Kitabı oku: «Mei-droom»
PERSONEN
DE MAN
DE VROUW
MEI
DE GRIJSAARD
DE KINDERS zes paren
DE JONGEREN zes paren
DE GEHUWDEN vijf paren
ZEVEN DEUGDEN
EERSTE TOONEEL
Weidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. – Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen takkenbos in de horizontale lijn overgaat. – Op den heuvel, rechts van een kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek, afsteken tegen de lichte groene omgeving. – Aanbrekende dag.
DE MAN
zich uit de omarming opheffend tot zittende houding
De nacht ijlt van mijn doove zinnen
En rooft hun wonderlijken waan, –
Het licht daalt door mijn oogen binnen
En doet mijn lippen opengaan.
Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag uitstrekkend.
Zie hoe de teedre weide' ontwaken,
Waar stilte met de stilte speelt, –
Nog lijkt het leven zonder sprake –
Nog lijkt de wereld maar een beeld.
De vrouw komt naast hem op.
Doch luister –! waar de nevel over
De droomerige struiken vliedt,
Rijst uit het licht-geworden loover
Van ieder twijg een levend lied!
DE VROUW
naast hem zittend, met saamgevouwen handen
Mijn zingend hart gaat mee naar boven
En houdt zijn zoete beelden vast,
Om er de lente mee te loven
In 't koor, dat uit de velden wast.
Zij ziet rond zich omhoog.
Ik voel de tranen op mijn wangen,
Als dauw op lente's lief gelaat,
Als droppels om mijn oogen hangen,
Als spiegels van den dageraad.
Zoo draag ik in den dag mijn droomen
En tooi ik onze blijde aard –
Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.
Zoo zie ik Mei ter wereld komen –
Als had ik zelve Mei gebaard!
TWEEDE TOONEEL
Vóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en is MEI te voorschijn getreden. – Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. – Terwijl de man en de vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)
DE MAN en DE VROUW
hand in hand, zingend
Zoo draagt de dag wat ons in droomen
De zoele nacht heeft toegezegd –
Zoo zien wij Mei ter wereld komen,
Als wies hij uit onze' eigen echt!
Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op hunne beurt knielen.
MEI
rondwijzend met zijn stafje, zingend
Zie – uit de aarde
En uit den hemel
En uit uw harten
Ben ik geboren –
Door heel de aarde
En heel den hemel,
Door alle harten
Ben ik verkoren!
Waar ik de weide tooi,
Waar ik mijn bloemen strooi,
Maak ik de wereld mooi,
Maak ik de wereld blij,
Breng ik haar liefde bij –
Zie ik ben Mei!
Waar ik naar boven vaar
Volgt mij een vleugelpaar,
Wiekt heel een hemelschaar,
Maak ik den hemel blij,
Hemel en aarde vrij –
Zie ik ben Mei!
Waar ik u bloemen breng,
Waar ik uw harten meng,
Waar ik uw tranen pleng,
Smelt ik u zij aan zij,
Is u mijn ziel nabij –
Zie ik ben Mei!
DE MAN, DE VROUW, MEI
staande te zamen, zingend
Hoor de winden henensnellen
Om het ieder te vertellen,
Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –
Wei en wilgen wiegt de hoofden
Alsof zij het nauw geloofden,
Dat hun sluiers zijn geslaakt!
Zie zijn (mijn) adem doet van allen
Dauw en tranen nedervallen,
Blaast van ieder hart den druk –
Zie hoe menschen vleugels krijgen
Om als vogels op te stijgen
In een hemel van geluk!
Parelend van dauw en tranen
Treedt de aard in nieuwe banen,
En haar liefelijk gezicht
Laait in stralend nieuwen luister –
Zwaait van 't grondelooze duister
Aan het grondelooze licht!
Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, – hij raakt met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. – De man en de vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.
DE MAN
om zich heen luisterend
Hoor het, hoor het kwinkeleeren
Uit de bloemgeworden wei!
Al wat leeft wil jubileeren
Om den kleinen blijden Mei.
Waar hij glimlacht in den ronde
Opent zich een nieuwe knop,
Waar zijn bloote voetjes stonden
Stijgt een bevend liedje op.
Volgen wij ons kind en koning,
Lichten in zijn lichtend spoor,
Gasten in zijn wijde woning,
Stemmen in zijn zingend koor!
Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn schouder en houdt met de andere zijn arm terug.
DE VROUW
Blijf –! o blijf van hier hem kijken –!
