Kitabı oku: «Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath»

Yazı tipi:

Abraham Kuyper

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066317126

Inhoudsopgave

ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.

EERSTE ZONDAG.

TWEEDE ZONDAG.

DERDE ZONDAG.

VIERDE ZONDAG.

VIJFDE ZONDAG.

ZESDE ZONDAG.

ZEVENDE ZONDAG.

ACHTSTE ZONDAG.

NEGENDE ZONDAG.

TIENDE ZONDAG.

ELFDE ZONDAG.

TWAALFDE ZONDAG.

DERTIENDE ZONDAG.

VEERTIENDE ZONDAG.

VIJFTIENDE ZONDAG.

ZESTIENDE ZONDAG.

ZEVENTIENDE ZONDAG.

ACHTTIENDE ZONDAG.

NEGENTIENDE ZONDAG.

TWINTIGSTE ZONDAG.

EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

TWEE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

DRIE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

VIER-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

VIJF-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

ZES-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

ACHT-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

DERTIGSTE ZONDAG.

EEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

TWEE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

DRIE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

VIER-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

VIJF-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

ZES-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

ZEVEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

ACHT-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

NEGEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

VEERTIGSTE ZONDAG.

EEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

TWEE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

DRIE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

VIER-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

VIJF-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

ZES-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

ZEVEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

ACHT-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

NEGEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

VIJFTIGSTE ZONDAG.

EEN-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.

TWEE-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.

DOOR

DR. A. KUYPER.


AMSTERDAM.

PRETORIA.

BOEKHANDEL

VOORHEEN

HÖVEKER & WORMSER.

ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.

Op de Dagen van goede Boodschap volgt hiermeê in gelijk formaat een Gomer voor den Sabbath; onder een titel, die aan Exodus 16:16–24 is ontleend.

Dit boekske mocht niet uitblijven.

De indruk mocht niet voortduren, alsof weer een verheffen van onze Christelijke vierdagen boven den Sabbath ingang vond; en de schijn moest wegvallen, als wierd met de behoefte, die ook op den Sabbath, in de ure van stille afzondering, aan meditatie bestaat, niet gerekend.

Vooral nu in onze dagen het geroep om Zondagsrust ook bij hen steeds luider weerklinkt, die van Zondagsheiliging niet hooren willen, is het eisch van het oogenblik, dat geen poging onaangewend blijve, om ook door stille meditatie de heiliging van den Rustdag te bevorderen.

Daarom gaan in dezen bundel aan de Meditatiën voor elk der twee of drie en vijftig Zondagen van het jaar, een zevental afzonderlijke Meditatiën over den Sabbath vooraf. Meditatiën, die niet de Sabbathsquaestie bespreken, maar Gods kind tot geloofswerking ook ten opzichte van den Sabbath uitlokken.

Wel ligt aan deze Meditatiën een doordacht gevoelen over den Sabbath ten grondslag; maar dit gevoelen zelf wordt er niet in verdedigd noch betoogd.

Liever dan in deze Meditatiën door zulk betoog Gods kind van zijn stille Sabbathviering af te leiden, heb ik daarom zulk een betoog in een afzonderlijk Tractaat van den Sabbath, te boek gesteld.

Een Tractaat, dat reeds ter perse ging en bijna afgedrukt gereed ligt, om binnenkort, bij denzelfden uitgever als van dezen Gomer voor den Sabbath, te verschijnen.

Tot beide geschriften drong mij de zielsbehoefte, om uit dank voor wat God ook mij in zijn heerlijken Sabbath schonk, iets tot rijker en inniger Sabbathsgenieting ook voor mijn broederen en zusteren bij te dragen.

Ruste op dezen dubbelen arbeid voor en over den Sabbath de zegen van Hem, die Heere ook van den Sabbath is.

KUYPER.

Amsterdam, 29 October 1889.

ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

DE SABBATH VAN GOD GEGEVEN.

Daartoe ook gaf Ik hun mijne Sabbathen, om een teeken te zijn tusschen Mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Heere ben, die hen heilige.

Ezechiël 20:12.

Het eerste, dat ge naar 's Heeren wil in uw Sabbath eeren zult, is, dat Hij u uw Sabbathen geeft.

Alle gedachte en alle inbeelding, alsof gij het zijn zoudt, die uw Sabbath aan uw God gaaft, zult ge deswege voorbedachtelijk uit uw overleggingen bannen. Van iets, dat gij den Heere ten goede, Hem ten gevalle en ten believe doen zoudt, valt hier geen sprake. Elk denkbeeld van een goed werk, waarmede ge Hem iets ten dienste doen zoudt, moet geheel van u gezet. De Heere verkrijgt niets door uw Sabbath. Hij wordt er door verrijkt noch grootgemaakt. Uw Sabbath brengt aan u een zegen van Godswege, niet omgekeerd, een zegen van uwentwege aan uw God.

Reeds op zichzelf is uw God nooit als iets behoevende, zoodat gij Hem iets zoudt kunnen toebrengen. Zelfs als Hij aan Israel gelast, zijn brandoffer te ontsteken, roept Hij het zijn volk toe, dat het Hem niet om dien ram of dien var te doen is. Hij immers is een God, die den hemel en de aarde schiep en zijn vee op duizend bergen heeft; en die, had Hij lust aan een rund op uw stal, het u niet zeggen zou, maar u dat rund zou ontnemen. Hoe zou Hij, de Algenoegzame in zichzelf, ook ooit van menschenhanden gediend worden als iets behoevende? Hij, die u, gedurende al de dagen uws levens, al uw tijd en al uw oogenblikken schenkt, hoe zou Hij ooit een dag of een deel van een dag uit uw hand kunnen ontvangen?

Veeleer sluit het denkbeeld van zijn Sabbath het tegendeel in. Voor zooveel er toch in overdrachtelijken zin sprake kan zijn van iets, dat gij voor uw God zoudt werken, doordien ge van Hem getuigt, of ijvert voor zijn heiligen naam, of dien naam grootmaakt, komt juist immers die Sabbath u in nog meer eigenlijken zin toeroepen, dat gij van alle werk zoudt aflaten, opdat nu niet aan u, maar aan den Heere uw God de beurt zou zijn, om in u te werken en de macht zijner werking in u te toonen.

De Sabbath kan dus niet sterker ontheiligd worden, dan door in uw Sabbathsviering een oorkussen der werkheiligheid te zoeken; en een iegelijk, die bij zichzelven ging meenen: „Wel schiet ik in veel tekort en heb ik door mijn zonden den Heere vertoornd; maar dit heb ik dan toch, dat ik zijn Sabbath tot in het stiptste toe heb geëerd,” die had niet maar zijn loon weg, maar zou zonde op zonde gestapeld hebben.

Al zulk een Sabbath ware den Heere een gruwel.

Neen, Hij, de Heere, is het, die u uw Sabbath geeft.

De vloek der zonde, die in den arbeid op den zondaar rust, is zoo ontzettend!

Het is wel zoo, dat er arbeid ook buiten de zonde is; dat God zelf werkt tot nu toe, en zijn Christus eveneens; zelfs schuilt er voor den zondaar in den arbeid niet weinig reddende kracht. Voor wie geregeld arbeidt is de verzoeking tot zonde zooveel geringer. Maar te moeten arbeiden in het zweet des aanschijns om ons brood te eten, is ons niet natuurlijk. Om der zonde wil overkwam het ons. En nu moge de rijkgezegende in middelen, als hij dat leest, in zijn vergenoegdheid lachen, en mogen die velen onder beide geslachten, die van hun geld leven en zich in weelde baden en eigenlijk nooit iets uitvoeren, zich daar vroolijk over maken; maar wee hun, als eens de dag der afrekening komt, en ze dien vloek van den arbeid nooit dieper hebben verstaan!

Vraag u maar eens af, op wat wijs, zeg veilig 1000 van de 1400 millioen menschenkinderen, die op deze aarde leven, hun dag in het zweet van hun aanschijn doorbrengen. Hoe schamel ze leven; aan wat ongemak en gevaar ze zich blootstellen; wat wezenlijke vermoeienis, als de dag weer om is, op hun aangezicht geteekend staat. Denk slechts aan die millioenen, die in de mijnen zwoegen; aan die andere millioenen, die op velden en bergen arbeiden; aan die millioenen, wier leven opgaat in de fabriek. Hen drukt de arbeid. Hen put de arbeid uit. Hij verteert hun menschelijke kracht. En het bangst is, dat ze arbeiden, niet om den lust hunner ziel, maar omdat de honger hen dwingt en het brood voor eigen mond en voor het gezin alleen tot dien prijs voor hen te bereiken is. Wat ontrooft die arbeid aan dit overgroote deel van ons geslacht niet alle weelde en lust des levens. Schier nooit ontspanning! Zoolang de dag duurt, ingespannen arbeid. En dan voor al hun arbeid in het zweet huns aangezichts nog vaak nauwlijks een harde legerstede en een hard stuk brood. Levend buiten het gezin, zien ze de hunnen nauwlijks even des morgens en even des avonds, en dan begint het jagen van het groote raderwerk van den arbeid weer. Voort, voort en altoos voort, als onder den zweep van den drijver. Tot de kracht verbruikt is, en ze niet meer kunnen, en ze, als voor den arbeid waardeloos, schier een overlast op aarde schijnen, en kwalijk verholen teleurstelling baren, als ze niet vroeg genoeg zich heenspoeden naar het graf.

o, In die breede en onafzienbare kringen van ons menschelijk geslacht is de vloek van den arbeid nog altoos zoo ontzettend!

En zelfs, al rekent ge nu met hen niet uitsluitend, dan nog, hoe vernedert het ons menschelijk bestaan niet, dat elken dag schier al de tijd en al de moeite van bijna allen in de verzorging van het dagelijksch leven opgaat. Want, ja, er zijn er enkelen, die het hooge voorrecht genieten, dat zij in geestelijke dingen hun ambt en roeping mogen hebben, of althans in de hoogere bezigheden van den menschelijken geest hun tijd mogen slijten; maar zijn die allen saam meer dan twee of drie op een dorp, meer dan een tweetal of drietal honderd in een zeer groote stad? En al die anderen, zoo mannen als vrouwen, wat doen ze anders, dan heel den dag bezig zijn in wat strekt om den mensch te doen wonen, den mensch te kleeden, den mensch spijs en drank te bereiden? Daarvoor zuchten de stoomwerktuigen en zwoegen de fabrieken. Daarvoor leeft de nijverheid en bestaat alle handel. Daarvoor rept zich de landbouw en spoedt zich de man van het ambacht. Daarvoor is alle bedrijf en nering. En zelfs in uw persoonlijk en huislijk leven, wat machtig deel van uw tijd gaat er niet af voor uw slaap, voor uw reiniging, voor uw kleeding en voor uw voeding. Hoe zijn onze huismoeders en dochters en dienstboden schier al den tijd in deze verzorging van het uitwendige leven bezig. En als de man en vader zich op zijn kantoor of in zijn zaak inbeeldt boven dit kleine en uitwendige verheven te zijn, hoe ook doet hij dan toch feitelijk niet anders dan altoos zorgen, dat er worde aangevoerd of voortgebracht, wat ons tot woning, kleeding en voedsel zijn kan, of ook zorgen, dat er geld komt om brood voor zijn huis te gewinnen!

Een bestaan, een betrekking, geld om te leven te hebben, is de altoos werkende drang, die heel onze maatschappij in beweging zet, en nu, wat is de drang naar een bestaan, naar een betrekking, of naar geld om te leven anders, dan een oplossing voor het raadsel te zoeken, hoe men het zweet van zijn aanschijn in brood voor zich en de zijnen zal omzetten?

