zijn lippen toen hij de hand ophief, dreigend: „Bisschop Ansfried van Utrecht, ik neem uw uitdaging aan! Thans zal het zijn tusschen u en mij, tusschen uw bleeken God en Thor, den Geweldige, die den donderkeil richt! Gij hebt het zelf gewild, het lot is geworpen!”....
Had hij overluid gedacht? Hij vroeg het zich af, want hij zag een huivering gaan door Swanwitha’s gestalte. En dit kind mocht niet weten zijn toekomstdroomen, die zich weefden in de schaduw eener kroon.
Dichter trok hij den donkerblauwen mantel — de kleur van Odin — om zijn schouders en zweeg opnieuw tot zijn hooge burcht in het gezicht kwam. Een stevige, houten muur van scherp gespitste palen rees aan de binnenzijde der breede gracht, waarover slechts een enkele ophaalbrug toegang gaf tot de sterkte, die, als iedere Noormannenburcht, uit twee gebouwen bestond, „den heuvel” genoemd en „het lage hof.” Op den uit aarde en vastgetrapte klei vervaardigden heuvel, verhief zich de rondgebouwde toren, het hoofdgebouw, omringd door een tweede gracht. Daarin bevonden zich de groote hal, de vertrekken, bestemd voor den burchtheer en zijn gezin, de wapenkamer en — de diepe, onderaardsche kerkers.
Het „lage hof” bevatte de talrijke nevengebouwen, het valkenhuis, de stallen — slechts een gebrekkig afdak — den boomgaard en den diepen waterput. Een breede, leemen ringmuur omgaf zoowel den heuvel als het lage hof; ter halve hoogte stak het staketsel waartegen hij was vastgetrapt, er boven uit. Met de diepe buitenste gracht vormden beide een geduchte borstwering tegen iederen aanstormenden vijand.
Van plompe, ruwe steenen was de toren gebouwd; het looden dak liep spits op; de kleine, halfronde vensters waren onregelmatig aangebracht en zonder eenige versiering. Over een ongelijken weg van leem en klei bereikte men de met ijzer beslagen ingangspoort. In het midden boven de beide deuren was een paardekop vastgespijkerd, die, met den esch en den vlierstruik, ter weerszijden geplant, het huis moest beschermen voor de even geduchte als gevreesde macht der zwartalven.
Terwijl Rolfr Jarl over de ophaalbrug reed, sprongen, luid blaffend, groote losloopende doggen tegen hem op en gromde in de verte een beer, opgesloten in een uit ongeschaafde boomstammen vervaardigd hok.
Wrevelig sloeg de Jarl de honden weg met zijn zweep. Onbeweeglijk, als uit erts gegoten, stonden in het lage hof, hun zwaardspel vergetend, de talrijke krijgers, die het onmiddellijk gevolg uitmaakten van den geduchten Noorman: met geen enkel gebaar werd hun eerbiedige krijgsmansgroet beantwoord.
„Fala’s paarden[2] zijn niet donkerder dan het gelaat staat van onzen heer,” mompelde een in den strijd vergrijsde krijger.
„Hij sloeg zelfs geen acht op mijn worp, en toch troffen mijn zwaarden tegelijk den mast en ving ik ze, in het terugvallen alle drie op met dezelfde hand,” antwoordde hem, gekrenkt en verbaasd, een makker. Want uit te blinken in het „zwaardspel”, waarbij een hooge mast het wit vormde der flikkerende wapens, bleef de trots van de „zonen der zee”, zooals de Noormannen zich zelven bij voorkeur noemden.
Rolfr Jarl was intusschen, door zijn kleindochter gevolgd, de steenen trap opgegaan naar het hoofdgebouw.
Het vertrek gelijkvloersch geleek meer een voorraadschuur dan een zaal: opgetast lagen daar levensmiddelen van elken aard, in zakken en kisten; wapentuig glinsterde aan de ongekalkte wanden; de bruine balken hingen vol stukken gedroogd en gerookt vleesch en in het midden glinsterde het water van een schier bodemloozen put. De Ravenhorst kon in ieder opzicht een beleg of overval weerstaan: hechte wallen, zware muren, leeftocht in overvloed.... „Ik ben op alles berekend,” verklaarde meer dan eens vol zelfbewusten trots zijn eigenaar. Was hij dit inderdaad? Zelfs Achilles bezat een kwetsbare plek.... Met een ruk schoof de burchtheer thans het gordijn terug, dat van de ongelijke wenteltrap toegang gaf tot de hal. Het was een hoog, somber vertrek. Ronde houten pijlers droegen een gewelfde zoldering; de halfronde vensters lieten slechts een schemerend licht door. Berenvellen met rood geverfde klauwen, wolfshuiden met bloedigen muil prijkten langs de wanden, afgewisseld door hertengeweien en slagtanden van wilde zwijnen. Met glinsterende wapentrofeeën, om ronde schilden gegroept, waren de pijlers versierd. Hadden die gekruiste speren en breede slagzwaarden kunnen spreken, een verhaal zou hebben geklonken van veroverde wapens in woesten strijd, bij een brandenden burcht of een geënterd schip op verre Vikingertochten.
Een vuur, dat meer rook dan warmte gaf, smeulde in de rondgebouwde schouw; door een zwaren, aan groote ringen bevestigden voorhang, kon de hal in tweeën worden gescheiden. Op het verhoogde gedeelte, waarheen enkele houten treden leidden, bevond zich, naast den bronzen zetel van den halheer, de schenkdisch, waarop het schitterde van drinkhoorns en bekers op gouden voet, versierd met edelsteen: geroofde schatten, in bloedige vuisten gegrepen bij stoute rooftochten in verre, vreemde hemelstreken. Biezen, in kunstige ruiten gelegd, bedekten hier den vloer: het was de plaats, bestemd voor den burchtheer en zijn gezin. In het lager gedeelte der zaal stonden banken en lange houten tafels langs de wanden. Hier vonden wapenknechten en dienaars hun plaats, wanneer het horensein van den hofmeester het geheele burchtgezin, zonder onderscheid, bijeenriep tot den maaltijd.