Daal niet in dien lichten tuin –
Alle lieve dingen lijken
Liever van ons droomend duin.
Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende, die de kinders wekt.
Hoe dat witte anemoontje
Voor zijn adem openbloeit –!
't Is of ieder geurend kroontje
Tot een levend kindje groeit!
Zij zinken beiden droomerig tot een liggende houding neer, waarbij zij met den rug op hun rechterarm blijven leunen.
En het is – alsof ons eigen
Hart verdwijnt in zonneschijn –
Of wij zelve nederzijgen –
En wij zelve bloemen zijn.
DERDE TOONEEL
Mei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het gewas; – dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het rechter-voorplan. – De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen, waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur, licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige) bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).
DE KINDERS
zingend en trippelend achter den meikever
Hoe zoemen
Wij bloemen
Van hommel en bij!
Wij wuiven, wij stuiven.
Wij groeien en bloeien
Met Mei!
Met Mei!
Met Mei!
Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.
Wat snorren
Die torren
En kevers zoo blij!
Zij glanzen, zij dansen
De dagen, en dragen
Den Mei!
Den Mei!
Den Mei!
Als boven.
De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; – door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. – Mei wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend, zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.
MEI
op de kinders wijzend, zingend
Zie mijn geleide –!
Van heel de blijde
Bloeiende weide
Breng ik u beiden
Dien blonden pluk!
Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.
Voor u ontplooien
Zij al hun mooie
Harten en strooien
Om u te tooien
Hun bonten smuk!
Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien die voor den man en de vrouw.
Beeld van uw leven,
Droombeeld gebleven –
Doch dat u even
Een geur mocht geven
Van liefde en geluk!
Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw, van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt, tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.
DE KINDERS
zingende om den heuvel
Wij geuren
En beuren
Ons hoofdje u bij!
Ons hoedde, ons voedde
Met luchtjes en zuchtjes
De wei!
De wei!
De wei!
Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere stappend.
En haast er
En blaast er
Het windje nabij –
Daar draaien en waaien
We als blaadjes en zaadjes
Voorbij!
Voorbij!
Voorbij!
Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.
Gaat zachtjes
Met lachjes
Ons hoofdje op zij –
Dan: – zwijgende – neigende
Komen wij droomen
Van Mei!
Van Mei!
Van Mei!
Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den heuvel gevlijd; – zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen, naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. – Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas rechts. – De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de vrouw; – met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars schouder geleund, zien zij voor zich uit.
DE MAN
't Is of mijn hart zich weder heugt
Die eerst' ontroerde lentedagen
En ademt in de blijde vlagen
Van eene bloembedolven jeugd.
DE VROUW
't Is of mijn oogen mijne jeugd
En al de sterren wederzagen
Boven de bloesemende hagen
Aan alle wegen mijner vreugd!
Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.
Maar zie hoe Mei door 't groene gras
Het hooger wazend hout al nadert.
En uit het glanzend jong gebladert'
Den bloei wekt van een nieuw gewas!
DE MAN en DE VROUW
oprijzend en staande uitziende, zingend
Zie! zie hoe Mei een versche vracht
Van groene levens gaat bestijgen –
En uit een wolk van witte twijgen
Ons zegevierend tegenlacht!
VIERDE TOONEEL
Mei is van het rechter-voorplan naar het linker-achterplan rondgegaan langs het gewas, waaruit hij, als haalde hij hen van het groene hout, enkele jongeren verzameld heeft, die hem volgen. Een oogenblik in het gewas verdwenen, komt Mei met den stoet van DE JONGEREN, na de eerste woorden van het gezongen couplet, daaruit te voorschijn. – De jongelingen dragen korte buizen met lange sluitende broeken, lichtgeel, met rooden zakdoek om den hals geknoopt, roode boordsels en knoopen, roode roos in het linker knoopsgat en achter het rechteroor, in de linkerhand een tak groen, bloote voeten. De meisjes eveneens in lichtgeel, met een rood sjaaltje om de schouders, roode knoopen en boordsels, een krans roode rozen om het haar, in de rechterhand een tak witte bloesems, bloote voeten. – De jongelingen links, de meisjes rechts, gaan zij paar aan paar, de eene hand, op armslengte afstand, op elkanders schouder en met de andere, waarin de tak blâren of bloesems, tevens een met rozen omvlochten koord omhoog houdende, hetwelk de twee voorsten alleen met beide handen vasthebben, en waarvan Mei, op de schouders van het laatste paar staande, de einden als teugels ophoudt. De stoet komt, als boven, in een boog naar voren en zwenkt dan naar rechts vóór den heuvel, zoodat eerst meer de witte, dan meer de groene takken gezien worden. – De vrouw hangt haar linkerarm om den hals van den man, die met zijn linkerhand hare hand op zijn schouder vasthoudt, terwijl hij zijn rechter om het middel van de vrouw slaat en deze, tegen hem aangeleund, haar vrije arm laat neerhangen. – Mei neemt in zijn linkerhand de rozenteugels en wijst met zijn stafje in de andere voor zich uit.