En daarom nog eens: er ligt in den arbeid óok iets kostelijke, óok een zegen; maar toch, de arbeid, gelijk die al deze eeuwen lang, en ook nu nog op aarde door deze millioenen bij millioenen gearbeid wordt, wat is hij anders, dan een doen opgaan van ons menschelijk aanzijn in de nooden en zorgen des levens? En hoe onnoembaar klein is het procent wel van die enkele gelukkigen, die een hooger genoegen zoeken kunnen, en reeds hier op aarde in die hoogere heilgoederen van ons geslacht mogen opgaan!

Daarom staat het er dan ook bij: „Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen.” De Sabbath vernietigt het Woord Gods uit het Paradijs niet.

De harde arbeid, die loodzwaar op ons geslacht drukt en het beneden den aard van ons menschelijk aanzijn neertrekt, blijft. De gevolgen der zonde zijn niet opgeheven. Een engelenleven is ons op aarde niet gegund, en een leven als in het Paradijs is ons hier voor altoos ontnomen. Dat is er niet meer en keert op aarde niet weer.

Maar dit heeft God toch in zijn barmhartigheden gedaan, dat Hij u midden in dien arbeid zijn Sabbath schonk; dat Hij door zijn Sabbath dat jagen van den arbeid een oogenblik tot stilstand bracht; en dat Hij in dien Sabbath u uit uw zelfvernedering optilde en ophief tot hooger bezigheid.

Hij geeft u zijn Sabbath; en in die gift spreekt ontferming. Het schenken van zijn Sabbath is een daad van Goddelijke, een daad van koninklijke genade.

De druk van den arbeid zou ons al te bang zijn geworden. Die zou ons de keel hebben toegenepen.

En daarom schonk Hij ons dien dag van hemelsche ruste.

Hoor maar!

Daar klinkt het woord der verlossing: Dien dag zult ge niet werken.

Op zijn Sabbath laat God ons vrij!

II.

Inhoudsopgave

DE SABBATH DOOR GOD VERORDEND.

Gij zult houden zijne inzettingen.

Deut. 4:40.

Aan uw Sabbath hangt de eere van Gods heilige souvereiniteit. Stel toch, gij wildet overtollige goede werken doen, en twee, drie dagen telken weke aan uw God wijden, en ge koost daartoe zelf de u schikkende dagen uit, en gingt nu in de verbeelding leven, dat ge hiermeê God iets hadt toegebracht, immers een Sauls oordeel zou over u komen, en de profeet zou ook u toeroepen: „Gehoorzaamheid is beter dan offerande en opmerken dan het vette der rammen.”

Eén Sabbathdag, in gehoorzaamheid aan de inzetting des Heeren geheiligd, is beter dan tien dagen Hem gewijd in eigen willigheid.

En daarom, merk er op, dat uw Sabbath van God verordend is; dat de Rustdag door God zelf is ingezet; dat het een gebod is u opgelegd, en niet een aanbieding, waarmeê gij voor uw God verschijnt.

De Sabbath is een inzetting des Heeren.

Nu weet ge, hoe Mozes in den naam des Heeren niets geduriger voor het oor van Israel herhaalt, dan dat al deze heiligheden de rechten en instellingen en geboden des Heeren zijn.

En dat moest. Want in Israel zat juist dezelfde zonde, die ook gedurig in uw hart sluipt, om wel, ja, God de eere te willen geven, mits het geschieden kon naar eigen inzicht, uit eigen aandrift, naar den prikkel van het eigen hart.

En wat Israel niet wilde, en wat gij van nature ook niet wilt, dat is dienen uit gehoorzaamheid; omdat Hij het u geboden heeft; en omdat Hij het heeft ingezet.

Ge wilt dan wel veel voor uw God doen. o, Ge zoudt alles voor Hem over hebben. Alleen maar, de Heere moet het niet van u in den weg van gehoorzaamheid vorderen. Veeleer moet Hij het aan u overlaten, dat gij het uit eigen aandrift doet. En dan zult ge al wat ge slechts vermoogt aan uw God toewijden. In lust om God de eere te geven, zult ge met den beste wedijveren. Alleen maar die éene eere, dat Hij als uw Souverein en Koning zelf bepalen zal, wat ge voor Hem doen zult, die eere gunt ge Hem niet.

En dat is het nu juist, wat uw Sabbath u telkens weder prediken komt: „God heeft mij ingezet. Van God ben ik verordend. En gij, o, menschenkind! hebt u aan Gods ordinantie te onderwerpen.”

Niet alsof diezelfde prediking niet in heel de natuur en in heel het Genadeverbond lag; maar haar sprake komt nergens zoo duidelijk als in uw Sabbath uit.

Ongetwijfeld ook de jaarkringen heeft God geschapen en ze beheerschen uw leven, en ge moet zaaien, niet als gij er lust in hebt, maar als het zaaitijd is; en ge moet oogsten, niet wanneer het u in het gevlei komt, maar als God het graan rijp heeft gemaakt. En zoo staat ge onder ordinantiën Gods in heel uw natuurlijk leven. Want wel kunt ge den dag tot den nacht maken en den nacht tot den dag. Maar straks wreekt dit zich, en in de onfrischheid van uw bloed toornt de geschonden inzetting van uw God.

Maar toch, deze prediking gaat te ongemerkt toe, en deze soort inzetting is te moeilijk te ontgaan.

Doch met uw Sabbath is dit zoo niet.

Immers uw Sabbath kunt ge zonder wezenlijke storing als voor u niet bestaande beschouwen. Dat ziet ge wel aan die duizenden bij duizenden, die den Sabbath nooit houden. En zoo geldt het hier dus een inzetting, waartoe de natuur niet vanzelf dringt, maar die alleen geëischt kan door opzettelijke gehoorzaamheid.

Om den Sabbath te kunnen houden, moet ge hem willen houden.

Ge moet, om den Sabbath te eeren, u welbewust naar de ordinantie van uw God schikken.

En ge houdt hem niet, of ge doet in die Sabbathsviering zelf hulde aan Gods souvereiniteit.

Al wie met den Sabbath niet rekent, zegt daarmeê, dat hij zich niet stoort aan wat zijn God en Heere heeft ingezet.

Maar dan ook omgekeerd, al wie den Sabbath naar het gebod houdt, eert hier den Gebieder van het gebod in, en buigt zich voor God als zijn Koning.

Dring dus wel in uw conscientie in, om te weten, of ook gij hierin recht voor uw God staat, en of ge wel waarlijk uw Sabbath houdt uit gehoorzaamheid omdat uw God het alzoo heeft ingezet.

Of ge dus niet rust, omdat ge moede van den arbeid zijt en uitspanning u welkom is. Niet rust, omdat het den bloei van uw maatschappelijk leven bevordert. Niet rust, omdat ge toch ook een dag voor uw gezin moet hebben. En ook niet enkel rust, omdat er toch een dag voor uw kerkgaan moet zijn. Neen, maar of ge uw Sabbath viert, omdat God het alzoo heeft ingezet.

Want staat uw ziel er zoo metterdaad onder, dan is uw vieren van den Sabbath op zichzelf reeds een ontsluiting van uw ziel, om het heil uws God in te drinken, en verkrijgt ge dien rechten stand, waarin de Heere u met genade voor genade wil zegenen.

Ge weet toch zelf, hoe niets zoozeer uw hart voor genade toesluit, als die booze zucht, om uit eigen wil en eigen lust te handelen, uw raad voor Gods bestel in de plaats te schuiven, en zelfs in uw vroomheid op eigen gebaande paden te wandelen.

Zoo en niet anders is de mensch een heiden geworden. En dan kan hij, gelijk te Athene, zelfs zoo overvroom zijn, dat hij een altaar voor den onbekenden God bouwt; maar juist deze eigendunkelijkheid en eigenwilligheid vermoordt alle ware godsvrucht in zijn binnenste, en het eind is, dat God hem overgeeft om op zijn eigen paden te wandelen en ten leste uit te doen komen bij Baäl Peor en de naaktlooperij, om van nog gruwelijker zonden, gelijk Rom. 1 die opsomt, te zwijgen.

Komt dus de Sabbath dit diep zondige uwer eigenwilligheid en eigendunkelijkheid in u knakken en wegsnoeien, dan is reeds daarmeê een zegen aan uw ziel beschikt.

Dan toch zijt ge er toe gebracht, om niet zelf het in te zetten, maar het uw God te laten inzetten, en daarmeê te erkennen, dat het recht om het in te zetten aan Hem en niet aan u staat.

En nu keert die Sabbath telken zevenden dage weder, als om telken zevenden dage weer deze onderzoeking voor uw conscientie te brengen, of ge de valsche vroomheid van Saul bedoelt, of wel die echte vroomheid, die van de huldiging van Gods souvereiniteit uitgaat.

God wil op zijn Sabbath dienstknechten en dienstmaagden voor zich zien, die weten, dat Hij de Heere is en daarom het souvereine recht heeft, om zulk een dag in zijn heilig Huis te verordenen.

Niet lieden, die wanen Gods gelijken te zijn, en Hem nu uit goede intentie van hun hart een dienst meenen te bewijzen, maar onderdanen van den Koning der koningen, die doen naar zijn gebod en naar zijn recht.

En wel openbaart Hij zich ook op den Sabbath rijker dan ooit als onze Vader in de hemelen, die deze dienstknechten en dienstmaagden tot zijn kinderen aanneemt: maar allerminst om daarom het recht van beschikking in zijn Vaderhuis zich door zijn kinderen uit handen te laten nemen.

Juist, omdat Hij onze Vader is, blijft Hij dus de eenig rechthebbende om het in te zetten, gelijk Hij het van zijn kinderen hebben wil.

Ook bij zijn kinderen moet het Gods dienst blijven; en nu is er tweeërlei dienst. Een dienst om loon, en zoo dient de dienstknecht. Maar ook een dienst uit liefde, en zoo dient het kind.

Het kind weet: „Als ikzelf het ga inzetten, heb ik geen Vader meer”; en juist omdat in het bezit van zijn Vader al zijn glorie is, vraagt en onderzoekt het kind naar de inzettingen van zijn Vader en volgt die uit drang der liefde op.

Zelfs valt bij het kind elke gedachte om het anders te willen weg.

Immers dit weet Gods kind, dat het altoos slecht gaat, zoo het anders gaat dan zijn Vader het heeft ingezet. En daarom heeft het lust aan Gods inzetting en voelt zich door die inzettingen Gods tot zijn liefde trekken.

Heel Psalm 119 past het kind van God ook op zijn Sabbath toe.

III.

Inhoudsopgave

DE SABBATH DOOR GOD GEHEILIGD.

Daarom zegende de Heere den Sabbathdag en heiligde denzelven.

Exod. 20:11.

Zoo gaf de Heere u den Sabbathdag uit ongehouden gunst, en zoo verordende Hij den Sabbathdag om zijn wil over uw goeddunken te laten heerschen; maar óok gaf Hij aan die ordinantie een inhoud, en die inhoud ligt daarin, dat God den Sabbathdag heiligde.

Beduidt dit, dat de Sabbathdag een heiliger dag wordt dan de andere dagen; dat er heiligheid aan den Sabbath als zoodanig kleeft; en dat dus, zonder meer, deze dag op zichzelf reeds u van zonden afbrengt?

Ge weet beter.

Er mag gevraagd, of er éen dag is, waarop de zonde schrikkelijker uitbreekt en meer in losbandigheid woedt. Juist de arbeid is op zichzelf een machtig schild tegen de zonde, en zoodra met den Sabbath deze bescherming wegvalt, voelt de zonde zich minder gehinderd. Ze heeft nu tijd, nu speelruimte, en werpt te vuriger elken teugel af. Vraag het maar aan de politierapporten, op welken der zeven dagen het straatrumoer het hinderlijkst wordt. Vraag het maar aan onze kroegen en bierhuizen, op wat dag ze de beste zaken maken. En ook, vraag het maar aan de stille verborgenheid, op welken dag vele dienstboden en jonge mannen het meest ontuchtig zondigen.

Neen, de Sabbath heeft geen inklevende heiligheid. Veeleer zet ze, zonder hooger bezieling, slechts de sluizen te breeder voor de zonde open.