Toen Rolfr Jarl de hal binnentrad rees een statige vrouw op uit een der beide zetels van het verhoogde gedeelte. Recht en ongebogen was haar gestalte, toch had zij bijna zestig zomers zien komen en gaan. Het was een gelaat waarop wilskracht haar stempel had gedrukt, eerzucht haar merkteeken, dat zij nu tot den Jarl ophief. De donkergrauwe oogen — naar het scheen hadden zij nooit op iets, dat hun liefelijk toescheen gerust — bezaten een glans, die aan het koude staal deed denken; het grijzende haar was bijna geheel verborgen door een breeden sluier, die langs de wangen over de schouders plooide en op het hoofd werd vastgehouden door een glinsterenden gouden band. Het effen blauwe kleed hing in ruime plooien neer en werd om het middel vastgehouden door een met gouddraad en dooreengeweven runen bestikten gordel. Met een schuchtere beweging trad Swanwitha toe op de fiere vrouwengestalte en kuste eerbiedig haar hand. Want het was vrouw Sigrid, de trotsche burchtvrouw van den Ravenhorst zelf, die zich nu tot haar echtgenoot wendde met de vraag:
„Begeert Rolfr Jarl, dat terstond het sein wordt gegeven voor het avondmaal? Wij hadden u reeds eerder verwacht en daarom de rust verlaten van het vrouwenvertrek, dat gij, kind” — zij wendde zich tot Swanwitha — „in ’t geheim heden zijt ontvlucht. Ik heb u voorwaar geen toestemming gegeven, alleen en onverzeld, door veld en woud te zwerven. Ik verkies u daarom heden niet meer te zien. Ga!”
Zij hief de hand op, het was alsof zij een slag wilde toebrengen. Een angstige uitdrukking gleed over Swanwitha’s wit gezichtje: het strenge gelaat van den Jarl scheen zacht vergeleken bij dat zijner vrouw; snel verdween zij uit de zaal, zonder een woord te durven spreken. De koele oogen van vrouw Sigrid rustten een oogenblik op de beide jonge vrouwen, die in deemoedige houding op geringen afstand van haar zetel stonden. Zij begrepen wat van hen verlangd werd en verlieten de verhooging.
„Ik moet u noodzakelijk spreken, terstond.” Als een ademtocht gleed het over haar lippen. De Jarl wierp een blik in de zaal, waar de maaltijd werd opgedragen; de afstand was ver genoeg om niet te worden beluisterd:
„Is er tijding gekomen?” vroeg hij gejaagd.
„Voor een uur en alles gelijk gij hebt gewenscht.” Zij trok een der beide gordijnen dicht en vervolgde gedempt:
„Welslagen wacht u als gij weet te handelen.” Zij zag een bezorgden trek op zijn gelaat. Dringend hernam zij: „Of waant gij, dat het ras is uitgestorven, dat eens, in dit land Daventra in vlammen deed opgaan en in Utrecht zijn wetten voorschreef aan de christenen, zoowel priesters als leeken? Nog zijn de zonen dezer helden door denzelfden geest bezield. Zij zijn bereid tot den inval, maar eischen, dat gij u openlijk aan hun hoofd stelt om hen te voeren tot een krijg, die ter overwinning leiden moet.” Zij hief de armen op, als in vervoering: „Dan zult gij, al is het ook in schijn, de knie niet meer behoeven te buigen voor de afgoden der christenen, dan zult gij steun noch gunst meer behoeven van den keizer! Ik heb de runen geworpen en de tijd is gunstig voor het volvoeren van uw plan. Aarzel daarom niet langer. Odin en Thor trekken met u ten strijd. Handel, en u is de zege.”
Zij hield een perkament, met roode koorden omstrikt, met een waszegel gesloten, in de hoogte. „Dit werd heden gebracht door den bode van Olaf Erikson en van Harald Sigvatr.”
Met een ongeduldige beweging schoof hij het perkament van zich: „Laat Swanwitha roepen, zij moge het ontcijferen. Ik heb voor zulke dingen geen geduld meer! Ik schrijf mijn tegenstanders mijn wil voor met mijn zwaard, en laat hun die lezen in hun wonden.”
Zij sloeg nauwelijks acht op zijn laatste woorden. „Gij verwent Witha te veel. Zij weet meer van uw geheime plannen dan goed is. Het ergert mij bovenmate. Zij is een kind”....
„Maar kan de letterteekens ontcijferen als de beste clerk en weet te zwijgen, waar dit haar voegt. Zij gevoelt tot welk volk zij behoort.” Plotseling hield hij in; een vreemde, strakke blik kwam in zijn oogen. Tot welk volk zou Swanwitha willen behooren, wanneer die keus besliste over haar levensgeluk? Tot dat van haar vader of van haar moeder?....
Welk denkbeeld deed hem nu haastig zeggen:
„Draag zorg, dat Witha voortaan niet meer zonder geleide den Ravenhorst verlaat. Ik vond haar heden in druk gesprek met den jongen Unruoch. Hij is op den Hohorst te gast.”
Veelbeteekenend klonken zijn laatste woorden. Zij fronste de zware wenkbrauwen:
„Witha en een christenslaaf! Dat ontbrak er nog aan!”
„Dat niet: Unruoch is vrij geboren”....
„Maar dient hun afgoden.”
„Hij zal beweren, dat wij dit doen.”
Een straffe blik trof hem:
„’t Is of gij heden u zelf niet zijt. In uw plaats had ik hem zoo onschadelijk gemaakt, dat hij nooit meer kwaad kon stichten.”
„Dat scheelt niet veel: hij ligt waarschijnlijk bewusteloos bij de beek.”
„En dáár laat gij hem! Uw burchtverlies is een betere plaats.”
Hij begreep en streek zich met de hand over de oogen.
„’t Is te gevaarlijk hem thans als gevangene hier te houden. Van middag ben ik reeds te ver gegaan, in mijn drift, veel te ver. Alles komt steeds het eerst hem ter oore, voor wien het verborgen moet blijven. De graaf van Teisterbant”....
„Bisschop Ansfried, meent gij.” —
„Ge weet, dat ik dien naam niet kan verdragen. Hits er mij dus niet mee op. Ik haat hem reeds voldoende onder den anderen. Hij dan, zou terstond zijn beklag bij den keizer indienen en het is vooral thàns wenschelijk Otto’s krijgsbenden ver van hier te houden.”
Verachtelijk zag zij hem aan:
„Vrees geeft u die woorden in. Gij vrèest hem. In de ooren klinken u nog zijn woorden, nù nòg. Gij zijt bang!”
Hij stiet een kreet uit veel gelijkend op het brullen van den beer buiten; zijn vuist beukte den disch.
„Bang! Ik! Vrouw Sigrid, weeg uw woorden!”
„Ik heb ze gewogen; hadt gij het slechts uw daden gedaan.”
Zwaarder leunde haar hand op den disch, strakker werd haar blik.