MEI
zingend
Ik spreidde over toppen
En berstende knoppen
Den blos van mijn bloed,
Door alle rosse
Bloeiende bosschen
Schemert mijn gloed.
Van nauwlijks ontbloote,
Ontluikende loten
Vlocht ik mijn stoet,
Mijn rozige teugels
Werden tot vleugels
Voor hun vluggen voet.
Behalve het laatste paar, of de beide laatste paren, knielen de andere op een knie; evenzoo Mei, die daarbij met de rechterhand de teugels boven het hoofd heft, zoodat, waar elk paar het rozenkoord iets hooger houdt, dit een zuiver opgaande lijn vormt.
Van liefde levende,
U liefde gevende,
Breng ik den groet
Dier nauw ontwakenden
Uw beider blakende
Min te gemoet!
Thans knielt ook het laatste paar, waarvan Mei afstapt. – De beide reien, het rozenkoord als een hangende guirlande vóór zich houdend, buigen achtereenvolgens in twee bogen naar voren, ter zijde achter de beide voorste jongelingen en meisjes blijvende, die half naar voren, half naar den heuvel gewend, een kwartet vormen. – Mei blijft op het tweede plan en ziet toe.
DE JONGEREN
Rei van jongelingen, zingend naar voren buigend
Wij zijn de sappen, die trekken
Van wortels tot wuivende kruinen.
Wij zijn de tuinders – de tuinen,
De driftige spruitende stekken,
Wij zijn de aders
De bladers –
De boom!
Rei van meisjes, zingend naar voren buigend
Wij zijn de bloemen, die wekken
Wier vleugels den hemel injagen,
Wij, die het doel uwer dagen
Met bloeiende beelden bedekken,
Wij zijn de bruiden
De kruiden –
De droom!
Het kwartet, zingend
Wij vlechten tot vlammende banden
Den bloei, die uw hart overlaadde,
Wij drijven tot stralende daden
Wiens hart onder rozen bleef branden,
Wij zijn de vleugels
De teugels –
De toom!
De paren der beide koren hernemen het laatste couplet, buigen zingend naar elkander toe en vlechten de witte bloesems door de groene takken, waarna de jongelingen de takken overnemen en de jongelingen en meisjes der even paren van plaats verwisselen. Bij het laatste woord heffen zij allen het rozenkoord en den tak triomfeerend omhoog, gelijk eerst het kwartet dat gedaan heeft, waarbij thans alle jongelingen het koord aan hun andere zijde nemen. Het eerste meisje van den achtervleugel leidt nu, nadat de jongelingen en meisjes van den voorsten vleugel zich naar rechts hebben gewend, een rondedans om den heuvel in, waarbij het rozenkoord dus omwisselend tusschen de dansenden heenslingert. Uit den dans vlijen zij zich in een halven kring om den heuvel vóór de kinders. – De man en de vrouw zinken droomerig tot een zittende houding terug, waarbij hij, de rechterhand om haar middel houdend, zich met de linker ter-zijde-achter stut en zij de handen in den schoot vouwt. – Als allen rusten schijnt Mei, die tot daartoe het schouwspel van ter zijde heeft aangezien, in het rechter-zijgewas te verdwijnen. – Te gelijker tijd herneemt de muziek het kindermotief en ontwaken de kinders, die een oogenblik hun kopje opheffen en heen en weer bewegen.
DE KINDERS
zingend
–
Maar waar is
De Mei
De Mei
De Mei –!
De muziek breekt af en de kinders schijnen weer in te slapen.
DE VROUW
't Is of de Mei, zijn glans vergarend,
Ons hart als eene harp bespeelt
En, zelve door de weiden varend,
Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.
DE MAN
't Is of de rei van zomerboden,
Die om ons droomend leger gleed,
Met de ebbe van den nacht gevloden,
In 't wassend dagen wedertreedt.