Ledigheid is des duivels oorkussen. En nooit meer dan juist op den Sabbath is Satan op de been.

Naar dezen maatstaf gemeten zouden we dan ook voor de groote menigte best doen met den Sabbath af te schaffen.

Want al doet de rust het lichaam goed, o, zooveel zielen lijden juist op den Sabbathdag voor altoos schade.

Neen, als er staat, dat God den Sabbathdag heiligde, beduidt dit heel iets anders.

Dit „heiligen” wil zeggen, dat God den Sabbath tot een anderen dag maakt dan de overige dagen; dat God den Sabbath apart zet; dat Hij den Sabbath afzondert van de gewone dagen; en dat Hij op den Sabbath een bizonder merk drukt. En wel dit merk, dat deze dag door Hem, in gansch bizonderen zin, voor de eeuwigheid wordt opgeëischt.

Want het is wel waar: ge moet elken dag voor uw God leven, en wee u, zoo ge denken gingt: „Zondags voor God en in de week voor de wereld.” Dan hadt ge het loon van uw Sabbath weg.

De eisch Gods, dat ge Hem dienen en Hem liefhebben zult met heel uw hart en heel uw verstand, gaat altoos door. Niet enkel op den Sabbath, maar elken dag van uw leven.

Maar er is tweeërlei dienen van uw God. Het eene middellijk en het andere onmiddellijk. Toen de opperlieden te Jeruzalem den bergsteen aandroegen voor den bouw van Gods huis, dienden ze Hem middellijk; want de vreeze Gods school toen in den ijver, de gehoorzaamheid en volharding, waarmede ze steenen aandroegen. Maar toen na de voltooiing van den tempel diezelfde werklieden in Gods huis met hun offerande toetraden, dienden ze Hem in onmiddellijken zin; want toen had wat ze deden geen ander doel, dan om rechtstreeks hun God te verheerlijken.

En zoo nu staat het ook met u.

Ge leeft nog niet in den hemel, maar in de wereld. Allerlei overlegging en bezigheid is u daar opgelegd. Ge moogt u daaraan niet onttrekken. Het is uw „Goddelijk” beroep. Maar ging dat bezig zijn in de wereld nu altoos door, dan zou die wereld u allengs assimileeren. De gedachte aan God zou bij u wegsterven. Uw beroep zelf zou ophouden „Goddelijk” voor uw besef te zijn. Alle middellijke dienst van God put zichzelven uit.

Zooals ge uw kracht uit zoudt putten, zoo ge dag en nacht woudt doorwerken, en daarom telkens slapen moet om uw kracht te vernieuwen, zoo ook moet ge, om in dien middellijken dienst van God niet te bezwijken, geregeld rust nemen, en in die rust komen tot onmiddellijken dienst van uw God.

God middellijk te dienen is veel zwaarder. Want dat is een gestadig worstelen tegen de wereld in, om onder en in haar bezigheid toch uw God niet los te laten. Maar bij den onmiddellijken dienst van uw God houdt die worsteling op, laat af, en gunt u tijd en gelegenheid, om u ongestoord aan uw God te wijden.

En dat is het nu, dat God den zevenden dag geheiligd heeft. Zooals Hij in zekeren zin den nacht heeft geheiligd voor de rust van den slaap, zoo heeft Hij in veel hoogeren zin den Sabbath geheiligd voor de rust uwer ziel.

De ruste hoort dus wel terdege bij uw Sabbath. Ze maakt er het uiterlijk kenmerk van uit. Ze is er niet af te scheiden.

De Sabbath moet telken weke een breking in uw leven brengen. Altoos dienst van God, heel de week door. Maar die zes dagen van den arbeid kunt ge dien dienst slechts middellijk verrichten, en daarom komt dan de Sabbathdag, die uw heelen dag voor den onmiddellijken dienst van uw God vrijlaat.

De tijd is een vreeselijke tiran. Hij jaagt en zweept voort en is als een drijver, die niet ophoudt. Maar zoo is de eeuwigheid niet. In dat eeuwige leven, waarin uw eigenlijk leven is, heerscht rust en kalmte en stille duur.

En daarom breekt God nu door dien Sabbath die vernielende macht van den tijd, en neemt een zevende deel van uw tijd eruit, om met dat zevende deel tegen den tijd en voor de eeuwigheid te worstelen.

Dit lag reeds in de Schepping.

In zes dagen schiep God den hemel en de aarde, en op den zevenden dag rustte Hij met een Sabbath, die nog altoos doorgaat. En omdat Hij u naar zijn beeld schiep, heeft Hij ook in u als mensch dien trek, die behoefte, dien drang gelegd, om na zes dagen van arbeid een heilige pauze te laten intreden, een Goddelijk Selah. Dan houdt de drijver op. Dat jagen en voortzweepen neemt een einde. En er komt over zijn menschenkinderen rust.

Ge gaat dus tegen die heiliging van den Sabbath in, zoo ge die breking van de dagen niet in acht neemt.

Veeleer moet er uw toeleg op uitgaan om heel dien Sabbathdag anders te maken dan andere dagen.

Zoo is het goed, dat ge u anders kleedt, en op uw Sabbath uw Zondagskleed aantrekt. Het is goed, dat heel uw huis een ander karakter toont. Zoo ge kunt, dat ge uit uw huiskamer naar de sierlijke kamer verhuist. Kortom, dat ook in het uitwendige het sterke onderscheid tusschen den Sabbath en de overige dagen in het oog springe.

Er ligt leering en onderwijzing ook in die uitwendige symboliek.

Maar de hoofdzaak is en blijft toch, dat ge van den middellijken dienst van God tot zijn onmiddellijken dienst voortschrijdt.

Uw anders „Goddelijk” beroep is op den Sabbath „ongoddelijk”.

De wereld moet op den Sabbath uit uw overlegging en uit uw bezigheid weg. Aan haar zuiging moet ge onttrokken. Aan haar macht moet ge dien dag de gehoorzaamheid opzeggen. Op den Sabbath heeft de wereld geen enkelen eisch op u. Het is de dag des Heeren in dien zin, dat ge op dien dag uw God niet in de wereld, maar in afzondering van die wereld te dienen hebt.

Kleingeestigheid en formalisme heeft hierbij niets te zeggen. Dat is Farizeïsme, alsof het God te doen zou zijn om te zien, wie het nu 't verst bracht in de uitrekening van wat op aarde wel ongedaan kan blijven.

Tegen dat Farizeïsme waakt God reeds in zijn schepping. Want de koe moet op Zondag toch gemolken. Als het koud is, wordt er toch vuur ontstoken. Uw maag prikkelt u op den Sabbath evengoed als de andere dagen. De ziekte wordt op Sabbath niet gestuit. De donkerheid valt 's Zondags evengoed als 's Maandags in, en roept om licht.

Daar zit het ook niet in.

Neen, het hangt aan uw zin en neiging.

Wat is uw zin en neiging? Om, blij temoê, dat ge u tot Gods onmiddellijken dienst moogt keeren, te laten wat maar eenigszins laatbaar is? of wel om nog allerlei op Sabbath te doen, wat ge uitrekent, dat er nog wel door kan?

Wiens dit laatste streven is, die ontheiligt Gods Sabbath, ook al doet hij bijna niets. En in wien die eerste zin is, die heiligt Gods Sabbath, ook al drijft de nood hem tot allerlei bezigheid.

En dat mag niet verzwakt.

De Sabbath moet een dag der ruste, der ruste van de wereld zijn, om nu met heel uw ziel, en al uw verstand, en al uw kracht tot den rechtstreekschen dienst van uw God te komen.

Maar ook in die ruste zelve moet uw hart en uw ziel spreken.

Ge moet willen rusten, niet omdat uw moêheid u naar rust doet verlangen, maar omdat God zijn Sabbath geheiligd heeft.

IV.

Inhoudsopgave

DE SABBATH DOOR GOD GEZEGEND.

En God heeft den zevenden dag gezegend.

Gen. 2:3.

Als er staat, dat God den zevenden dag gezegend heeft, moet ge weten, waarin die zegen bestaat.

Die zegen kan natuurlijk niet daarin liggen, dat op de overige dagen van de week alle zegen des Heeren ons ontzegd zou zijn. Elken morgen en elken avond roepen we Hem aan om zegen op onze bete broods en om zegen op onzen arbeid, en het geloof leeft in de blijde zekerheid, dat de Heere onze God ons dezen zegen niet onthoudt.

En omgekeerd derft de Sabbath een zegen, die op de overige dagen ons deel kan zijn; want wie op den Sabbath handel drijft of zaken doet, beseft uitnemend wel in zijn conscientie, dat juist om den Sabbath geen zegen op zulk een nering te wachten is.

Geld op den Sabbath gewonnen, is zóo geronnen, en gedijt nooit.

De Sabbathszegen moet dus een geheel ander karakter dragen en met den aard van den Sabbath saamhangen.

Wat is een zegen?

Zegen staat tegenover vloek, en dat God den Sabbath zegende, beduidt dus allereerst, dat God de Heere den vloek, dien Hij voor de overige dagen onzes levens op dit aardrijk heeft gelegd, op den Sabbath stuit en vervangt door zegen.

En ook al is nu die vloek, die op het aardrijk rust, door genade getemperd, en al zijn wij er door de heugenis van het voorgeslacht en door ons eigen leven aan gewend geraakt, toch is die vloek er en drukt.

Hoe nader men bij God leeft, hoe sterker men dan ook dien druk, die op het aardsche leven rust, gevoelt. De profeten en apostelen hebben steeds onder den indruk van dien druk geschreven en gesproken. En als Paulus betuigt, dat heel de schepping zucht en als in barensnood is tot nu toe, toont hij zeer sterk te beseffen, wat de man der wereld nauwlijks gewaar wordt.

Dien vloek, dien druk nu ervaart Gods kind niet het meest daarin, dat het hem tegenloopt of dat hij smaadheid lijdt; integendeel, dàt kan hem goed doen; maar wat hem drukt, is, dat dit aardsche leven van God afleidt, en dat er iets tusschen hem en Gods zaligen hemel is ingeschoven.

Welnu, in dien zin dan verstaat Gods kind het, dat God de Heere den Sabbathdag heeft gezegend, d. w. z. dat God de Heere dezen dag der ruste tusschen de tweemaal drie heeft ingeschoven, om op dien éenen dag dien druk, die benauwdheid, dat bange van hem te weren; om de gordijn weg te schuiven, die hem in het leven der wereld en des daags gedurig van zijn God scheidt.

Zooals de overige dagen, zoo hij niet waakt en bidt en strijdt, hem onverbiddelijk van zijn God aftrekken, zoo leidt deze heerlijke Sabbath, tenzij hij opzettelijk tegenworstele, hem naar zijn God op. Dit is dus de zegen van den Sabbath, dat de pelgrim naar betere gewesten op de overige dagen met zijn geloof tegen den stroom oproeit, maar op den Sabbathdag den stroom meê heeft.

De dagen der week staan aan Gods Koninkrijk, maar de Sabbath aan de zaken der wereld in den weg. En omgekeerd, de dagen der week schikken zich voor het bedrijf der wereld, maar de Sabbath schikt zich voor een leven in de voorhoven onzes Gods.

Men kan die voorhoven daarom ook wel in de dagen der week betreden, en ook op den Sabbath drijft de wereld haar zaken wel; maar toch altoos met dit onderscheid, dat op de dagen der week de wereld, en op den Sabbath de dienstknecht des Heeren in zijn element is.

Toch ligt er nog meer in.

Immers als God zegent, wil dat zeggen, dat er een woord zijner kracht ten goede uit zijn mond uitgaat, en dat de kracht van dat woord haar doel bereikt en ten goede werkt.

Door eens en voor altijd zegen tot zijn Sabbath te spreken, heeft God de Heere dus een heilige kracht te werk gesteld, die zeer bizonderlijk op den Sabbath heilbrengend naar zijn kinderen uitgaat.