„Hebt gij niet gezworen bij Odins oog, niet te rusten bij zonlicht noch maanglans, eer de laatste christen is verdelgd uit dit onzalige land? Nauwelijks een eeuw geleden heerschte hier hertog Godfried, de Noorman, oppermachtig. Hij schreef met de spits van zijn zwaard zijn wetten voor aan Franken en Friezen. Dien tijd zoudt gij doen wederkeeren. Antwoord, Rolfr Jarl, luidde niet zoo uw gelofte?”
Dreigend zag hij haar aan.
„Zoo luidde zij. Doch, vrouw Sigrid, sinds wanneer brak ik dien eed?”
„Sinds heden. Of hebt gij niet in vrijheid gelaten buiten, in het weeke gras, hem dien uw hand neersloeg, doch uw vuist niet verpletterde, Unruoch, den pleegzoon van het hoofd der christenen in dit land? Vloek over u, dat gij schondt uw plechtigen eed, gezworen bij kletterenden zwaardslag op het lustig Joelfeest te Upsal, in koning Harolds hal, in het bijzijn zijner hooge helden. Wanneer hij het verneemt, zal u het recht worden ontzegd te strijden in de groote aanstaande worsteling, Odin ter eere. Vergaan zal uw roem, de vloek der goden treffen uw hoofd, verlammen uw meineedige hand, die het wapen ophief ten heiligen eed.”
Met een kreet strekte de Jarl zijn tot een vuist gebalde hand uit. Het was alsof hij de vrouw wilde neerslaan, die waagde hem zulke smadelijke woorden toe te voegen in zijn eigen hal, die hem met verachting in den klank harer stem herinnerde aan zijn plechtige gelofte. Maar onbewogen bleef haar strakke blik hem tarten, dof klonk het opnieuw:
„Heb ik recht of hebt gij het, Rolfr Jarl?” Gramstorig zag hij haar aan, maar vast klonk zijn antwoord:
„Recht hadt gij tot nu toe, maar ook u zal de vergelding treffen. De vrouw van een Noorman harnast haar tong, gij gebruikt die als tweesnijdend wapen. Dat zal uw vloek worden.”
Zij lachte schamper.
„Geef geen aanleiding tot mijn woorden, dubbel treft u eenmaal de vloek, niet mij. Iedere oorzaak sleept haar gevolgen met zich.”
Vastbesloten stond hij eensklaps recht op zijn voeten.
„Dat zal Unruoch ervaren!” Terwijl het wilde zwijnsvleesch werd opgedragen en het bruine bier schuimde, gaf hij eenigen speerknechten zijn bevelen. Zij snelden heen om Unruoch te zoeken, levend of dood....
Want hij had vrouw Sigrid de woorden hooren fluisteren van den geduchten Brynhildr Sigurd: „Vecht liever met uw vijand, dan dat gij laf zoudt zijn, en dood, wie u smaadde, des daags daarna tot vergelding zijner beleedigende woorden”....
Maar hij dacht daarbij niet aan Odins spreuk: „Zalig, wie in het leven zijn eigen raadsman kan zijn, want boozen raad ontvangt men dikwijls uit het hart eens anderen.”
[1] Wijk bij Duurstede.
[2] Zoo werden door de Noren de nachtwolken genoemd.
HOOFDSTUK III.
Inhoudsopgave
De laatste, teere lichtstrepen van het avondrood waren geheel uitgewischt; aan het donkere uitspansel schitterden de sterren.
In haar klein vertrek was Swanwitha alleen. Zij stond op de in den muur vastgeklonken bank bij het eenige venster — op deze wijze alleen kon zij een blik naar buiten werpen — en zag naar de sterren, zonder ze te zien. In de diepte lag het lage hof als een zwart vlak, alleen de fakkels in de hooge hal ontstoken wierpen een rossen schijn over de verwaarloosde leemen nevengebouwen. Aan hun ketting huilden de honden, met dof gebrul antwoordde de beer, op de brug klonk hoefgetrappel. Wat beduidde dat nog zoo laat?
De brug werd reeds opgehaald voor den nacht toen zij met haar grootvader terugkeerde. Haar lippen beefden. Nu wist zij zonder te zien... Zij wist wien de bleeke trekken behoorden, wie als gevangene werd gevoerd in het huis, dat ook haar woning was. De roode fakkelschijn uit de zaal viel op zijn gelaat, bloed kleefde aan zijn haren, zij zag zijn geknevelde handen. Zij wist het.
Zij hief de armen omhoog als smeekte zij een teeken uit den hooge:
„Kan dat de wil van Odin zijn? Luidt niet zijn bevel: „Verheug u niet over het ongeluk van uw vijand; kastijd niet, wie zwakker is dan gij zelf.”
En toen zacht, héél zacht: „Hebt uwe vijanden lief,” gebiedt de leer der christenen. O, wat is waarheid, wie zegt het mij, wie, wiè?”
Onbeantwoord bleef haar vraag door menschenlippen, maar aan den donkeren hemel verhaalden de sterren in vlammend schrift van Hem, Die de werelden schiep en regeert, van Wien alle volmaakte giften afdalen, omdat Hij zelf is de Volmaakte liefde.
Swanwitha streek zich over de oogen, haar hand beefde, onrustig klopte haar hart. Wat was hiervan de oorzaak? Zij vroeg het aarzelend, en durfde zich zelve haar gedachten bijna niet bekennen. Maar er zijn oogenblikken in ieder leven, waarin de macht van het verleden, dat in herinnering leeft, waarin zelfs de kracht der gewoonte moet wijken voor nieuwe invloeden.
Wanneer had die nieuwe invloed zich laten gelden in haar leven? Wanneer?
Was het op dien schoonen klaren dag, toen de lentezon straalde over de wijde heide, de harsachtige knoppen der dennen zwollen en witte wolken zeilden langs het azuur der lucht? Zij dwaalde door woud en veld, gelijk zij zoo gaarne, zoo vaak deed als het haar vergund werd. Haar klein gevolg had zij teruggezonden, nu reed zij langzaam langs den oever van de Eem. Plotseling deed haar paard verschrikt een zijsprong. Had een adder het gestoken? Bruin en lenig kronkelde er een over het pad en verdween tusschen de dorre bladeren. Maar het paard luisterde naar stem noch teugel meer, voort rende het in woeste vaart, zij klemde zich vast aan zijn manen, spannend, overspannend haar kracht. De oude boomen, die zoo menigmaal haar helderen lach hadden weerkaatst, hoorden nu haar hulpgeroep. Tevergeefs. Geen arbeiders waren op het veld, eenzaam was de woudweg, waar de zonneschijn met gouden gloed trilde op de bemoste stammen. Rustig stroomde de rivier verder, geen visscher kliefde met zijn boot den stroom, geen zeil klapperde op den wind. Zou de breede weg der wateren haar worden ten zwijgend graf? Want verlaten bleef geheel de omtrek, alleen ging zij het vreeselijk einde tegen, dat niet uit kon blijven na den wilden ren.