Zij keeren zich naar Mei, dien zij zien aankomen. De man houdt de linkerhand boven de oogen, zich thans met de rechter van achter steunend, terwijl de vrouw, tegen hem aanbuigend, op de linkerhand leunt en hare rechter in den schoot houdt.
DE MAN en DE VROUW
zingend
En zie –! Mei zelf keert tot ons weder!
Als eene lentezoelte daalt
Hij uit een groene wolk van teeder,
Ternauw geboren loover neder –
Hij heeft het eerste nest gehaald –!
VIJFDE TOONEEL
De man stut zich nu, iets achterover leunend, op den rechterarm, terwijl de vrouw, zich voorover naar den stoet buigend, in zijn schoot glijdt en zich daar overheen op den linkerarm steunt, met het hoofd aan zijn borst rustend. – Uit het gewas op het rechter-voorplan komt, als twee elkaar volgende paren, het kwartet van DE GEHUWDEN, gekleed in losse, om de heup gegorde gewaden van paarse kleur, met bruin geboord en met enkele roode bloemen getooid, de mannen zonder baard. Zij dansen den stoet voor met ieder een schaal vol donkere bloemen in de beide handen. – Dadelijk achter hen komt Mei met drie paren gehuwden, in lichtbruine gewaden, met paars geboord en enkele witte bloemen getooid, de mannen gebaard, die aan groen-omloofde koorden een groot nest spelenderwijze voorttrekken. Mei voorop houdt enkel met de linkerhand het meest rechtsche en langste koord, – de gehuwden hebben om en om, een telkens korter koord, dat zij met de rechterhand op den rechterschouder houden en met den linkerarm achter zich omstrengelen. – Het kwartet schaart zich paarsgewijze vóór den heuvel naast elkaar, doch zoo, dat de middelste vrouw en man iets vóór het uiterste paar staan.
DE GEHUWDEN
Het kwartet, zingend
Wij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,
Van hooger zon,
Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –
Zoo brengen wij u boordevolle schalen
Dier levensbron.
Zij nemen de bloemen van de schalen, die met licht-uitstralende kristallen gevuld zijn, en drukken zich de bloemen als een krans om het hoofd.
Wij zijn 't, die na de wemelende slagen
Van 't morgenuur
Als zegen der doorgloeide levensdagen
Van de'ochtend in den milden middag dragen
Dien schat van vuur.
Zij knielen vóór den heuvel en zetten de schalen neer.
Ons, die het eigen duizendvoudig bouwen
Uit de aarde hief,
Ons zijn de zonnetrillende landouwen,
Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwen
Van 't leven lief!
Bij den tweeden regel van het laatste couplet rijzen zij weer op, waarna zij bij de dan volgende regels de armen wijd uiteenslaan, om ze bij de laatste woorden vóór zich te vouwen. – Het laatste couplet wordt dan door de andere paren als koor herhaald, waarna het kwartet zich achter de schalen en dichter bij den heuvel schaart, en Mei tusschen het kwartet en het koor naar voren treedt, terwijl hij aan de naast hem staande vrouw zijn koord overgeeft.
MEI
sprekend
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Duiken, schuilen zachte nesten,
Wuiven nesten heen en weder,
Wuiven, wuiven zij hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over wuivend verre weiden,
In de zee van wind en luchten,
Stijgen, duiken vlugge vogels,
Duiken, duiken zij ter neder,
Brengen voedsel voor hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over waters, over weiden,
Door de nevelverre luchten,
Varen stadig vluchten vogels,
Vaart hun, vaart hun zacht geveder
Naar het wachtend, wazig teeder
Einde tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Daalt het, daalt het zacht geveder,
Daalt het uit de nesten neder,
Daalt ter wereld al het teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
ZESDE TOONEEL
Terwijl Mei bij de laatste woorden van het laatste couplet het eerste koord weer ter hand neemt, rijzen uit het nest de ZEVEN DEUGDEN en zetten zich op den rand; – daarbij spreiden de zes gehuwden, ieder meer naar voren tredend, de koorden straalsgewijze uit (zoodat Mei blijft staan en de voorste man op het voorste plan komt). – Een algemeene en plotselinge beweging naar het nest ontwikkelt zich met de muziek: – het kwartet snelt er heen en knielt vóór den eersten straal (tusschen Mei en de eerste vrouw); de man en de vrouw rijzen op en willen, de vrouw vooraan, den heuvel afdalen, waarna zij aarzelt en omziende den man bij de hand vat; de kinders