Zoo biedt u deze zegen van den Sabbath een heerlijke belofte, een Goddelijk crediet, waarop ge staat kunt maken. En deze belofte houdt in, dat er op al wat ge des Zondags doet om te wassen in godzaligheid of het rijk des Heeren te bevorderen, een gedijen door u mag worden ingewacht, nog sterker dan op andere dagen.

Niet alsof dit in den dag kleefde, of aan dezen dag hing; maar omdat God vrijmachtig is, om deze bizondere werking van zijn zegen ook aan zekeren tijd te verbinden.

En zoo leert ook de ervaring ons, hoe de diepte en de ernst van het gebed, hoe de innigheid der heilige meditatie, hoe de rijkdom van den dienst des Woords en der Sacramenten, hoe zelfs het werk der barmhartigheid en der milddadigheid aan den Sabbath een rijken geur ontleent.

Op den Sabbathdag wordt het meeste zaad voor het Koninkrijk des Heeren uitgestrooid. Op den Sabbath wordt deze akker het mildst begoten. Op den Sabbath kiemt het gestrooide zaad het weligst uit.

De zegen Gods, dien Hij aan zijn Sabbath schenkt, is dus geen uitwendige zegen voor het goed der wereld, maar een inwendige zegen voor het goed des hemels.

Op den akker des Koninkrijks druppelen de wolken ook in de week wel, maar op den Sabbath komt de plasregen.

Zoekt ge dien zegen?

Zoekt ge dien elken Sabbath? En merkt ge bij het klimmen uwer jaren, dat die Sabbathszegen steeds milder uw deel wordt?

Want dit voelt ge toch, ruste op zichzelf maakt den Sabbath nog niet, tenzij met het schuiven van het gordijn voor het tooneel der wereld tegelijk het gordijn, dat voor Gods Koninkrijk hing, worde weggeschoven.

Ruste naar den kant der wereld, maar juist in en door die ruste te voller en te rijker ritselen van het leven in het Koninkrijk Gods.

Geen ledig, waar de wereld uit is; maar een ruste, waar de hemelen in nederdalen.

Stilstand van winste voor uw schatkist op aarde; maar winste volop voor uw schat, die in de hemelen is.

En nu gaat dit wel niet even werktuigelijk als bij den arbeid der wereld, dat ge aan oud en jong, aan man en vrouw, van uur tot uur hun taak kunt voorschrijven. Integendeel, het werktuigelijke doodt den geest en zou ook den gloed van uw Sabbath dempen.

Maar al kunt ge voor uw Sabbath niet van uur tot uur een lijst van uw taak opmaken, ge weet daarom toch zeer wel, waar ge op den Sabbath met uw hart, met uw ziel, met uw zinnen en uw overleggingen zijt.

Ge weet zeer goed, waar de twaalf uren van dien dag aan weggaan, en wat, als de Sabbath ten einde spoedt, het besef van uw winste is.

Want dan zult ge den eenen Sabbath uitkomen met het rijk gevoel, dat ge als met versche olie overgoten zijt, maar ook den anderen Sabbath uitsluipen met de aanklacht in uw conscientie, dat ge dien heerlijken dag verkwist en verspeeld hebt.

Hoeveel nu uw geest op den Sabbath reeds dragen kan, moet ge zelf beoordeelen.

Er zijn er onder Gods kinderen, dien het genot bracht, dat ze den ganschen Sabbathdag eenzaam en met hun God gemeenzaam waren. Maar zoover zijn de meesten niet. Voor de meesten ware dit te veel. Die gloed ware voor hun oog te sterk. Daar zouden zij zich star op turen, en in het eind willoos staan zonder iets meer te zien.

Ook in de dagen der week kan niet een ieder evenveel arbeids in de wereld dragen. Voor een ieder geldt zijn eigen maat. En ook de Heere weet, hoever onze geestelijke draagkracht voor den Sabbath reeds gekomen is.

Ge moogt daarom ook nooit uw maat aan uw kind opleggen. Gij moet meer dragen dan uw lieveling, en ge zoudt het geestelijk leven van uw kind neerdrukken, zoo ge op den Sabbath van uw kind vergdet, wat ge vergen moogt en moet van uzelf.

Maat zij er dus; maar uw volle maat worde dan ook uitgeleverd, en daarbij de regel in acht genomen, dat die maat dijen moet bij het klimmen uwer jaren.

Er moet op den Sabbath gezocht naar de gemeenschap der heiligen en den zegen des Woords en der Sacramenten. Er moet op den Sabbath welgedaan en nood gelenigd en in smart getroost. Er moet op den Sabbath op de knieën geleefd. Er moet op den Sabbath rekening met uw ziel gehouden. Er moet op den Sabbath nagedacht over uw verleden en over uw toekomst, over uw eeuwige toekomst bovenal. En onder dat alles moet op den Sabbath van binnen gestreden en overwonnen, tot Satan terugwijke, en de tente van 's Heeren verborgenheid zich voor uw ziel kan openen.

En in die tente moet ge op den Sabbath ingaan.

V.

Inhoudsopgave

DE SABBATH DOOR GOD GEKEURD.

Mijne Sabbathen.

Ezech. 20:12.

Ook over uw viering van den Sabbath gaat een oordeel. Juist omdat hij niet door u uitgedacht, maar door God ingesteld, geheiligd en gezegend is, staat ge tegenover dien Sabbath van uw God in een verplichting. En zoo ontstaat de vraag, wie uw Sabbath keurt.

En dan leert de ervaring, dat er voor den vrome een bizondere verleiding in ligt, om zich tot keurder van den Sabbath bij zijn broeder op te werpen.

Over niets veroorloven de broeders zich zoo licht een opmerking, een oordeel en zelfs een vonnis, als over de wijze waarop een ander den Sabbath houdt.

Onverklaarbaar is dit niet.

Immers de Sabbathsviering is een sterk onderscheidend merkteeken, waardoor Gods volk van de wereld is afgescheiden. Het is een zaak, die onder ieders gezicht en bereik valt. En ook, men kan iemands wijze van den Sabbath te vieren, afkeuren, zonder hem in zijn karakter te kwetsen.

Vooral bij dit gebod bestaat er dus noodzakelijkheid voor elk onzer, om toe te zien; er ligt in dit gebod een prikkel tot allerlei aanmerking; en een aanklacht van overtreding van dit gebod is wel ernstig, maar kwetst toch den burgerlijken persoon niet.

Zeg dus ook niet, dat het beter ware, zoo dit oordeel der broederen zweeg. Integendeel, meer dan éen, die nog geen vreeze Gods in zijn hart had, om den Sabbath om Gods wil te houden, is begonnen met het uit vreeze voor de broeders te doen, en is zoo op weg gekomen, om een Sabbathsvierder om Gods wil te worden.

Alleen maar, op de vraag: „Wie keurt uw Sabbath?” moogt ge nooit antwoorden: „Mijn broeder.”

Uw eenige Keurmeester bij uw Sabbathsviering is de Heere Heere!

Hij heeft gezegd: „Het zijn mijn Sabbathen.”

Ook treedt de kerk wel op, om in inzake de Sabbathsviering te oordeelen, en zeer zeker ligt dit op haar weg.

De kerk is ongetwijfeld geroepen om niet alleen op den Sabbath, maar ook den Sabbath te prediken. Ze moet tot Sabbathsviering opwekken. Ze moet aan de Sabbathsviering leiding en stuur geven. De Sabbath is haar kerkelijk terrein.

Zelfs moet ze verder gaan, en bij slordige Sabbathsviering vermanen, bij overtreding waarschuwen en ten laatste bij in het oogloopende schending van den Sabbath zelfs met haar discipline optreden en den Sabbathsschender weren van het Heilig Avondmaal.

Slechts zie ze daarbij wel toe, dat ze den naam van schending niet geve aan wat slechts verschil van Christelijk inzicht, of ook onopzettelijke overtreding is.

Sabbathsschennis onderstelt altoos kwaad opzet; de bedoeling, om het heilige te verachten; en heeft haar wortel in vijandschap tegen God.

Hier dient dus omzichtelijk en met bedachtzaamheid te werk gegaan.

Er zij onderscheid des oordeels.

Zijn er Christenbroeders, die met den kerkeraad verschillen in opvatting van den Sabbath en in ernst verklaren, voor hun conscientie iets wel op den Sabbath geoorloofd te achten, wat een kerkeraad voor ongeoorloofd houdt, dan mag er van vermaning en waarschuwing, maar nooit van censuur sprake zijn.

Censuur komt eerst tepas, waar booze toeleg of verregaande vergetenheid van God in het spel is.

Ook de kerk keurt uw Sabbath niet.

De Keurmeester van uw Sabbath is en blijft de Heere.

Wil dit nu zeggen, dat ge dus op den Sabbath u noch aan uw broeder, noch aan uw kerk te storen hebt?

Dat zij verre.

Reeds de liefde eischt, dat ge ook in het stuk van den Sabbath uw broeder niet ergert, en de eerbied voor de dragers van het kerkelijk ambt stelt het u ten plicht, u, zooveel uw conscientie toelaat, naar hun oordeel te schikken.

Paulus zag niet het minste kwaad in het eten van offervleesch; maar „als het mijn broeder ergert,” sprak hij, „dan zal ik geen vleesch meer eten in der eeuwigheid.”

Slechts tegen éen ding moet ge op uw hoede zijn: Ge moogt ook bij uw Sabbath nooit eenig mensch als keurmeester in de plaats van God laten treden, maar zijt verplicht om zelfs tegenover uw liefsten broeder het recht van uw God in dit heilig stuk te handhaven.

Vraagt dus uw broeder u, om na te laten wat gij deedt, en stemt hij toe, dat niet hij, maar zijn en uw God te dezen Rechter is, ga dan voor hem uit den weg.

Maar stelt hij zich met macht tegen u over, en matigt hij zich het recht aan, om voor u te willen uitmaken, wat wel en wat niet geoorloofd is, wijk dan geen uur met onderwerping, maar weersta hem. Want door dan te zwichten, zoudt ge zijn conscientie toeschroeien, en zelf aan de eere van uw God tekort doen.

Alles hangt hier aan het standpunt, dat ge inneemt. Omdat het 's Heeren Sabbathen zijn, kan en mag Hij alleen uwe Sabbathen keuren, en zijt ge Hem en Hem alleen van uw Sabbathen rekenschap schuldig.

Desaangaande nu onderwijst Hij u door zijn Woord en Geest; onderwijst Hij u door het voorgeslacht; onderwijst Hij u door uw kerk; en onderwijst Hij u door uw broeder; en gij hebt op al deze roepstemmen en aanwijzingen van uw God acht te slaan.

Maar als nu uw kerk en uw broeder gesproken hebben, blijft de rekenschap toch altoos tusschen u en uw God.

Alles wat ook op den Sabbath uit het geloof is, doet u vrij uitgaan; al wat niet uit het geloof is, is en blijft ook op het stuk van den Sabbath zonde.

Laat ge dus iets uit vreeze voor menschen, en uit beduchtheid voor hun oordeel, en omdat zij zich als keurmeesters opwerpen, dan laat ge dit niet uit het geloof, en is het u zonde.

En dan alleen, als ge op uw Sabbath rust, en in die ruste heiliglijk bezig zijt, omdat uw God het zoo wil en opdat ge zijn vrede moogt indrinken, is uw Sabbathsviering uit het geloof en is er in dezen deele geen zonde in u.

Wie anders te werk gaat, is een dienstknecht en heeft „een geest der dienstbaarheid ontvangen wederom tot vreeze.”

Dan zijt ge nog onder de wet en kent het zoet der genade niet.

Ja, erger nog, dan bezwijkt ge straks onder de geboden en inzettingen van menschen, en torst een juk, dat ook uw vaderen niet hebben kunnen dragen.

En zoo is Gods kind niet.