Niet meer. Een vaste hand greep den teugel, dwong het hijgende paard tot stilstaan. Hield de korte worsteling tusschen dierlijke en zedelijke kracht, die zij mee doorleefde, niet een angst in, meer dan menig leven droeg?
Want temde niet het meest zijn blik, de moedige, zelfbewuste blik, die ook het roofdier der wouden in bedwang houdt, het wilde verzet van het steigerende ros?
Hij hield het strak aan den teugel, zag het recht in de oogen, dwong het tot stilstaan met trillende flanken en tusschen de tanden vlokkig schuim.
„Stijg af,” klonk nu zijn stem tot Swanwitha. „Gij hebt u flink vastgehouden, een val zou misschien uw dood zijn geweest; kom nu.”
Zij zette gehoorzaam haar in een laag, rood schoentje gestoken voetje op zijn hand en liet zich door hem dragen, meer dan zij ging, naar een kleine heidehoogte. Hier liet hij haar geheel tot zich zelve komen — het paard stond reeds gebonden aan een boom — zwijgend zat hij naast haar, maar de lentewind bruiste zijn jubelzang boven beider hoofd. Hij droeg nieuw leven aan en kuste in de akkers de zaadkiemen wakker, die gesluimerd hadden lang, heel lang, schijnbaar verstijfd in den ijzigen greep van den winter. Zou de zonnegloed ze kunnen wekken tot nieuw leven? Liefde verwint....
„Zoudt gij nu mee kunnen gaan?” vroeg hij eindelijk. „Gij kent mij toch? Ik ben Unruoch, de pleegzoon van... een der pleegkinderen mag ik wel zeggen, van bisschop Ansfried.”
Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen. Vriendelijk rustte zijn heldere blik op haar gelaat, zijn breed voorhoofd was kloek gevormd, edel van lijn zijn mond... „Ik weet, dat.... dat bisschop Ansfried alle armen en ongelukkigen, die tot hem komen een tehuis schenkt, bovenal kinderen, die van hun ouders zijn beroofd door de invallen der Noormannen,” sprak zij zacht, om er toen haastig op te laten volgen: „En ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl.” Haar blik gleed door de bruine takken der boomen. Hoog en plomp rees in het verschiet de Ravenhorst; als een steenen reus teekende zich de grauwe toren af tegen het blauw der lentelucht, overmachtig, geheel den omtrek beheerschend, kil en koud.
Het was als onttrok Unruoch zich met geweld aan zijn gedachten. Had ook hij de fluisterstemmen verstaan der ontwakende natuur, die meer verhaalden dan van lenteweelde en bloesempracht alleen?
„Ik begrijp wat gij meent, maar bisschop Ansfried zal u daarom even welwillend bejegenen. Zijn godsdienst leert: „Hebt uwe vijanden lief.” Doch ook zonder dat zou hij u niets verwijten. Gij kunt immers niet helpen wat hier geschiedt of reeds is gebeurd.”
„Siva, mijn voedster, zegt, dat hier vroeger allen reeds christenen waren,” hernam zij beschroomd. „Maar door de invallen der Denen hebben velen zich weer afgewend van een godsdienst, die hun was opgedrongen door de overmacht der Frankische keizers.”
„Het is geen zwaar verlies voor de christenkerk, dat zij nu leden mist, die haar leer aannamen alleen met de lippen; wel dat velen haar verlieten uit vrees voor uw — voor de macht der Noormannen. Maar kom nu. Gij hebt iets noodig na den doorgestanen schrik en bisschop Ansfried kent menig goed geneesmiddel.”
Zij stond op en volgde hem in groot vertrouwen. Wanneer een verwante van den bisschop den Ravenhorst was binnengegaan, zou die haar ten kerker zijn geworden, dat wist zij. Toch volgde zij, zonder aarzelen of vragen den onbekende, die haar voerde naar het „broederhuis” op den Hohorst. Daar hield thans bisschop Ansfried verblijf, wiens leven haar grootvader bedreigde, schier brak, door zijn geheime en openlijke vijandschap. Had hij dit leven reeds vroeger geknakt? Zij wist het niet, zij volgde Unruoch en een wonder gevoel doortrilde haar hart. O, als hij haar hand in de zijne had genomen, had gezegd:
„Ga met mij, voor altijd. Laat alles achter wat gij bezit en, dat toch uw hart koud laat. Want, kleindochter van den machtigen Rolfr Jarl, erfgename van zijn bezittingen, gij bezit niets. ’s Levens hoogste goed werd u onthouden, niemand heeft u lief,” — dan zou zij hem gevolgd zijn tot het einde der aarde, in onbegrensd vertrouwen, in vast geloof aan zijn trouw.
„Nieuw leven,” verkondigde het suizen van den wind, het lachend lente-zonnegoud, nieuw leven....
En, zonder iets te vragen, had de bisschop haar van zijn krachtige medicijnen gegeven, haar verzorgd als een vader zijn kind. Schuw had zij opgezien tot zijn eerwaardig, door zilveren lokken omlijst gelaat.
„Ik ben de kleindochter van Rolfr Jarl”.... Een schuchtere blik had haar woorden aangevuld. Toen had hij geglimlacht, o, zoo droevig en zacht.
Het was of zijn trekken werden bewogen door herinneringen aan geleden, nooit geheelde smart, aan vervlogen, nooit vergoed geluk. Tranen sprongen haar in de oogen. En toen had hij haar verhaald van den barmhartigen Samaritaan, die niet zwijgend voorbijging, bij leed en nood, zooals de priester en de Leviet. Het klonk haar even edel en goed toe als Unruochs woord: „Hebt uwe vijanden lief.”
Hamerslagen braken de stilte af, die volgde op de woorden van den bisschop. „Als mijn kerk wordt ingewijd op den Hohorst, moet gij ook komen,” hernam hij toen. „Dan zult gij hooren van den Goeden Herder, Die ook Zijn afgedwaalde schapen niet vergeet. Ook gij zijt Hem dierbaar, Swanwitha! Ook u wil Hij een plaats geven in Zijn eeuwig huis.”