ontwaken, loopen onstuimig, tusschen de nog neerliggende jongeren, over het rozenkoord en blijven iets achter het kwartet in een halven kring vóór het nest geknield, waarbij zij hun hoofdje en vooruitgestrekte armpjes op de muziek (kindermotief) heen en weer bewegen; de jongelingen en meisjes rijzen dan op hunne beurt en dringen, met het rozenkoord omhoog geheven, voorbij en over de geknielde kinders, tot vóór het nest, doch nog achter het kwartet, waar ook zij knielen. – Dan begint (alles in ritmisch verband met de muziek) de teruggaande beweging even plotseling: – de jongeren laten de armen zakken, rijzen op en, zich omwendend, schijnen zij de lachende kinders met hun rozenkoord in een vaart mede te trekken naar den heuvel, waar alles zich in den vorigen stand herstelt; de man en de vrouw, van wie de laatste den eerste, zijn hand met haar beide handen omvattende, bij het achterwaarts wijken is voorgegaan, zinken evenzoo terug, waarbij thans de man, op den rechterarm over den schoot van de vrouw geleund en de linkerarm achter-naast zich neerhangend, met het hoofd tegen haar borst rust, en de vrouw zich zittende op de beide achterwaartsche armen stut. – Uit de dartel teruggaande beweging groeit een zachter muziek, waarbij het kwartet, dat mede was opgerezen en weifelend was blijven staan, aanvangt te dansen, telkens tusschen de open stralen een der deugden naderend en weer wijkende.
DANS
Begonnen bij de voorste deugd (dus vóór het buitenste koord), eindigen zij tusschen de koorden van Mei en de eerste vrouw, waar thans de beide paren, het eene met de hand op elkanders schouders, het andere knielende op een knie, een trede vormen voor de deugd, die, zich op den rand van het nest wendende, daarvan neerdaalt en tot vóór de vier schalen naar den heuvel schrijdt. – Het kwartet volgt de deugd tot buiten de koorden, terwijl de eerste vrouw, tot dan naar Mei gekeerd, zich omwendt naar den eersten man. – Nadat de deugd gesproken heeft, haalt het kwartet evenzoo de volgende af, waarna de eerste vrouw haar koord aan Mei overgeeft, de deugd met het kwartet een stap volgt, en op het tweede plan achter Mei gaat staan, die een stap naar voren komt. Zoo vervolgende staat Mei ten slotte met de zeven omloofde koorden in de handen op het voorplan en de groep van zes gehuwden op het tweede plan. –
De zeven deugden zijn in zeer licht blauw lang en los gewaad, waaronder bloote voeten, met elk een garf bloemen als zinnebeeld, hetwelk zich in den haartooi sober herhalen kan. – Nadat de eerste deugd gesproken heeft, neemt zij haar garf in den rechterarm en blijft rechts naast de achterste schaal staan; nadat de tweede gesproken heeft, neemt deze haar garf in den linkerarm, – beiden vatten dan de lichtende schaal op en treden naar links.
GEESTDRIFT
met een garf hoog opstaande roode papavers
Ik ben de geestdrift, die naar wijde
Einders van verre vrijheid drijft,
Die 't stormend hart bestookt tot strijden
Voor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.
BEZONNENHEID
met een bundel korenhalmen, waarvan afhangen roze en witte heggewinden
Ik ben bezonnenheid, die daden
En woorden weegt in 't vroom verstand,
En uit haar hemel zacht-beraden
Hen neerschrijft in een klaar verband.
IJVER
met een plok gras vol paardenbloemen
Ik ben de ijver, ben het streven.
Dat woelend door de dagen knaagt,
Dat naarstig door het jagend leven
Een dichte vracht van plichten draagt.
GEDULD
met witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen neerhangen
Ik ben geduld, dat leerde beiden,
En in een kolk van stil gedacht,
Ternauw bewogen door het lijden,
Aan de'oever van het leven wacht.
KENNIS
met omhoog staande zonnebloemen
Ik ben de kennis, die door 't duister
Heelal haar stralen openspreidt,
Tot zij bij 't licht van de'eigen luister
Der wereld luister onderscheidt.
SCHOONHEID
met een garf neerhangende groote roode rozen
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgend
Al 't hemellicht weer samenbindt
En, in een glimlach nederzijgend,
't Geluk op aarde wedervindt.
LIEFDE
met een grooten bloeienden rozerooden meidoorntak
Ik ben de liefde – in mij ademt
Wat ik ten doop aan 't leven hield, –
Ik ben het, die het al omvademt –
Ik ben het, die het al bezielt!
Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.