Een kind van God staat in de vrijheid, waarmeê Christus hem heeft vrijgemaakt; en die vrijheid komt hierin uit, dat hij geen anderen heer noch meester kent, dan den Heere.

Met Hem en met Hem alleen heeft hij te doen, en dus ook alleen naar Zijn wil vraagt hij.

En zeg nu niet, dat dit den Sabbath zal doen verslappen.

Want al ware dit zoo, dan nog tienmaal liever een slapper Sabbath, waarbij de vreeze Gods u vervult, dan een strenger Sabbath, waarbij ge uw God niet aanziet, maar eeniglijk vraagt naar het oordeel der menschen.

Maar bovendien, dit verwijt is zonder grond.

Een kind van God is teeder en nauw in de conscientie. En als slechts eenmaal de vreeze en eerbiedenis voor den Heere onzen God op uw Sabbathsviering in gaat werken, dan weegt ze u van week tot week ernstiger op het hart, wordt u een zaak des gebeds en des worstelens, en eindigt met heel uw leven te beheerschen.

Uiterlijke vormendienst heeft toch voor ons geen waarde. De Heere vraagt niet, dat ge een vromen Sabbath nabootsen, maar dat ge Hem, den Heere, uw Sabbath houden zult.

En eerst zoo ge daaraan toekomt, erlangt uw Sabbathsviering geestelijke beteekenis, en brengt ze een zegen voor uw huis en uw hart.

VI.

Inhoudsopgave

DE SABBATH DOOR GOD VERZOEND.

Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft.

Ex. 34:7.

Wees vooral tegen éen ding op uw hoede, en beeld u nooit in, dat ge wel onder de negen overige geboden voor uw God bezwijkt, maar dat ge het vierde gebod van zijn Sabbath wel houden kunt.

Het vierde gebod is een gebod uit Gods wet, zoo goed als elk ander, en ook van dit gebod geldt het, dat er „niemand is, die goed doet”, dat „ze allen gezondigd hebben”, en dus allen „de heerlijkheid Gods derven”.

Zoolang dus ook dit gebod als een wet tegenover u staat, moet ge ook voor dit gebod vallen; kunt ge het niet houden; kunt ge het nooit anders dan overtreden; wierd ook door dit gebod uw zonde ontdekt en uw schuld vermeerderd; en hebt ge ook van dit gebod te belijden, dat het u oordeelt en verdoemt, tenzij ge uw toevlucht neemt tot de Fontein, die er tegen de zonde geopend is voor het huis van Israel.

Vat dit diep op.

Het gebod, vooral dit gebod, komt tot u, in het Werkverbond, als middel, om door de volbrenging van dit gebod loon der zaligheid te ontvangen.

En dit loon nu ontgaat u niet alleen, maar ook door dat gebod komt niets dan schuld en verdoemenis over u. En omdat dit nu gemeenlijk wel bij het gebod tegen den diefstal, doodslag, echtbreuk, het valsch getuigenis enz. gevoeld wordt, maar niet gevoeld wordt bij het gebod van den Sabbath, willen we al Gods kinderen gebeden hebben, dat ze toch ook op dit gebied de waarheid der Heilige Schrift toepassen, en het mogen inzien en beseffen, hoe ook voor dit gebod elk hunner bezwijkt. Hoe ze reeds in dit éene gebod heel Gods heilige wet geschonden hebben. Alzoo Sabbathsschenders in den kwaadsten zin zijn, en reeds door de overtreding van dit éene gebod in hun schuld voor God bezwijken.

Want natuurlijk, ook dit gebod moet in zijn geestelijke diepte gevat worden, en een iegelijk, die in de besteding van zijn tijd en in de breking van zijn tijd, en in zijn leven voor het eeuwige, en in den dienst van zijn God ook maar iets ooit tekortschoot, ligt reeds daarom door dit vierde gebod geoordeeld, en komt onder dit oordeel niet uit, dan door de verzoening, die in Christus Jezus is.

Ook uit dit gebod komt, als gebod, niets dan de kennisse onzer ellende.

Maar deze verzoening Gods over uw Sabbath strekt nog verder.

Want neem nu aan, dat ge werkelijk tot het inzicht kwaamt, hoe heel uw verdorde natuur ook tegen dit gebod ingaat; hoe ge met uw boos hart nooit anders deedt dan dit gebod in zijn wortel schenden en overtreden; en dat ge voor uw zonde en schuld, ook van dit gebod, vergeving bij uw Heiland vondt, in welken toestand kwaamt ge dan nu?

Natuurlijk, dan schoof ook voor u dit gebod uit het Werkverbond in het Genadeverbond over.

Alle verdienstelijkheid ging ook van dit gebod voor u af, en nooit beelddet ge u in, dat ge, door dit gebod, zoo goed zoo kwaad het ging, te onderhouden, alsnog iets, hoe gering ook, aan uw zaligheid kondt toebrengen.

Neen, het wierd nu ook bij u omgekeerd, uw God, die zelf door zijn genade u ook in dit gebod wandelen deed.

„Ik zal maken, dat ge in mijne inzettingen wandelt.”

En dat hebt ge ervaren. Als gij nu aan zijn Sabbath meêdoet, heeft God, die barmhartig is, u in zijn Sabbath ingeleid. Hij heeft u, die er niet aan wilde, het oog voor het schoon van zijn Sabbath geopend. Diezelfde Sabbath, die u van nature afstiet, is u door zijn genade bekoorlijk geworden. Ge kreegt er lust aan. Hij wierd u op het hart gebonden. En eindelijk kwam het er toe, dat ge, ja, waarlijk in het spoor van zijn Sabbath met uw hart en met uw leven en met heel uw huis ingingt.

Dat deedt niet gij, maar dat werkte God door zijn genade in u.

En het einde van den Sabbathdag was dan ook, niet dat gij voor uw God roemdet, maar dat ge in dankzegging voor zijn Sabbath neerknieldet, en roemdet in de genade van uw God.

Maar bij die dankzegging bleef het niet.

Immers zelfaanklacht en zelfbeschuldiging bleef ook bij den Sabbath u achtervolgen.

Wat toch hadt gij gedaan?

Uw God schonk u een dubbele genadegave. Vooreerst doordien Hij den Sabbath ook voor u inzette. En ten tweede, dat Hij den lust en den wil in uw hart schonk, om er naar te leven.

Maar omdat uw hart niet recht voor uw God stond, hebt gij in den Sabbath toch weer uw zonde gemengd; toch weer Gods gave bevlekt met uw twist; en de sneeuw, die blank uit zijn hemel was neergedaald, bemorst met de onreinheid van uw hart.

En dat deedt ge niet alleen in zoover ge toch zijn Sabbath niet hieldt, of ook vormelijk hieldt, zonder geestelijken inhoud, maar zelfs daardoor, dat, bij hetgeen ge deedt, om zijn Sabbath te houden, de overleggingen en bewegingen uws harten zich onzuiverlijk in u bewogen.

Op de intentie van het hart komt het bij al Gods geboden aan.

En, o, hoe vaak komt het niet voor, dat ge dan, ja, den Sabbath hieldt; maar omdat anderen u waarnamen; omdat ge een voorbeeld voor anderen moest zijn; omdat ge prijssteldet op uw vromen naam; ja, zelfs met de bijgedachte, om door een vromen Sabbath veel onvrooms in uw leven goed te maken.

En is nu al zulke overlegging en heimelijke bedoeling niet gevloekt van den Heere der heirscharen?

Wil Hij niet, dat ge Hem, Hem alleen, uw Sabbath houden zult, en is niet al wat ook in uw Sabbath op iets anders dan Gods eere gericht is, eene zonde die u aanklaagt, wijl het niet ontspruit uit het geloof?

Welnu, daarom zijn de beste Sabbathsvierders en die den Sabbath het nauwst en het teederst waarnemen, juist degenen, die de scherpste aanklacht over hun Sabbathsviering in hun conscientie ervaren, en den sterksten drang gevoelen, om als de Sabbath weer uit is, de verzoening van hun God over het verzondigen van hun Sabbath in te roepen.

Maar zij ervaren het dan ook, dat hun God, die hun den Sabbath en hun lust in zijn Sabbath schonk, ook die zonde van hun Sabbath hun gaarne vergeeft.

En zoo drinken ze dan telkens en telkens weer het zoet der verzoening ook van hun zonde in zake den Sabbath in, en juist door die verzoening brengt de Heere er hen toe, dat ze Hem ook in zijn Sabbath gaan vreezen.

Zoo werkt Hij wonderbaar.

Eerst geeft Hij ons den Sabbath als een uitwendig gebod, dat onze natuur er tegen ingaat. Dan brengt hij ons den Sabbath toe als een spiegel om onze ellende te kennen. Ontwaakt er iets van die kennisse in ons, dan wordt zijn Sabbath ons een tuchtmeester tot Christus. En komt het eenmaal zoover, dat we ook voor dit gebod gevallen, en over dit gebod in Christus ons verzoend weten, dan brengt Hij ons dienzelfden Sabbath nogmaals toe, nu in het Genadeverbond, als een regel des levens, waarin Hijzelf ons doet wandelen.

Dan is van Hem onze Sabbath en van Hem de lust, die in onze ziele voor den Sabbath opwaakt. En dan leven we in dezen zijn Sabbath in, maar zeer gebrekkig; onze schuld mengende in zijn kostelijke gave; en als weer de Sabbath om is, dan dankt Gods kind voor wat hij ontving, en bidt om vergeving voor wat hij aan zonde uit zijn eigen hart in den Sabbath mengde.

Zoo wordt hij teeder voor zijn God.

Tot de Heere ook die gestadige belijdenis van ingemengde zonde gebruikt als middel, om hem nog dieper in zijn Sabbath in te leiden.

En zoo gaat het voort en voort. Hij altoos de genadige God, die ook voor den Sabbath genade op genade stapelt, en ons zijn kostelijke gave toebrengt en in het hart indraagt; en Gods kind de schuldenaar, die met zijn eigen natuur het al verderft, maar door zijn God verzoend wordt, door zijn God sierlijk bewerkt wordt, en dank zij die Goddelijke inwerking, steeds rijker en voller in het schoon en het zoet van Gods Sabbath geniet.

VII.

Inhoudsopgave

DE SABBATH VAN GOD VEREEUWIGD.

Er blijft dan eene ruste over voor het volk Gods.

Hebr. 4:9.

Toch kan uw Sabbath op aarde nog nimmer de volle ontplooiing van uw Sabbath voor het aangezichte uws Gods zijn.

De Sabbath op aarde is en blijft een compromis.

Er staan twee zekere en strijdige belangen tegenover elkander: eenerzijds roept, eischt en nijpt de wereld met haar leven in den tijd; en aan den anderen kant lokt, roept en trekt het Paradijs daarboven met zijn leven in de eeuwigheid.

Die beide liggen op den bodem van uw hart dooreengestrengeld. Ge zijt een menschenkind in den tijd en een kind Gods in het eeuwige. Vandaar die bange worsteling, die dooreenstrengeling van belangen, die mengeling van het aardsche en Goddelijke in uw wezen.

En nu is uw Sabbath op aarde een dam, dien God opwierp, opdat de stroom der wereld u niet vervolgen zou; het is een Jakobsladder, die God u voorzette, om op te klimmen naar boven; het is een inschuiven in den tijd van een dag, die aan het merk van den tijd ontkomen is, en het stempel van het eeuwige draagt.

Maar toch, daarmeê is aan het kermen van uw ziel nog geen volle bevrediging gegeven. Ge proeft daarmeê wel iets van den Sabbath en geniet er een voorsmaak van; maar toch, de ware, de eigenlijke Sabbath brengt het u nog niet.

Dan toch zou de Sabbath hermetisch van de wereld moeten zijn afgesloten. Ook zoudt ge, als de Sabbath inging, uw zondig hart aan de poorte moeten kunnen achterlaten. En ook, dan zou er na den Sabbath geen week in de wereld meer volgen moeten, maar het, eens Sabbath, altoos Sabbath moeten zijn, om nimmermeer uit de tente van uw God te scheiden.