Wat klonk dat alles vreemd! De vrouwen gingen immers allen, zonder onderscheid, naar Hela, Nevelheims bleeke godin. Voor hen stond geen Walhalla open, gelijk voor de hooggehelmde helden, die sneuvelden in den slag, en door de schildmaagden werden gevoerd in Odins zaal — Wodan werd hij genoemd bij Friezen en Franken — om daar, gewekt tot nieuw leven — te kampen om den overwinningsprijs, om juichend, in den roes der zegepraal, gerstebier te drinken uit de schedels hunner verslagen vijanden.... Zoo luidde de leer der Noormannen. En toen dacht zij aan haar moeder; herinneringen kwamen, en wat zij nu gehoord had was haar niet meer onbekend, schoon haast vergeten. Maar opnieuw had de stem geklonken van den bisschop, zulk een ernstige tot het hart doordringende stem! Het was haar of onzichtbare handen gouden harpen sloegen, toen hij sprak langzaam en plechtig: „Ik heb lief, die Mij liefhebben en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.”
„Denk aan die woorden, mijn kind, vergeet ze nooit en als gij ooit in zorg of lijden verkeert, kom dan hier en zoover menschelijke macht reikt, zal ik u helpen.”
Lang vergeten beelden kwamen en gingen bij die woorden; weer verrezen de herinneringen uit haar vroegste jeugd. Woorden vol licht en geloof wierpen hun glans over het heden vol twijfel en vergetelheid....
Dit was nu reeds verscheidene weken geleden en thans zou hij zelf in zorg en lijden verkeeren, de grijsaard, dien honderden hoog vereerden en liefhadden, doch dien haar grootvader vervolgde en haatte.
Nu werd Unruoch, zijn lieveling, gebracht, als gevangene gebracht, naar de diepe, donkere kerkers van haar huis, die nooit hun slachtoffers teruggaven, nooit meer.
„Hebt uwe vijanden lief,” gebood de leer der christenen en de aanhangers van Odin oefenden wraak aan schuldeloozen.
Onrustig, gejaagd, bestormd door gedachten, die zij zich nauwelijks durfde bekennen, ging Swanwitha op en neer in haar klein vertrek. De eenzaamheid was om haar, alleen twee angstige oogen zagen haar aan uit een door leed en zorg vertrokken gezichtje, toen zij bij toeval een blik wierp in den staanden, blinkend gepolijsten spiegel. Wat was gevoelloozer, dit staal of de harten der menschen? Snikkend zonk zij neer bij haar smal bed en drukte het gloeiend voorhoofd in het hertevel, dat tot dekkleed diende. Krampachtig woelde zij met de handen door het golvende haar, de gouden voorhoofdband raakte los, die de lange, glinsterende lokken bijeen hield, over den vloer rolde hij met zacht gerinkel. Ach, wat baatte haar dat blinkend goud, wat haar gordelband versierd met purperen robijnen, wat de spangen en armringen, die zij bewaarde in het kleine, zilveren kistje, dat eens haar moeder had behoord? Zij kon er Unruoch de vrijheid niet door hergeven. Lijfdienaars en eigenhoorigen stonden op den Ravenhorst in strenge tucht; niemand zou wagen den gevangene van hun heer te helpen ontvluchten. En toch, iets moest gedaan worden, iets. Dieper begroef Swanwitha het gelaat in de blanke armen. Schier vergeten woorden, eens opgevangen van de lippen harer moeder, fluisterde haar mond. Het klonk als een gebed.
Siva kwam. Melk en brood bracht zij voor haar pleegkind, de kleindochter van den burchtheer, die was weggezonden uit zijn hal, in het bijzijn van eigenhoorigen.
In het licht der ontstoken kienspaan, door Siva bevestigd in een kram aan den muur, fonkelden de robijnen van Swanwitha’s gordelband. Groote bloeddruppelen schenen zij en het was haar of ook haar bloed zou wegvloeien, warm, rood hartebloed. En weer fluisterde zij het woord, eens van haar moeder geleerd: „Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden”....
O, wie zou háár kunnen troosten, wie?
Ook dat woord was een van de spreuken der christenen. Haar moeder had hun geloof gedeeld, ach, waarom was zij zoo vroeg gestorven? Nu was haar kind in strenge afzondering opgegroeid op den Ravenhorst, onder het oog eener grootmoeder, die in ’t geheim tot Odin en Frigga haar gebeden richtte, bewaakt door Rolfr Jarl wiens levensdroom was iederen Viking, die met zijn gezellen zijn Noorsch vaderland ontvluchtte, omdat ook daar het christendom ingang begon te vinden, een nieuw erfland te schenken waar de reizangen zouden klinken Odin ter eer en het beeld van Thor, den Geweldige, zou prijken in tempels en heilige wouden.
HOOFDSTUK IV.
Inhoudsopgave
Een nieuwe morgen lichtte aan. Het grijs van den hemel was weggesmolten in teer opaal en bleeke rosetinten. Goudgesluierd verrees de zon, de aarde baadde in glans en in de verte schenen de boomtoppen, zacht bewogen door den ochtendwind, de golven eener groene zee. Voor het kleine, diep in den muur aangebrachte halfronde venster van haar vertrek stond weer Swanwitha en staarde, staarde....
Haar hadden de zonnestralen niet gewekt uit een kalmen sluimer; wakend was voor haar de nacht voorbijgegaan. Nu rustte opnieuw haar strakke blik op den hoogen wal en de gesloten poort. Wat kon zij, wat kòn zij?.... Zonder geleide mocht zij zelfs den Ravenhorst niet meer verlaten. De wil van vrouw Sigrid was de wet van haar omgeving. De poortwacht wist dus reeds dit nieuwe bevel. Swanwitha’s hart beefde, zacht fluisterden haar lippen:
„O, als ik slechts kòn.... zijn vrienden waarschuwen, den bisschop.... Hij heeft stellig veel vrienden, die hem liefhebben en ik heb niets dan hem alleen en nu sterft hij hier verlaten en ik kan niets voor hem doen, niets!”....
Het hooge gevoel, dat in haar hart leefde, hief haar niet op, maar boog haar neer tot de aarde, in radelooze, vernietigende smart. De witte rozen, die zich langs den vensterboog slingerden, waren niet bleeker dan haar gelaat, haar handen wrongen zich ineen: zij had verleerd ze te vouwen. Een horensein klonk. Helder en licht brak het geluid op den gevel van het hoofdgebouw. Wat kon dat zijn? Hopend op een redding, die zij niet durfde verwachten, boog Swanwitha uit het venster.