Daarom komt de Heilige Schrift dan ook tot u, en zegt u in naam des Heeren aan, dat er nog een heel andere, dat er ook een eeuwige Sabbath is, en dat, welke ruste ge ook op den Sabbath hierbeneden moogt smaken, er altoos nog een heel andere ruste overblijft voor het volk van God.

Dit is het, wat boven deze meditatie staat, dat God u den Sabbath niet alleen schonk en dien instelde, heiligde en zegende, en nog altoos keurt en verzoent, maar dat Hij ook nog dit laatste doet, dat Hij u den Sabbath vereeuwigt.

De Sabbath is geen plagen, alsof God de Heere u telken zevenden dage even smaken liet, hoe goed en zoet het in zijn tente is; maar om dan weer ijlings voor al dit schoon en heerlijk een gordijn te laten vallen, opdat na het genoten licht de duisternisse te duisterder om u zou zijn.

Neen, in uw Sabbath ligt een profetie; de heerlijke profetie van een eeuwig leven, waarin dáarom geen breking van dagen en oogenblikken zal bestaan, omdat het al éen Sabbath, een Sabbath zonder storing, een Sabbath zonder einde, en bovenal een Sabbath zonder zonde zal zijn.

Zoo ziet ge, hoe het, van trap tot trap, uit het lage en ijdele dezer wereld naar boven gaat.

Eerst kwijnt ge op den bodem der zonde en zijt ge nog geheel in het leven der wereld bevangen. Van een eeuwigheid wilt ge niet hooren; uw tijd is uw.

Dan scheidt God, die genadig is, u van die in zonde kwijnende wereld af, en doet u hooger opgaan tot dat betere hoogland, waar slechts zij verkeeren, die met de wereld geen vrede meer hebben, en dorsten naar iets, dat bestendig is en beklijft.

Hieruit ontstaat die tweedeeling in uw leven, die u tusschen de polen van den tijd en de eeuwigheid inplaatst, en nu brengt God u zijn aardschen Sabbath, om u in dien Sabbath een spiegel en voorsmaak van een nog hoogeren Sabbath reeds hier op aarde te doen bezitten.

Daarna voert Hij nóg hooger op, en doet u in dien Sabbath ingaan met een veranderd hart, om op dien Sabbath uw ziel op te heffen tot Hem, die in de hemelen is, en u op uw Sabbath te doen verkeeren in Gods tente.

Maar toch, ook zoo moet ge nog altoos weer in het leven der wereld terug; uw zondig hart nog met u meêsleepen; en gedurig weer de smart kennen van het gemis, als de Sabbath weer uit is en de drukte der wereld weer aan uw deur komt kloppen.

Tot eens uw einde daar is, en uw barmhartige Vader in de hemelen nu tweeërlei doet; ten eerste, dat Hij u losmaakt van de wereld en het lichaam der zonde, zoodat de wereld niets meer op u te pretendeeren heeft, en uw zondig hart niets giftigs meer in Gods kostelijke gave kan mengen; en ten andere, dat Hij u alsnu niet door opheffing uwer ziel in de gedachte, maar door optrekking van heel uw persoon in de werkelijkheid, overzet in dat land, waar geen klok ooit getikt heeft, en niets te beluisteren valt dan het zalig ruischen van den stroom der eeuwigheid.

En dan komt uw eeuwige Sabbath. Nog altoos diezelfde Sabbath, dien ge soms op aarde genoot; maar nu uit den tijd losgewikkeld, en door Gods wondere ontferming voor u vereeuwigd.

Een Sabbath, niet daarin schitterend, dat ge in dolce far niente, d. i. in een zalig nietsdoen uzelven verliest.

Immers dat zou ook op aarde geen Sabbath geweest zijn.

Neen, maar een eeuwige Sabbath, die dit heeft, dat hij de wereld volkomen buiten-, den hemel geheel insluit, en nooit meer door een dag in den tijd, in die wereld en in de zonde zal worden afgebroken.

En in dien eeuwigen Sabbath zal het dan zijn, niet een enkele maal in „de vergadering der geloovigen” verkeeren, maar altoos met al Gods uitverkorenen saam zijn.

In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een even opgaan naar Gods tempel, maar eeuwiglijk in dien tempel daarboven verwijlen, waar het Lam zelf de kaars en onze God onze Zon zal zijn.

In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een verdeelen van uw Sabbathsruste tusschen uw ziel en uw gezin, maar eeuwiglijk in het groote Vaderhuis genieten met de volle harmonie uws harten.

Ja, in dien eeuwigen Sabbath zal het zijn, niet voor enkele oogenblikken uw hart opheffen tot den Heere uw God, en een enkel oogenblik in zalige meditatie tot zijn zielsinnige gemeenschap doordringen; maar voor altoos en in de rijkste volheid het zoet van Gods verborgen omgang en van zijn zalige nabijheid indrinken met al de zuigkracht van heel uw geestelijk bestaan.

En dat toeft, dat beidt nu wel; maar eens komt het voor Gods lieve uitverkorenen gewisselijk.

Er blijft een ruste over voor het volk van God.

We zullen in dat Kanaän ingaan.

Ja, meer nog.

Deze eeuwige Sabbath is niet slechts in den aardschen Sabbath geprofeteerd, maar wordt, zooals de Catechismus het zoo schoon en waar zegt, reeds in dit leven aangevangen.

Niet door iets, dat wij doen.

Niet door uw ruste van aardschen arbeid, of uw ingaan in geestelijken arbeid.

Neen, dien Sabbath reeds hier op aarde doen aanvangen, dat doet uw God en uw Vader voor u en in u.

En dien drinkt ge in en ervaart ge dan, als gij viert van uw booze werken en het Volzalige en Eeuwige Wezen door den Heiligen Geest werken laat in u!

MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.

Inhoudsopgave

EERSTE ZONDAG.

Inhoudsopgave

GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW IK BEN!

Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller menschen kinderen tevergeefs geschapen hebben?

Ps. 89:48.

God de Heere leeft in een twist met den nietigen mensch.

Dat hebben wij gemaakt. Dat is door onze zonde zoo gekomen. Dien twist hebben wij in de onvermengde, storelooze zaligheid van het Eeuwige Wezen ingedragen. En nu worstelt Hij met ons. „Bij den verkeerde, o mijn God! betoont Gij U een worstelaar!”

Nu is er in dat worstelen van den Heere onzen God met ons een onbeschrijflijk nederbuigende goedertierenheid.

Hij kon ons op staanden voet verdoen van voor zijn aangezicht, dat we geen hinder meer voor Hem waren en ophielden twist te werpen in zijn eeuwigen vrede. Zijn almacht ontzegt Hem daartoe het vermogen niet. Zijn majesteit zou er voldoening in vinden.

Maar omdat Hij een genadig God is, doet Hij dat niet. En nu gaat Hij met ons worstelen. Met ons worstelen in onze conscientie. Met ons worstelen in de overleggingen van ons binnenste. Wij willen ons ophouden en Hij wil dat we het voor Hem opgeven zullen. Hij rust niet en kan niet rusten, eer Hij zoo diep en zoo lang en zoo schriklijk met ons geworsteld heeft, tot we eindelijk niet meer kunnen, en het Hem gewonnen geven, en erkennen: „Heere God! Gij zijt rechtvaardig en ik deed nooit iets anders dan mijn weg voor U verderven.”

o, Dat kost wat, eer het daartoe komt, vooral voor vrome, burgerlijk brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te zeggen, maar om het te meenen, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te liggen.

Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan ook zooveel banger en ontzettender te worstelen.

Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven, want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur.

En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw levenslot, in wat u lief is, en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan, als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot zelfs het eigen vleesch niet.

o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste innerlijk wezen.

Dan is alles benauwing en banden des doods om ons.

Dan zijn we tot voor de koperen deuren gedrongen.

o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder uw sterke hand weg!

Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons het bang besef, dat die tegen ons worstelt niet onzes gelijke is.

De Heere niet onzes gelijke, het is zoo, we beleden dat ook vroeger wel, maar toch bleef het bij al ons tegen worstelen, alsof onze persoon en de Heere God wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we eigenlijk toch wel tegen God opkonden. Alsof een mensch, als hij maar wilde, wel tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere ten slotte nog wel winnen kon.

Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i. aan God gelijk wezen.

Het demonische: Eritis secutis Deus1). De gruwelijke hoovaardij van ons boosaardig hart.

En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er voor uit: „o, God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten bloede met mij, nietigen mensch?”

Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte uit: „o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?” en zoo klaagde David: „Heere! gedenk mijner van hoedanige eeuw ik ben!”

En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen Geest betuigen, dat „Hij weet, wat maaksel we zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn” (Ps. 103:14). Hij had het vanouds reeds betuigd: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is.” Van Israel staat geschreven: „Hij dacht er aan, dat zij vleesch waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert” (Ps. 78:39). En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van zalige vertroosting: „Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet altoosdurend verbolgen zijn, want uw geest zou voor mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb!” (57:16.)

En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het „Gode gelijk te wezen” overwonnen.

Dan willen we de minste voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en nietigheid.

Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het: „Wees sterk en houd het tegen Hem uit!”; maar nu is het: hoe kleiner hoe liever. „Zie, Heere! dat ik stof en assche ben.” Of misschien onze nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling mocht bewegen!

Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen. Door zijn worstelen tot tegenworstelen geprikkeld. Maar nu wierd het een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen: „Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid aan en heb ontferming!

„Een held worstelt niet met een hulpeloos kind! Gij, sterke Held! laat af te worstelen met wat stof en assche is.

„Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik, verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te worstelen?

„Ik kan niet meer. Als Gij slaat, zal ik mij weerloos laten slaan door uw sterke hand.

„o, God! het is uwe eere als God om U te erbarmen.

„Ik ben een worm voor U en geen man!”

En neen, dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige en vergeten had een weerlooze genadig te zijn; maar een zich vastklemmen van het gebroken hart, dat niet meer kan, aan Gods eeuwige deugden.

Weg, weg zou ik zijn als in den Heere mijn God die eeuwige deugden niet waren. Als Hij niet groot van moed en niet groot van ontferming was.

Maar dat is Hij. Ja, waarlijk, de Heere is grootmoedig en zeer barmhartig.

En die deugden grijpt het geloof aan. En daar pleit de worstelaar in zijn smeekingen op.

Zoolang hij het tegen God uit wilde houden, was hij volkomen machteloos tegenover den Heere. Een weerloos lam, dat waande het tegen den sterken Leeuw te zullen volhouden.

Maar nu slaat dat om. Nu het verbrijzeld kind niet meer tegenworstelt; en geen hand meer opheft; en geheel lijdelijk zich laat kastijden; en nu eeniglijk op de deugden van Gods grootmoedigheid en lankmoedigheid gaat pleiten, nu is hij opeens sterk tegenover dienzelfden sterken God geworden.

Het smeeken om genade ontwapent den sterksten held.

Daar kan ook God niet tegen in.

Een worstelaar tegen den verkeerde, is Hij, de Ontfermer over stof en assche en over den worm, die in het stof wegkrimpt.

En diezelfde Majesteit, die in den bangen avond nog toornde in verbolgenheid, blinkt in goddelijk mededoogen bij het aanbreken van den morgenstond.

Doordien we vleesch zijn en bekenden vleesch te zijn, gedacht Hij, wat maaksel we zijn, en heeft zijn vertroostend aangezicht ons verkwikt.

1 Gij zult als God wezen.

TWEEDE ZONDAG.

Inhoudsopgave

„EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL.”

Ziet, de volken zijn geacht als een druppel aan den emmer en als een stofje aan de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof.

Jes. 40:15.

Bij een apotheker vindt ge een weegschaal onder een stolp om gif, en bij een juwelier een weegschaal onder glas om diamantgruis te wegen. Bij gif en goud luistert het ontzettend nauw. Wat roest aan het mes van de balans, zou het juiste wicht vervalschen.

Maar als Jesaja, de profeet des Heeren, van een stofje aan de weegschaal spreekt, dan denkt hij aan zoo haarfijne balans in de verte niet. Reeds om de afdoende reden, dat zulke weegschalen toen nog ganschelijk onbekend waren; maar ook om wat er van den emmer bij staat.

Een stofje aan de weegschaal, is het eene beeld; het andere, daarmeê evenwijdig loopend, het beeld van „den droppel aan den emmer”.

Van een kunstweegwerktuig is dus geen sprake. Dan ware niet de druppel aan den emmer, maar de spet aan de kristallijnen bokaal er naast gesteld.

Nu daarentegen verplaatst de emmer u in het gewone leven, en is ook de weegschaal in ordinairen zin, zooals de winkelier die bezigt, in het oog te vatten.

En wat is nu op zulk een grovere weegschaal een enkel stofje? Wie vergt, dat de winkelier eerst elk stofje van schaal en koord afvege, eer hij het gewicht in de schaal zet? Zulk een stofje is niets en minder dan niets, en nog onder het toewegen laat zich ongemerkt stofje na stofje op waar en gewicht, op koord en schaal, op balans en evenaar neder.

En zie, in dat beeld komt nu de Majesteit des Heeren Heeren u uw volstrekte nietigheid aanzeggen.

Eerst waart ge met een bloem vergeleken, die verwelkt, en met het gras, dat verdort. Toen wierd tegenover dat verdorrend gras de majesteit en hoogheid geteekend van Hem, die al de wateren in zijn vuist meet, van de hemelen met de spanne zijner vingeren de maat nam, die al de bergen der aarde in zijn weegschaal, ja, al het onmetelijk stof der aarde in zijn drieling had gewogen. En daartegenover komt gij nu staan, niet eens meer als een bloem, die verwelkt, en op verre na geen gras meer, dat verdort; neen, maar als een enkel stofje aan de weegschaal, en als een drop aan den boordevollen emmer.

Ja, meer nog, sterker nog.

De profeet zegt niet, dat éen menschenkind bij God als een stofje aan de weegschaal is, maar dat heel een volk bij Hem als zulk een stofje geacht is. Ja, dat de machtige eilanden der zee, met al hun volk, als „dun stof” zijn uitgestrooid op de wateren.

Heel uw volk bij God éen stofje aan de weegschaal, en gij in dat volk nog geen millioenste deeltje van dat éene stofje bij God. Als een stofdeeltje, dat niet alleen niet meêweegt, maar ook niet meêtelt. Want de druppel hangt aan den emmer, om er straks af te leken en het stofje vliegt op de weegschaal, om er straks te worden afgeblazen.

Het is niets, het weegt niets, het telt voor niets.

En dat minder dan niets, dat zijt gij, o kind des menschen, voor uw God!

En waarom moet dat onbeduidende, dat nietsbeteekenende, dat verdwijnende van uw persoon voor uw God nu zoo aangrijpend scherp geteekend?

Och, waarom anders, dan omdat elk mensch in inbeelding des harten omwandelt, als ware hij de zon, en dat de maan en de sterren zich voor hem neerbogen, ja, als bestond zelfs God de Heere enkel om hem; om hem in den nood te hulpe te komen, en een hemel te verzekeren na zijn dood.

De oude droom van Jozef; maar nu niet in wondere profetie, neen, maar uit de booze hoovaardij des harten. Ik, ik en altoos ik. Die Dagon van het ik in ons eigen binnenste. Onze Diana der Efeziërs, waarvoor heel de wereld haar wierook heeft te branden. En dus beter temoê, naarmate er meer lof en eere voor ons opstijgt.

Dit nu is de leugen. De Vader der leugen heeft het ons ingefluisterd. Zoo is de Majesteit des Heeren voor ons verkleind en ver naar den horizont van ons leven weggedrongen; maar hoog en breed is de majesteit van ons eigen ik opgericht. Zooals Asaf het in Psalm 73 teekent: „De hoovaardij omringt den mensch als een keten, zijn tong wandelt op de aarde, en hij gaat de inbeeldingen des harten te boven.”

Hoor het in onze eeuw maar, hoe de mensch al meer het éen en alles wordt. „Ik geloof in den mensch” allengs het credo van ons geslacht begint te worden. Ja, zóo hoog de glans van het menschelijke gaat blinken, dat de luister van het Goddelijke er bij taant.

Dit nu is niet een omgehangen gewaad; maar het is een kwaad, dat uit uw eigen hart opklimt.

Ge wandelt in de leugen. De wezenlijkheid, de werkelijkheid, de waarheid ziet ge niet meer. Alle verhoudingen zijn voor uw zielsbesef vervalscht geworden.

En zooals gezichtsbedrog het kind doet denken, dat hij minstens tweemaal zoo groot als de zon is, zoo ook waant het nietig kind des stofs zich schier grooter dan zijn God te zijn.

Tot de waarheid hem aangrijpt en de glans van de Majesteit des Heeren over zijn ziel opgaat.

En dan wordt het: Dat Eeuwig Wezen onmetelijk en onbeschrijflijk in zijn heerlijkheden, en ik een stofje op de schaal.

Pas dit nu toe op uw leven, en ge loopt recht of ge waggelt als een dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen schatting, een stofje aan de weegschaal voor uw God zijt.

Staat ge nog in uw leugenbeeld, dan hebt ge allerlei pretentiën, dan zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt, veeleischend en alles begeerend, ontevreden en gestadig in gemor.

Maar komt de waarheid en weet ge weer een drop aan den emmer en een stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die overgevoeligheid weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in die goedertierenheid des Heeren, die u nog zóoveel schonk.

Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld, zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de doornstruik, die prikt en afstoot.

Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat.

Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelfheid, zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de eigen natuur van uw bestaan.

Wie weet zelf een stofje te zijn, kan vreeze Gods in de ziel omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest, kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!

En dan komt juist in dat nietige van het stofje het zoet der zaligheid.

Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan wezen, rust met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn wezen. Hij heeft niets op te houden. Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn eenvoudigheid.

En als dan in dat nietig „stofje aan de weegschaal” genade gaat werken, en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat spiegelen, o, dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige aanbidding.

Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van „kind van God”. Op mijn lippen wil Hij het Abba, lieve Vader! doen fluisteren. Voor mij verordineerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het eeuwige licht!

o, Mijn broeder, mijn zuster, dan begint de mond van lof en liefde over te vloeien. Dan wordt het al aanbidding. Dan smelt heel uw ziel in zalige verrukking.

Ja, wie zou dan al den lof des Heeren uitspreken! Wie naar waarde eenigszins verhalen, wat Hij u, nietig stofje aan de weegschaal, u, drupje aan den emmer, naar zijn grenzenlooze ontferming aan uw ziel gedaan heeft!

DERDE ZONDAG.

Inhoudsopgave

„MIJNE ZIEL IS VOOR U ALS EEN DORSTIG LAND!”

Ik breide mijne handen uit tot U; mijne ziel is voor U als een dorstig land.

Ps. 143:6.

Een dorstig land weet niet, dat het dorst heeft. Eigenlijk is het dan ook niet dorstig. Het heeft geen dorst. Wel heeft het gebrek aan water, aan vocht, aan levenssap. Ook kan het alleen door water, dat er op gesproeid wordt, weer groen gras doen uitspruiten. Maar zelf heeft het hier geen kennis van. Het heeft geen bewustzijn.

Een akker is dood en kent zijn eigen plage niet.

Toch spreekt de Heilige Schrift gedurig van een „dorstig land”; niet enkel overdrachtelijk om op onze ziel te doelen, maar ook in eigenlijken zin, als ze spreekt van het veld, van een stuk land, van een akker.

Dit komt daarvandaan, dat de Heilige Schrift de natuur nooit van den mensch afscheidt. Die natuur is er om den mensch; als Adam valt, gaat de vloek ook over de natuur uit; al het schepsel zucht, verwachtende de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods; en eerst als de heerlijkheid eens voor Gods kinderen ingaat, komt ook die natuur weer van onder haar plage uit.

Dat er een akker ligt te verdorren uit gebrek aan vocht, is alzoo om de zonde; en de mensch, die zijn zonde bekent, ziet nu op dien akker als om zijnentwil lijdende neder. Zoo leeft die mensch in het leven van dien akker in; voelt voor dien akker, wat die akker zelf niet voelen kan; spreekt zoo uit, dat het land dorst, al weet het zelf van dorsten niets af; en straks bidt nu die mensch, zoo hij wél bidt, om wegneming van die plage ook voor dien akker. En als dan eindelijk de regen nederdruppelt en de dorstige akker wordt mildelijk verzadigd, dan dankt Gods kind ook voor dien akker, dat de Heere er de plage van wegnam.

In Israel, lees het maar bij Joël (1:9 v.v.), treurt de priester, als het land treurt, met en voor dat land. En als de redding gekomen is, juicht met den juichenden priester alle boom des velds voor het aangezicht des Heeren Heeren.

Hierin nu is het beeld van den zondaar.

Zooals dat land dor en verwoest ligt, maar het niet weet, dat het dorst, en dies om water van den hemel niet roepen kan, evenzoo is het met uw ziel van nature.

Ook uw arme ziel ligt verschroeid en verdord. De bodem van uw gemoed is verhard en verstijfd. Er spruit niets uit op. Het ligt al met den valen tint des doods overtogen. IJl moge hier of ginds een enkel sprietje door de kluit dringen, maar dor en geel en verzengd toont het zijn machteloosheid.

Als een dorstig land ligt uw ziele in u. o, Als de wateren maar nederstroomden, en het akkerveld uwer ziel de malsche dauwdruppen opving, hoe zou alles ruischen van vreugde en frischheid en weelde!

Maar het was dor en bleef dor, en wat nog het bangste is, hoewel geheel verdord, kent ge uw eigen dorheid niet en kunt ge niet zeggen: „Heere! ik dorst!”

Dorst hebt ge niet!

Maar denk nu aan wat straks van het „dorstig land” gezegd is. Ook het land, hoe dor en verzengd en verschroeid ook, heeft van zijn dorheid geen kennisse. Maar de landman, die langs dien dorren akker heenwandelt, die weet het, die voelt, dat het land dorstig is, en die bidt, dat de Heere den dorst van het land wegneme en lessche.

En is ook dit niet uw beeld?

Of wandelde ook langs de zoomen van uw dorre ziel niet telkens die hemelsche Landman, die den akker uwer ziel aanzag, en in innerlijke ontferming haar dorheid gadesloeg, en die, waar gij nog geen dorst kendet; voor u en in uw plaats dien dorst voelde? En gelooft ge niet, dat deze barmhartige Hoogepriester toen ook voor den dorst van uw dorstende ziele bad, nog lang eer gij ook maar vermoeden kondt, hoe uw verdorde ziel in haar ongekenden dorst wegkwijnde?

Maar hier houdt de gelijkenis dan ook op. Want wat bij het dorstige land nooit kan, dat kan bij u, en moet bij u.

De landman kan wel voelen, dat het land dorst, al weet het dat zelf niet, maar hij kan nooit zijn gevoel van dorst aan dien akker meêdeelen.

En dat nu kan uw hemelsche Landman wel en dat doet Hij.

Hij komt door zijn Heiligen Geest in dat dorre hart, in die dorstende ziel in, en geeft haar uit genade besef van dorheid, kennis van haar dorren staat, en brengt ze er ten leste toe dat ze zelve haar dorst gaat bekennen.

Daar wacht Hij niet op.

Hij is niet wreed, om als Hij een ziel als een dorstig land voor zich ziet liggen, te toeven en te beiden, tot tijd en wijle ze zelve haar dorst bekennen gaat, om ze eerst dáarna te bevredigen.

o, Als de Immanuel zóo met met ons handelde, dan kwam er nooit éen enkele malsche drop op haar dorheid neder.

Neen, neen, Hij voorkomt haar.