En zoo zag haar de vreemdeling, die nu den slothof binnenreed. Het witte gezichtje omgeven door den wiegelenden krans van rozeknoppen en blanke bloesems — nooit zou hij het meer vergeten, nimmermeer. Evenals zijn klein gevolg was de nieuw aangekomene gehuld in het glinsterend maliënkleed, zelfs het vizier van zijn helm hield hij neergeslagen, maar eerbiedig hielp de oude hofmeester hem afstijgen, toen hij den ring zag, die hem werd gereikt.

„Dit aan uw Jarl. Leid mij tot hem.” De hofmeester boog; verwonderd volgde Swanwitha’s blik de ranke gestalte. Het was of de vleugels van den witten gier, de eenige helmtooi van den onbekende, rezen. Wilden zij hem meevoeren hoog, héel hoog? Hij stond op de breede treden in zijn zilverblinkend pantser, om hem ’s hemels blauw en de schittering der blanke vleugels. Maar hij zag alleen het schoone meisjesgelaat. Evenmin als de hare streefde zijn blik omhoog. Zijn horensein had geklonken als een zegezang, een jubel van aardsche glorie en aardsch geluk. Maar lijfdienaars snelden toe, grepen ook de paarden van zijn gevolg bij den teugel, wijd geopend werd de poort van het hoofdgebouw. Welgevallig sloeg menige verweerde krijger den blik naar esch en vlier, naar den paardekop boven den ingang, heimelijk vormde meer dan een vuist het hamerteeken. De jonge aanvoerder zag het eene noch het andere, zijn blik hing aan het rozenomrankte venster, aan het meisjesgezichtje, dat zelf een witte roos geleek. Maar op den drempel verscheen Rolfr Jarl; met de hoffelijkheid den Noren eigen, bracht hij zijn onverwachten gast den welkomstgroet. Naar het verhoogde gedeelte der hal geleidde hij hem, zelf hief hij den gouden, in den vorm van een paardekop gedreven beker van het blad, dien de hofmeester zich haastte te brengen. Zijn gejaagde bewegingen verrieden de spanning, waarin hij verkeerde.
Zij vormden een groote tegenstelling, de man met het vermagerd gelaat en den diepliggenden blik, waarin het gloeide van een vuur, dat verteerde, doch niet louterde, wien ’s levens ontgoochelingen scherpe voren hadden getrokken in het breede voorhoofd, omdat hij alleen van het aardsche leven alles had gevraagd en verwacht, wiens vastgesloten lippen in hun sombere lijnen verhaalden van eerzucht, die tot hartstocht werd, tot onbevredigden hartstocht, en de jongeling wiens oogen straalden van een toekomstverwachting, wolkeloos als de zomerhemel buiten.
Maar thans verhelderde een flauwe glimlach de sombere trekken van Rolfr Jarl, terwijl hij, eenige druppels plengend, zijn gast den welkomstdronk bood:
„Drink heil, Olaf Erikson. De wind, die den wil der goden weet, heeft uw vloot den weg gewezen, voer nu weldra over den golvenden stroom uw drakenschepen hierheen, Thor ter eere, den Alvader tot zege en heil.”
Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht, volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog. Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en strijd.
Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?
De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel, ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder haar schitterend golvenvlak en — onzichtbare klippen. Ook hij hief de hand op, — het scheen een waarschuwing:
„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht, treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”
De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:
„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”
Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:
„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal brengen ligt besloten in het heden.”
Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze woorden.
Bijna plechtig ging hij voort:
„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg. Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land. Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd, heeft onze inval kans van slagen?”
Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:
„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik — als het onbemerkt mogelijk is — met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de sterkste stad van dit land.”
Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:
„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het heil te deelen der helden in Odins hal.
Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen ijverzucht klonk in zijn stem. — „Dan zult gij nooit die jaren van onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt, behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:
„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor Thor en Odin!”
Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:
„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis slaan in stede van een hamerteeken!”
En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn en verbittering uitriep, — weer had ik in de verte aanschouwd hoe een Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een erfgoed te verwerven en gezag:
„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte, daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel, Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:
„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”
Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte aan”....
„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van licht stralend Walhalla.”
„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper der menschen aanbad?
Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud, nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:
„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen, psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode. Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden, esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode, maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak, of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....
De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.
Toen reisde ik, — vermomd als Skald — van land tot land, van stad tot stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven, maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een nieuw rijk te stichten.
Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij volgen hun voorbeeld.”
Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich ongetwijfeld op de vloot?”
Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako, was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door zijn eigen volk omgebracht.”
De blik van Rolfr Jarl gloeide:
„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”
„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland, laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems. Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild schittert.”
De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun heer.”
In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander volgende woorden dezelfde was.
Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer, zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer. Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins hal: ik werd geen afvallige.”
Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.
„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.
„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen, die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te gast genood aan boord van mijn drakenschip.”
„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.
De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf, de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem, doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.
Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht, eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig — het zwijgen wordt pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: —
„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders. Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen bode bericht:
„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte van den Ravenhorst: „Hierheen!”....
Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug, mits nà de zege.”
Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer gedacht aan die belofte van den Jarl.
Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee te maken als volwassen man.
Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn vlammende strijdzangen.
Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.
„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”
„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”
Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn tusschenkomst redde hij diens erfdeel — het was slechts gering — uit de macht van hebzuchtige verwanten.
„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen, en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem vergaten.
„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft toonen is groot,” dacht de Jarl.
Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.
„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij besloot daarom hem nog heden — volgens de voor jaren gemaakte overeenkomst — plechtig aan Swanwitha te verloven.
[3] Het tegenwoordige Amersfoort.
HOOFDSTUK V.
Inhoudsopgave
Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist.
Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou het zijn. Toen was het — naar haar voedster zei — de dertiende maal, dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken, waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd thuisgebracht — een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de jachtspriet stak nog in zijn zijde, — naar werd gefluisterd afgeschoten door een verraderlijke hand — toen werd zij uit de verlaten hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken, stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting. Maar aan Siva beval haar strenge stem:
„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.”
„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,” had Siva ’s avonds gezegd.
Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me houden! Een paar dagen nog maar!”
Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet, steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op, gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die woorden meende te verstaan, hernam Siva:
„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien mag je het boek dan nog een paar dagen houden.”
Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen.
Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg.
„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen, ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens.
Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte het haar en slingerde haar arm weg.
De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich.
„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig.
Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet.
„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan.
„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.”
Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het:
„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de christenen.”
Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit: zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter, waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven.
Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten. Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking, die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken.
„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen als zijn vrouw.
De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar opwelde en zij aanhief:
„Einen Kuning weiz ich,
Heisset Herr Hludwig,
Der gerne Gott dienet,
Weil er ihms lohnet.
O das warth al geendist,
Koron wolda sin Gott iz.
Ob her herbeidi
So lang tholon mahti.
Liess der heidine mann
Obar sie lidan,
Thiot Vrancono
Mannon sin diono.
Thoh erbarmed es Gott,
Wiss er alla thia nod
Hiess Herr Hludwigan
Tharot sar ritan....[4]
Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.”
Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander, op den kortsten dag, everzwijnen — aan Fro gewijd — van koek en brandden lichtjes dien god ter eere.
Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren — in hun onbedwingbaren drang naar vrijheid — steeds bereid ieder bij te staan, die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui” spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner oogen.
Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij wist, dat hij staat kon maken op haar belofte.
Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid.
Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart:
„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.”
Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets?
Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek van een glans, die blonk zelfs door de nevelen.
Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende zijn gasten — Olaf was niet de eenige gebleven dien dag — aan den maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de jonge meisjes — haar gewoon gevolg — bleven, evenals Swanwitha, in het vrouwenverblijf.
Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en deed haar hart gejaagd kloppen.
Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan haar....
Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu?
Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken bij het overvloedig maal....
Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten een ijzeren slot aan.... een sleutel....
Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen en toen, en toen....
„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds, nu!”....
Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn gelaat en de oogen waren geloken.
Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij in het stof.
„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord maar, een enkel woord!”....
Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven?
Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch te beseffen wie zich over hem heen boog.
„Lucht, lucht! Ik stik!”....
Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen.
Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen kerker: de dood door verstikking.
Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl. In vollen gang scheen nog het feest....
„Unruoch, o, Unruoch!”....
Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij zijn redster herkende.
„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”....
Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte, plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles vergaat.”
Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed, om met hem te danken....
Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de bewaarder terugkeert.”
„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.”
Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap....
„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal en daar vieren zij — feest.”
Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer dan een spinrokken in het zilveren maanlicht.
„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd.
„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.”
Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”?
In haar oogen lichtte een zachte weemoed.
„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een plaats waar de gracht ondiep is.”
Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel, welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken, overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond. Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht gewezen.
Plicht alleen?
Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich verried in haar zelfverloochenende toewijding.
„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor Zijn grootste geschenk.”
Zij schudde het hoofd:
„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop Ansfried?”
Zijn blik rustte in den haren:
„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.”
„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige armen.
„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden volgens de wetten van dit land.
Zeg me, Witha, is dit onze verloving?”
Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus.
Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk.
De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden.
Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom; donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere, lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal, of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen, omdat de taal er geen woorden voor bezat.
[4]
Eenen koning ken ik,
Hij heet Heer Lodewijk
Die gaarne God dient,
Omdat Hij het hem loont.
Toen dit alles geschied was,
Beproeven wilde God hem,
Of hij ook moeite
Zoo lang kon verduren.
Hij liet heidensche mannen
Over de zee komen,
Om de Franken
Te herinneren aan hun zonden.
Doch God had erbarmen,
Hij wist al dien nood,
Hij beval Heer Lodewijk
Terstond derwaarts te rijden.”
HOOFDSTUK VI.
Inhoudsopgave
Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans.
Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst. Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen, die slechts te dwingen zouden zijn door — hongersnood.
Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er zich en — de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil. —
En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen — de vrucht van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, — naast de levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” — —
IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders, behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner duistere eeuw” — de zesde sinds Christus’ geboorte.
Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken — vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere, overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken.
Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst, dat hij daartoe het recht had.
De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft, om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die nog niet waren toen het ontstond.
De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht.
Twee bejaarde wandelaars — zij hadden de vorderingen van den bouw bezichtigd — volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat.
„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.”
De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol — het gewaad van de bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder. Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag, die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede, maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe afschaduwing waren, hier op aarde.
Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere, sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende overgave zijn angel had ontnomen.
Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, — hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel tusschen zijn oogen groefde zich dieper.
Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden.
„Zoo gaat het met alles, met allen!” — Welk een bittere klank was in zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen, bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en wordt vertreden, ongeacht, ongezien.”
De andere schudde het hoofd.
„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in. Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en beschermt hem voor beide.”
„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd! Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen der menigte. Wat begeert gij nog meer?”
Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan:
„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.”
„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!”
„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt gij, een christen, zóo spreken?”
„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten, gaven geen vrucht.
O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas.
En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist. „Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door.
Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart slaan:
Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam. Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad. Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen.
En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt met de grijze wateren der Germaansche zee.”
Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van den kruisboog schoot:
„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest. O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de overwinnaars waren gegaan.
Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren:
„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar, op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige....
Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.”
Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart. Toen hernam hij dof:
„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”....
Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de herinnering.
„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil. Laat ook uw ziel dit zijn — stil in God. Denk aan het woord van een, zwaar beproefd als gij:
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.”
„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook, grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest geluk....”
„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht. Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!”
„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij komen? Waarom?”....
„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en beproeving dichter gebracht tot Hem.”
„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.”
„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?”
„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als een schroeiende vlam!”
„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u rust geven en berusting: „ná dezen.”
Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken.
„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!”
Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak:
„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering. Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.”
„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht, dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en bekeering?”
„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de meesten, het woord van onzen Heer.”
„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den dood?
Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan.
„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel. Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest? Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering leefdet, hier terug gekeerd?”
„Ach laat mij mijn rust, rust!”
„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst, waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch, dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. — „Ziet gij tusschen de boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat, strekt tot ieders verderf.”
„Hoezoo?”
„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen, gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het zwaard der Denen.”
„En, dat zegt gij zoo kalm!”
„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te grijpen?”
Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde:
„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht. Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold een kreet, die door merg en been ging.
„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop, hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet u het hart!”
Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking.
Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het:
„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen; laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van mijn leed!”
Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer.
Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel, kondigde immers nog het rustuur aan?
Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke, dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone gebeurtenis in dezen kring!
„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad, in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij schudde het hoofd:
„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?”
„Ik — neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij — de sluier kon niet geheel haar blos verbergen:
„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten tot gij antwoord brengt?”
Hij knikte zwijgend en ging.
Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren voorden blik van Frethibold.
„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart.
„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm.
In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming, smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!”
Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de bisschop schudde het hoofd:
„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek, eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan vermogen?”
„O, heer, heer!”....
„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.”
„Wie is dat? Wie h——?”
„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.”
Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen:
„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel, dat het zoo is!”
Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde.
Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst, die uit haar woorden klonk.
„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.”
„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en aarzelend:
„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” — zij wees omhoog — „Zijn hemel ook ver.”
„Houd Hem vast, mijn kind” — hoe beefde zijn stem bij dat woord! — „en alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.”
Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield.
„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was.
„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”....
Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom, die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite herstelde hij zich:
„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u, zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met Gods hulp.”
Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin:
„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?”
Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik.
HOOFDSTUK VII.
Inhoudsopgave
„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan, en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen.
„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!”
Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide vrouwen met zijn toornigen blik.
„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee hoorigen: „Haar twintig stokslagen.”
„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke, bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve vergetend fluisterde Siva weer:
„Stil maar kindje, ’t Zal”....
In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen tred.
Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten weerkaatsten met wreeden nadruk.
En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl: „De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij echter zijt zijn schande.”
Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor altijd.”
Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar.
„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”....
„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met zijn dood, gij met uw leven.”
Zij wrong de handen:
„O, genade, genade voor — hem!”
Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,” beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde.
Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd haar dit kleed over de schouders wierp.
„Grootmoeder.... Wat!”....
Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig keur.”
Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren. Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden, klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen van vrouw Sigrid haar aan.
„Dat” — zij wees naar buiten — „kondigt het einde aan van den deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht stond?”
Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de beslissing niet uiten over leven en dood.
„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef.
Swanwitha opende de oogen wijd.
„Dat kan ik niet, nooit!”
„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen.
„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude, stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde. „Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij gehoorzaamt.”
„Liever sterf ik!”
Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon duldde geen verzet, — zij wist, dat zij nu haar laatste middel aangreep:
„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het voor hem gelden „huid en haar.”
Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis....
Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed dit haar ineenzinken met een kreunende klacht?
En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar ooren:
„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven te redden — dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak, verachtelijk wezen zijt gij.”
Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan. Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een ander? En het eenige middel om hem te redden was het — haar vonnis. Zij aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht. Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden, toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid.
Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt, ontroerd.
Thans zag zij dien blik ten tweeden male — in de oogen harer kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de hal, maar afgewend bleef haar gelaat.
En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met versche biezen de vloer bestrooid, — onfeilbaar middel om de nadering af te weren van booze geesten — daar waren de pilaren omvlochten met frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte, zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan:
„Hef thans den hamer
Ter wijding der bruid
En leg den Miölnir
De maagd in den schoot,
Men volbreng de gebruiken,
Deze bruid zij de mijne”....
Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem, maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw gegeven aan een ander!
In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven vormt, maar zijn ervaringen.
Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar leven en lot, sprak luide:
„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson.
Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt, verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.”
Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar bruidegom heette — de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag haar aan glanzend van gouden geluk, hopend....
Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd:
„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt: Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.”
Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij....
Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal, getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven.
Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen.... Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte — niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer toekomst, werd het voor hem licht....
En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die zou zijn „haar heil en haar heer”....
De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde, was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet vrij gelaten....
„Mijn bruid” — een stem met een lichte trilling in haar toon bracht haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een vreemde?”
Ernstig zag zij hem aan.
„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik gehoorzaamde zijn wil om”....
Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij:
„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later, weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt schenken.”
Zij kon niet antwoorden — het gaf haar een gevoel van verlichting — want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel. Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk zijn stem:
„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven, de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte: Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil! Zege na strijd!”
Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke kracht?
„De hooge held,
Hij waagt en wint
Of strijdt en sterft.
Hoog in ’t harnas,
Heft hij den heirbijl.
De vijanden vlieden,
De zege ziet hij:
Hem wuiven Walküren
In ’t weeldrig Walhalla
Het welkom toe
Aan Alvaders maal”....
De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden — een oproep ten strijde gelijk — van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen, kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun spitsen.
„Juichend valt hij
Voor zijn volk.
De hooge held!....
’t Zij strijd of zege!”
Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de hoogste eer.
Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang. Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!...
„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht, haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen, zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol smeekenden angst.
„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?”
Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal bevechten van een ideaal — van het zijne. Want hij had hem lief, den godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid, Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen, zijn daden edel en goed.
Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda, voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte: „Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt zal door het zwaard vergaan”....
Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed. Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan? Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan. Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen, die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later, toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van het christendom vruchtbaar maakte.”
Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld, naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom dan?....
Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel, dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der vrouw,” zoo eischt het de Edda.”
Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven.
Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar.
„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!”
Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk — die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn berekening juist.
„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt, zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden pleegzoon.”
„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los.
Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde.
„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een redevoering.”
Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach:
„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.”
„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, — ha, ha! — vermeerderen met ieder jaar.”
„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den anderen kant.”
Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend. Angstig kwam Swanwitha naderbij.
„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw Sigrid.
„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet. Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend met de bezittingen van graaf Walger.”
„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om.
„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees. Peer en Lars” — tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de deur — „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een vuur wordt aangelegd.”
„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!”
Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend.
„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij zich tot Olaf wendde.
„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf.
Beiden — Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek, gelijk hij mijn bezittingen durft noemen.
Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen slechts vergelding als ik mij wreek!”
Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig.
Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen, zelfzuchtige plannen.
Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm, aan de zijde van een vreemde.
Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter.
„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren de vrouwen zich te verwijderen.”
„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast:
„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn verlovingsfeest.”
Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging uitspreken, te verzachten.
„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht ik niet anders,” ving hij aan.
Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust, stond hij voor den geduchten Jarl.
„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden veroordeeld.”
Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte hij den blik vast op zijn aanklager.
„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag. Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt gevonden in het vrouwenvertrek.”
De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte.
„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij.
Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers een harnas waarop alle pijlen afstuiten.”
Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde veroordeelen.
„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper dan het vlijmendste zwaard kon slaan.
Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op den Jarl.
„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.”
Geërgerd zag Rolfr hem aan:
„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.”
Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters.
„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.”
Een driedubbele uitroep weerklonk.
Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit:
„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door haat geveld, onteert niet.”
Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte.
„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe.
„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou het een rechtvaardig vonnis zijn.”
Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als een mes. Toen hief hij de hand op:
„Naar de pijnbank met hem.”
Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte hand.
„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een schuld, die ik nooit beging.”
Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet.
„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.”
Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde:
„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht. Laat hem vrij.”
Rolfr Jarl werd wit van drift.
„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit nooit.”
Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr bijna razend maakte.
„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.”
Vrouw Sigrid trad naar voren.
„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens — dat weet gij allen — de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende bron?”
Het opzweepend woord viel in goeden grond:
„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken Gekruiste! Zij varen naar Hel!”
In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.