Hij weet, dat ze uit zichzelve tot den einde toe even stom en onwetend als een dorstig land blijven, en nooit om die droppelen der genade roepen zou.

En daarom komt Hij in zijn genade niet eerst dan tot u, als gij bekennen zoudt: „Ik verkwijn van dorst,” maar breidt Hij zich naar u uit, terwijl gij meent niet te dorsten, en bij uw gebroken waterbakken in koortsachtige overprikkeling veeleer droomt, dat de volle waterstroomen om u heen ruischen.

Ismael wist ook niet, dat de dorst zijn leven bedreigde. Hij wist niets. Hij lag in heete koorts bedwelmd. Maar de Immanuel kwam tot Ismael, en Hij wees Hagar de bron.

Weg daarom met dat valsche zeggen, alsof in ons het besef van dorst zou zijn, en alsof de Heere eerst op ons roepen uit de dorstige ziel, die dorstige ziel verzadigen zou.

Heel omgekeerd spreekt de Heere hem, die zoover kwam, dat hij dorsten kan, reeds zalig.

Want dat kennen van uw dorheid, dat besef van dorst is reeds genade. Dat was niet uit u, maar kwam u toe van boven. o, Wie maar zoover is, dat hij dorsten mag, die is er. Want als er maar een waarachtig dorsten mag zijn, dit wordt gelescht, zoo waarachtig als de Heere een Ontfermer is.

Bedrieg u dus niet.

Zeg niet: Ik ben als in Psalm 42, en mijn ziel schreeuwt naar den levenden God, gelijk een hert dorst naar de waterstroomen, maar de hemel houdt zijn regen in.

Neen, zoo is het niet.

De man van Psalm 42 is een geredde, juist omdat hij dorst kent; en nu wordt zijn dorsten het echte bidden en smeeken, en op dat smeeken volgt het toevloeien der volle stroomen gewisselijk, ook al beproeft de Heere hem voor een tijd.

Waar het aan schort, is dat ge denkt: „Den dorst heb ik uit mijzelf, en de Heere moet mij alleen het water geven!”

En zoo is het niet.

Diezelfde God, wiens de stroomen des levenden waters zijn, moet eerst en vooraf den dorst naar dat levende water in u brengen en anders drinkt ge uit dien levenden stroom nooit éen enkelen drop.

Het is, dat ge nog te hoog van uzelven denkt. Denkt: Dorsten kan ik zelf nog wel. En daarom blijft én de echte dorst én de toevloeiing der wateren bij u uit.

Och, dat ge ook dien valschen dorst, dien nagemaakten dorst niet langer voor het echte dorsten woudt aanzien!

Heere! ik breide mijn handen naar U uit; mijn ziele ligt voor U als een dorstig land, dat wel zeer dorre en verdord is, maar zijn eigen dorst nog niet doorgrondt!

VIERDE ZONDAG.

Inhoudsopgave

„ZALIG ZIJN DE VREEDZAMEN!”

Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

Matth. 5:9.

De machtige, alles teboven gaande tegenstelling tusschen den hemel daarboven en de aarde hierbeneden, is, dat er in den hemel éen psalm des vredes ruischt, en dat op aarde de schrilste wanklanken tegen elkander ingillen.

Vrede in den hemel bij onzen God, maar onvrede, twist, gemis aan harmonie, saamwerking en overeenstemming hierbeneden.

Er is vrede op uw harp, zoolang de snaren elk op heur eigen toon gespannen staan, en die harmonisch gespannen snaren door een vaardige hand op evenredig maatgeluid getokkeld worden. Maar de vrede is van uw harp weg, zoodra er ook maar een enkele snaar ontstemd is, of door een, die valsch speelt, een valsche greep op uw snaren gedaan wordt.

En nu, als met die harp, zoo ook is het met uw hart.

Ook op dat hart des menschen spande God in de schepping allerlei snaren; en Hij spande die snaren in zalige harmonie; en gaf aan elke snaar een toon om te doen klinken, die met de tonen van andere snaren in zuivere melodie ruischen kon.

Vrede en harmonie vervulde in de ure der schepping niet enkel den hemel, maar ook de natuur.

Vrede en harmonie lag in Goddelijken glans over den hof van Eden uitgegoten. Vrede en harmonie deed mensch en dier naar Goddelijke ordinantiën saamleven. Vrede en harmonie was het om, vrede en schoone harmonie in den mensch. En, toen Eva aan Adam geschonken was, vrede en harmonie eveneens tusschen mensch en mensch onderling.

En al week nu door de schrikkelijke verwoesting der zonde die vrede en harmonie ook van deze aarde weg, eens keert ze in heilige zegepraal weder; en dies meldt ons de profetie van een dag, waarop de wolf en het lam saam zullen weiden, een kind zich met een adder zal vermaken en de leeuw stroo zal eten gelijk het rund.

Maar inmiddels is die heilige, Goddelijke vrede weg.

Wij derven die schoone harmonie op elk terrein van het leven. En hoe dicht de betere evenredigheden soms ook de volkomen zuiverheid van toon weer nabij komen, toch vindt ge de diepe, volle harmonie nergens meer.

Zoolang ge een grove van gehoor zijt en onfijn van gevoel, moge u dat niet deren; maar zóo kunt ge niet in gehoor verfijnd en in uw gevoel verdiept zijn, of aanstonds beginnen de wanklanken u te hinderen, de disharmonieën u te kwetsen, de onevenredigheden uw zielsrust te storen, en hoe meer ge in het leven thuis raakt, hoe meer ge tot de droeve ontdekking komt, hoezeer twist en tumult en nijd op den bodem van heel ons menschelijk leven ligt.

Zoo is het in uw eigen persoon. Telkens de vrede verstoord tusschen ziel en lichaam. Telkens de vrede weg tusschen de verschillende neigingen van uw hart. Telkens de vrede bedreigd tusschen plicht en plicht, dien ge volbrengen moet. Gedeeld, geperst, uiteengescheurd wordt keer op keer uw menschelijk hart tot zelfs door de teederste liefde, die u innerlijk bewegen mag.

En waar ge dan uit eigen sfeer uittreedt in het leven buiten u, altoos weer vangt uw oor ook daar denzelfden wanklank op. Verschil van opiniën, van inzichten, van overtuigingen, van beginselen. Uiteenloopende belangen en neigingen, die diep in het bloed of in het verleden der historie hun oorsprong hebben. Volken tegen volken, standen tegen standen opstaande.

Op wetenschappelijk gebied de eene school, die aan de andere de heerschappij betwist. En zelfs in de kerk van onzen Heere Jezus Christus vrede, ja, in geesteloos lauwe dagen, maar zóo begon de adem des Geestes weer niet in de doodsbeenderen te blazen, of strijd verving ook daar de ruste; tot ten leste zelfs de naaste broeders en belijders met gespannen trek om de lippen tegenover elkander stonden.

En temidden van die wereld treedt nu Jezus op en roept: Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden!

Wat wil dit woord?

Zegt het u, dat ge den strijd voor uw overtuiging zult prijsgeven, de worsteling voor het u heilig beginsel zult laten varen? Wil het, dat een kind van God met zekere goedbloedigheid alle water over Gods akker zal laten loopen, en alles sussend, alles blusschend, elken morgen en elken avond roepen zal: „Vrede, vrede en geen gevaar”?

Stellig niet.

Immers, het merkteeken van deze „vreedzamen” is, dat ze kinderen Gods zullen genaamd worden, en is het dan de Heere zelf niet, die gezegd heeft: „Ik zal vijandschap zetten”, en die in den Zoon roept: „Ik ben niet om vrede te brengen in de wereld gekomen, maar het zwaard”?

Dus dat kan niet gemeend zijn. Beginsel te missen en overtuiging prijs te geven is karakterloos, en een kind Gods is niet iemand zonder karakter, maar met een karakter, dat diep ingegraven is en nochtans blinkt in harmonie.

De ervaring leert dan ook, dat zulk een blusschen van elk vonkje niets baat. Het vuur smeult onder de asch toch voort. En, als het dan eindelijk uitslaat, is de vernielende kracht zooveel te sterker.

Bovendien, ge moogt, ge zult dien weg der goedbloedigen niet betreden, wanneer het gaat om de waarheid Gods en niet om uw waarheid. Ja, wee u, zoo ge de wacht bij het heiligdom dier waarheid Gods niet betrekt.

Neen, vreedzaam in zulk een zin te zijn, dat ge daardoor en daarom „Gods kind” zult genaamd worden, heeft heel iets anders in.

Er staat letterlijk: Zalig zijn ze, die vrede maken; wat onze vertalers zeer terecht niet door vredemakers, maar door vreedzamen vertaald hebben, omdat vredemaker een veel te beperkt begrip is.

„Vredemaker” beduidt iemand, die, als twee ruzie of geschil hebben, een poging waagt om zulk een geschil bij te leggen.

En zeker, ook dat is goed en nuttig. Ook dat hoort er toe; want gevloekt zijn ze van den Heere Zebaôth, de duivelsche geesten, die er lust aan hebben om het vuur van twist aan te blazen en te heller te doen opvlammen. En waar ge twist bij kunt leggen, is dit zeer zeker uw roeping.

Maar toch die vreedzame zin, dien de Heere zalig spreekt, is nog heel iets anders en iets veel diepers.

Bij de harp werkt snaar op snaar. En of al de zes snaren zuiver gestemd zijn en éen snaar klinkt valsch, dan is er toch aan die harp geen zuivere melodie te ontlokken.

En zoo ook is het onder ons kinderen der menschen. Een iegelijk van ons is schuldig aan den onvrede en de disharmonie, die krijschend door het leven der wereld gilt. Elkeen van ons draagt daartoe zijn eigen ontstemdheid, zijn eigen valschen toon bij. Het is de zonde, het ik willen zijn van ons eigen hart, onze baatzucht, eerzucht, geprikkeldheid, die, ineenvloeiend met de baatzucht en geprikkeldheid van den ander, als met een stemme veler wateren dit wangeluid van onvrede en disharmonie doet aanzwellen tot een machtigen stroom.

En dat blijft nu zoo, tot de Heilige Geest uw hart omzet, uw wil ombuigt, uw zinnen omstemt, en er, dank zij de vrucht van die hemelsche gave, een zin in u komt, gelijk de zin des Heeren uws Gods is, om voor zooveel u aangaat, dien schriklijken wanklank met al Gods heiligen in te zingen in hemelsche harmonie.

Vreedzaam is hij, die zich in zijn nieren niet prikkelen laat. Vreedzaam is hij, die zijn driften in toom houdt. Vreedzaam is hij, die zich speent aan booze, giftige woorden. Vreedzaam zijt ge, als ge liever schade en ongelijk lijdt, dan een reeds zoo machtig aangezwollen stroom van bitterheid en twist nog te verhoogen. Vreedzaam is, wie niet achterklapt; den laster niet tot geleiddraad dient; het boos gerucht begraaft insteê van opwekt; den een niet vleit en den ander niet prikkelt.

De vreedzame heeft pijn van den onvrede om zich heen, en is er daarom op uit, om den twist neer te leggen, wat onverzoend is te verzoenen, en, met dooding van al den boozen prikkel, dien het kleine ikje zoo scherp in de ziel van den broeder kan drijven, balsem te gieten in de wonde, die schrijnt, en den storm der hartstochten, waar die opstak.

Welnu, wie dat kan, door genade kan, die is zalig; want in deze dingen te leven is zielsgenieting.

Zoo werkt de Heilige Geest, die God zelf is. En daarom zal, wie alzoo met den Heiligen Geest medewerkt, Gods kind genaamd worden; want in Hem zijn de eeuwige harmonieën, en nooit een enkele harmonie zal van de harp van uw hart de wereld inklinken en Gods heiligen verrukken, of ge ontvingt ze van uw God.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
17 ocak 2025
Hacim:
291 s. 2 illüstrasyon
ISBN:
4064066317126
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar