Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «De Drie Musketiers dl. I en II»

Yazı tipi:

DE DRIE MUSKETIERS.
I

VOORREDE,

waaruit blijkt, dat ondanks hun namen, die in OS en IS eindigen, de helden der geschiedenis, welke wij de eer zullen hebben onzen lezers te verhalen, volstrekt niet van Griekschen oorsprong zijn.

Ongeveer een jaar geleden, in de Koninklijke Bibliotheek eenige nazoekingen doende voor mijn geschiedenis van Lodewijk XIV, kwamen mij toevallig de Gedenkschriften van den Heer d’Artagnan in handen, welk werk – zooals de meeste van dien tijd, toen de schrijvers, wilden zij aan de waarheid getrouw blijven, voor een langer of korter verblijf in de Bastille te vreezen hadden – te Amsterdam bij Pierre Rouge gedrukt was. De titel bekoorde mij; ik nam daarom het boek mede naar huis; wel te verstaan, na hiertoe het verlof van den bewaker verkregen te hebben; en ik doorbladerde het gretig. – Het is mijn voornemen niet, dit merkwaardig werk in deze bladen te ontwikkelen, en ik bepaal mij dus alleen, diegenen mijner lezers er naar te verwijzen, welke geschiedkundige tafereelen op hun waarde schatten. Dezen zullen er verschillende, meesterlijk geschetste portretten in aantreffen, en, hoezeer die omtrekken zich vaak op deuren van kazernen en muren van kroegen vertoonen, zijn zij even goed gelijkend, als in de geschiedenis van den heer Anquetil de portretten van Lodewijk XIII, van Anna van Oostenrijk, van Richelieu, van Mazarin en van de meeste hofpersonages van dat tijdvak te herkennen zijn. Maar men weet, dat niet altijd datgene, wat den geest des dichters ontvlamt, op het grootste gedeelte der lezers eenigen indruk maakt. Derhalve, hoezeer vol bewondering voor de bijzonderheden, van welke wij spraken, die anderen ongetwijfeld ook zullen bewonderen, is datgene, wat ons thans het meest bezighoudt, iets waarop zeker niemand voor ons zijn aandacht heeft gevestigd. – D’Artagnan verhaalt, dat, toen hij voor het eerst den heer de Tréville, kapitein der musketiers des konings bezocht, hij in zijn voorkamer drie jongelieden ontmoette, die bij het vermaard korps stonden, waarin hij verzocht te worden ingelijfd; zij heetten: Athos, Porthos en Aramis. —Wij bekennen, dat deze drie vreemde namen onze nieuwsgierigheid wekten; wij vermeenden die slechts voor bijnamen te mogen houden, onder welke d’Artagnan misschien zeer voorname personages heeft willen aanduiden; althans, indien zij, die deze geleende namen droegen, die niet zelven hadden aangenomen op een oogenblik, dat zij, tengevolge eener gril, uit ontevredenheid of gebrek aan een toereikend vermogen, het eenvoudige musketiersbuis aannamen.

Wij gunden ons van dat oogenblik geen rust meer, totdat wij eindelijk in de werken van dien tijd eenig spoor dier zeldzame, onze nieuwsgierigheid zoo prikkelende namen vonden. Alleen de cataloog der boeken, dien wij doorbladerden, om dat doel te bereiken, zou een lijvig boekdeel beslaan; iets wel is waar zeer leerzaams, doch zeker niet vermakelijk voor de meesten onzer lezers. Wij bepalen ons dus te zeggen, dat, toen wij geheel ontmoedigd over onze vruchtelooze nasporingen, er van wilden afzien, wij eindelijk, door den goeden raad van onzen beroemden en geleerden vriend Paulin Paris voorgelicht, een handschrift in folio vonden, onder nummer 4772 of 4773 – nauwkeurig herinneren wij ons dat niet meer – dat tot titel had:

Gedenkschriften van den graaf de la Fère, nopens eenige gebeurtenissen, die in Frankrijk tegen het einde der regeering van Lodewijk XIII en het begin der regeering van Lodewijk XIV voorgevallen zijn. —Men verbeelde zich onze blijdschap, toen wij dat handschrift, onze laatste hoop, doorzochten en op de twintigste bladzijde den naam van Athos, op de zeven en twintigste den naam van Porthos, en op de een en dertigste dien van Aramis vonden.

De ontdekking van een geheel onbekend handschrift in dezen tijd, nu de geschiedkunde tot een zoo hoogen trap van volmaaktheid is gebracht, scheen ons een mirakuleuze vondst. Ook haastten wij ons de vergunning te vragen, het in druk uit te geven, met het doel ons den een of anderen dag, met het werk van een ander, aan de akademie van letterkunde voor te stellen, indien, hetgeen zeer waarschijnlijk is, met ons eigen werk de Fransche Akademie voor ons gesloten bleef.

Dat verlof, wij moeten het bekennen, werd ons goedgunstig verleend, en hiervan maken wij gewag, om de kwalijkgezinden openlijk te logenstraffen, die voorgeven, dat wij onder een Gouvernement leven, dat ten aanzien van letterkundigen niet zeer welgezind zou zijn.

Van dit belangrijke Manuscript bieden wij thans onzen lezers het eerste gedeelte aan, het den titel gevende, die er aan toekomt, terwijl wij ons verbinden, ingeval dit gedeelte – waaraan wij niet twijfelen – de verdiende bijval te beurt valt, onmiddellijk het tweede uit te geven. Intusschen verzoeken wij onzen lezers, dewijl de peet een tweede vader is, ons er van te beschuldigen, en niet den graaf de la Fère, indien zij vermaak of verveling ondervinden. Dit overeengekomen zijnde, gaan wij tot onze geschiedenis over.

EERSTE DEEL

HOOFDSTUK I.
De drie geschenken van mijnheer d’Artagnan den vader

Op den eersten Maandag der maand April 1625 scheen de kleine stad Meung, waar de schrijver van den Roman de la Rose het eerste levenslicht aanschouwde, in volkomen opstand, en wel derwijze, alsof de Hugenooten er zooals te La Rochelle huis hielden. Een aantal burgers, die hun vrouwen de hoofdstraat vluchtend zagen over ijlen, terwijl de kinderen voor de deuren schreeuwden, haastten zich hun pantser aan te doen en trachtten aan hun tamelijk vreesachtige houding door een vuurroer of een spies iets meer ontzagwekkends te geven. Zij richtten hun schreden naar de herberg de Trouwe Molenaar, voor welke een hoe langer hoe dichter wordende, onstuimige, nieuwsgierige volkshoop zich verdrong. In dien tijd waren plotselinge schrikken aan de orde van den dag, en er verliepen maar weinige dagen, zonder dat de een of andere stad in haar archieven een voorval van dien aard had aan te teekenen. Immers, de edelen voerden toen krijg onderling, de koning tegen den kardinaal, en de Spanjaarden tegen den koning. Vervolgens waren er nog, behalve deze onbekende verholene of openbare strijdvoerders, dieven, bedelaars, Hugenooten, wolven en lakeien, die tegen geheel de wereld krijg voerden. De burgers wapenden zich altijd tegen de dieven, tegen de wolven en tegen de lakeien; ook vaak tegen den adel en de Hugenooten, bijwijlen zelfs tegen den koning; doch nooit tegen den kardinaal of tegen den Spanjaard. Het gevolg dezer aangenomen gewoonte was, dat op gezegden eersten Maandag der maand April 1625, de burgers eenige opschudding vernemende, zonder nochtans den gelen of rooden standaard of de kleuren van den hertog de Richelieu te zien, in allerijl naar de herberg de Trouwe Molenaar stormden.

Daar gekomen konden allen de oorzaak van dat rumoer zien en onderscheiden. Een jongeling… doch schetsen wij vooraf vluchtig zijn portret: Verbeeld u Don Quichotte zonder pantser of dijharnas; Don Quichotte in een wollen buis, welks vroeger blauwe kleur nu was overgegaan tot een onbegrijpelijke wijnmoerstint met hemelsblauwen gloed. Zijn langwerpig bruin gelaat en zijn vooruitstekende wangbeenderen duidden slimheid aan, terwijl de uitstekende kaakbeenderen het onfeilbaar teeken van zijn Gaskonjischen oorsprong waren, dien men in hem herkend zou hebben, zelfs bij gemis aan de Baskische muts, welk rond en plat hoofddeksel, versierd met iets naar een pluim gelijkende, onze jongeling op het hoofd had; zijn blik was vrij en geestig, zijn gebogen neus welgevormd; te groot voor een knaap, te klein voor een volwassen jongeling, zou een min geoefend oog hem voor een op reis zijnden pachterszoon hebben aangezien, zonder den langen degen, die aan een lederen bandelier hangende, tegen de beenen van den eigenaar slingerde, wanneer deze te voet ging, en het ruwe haar van zijn hit wreef, als hij te paard zat. Want onze jongeling bezat een paard, en wel een zoo merkwaardig, dat het door iedereen werd opgemerkt. Het was een Bearneesche hit, twaalf of veertien jaar oud, geelkleurig van huid, met uitgevallen staart; maar daarentegen voorzien van harde pootgezwellen. Het beestje liet den kop lager dan de knieën hangen, ’t geen het gebruik van den springteugel onnoodig maakte, doch legde echter nog vlug acht uren daags af. Ongelukkig waren de deugden van het paard zoo diep onder zijn zonderlinge huid en onbehouwen gestalte verborgen, dat, in dien tijd, toen iedereen kennis van paarden had, de verschijning van gezegden hit te Meung, waar hij ongeveer een kwartier geleden door de poort van Beaugency was binnengekomen, een indruk deed ontstaan, welks ongunstigheid op den ruiter neerkwam. En dit was den jongen d’Artagnan (dus heette die Don Quichotte op dat evenbeeld van Rossinante) te smartelijker, daar hij niet blind was voor het belachelijk figuur, hetwelk hij op dien hit maakte, hoe goed ruiter ook overigens zijnde. Hij had dan ook een diepen zucht geslaakt bij het aannemen van het geschenk, dat zijn vader, de oude heer d’Artagnan, hem er van deed, daar het hem niet onbekend was, dat zoodanige knol niet veel meer dan een twintigtal franken zou waard zijn. Het is waar dat de woorden, die het geschenk vergezelden, onbetaalbaar waren.

„Mijn zoon!” had de Gaskonjische edelman in die echt Bearneesche basterdtaal gezegd, van welke Hendrik IV zich nimmer heeft kunnen ontdoen: „Mijn zoon! dat paard is in de stallen uws vaders geboren, het zal nu bijkans dertien jaar geleden zijn; al dien tijd is het hier geweest, hetgeen voor u een reden moet zijn, het goed te behandelen. Verkoop het nooit, laat het vreedzaam en in eere van ouderdom sterven, en indien gij met het dier te velde trekt, spaar het dan, zooals gij een ouden dienaar zoudt sparen. Aan het hof,” vervolgde de oude heer d’Artagnan, „indien gij althans de eer geniet daar te verschijnen; een eer trouwens, op welke uw oude adel u recht geeft, verdedig daar waardiglijk uw naam van edelman – door uw voorouders gedurende meer dan vijfhonderd jaren met roem gedragen – zoowel voor u, als voor de uwen. Onder de uwen versta ik uw bloedverwanten en uw vrienden; onderwerp u alleen aan den kardinaal en aan den koning. Het is door moed, versta mij wel, alleen door moed, dat een edelman tegenwoordig fortuin kan maken. Wie slechts een seconde beeft, laat misschien de gelegenheid ontglippen, die hem de fortuin juist in dat korte oogenblik aanbood. Gij zijt jong, en gij moet, en wel om twee redenen, moedig zijn: de eerste, omdat gij een Gaskonjer, en de tweede, dewijl gij mijn zoon zijt. Laat geen gelegenheid om uit te munten voorbijgaan, maar zoek avonturen. Ik heb u geleerd den degen te behandelen; gij hebt ijzeren, onwrikbare beenen, een stalen vuist; vecht dus bij elke gelegenheid; te meer, daar de tweegevechten verboden zijn, en gij bijgevolg dubbel moedig moet zijn, om tot vechten over te gaan. Ik kan u niets meer geven, mijn zoon! dan vijftien kronen, mijn paard en de raadgevingen, die gij gehoord hebt. Uw moeder zal hierbij het voorschrift van zekeren balsem voegen, dien zij van een heidin ontvangen heeft, en die een wonderdadige geneeskracht heeft ter heling van elke wond, welke het hart niet heeft gekwetst. Doe met dit alles uw voordeel en leef lang en gelukkig. – Nog slechts één woord heb ik hierbij te voegen, het betreft een voorbeeld, dat ik u stellen wil: niet mij zelven, want ik ben nooit aan het hof geweest, ik heb slechts de godsdienst-oorlogen als vrijwilliger medegemaakt; maar ik bedoel den heer de Tréville, vroeger mijn gebuur, en die het geluk heeft genoten, nog kind zijnde, met onzen koning Lodewijk XIII (dien God behoede) te spelen. Somtijds ontaardden hun spelen in vechtpartijen en de koning was niet altijd de sterkste. De klappen, die hij opliep, deden bij hem voor den heer de Tréville veel achting en vriendschap ontstaan. Later vocht de heer de Tréville vijf malen tegen anderen, bij den eersten keer, dat hij te Parijs kwam; sedert den dood van wijlen den koning, tot aan de meerderjarigheid van zijn opvolger, vocht hij zeven malen, zonder daarbij oorlogen en belegeringen te rekenen; en sedert die meerderjarigheid, tot op heden, misschien honderd malen! En daarom is hij ook thans, in weerwil der ordonnantiën en besluiten, kapitein der musketiers, dat is te zeggen, de bevelvoerder van een legioen Cesars, die de koning hoogschat, en die door Zijne Eminentie den kardinaal gevreesd worden, door hem, die voor zeer weinig bevreesd is, zooals iedereen weet. Daarenboven heeft de heer de Tréville een jaarlijksch inkomen van tien duizend kronen; hij is dus een zeer groot heer. – Hij is begonnen, zooals gij; ga hem met dezen brief bezoeken en richt u naar hem, ten einde naar zijn voorbeeld te handelen.” – En na deze woorden gordde de oude heer zijn zoon zijn eigen degen om, omhelsde en kuste hem teederlijk op beide wangen en gaf hem zijn zegen.

Het vertrek zijns vaders verlatend, begaf de jongeling zich tot zijn moeder, die hem wachtte met het geneeskrachtige voorschrift, waarvan de raadgevingen, die wij mededeelden, een tamelijk veelvuldig gebruik noodzakelijk maakten. Dit afscheid was van langen duur en teederder dan het vorige; niet omdat de heer d’Artagnan zijn zoon, zijn eenig kind, niet beminde, maar omdat de heer d’Artagnan een man was, en het voor een man onwaardig achtte, zich door zijn aandoeningen te laten vervoeren, terwijl mevrouw d’Artagnan een vrouw, en wat meer zegt, moeder was. Zij stortte heete tranen, en, zeggen wij het tot lof van den jongen d’Artagnan, ondanks de pogingen, die hij aanwendde om kordaat te blijven, zooals het een toekomstigen musketier betaamde, had de natuur de overhand, en hij stortte een vloed van tranen, van welke het hem nauwelijks gelukte de helft te bedwingen.

Nog dienzelfden dag ging de jongeling op reis, voorzien van de drie vaderlijke geschenken, welke, zooals wij zeiden, in vijftien kronen, het paard en den brief voor den heer de Tréville bestonden; zooals men wel kan denken, waren de raadgevingen op den koop toe gegeven. Met een dergelijk vade mecum was d’Artagnan, zoowel zedelijk als lichamelijk, een volmaakte nabootsing van den held van Cervantes, met wien wij hem zoo eigenaardig vergeleken, toen onze plicht als geschiedschrijver ons dwong zijn afbeeldsel te schetsen. Don Quichotte zag windmolens voor reuzen aan, en schapen voor een leger; d’Artagnan beschouwde elken grimlach als een beleediging, en elken blik als een uitdaging. Hiervan was het gevolg, dat hij, van Tarbes tot aan Meung, steeds de vuisten gebald hield, en hij, door elkander gerekend, tienmaal op een dag de hand aan het gevest van zijn degen sloeg; intusschen kwam de vuist op niet een enkel bakhuis neer, en de degen verliet zijn scheede niet. Dit kon die ongelukkige, gele hit, die op de gezichten van een aantal voorbijgangers een grimlach deed ontluiken, niet helpen, maar omdat op diens rug een duchtig lange degen kletterde, en boven dien degen een meer wreedaardig dan trotsch oog blonk, onderdrukten de voorbijgangers hun lachlust, of, wanneer de lachlust hun de voorzichtigheid uit het oog deed verliezen, trachtten zij echter slechts van een kant te lachen, zooals de maskers der ouden – d’Artagnan bleef dus majestueus en ongedeerd in zijn lichtgeraaktheid tot aan de rampzalige stad Meung. Want daar, op het oogenblik dat hij voor de deur van de herberg de Trouwe Molenaar afsteeg, zonder dat iemand, kastelein, knecht of staljongen hem bij het afstijgen de behulpzame hand kwam bieden, bespeurde d’Artagnan voor een half openstaand venster der benedenkamer een edelman van een fraaie gestalte en deftige houding, maar met een eenigszins barsch gezicht, in gesprek met twee personen, welke naar hem met buitengewone beleefdheid schenen te luisteren. D’Artagnan geloofde natuurlijk, volgens zijn gewoonte, dat hij het onderwerp des gespreks was en luisterde. Nu had d’Artagnan zich slechts ten halve vergist: Over hem werd niet gesproken, maar wel over zijn paard, van hetwelk de edelman aan zijn hoorders al de hoedanigheden opsomde, en daar, zooals ik zeide, die hoorders uiterst beleefd jegens den verhaler schenen, barstten zij elk oogenblik in een luid gelach uit. En dewijl reeds een flauwe glimlach voldoende was, om den toorn des jongelings op te wekken, kan men begrijpen, welke uitwerking dit hard, onophoudelijk lachen op hem had.

Intusschen wilde d’Artagnan eerst het gelaat van dien onbeschofte, die hem bespotte, eens opnemen. Hij wierp een trotschen blik op den vreemdeling en ontwaarde in hem een man van veertig tot vijf en veertig jaar, met zwarte, doordringende oogen, bleeke kleur, sterk geteekenden neus en zwarten, fraaien knevel; hij had een violetkleurig buis en broek aan, met rijgsnoeren van dezelfde kleur, zonder ander versiersel dan de gewone spleten, door welke het hemd uitkwam. Die broek en dat buis, hoewel nieuw, schenen gekreukt te zijn, gelijk kleederen, die een geruimen tijd in een valies zijn gepakt geweest. D’Artagnan bezag dit alles met de snelheid van een opmerker, en waarschijnlijk met een innerlijk gevoel, hetwelk hem zeide, dat die man op zijn toekomstig leven een grooten invloed zou uitoefenen. En terwijl d’Artagnan zijn blik op den edelman met het violetkleurig buis vestigde, gaf deze op dat oogenblik een zeer wijsgeerige en diepzinnige verklaring over den Bearneeschen hit, die door zijn toehoorders met een luid geschater werd beantwoord; ook op zijn gelaat kon men duidelijk, tegen zijn gewoonte, een bleeken glimlach zien zweven, indien men het zoo kan uitdrukken. Geen twijfel meer, d’Artagnan was werkelijk beleedigd; hiervan volkomen overtuigd, drukte hij zijn muts diep over de oogen, en de hoofsche manieren trachtende na te bootsen, die hij nu en dan in Gaskonje bij op reis zijnde edellieden had opgemerkt, sloeg hij de hand aan de greep van zijn degen, terwijl hij de andere op zijn heup liet rusten. Ongelukkiglijk werd hij, hoe meer hij naderde, door woede verblind, en in plaats van de deftige en fiere toespraak, die hij had voorbereid, om zijn uitdaging uit te drukken, vond hij niets anders op zijn lippen dan een persoonlijke onbeschoftheid, die hij met een woedend gebaar deed vergezeld gaan.

„Wel, mijnheer!” riep hij, „mijnheer! die zich achter dat vensterluik verschuilt! ja, gij! zeg mij toch eens, waarom gij zóó lacht, en wij zullen samen lachen!” – De edelman wendde langzaam zijn oogen van het paard af en sloeg die op den ruiter, alsof hij eenigen tijd noodig had om te begrijpen, dat tot hem die zonderlinge woorden gericht werden. Vervolgens, toen hem niet de minste twijfel overbleef, fronste hij een weinig zijn wenkbrauwen; en na een tamelijk lang zwijgen, antwoordde hij op een onbeschrijfelijk spottenden en beleedigenden toon:

„Ik spreek niet tot u, mijnheer.” – „Maar ik spreek tot u! ik!” riep de jongeling buiten zich zelven door dat mengsel van onbeschaamdheid en goede manieren, van welvoegelijkheid en minachting. – De onbekende beschouwde hem nog een oogenblik met een fijnen glimlach, verwijderde zich van het venster en kwam langzaam uit de herberg, om op twee schreden afstand van d’Artagnan voor het paard te gaan staan. Zijn geruste houding, zijn spottend gelaat, verdubbelden den lachlust van hen, met wie hij in gesprek was, maar die voor het venster bleven staan. – D’Artagnan, hem ziende naderen, trok zijn degen een voet uit de scheede. – „Dat paard is onweersprekelijk, of liever is in zijn jeugd van een goud-gele kleur geweest,” hernam de vreemdeling, zijn aangevangene beschouwingen voortzettende en zich tot zijn gezelschap aan het venster wendende, zonder den schijn te hebben in het minst de gramschap van d’Artagnan te bemerken, die zich echter oprichtte. „Dat is een, in de plantenkunde zeer bekende, maar tot hiertoe bij paarden zeer zeldzame kleur.” – „Die met het paard den draak steekt, zal zich hiervan jegens den meester wel onthouden!” riep de toekomstige navolger van Tréville in woede ontstoken. – „Ik lach niet dikwijls, mijnheer!” zeide de onbekende, „zooals gij het kunt zien aan de uitdrukking van mijn gelaat; maar ik wilde toch gaarne het voorrecht, te lachen wanneer mij zulks behaagt, behouden.” – „En ik,” riep d’Artagnan, „wil niet, dat men lacht, wanneer mij zulks mishaagt.” – „Waarlijk, mijnheer!” vervolgde de vreemdeling, met de grootste bedaardheid, „wel, hierin hebt gij gelijk.” En zich op de hielen omdraaiende, maakte hij zich gereed, de herberg door de groote deur binnen te gaan, vóór welke d’Artagnan, toen hij aankwam, een gezadeld paard had zien staan. Maar d’Artagnan’s aard was niet, om zoo gemakkelijk iemand los te laten, die de onbeschoftheid had gehad, den spot met hem te drijven. Hij trok zijn degen geheel uit de scheede en volgde hem, uitroepende: „Keerom! keerom toch mijnheer de spotvogel! opdat ik u niet van achter treffe.” – „Mij treffen!” zeide de andere, wederom op zijn hielen een draai makende en den jongeling met even veel verwondering als verachting beschouwende. – „Och, ga! mijn lieve jongen! gij zijt gek!” – En toen binnensmonds, alsof hij zich zelven toesprak: „Hoe jammer! wat een vondst voor Zijne Majesteit, die overal dapperen zoekt, om er zijn musketiers van te maken.”

Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of d’Artagnan deed een zoo hevigen uitval, dat, bijaldien de edelman niet haastig ware achteruitgesprongen, hij waarschijnlijk voor het laatst geschertst zou hebben. – De onbekende, toen bemerkende dat dit wat meer was dan scherts, trok zijn degen, groette zijn aanvaller en stelde zich in tegenweer. Maar tegelijkertijd vielen zijn beide hoorders, vergezeld van den kastelein, op d’Artagnan aan en overlaadden hem met een hagelbui van stok-, schop- en tangslagen. Dit maakte een zoo plotselingen en volkomen ommekeer in den aanval, dat de vijand van d’Artagnan, terwijl deze laatste zich omwendde, om zich tegen die hagelbui van slagen te verweren, met denzelfden ernst zijn degen opstak en, van deelnemer in het gevecht, aanschouwer werd; een rol, waarvan hij zich met zijn gewone koelheid kweet, terwijl hij echter binnensmonds prevelde: „De duivel hale die Gaskonjers! – Zet hem op zijn oranjekleurig paard en laat hem loopen.” – „Niet alvorens u het leven te hebben ontnomen, lafaard!” riep d’Artagnan, terwijl hij, zoo goed hij kon, en zonder een schrede achteruit te wijken, zich tegen zijn drie vijanden verweerde, die hem plat sloegen. – „Wederom een Gaskonjische bluf,” mompelde de edelman. „Op mijn woord, die Gaskonjers zijn onverbeterlijk! Zet den dans dan maar voort, indien hij het verkiest. Moede geworden, zal hij wel zeggen, dat hij er genoeg van heeft.”

Maar de vreemdeling kende den koppigen aard nog niet van hem, met wien hij te doen had; d’Artagnan was de man niet, om zich ooit over te geven. Het gevecht bleef nog eenige seconden aanhouden; maar eindelijk liet d’Artagnan, wiens krachten waren uitgeput, zijn degen, door een stok in twee stukken geslagen, uit zijn hand vallen. Een andere slag, die op zijn hoofd neerkwam, wierp hem tegelijkertijd, geheel bebloed en bijna bewusteloos, ter aarde. Het was op dat oogenblik, dat men van alle kanten op het tooneel des gevechts kwam toesnellen. De kastelein, voor schandaal bevreesd, droeg, geholpen door zijn knechts, den gekwetste in de keuken, waar men hem eenige hulp bewees. – Wat den edelman betreft, deze had wederom zijn plaats voor het venster ingenomen en beschouwde met ontevredenheid de bijeengeschoolde menigte, welke, daar zij zich niet verwijderde, hem geweldig scheen te hinderen.

„Wel! hoe gaat het met dien dolleman?” hernam hij, op het gerucht der opengaande deur zich omwendende tot den kastelein, die naar zijn welstand kwam vragen. – „Uwe Excellentie is immers ongedeerd en wel?” vroeg de kastelein. – „Ja, volkomen wel, waarde kastelein, maar ik vraag u, hoe het met den jongeling gaat?” – „Hij is beter,” antwoordde de kastelein, „hij was geheel buiten kennis geraakt.” – „Waarlijk?” hernam de edelman… – „Maar alvorens buiten kennis te raken, heeft hij al zijn krachten verzameld, om u te roepen en u uit te dagen…” – „Maar het is dan de vleeschelijke duivel, die snaak?” riep de onbekende. – „Och neen, Uwe Excellentie! het is de duivel niet,” zeide de waard, minachtend den neus optrekkende, „want toen hij buiten kennis was, hebben wij zijn zakken onderzocht; hij heeft niets anders in zijn pakje dan één hemd en in zijn beurs slechts twaalf kronen, hetgeen hem niet belet heeft te zeggen, toen hij in zwijm viel, dat indien hem iets dergelijks te Parijs ware overkomen, u dit dadelijk zou zijn opgebroken, hetgeen nu slechts later zal gebeuren.” – „Dan,” zeide de onbekende koel weg, „is het de een of ander vermomde prins van den bloede.” – „Ik zeg u dat, Uwe Excellentie!” hernam de kastelein, „ten einde gij op uw hoede zoudt zijn…” – „En heeft hij in zijn woede niemand genoemd?” – „Ja, hij sloeg op zijn zak en zeide: Wij zullen zien, wat de heer de Tréville van die behandeling, zijn gunsteling aangedaan, zeggen zal.” – „De heer de Tréville?” zeide de onbekende, meer aandachtig wordende: „hij sloeg op zijn zak, den naam van den heer de Tréville noemende? Laat eens hooren, mijn goede kastelein! terwijl uw jongeling buiten kennis was, zult gij zeker ook wel eens diens reiszak hebben nagezien. Wat was er in?” – „Een brief voor den heer de Tréville, kapitein der musketiers.” – „Inderdaad?” – „Zooals ik de eer heb u te zeggen, Excellentie!”

De waard, met niet veel doorzicht begaafd, bespeurde de uitdrukking niet, welke deze woorden aan de gelaatstrekken van den onbekende mededeelden. Deze verliet het venster, tegen welks kozijn hij steeds met den elleboog geleund stond, en als iemand die onrustig is, rimpelde zich zijn voorhoofd. – „Duivelsch!” mompelde hij, „zou Tréville dien Gaskonjer op mij hebben afgezonden? Hij is nog zeer jong! maar een degensteek is daarom niet minder een degensteek, hoe jong hij ook zijn moge, die hem toebrengt, en men hoedt zich minder voor een knaap dan voor een man; een kleine hinderpaal is soms voldoende om een groot doel te doen mislukken.” – En de onbekende verviel in een overpeinzing, die eenige minuten bleef aanhouden.

„Luister eens, kastelein! kunt gij mij van dien razende niet ontslaan? Ik wil zijn dood niet op mijn geweten hebben, en echter,” voegde hij er bij met een uitdrukking van koele bedreiging, „echter hindert hij mij. Waar is hij?” – „In de kamer mijner vrouw, op de eerste verdieping, waar men hem verbindt.” – „Heeft hij kleederen en reiszak bij zich? Heeft hij zijn buis nog aan?” – „Neen, dit alles is beneden in de keuken. Maar dewijl die jonge gek u hindert…” – „Wel zeker, hij verwekt immers in uw herberg een verwarring, die fatsoenlijke lieden niet kunnen verdragen. Ga mijn rekening opmaken en roep mijn lakei.” – „Wat, gaat mijnheer ons reeds verlaten?” – „Gij wist dit immers, daar ik u bevel heb gegeven, mijn paard te zadelen. Heeft men mij niet gehoorzaamd?” – „Wel zeker, en zooals Uwe Excellentie heeft kunnen zien, staat haar paard geheel gereed voor de groote poort, om te vertrekken.” – „Dan is het goed, doe nu wat ik u heb gelast.” – „Ai!” zeide de kastelein bij zich zelven, „zou hij voor dien kleinen jongen bang zijn?” – Maar een gebiedende blik van den onbekende deed hem zwijgen; en hij vertrok, nederig buigende.

„Het is volstrekt noodzakelijk, dat milady1) door dien knaap niet wordt gezien,” ging de vreemdeling voort; „zij zal spoedig hier voorbijkomen; zij had er reeds moeten zijn. Het zal waarschijnlijk het best zijn, dat ik te paard stijg en haar tegemoet rijd. Indien ik maar kon weten, wat die brief aan den heer Tréville behelst.” – En de vreemdeling, aldus mompelend, begaf zich naar de keuken. Onderwijl was de kastelein, die volstrekt niet vermoedde, dat het de tegenwoordigheid des jongelings was, die den vreemdeling uit zijn herberg joeg, naar boven bij zijn vrouw gegaan, en had d’Artagnan volkomen in het bezit zijner geestvermogens gevonden. Toen, terwijl hij hem deed begrijpen, dat de politie zijn twistzoeken met een edelman wel eens slecht zou kunnen opnemen, want naar de meening van den kastelein kon de vreemdeling niets anders dan een edelman zijn, noopte hij hem, ondanks zijn zwakheid, op te staan en zijn weg te vervolgen.

D’Artagnan, ten halve buiten kennis, stond dan op zonder buis aan en zijn hoofd met zwachtels bedekt, en door den kastelein voortgeduwd, begon hij de trap af te klimmen; maar in de keuken gekomen, was het eerste wat hij op straat ontwaarde zijn vijand, die gerust stond te praten voor het portier van een onhebbelijke koets, bespannen met twee zware Normandische paarden. De vrouw tot wie hij sprak, en wier hoofd zich in het geopend venster van het portier vertoonde, was twintig of twee en twintig jaar oud. – Wij hebben reeds gezegd, met welken bliksemsnel onderzoekenden oogopslag d’Artagnan al de trekken van een gelaat wist op te nemen, hij bemerkte dus dadelijk, dat de dame jong en schoon was. En die schoonheid trof hem te meer, daar zij geheel vreemd was aan een bewoner van zuidelijke streken, zooals d’Artagnan, die voor het eerst zijn land verlaat. Zij was een blondine, met lange lokken, die haar op de schouders vielen, groote, kwijnende blauwe oogen, rooskleurige lippen en albastwitte handen, en hield een zeer levendig gesprek met den vreemdeling.

„Dus Zijne Eminentie beveelt mij…?” vroeg de dame. – „Oogenblikkelijk naar Engeland terug te keeren, en het hem onmiddellijk te berichten, wanneer de hertog Londen mocht verlaten.” – „En de overige bevelen, waarnaar ik zal moeten handelen?” vroeg de schoone reizigster. – „Zij zijn in deze doos gesloten, die gij niet zult openen dan aan de overzijde van het kanaal.” – „Zeer wèl, en gij, wat moet gij doen?” – „Ik? ik keer naar Parijs terug.” – „Zonder dien kleinen kwaden jongen te kastijden?” vroeg de dame. De onbekende wilde antwoorden, maar op het oogenblik, dat hij den mond opende, snelde d’Artagnan, die alles gehoord had, de voordeur uit. – „Hier is de kleine, kwade jongen, die anderen kastijdt,” riep hij, „en ik hoop, dat nu degene, dien hij zal kastijden, hem niet zooals den eersten keer zal ontsnappen.” – „Hem niet zal ontsnappen?” hernam de onbekende, de wenkbrauwen fronsende. – „Neen, want ik veronderstel, dat gij in de tegenwoordigheid eener vrouw niet op de vlucht zult durven gaan.” – „Bedenk!” riep milady uit, den edelman de hand aan zijn degen ziende slaan, „bedenk, dat de minste vertraging alles kan doen mislukken.” – „Gij hebt gelijk!” riep de edelman; „vertrek dus van uw kant, ik zal dit van den mijnen doen.” – En de dame met het hoofd groetende, sprong hij in den zadel, terwijl de koetsier van het rijtuig flink de zweep op de paarden legde. Beide personen verwijderden zich nu in vollen galop, elk langs een der einden van de straat.

„Hei! uw vertering!” schreeuwde de kastelein, wiens beleefdheid voor zijn reiziger in diepe verachting veranderde, toen hij hem zag vertrekken zonder te betalen. – „Betaal dan uilskuiken!” riep de reiziger tot zijn lakei, die den kastelein twee of drie zilverstukken voor de voeten wierp en zijn meester achterna reed. – „O, lafaard! ellendeling! O, valsche edelman!” riep d’Artagnan, den lakei op zijn beurt nasnellende. Maar de gekwetste was nog te zwak, om een dergelijke krachtinspanning vol te houden. Nauwelijks een tiental schreden afgelegd hebbende, begonnen zijn ooren te suizen, een duizeling beving hem, en een bloedige nevel belette hem te zien; en te midden der straat neervallende, bleef hij roepen: „Lafaard! lafaard! lafaard!” – „Hij is inderdaad zeer lafhartig,” mompelde de kastelein, d’Artagnan naderende, en door deze vleitaal zich met den armen jongeling trachtende te verzoenen, zooals de reiger uit de fabel met de slak. – „Ja, wel lafhartig,” mompelde d’Artagnan, „maar zij! zij is zeer schoon!” – „Wie zij?” vroeg de kastelein. – „Milady!” mompelde d’Artagnan, en hij geraakte voor de tweede maal buiten kennis. – „Om het even,” zeide de kastelein, „ik verlies er twee; maar deze blijft mij over, dien ik ten minste zeker ben eenige dagen hier te houden. Dat zal mij dan nog elf kronen doen winnen.”

Men herinnert zich, dat die kronen juist de som uitmaakten, welke in de beurs van d’Artagnan overgebleven was. De kastelein had op elf dagen ziekte van zijn gast gerekend, tegen een kroon daags, maar hij had zonder zijn gast gerekend. Den volgenden dag, op klokslag van vijf uur, stond d’Artagnan op, ging naar de keuken, vroeg, behalve nog eenige bestanddeelen, van welke de lijst niet tot onze kennis gekomen is, wijn, olie en rozemarijn, en met het voorschrift zijner moeder in de hand bereidde hij een balsem, met welken hij zijn talrijke wonden zalfde; zijn verband vernieuwde hij zelf, de hulp eens heelmeesters hiertoe niet willende inroepen. Waarschijnlijk ten gevolge der geestkracht van den balsem der heidin, en misschien ook wel een weinig uit hoofde van de afwezigheid eens dokters, was d’Artagnan reeds dienzelfden avond goed ter been, en den volgenden dag bijna genezen… Maar op het oogenblik, toen hij den rozemarijn, de olie en den wijn zou betalen, – het eenige, wat de ruiter had gebruikt, daar hij streng gevast had, terwijl integendeel het gele paard, althans naar des waards verzekering, drie maal meer had gegeten dan men redelijkerwijs, zijn grootte in aanmerking genomen, zou hebben kunnen veronderstellen, – vond d’Artagnan niets anders in zijn zak dan zijn kaal, fluweelen beursje met de elf kronen, die het bevatte; maar wat den brief voor den heer de Tréville betreft, deze was verdwenen… De jongeling begon dien brief met het grootste geduld te zoeken, al zijn zakken meer dan twintig malen keerende en weder omkeerende, zijn valies uitpakkende en weder inpakkende, zijn beurs open en toe doende doch toen hij eindelijk de zekerheid had verkregen, dat de brief niet te vinden was, verviel hij voor de derde maal in een aanval van woede, welke hem bijna een vernieuwde uitgaaf voor wijn en welriekende oliën zoude hebben gekost; want toen de kastelein den jongen heethoofd in drift ontstoken zag, dreigende alles in de herberg te zullen vernielen, indien zijn brief niet terechtkwam, had hij zich reeds van een staak voorzien, terwijl zijn vrouw met een bezemstok, en de knechts voorzien met dezelfde stokken, die den vorigen dag hadden gediend, kwamen toesnellen. – „Mijn aanbevelingsbrief!” riep d’Artagnan, „mijn aanbevelingsbrief! of sangdieu! ik rijg u allen aan mijn degen als een ris ortolanen aan het spit.”

Ongelukkiglijk belette een zekere omstandigheid den jongeling zijn bedreiging uit te voeren; want, zooals wij gezegd hebben, zijn degen was bij het eerste gevecht in twee stukken gebroken, hetgeen hij geheel en al had vergeten… Zoo kwam het dat, toen d’Artagnan zijn zwaard wilde trekken, hij zich eenvoudig gewapend zag met een acht of tien duim lang stuk degen, wat de kastelein zorgvuldig weder in de scheede had gestoken. Van het andere stuk des degens had hij zich behendig meester gemaakt, om er zich een lardeerpriem uit te maken. Intusschen zou deze teleurstelling waarschijnlijk onzen vurigen jongeling niet hebben tegengehouden, indien de waard niet had overwogen, dat de eisch van zijn gast volkomen billijk was.

„Maar waarlijk,” zeide hij, zijn staak latende vallen, „waar kan die brief zijn!” – „Ja, waar is die brief?” riep d’Artagnan. „Vooreerst zeg ik u, dat die brief voor den heer de Tréville is, en dat hij moet worden teruggevonden, zoo niet dan zal hij dien wel terecht doen komen!” – Deze bedreiging was voldoende, om den kastelein nog meer angst aan te jagen. Immers na den koning en den kardinaal, was de heer de Tréville de man, wiens naam misschien het meest in den mond was, niet alleen der krijgslieden, maar zelfs der burgers. – Er was, wel is waar, nog zekere vader Josef, maar diens naam werd slechts zeer zacht genoemd, zoo groot was de vrees, welke die grijze eminentie (zoo noemde men den vertrouweling des kardinaals) inboezemde. – Zijn staak ver van zich werpende en zijn vrouw gebiedende evenzoo met haar bezem en zijn knechts zulks met hun stokken te doen, gaf hij eerst het voorbeeld door ijverig naar den verloren brief te zoeken. – „Bevatte de brief iets van waarde?” vroeg de kastelein, na een oogenblik vruchteloos gezocht te hebben. – „Sandis! dat geloof ik!” riep de Gaskonjer, die op dien brief rekende, om zijn fortuin aan het hof te maken: „Hij bevatte mijn fortuin.” – „Spaansche schuldbrieven?” vroeg de angstige waard. – „Schuldbrieven op de bijzondere schatkist van Zijne Majesteit,” antwoordde d’Artagnan, die door dezen aanbevelingsbrief er op rekende, in dienst des konings te geraken, en daarom meende dat hij, zonder te liegen, dit eenigszins twijfelachtig antwoord kon geven.

„Duivelsch!” riep de geheel en al wanhopige kastelein uit.

„Maar om het even,” ging d’Artagnan voort, met nationale grootsprekendheid, „het doet er niet toe, het geld beteekent niets: de brief was het voornaamste. Ik had liever duizend pistolen dan hem verloren.” – Hij zou even veel gewaagd hebben met twintig duizend te zeggen, maar hij werd nog door zekere jeugdige schaamte teruggehouden.

Er ging eensklaps een licht op in het verstand van den kastelein, die zich naar den duivel wenschte, dat hij niets vond. – „Die brief is niet verloren!” riep hij. – „Zoo!” zeide d’Artagnan. – „Neen, hij is u ontnomen.” – „Ontnomen, en door wien?” – „Door den edelman van gisteren. Hij is in de keuken geweest, waar uw buis lag; hij was er geheel alleen. Ik zou durven wedden, dat hij het is, die hem gestolen heeft.” – „Gelooft gij?” vroeg d’Artagnan, nog weinig overtuigd: want hij kende beter dan iemand de belangrijkheid, die deze brief voor hem alleen had en zag daarin niets wat de begeerlijkheid zou hebben kunnen opwekken. Want inderdaad, niet één der knechts, niet één enkele der in de herberg zijnde reizigers, zou iets gewonnen hebben door het bezit van dat papier.

„Gij zegt,” hernam d’Artagnan, „dat gij vermoeden hebt op dien onbeschoften edelman?” – „Ik zeg u, dat ik er zeker van ben,” ging de kastelein voort; „toen ik hem berichtte, dat Uwe Excellentie de gunsteling des heeren de Tréville waart, en gij zelfs een brief voor dien voornamen edelman hadt, scheen hij zeer onrustig en vroeg mij, waar die brief was; waarop hij haastig naar de keuken ging, waar hij wist dat uw buis lag.” – „Dan is hij de dief,” antwoordde d’Artagnan. „Ik zal mijn klacht bij den heer de Tréville inleveren, en deze zal zich bij den koning beklagen.” – Daarop haalde hij, met een majestueuze houding, twee kronen uit zijn beurs, gaf ze aan den kastelein, die hem, met den hoed in de hand, tot aan de deur geleidde, waar hij op zijn geel paard steeg, dat hem zonder verdere ontmoetingen tot voor de poort St. Antoine te Parijs bracht, waar zijn eigenaar het voor drie kronen verkocht; hetgeen vrij goed betaald was, aangezien d’Artagnan het gedurende den laatsten rit zeer had afgereden. De paardenkooper, aan wien d’Artagnan het voor genoemde negen franken afstond, ontveinsde het den jongeling dan ook niet, dat hij dien buitengewoon hoogen prijs alleen gaf om de zonderlinge kleur van het haar.

D’Artagnan trad dus te voet Parijs binnen, zijn valiesje onder den arm dragende, en niet eer rust nemende, voordat hij een kamer had gehuurd, die overeenkwam met de geringheid zijner middelen. Die kamer was onder de dakpannen, in de Doodgraversstraat, bij het Luxembourg. Zoodra hij den godspenning had gegeven, nam d’Artagnan bezit van zijn verblijf, en besteedde hij het overige van den dag met aan zijn buis en aan zijn broek eenige franjes te naaien, die zijn moeder van een bijna nieuw kleedingstuk van den ouden heer d’Artagnan losgetornd en hem in stilte gegeven had; vervolgens ging hij naar de oudijzermarkt een nieuwe degenkling koopen; daarop begaf hij zich naar het Louvre en vroeg den eersten musketier, dien hij ontmoette, waar het hotel van den heer de Tréville was gelegen. Men antwoordde hem, in de straat de Oude Duiventil, hetgeen juist in de nabijheid was der kamer, die d’Artagnan had gehuurd; een omstandigheid, welke hem een goed teeken voor den gelukkigen uitslag zijner reis scheen; waarna hij zich, tevreden over de wijze, waarop hij zich te Meung had gedragen, zonder wroeging over het verledene, vol vertrouwen in het tegenwoordige, en van hoop op de toekomst, te bed begaf en den slaap des dapperen sliep. – Deze, nog geheel landelijke slaap, bracht hem tot des ochtends negen uur, toen hij opstond, om zich naar dien vermaarden heer Tréville te begeven, die, volgens de vaderlijke schatting, de derde personage des koninkrijks was.

HOOFDSTUK II.
De antichambre des heeren de Tréville

De heer de Troisville, zooals zijn geslacht zich nog in Gaskonje noemde, of de Tréville, zooals hij zich eindelijk te Parijs had genoemd, was inderdaad op dezelfde wijze begonnen als d’Artagnan, dat is te zeggen, zonder een duit geld in den zak, maar voorzien van dat kapitaal van moed, geslepenheid en stijfhoofdigheid, door hetwelk het ouderlijk erfdeel den armsten, geringsten Gaskonjischen edelman soms meer geeft, dan de rijkste edelman uit Périgord of Berry in klinkende specie ontvangt. Zijn onbeschrijfelijke moed, zijn nog onbeschrijfelijker geluk, in een tijd dat de slagen als hagel neervielen, hadden hem tot op de hoogste sport dier steile ladder geheschen, die men hofgunst noemt, en van welke hij, vier sporten tegelijk overschrijdende, het toppunt had bereikt. – Hij was des konings vriend, die, zooals bekend is, de nagedachtenis van zijn vader, Hendrik IV, zeer vereerde. De vader van den heer de Tréville had hem zóó getrouwelijk gediend in zijn oorlogen tegen de Ligue, dat, bij gebreke van klinkende munt, – iets, dat den Bearnees geheel zijn leven ontbrak, hem, die steeds zijn schulden betaalde met het eenige, wat hij niet noodig had te leenen: met geestigheid, – dat, bij gebreke van klinkende munt, zeggen wij, hij hem na de inneming van Parijs, verlof had gegeven tot zijn wapenschild te nemen een gouden leeuw op een rood veld, met deze spreuk: Fidelis et fortis. Dit was zeer veel voor de eer, maar weinig voor den lichamelijken welstand. Ook toen de beroemde lotgenoot van den grooten Hendrik overleed, liet hij niets anders aan mijnheer zijn zoon na dan zijn degen en die spreuk. Dank zij deze dubbele gift en den vlekkeloozen naam, die hem vergezelde, werd de heer de Tréville in het huis van den jongen prins toegelaten, waar hij zich zoo goed van zijn degen bediende, en zoo getrouw aan zijn devies, dat Lodewijk XIII, een der behendigste schermmeesters van zijn tijd, de gewoonte had te zeggen, dat, had hij een vriend, die een tweegevecht zou moeten aangaan, hij hem den raad zou geven, vooreerst hem zelven als getuige te nemen en daarna Tréville, misschien wel dezen vóór hem. – Ook had Lodewijk XIII een oprechte genegenheid voor Tréville: die genegenheid was, wel is waar, koninklijk, en dus baatzuchtig, maar het was in allen gevalle genegenheid; want in dien rampzaligen tijd trachtte men vooral zich te omringen met menschen van den aard als Tréville. Velen konden het woord sterk, dat het tweede gedeelte van zijn spreuk uitmaakte, maar slechts weinige edellieden konden den bijnaam van getrouw op zich toepassen, die bij hem voorafging. Tréville was een der laatsten; hij bezat die zeldzame eigenschap, namelijk verstandig gehoorzaam te zijn als de dog; hij was begaafd met een blinden moed, een snellen blik en een behendige hand; het oog was hem slechts gegeven om te zien, of de koning ook over den een of anderen ontevreden was, en de hand om dien te treffen, bij voorbeeld een Besme, een Maurevers, een Poltrot de Méré, een Vitry; kortom, tot hiertoe had aan Tréville slechts de gelegenheid ontbroken; maar hij wachtte die en was vastbesloten ze bij haar drie haren te grijpen, indien ze ooit onder het bereik zijner hand kwam. Lodewijk XIII verhief dan ook de Tréville tot kapitein zijner musketiers, die voor Lodewijk XIII, wat hun gehechtheid, of liever hun dwepende verknochtheid betrof, dat waren, hetgeen de vertrouwelingen voor Hendrik III en de Schotsche garde voor Lodewijk XI waren.

Van zijn kant had de kardinaal in dat geval niet voor den koning onder gedaan. Toen hij de machtige keurbende had gezien, met welke Lodewijk XIII zich omringde, wilde die tweede, of liever die eerste koning van Frankrijk ook een wacht om zich zien. Hij had dan ook zijn musketiers, zooals Lodewijk XIII de zijne, en men kon zien, hoe die twee naijverige machten voor hun dienst in al de provinciën van Frankrijk en zelfs in vreemde staten de beroemdste krijgslieden deden werven. Ook twistten Richelieu en Lodewijk XIII dikwijls des avonds, onder het schaakspel, over de verdiensten hunner dienaren. Elk roemde het fiere uiterlijk en den moed der zijnen, en, luide zich tegen de tweegevechten en twisten verheffende, hitsten zij hen in stilte tegen elkander op, en gevoelden zij hevig verdriet of buitensporige vreugd over de nederlaag of over de overwinning der hunnen. Althans zoo luidden de gedenkschriften van hem, die bij eenige dezer nederlagen en bij vele dier overwinningen tegenwoordig was.

Tréville kende het zwak zijns meesters; hieraan was de zoo langdurige en onafgebroken gunst des konings toe te schrijven, die den naam niet had een zeer getrouw vriend te zijn. Hij liet zijn musketiers voor den kardinaal Armand du Plessis paradeeren op een zoo tergende wijze, dat de grijze knevels van Zijne Eminentie van toorn opkrulden. Tréville verstond den oorlog van dien tijd wonderlijk wel, in welken men, wanneer men niet ten koste van zijn vijand leefde, zulks ten koste zijner medeburgers deed: immers zijn krijgslieden vormden een bende geweldenaars, die niet anders dan door hem tot hun plicht konden gebracht worden. Losbandig, dronken, gehavend verspreidden zich de musketiers des konings, of liever die van den heer de Tréville, in de kroegen, op de wandelingen, in de openbare speelhuizen, groot geweld makende, hun knevels opstrijkende en met hun degens kletterende, terwijl zij er een wellust in vonden de lijfwacht des kardinaals, wanneer zij eenigen er van op straat ontmoetten, tegen het lijf te loopen en dan schertsende den degen te trekken; somwijlen verloren zij bij die gelegenheid het leven, maar in dat geval waren zij zeker beweend en gewroken te zullen worden; ook vaak hun vijanden het leven ontnemende, waren zij verzekerd niet in de gevangenis te zullen beschimmelen; want de heer de Tréville was steeds dáár, om hen terug te eischen. Ook werd de heer de Tréville op allerlei wijzen door die lieden, welke hem aanbaden, geprezen en bezongen, en hoezeer mannen van moord en doodslag, stonden zij voor hem als scholieren voor den meester, bevend en het minste bevel gehoorzamend; gereed in den dood te ijlen, om de minste smet, die op hen mocht kleven, uit te wisschen.

De heer de Tréville had vooreerst van dien machtigen hefboom voor den koning en van de vrienden des konings gebruik gemaakt, en vervolgens voor zich zelven en zijn vrienden. – Trouwens, in geen enkel der gedenkschriften dier tijden, die zoovele gedenkschriften hebben nagelaten, ontwaart men, dat die eerzame edelman zelfs door zijn vijanden is beschuldigd geworden – en hij had veel vijanden, zoowel onder hen die de pen, als onder hen die den degen voerden – nergens ontwaart men, zeggen wij, dat die waardige edelman beschuldigd is geworden, zich voor de hulp, door zijn Seïden verleend, te hebben laten betalen. Met den zeldzaamsten aanleg voor intrigues, waardoor hij zich met de grootste intriganten kon gelijk stellen, was hij echter eerlijk man gebleven. En, wat meer zegt, ondanks de geweldige degenstooten, die de ledematen verstijven, en de meest afmattende krijgsoefeningen, was hij een der beminnelijkste losbollen, een der netste modepoppen, een der geestigste zoete-woordjes-zeggers van zijn tijd geworden: men sprak van de verliefde avonturen van de Tréville, zooals men twintig jaren te voren van die van Bassompierre had gesproken, en dat beteekende nog al iets. Alzoo was de kapitein der musketiers bewonderd, gevreesd en bemind, hetgeen den hoogsten trap van menschelijk geluk daarstelt.

Lodewijk XIV verdoofde al de kleine sterren van zijn hof door zijn zich wijd uitspreidenden stralenglans; maar zijn vader, een zon pluribus impar2), liet aan elk zijner gunstelingen zijn persoonlijken glans behouden, en aan elk zijner hovelingen zijn eigen waarde. Behalve de ochtendbezoeken bij den koning en den kardinaal, telde men toen te Parijs meer dan tweehonderd huizen, waar men dergelijke bezoeken, die zeer in de mode waren, ontving, en onder deze waren die van de Tréville de talrijkste. – De binnenplaats van zijn hotel, in de straat de Oude Duiventil, geleek een legerkamp, zoodra het des zomers zes en des winters acht uur had geslagen; vijftig tot zestig musketiers, die zich daar schenen af te lossen, om steeds een ontzagwekkend getal te vormen, wandelden er op en neer, steeds in volle krijgstoerusting en op alles voorbereid. Langs een dier groote trappen, op welks grond onze tegenwoordige beschaving een geheel huis zou bouwen, gingen de Parijsche jagers naar een of anderen voordeeligen post, de landedellieden, begeerig in dienst te treden, en de met allerlei kleuren opgesmukte lakeien, die den heer de Tréville de boodschappen hunner meesters kwamen brengen, op en af. In de voorkamer zaten de uitverkorenen, dat is te zeggen, zij die genoodigd waren, op lange banken, die een halven cirkel vormden. Van des morgens tot des avonds hoorde men dáár een onafgebroken gemompel, terwijl de heer de Tréville in zijn aangrenzend kabinet bezoeken ontving, klachten aanhoorde, bevelen gaf, en, evenals de koning op zijn balkon van het Louvre, zich slechts voor het venster behoefde te plaatsen, om zijn manschappen en hun wapens in oogenschouw te nemen.

Op den dag, toen d’Artagnan zich dáár vertoonde, maakte het gezelschap, vooral op een bewoner der provincie, die voor het eerst in de hoofdstad komt, niet weinig indruk; het is waar, dat die buitenman een Gaskonjer was, en dat toen de landgenooten van d’Artagnan den naam hadden niet erg vatbaar voor blooheid te zijn: en waarlijk, zoodra men de zware, met groote, vierkante spijkers beslagene deur door was gegaan, bevond men zich te midden van een troep krijgslieden, die op de binnenplaats op en neer wandelden, elkander toeriepen, met elkander twistten of zich vermaakten. Om zich door dit als bruisende baren woelend gedrang een weg te banen, moest men officier, voornaam heer, of schoone dame zijn. Het was dan te midden van dat gedrang en dien bajert, dat onze jongeling met een kloppend hart voorttrad, zijn langen degen met de eene hand tegen zijn mager been, en met de andere zijn vilten hoed bij den rand houdende, op zijn gelaat den flauwen, verlegen en boerschen glimlach vertoonende van hem, die zijn verlegenheid tracht te verbergen. Zoodra hij een groep voorbij was, schepte hij weder adem, hoewel hij begreep, dat men zich omkeerde om hem na te zien; en voor het eerst van zijn leven vond d’Artagnan, die tot hiertoe van zich zelven een vrij goed denkbeeld had gekoesterd, zich belachelijk. Voor de trap gekomen, was hij in nog grootere verlegenheid; er stonden namelijk op de eerste treden een viertal musketiers, die zich met de volgende uitspanning verlustigden, terwijl tien of twaalf hunner wapenbroeders in het portaal hun beurt afwachtten, om aan het spel deel te nemen. Een hunner, eenige treden hooger staande, belette, of trachtte althans, met den degen in de vuist, de drie anderen het opklimmen van de trap te beletten. De degens van deze drie kliefden als weerlichten de lucht. D’Artagnan hield die klingen aanvankelijk voor schermdegens, welker punten waren verstompt, maar hij bespeurde dra aan eenige schrammen, dat elks wapen integendeel naar eisch was gescherpt en gepunt, en dat bij het toebrengen dier schrammen, niet alleen de toeschouwers, maar ook de strijders een woest gejuich aanhieven. Degene, die op dit oogenblik de trap verdedigde, hield op verwonderlijke wijs de aanvallers tegen. Een drom van toeschouwers omringde de strijders. De voorwaarden van dit spel waren: hij, die geraakt werd, moest zich verwijderen, terwijl ten voordeele van dengene, door wien hij was geraakt, zijn beurt om ter audiëntie te gaan verloren was. In vijf minuten tijds werden er drie licht gekwetst; een aan de hand, de andere aan de kin, de derde aan het oor; alle door den verdediger van de trap, die zelve ongedeerd bleef, welke behendigheid, volgens de bepaalde voorwaarden, hem drie audiëntie-beurten verschafte. Deze uitspanning, inderdaad zoo moeilijk niet als zij verwonderlijk zijn wilde, verbaasde niet weinig onzen jongen reiziger, die in zijn land, waar trouwens de driften zoo spoedig ontvlammen, wat meer voorbereidselen tot een tweegevecht had zien nemen, zoodat de Gaskonjische bluf dezer vier strijders hem alles scheen te overtreffen, wat hij tot hiertoe daarvan, zelfs in Gaskonje, had gezien of gehoord. Hij waande zich in dat vermaarde reuzenland, werwaarts in lateren tijd zich Gulliver begaf, en zooveel angst doorstond.

Intusschen bleef er voor d’Artagnan nog veel te zien en te ondervinden over; hij moest nog het portaal over en de antichambre binnen. Op het portaal vocht men niet; men sprak er over liefdes-histories, en in de antichambre over hof-intrigues. Op het portaal bloosde d’Artagnan, in de voorkamer beefde hij; zijn opgewekte en ijlende verbeelding, die hem in Gaskonje voor de jeugdige kameniers niet alleen, maar ook voor hun mevrouwen gevaarlijk maakte, had nooit, zelfs niet in haar oogenblikken van geestvervoering, de helft der liefdewonderen, noch het vierde gedeelte der galante heldendaden gedroomd, welke de beroemdste namen en de minst omsluierde bijzonderheden zoozeer deden uitkomen. En, werd op het portaal zijn zedelijkheid gekwetst, niet minder werd in de voorkamer zijn eerbied voor den kardinaal gekrenkt. Dáár hoorde d’Artagnan tot zijn groote verbazing de staatkunde, welke Europa deed beven, luide gispen, zoowel als de bijzondere leefwijze van den kardinaal, van welke poging ze te doorgronden, zoo vele voorname en machtige edellieden geboet hadden; die groote, door den ouden heer d’Artagnan zoo hoog geschatte man strekte hier ten spot aan de musketiers des heeren de Tréville, en dezen schertsten met zijn kromme beenen en zijn hoogen rug; enkelen zongen schimpliedjes op mevrouw d’Aiguillon, zijn minnares, en mevrouw de Combalet, zijn nicht, en anderen smeedden plannen tegen de pages en de lijfwacht van den hertog-kardinaal; welk een en ander d’Artagnan voor de ongerijmdste dolligheid hield. Intusschen hoorde men bijwijlen den naam des konings onder het geschimp op den kardinaal uitkomen, doch dan was het, alsof een prop eensklaps, voor een poos, al die spottende monden stopte; en men zag schroomvallig rond, den muur van het kabinet des heeren de Tréville wantrouwende. Dra echter deed opnieuw een toespeling het gesprek op Zijne Eminentie neerkomen; het gelach werd dan oorverdoovend, terwijl alle handelingen van den kardinaal zooveel mogelijk toegelicht werden.

„Op mijn woord, al die lieden staan op het punt geëmbastilleerd of gehangen te worden,” dacht d’Artagnan „en ik zonder twijfel met hen; want zoodra ik naar hen luister en hun gesprekken bijwoon, zal ik als hun medeplichtige worden beschouwd. Wat zou mijn vader wel zeggen, hij, die mij den eerbied voor den kardinaal zoo ernstig heeft aanbevolen, indien hij wist in wat heidensch gezelschap ik ben?” – Het behoeft trouwens niet gezegd te worden, dat d’Artagnan zich in het gesprek niet durfde mengen; hij bepaalde zich dus er toe uit al zijn vermogen te luisteren en alles gade te slaan, wat er rondom hem gebeurde, hiertoe van zijn zintuigen met inspanning gebruik makende om vooral niets te laten verloren gaan, zoodat, ondanks de vaderlijke vermaning, hij zich door zijn geaardheid gedreven voelde en door zijn neigingen overgehaald, om hetgeen er plaats had eer te roemen dan te laken. Ondertusschen, volkomen onbekend aan de vele bezoekers van den heer de Tréville, die hem voor het eerst daar zagen, kwam men hem dra vragen wat hij begeerde. Op deze vraag noemde zich d’Artagnan met veel ootmoed, drukte op zijn hoedanigheid van landgenoot en verzocht den kamerdienaar, die hem deze vraag was komen doen, den heer de Tréville voor hem een oogenblik gehoor te verzoeken, welke bede deze op aanmatigenden toon beloofde te zullen overbrengen, wanneer tijd en gelegenheid zulks toelieten.

D’Artagnan, een weinig van zijn eerste verlegenheid hersteld, had nu den tijd, eenigszins de gebruiken gade te slaan en de aangezichten der aanwezenden te beschouwen. Het middelpunt van de luidruchtige groep was een musketier van een zeer hooge gestalte, met trotsche gelaatstrekken, en op een zoo zonderlinge wijze gekleed, dat hij de algemeene aandacht trok. Hij droeg voor het oogenblik niet het uniformbuis, hetwelk in dien minder vrijen doch meer onafhankelijken tijd niet volstrekt verplichtend was, maar een hemelsblauw buis, min of meer kaal en verschoten, en op dat gewaad een prachtigen bandelier met gouden borduursels, schitterende als een kabbelende vliet bij zonneschijn. Een lange, karmozijnroode, fluweelen mantel viel bevallig over zijn schouders, alleen van voren den schitterenden bandelier bloot latende, waaraan een reusachtig rapier hing.

Die musketier kwam juist van de wacht en klaagde over verkoudheid, terwijl hij van tijd tot tijd kuchte. Ook had hij zich daarom met zijn mantel bedekt, zooals hij aan de omstanders zeide. En terwijl hij met opgeheven hoofd sprak en trotsch zijn knevels opstreek, werd zijn geborduurde bandelier met niet weinig geestdrift bewonderd, en wel het meest door d’Artagnan.

„Wat zal ik u zeggen,” riep de musketier, „het wordt de mode; het is een dwaasheid, dat weet ik wel, maar het is niet anders. Buitendien, men mag zich ook wel iets voor het geld der ouderlijke erfenis aanschaffen.” – „O, Porthos!” riep een der omstanders, „tracht ons niet te doen gelooven, dat gij dien bandelier van de ouderlijke gulheid hebt verkregen: eerder van de gesluierde dame, met welke ik u voorgaanden Zondag in den omtrek der poort St. Honoré ontmoette.” – „Neen, ik verzeker u op mijn eer en op mijn woord van edelman, ik heb hem in persoon gekocht, en voor mijn eigen geld,” antwoordde degene, dien men onder den naam Porthos aanduidde. – „Ja, zooals ik die nieuwe beurs heb gekocht,” zeide een andere musketier, „met hetgeen mijn minnares in de oude beurs had gedaan.” – „Neen waarlijk,” hernam Porthos, „en tot bewijs, ik heb er twaalf pistolen voor betaald.” – De bewondering steeg nog, hoezeer de twijfel bleef bestaan. – „Is het niet waar, Aramis?” vroeg Porthos, zich tot een anderen musketier wendende.

Die musketier vormde een buitengewoon kontrast met dengene, die hem ondervroeg, en hem bij den naam van Aramis toeriep. Het was een jongeling van nauwelijks twee of drie en twintig jaar, met een onschuldig en zachtmoedig gelaat, zwarte, kwijnende oogen en rooskleurige, fluweelzachte wangen, als een perzik in den herfst; zijn fijne knevel vormde op zijn bovenlip een volkomen rechte lijn; zijn handen schenen zich niet te durven neerlaten, uit vrees dat hun aderen mochten opzwellen, en bijwijlen kneep hij zich de ooren, om hen een zachte, doorschijnende karmijnkleur te doen behouden. Gewoonlijk sprak hij weinig en langzaam; dikwerf groette hij met een zachten glimlach, terwijl hij zijn tanden liet zien, die zeer fraai waren en voor welke hij groote zorg scheen te dragen, zooals voor het overige van geheel zijn lichaam. Hij beantwoordde de vraag zijns vriends met een hoofdknik. – Dit bevestigend teeken scheen al de twijfelingen ten aanzien van den bandelier te hebben doen ophouden; men ging voort hem te bewonderen, doch men sprak er niet meer over, en door een dier snelle overgangen van denkbeelden veranderde het gesprek eensklaps van onderwerp.

„Wat denkt gij van hetgeen de schildknaap van Chalais verhaalt?” vroeg een ander musketier, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, maar integendeel deze vraag aan het geheele gezelschap doende. – „En wat verhaalt hij?” vroeg Porthos op hoogen toon. – „Hij verhaalt, dat men Rochefort, den vertrouweling des kardinaals, in het gewaad eens kapucijners te Brussel heeft gezien; die vervloekte Rochefort heeft den heer de Laigues, als een ezel die hij is, fraai om den tuin geleid.” – „Als een waren ezel! maar is de zaak waar?” – „Ik heb het van Aramis gehoord,” antwoordde de musketier. – „Wel zoo!” – „Och! gij weet het immers wel, Porthos!” zeide Aramis. „Ik heb het u immers gisteren verteld, spreken wij er dus niet meer over.” – „Er niet meer over spreken, ziedaar uw gevoelen,” hernam Porthos. „Er niet meer van te spreken! Duivelsch! wat neemt gij spoedig zulk een besluit. Hoe! de kardinaal laat een edelman bespieden, hem zijn brieven ontstelen door een verrader, een gauwdief, een galgenaas; en met behulp van dien verrader, en ten gevolge dezer brieven, Chalais den hals afsnijden, onder het domme voorwendsel dat hij den koning het leven ontnemen en Monsieur3) met de koningin in het huwelijk wilde doen treden! Niemand wist een woord van dat raadsel, en tot onzer aller verbazing deeldet gij het ons gisteren mede, en nu, terwijl wij door die tijding geheel terneergeslagen zijn, komt gij ons aanraden er niet meer van te spreken.” – „Welnu, laat ons er dan over spreken, daar gij het begeert,” hernam Aramis geduldig. – „Indien ik de schildknaap van den armen Chalais ware,” riep Porthos, „dan zou ik dien Rochefort een leelijk oogenblik doen doorbrengen!” – „En gij zoudt een leelijk kwartiertje met den rooden hertog doorbrengen,” hernam Aramis geduldig. – „Ha! ha! de roode hertog! bravo! bravo! de roode hertog!” antwoordde Porthos, in de handen klappende en goedkeurend met het hoofd knikkende. „Roode hertog! een allerliefste naam! Wees gerust, mijn waarde! die aardigheid zal opgang maken. Wat heeft die Aramis toch een vernuft! En hoe ongelukkig, dat gij uw roeping niet hebt kunnen volgen, mijn waarde! wat een lief abtje zou er van u geworden zijn.” – „O! het is slechts een kort uitstel,” antwoordde Aramis, „den een of anderen dag word ik het; gij weet wel, Porthos! dat ik mij daarom in de godgeleerdheid blijf oefenen.” – „Hij zal doen, zooals hij zegt,” hernam Porthos, „vroeg of laat gebeurt het.” – „Vroeg,” zeide Aramis. – „Hij wacht slechts op iets anders, om zijn voornemen te volvoeren en zijn priesterkleed weder aan te trekken, dat nu achter zijn uniformrok hangt!” riep een ander musketier. – „En wat is dat, waarop hij wacht?” vroeg een derde. – „Hij wacht, totdat de koningin de kroon van Frankrijk een erfgenaam zal geschonken hebben.” – „Schertsen wij hierover niet, mijne heeren!” zeide Porthos; „Goddank! de koningin is nog jong genoeg hiervoor.” – „Men zegt, dat de heer de Buckingham in Frankrijk is,” hernam Aramis met een schalkschen lach, die aan deze zoo schijnbaar onnoozele woorden een tamelijk schampere beteekenis gaf.

„Aramis! mijn vriend! voor dezen keer gaat gij te ver,” viel Porthos hem hierop in de rede, „en uw geestigheid overschrijdt reeds de grenzen; indien de heer de Tréville u hoorde, zouden uw woorden u slecht bekomen.” – „Wilt gij mij een les geven, Porthos!” riep Aramis, in wiens oogen men iets als een bliksemschicht zag flikkeren. – „Mijn waarde! wees musketier of abt, het een of ander; maar niet beiden gelijk,” hernam Porthos. „Zie, Athos zeide het u nog, een paar dagen geleden, dat gij van alle markten te huis zijt! O, vertoorn u niet, bid ik u, dat dient tot niets; gij weet immers, wat tusschen ons is overeengekomen, tusschen u, Athos en mij. En al bezoekt gij mevrouw d’Aiguillon en maakt haar het hof, of mevrouw de Bois-Tracy, de nicht van mevrouw de Chevreuse, van welke dame, zooals men zegt, gij de gunst in zoo hooge mate geniet, daarom, mijn God! behoeft gij uw geluk niet te openbaren, men verlangt uw geheimen niet te doorgronden; men kent uw bescheidenheid. Maar, dewijl gij die deugd bezit, wat duivel, waarom beoefent gij die dan niet ten aanzien Harer Majesteit. Iedereen mag zich, zoo hij wil, met den koning en den kardinaal bezig houden; maar de koningin is heilig, en, wanneer men van haar spreekt, dat het dan ten goede zij.” – „Porthos, gij zijt verwaand als Narcissus. Ik waarschuw u,” antwoordde Aramis, „gij weet, ik haat het zedenpreeken, behalve als Athos zulks doet. Wat u betreft, mijn waarde! gij bezit een al te fraaien bandelier, om hierin uit te munten. Ik zal abt worden, wanneer mij zulks bevalt, intusschen ben ik musketier; en in deze hoedanigheid zeg ik, wat mij in den mond komt, en thans behaagt het mij u te zeggen, dat gij mij verveelt.” – „Aramis!” – „Porthos!” – „Hola! mijne heeren!” riepen de omstanders.

„De heer de Tréville wacht den heer d’Artagnan.” – Dit kwam, het rumoer afbrekende, de lakei berichten, die de deur opende. Op deze aankondiging bewaarden allen het stilzwijgen, terwijl de deur open bleef, en te midden dier algemeene stilte ging de Gaskonjer de antichambre in een gedeelte van haar lengte door, en trad hij bij den kapitein der musketiers binnen, zich van harte geluk wenschende zoo te stade deze zonderlinge twistpartij verlaten te hebben.

HOOFDSTUK III.
De audiëntie

De heer de Tréville was op dat oogenblik in een zeer kwade luim; echter groette hij zeer beleefd den jongeling, die een zeer diepe buiging maakte, en glimlachte hij, toen hij zich in den Bearneeschen tongval hoorde aanspreken, die hem èn zijn jeugd èn zijn geboorteland herinnerde; een tweevoudige herinnering, die altijd bij den mensch, in welken leeftijd ook, een glimlach op het gelaat brengt. Maar bijna tegelijkertijd de voorkamer naderende, en d’Artagnan een teeken met de hand gevende, als om hem verlof te verzoeken met de anderen te eindigen alvorens met hem te beginnen, riep hij tot driemalen, bij elken uitroep de stem verheffende, zoodat hij al de tusschentonen doorliep van den gebiedenden tot den vergramden: „Athos! Porthos! Aramis!”

De twee musketiers, met wie wij reeds hebben kennis gemaakt, en die op de beide laatste dezer drie namen antwoordden, verlieten onmiddellijk hierop de groep, waartoe zij behoorden, en traden het kabinet binnen, welks deur achter hen toeviel, zoodra zij over den drempel waren. Hun houding, hoewel niet volkomen gerust, wekte echter, door de even waardige als onderworpen ongedwongenheid, de bewondering van d’Artagnan, die in hen halve goden, en in hun opperhoofd een Olympischen Jupiter, zijn bliksems zwaaiende, zag.

Toen beide musketiers de kamer waren binnengetreden, en de deur achter hen was dichtgevallen, toen het gonzend gemompel in de antichambre, hetwelk door de plaats gehad hebbende oproeping nog meer voedsel had verkregen, opnieuw begonnen was, toen eindelijk de heer de Tréville drie of vier malen zijn kabinet in de geheele lengte, in stilte en met gefronste wenkbrauwen, had doorgewandeld, telkens voorbij Porthos en Aramis gaande, die onbeweeglijk en stom als op de parade, en als vastgeworteld stonden, bleef hij eensklaps voor hen staan en hen met zijn vergramden blik van het hoofd tot de voeten metende, riep hij uit: „Weet gij wel, wat mij de koning heeft gezegd, en dat niet later dan gisteren avond, weet gij ’t, mijne heeren?” – „Neen,” antwoordden na een oogenblik zwijgens beide musketiers; „neen, mijnheer, wij weten het niet.” – „Maar wij hopen, dat gij ons de eer zult aandoen, het ons te zeggen,” voegde Aramis er bij op den beminnelijksten toon en met de bevalligste buiging, die hem mogelijk was. – „Hij heeft mij gezegd, dat hij in het vervolg zijn musketiers onder de lijfwachten van den kardinaal zal zoeken.” – „Onder de lijfwachten van den kardinaal, en waarom dat?” vroeg Porthos driftig. – „Omdat hij wel ziet, dat zijn krachtelooze wijn door een vermenging met goeden verbeterd moet worden.”

De twee musketiers werden rood tot in het wit hunner oogen. D’Artagnan voelde zich zelven niet meer en had gaarne honderd voeten onder den grond willen zijn. – „Ja, ja,” vervolgde de heer de Tréville, met meer en meer hevigheid, „ja, en Zijne Majesteit heeft gelijk; want op mijn eer, de musketiers maken een misselijk figuur aan het hof. De kardinaal verhaalde gisteren, toen hij met den koning speelde, en met een zweem van medelijden, die mij zeer mishaagde, dat die vervaarlijke musketiers, die geweldmakers, en hij sprak dat woord op een schamperen toon uit, die mij nog veel meer mishaagde; ‚die koppenhakkers,’ voegde hij er bij, mij met zijn tijgerkattenoogen aanziende, ‚zaten eergisteren nog laat in den nacht in de kroeg der straat Férou, terwijl’ – en het scheen alsof hij mij in het gezicht uitlachte – ‚een patrouille zijner lijfwacht genoodzaakt werd die rustverstoorders aan te houden.’ Parbleu! daar moet ge iets van weten! Musketiers aan te houden! Ge waart er bij, loochent het niet, men heeft u herkend, de kardinaal heeft u genoemd. En het komt immers op mij neer, het is immers mijn schuld; want ik ben het, die de keuze mijner manschappen doe. – Spreek, Aramis, wat duivel! waarom vroegt gij mij om den soldatenrok, terwijl u het priesterkleed zoo wel zou gepast hebben. En gij, Porthos! hebt gij alleen een zoo schitterenden bandelier, om er een degen van stroo aan te hangen. En Athos! Ik zie Athos niet! Waar is hij?”

„Mijnheer!” antwoordde Aramis treurig, „hij is ziek, zeer ziek.” – „Ziek! zeer ziek, zegt gij! en wat deert hem?” – „Men vreest, dat het de kinderpokken zijn!” antwoordde Porthos, op zijn beurt een woord in het gesprek willende mengen, „dat zeer jammer zou zijn, want zijn gezicht zou er ongetwijfeld door geschonden worden.” – „De kinderpokken! dat is wederom een fraaie geschiedenis, die gij mij verhaalt, Porthos! Op zijn jaren de pokken te krijgen? Neen, neen, hij is zeker gekwetst, misschien wel dood!.. O! als ik er zeker van was… Sangdieu! mijne heeren musketiers! ik duld niet, dat men die slechte huizen bezoekt, dat men twist op straat maakt en in afgelegen hoeken den degen trekt. Kortom, ik wil niet, dat men der lijfwacht van den kardinaal ten spot verstrekke; want dat zijn brave lieden, rustige, knappe lieden, die zich wel wachten aangehouden te worden, en die zich bovendien niet zouden laten aanhouden, daarvan ben ik zeker… Zij zouden liever op de plaats het leven laten, dan één voetstap te wijken… Op den loop gaan, zich uit de voeten maken, vluchten… dat doen alleen de musketiers des konings!”

Porthos en Aramis beefden van woede. Zij zouden gaarne den heer de Tréville geworgd hebben, indien zij niet in die woorden de groote genegenheid hadden opgemerkt, die hem noopte ze aldus toe te spreken. Zij stampvoetten op het tapijt, ze beten zich op de lippen, tot bloedens toe, en omknelden uit al hun macht de gevesten hunner degens.

In de voorkamer had men, zooals wij gezegd hebben, hooren roepen: Athos! Porthos! Aramis! en naar den toon der stem des heeren de Tréville te oordeelen, begreep men, dat hij blakende van gramschap was. Tien nieuwsgierige hoofden waren tegen het behangsel gedrukt en werden bleek van woede; want de luisterende ooren voor de deur lieten geen woord, geen lettergreep verloren gaan van hetgeen er binnen gezegd werd, terwijl hun monden achtereenvolgens de beleedigende woorden des kapiteins ten aanhoore der geheele antichambre herhaalden. In één oogenblik was het geheele hotel, van de deur van het kabinet tot aan de voordeur, in een geweldige gisting.

„Welzoo! laten de musketiers des konings zich door de lijfwachten van den kardinaal gevangen nemen!” vervolgde de heer de Tréville, die even woedend was in zijn kabinet als zijn krijgslieden daar buiten; en op zijn woorden drukkend en elk, om zoo te spreken, als zoovele dolksteken in de borst zijner hoorders stootende, ging hij voort: „Welzoo! nemen zes lijfwachten van Zijne Eminentie zes musketiers van Zijne Majesteit gevangen! Morbleu! ik heb mijn besluit genomen: Nog in dit uur begeef ik mij naar het Louvre; ik neem mijn ontslag als kapitein des konings, om een luitenantsplaats in dienst des kardinaals te verzoeken, en indien hij ze mij weigert, word ik monnik.”

Op die woorden ging het gemompel in de antichambre tot een uitbarsting over. Men hoorde niets anders dan gevloek en godslasteringen. De morbleu’s, de sangdieu’s, de duizend duivels en meer dergelijke fraaie uitroepen vervulden de lucht. – D’Artagnan zag om naar een gordijn of een behangsel, om zich daar achter te verbergen, en voelde in zich een bovenmatigen lust om onder de tafel te kruipen.

„Welnu, kapitein!” riep Porthos, van kwaadheid stamelende, „ik zal u dan maar de waarheid zeggen: Wij waren zes tegen zes, maar werden verraderlijk overvallen, zoodat, alvorens wij den tijd hadden onze degens te trekken, reeds twee onzer levenloos neerzonken; Athos, zwaar gekwetst, was niet veel beter. Gij kent Athos, kapitein! welnu, hij poogde tot twee malen toe zich op te richten, maar viel beide keeren weder onmachtig neder. Intusschen hebben wij ons niet gewillig overgegeven, neen, men heeft ons met geweld voortgesleept. Maar onderweg gelukte het ons te ontvluchten. Wat Athos betreft, men meende dat hij dood was en liet hem uit dien hoofde gerust op het slagveld liggen, daar men oordeelde, dat het de moeite niet waard was hem mede te voeren. En dat is nu de geheele historie! Wat duivel, kapitein, men wint niet alle veldslagen. De groote Pompejus heeft dien van Pharsalus wel verloren, en koning Frans I, die, zooals ik heb hooren zeggen, zijn man onder de oogen durfde zien, verloor wel dien van Pavia.” – „Daarbij heb ik de eer u te verzekeren, dat ik een der aanvallers met zijn eigen degen heb doorstoken,” zeide Aramis, „want de mijne brak bij den eersten stoot. Met den degen of met een stuk er van, om het even, mijnheer!” – „Dat wist ik niet,” hernam de heer de Tréville op zachter toon: „ik bemerk, dat de kardinaal de zaak wat overdreven heeft.” – „Maar ik bid u, mijnheer,” ging Aramis voort, die, ziende dat zijn kapitein bedaarde, tot een verzoek durfde overgaan, „ik verzoek u, mijnheer! niet te zeggen, dat Athos gekwetst is; hij zou wanhopig zijn, indien zulks ter oore van den koning kwam, en dewijl de wond niet zonder gevaar is, daar de degen, na den schouder te zijn doorgedrongen, de borst heeft geraakt, is het te vreezen…” Op hetzelfde oogenblik werd het voorhangsel der deur opgelicht, en een edel en trotsch gelaat, dat er vreeselijk bleek uitzag, vertoonde zich onder de franjes.

„Athos,” riepen beide musketiers. – „Gij hebt mij ontboden, mijnheer!” zeide Athos tot den heer de Tréville met een zwakke, hoewel geheel en al kalme stem; „gij hebt naar mij gevraagd, zooals mijn wapenbroeders mij hebben gezegd; ik haast mij dus aan uw oproeping te voldoen. Hier ben ik, mijnheer! Wat is er van uw dienst?” – En op deze woorden trad de musketier, in behoorlijke tenue, en als naar gewoonte nauw in zijn kleeding geregen, met tamelijk vasten tred het kabinet binnen.

De heer de Tréville, diep bewogen door dit bewijs van moed, ijlde naar hem toe. – „Ik was juist bezig aan die heeren te zeggen,” zeide hij, „dat ik de musketiers verbied hun leven zonder noodzakelijkheid te wagen; want de koning stelt dappere lieden op zeer hoogen prijs, en de koning is verzekerd, dat zijn musketiers de dapperste lieden der wereld zijn. Uw hand, Athos!” – En zonder te wachten, dat de pas binnengekomene uit zich zelven dit bewijs van vriendschap beantwoordde, vatte de heer de Tréville zijn rechterhand en drukte die uit al zijn macht, zonder te bemerken dat Athos, hoe groot zijn zelfbeheersching ook was, een smartelijke beweging maakte en nog bleeker werd, hetgeen bijna niet mogelijk scheen.

De deur was open gebleven, zóó zeer had de komst van Athos, wiens wonde ondanks de geheimhouding aan allen bekend was, opschudding veroorzaakt. Een gejuich van tevredenheid smoorde de laatste woorden des kapiteins, en twee of drie hoofden, door geestdrift vervoerd, verschenen in de opengelaten deur. Zonder twijfel zou de heer de Tréville deze veronachtzaming der voorschriften van de wellevendheid ernstig bestraft hebben, indien hij niet eensklaps de hand van Athos in de zijne had voelen ineenkrimpen, en de oogen op hem vestigende, ontwaarde hij, dat hij op het punt was in onmacht te vallen. Onmiddellijk hierop viel Athos, die al zijn krachten had verzameld om de smart te weerstaan, doch eindelijk door haar overwonnen was, als dood op den grond neder. – „Een geneesheer!” riep de heer de Tréville. „De mijne! die des konings, de beste, dien gij vinden kunt! Spoedig een geneesheer, of sangdieu! mijn moedige Athos sterft!”

Op het geschreeuw van den heer de Tréville stormden allen het kabinet binnen, zonder dat hij er aan dacht de deur voor iemand te sluiten, terwijl iedereen naar den gewonde ijlde. Maar al die bedrijvigheid zou weinig gebaat hebben, indien de verlangde geneesheer niet juist in het hotel tegenwoordig ware geweest; deze drong zich nu door het gedrang en naderde den steeds in onmacht liggenden Athos. Maar daar al dat rumoer en die beweging hem geweldig hinderden, verzocht hij vooreerst en wel uitdrukkelijk, den musketier naar een aangrenzende kamer te vervoeren. Dadelijk opende de heer de Tréville een deur en wees den weg aan Porthos en Aramis, die hun vriend in hun armen wegdroegen. Achter deze groep volgde de geneesheer, waarop de deur dicht viel.

Toen werd het kabinet van den heer de Tréville, deze gewoonlijk zoo geëerbiedigde plaats, voor het oogenblik een aanhangsel der voorkamer. Iedereen praatte, redeneerde, schreeuwde, vloekte en wenschte den kardinaal en zijn lijfwachten naar alle duivels. Een oogenblik daarna kwamen Porthos en Aramis terug; de heelmeester en de heer de Tréville waren alleen bij den gewonde gebleven. Eindelijk kwam ook op zijn beurt de heer de Tréville terug. De gewonde was tot zich zelven gekomen, en de heelmeester verklaarde, dat de ongesteldheid des musketiers zijn vrienden niet de minste bekommering moest wekken, daar zijn flauwte eenvoudig door bloedverlies veroorzaakt was.

De heer de Tréville gaf nu een teeken met de hand, en allen verwijderden zich, behalve d’Artagnan, die, niet vergetende dat hij ten gehoore was toegelaten geworden, met Gaskonjische halsstarrigheid op dezelfde plaats was blijven staan. Toen allen vertrokken waren en de heer de Tréville de deur gesloten had, keerde hij zich om en bevond zich met den jongeling alleen. Hetgeen was voorgevallen, had min of meer den draad zijner denkbeelden afgebroken. Hij vroeg dus, wat de halsstarrige verzoeker verlangde. D’Artagnan noemde zich, en de heer de Tréville, zich eensklaps het tegenwoordige en het verledene herinnerende, wist nu waarvan er sprake was. – „Vergeef mij,” zeide hij glimlachende, „vergeef mij, waarde landgenoot! maar ik had u geheel en al vergeten. Gij weet, een kapitein is niet anders dan een huisvader. Krijgslieden zijn groote kinderen; maar dewijl ik volstrekt wil, dat de bevelen des konings en vooral die van Zijne Eminentie den kardinaal stiptelijk worden opgevolgd…”

D’Artagnan kon een glimlach niet bedwingen, en de heer de Tréville dien glimlach bemerkende, oordeelde niet met een onnoozele te doen te hebben; hij veranderde daarom van onderwerp en ging dadelijk tot de zaak over. – „Ik was een groot vriend uws vaders,” zeide hij, „wat kan ik nu voor zijn zoon doen? Haast u; mijn tijd behoort mij niet toe.” – „Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „toen ik Tarbes verliet en mij herwaarts begaf, stelde ik mij voor, uit hoofde dier vriendschap, van welke gij de herinnering niet hebt verloren, u het musketiersbuis te verzoeken; maar na al hetgeen ik sedert twee uren heb gezien, begrijp ik, dat een dergelijke gunst voor mij te groot is, en vrees ik die onwaardig te zullen zijn.” – „Het is inderdaad een gunst, jonkman!” antwoordde de heer de Tréville; „maar zij kan voor u zoo onbereikbaar niet zijn, als gij wel gelooft, of als gij schijnt te gelooven. Trouwens een besluit van Zijne Majesteit heeft in dit geval voorzien, en ik moet u met leedwezen te kennen geven, dat men niemand als musketier aanneemt, zonder dat hij te voren eenige veldtochten met eere heeft medegemaakt, eenig schitterend wapenfeit bedreven, of twee jaren heeft gediend bij een ander minder begunstigd regiment dan het onze.” – D’Artagnan boog, zonder iets te antwoorden. Hij was nog meer begeerig naar het musketiersbuis, sedert hij zag, dat het zoo moeilijk te verkrijgen was. – „Maar,” ging de Tréville voort, op zijn landgenoot een doordringenden blik werpende, alsof hij in het diepste van zijn hart wilde lezen; „maar uit achting voor uw vader, mijn ouden wapenbroeder! zooals ik u heb gezegd, wil ik iets voor u doen, mijn jonge vriend! Onze jonge Bearneesche edellieden zijn gewoonlijk niet rijk, en ik twijfel zeer, of de zaken veel veranderd zijn sedert mijn vertrek uit de provincie. Gij zult dus niet veel over hebben van het geld, dat gij hebt medegebracht om van te leven.”

D’Artagnan hief het hoofd trotsch omhoog, alsof hij zeggen wilde, dat hij niet kwam bedelen. – „Goed, jonkman! zeer goed,” hernam de Tréville, „wij kennen die manieren; ik kwam te Parijs met vier kronen in den zak, en ik zou geduelleerd hebben met ieder, die mij had durven zeggen, dat ik niet in staat was het Louvre te koopen.” – D’Artagnan stak nog meer de borst vooruit; want door den verkoop van zijn paard was hij in staat zijn loopbaan met vier kronen meer te beginnen, dan de heer de Tréville de zijne begonnen was. – „Gij moet dan,” zeide hij, „zorgen, dat gij datgene blijft behouden, wat gij hebt, hoe groot deze som ook wezen moge; maar daarentegen behoort gij u ook te volmaken in al de oefeningen, welke een edelman moet kennen. Ik zal nog heden aan den directeur der koninklijke schermschool schrijven, en niet later dan morgen zal hij u zonder de minste betaling aannemen; weiger die gunst niet. De voornaamste en rijkste edellieden verzoeken er vaak om, zonder ze te kunnen verwerven. Gij zult dáár het paardrijden, de schermkunst en het dansen leeren; bovendien zult gij er goede kennissen maken, en van tijd tot tijd moet gij mij een bezoek brengen om mij uw vorderingen mede te deelen en mij te zeggen, waarin ik u van dienst kan zijn.”

D’Artagnan, hoe vreemd ook tot hiertoe aan de hofmanieren, bemerkte echter de koelheid, waarmede hij ontvangen werd. – „Helaas, mijnheer!” zeide hij, „ik bespeur eerst nu het verlies van den aanbevelingsbrief, dien mijn vader mij voor u had medegegeven.” – „Inderdaad,” antwoordde de heer de Tréville, „het verwondert mij, dat gij een zoo verre reis ondernomen hebt, zonder van dat onontbeerlijk en voor ons Bearneezen eenig reismiddel voorzien te zijn.” – „Ik had het, mijnheer! goddank! en in behoorlijken vorm!” riep d’Artagnan uit; „maar men heeft het mij verraderlijk ontroofd.” – En hij vertelde al het voorgevallen te Meung, schilderde den onbekenden edelman af tot in de geringste bijzonderheden, en met zooveel vuur, zooveel waarheid, dat de heer de Tréville er door bekoord werd.

„Dat is al zeer zonderling,” zeide deze laatste peinzend, „gij hadt dus luid over mij gesproken?” – „Welzeker, mijnheer! ik heb deze onvoorzichtigheid begaan. Wat wilt gij, een naam als de uwe moest mij onderweg tot schild verstrekken. Nu kunt gij denken, hoe dikwijls ik er mij mede bedekt heb.”

Vleitaal was destijds zeer in de mode, en de heer de Tréville hield van den wierook als een koning of een kardinaal. Hij moest dus onwillekeurig en met zeker welgevallen glimlachen; maar deze glimlach verdween spoedig, en uit zich zelven op het avontuur te Meung terugkomende, vroeg hij verder: „Zeg mij eens, had die edelman niet een klein litteeken op de wang?” – „Ja, zooals door een voorbijsnorrenden kogel wordt veroorzaakt.” – „Had hij niet een fiere gestalte?” – „Ja.” – „Groot?” – „Ja.” – „Bleek van gelaat en bruin van haar?” – „Ja, ja! hij is het wel! Hoe! kent gij dien man, mijnheer? O, als ik hem ooit ontmoet! en ik zal hem ontmoeten, dat beloof ik u, al was het in de hel!” – „Hij wachtte op een vrouw?” vroeg de Tréville verder. – „Hij is ten minste vertrokken, na een oogenblik met haar te hebben gesproken, die hij verwachtte.” – „Kent gij het onderwerp niet van hun gesprek?” – „Hij stelde haar een doos ter hand, haar tevens te kennen gevende, dat die doos haar schriftelijke bevelen behelsde, en zij ze niet eer dan te Londen mocht openen.” – „Was die vrouw een Engelsche?” – „Hij noemde haar Milady.” – „Hij is het,” mompelde de Tréville, „hij is het! Ik dacht, dat hij nog te Brussel was.” – „O, mijnheer, indien gij dien man kent!” riep d’Artagnan, „noem hem dan, zeg mij van waar hij is, en gij hebt mij geheel voldaan, zelfs ten aanzien der belofte mij onder de musketiers te doen inlijven; want vóór alles wil ik mij wreken.” – „Onthoud u dáárvan vooral, jongeling!” riep de Tréville; „integendeel, wanneer gij hem ziet naderen langs den eenen kant der straat, begeef u dan naar den anderen kant; stoot niet tegen die rots, gij zoudt als glas verbrijzeld worden.” – „Dat zal niet beletten, wanneer ik hem ooit ontmoet…” – „Zoek hem intusschen niet, als ik u raden mag.”

Eensklaps hield de Tréville op, door een plotseling vermoeden getroffen. De groote haat, welken de jongeling zoo luid tegen den man openbaarde, die, hetgeen vrij onwaarschijnlijk was, hem den brief zijns vaders zou hebben ontstolen, verborg deze haat niet het een of ander verraad? Was die jongeling niet door Zijne Eminentie uitgezonden? Was hij niet gekomen, om hem in een strik te doen loopen? Was die gewaande d’Artagnan niet een zendeling des kardinaals, dien men poogde in zijn huis te doen aannemen en bij hem te plaatsen, ten einde zijn vertrouwen te winnen en hem daarna te doen vallen, zooals duizendmaal het geval geweest was?.. Hij beschouwde d’Artagnan voor den tweeden keer met nog meer scherpheid dan den eersten keer en was maar tamelijk gerustgesteld door dat van stoutmoedige geestigheid en geveinsde nederigheid getuigende gelaat. – „Ik weet wel, dat hij een Gaskonjer is,” dacht hij, „maar hij kan het evengoed voor den kardinaal als voor mij wezen. Laat zien, laat ons hem eens beproeven. – Mijn vriend!” sprak hij op gerekten toon, „ik wil tot u als tot den zoon van mijn ouden vriend spreken (ik beschouw het gebeurde met den verloren brief als waarheid), ik wil, zeg ik, om de koelheid, welke gij aanvankelijk in mijn ontvangst hebt opgemerkt, u de geheimen onzer staatkunde openbaren. De koning en de kardinaal zijn de beste vrienden der wereld; hun schijnbare oneenigheden dienen slechts, om den onnoozelen een rad voor de oogen te draaien. Ik wil niet, dat een landgenoot, een ridderlijk, braaf jongeling, die vooral moet worden voortgeholpen, door al die veinzerij bedrogen wordt en als een lomperd in den strik valt, waarin zoovelen zich verloren hebben… Wees indachtig, dat ik die beide alvermogende meesters geheel en al ben toegedaan, en dat mijn ernstige bemoeiingen nooit anders ten doel zullen hebben, dan den dienst des konings en dien van den kardinaal, een der uitstekendste mannen die Frankrijk heeft voortgebracht. Richt u daarom hiernaar, en mocht gij, hetzij uit hoofde van familiebeweegredenen of andere betrekkingen, of zelfs als het ware ingeschapen, den kardinaal een zekere vijandschap toedragen, zooals men die bij onze edellieden ziet, zeg mij dan vaarwel en laat ons scheiden. Ik zal u in alle omstandigheden behulpzaam zijn, maar zonder u aan mijn persoon te verbinden. Ik hoop, dat in alle geval mijn openhartigheid u tot mijn vriend zal maken, want tot hiertoe zijt gij de eerste, met wien ik gesproken heb zooals ik thans doe.”

De Tréville zeide bij zich zelven: „Indien de kardinaal op mij dien loozen vos heeft afgezonden, zal hij zeker niet in gebreke zijn gebleven, daar hij zeer goed weet in welke mate ik hem verfoei, hem te zeggen, dat het beste middel om in mijn gunst te komen hierin bestaat, mij van hem het ergste te verhalen; ook zal de slimme snaak, ondanks mijn betuigingen, mij zeker ten antwoord geven, dat hij voor Zijne Eminentie een onverwinnelijken afschuw heeft.” – Maar het was geheel anders dan de heer de Tréville zich voorgesteld had. D’Artagnan antwoordde met de grootste eenvoudigheid: „Mijnheer! ik ben te Parijs gekomen met dezelfde bedoelingen. Mijn vader heeft mij aanbevolen, van niemand dan van den koning, van den kardinaal en van u iets te verdragen; want hij beschouwt u drieën als de eerste personen van Frankrijk.” – D’Artagnan, zooals men ziet, voegde den heer de Tréville bij de twee overigen; want hij begreep dat die toevoeging niet schaden kon. – „Ik heb dus de grootste achting voor mijnheer den kardinaal,” vervolgde hij, „en den diepsten eerbied voor zijn daden. Het is des te beter voor mij, mijnheer! indien gij tot mij openhartig spreekt; want in dat geval zult gij mij wel de eer aandoen, mij uit hoofde dezer gelijkheid van denkwijze achting toe te dragen; maar indien gij eenig wantrouwen mocht gekoesterd hebben, ’t geen trouwens zeer natuurlijk zoude zijn, gevoel ik, dat ik mij benadeel door de waarheid te zeggen; des te erger voor mij; intusschen zult gij mij uw achting niet onthouden; dit is mij ter wereld het meest waard.”

De heer de Tréville was uiterst verwonderd. Zooveel scherpzinnigheid, kortom, zooveel openhartigheid brachten hem in bewondering, maar ontnamen hem echter niet al zijn wantrouwen; hoe meer die jongeling boven andere jongelieden uitstak, des te meer was hij, ingeval hij zich in hem bedrogen had, te vreezen. – „Gij zijt een braaf jongeling! maar voor het oogenblik is het mij niet mogelijk iets meer te doen, dan hetgeen ik u zooeven aanbood. Mijn deur zal voor u steeds open zijn. Later, daar gij alle oogenblikken mij iets zult kunnen vragen, zult gij waarschijnlijk datgene verkrijgen, wat gij verlangt.” – „Dat wil zeggen, mijnheer! dat gij zult wachten, tot zoolang ik mij dit waardig zal hebben gemaakt? Maar wees gerust,” voegde hij met Gaskonjische gemeenzaamheid er bij: „gij zult niet lang wachten,” en hij groette, om zich te verwijderen, alsof hij voortaan zich zelven met het overige, dat hem betrof, wel zou belasten.

„Maar wacht toch,” zeide de heer de Tréville, hem tegenhoudende, „ik heb u immers een brief voor den direkteur der koninklijke schermschool beloofd. Zijt ge te trotsch om dien aan te nemen, mijn jonge edelman?” – „Neen, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ik verzeker u, dat het met dezen niet zal gaan als met den anderen. Ik zal hem zoo goed weten te bewaren, dat hij zal komen waar hij behoort, dat bezweer ik u! en wee hem, die het zou beproeven mij dien te ontnemen.”

De heer de Tréville glimlachte over deze grootspraak, en zijn jongen landgenoot bij het venster latende, waar zij gestaan en met elkaar gesproken hadden, zette hij zich aan een tafel en schreef den beloofden aanbevelingsbrief. Onderwijl trommelde d’Artagnan, die niets anders te doen had, een marsch op de vensterruiten en keek de musketiers na, die achtereenvolgens vertrokken, terwijl hij hen zoo lang in het oog hield, totdat zij om den hoek der straat verdwenen. De heer de Tréville, na den brief geëindigd te hebben, verzegelde dien, en, opstaande, naderde hij den jongeling, om hem dien ter hand te stellen; maar op hetzelfde oogenblik, dat d’Artagnan de hand uitstrekte om hem aan te nemen, was de heer de Tréville zeer verbaasd, hem een sprong te zien maken, rood van kwaadheid te zien worden, en het kabinet uit te stormen, uitroepende: „O, sangdieu! nu zal hij mij niet ontkomen.” – „En wie dat?” vroeg de heer de Tréville. – „Hij, mijn dief!” antwoordde d’Artagnan. „Wacht verrader!” en hij verdween.

„Duivelsche gek!” mompelde de Tréville. „Ten minste,” voegde hij er bij, „als dat niet een slimme manier is, om zich uit de voeten te maken, nu hij ziet, dat zijn poging mislukt is.”

HOOFDSTUK IV.
De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van Aramis

Als woedend snelde d’Artagnan de voorkamer door en bereikte in drie sprongen de trap, van welke hij de treden even snel wilde afspringen, maar in zijn vaart stormde hij blindelings tegen een musketier aan, die door een zijdeur het hotel verliet; zijn hoofd stiet zoo geweldig tegen den schouder des musketiers, dat dezen een kreet, of liever een gebrul ontglipte. – „Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die zijn loop trachtte te hervatten, „verschoon mij, ik heb haast.” – Doch nauwelijks had hij den voet op de eerste trede gezet, of een ijzersterke vuist greep hem bij zijn sjerp en hield hem staande. – „Gij hebt haast!” riep de musketier, wit als een lijkkleed, „en gij stoot mij onder dat voorwendsel; gij zegt, verschoon mij! en gij meent, dat dit voldoende is? Geloof dat niet, jonkman! Is het, omdat gij den heer de Tréville ons een weinig hard hebt hooren toespreken, dat gij meent, dat men met ons kan handelen, zooals hij ons toesprak? Waan dit niet, vriendje! gij! gij zijt de heer de Tréville niet!” – „Ik verzeker u, ik heb het niet met opzet gedaan,” antwoordde d’Artagnan, Athos herkennende, die, nadat hij verbonden was, naar huis ging, „en dewijl ik het niet opzettelijk deed, vraag ik u om verschooning. Ik meen nu, dat dit genoeg is. Ik herhaal u intusschen, en misschien is dit voor het oogenblik te veel, dat ik, op mijn woord van eer, haast heb en zeer veel haast. Laat mij dus los, ik verzoek het u, en laat mij gaan, waar mijn zaken mij roepen.” – „Mijnheer!” zeide Athos, hem los latende, „gij zijt niet beleefd. Men ziet wel aan u, dat gij van verre komt.” – D’Artagnan was reeds drie of vier treden afgegaan, doch op de aanmerking van Athos bleef hij plotseling staan. – „Morbleu! mijnheer,” zeide hij, „van hoe verre ik kom, gij zijt het niet, die mij een les in wellevendheid zult geven, dat verzeker ik u.” – „Misschien,” hernam Athos. – „O! als ik zooveel haast niet had,” riep d’Artagnan, „en ik niet iemand op de hielen zat…” – „Mijnheer de haastige! gij behoeft mij niet na te loopen, om mij te vinden, hoort gij?” – „En waar, als het u belieft?” – „In den omtrek van het Barrevoeter-Karmelieten-klooster.” – „Hoe laat?” – „Om twaalf uur.” – „Om twaalf uur; – het is wel, ik zal er wezen.” – „Tracht mij niet te lang te laten wachten, want kwartier na twaalven, hoort gij? zal ik het zijn, die u zal naloopen en al naloopende u de ooren zal afsnijden.” – „Goed!” riep hem d’Artagnan toe, „men zal er tien minuten voor twaalven zijn.”

Als door den duivel voortgejaagd, spoedde hij zich voort, altijd in de hoop zijn onbekende te zullen achterhalen, wiens langzame tred hem nog niet ver kon gebracht hebben. Maar voor de straatdeur stond Porthos, in gesprek met een der wachtdoende soldaten. Tusschen beide praters was niet meer ruimte dan ter doorlating van een persoon. D’Artagnan oordeelde, dat deze ruimte voldoende voor hem was, en als een pijl uit den boog wierp hij zich tusschen beiden. Maar d’Artagnan had niet op den wind gerekend; immers juist toen hij zijn vaart nam, spreidde de wind den grooten mantel van Porthos uit, zoodat d’Artagnan vlak tegen denzelven inliep. Ongetwijfeld had Porthos reden dit belangrijk gedeelte van zijn gewaad niet te laten glippen; want in plaats van den slip, dien hij vasthield, los te laten, trok hij dien tot zich, zoodat d’Artagnan, door een ronddraaiende beweging, ontstaan ten gevolge van het halsstarrig vasthouden van Porthos, in het fluweel werd gerold. – D’Artagnan, die den musketier hoorde vloeken, wilde van onder den mantel, die hem verblindde, uitkomen, en trachtte in de plooien den weg te vinden. Hij vreesde vooral de nieuwheid van den prachtigen bandelier, dien wij kennen, beschadigd te hebben, want schroomvallig de oogen openende, bevond hij zich met zijn neus tusschen de beide schouders van Porthos, en wel juist op den bandelier. Helaas! zooals de waarde der meeste dingen dezer wereld slechts schijnbaar is, zoo was het ook met den bandelier, die van voren goud, maar van achter eenvoudig van buffelleder was. Porthos, als een echt pronker, die geen geheel gouden bandelier kan verkrijgen, had er althans een gedeeltelijk van goud. Men begrijpt hieruit de noodzakelijkheid eener verkoudheid, en bijgevolg de behoefte van een mantel.

„Ventrebleu!” riep Porthos, alle moeite doende zich van d’Artagnan te ontslaan, die zich op zijn rug verwrong, „zijt gij dan razend, de menschen zóó op het lijf te vallen!” – „Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die van onder den schouder van den reus kwam, „ik heb haast, ik loop iemand na, en…” – „Laat gij bij geval uw oogen te huis, wanneer gij iemand naloopt?” vroeg Porthos. – „Neen!” antwoordde d’Artagnan geraakt, „neen, en wel met mijn oogen zie ik iets, dat anderen niet zien.” – Porthos begreep het of niet; maar hoe het ook zij, hij werd driftig en riep: „Mijnheer! gij zult u laten afranselen, dat zeg ik u, indien gij op die wijze met de musketiers in aanraking komt.” – „Afranselen! mijnheer!” zeide d’Artagnan, „dat woord is niet zeer kiesch.” – „Dat is de spreekwijze van iemand, die gewoon is zijn vijanden onder de oogen te zien.” – „O, pardieu! ik weet wel, dat gij de uwe den rug niet toekeert.” – En de jongeling, verheugd over zijn tergende geestigheid, verwijderde zich, luid lachende. – Porthos schuimbekte van woede en deed een beweging om d’Artagnan aan te vallen. – „Later, later!” riep deze, „wanneer gij uw mantel zult hebben afgelegd.” – „Dus te een uur, achter het Luxembourg.” – „Zeer goed, te een uur,” antwoordde d’Artagnan, den hoek der straat omslaande.

Maar noch in de straat, die hij was doorgeloopen, noch in die, welke zijn blik thans overzag, ontwaarde hij iemand. Hoe langzaam de vreemdeling ook ware voortgetreden, hij had veel wegs afgelegd, of misschien was hij een of ander huis binnengegaan. D’Artagnan vroeg naar hem aan al degenen, die hij ontmoette, vervolgde zijn weg tot aan de overzetpont, keerde terug langs de straat de Seine en de la Croix Rouge, maar hij bespeurde niets, volstrekt niets. Intusschen was deze tocht hem in zooverre nuttig, dat, hoe meer het zweet zijn voorhoofd besproeide, zijn bloed meer en meer verkoelde. Hij begon toen over zijn wedervaren na te denken; het was van velerlei aard en weinig goeds voorspellend: Immers, nauwelijks te elf uur in den ochtend, had hij zich reeds de ongenade van den heer de Tréville op den hals gehaald, daar deze zeker zijn zonderlinge wijze van afscheid te nemen niet zeer wellevend moest gevonden hebben. Bovendien had hij onder weg een paar geduchte tweegevechten opgedaan, en wel met twee mannen, die elk voor zich in staat waren drie d’Artagnans naar de andere wereld te zenden: namelijk met twee musketiers, dat is te zeggen, met twee dier wezens, voor welke hij zooveel achting koesterde, dat hij ze bij zich zelven boven alle andere menschen stelde. – Zijn toestand was treurig. Zeker door Athos te worden neergeveld, begrijpt men, dat de jongeling zich niet veel om Porthos bekommerde. Nochtans, daar de hoop het laatste is, wat in ’s menschen hart wordt uitgedoofd, koesterde hij eindelijk de hoop in het leven te zullen blijven, wel te verstaan, na hevige wonden in die beide tweegevechten ontvangen te hebben, en ingeval van overleving deed hij zich voor de toekomst de navolgende vermaningen:

„Hoe heb ik toch zoo onbedachtzaam kunnen handelen en wat een domkop ben ik! Dien dapperen, ongelukkigen Athos met mijn hoofd, als met een stormram, juist tegen zijn gekwetsten schouder te loopen! Zeer verwondert het mij, dat hij mij niet dadelijk heeft doorstoken; hij had hiertoe het recht; immers de smart, die ik hem heb veroorzaakt, moet vreeselijk zijn geweest. Wat Porthos betreft… ha! op mijn woord, dat is een vrij koddige geschiedenis!” En onwillekeurig begon de jongeling te lachen, doch tevens keek hij bedachtzaam rond, of deze onverklaarbare lachlust niet den een of anderen voorbijganger zou kunnen beleedigen. „Wat Porthos betreft, dat is een vrij koddige historie, maar ik ben desniettemin een ellendige dommerik. Mag men derwijze de lieden tegen het lijf loopen, zonder te voren: maak plaats! te roepen? Neen!.. En mag men hen onder hun mantel gaan bekijken, om te zien wat er niet is te zien? Hij zou mij zeker hebben verschoond, en mij hebben laten loopen, indien ik mij niet op die verbloemde, spottende wijze over dien vervloekten bandelier had uitgelaten; waarachtig! mijn woorden waren fraai verbloemd! O! vervloekte Gaskonjer, die ik ben! de lust tot spotten zal mij nog bekruipen, al word ik gebraden. Welaan, d’Artagnan, mijn vriend!” ging hij voort, zich toesprekende met al de welwillendheid, welke hij meende zich zelven verschuldigd te zijn. „Indien het u gelukt dit gevaar te ontkomen, wat niet waarschijnlijk is, is het noodzakelijk voortaan de grootste beleefdheid in acht te nemen. In het vervolg moet ge u doen bewonderen, als een voorbeeld zien aanwijzen. Beleefd en voorkomend is niet lafhartig zijn. Welnu, heeft ooit iemand er aan gedacht te zeggen, dat Aramis een lafaard is? Immers volstrekt niet; derhalve van heden aan zal ik mij in alle opzichten aan hem spiegelen… Ha! daar is hij juist.”

D’Artagnan, onder deze alleenspraak zijn weg vervolgende, was op eenige schreden van het hôtel d’Aiguillon genaderd, en daar voor zag hij Aramis, in vroolijken kout met drie edellieden van ’s konings lijfwacht. Ook Aramis had d’Artagnan bespeurd, doch wijl hij nog niet vergeten was, dat het in de tegenwoordigheid van dien jongeling was, dat de heer de Tréville zich des morgens zoo kwaad had gemaakt, en dewijl een getuige dezer den musketiers gedane vermaningen hem in geenen deele aangenaam was, nam hij den schijn aan hem niet te zien. D’Artagnan integendeel, vervoerd door zijn vredelievende voornemens van wellevendheid, naderde de vier jongelieden en maakte een diepe buiging, die hij liet vergezeld gaan van een zoo bevallig mogelijken glimlach. Aramis knikte even met het hoofd, doch glimlachte niet; terwijl alle vier onmiddellijk hun gesprek staakten.

D’Artagnan was niet dom genoeg om niet te bemerken, dat hij te veel was; maar de manieren der groote wereld waren hem nog te vreemd, om op geschikte wijze uit dien neteligen toestand te geraken, waarin gewoonlijk hij zich bevindt, die zich bij lieden voegt, welke hij nauwelijks kent, en zich in een gesprek mengt, dat hem niet aangaat. Hij peinsde dus op een geschikt middel om zich te verwijderen, toen hij bemerkte, dat de zakdoek van Aramis op den grond lag en hij, waarschijnlijk zonder opzet, er den voet op had gezet; dit voorval scheen hem gunstig ter herstelling zijner onwelvoeglijkheid, hij boog zich en met al de bevalligheid, welke hij kon ten toon spreiden, trok hij den zakdoek van onder den voet des musketiers weg, welke pogingen deze ook aanwendde om dien vast te houden, en zeide, hem dien overhandigende: „Ik geloof, mijnheer! dat gij dezen zakdoek niet gaarne zoudt willen verliezen.”

De zakdoek was werkelijk met prachtig borduursel omzoomd, en aan een der hoeken met een kroon en een wapen gemerkt. Aramis werd bloedrood en rukte, eer dan hij hem aannam, den zakdoek uit de handen van den Gaskonjer. – „Ha! ha!” riep een der gardes uit, „durft gij nu nog zeggen, achterhoudende Aramis! dat gij met mevrouw de Bois-Tracy in onmin zijt, terwijl die bekoorlijke dame u zoo goedgunstig haar zakdoeken leent.” – Aramis wierp op d’Artagnan een dier blikken, welke te verstaan geven, dat men zich een onverzoenlijken vijand gemaakt heeft; vervolgens zeide hij met zijn zachte stem: „Gij bedriegt u, mijne heeren! die zakdoek behoort mij niet, en ik weet niet welke gril dien heer noopt hem aan mij, liever dan aan een uwer te geven; om u te bewijzen dat hij mij niet behoort: ziedaar den mijne in mijn zak.” – Bij deze woorden haalde hij zijn eigen zakdoek te voorschijn, een zakdoek even fraai en ook van fijn batist, hoewel die stof destijds zeer duur was; overigens was hij zonder borduursel, zonder wapen en alleen gemerkt met het naamcijfer des eigenaars.

D’Artagnan bleef het diepste stilzwijgen bewaren; hij begreep zijn onhandigheid. Intusschen lieten de vrienden van Aramis zich door die ontkenning niet overtuigen, en een hunner, met geveinsden ernst zich tot den jeugdigen musketier wendende, zeide: „Indien het is, zooals gij voorgeeft, dan zou ik genoodzaakt zijn, mijn waarde Aramis! van u dien doek terug te eischen, want het moet u bekend zijn, dat Bois-Tracy een mijner beste vrienden is; en ik wil niet, dat men de voorwerpen zijner vrouw als zegeteekens ronddraagt.” – „Gij vraagt hem op een geheel ongepaste wijze,” antwoordde Aramis, „en hoezeer de billijkheid uwer vordering, wat de zaak zelve betreft, erkennende, moet ik echter weigeren uit hoofde van den vorm, waarin die gedaan wordt.” – „Het is waar,” waagde d’Artagnan hier bij te voegen, „dat ik den doek niet uit den zak van den heer Aramis heb zien vallen. Hij stond er met den voet op, en bijgevolg dacht ik, dat hij hem behoorde.” – „En gij hebt u bedrogen, mijn waarde heer!” antwoordde Aramis koel en zeer weinig gevoelig voor deze genoegdoening. Toen zich tot den edelman wendende, die zich den vriend van Bois-Tracy had verklaard, vervolgde hij: „Buitendien bedenk ik, waarde boezemvriend van de Bois-Tracy, dat ik niet minder dan gij het zelf kunt zijn, zijn boezemvriend ben, zoodat de zakdoek, wèl beschouwd, even goed uit uw zak als uit den mijne kan zijn gevallen.” – „Neen, op mijn eer!” riep de garde van Zijne Majesteit. – „Gij zweert op uw eer en ik op mijn woord; bijgevolg moet noodzakelijk een van ons beiden liegen. Maar doen wij beter, Montaran! deelen wij hem.” – „Den zakdoek?” – „Ja, dat is een heerlijk denkbeeld!” riepen de beide andere gardes. „Salomons oordeel!” – „Waarachtig, Aramis! gij zijt vol wijsheid.” – De jongelingen barstten in een luid gelach uit, en zooals men wel kan denken, werd over dat geval niet verder gesproken. Na weinige oogenblikken was het gesprek uitgeput, en de drie lijfwachten en de musketier, na elkander vriendschappelijk de hand gedrukt te hebben, vertrokken, de gardes langs den eenen en Aramis langs den anderen kant.

„Het oogenblik is nu gekomen om mij met dien bevalligen heer te verzoenen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, terwijl hij zich gedurende het laatste gedeelte van het gesprek een weinig had verwijderd gehouden; en met dat goede denkbeeld bezield Aramis naderende, die zich verwijderde zonder verder eenige acht meer op hem te slaan, zeide hij: „Mijnheer, ik hoop dat gij mij wel zult willen verschoonen.” – „Och, mijnheer!” hernam Aramis, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij in deze omstandigheid niet hebt gehandeld zooals het een wellevend man betaamt.” – „Wat, mijnheer! gij veronderstelt…?” – „Ik veronderstel, mijnheer, dat gij niet gek zijt, en gij wel weet, ofschoon gij van Gaskonje komt, dat men niet zonder reden op zakdoeken trapt. Wat duivel! Parijs is niet met batist bestraat.” – „Mijnheer! gij doet niet wel mij te willen vernederen,” zeide d’Artagnan, wiens aangeboren twistzucht zich boven zijn vreedzame voornemens verhief. „Ik kom van Gaskonje, dat is waar, en dewijl gij zulks weet, behoef ik u niet te zeggen, dat de Gaskonjers niet zeer verdraagzaam zijn, zoodat, wanneer zij eenmaal bekennen een dwaasheid te hebben begaan, zij reeds bij zich zelven volkomen verzekerd zijn de helft meer te doen dan zij moesten.” – „Mijnheer!” antwoordde Aramis, „wat ik u zeg is niet om twist te zoeken. Goddank! ik ben geen vechtersbaas en slechts voorloopig musketier, bijgevolg ga ik slechts dan tot een tweegevecht over, wanneer ik er toe gedwongen word; maar trouwens steeds met grooten weerzin. Maar deze zaak is ernstig, want de goede naam eener dame wordt door u bedorven.” – „Door ons, wilt gij zeggen!” riep d’Artagnan. – „Waarom zijt gij zoo onhandig geweest mij dien doek te geven?” – „Waarom zijt gij zoo onhandig geweest hem te verliezen?” – „Ik heb het u gezegd en ik herhaal het, mijnheer! dat die zakdoek niet uit mijn zak is gekomen.” – „Welnu, dan liegt gij voor de tweede maal, mijnheer! want ik heb hem er zien uitvallen.” – „Ha! gij slaat dien toon aan, mijnheer de Gaskonjer? maar wacht, ik zal u leeren wellevend te zijn!” – „En ik zal u naar uw mis doen terugkeeren, mijnheer de pastoor! trek uit uw degen, en als gij zoo goed wilt zijn, oogenblikkelijk.” – „Nog niet, als het u belieft, mijn lieve vriend! althans niet hier. Ziet gij niet, dat wij juist voor het hôtel d’Aiguillon zijn, dat vol is met dienaren des kardinaals. Wie verzekert mij, dat het Zijne Eminentie niet is, die u heeft belast hem mijn hoofd te bezorgen; maar dewijl ik nog al tamelijk aan mijn hoofd ben gehecht, aangezien het vrij goed op mijn schouders past, zal ik u het leven ontnemen, maak u daar maar niet ongerust over, doch zonder gerucht, op een besloten stille plek; dáár, waar gij bij niemand op uw dood kunt roemen.” – „Gaarne, maar vertrouw hierop niet te veel, en neem den zakdoek mede, of hij u toebehoort of niet, misschien zal hij u te stade komen.” – „Mijnheer is Gaskonjer?” vroeg Aramis. – „Ja, maar mijnheer schijnt uit voorzichtigheid de plaats des gevechts niet te bepalen.” – „De voorzichtigheid, mijnheer! is een volkomen nuttelooze deugd voor musketiers, dat weet ik zeer goed; maar dezelve is onmisbaar voor een geestelijke, en dewijl ik slechts voorloopig musketier ben, wil ik voorzichtig blijven. Te twee uur zal ik de eer hebben u in het hotel des heeren de Tréville te wachten, dáár zal ik met u omtrent een geschikte plaats overeenkomen.”

Beide jongelingen groetten elkander, en Aramis verwijderde zich langs de straat, die naar het Luxembourg leidde, terwijl d’Artagnan, bemerkende dat het te laat werd, den weg naar de Barrevoeter-Karmelieten inslaande, bij zich zelven sprak: „Het is stellig, daar kom ik niet van terug; maar indien ik sterf, zal ten minste een musketier mij den dood hebben gegeven.”

HOOFDSTUK V.
De musketiers des konings en de lijfwacht van den kardinaal

D’Artagnan kende niemand te Parijs. Hij begaf zich alzoo naar de met Athos afgesproken plaats zonder getuigen, voornemens zich met die tevreden te stellen, welke zijn wederpartij zou gekozen hebben. Buitendien was zijn stellig besluit, den dapperen musketier een betamelijke voldoening te geven, echter zonder zwakheid te toonen, daar hij vreesde dat dit tweegevecht een even rampzalig gevolg zou hebben als elke zaak van dien aard, wanneer een jong en sterk jongeling tegenover een gewonden en verzwakten vijand staat: overwonnen, is de zegepraal van dezen dubbel, en overwinnaar, zou men hem van overmacht en een gemakkelijke moedvertooning beschuldigen. – Ten overvloede (of wij zouden het karakter van onzen fortuinzoeker slecht moeten geschetst hebben) heeft onze lezer reeds moeten bemerken, dat d’Artagnan niet onder de gewone soort van menschen behoorde. En ofschoon bij zich zelven verzekerd, dat zijn dood onvermijdelijk was, wilde hij zich niet onderwerpen en zich zoo gedwee den dood overleveren, zooals een ander, minder moedig en minder gematigd dan hij, in zijn plaats zou gedaan hebben. Hij overwoog de verschillende geaardheden dergenen, waartegen hij moest kampen, en begon een meer helder doorzicht in zijn zaak te krijgen. Hij hoopte door middel eener edele genoegdoening, welke hij zich voornam Athos te doen, dezen zich tot vriend te maken, daar buitendien zijn voorname houding en zijn ernstig gelaat hem bijzonder wèl bevielen. Porthos vleide hij zich, door middel van hetgeen hij van den bandelier wist, in verlegenheid te brengen, voornemens zulks, zoo hij niet sneuvelde, aan de geheele wereld te verhalen, welk verhaal, met geestigheid voorgedragen, Porthos in een allerbelachelijkst daglicht moest stellen. Eindelijk, wat den stillen Aramis betreft, voor dezen was hij niet bevreesd, en in de veronderstelling dat hij met hem ook aan de beurt zou komen, belastte hij zich hem goed en wel naar de andere wereld te zenden, of ten minste hem derwijze in het aangezicht te treffen, zooals Cesar had aangeraden het den soldaten van Pompejus te doen, dat voor altijd zijn fraai gelaat, waarop hij zoo trotsch was, geschonden zou zijn.

Daarenboven was d’Artagnan met onwrikbare standvastigheid bezield, voor wat hem door zijn vader zoo ernstig op het hart was gedrukt, en die voornamelijk hierin bestond: dat hij van niemand iets zou verdragen dan van den koning, van den kardinaal en van den heer de Tréville. Hij vloog veeleer dan hij liep naar het klooster der Barrevoeter-Karmelieten, een gebouw zonder vensters en omringd door dorre weilanden, zeer geschikt voor de tweegevechten dergenen, die den tijd niet hadden naar den Pré aux Clercs te gaan, en die in dat geval de eerstgenoemde plek kozen.

Toen d’Artagnan de kleine, bijna niet in het oog vallende plek ontwaarde, die zich aan den voet des kloosters uitstrekte, bevond Athos zich reeds dáár sedert vijf minuten, ofschoon het juist twaalf uur sloeg. Hij was dus even stipt als de Samaritaansche, en de nauwgezetste waarnemer der voorschriften van het tweegevecht zou geen aanmerkingen hebben kunnen maken. – Athos, die nog aan zijn wonde vreeselijk leed, hoewel zij opnieuw door den wondheeler van den heer de Tréville verbonden was, zat op een paal en wachtte zijn vijand met die geruste en waardige houding, welke hem nooit verliet. – D’Artagnan ziende, stond hij op en deed beleefd eenige schreden voorwaarts. Deze van zijn kant naderde zijn tegenpartij met den hoed in de hand, dien hij zoo laag afnam, dat de pluim over den grond sleepte.

„Mijnheer!” zeide Athos, „ik heb twee mijner vrienden doen verzoeken mijn getuigen te zijn, maar die beide heeren zijn nog niet hier. Het verwondert mij, dat zij zoo lang verwijlen, dat is hun gewoonte niet.” – „Ik voor mij heb geen getuigen, mijnheer,” zeide d’Artagnan, „want eerst sedert gisteren te Parijs gekomen, heb ik nog met niemand kennis gemaakt dan met den heer de Tréville, aan wien ik ben aanbevolen geworden door mijn vader, die de eer heeft onder zijn vrienden geteld te worden.”

Athos overwoog nog een oogenblik. – „Gij kent niemand hier dan den heer de Tréville?” vroeg hij. – „Alleen hem, mijnheer!” – „Welzoo!” ging Athos voort, gedeeltelijk tot zich zelven, gedeeltelijk tot d’Artagnan zich richtende, „welzoo! maar als ik u het leven ontneem, zal ik wel een kindervreter gelijken.” – „Het is zoo erg niet, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan met een groet, die niet van waardigheid was ontbloot: „zoo erg niet, daar gij mij de eer aandoet den degen tegen mij te trekken, terwijl gij gewond zijt op een wijze, die u niet weinig moet hinderen.” – „Op mijn woord, de wond hindert mij zeer, en gij hebt mij een duivelsche pijn veroorzaakt; ik kan het niet anders zeggen; maar ik zal de linkerhand gebruiken, dat is mijn gewoonte in dergelijke omstandigheden. Geloof daarom niet, dat ik u genade doe, ik gebruik den degen even goed met beide handen; het zal u zelfs nadeelig zijn; want een linksche maakt het hem, die hierop niet is voorbereid, vrij lastig. Het doet mij dan ook leed, u niet eer van deze bijzonderheid te hebben verwittigd.” – „Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, opnieuw groetende, „ik ben u ten uiterste verplicht voor uw beleefdheid.” – „Gij maakt mij beschaamd,” hernam Athos met edelen zwier, „ik bid u, spreken wij over iets anders, als dit u niet onaangenaam is. – O, sangbleu! wat pijn hebt gij mij gedaan, mijn schouder gloeit!” – „Indien gij mij wildet veroorloven…” zeide d’Artagnan schroomvallig. – „Wat, mijnheer!” – „Ik bezit een wonderdoenden balsem voor wonden; mijn moeder heeft mij dien gegeven en op mij zelven heb ik hem reeds beproefd.” – „Welnu?” – „Welnu, ik ben zeker, dat binnen drie dagen uw wonde door dien balsem zal genezen zijn; en na verloop van drie dagen, wanneer die genezing volkomen is, dan, mijnheer! zal het mij tot veel eer verstrekken tot uw dienst te zijn.” – D’Artagnan sprak deze woorden met een eenvoudigheid uit, die aan zijn beleefdheid eer deed, zonder echter iets van zijn moed te ontnemen.

„Pardieu! mijnheer!” riep Athos, „dat voorstel behaagt mij, hoewel ik het niet aanneem, maar omdat mij dit in u den edelman doet herkennen. Het was op die wijze, dat de dappere ridders ten tijde van Karel den Groote spraken en handelden, en ieder edelman moest ze zich ten voorbeeld stellen. Ongelukkig leven wij niet in den tijd van den grooten keizer; wij zijn tijdgenooten van den kardinaal, en na drie dagen, hoe zorgvuldig men het geheim ook bewaard moge hebben, zal men weten, dat wij een tweegevecht hadden bepaald, en zou men het derhalve beletten. Maar wacht eens, zullen die straatslijpers nog niet gaan verschijnen?” – „Indien gij haast hebt, mijnheer!” vroeg d’Artagnan even eenvoudig als een oogenblik te voren, toen hij aan Athos voorstelde het gevecht drie dagen uit te stellen; „indien gij haast hebt, mijnheer! en gij verlangt dat aan de zaak zonder verwijl een einde wordt gemaakt, wacht dan niet, bid ik u.” – „Wat gij daar zegt is wederom iets, dat mij zeer behaagt,” zeide Athos, d’Artagnan vriendelijk groetende, „gij bewijst hierdoor verstand en bijgevolg moed te bezitten, mijnheer! Ik heb achting voor lieden van uw soort, en ik voorzie, dat, als wij elkander het leven niet ontnemen, ik later veel genoegen in uw gezelschap zal smaken. Wachten wij intusschen die heeren, ik heb al den tijd, en het is een vereischte… Ha! ziedaar reeds een hunner, geloof ik.” – Het was waar, aan het einde der straat Vaugirard begon men de reusachtige gestalte van Porthos te onderkennen.

„Hoe!” riep d’Artagnan, „is een uwer getuigen de heer Porthos?” – „Ja, bevalt u dat niet?” – „Wel zeker!” – „En ziedaar de tweede.” – D’Artagnan wendde zich naar de zijde, welke Athos hem aanwees en hij herkende Aramis. – „Hoe!” herhaalde hij met nog meer verbazing dan de eerste maal, „is uw tweede getuige de heer Aramis?” – „Ongetwijfeld! weet gij dan niet, dat men ons steeds in elkanders gezelschap ziet, en ons bij de musketiers, bij de lijfwacht en in de stad, zoowel als aan het hof, Athos, Porthos en Aramis, of de drie onafscheidelijken noemt? Maar aangezien gij van Dax of van Pau komt…” – „Van Tarbes,” hernam d’Artagnan. – „Is het u geoorloofd met deze bijzonderheid onbekend te zijn,” zeide Athos. – „Op mijn woord,” hernam d’Artagnan, „men heeft u den rechten naam gegeven, mijne heeren! en mijn ontmoeting, indien ze ruchtbaar wordt, zal ten minste bewijzen, dat uw vriendschap voor elkander op geen tegenstrijdigheden is gegrond.”

Onderwijl was Porthos genaderd en had Athos met de hand gegroet; vervolgens zich naar d’Artagnan wendende, bleef hij vol verbazing staan. – Wij zullen in het voorbijgaan zeggen, dat hij van bandelier verwisseld was en zijn mantel had afgelegd. – „Hoe! wat beteekent dat?” – „Ik duelleer met mijnheer,” zeide Athos, d’Artagnan met den vinger aanwijzende en zijn vrienden met de hand groetende. – „Ik ook moet met hem vechten,” zeide Porthos. – „Maar niet vóór een uur,” antwoordde d’Artagnan. – „En ook ik heb een tweegevecht met mijnheer,” zeide Aramis op zijn beurt, op het slagveld verschijnende. – „Maar niet vóór twee uur,” zeide d’Artagnan even bedaard. – „Maar om welke reden vecht gij, Athos?” vroeg Aramis. – „Inderdaad, ik weet het bijna zelf niet; hij heeft mij den schouder bezeerd; en gij, Porthos?” – „Wel, ik vecht om te vechten,” antwoordde Porthos blozende. – Athos, die alles opmerkte, zag de lippen van den Gaskonjer zich tot een onmerkbaren glimlach vertrekken. – „Wij zijn ’t oneens geweest over de wijze van zich te kleeden,” zeide de jongeling. – „En gij, Aramis?” vroeg Athos. – „De reden van mijn tweegevecht betreft de godgeleerdheid,” antwoordde Aramis, terwijl hij d’Artagnan door een stillen wenk verzocht de oorzaak van het duel geheim te houden. – Athos zag toen een tweeden glimlach op de lippen van d’Artagnan verschijnen. – „Waarlijk!” riep Athos. – „Ja, het betreft een stelling van den heiligen Augustinus, omtrent welke wij het niet eens zijn,” zeide de Gaskonjer. – „Het is niet te betwisten, hij heeft vernuft,” mompelde Athos.

„En nu, terwijl gij vereenigd zijt, mijne heeren! verzoek ik u, mijn verontschuldigingen aan te hooren.” – Op het woord verontschuldiging verdonkerde het voorhoofd van Athos, een trotsche glimlach zweefde op de lippen van Porthos, en een weigerend gebaar was het antwoord van Aramis. – „Gij begrijpt mij niet, mijne heeren!” hernam d’Artagnan, het hoofd opheffende, van hetwelk een zonnestraal de fijne en toch scherpe lijnen verguldde; „ik vraag u verschooning, ingeval ik buiten staat word gesteld u alle drie mijn schuld te voldoen; want de heer Athos heeft het eerst recht mij naar de andere wereld te zenden, hetgeen niet weinig de waarde uwer schuldvordering, mijnheer Porthos! vermindert; en de uwe, mijnheer Aramis! bijna tot niets brengt… En thans, mijne heeren! herhaal ik u mijn verzoek, mij te willen verschoonen, doch slechts alleen om die reden; en nu verdedigt u.” Op die woorden en met de meest ridderlijke houding, die men zich kan verbeelden, trok d’Artagnan den degen. Het bloed was hem naar het hoofd gestegen, en op dit oogenblik zou hij den degen getrokken hebben tegen al de musketiers des koninkrijks, evenals hij het nu deed tegen Athos, Porthos en Aramis.

Het was kwart over twaalven; de zon had haar toppunt bereikt en de plaats, welke gekozen was geworden voor het tweegevecht, was aan al haar gloed blootgesteld. – „Het is zeer warm,” zeide Athos, op zijn beurt zijn degen trekkende, „en ik kan mijn buis niet uitdoen; want zooeven nog voelde ik mijn wonde bloeden, en ik vrees, mijnheer hinderlijk te zijn, door hem bloed te vertoonen, dat hij niet heeft doen stroomen.” – „Dat is waar, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en of een ander, of ik, het heeft doen stroomen, ik verzeker u, dat het mij steeds leed zal doen, het bloed te zien van een moedigen edelman zooals gij; ik zal derhalve ook, zonder mij van mijn kleeding te ontdoen, den strijd aangaan.” – „Spoed u toch!” riep Porthos, „het zijn al genoeg complimenten; herinnert u, dat wij onze beurt afwachten.” – „Spreek alleen voor u zelven, Porthos!” viel Aramis hem in de rede, „wanneer gij dergelijke onbetamelijkheden zegt. Voor mij, ik vind datgene, wat die heeren elkander toevoegen, zeer goed en twee edellieden waardig.” – „Als gij gereed zijt, mijnheer!” zeide Athos, zich in postuur stellende. – „Ik wachtte op uw bevelen,” zeide d’Artagnan, het staal kruisende.

Maar nauwelijks hadden de twee klingen tegen elkander gekletterd, of een afdeeling der lijfwacht Zijner Eminentie, aangevoerd door den heer de Jussac, verscheen om den hoek van het klooster. – „De lijfwacht van den kardinaal!” riepen gelijktijdig Porthos en Aramis. „Steekt op, mijne heeren! Steekt op uw degens!” – Doch het was te laat. Beide strijders waren in een houding gezien geworden, die omtrent hun bedoelingen geen twijfel overliet. – „Halt!” riep Jussac, hen naderende, en zijn lieden een teeken gevende hem te volgen. „Halt, musketiers! men vecht hier? Neemt men op die wijze de edikten in acht?” – „Gij zijt zeer edelmoedig, mijne heeren de gardes!” riep Athos wraaklustig; want Jussac was een der aanvallers van twee dagen te voren geweest. „Indien wij u zagen vechten, dan verzeker ik u, dat wij ons wel zouden wachten u zulks te beletten. Laat ons dus begaan, en gij zult vermaak hebben, zonder dat het u eenige moeite kost.” – „Mijne heeren!” riep Jussac, „ik moet u tot mijn groot leedwezen verklaren, dat ik het onmogelijk kan toelaten. Onze plicht gaat voor alles. Steekt dus uw degens op en volgt ons.” – „Mijnheer!” zeide Aramis, Jussac nabootsende, „met groot vermaak zouden wij aan uw vriendelijke uitnoodiging voldoen, indien zulks van ons afhing, maar ongelukkig is dit niet mogelijk; de heer de Tréville heeft het ons verboden. Ga dus uw weg, dat is het beste wat gij doen kunt.”

Deze scherts maakte Jussac driftig. – „Wij zullen u dan aanvallen, indien gij niet gehoorzaamt.” – „Zij zijn met hun vijven,” zeide Athos half luid, „terwijl wij slechts met ons drieën zijn; wederom zullen wij bezwijken en hier op de plaats blijven; want ik verklaar u, dat ik niet overwonnen voor den kapitein wil verschijnen.”

Athos, Porthos en Aramis vereenigden zich, terwijl Jussac zijn soldaten in slagorde schaarde. – Dit korte oogenblik was voldoende, om d’Artagnan tot een besluit te brengen. Het was een dier voorvallen, welke het lot eens menschen voor altijd beslissen; het betrof hier een keus tusschen den koning en den kardinaal; en eenmaal die keuze gedaan, moest men er in volharden. Te vechten, dat is: de wet ongehoorzaam te zijn, zijn hoofd te wagen, zich eensklaps een minister tot vijand te maken, die zelfs machtiger dan de koning was. Ziedaar het verschiet des jongelings, en zeggen wij het tot zijn lof, hij aarzelde geen seconde. Derhalve zich tot Athos en diens vrienden wendende, zeide hij:

„Mijne heeren! ik zal, als gij het mij veroorlooft, iets aan uw gezegde verbeteren. Gij zeidet, dat gij niet meer dan met uw drieën waart, maar het schijnt mij, dat wij met ons vieren zijn.” – „Maar gij behoort niet tot de onzen.” – „Dat is waar,” antwoordde d’Artagnan, „het gewaad ontbreekt mij, maar het hart bezit ik. Van harte ben ik musketier, dat voel ik, mijne heeren! en dat spoort mij aan.” – „Verwijder u, jongeling!” riep Jussac, die aan de gebaren en de uitdrukking van d’Artagnan’s gelaat zeker diens oogmerk geraden had. „Gij kunt u verwijderen, hierin nemen wij genoegen. Berg uw huid, maak u uit de voeten!”

D’Artagnan verroerde zich niet. – „Waarachtig! gij zijt een beste jongen!” zeide Athos, de hand van den jongeling drukkende. – „Spoed u! ga tot een besluit over,” hernam Jussac. – „Welaan,” zeiden Porthos en Aramis, „voeren wij iets uit!” – „Mijnheer is zeer edelmoedig,” zeide Athos. Doch alle drie de jonkheid van d’Artagnan in overweging nemende, vreesden zij voor zijn weinige ondervinding. – „Wij zouden slechts met ons drieën zijn, waarvan een gekwetste, en bovendien een knaap,” hernam Athos, „en echter zou men beweren, dat wij met ons vieren waren.” – „Ja, maar te wijken!” riep Porthos. – „Dat niet,” hernam Athos. – „Onmogelijk!” riep Aramis. – D’Artagnan begreep de reden hunner besluiteloosheid. – „Mijne heeren! stelt mij slechts op de proef,” sprak hij, „ik bezweer u, op mijn eer, mij niet te zullen verwijderen, al worden wij overwonnen.” – „Hoe noemt men u, mijn dappere jonkman?” vroeg Athos. – „D’Artagnan, mijnheer!” – „Welaan dan, Athos, Porthos, Aramis en d’Artagnan! voorwaarts!” riep Athos. – „Welnu, heeren! zijt gij tot een besluit gekomen?” riep Jussac voor de derde maal. – „Dat is reeds gedaan, mijnheer!” antwoordde Athos. – „En wat is uw besluit?” vroeg Jussac. – „Wij zullen de eer hebben ons te verdedigen,” antwoordde Aramis, zijn hoed met de eene hand afnemende en met de andere den degen trekkende. – „Ha! gij biedt weerstand?” riep Jussac. – „Sangdieu! verwondert u zulks?” – En de negen strijders vielen elkander aan met een woede, die intusschen niet blind was.

Athos had tot tegenpartij zekeren Cahussac, een gunsteling des kardinaals; Porthos stond tegenover Biscarat en Aramis tegenover twee vijanden. Wat d’Artagnan betreft, deze viel Jussac aan. Het hart van den jeugdigen Gaskonjer sloeg, als wilde het zijn borst verbrijzelen. Goddank! niet uit vrees, de minste zweem hiervan was bij hem niet aanwezig, maar van ontembaren moed; hij vocht als een woedende tijger, onophoudelijk rondom zijn vijand springende en de wijze van aanval en verdediging, zoowel als zijn standpunt, gedurig veranderende.

Jussac was, zooals men destijds zeide, verlekkerd op den degen en had veel ondervinding er van; echter had hij alle moeite om zich tegen een vijand te verdedigen, die vlug rondspringende, elk oogenblik van de aangenomene regels afweek, naar alle zijden tegelijkertijd uitvallende, terwijl hij zich verdedigde als iemand, die den grootsten eerbied voor zijn lijf heeft.

Eindelijk maakte deze wijze van strijden Jussac ongeduldig. Woedend, door dengenen in bedwang te worden gehouden, dien hij voor een knaap had aangezien, geraakte hij in vuur en begon misslagen te begaan. D’Artagnan, die bij gemis van praktijk echter veel theorie bezat, verdubbelde zijn vlugheid.

Jussac, er een einde aan willende maken, bracht zijn tegenpartij, wijd uitvallende, een geweldigen stoot toe, doch deze weerde dien behendig af, waarop hij, toen Jussac zich weder oprichtte, als een slang onder diens degen gleed en hem den zijne door het lichaam stiet. Jussac viel als lood ter aarde. – D’Artagnan wierp een onrustigen en snellen blik op het slagveld.

Aramis had reeds een zijner vijanden gedood, maar van den tweeden had hij moeite de opvolgende stooten te weren. Echter bleef Aramis nog goed staan en zich verdedigen.

Biscarat en Porthos hadden, tegelijk uitvallende, elkander geraakt; want Porthos had een degenstoot door den arm en Biscarat door het dik van het been. Maar dewijl geen der beide wonden gevaarlijk was, bleven zij hun gevecht met nog meer verwoedheid voortzetten.

Athos, opnieuw door Cahussac gewond, werd blijkbaar nog bleeker, maar hij week geen duimbreed; hij had slechts zijn degen in de andere hand genomen en vocht nu met de linkerhand. D’Artagnan mocht, volgens de destijds bestaande regels van het tweegevecht, een zijner vrienden te hulp komen; terwijl hij zijn blik liet rond gaan om te zien, wie hunner zijn hulp verlangde, trof hem een oogwenk van Athos, vol verhevene uitdrukking. Athos zou liever het leven hebben verloren, dan hulp te roepen; maar hij mocht zijn blik doen spreken en daardoor om bijstand roepen.

D’Artagnan begreep hem, deed een verschrikkelijken sprong en viel Cahussac ter zijde aan, uitroepende: „Verdedig u, mijnheer de garde! of ik doorsteek u.” – Cahussac wendde zich om; het was tijd. Athos, alleen tot hiertoe door zijn buitengewonen moed ondersteund, viel nu op een knie neder. – „Sangdieu!” riep hij tot d’Artagnan, „doorsteek hem niet, jongeling! ik bid u; ik heb nog een oude zaak met hem te vereffenen, zoo haast ik genezen en wel zal zijn. Ontwapen hem slechts, ontwapen hem… Zoo is het al wel! Best! opperbest!”

Deze uitroep werd Athos door den degen van Cahussac ontrukt, die op twintig stappen afstands van hem neerviel. D’Artagnan en Cahussac snelden gelijktijdig toe, de een om hem weder op te nemen, de ander om er zich meester van te maken, maar d’Artagnan, veel vlugger zijnde, was hem vóór en zette zijn voet op den degen. Cahussac begaf zich toen snel tot een der door Aramis gevelde gardes, eigende zich diens zwaard toe en wilde tot d’Artagnan terugkeeren; maar op zijn weg ontmoette hij Athos, die, gedurende dat korte oogenblik verpoozing, hetwelk hem d’Artagnan had verschaft, wederom adem schepte en nu, uit vrees dat d’Artagnan zijn vijand zou dooden, het gevecht wilde hervatten. D’Artagnan begreep, dat het Athos onaangenaam zou zijn, indien hij hem hierin voorkwam. Na weinige oogenblikken viel Cahussac met doorstoken hals ter aarde.

Tegelijkertijd hield Aramis de punt van zijn degen op de borst van zijn neergevelden vijand en dwong hem om lijfsgenade te vragen.

Nu bleven Porthos en Biscarat nog over. Porthos schertste onder het strijden en vroeg Biscarat hoe laat het was, hem gelukwenschende met het kapiteinschap van zijn broeder in het regiment van Navarra, maar zijn scherts deed hem niets winnen. Biscarat was een dier ijzersterke mannen, die, slechts dan wanneer zij niet meer leven, vallen.

Intusschen moest er een einde aan worden gemaakt. Een patrouille kon verschijnen en al de strijders, gekwetst of niet, koningsgezinden of kardinalisten, in hechtenis nemen. Athos, Aramis en d’Artagnan omsingelden Biscarat en eischten, dat hij zich zou overgeven. Hoewel alleen tegen allen, en het been door een degensteek doorboord, wilde Biscarat volhouden; maar Jussac, die zich op den elleboog had opgericht, beval hem zich over te geven. Biscarat was een Gaskonjer, zooals d’Artagnan, hij hield zich doof en lachte, terwijl hij, al strijdende, den tijd vond, de punt zijns degens naar een plek op den grond te richten.

„Hier!” zeide hij, alsof hij een vers uit den bijbel las, „hier zal Biscarat sterven, de eenige van al die om hem zijn.” – „Maar zij zijn met hun vieren; vier tegen u alleen; eindig, ik beveel het u.” – „O, als gij het beveelt, dan is het wat anders,” zeide Biscarat, „daar gij mijn brigadier zijt, moet ik u gehoorzamen.” – En achteruit springende brak hij zijn degen op de knie, ten einde niet verplicht te zijn hem over te geven; Hij wierp de stukken over den kloostermuur, waarna hij, zijn armen kruiselings over de borst slaande, een kardinalistisch liedje begon te fluiten.

Moed wordt altijd zelfs in een vijand geëerbiedigd. De musketiers groetten Biscarat met den degen, dien zij hierna opstaken. D’Artagnan volgde hun voorbeeld, en toen, door Biscarat, de eenige die was staande gebleven, geholpen, droeg hij Jussac, Cahussac en diengene van Aramis’ bestrijders, welke slechts gekwetst was, tot voor de poort van het klooster. De vierde, zooals wij zeiden, was gesneuveld. Daarna luidden zij de kloosterklok, en van de vijf degens er vier medenemende, begaven zij zich, dronken van vreugd, naar het hotel van den heer de Tréville.

Arm in arm zag men hen, de geheele breedte der straat beslaande, elken musketier, dien zij ontmoetten, aanspreken en met zich voeren, zoodat het eindelijk een zegepralende optocht scheen. D’Artagnan’s hart was van blijdschap vervuld, hij ging tusschen Athos en Porthos, hen teederlijk den arm drukkende.

„Al ben ik nog geen musketier,” zeide hij tot zijn nieuwe vrienden, toen zij de deur van het hotel de Tréville binnentraden, „ben ik ten minste tot hun leerling aangenomen, niet waar?”

HOOFDSTUK VI.
Zijne Majesteit, koning Lodewijk XIII

Deze gebeurtenis baarde veel opzien; de heer de Tréville beknorde overluid en zeer streng zijn musketiers, maar prees hen in stilte; doch dewijl er geen tijd was te verliezen, om aan Zijne Majesteit de zaak ter kennisse te brengen, haastte de heer de Tréville zich naar het Louvre te gaan. Het was reeds te laat, de koning was met den kardinaal alleen, en men zeide den heer de Tréville, dat hij werkte en in dat oogenblik niemand kon ontvangen. Des avonds begaf de heer de Tréville zich wederom tot den koning, die zich met het spel bezig hield. Hij won, en dewijl Zijne Majesteit tamelijk gierig was, was hij in een zeer goede luim; nauwelijks zag de koning den heer de Tréville dan ook naderen, of hij riep: „Nader, kapitein! nader, ik moet u beknorren; weet gij wel, dat Zijne Eminentie zich bij mij over uw musketiers is komen beklagen, en Zijne Eminentie was er zoo van aangedaan, dat haar heden avond een ongesteldheid is overvallen. Maar inderdaad, het zijn geweldenaars, galgenazen, uw musketiers!” – „Neen, Sire!” antwoordde de Tréville, die al dadelijk bemerkte, welke wending de zaak nam; „neen, wel integendeel, het zijn goede schepsels, zacht als lammeren, en slechts met één begeerte bezield, hiervoor ben ik borg: namelijk, dat hun degen nooit uit de scheede kome, dan voor den dienst Uwer Majesteit. Maar, wat zal men er van zeggen, de lijfwacht van mijnheer den kardinaal zoekt gedurig twist met hen, en om de eer van hun korps op te houden, zijn zij immers verplicht zich te verdedigen.” – „Hoor den heer de Tréville eens, zou men niet zeggen, dat hij van een geestelijke broederschap sprak,” zeide de koning. „Inderdaad, waarde kapitein! ik heb lust, u uw kapiteinschap te ontnemen, en daarmede mejonkvrouw de Chemerault te begiftigen, die ik een abdij heb beloofd; maar geloof niet, dat ik zoo lichtgeloovig ben: men noemt mij Lodewijk den Rechtvaardige, mijnheer de Tréville en fluks, fluks zullen wij de zaak eens onderzoeken.” – „O, het is door het vertrouwen op uw rechtvaardigheid, Sire! dat ik gerust en geduldig de besluiten Uwer Majesteit zal afwachten.” – „Wacht, wacht maar even, ik zal u niet lang doen wachten.”

En werkelijk, de kans keerde, en dewijl de koning begon te verliezen, wat hij had gewonnen, was het hem niet onaangenaam een voorwendsel te vinden, om het spel te staken. De koning stond derhalve eenige oogenblikken daarna op, en in zijn zak het geld bergende, dat voor hem lag, en grootendeels van zijn winst voortkwam, zeide hij: „La Vieuville! neem mijn plaats in; ik moet den heer de Tréville over iets zeer gewichtigs onderhouden. – Het is waar ook… Ik had tachtig louis d’or voor mij liggen. Zet dezelfde som in, opdat zij, die verliezen, niet te klagen hebben; rechtvaardigheid is alles.”

Vervolgens zich tot den heer de Tréville wendende, en zich met hem naar een der vensters begevende, ging hij voort: „En gij zegt, mijnheer, dat het de lijfwacht van Zijne Eminentie is, die met uw musketiers twist heeft gezocht?” – „Ja, Sire! zooals gewoonlijk.” – „En hoe is die twist ontstaan? spreek! want gij weet, mijn waarde kapitein! dat een rechter beide partijen moet hooren.” – „Och, mijn hemel! op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze: Drie mijner beste soldaten, die Uwe Majesteit bij naam kent, en van welke zij meer dan eens de gehechtheid naar waarde heeft geschat, en die ook, dit kan ik den koning verzekeren, zijn dienst zeer ter harte nemen, drie mijner soldaten, zeg ik, de heeren Athos, Porthos en Aramis, hadden een pleizierpartij voorgenomen met zekeren jongen Gaskonjischen edelman, dien ik hun dienzelfden morgen had aanbevolen. Men zoude zich, geloof ik, naar St. Germain begeven, terwijl men afspraak had gemaakt, elkander bij het klooster der Barrevoeter-Karmelieten te ontmoeten; maar dáár werden zij overvallen door de heeren Jussac, Cahussac, Biscarat en twee andere gardes, die zeker op die plek, in zoo talrijk gezelschap, niet met het doel gekomen waren, de edikten te handhaven.” – „Ha, ha!” riep de koning, „gij doet er mij aan denken; ongetwijfeld kwamen zij dáár, om te vechten?” – „Ik beschuldig hen niet, Sire! maar ik laat het aan het doorzicht Uwer Majesteit over, om het oogmerk te bevroeden van vijf gewapende lieden, die zich naar een plek begeven, zoo eenzaam, als de omstreken van het Karmelieten-klooster zijn.” – „Ja, ja, de Tréville! gij hebt gelijk, gij hebt gelijk!” – „Maar toen zij mijn musketiers ontmoetten, veranderden zij van gedachte en vergaten hun bijzonderen haat voor dien, welken zij dit korps toedragen; immers, het is Uwe Majesteit niet onbekend, dat de musketiers, die den koning, en alleen den koning zóó verknocht zijn, de natuurlijke vijanden zijn der lijfwacht van den kardinaal.” – „Ja, Tréville! ja,” zeide de koning droefgeestig, „het is wel treurig, geloof mij, in Frankrijk op die wijze twee partijen te zien, twee hoofden van het koningschap; maar het zal een einde nemen, Tréville! het zal een einde nemen. Gij zegt alzoo, dat de gardes twist met de musketiers hebben gezocht?” – „Ik zeg, dat het waarschijnlijk is, dat de zaken zich dus hebben toegedragen, maar ik wil er geen eed op doen, Sire. Gij weet, hoe moeilijk het is, de waarheid te doorgronden, althans, wanneer men niet begaafd is met het bewonderenswaardig talent, dat Lodewijk XIII den naam van den Rechtvaardigen heeft doen krijgen.” – „Gij hebt gelijk, Tréville! maar zij waren niet alleen, uw musketiers, er was een knaap in hun gezelschap?” – „Ja, Sire! ook een gekwetste, zoodat drie musketiers des konings, waarbij een gekwetste en een jonge knaap, niet alleen het hoofd hebben geboden aan vijf der verschrikkelijkste gardes van Zijne Eminentie den kardinaal, maar er zelfs vier van hebben neergeveld.” – „Inderdaad, dat is een overwinning!” riep de koning met een gelaat blinkend van vreugd, „een volkomen overwinning!” – „Ja, Sire! even volkomen als die bij de brug van Cé.” – „Vier personen, van welke er een gekwetst en een ander een knaap was, zegt gij?” – „Nauwelijks een knaap; en deze heeft zich zoo moedig gedragen bij die gelegenheid, dat ik mij veroorloof hem Uwer Majesteit aan te bevelen.” – „Hoe heet hij?” – „D’Artagnan, Sire! hij is de zoon van een mijner oudste vrienden, de zoon van een man, die met den koning, uw vader, roemrijker gedachtenis, als partijganger den oorlog heeft medegemaakt.” – „En gij zegt, dat die jongeling zich zoo moedig heeft gedragen? Verhaal mij dat eens, Tréville! gij weet, dat ik een liefhebber ben van krijgsverhalen en gevechten.” En koning Lodewijk XIII streek trotsch zijn knevel op, zijn hand op de heup latende rusten.

„Sire!” hernam Tréville, „zooals ik u zeide, is de heer d’Artagnan nog slechts een knaap, – en daar hij de eer niet heeft onder de musketiers te staan, was hij in burgerkleeding. De gardes van den kardinaal, zijn groote jonkheid bemerkende, en daarbij ziende, dat hij niet tot het korps behoorde, verzochten hem zich te verwijderen, alvorens zij zouden aanvallen.” – „Gij ziet dus wel, Tréville! dat zij het zijn, die het eerst hebben aangevallen.” – „Dat is ook zoo, Sire! er is hieraan niet meer te twijfelen; zij bevalen hem zich te verwijderen; maar hij antwoordde, dat hij, in zijn hart musketier, en vol gehechtheid aan den koning zijnde, in het gezelschap der heeren musketiers zou blijven.” – „Een moedig jongeling!” mompelde de koning. – „En werkelijk, hij bleef, zoodat Uwe Majesteit in hem een zeer geduchten voorvechter bezit. Want hij was het, die Jussac dien vreeselijken degenstoot toebracht, welke den kardinaal zoo vertoornd heeft.” – „Is hij het, die Jussac heeft gewond?” riep de koning, „die knaap? Neen, Tréville, dat is niet mogelijk.” – „Het is, zooals ik de eer heb Uwe Majesteit te zeggen.” – „Jussac, een der behendigste schermmeesters van mijn rijk!” – „Hij heeft nu zijn meester gevonden.” – „Ik wil den jongeling zien, Tréville! Ik wil hem zien, en indien men iets voor hem kan doen, zal men het doen.” – „Wanneer zal het Uwe Majesteit gelegen komen hem te ontvangen?” – „Morgen, om twaalf uur, Tréville!” – „Moet ik hem alleen mede brengen?” – „Neen, stel ze mij alle vier gelijktijdig voor; gehechtheid is zeldzaam, en men moet die beloonen.” – „Om twaalf uur zullen wij in het Louvre zijn, Sire!” – „Ja, maar langs de kleine trap. De kardinaal behoeft hiervan niets te weten.” – „Goed, Sire!” – „Gij begrijpt, Tréville! een edikt blijft een edikt, en bij slot van rekening zijn de tweegevechten verboden.” – „Maar deze ontmoeting, Sire! is geheel en al van een gewoon tweegevecht verschillend; het was een gewelddadige aanranding, en het bewijs hiervan is, dat er vijf gardes van den kardinaal en slechts drie musketiers en de heer d’Artagnan op de plaats tegenwoordig waren.” – „Dat is waar!” zeide de koning; „maar het doet er niet toe, Tréville! kom toch maar langs de kleine trap.”

Tréville glimlachte; maar dewijl het reeds veel voor hem was, dat de knaap tegen zijn meester was opgestaan, groette hij eerbiedig den koning en nam, met verlof, afscheid van hem.

Nog dienzelfden avond werden de drie musketiers verwittigd, welke eer hun zou te beurt vallen. Daar zij sinds lang den koning kenden, waren zij hiermede niet bovenmatig verblijd. Doch d’Artagnan met zijn Gaskonjische verbeeldingskracht zag hierin zijn toekomstige fortuin en bracht den nacht door in gouden droomen. Reeds te acht uur was hij bij Athos. D’Artagnan trof den musketier geheel gekleed aan en op het punt om uit te gaan. Dewijl men niet vóór twaalf uur bij den koning behoefde te wezen, had hij met Porthos en Aramis afgesproken een kaatspartij te maken in zekere herberg in de nabijheid van het Luxembourg. Athos noodde d’Artagnan uit hem te vergezellen, en hoezeer onbekend met dat spel, hetwelk hij nooit had gespeeld, nam hij het voorstel aan, niet wetende waarmede zijn tijd te besteden van negen uur, zooals het nauwelijks was, tot des middags twaalf uur.

De beide musketiers waren reeds ter plaatse aanwezig en kaatsten elkander den bal toe. Athos, die zeer sterk was in allerlei soort van lichaamsoefeningen, ging met d’Artagnan tegenover hen staan en daagde hen uit. Maar bij den eersten worp, dien hij deed, hoewel hij de linkerhand gebruikte, voelde hij, dat zijn wond nog te versch was, om zich een dergelijke uitspanning te veroorloven. D’Artagnan bleef dus alleen en daar hij verklaarde niet handig genoeg te zijn om een geregelde partij te maken, wierp men elkander slechts de ballen toe, zonder de winnende punten aan te teekenen. Maar een der ballen, door de krachtige vuist van Porthos geworpen, snorde zoo dicht voorbij het aangezicht van d’Artagnan, dat deze bij zich zelven zeide, dat, bijaldien de bal, in plaats van voorbij te vliegen, hem in het aangezicht geraakt had, zijn audiëntie verloren zou zijn, aangezien het volgens alle waarschijnlijkheid dan onmogelijk zou zijn geweest zich voor den koning te vertoonen. En dewijl, volgens zijn Gaskonjische verbeelding, van deze audiëntie geheel zijn toekomst afhing, groette hij beleefd Porthos en Aramis, met de betuiging dat spel niet weder te hervatten, alvorens hij zich zou hebben in staat gesteld hun het hoofd te bieden; en daarop keerde hij achter de omheining terug, waar de toeschouwers stonden.

Ongelukkig voor d’Artagnan bevond zich onder hen een der lijfwachten van Zijne Eminentie, die, nog gloeiend van gramschap over de nederlaag daags te voren door zijn wapenbroeders geleden, bij zich zelven had gezworen van de eerste gelegenheid de beste gebruik te maken, hen te wreken. Hij meende nu, dat deze gelegenheid dáár was, en zich tot zijn nevenman richtende, zeide hij: „Het is niet te verwonderen, dat deze jongeling voor een kogel bevreesd is; hij is ongetwijfeld een aankomend musketier.” – D’Artagnan keerde zich om alsof een slang hem gebeten had, en bezag met strakken blik den garde, die deze hoonende woorden had uitgesproken.

„Pardieu!” hernam deze, tartend zijn knevel opstrijkende, „bezie mij zooveel gij wilt, jonge heer! ik heb gezegd, wat ik gezegd heb.” – „En dewijl hetgeen gij hebt gezegd te duidelijk is, om van uw woorden nadere verklaring te vragen,” antwoordde d’Artagnan met gesmoorde stem, „verzoek ik u mij te volgen.” – „En wanneer?” vroeg de garde op denzelfden spottenden toon. – „Oogenblikkelijk als het u belieft.” – „Gij weet zeker wie ik ben?” – „Ik, ik ken u volstrekt niet, en dat is mij volkomen onverschillig.” – „Gij hebt ongelijk; want indien gij mijn naam kendet, zoudt gij misschien minder haastig zijn.” – „Hoe is uw naam?” – „Bernajoux, om u te dienen.” – „Welnu, mijnheer Bernajoux!” zeide d’Artagnan bedaard, „ik zal u aan de deur wachten!” – „Goed, mijnheer! ik volg u.” – „Haast u niet te veel, mijnheer! opdat men niet bemerke, dat wij beiden tegelijk vertrekken; gij begrijpt, dat voor hetgeen wij willen doen een te groot gezelschap hinderlijk zou zijn.” – „Het is wel,” antwoordde de garde, verwonderd dat zijn naam niet meer uitwerking op den jongeling had gemaakt.

Inderdaad, de naam van Bernajoux was aan geheel de wereld bekend, alleen misschien aan d’Artagnan niet, want hij was een dergenen, die het meest in de bijna dagelijksche geweldenarijen en vechterijen, welke noch de koning, noch de kardinaal hadden kunnen onderdrukken, een voorname rol speelde… Porthos en Aramis waren te veel aan hun spel overgegeven, en Athos beschouwde het met een te groote aandacht, om hun jeugdigen vriend te zien vertrekken, die, zooals hij het aan de garde Zijner Eminentie had gezegd, voor de deur wachtte. Een oogenblik daarna verwijderde deze zich ook. Daar d’Artagnan geen tijd had te verliezen, uit hoofde van des konings audiëntie, die te twaalf uur was bepaald, liet hij zijn blik rondgaan, en bemerkende, dat de straat eenzaam was, zeide hij tot zijn vijand: „Op mijn woord, mijnheer! gij zijt wel gelukkig, ofschoon gij Bernajoux heet, dat gij slechts met een aankomenden musketier te doen hebt; doch wees gerust, ik zal mijn best doen. Verdedig u.” – „Maar,” zeide hij, dien d’Artagnan op deze wijze uitdaagde, „deze plaats schijnt mij al zeer slecht gekozen, en ik meen, dat wij ons beter zouden bevinden achter de abdij van St. Germain of in de Pré aux Clercs.” – „Wat gij zegt is zeer verstandig,” antwoordde d’Artagnan, „ongelukkig heb ik weinig tijd, daar ik juist te twaalf uur een bezoek moet afleggen. Dus verdedig u, mijnheer, verdedig u.”

Bernajoux was de man niet, om zich een dergelijk compliment te doen herhalen. Onmiddellijk blonk dan ook zijn degen in zijn hand, en hij deed een uitval, waarmede hij hoopte de groote jeugd zijns vijands vrees aan te jagen. Maar d’Artagnan had den vorigen dag zijn proefstuk volbracht, en door zijn zegepraal nog geheel opgewonden, terwijl zijn toekomstig geluk hem het hoofd op hol bracht, was hij vast besloten geen duimbreed te wijken; ook waren de uitvallen zoo hevig, dat beide gevesten elkander raakten; en daar d’Artagnan onwrikbaar op zijn plaats bleef, was het zijn tegenpartij, die een schrede achteruit deinsde. Intusschen maakte d’Artagnan van het oogenblik gebruik, dat de degen van Bernajoux, toen deze zich oprichtte, van de rechte lijn afweek, om onmiddellijk weder een uitval te doen, tengevolge van welken hij den arm van zijn tegenpartij doorstak; daarop trad d’Artagnan op zijn beurt een schrede achteruit en hief zijn degen op, doch Bernajoux riep hem toe, dat het niets was, en toen hij daarop een verwoeden uitval deed, stortte hij zich zelven in den vijandelijken degen. Daar hij echter niet viel noch zich overwonnen gaf, maar naar de zijde van het hotel des heeren de la Trémouille, in wiens dienst een zijner aanverwanten was, achteruit deinsde, en daar d’Artagnan volstrekt onbewust was van de gevaarlijkheid der laatste wonde, welke hij hem had toegebracht, vervolgde deze hem halsstarrig, en zoude hem waarschijnlijk door een derden stoot het leven hebben ontnomen, indien niet twee vrienden van de garde, die hem eenige woorden met d’Artagnan hadden hooren wisselen en hem daarop hadden zien vertrekken, door het straatgerucht opmerkzaam gemaakt, dat tot in het speelhuis doordrong, met uitgetrokken degen naar buiten waren gesneld en den overwinnaar hadden aangevallen. Doch op hetzelfde oogenblik vertoonden zich op hun beurt Athos, Porthos en Aramis, en dwongen de twee gardes, die hun jongen vriend aanvielen, achteruit te gaan. Daarop viel Bernajoux ter aarde, en dewijl de gardes twee tegen vier waren, begonnen zij te roepen: „Te hulp! Te hulp! La Trémouille!”

Op dit geroep snelden allen, die het hotel van de la Trémouille bewoonden, er uit, en drongen elkander tegen de vier wapenbroeders, die van hun kant begonnen te roepen: „Te hulp, musketiers! te hulp!” – Dat geroep werd gewoonlijk gehoord; want men kende de vijandigheid, welke de musketiers Zijne Eminentie toedroegen, en juist uit hoofde van dien haat voor den kardinaal was men hen genegen. Derhalve kozen de krijgslieden der overige kompagnieën, die niet tot den rooden hertog behoorden, zooals Aramis hem genoemd had, wanneer die soort van schermutselingen plaats vonden, gewoonlijk partij voor de musketiers des konings.

Van drie gardes der kompagnie des heeren des Essarts, die daar langs kwamen, snelden twee de vier strijdmakkers te hulp, terwijl de derde naar het hotel Tréville liep, uitroepende: „Te hulp, musketiers! te hulp!”

Als gewoonlijk was het huis van den heer de Tréville vol krijgslieden, die zich haastten hun vrienden bijstand te verleenen; het gevecht werd algemeen, doch de musketiers behielden de overhand. Des kardinaals lijfwachten en de dienaren van den heer de la Trémouille trokken af naar het hotel, waarvan zij de deuren tijdig genoeg sloten, om te beletten dat hun vijand niet tevens met hen naar binnen drong. De gekwetste Bernajoux was er reeds vroeger in gebracht, en, gelijk wij zeiden, in deerniswaardigen toestand.

Er heerschte een buitengewone opgewondenheid onder de musketiers en hun bondgenooten; reeds beraadslaagde men, ter bestraffing des euvelmoeds der dienaren van den heer de la Trémouille, die de musketiers des konings hadden aangevallen, of men zijn hotel niet in brand zou steken. Dat voorstel was met evenveel geestdrift gedaan als aangenomen, toen het gelukkig elf uur sloeg, wat aan d’Artagnan en zijn vrienden hun audiëntie herinnerde; en daar zij spijt zouden hebben gevoeld, dat een zoo fraaie vermakelijkheid in hun afwezigheid mocht plaats hebben, slaagden zij in hun pogingen om de belhamels te doen bedaren. Men vergenoegde zich met eenige straatsteenen tegen de deuren te werpen, maar de deuren boden weerstand en men begon moede te worden; bovendien, zij die als de aanvoerders van het bedrijf moesten worden aangezien, hadden reeds een oogenblik geleden de groep verlaten en richtten nu hun schreden naar het hotel des heeren de Tréville, die hen wachtte en het bericht der nieuwe baldadigheid reeds ontvangen had.

„Spoedig naar het Louvre,” zeide hij, „naar het Louvre, zonder een oogenblik te verliezen; zorgen wij den koning te spreken, alvorens hij den kardinaal heeft gezien. Wij zullen hem het gebeurde als een gevolg van het gisteren plaats gehad hebbende voorstellen, het zal dan voor één zaak doorgaan.”

De heer de Tréville, vergezeld van de vier jongelieden, begaf zich naar het Louvre; doch tot zijn groote verwondering berichtte men den kapitein der musketiers, dat de koning zich naar het bosch van St. Germain ter hertenjacht had begeven. De Tréville liet zich dat nieuws tot tweemaal toe herhalen, waarbij telkens zijn krijgslieden zijn gelaat zagen verduisteren. – „Had Zijne Majesteit,” vroeg hij, „gisteren reeds het voornemen ter jacht te gaan?” – „Neen, Uwe Excellentie!” antwoordde de kamerdienaar, „heden morgen kwam de opperwachtmeester tijding brengen, dat men des nachts een vijfjarig hert voor hem had opgejaagd. Aanvankelijk weigerde hij er aan deel te nemen, maar eindelijk haalde het voorbereid vermaak hem over en na het middagmaal is hij vertrokken.” – „En heeft de koning den kardinaal gesproken?” vroeg de heer de Tréville. – „Waarschijnlijk,” antwoordde de kamerdienaar: „want dezen morgen heb ik de paarden voor het rijtuig van Zijne Eminentie gezien. Ik vroeg werwaarts hij voornemens was te gaan, en men antwoordde mij: naar St. Germain.” – „Men is ons vóór geweest, mijne heeren!” zeide de heer de Tréville, „ik zal den koning van avond spreken en wat u betreft, heeren! ik raad u, zulks niet te wagen.”

Die raad was te verstandig en werd bovendien door een man gegeven, die al te wel den koning kende, om door de vier jongelieden niet te worden gevolgd. De heer de Tréville verzocht hen dan naar huis terug te keeren, in afwachting van nadere tijding van hem. In zijn hotel teruggekomen, overtuigde zich de Tréville, dat hij zich de zaak aantrekken en het eerst zijn klacht moest doen. Hij zond derhalve een zijner dienaren tot den heer de la Trémouille met een brief, waarin hij hem verzocht den lijfwacht des kardinaals zijn huis te doen ontruimen en zijn lieden te bestraffen over hun euvelmoed, de musketiers des konings te hebben aangevallen. Maar de heer de la Trémouille, reeds door zijn schildknaap, den bloedverwant van Bernajoux, onderricht, liet hem antwoorden, dat de heer de Tréville noch zijn musketiers reden hadden tot klagen, maar hij integendeel, daar zijn lieden door de musketiers waren aangevallen geworden, die daarenboven zijn hotel in brand hadden willen steken. – En dewijl de twist dier edellieden van langen duur had kunnen zijn, daar beiden meenden recht te hebben, ging de Tréville tot een maatregel over, die ten doel had alles in der minne te schikken: namelijk dien, van den heer de la Trémouille in persoon te gaan spreken. Diensvolgens begaf hij zich onverwijld naar deszelfs hotel en liet zich aanmelden.

Beide edellieden groetten elkander vriendelijk; ofschoon er tusschen hen geen vriendschap bestond, droegen zij elkander wederzijdsche achting toe. Zij waren beiden dappere, achtenswaardige mannen, en dewijl de heer de la Trémouille, die Protestantsch was en zelden den koning bezocht, tot hoegenaamd geene partij behoorde, vertoonde hij meestal in zijn maatschappelijke betrekkingen niet de minste partijdigheid. Nu echter was zijn onthaal, hoezeer beleefd, koeler dan gewoonlijk. – „Mijnheer!” zeide de heer de Tréville, „wij meenen beiden over elkander te klagen te hebben; ik heb mij daarom in persoon tot u vervoegd, ten einde omtrent die aangelegenheid elkander in te lichten.” – „Gaarne,” antwoordde de heer de la Trémouille, „maar ik zeg u vooraf, dat ik zeer goed onderricht ben en de schuld aan uw musketiers ligt.” – „Gij zijt een al te rechtvaardig en verstandig man,” zeide de heer de Tréville, „om het voorstel niet aan te nemen, dat ik u doen zal.” – „Laat hooren, mijnheer! ik luister.” – „Hoe bevindt zich de heer Bernajoux, de bloedverwant van uw schildknaap?” – „Wel, mijnheer! zeer slecht; want behalve den degensteek in den arm, die trouwens niet gevaarlijk is, heeft hij nog een tweeden ontvangen, die de long heeft gekwetst, zoodat de heelmeester er niet veel goeds van zegt.” – „Maar heeft de gekwetste zijn bewustzijn behouden?” – „Volkomen.” – „Kan hij spreken?” – „Moeilijk, maar hij spreekt toch.” – „Welnu, mijnheer! begeven wij ons dan tot hem. Bezweren wij hem in den naam Gods, voor wien hij misschien dra zal verschijnen, de waarheid te zeggen. Laat hem rechter in zijn eigen zaak zijn, mijnheer! en wat hij zegt zal ik gelooven.”

De heer de la Trémouille bleef een oogenblik nadenken, doch daar het moeilijk was een redelijker voorstel te doen, nam hij het aan. Beiden begaven zich diensvolgens in de kamer van den gekwetste. Deze, twee voorname edellieden ziende binnenkomen om hem een bezoek te brengen, trachtte zich in zijn bed op te richten; maar te zwak zijnde en uitgeput door te groote inspanning, viel hij bewusteloos weer op zijn legerstede neder. De heer de la Trémouille naderde hem en deed hem salmoniak opsnuiven, hetgeen hem tot kennis terugbracht. Daarop verzocht de heer de Tréville, vreezende dat men hem zou beschuldigen op den gekwetste eenigen invloed te hebben uitgeoefend, den heer de la Trémouille, den gekwetste in persoon te ondervragen. Hetgeen de heer de Tréville had voorzien gebeurde. Tusschen leven en dood zwevende, had Bernajoux zelfs niet een oogenblik de gedachte de waarheid te verzwijgen, en hij verhaalde aan beide heeren oprecht de zaken, zooals zij waren voorgevallen. Dit was alles, wat de heer de Tréville verlangde; hij wenschte Bernajoux een spoedige beterschap, nam afscheid van den heer de la Trémouille, keerde naar zijn hotel terug en deed dadelijk zijn vier musketiers verwittigen, dat hij hen aan het middagmaal wachtte.

De heer de Tréville ontving zeer voornaam gezelschap, trouwens het bestond alleen uit kwalijkgezinden jegens den kardinaal. Men begrijpt dus, dat het gesprek gedurende het maal over de twee nederlagen liep, welke de lijfwachten des kardinaals hadden ondergaan. En dewijl d’Artagnan de held dier beide dagen was geweest, was hij het, die al de gelukwenschen ontving, welke Athos, Porthos en Aramis hem niet alleen als goede vrienden gunden, maar ook als mannen, die dikwijls genoeg ze genoten hadden om er nu niet ijverzuchtig op te zijn. Tegen zes uur gaf de heer de Tréville te kennen, dat hij zich verplicht achtte naar het Louvre te gaan; maar dewijl het uur, waarop Zijne Majesteit de audiëntie had bepaald, voorbij was, begaf hij zich met de vier jongelieden, in plaats van den toegang langs de kleine trap te beproeven, in de receptiezaal. De koning was van de jacht nog niet teruggekomen. Onze jongelieden hadden nu ongeveer een half uur gewacht, vermengd onder de menigte hovelingen, toen de deuren geopend werden en men den koning aankondigde. Op deze mare ontroerde d’Artagnan tot in het merg zijner beenderen. Het oogenblik, dat volgen zou, moest naar alle waarschijnlijkheid zijn toekomstig lot beslissen. Hij vestigde dan ook zijn oogen angstig op de deur, door welke de koning moest binnenkomen. Lodewijk XIII verscheen het eerst; hij was nog in jachtgewaad, met stof bedekt, hooge laarzen aan en een zweep in de hand houdende. Bij den eersten blik, dien d’Artagnan op hem sloeg, begreep hij, dat de luim des konings van stormachtigen aard was. Deze zielsgesteldheid van Zijne Majesteit belette den hovelingen niet, zich op zijn weg in de koninklijke voorzalen in rangorde te stellen. Het is nog beter met een toornigen blik te worden beschouwd, dan in het geheel niet te worden opgemerkt. De drie musketiers aarzelden dus niet en deden een schrede voorwaarts, terwijl d’Artagnan integendeel zich achter hen verborgen hield; doch hoewel de koning Athos, Porthos en Aramis persoonlijk kende, ging hij hen voorbij zonder hen aan te zien, zonder hen toe te spreken en alsof hij hen nooit gezien had. Wat den heer de Tréville betreft, deze, toen des konings oogen zich op hem vestigden, verdroeg dien blik met zooveel standvastigheid, dat het nu de koning was, die zijn gezicht van hem afwendde, waarop Zijne Majesteit zich al grommende in zijn vertrekken begaf.

„De zaken staan niet voordeelig,” zeide Athos glimlachende, „en vandaag zullen wij nog niet tot ridders van ’s konings ridderorde worden geslagen.” – „Wacht hier gedurende tien minuten,” zeide de heer de Tréville, „en wanneer gij mij na verloop van dien tijd niet ziet terugkomen, keert dan naar mijn hotel terug; want het is dan vruchteloos mij langer te wachten.”

De vier jongelingen wachtten tien minuten, een kwartier, twintig minuten; maar den heer de Tréville niet ziende terugkeeren, vertrokken zij, zeer ongerust over hetgeen gebeuren zou. De heer de Tréville was stoutmoedig het kabinet des konings binnengetreden en vond Zijne Majesteit in een zeer slechte luim, zittende op een leuningstoel en op zijn laarzen met den steel van zijn zweep slaande, hetgeen niet belette, dat hij hem met de grootste koelbloedigheid naar den staat zijner gezondheid vroeg. – „Slecht, zeer slecht, mijnheer!” antwoordde de koning, „ik verveel mij.” – Dit was inderdaad de ergste ziekte van Lodewijk XIII, die vaak den een of anderen zijner hovelingen tot zich riep, hem bij een venster trok en dan zeide: „Mijnheer die en die, laten wij ons samen vervelen.”

„Hoe, verveelt Uwe Majesteit zich?” vroeg de heer de Tréville. „Is zij dan heden niet op de jacht geweest?” – „Een fraaie uitspanning, mijnheer! Bij mijn ziel! alles verslimmert, en ik kan niet zeggen, of het wild geen spoor meer volgt, of dat de honden hun neus hebben verloren. Wij jagen een vijfjarig hert, wij vervolgen het gedurende zes uren, en toen het bijna in onze macht was en St. Simon reeds den waldhoorn aan den mond zette, om de overwinning te blazen, krak! daar veranderen eensklaps al de honden hun loop en zetten een jong hert achterna. Gij zult zien, dat ik van de lange jacht afzie, zooals ik van de valkenjacht heb afgezien. Ach! ik ben een zeer ongelukkig koning, mijnheer de Tréville! Ik had nog slechts een giervalk, maar hij is eergisteren gestorven.” – „Waarlijk, Sire! ik besef uw wanhoop, want het ongeluk is groot; maar gij hebt nog, verbeeld ik mij, een aantal valken, sperwers en andere roofvogels.” – „Maar geen schepsel om ze te leeren; de valkeniers verdwijnen; ik alleen ben er nog, die iets van de jachtkunst versta. Na mij is het gedaan, en men zal in klemmen, in strikken en in kuilen het wild gaan vangen. Indien mij maar de tijd overbleef, om leerlingen te vormen. Maar jawel! de kardinaal zorgt wel, dat mij geen oogenblik rust overblijft, onophoudelijk vermoeit hij mijn ooren, nu over Spanje, dan weer over Oostenrijk of Engeland. Ha! over den kardinaal gesproken, mijnheer de Tréville, ik moet u mijn ontevredenheid betuigen.”

De heer de Tréville was voorbereid op dezen uitval. Hij kende den koning sinds lang en begreep, dat al die jeremiades slechts als inleiding strekten, een soort van prikkel waren om zich zelven aan te hitsen, en dat hij eindelijk het punt bereikt had, waarbij hij wilde stilstaan. – „En waarin ben ik ongelukkig genoeg geweest Uwe Majesteit te mishagen?” vroeg de heer de Tréville, de grootste verwondering veinzende. – „Is het op die wijze, dat gij uw plicht vervult, mijnheer?” ging de koning voort, zonder rechtstreeks de vraag van de Tréville te beantwoorden; „is het, omdat ik u tot kapitein mijner musketiers heb benoemd, dat deze een man vermoorden, een geheele wijk in oproer brengen en Parijs in brand willen steken, zonder dat gij mij hiervan een enkel woord zegt? Maar trouwens,” vervolgde de koning, „ongetwijfeld haast ik mij te veel, u te beschuldigen; waarschijnlijk zijn de rustverstoorders in de gevangenis, en komt gij mij berichten, dat er recht is gedaan.” – „Sire,” antwoordde de Tréville bedaard, „ik kom er u om verzoeken.” – „En tegen wie?” – „Tegen de lasteraars,” antwoordde de heer de Tréville. – „Ha, ziedaar wat nieuws!” hernam de koning. „Wilt gij mij nu vertellen, dat uw drie onafscheidbare musketiers, Athos, Porthos en Aramis, en uw Bearneesche kadet, niet als razenden den armen Bernajoux hebben aangevallen, en hem dermate hebben mishandeld, dat hij allerwaarschijnlijkst op dit oogenblik op sterven ligt? Wilt gij zeggen, dat zij daarna het hotel van den hertog de la Trémouille niet hebben belegerd, noch het in brand wilden steken? Dit zou, wel is waar, in tijd van oorlog een niet zeer groote ramp zijn geweest, omdat het een geuzennest is; maar in vredestijd strekt het tot een zeer slecht voorbeeld. Zeg, wilt gij dit alles loochenen?” – „En wie heeft u die fraaie historie verhaald, Sire?” vroeg de Tréville rustig. – „Wie mij die fraaie historie verhaald heeft, mijnheer? en wie anders wilt gij, dat het zij, dan hij, die waakt wanneer ik slaap, die arbeidt wanneer ik mij vermaak, die, zoowel binnen als buiten het rijk, in Frankrijk zoowel als in geheel Europa, alles bestiert.” – „Uwe Majesteit bedoelt zeker God,” zeide de heer de Tréville, „want ik ken niemand dan God, die zoo hoog boven Uwe Majesteit verheven is.” – „Neen, mijnheer! ik bedoel den steun des staats, mijn eenigen dienaar, mijn eenigen vriend, Zijne Eminentie den kardinaal.” – „Zijne Eminentie is Zijne Heiligheid niet, Sire!” – „Wat bedoelt gij hiermede, mijnheer?” – „Dat alleen de paus onfeilbaar is, en dat deze onfeilbaarheid zich niet tot de kardinalen uitstrekt.” – „Gij wilt zeggen, dat hij mij bedriegt, dat hij mij verraadt? dus beschuldigt gij hem. Welaan, spreek! beken openhartig, dat gij hem beschuldigt.” – „Neen, Sire, maar ik zeg, dat hij zich bedriegt, dat hij niet wel is onderricht geworden; ik zeg, dat hij zich heeft gehaast de musketiers Uwer Majesteit, voor wie hij onrechtvaardig is, te beschuldigen, en dat hij het nieuws niet uit een goede bron heeft geput.” – „Het nieuws is hem medegedeeld door den heer de la Trémouille, door den hertog in persoon. Wat zegt gij daarvan?” – „Ik zou u kunnen antwoorden, Sire! dat hij te veel belang heeft in de zaak, om een onpartijdig getuige te kunnen zijn; maar verre van mij, Sire! ik ken den hertog voor een rechtgeaard edelman, en ik wil mij aan zijn getuigenis onderwerpen; maar op één voorwaarde, Sire!” – „Welke is die?” – „Dat Uwe Majesteit hem doe ontbieden en hem ondervrage; maar Uwe Majesteit in persoon, afzonderlijk, zonder getuigen, en dat ik Uwe Majesteit moge zien onmiddellijk nadat zij den hertog gesproken zal hebben.” – „Het is wèl,” antwoordde de koning, „en gij zult u onderwerpen aan de getuigenis van den heer de la Trémouille?” – „Ja, Sire!” – „Gij zult zijn oordeel aannemen?” – „Ongetwijfeld.” – „En de genoegdoening geven, die hij zal eischen?” – „Volkomen.”

„La Chesnaye!” riep de koning, „la Chesnaye!” – En de vertrouwde kamerdienaar van Lodewijk XIII, die steeds aan de deur bleef staan, trad binnen. – „La Chesnaye!” zeide de koning, „dat men oogenblikkelijk den heer de la Trémouille ontbiede; ik wil hem nog heden avond spreken.”

„Verzekert mij Uwe Majesteit, dat zij niemand anders zal spreken dan den heer de la Trémouille en mij?” – „Niemand, op mijn woord van edelman.” – „Dan tot morgen, Sire!” – „Tot morgen, mijnheer!” – „Hoe laat behaagt het Uwe Majesteit?” – „Welk uur gij verkiest.” – „Maar door te vroeg te komen, zou ik vreezen Uwe Majesteit in den slaap te storen.” – „Mijn slaap storen! Slaap ik dan? Ik slaap niet meer, mijnheer! ik droom wel eens, en dat is al… Kom dus zoo vroeg gij wilt; te zeven uur, maar wees op uw hoede, indien uw musketiers schuld hebben.” – „Indien mijn musketiers schuldig zijn, Sire! zullen de schuldigen in de handen Uwer Majesteit worden overgeleverd, die over hen naar goedvinden zal beschikken… Indien Uwe Majesteit meer mocht verlangen, gelieve zij te bevelen, ik zal gehoorzamen.” – „Neen, mijnheer! neen; het is niet zonder reden dat men mij Lodewijk den Rechtvaardige heeft genoemd. Dus tot morgen, mijnheer!” – „God behoede Uwe Majesteit!”

Hoe weinig de koning ook sliep, de heer de Tréville sliep nog minder; hij had nog dienzelfden avond zijn drie musketiers en hun jongen vriend doen verwittigen, dat zij den volgenden morgen, te half zeven, in het hotel tegenwoordig moesten zijn… Op dat uur nam hij hen mede, zonder hun iets te verzekeren of te beloven, het niet verbergende, dat de gunst des konings voor hen, zoowel als voor hem, van een toevalligheid afhing. Aan de kleine trap gekomen, liet hij hen daar staan. Indien de koning steeds op hen vertoornd mocht zijn, zouden zij, zonder gezien te zijn geworden, zich verwijderen; indien de koning er genoegen in nam hen te ontvangen, behoefde men hen slechts te laten roepen… In de bijzondere receptiezaal des konings gekomen, ontmoette de heer de Tréville la Chesnaye, die hem mededeelde, dat men den vorigen avond den heer de la Trémouille niet had te huis gevonden, dat hij te laat was teruggekomen, om zich nog in het Louvre te kunnen vertoonen, maar dat hij op dat oogenblik zich bij den koning bevond. Deze omstandigheid was den heer de Tréville zeer aangenaam, die hierdoor verzekerd werd, dat geen vreemde inblazingen tusschen de getuigenis des heeren de la Trémouille en de zijne konden plaats hebben.

Nauwelijks waren er tien minuten verloopen, of de deur van het kabinet des konings werd geopend, en de heer de Tréville zag den hertog de la Trémouille hetzelve verlaten, hem naderen en hem zeggen: „Mijnheer de Tréville! Zijne Majesteit heeft mij doen ontbieden, ten einde te weten, hoe de zaken zich gisteren morgen in mijn hotel hebben toegedragen. Ik heb de waarheid gezegd; namelijk, dat mijn lieden schuldig waren en ik bereid was, u deswege verschooning te vragen. Dewijl ik u nu ontmoet, verzoek ik u die te willen aannemen, en mij steeds als een uwer vrienden te beschouwen.” – „Mijnheer de hertog!” zeide de heer de Tréville, „ik had zooveel vertrouwen in uw edelaardigheid, dat ik geen anderen verdediger dan u bij den koning zou begeerd hebben. Ik zie, dat ik mij niet bedrogen heb, en het verheugt mij, dat er nog een man te vinden is, van wien men kan zeggen, zonder zich te bedriegen, wat ik van u heb gezegd.” – „Al wel, al wel!” riep de koning, die deze plichtplegingen voor de deur had aangehoord; „zeg hem alleen nog, Tréville! dewijl hij vermeent tot uw vrienden te behooren, dat ik ook een der zijnen zou willen wezen; maar dat hij mij veronachtzaamt, zijnde het nu bijna drie jaar geleden, dat ik hem het laatst heb gezien, en dat alleen door hem te ontbieden. Zeg hem dat uit mijn naam, want het zijn van die zaken, die een koning niet zeggen kan.” – „Ik dank u, Sire!” zeide de hertog; „maar Uwe Majesteit zij verzekerd, dat het niet altijd diegenen zijn, welke zij elk uur van den dag ziet, die haar het trouwste zijn.” – „Zoo, gij hebt gehoord wat ik heb gezegd: des te beter,” zeide de koning, tot aan de deur komende. „Ha! zijt gij daar, Tréville! waar zijn uw musketiers? ik had u eergisteren gezegd ze mij voor te stellen, waarom hebt ge het niet gedaan?” – „Zij zijn beneden, Sire! en met uw verlof zal la Chesnaye hun gaan zeggen, boven te komen.” – „Goed, goed, dat zij onmiddellijk komen; het is dra acht uur en om negen uur wacht ik bezoek. Ga, mijnheer de hertog! maar keer vooral terug. Tréville, kom binnen.”

De hertog groette en vertrok. Op het oogenblik, dat hij de deur opende, verschenen de drie musketiers en d’Artagnan, door la Chesnaye voorafgegaan, boven aan de trap. – „Nadert, gij dapperen!” zeide de koning, „ik moet u beknorren.” – De musketiers naderden al buigende; d’Artagnan volgde hen. – „Hoe duivel! is het mogelijk,” ging de koning voort, „met u vieren zeven gardes van Zijne Eminentie in twee dagen tijds buiten gevecht te stellen!.. Dat is te erg, mijne heeren! Dat is te erg… Als dat zoo voortging, zou Zijne Eminentie genoodzaakt zijn, zijn kompagnie binnen drie weken te hernieuwen, en ik, de edikten in al hun strengheid te doen uitvoeren. Zoo eens bij toeval, daar wil ik niet van spreken; maar zeven in drie dagen tijds, ik herhaal het, dat is te erg.” – „Gij ziet dan ook, Sire, dat zij, vol berouw en leedwezen, Uwe Majesteit om vergiffenis komen smeeken.” – „Vol berouw en leedwezen! zoo,” zeide de koning, „ik vertrouw niet veel hun huichelachtige gezichten; vooral niet dat van dien Gaskonjer, die daar achter staat… Kom eens hier, mijnheer!”

D’Artagnan, die begreep, dat het kompliment aan zijn adres was, naderde, aan zijn gelaatstrekken de wanhopigste uitdrukking gevende, die hem mogelijk was. – „Wel, wel! wat zeidet gij toch, mijnheer de Tréville, dat hij een knaap was? het is nog slechts een kind, niet meer dan een kind. En is hij het, die aan Jussac dien geweldigen steek heeft toegebracht?” – „En aan Bernajoux die twee andere fraaie steken.” – „Inderdaad?” – „Zonder nog te rekenen, dat, indien hij mij niet uit de handen van Biscarat had gered,” zeide Athos, „ik thans de eer niet zou genieten Uwer Majesteit mijn zeer onderdanige groeten te maken.” – „Maar inderdaad, die Bearnees is dan de duivel zelf, ventre saint gris! mijnheer de Tréville! zooals mijn vader zou gezegd hebben, op die wijze zal hij in niet weinig kleedingstukken gaten maken en menigen degen breken. En de Gaskonjers zijn immers altijd arm, niet waar?” – „Sire! ik moet zeggen, dat men nog geen goudmijnen in hun gebergten heeft ontdekt, hoewel de hemel hun dit wonderwerk wel verschuldigd is, als belooning voor de wijze, waarop zij de eischen van den koning, uw vader, ondersteund hebben.” – „Dat wil zeggen, dat het de Gaskonjers zijn, die mij zelven tot koning hebben gemaakt, dewijl ik de zoon mijns vaders ben, niet waar Tréville? maar het zij zoo, ik zeg niet neen. La Chesnaye! doorzoek eens al mijn zakken, of gij er een veertigtal pistolen in kunt vinden; zoo ja, breng ze mij dan. En nu, jongeling! verhaal mij nu eens met de hand op het hart, hoe zich een en ander heeft toegedragen?”

D’Artagnan verhaalde het voorgevallene in alle kleuren: hoe hij, van blijdschap Zijne Majesteit te zullen zien, niet kunnende slapen, zijn vrienden drie uren voor de audiëntie een bezoek was gaan brengen; hoe zij te zamen naar het kaatsspel waren gegaan, en hoe, tengevolge der vrees, die hij had laten blijken, een bal in het aangezicht te krijgen, hij door Bernajoux bespot was geworden, die deze scherts bijna met zijn leven had geboet, en de heer de la Trémouille, wiens schuld het niet was, met het verlies van zijn hotel.

„Het is wel zoo,” mompelde de koning, „ja, de hertog heeft mij volkomen hetzelfde verhaald. Arme kardinaal! zeven mannen in twee dagen tijds en nog wel zijn getrouwsten; maar hoort gij, heeren! het moet hierbij blijven, hoort gij? het is al wel; gij hebt u een meer dan voldoende genoegdoening verschaft voor het gebeurde in de straat Férou, gij moet nu voldaan zijn.” – „Indien Uwe Majesteit het is,” zeide Tréville, „wij zijn het.” – „Ja, ik ben het,” voegde de koning er bij, een handvol gouds uit de handen van la Chesnaye nemende en ze in die van d’Artagnan stellende. „Ziedaar,” zeide hij, „een bewijs mijner tevredenheid.”

In dien tijd waren de denkbeelden van trotschheid, welke in onze dagen boven drijven, nog niet in de mode. Een edelman ontving uit ’s konings eigen handen een geschenk in geld, en zulks was hem volstrekt niet tot oneer. D’Artagnan borg dan ook de veertig pistolen in zijn zak zonder de minste plichtplegingen; maar, integendeel, grootelijks Zijne Majesteit er voor bedankende. – „Zoo! reeds half negen, verwijdert u nu; want, zooals ik gezegd heb, ben ik te negen uur bezoek wachtende… Ik dank u voor uw trouw, heeren! En ik kan er op blijven rekenen, niet waar?” – „O, Sire!” riepen eenparig de vier vrienden, „wij zouden voor Uwe Majesteit ons in stukken doen hakken.” – „Goed, goed; maar blijft geheel, dat is beter, gij kunt mij op die wijze nuttiger zijn. Tréville!” voegde de koning er half luid bij, terwijl de anderen zich verwijderden, „dewijl er bij uw musketiers geen plaats open is, en wij bovendien, om in dat korps te worden aangenomen, bepaald hebben, dat men reeds in dienst moet zijn geweest, moest gij dien jongeling in de kompagnie der gardes van den heer des Essarts, uw schoonbroeder, inlijven. O, Tréville! pardieu! ik kan mij van lachen niet onthouden, wanneer ik denk aan het leelijke gezicht, dat de kardinaal zal zetten; hij zal woedend zijn, maar dat is mij onverschillig, ik heb recht.”

En de koning groette met de hand den heer de Tréville, die vertrok en zich bij zijn musketiers voegde, welke hij met d’Artagnan bezig vond diens veertig pistolen onder elkander te verdeelen… En de kardinaal, zooals de koning had gezegd, was werkelijk zoo woedend, dat hij gedurende acht dagen met den koning niet speelde, hetgeen den koning echter niet belette hem het vriendelijkste gezicht ter wereld te vertoonen, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, met een vleiende, belangstellende stem te vragen: „Wel, Uwe Eminentie! hoe gaat het met uw armen Bernajoux; en met dien armen Jussac?”

HOOFDSTUK VII.
De huishouding der Musketiers

Toen d’Artagnan buiten het Louvre was, en hij zijn vrienden raadpleegde, op welke wijze hij van zijn aandeel in de veertig pistolen gebruik moest maken, gaf Athos hem den raad, een goeden maaltijd in den Mastappel te bestellen, Porthos dien, van een lakei te nemen en Aramis, een bekoorlijke minnares te zoeken. Men zat nog dienzelfden dag aan het maal, terwijl de nieuwe lakei aan tafel bediende. Het maal was door Athos besteld en de lakei door Porthos bezorgd. Deze was een Picardiër, dien de prachtlievende musketier dienzelfden dag op de brug de la Tournelle had aangetroffen, zich vermakende met in het water kringen te spuwen. Porthos oordeelde, dat deze bezigheid het bewijs was eener bedachtzame en oplettende zielsgesteldheid, en had hem daarom zonder eenige verdere aanbeveling aangenomen. De voorname houding van den edelman, in wiens dienst hij meende te komen, had Planchet (zoo heette de Picardiër) overgehaald; maar hij was eenigszins teleurgesteld, toen hij bemerkte, dat de plaats reeds was ingenomen door een anderen knecht, genaamd Mousqueton, en toen Porthos hem had beduid, dat, hoezeer een grooten staat voerende, deze echter geen twee dienaren vereischte en hij in dienst van d’Artagnan moest gaan. Terwijl hij intusschen aan tafel bediende en zijn meester een handvol goud uit den zak zag halen, om te betalen, waande hij zijn fortuin gemaakt en dankte hij den hemel, in de handen van zulk een Cresus gevallen te zijn; hij bleef in dat denkbeeld tot na den afloop van het feestmaal, door welks overblijfselen hij zich van een lange vasten herstelde. Maar toen hij des avonds het bed van zijn meester opmaakte, verdwenen de luchtkasteelen van Planchet. De woning, die slechts uit een voor- en een slaapkamer bestond, bevatte niet meer dan één bed, en Planchet moest in de voorkamer op een deken van het bed van d’Artagnan slapen, waarvan deze zich daarna niet meer bediende. Athos had van zijn kant een knecht, Grimaud genaamd, dien hij op een geheel bijzondere wijze tot zijn dienst gevormd had. Die waardige edelman was zeer stilzwijgend; wij spreken wel te verstaan van Athos. Sedert vijf of zes jaren, dat hij met zijn wapenbroeders, Porthos en Aramis, in de grootste vriendschap had verkeerd, herinnerden zich dezen, hem wel te hebben zien glimlachen, maar nooit hem te hebben hooren lachen. Zijn woorden waren kort en nadrukkelijk, steeds datgene te kennen gevende, wat zij moesten en niets meer; geen uitweidingen, geen zinspelingen, geen bloemspraak; zijn gesprek was een daadzaak zonder de minste inlassching. Hoewel Athos nauwelijks dertig jaren oud en zeer schoon, zoowel naar ziel als lichaam was, kende niemand hem een minnares. Nooit sprak hij over vrouwen. Maar hij belette niet, dat men er in zijn tegenwoordigheid over sprak; ofschoon het gemakkelijk was te zien, dat deze soort van gesprekken, waaraan hij niet dan met bittere woorden en menschhatende beschouwingen deel nam, hem bijzonder onaangenaam waren. Zijn afgetrokkenheid, zijn menschenhaat en zijn sprakeloosheid maakten hem bijna tot een grijsaard, en om van zijn gewoonten niet af te wijken, had hij Grimaud geleerd, op het zien van een enkelen oogwenk, of eener stomme beweging der lippen, hem te begrijpen; slechts in gewichtige omstandigheden richtte hij tot hem het woord. Bijwijlen gebeurde het dan, dat Grimaud, die zijn heer als vuur vreesde, maar nochtans hem veel genegenheid toedroeg en voor zijn genie diepen eerbied koesterde, zich verbeeldende de bevelen zijns meesters volkomen begrepen te hebben, spoed maakte om ze te volvoeren, doch dan gewoonlijk juist het verkeerde volbracht. Athos trok dan de schouders op en ranselde Grimaud. Alleen bij die gelegenheden ontvielen hem eenige woorden.

Porthos, zooals men heeft kunnen opmerken, bezat een geheel anderen aard dan Athos; niet alleen dat hij veel sprak, maar hij deed zulks zeer luide; trouwens, hij stoorde er zich niet aan, men moet hem dit recht laten wedervaren, of men naar hem luisterde of niet; hij sprak alleen uit praatzucht en om het vermaak zich zelven te hooren. Hij sprak over alles, behalve over wetenschappelijke zaken, voor welke hij een aangeboren haat liet blijken, dien hij zeide den geleerden reeds sedert zijn kindsheid toe te dragen. Van minder voorname houding dan Athos, deed het gevoel dier minderheid hem vaak jegens dien edelman onbillijk zijn en trachtte hij dezen door schitterende kleeding in de schaduw te stellen. Doch in zijn eenvoudig musketiersgewaad, en alleen door de wijze op welke hij het hoofd achterover wierp en den voet neerzette, nam Athos vanzelf de plaats in, die hem toekwam, terwijl hij den pralenden Porthos een trede deed dalen. Porthos troostte zich hierover, door de voorzaal van Tréville’s hotel en de wachtkamer van het Louvre van zijn liefdesgevallen te doen weergalmen, zaken waarover Athos nooit sprak. En voor het oogenblik, na zoowel adellijke als burgerdames over de tong te hebben laten gaan, sprak Porthos over niets minder dan van zekere vreemde prinses, die hem ongeloofelijk veel liefde bewees. Het spreekwoord zegt: zoo meester zoo knecht; gaan wij dus van den knecht van Athos tot dien van Porthos, van Grimaud op Mousqueton over.

Mousqueton was een Normandiër, wiens vreedzame naam Bonifacius door zijn meester in den veel meer welluidenden krijgsmansnaam van Mousqueton was veranderd. De voorwaarde, die hem in dienst van Porthos had doen treden, was: dat deze hem kleeding en huisvesting zou verschaffen en zulks met de meeste pracht. Bovendien begeerde hij niets anders, dan twee uren daags te zijner beschikking te behouden, om die toe te wijden aan zekere nijverheid, wier opbrengst toereikend was ter bestrijding zijner overige behoeften. Porthos had het akkoord aangegaan; een heerlijke zaak voor hem. Hij liet voor Mousqueton uit zijn afgelegde kleedingstukken en mantels buizen en broeken snijden, dank zij een zeer behendigen kleermaker, die hem de kleedingstukken als nieuw terug bezorgde door ze te keeren, en wiens vrouw verdacht werd, Porthos zijn aristocratische gewoonten somwijlen te doen afleggen; zoo zag Mousqueton, achter zijn meester voorttredende, er zeer goed uit.

Aramis, van wien wij meenen genoegzaam het karakter te hebben beschreven, een karakter trouwens, dat wij, zooals dat zijner wapenbroeders, in zijn ontwikkeling kunnen volgen, had een knecht, die Bazijn werd genoemd. Uit hoofde der hoop zijns meester, om eenmaal tot den geestelijken stand over te gaan, was hij altijd in het zwart gekleed, zooals het den dienaar eens geestelijken betaamt. Hij was geboortig uit Berry en vijf en dertig tot veertig jaar oud, van zachtmoedigen, vreedzamen aard en mollig van lichaam; hij besteedde de vrije oogenblikken, die hem zijn meester liet, met het lezen van stichtelijke boeken; als het vereischt werd, maakte hij een maal voor twee personen gereed, dat wel is waar uit weinig gerechten bestond, maar overheerlijk was. Overigens was hij stom, blind, doof, kortom van een beproefde trouw.

Thans, nu wij ten minste oppervlakkig zoowel meesters als knechts kennen, kunnen wij tot de door elk hunner bewoond wordende vertrekken overgaan. Athos woonde in de straat Férou, op een paar schreden afstands van het Luxembourg. Zijn vertrekken bestonden uit twee kleine, van zeer net huisraad voorziene kamers – van welke de eigenares, die nog jong en inderdaad schoon was, vruchteloos hem verliefde lonken toewierp. Eenige overblijfselen van vroegeren luister blonken hier en daar op de muren van dat eenvoudig verblijf: bij voorbeeld een degen, rijk gedamasceerd, die, naar het model te oordeelen, tot den tijd van Frans I opklom, en waarvan de greep, die met edelsteenen was bezet, alleen op tweehonderd pistolen kon worden geschat en dien Athos, zelfs in oogenblikken van hoogen nood, nooit had willen beleenen of verkoopen; deze degen had lang de begeerlijkheid van Porthos geprikkeld; hij zou tien jaren van zijn leven hebben willen geven voor het bezit van dien degen.

Op zekeren tijd, dat hij een samenkomst met een hertogin had afgesproken, trachtte hij dien zelfs van Athos ter leen te verkrijgen. Athos, zonder één woord te spreken, ledigde zijn zakken, bracht al zijn kostbaarheden bij elkander, beurzen, rijgsnoeren en gouden kettingen en bood dit alles Porthos aan; „maar wat den degen betreft,” zeide hij, „die is op zijn plaats vastgeklonken en verlaat die niet, dan wanneer de eigenaar de woning verlaat.”

Behalve dien degen bezat hij nog een portret, een edelman uit den tijd van Hendrik III voorstellende, prachtig gekleed en versierd met de orde van den Heiligen Geest. Het gelaat van dat portret had wel eenige gelijkenis met dat van Athos en bezat een soort van familietrek, die genoegzaam aanduidde, dat die groote heer, ridder der koninklijke orden, een zijner voorvaders was geweest. Eindelijk stond een kostbaar gouden kistje, met hetzelfde wapen versierd, dat zich ook op den degen en het portret bevond, midden op den schoorsteenmantel en stak niet weinig af bij het overige huisraad. Athos droeg steeds den sleutel van dat kistje, dat niets anders dan brieven en andere papieren bevatte, ongetwijfeld minnebrieven en familiepapieren.

Porthos bewoonde zeer ruime vertrekken in een huis van een zeer prachtig aanzien, in de straat Vieux Colombier. Telkens wanneer hij met eenige vrienden zijn vensters voorbijging, voor een van welke Mousqueton steeds in groote livrei te zien was, hief Porthos het hoofd op en met de hand het huis aanwijzende, zeide hij: „Ziedaar mijn woning!” Maar nooit vond men hem te huis, nooit verzocht hij iemand bij zich en niemand was er, die zich een denkbeeld vormen kon van de werkelijke schatten, die deze oogenschijnlijk prachtige woning bevatte.

Aramis bewoonde eenige kleine vertrekken, bestaande in een klein salon, een eetzaal en een slaapkamer, welke laatste, evenals de overige, het benedengedeelte van het huis besloeg en op een kleinen, frisschen, groenen, lommerrijken en voor het oog der geburen ondoordringbaren tuin uitkwam.

Wat d’Artagnan betreft, wij weten op wat wijze hij was gehuisvest en hebben reeds met zijn lakei, meester Planchet, kennis gemaakt.

D’Artagnan, die zeer nieuwsgierig was, zooals trouwens allen, die den geest van intrigue bezitten, stelde alle pogingen in het werk om er achter te komen, wie toch eigenlijk Athos, Porthos en Aramis waren; want onder deze oorlogsnamen verborg elk hunner zijn adellijken geslachtsnaam, vooral Athos, die in al zijn handelingen den edelman vertoonde. Hij wendde zich tot Porthos om een en ander nopens Athos en Aramis te vernemen, en tot Aramis om Porthos te leeren kennen. Ongelukkig wist Porthos omtrent het leven van zijn zwijgenden vriend niets anders dan datgene, wat er van was uitgelekt. Men zeide, dat hij zware rampen in zijn liefde had ondervonden en dat een vreeselijk verraad voor altijd het leven van dien beminnelijken man had vergald. Maar waarin dat verraad bestond, was voor de geheele wereld een geheim. Behalve den waren naam van Porthos, dien de heer de Tréville alleen kende, zoowel als dien zijner beide wapenbroeders, was zijn leven niet moeilijk te doorgronden. IJdel en praatziek, kon men hem doorzien, alsof hij van glas ware geweest. Men zou alleen in het onderzoek omtrent hem op den dwaalweg gebracht kunnen zijn geworden, door aan al het goede geloof te hechten, dat hij van zich zelven zeide. Wat Aramis betreft, deze, hoewel den schijn aannemende volstrekt niets geheimzinnigs te bezitten, was een jongeling, in allerhande geheimen doorkneed, zeer weinig antwoordende op de vragen, die men hem omtrent anderen deed, en die hem zelven betroffen ontwijkende.

Op zekeren dag, na hem langdurig over Porthos ondervraagd te hebben en door hem het gerucht vernemende, dat van de goede vertrouwelijkheid des musketiers met een prinses in omloop was, wilde nu ook d’Artagnan een en ander van de verliefde avonturen van hem, dien hij ondervroeg, weten. – „En gij, mijn waarde vriend!” zeide hij, „gij, die over de baronessen, de gravinnen en de prinsessen der anderen spreekt?” – „Vergeef mij,” viel Aramis hem in de rede, „hierover sprak ik, omdat Porthos er zelf over spreekt, en hij al die fraaiigheden in mijn tegenwoordigheid voor het publiek heeft uitgekraamd. Maar wees verzekerd, mijn waarde heer d’Artagnan! dat, indien ik hiermede op een andere wijze was bekend geraakt, of hij mij zulks had toevertrouwd, niemand dat geheim strenger bewaard zou hebben dan ik.” – „Ik twijfel hieraan niet,” hernam d’Artagnan; „maar in alle geval geloof ik, dat gij zelf tamelijk gemeenzaam zijt met zeker geslachtswapen, waarvoor de geborduurde zakdoek niet weinig grond geeft, en die mij de eer heeft bezorgd, met u in kennis te raken.”

Nu werd Aramis niet meer boos, maar hij nam een zeer nederige houding aan en antwoordde vriendelijk: „Mijn waarde! houd toch in het oog, dat ik tot de kerk behoor en alle wereldsche zaken vlied. De zakdoek, dien gij mij hebt zien ontvallen, was mij niet gegeven geworden, maar werd door een mijner vrienden bij mij achtergelaten. Ik nam hem mede, opdat daardoor de goede naam der dame, die hij bemint, niet verloren zou gaan. Wat mij betreft, ik heb noch wil een minnares hebben en volg hierin het zeer verstandig voorbeeld van Athos, die er evenmin eene heeft als ik.” – „Maar wat duivel! gij zijt geen pastoor, maar een musketier.” – „Musketier, voorloopig, mijn waarde! zooals de kardinaal zegt; musketier, in afwachting van iets anders en tegen mijn wil, maar geestelijke in mijn hart, geloof mij. Athos en Porthos hebben mij er toe overgehaald, om mij eenige bezigheid te verschaffen; want ik had op het oogenblik mijner priesterwijding een kleine onaangenaamheid met… Maar dat is voor u van volstrekt geen belang en ik ontneem u een kostbaren tijd.” – „In het geheel niet, ik stel er integendeel zeer veel belang in,” riep d’Artagnan, „en voor het oogenblik heb ik volstrekt niets te doen.” – „Ja, maar ik moet mijn brevier gaan lezen,” antwoordde Aramis, „vervolgens eenige dichtregelen schrijven voor mevrouw d’Aiguillon, die mij die verzocht heeft, dan moet ik naar de straat St. Honoré, om voor mevrouw de Chevreuse blanketsel te koopen; gij ziet dus wel, mijn waarde vriend! dat, indien gij volstrekt geen haast hebt, ik integendeel het zeer druk heb.” – En Aramis reikte zijn jongen makker vriendelijk de hand en nam van hem afscheid.

Het was d’Artagnan niet mogelijk, welke moeite hij ook deed, iets naders nopens zijn drie nieuwe vrienden te vernemen. Hij bepaalde er zich dus voorloopig toe alles te gelooven, wat men hem over hun verleden verhaalde, van de toekomst zekerder en vollediger mededeelingen verwachtende. Intusschen beschouwde hij Athos als een Achilles, Porthos als een Ajax en Aramis als een Jozef. Overigens was de leefwijze der vier jongelieden van een vroolijken aard: Athos speelde, doch steeds met verlies. Echter leende hij nooit van zijn vrienden één penning, hoewel zijn beurs steeds voor hen geopend was; en wanneer hij op zijn woord had gespeeld, ging hij altijd zijn schuldeischer des morgens te zes uur wekken, om hem zijn schuld van den vorigen avond te voldoen. Porthos had luimen: op de dagen, dat hij won, was hij onbeschoft en tevens mild; wanneer hij verloor, zag men hem volstrekt niet gedurende eenige dagen, waarna hij met een bleek en vrij lang gezicht, maar met geld in den zak, wederom te voorschijn kwam. Aramis speelde nooit. Hij was voorwaar de ongeschiktste musketier en de ongezelligste jongeling in gezelschap, die er te vinden was. Hij had altijd iets te doen. Somwijlen gebeurde het, dat, te midden van een gastmaal, wanneer allen, opgewonden door den wijn, zich aan vroolijken kout overgaven en men nog een uur of drie aan tafel dacht te blijven, Aramis op zijn horloge zag, met een bevalligen glimlach van zijn plaats opstond en afscheid van het gezelschap nam, om, zooals hij zeide, een samenkomst te gaan houden met een godgeleerde, ter doorgronding van zekere geschilpunten. Een andermaal keerde hij naar huis terug, om een thesis af te werken, aan zijn vrienden verzoekende hem niet te storen. Dan glimlachte Athos met den bevalligen maar droefgeestigen lach, die zoo wel met zijn gelaatstrekken overeenkwam, terwijl Porthos zijn glas ledigde, zwerende dat Aramis nooit iets meer dan een dorpspastoor zou zijn.

Planchet, de knecht van d’Artagnan, verdroeg de weelde goed; hij ontving dagelijks anderhalve frank, en gedurende een maand kwam hij te huis vroolijk als een vink en vol voorkomendheid jegens zijn meester. Toen de wind des tegenspoeds begon te waaien over de huishouding der Doodgraversstraat, dat is te zeggen, toen de veertig pistolen van koning Lodewijk XIII zoo niet geheel, althans gedeeltelijk waren verteerd, begon hij klachten aan te heffen, die Athos akelig, Porthos onwelvoegelijk en Aramis dwaas vond. Athos gaf dus aan d’Artagnan den raad den snaak weg te jagen; Porthos, dat men hem vooraf een dracht slagen zou geven, en Aramis beweerde, dat een meester niets anders dan het goede, dat men van hem zeide, behoefde af te wachten.

„Dat kunt gijlieden gemakkelijk zeggen,” zeide d’Artagnan. „Gij, Athos! die stom voor Grimaud zijt, hem verbiedt te spreken en bijgevolg nooit iets verkeerds van hem hoort; gij, Porthos! die een prachtig leven leidt en een God voor uw knecht Mousqueton zijt, en eindelijk gij, Aramis! die, steeds aan uw godgeleerde studiën overgegeven, een diepen eerbied aan uw zachtaardigen en vromen dienaar Bazijn inboezemt. Maar ik, die niets beteeken of eenige middelen heb, ik, die musketier noch lijfwacht ben, wat moet ik doen, om Planchet genegenheid, vrees of eerbied in te boezemen?” – „De zaak is teer,” antwoordden de drie vrienden; „het is een huishoudelijke zaak en het is met de knechts als met de vrouwen, men moet hen onmiddellijk op den voet stellen, waarop men wil dat zij blijven zullen… Overweeg daarom.”

D’Artagnan overwoog en besloot Planchet bij voorbaat een pak slaag te geven, hetgeen werd uitgevoerd met de nauwgezetheid, welke d’Artagnan gewoon was in alle dingen in acht te nemen. Toen, na hem duchtig te hebben afgerost, verbood hij hem zijn dienst te verlaten zonder zijn verlof; „want,” voegde hij er bij, „de toekomst moet mij geluk schenken, ik wacht dan ook stellig betere tijden. Uw fortuin is dus gemaakt, wanneer gij bij mij blijft, en ik ben een al te goed meester, om u uw fortuin te doen ontgaan, door u verlof te geven om te vertrekken.”

Deze handelwijze boezemde den musketiers voor het doorzicht van d’Artagnan veel eerbied in. Planchet was niet minder door bewondering opgetogen en sprak niet meer van te vertrekken. De vier jongelingen leefden samen; d’Artagnan, aan hoegenaamd geen gewoonten verslaafd, dewijl hij uit de provincie te midden van een voor hem geheel nieuwe wereld terechtkwam, maakte zich onmiddellijk de gewoonten zijner vrienden eigen. Men stond des winters te acht en des zomers tegen zes uur op, waarna men bij den heer de Tréville naar het wachtwoord ging vernemen en zien hoe de zaken dáár stonden. D’Artagnan, ofschoon geen musketier, nam den dienst echter met roerende nauwgezetheid waar; hij was altijd op de wacht, omdat hij steeds dengenen zijner vrienden gezelschap hield, wiens wachtbeurt het was. Men kende hem aan het hotel der musketiers en allen beschouwden hem als een goed kameraad.

De heer de Tréville, die hem op het eerste gezicht naar waarde had geschat en hem veel vriendschap toedroeg, hield niet op, hem den koning aan te bevelen. Ook de drie musketiers betoonden van hun kant hun jeugdigen makker veel genegenheid. Die vriendschap, welke deze vier mannen vereenigde, en de behoefte elkander drie of viermaal daags te zien en te spreken, dan nopens een tweegevecht, dan wegens zaken of uitspanningen, deed hen elkander achterna loopen als de schaduw het lichaam en men ontmoette steeds de onafscheidbaren, elkander zoekende, tusschen het Luxembourg en het plein St. Sulpice, of van de straat Vieux Colombier tot aan het Luxembourg.

Intusschen verwezenlijkten zich de beloften van den heer de Tréville. Op zekeren dag beval de koning den ridder des Essarts, d’Artagnan als kadet in zijn gardekompagnie in te lijven. D’Artagnan hulde zich al zuchtende in die uniform, welke hij voor tien jaren zijns levens tegen den musketiersrok zoude hebben willen verruilen. De heer de Tréville beloofde hem echter die gunst na een tweejarigen leertijd, die trouwens kon verkort worden, indien de gelegenheid zich aanbood, dat d’Artagnan den koning een of anderen dienst bewijzen of een schitterende daad verrichten kon. D’Artagnan verwijderde zich op die belofte en den volgenden dag nam zijn dienst een aanvang. Toen was de beurt aan Athos, Porthos en Aramis, om met d’Artagnan de wacht te betrekken, wanneer het de beurt van dezen was: zoodat de kompagnie van den ridder des Essarts, op den dag dat d’Artagnan werd ingelijfd, vier manschappen in plaats van één verkreeg.

HOOFDSTUK VIII.
Een hofintrigue

Intusschen waren de 40 pistolen van koning Lodewijk XIII, zooals al het wereldsche, na een begin te hebben gehad, ten einde geraakt en met dat einde bevonden zich de vier vrienden in verlegenheid. Athos had aanvankelijk de vereeniging met zijn geld ondersteund. Porthos was hem opgevolgd en dank zij een dier afwezigheden, aan welke men gewoon was, had hij gedurende nog veertien dagen in de behoeften van allen voorzien; eindelijk was de beurt aan Aramis gekomen, die zich bevallig hieraan onderwierp, en, zooals hij zeide, er in geslaagd was, door het verkoopen zijner godgeleerde werken, zich eenige pistolen te verschaffen. Men nam ook gewoonlijk zijn toevlucht tot den heer de Tréville, die eenige voorschotten op de soldij deed; maar deze hielpen niet veel aan drie musketiers, die reeds veel achterstallig waren en aan een garde, die nog geen soldij genoot. Eindelijk, toen men zag, dat men dra niets meer zou bezitten, bracht men door een laatste inspanning acht of tien pistolen bij elkaar, die Porthos aan het spel waagde. Ongelukkig was de fortuin hem tegen, hij verloor alles en daarenboven vijf en twintig pistolen op zijn woord. Toen werd de verlegenheid nood en men zag de uitgehongerden, door hun lakeien gevolgd, de kaden en de wachthuizen afloopen, hun vrienden zooveel mogelijk tot het geven van maaltijden aansporende; want, volgens het oordeel van Aramis, moest men in voorspoedstijden links en rechts uitnoodigingen tot maaltijden zaaien, om er eenige in tijd van nood te kunnen oogsten.

Athos werd vier maal genoodigd en bracht telkens zijn vrienden met hun dienaren mede. Porthos had zes gelegenheden, waaraan hij zijn vrienden liet deel nemen. Aramis acht. Dit was iemand, zooals men reeds heeft kunnen zien, die weinig drukte maakte, maar veel uitvoerde. Wat d’Artagnan betreft, die in de hoofdstad niemand kende, deze vond bij een priester van zijn land een ontbijt met chocolaad, en bij een kornet der garde een middagmaal. Hij voerde zijn leger naar den priester, wiens voorraad van twee maanden verslonden werd, en naar den kornet, die wonderen verrichtte; maar zooals Planchet zeide: men eet slechts eens, zelfs wanneer men veel eet. D’Artagnan beschouwde zich dus niet weinig vernederd slechts anderhalf maal aan zijn vrienden te kunnen aanbieden, want het ontbijt bij den priester kon niet voor meer dan een half maal doorgaan, tegenover de feestmalen, welke Athos, Porthos en Aramis hadden bezorgd. Hij beschouwde zich als een bezwaar voor de kompagnieschap en zijn jeugdige goedhartigheid deed hem over het hoofd zien, dat hij de vennootschap gedurende een maand had onderhouden; zijn onrustige geest begon nu ijverig werkzaam te zijn. Hij overwoog, dat een bondgenootschap van vier jonge, dappere, ondernemende en bedrijvige mannen zich een ander doel moest voorstellen dan baldadige wandelingen, schermpartijen en min of meer geestige gesprekken. En waarlijk vier mannen zooals zij, vier aan elkander, van de beurs tot aan het leven verknochte mannen, vier mannen die elkander steeds hulp verleenden, nooit weken en, hetzij alleen of gezamenlijk, de gemeenschappelijk genomen besluiten ten uitvoer brachten: vier armen, die dreigend zich naar de vier hemelstreken uitstrekten, of zich op één punt vestigden, moesten onvermijdelijk, hetzij in het duister, of bij het daglicht, of langs mijnen, of door loopgraven, of door list, of door geweld, zich een weg banen tot het doel, dat zij wilden bereiken, hoe goed het dan ook verdedigd, of hoe verwijderd het ook mocht zijn.

Het eenige, wat d’Artagnan verwonderde, was, dat zijn vrienden hieraan nog niet hadden gedacht. Maar hij dacht er aan in vollen ernst, zich de hersens kwellende, ten einde die viervoudige tot één gebrachte kracht een richting te geven, niet twijfelende of hij zou daarmede, zooals met den hefboom, gelijk Archimedes beweerde, de wereld opheffen. Terwijl hij hieraan dacht, werd er zacht aan de deur geklopt. D’Artagnan wekte Planchet en beval hem te openen. De lezer verbeelde zich niet, door deze woorden: d’Artagnan wekte Planchet, dat het nacht was, of dat de dag nog niet gekomen was. Neen, het was vier uur in den namiddag. Twee uren te voren was Planchet zijn meester om zijn middagmaal komen verzoeken, die hem met het spreekwoord had geantwoord: Die slaapt, die eet. En Planchet at en sliep nu. Een persoon van een eenvoudig uiterlijk, blijkbaar een burgerman, werd binnengeleid. Planchet had gaarne tot dessert het gesprek willen afluisteren, maar de burger verklaarde aan d’Artagnan, dat hetgeen hij hem te zeggen had van het uiterste belang was en slechts in vertrouwen hem kon worden medegedeeld, zoodat hij een afzonderlijk gesprek verlangde. D’Artagnan liet Planchet vertrekken en verzocht zijn bezoeker plaats te nemen. Er heerschte een oogenblik een diepe stilte, gedurende welke beide mannen elkander beschouwden, als om vooraf elkander te doorgronden, waarna d’Artagnan zich boog, ten teeken dat hij zich tot luisteren gereed hield.

„Ik heb van den heer d’Artagnan hooren spreken als van een zeer dapperen jongeling,” zeide de burgerman, „en die roem, welken hij zoo rechtmatig verdient, heeft mij genoopt hem een geheim toe te vertrouwen.” – „Spreek, mijnheer, spreek!” zeide d’Artagnan, die inwendig hierin iets voordeeligs meende te bespeuren. – De burger hield een nieuwe pauze en hernam: „Ik heb een vrouw, mijnheer! die in den dienst der koningin daar over het lijnwaad het opzicht heeft en aan welke braafheid noch schoonheid ontbreekt. Men heeft mij haar, ongeveer drie jaar geleden, ten huwelijk gegeven, hoewel zij niet zeer bemiddeld was, en het was de heer de la Porte, de slipdrager der koningin, haar pleegvader, die voor haar zorgde.” – „Welnu, mijnheer?” vroeg d’Artagnan. – „Welnu, mijnheer!” hernam de burger, „mijn vrouw is gisteren ochtend ontvoerd geworden, toen zij haar werkkamer verliet.” – „En wie heeft uw vrouw ontvoerd?” – „Ik weet hiervan niets met zekerheid; maar ik heb vermoeden op zekeren persoon.” – „En wie is de persoon, dien gij verdenkt?” – „Iemand, die haar reeds sedert geruimen tijd volgt.” – „Duivelsch!..” – „Maar laat ik u er bij zeggen, mijnheer!” ging de burger voort, „ik ben overtuigd, dat hieronder minder liefde dan staatkunde schuilt.” – „Minder liefde dan staatkunde?” hernam d’Artagnan op peinzenden toon, „wat vermoedt gij dan?” – „Ik weet niet, of ik u wel mag zeggen, wat ik vermoed.” – „Mijnheer! ik moet u doen opmerken, dat ik u volstrekt niets gevraagd heb… Gij zijt het, die mij een bezoek hebt komen brengen. Gij zijt het, die mij hebt gezegd, mij een geheim te willen toevertrouwen… Doe dus naar uw welgevallen, het is nog tijd u terug te trekken.” – „Neen, mijnheer! neen, gij schijnt mij een zeer eerlijk jongeling, ik wil daarom vertrouwen in u stellen… Neen, ik geloof niet dat het uit liefde is, dat men mijn vrouw heeft ontvoerd; maar wel ten gevolge der liefde eener meer voorname vrouw dan zij.” – „Ha, ha! zou het een gevolg zijn der liefde van mevrouw de Bois-Tracy?” riep d’Artagnan, die den schijn aannam met de hofzaken goed bekend te zijn. – „Nog hooger, mijnheer! nog hooger.” – „Van mevrouw d’Aiguillon?” – „Nog hooger.” – „Van mevrouw de Chevreuse?” – „Nog hooger, nog veel hooger.” – „Van…?” – D’Artagnan hield op.

„Ja, mijnheer!” antwoordde de ontstelde burger zoo zacht, dat men hem nauwelijks kon verstaan. – „En met wien?” – „Met wien kan het anders zijn, dan met den hertog van…” – „De hertog van…?” – „Ja, mijnheer!” antwoordde de burger, zijn stem nog meer smorende. – „Maar hoe weet gij dat toch?” – „Wel! hoe ik het weet?” – „Ja, hoe weet gij het? Geen half vertrouwen, of… gij begrijpt.” – „Ik weet het van mijn vrouw, van niemand anders dan van mijn vrouw… want zij weet het zeer goed.” – „Van wien weet zij het?” – „Van den heer de la Porte… Ik heb u immers gezegd, dat zij de pleegdochter van den heer de la Porte, den vertrouweling der koningin is. Welnu, de heer de la Porte heeft haar in dienst van Hare Majesteit doen treden, opdat onze arme koningin althans iemand zou hebben, aan wie zij haar vertrouwen kon schenken; verlaten, zooals zij is, door den koning, bespied door den kardinaal, en door de geheele wereld verraden.” – „Ha! ha! ziedaar ten minste eenige lichtpunten,” zeide d’Artagnan. – „En mijn vrouw, mijnheer! kwam vier dagen geleden te huis, daar een der voorwaarden van haar dienst is, dat zij mij tweemaal in de week een bezoek moet komen brengen; want, zooals ik de eer had u te zeggen, mijn vrouw draagt mij veel liefde toe. Mijn vrouw was dan te huis gekomen en verhaalde mij in vertrouwen, dat op het oogenblik de koningin in grooten angst verkeerde.” – „Waarlijk?” – „Ja. De kardinaal schijnt haar meer dan ooit te vervolgen en te plagen. Hij kan haar de geschiedenis der Sarabanda nog maar in het geheel niet vergeven. Gij kent die historie immers?” – „Pardieu! of ik ze ken!” antwoordde d’Artagnan, die er volstrekt niets van wist, maar die met alles bekend wilde schijnen. – „Zoodat het thans geen haat maar wraakzucht is.” – „Waarlijk?” – „En de koningin gelooft…” – „Wel, wat gelooft de koningin?” – „Zij gelooft, dat men in haar naam aan den hertog van Buckingham heeft geschreven.” – „In naam der koningin?” – „Ja, om hem naar Parijs te doen komen, om hem daar in een valstrik te lokken.” – „Duivelsch! maar mijn waarde heer! wat heeft uw vrouw met dat alles te maken?” – „Men kent haar gehechtheid aan de koningin, en men wil, òf haar van haar meesteres verwijderen, òf haar vrees aanjagen, om op die wijze van haar de geheimen der koningin te vernemen, òf men wil haar verleiden, ten einde haar als een bespiedster te gebruiken.” – „Dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan; „maar kent gij den man, die haar heeft ontvoerd?” – „Ik heb u gezegd, dat ik geloofde hem te kennen.” – „Zijn naam?” – „Dien ken ik niet; ik weet alleen, dat het een dienaar des kardinaals is, een zijner vertrouwelingen.” – „Gij hebt hem gezien?” – „Ja, mijn vrouw heeft hem mij eenmaal aangewezen.” – „Heeft hij iets buitengewoons, waaraan men hem zou kunnen herkennen?” – „O ja, hij is een edelman van een verhevene gestalte, met zwart hoofdhaar, bruinkleurig van gelaat, doordringende oogen, witte tanden en een litteeken aan den linker slaap des hoofds.” – „Een litteeken aan den linker slaap,” riep d’Artagnan, „en daarbij witte tanden, bruinkleurig, zwart haar en verhevene gestalte, dat is mijn man van Meung.” – „Dat is uw man, zegt gij?” – „Ja, ja, doch dat doet niets ter zake. Maar neen, ik verspreek mij, mijn zaak wordt des te gemakkelijker; want indien uw man de mijne is, dan volvoer ik twee wraaknemingen in één slag; ziedaar! maar waar dien man te vinden?” – „Dat weet ik volstrekt niet.” – „Hebt gij niet de minste aanwijzing omtrent zijn woonplaats?” – „Niet de minste. Op zekeren dag, dat ik mijn vrouw naar het Louvre terugbracht, kwam hij er uit, op het oogenblik dat zij binnentrad, en toen wees zij hem mij aan.” – „Duivelsch! duivelsch!” mompelde d’Artagnan, „dat alles helpt ons nog niets. Wie heeft u van de ontvoering uwer vrouw kennis gegeven?” – „De heer de la Porte.” – „Heeft hij u eenige bijzonderheden medegedeeld?” – „Hij kende er zelf volstrekt geene.” – „En hebt gij niets van een andere zijde vernomen?” – „Ja, wel, ik ontving…” – „Wat?” – „Maar ik weet niet, of ik niet een groote onvoorzichtigheid bega.” – „Begint gij opnieuw daarover? intusschen moet ik u doen opmerken, dat het een weinig te laat is, u nu terug te trekken.” – „Ik ga niet terug, mordieu!” riep de burger, vloekende, om zich zelven aan te sporen. „Bovendien, zoo waar ik Bonacieux heet…” – „Gij heet Bonacieux?” viel d’Artagnan hem in de rede. – „Ja, dat is mijn naam.” – „Gij zeidet dan: Zoo waar ik Bonacieux heet. Vergeef mij uw rede te hebben afgebroken, maar ik meende, dat mij die naam niet onbekend was.” – „Wel mogelijk, mijnheer! want ik ben de eigenaar van dit huis.” – „O! o!” riep d’Artagnan, even van zijn stoel opstaande en groetende. „Ha! gij zijt mijn huisheer?” – „Ja, mijnheer! ja. En dewijl sedert drie maanden, dat gij bij mij inwoont, uw gewichtige bezigheden u zeker hebben doen verzuimen mij de huur te voldoen, en dewijl, zeg ik, ik u niet een oogenblik ben lastig gevallen, meende ik, dat gij mijn kieschheid zoudt in aanmerking nemen.” – „Wel hoe, mijn waarde heer Bonacieux!” hernam d’Artagnan, „wees verzekerd, dat ik vol erkentelijkheid ben voor zulk een handelwijze, en dat, zooals ik u gezegd heb, indien ik u in iets van dienst kan zijn…” – „Ik geloof u, mijnheer en, zooals ik u wilde zeggen: zoo waar ik Bonacieux heet, ik stel in u vertrouwen.” – „Voleind dan hetgeen gij mij wildet zeggen.”

De burger haalde een papier uit zijn zak en bood het d’Artagnan aan. – „Een brief!” zeide de jongeling. – „Dien ik hedenochtend heb ontvangen.” – D’Artagnan opende hem, en wijl de avond begon te vallen, naderde hij het venster. De burger volgde hem.

„Zoek uw vrouw niet,” las d’Artagnan, „zij zal u worden teruggegeven, wanneer men haar niet meer zal noodig hebben. Indien gij één enkelen stap doet, om haar weer te vinden, zijt gij verloren.”

„Dat ten minste is duidelijk,” ging d’Artagnan voort; „maar in alle geval is het niets meer dan een bedreiging.” – „Ja, maar die bedreiging doet mij beven, mijnheer! ik ben volstrekt geen held en zeer bang voor de Bastille.” – „Hm!” lispte d’Artagnan, „maar ik ben evenals gij, en kom liefst niet in aanraking met de Bastille. Indien het een degensteek betrof, dat kan er nog mede door.” – „Intusschen, mijnheer! had ik inderdaad in deze omstandigheid op u gerekend.” – „Ja.” – „Daar ik u steeds in het gezelschap zie van musketiers van een zeer ontzaginboezemend voorkomen en weet, dat deze musketiers die des heeren de Tréville en bijgevolg vijanden van den kardinaal zijn, meende ik, dat gij en uw vrienden, door onze arme koningin te hulp te komen, verheugd zoudt zijn Zijne Eminentie een leelijken trek te spelen.” – „Ongetwijfeld.” – „En vervolgens dacht ik aan de drie maanden huur, die gij mij schuldig zijt, en waarom ik u nooit heb gevraagd.” – „Ja, ja! gij hebt mij dit reeds te verstaan gegeven en die reden vind ik voortreffelijk.” – „Daarenboven is het mijn voornemen, zoo lang gij mij de eer zult aandoen in mijn huis te blijven, u nooit, zelfs niet in het toekomstige, over de huur aan te spreken.” – „Heel goed!” – „En voeg daarbij, indien zulks noodig mocht zijn, dat ik bereid ben u een vijftigtal pistolen aan te bieden, indien gij, tegen alle waarschijnlijkheid, op dit oogenblik om eenig geld verlegen mocht zijn.” – „Kostelijk! Gij zijt dus rijk, mijn beste heer Bonacieux?” – „Ik kan leven, mijnheer! dat kan ik zeggen; ik heb zoo wat twee tot drie duizend kronen inkomen, bijeengegaard door mijn kleine winkelnering, maar vooral door het beleggen van eenige gelden in de laatste reis van den beroemden zeereiziger Jean Mocquet, zoodat gij wel begrijpt, mijnheer!..”

„Ha! zie!” riep de burger. – „Wat?” vroeg d’Artagnan. – „Wat zie ik daar!” – „Waar?” – „Op straat, tegenover uw venster, onder den post van die deur; een man in een mantel gehuld!” – „Hij is het!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en de burger, daar zij elk voor zich zelven hun man hadden herkend. – „Ha! dezen keer,” riep d’Artagnan, zijn degen grijpende, „dezen keer zal hij mij niet ontsnappen!” – En zijn degen uit de scheede trekkende, stortte hij het vertrek uit.

Op de trap ontmoette hij Athos en Porthos, die hem een bezoek kwamen brengen. Zij gingen op zijde, en d’Artagnan vloog als een pijl tusschen beiden door. – „Hei daar! waarheen moet dat?” riepen hem eenparig de twee musketiers na. – „De man van Meung,” antwoordde d’Artagnan, en hij verdween.

D’Artagnan had meer dan eens aan zijn vrienden zijn ontmoeting met den vreemdeling verhaald, zoowel als de verschijning van de schoone reizigster, aan welke die man een zoo gewichtige zending had toevertrouwd. Het oordeel van Athos hieromtrent was, dat d’Artagnan zijn brief in de worsteling verloren had. Volgens zijn denkwijze, en te oordeelen naar het portret, dat d’Artagnan van den vreemdeling had geschetst, kon deze niet anders dan een edelman zijn geweest, en een edelman was niet in staat de laagheid te begaan een brief te stelen. Porthos had in dat alles niets anders dan een verliefde samenkomst gezien, welke door een dame aan een minnaar of door een minnaar aan een dame was gegeven, maar die gestoord was geworden door d’Artagnan’s tegenwoordigheid en die van zijn geel paard. Aramis had gezegd, dat dergelijke zaken iets geheimzinnigs bevatten en dat het beter was ze niet te doorgronden. – Zij begrepen diensvolgens uit de weinige woorden, die aan d’Artagnan ontglipten, waarvan sprake was, en daar zij veronderstelden, dat d’Artagnan, na zijn man ingehaald of hem uit het gezicht verloren te hebben, eindelijk weder naar huis zou terugkeeren, klommen zij verder de trap op.

Toen zij de kamer van d’Artagnan binnentraden, was die verlaten; de eigenaar, bevreesd voor de gevolgen, welke de ontmoeting tusschen den jongeling en den vreemdeling zou hebben, had het voorzichtig geoordeeld zich te verwijderen.

HOOFDSTUK IX.
D’Artagnan doet zich gelden

Zooals Athos en Porthos hadden verwacht, kwam d’Artagnan na verloop van een half uur terug. Wederom was zijn man hem ontgaan en als door tooverij verdwenen. D’Artagnan had met getrokken degen al de nabijgelegen straten doorloopen, doch niemand ontmoet, die eenigszins geleek op den man, dien hij zocht. Vervolgens ging hij over tot datgene, waarmede hij misschien had moeten beginnen, namelijk: aan de deur te kloppen, waartegen de vreemdeling had gestaan; maar tevergeefs deed hij den klopper tien of twaalf malen er op nedervallen, niemand antwoordde, doch de buren, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, waren voor hun deuren gekomen en staken den neus buiten hun vensters, hem verzekerende, dat het huis, welks openingen trouwens alle dicht waren, reeds sinds zes maanden onbewoond was geweest. Terwijl d’Artagnan de straten doorliep en op de deuren bonsde, had Aramis zich met zijn twee vrienden vereenigd, zoodat, toen d’Artagnan terugkwam, hij het gezelschap voltallig vond.

„Wel?” riepen eenparig de musketiers, d’Artagnan met een van zweet druipend voorhoofd en door toorn vertrokken gelaat ziende binnenkomen. – „Wel!” hernam deze, zijn degen op het bed werpende, „die kerel moet de duivel in persoon zijn; als een spook, geest, of als een schim is hij verdwenen.” – „Gelooft gij aan spoken?” vroeg Athos aan Porthos. – „Ik geloof aan niets anders dan aan hetgeen ik zie, en dewijl ik nooit spoken heb gezien, geloof ik er niet aan.” – „Volgens den bijbel,” zeide Aramis, „moeten wij er aan gelooven: de schim van Samuel verscheen aan Saul en met leedwezen zou ik aan dat geloofspunt twijfelen, Porthos!” – „Wat hij ook zij, mensch, duivel, stof of geest, iets werkelijks of schijnbaars, hij is mij tot een vloek geschapen; zijn verdwijning berooft ons van een kostelijke zaak, die ons misschien honderd pistolen, ja meer zou hebben bezorgd.” – „Hoezoo?” vroegen gelijktijdig Porthos en Aramis. Athos echter, getrouw aan zijn stelsel van stilzwijgendheid, bepaalde zich d’Artagnan met zijn blik te ondervragen.

„Planchet!” riep d’Artagnan tot zijn knecht, die op dat oogenblik zijn hoofd tusschen de een weinig geopende deur stak, ten einde eenige woorden van het gesprek af te luisteren; „ga naar beneden en verzoek den huisheer ons een half dozijn flesschen Beaugency boven te zenden; die wijn smaakt mij het best.” – „Ei! ei! hebt gij een doorloopend krediet bij uw huisheer?” vroeg Porthos. – „Ja,” antwoordde d’Artagnan, „heden ingegaan en wees gerust, indien zijn wijn slecht is, zullen wij hem anderen doen halen.” – „Men moet gebruiken en niet misbruiken,” zeide Aramis op vermanenden toon. – „Ik heb altijd gezegd, dat d’Artagnan de vindingrijkste van ons allen is,” zeide Athos, die, na zijn meening geuit te hebben, welk kompliment d’Artagnan met een buiging beantwoordde, wederom in zijn gewone sprakeloosheid verzonk.

„Maar ter zake, laat hooren; wat is er aan de hand?” vroeg Porthos. – „Ja,” hernam Aramis, „deel het ons mede, mijn vriend! althans, indien de eer eener vrouw er niet door wordt gekwetst; want in dat geval deedt gij beter, de zaak voor u zelven te houden.” – „Wees gerust,” antwoordde d’Artagnan, „de eer van niemand zal door hetgeen ik u heb mede te deelen gekrenkt worden.” – En daarop verhaalde hij in de minste bijzonderheden aan zijn vrienden, wat er tusschen hem en den eigenaar van het huis gesproken was geworden en hoe de man, die de vrouw des waardigen winkeliers had ontvoerd, dezelfde was, met wien hij voor de herberg de trouwe Molenaar twist had gehad.

„Uw zaak is zoo slecht niet,” zeide Athos, na den wijn als een kenner geproefd en met een hoofdknik de deugd er van te hebben bevestigd, „men zal van dien braven man een vijftig- of zestigtal pistolen kunnen halen; maar nu is het de vraag, of zestig pistolen waard zijn vier hoofden te wagen?” – „Herinner u, dat er een vrouw in betrokken is, een ontvoerde vrouw, die men zeker bedreigt, misschien wel foltert, alleen omdat zij haar meesteres getrouw is!” – „Wees voorzichtig, d’Artagnan!” zeide Aramis, „gij schijnt u met al te veel vuur over het lot van juffrouw Bonacieux te bekommeren. De vrouw is tot ons verderf geschapen en het is uit haar, dat al onze ellende voortspruit.”

Die vermaning hoorende, fronste Athos zijn wenkbrauwen en beet zich op de lippen. – „Het is niet omtrent juffrouw Bonacieux, dat ik mij verontrust,” riep d’Artagnan, „maar wegens de koningin, die door den koning verlaten, door den kardinaal vervolgd, een voor een de hoofden harer vrienden ziet vallen.” – „Waarom bemint zij wat wij bovenal verfoeien: de Spanjaarden en de Engelschen?” – „Spanje is het land harer geboorte, het is dus natuurlijk, dat zij de Spanjaarden, kinderen van hetzelfde land, genegen is. Wat het tweede verwijt betreft, dat gij haar doet, ik heb gehoord, dat zij niet de Engelschen, maar slechts één Engelschman bemint.” – „Op mijn woord, men moet bekennen, dat de Engelschman waardig is bemind te worden. Nooit zag ik voornamere houding dan de zijne: zonder nog van zijn allerprachtigste kleeding te spreken, waarbij niets te vergelijken is,” zeide Porthos. „Ik bevond mij in het Louvre, den dag toen hij zijn paarlen strooide en pardieu! ik raapte er twee van op, die elk mij wel tien pistolen hebben opgebracht. En gij, Aramis! kent gij hem?” – „Zoo goed als gij, heeren! immers, ik bevond mij onder degenen, die hem in den tuin van Amiëns, waarin de heer de Pétange, de stalmeester der koningin, mij bracht, gevangen namen. Ik was destijds in het Seminarie en dat voorval scheen den koning zeer veel verdriet te veroorzaken.” – „Dat zou mij niet beletten,” zeide d’Artagnan, „indien ik wist, waar de hertog van Buckingham zich bevond, hem bij de hand te nemen en voor de koningin te geleiden, al ware het alleen om den kardinaal woedend te maken; want onze ware, onze eenige, eeuwige vijand, mijne heeren! is de kardinaal; en indien er een middel ware, hem een leelijken trek te spelen, ik beken, dat ik daarvoor gaarne mijn hoofd zou willen wagen.” – „En,” hernam Athos, „heeft de winkelier u gezegd, dat de koningin vermoedde, dat men den hertog van Buckingham op een valschen brief heeft doen overkomen?” – „Zij vreest het.” – „Een oogenblik,” sprak Aramis. – „Hoe!” riep Porthos. – „Ga maar voort, ik tracht mij eenige bijzonderheden te herinneren.” – „En nu ben ik overtuigd,” zeide d’Artagnan, „dat de ontvoering dezer dienares der koningin in verband staat met de gebeurtenissen, waarover wij spreken en misschien ook wel met de tegenwoordigheid van den hertog van Buckingham te Parijs.” – „Welk een doorzicht heeft die Gaskonjer!” riep Porthos vol bewondering uit. – „Ik hoor hem gaarne,” zeide Athos, „zijn tongval bekoort mij.” – „Mijne heeren!” zeide Aramis, „luistert eens!” – En de drie vrienden zeiden: „Laat ons naar Aramis luisteren.” – „Gisteren bevond ik mij ten huize van een zeer geleerden doctor in de godgeleerdheid, dien ik bijwijlen ter voortzetting mijner studiën ga raadplegen.” – Athos glimlachte. – „Hij woont in een zeer eenzame wijk,” vervolgde Aramis, „zijn smaak en zijn vak vereischen zulks. Op het oogenblik, dat ik zijn huis verliet…” – Hier zweeg Aramis. – „En vervolgens!” riepen zijn hoorders, „toen gij het huis verliet?” – Aramis scheen in verlegenheid te zijn als iemand, die, bezig met liegen, eensklaps door iets onverwachts in zijn loop gestuit wordt.

Intusschen waren de blikken zijner drie vrienden op hem gevestigd, terwijl zij hun gehoor scherpten; er was geen middel meer voor Aramis zich terug te trekken.

„Die godgeleerde heeft een nicht,” vervolgde Aramis… – „Zoo! heeft hij een nicht?” viel Porthos hem in de rede. – „Een zeer achtenswaardige dame.” antwoordde Aramis.

De drie mannen begonnen te lachen. – „O! als gij lacht of twijfelt,” hernam Aramis, „dan hoort gij niets meer.” – „Wij zijn geloovig als Mahomedanen en stom als grafzerken,” zeide Athos. – „Dan zal ik voortgaan,” hernam Aramis. „Die nicht bezoekt nu en dan haar oom; toevallig was zij gisteren, gelijktijdig met mij, bij hem, zoodat ik mij verplicht vond, toen zij vertrok, haar tot aan haar koets te geleiden.” – „Zoo, zoo! heeft de nicht van den godgeleerde een koets?” riep Porthos, wiens grootste gebrek een buitengewone lostongigheid was; „een heerlijke ontmoeting, mijn vriend!” – „Porthos!” hernam Aramis, „ik heb u reeds meer dan eens doen opmerken, dat gij al te praatziek zijt en zulks u bij de vrouwen tot nadeel strekt.” – „Mijne heeren! mijne heeren!” riep d’Artagnan, die meer doorzicht in de zaak begon te krijgen, „het is iets ernstigs; laat ons dus trachten zoo mogelijk ernstig te blijven. Ga voort, ga voort, Aramis!” – „Een groote kerel, bruin van gelaat en fier van houding… met manieren als een edelman, zoo een van de soort als de uwe, d’Artagnan!” – „Misschien dezelfde,” zeide deze. – „Licht mogelijk,” antwoordde Aramis en hij hervatte: „deze naderde mij, vergezeld van vijf of zes mannen, die hem op een afstand van tien schreden volgden. Op den beleefdsten toon der wereld zeide hij mij:

„‚Mijnheer de hertog!’ en zich toen tot de dame richtende, die ik den arm gaf, vervolgde hij: ‚en gij! mevrouw!’” – „Tot de nicht van den godgeleerde?” – „Stil toch, Porthos! gij zijt onverdragelijk,” zeide Athos. – „‚Wees zoo goed in de koets te stijgen en dat zonder den minsten weerstand te bieden, of het minste gerucht te maken.’”

„Hij zag u aan voor Buckingham,” riep d’Artagnan. – „Ik geloof het ook,” zeide Aramis. – „Maar die dame?” vroeg Porthos. – „In deze meende hij de koningin te herkennen,” zeide d’Artagnan. – „Juist,” antwoordde Aramis. – „Die duivelsche Gaskonjer!” riep Athos, „niets ontsnapt hem.” – „Inderdaad,” hernam Porthos, „Aramis is van dezelfde grootte en heeft in zijn houding wel iets van den fraaien hertog; maar het schijnt mij dat het musketiersgewaad…” – „Ik was in een ongewoon grooten mantel gehuld,” zeide Aramis. – „In de maand Juli?” riep Porthos; „vreest de doctor, dat men u zoude herkennen?” – „Ik begrijp volkomen,” hernam Athos, „dat de spion door de houding is misleid geworden; maar het gezicht?” – „Ik had een zeer breeden hoed op,” antwoordde Aramis. – „O, mijn God! wat voorzorgen voor de godgeleerde studiën!” – „Och, heeren! verbeuzelen wij den tijd niet met scherts; begeven wij ons liever, elk voor zich, langs verschillende zijden, ter opsporing der vrouw van den winkelier. Zij is de sleutel der intrigue.” – „Een vrouw van dien nederigen stand! Gelooft gij dat, d’Artagnan?” vroeg Porthos, den mond verachtelijk samentrekkende. – „Zij is de pleegdochter van de la Porte, den vertrouwden kamerdienaar der koningin. Ik heb u dit reeds gezegd, mijne heeren! En buitendien, Hare Majesteit kan opzettelijk haar helpsters in een zoo lagen stand gezocht hebben; hoofden, die uitsteken boven anderen, ziet men van verre, en de kardinaal heeft een scherp gezicht.” – „Welnu,” zeide Porthos, „bepaal vooreerst maar den prijs met den winkelier; maar vooral een goeden prijs.” – „Dat is niet noodig,” zeide d’Artagnan; „want ik geloof, dat, indien hij ons niet betaalt, wij van een anderen kant ruimschoots zullen voldaan worden.”

Op dit oogenblik werd een haastig geloop op de trap gehoord; de deur vloog kletterend open, en de ongelukkige winkelier stortte de kamer binnen, waar de raadsvergadering gehouden werd. – „O, mijne heeren!” riep hij, „redt mij in ’s hemels naam! redt mij! Beneden zijn vier mannen, die gekomen zijn, om mij in hechtenis te nemen; redt mij! redt mij!”

Porthos en Aramis stonden van hun stoelen op. – „Een oogenblikje!” riep d’Artagnan, hun een teeken gevende den degen weder in de scheede te laten zinken, waaruit zij hem ten halve getrokken hadden, „een oogenblikje; hier wordt geen moed vereischt, maar wel voorzichtigheid.” – „Wij zullen toch niet…!” riep Porthos. – „Gij zult d’Artagnan laten begaan,” zei Athos; „hij is, ik herhaal het, de slimste kop van ons allen, en ik, wat mij betreft, verklaar, dat ik hem zal gehoorzamen… Handel naar goedvinden, d’Artagnan!”

Bij die woorden verschenen de vier wachten voor de deur der voorkamer; maar vier musketiers ziende staan, met den degen op zijde, aarzelden zij nader te treden. – „Komt binnen, heeren! komt binnen,” riep d’Artagnan… „Gij zijt hier ten mijnent, en wij zijn allen trouwe dienaars van den koning en den kardinaal.” – „Welaan, heeren! gij zult niet beletten, dat wij de bevelen ten uitvoer brengen, die men ons gegeven heeft?” vroeg degene, die de aanvoerder der kleine bende scheen te zijn. – „Integendeel, heeren! en wij zullen u bijstand verleenen, indien zulks noodig mocht zijn.” – „Maar wat praat hij toch?” mompelde Porthos. – „Gij zijt een ezel,” zeide Athos, „stil!” – „En gij hebt mij beloofd…” zeide de winkelier zoo zacht mogelijk. – „Wij kunnen u niet redden dan wanneer wij vrij blijven,” antwoordde haastig en even zacht d’Artagnan; „want indien wij den schijn aannemen u te verdedigen, neemt men ons tegelijk met u gevangen.” – „Ik meen echter…” – „Treedt nader, heeren!” zeide d’Artagnan luid, „ik heb geen de minste reden, mijnheer te verdedigen. Het is heden, dat ik hem voor het eerst heb gezien, en nog wel bij gelegenheid, dat hij mij om de huur kwam vragen; hij zal het u zelf zeggen… Niet waar, mijnheer Bonacieux? antwoord!” – „Dat is de zuivere waarheid!” riep de winkelier; „maar mijnheer zegt u niet…” – „Zwijg over mij, over mijn vrienden en vooral over de koningin, of gij zoudt ons allen in het verderf storten, zonder u zelven te redden. – Welaan, heeren! brengt dien man weg.”

En d’Artagnan stiet den gansch ontstelden winkelier voort en gaf hem in de handen der dienaren, zeggende: „Gij zijt een schoft, mijn vriend! mij om geld te komen vragen; van een musketier geld te eischen! Achter de traliën met hem, heeren! voort, en houdt hem zoo lang achter slot als gij kunt, dat zal mij een goed uitstel van betaling verschaffen.”

De politiedienaren putten zich uit in dankbetuigingen en voerden hun prooi mede. Op het oogenblik dat zij de trap afgingen, klopte d’Artagnan op den schouder van den aanvoerder en zeide, terwijl hij twee glazen met Beaugency wijn vulde, die hem de edelmoedigheid van den heer Bonacieux geschonken had: „Willen wij eerst niet eens op elkanders gezondheid drinken.” – „Dat zal mij veel eer zijn,” zeide de aanvoerder der politiemannen, „en ik neem dit aanbod met dankbaarheid aan.” – „Op uw gezondheid dan, mijnheer!.. hoe is uw naam?” – „Bois-Renard.” – „Mijnheer Bois-Renard!” – „Op de uwe, edele heer! mag ik ook uw naam weten?” – „D’Artagnan.” – „Op uw gezondheid dus, mijnheer d’Artagnan!” – „En bovenal de gezondheid,” riep d’Artagnan, als in geestvervoering, „de gezondheid van den koning en den kardinaal!!”

De aanvoerder der politiedienaren zou misschien aan de oprechtheid van d’Artagnan getwijfeld hebben, indien de wijn slecht ware geweest; maar deze was goed, en hij was overtuigd.

„Maar wat vervloekte lafhartigheid hebt gij daar uitgevoerd?” zeide Porthos, toen de aanvoerder der wacht zich bij zijn manschappen had gevoegd en de vier vrienden met elkander weder alleen waren. „Wel foei! vier musketiers laten een ongelukkige, die zich in hun midden bevindt en hen om hulp smeekt, gevangen nemen! Een edelman met een dievenleider klinken!” – „Porthos!” zeide Aramis, „Athos heeft u reeds te kennen gegeven, dat gij een ezel zijt, en ik vereenig mij met zijn gevoelen. D’Artagnan, gij zijt een groot man! en wanneer gij de plaats van den heer de Tréville zult bekleeden, zal ik uw bescherming inroepen, om mij een abdij te doen verkrijgen.” – „Wat is dat? nu begrijp ik er niets meer van, keurt gij goed wat d’Artagnan heeft uitgevoerd?” – „Pardieu! wel zeker,” zeide Athos, „niet alleen dat ik het goedkeur, maar daarenboven maak ik hem hierover mijn kompliment.” – „En nu, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zonder verder zijn gedrag aan Porthos te verklaren, „allen voor één, één voor allen! dat moet onze leus zijn, niet waar?” – „Echter…” zeide Porthos. – „Steek op de hand en zweer!” riepen gelijktijdig Athos en Aramis. Door het voorbeeld gedwongen en bij zich zelven vloekende, stak Porthos de vingers op, en de vier vrienden herhaalden eenstemmig de door d’Artagnan voorgestelde leus: „Allen voor één, één voor allen!” – „Zoo is het goed! dat elk zich nu naar huis begeve,” zeide d’Artagnan op een toon, alsof hij geheel zijn leven nooit iets anders gedaan had dan bevelen geven; „en weest op uw hoede; want van nu aan zijn wij met den kardinaal in oorlog!”

HOOFDSTUK X.
Een muizenval in de zeventiende eeuw

De uitvinding der muizenvallen is niet van onzen tijd; zoodra de maatschappijen bij hun tot stand koming slechts een of andere politie hadden uitgevonden, vond de politie op haar beurt de muizenvallen uit. Daar onze lezers zeker niet bekend zijn met de dieventaal van de Jeruzalemstraat,4) en het sedert dat wij schrijven, nu vijftien jaar geleden, de eerste keer is, dat wij dit woord op die zaak van toepassing brengen, gaan wij over tot de verklaring van wat een muizenval is: Wanneer men, in welk huis het ook zij, een persoon heeft in hechtenis genomen, die van de een of andere misdaad wordt beschuldigd, houdt men die gevangenneming geheim; men legt vier of vijf politiedienaren in hinderlaag in het eerste vertrek van het huis: men opent de deur voor allen die kloppen, sluit ze achter hen, waarna zij worden aangehouden. Op die wijze heeft men na verloop van twee of drie dagen bijna al de medeplichtigen des schuldigen in de macht. Ziedaar wat een muizenval is.

Men maakte dan van het vertrek van baas Bonacieux een muizenval; elk, die zich dáár vertoonde, werd vastgehouden en door de lieden van den kardinaal verhoord, maar dewijl een afzonderlijke trap naar de eerste verdieping leidde, die door d’Artagnan werd bewoond, spreekt het vanzelf, dat zij, die hem kwamen bezoeken, volstrekt geen onderzoek te ondergaan hadden. Bovendien, bij hem kwamen niet anders dan de drie musketiers. Deze hadden, elk van hun zijde, nasporingen gedaan, maar niets gevonden, niets ontdekt. Athos was zelfs zoo ver gegaan, den heer de Tréville te ondervragen, hetgeen met het oog op de gewone stilzwijgendheid van den waardigen musketier, zijn kapitein veel verwondering had gebaard. Maar de heer de Tréville wist niets dan alleen dat, toen hij het laatste den kardinaal, den koning en de koningin had gezien, de kardinaal er zeer zorgvol uitzag, dat de koning onrustig was, en dat de roode oogen der koningin blijken gaven, dat zij òf gewaakt òf geweend had. Maar deze laatste bijzonderheid had hem weinig getroffen, immers de koningin waakte en schreide dikwijls sedert zij gehuwd was. De heer de Tréville beval evenwel ernstig Athos aan den dienst des konings, en vooral dien der koningin, ter harte te nemen en verzocht hem dezelfde aanbeveling aan zijn krijgsmakkers te doen.

Intusschen kwam d’Artagnan het huis niet uit, en had hij zijn kamer ingericht om van daar uit alles, wat in de nabijheid voorviel, gemakkelijk te kunnen gadeslaan. Van uit zijn venster zag hij diegenen naderen, welke in de val gingen loopen; vervolgens had hij de steenen uit den vloer gelicht, dien hij diep opgroef; en toen, slechts door een enkele planken zoldering van de kamer gescheiden, waar de verhooren plaats vonden, hoorde hij alles, wat er tusschen de inquisiteurs en de beschuldigden voorviel. De verhooren, voorafgegaan door een nauwkeurig onderzoek van den persoon des aangehoudenen, luidden bijna altijd als volgt: „Heeft mejuffrouw Bonacieux u iets ter hand gesteld voor haar man of voor iemand anders? – Heeft de heer Bonacieux u iets ter hand gesteld voor zijn vrouw of voor iemand anders? – Hebben een van beiden u mondeling het een of ander geheim toevertrouwd?”

„Indien zij iets wisten, zouden zij het niet vragen,” dacht d’Artagnan. „Maar wat willen zij weten? Indien de hertog van Buckingham zich niet te Parijs bevindt, noch met de koningin een samenkomst heeft gehad of moet hebben…”

D’Artagnan bleef bij dat denkbeeld berusten, dat, na al hetgeen hij vernomen had, niet zoo onwaarschijnlijk was. Intusschen was de muizenval steeds in werking, en de waakzaamheid van d’Artagnan ook. – Op den avond van den dag na dien, waarop de arme Bonacieux werd in hechtenis genomen, terwijl Athos d’Artagnan verliet om zich naar den heer de Tréville te begeven, en het negen uur had geslagen, en Planchet, die het bed nog niet had opgemaakt, hieraan begon, hoorde men aan de straatdeur kloppen: onmiddellijk werd de deur geopend en weder gesloten: iemand was in de val geloopen. D’Artagnan snelde naar de van steenen ontbloote plek des vloers, ging op den buik liggen en luisterde.

Weldra werden er angstkreten gehoord, vervolgens een gekerm, dat men trachtte te smoren. Van een ondervraging was geen sprake. – „Duivelsch!” zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat het een vrouw is; men onderzoekt haar kleeding, zij biedt weerstand, men doet haar geweld aan… De ellendelingen!” – En d’Artagnan, ondanks zijn voorzichtigheid, had moeite zich niet bij het tooneel te voegen, dat onder hem plaats had. – „Maar ik zeg u, mijne heeren, dat ik de vrouw des huizes, dat ik juffrouw Bonacieux ben; geloof mij, ik ben in dienst der koningin!” riep de ongelukkige vrouw. – „Juffrouw Bonacieux!” mompelde d’Artagnan, „zou ik gelukkig genoeg geweest zijn om datgene te vinden, waarnaar allen zoeken?” – „Gij zijt het juist, die wij wachten,” antwoordden de ondervragers.

De stem werd hoe langer hoe onduidelijker; een stommelend gerucht deed het houtwerk kraken. Het slachtoffer verdedigde zich, zooveel als het aan een vrouw mogelijk was aan vier mannen weerstand te bieden. – „Ik smeek u, heeren!.. ik…” stamelde de stem, die slechts eenige onafgebroken woorden deed hooren. – „Zij stoppen haar den mond dicht! zij gaan haar voortsleepen!” riep d’Artagnan, opspringende als door een springveer bewogen. „Mijn degen! Ha! ik heb hem op zijde. Planchet!” – „Mijnheer!” – „Ga spoedig Athos, Porthos en Aramis halen. Eén van drieën zal zeker te huis zijn, misschien wel alle drie. Laten zij zich wapenen; dat zij zich spoeden hier te komen. Ha! ik herinner mij, Athos is bij den heer de Tréville!” – „Maar waarheen gaat gij, mijnheer? waarheen gaat gij?” – „Ik ga het venster uit om des te eer beneden te zijn; leg gij de steenen weer op hun plaats, veeg den vloer, ga de voordeur uit en begeef u daar, waar ik u zeg.” – „O, mijnheer! mijnheer! gij zult den hals breken!” riep Planchet. – „Zwijg, uilskuiken,” zeide d’Artagnan. En met de eene hand zich aan den rand van het venster vasthoudende, liet hij zich van de eerste verdieping op straat vallen, zonder het minste letsel te bekomen, daar de hoogte niet veel beteekende. Vervolgens klopte hij aan de deur en mompelde bij zich zelven: „Ik zal op mijn beurt mij in de val laten vangen; maar ongelukkig de katten, die zich aan een muis als ik zullen wagen.”

Nauwelijks was de klopper onder de hand des jongelings neergevallen, of het gerucht hield op en voetstappen naderden, de deur werd opengedaan, en d’Artagnan stormde met blooten degen het vertrek van baas Bonacieux binnen, welks deur, waarschijnlijk door een veer, vanzelf achter hem dichtviel.

Zij, die toen het rampzalig huis van Bonacieux bewoonden en ook de naaste buren hoorden een luid geschreeuw, voetgetrappel en degengekletter en een onophoudelijk gedruisch van brekend huisraad. Een oogenblik daarna konden zij, die opmerkzaam door dat geweld gemaakt aan de vensters waren gekomen, om er de oorzaak van te ontdekken, de deur zien openen en vier in het zwart gekleede mannen er niet zien uitgaan, maar als verschrikte raven uitvliegen, terwijl zij op den grond en op de hoeken der tafels de veeren hunner vleugels achterlieten, dat is te zeggen, de lappen van hun kleederen en de slippen van hun mantels.

D’Artagnan, dit moet gezegd worden, kostte het weinig moeite overwinnaar te zijn, want één slechts der politiedienaren was gewapend en verdedigde zich alleen in schijn. Het is waar, dat de drie anderen den jongeling met stoelen, zitbankjes en aarden potten naar het hoofd wierpen, maar een paar schrammen, door de kling van den Gaskonjer hun toegebracht, hadden hun schrik aangejaagd. Tien minuten waren voldoende geweest om hen op de vlucht te jagen en d’Artagnan was meester van het slagveld gebleven. De buren, die hun vensters hadden geopend met die koelbloedigheid, welke den bewoners van Parijs in die tijden van oproer en eeuwigdurende vechtpartijen zoo eigen was, sloten ze weer, na de vier in het zwart gekleede mannen te hebben zien wegloopen, bij zich zelven verzekerd dat voor het oogenblik alles gedaan was. Bovendien was het reeds laat en toen, zooals nog tegenwoordig, ging men in de wijk van het Luxembourg vroegtijdig te bed.

D’Artagnan, nu alleen met juffrouw Bonacieux gebleven, wendde zich tot haar. De arme vrouw lag op een leuningstoel, bijna in zwijm. D’Artagnan beschouwde haar met een vluchtigen blik. Zij was een bekoorlijke vrouw van vijf of zes en twintig jaar, een brunette, met blauwe oogen, een klein wipneusje, schitterend witte tanden en rozerood, als opaal schitterend vel. Dit was alles, wat haar voor een voorname dame zou hebben kunnen doen aanzien; want hoewel blank, waren de handen niet teer en de voeten duidden geen adellijke afkomst aan.

Gelukkig was d’Artagnan nog zoo ver niet gevorderd, om bij deze bijzonderheden stil te staan. Terwijl hij juffrouw Bonacieux stond te beschouwen en, zooals wij zeiden, hiermede tot aan de beenen was gekomen, zag hij op den grond een fijn batisten zakdoek liggen, op welks punt hij hetzelfde naamcijfer herkende, dat hij op den zakdoek had gezien, die bijna de oorzaak van een gevecht tusschen hem en Aramis was geweest. Sedert dat oogenblik vertrouwde hij de zakdoeken, waarop geborduurde geslachtswapens stonden, maar zeer weinig meer; hij stak dan ook zonder één woord te spreken dengene, dien hij had opgeraapt, in den zak van juffrouw Bonacieux. Juist kwam juffrouw Bonacieux tot haar zelve; zij opende de oogen en zag angstig rond, bemerkende, dat het vertrek ontruimd was en zij zich alleen met haar bevrijder bevond. Dadelijk reikte zij hem glimlachend haar hand toe. Juffrouw Bonacieux had den bekoorlijksten glimlach, dien men zien kon.

„O, mijnheer!” riep zij, „zijt gij het, die mij gered hebt? Veroorloof mij u mijn dankbaarheid te betuigen!” – „Juffrouw!” zeide d’Artagnan, „ik heb niets meer gedaan dan hetgeen ieder edelman in mijn plaats zou gedaan hebben; gij zijt mij dus niet de minste dankbaarheid verschuldigd.” – „Ja wel, mijnheer! en ik hoop u het bewijs te geven, dat gij geen ondankbare een dienst hebt bewezen. Maar wat wilden toch die lieden, die ik aanvankelijk voor dieven aanzag en hoe komt het, dat de heer Bonacieux niet hier is?” – „Mejuffrouw! die lieden waren oneindig gevaarlijker dan dieven zouden kunnen zijn, want het waren politieagenten van den kardinaal; en wat uw man, den heer Bonacieux betreft, deze is niet te huis, dewijl men hem gisteren in hechtenis heeft genomen, om hem naar de Bastille te brengen.” – „Mijn man in de Bastille!” riep juffrouw Bonacieux. „Ach, mijn God! Wat heeft de goede, arme man dan toch uitgevoerd? hij, de onschuld zelf.” – En iets, naar een glimlach gelijkende, zweefde op het nog angstige gelaat der jonge vrouw.

„O, juffrouw! wat hij heeft uitgevoerd,” zeide d’Artagnan, „ik geloof, dat zijn eenige misdaad die is, van tegelijk het geluk en het ongeluk te hebben uw man te zijn.” – „Hoe, mijnheer! gij weet dan…?” – „Ik weet, mejuffrouw! dat men u heeft ontvoerd.” – „En door wien, weet gij dat? O, indien gij het weet, zeg het mij dan!” – „Door een man van tusschen de veertig en vijf en veertig jaar, zwart van haar, bruin van gelaat en met een litteeken op den linkerslaap des hoofds.” – „Dat is zoo, maar hoe is zijn naam?” – „O, zijn naam, dien ken ik niet.” – „En is het mijn man bekend, dat ik ontvoerd ben?” – „Hiervan was hem kennis gegeven door een brief, dien hem de ontvoerder zelf geschreven had.” – „En vermoedt hij,” vroeg juffrouw Bonacieux eenigszins aarzelende, „de reden dezer ontvoering?” – „Hij schreef het, geloof ik, aan staatkunde toe.” – „Ik heb er al dadelijk aan getwijfeld en nu geloof ik het ook… Dus heeft de goede mijnheer Bonacieux niet een oogenblik mij gewantrouwd?” – „O, verre van daar, juffrouw! hij was al te hoovaardig op uw deugd en vooral op uw liefde.” – Een tweede, bijna onmerkbare glimlach teekende zich op de rooskleurige lippen der schoone, jonge vrouw. – „Maar hoe,” vroeg d’Artagnan, „hoe is het u mogelijk geweest te ontvluchten?” – „Ik heb van een oogenblik gebruik gemaakt, dat ik alleen was; en daar ik sinds heden morgen wist, wat ik omtrent mijn ontvoering moest denken, liet ik mij met behulp mijner bedlakens uit het venster zakken, en in de verbeelding mijn man hier te zullen vinden, spoedde ik mij herwaarts.” – „Om u onder zijn bescherming te stellen?” – „Och! mijn arme man! ik wist wel, dat hij niet in staat zou zijn mij te verdedigen; maar daar hij ons in andere opzichten van dienst kon zijn, wilde ik hem van iets kennis geven.” – „Waarvan?” – „O, dat geheim behoort mij niet, ik mag het u dus niet zeggen.” – „Buitendien,” zeide d’Artagnan, – „ik verzoek u, mejuffrouw! mij te willen verschoonen, dat, hoezeer krijgsman, ik u voorzichtigheid aanraad, – buitendien geloof ik, dat het hier geen zeer geschikte plaats is om elkander geheimen mede te deelen. De lieden, welke ik op de vlucht heb gejaagd, zullen spoedig met versterking terugkeeren, en wanneer zij ons dan vonden, waren wij verloren. Ik heb wel drie mijner vrienden doen roepen, maar wie weet of men hen heeft te huis gevonden.” – „Ja, ja, gij hebt gelijk!” riep de opnieuw beangstigde juffrouw Bonacieux; „vluchten wij, redden wij ons!”

Bij die woorden nam zij den arm van d’Artagnan en trok hem haastig voort. – „Maar waarheen vluchten wij?” zeide d’Artagnan, „waarheen?” – „Verwijderen wij ons eerst van dit huis, vervolgens zullen wij zien.” – En de jonge vrouw en de jongeling, zonder zich de moeite te geven de deur te sluiten, liepen haastig de Doodgraversstraat door, begaven zich in de straat Fossés-Monsieur-le-Prince, en bleven niet eer staan dan op het plein St. Sulpice.

„En wat zullen wij nu doen?” vroeg d’Artagnan, „en waar wilt gij dat ik u brenge?” – „Ik weet het, om u de waarheid te zeggen, zelve niet,” zeide juffrouw Bonacieux; „mijn voornemen was den heer de la Porte door mijn man te laten verwittigen, opdat die ons nauwkeurig mededeelen zoude, wat er sedert drie dagen in het Louvre was voorgevallen; en of er geen gevaar voor mij was er mij te vertoonen.” – „Maar ik, ik kan den heer de la Porte gaan waarschuwen.” – „Ja, echter is er één beletsel; den heer Bonacieux, dien men daar kent, zal men binnenlaten, maar voor u, die er niet bekend zijt, zal men de deur dicht houden.” – „O ja,” zeide d’Artagnan; „maar gij kent wel aan de een of andere achterdeur van het Louvre een u genegen portier, die op zeker teeken of wachtwoord…” – Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met strakken blik. – „En indien ik u het wachtwoord mededeelde,” zeide zij, „zoudt gij het dan willen vergeten, onmiddellijk na u er van bediend te hebben?” – „Op mijn woord van eer, zoo waar ik edelman ben,” antwoordde d’Artagnan op een zoo overtuigenden toon, dat aan de waarheid niet te twijfelen was. – „Welaan, ik wil u gelooven, gij schijnt mij een braaf jongeling. Buitendien zal deze dienstbewijzing misschien uw fortuin zijn.” – „Ik wil, zonder eenige beloften en naar mijn geweten, alles doen wat den koning dienstig en der koningin aangenaam kan zijn,” zeide d’Artagnan; „beschik dus over mij als over een vriend.” – „Maar waar zult gij mij in dien tusschentijd laten?” – „Kent gij niemand, waar de heer de la Porte u kan komen afhalen?” – „Neen, ik durf mij op niemand vertrouwen.” – „Wacht,” hernam d’Artagnan, „wij zijn in de nabijheid van het huis van Athos. Ja, ik geloof het is wel zoo.” – „Wie is Athos?” – „Een mijner vrienden.” – „Maar als hij te huis is zal hij mij zien.” – „Hij is niet te huis, en ik zal den sleutel medenemen, zoodra gij in zijn kamer zult zijn.” – „Maar als hij terugkomt?” – „Hij zal niet terugkomen; bovendien, men zal hem zeggen, dat ik een vrouw heb medegebracht, en dat die vrouw zich in zijn kamer bevindt.” – „Maar wat zal men wel van mij denken?” – „Wat geeft gij daarom, men kent u niet; en daarenboven de omstandigheden, waarin wij ons bevinden, moeten ons over eenige welvoegelijkheden doen heenstappen.” – „Welaan dan, naar uw vriend! Waar woont hij?” – „Straat Férou, twee schreden van hier.” – „Welaan!”

En beiden hervatten hun tocht.

Zooals d’Artagnan wel had voorzien, was Athos niet te huis; hij nam den sleutel, dien men de gewoonte had hem, als een vriend des huizes, ter hand te stellen, ging de trap op en geleidde juffrouw Bonacieux in de kleine kamer, van welke wij reeds de beschrijving hebben gegeven. – „Hier zijt gij te huis,” zeide hij, „sluit nu de deur van binnen en doe voor niemand open, althans indien men niet tot driemaal op deze wijze klopt; hoor.” – En hij klopte driemaal, tweemaal tamelijk hard en snel achter elkander, en vervolgens nogmaals, maar na een tusschenpoos en wat zachter.

„Goed,” sprak juffrouw Bonacieux. „Nu is het mijn beurt u te onderrichten.” – „Ik luister.” – „Vertoon u voor de kleine deur van het Louvre, aan de zijde der Ladderstraat, en vraag naar Germain.” – „Goed; en dan?” – „Hij zal u vragen, wat gij begeert, en gij zult hem deze twee woorden zeggen: Tours en Brussel. Daarop zal hij dadelijk u zijn dienst aanbieden.” – „En waarmede moet ik hem belasten?” – „Den heer de la Porte, kamerdienaar der koningin, te roepen.” – „En wanneer hij den heer de la Porte geroepen zal hebben en deze zal gekomen zijn?” – „Dan moet gij hem tot mij zenden?” – „Het is wel; maar waar en op welke wijze zal ik u weerzien?” – „Zijt gij er zeer op gesteld om mij weer te zien?” – „Ongetwijfeld.” – „Welnu, laat aan mij de zorg hieromtrent over, en wees gerust.” – „Ik maak staat op uw woord.” – „Reken er op.”

D’Artagnan groette juffrouw Bonacieux, op haar bevallige, kleine gestalte den verliefdsten blik werpende, die hem mogelijk was, en terwijl hij de trap afging, hoorde hij de deur achter zich op het nachtslot draaien. Op een draf snelde hij naar het Louvre; toen hij voor de poort in de Ladderstraat was, sloeg het tien uur.

Al de gebeurtenissen, die wij hebben verhaald, hadden elkander in een half uur opgevolgd. Alles viel voor, zooals juffrouw Bonacieux het had gezegd. Op het geven van het wachtwoord boog zich Germain; tien minuten later was de la Porte in het portiershuisje; met een paar woorden had d’Artagnan hem van een en ander kennis gegeven en hem gezegd, waar juffrouw Bonacieux zich bevond. De la Porte verzekerde zich ten tweeden male van de nauwkeurigheid der woonplaats en verwijderde zich haastig. Nauwelijks echter was hij tien schreden ver, of hij keerde terug. – „Jongeling,” zeide hij tot d’Artagnan, „ik wil u nog een raad geven.” – „Welken?” – „Het is mogelijk, dat men u onaangenaamheden aandoet wegens hetgeen er is voorgevallen.” – „Gelooft gij?” – „Ja. Hebt gij ook een of anderen vriend, wiens uurwerk nagaat?” – „En dan?” – „Ga hem dan bezoeken, opdat hij voor het gerecht getuigen kan, dat gij te half tien bij hem waart. In gerechtszaken heet zulks een alibi.”

D’Artagnan vond den raad heel voorzichtig, en vliegensvlug snelde hij naar den heer de Tréville; doch in plaats van in de zaal te gaan, waar het gezelschap bij elkaar was, verzocht hij in zijn kabinet te worden binnengelaten. Aan d’Artagnan, als een der huisvrienden bekend, werd zonder moeilijkheden zijn verzoek toegestaan, en men ging den heer de Tréville verwittigen, dat zijn jeugdige landgenoot, die hem iets gewichtigs had mede te deelen, een afzonderlijk gesprek met hem verlangde te hebben. Vijf minuten later vroeg de heer de Tréville aan d’Artagnan, waarin hij hem van dienst kon zijn, en wat de reden van zijn zoo laat bezoek was.

„Ik verzoek u verschooning, mijnheer!” zeide d’Artagnan, die van het oogenblik gebruik had gemaakt, dat hij alleen was geweest, om de pendule drie vierde uurs na te zetten; „maar ik dacht: daar het pas vijf minuten voor half tien was, dat ik mij nog gevoegelijk tot u konde begeven.” – „Vijf minuten voor half tien!” riep de heer de Tréville op de pendule ziende; „maar dat is niet mogelijk.” – „Zie slechts, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „daar is het bewijs.” – „Het is zoo,” hernam de heer de Tréville; „ik dacht dat het later was. Maar laat hooren, wat is er van uw begeerte?”

Toen sprak d’Artagnan den heer de Tréville wijdloopig over de koningin. Hij gaf hem de vrees te kennen, die hij voor Hare Majesteit koesterde; hij verhaalde hem, hetgeen hij had gehoord omtrent de plannen des kardinaals jegens Buckingham, en dat alles met een kalmte en een gevatheid door welke de heer de Tréville te meer werd misleid, daar hij zelf, zooals wij gezegd hebben, had opgemerkt, dat er iets nieuws tusschen den kardinaal, den koning en de koningin plaats had. Op slag van tien uur verliet d’Artagnan den heer de Tréville, die hem bedankte voor zijn mededeelingen, hem aanbevelende, steeds den dienst des konings en der koningin ter harte te nemen, en die daarop in de zaal terugkeerde. Maar beneden aan de trap herinnerde zich d’Artagnan zijn rottingstok te hebben vergeten; en bijgevolg liep hij overhaast weer naar boven, trad het kabinet binnen, en in een oogwenk draaide hij den wijzer der pendule op het behoorlijke uur, opdat men den volgenden morgen niet mocht bemerken, dat ze niet goed ging; en nu verzekerd, dat hij een getuige had om zijn tegenwoordigheid te bewijzen, ging hij de trap weder af en was spoedig op straat.

HOOFDSTUK XI.
De intrigue verwikkelt zich

Na het bezoek bij den heer de Tréville gedaan, sloeg d’Artagnan peinzende den langsten weg in, om naar zijn woning terug te keeren. – Waaraan dacht d’Artagnan, die, dus van zijn weg afwijkende, nu eens zuchtende, dan weder glimlachende, de sterren des hemels aanschouwde? – Hij dacht aan juffrouw Bonacieux. Voor den kadet-musketier was de jonge vrouw een bijna ideale geliefde. Bekoorlijk, geheimzinnig, ingewijd in bijna al de hofgeheimen, die op haar bevallig gelaat een zoo bekoorlijken ernst verspreidden, vermoedde men, dat zij niet ongevoelig kon zijn, iets, dat voor pasbeginnende verliefden een onweerstaanbare aantrekkingskracht bezit; daarenboven had d’Artagnan haar uit de klauwen dier duivels verlost, welke haar wilden doorzoeken en mishandelen, en die gewichtige dienst had tusschen hem en haar een dier gevoelens van dankbaarheid doen ontstaan, welke zoo gereedelijk van meer teederen aard worden. D’Artagnan zag zich zelven reeds, – zoo snel gaan de droomen voort op de vleugels der verbeelding, – door een boodschapper der jonge vrouw aangesproken, die hem een minnebrief, een gouden ketting of een juweel overbracht.

Wij zeiden, dat de jonge edellieden, zonder zich daarvoor te schamen, van hun koning geschenken aannamen; voegen wij er bij, dat, in dien tijd van gemakkelijke zeden, zij zich voor hun minnaressen niet schaamden, wanneer deze hun gewoonlijk kostbare en blijvende geschenken gaven, alsof zij trachtten de veranderlijkheid hunner gevoelens door de duurzaamheid harer giften te vergoeden. Men maakte toen zijn fortuin door middel der vrouwen, zonder hiervoor te blozen. Zij, die slechts schoon waren, gaven haar schoonheid, en van daar zeker het spreekwoord, dat: het schoonste meisje der wereld niet in staat is meer te geven, dan zij heeft. Zij, die rijk waren, gaven bovendien een gedeelte van hun geld, en men zou een groot aantal helden van dien galanten tijd kunnen aanwijzen, die vooreerst hun sporen niet zouden gewonnen hebben, noch later hun veldslagen, zonder de min of meer gevulde beurs, die hun minnaressen aan den zadelknop hingen.

D’Artagnan bezat niets; de ingetogenheid van den landelijken jongeling was als een licht vernis, als een bloem, als het dons der perzik door den wind der weinig zedelijke raadgevingen, die de drie musketiers hun jongen vriend gaven, weggevaagd. D’Artagnan, volgens de zonderlinge gewoonten van dien tijd, beschouwde zich te Parijs als in een legerkamp, en de vrouwen als zijn buit, en zulks, alsof hij in Vlaanderen tegenover den Spanjaard stond; overal was een aangeboren vijand te bestrijden en was er buit te maken.

Maar zeggen wij het, d’Artagnan was op dat oogenblik door een meer edel en minder baatzuchtig gevoel bezield. De winkelier had hem gezegd, dat hij rijk was; de jongeling had kunnen begrijpen, dat met een onnoozele, zooals de heer Bonacieux, het de vrouw moest zijn, die den sleutel van de geldkist had. Maar dit had niet dien minsten invloed uitgeoefend op den indruk, dien de aanblik van juffrouw Bonacieux bij hem had teweeggebracht: en het belang bleef bijna vreemd aan dat begin van liefde, dat het gevolg van dien indruk was. Wij zeggen bijna; want wij verbeelden ons, dat als een jonge, bevallige, geestige vrouw tevens rijk is, dit laatste niet aan een ontluikende liefde in den weg staat, maar die liefde integendeel meer ontwikkelt. Welgesteldheid doet een aantal zorgen en aristocratische luimen ontstaan, die aan de schoonheid veel voordeel doen. Fijne, witte kousen, een zijden kleed, een kanten halsdoek, een fraaie schoen aan den voet, een nieuw lint op het hoofd maken een schoone vrouw niet leelijk, noch een leelijke vrouw schoon, zonder daarbij de handen te rekenen, die bij dat alles winnen: immers de handen der vrouwen moeten niets doen om fraai te blijven… Daarbij was d’Artagnan, zooals het den lezer, dien wij den staat zijner geldmiddelen niet hebben ontveinsd, trouwens bekend is, bij lange geen millionnair, hij hoopte zulks, wel is waar, den een of anderen dag te worden; maar de dag, dien hij bij zich zelven voor deze gelukkige verandering had bepaald, was nog tamelijk ver verwijderd. Hoe smartelijk valt het intusschen, de vrouw, die men bemint, die duizenden snuisterijen te zien verlangen, waaruit de vrouwen haar geluk samenstellen, en haar die duizenden snuisterijen niet te kunnen geven… Althans indien de vrouw rijk, en de minnaar het niet is, bezorgt zij zich zelve datgene, wat hij haar niet kan aanbieden; en hoewel gewoonlijk het geld des echtgenoots wordt besteed, om zich dat genoegen te verschaffen, is het echter zeldzaam, dat hij er dankbaarheid voor inoogst. Vervolgens, gaarne de teederste minnaar willende zijn, was d’Artagnan, in afwachting, reeds een zeer dienstvaardig vriend. Te midden zijner verliefde plannen op de vrouw van den winkelier vergat hij de zijne niet. De mooie juffrouw Bonacieux was een vrouw, zeer geschikt om daarmede in de vlakte van St. Denis of langs de kermis van St. Germain in gezelschap van Athos, Porthos en Aramis te gaan wandelen, aan wie d’Artagnan met trotschheid een dergelijke verovering zou vertoonen. En na een vermoeiende wandeling begint de honger te prikkelen; d’Artagnan had zulks ook reeds sedert eenigen tijd opgemerkt. Men zou dan aan die kleine, bekoorlijke maaltijden plaats nemen, waarbij men aan de eene zijde de hand eens vriends, en aan de andere den voet eener minnares drukt. Kortom, in oogenblikken van nood en gevaar zou d’Artagnan de redder zijner vrienden zijn.

En de heer Bonacieux, dien d’Artagnan in de handen der politiedienaren overgeleverd had door hem luid te verloochenen, maar dien hij beloofd had te zullen redden? Wij moeten onze lezers bekennen, dat d’Artagnan aan hem volstrekt niet dacht, en zoo al, dat hij zich zelven verzekerde, dat die man, waar hij was, zich zeer goed bevond, onverschillig op welke plaats ook. De liefde is de baatzuchtigste aller hartstochten.

Intusschen gelieven onze lezers zich gerust te stellen; hoewel d’Artagnan zijn huisheer vergeet, of hem schijnt te vergeten, onder het voorwendsel niet te weten werwaarts men hem heeft gevoerd, wij vergeten hem niet, en wij weten zeer goed, waar hij is. Maar doen wij voor het oogenblik, zooals de verliefde Gaskonjer; wij zullen later op den waardigen winkelier terugkomen.

D’Artagnan, al peinzende over zijn toekomstige liefde, met den nacht in gesprek en de sterren toelonkende, liep de straat Cherche-midi of Chasse-midi, zooals men die toen noemde, door. Daar hij zich in de nabijheid der woning van Aramis bevond, kwam het denkbeeld in hem op, zijn vriend een bezoek te brengen en hem een nadere verklaring te geven der reden, die hem Planchet had doen zenden om hem te verzoeken zich zonder verwijl naar de muizenval te begeven. Want, zoo redeneerde hij bij zich zelf, als Aramis thuis was, toen Planchet hem de boodschap kwam brengen, was hij ongetwijfeld naar de Doodgraversstraat gegaan en niemand daar aantreffende dan zijn twee andere vrienden, zou hij noch een van drieën geweten hebben, wat die boodschap beteekende. Die zaak moest worden opgehelderd; ziedaar, wat d’Artagnan zich zelven overluid zeide, maar in stilte dacht hij, dat het tevens voor hem een gelegenheid zou zijn, om van de kleine, lieve juffrouw Bonacieux te spreken, van wie zijn geest, zoo niet zijn hart, reeds geheel vervuld was.

Het is niet van een eerste liefde, dat men geheimhouding moet verwachten. Een eerste liefde gaat vergezeld van een zoo groote blijdschap, dat zij moet overloopen, wil men er niet door stikken.

Sedert twee uren was Parijs in duisternis gehuld, en begon het in de stad eenzaam te worden. Elf uur sloeg het op al de uurwerken van de voorstad St. Germain; het weder was zacht. D’Artagnan ging een steeg door, ter plaatse waar thans de straat d’Ansas is, de welriekende uitwasemingen inademende, die de wind hem van de straat Vaugirard overbracht, en die voortkwamen uit de door den avonddauw en de koelte des nachts verkwikte tuinen. In de verte hoorde men het gerucht, dat uit eenige in de vlakte verstrooide herbergen voortkwam, ondanks hun zware vensterluiken.

Toen hij het einde der steeg bereikt had, sloeg d’Artagnan links om. Het huis, dat Aramis bewoonde, bevond zich tusschen de straat Casette en de straat Servandoni. D’Artagnan was voorbij de straat Casette en ontwaarde reeds de deur der woning zijns vriends, verscholen achter een groep moerbezie-, vijgeboomen en meelbloemen, die er boven een dicht ineengegroeide kruin vormden, toen hij een menschelijke schim uit de straat Servandoni zag verschijnen. Die schim was in een mantel gehuld, en d’Artagnan hield ze aanvankelijk voor een man, maar aan de kleinheid der gestalte, aan den onzekeren en waggelenden gang, herkende hij spoedig een vrouw. En alsof die vrouw niet zeker was geweest van het huis, dat zij zocht, liet zij de oogen rondwaren, ten einde zich van de omgeving op de hoogte te stellen; nu stond zij stil, ging dan weder achteruit en keerde op haar schreden terug. D’Artagnan wist niet, wat hij hiervan moest denken.

„Indien ik haar eens mijn dienst ging aanbieden!” dacht hij. „Aan haar gestalte ziet men, dat zij jong is, misschien is zij daarbij wel mooi. Stellig! maar een vrouw, die op dit uur op straat is, gaat gewoonlijk niet uit dan om haar minnaar te zoeken… Duivelsch! indien ik die samenkomst ging storen, zou het een slechte inleiding zijn, om kennis met haar te maken.”

Intusschen vervolgde de jonge vrouw steeds haar weg, de huizen en vensters tellende. Dit vereischte trouwens niet veel tijd, noch veel moeite. Slechts drie hotels bevonden zich in dat gedeelte dier straat, en twee vensters, die op de straat uitkwamen; het eene was van een paviljoen, dat aan datgene grensde, hetwelk Aramis bewoonde; het andere was dat van Aramis zelf.

„Pardieu!” zeide d’Artagnan bij zich zelven, die zich de nicht van den Theologant herinnerde, „pardieu! het zou raar zijn, als die nachtelijke tortelduif het huis van onzen vriend zocht. Maar bij mijn ziel! het schijnt waarachtig zoo. O, mijn waarde Aramis! voor dezen keer wil ik er het mijne van hebben!” – En d’Artagnan, zich zooveel mogelijk inkrimpende, begaf zich naar het donkerste gedeelte van de straat, dicht bij een steenen bank, en verborg zich daar in een nis.

De jonge vrouw ging steeds voorwaarts, en behalve de vlugheid van haar gang, die haar jonkheid aanduidde, liet zij een zwak gekuch hooren, dat een allerzuiverste stem verried. D’Artagnan hield dien hoest voor een afgesproken teeken. – Intusschen, hetzij men op dien hoest door een overeenkomstig teeken, dat de aarzeling der nachtelijke zwerfster deed ophouden, had geantwoord, hetzij dat zij, zonder vreemde hulp, de plaats harer bestemming herkende, zij naderde stoutmoedig het vensterluik van Aramis en klopte met haar kromgebogen vinger driemaal met gelijke tusschenpoozen.

„Het is wel bij Aramis,” mompelde d’Artagnan. „O, mijnheer de huichelaar! ik betrap u in uw godgeleerde studiën.”

Nauwelijks had zij drie malen geklopt, of het binnenraam werd geopend, en licht blonk door de opening van het luik.

„Ha, ha,” dacht de luistervink. „Zoo, zoo, het is afgesproken. Komaan, het luik zal nu wel geopend worden, en de dame, door inklimming, binnen geraken… Heerlijk!”

Maar tot d’Artagnan’s grootste verwondering bleef het luik gesloten; het licht, dat een oogenblik had geschenen, verdween, en alles keerde weder in de duisternis terug. D’Artagnan meende, dat dit van korten duur zou zijn, en hij ging voort met al zijn zintuigen te zien en te hooren. – Hij had gelijk; na verloop van een paar seconden werden er van binnen twee harde slagen gehoord. De jonge vrouw klopte eenmaal tot antwoord, en het luik werd een weinig geopend… Men oordeele over de nieuwsgierigheid, waarmede d’Artagnan zag en luisterde. Ongelukkiglijk was het licht in een ander vertrek gebracht; maar des jongelings oogen hadden zich aan de duisternis gewend; bovendien, zooals men zegt, bezitten de oogen der Gaskonjers, gelijk die der katten, het vermogen om in het donker te zien. D’Artagnan zag dan, dat de jonge vrouw uit haar zak een wit voorwerp haalde, hetwelk zij haastig opensloeg, en dat toen den vorm van een neusdoek aannam… Van dit opengevouwen voorwerp vertoonde zij een punt aan dengene, die het luik geopend had. Dit herinnerde d’Artagnan den zakdoek, dien hij aan de voeten van juffrouw Bonacieux had gezien, en welke hem dien had herinnerd, welken hij onder den voet van Aramis vond.

„Wat duivel moet die zakdoek toch beteekenen?” – Van de plaats, waar d’Artagnan stond, kon hij het gezicht van Aramis niet zien; – wij zeggen van Aramis, omdat de jongen niet twijfelde, of het was zijn vriend, die van binnen met de dame van buiten in gesprek was; – de nieuwsgierigheid won het eindelijk van de voorzichtigheid, en van de afgetrokkenheid gebruik makende, in welke het zien des zakdoeks beide personen, die wij ten tooneele voeren, scheen te dompelen, verliet hij zijn schuilplaats, en met bliksemsnelheid drong hij zich tegen den hoek des muurs, van waar hij met zijn blik volkomen de kamer van Aramis kon overzien. Dáár aangekomen, ontglipte d’Artagnan bijna een kreet van verbazing; het was Aramis niet, die in gesprek was met de nachtelijke bezoekster, het was een vrouw… D’Artagnan zag genoeg om de soort van haar kleederdracht te herkennen, maar niet genoeg om haar gelaatstrekken te onderscheiden. Op hetzelfde oogenblik haalde de vrouw in het vertrek een tweeden zakdoek te voorschijn en ruilde hem voor dien, welken men haar vertoond had. Vervolgens wisselden beide vrouwen eenige woorden met elkander; toen werd het blind weder gesloten, en de vrouw, die op straat was, keerde zich om en ging d’Artagnan op vier schreden voorbij, de kap van haar mantel neerlatende; maar deze voorzorg kwam te laat, want d’Artagnan had juffrouw Bonacieux reeds herkend.

„Mejuffrouw Bonacieux!” – Het vermoeden, dat zij het was, had zijn geest reeds vervuld, toen zij den zakdoek uit haar zak haalde; maar het was immers niet waarschijnlijk, dat juffrouw Bonacieux, die den heer de la Porte had laten roepen om haar naar het Louvre te geleiden, nu alleen de straten van Parijs om half twaalf des nachts doorliep op gevaar af van voor de tweede maal te worden ontvoerd… Het moest dus voor een zeer gewichtige zaak zijn; – en wat is voor een vrouw van vijf en twintig jaar de gewichtigste zaak?.. De liefde. – Maar was het in haar eigen belang, òf in dat van iemand anders, dat zij zich aan zooveel gevaar blootstelde?.. Dit waren de vragen, die zich de jongeling deed, wiens hart reeds door den duivel der jaloezie werd gekweld, alsof hij reeds tot erkenden minnaar aangenomen ware… Overigens, er bleef hem een eenvoudig middel over, om zich te verzekeren, waarheen juffrouw Bonacieux zich begaf; dit middel was, haar te volgen. Een middel zoo eenvoudig, dat d’Artagnan het natuurlijkerwijze en werktuigelijk te baat nam. Maar op het zien van den jongeling, die zich van den muur los maakte als een standbeeld uit zijn nis, en op het gerucht der voetstappen, welke zij achter zich hoorde weergalmen, liet juffrouw Bonacieux een zwakken kreet ontglippen en ging op de vlucht. D’Artagnan achtervolgde haar en het was voor hem niet moeilijk een vrouw in te halen, die in haar loop door een wijden mantel gehinderd werd… Hij bereikte haar dan ook op het derde gedeelte der straat, die zij was ingeloopen. De ongelukkige was uitgeput, niet door vermoeidheid, maar door angst en toen d’Artagnan zijn hand op haar schouder legde, viel zij op de knieën en riep met gesmoorde stem: „Breng mij om het leven, zoo gij wilt, maar gij zult niets weten!”

D’Artagnan richtte haar op, zijn arm om haar middel slaande; maar daar hij aan het gewicht, dat op zijn arm drukte, voelde, dat zij op het punt was in onmacht te vallen, haastte hij zich door betuigingen van dienstaanbieding haar gerust te stellen. Deze betuigingen waren voor juffrouw Bonacieux van niet de minste waarde, immers dergelijke betuigingen kunnen met de slechtste bedoelingen der wereld gedaan worden; maar de stem was voor haar van meer waarde. De jonge vrouw meende den klank dier stem te herkennen; zij opende de oogen weder, sloeg haar blik op den man, die haar zoo grooten schrik had aangejaagd en d’Artagnan herkennende, slaakte zij een vreugdekreet.

„O, zijt gij het!” riep zij; „ik dank u, mijn God!” – „Ja, ik ben het,” zeide d’Artagnan; „ik, dien God heeft gezonden om over u te waken.” – „Was het met dat voornemen, dat gij mij volgdet?” vroeg met een koketten glimlach de jonge vrouw, wier spotlustige aard weder boven kwam en bij wie het denkbeeld van vrees geheel was verdwenen, van het oogenblik dat zij een vriend herkende in dengene, dien zij voor een vijand had aangezien.

„Neen,” hernam d’Artagnan, „neen, ik beken, dat alleen het toeval mij op uw weg heeft gevoerd; ik zag een vrouw aan het venster van een mijner vrienden kloppen.” – „Van een uwer vrienden?” viel juffrouw Bonacieux hem in de rede. – „Zeker; Aramis is een mijner beste vrienden.” – „Aramis? wie is dat?” – „Komaan, wilt gij mij nu wijs maken, dat gij Aramis niet zoudt kennen?” – „Het is de eerste maal, dat ik dien naam hoor noemen.” – „Was het dan voor het eerst, dat gij naar dat huis gingt?” – „Ja.” – „En gij wist niet, dat het door een jongeling werd bewoond?” – „Neen.” – „Door een musketier?” – „Volstrekt niet.” – „Hij was het niet, dien gij gingt bezoeken?” – „In het minste niet. Daarenboven, gij hebt dit moeten zien: de persoon, met wie ik heb gesproken, was een vrouw.” – „Dat is waar, maar die vrouw zal een vriendin van Aramis zijn geweest?” – „Dat weet ik niet.” – „Wel, zij was immers in zijn huis.” – „Dat kan wel zijn.” – „Maar wie is zij?” – „O, dat mag ik niet zeggen.” – „Lieve mejuffrouw Bonacieux; gij zijt allerbekoorlijkst; maar tevens zijt gij de geheimzinnigste dame der wereld.” – „Ben ik hierom minder in uw oog?” – „Neen, integendeel, gij zijt aanbiddelijk.” – „Geef mij dan uw arm.” – „Gaarne, en nu?” – „Ga met mij.” – „Waarheen?” – „Waar ik heen ga.” – „Maar waarheen gaat gij?” – „Gij zult het zien, dewijl ik u aan de deur zal laten.” – „Moet ik wachten?” – „Dat is niet noodig.” – „Gij zult dan alleen terugkeeren?” – „Misschien wel, misschien niet.” – „Maar zal de persoon, die u vervolgens zal geleiden, een man of een vrouw zijn?” – „Dat weet ik zelve nog niet.” – „Dan zal ik het weten.” – „Hoedat?” – „Ik zal wachten, totdat gij er uit komt.” – „In dat geval, vaarwel!” – „Waarom?” – „Ik heb u niet noodig.” – „Maar gij hebt mij verzocht.” – „Ik heb om de hulp eens edelmans, maar niet de beloering eens spions verzocht.” – „Het woord is niet zacht.” – „Hoe noemt men hen, die de lieden tegen hun wil volgen?” – „Nieuwsgierigen.” – „Dat woord is te zacht.” – „Welaan, mejuffrouw! ik zie wel, dat men zich aan u moet onderwerpen.” – „Waarom hebt gij u de verdienste ontzegd zulks onmiddellijk te doen?” – „Is het er dan niet eene, berouw te hebben?” – „En hebt gij wezenlijk berouw?” – „Dat weet ik zelf niet; maar wat ik weet, is, dat ik u beloof alles te zullen doen, wat gij begeert, indien gij mij veroorlooft u te vergezellen tot dáár, waarheen gij gaan wilt.” – „En zult gij mij daarna verlaten?” – „Ja.” – „Zonder mij verder te bespieden?” – „Ja.” – „Op uw woord van eer?” – „Op mijn woord van edelman!” – „Geef mij den arm en laat ons gaan.”

D’Artagnan bood zijn arm aan juffrouw Bonacieux, die, half lachende, half bevende, hem aannam. Beiden bereikten alzoo het einde der straat la Harpe. Dáár scheen de jonge vrouw te aarzelen, zooals in de straat Vaugirard. Echter meende zij aan zekere kenteekenen een deur te herkennen en haar naderende, zeide zij: „Hier, mijnheer! is het, waar ik zijn moet; duizendmaal dank voor uw vereerend gezelschap, dat mij gevrijwaard heeft voor al de gevaren, waaraan ik alleen zou zijn blootgesteld; het oogenblik is nu gekomen uw woord te houden. Ik ben ter plaatse mijner bestemming.” – „En hebt gij, terugkeerende, niets meer te vreezen?” – „Niets anders dan de dieven.” – „Is dat dan niets?” – „Wat kunnen zij mij ontnemen? ik heb geen penning in den zak.” – „Gij vergeet dien fraaien, met een wapen geborduurden zakdoek.” – „Welken?” – „Dien ik aan uw voeten gezien en in uw zak gestoken heb.” – „Zwijg, zwijg, ongelukkige!” riep de jonge vrouw; „wilt gij mij in het verderf storten?” – „Gij ziet wel, dat er nog gevaar voor u aanwezig is; want één enkel woord doet u beven en gij bekent, dat, indien hetzelve gehoord werd, gij verloren zoudt zijn. O! zie, mejuffrouw!” ging d’Artagnan voort, haar hand nemende en op haar een gloeienden blik vestigende. „Zie, wees edelmoediger, stel in mij vertrouwen; hebt gij dan niet in mijn oogen kunnen lezen, dat alleen van liefde en toewijding aan u mijn hart is vervuld?” – „O, ja!” antwoordde juffrouw Bonacieux, „vraag mij daarom ook naar mijn geheimen en ik zal ze u zeggen; maar die van anderen, dat is iets anders.” – „Het is wel,” zeide d’Artagnan, „ik zal ze ontdekken; omdat deze geheimen invloed op uw leven kunnen hebben, moeten die geheimen de mijne worden.” – „Wacht er u wel voor!” riep de jonge vrouw, met een ernst, die d’Artagnan onwillekeurig een huivering op het lijf joeg. „O, bemoei u met niets, wat mij betreft; tracht mij niet te helpen in hetgeen ik wil ten uitvoer brengen; ik vraag u dit in naam van het belang, dat ik u inboezem, in naam van den dienst, welken gij mij hebt bewezen en dien ik zoo lang ik leef niet zal vergeten. Geloof liever aan hetgeen ik u zeg. Bemoei u niet meer met mij, laat ik voor u niet meer bestaan en laat het zijn, alsof gij mij nimmer gezien hebt.” – „Moet Aramis even zoo doen als ik, mejuffrouw?” vroeg d’Artagnan verstoord. – „Ziedaar reeds twee of drie malen, dat gij dien naam hebt genoemd, mijnheer! ik heb u echter gezegd, dat ik hem niet kende.” – „Kent gij hem niet, aan wiens venster gij hebt geklopt? Kom, mejuffrouw! gij beschouwt mij toch niet voor al te lichtgeloovig.” – „Beken dat het is, om mij uit te hooren, dat gij dien naam en die historie verzint.” – „Ik verzin niets, mejuffrouw! ik spreek de zuivere waarheid.” – „En gij zegt, dat een uwer vrienden in dat huis woont?” – „Ik zeg en herhaal het voor de derde maal, in dat huis woont mijn vriend en die vriend heet Aramis.” – „Dit alles zal zich later ophelderen,” lispte de jonge vrouw; „zwijg er nu over, mijnheer!” – „Indien gij in mijn hart kondet lezen,” zeide d’Artagnan, „zoudt gij er zooveel nieuwsgierigheid in zien, dat gij medelijden met mij zoudt gevoelen en zooveel liefde, dat gij onmiddellijk die nieuwsgierigheid zoudt voldoen. Men heeft niets te vreezen van hen, door wie men bemind wordt.” – „Gij spreekt al zeer spoedig van liefde, mijnheer!” zeide de jonge vrouw, het hoofd schuddende. – „Het is, omdat mij de liefde eensklaps overvallen is en voor de eerste maal en omdat ik nog geen twintig jaar oud ben.”

De jonge vrouw zag hem van ter zijde aan. – „Luister,” hernam d’Artagnan, „ik ben reeds op het spoor. Drie maanden geleden had ik bijna een tweegevecht aangegaan met Aramis, uit hoofde van een zakdoek, op dien gelijkende, welken gij die vrouw hebt vertoond, die zich in zijn kamer bevond en die, ik ben er zeker van, even zoo gemerkt was.” – „Mijnheer!” zeide de jonge vrouw, „gij verveelt mij erg, dat verzeker ik u, met al die praatjes.” – „Maar gij, mejuffrouw, die zoo voorzichtig zijt, zoudt gij, wanneer gij met dien zakdoek werdt aangehouden, niet in gevaar verkeeren?” – „Waarom, is het naamcijfer het mijne niet: C. B. Constance Bonacieux?” – „Of Camille de Bois-Tracy?” – „Stil mijnheer! nogmaals stil! Maar, dewijl de gevaren, die ik voor mij zelve loop, u niet weerhouden, denk dan aan die, welke gij kunt loopen.” – „Ik?” – „Ja, gij! Gij waagt in de gevangenis te komen, gij waagt zelfs uw leven, door mij te kennen.” – „Dan verlaat ik u niet meer.” – „Mijnheer!” smeekte de jonge vrouw met gevouwen handen, „mijnheer! in ’s hemels naam! op uw eer als krijgsman en uw beleefdheid als edelman! ik bid u, verwijder u! Zie, daar slaat het middernacht, het uur, waarop men mij wacht.” – „Mejuffrouw!” zeide de jongeling, zich buigende, „wees gerust, ik verwijder mij.” – „En gij zult mij niet volgen, mij niet bespieden?” – „Ik ga onmiddellijk naar huis.” – „O! ik wist wel, dat gij een braaf jongeling waart,” riep juffrouw Bonacieux, hem de eene hand toereikende, terwijl zij de andere op den klopper der kleine, bijna onzichtbare deur van den muur, voor welken zij stonden, legde. D’Artagnan greep de hand, die men hem aanbood en drukte er vurige kussen op.

„O! ik had u liever nooit gezien!” riep d’Artagnan met die eenvoudige heftigheid uit, welke de vrouwen gewoonlijk boven een gemaakte wellevendheid verkiezen, omdat zij de inwendige gedachte bloot legt en ten bewijs strekt, dat het gevoel het verstand beheerscht. – „Welnu,” hernam juffrouw Bonacieux met bijna vleiende stem en de hand van d’Artagnan drukkende, die de hare nog vasthield, „welnu, ik wil dan zeggen: wat heden is uitgesteld, is voor het vervolg niet verloren. Wie weet of, indien ik eenmaal van mijn geheim ontbonden zal zijn, ik uw nieuwsgierigheid niet zal voldoen.” – „En doet gij mij dezelfde belofte ten aanzien mijner liefde?” riep d’Artagnan, ten toppunt van vreugd. – „O! wat dat betreft, ik kan mij niet verbinden, dat zal van de gevoelens afhangen, die gij mij zult weten in te boezemen.” – „Dus voor heden, mejuffrouw!” – „Voor heden, mijnheer, kan ik mij slechts tot erkentelijkheid bepalen.” – „Ach! gij zijt al te bekoorlijk!” zeide d’Artagnan treurig, „en gij maakt misbruik van mijn liefde.” – „Neen, ik maak gebruik van uw edelmoedigheid; ziedaar alles! Maar wees verzekerd, met zekere lieden komt alles terecht.” – „O! gij maakt mij tot den gelukkigste der menschen! Vergeet dezen avond, vergeet deze belofte niet!” – „Wees gerust, te bekwamer uur zal ik mij alles herinneren. En nu, verwijder u, vertrek in ’s hemels naam! Men wachtte mij op klokslag van middernacht en het is er nu reeds over.” – „Vijf minuten!” – „Ja, maar in zekere omstandigheden zijn vijf minuten vijf eeuwen.” – „Wanneer men bemint.” – „Welnu, wie zegt u, dat ik met geen verliefde te doen heb?” – „Het is een man, die u wacht!” riep d’Artagnan. – „Een man! komaan! zie, daar begint gij weer,” zeide juffrouw Bonacieux met een flauwen glimlach, die eenigszins naar ongeduld zweemde. – „Neen, neen! ik ga, ik verwijder mij, ik vertrek, ik geloof u, en ik wil mij opofferen, al zou deze opoffering een dwaasheid zijn. Vaarwel, mejuffrouw! vaarwel!”

En alsof hij zich niet krachtig genoeg voelde, zich van haar hand los te maken, dan door er zich van los te rukken, verwijderde hij zich hard loopende, terwijl juffrouw Bonacieux driemaal, zooals op het venster, langzaam en met tusschenpoozen klopte. Toen d’Artagnan aan den hoek der straat was gekomen, keerde hij zich om: de deur was geopend en weder gesloten geworden, de schoone koopmansvrouw was verdwenen.

D’Artagnan vervolgde zijn weg, hij had zijn woord gegeven juffrouw Bonacieux niet te zullen bespieden en al had zijn leven er van afgehangen, om te weten, werwaarts zij zich moest begeven, of den man te kennen, die haar moest geleiden, d’Artagnan zou naar huis zijn gegaan, omdat hij het beloofd had. Vijf minuten later was hij in de Doodgraversstraat.

„Die arme Athos!” zeide hij, „zal niet weten, wat het te beduiden heeft. Hij zal, mij afwachtende, in slaap gevallen zijn of naar zijn huis teruggekeerd zijn en te huis komende, zal men hem gezegd hebben, dat er een vrouw op zijn kamer is geweest. Een vrouw bij Athos! Maar er was er wel eene bij Aramis!” ging d’Artagnan bij zich zelven voort. „Dat alles is zeer vreemd en ik ben zeer nieuwsgierig te weten, hoe het zal afloopen.” – „Slecht, mijnheer! slecht!” antwoordde een stem, die de jongeling voor die van Planchet herkende; want overluid tot zich zelven sprekende, zooals lieden, die zeer afgetrokken zijn, ging hij de gang door, aan het einde van welke de trap was, die naar zijn kamers leidde. – „Hoedat slecht? Wat wilt gij zeggen, lomperd?” vroeg d’Artagnan; „wat is u dan gebeurd?” – „Allerlei rampen.” – „Welke?” – „Vooreerst is de heer Athos in hechtenis genomen.” – „Athos in hechtenis genomen! en waarom?” – „Men heeft hem in uw kamer gevonden en hem voor u aangezien.” – „En door wien is hij in hechtenis genomen?” – „Door de wacht, welke de zwarte mannen, die gij op de vlucht hebt gejaagd, hebben gehaald.” – „Waarom heeft hij zich niet genoemd? waarom niet gezegd, dat hij van de zaak niets wist?” – „Daarvoor heeft hij zich wel gewacht, mijnheer! integendeel, mij naderende, zeide hij:

„‚Uw meester heeft op dit oogenblik zijn vrijheid noodig, en ik niet, omdat hij met alles bekend is en ik met niets. Men zal meenen, hem gevangen genomen te hebben, en dat zal hem tijd doen winnen; binnen drie dagen zal ik zeggen wie ik ben en men zal mij wel moeten in vrijheid stellen.’”

„Bravo, Athos! welk een edel hart!” mompelde d’Artagnan; „ja, ik herken hem hieraan! En wat hebben de justitiesoldaten gedaan?” – „Vier hebben hem weggevoerd, ik weet niet waarheen, misschien naar de Bastille of naar het fort l’Evêque; twee zijn bij de zwarte mannen gebleven, die alles doorsnuffeld en zich van al de papieren meester gemaakt hebben. En de twee laatsten hebben gedurende dien tijd voor de deur schildwacht gehouden; vervolgens, toen alles was afgeloopen, zijn zij vertrokken, het huis ledig en open latende.” – „En Porthos en Aramis?” – „Die heb ik niet gevonden, en zij zijn ook niet gekomen.” – „Maar zij kunnen alle oogenblikken komen, want gij hebt hun immers doen weten, dat ik hen wachtte?” – „Ja, mijnheer!” – „Welnu, verwijder u niet van hier; wanneer zij komen, deel hun dan mede, wat gebeurd is; zij kunnen mij in de herberg de Pijnappel wachten; hier is het te gevaarlijk; men zal het huis bespieden. Nu begeef ik mij naar den heer de Tréville, om hem van een en ander kennis te geven; en dan ga ik hen opzoeken.” – „Goed, mijnheer!” antwoordde Planchet. – „Maar zult gij blijven, zult gij niet bang worden?” vroeg d’Artagnan, op zijn schreden terugkeerende, om den lakei moed in te spreken. – „Wees gerust, mijnheer!” antwoordde Planchet, „gij kent mij niet; ik ben dapper, als ik er mij toe zet; maar om er mij toe te zetten, dat is niet gemakkelijk; daarenboven ik ben een Picardiër.” – „Dus overeengekomen?” zeide d’Artagnan; „gij zult u liever laten doodslaan, dan u van hier te verwijderen?” – „Ja, mijnheer! er is niets, of ik wil het doen om mijnheer te bewijzen, dat ik hem genegen ben.” – „Best,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat de leerwijze, die ik omtrent dien jongen heb in acht genomen, onweersprekelijk de goede is; bij gelegenheid zal ze mij te pas komen.” – En met al den spoed, dien hij zijn beenen kon geven, die reeds min of meer vermoeid waren door de tochten van dien dag, sloeg d’Artagnan den weg naar de straat Vieux-Colombier in.

De heer de Tréville was niet te huis; zijn kompagnie had de wacht aan het Louvre, waar hij zich ook bevond. Intusschen moest d’Artagnan den heer de Tréville spreken, het was allernoodzakelijkst, dat deze van het gebeurde onderricht werd. Hij overwoog nu op wat wijze binnen het Louvre te geraken. Zijn kostuum van garde der kompagnie des heeren des Essarts moest hem tot paspoort verstrekken. Hij ging dus de straat der Petits-Augustins door en de kade langs, om den Pont-Neuf over te gaan; een oogenblik was hij voornemens van de overzetpont gebruik te maken; maar aan den oever gekomen, had hij werktuigelijk de hand in zijn zak gestoken en bemerkt, dat hij niet eens zooveel geld had om den veerman te betalen. Toen hij op de hoogte der straat Guénégaud gekomen was, zag hij uit de straat Dauphine een groep komen, bestaande uit twee personen, wier houding hem opmerkzaam maakte. Van de twee personen, waaruit deze groep bestond, was de eene een man, de andere een vrouw. De vrouw had de gestalte van juffrouw Bonacieux en de man geleek als twee droppels water op Aramis. Bovendien was de vrouw gehuld in dienzelfden zwarten mantel, welken d’Artagnan zich nog voorstelde, zooals die op het vensterluik van het huis in de straat Vaugirard en op de deur in de straat la Harpe zich had afgeteekend. Wat den man betreft, deze droeg het musketiersgewaad. De kap der vrouw hing over haar aangezicht: de man hield een zakdoek voor het zijne; die dubbele voorzorg gaf duidelijk te kennen, dat beiden belang hadden niet herkend te worden. Zij gingen de brug over; dat was d’Artagnan’s weg, omdat hij zich naar het Louvre begaf; hij volgde hen.

D’Artagnan had nog geen twintig schreden afgelegd, of hij was verzekerd, dat die vrouw juffrouw Bonacieux was en de man Aramis. Tegelijkertijd voelde hij al de vermoedens, die de jaloezie doet ontstaan, in zijn hart opwellen. Hij was van weerskanten verraden: vooreerst door zijn vriend en vervolgens door haar, die hij reeds als zijn minnares beminde. Juffrouw Bonacieux had bij alle goden gezworen Aramis niet te kennen, en een kwartier na hem dien eed gedaan te hebben, ontmoet hij haar aan den arm van Aramis. D’Artagnan overwoog niet eens, dat het slechts drie uren geleden was, dat hij met de schoone koopmansvrouw had kennis gemaakt, dat zij hem niets anders was verschuldigd, dan een weinig erkentelijkheid, omdat hij haar bevrijd had uit de handen der zwarte mannen, die haar wilden wegvoeren en dat zij hem niets had beloofd. Hij beschouwde zich echter als een gehoonden, verraden en bespotten minnaar; bloed en toorn kleurden zijn aangezicht en hij besloot de zaak op te helderen.

De jonge vrouw en de jongeling, bemerkende dat zij gevolgd werden, hadden hun schreden bespoedigd. D’Artagnan nam een vaart, liep hen voorbij en kwam hen weder tegemoet, toen zij voor de Samaritaine waren, verlicht door het schijnsel eener straatlantaarn, die over dat gedeelte der brug haar licht liet vallen. D’Artagnan bleef voor hen staan en zij bleven voor hem staan.

„Wat wilt gij, mijnheer?” vroeg de musketier, een schrede achteruit tredende, met een vreemden tongval, die d’Artagnan bewees, dat hij zich ten minste in een gedeelte zijner veronderstellingen bedrogen had. – „Het is Aramis niet!” riep hij. – „Neen, mijnheer! het is Aramis niet en volgens uw uitdrukking bespeur ik, dat gij mij voor een anderen hebt aangezien, en ik verontschuldig u.” – „Gij verontschuldigt mij?” riep d’Artagnan. – „Ja,” antwoordde de onbekende, „laat mij dus voorbij, dewijl ik het niet ben, met wien gij iets te doen hebt.” – „Gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „het is niet met u, dat ik iets uitstaande heb, maar wel met mejuffrouw.” – „Met mejuffrouw? gij kent haar niet,” zeide de vreemdeling. – „Gij bedriegt u, mijnheer! ik ken haar.” – „O,” zeide juffrouw Bonacieux op verwijtenden toon, „o, mijnheer! gij hebt mij, op uw krijgsmanseer, op uw woord van edelman beloofd… ik had gehoopt er op te kunnen rekenen…” – „En ik, mejuffrouw!” hernam d’Artagnan verlegen, „gij hadt mij beloofd…” – „Geef mij den arm, mejuffrouw! en gaan wij onzen weg.”

Intusschen bleef d’Artagnan, ontsteld, als verplet door al hetgeen hem wedervoer, met over elkander geslagen armen voor den musketier en mejuffrouw Bonacieux staan. De musketier deed twee schreden vooruit en verwijderde d’Artagnan met de hand. D’Artagnan sprong achteruit en trok den degen. Tegelijkertijd en met bliksemsnelheid trok de vreemdeling den zijne. – „In ’s hemels naam, mylord!” riep juffrouw Bonacieux, zich tusschen de strijders werpende en de degens met beide handen grijpende. – „Mylord?” riep d’Artagnan, door een plotseling denkbeeld verlicht; „mylord! mijnheer! ik vraag u om vergiffenis! zoudt gij zijn de…” – „Mylord, hertog van Buckingham!” zeide juffrouw Bonacieux half luid; „en thans kunt gij ons beiden in het verderf storten.” – „Mylord! mejuffrouw; vergeeft mij, ik vraag u duizendmaal om vergiffenis! Ik bemin haar, mylord! en ik was jaloersch: gij weet wat liefde is, mylord! vergeef mij dus, en zeg mij, op wat wijze ik u mijn leven kan ten offer brengen.” – „Gij zijt een dapper jongeling!” zeide Buckingham, d’Artagnan zijn hand reikende, die deze eerbiedig drukte; „gij biedt mij uw diensten, ik neem ze aan, volg ons op twintig schreden afstands, tot aan het Louvre, en indien iemand ons bespiedt, stoot hem dan neder.”

D’Artagnan nam zijn blooten degen onder den arm, liet juffrouw Bonacieux en den hertog twintig schreden vooruitgaan en volgde hen, gereed naar de letter de bevelen van den edelen en schoonen minister van Karel I te volvoeren. Maar gelukkig vond de jonge geestdrijver niet de minste gelegenheid, om aan den hertog dat bewijs zijner toewijding te geven; en de jonge vrouw en de schoone musketier traden het Louvre binnen, door het poortje der Ladderstraat, zonder verontrust te zijn geworden.

D’Artagnan begaf zich toen onmiddellijk naar de herberg de Pijnappel, waar hij Porthos en Aramis vond, die hem wachtten. Maar zonder hun eenige andere inlichtingen te geven omtrent de stoornis, die hij hen had veroorzaakt, zeide hij, dat hij alléén de zaak had ten einde gebracht, voor welke hij een oogenblik gemeend had hun hulp noodig te zullen hebben.

En nu, medegesleept door ons verhaal, zullen wij onze drie vrienden elk naar hun woning laten gaan en den hertog van Buckingham en zijn gids in de kronkelingen van het Louvre volgen.

HOOFDSTUK XII.
George Villiers, hertog van Buckingham

Juffrouw Bonacieux en de hertog werden zonder de minste zwarigheid het Louvre binnengelaten, dewijl juffrouw Bonacieux bekend stond tot de dienaressen der koningin te behooren, en omdat de hertog het kostuum der musketiers aanhad, die, zooals wij gezegd hebben, dien avond de wacht hadden. Bovendien was Germain de belangen der koningin toegedaan, en mocht er iets zijn voorgevallen, dan zou juffrouw Bonacieux beschuldigd zijn geworden, haar minnaar in het Louvre te hebben binnengebracht, en alles zou zich daarbij bepaald hebben; zij nam de schuld op zich: zij zou, wel is waar, onteerd zijn, maar welke waarde hechtte de wereld aan de eer eener geringe winkeliersvrouw? Eenmaal op de binnenplaats gekomen, volgden de vrouw en de hertog den muur langs een uitgestrektheid van vijf en twintig schreden; waarop juffrouw Bonacieux een kleine achterdeur opende, welke op den dag geopend, doch gewoonlijk ’s nachts gesloten was, en den bedienden tot doorgang verstrekte. Beiden gingen de deur binnen en bevonden zich in de duisternis; maar juffrouw Bonacieux kende al de kronkelingen en omwegen van dat gedeelte van het Louvre, hetwelk voor de bedienden bestemd was. Zij sloot de deur achter haar, nam den hertog bij de hand, deed al tastende eenige schreden voorwaarts, greep een leuning, zette den voet op een trede en begon een trap op te klimmen; de hertog telde twee verdiepingen. – Toen sloeg zij links om, volgde een lange gang, daalde een verdieping lager, deed nog eenige schreden, stak een sleutel in een slot, opende een deur en stiet den hertog in een vertrek, dat slechts door een nachtlamp verlicht werd, hem zeggende: „Blijf hier, mylord! men zal dadelijk bij u zijn.”

Toen verwijderde zij zich door dezelfde deur, welke zij op slot draaide, zoodat de hertog letterlijk gevangen was.

Wij moeten bekennen, dat, hoe eenzaam ook, de hertog niet de minste vrees ondervond; het meest uitkomende in zijn karakter was zucht naar avonturen en liefde voor het romaneske. Dapper, stoutmoedig, ondernemend, was het niet voor de eerste maal, dat hij zijn leven in een omstandigheid van den aard als deze waagde; immers, hij had vernomen, dat die voorgewende boodschap van Anna van Oostenrijk, waarop hij vertrouwd had, en dus naar Parijs was gekomen, een lokaas was, en, in plaats van naar Engeland terug te keeren, had hij van de omstandigheid, waarin men hem geplaatst had, misbruik makende, der koningin verklaard, dat hij niet vertrekken zou zonder haar eerst gezien te hebben. De koningin had aanvankelijk stellig geweigerd, doch eindelijk vreesde zij, dat de opgewondenheid des hertogs hem tot de een of andere dwaasheid zou brengen. Reeds was zij tot het besluit gekomen hem te ontvangen en hem te smeeken dadelijk weer te vertrekken, toen op denzelfden avond van dat besluit juffrouw Bonacieux, die belast was geworden den hertog te halen en hem naar het Louvre te geleiden, ontvoerd werd. Gedurende twee dagen wist men volstrekt niet, wat van haar geworden was; zoodat alles in denzelfden toestand bleef. Maar eenmaal in vrijheid, eenmaal in verstandhouding met de la Porte, hadden de dingen hun loop hervat en zij bracht haar gevaarvolle onderneming ten einde, die, zonder haar ontvoering, reeds drie dagen vroeger volvoerd zou zijn geworden.

Buckingham, nu alleen zijnde, plaatste zich voor een spiegel. Het musketiersgewaad stond hem voortreffelijk. Op dat tijdstip was hij vijf en dertig jaar oud en werd met recht voor een der bevalligste edellieden en den bekoorlijksten cavalier van Frankrijk en Engeland gehouden. Gunsteling van twee koningen, schatrijk, en alvermogend in een rijk, dat hij naar willekeur beroerde en naar zijn luimen weer tot rust bracht, had George Villiers, hertog van Buckingham, een dier fabelachtige levens, welke, gedurende eeuwen, de bewondering van het nageslacht gaande maken. – Steunende op zijn kracht, van zijn macht verzekerd, wetende, dat de wet, waaronder anderen zich bogen, hem niet bereiken kon, ging hij steeds rechtstreeks op het doel af, dat hij zich voorstelde, al was dit doel ook nog zoo ver verwijderd, nog zoo schitterend, dat het voor anderen reeds een dwaasheid zou zijn geweest er slechts aan te denken. Op die wijze was het hem gelukt meermalen de schoone en fiere Anna van Oostenrijk te naderen en zich door zijn schitterende hoedanigheden van haar te doen beminnen.

George de Villiers plaatste zich dan, zooals wij zeiden, voor een spiegel en gaf aan zijn fraai blond hoofdhaar de golvende lokken weder, die de zwaarte van zijn hoed het hadden doen verliezen; hij krulde zijn knevel op, en het hart van blijdschap vervuld, gelukkig en trotsch het oogenblik te zullen bereiken, dat hij zoo lang gewenscht had, glimlachte hij tot zich zelven van hoogmoed en hoop. – Op dit oogenblik werd een in het behangsel verborgene deur geopend, en een vrouw verscheen. Buckingham ontwaarde deze verschijning in den spiegel; hij slaakte een kreet… het was de koningin!

Anna van Oostenrijk was toen zes of zeven en twintig jaar en bevond zich derhalve in al den glans harer schoonheid. Haar tred geleek dien eener koningin of eener godin; haar oogen, die een smaragdkleurigen gloed van zich wierpen, waren van een volkomen schoonheid en tevens vol zachtheid en majesteit. Haar mond was klein en rood, en hoewel haar onderlip, zooals die van al de vorsten van het huis van Oostenrijk, een weinig voor de andere uitstak, was haar glimlach uiterst bevallig, maar, wanneer afkeer dien vertrok, diep verachtend. Haar vel werd geroemd wegens de fluweelachtige zachtheid er van; haar handen en armen, van een bewonderenswaardige schoonheid, werden door de dichters van dien tijd als iets onovertrefbaars bezongen. – Eindelijk haar hoofdhaar, dat in haar eerste jeugd blond was en nu kastanjebruin was geworden, omringde, in luchtige en zwaar gepoederde lokken, op bevallige wijze haar gezicht, op hetwelk de strengste bediller niets zou hebben kunnen aanmerken, dan dat het met een weinig te veel blanketsel was bedekt, terwijl de nauwkeurigste beeldhouwer slechts een iets minder groven neus zou hebben verlangd.

Buckingham bleef een oogenblik als verblind; nooit was hem Anna van Oostenrijk zoo schoon voorgekomen, te midden der bals, der feesten, der caroussels, dan nu zij hem verscheen, gekleed in een eenvoudig gewaad van wit satijn, vergezeld door Donna Estefana, de eenige der vrouwen, die de jaloezie des konings en de vervolgingen van Richelieu niet hadden verjaagd.

Anna van Oostenrijk trad een paar schreden voort; Buckingham wierp zich voor haar op de knieën, en voordat de koningin zulks kon beletten, kuste hij den zoom van haar kleed. – „Hertog! het is u reeds bekend, dat ik het niet ben geweest, die aan u heeft doen schrijven?” – „O ja, mevrouw! ja, Uwe Majesteit!” riep de hertog, „ik weet, dat ik een dwaas, een ijlhoofdige ben geweest, te gelooven, dat de sneeuw zich zou verlevendigen, en het marmer zich zou verwarmen; maar wat wilt gij, wanneer men bemint, vertrouwt men gemakkelijk op wederliefde; bovendien, ik heb niet alles door deze reis verloren; want ik zal u…” – „Ja,” antwoordde Anna; „maar gij weet waarom, en op welke wijze gij mij ziet, mylord! Ik vertoon mij aan u uit medelijden voor u; ik vertoon mij aan u, omdat gij ongevoelig voor al mijn verdriet, halsstarrig in een stad zijt gebleven, waar gij in gevaar zijt het leven te verliezen, en gij mijn eer in de waagschaal stelt; ik vertoon mij aan u, om u te zeggen, dat alles ons scheidt: de diepte der zee, de vijandschap der koninkrijken, de heiligheid der eeden! Het zoude heiligschennis zijn, mylord! tegen die beletselen te worstelen. Ik vertoon mij eindelijk aan u, om u te zeggen, dat wij elkander niet mogen wederzien.” – „Spreek, mevrouw, spreek, koningin!” zeide Buckingham, „de zachtheid uwer stem bedekt de hardheid uwer woorden… Gij spreekt van heiligschennis; maar heiligschennis bestaat alleen in de scheiding der harten, welke God voor elkander geschapen heeft.” – „Mylord! gij vergeet!” riep de koningin, „dat ik u nooit gezegd heb, dat ik u beminde.” – „Maar gij hebt mij ook niet gezegd, dat gij mij niet bemindet, en waarlijk, mij iets dergelijks te zeggen, zou, van den kant Uwer Majesteit, een zeer groote ondankbaarheid zijn. Want, zeg mij, waar een liefde te vinden zooals de mijne; een liefde, die verwijdering, wanhoop, noch tijd hebben kunnen uitdooven, een liefde, die zich tevreden stelt met een verloren lint, een enkelen blik, een onbedacht woord… Nu drie jaren geleden, mevrouw! zag ik u voor de eerste maal, en sedert drie jaren is het, dat ik u op die wijze bemin. Wilt gij, dat ik u zeg, hoe gij gekleed waart, toen ik u het eerst zag? Wilt gij, dat ik al de versierselen van uw gewaad opsom? O, ik zie u nog: Gij waart, op Spaansche wijze, op kussens gezeten; gekleed in een groen satijnen kleed met gouden en zilveren borduursels, met wijde, opgestroopte mouwen op uw schoone, op uw zoo wonderschoone armen met groote diamanten versierd; een nauwe halskraag omsloot uw hals en een klein mutsje met een reigersveer, en van dezelfde kleur als uw kleed, hadt gij op het hoofd. Luister! wanneer ik de oogen sluit, aanschouw ik u zooals gij toen waart, en die weer openende, zie ik u, zooals gij thans voor mij staat, namelijk: honderdmaal schooner!”

„Wat dwaasheid!” lispte Anna van Oostenrijk, die echter niet verstoord was, dat hij zoo lang haar beeltenis in zijn hart had bewaard; „wat dwaasheid! een zoo nutteloozen hartstocht door dergelijke herinneringen te voeden.” – „En waarmede wilt gij dan, dat ik mijn leven slijt? mij blijven niets dan herinneringen over. Zij bevatten mijn geluk, mijn schat, mijn toekomst. Telkens, wanneer ik u zie, is het een diamant te meer, dien ik in het juweelkistje mijns harten sluit. Deze is de vierde, dien gij laat ontvallen en dien ik opraap, want gedurende drie jaren, mevrouw! heb ik u slechts vier malen mogen zien: den eersten keer, zooals ik u daareven zeide. De tweede maal bij mevrouw de Chevreuse, de derde maal in den tuin van Amiëns.” – „Hertog!” zeide de koningin, „spreek niet meer over dien avond.” – „O, spreken wij er integendeel van; het is de gelukkigste, de heilrijkste avond mijns levens geweest. Herinnert gij u dien heerlijken avondstond niet meer? Hoe zacht en balsemgeurig was de lucht, hoe blauw de met sterren bezaaide hemel… O, toen, mevrouw! had ik een oogenblik met u alleen kunnen zijn; toen waart gij gereed mij alles te vertrouwen: de eenzaamheid uws levens, uw harteleed. Gij hingt aan mijn arm. Zie, aan dezen. Ik voelde, mijn hoofd naar uw zijde neigende, uw schoone lokken mijn gezicht streelen, en telkens, wanneer ze mij raakten, voelde ik een trilling mijn gansche lichaam doorloopen. O, mevrouw! Uwe Majesteit weet niet, wat hemelsche zaligheid, wat aardsch geluk zoodanig oogenblik bevat. Zie, mijn schatten, mijn roem, mijn overige levensdagen zou ik voor een dergelijk oogenblik, voor zulk een nacht willen geven; want in dien nacht, mevrouw! in dien nacht, ik bezweer het u, bemindet gij mij.” – „Mylord! ja, het is mogelijk, dat de indruk, het romantisch oord, de bekoorlijke avondstond, de tooverkracht van uw blik, kortom, dat die duizenden bijzonderheden, welke zich vaak vereenigen om een vrouw ten verderve te brengen, mij in dien noodlottigen nacht bestormden; maar gij hebt het gezien, mylord! de koningin kwam de zich zelve vergetende vrouw te hulp; op het eerste woord, dat ik moest beantwoorden, op de eerste stoutheid, die gij u veroorloofdet, heb ik geroepen.” – „O, ja, ja, dat is waar, een andere liefde dan de mijne zou door deze proef bezweken zijn; maar de mijne, mijn liefde werd er te vuriger, te onverdelgbaarder door. Gij meendet mij te ontgaan door naar Parijs terug te keeren; gij meendet, dat ik den schat, waarover mijn meester mij had belast te waken, niet zou hebben durven verlaten. O, wat raken mij al de schatten der wereld, al de koningen der aarde! Acht dagen later was ik terug, mevrouw! Toen kondet gij mij niets zeggen; ik had de gunst des konings, mijn leven er aan gewaagd, om u één seconde te zien; ik mocht zelfs uw hand niet drukken, en gij hebt mij vergiffenis geschonken, mij zoo onderworpen, zoo berouwvol ziende.”

„Ja, maar de laster heeft zich bij al die dwaasheden gemengd, waaraan ik geen deel had, dat immers weet gij, mylord! de koning, door den kardinaal aangehitst, heeft er een vreeselijke ruchtbaarheid aan gegeven; mevrouw de Vernet is weggejaagd geworden, Putange gebannen, mevrouw de Chevreuse is in ongenade gevallen, en toen gij als ambassadeur naar Frankrijk wildet terugkeeren, heeft de koning, herinner het u wel, mylord! heeft de koning zich hiertegen verzet.” – „Ja, Frankrijk zal met een oorlog de weigering zijns konings boeten. En dewijl ik u niet meer mag zien, mevrouw! wil ik, dat elke dag u van mij doet hooren spreken. Wat oogmerk, vooronderstelt gij, dat die onderneming op Ré en dat bondgenootschap met de protestanten van la Rochelle, welke ik tracht te bewerken, hebben? Alleen het genot u te zien: Ik heb de macht niet om gewapenderhand Parijs binnen te dringen, dat weet ik wel; maar op dien oorlog zal een vrede volgen; die vrede zal een onderhandeling vereischen, en de onderhandelaar zal ik zijn… Dan zal men mij niet meer durven weigeren, en ik zal te Parijs terugkeeren, ik zal u wederzien en een oogenblik gelukkig zijn. Het is waar, duizenden menschen zullen mijn geluk met hun leven betaald hebben; wat raakt mij dat, wanneer ik u slechts wederzie. Dat alles is misschien zeer dwaas, zeer onverstandig; maar, zeg mij, welke vrouw heeft ooit een meer verliefden minnaar, welke koningin ooit vuriger dienaar gehad?”

„Mylord! mylord! gij brengt te uwer verdediging zaken te berde, die uw schuld nog vergrooten; mylord! al de liefdebewijzen, welke gij mij wilt geven, zijn bijna misdaden.” – „Omdat gij mij niet bemint, mevrouw! indien gij mij bemindet, zoudt gij ze alle met een geheel ander oog beschouwen; indien gij mij bemindet, ach! indien gij mij bemindet, zou ik te gelukkig zijn en krankzinnig worden. O, mevrouw de Chevreuse, van wie gij daareven spraakt, mevrouw de Chevreuse is minder wreedaardig dan gij zijt… Lord Holland beminde haar, en zij heeft zijn liefde beantwoord.” – „Mevrouw de Chevreuse is geen koningin,” lispte Anna van Oostenrijk, onwillekeurig overwonnen door de uitdrukking eener zoo innige liefde. – „Gij zoudt mij dan beminnen, indien gij het niet waart, mevrouw! Spreek, gij zoudt mij dan beminnen? Ik kan dus gelooven, dat alleen de waardigheid van uw rang u wreed voor mij doet zijn; ik kan dus mij vleien dat, wanneer gij in de plaats van mevrouw de Chevreuse waart geweest, de arme Buckingham had mogen hopen? Ik dank u voor die zoete woorden, mijn schoone koningin! ik dank u honderd malen.” – „Ach, mylord! gij hebt kwalijk verstaan, kwalijk begrepen; dat heb ik niet willen zeggen…” – „Stil! stil!” hernam de hertog, „indien een dwaling mij gelukkig maakt, wees dan zoo wreed niet mij die te ontnemen. – Gij hebt het zelve gezegd, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik zal er het leven misschien in verliezen; want, zonderling, sedert eenigen tijd heb ik een voorgevoel, dat ik weldra zal ophouden te leven.”

En de hertog glimlachte, treurig en tevens bevallig. – „Ach, mijn God!” riep Anna van Oostenrijk op verschrikten toon, die bewees, dat haar belangstelling in den hertog grooter was dan zij het wilde doen schijnen. – „Ik zeg u zulks niet om u angst aan te jagen, mevrouw! o neen; het is zelfs belachelijk, dat ik er over spreek; geloof, dat ik mij met soortgelijke droomerijen niet bezig houd; de woorden intusschen, welke gij mij hebt doen hooren, die hoop, welke gij mij bijna hebt gegeven, is mij alles waard, zelfs het offer mijns levens.” – „Welnu,” zeide Anna van Oostenrijk, „ook ik, hertog! heb voorgevoelens, ook ik heb droomen. Ik droomde u in uw bloed wentelende gewond ter aarde te zien uitgestrekt.” – „Aan de linkerzijde, niet waar, een messteek?” viel Buckingham haar in de rede. – „Ja, juist, mylord! juist, in de linkerzijde, een messteek. Wie heeft u kunnen zeggen, dat ik dus gedroomd heb? Ik heb het alleen aan God vertrouwd en slechts in mijn gebed.” – „Het is mij om het even, mevrouw! gij bemint mij, en dat is voor mij genoeg.” – „Ik, ik bemin u!” – „Ja, gij! zou God u dezelfde droomen zenden als aan mij, indien gij mij niet bemindet? Zouden wij dezelfde voorgevoelens hebben, indien onze harten niet met elkander overeenstemden? Gij bemint mij, o koningin! en gij zult mij betreuren!” – „O, mijn God! het is meer dan mijn krachten gedoogen. Hoor, hertog, in ’s hemels naam! verwijder u; ik weet niet of ik u al dan niet bemin; maar wat ik weet is, dat ik niet meineedig wil wezen. Heb dus medelijden met mij en ga… Ach! indien gij in Frankrijk getroffen werdt, indien gij in Frankrijk het leven verloort, indien ik kon veronderstellen dat uw liefde voor mij de oorzaak van uw dood moest zijn, o, ik zou mij nimmer kunnen troosten; ik zou krankzinnig worden. Vertrek dus, smeek ik u.” – „O, wat zijt gij schoon, hoe vurig bemin ik u zóó!” riep Buckingham. – „Vertrek, vertrek, ik smeek u en kom later terug; kom terug als ambassadeur, als minister; kom terug, omgeven van een lijfwacht, die u zal verdedigen; van dienaren, die over u zullen waken; en dan, dan zal ik niet meer voor uw leven vreezen, en ik zal mij gelukkig achten u weer te zien.” – „O, is het wel waar wat gij mij zegt?” – „Ja.” – „Welnu, geef mij dan een bewijs uwer toegevendheid, een voorwerp dat van u komt, iets dat mij verzekert niet gedroomd te hebben; iets wat gij gedragen hebt en ik op mijn beurt kan dragen: een ring, een halssnoer, een keten.” – „En zult gij vertrekken, indien ik u geef wat gij verlangt?” – „Ja.” – „Oogenblikkelijk?” – „Ja.” – „Gij zult Frankrijk verlaten, naar Engeland terugkeeren?” – „Ja, ik zweer het u.” – „Wacht dan… Wacht dan even.”

En Anna van Oostenrijk begaf zich naar haar kamer en kwam na een kort oogenblik weer terug, in de hand een klein rozenhouten kistje houdende, waarop haar naamcijfer in goud was ingelegd. – „Ziedaar, mylord!” zeide zij, „bewaar dit te mijner gedachtenis.” – Buckingham nam het kistje aan en viel voor de tweede maal op de knie. – „Gij hebt mij beloofd te vertrekken,” zeide de koningin. – „En ik zal woord houden; uw hand, mevrouw! uw hand, en ik ga.”

Anna van Oostenrijk reikte hem haar hand, terwijl zij de oogen sloot, met de andere op Estefana leunende; want zij voelde, dat haar krachten haar gingen verlaten. Buckingham drukte hartstochtelijk zijn lippen op de schoone hand; toen zich oprichtende, zeide hij: „Voor er zes maanden zullen verloopen zijn, en indien ik nog in leven ben, dan zal ik u hebben weergezien, al moest ik de wereld daarvoor omkeeren.”

En getrouw aan de belofte, die hij had gedaan, snelde hij de kamer uit. – In de gang ontmoette hij juffrouw Bonacieux, die hem wachtte en hem met dezelfde voorzorgen en even gelukkig buiten het Louvre bracht.

HOOFDSTUK XIII.
De heer Bonacieux

Intusschen was er onder dit alles, zooals men heeft kunnen bemerken, een persoon, omtrent wien men, ondanks de vele gevaren die hem omringden, zich tamelijk weinig scheen te bekommeren; dat personage was de heer Bonacieux, de eerbiedwaardige martelaar der politieke- en liefde-intrigues, die zoo wèl bij elkander pasten in die tevens ridderlijke en galante dagen. – Gelukkig, of de lezer het zich herinnere of niet, gelukkig hebben wij beloofd, hem niet uit het oog te zullen verliezen.

De gerechtsdienaars, die hem hadden gevangen genomen, geleidden hem rechtstreeks naar de Bastille, waar men hem bevende voorbij een troep soldaten voerde, die hun musketten laadden. Van daar in een half onderaardsche gang gebracht, werd hij het voorwerp der gemeenste beleedigingen en der wreedaardigste behandelingen van de zijde van hen, die hem gebracht hadden. De politiemannen, ziende dat zij met geen edelman te doen hadden, leefden met hem als de kat met de muis. – Nadat dit ongeveer een half uur geduurd had, kwam een griffier aan deze folteringen, maar niet aan zijn ongerustheid, een einde maken door het bevel, den heer Bonacieux in de verhoorkamer te geleiden. Gewoonlijk ondervroeg men de gevangenen in hun huis, maar met den heer Bonacieux werden niet zooveel plichtplegingen gemaakt. Twee dienaren maakten zich meester van den winkelier, brachten hem in een gang, waar drie schildwachten stonden, openden een deur en stieten hem in een benedenkamer, waarin geen ander huisraad was dan één tafel, één stoel en één commissaris. De commissaris zat op den stoel en schreef op de tafel.

De twee dienaren geleidden den gevangene voor de tafel, en op een wenk van den commissaris verwijderden dezen zich tot buiten het gehoor.

De commissaris, die tot hiertoe zijn gezicht op de voor hem liggende papieren had gehouden, richtte het hoofd op, om te zien met wien hij te doen had. Die commissaris was een man van een zeer onbehagelijk voorkomen, met een puntigen neus, gele, uitstekende oogbeenderen, kleine, maar levendige en doordringende oogen, en een gezicht, waarin tevens iets van den vos en van den marter lag. Zijn hoofd, staande op een langen, rekbaren hals, stak uit een zwart gewaad en waggelde bijna als een schildpad, die den kop uit de schaal steekt. – Hij begon den heer Bonacieux zijn naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats af te vragen. – De beschuldigde antwoordde, dat hij Jacques Michel Bonacieux heette, 51 jaar oud was, vroeger winkelier, thans van zijn renten leefde en in de Doodgraversstraat, No. 11, woonde.

De commissaris, in plaats van met het verhoor voort te gaan, hield hem een lange rede over het gevaar, dat er voor een eenvoudigen burger in was gelegen, om zich met staatkundige zaken te bemoeien. Hij vervolgde deze voorafspraak met een voorstelling, in welke hij de macht en de daden des kardinaals deed uitblinken, van dien onvergelijkelijken minister, van dien al de vorige ministers overtreffenden minister, en van dat voorbeeld der toekomstige ministers: van wien de macht en daden nooit door iemand ongestraft gehoond werden. Na dit tweede gedeelte zijner rede, terwijl hij zijn sperwersblik op den armen Bonacieux vestigde, noopte hij dezen het gewicht van zijn toestand te overwegen.

De winkelier had alles reeds diep doordacht; hij wenschte het oogenblik naar den duivel, dat bij den heer de la Porte het denkbeeld ontstond hem zijn pleegdochter ten huwelijk te geven; en vooral dat oogenblik, toen die pleegdochter als opzichtster over het lijnwaad in dienst der koningin was getreden. De grondtrek van meester Bonacieux’s karakter was alleen baatzucht en verregaande gierigheid. De liefde, welke hem zijn jonge vrouw had ingeboezemd, was slechts een bijkomend gevoel, dat niet in staat was zich te verheffen boven de hartstochten, die wij vermeld hebben. Bonacieux overwoog inderdaad hetgeen hem gezegd werd.

„Maar mijnheer de commissaris!” zeide hij schroomvallig, „wees verzekerd, dat ik de verdiensten van den onvergelijkelijken kardinaal, door wien wij de eer hebben geregeerd te worden, ken en naar waarde schat.” – „Zoo?” vroeg de commissaris op twijfelenden toon: „maar als dat waar is, hoe komt gij dan in de Bastille?” – „Hoe ik er kom, of liever, waarom ik er ben!” hernam Bonacieux, „ziedaar iets, dat mij niet mogelijk is u te zeggen, omdat ik het zelf niet weet; maar dit verzeker ik u, dat het niet is omdat ik den kardinaal, althans bij mijn weten, mishaagd heb.” – „Gij moet een misdaad hebben bedreven, omdat gij hier zijt beschuldigd van hoogverraad.” – „Van hoogverraad!” riep Bonacieux verschrikt uit, „van hoogverraad! en hoe wilt gij, dat een arme winkelier, die de Hugenooten verfoeit en voor de Spanjaarden den grootsten afschuw heeft, van hoogverraad kan worden beschuldigd? Overweeg, mijnheer! de zaak is tastbaar onmogelijk.” – „Mijnheer Bonacieux!” zeide de commissaris, den beschuldigde aanziende, alsof zijn kleine oogen de macht hadden in het diepste des harten te dringen: „Mijnheer Bonacieux! gij hebt een vrouw?” – „Ja, mijnheer!” antwoordde de winkelier bevende, reeds vooruitziende dat dit het punt was, waar de knoop lag; „dat is te zeggen, ik had er eene.” – „Hoe? gij hadt er eene? Wat hebt gij met haar gedaan, indien gij ze niet meer hebt?” – „Men heeft ze mij ontvoerd, mijnheer!” – „Men heeft ze u ontvoerd!” herhaalde de commissaris. „Zoo!”

Bonacieux begreep op dat: Zoo! dat de zaken hoe langer hoe meer zich verwikkelden. – „Men heeft ze u ontvoerd,” hernam de commissaris, „en kent gij den man, die dien roof heeft bedreven?” – „Ik meen hem te kennen.” – „Wie is hij?” – „Bedenk, dat ik niets bevestig en ik slechts vermoed, mijnheer de commissaris!” – „Wien verdenkt gij? Kom, antwoord openhartig!”

De heer Bonacieux bevond zich in de grootste verlegenheid: moest hij alles ontkennen of alles openbaren? Door alles te ontkennen, zou men hebben kunnen denken, dat hij al te veel wist, om iets te bekennen; door alles te zeggen, gaf hij blijk van een goeden wil. Hij besloot dus alles te zeggen.

„Ik heb vermoeden op een grooten, bruinen man, van een trotsch voorkomen en die al het uiterlijke van een edelman heeft,” zeide hij, „hij heeft ons menigmaal gevolgd, naar het mij toescheen, wanneer ik mijn vrouw voor de poort van het Louvre wachtte, om haar naar huis te brengen.” – De commissaris scheen eenige ongerustheid te koesteren. – „En zijn naam?” vroeg hij. – „O, zijn naam ken ik volstrekt niet; maar als ik hem ooit weer ontmoet, zal ik hem dadelijk herkennen, dat verzeker ik u, al was hij onder duizend.” – Het gelaat van den commissaris verduisterde. – „Gij zoudt hem onder duizend herkennen, zegt gij?” ging hij voort. – „Dat is te zeggen,” hernam Bonacieux, die bemerkte, dat hij een verkeerden weg insloeg; „dat is te zeggen…” – „Gij hebt geantwoord, dat gij hem zoudt herkennen,” zeide de commissaris, „dat is goed, en nu voor vandaag hebben wij gedaan. Alvorens verder te gaan dient er iemand bericht te worden, dat gij den ontvoerder uwer vrouw kent.” – „Maar ik heb u niet gezegd dat ik hem kende!” riep Bonacieux, tot wanhoop gebracht. „Ik heb u het tegendeel gezegd.”

„Brengt den gevangene weg,” zeide de commissaris tot de beide gardes. – „En waarheen moet hij gebracht worden?” vroeg de griffier. – „In een cachot.” – „In welk?” – „Och, mijn God! in het eerste het beste, als het maar goed sluit,” antwoordde de commissaris met een onverschilligheid, die den armen Bonacieux van schrik deed verstijven.

„O wee! o wee!” zeide hij bij zich zelven, „het ongeluk is op mij gevallen; mijn vrouw zal de een of andere verschrikkelijke misdaad hebben bedreven; men houdt mij voor den medeplichtige; zij zal bekend hebben mij alles te hebben vertrouwd; een vrouw is zoo zwak. In een cachot! in het eerste het beste! fraai! Een nacht is spoedig voorbij en morgen op het rad, aan de galg! Ach, mijn God! mijn God! heb medelijden met mij!”

Zonder in het minst naar de jammerlijke weeklachten van meester Bonacieux te luisteren, weeklachten trouwens, waaraan zij gewoon waren, vatten de twee dienaars den gevangene elk bij een arm en voerden hem weg, terwijl de commissaris overhaast een brief schreef, waarop zijn griffier wachtte. Bonacieux sloot geen oog, niet omdat zijn kerker hem te onaangenaam, maar omdat zijn angst te groot was. Hij bleef den geheelen nacht op zijn bankje zitten, schrikkende bij het minste gerucht; en toen het eerste daglicht in zijn gevangenis drong, scheen hem de zon in floers gehuld. Eensklaps hoorde hij de grendels verschuiven en hij deed een verschrikkelijken sprong. Hij dacht dat men hem kwam halen om hem naar het schavot te voeren; toen hij dan ook, in plaats van den scherprechter, den commissaris en den griffier van den vorigen dag zag verschijnen, was hij op het punt hen om den hals te vallen.

„Uw zaak is niet weinig verward geworden sedert gisterenavond, mijn beste man!” zeide hem de commissaris, „en ik raad u, de oprechte waarheid te zeggen; want uw berouw kan alleen den toorn des kardinaals doen bedaren.” – „Wel, ik ben bereid alles te zeggen,” riep Bonacieux, „althans al wat ik weet. Ondervraag mij, als het u belieft.” – „Vooreerst, waar is uw vrouw?” – „Maar ik heb u immers gezegd, dat men haar ontvoerd heeft.” – „Ja, maar sedert gisteren namiddag vijf uur is zij, door u geholpen, ontvlucht.” – „Is mijn vrouw ontvlucht?” riep Bonacieux. „O, de rampzalige! mijnheer! ik bezweer u, dat indien zij ontvlucht is, zulks mijn schuld niet is!” – „Wat gingt gij dan toch bij den heer d’Artagnan, uw buurman, met wien gij u dien dag zoo lang hebt onderhouden, doen?” – „Och ja, mijnheer de commissaris! dat is waar en ik beken mijn ongelijk. Ja, ik ben bij den heer d’Artagnan geweest.” – „Wat was het doel van dat bezoek?” – „Hem te verzoeken mij in het wedervinden mijner vrouw de behulpzame hand te bieden. Ik meende het recht te hebben, haar terug te eischen; het schijnt, dat ik mij bedrogen heb, en ik vraag u er vergiffenis voor.” – „En wat heeft de heer d’Artagnan geantwoord?” – „De heer d’Artagnan heeft mij zijn hulp beloofd; maar spoedig bemerkte ik, dat hij mij verried.” – „Gij maakt de justitie leugens wijs! De heer d’Artagnan heeft een overeenkomst met u gemaakt, en ten gevolge dier overeenkomst heeft hij de lieden der politie op de vlucht gejaagd, die uw vrouw hadden in hechtenis genomen en haar aan haar nasporingen onttrokken.” – „Heeft de heer d’Artagnan mijn vrouw ontvoerd? Wel zoo! wat zegt gij mij daar!” – „Gelukkig is de heer d’Artagnan in onze handen en men zal hem in uw tegenwoordigheid brengen.” – „O, mijn God! ik vraag niet beter!” riep Bonacieux, „het zal mij niet onaangenaam zijn een bekende te zien.”

„Laat den heer d’Artagnan binnen,” zeide de commissaris tot de drie dienaren, die Athos binnenlieten. „Mijnheer d’Artagnan,” zeide de commissaris, zich tot Athos wendende, „verklaar, wat er tusschen u en mijnheer is voorgevallen.” – „Wel!” riep Bonacieux, „dat is de heer d’Artagnan niet, dien gij mij voorstelt!” – „Hoe! is dat de heer d’Artagnan niet!” riep de commissaris. – „Volstrekt niet!” antwoordde Bonacieux. – „Hoe heet mijnheer?” vroeg de commissaris. – „Ik kan het u niet zeggen, ik ken hem niet.” – „Hoe! gij kent hem niet?” – „Neen.” – „Hebt gij hem nooit gezien?” – „Jawel, maar ik weet niet hoe hij heet.” – „Uw naam,” vroeg de commissaris. – „Athos,” antwoordde de musketier. – „Maar dat is geen menschennaam, dat is de naam van een berg!” riep de arme ondervrager, die in de war begon te raken. „Maar gij hebt gezegd, dat gij d’Artagnan heette.” – „Ik?” – „Ja, gij!” – „Dat is te zeggen, men heeft mij gezegd: Gij zijt de heer d’Artagnan, en ik heb geantwoord: Zoudt ge denken? De gardes hebben daarop uitgeroepen, dat zij er zeker van waren. Ik heb hen niet willen tegenspreken. Bovendien, ik had mij kunnen bedriegen.” – „Mijnheer! gij beleedigt de majesteit der justitie!” – „In geenen deele,” antwoordde Athos rustig. – „Gij zijt de heer d’Artagnan!” – „Ziet gij nu wel, gij zegt het mij immers zelf?” – „Maar,” riep op zijn beurt de heer Bonacieux, „ik zeg u, mijnheer de commissaris! dat er geen oogenblik te twijfelen valt. De heer d’Artagnan heeft van mij kamers gehuurd en bijgevolg, hoewel hij mij de huur niet betaalt en juist om die reden, dien ik hem wel te kennen. De heer d’Artagnan is een jongeling van nauwelijks negentien of twintig jaar en deze heer is ten minste dertig. De heer d’Artagnan dient bij de gardes van den heer des Essarts en mijnheer behoort tot de kompagnie musketiers van den heer de Tréville; bezie de uniform maar eens, mijnheer de commissaris! bezie ze maar eens!” – „Dat is waar,” mompelde de commissaris, „dat is, pardieu! waar.”

Op dat oogenblik werd de deur haastig geopend en een boodschapper, door een der sleuteldragers der Bastille binnengeleid, stelde den commissaris een brief ter hand. – „O, die rampzalige!” riep de commissaris. – „Hoe? wat zegt gij? van wien spreekt gij? Ik hoop niet, dat het mijn vrouw betreft?” – „Integendeel, het is over haar. Nu, uw zaken staan goed, ik verzeker u.” – „Maar, stil!” riep de winkelier, buiten zich zelven gebracht, „doe mij het genoegen en zeg mij eens, mijnheer! hoe mijn zaak kan verslimmeren door hetgeen mijn vrouw uitvoert, terwijl ik in de gevangenis ben?” – „Omdat hetgeen zij bedrijft het gevolg is van een plan, een helsch plan, dat tusschen u en haar is ontworpen!” – „Ik zweer u, mijnheer de commissaris! dat gij u schromelijk bedriegt; dat ik volstrekt niets weet van hetgeen mijn vrouw voornemens was te doen; dat ik volstrekt onbekend ben met hetgeen zij heeft gedaan, en dat, indien zij dwaasheden heeft begaan, ik haar verloochen, ik haar ontken, ik haar vervloek!”

„Hoe is het,” vroeg Athos den commissaris, „als gij mij hier niet meer noodig hebt, zendt mij dan naar elders; want die mijnheer Bonacieux is vrij vervelend.” – „Brengt de gevangenen weder in hun cachotten,” zeide de commissaris, gelijktijdig op Athos en Bonacieux wijzende, „en dat men hen strenger dan ooit bewake.” – „Intusschen,” zeide Athos met zijn gewone bedaardheid, „indien gij met den heer d’Artagnan iets uitstaande hebt, zie ik niet in, waarom ik in zijn plaats moet treden.” – „Doe wat ik beveel!” riep de commissaris, „en de volstrektste geheimhouding. Verstaat gij?”

Athos volgde zijn bewakers en haalde de schouders op, terwijl de heer Bonacieux een geklaag aanhief, in staat het hart van een tijger te vermurwen. Men bracht den winkelier in hetzelfde cachot, waarin hij den nacht had doorgebracht en hij bleef er den geheelen dag. Geheel dien dag schreide Bonacieux als een oprecht winkelier, daar hij volstrekt geen krijgsman was, hetgeen hij ons zelf heeft gezegd.

Des avonds tegen negen uur, op het oogenblik dat hij zich ter ruste wilde leggen, hoorde hij voetstappen in de gang. Die voetstappen naderden zijn cachot; zijn deur werd geopend en wachten traden binnen. – „Volg mij,” zeide een deurwaarder, die achter de wachten binnenkwam. – „U volgen?” riep Bonacieux, „en op dit uur! en waarheen, mijn God!” – „Waar wij bevolen zijn u te geleiden.” – „Maar dat antwoord beteekent niets.” – „Dat is echter het eenige, dat wij u kunnen geven.” – „Ach, mijn God! mijn God!” mompelde de arme winkelier, „thans ben ik verloren.” – En hij volgde werktuigelijk en zonder tegenstand te bieden de wachten, die hem kwamen halen.

Hij betrad dezelfde gang, die hij reeds was doorgegaan, ging eerst een binnenplaats over, vervolgens een tweede gebouw binnen; eindelijk vond hij op het ingangsplein een rijtuig, omringd door vier gardes te paard. Men liet hem in het rijtuig stappen, de deurwaarder zette zich naast hem; men deed het portier op slot, en beiden bevonden zich in een voortrollende gevangenis. Het rijtuig zette zich in beweging, maar zoo langzaam, alsof het een lijkkoets ware. Door de traliën zag de gevangene de huizen en de straat; dat was alles; maar als een echt Parijzenaar herkende Bonacieux de straten aan de palen, de uithangborden en de lantaarns. Op het oogenblik dat hij St. Paul bereikte, waar de gevonnisten der Bastille ter dood werden gebracht, meende hij in onmacht te zullen vallen en hij kruiste zich tweemaal. Hij verbeeldde zich, dat het rijtuig dáár zou stilhouden. Het rijtuig vervolgde zijn weg. Wat verder overviel hem wederom een hevige angst; het was toen hij het kerkhof van St. Jan voorbijkwam, waar de staatsmisdadigers begraven werden. Een enkele omstandigheid stelde hem eenigszins gerust; het was, dat men hun, alvorens hen te begraven, het hoofd afhieuw, en dat zijn hoofd nog op zijn schouders zat. Maar toen hij bemerkte, dat het rijtuig den weg naar het plein de Grève insloeg en hij de spitse daken van het stadhuis bespeurde, het rijtuig het gewelf doorreed, meende hij dat het met hem gedaan was, en hij wilde den deurwaarder zijn biecht spreken; maar op de weigering van dezen begon hij zulke erbarmelijke kreten uit te galmen, dat de deurwaarder hem dreigde den mond te stoppen, indien hij voortging hem op die wijze het oorvlies te verscheuren… Deze bedreiging stelde Bonacieux opnieuw een weinig gerust; indien men hem op het plein de Grève had willen ter dood brengen, was het niet meer de moeite waard hem een bal in den mond te stoppen, daar men bijna op het gerechtsplein gekomen was. Inderdaad, het rijtuig reed het akelige plein over zonder op te houden. Nu bleef er nog slechts de Croix du Trahoir te vreezen over, en juist sloeg het rijtuig dien weg in. Er was nu geen twijfel meer; de plaats Croix du Trahoir diende tot gerechtsplaats voor de minste klasse van misdadigers; Bonacieux had zich zelven gevleid door zich St. Paul of het plein de Grève waardig te achten. Het was aan de Croix du Trahoir dat zijn tocht en zijn lot een einde zouden nemen. Hoewel hij dat noodlottige kruis nog niet ontwaarde, voelde hij het om zoo te zeggen hem tegemoet komen. Niet meer dan een twintigtal schreden er van verwijderd hoorde hij een groot rumoer en het rijtuig bleef staan. Dat was meer dan de arme Bonacieux kon doorstaan, reeds verplet door de elkander opvolgende schokken, die hij ondervonden had; hij slaakte een flauw gekerm, alsof het de laatste snik eens stervenden ware geweest, en viel in onmacht.

HOOFDSTUK XIV.
De man van Meung

Dat rumoer werd veroorzaakt, niet door de verwachting der volksmenigte naar een patiënt, die gehangen moest worden, maar door de beschouwing van een gehangene. Het rijtuig, een oogenblik opgehouden, zette weder zijn tocht voort te midden van den volksoploop, reed de straat St. Honoré en daarop de Brave Kinderstraat in en hield voor een kleine deur stil. Die deur werd geopend, twee gardes ontvingen Bonacieux in hun armen; door den deurwaarder ondersteund, werd hij in een gang gestooten, waarna men een trap opging en hem in een voorkamer bracht. Al deze bewegingen had hij slechts werktuigelijk ondergaan en als iemand, die in den droom voorttreedt; hij onderscheidde de voorwerpen slechts als door een nevel, terwijl zijn ooren klanken hoorden zonder ze te verstaan; men zou hem op dat oogenblik hebben kunnen ter dood brengen, zonder dat hij de minste poging ter verdediging beproefd had, of een genadekreet geslaakt zou hebben. Hij bleef onbeweeglijk, met den rug tegen den muur geleund zitten, en met neerhangende armen, zooals de gardes hem daar hadden neergezet.

Eindelijk liet hij zijn oogen rondwaren, maar hij bespeurde niet het minste voorwerp, dat hem schrik kon aanjagen, terwijl niets aanduidde, dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. De bank was behoorlijk gepolijst, de muur met een fraai, Cordovaansch lederen behangsel bedekt, en voor de vensters hingen groote, roode damasten gordijnen, die door gouden knoppen werden opgehouden, zoodat hij begreep, dat zijn angst ongegrond was, en hij van lieverlede het hoofd links en rechts en de armen van beneden naar omhoog begon te bewegen. Op die beweging, welke niemand belette, vatte hij moed en waagde eerst het eene, toen het andere been tot zich te trekken; eindelijk, zich met beide handen ondersteunende, stond hij van de bank op en bevond zich op zijn voeten. Tegelijkertijd lichtte een officier van zeer goed voorkomen het voorhangsel eener deur op, bleef nog eenige woorden wisselen met den persoon, die zich in het naaste vertrek bevond, en wendde zich daarop tot den gevangene.

„Zijt gij het, die Bonacieux heet?” – „Ja, mijnheer de officier!” stamelde de winkelier meer dood dan levend, „om u te dienen.” – „Ga binnen,” zei de officier. En hij ging ter zijde om Bonacieux door te laten. Deze gehoorzaamde zonder eenige tegenspraak en ging de kamer binnen, waar hij scheen verwacht te worden…

Het was een groot vertrek, welks muren voorzien waren van allerhande soort van wapens, dicht besloten en zeer warm, daar er reeds vuur brandde, ofschoon men nauwelijks tegen het einde der maand September was. Een vierkante tafel, met boeken en papieren beladen, en waarop een zeer groote plattegrond der stad la Rochelle lag uitgespreid, stond midden in het vertrek. Voor den schoorsteen stond een man van middelbare grootte, van een zeer forsch en fier voorkomen, met doordringende oogen, breed voorhoofd, vermagerd gezicht, dat nog verlengd werd door een snorbaard en een paar knevels. Hoewel die man nauwelijks zes of zeven en dertig jaar oud was, begonnen snor en baard te vergrijzen. Die man, zonder degen aan, had het voorkomen van een krijgsman, en zijn buffellederen laarzen, nog eenigszins met stof bedekt, duidden aan, dat hij dien dag te paard had gereden. Die man was Armand Jean Duplessis, kardinaal de Richelieu, niet zooals men hem ons voorstelt, gebukt als grijsaard, lijdende als een martelaar met verbrijzeld lichaam, zwakke stem en begraven in een grooten leuningstoel, als in een voorafgaand graf, alleen met Europa, zich staande houdende enkel door de onafgebroken inspanning zijner denkkracht; maar zooals hij werkelijk op dat tijdstip was, een aardig en smaakvol cavalier, wel reeds verzwakt van lichaam, maar ondersteund door die zielskracht, die hem tot een der meest buitengewone menschen maakte, die er ooit bestaan hebben; eindelijk zich voorbereidende, om, na den hertog de Nemours in zijn hertogdom van Mantua te hebben bevestigd, na Nîmes, Castres en Uzès te hebben ingenomen, de Engelschen van het eiland Ré te verdrijven en de belegering van la Rochelle aan te vangen.

Op het eerste gezicht deed niets den kardinaal vermoeden, en het was hun niet mogelijk, die zijn gelaat niet kenden, te raden wien zij voor hadden… De arme winkelier bleef voor de deur staan, terwijl de blik van den persoon, dien wij hebben beschreven, zich op hem vestigde en in het diepste zijner gedachten scheen te willen doordringen. – „Is dat die Bonacieux?” vroeg hij na een oogenblik zwijgens. – „Ja, Excellentie!” hernam de officier. – „Het is wel; geef mij zijn papieren en laat ons alleen.”

De officier nam van de tafel de gevraagde papieren, stelde ze den vrager ter hand, boog zich tot den grond en vertrok. Bonacieux herkende in deze papieren zijn verhooren der Bastille. Van tijd tot tijd hief de man, die voor den schoorsteen stond, de oogen van de papieren op en liet ze als een paar dolken in het hart van den winkelier dringen. Na verloop van tien minuten lezing en tien seconden beschouwing, was de kardinaal in zijn denkbeeld bevestigd. – „In dat hoofd heeft nooit een samenzwering gebroeid,” mompelde hij; „maar om het even, laten wij eens zien.”

„Gij zijt van hoogverraad beschuldigd,” zeide de kardinaal langzaam. – „Men heeft mij dit reeds gezegd, Excellentie!” riep Bonacieux, aan zijn ondervrager den titel gevende, dien hij van den officier had gehoord; „maar ik zweer u, dat ik er niets van wist.”

De kardinaal onderdrukte een glimlach. – „Gij hebt samengespannen met uw vrouw, met mevrouw de Chevreuse en met Mylord den hertog van Buckingham.” – „Inderdaad, Excellentie!” antwoordde de winkelier, „ik heb haar al die namen hooren noemen.” – „En bij welke gelegenheid?” – „Zij zeide, dat de hertog de Richelieu den hertog van Buckingham te Parijs had gelokt, om hem te verderven en met hem de koningin.” – „Zij zeide dat?” riep de kardinaal met hevigheid. – „Ja, Uwe Excellentie! maar ik antwoordde, dat zij ongelijk had dergelijke gesprekken te voeren, en dat Zijne Eminentie niet in staat was…” – „Zwijg! gij zijt een dwaas!” hernam de kardinaal. – „Dat is juist wat mijn vrouw mij heeft geantwoord, Uwe Excellentie!” – „Weet gij, wie uw vrouw heeft ontvoerd?” – „Neen, Uwe Excellentie!” – „Gij verdenkt echter iemand?” – „Ja, Uwe Excellentie! maar dat vermoeden schijnt den heer commissaris onaangenaam te zijn geweest en nu vermoed ik niets meer.” – „Wist gij, dat uw vrouw ontvlucht was?” – „Neen, Uwe Excellentie! ik heb dit niet eer gehoord dan in de gevangenis en altijd door tusschenkomst van den heer commissaris, een zeer beminnelijk man.”

De kardinaal onderdrukte een tweeden glimlach. – „Dus gij weet niet, wat er van uw vrouw is geworden sedert haar vlucht?” – „Volstrekt niet, Excellentie! maar zij moet naar het Louvre zijn teruggekeerd.” – „Te één uur na middernacht was zij er nog niet.” – „Maar, mijn God! wat is er dan van haar geworden?” – „Men zal dit wel vernemen, wees gerust, men verbergt den kardinaal niets; de kardinaal weet alles.” – „Als dat zoo is, Uwe Excellentie! gelooft gij dan, dat het den kardinaal zal believen mij te zeggen, wat er van mijn vrouw geworden is?” – „Misschien, maar alvorens behoort gij alles te vertellen, wat gij nopens de betrekkingen van uw vrouw met mevrouw de Chevreuse weet.” – „Maar, Uwe Excellentie! ik weet er niets van, ik heb haar nooit gezien.” – „Wanneer gij uw vrouw van het Louvre gingt halen, keerdet gij dan rechtstreeks naar huis terug?” – „Bijna nooit, zij had altijd zaken met linnenkoopers, bij wie ik haar geleidde.” – „En bij hoeveel linnenkoopers begaf zij zich wel?” – „Bij twee, Excellentie!” – „Waar wonen ze?” – „De een in de straat Vaugirard, de andere in de straat la Harpe.” – „Volgdet gij haar in huis?” – „Nooit, Excellentie! ik wachtte haar voor de deur.” – „En wat voor reden gaf zij u, om dus alleen binnen te gaan?” – „Zij gaf mij geen reden en zeide mij alleen, dat ik zou wachten, en ik wachtte.” – „Gij zijt een zeer toegevend echtgenoot, mijn waarde heer Bonacieux!” zeide de kardinaal.

„Hij heeft mij waarde heer genoemd,” dacht de winkelier bij zich zelven, „duivelsch! de zaken nemen een goede wending.”

„Zoudt gij die huizen herkennen?” – „Ja.” – „Weet gij de nummers?” – „Ja.” – „Welke zijn ze?” – „No. 25 in de straat Vaugirard; No. 76 in de straat la Harpe.” – „Goed,” zeide de kardinaal.

Bij deze woorden nam hij een zilveren tafelschel, en een officier trad binnen. – „Ga,” zeide hij halfluid, „ga Rochefort roepen: dat hij dadelijk kome, indien hij te huis is.” – „De graaf wacht,” antwoordde de officier, „en verzoekt dringend Uwe Eminentie te spreken.”

„Uwe Eminentie,” pruttelde Bonacieux, die wist, dat dit de titel was, dien men gewoonlijk den kardinaal gaf.

„Dat hij kome, dat hij onverwijld kome,” zeide Richelieu driftig. – De officier snelde het vertrek uit met een overhaasting, welke de dienaren des kardinaals gewoonlijk in acht namen, om hem te gehoorzamen.

„Uwe Eminentie!” mompelde Bonacieux, groote, verschrikte oogen opzettende. – Vijf seconden waren er niet verloopen, sedert het vertrek van den officier, of de deur werd geopend en een nieuw personage trad binnen. – „Hij is het!” riep Bonacieux. – „Wie?” vroeg de kardinaal. – „Hij, die mijn vrouw heeft ontvoerd.”

De kardinaal schelde voor de tweede maal. De officier verscheen opnieuw. – „Stel dien man in de handen zijner twee bewakers, en dat hij wachte, totdat ik hem terug doe roepen.” – „Neen, Excellentie! neen, hij is het niet!” riep Bonacieux, „neen, ik heb mij bedrogen, het is een ander, die hem volstrekt niet gelijkt: mijnheer is een fatsoenlijk man!” – „Breng dien dwaas weg!” zeide de kardinaal.

De officier nam Bonacieux bij den arm en bracht hem in de voorkamer, waar hij zijn twee bewakers wedervond. De persoon, dien men had binnengeleid, volgde met een ongeduldigen blik Bonacieux, totdat deze vertrokken was; toen zeide hij, den kardinaal driftig naderende:

„Zij hebben elkander gesproken.” – „Wie?” vroeg Zijne Eminentie. – „Zij en hij.” – „De koningin en de hertog?” riep Richelieu. – „Ja.” – „En waar dat?” – „In het Louvre.” – „Zijt gij er zeker van?” – „Volkomen.” – „Wie heeft het u gezegd?” – „Mevrouw de Lannoy, die, zooals gij weet, Uwe Eminentie volkomen is toegedaan.” – „Waarom heeft zij het niet eer gezegd?” – „Hetzij toevallig of uit wantrouwen, heeft de koningin mevrouw de Sargis in haar kamer doen slapen en den geheelen dag bij zich gehouden.” – „Het is wel, wij zijn overwonnen! Laat ons trachten weerwraak te nemen.” – „Ik zal Uwe Eminentie uit al mijn vermogen helpen, wees hieromtrent gerust.” – „Maar hoe heeft het zich toegedragen?” – „Te middernacht bevond zich de koningin bij haar vrouwen.” – „Waar?” – „In haar slaapkamer.” – „Goed.” – „Toen is men haar een zakdoek vanwege haar lijnwaad-opzichtster komen ter hand stellen.” – „Daarna?” – „Onmiddellijk daarop ontwaarde men aan de koningin een hevige ontroering, en ondanks het blanketsel, dat haar gelaat bedekte, zag men haar verbleeken.” – „Vervolgens?” – „Echter stond zij op, en met een gebroken stem zeide zij: ‚Dames! wacht mij hier gedurende tien minuten, dan zal ik terug wezen.’ En de deur harer alcove openende, verdween zij er door.” – „Waarom is mevrouw de Lannoy u hiervan niet op hetzelfde oogenblik komen verwittigen?” – „Er was geen genoegzame zekerheid; bovendien, de koningin had gezegd: Dames! wacht mij, en zij durfde de koningin niet ongehoorzaam wezen.”

„En hoe lang is zij uit de kamer afwezig geweest?” – „Drie kwartieruurs.” – „Vergezelde haar niet de een of andere harer vrouwen?” – „Alleen Donna Estefana.” – „En is zij weer teruggekomen?” – „Ja, maar om een klein, met haar naamcijfer prijkend rozenhouten kistje te halen, waarmede zij onmiddellijk zich weer verwijderd heeft.” – „En later terugkeerende, bracht zij toen het kistje mede?” – „Neen.” – „Wist mevrouw de Lannoy wat dat kistje bevatte?” – „Ja: de diamanten haken, die de koning aan de koningin ten geschenke heeft gegeven.” – „En zij is zonder dat kistje teruggekeerd?” – „Ja.” – „Mevrouw de Lannoy vermeent zeker, dat zij ze aan den hertog van Buckingham heeft gegeven.” – „Zij is er zeker van.” – „Hoedat?” – „In den loop van den dag heeft mevrouw de Lannoy, in haar hoedanigheid van bewaarster der kostbaarheden van de koningin, het kistje gezocht, veinzende over het gemis er van ongerust te zijn, zoodat zij eindelijk de koningin er naar vroeg.” – „En wat zeide de koningin?” – „De koningin werd bloedrood en antwoordde, dat aangezien den vorigen dag een harer diamanten haken gebroken was, zij die ter herstelling naar een goudsmid had doen brengen.” – „Men moet dáár aangaan en zich verzekeren, of het waar is of niet.” – „Ik ben er reeds geweest.” – „En de goudsmid?” – „Weet van niets.” – „Goed, goed, Rochefort! alles is nog niet verloren, en misschien is alles ten beste.” – „Het is waar, ik twijfel niet, dat het genie Uwer Eminentie…” – „De domheid van zijn agent herstelle, niet waar?” – „Dat was mijn meening, indien Uwe Eminentie mij niet in de rede ware gevallen.” – „Maar nu, weet gij waar de hertogin de Chevreuse en de hertog van Buckingham zich verborgen hielden?” – „Neen, Uwe Eminentie! mijn lieden hebben mij daaromtrent niets stelligs kunnen mededeelen.” – „Ik weet het.” – „Gij, Uwe Excellentie?” – „Ja, ik veronderstel ten minste het te weten. Zij bevonden zich, de eene in de straat Vaugirard, No. 25, en de andere in No. 76 der straat la Harpe.” – „Verkiest Uwe Excellentie, dat ik ze beiden in hechtenis doe nemen?” – „Het zal te laat zijn, en zij zullen wel reeds vertrokken zijn.” – „Om het even, men kan er zich van verzekeren.” – „Neem tien mijner gardes en doorzoek beide huizen.” – „Ik ga, Uwe Excellentie!” – En Rochefort spoedde zich voort.

De kardinaal, nu alleen zijnde, bleef een oogenblik in overpeinzing en schelde voor de derde maal. Dezelfde officier trad binnen.

„Laat den gevangene binnenkomen,” beval de kardinaal.

Bonacieux werd opnieuw binnengeleid, en op een wenk van den kardinaal verwijderde zich de officier. – „Gij hebt mij bedrogen,” zeide de kardinaal toornig. – „Ik!” riep Bonacieux, „ik, Uwe Eminentie bedriegen?” – „Uw vrouw, naar de straten Vaugirard en la Harpe gaande, begaf zich niet naar linnenkoopers.” – „En waarheen dan? gerechte Hemel!” – „Zij begaf zich tot de hertogin de Chevreuse en tot den hertog van Buckingham.” – „Ja,” zeide Bonacieux; „ja, het is zoo, Uwe Eminentie heeft gelijk. Ik heb dikwijls aan mijn vrouw gezegd, dat het verwonderlijk was, dat linnenkoopers in dergelijke huizen woonden, in huizen, waarvoor geen uithangbord is; maar telkens begon mijn vrouw dan te lachen. O, Uwe Excellentie!” ging de heer Bonacieux voort, zich voor de voeten van Zijne Eminentie werpende. „O, gij zijt wel de kardinaal, de groote kardinaal, de man van genie, dien de geheele wereld eert!”

De kardinaal, hoe gering de zegepraal ook was, die hij op een zoo nietig wezen als Bonacieux had behaald, was er echter niettemin door gevleid; vervolgens en bijna tegelijkertijd, alsof een nieuwe gedachte in hem was opgekomen, zweefde er een glimlach op zijn lippen, en zijn hand den winkelier reikende, zeide hij hem: „Sta op, mijn vriend! gij zijt een braaf man.” – „De kardinaal heeft mij de hand gedrukt! ik heb de hand des grooten mans gedrukt!” riep Bonacieux. „De groote man heeft mij zijn vriend genoemd!” – „Ja, mijn vriend! ja,” hernam de kardinaal op dien goedhartigen toon, welken hij vaak wist aan te nemen, en die alleen hen bedroog, die hem niet kenden; „en dewijl men u ten onrechte heeft beschuldigd, welnu, daarvoor moet gij worden schadeloos gesteld. Ziedaar, neem dien zak met tweehonderd pistolen, en vergeef mij,” – „U vergeven, Uwe Eminentie!” zeide Bonacieux, die aarzelde den zak aan te nemen, zeker vreezende, dat deze onbegrijpelijke gift slechts scherts was. „Het stond u immers wel vrij, mij te doen in hechtenis nemen, gij kondet mij immers vrijelijk doen folteren, mij doen hangen, gij zijt de meester, en ik zou geen woord te zeggen hebben gehad. U te vergeven, Uwe Eminentie! O, dat meent gij niet.” – „Wel, mijnheer Bonacieux! gij toont u zeer edelmoedig, naar ik zie; ik ben er u erkentelijk voor. Alzoo, gij neemt dien zak, en gij vertrekt, zonder van vreugde al te onvergenoegd te zijn?” – „Ik vertrek opgetogen, Uwe Excellentie!” – „Vaarwel dan, of liever tot weerziens, want ik hoop, dat wij elkander nog zullen zien.” – „Zoo dikwijls Uwe Eminentie het begeert, en ik stel mij volkomen ter beschikking Uwer Eminentie.” – „Wees gerust, dat zal menigmaal het geval zijn; want waarlijk, uw onderhoud heeft mij ten zeerste bekoord.” – „O, Uwe Eminentie!” – „Tot weerziens, mijnheer Bonacieux! tot weerziens!”

En de kardinaal gaf hem met de hand een wenk, dien Bonacieux met een diepe buiging beantwoordde; vervolgens ging hij, achteruit tredende, de kamer uit, en toen hij in de voorkamer was, hoorde de kardinaal hem in zijn geestdrift luidkeels uitroepen: „Leve Zijne Eminentie! Leve Zijne Hoogheid! Leve de groote kardinaal!”

De kardinaal luisterde glimlachende naar deze luidruchtige, geestdriftvolle ontboezeming van Bonacieux; en toen het gejuich in de verte wegstierf, zeide hij tot zich zelven: „Goed zoo, dat is een man, die voor mij in den dood zal gaan.” – En de kardinaal zette zich neder, om met de grootste nauwkeurigheid den platten grond der stad la Rochelle te bestudeeren, welke, zooals wij zeiden, op tafel lag uitgespreid, met een potlood een lijn trekkende, waarlangs de vermaarde dijk moest loopen, die, achttien maanden later, de haven der belegerde stad insloot.

Terwijl hij verdiept was in zijn krijgskundige studiën, werd de deur geopend, en Rochefort trad binnen. – „Wel?” vroeg de kardinaal, met een drift opstaande, die de mate van gewicht aanduidde, die hij aan de boodschap hechtte, waarmede hij den graaf had belast. „Wel?” – En deze antwoordde: „Een vrouw van zes tot acht en twintig jaar en een man van vijf en dertig tot veertig jaar hebben werkelijk, de eene vier, de andere vijf dagen, in de door Uwe Eminentie aangeduide huizen gelogeerd; maar de vrouw is heden nacht, en de man heden ochtend vertrokken.” – „Dat waren zij!” riep de kardinaal, die tegelijkertijd op de pendule zag; „maar nu,” ging hij voort, „is het te laat om hen te vervolgen; de hertogin is te Tours, en de hertog te Boulogne. Wij moeten ze te Londen bereiken.” – „Wat beveelt Uwe Excellentie?” – „Geen woord omtrent het voorgevallene; dat de koningin in de meest volkomene gerustheid blijve! laat zij niet vernemen, dat wij haar geheim kennen; laat haar gelooven, dat wij de een of andere samenzwering op het spoor zijn. En doe nu den zegelbewaarder Séguier bij mij komen.” – „En met dien man? Wat heeft Uwe Eminentie met dezen gedaan?” – „Met wien?” vroeg de kardinaal. – „Met dien Bonacieux.” – „Ik heb met hem gedaan wat er mede te doen was, en van hem den spion zijner vrouw gemaakt.”

De graaf de Rochefort maakte een buiging als voor de meerdere begaafdheid des meesters, en hij verwijderde zich. Alleen gebleven, ging de kardinaal opnieuw zitten, schreef een brief, dien hij met zijn bijzonder zegel zegelde; vervolgens schelde hij. De officier kwam voor de vierde maal. – „Laat Vitray komen,” beval hij, „en zeg hem, dat hij zich voor de reis gereed maakt.”

Een oogenblik later stond de man voor hem, gelaarsd en gespoord. – „Vitray!” zeide hij, „gij moet in allerijl naar Londen. Geen oogenblik moogt gij u op weg ophouden, en onmiddellijk na uw aankomst dezen brief aan milady ter hand stellen. Ziedaar een briefje van tweehonderd pistolen; vervoeg u bij mijn rentmeester en doe u betalen. Gij kunt even veel ontvangen, indien gij binnen zes dagen terug zijt en gij mijn boodschap goed hebt verricht.” – De Vitray, zonder een enkel woord te antwoorden, boog, nam den brief, den bon voor tweehonderd pistolen en vertrok.

Ziehier den inhoud van den brief:

Milady!

„Begeef u naar het eerste bal, waarop zich de hertog van Buckingham zal bevinden. Hij zal aan zijn gewaad twaalf diamanten haken hebben; tracht hem te naderen en snijd er twee af. Zoodra deze diamanten in uw bezit zullen zijn, meld mij dan zulks.”

HOOFDSTUK XV.
Tabbaard en degen

Den dag na dien, op welken het verhaalde was voorgevallen en Athos nog niet was teruggekeerd, werd den heer de Tréville door d’Artagnan en Porthos van zijn verdwijning kennis gegeven. Wat Aramis betreft, deze had een verlof van vijf dagen verzocht en bevond zich te Rouaan, zooals men zeide wegens familiezaken.

De heer de Tréville was de vader zijner soldaten. De geringste, de minst bekende van hen was, eenmaal in het gewaad der kompagnie gehuld, even zeker van zijn hulp en zijn ondersteuning, als zijn broeder zelf zou hebben kunnen zijn. Hij begaf zich dus oogenblikkelijk naar den luitenant-geweldiger.

Men liet den officier komen, die den post van het Roode Kruis kommandeerde en de verkregen inlichtingen bevestigden, dat Athos voor het oogenblik in het fort l’Evêque gevangen zat. Athos had alles doorstaan, hetgeen wij Bonacieux hebben zien ondergaan. Wij hebben het tooneel van het in tegenwoordigheid stellen van beide gevangenen bijgewoond. Athos, die tot hiertoe niets had gezegd, uit vrees dat d’Artagnan, op zijn beurt verontrust wordende, de noodige tijd zou ontbreken, verklaarde van af dat oogenblik, dat hij Athos heette en niet d’Artagnan. Hij voegde er bij, dat hij noch den heer, noch mejuffrouw Bonacieux kende en nooit een van beiden gesproken had; dat hij tegen tien uur des avonds naar den heer d’Artagnan, zijn vriend, was gegaan, om hem een bezoek te brengen en dat hij tot dat uur ten huize van den heer de Tréville was geweest, zijnde daar ten middagmaal genoodigd; twintig getuigen, voegde hij er bij, konden dit bevestigen; en hij noemde verschillende voorname edellieden, onder anderen den hertog de la Trémouille.

De tweede commissaris was in even groote verlegenheid als de eerste tengevolge der eenvoudige en standvastige verklaring van den musketier, op wien hij wel het overwicht had willen doen gelden, dat de tabbaard zoo gaarne op den degen behield, maar de naam van den heer de Tréville en die van den hertog de Trémouille verdienden in aanmerking genomen te worden. Athos werd naar den kardinaal gebracht, doch ongelukkigerwijze was de kardinaal in het Louvre bij den koning. Dit was juist het oogenblik, waarop de heer de Tréville, den luitenant-geweldiger en den gouverneur van het fort l’Evêque verlatende, zonder Athos gevonden te hebben, bij Zijne Majesteit binnentrad.

Als kapitein der musketiers was het den heer de Tréville geoorloofd zich altijd voor den koning te vertoonen. Men kent de vooringenomenheid des konings tegen de koningin, een vooringenomenheid die behendig door den kardinaal werd gevoed, daar deze, in zaken van intrigues, oneindig meer de vrouwen dan de mannen vreesde. Een der voornaamste oorzaken dezer vooringenomenheid was de vriendschap van Anna van Oostenrijk voor mevrouw de Chevreuse. Die twee vrouwen verwekten hem meer ongerustheid, dan de oorlog met Spanje, de twist met Engeland en de geldelijke verlegenheid, waarin men zich toen bevond. In zich zelven was hij overtuigd, dat mevrouw de Chevreuse niet alleen der koningin in haar politieke intrigues de behulpzame hand bood, maar, hetgeen hem nog meer hinderde, ook in haar verliefde intrigue.

Op de eerste woorden van den kardinaal, die hij den koning toesprak en door welke hij hem berichtte, dat mevrouw de Chevreuse, die men meende dat te Tours, de plaats harer ballingschap, zich ophield, naar Parijs was gekomen en gedurende de vijf dagen van haar verblijf aldaar de politie het spoor bijster had weten te maken, geraakte de koning in hevigen toorn. Grillig en ontrouw, wilde de koning echter Lodewijk de Rechtvaardige en Lodewijk de Kuische worden genoemd. Het nageslacht zal moeilijk zich een denkbeeld van dat karakter kunnen vormen, hetwelk de geschiedenis alleen door daden, maar nooit door redeneeringen zal kunnen verklaren. Maar toen de kardinaal er bijvoegde, dat niet alleen mevrouw de Chevreuse te Parijs was gekomen, maar dat ook de koningin opnieuw in verstandhouding met haar was geraakt door middel van een dier geheimzinnige briefwisselingen, welke men in die tijden een kabaal noemde; toen de kardinaal bevestigde dat, op het oogenblik van de fijnste draden van het weefsel te ontwarren en, voorzien van al de bewijzen, den zendeling der koningin bij de bannelinge op heeter daad te betrappen, een musketier gewelddadig den loop der justitie had gestuit, door met ontblooten degen eenige brave gerechtslieden aan te vallen, die belast waren met onpartijdigheid de geheele zaak te onderzoeken, ten einde ze aan Zijne Majesteit, Lodewijk XIII, voor te leggen, naderde deze een schrede het vertrek der koningin met die bleeke en stomme verontwaardiging, die, wanneer zij uitbarstte, den jongen vorst tot de verregaandste wreedaardigheid bracht. Echter, bij dit alles had de kardinaal niet eens den naam van den hertog van Buckingham genoemd.

Het was op dat oogenblik, dat de heer de Tréville binnentrad, koel, beleefd en in een onberispelijke kleederdracht. Door de tegenwoordigheid des kardinaals en door de ontstelde gelaatstrekken des konings verwittigd van hetgeen er had plaats gehad, gevoelde zich de heer de Tréville sterk als Simson tegenover de Philistijnen. Lodewijk XIII had reeds de hand op den knop der deur gelegd. Op het gerucht, door de komst des heeren de Tréville veroorzaakt, wendde hij het hoofd om.

„Gij komt juist te goeder ure, mijnheer!” riep de koning, die, wanneer zijn drift tot zekere hoogte was gestegen, niet kon veinzen, „ik hoor daar fraaie zaken van uw musketiers.” – „En ik,” zeide de heer de Tréville koel, „heb er Uwe Majesteit fraaie te verhalen van uw gerechtslieden.” – „Wat belieft?” vroeg de koning op hoogen toon. – „Ik heb de eer Uwer Majesteit ter kennis te brengen,” ging de Tréville op denzelfden toon voort, „dat een zwerm van procureurs, commissarissen en politiedienaars, overigens allen zeer achtenswaardige lieden, maar die, naar het schijnt, het krijgsgewaad zeer vijandig zijn, zich veroorloofd hebben een mijner musketiers, of liever een der uwe, Sire! in zeker huis, op straat te brengen en naar het fort l’Evêque te voeren en dat alles op een bevelschrift, hetwelk men mij heeft geweigerd te vertoonen, een man van een onberispelijk gedrag en van een bijna beroemd geslacht, die aan Uwe Majesteit bovendien gunstig bekend is: den heer Athos.” – „Athos!” zeide de koning werktuigelijk, „inderdaad, ik ken dien naam.” – „Dat Uwe Majesteit zich herinnere,” hernam de heer de Tréville, „de heer Athos is de musketier, die in dat noodlottig tweegevecht, hetwelk u bekend is, het ongeluk heeft gehad, den heer de Cahussac een zoo gevaarlijke wonde toe te brengen. A propos!” ging de heer de Tréville voort, zich tot den kardinaal wendende, „de heer de Cahussac is geheel hersteld, niet waar?” – „Ik dank u,” zeide de kardinaal, van toorn op zijn lippen bijtende. – „De heer Athos was een zijner vrienden gaan bezoeken,” hernam de heer de Tréville, „een jongen Bearneeschen kadet bij de gardes Uwer Majesteit, in de kompagnie van mijnheer des Essarts, doch de kadet was op dat oogenblik afwezig; nauwelijks had hij zich in de kamer zijns vriends, hem afwachtende, tot lezen neergezet, of een zwerm van gerechtsdienaars en soldaten kwam het huis belegeren en de deuren openstooten.”

De kardinaal gaf den koning een teeken, dat beteekende: „Het betreft de zaak, waarover ik u heb gesproken.” – „Wij weten dit altemaal wel,” hernam de koning; „want zulks heeft op ons bevel plaats gehad.” – „Dan is het ook voor den dienst Uwer Majesteit, dat men een zijner musketiers onschuldig heeft gevangen genomen, als een misdadiger tusschen twee gerechtsdienaars geplaatst, en te midden eener brutale volksmenigte dien eervollen man heeft vervoerd, die tienmaal zijn bloed in den dienst Uwer Majesteit heeft vergoten en gereed is hetzelve nog te storten!” – „Wel zoo!” riep de koning, reeds aan het wankelen gebracht, „heeft zich de zaak aldus toegedragen?” – „De heer de Tréville voegt er niet bij,” hernam de kardinaal met de grootste bedaardheid, „dat die fatsoenlijke man een uur te voren vier commissarissen, door mij ter onderzoek eener zeer gewichtige zaak afgezonden, met blooten degen heeft aangevallen en verjaagd.” – „Ik tart Uwe Excellentie het te bewijzen,” riep de heer de Tréville met zijn Gaskonjische vrijmoedigheid en krijgsmansruwheid, „want een uur te voren bewees mij de heer Athos, die, ik wil het aan Uwe Majesteit toevertrouwen, van zeer hoogen rang is, mij de eer, na bij mij het middagmaal te hebben genoten, zich in gesprek te begeven met den hertog de la Trémouille en den graaf de Châlus, die zich in de zaal van mijn hotel bevonden.”

De koning zag den kardinaal aan. – „Een procesverbaal strekt tot bewijs,” zeide de kardinaal, luide de stomme vraag Zijner Majesteit beantwoordende, „en de beleedigde personen hebben dit opgesteld, wat ik de eer heb Uwer Majesteit aan te bieden.” – „Een procesverbaal van gerechtslieden, is dat wichtiger dan het eerewoord eens krijgsmans?” – „Kom, kom, Tréville, zwijg!” zeide de koning. – „Indien Zijne Eminentie eenig vermoeden heeft op een mijner musketiers,” zeide de Tréville, „wil ik zelf een onderzoek uitlokken en mij aan de geroemde rechtvaardigheid van den kardinaal onderwerpen.” – „In dat huis,” ging de kardinaal even bedaard voort, „waar de justitie zich heeft begeven, woont, geloof ik, een Bearnees, een vriend der musketiers.” – „Uwe Eminentie bedoelt den heer d’Artagnan?” – „Ik bedoel een jongeling, dien gij beschermt, mijnheer de Tréville!” – „Ja, Uwe Eminentie! dezelfde.” – „Vermoedt gij niet, dat die jongeling een slechten raad heeft gegeven?..” – „Aan den heer Athos, aan iemand, die eens zoo oud is als hij?” viel de heer de Tréville hem in de rede; „neen, Uwe Eminentie! Daarenboven, de heer d’Artagnan heeft den avond bij mij doorgebracht. Zou Zijne Eminentie aan mijn woord twijfelen?” vroeg de Tréville, terwijl het rood des toorns zijn voorhoofd kleurde. – „Neen, God beware mij!” zeide de kardinaal, „maar ik zou gaarne willen weten, hoe laat hij bij u was.” – „O, wat dat betreft, dat kan ik Uwe Eminentie nauwkeurig opgeven; want op het oogenblik, dat hij binnentrad, wees de pendule half tien, hoewel ik meende dat het later was.” – „En hoe laat heeft hij uw hotel verlaten?” – „Te half elf, juist een uur na het gebeurde.” – „Maar, eindelijk,” hernam de kardinaal, die niet een oogenblik de waarheidsliefde van de Tréville in twijfel trok, doch tevens gevoelde, dat de overwinning hem ontglipte; „maar, in alle geval, Athos is in dat huis der Doodgraversstraat gevonden geworden.” – „Is het een vriend verboden zijn vriend te bezoeken? een musketier mijner kompagnie, met een garde der kompagnie van den heer des Essarts zich te verbroederen?” – „Ja, wanneer het huis, waarin die vriend woont, verdacht is.”

„Dat huis is verdacht, Tréville!” zeide de koning; „misschien wist gij het niet.” – „Inderdaad, Sire! het was mij onbekend. In alle geval, het kan in elk gedeelte van hetzelve verdachte lieden bevatten: maar ik ontken, dat zulks het geval is in dat gedeelte, hetwelk de heer d’Artagnan bewoont, dit kan ik u bevestigen, Sire! want indien ik zijn woorden kan gelooven, bestaat er geen trouwer onderdaan Uwer Majesteit of grooter bewonderaar van den kardinaal.” – „Is het niet die zekere d’Artagnan, die eenigen tijd geleden Jussac een wonde toebracht, bij gelegenheid van een tweegevecht in de nabijheid van het Barrevoeter-Karmelieten klooster?” vroeg de koning, den kardinaal aanziende, die van spijt dacht te barsten. „En den volgenden dag Bernajoux?” – „Ja, Sire! ja, dezelfde. Uwe Majesteit heeft een goed geheugen.” – „Welaan, wat besluiten wij?” vroeg de koning. – „Dat hangt van Uwe Majesteit meer af dan van mij,” zeide de kardinaal; „ik zou de schuld durven bevestigen.” – „En ik ontken ze,” zeide de Tréville. „Maar Uwe Majesteit heeft rechters, en die rechters moeten beslissen.” – „Dat is het!” hernam de koning, „geven wij de zaak den rechter in handen, deze behoort te oordeelen en hij zal oordeelen.”

„Intusschen,” ging de Tréville voort, „is het zeer treurig, dat in dezen jammerlijken tijd het reinste leven, de onloochenbaarste deugd niet iemand voor schande en vervolging kan vrijwaren. Ook zal het leger niet zeer tevreden wezen, dit kan ik verzekeren, blootgesteld te zijn aan strenge behandelingen wegens politiezaken.”

Dit was een gewaagd gezegde, maar de Tréville uitte het, van zijn zaak zeker. Hij wilde een uitbarsting uitlokken, omdat er alsdan vuur ontstaat, en het vuur licht geeft. – „Politiezaken!” riep de koning, op de woorden van de Tréville drukkende, „politiezaken! en hoe weet gij dat? Bemoei u met uw musketiers en breek mij het hoofd niet. Het schijnt, naar u te hooren, dat wanneer men een musketier in hechtenis neemt, Frankrijk in gevaar zou zijn. Wat geweld voor één musketier! Ik zal, ventrebleu! tien, honderd, ja, de geheele kompagnie in hechtenis doen nemen, zonder dat men één woord zal spreken!” – „Van af het oogenblik dat Uwe Majesteit hen verdacht houdt,” zeide de Tréville, „zijn de musketiers schuldig; daarom ook, Sire! ben ik bereid u mijn degen over te geven; want, na mijn soldaten beschuldigd te hebben, zal, hieraan twijfel ik niet, de kardinaal er toe overgaan mij zelven te beschuldigen, het is daarom beter dat ik mij gevangen stel met den heer Athos, die reeds in hechtenis is, en den heer d’Artagnan, dien men ongetwijfeld in hechtenis zal nemen.” – „Koppige Gaskonjer! wilt gij zwijgen!” riep de koning. – „Sire!” hernam de Tréville, zonder in het minst zich aan dat bevel te storen, „beveel dat men mijn musketier in vrijheid, of dat men hem terechtstelle.” – „Men zal hem terechtstellen,” zeide de kardinaal. – „Welnu, des te beter! want in dat geval zal ik aan Zijne Majesteit het verlof verzoeken om voor hem te pleiten.”

De koning vreesde voor ruchtbaarheid. – „Indien Zijne Eminentie,” zeide hij, „geen persoonlijke redenen had…” – De kardinaal begreep des konings meening en voorkwam hem: „Vergeef mij,” zeide hij, „van het oogenblik dat Uwe Majesteit een partijdigen rechter vermoedt, verwijder ik mij.” – „Laat hooren,” hernam de koning, „zweert gij mij bij mijn vader, dat de heer Athos ten uwent was, toen het voorval plaats had, en hij er geen deel aan heeft genomen?” – „Bij uw roemrijken vader en ook bij u zelven, dien ik bemin en hoogacht boven alles wat er op aarde is, ik zweer het!”

„Overweeg, Sire!” merkte de kardinaal op, „dat indien wij den gevangene op die wijze ontslaan, wij de waarheid niet zullen ontdekken.” – „De heer Athos zal steeds tegenwoordig zijn,” hernam de Tréville, „om de gerechtspersonen te antwoorden, wanneer deze hem willen ondervragen. Hij zal niet deserteeren, mijnheer de kardinaal! wees gerust, ik ben voor hem verantwoordelijk.” – „Inderdaad, deserteeren zal hij niet,” zeide de koning; „en men zal hem altijd wel vinden, zooals de heer de Tréville zegt. Bovendien,” voegde hij er bij, met zachte stem tot Zijne Eminentie, dien hij smeekende aanzag, „stellen wij hen gerust, dat is staatkundiger.”

Die staatkunde van Lodewijk XIII deed op Richelieu’s gelaat een glimlach verschijnen. – „Beveel, Sire!” zeide hij, „gij hebt het recht gratie te verleenen.” – „Het recht van gratie is alleen van toepassing op schuldigen,” zeide de Tréville, die het laatste woord wilde behouden, „en mijn musketier is onschuldig. Het is dus geen gratie, die gij zult geven, maar recht.” – „En hij is op het fort l’Evêque?” vroeg de koning. – „Ja, Sire! afgezonderd, in een cachot als de grootste misdadiger.” – „Duivelsch, duivelsch!” mompelde de koning, „wat moet ik doen?” – „Het bevel tot invrijheidstelling teekenen en daarmede gedaan,” hernam de kardinaal; „ik geloof met Uwe Majesteit, dat de borgstelling des heeren de Tréville meer dan voldoende is.”

De Tréville boog eerbiedig, met een blijdschap, die niet onvermengd van vrees was; hij zou liever gezien hebben, dat de kardinaal halsstarrig weerstand had geboden, dan zoo gemakkelijk toe te geven. De koning teekende het bevel van invrijheidstelling en de Tréville nam het oogenblikkelijk mede.

Toen hij gereed was zich te verwijderen, glimlachte de kardinaal hem toe en zeide tot den koning: „Er heerscht een zeer goede verstandhouding tusschen de hoofden en de soldaten uwer musketiers, Sire! dat is zeer voordeelig voor den dienst en loffelijk voor allen.” – „Hij zal mij onvermijdelijk den een of anderen leelijken trek spelen,” dacht de Tréville; „men heeft nooit het laatste woord met zoo iemand. Doch laat ons haast maken, want de koning kan alle oogenblikken van denkwijze veranderen; en bij slot van rekening is het moeilijker iemand in de Bastille of het fort l’Evêque te brengen, die er uitkomt, dan er een gevangen in te houden, die er reeds in is.”

De heer de Tréville deed een zegevierenden intocht in het fort l’Evêque, waaruit hij den musketier bevrijdde, wiens kalme onverschilligheid hem niet één oogenblik verlaten had. Vervolgens, toen hij voor het eerst d’Artagnan wederzag, zeide hij tot dezen: „Gij zijt het aardig ontsnapt; uw degenstoot, Jussac toegebracht, is nu betaald. Nu blijft die van Bernajoux nog over, wees dus op uw hoede.”

Trouwens, de heer de Tréville had gelijk den kardinaal te wantrouwen en te gelooven, dat alles nog niet gedaan was; want nauwelijks had de kapitein der musketiers de deur achter zich gesloten, of Zijne Eminentie zeide tot den koning: „Thans, nu wij slechts alleen met ons beiden zijn, willen wij eens ernstig spreken, indien Uwe Majesteit dit behaagt, Sire! de hertog van Buckingham was sedert vijf dagen te Parijs en is niet vóór heden ochtend vertrokken.”

HOOFDSTUK XVI.
Waarin wordt verhaald, hoe de grootzegelbewaarder Séguier meer dan eens de klok zocht, om die te luiden, zooals hij eertijds deed

Het is niet mogelijk zich een denkbeeld te vormen van den indruk, welken deze weinige woorden op Lodewijk XIII teweegbrachten; hij werd beurtelings bleek en rood, en de kardinaal bemerkte al dadelijk, dat hij in eens alles herwon, wat hij verloren had.

„De hertog van Buckingham te Parijs?” riep hij, „en wat komt hij hier doen?” – „Zeker samenspannen met uw vijanden: de Hugenooten en de Spanjaarden.” – „Neen, pardieu! neen! samenspannen tegen mijn eer met mevrouw de Chevreuse, met mevrouw de Longueville en de Condés.” – „O, Sire! wat denkbeeld! De koningin is te deugdzaam en bemint Uwe Majesteit hiervoor te veel.” – „De vrouw is zwak, mijnheer de kardinaal!” zeide de koning: „en wat haar groote liefde voor mij betreft, hieromtrent staat mijn denkwijze onwrikbaar vast.” – „Ik blijf intusschen volhouden, dat de hertog van Buckingham alleen met staatkundig oogmerk te Parijs is gekomen.” – „En ik, ik ben zeker, dat hij voor geheel iets anders is gekomen, mijnheer de kardinaal! maar indien de koningin schuldig mocht zijn, dat zij dan beve!” – „Inderdaad,” zeide de kardinaal, „welken weerzin ik ook heb mijn geest op een dergelijk verraad te vestigen, maakt Uwe Majesteit er mij echter opmerkzaam op: Mevrouw de Lannoy, die ik, ingevolge het bevel Uwer Majesteit, meermalen heb ondervraagd, heeft mij heden morgen gezegd, dat den nacht voor dezen Hare Majesteit zeer laat was opgebleven; dat zij dezen morgen veel geweend en den geheelen dag geschreven had.” – „Dat is het!” riep de koning; „zeker aan hem, kardinaal! ik wil de papieren der koningin.” – „Maar hoe ze te krijgen, Sire! Het schijnt mij, dat ik, noch Uwe Majesteit, ons met een dergelijke boodschap kunnen belasten.” – „Hoe heeft men gehandeld met mevrouw d’Ancre?” riep de koning, in den hoogsten graad van toorn; „men heeft haar kasten doorzocht, en eindelijk haar zelve.” – „Mevrouw d’Ancre was niet meer dan de vrouw van een maarschalk, een Florentijnsche gelukzoekster, Sire! niets meer, terwijl de doorluchtige echtgenoot Uwer Majesteit, Anna van Oostenrijk, koningin van Frankrijk, dat is: een der grootste vorstinnen der wereld, is.” – „Zij is daarvoor niet minder schuldig, mijnheer de hertog! Hoe meer zij den hoogen rang uit het oog verliest, dien zij bekleedt, des te lager is zij gedaald. Reeds sinds lang, buitendien, heb ik besloten, een einde te maken aan al die nietige politie- en liefde-intrigues. Zij heeft ook in haar dienst zekeren la Porte…” – „Dien ik, ik beken het,” zeide de kardinaal „als het voornaamste werktuig van dat alles beschouw.” – „Gij denkt dus, zooals ik, dat zij mij bedriegt?” vroeg de koning. – „Ik geloof en ik herhaal het aan Uwe Majesteit, dat de koningin tegen de macht van haar koning samenzweert, maar ik heb niet gezegd tegen zijn eer.” – „En ik zeg u, dat zij een ander bemint; ik zeg u, dat zij dien schandelijken hertog van Buckingham bemint! Waarom hebt gij hem niet in hechtenis doen nemen, terwijl hij in Parijs was?” – „Den hertog in hechtenis nemen? den eersten minister van Karel I? hoe komt het u in de gedachte, Sire! wat daad! En indien dan eens de vermoedens Uwer Majesteit, waaraan ik blijf twijfelen, eenigen grond hadden, wat vreeselijke ruchtbaarheid! wat noodlottig schandaal zou hieruit dan niet ontstaan!” – „Maar dewijl hij zich als een landlooper en dief blootstelt, moest men…”

Lodewijk XIII bleef eensklaps het stilzwijgen bewaren, verschrikt over hetgeen hij wilde zeggen, terwijl Richelieu, met vooruitstekenden hals, vruchteloos het woord wachtte, dat hem op de lippen zweefde.

„Men moest?”… – „Niets,” zeide de koning, „niets. Gij hebt hem intusschen, zoo lang hij te Parijs is geweest, niet uit het oog verloren?” – „Neen, Sire!” – „Waar logeerde hij?” – „In de straat la Harpe, No. 76.” – „Waar is dat?” – „Omstreeks het Luxembourg.” – „En gij zijt zeker, dat hij de koningin niet gesproken heeft?” – „Ik geloof, dat de koningin te zeer getrouw is aan haar plicht, Sire!” – „Maar zij hebben briefwisseling met elkander gehouden; het is aan hem, dat de koningin den geheelen dag heeft geschreven, mijnheer de hertog! ik wil de brieven!” – „Sire! echter…” – „Mijnheer de hertog! het koste wat het wil, ik begeer ze!” – „Ik moet echter Uwe Majesteit doen opmerken…” – „Verraadt gij mij dan ook, kardinaal! door u steeds tegen mijn wil te verzetten? Zijt gij het dan ook eens met den Spanjaard en den Engelschman, met mevrouw de Chevreuse en de koningin?” – „Sire!” antwoordde de kardinaal glimlachende, „ik meende voor een dergelijke beschuldiging gevrijwaard te zijn.” – „Mijnheer de kardinaal! gij hebt mij verstaan, ik wil die brieven.” – „Er is slechts één middel.” – „Welk?” – „Met die zending den grootzegelbewaarder Séguier te belasten. Die zaak behoort volkomen tot de plichten van zijn ambt.” – „Dat men hem oogenblikkelijk doe komen.” – „Hij moet ten mijnent wezen, Sire! dewijl ik hem heb doen verzoeken aan te komen, en naar het Louvre gaande, heb ik het bevel gegeven, indien hij kwam, hem te laten wachten.” – „Dat men hem oogenblikkelijk hale.” – „De bevelen Uwer Majesteit zullen volbracht worden; maar…”

„Maar wat?” – „Maar de koningin zal misschien weigeren te gehoorzamen.” – „Aan mijn bevelen?” – „Ja, indien zij niet weet, dat zij door Uwe Majesteit gegeven zijn.” – „Welnu, opdat zij er niet aan twijfele, zal ik haar in persoon gaan waarschuwen.” – „Uwe Majesteit moet niet uit het oog verliezen, dat ik alles heb gedaan, wat mogelijk is, om ongenoegen te voorkomen.” – „Ja, hertog! ik weet, dat gij misschien zeer toegevend zijt; en wij zullen hierover, ik verwittig u er van, later spreken.” – „Wanneer het Uwe Majesteit zal behagen; intusschen zal ik mij steeds gelukkig achten en er trotsch op zijn, Sire, mij op te offeren ter bewaring der goede verstandhouding, die ik wensch tusschen den koning en de koningin van Frankrijk te zien heerschen.” – „Goed, kardinaal! goed, maar laat onderwijl den grootzegelbewaarder roepen; ik begeef mij tot de koningin.”

En Lodewijk XIII, de gemeenschapsdeur openende, begaf zich in de gang, die tot de vertrekken van Anna van Oostenrijk leidde. De koningin bevond zich te midden harer vrouwen: Mevrouw de Guitaut, mevrouw de Sablé, mevrouw de Montbazon en mevrouw de Guémené. In een hoek zat de Spaansche kamenier, die haar van Madrid gevolgd was. Mevrouw de Guémené las voor, en allen luisterden met aandacht naar de lezeres, behalve de koningin, die alleen deze voorlezing had uitgelokt, ten einde veinzende te luisteren, den draad van haar eigen denkbeelden te kunnen volgen.

Die denkbeelden, hoe verguld ook door een laatsten liefdegloed, waren er niet minder treurig om. Anna van Oostenrijk, van het vertrouwen van haar man beroofd, vervolgd door den haat des kardinaals, die haar niet kon vergeven een meer teeder gevoel te hebben afgewezen, voor haar oogen het voorbeeld der koningin-moeder hebbende, die deze haat gedurende haar gansche leven had gefolterd, hoewel Maria de Médicis (althans, zoo wij de gedenkschriften van dien tijd moeten gelooven) begonnen was den kardinaal het gevoel te schenken, dat Anna van Oostenrijk hem steeds bleef weigeren, Anna van Oostenrijk had haar trouwste dienaars, haar vertrouwdste vrienden, haar waardste gunstelingen zien vallen, en zooals die rampzaligen, met een noodlottige eigenschap begaafd, bracht zij ongeluk aan allen toe, die haar omringden; haar vriendschap was een onheilspellend teeken, dat vervolging tot zich lokte. Mevrouw de Chevreuse en mevrouw de Vernet waren reeds verbannen; en la Porte verborg het niet aan zijn meesteres, dat hij verwachtte, alle oogenblikken te worden in hechtenis genomen.

Op het oogenblik, dat zij verdiept was in de somberste beschouwingen, werd de deur der kamer geopend, en de koning trad binnen. De lezeres zweeg oogenblikkelijk, al de dames stonden van haar zitplaatsen op, en er heerschte een diepe stilte. – Wat den koning betreft, deze betuigde niet de minste beleefdheid; en voor de koningin blijvende staan, zeide hij met een ontroerde stem: „Gij zult het bezoek van den heer kanselier verwachten, die u eenige zaken zal mededeelen, waarmede ik hem heb belast.”

De ongelukkige koningin, die men herhaaldelijk met echtscheiding, verbanning en veroordeeling bedreigde, verbleekte onder haar blanketsel en kon zich niet weerhouden te zeggen:

„Maar waartoe dat bezoek, Sire? Wat heeft de heer kanselier mij te zeggen, wat Uwe Majesteit mij zelve niet kan mededeelen?” – De koning draaide zich, zonder antwoord te geven, op zijn hielen om, en bijna tegelijkertijd meldde de kapitein der Gardes, de heer de Guitaut, het bezoek des heeren kanseliers.

Toen de kanselier verscheen, was de koning reeds door een andere deur verdwenen. De kanselier trad half glimlachende, half blozende, zooals wij hem waarschijnlijk in den loop dezer geschiedenis zullen wedervinden, binnen; het kan geen kwaad, dat onze lezers nu met hem in kennis treden.

De kanselier was een koddige snaak. Het was des Roches le Masler, kanunnik van Notre Dame, vroeger kamerdienaar van den kardinaal, die hem Zijne Eminentie voorstelde als een trouw dienaar. De kardinaal bevond er zich wel bij.

Men verhaalde van hem onderscheidene anekdoten, onder andere deze: Na een stormachtige jeugd te hebben doorgebracht, was hij in een klooster gegaan, om dáár ten minste gedurende zekeren tijd de dwaasheden zijner jeugd te boeten. Maar in dat heilige oord gekomen zijnde, was het den armen boeteling niet mogelijk zoo ras de deur te sluiten voor de hartstochten, die hij verzaakte en die er met hem binnenslopen. Onophoudelijk werd hij er door vervolgd, en de prior, aan wien hij de kwelling had toevertrouwd, wilde zooveel mogelijk er hem voor behoeden en gaf hem dus den raad, ter bezwering des verzoekenden duivels tot het koord der klok zijn toevlucht te nemen en die zoo hard hij kon te luiden. Op dit geluid zouden de monniken verwittigd worden, dat de verleiding een broeder bestormde en zich gezamenlijk tot het gebed begeven. Die raad scheen den toekomstigen kanselier goed. Hij bezwoer den kwaden geest door de krachtige uitwerking van de gebeden der monniken; maar de duivel laat zich zoo gemakkelijk niet uit een vesting jagen, waarin hij zich in garnizoen heeft gelegd; naarmate men de bezweringen verdubbelde, verdubbelde hij de verzoekingen, zoodat dag en nacht de klok werd geluid, de buitengewone begeerte tot boetedoening aankondigende, die de boeteling ondervond. De monniken hadden geen oogenblik rust meer. Overdag hadden zij het druk met de trappen, die naar de kapel leidden, op en neder te klimmen, des nachts, behalve gedurende het lof en de metten, waren zij nog verplicht twintig malen het bed uit te springen en op de vloersteenen hunner cellen neder te knielen. Men weet niet, of het de duivel was, die losliet, of de monniken, die moede werden; maar na verloop van drie maanden keerde de boeteling in de wereld terug, met den naam de verschrikkelijkste bezetene te zijn, die er ooit bestaan had.

Het klooster verlatende, werd hij magistraatspersoon, daarna president van het parlement in plaats van zijn oom; hij omhelsde de partij van den kardinaal, hetgeen niet weinig wijsheid verried; vervolgens werd hij kanselier, diende Zijne Eminentie met ijver in diens haat jegens de koningin-moeder en zijn wraak tegen Anna van Oostenrijk; spoorde de rechters in de zaak van Chalais aan, moedigde de proefnemingen van den heer de Laffemas, groot galgenaasleverancier van Frankrijk aan; eindelijk, al het vertrouwen van den kardinaal bezittende, een vertrouwen, dat hij zoo wel had verdiend, werd hij belast met de zonderlinge zending, tot wier uitvoering hij zich voor de koningin vertoonde.

De koningin stond nog overeind, toen hij binnentrad, maar nauwelijks had zij hem gezien, of zij zette zich opnieuw op haar leuningstoel en gaf een teeken aan haar vrouwen weer op haar kussens en bankjes plaats te nemen; en op een hoogen, trotschen toon vroeg Anna van Oostenrijk: „Wat begeert gij, mijnheer! en met welk oogmerk vertoont gij u hier?” – „Om, in naam des konings, mevrouw! en met al den eerbied, welken ik de eer heb mevrouw verschuldigd te zijn, een nauwkeurig onderzoek in al uw papieren te doen.” – „Hoe, mijnheer! een onderzoek in mijn papieren! Bij mij? maar dat is allerlaagst.” – „Vergeef het mij, mevrouw! doch in deze omstandigheid ben ik slechts het werktuig, waarvan de koning zich bedient. Is Zijne Majesteit niet hier geweest en heeft zij u niet in eigen persoon verzocht, u tot dat onderzoek voor te bereiden?” – „Volvoer dan uw nazoekingen, mijnheer! naar het schijnt ben ik een schuldige. Estefana! geef de sleutels mijner tafels en van mijn secretaire.”

De kanselier onderzocht voor den vorm het huisraad, maar hij wist wel, dat het niet in een meubelstuk was, dat de koningin den belangrijken brief zou gesloten hebben, dien zij in den loop van den dag geschreven had. Toen de kanselier twintig malen de laden der schrijftafel had geopend en wederom gesloten, moest hij wel, hoe hij ook aarzelde, moest hij wel, zeg ik, tot het eigenlijke der zaak overgaan, dat is: de koningin op haar persoon zelve onderzoeken.

De kanselier naderde dan Anna van Oostenrijk en op een zeer droevigen toon, met verlegene houding, zeide hij: „En thans blijft mij over tot het voornaamste onderzoek over te gaan.” – „Welk?” vroeg de koningin, die niet begreep, of liever niet wilde begrijpen. – „Zijne Majesteit is zeker, dat door u in den loop van den dag een brief is geschreven geworden: het is haar bekend, dat die nog niet aan het adres is bezorgd geworden. Die brief bevindt zich noch in uw tafel, noch in uw secretaire, en toch moet die brief ergens wezen.” – „Zoudt gij u durven verstouten de hand aan uw koningin te slaan?” vroeg Anna van Oostenrijk, van haar stoel in haar geheele lengte zich opheffende en op den kanselier een blik werpende, die naar een bedreiging zweemde! – „Ik ben een getrouwe onderdaan des konings, mevrouw! en al wat Zijne Majesteit zal bevelen, moet ik ten uitvoer brengen.” – „Welnu, het is waar,” hernam Anna van Oostenrijk, „de spionnen van den kardinaal hebben hem goed gediend. Ik heb heden een brief geschreven; die brief is niet verzonden; de brief is daar.” – En de koningin bracht haar schoone hand aan haar boezem.

„Geef mij dan dien brief, mevrouw!” zeide de kanselier. – „Ik zal dien aan niemand dan aan den koning geven,” zeide Anna. – „Indien de koning begeerd had, dat de brief hem werd overhandigd, mevrouw! zou hij dien in persoon hebben afgevraagd. Maar ik herhaal u, hij heeft mij belast dien van u te vorderen, en indien gij hem niet overgaaft…” – „Welnu?” – „Ben ik het wederom, dien hij heeft belast u dien te ontnemen.” – „Ha! wat wilt gij zeggen?” – „Dat mijn bevelen zeer ver gaan, mevrouw! en dat ik volmacht heb dien brief zelfs op de persoon Uwer Majesteit te zoeken.” – „Hoe afschuwelijk!” riep de koningin. – „Gelieve daarom, mevrouw! door dien te geven…” – „Dat is een afschuwelijke gewelddadigheid; weet gij dat, mijnheer!” – „De koning beveelt, mevrouw! verontschuldig mij.” – „Ik zal het niet ondergaan, neen, neen, liever sterven!” riep de koningin, bij wie het onstuimige Spaansche en Oostenrijksche bloed aan het gisten werd gebracht.

De kanselier maakte een diepe buiging, vervolgens met het blijkbaar besluit geen duimbreed te wijken in de vervulling van den last, dien men hem had opgedragen, en zooals een beulsknecht had kunnen doen in de folterkamer, naderde hij Anna van Oostenrijk, uit wier oogen men onmiddellijk tranen van woede zag ontspringen.

De koningin was, zooals wij bereids zeiden, van een buitengewone schoonheid. De last kon dus als iets zeer gevaarlijks voor de kieschheid worden beschouwd; maar de koning, tengevolge zijner jaloezie jegens Buckingham, was reeds zoover gekomen van op niemand meer jaloersch te zijn. Ongetwijfeld zocht de kanselier op dit oogenblik met zijn oogen de koord der beruchte klok; maar ze niet ontdekkende, nam hij zijn besluit en strekte de hand uit naar de plaats, waar de koningin had bekend dat zich het papier bevond. Anna van Oostenrijk deed een schrede achteruit, zoo bleek dat men zou hebben gemeend, dat zij zou sterven, en met haar linkerhand leunende op een tafel, die achter haar stond, ten einde niet te vallen, haalde zij met de rechterhand een papier uit haar boezem, dat zij den zegelbewaarder toereikte.

„Ziedaar, mijnheer! ziedaar den brief!” riep de koningin met een afgebrokene en bevende stem, „neem hem en bevrijd mij van uw verfoeilijke tegenwoordigheid.”

De kanselier, die van zijn kant een aandoening gevoelde, die hem deed beven, en welke men zich licht kan begrijpen, nam den brief, boog tot op den grond en verwijderde zich. Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de koningin viel half in onmacht in de armen harer vrouwen. De kanselier bracht den brief aan den koning zonder er één woord van gelezen te hebben. De koning nam dien aan met een bevende hand, zocht het adres, dat ontbrak, werd bleek, opende hem langzaam, vervolgens aan de eerste woorden bemerkende dat hij voor den koning van Spanje was bestemd, las hij dien vluchtig door. Hij bevatte een uitvoerig plan tegen den kardinaal! de koningin verzocht haar broeder en den keizer van Oostenrijk, door de staatkunde van Richelieu gekwetst, wiens eeuwig streven het was het huis van Oostenrijk te vernederen, den schijn aan te nemen Frankrijk den oorlog te verklaren, en als voorwaarde van vrede de verwijdering van den kardinaal te eischen; maar van liefde werd in dien brief geen enkel woord gerept.

Geheel verblijd deed de koning onderzoek, of de kardinaal nog in het Louvre was. Men zeide, dat Zijne Eminentie in het schrijfkabinet de bevelen Zijner Majesteit wachtte. De koning begaf zich onmiddellijk tot hem. – „Zie, hertog!” zeide hij hem, „gij hadt gelijk en ik was het, die mij bedroog; de geheele intrigue is van staatkundigen aard en er is volstrekt van geen liefde sprake in dezen brief. Maar in plaats hiervan wordt daarin veel over u gesproken.”

De kardinaal nam den brief en las dien met de grootste aandacht; vervolgens, toen hij dien voleind had, herlas hij hem voor de tweede maal.

„Welnu, Uwe Majesteit!” zeide hij, „gij ziet, hoe ver mijn vijanden gaan: men bedreigt u met twee oorlogen, wanneer gij mij niet wegzendt. Waarlijk, in uw plaats, Sire! zou ik aan zoo dringende aanzoeken gehoor geven, en van mijn kant, ik zou met wezenlijke vreugd van de zaken afzien.” – „Wat zegt gij daar, hertog?” – „Ik zeg, Sire! dat mijn gezondheid wordt ondermijnd in deze voor mij te vinnige worsteling en in die eeuwigdurende werkzaamheden. Ik zeg u, dat ik, volgens alle waarschijnlijkheid, de vermoeienissen van la Rochelle niet zal kunnen doorstaan, en het beter is, dat gij den heer de Condé of den heer de Bassompierre of een ander moedig man, wiens vak het is oorlog te voeren, verkiest en niet mij, die priester ben, en dien men steeds van zijn roeping afkeert, om hem tot dingen te gebruiken, waartoe hij niet den minsten aanleg heeft. Gij zult in uw rijk gelukkiger zijn, Sire! en ik twijfel niet, of buitenslands zult gij er grooter door worden.” – „Mijnheer de hertog!” zeide de koning, „ik begrijp u, wees gerust; al die in dezen brief genoemd worden, zal men straffen, zooals zij verdienen, zelfs de koningin!” – „Wat zegt gij, Sire! God beware mij, dat te mijnen gevalle de koningin eenige onaangenaamheden ondervinde; zij heeft in mij altijd haar vijand meenen te zien, Sire! hoewel Uwe Majesteit kan getuigen, dat ik steeds met warmte haar belangen heb voorgestaan, zelfs tegen u zelven. O! indien zij Uwe Majesteit ten aanzien harer eer verried, dat ware iets anders, en ik zou de eerste zijn te zeggen: Geen genade, Sire! geen genade voor de schuldige! maar gelukkig is dit volstrekt het geval niet, en Uwe Majesteit heeft er een nieuw bewijs van verkregen.”

„Het is waar, mijnheer de kardinaal!” zeide de koning, „en gij hadt gelijk, zooals gewoonlijk; maar de koningin verdient niettemin al mijn gramschap.” – „Gij zijt het, Sire! die de hare verdient; en waarlijk, ik zou het kunnen begrijpen, indien zij verstoord op Uwe Majesteit ware; Uwe Majesteit heeft haar met gestrengheid behandeld.” – „Op die wijze zal ik steeds mijn vijanden en de uwe behandelen, hertog! hoe hoog zij ook mogen geplaatst zijn, en wat gevaar ik ook loope door mijn strengheid jegens hen.” – „De koningin is mijn vijandin, maar niet de uwe, Sire! integendeel, zij is een trouwe, onderdanige en onberispelijke echtgenoot: veroorloof mij dus, Sire! haar bij Uwe Majesteit tot voorspraak te zijn.” – „Dat zij mij het eerst tegemoet kome!” – „Integendeel, Sire! gij moet het voorbeeld geven; gij hebt het eerst ongelijk gehad, omdat gij het zijt, die de koningin verdacht hield.” – „Ik de eerste zijn?” zeide de koning, „nooit!” – „Sire! ik bid u.” – „Buitendien, hoe zou ik het doen?” – „Door iets te doen, waarmede gij weet haar aangenaam te zijn.” – „Wat?” – „Geef een bal, het is u bekend, hoeveel de koningin van dansen houdt; ik verzeker u, dat haar verstoordheid voor een dergelijke oplettendheid zal verdwijnen.” – „Mijnheer de kardinaal! gij weet wel, dat ik van die wereldsche vermaken niet houd.” – „De koningin zal er u te meer dankbaar voor zijn, daar zij uw afkeer voor dat vermaak kent; daarenboven is het voor haar een gelegenheid, zich met die fraaie diamanten haken te tooien, die gij haar op haar verjaardag hebt ten geschenke gegeven, en waarmede zij tot hiertoe zich nog niet heeft kunnen versieren.”

„Wij zullen zien, mijnheer de kardinaal! wij zullen zien,” zeide de koning, die verblijd was de koningin schuldig te vinden aan een misdaad, waarover hij zich weinig bekreunde, maar onschuldig ten aanzien van een misdrijf, voor hetwelk hij zeer bevreesd was; hij toonde zich geheel bereid zich met haar te verzoenen. „Wij zullen zien; maar op mijn woord, gij zijt al te toegevend.” – „Sire!” zeide de kardinaal, „laat de gestrengheid aan uw ministers over; vergevensgezindheid is een koninklijke deugd; beoefen die, en gij zult zien, dat gij u er wèl bij zult bevinden.”

En de kardinaal, na deze woorden, de pendule elf uur hoorende slaan, maakte een diepe buiging, vroeg verlof aan den koning om zich te mogen verwijderen, hem nogmaals verzoekende zich met de koningin te verzoenen.

Anna van Oostenrijk, die tengevolge van den bewusten brief eenige berisping verwachtte, verwonderde zich zeer den koning den volgenden dag eenige pogingen tot verzoening te zien aanwenden. Haar eerste gevoel was afkeer van hem; haar vrouwelijke trots en haar waardigheid als koningin waren beide zoo beleedigd, dat zij zich niet zoo dadelijk kon onderwerpen; maar door den raad der haar omringende dames overgehaald, hield zij zich eindelijk, alsof zij de zaak begon te vergeten. De koning maakte van dat eerste oogenblik van tegemoetkoming gebruik om haar te zeggen, dat hij voornemens was weldra een feest te geven. Een feest was zoo iets zeldzaams voor de arme Anna van Oostenrijk, dat, zooals de kardinaal had gedacht, de laatste zweem van verstoordheid verdween, zoo niet in haar hart, althans op haar gelaat. Zij vroeg naar den dag, op welken het feest zou plaats hebben, maar de koning antwoordde, dat hij zich te dien aanzien met den kardinaal moest verstaan. En inderdaad, dagelijks vroeg de koning den kardinaal naar den dag, op welken het feest moest plaats hebben, en alle dagen stelde de kardinaal het onder een of ander voorwendsel uit. Den achtsten dag na het tooneel, dat wij hebben verhaald, ontving de kardinaal een brief met het postmerk van Londen, alleen deze weinige woorden behelzende:

„Ik heb ze, maar ik kan Londen niet verlaten, daar mij geld ontbreekt; zend mij vijfhonderd pistolen en binnen vier of vijf dagen, na die ontvangen te hebben, zal ik te Parijs zijn.”

Denzelfden dag, dat de kardinaal dien brief had ontvangen, richtte de koning tot hem zijn gewone vraag. Richelieu telde op zijn vingers en zeide bij zich zelven: „Zij zal hier zijn, zegt zij, vier of vijf dagen na de ontvangst van het geld: vier of vijf dagen zijn er toe noodig, om haar het geld te doen geworden en vier of vijf dagen heeft zij noodig om terug te keeren; dat maakt tien dagen; laat ons er nu eens bij rekenen: tegenwind, tegenspoed, vrouwelijke zwakheid, en stellen wij dat op twaalf dagen.” – „Welnu, mijnheer de hertog! hebt gij uw rekening gemaakt?” – „Ja, Sire! wij hebben vandaag den 20sten September; de schepens der stad geven den 3den October een feest. Dat zou zich heerlijk schikken; immers, gij zoudt den schijn dan niet hebben de koningin tegemoet te komen.” Vervolgens voegde de kardinaal er bij: „A propos, Sire! vergeet niet aan Hare Majesteit den dag voor dat feest te zeggen, dat gij zeer verlangend zijt te zien, hoe haar die diamanten haken staan.”

HOOFDSTUK XVII.
Het huishouden van Bonacieux

Het was de tweede maal, dat de kardinaal op de diamanten haken bij den koning terugkwam. Lodewijk XIII werd dan ook getroffen door dat aanhouden en verbeeldde zich, dat deze aanbeveling een of ander geheim bedekte. Meer dan eens was de koning er door vernederd geworden, dat de kardinaal, wiens politie, zonder nochtans tot de volmaaktheid van de hedendaagsche te zijn gebracht, voortreffelijk was, beter onderricht was dan hij zelf met hetgeen er in zijn omgeving voorviel. Hij hoopte in een gesprek met Anna van Oostenrijk eenig licht te verkrijgen en daarna tot Zijne Eminentie terug te keeren met een geheim, dat, of de kardinaal het wel of niet wist, hem echter zoowel in het een als in het ander geval in diens oogen zou verheffen.

Hij begaf zich dan tot de koningin en volgens gewoonte begroette hij haar met nieuwe bedreigingen tegen degenen, die haar omringden. Anna van Oostenrijk boog het hoofd, liet den stortvloed voorbijgaan zonder te antwoorden, hopende, dat die vanzelf wel zou eindigen; maar dat was niet hetgeen Lodewijk XIII begeerde: hij wilde een woordenwisseling, die hem het een of ander licht zou geven, verzekerd, dat de kardinaal een bijgedachte koesterde en deze hem een dier vreeselijke verrassingen bereidde, waarin Zijne Eminentie zoozeer uitmuntte. Hij bereikte dit doel door zijn volharding in het beschuldigen.

„Maar,” riep Anna van Oostenrijk, vermoeid door die onbepaalde aanvallen, „maar, Sire! gij zegt mij niet al wat u op het hart ligt. Wat heb ik toch gedaan? Spreek! welke misdaad heb ik gepleegd? Het is niet mogelijk, dat Uwe Majesteit zoo spreekt wegens den brief aan mijn broeder geschreven!”

De koning, nu op zijn beurt zoo rechtstreeks aangevallen, wist niet wat te antwoorden; hij meende, dat nu het oogenblik dáár was, de aanbeveling te doen, welke zij slechts den dag voor het feest mocht weten. – „Mevrouw!” zeide hij met majesteit, „er zal spoedig een bal in het stadhuis worden gegeven; ik begeer dat, om aan mijn brave schepenen eer te bewijzen, gij er in statiekleederen verschijnen zult en vooral getooid met de diamanten haken, die ik u op uw verjaardag ten geschenke heb gegeven. Ziedaar mijn antwoord.”

Dat antwoord was verschrikkelijk; Anna van Oostenrijk meende, dat Lodewijk XIII met alles bekend was, en dat de kardinaal hem tot dat lange zwijgen, gedurende zeven of acht dagen, overgehaald had, hetgeen trouwens in zijn karakter lag. Zij werd doodsbleek, liet haar wonderschoone hand, die toen een wassen hand geleek, op een console rusten en zag den koning aan met verschrikte oogen; zij antwoordde geen enkel woord.

„Gij hebt het gehoord, mevrouw?” zeide de koning, die van die verlegenheid het volste genot had, zonder er echter het gewicht van te vermoeden: „gij hebt het gehoord?” – „Ja, Sire, ik versta u,” stamelde de koningin. – „Gij zult op dat bal verschijnen?” – „Ja.” – „Met uw diamanten haken?” – „Ja.”

De bleekheid der koningin werd, zoo mogelijk, nog grooter. De koning ontwaarde zulks en genoot er van met de koele wreedheid, welke een der slechtste zijden van zijn inborst was.

„Dan is het wel,” zeide de koning, „dat is alles, wat ik u te zeggen had.” – „Maar op welken dag zal het bal plaats hebben?” vroeg Anna van Oostenrijk.

Lodewijk XIII voelde inwendig, dat hij hierop niet moest antwoorden, daar de koningin de vraag met een bijna stervende stem deed. – „Zeer spoedig, mevrouw!” zeide hij, „maar ik herinner mij den juisten dag niet meer; ik zal het den kardinaal vragen.” – „Het is dus de kardinaal, die u dat feest heeft aangekondigd?” riep de koningin. – „Ja, mevrouw!” antwoordde de koning verbaasd, „maar waartoe die vraag?” – „Hij is het, die u gezegd heeft, dat ik er getooid met mijn diamanten haken moest verschijnen.” – „Dat wil zeggen, mevrouw!..” – „Hij is het, Sire! hij is het!” – „Welnu, wat doet het er toe, dat hij het is of ik? Is deze uitnoodiging misdadig?” – „O, neen, Sire!” – „Dan zult gij verschijnen?” – „Ja, Sire!” – „Goed,” zeide de koning, zich verwijderende, „goed, ik reken er op.”

De koningin boog, minder uit welvoegelijkheid, dan wel omdat haar knieën onder haar knikten. De koning scheen opgetogen.

„Ik ben verloren,” mompelde de koningin, „verloren, want de kardinaal weet alles: hij is het, die den koning drijft, die nog wel niets weet, maar dra alles zal vernemen. Ik ben verloren! mijn God! mijn God! mijn God!” – Zij knielde op een kussen neder en bad, het hoofd in haar bevende handen verbergende.

Inderdaad, haar toestand was verschrikkelijk. Buckingham was naar Londen teruggekeerd, mevrouw de Chevreuse was te Tours. Meer dan ooit gadegeslagen, begreep de koningin, dat een der dames, die haar omringden, haar verried, zonder echter te kunnen zeggen welke. La Porte mocht het Louvre niet verlaten, en geen ziel ter wereld was er, aan wie zij zich kon vertrouwen. Bedreigd door de ramp, die haar boven het hoofd hing en in haar verlatenheid, barstte zij in een luid gesnik uit.

„Kan ik Uwe Majesteit dan in niets van dienst zijn,” zeide eensklaps een stem vol zachtheid en medelijden. De koningin wendde zich haastig om, want er lag in die uitdrukking van die stem geen bedrog; het was de taal eener vriendin. En inderdaad, voor een der deuren, die in het vertrek der koningin uitkwamen, verscheen de lieve juffrouw Bonacieux. Zij was bezig kleederen en lijnwaad in een kleerkamer te bergen, toen de koning was binnengekomen, en wijl zij de kamer niet kon verlaten, had zij alles gehoord. De koningin slaakte een doordringenden kreet, zich verrast ziende, want in haar verwarring had zij de jonge vrouw niet herkend, die la Porte in haar dienst had doen treden.

„O, vrees niets, mevrouw!” zeide de jonge vrouw, de handen vouwende en zelve weenende over den angst der koningin, „ik behoor Uwe Majesteit met hart en ziel en hoe ver ik ook van haar verwijderd ben, hoe gering mijn stand ook zij, meen ik een middel gevonden te hebben, Uwe Majesteit uit den nood te redden.” – „Gij! o, hemel! gij!” riep de koningin: „maar welaan! zie mij aan. Van alle kanten word ik verraden; kan ik op u vertrouwen?” – „O, mevrouw!” riep de jonge vrouw, op de knieën vallende, „o, bij mijn ziel! ik ben bereid voor Uwe Majesteit te sterven.”

De kreet kwam voort uit de volheid des harten en men kon zich evenmin in dezen als in den vorigen bedriegen. – „Ja,” ging juffrouw Bonacieux voort, „ja, er zijn verraders hier, maar bij den heiligen naam der Maagd Maria zweer ik u, dat niemand aan Uwe Majesteit trouwer is dan ik. Die diamanten haken, welke de koning wenscht te zien, hebt gij den hertog van Buckingham gegeven, niet waar? De diamanten haken waren besloten in een kistje van rozenhout, dat hij onder den arm droeg. Bedrieg ik mij? Is het zoo niet?” – „O, mijn God! mijn God!” mompelde de koningin, wier tanden van angst klapperden.

„Welnu! die diamanten,” ging juffrouw Bonacieux voort, „men moet ze terug hebben.” – „O ja, ongetwijfeld, het moet!” riep de koningin: „maar wat te doen, hoe ze te krijgen?” – „Er moet iemand naar den hertog worden gezonden.” – „Maar wie?.. Wie?.. Aan wien mij te vertrouwen?” – „Stel in mij vertrouwen, mevrouw! doe mij die eer, koningin, en ik, ik zal dien bode weten te vinden.” – „Maar ik zal moeten schrijven.” – „O ja, dat is onvermijdelijk. Twee regels van uw hand en uw eigen zegel.” – „Maar in die twee regels ligt mijn veroordeeling, echtscheiding, verbanning.” – „Ja, indien zij in verraderlijke handen vallen, maar ik verzeker u, dat die beide regels aan hun adres zullen bezorgd worden.” – „Ach, mijn God! ik moet dan mijn leven, mijn eer, mijn goeden naam in uw handen stellen!” – „Ja, ja, mevrouw! gij moet, en ik, ik zal alles redden.” – „Maar hoe! zeg mij dat ten minste.” – „Mijn man is, twee of drie dagen geleden, in vrijheid gesteld; ik heb den tijd nog niet gehad hem te spreken. Hij is een braaf en eerlijk man, die haat noch liefde voor iemand gevoelt. Hij zal doen, wat ik begeer en op een bevel van mij vertrekken, zonder hetgeen, waarmee hij belast is, te kennen; hij zal alzoo den brief Uwer Majesteit aan het adres, dat zij zal aanwijzen, bezorgen, zonder zelfs te weten, dat die van Uwe Majesteit komt.”

De koningin vatte beide handen der jonge vrouw met vurige drift, beschouwde haar, alsof zij in het diepste van haar hart wilde lezen, en in haar schone oogen niets anders dan openhartigheid ziende, omhelsde zij haar teederlijk. – „Doe dat!” riep zij, „en gij zult mij het leven, gij zult mij de eer hebben gered.” – „O! vergroot den dienst niet, welken ik het geluk heb u te kunnen bewijzen; ik heb niets van Uwe Majesteit te redden, die alleen het slachtoffer van een verraderlijk komplot is.” – „Het is waar, het is waar, mijn kind!” zeide de koningin, „gij hebt gelijk.” – „Geef mij dus dien brief, mevrouw! de tijd snelt voort.”

De koningin liep naar een tafeltje, waarop zich papier, pennen en inkt bevonden… Zij schreef een paar regels, verzegelde het briefje met haar cachet en stelde het aan juffrouw Bonacieux ter hand. – „Maar nu,” zeide de koningin, „nu vergeten wij nog het voornaamste.” – „Wat?” – „Geld.”

Juffrouw Bonacieux bloosde. – „Ja, dat is ook waar,” zeide zij, „en ik moet Uwe Majesteit bekennen, dat mijn man…” – „Dat uw man het niet heeft, wilt gij zeggen, niet waar?” – „Integendeel, hij heeft geld, maar hij is zeer gierig, dat is zijn gebrek. Intusschen behoeft Uwe Majesteit zich hierover niet te bekommeren. Wij zullen wel een middel vinden.” – „Maar ik heb het ook niet,” zeide de koningin. (Zij, die de Gedenkschriften van mevrouw de Motteville gelezen hebben, zullen zich over dat antwoord niet verwonderen). „Maar wacht even en…” Anna van Oostenrijk liep naar haar juweelkistje. „Zie hier,” zeide zij, „een ring van groote waarde, naar men verzekert; mijn broeder, de koning van Spanje, heeft mij dien gegeven, hij behoort mij en bijgevolg kan ik er over beschikken. Neem dien ring, verkoop hem en laat uw man op reis gaan.” – „Binnen één uur zult gij gehoorzaamd zijn.” – „Gij ziet het opschrift,” vervolgde de koningin, zoo zacht sprekende, dat men haar nauwelijks verstond. „Aan mylord, hertog van Buckingham, te Londen.” – „Die brief zal hem in persoon worden ter hand gesteld.” – „Edelmoedig kind!” riep Anna van Oostenrijk.

Juffrouw Bonacieux kuste de handen der koningin, verborg het papier in haar boezem en verdween met de vlugheid eens vogels.

Tien minuten later was zij thuis. Zooals zij aan de koningin had gezegd, had zij haar man, sedert zijn invrijheidstelling, niet gezien; zij wist dus niets van de verandering, welke er bij hem in zijn denkwijze omtrent den kardinaal was voorgevallen: een verandering, die de vleitaal en het geld Zijner Eminentie hadden teweeggebracht en welke de graaf de Rochefort in een paar bezoeken nog had versterkt; deze toch was de beste vriend van Bonacieux geworden, aan wien hij zonder veel moeite deed gelooven, dat niet één enkel misdadig oogmerk de oorzaak der ontvoering zijner vrouw was geweest, maar slechts een staatkundige voorzorg. Zij vond den heer Bonacieux alleen; de arme winkelier stelde met zeer veel moeite een weinig orde in zijn huis, waar hij bijna al het huisraad verbrijzeld en de kasten ledig had gevonden, daar het gerecht niet een der drie zaken is, welke koning Salomo aanduidt, als geen spoor van hun doorgang achterlatende. De meid was reeds gevlucht, toen haar meester in hechtenis werd genomen. De schrik had het arme kind zoo erg bevangen, dat zij, zonder zich op te houden, den weg van Parijs naar Bourgogne, haar geboorteland, achter elkander had afgelegd.

De waardige winkelier had, zoodra hij zich weer te huis bevond, aan zijn vrouw zijn gelukkige terugkomst gemeld, en zijn vrouw had hem geantwoord, hem gelukwenschende en hem zeggende, dat het eerste oogenblik, dat zij van haar dienst kon afnemen, geheel aan een bezoek aan hem zou zijn gewijd. Dat eerste oogenblik had zich vijf dagen laten wachten, hetgeen in elke andere omstandigheid meester Bonacieux wel wat lang zou hebben toegeschenen; maar hij had in het bezoek, door hem bij den kardinaal afgelegd en in de bezoeken van Rochefort, oneindige stof tot nadenken gevonden; en zooals men weet, niets verdrijft spoediger den tijd dan na te denken, te meer daar de overwegingen van Bonacieux alle verguld waren. Rochefort noemde hem zijn vriend, zijn waarden Bonacieux en hield niet op hem te zeggen, dat de kardinaal zeer veel werk van hem maakte. De winkelier meende reeds op weg te zijn om eer en fortuin in te oogsten.

Ook van haar kant had juffrouw Bonacieux nagedacht, maar wij moeten het zeggen, over geheel iets anders dan over eerzucht; onwillekeurig vestigden zich haar gedachten uitsluitend op dien schoonen, moedigen jongeling, die zoo verliefd scheen. Op haar achttiende jaar met den heer Bonacieux in den echt getreden en steeds geleefd hebbende te midden der vrienden van haar man, die weinig geschikt waren aan een jonge vrouw hartstocht in te boezemen, wier hart meer verheven was dan haar stand, was juffrouw Bonacieux ongevoelig gebleven voor de gewone verleidingsmiddelen; maar op dat tijdstip vooral had de titel van edelman een grooten invloed op den burgerstand, en d’Artagnan was edelman; daarenboven droeg hij de uniform der gardes, die, na de uniform der musketiers, het meest de vrouwen bekoorde. Hij was, wij herhalen het, schoon, jong, avontuurlijk; hij sprak over liefde als iemand, die bemint en naar liefde smacht; er was dus in hem meer dan genoeg, om een drie-en-twintig-jarig hoofd op hol te brengen, en juffrouw Bonacieux was juist in dat gelukkig tijdperk des levens getreden.

Beide echtgenooten, hoewel zij elkander in langer dan acht dagen niet hadden gezien, terwijl gedurende die week ernstige gebeurtenissen tusschen hen waren voorgevallen, ontmoetten elkander met zekere verstrooidheid; echter legde de heer Bonacieux een wezenlijke vreugd aan den dag en naderde zijn vrouw met open armen. Mejuffrouw Bonacieux bood hem haar voorhoofd.

„Ik heb u wat mede te deelen,” zeide zij. – „Wat mede te deelen?” zeide Bonacieux verwonderd. – „O ja, iets zeer gewichtigs.” – „Zoo, ik heb u eenige tamelijk ernstige vragen te doen. Verklaar mij eens uw ontvoering, als gij zoo goed wilt zijn.” – „Dat is voor het oogenblik de zaak niet,” zeide juffrouw Bonacieux. – „En wat dan? mijn inhechtenisneming?” – „Ik vernam die denzelfden dag, maar daar gij niet schuldig waart aan eenige misdaad, noch deel hadt genomen in een of andere samenzwering, kortom, dewijl gij volstrekt met alles onbekend waart, wat u of iemand anders in gevaar had kunnen brengen, hechtte ik aan die gebeurtenis slechts de waarde, welke zij verdiende.” – „Gij spreekt er zeer gemakkelijk over, mejuffrouw!” hernam Bonacieux, verstoord over de weinige belangstelling, die zijn vrouw hem betoonde; „weet gij wel, dat ik een dag en een nacht in een cachot der Bastille heb doorgebracht?” – „Een dag en een nacht zijn spoedig voorbij; laat ons dus niet verder over uw gevangenschap spreken en op hetgeen mij tot u voert terugkeeren.” – „Hoe, wat u tot mij voert? Is het dan niet het verlangen een echtgenoot weder te zien, van wien gij sedert acht dagen gescheiden zijt geweest?” vroeg de winkelier gebelgd. – „Vooreerst dat en dan wat anders.” – „Spreek!” – „Iets van het grootste gewicht en van hetwelk onze toekomstige fortuin afhangt.” – „Onze fortuin is zeer veranderd, sedert ik u het laatst heb gezien, mejuffrouw Bonacieux! en het zou mij niet verwonderen, dat zij binnen eenige maanden een aantal lieden afgunstig zal maken.” – „Ja, vooral indien gij de voorschriften wilt volgen, die ik u geven zal.” – „Aan mij?” – „Ja, aan u. Er is een goede en heilige zaak te verrichten, mijnheer! en tegelijkertijd veel geld te verdienen.”

Juffrouw Bonacieux, over geld tot haar man sprekende, wist, dat zulks was hem in zijn zwak te tasten. Maar iemand, al ware hij ook winkelier, wanneer hij met een kardinaal de Richelieu slechts tien minuten gesproken heeft, is dezelfde man niet meer.

„Veel geld te verdienen?” zeide Bonacieux, zijn lippen vooruitstekende. – „Ja, veel.” – „Hoeveel ongeveer?” – „Duizend pistolen misschien.” – „Wat gij van mij verlangt, is dan zeer belangrijk?” – „Ja.” „Wat moet ik doen?” – „Oogenblikkelijk op reis gaan; ik zal u een brief toevertrouwen, dien gij onder hoegenaamd geen voorwendsel moogt afgeven en in persoon zult ter hand stellen.” – „En werwaarts moet ik mij begeven?” – „Naar Londen.” – „Ik! naar Londen?” – „Ten behoeve van anderen.” – „Wie zijn die anderen? Ik zeg u van te voren, dat ik niets meer blindelings doe en ik wil weten, niet alleen waaraan ik mij blootstel, maar ook voor wien ik mij blootstel.” – „Een voornaam persoon zendt en een voornaam persoon wacht u; de belooning zal uw verwachting overtreffen, ziedaar al wat ik u kan zeggen.” – „Al wederom intrigues, altijd intrigues, ik dank u, ik zal er mij in het vervolg voor wachten; de kardinaal heeft mij hieromtrent eenige inlichtingen gegeven.” – „De kardinaal!” riep juffrouw Bonacieux, „hebt gij den kardinaal gesproken?” – „Hij heeft mij doen komen,” antwoordde de winkelier trotsch. – „En gij hebt aan zijn uitnoodiging beantwoord, onvoorzichtige! die gij zijt.” – „Ik moet u zeggen, dat mij de keuze niet overbleef om te weigeren of te gaan; want ik bevond mij tusschen twee gerechtsdienaars. Het is bovendien nog waar dat ik, Zijne Eminentie niet kennende, mij van dat bezoek gaarne zou hebben zien vrijgesteld, indien zulks mogelijk ware geweest.” – „Heeft hij u dan mishandeld of bedreigd?” – „Hij heeft mij de hand geboden en mij zijn vriend genoemd.” – „Zijn vriend!” – „Verstaat gij, juffrouw! ik ben de vriend van den grooten kardinaal!” – „Van den grooten kardinaal!” – „Zoudt gij hem bijgeval dien naam betwisten, mejuffrouw!” – „Ik betwist hem niets, maar ik zeg u, dat de gunst des kardinaals wankelbaar is en men gek moet zijn, zich aan een minister te hechten; er bestaan machten, die de zijne overtreffen en die niet van de grilligheid eens menschen of van den uitslag der gebeurtenissen afhangen; het is aan die machten, dat men zich moet hechten.” – „Het doet mij leed, mejuffrouw, maar ik ken geen andere macht dan die van den grooten man, dien ik de eer heb te dienen.” – „Dient gij den kardinaal?” – „Ja, mejuffrouw! en als zijn dienaar zal ik niet veroorloven, dat gij u in complotten mengt tegen de veiligheid van den staat en dat gij, gij! de plannen dient eener vrouw, die geen Fransche is en een Spaansch hart omdraagt. Gelukkiglijk is de groote kardinaal aanwezig, zijn waakzaam oog dringt door alles heen en bespiedt het diepste van de harten.”

Bonacieux herhaalde woord voor woord een zinsnede, die hij van den graaf de Rochefort had gehoord; maar de arme vrouw, die op haar man had gerekend en in die hoop zich bij de koningin voor hem verantwoordelijk had gesteld, beefde niet alleen om het gevaar, waarin zij zich bijna had begeven, maar ook over de onmacht, in welke zij zich bevond. Intusschen, de zwakheid en vooral de geldzucht van haar man kennende, wanhoopte zij niet hem toch nog tot haar oogmerk over te halen.

„Ha, gij zijt kardinalist; mijnheer!” riep zij. „Ha! gij dient de partij van hen, die uw vrouw mishandelen en de koningin beleedigen!” – „De bijzondere belangen komen niet in aanmerking tegenover de belangen van het algemeen. Ik ben de partij toegedaan van hen, die den staat redden!” zeide Bonacieux op hoogdravenden toon. Dat was een andere zinsnede van den graaf de Rochefort, die hij onthouden had en welke hij nu gelegenheid vond te bezigen.

„En weet gij wat het is, die staat van welken gij spreekt?” vroeg juffrouw Bonacieux, de schouders ophalende. „Stel u tevreden, een burger zonder de minste arglistigheid te zijn, en schaar u aan die zijde, waar het meeste voordeel is te behalen.” – „Nu, nu!” zeide Bonacieux op een gevulden zak slaande, die een zilverklank van zich gaf; „wat zegt gij van dit, mejuffrouw de predikster!” – „Van wien hebt gij dat geld?” – „Gij raadt het niet.” – „Van den kardinaal?” – „Van hem en van mijn vriend, den graaf de Rochefort.” – „Van den graaf de Rochefort? maar hij is het, die mij heeft ontvoerd!” – „Dat is wel mogelijk, mejuffrouw!” – „En gij ontvangt geld van dien man?” – „Hebt gij mij niet gezegd, dat die ontvoering alleen uit staatkunde was gepleegd?” – „Ja; maar die ontvoering had tot doel mij mijn meesteres te doen verraden, mij door folteringen bekentenissen af te persen, die de eer en wellicht het leven van mijn doorluchtige meesteres konden bedreigen.” – „Mejuffrouw!” hernam Bonacieux, „uw meesteres is een verraderlijke Spaansche vrouw, en wat de kardinaal doet is welgedaan.” – „Mijnheer!” zeide de jonge vrouw, „ik wist, dat gij gierig, lafhartig en dom waart, maar ik wist niet, dat gij een eerlooze waart.” – „Mejuffrouw!” zeide Bonacieux, die nooit zijn vrouw in toorn had gezien en voor huiselijken twist bang was, „mejuffrouw! wat zegt gij?” – „Ik zeg, dat gij een ellendeling zijt,” ging mejuffrouw Bonacieux voort, die bemerkte, dat zij eenigen invloed op haar man begon te herwinnen. „Wel zoo, gij bemoeit u met staatkunde, gij? en nog wel met de staatkunde van den kardinaal! Ha! ha! gij geeft u voor geld met ziel en lichaam den duivel over!” – „Neen, maar den kardinaal.” – „Dat is hetzelfde!” riep de jonge vrouw. „Die Richelieu noemt, noemt satan.” – „Zwijg, zwijg, mejuffrouw! men zou u kunnen hooren.” – „Ja, gij hebt gelijk, uw laagheid zou mij doen blozen.” – „Maar wat wilt gij dan van mij, laat hooren?” – „Ik heb het u reeds gezegd, van dadelijk te vertrekken, mijnheer! en waardiglijk de zending te vervullen, die ik mij verwaardig u op te dragen, en op die voorwaarde wil ik alles vergeten; en wat meer is (en zij reikte hem de hand), geef ik u mijn vriendschap weder.”

Bonacieux was lafhartig en gierig, maar hij beminde zijn vrouw; hij werd verteederd. Een man van vijftig jaren is niet lang verstoord op een vrouw van drie en twintig. Mejuffrouw Bonacieux zag zijn weifeling.

„Welaan,” zeide zij, „zijt gij tot een besluit gekomen?” – „Maar, mijn beste lieve! overweeg toch eens wat gij van mij vergt? Londen is ver van Parijs, zeer ver, en wellicht is de boodschap, waarmede gij mij belast, niet zonder gevaar.” – „Wat doet het er toe, indien gij dat gevaar vermijdt.” – „Luister, mejuffrouw!” zeide de winkelier, „luister, ik weiger volstrekt, ik weiger, ik ben bang voor intrigues. Ik, ik heb de Bastille gezien. Brrr!.. dat is allerakeligst, de Bastille! Ik krijg kippenvel, als ik er slechts aan denk. Men heeft mij met de pijnbank bedreigd. Dan wringt men je beenen tusschen planken, totdat de splinters uit het vleesch komen! Neen, op mijn woord, ik zal niet gaan… En, morbleu! waarom gaat gij zelve niet? want waarlijk, ik geloof, dat ik mij tot hiertoe in u heb bedrogen; ik geloof, dat gij een man, en nog wel een der ongemakkelijkste zijt.” – „En gij zijt een vrouw, een ellendige, domme en lage vrouw. O! gij zijt bang! Welnu, indien gij niet onmiddellijk vertrekt, laat ik u op bevel der koningin in die Bastille werpen, welke gij zoozeer vreest.”

Bonacieux verzonk in een diepe overweging; hij overwoog rijpelijk beide gramschappen, die van den kardinaal en die der koningin; die des kardinaals overtrof de andere grootelijks.

„Laat mij op bevel der koningin in hechtenis nemen,” zeide hij, „ik zal mij op Zijne Eminentie beroepen.”

Juffrouw Bonacieux bemerkte nu eerst, dat zij te ver was gegaan, en scheen hierover beangst. Zij beschouwde een oogenblik verschrikt dat dom gelaat, waarop een onwrikbaar besluit stond uitgedrukt, als dat eens dwazen, die bang is.

„Welnu dan, het zij zoo!” zeide zij, „bij slot van rekening hebt gij gelijk; een man weet meer van staatkunde dan een vrouw, en gij vooral, mijnheer Bonacieux! daar gij met den kardinaal hebt gesproken; echter is het voor mij zeer hard,” vervolgde zij, „dat mijn man, iemand, op wiens vriendschap ik meende te kunnen vertrouwen, mij zoo onbeleefd behandelt, en aan mijn begeerten niet wil voldoen.” – „Uw begeerten zouden iemand te ver kunnen brengen, en ik wantrouw ze,” hernam Bonacieux zegevierend. – „Ik zal er dan van afzien,” zeide de jonge vrouw zuchtende; „het is wel, laat ons er niet meer van spreken.” – „Indien gij mij ten minste zeidet, wat ik te Londen moest doen,” zeide Bonacieux, die zich een weinig te laat herinnerde, dat Rochefort hem had aanbevolen pogingen te doen, ten einde de geheimen zijner vrouw te ontdekken. – „Het is niet noodig, dat gij het thans weet,” antwoordde de jonge vrouw, die als door ingeving wantrouwend werd en thans terugtrad; „het betreft eene dier kleinigheden, naar welke de vrouwen zoo dikwijls begeerte koesteren, een aankoop, waaraan veel te verdienen was.”

Maar hoe meer de jonge vrouw zich terugtrok, te meer verbeeldde zich Bonacieux, dat het geheim, hetwelk zij weigerde hem mede te deelen, belangrijk was. Hij besloot dus oogenblikkelijk den graaf de Rochefort te gaan spreken, om hem te zeggen, dat de koningin een boodschapper zocht, om dien naar Londen te zenden.

„Vergeef mij, indien ik u moet verlaten, mijn lieve!” zeide hij; „maar niet wetende, dat gij mij heden een bezoek zoudt komen brengen, had ik een samenkomst met een mijner vrienden bepaald; ik kom dadelijk weer terug, en indien gij mij slechts een oogenblik wilt wachten, kom ik, zoodra ik met mijn vriend heb afgehandeld, u afhalen en dewijl het laat wordt, zal ik u naar het Louvre vergezellen.” – „Ik dank u, mijnheer!” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij zijt niet moedig genoeg, om mij in welk opzicht ook van dienst te kunnen zijn, en ik zal wel alleen naar het Louvre terugkeeren.” – „Zooals gij verkiest, mejuffrouw,” hernam de ex-winkelier. „Zie ik u spoedig terug?” – „Wel zeker, de aanstaande week, ik hoop, dat mijn werkzaamheden mij eenige verpoozing zullen schenken en dan zal ik er van gebruik maken, om een weinig orde op onze zaken te stellen, die deerlijk in de war moeten zijn.” – „Goed, ik zal u wachten. Gij zijt op mij niet verstoord?” – „Ik? in het geheel niet.” – „Dan tot weerziens.” – „Tot weerziens.” – En Bonacieux kuste de hand zijner vrouw en verwijderde zich overhaast.

„Welaan,” zeide juffrouw Bonacieux, toen haar man de voordeur had gesloten en zij zich alleen bevond, „dien dwaas ontbrak het nog kardinalist te zijn. En ik, die mij voor hem bij de koningin verantwoordelijk heb gesteld, ik, die mijn arme meesteres heb beloofd… Ach, mijn God! mijn God! Zij zal mij beschouwen als een dier ellendelingen, van welke het paleis wemelt en die haar omringen om haar te bespieden… Ach, mijnheer Bonacieux! ik heb u nooit veel bemind; maar thans is het erger, ik haat u en op mijn woord, gij zult het mij betalen.”

Terwijl zij deze woorden sprak, deed een slag tegen de zoldering haar het hoofd opheffen en een stem, die haar door de planken in de ooren klonk, riep haar toe:

„Lieve mejuffrouw Bonacieux! open mij de kleine gangdeur, dan zal ik bij u komen.”

HOOFDSTUK XVIII.
Minnaar en echtgenoot

„O, lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, door de deur binnenkomende, welke de jonge vrouw voor hem opende, „veroorloof mij het u te zeggen; gij bezit al een raren echtgenoot.” – „Hebt gij dan ons gesprek gehoord?” vroeg juffrouw Bonacieux haastig, d’Artagnan met ongerustheid beschouwende. – „Geheel en al.” – „Maar op welke wijze, mijn God!” – „Door een aan mij alleen bekend middel, en door hetwelk ik ook het meer geruchtmakend gesprek van u met de gerechtslieden des kardinaals hoorde.” – „En wat hebt gij verstaan van hetgeen wij zeiden?” – „Duizenderlei zaken: vooreerst, dat uw man een zot, een dwaas is; gelukkig, dat gij in verlegenheid zijt, waarover ik zeer verheugd ben, immers dit stelt mij in de gelegenheid u van dienst te zijn, en God is het bekend, hoe ik er naar streef, om voor u door het vuur te loopen, en eindelijk dat de koningin een moedigen, verstandigen en trouwen dienaar behoeft om voor haar een reis naar Londen te doen. Ik heb ten minste twee der hoedanigheden, die er vereischt worden, en ik ben gereed.”

Juffrouw Bonacieux antwoordde niet; maar haar hart klopte van blijdschap en een heimelijke hoop schitterde in haar oogen. – „En welken waarborg zult gij mij geven, indien ik u met deze zending belast?” vroeg zij. – „Mijn liefde voor u. Welaan! spreek, beveel, wat moet ik doen?” – „Mijn God! mijn God!” mompelde de jonge vrouw, „moet ik u een dergelijk geheim toevertrouwen, mijnheer, gij zijt nog zoo jong.” – „Nu, ik zie, dat gij iemand verlangt, die voor mij verantwoordelijk blijft.” – „Ik beken, dat zulks mij zou gerust stellen.” – „Kent gij Athos?” – „Neen.” – „Porthos?” – „Neen.” – „Aramis?” – „Neen; wie zijn die heeren?” – „Musketiers van den koning. Kent gij den heer de Tréville, hun kapitein?” – „O ja, hem ken ik, wel niet persoonlijk, maar door dikwijls de koningin over hem te hebben hooren spreken, als van een moedigen en trouwen edelman.” – „Gij vreest niet, dat hij u aan den kardinaal zal verraden, niet waar?” – „O, neen, volstrekt niet.” – „Welnu, openbaar hem uw geheim en vraag hem of gij, hoe gewichtig, hoe vreeselijk, hoe kostbaar dit geheim ook zij, het mij kunt vertrouwen.” – „Maar dat geheim behoort mij niet; en ik mag het zoo maar niet openbaren.” – „Gij wildet het wel aan den heer Bonacieux mededeelen,” zeide d’Artagnan gebelgd. – „Zooals men een brief aan de holte van een boom, aan den vleugel eens vogels, of aan den halsband van een hond toevertrouwt.” – „En echter gij ziet wel, dat ik u bemin.” – „Gij zegt het.” – „Ik ben een man van eer.” – „Ik wil het gelooven.” – „Ik ben moedig.” – „O, hiervan ben ik overtuigd.” – „Welnu, stel mij dan op de proef.”

Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met een laatste weifeling. Maar in zijn oogen schitterde een zoo vurige gloed, in zijn stem lag zooveel overtuiging, dat zij zich eindelijk overgehaald voelde op hem te vertrouwen. Bovendien bevond zij zich in een dier omstandigheden, waarin men alles moet wagen. De koningin was even goed verloren door een te ver gedrevene achterhoudendheid, als door een al te groot vertrouwen. Vervolgens, wij moeten het bekennen, de onwillekeurige gewaarwording, die zij voor dien jongen beschermer gevoelde, noopte haar te spreken.

„Luister,” zeide zij. „Ik geloof uw betuigingen en onderwerp mij aan uw verzekering… Maar ik zweer u voor God, die ons hoort, dat, indien gij mij verraadt en mijn vijanden mij al mochten vergeven, ik mij echter het leven zal ontnemen en u van mijn dood beschuldigen.” – „En ik zweer u voor God, mejuffrouw!” zeide d’Artagnan, „dat indien ik gevangen word genomen, terwijl ik de bevelen zal ten uitvoer brengen, welke gij mij geeft, ik liever zal sterven, dan iets te zeggen of te doen, wat iemand in gevaar zou kunnen brengen.”

Toen deelde de jonge vrouw hem het verschrikkelijke geheim mede, waarvan het toeval hem reeds een gedeelte vóór de Samaritaine had geopenbaard. Het was een wederzijdsche liefdesverklaring. D’Artagnan’s gelaat blonk van vreugde en hoogmoed. Dat geheim, hetwelk hij bezat, die vrouw, welke hij beminde, het vertrouwen en de liefde maakten hem tot een reus.

„Ik vertrek,” zeide hij, „ik vertrek oogenblikkelijk.” – „Hoe, gij vertrekt!” riep juffrouw Bonacieux, „en uw kompagnie? uw kapitein?” – „Op mijn eer, gij hebt mij dat alles doen vergeten, lieve Constance! ja, gij hebt gelijk, ik heb een verlof noodig.” – „Wederom een hinderpaal,” lispte juffrouw Bonacieux smartelijk. – „O, dien!” riep d’Artagnan, na een oogenblik van overweging, „dien zal ik weten te overkomen, wees gerust.” – „Op wat wijze?” – „Ik zal nog heden avond den heer de Tréville een bezoek brengen, ik zal hem belasten, die gunst voor mij van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, te verzoeken.” – „Maar nu iets anders!” – „Wat?” – „Gij hebt misschien geen geld.” – „Misschien, is te veel,” zeide d’Artagnan glimlachende. – „Dan,” hernam juffrouw Bonacieux, een kast openende en daaruit den zak halende, dien een half uur te voren haar echtgenoot met zooveel teederheid streelde, „neem dien zak.” – „Dien van den kardinaal!” riep d’Artagnan, in gelach uitbarstende, want zooals men zich zal herinneren, was hem, tengevolge der uitgehaalde plaveien, geen woord ontgaan van het gesprek des winkeliers met zijn vrouw. – „De zak van den kardinaal,” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij ziet wel, dat hij zich onder een tamelijk achtenswaardig uiterlijk voordoet.” – „Pardieu!” riep d’Artagnan, „het zal voor mij dubbel vermakelijk zijn, de koningin te redden met het geld Zijner Eminentie.” – „Gij zijt een beminnelijk en bevallig jongeling,” zeide juffrouw Bonacieux, „geloof, dat Hare Majesteit niet ondankbaar zal zijn.” – „O, ik ben al rijkelijk beloond!” riep d’Artagnan; „ik bemin u, gij veroorlooft mij u zulks te zeggen, dat is al meer geluk dan ik durfde hopen…” – „Stil,” zeide juffrouw Bonacieux verschrikt. – „Wat?” – „Men spreekt op straat. Het is de stem van mijn man. Ja, ik heb haar herkend.”

D’Artagnan liep naar de deur en schoof den grendel er op. – „Hij zal niet eer binnenkomen, alvorens ik mij verwijderd heb,” zeide hij, „en dan kunt gij hem de deur openen.” – „Maar ik had ook moeten vertrokken zijn; en hoe de verdwijning van dien zak gelds te verklaren, indien ik er nog ben?” – „Gij hebt gelijk, gij moet ook van hier.” – „Maar hoe, hij zal ons zien uitgaan.” – „Dan moet gij in mijn kamer gaan.” – „O!” riep juffrouw Bonacieux, „gij zegt mij dit op een toon, die mij verschrikt.”

Juffrouw Bonacieux sprak deze woorden uit met tranen in de oogen. D’Artagnan zag die tranen en ontroerd, verteederd, wierp hij zich voor haar op de knieën. – „In mijn kamer zult gij zoo zeker als in een tempel zijn, op mijn woord van edelman!” – „Laat ons dan gaan,” zeide zij, „ik vertrouw mij aan u, mijn vriend!”

D’Artagnan schoof wederom den grendel van de deur en beiden, licht als schimmen, slopen door de binnendeur in de gang, klommen stil de trap op en traden de kamer van d’Artagnan binnen. Zoodra zij in de kamer waren, grendelde de jongeling tot meer zekerheid de deur; vervolgens naderden beiden het venster en door een reet van het luik zagen zij den heer Bonacieux, die met een man in een mantel gewikkeld in gesprek was. Op het zien van den mantel sprong d’Artagnan op, en zijn degen ten halve uittrekkende, snelde hij naar de deur. Het was de man van Meung.

„Wat wilt gij doen?” riep juffrouw Bonacieux; „gij zult ons in het verderf storten!” – „Maar ik heb gezworen, dien man om het leven te brengen!” zeide d’Artagnan. – „Uw leven is op het oogenblik aan den dienst van een andere gewijd en behoort u niet. In naam der koningin, verbied ik u volstrekt, u in eenig gevaar te begeven, dat vreemd aan uw reis is.” – „En beveelt gij niets uit uw naam?” – „In mijn naam,” zeide juffrouw Bonacieux met levendige aandoening, „in mijn naam smeek ik u er om. Maar luister, het schijnt dat zij over mij spreken.”

D’Artagnan naderde het venster en luisterde. De heer Bonacieux had de deur geopend, maar het vertrek ledig ziende, was hij naar den man met den mantel teruggekeerd, welken hij een oogenblik te voren verlaten had.

„Zij is vertrokken,” zeide hij, „zij zal naar het Louvre zijn teruggekeerd.” – „Gij zijt immers zeker,” antwoordde de vreemdeling, „dat zij betreffende het oogmerk van uw uitgaan niets heeft vermoed?” – „Neen,” antwoordde Bonacieux vol vertrouwen, „zij is een al te onnoozele vrouw.” – „Is de kadet der gardes te huis?” – „Ik geloof neen; zooals gij ziet is het raam zijner kamer gesloten, en men ziet niet het minste licht door de reten schijnen.” – „Dat doet er niet toe, wij moeten er ons van overtuigen.” – „Op wat wijze?” – „Door aan zijn deur te kloppen, terwijl ik zijn knecht zal ondervragen.” – „Goed.”

Bonacieux keerde in huis terug, ging dezelfde deur binnen, door welke de beide vluchtelingen waren vertrokken, klom de trap op tot aan de kamer van d’Artagnan en klopte. Niemand antwoordde. Porthos had, om meer pracht ten toon te spreiden, Planchet dien avond in zijn dienst genomen. Wat d’Artagnan betreft, deze zorgde er wel voor niet het minste teeken van leven te geven. Op het oogenblik, dat de vinger van Bonacieux op de deur klonk, voelden de jongelieden hun harten kloppen.

„Er is niemand in zijn kamer,” zeide Bonacieux. – „Het doet er niet toe, gaan wij liever in huis, wij zullen daar vertrouwelijker kunnen spreken dan voor de deur.” – „Ach, mijn God!” lispte juffrouw Bonacieux, „wij zullen nu niets meer hooren.” – „Integendeel,” zeide d’Artagnan, „wij zullen nu te beter kunnen hooren.”

D’Artagnan lichtte de drie of vier vloersteenen op, wat van zijn kamer een soort van oor van Dionysius maakte, spreidde een tapijt over den grond, ging op de knieën liggen en wenkte juffrouw Bonacieux, om zich over de opening te buigen, zooals hij deed.

„Gij zijt zeker, dat ons niemand kan beluisteren?” – „Niemand, dat verzeker ik u,” antwoordde Bonacieux. – „En gij denkt, dat uw vrouw naar het Louvre is teruggekeerd, zonder iemand anders gesproken te hebben dan u?” – „Daarvan ben ik zeker.” – „Gij begrijpt, dat het een gewichtig punt is.” – „Dus heeft het nieuws, dat ik u heb medegedeeld, eenige waarde?” – „Een zeer groote, mijn waarde Bonacieux! dat ontveins ik u niet.” – „Dan zal de kardinaal ook zeker tevreden over mij zijn?” – „Daar twijfel ik niet aan.” – „Die groote kardinaal!” – „Zijt gij zeker, dat uw vrouw, met u sprekende, zich geen namen heeft laten ontvallen?” – „Ik meen van neen.” – „Heeft zij mevrouw de Chevreuse, noch den hertog van Buckingham of mevrouw de Vernet genoemd?” – „Neen, zij heeft mij niets anders gezegd, dan dat zij mij naar Londen wilde zenden met een boodschap van een doorluchtig personage.”

„De verrader!” mompelde juffrouw Bonacieux. – „Stil,” zeide d’Artagnan, haar hand nemende, die zij hem gedachteloos overliet.

„Wat er van zij,” ging de man met den mantel voort, „gij hebt dwaas gehandeld, den schijn niet aangenomen te hebben, die boodschap te willen doen, dan zoudt gij thans den brief hebben; de staat, die bedreigd is, zou gered zijn, en gij…” – „En ik?” – „Wel, de kardinaal zou u brieven van adeldom hebben verleend.” – „Heeft hij het u gezegd?” – „Ja, ik weet, dat hij u hiermede wilde verrassen.” – „Wees gerust,” hernam Bonacieux, „mijn vrouw aanbidt mij, en het is nog tijd.”

„Die zot!” mompelde juffrouw Bonacieux. – „Stil,” herhaalde d’Artagnan, haar nog sterker de hand drukkende.

„Hoe! is het nog tijd?” hernam de man met den mantel. – „Ik keer naar het Louvre terug en vraag om juffrouw Bonacieux te spreken, aan wie ik zal zeggen, dat ik van gedachten veranderd ben; ik knoop de zaak weder aan, verkrijg den brief en spoed mij naar den kardinaal.” – „Welnu, haast u dan; ik zal fluks terug zijn, ten einde te vernemen hoe de zaak is afgeloopen;” en de vreemdeling vertrok.

„Die eerlooze!” zeide juffrouw Bonacieux, wederom haar man dien naam gevende. – „Stil!” herhaalde d’Artagnan, haar hand nog vuriger drukkende.

Een afgrijselijk gebrul brak op dat oogenblik de overwegingen van d’Artagnan en van juffrouw Bonacieux af. Het kwam voort van haar man, die, bemerkt hebbende dat zijn zak met geld was verdwenen, begon te roepen: „Houdt den dief! houdt den dief!”

Bonacieux schreeuwde een geruime poos maar dewijl naar dergelijke kreten niemand in de Doodgraversstraat luisterde, en daarenboven het huis van den winkelier sedert eenigen tijd in geen goede faam stond en hij niemand zag verschijnen, liep hij het huis uit, al schreeuwende, terwijl men zijn stem hoorde, die in de verte, in de richting der straat du Bac, wegstierf.

„En thans, nu hij weg is,” zeide juffrouw Bonacieux, „is het uw beurt, u ook te verwijderen; moed, maar vooral voorzichtigheid, en wees indachtig, dat gij der koningin behoort.” – „U en haar!” riep d’Artagnan. „Wees gerust, schoone Constance! ik zal harer erkentelijkheid waardig worden; maar zal ik, wederkeerende, uw liefde waardig zijn?” – De jonge vrouw antwoordde slechts door een levendigen blos, die haar wangen kleurde.

Eenige oogenblikken later verwijderde d’Artagnan zich op zijn beurt, ook in een wijden mantel gehuld, die van onder werd opgeheven door de scheede van een langen degen. Juffrouw Bonacieux volgde hem met de oogen en met dien smachtenden liefdeblik, dien de vrouw, welke voor een man liefde voelt ontstaan, op dezen werpt, wanneer hij zich verwijdert; maar toen hij om den hoek der straat verdween, viel zij op de knieën, en de handen vouwende, riep zij: „O, mijn God! bescherm de koningin! bescherm mij!”

HOOFDSTUK XIX.
Reisplan

D’Artagnan begaf zich rechtstreeks naar den heer de Tréville. Hij overwoog, dat de kardinaal na weinige oogenblikken door dien vervloekten onbekende, die zijn agent scheen te zijn, zou verwittigd worden, en bedacht, dat er geen oogenblik te verliezen was. Het hart des jongelings vloeide over van vreugd. Het was een avontuur, dat hem èn roem te verwerven, èn geld te winnen aanbood, en dat hem als eerste aanmoediging met een vrouw, die hij aanbad, in nauwere aanraking bracht. Het toeval schonk hem reeds bij den aanvang meer dan hij van de Voorzienigheid had durven vragen.

De heer de Tréville was in zijn salon met zijn gewoon gezelschap edellieden… D’Artagnan, dien men als een vriend des huizes kende, begaf zich rechtstreeks naar zijn kabinet en deed hem verwittigen, dat hij hem over iets zeer gewichtigs te spreken had.

D’Artagnan was nauwelijks vijf minuten daar, toen de heer de Tréville binnentrad. Bij den eersten aanblik de vreugd opmerkende, die op zijn gelaat blonk, begreep de waardige kapitein, dat er werkelijk iets nieuws moest wezen. Den geheelen weg langs had d’Artagnan bij zich zelven overlegd, of hij alles den heer de Tréville zou toevertrouwen, dan wel dezen alleen zou vragen hem het noodige verlof te geven ter uitvoering eener geheime zending. Maar de heer de Tréville was steeds zoo uitermate goed jegens hem geweest, hij was den koning en de koningin zoo genegen, terwijl hij den kardinaal zoozeer vijandig was, dat de jongeling besloot hem alles te zeggen.

„Gij hebt mij laten roepen, mijn jonge vriend?” – „Ja, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en gij zult mij verschoonen, hoop ik, u gestoord te hebben, wanneer gij het gewicht der zaak zult kennen, waarvan er sprake is.” – „Spreek dan, ik luister.” – „Het betreft niets minder,” zeide d’Artagnan, zijn stem verzachtende, „dan de eer en misschien wel het leven der koningin.” – „Wat zegt gij daar?” vroeg de heer de Tréville, rondziende om zich te verzekeren of zij wel alleen waren en daarna zijn vragenden blik weder op d’Artagnan vestigende. – „Ik zeg u, mijnheer! dat het toeval mij in het bezit heeft gesteld van een geheim.” – „Dat ik hoop, jongeling, dat gij uw leven lang zult bewaren.” – „Maar dat ik aan u, mijnheer, moet toevertrouwen, want gij alleen kunt mij helpen in de zending, die mij van wege Hare Majesteit is opgedragen geworden.” – „Behoort u dat geheim?” – „Neen, mijnheer, het behoort aan de koningin.” – „Is u door Hare Majesteit vergunning verleend het mij toe te vertrouwen?” – „Neen, mijnheer! integendeel, de grootste geheimhouding is mij aanbevolen.” – „En waarom wilt gij het dan aan mij mededeelen?” – „Omdat ik, ik herhaal het, zonder u niets kan doen en bevreesd ben, dat gij mij de gunst zult weigeren, die ik u kom verzoeken, indien gij niet weet, met welk oogmerk ik u die vraag doe.” – „Bewaar uw geheim, jongeling! en zeg mij wat gij verlangt.” – „Ik verlang, dat gij voor mij van den heer des Essarts een veertiendaagsch verlof verkrijgt.” – „Voor wanneer?” – „Voor nog dezen nacht.” – „Verlaat gij Parijs?” – „Ik moet een zending volbrengen.” – „Kunt gij mij zeggen waar?” – „In Londen.” – „Heeft iemand er belang bij, dat gij uw doel niet bereikt?” – „De kardinaal, geloof ik, zou alles ter wereld geven, om mijn reis te beletten.” – „En vertrekt gij alleen?” – „Ik vertrek alleen.” – „In dat geval zult gij Bondy niet voorbij komen! dat zeg ik u, zoo waar ik Tréville heet.” – „Waarom dat?” – „Men zal u vermoorden.” – „Ik zal sterven in het vervullen van mijn plicht.” – „Maar uw zending zal niet vervuld zijn.” – „Dat is waar,” zeide d’Artagnan.

„Geloof mij,” vervolgde de Tréville, „in dergelijke ondernemingen moet men een viertal zijn, opdat er één het doel bereike.” – „O! gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan; „maar gij kent Athos, Porthos en Aramis, en gij weet of ik over hen kan beschikken.” – „Zonder hun het geheim te vertrouwen, dat ik niet wil kennen?” – „Wij hebben elkander eens voor altijd een blind vertrouwen en onverbreekbare trouw gezworen; buitendien, gij kunt hun zeggen, dat gij volkomen vertrouwen in mij stelt, en zij zullen niet minder geloovig zijn dan gij.” – „Ik kan aan elk hunner een verlof van veertien dagen doen geworden, dat is al; aan Athos, wiens wonde hem nog steeds doet lijden, om naar de baden van Forges te gaan; aan Porthos en Aramis, om hun vriend te volgen, dien zij in een zoo smartelijken toestand niet willen verlaten. Het zenden hunner verlofpassen zal ten bewijze strekken, dat ik in hun reis toestem.” – „Ik dank u, mijnheer! voor uw zoo groote goedheid.” – „Ga hen dus oogenblikkelijk zoeken, en dat nog dezen nacht alles worde uitgevoerd. Ha! maar schrijf mij eerst uw verzoek aan den heer des Essarts. Een spion zou wellicht uw schreden gevolgd kunnen hebben, en uw bezoek, dat in dat geval reeds aan den kardinaal bekend is, wordt hierdoor verklaard.”

D’Artagnan stelde het verzoek op, en de heer de Tréville, het uit zijn handen ontvangende, verzekerde, dat vóór twee uur des ochtends de vier verlofpassen aan de huizen der belanghebbenden zouden zijn bezorgd.

„Wees zoo goed, mijnheer! den mijnen aan het huis van den heer Athos te doen afgeven,” zeide d’Artagnan. „Ik vrees, naar huis gaande, een slechte ontmoeting te hebben.” – „Wees gerust, vaarwel en goede reis!.. A propos!” zeide de heer de Tréville, hem terugroepende. – D’Artagnan keerde op zijn schreden terug. – „Hebt gij geld?” – D’Artagnan liet den geldzak klinken, dien hij bij zich had. – „Genoeg?” vroeg de heer de Tréville. – „Driehonderd pistolen.” – „Goed, met zooveel doet men een reis rondom de wereld; vaarwel dan!”

D’Artagnan groette den heer de Tréville, die hem de hand reikte. D’Artagnan drukte ze met eerbied en dankbaarheid. Sedert hij te Parijs was gekomen, was deze voortreffelijke man voor hem steeds goed geweest, en had hij hem nooit anders dan achtenswaardig, trouw en grootmoedig gevonden.

Zijn eerste bezoek gold Aramis; hij was bij zijn vriend, sedert dien gewichtigen avond, op welken hij juffrouw Bonacieux was gevolgd, niet teruggekeerd. En wat meer zegt, nauwelijks had hij den jongen musketier weergezien, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, meende hij een diepe treurigheid op zijn aangezicht te zien uitgedrukt. Ook dezen avond vond hij Aramis wakende, in treurige droomerijen verzonken. D’Artagnan deed hem eenige vragen omtrent deze langdurige droefgeestigheid; Aramis verontschuldigde zich met een uitlegging van het achttiende kapittel van den Heiligen Augustinus, dat hij in het Latijn voor de volgende week moest gereed hebben en dat hem veel hoofdbrekens veroorzaakte.

Terwijl de beide vrienden eenige oogenblikken aldus gesproken hadden, trad een dienaar des heeren de Tréville met een verzegeld pakket binnen. – „Wat is dat?” vroeg Aramis. – „Het verlof, waarom mijnheer heeft verzocht,” antwoordde de lakei. – „Ik? ik heb geen verlof gevraagd.” – „Zwijg en neem aan!” zeide d’Artagnan. „En ziedaar, mijn vriend! hebt gij een halve pistool voor uw moeite; gij zult den heer de Tréville zeggen, dat de heer Aramis hem van harte laat bedanken. Ga!” – De lakei maakte een diepe buiging en vertrok.

„Wat beteekent dat?” vroeg Aramis. – „Neem het noodige voor een reis van veertien dagen en volg mij.” – „Maar ik kan Parijs voor het oogenblik niet verlaten, zonder te weten…” – Aramis zweeg. – „Wat er van haar geworden is, niet waar?” vroeg d’Artagnan. – „Van wie?” hernam Aramis. – „Van de vrouw, die hier was, de vrouw met den geborduurden zakdoek.” – „Wie heeft u gezegd, dat hier een vrouw is geweest?” vroeg Aramis, als een doode verbleekende. – „Ik heb haar gezien.” – „En gij weet wie zij is?” – „Ik vermoed het.” – „Welnu,” zeide Aramis, „dewijl gij zooveel zaken weet, weet gij dan ook wat er van die vrouw geworden is?” – „Ik veronderstel, dat zij naar Tours is teruggekeerd.” – „Tours? ja, dat is het, gij kent haar! Maar hoe komt het, dat zij naar Tours teruggekeerd is, zonder mij te verwittigen?” – „Omdat zij vreesde te worden aangehouden.” – „Waarom heeft zij mij niet geschreven?” – „Omdat zij vreesde u in ongelegenheid te brengen.” – „D’Artagnan, gij geeft mij het leven weder!” riep Aramis. „Ik meende verraden te zijn; ik was zoo gelukkig haar weder te zien! ik kon niet gelooven, dat zij haar vrijheid voor mij zou wagen, en toch, voor welke andere reden zou zij te Parijs zijn gekomen?” – „Voor dezelfde reden, die ons naar Engeland doet gaan.” – „En wat is die reden?” vroeg Aramis. – „Gij zult het eenmaal weten, Aramis! maar voor het oogenblik zal ik de stilzwijgendheid in acht nemen omtrent de nicht van den doctor in de godgeleerdheid.”

Aramis glimlachte, want hij herinnerde zich het sprookje, dat hij op zekeren avond aan zijn vrienden had verhaald. – „Welnu, dewijl zij Parijs heeft verlaten en gij er zeker van zijt, d’Artagnan! houdt mij niets meer terug en ik ben bereid u te volgen. Gij zegt, dat wij gaan…” – „Voor het oogenblik naar Athos, en als gij wilt medegaan, verzoek ik u haast te maken, want wij hebben reeds veel tijd verloren. A propos! neem Bazijn mede.” – „Moet Bazijn ons vergezellen?” vroeg Aramis. – „Misschien; in alle geval is het noodzakelijk, dat hij ons nu naar Athos volgt.”

Aramis riep Bazijn, en na hem bevolen te hebben ten huize van den heer Athos zich bij hem te voegen, zeide hij: „Laat ons vertrekken,” en hij nam zijn mantel, zijn degen en zijn pistolen; toen trok hij drie of vier laden open, om te zien of er niet een of ander vergeten geldstuk in verscholen was. Vervolgens, toen hij zich overtuigd had, dat deze nazoeking vruchteloos was, volgde hij d’Artagnan, zich zelven afvragende, hoe de jonge kadet der garde even goed wist als hij, wie de vrouw was, aan welke hij de gastvrijheid had aangeboden en beter dan hij wist, wat er van haar geworden was.

Toen zij de kamer verlieten, legde Aramis zijn hand op den arm van d’Artagnan en hem strak aanziende, vroeg hij: „Hebt gij aan niemand over die vrouw gesproken? Aan niemand ter wereld, zelfs niet aan Athos of Porthos?” – „Ik heb er geen woord van gezegd.” – „Des te beter!” – En omtrent dit gewichtig punt gerustgesteld, vervolgde Aramis zijn weg met d’Artagnan en beiden kwamen dra bij Athos.

Zij vonden hem in de eene hand zijn verlofpas, in de andere den brief van den heer de Tréville houdende. – „Kunt gij mij verklaren, wat dat verlof en die brief beteekenen, welke ik zooeven ontvang?” vroeg Athos verbaasd:

„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naar Forges de baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden, en herstel spoedig.

Uw toegenegen
Tréville.”

„Wel, dat verlof en die brief beteekenen, dat gij mij moet volgen, Athos!” – „Naar de mineraalbronnen van Forges?” – „Dáár of elders.” – „Voor den dienst des konings?” – „Des konings of der koningin. Zijn wij geen dienaren van beiden?”

Op dat oogenblik trad Porthos binnen. – „Pardieu!” zeide hij, „ziedaar iets zonderlings; sedert wanneer is het de gewoonte onder de musketiers geworden, de lieden verlof te geven, zonder dat zij er om vragen?” – „Sedert zij vrienden hebben, die het voor hen vragen,” antwoordde d’Artagnan. – „Zoo!” zeide Porthos, „het schijnt dat er wat nieuws is voorgevallen.” – „Ja, wij vertrekken,” zeide Aramis. – „Naar welk land?” vroeg Porthos. – „Op mijn woord, ik weet het niet,” zeide Athos, „vraag het aan d’Artagnan.”

„Naar Londen, mijne heeren!” zeide d’Artagnan. – „Naar Londen?” riep Porthos; „en wat moeten wij te Londen doen?” – „Dat kan ik u niet zeggen, mijne heeren! en gij moet in mij vertrouwen stellen.” – „Maar om naar Londen te gaan is er geld noodig, en ik heb het niet.” – „Noch ik,” zeide Aramis. – „Noch ik,” zeide Athos. – „Maar ik heb het!” zeide d’Artagnan, zijn schat uit zijn zak halende en dien op tafel leggende. „Er zijn in dezen zak driehonderd pistolen; nemen wij er elk vijf en zeventig; dat is genoeg om naar Londen te gaan en weer terug te keeren. Maar weest gerust, allen komen wij toch niet te Londen.” – „En waarom niet?” – „Omdat, volgens alle waarschijnlijkheid, eenigen onzer onderweg zullen blijven.” – „Maar gaan wij dan een veldtocht beginnen?” – „Ja, en wel een zeer gevaarlijken, dat zeg ik u vooruit.” – „Doch hoor eens,” zeide Porthos, „indien wij het leven wagen, wilde ik ten minste weten, waarom?” – „Daarmede zoudt gij ver gevorderd zijn,” hernam Athos. – „Echter,” zeide Aramis, „ben ik van het gevoelen van Porthos.” – „Heeft de koning de gewoonte u rekenschap te geven? Neen, hij zegt u eenvoudig: Mijne heeren! men strijdt in Gaskonje of in Vlaanderen; gaat ten oorlog! en gij gaat. Waarom? gij bekommert u hierover niet eens.” – „D’Artagnan heeft gelijk,” zeide Athos. „Ziedaar onze drie verlofpassen, die ons de heer de Tréville zendt, en ziedaar driehonderd pistolen, die komen, ik weet niet van waar. Gaan wij den dood tegemoet, waar men ons zegt te gaan. Is het leven zooveel vragen waard? D’Artagnan! ik ben bereid u te volgen.” – „En ik ook!” zeide Porthos. – „En ik ook!” herhaalde Aramis. „Daarbij, het doet mij geen leed Parijs te verlaten. Ik moet ontspanning hebben.” – „Welnu, gij zult ontspanning hebben, mijne heeren! weest gerust,” zeide d’Artagnan.

„En wanneer vertrekken wij?” vroeg Athos. – „Onmiddellijk,” antwoordde d’Artagnan; „er is geen minuut te verliezen.”

„Hola! Grimaud, Planchet, Mousqueton, Bazijn!” schreeuwden de vier jongelingen, hun lakeien roepende, „poetst onze laarzen en haalt de paarden uit het hotel,” want elk musketier liet in het hotel der musketiers, als in een kazerne, zijn paard en dat van zijn lakei staan. – Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertrokken in allerijl.

„Maken wij thans een plan van den veldtocht,” zeide Porthos; „werwaarts gaan wij het eerst?” – „Naar Calais,” zeide d’Artagnan, „dat is de naaste weg om naar Londen te gaan.” – „Welnu,” zeide Porthos, „ziehier mijn plan.” – „Spreek!” – „Vier mannen, te zamen reizende, zullen achterdocht opwekken; daarom moet d’Artagnan elk onzer zijn voorschriften geven. Ik zal den weg van Boulogne nemen als voorhoede; Athos zal, twee uren later, dien van Amiëns nemen, en Aramis zal ons langs dien van Noyon volgen; wat d’Artagnan betreft, deze zal den weg nemen, dien hij verkiest, in de kleederen van Planchet, terwijl Planchet ons zal volgen in die van d’Artagnan, in de uniform der gardes.” – „Mijne heeren! naar mijn inzien is het niet betamelijk, lakeien in dergelijke zaken te mengen; een geheim kan toevalligerwijze door een edelman worden verraden, maar door lakeien wordt het gewoonlijk verkocht.” – „Het plan van Porthos schijnt mij onuitvoerbaar te zijn,” zeide d’Artagnan, „daar ik zelf niet weet, welke voorschriften ik u zou kunnen geven. Ik ben met een brief belast, dat is alles. Ik heb geen afschriften van dezen brief, noch kan die er van maken, dewijl hij verzegeld is; wij moeten dus, naar mijn gedachte, in gezelschap reizen. Die brief is hier, in dezen zak;” en hij toonde den zak, waarin zich de brief bevond. „Indien ik gedood word, zal een uwer er zich mede belasten; en gij zult uw weg vervolgen; indien hij gedood wordt, dan is het de beurt van een anderen, en zoo vervolgens; als er slechts één aankomt, dat is genoeg.”

„Bravo, d’Artagnan! ik ben met u van hetzelfde gevoelen,” zeide Athos. „Buitendien, men moet zich gelijk blijven; ik ga de baden gebruiken, en gij vergezelt mij; in plaats van de bronnen van Forges ga ik de zeebaden gebruiken; hierin ben ik vrij. Indien men ons wil aanhouden, dan vertoon ik den brief van den heer de Tréville, en gij vertoont uw verlofpassen; wanneer men ons aanvalt, verdedigen wij ons; wanneer men ons veroordeelt, houden wij staande, dat wij geen ander voornemen hadden, dan om ons een zeker getal keeren in zee te dompelen; men kan gemakkelijk vier afzonderlijk reizenden overweldigen, maar vier mannen, die vereenigd zijn, vormen een kleine bende; wij zullen onze vier lakeien met pistolen en musketten wapenen, indien men een leger op ons afzendt, zullen wij den slag leveren, en de overblijvende, zooals d’Artagnan zegt, zal zich met den brief belasten.” – „Goed!” riep Aramis. „Gij spreekt niet dikwijls, maar wanneer gij spreekt, is het als Jan Goudmond. Ik keur het plan van Athos goed, en gij Porthos?” – „Ik ook,” zeide Porthos, „als het d’Artagnan bevalt. D’Artagnan, als bewaarder van den brief, is natuurlijk het hoofd der onderneming; dat hij besluite, en dat wij ten uitvoer brengen.” – „Welnu,” zeide d’Artagnan, „ik besluit, dat wij het plan van Athos moeten aannemen en binnen een half uur vertrekken.” – „Aangenomen!” herhaalden eenstemmig de drie musketiers.

En allen de hand naar den zak uitstrekkende, nam elk voor zich vijf en zeventig pistolen, waarna ieder zijn toebereidselen maakte om op het bepaalde uur te vertrekken.

HOOFDSTUK XX.
De reis

Te twee uur verlieten onze vier avonturiers Parijs door de poort van Saint Denis; gedurende den geheelen nacht spraken zij geen woord; onwillekeurig ondervonden zij den invloed, dien de duisternis op hen uitoefende, en zij meenden in alles hinderlagen te zien. Bij de eerste stralen des dageraads geraakten hun tongen los; met de zon kwam hun vroolijkheid terug; het was als voor den dag van een veldslag, wanneer het hart klopt, de oogen glimlachen en men gevoelt, dat het leven, hetwelk men misschien gaat verliezen, bij slot van rekening toch een goede zaak is. De aanblik op de karavaan was overigens zeer ontzaginboezemend: de zwarte paarden der musketiers, hun krijgshaftige houding, de gewoonte, in gelederen te zijn geschaard, deed die fiere makkers van den soldaat voortschrijden op een wijze, dat zij het stiptst bewaarde incognito verraden zouden hebben. – De knechts volgden van top tot teen gewapend.

Alles ging goed tot aan Chantilly, waar men tegen acht uur des ochtends aankwam. Men wilde ontbijten. Men steeg af voor een herberg, welke zich aanbeval door een uithangbord, St. Martinus voorstellende, de helft van zijn mantel aan een arme gevende. Men gelastte de knechts de paarden niet af te zadelen en zich gereed te houden onmiddellijk weder te vertrekken. Men trad de gelagkamer binnen en zette zich aan tafel. Een edelman, die den weg van Dammartin was afgekomen, zat aan dezelfde tafel en ontbeet. Hij ving het gesprek aan met over regen en zonneschijn te spreken; de reizigers antwoordden; hij dronk op hun gezondheid, de reizigers beantwoordden zijn beleefdheid.

Maar op het oogenblik dat Mousqueton kwam berichten, dat de paarden gereed waren, en men van tafel opstond, stelde de vreemdeling Porthos voor op de gezondheid van den kardinaal te drinken. Porthos antwoordde, dat hem niets aangenamer zou zijn, indien de vreemdeling op zijn beurt op de gezondheid des konings wilde drinken. De vreemdeling riep uit, dat hij geen anderen koning kende dan Zijne Eminentie. Porthos schold hem voor een dronkaard uit; de vreemdeling trok zijn degen.

„Gij hebt een dwaasheid begaan,” zeide Athos, „maar het is niet anders, nu kunt gij niet meer terugtrekken: stoot dien man neer en vereenig u met ons zoodra mogelijk.” – En alle drie stegen te paard en verwijderden zich met lossen teugel, terwijl Porthos zijn vriend beloofde, hem met al de in de schermkunst bekende degenstooten te doorboren.

„Dat is er een,” zeide Athos, na ongeveer vijfhonderd schreden te hebben afgelegd. – „Maar waarom heeft die man Porthos liever dan een onzer aangevallen?” vroeg Aramis. – „Omdat hij Porthos, die meer sprak dan wij allen, als het hoofd beschouwde,” zeide d’Artagnan. – „Ik heb altijd gezegd, dat die Gaskonjer een put van wijsheid is,” mompelde Athos. En de reizigers vervolgden hun weg.

Te Beauvais bleef men twee uren stil, zoowel om de paarden te doen rusten als om Porthos te wachten. Na verloop van twee uren ging men weder op weg, daar Porthos niet kwam, noch de minste tijding van zich gaf.

Op een uur afstands van Beauvais, bij een plek, waar de weg tusschen een bergkloof loopt, ontmoette men acht of tien mannen, die, van de gesteldheid des wegs gebruik makende, welke daar ter plaatse van steenen was ontbloot, zich hielden, alsof zij er aan werkten door het delven van gaten en het maken van slijkachtige sporen.

Aramis, die in dien kunstmatigen modderpoel vreesde zijn laarzen te zullen bevlekken, sprak hen ongemakkelijk aan. Athos wilde hem tegenhouden, het was te laat. De werklieden begonnen de reizigers te bespotten en maakten zelfs het hoofd van den koelen Athos op hol, die zijn paard tegen een hunner injoeg. Toen weken al die mannen achteruit, tot aan den kant van den weg, waar zij eenige verborgen musketten grepen. Hiervan was het gevolg, dat onze zeven reizigers letterlijk een hagelbui van kogels door gingen. Aramis ontving een kogel, die hem den schouder doorboorde, en Mousqueton werd door een getroffen, die zich in het vleezige gedeelte der lendenen vestigde. Intusschen was het alleen Mousqueton, die van zijn paard viel; niet dat hij zwaar gekwetst was, maar uit hoofde hij, zijn wonden niet kunnende zien, meende gevaarlijker gekwetst te zijn dan wezenlijk het geval was. – „Dat is een hinderlaag,” zeide d’Artagnan, „geven wij geen vuur, maar voorwaarts!”

Aramis, hoezeer gekwetst, greep de manen van zijn paard, dat met de anderen voortjoeg. Dat van Mousqueton had hen bereikt en galoppeerde los in het gelid. – „Het zal ons tot een wisselpaard verstrekken,” zeide Athos. – „Ik had liever een hoed,” zeide d’Artagnan; „want de mijne is door een kogel weggenomen. Het is wel gelukkig dat de brief, dien ik bij mij heb, er niet in was.” – „Maar zij zullen dien armen Porthos om het leven brengen, wanneer hij zal voorbijkomen,” zeide Aramis. – „Indien Porthos goed ter been was, zou hij ons thans reeds hebben bereikt; ik geloof, dat, op de plaats des gevechts, de dronkaard nuchter zal zijn geworden.” – En men galoppeerde nog gedurende een paar uren, hoewel de paarden zeer vermoeid waren, zoodat het te vreezen stond, dat zij weldra hun dienst zouden weigeren.

De reizigers hadden een binnenweg ingeslagen, op die wijze hopende minder verontrust te worden, maar te Crèvecoeur verklaarde Aramis niet verder te kunnen gaan. En waarlijk, onder zijn bevallig uiterlijk en zijn beleefde manieren had hij de grootste kracht moeten inspannen om tot zooverre te geraken. Elk oogenblik verbleekte hij al meer, en men was genoodzaakt hem op zijn paard te ondersteunen; men hielp hem van zijn paard af, voor de deur eener herberg, en liet Bazijn bij hem, die trouwens in een schermutseling lastiger dan nuttig was, en men vertrok, in de hoop te Amiëns den nacht door te brengen.

„Morbleu!” zeide Athos, toen zij weder op weg waren, en de troep geslonken was tot twee meesters, Grimaud en Planchet. „Morbleu! ik zal mij niet meer laten verleiden; en ik beloof u, dat men niet in staat zal zijn mij den mond te doen openen of den degen te trekken van hier tot Calais; dat zweer ik.” – „Zweren wij niet,” zeide d’Artagnan, „galoppeeren, dat is meer noodzakelijk, althans, indien onze paarden hierin bewilligen.” – En de reizigers drukten hun sporen in de buiken hunner paarden, die, geweldig geprikt, hun krachten terugvonden.

Men kwam te middernacht in Amiëns, waar men voor de herberg de Gouden Lelie afsteeg. – De herbergier zag er uit als de eerlijkste man der wereld; hij ontving de reizigers, in de eene hand een blaker en in de andere zijn katoenen slaapmuts houdende; hij wilde de beide reizigers elk een fraaie kamer geven; maar ongelukkig was elk dier beide kamers aan een der einden van de herberg. D’Artagnan en Athos weigerden; de herbergier verzekerde hun echter, dat hij geen andere had, waardig Hunne Excellentiën te herbergen; maar de reizigers verklaarden, dat zij in de gelagkamer op een op den grond gespreide matras zouden slapen; de herbergier drong nog meer aan… de reizigers hielden vol… men moest doen, wat zij verlangden.

Zij waren juist gereed met hun bed in orde te brengen en de deur van binnen te grendelen en te versperren, toen er op een der vensterluiken, die op de plaats uitkwamen, geklopt werd; zij vroegen, wie er was, herkenden de stem hunner knechts en openden. – Inderdaad, het waren Planchet en Grimaud. – „Grimaud zal voldoende zijn om de paarden op te passen,” zeide Planchet, „als de heeren het verkiezen, zal ik voor de deur gaan liggen; op die wijze zullen wij zeker zijn, dat men hen niet zal overvallen.” – „En waarop zult gij liggen?” vroeg d’Artagnan. – „Dat is mijn bed,” antwoordde Planchet, en hij vertoonde een bos stroo. – „Kom dan,” zeide d’Artagnan, „gij hebt gelijk, het gezicht van dien herbergier bevalt mij niet, het is al te vriendelijk.” – „Noch aan mij,” zeide Athos.

Planchet klom het venster in en ging voor de deur liggen, terwijl Grimaud zich in den stal opsloot, zijn woord gevende dat, te vijf uur des ochtends, hij en de vier paarden bij de hand zouden zijn. De nacht was tamelijk rustig; men trachtte wel, tegen twee uur in den morgen, de deur te openen, maar daar Planchet ijlings ontwaakte en riep: Wie dáár! werd geantwoord, dat men zich vergist had en men verwijderde zich.

Des morgens te vier uur hoorde men een groot geweld in den stal. Grimaud had de stalknechts willen wekken en dezen ranselden hem af. Toen men het venster opende, ontwaarde men den armen jongen, buiten kennis liggend, met een gat in het hoofd, hem door den steel van een hooivork toegebracht. Planchet ging naar beneden op de plaats en wilde de paarden zadelen; maar de paarden waren verstijfd. Dat van Grimaud alleen, hetwelk zonder ruiter vijf of zes uren den vorigen dag geloopen had, zou de reis hebben kunnen vervolgen; maar door een onbegrijpelijke vergissing had de veearts, dien men was gaan halen, naar het schijnt, in plaats van het paard des herbergiers dat van Grimaud een aderlating gedaan. Dat begon onrustwekkend te worden; al die opeenvolgende tegenspoeden waren toevalligerwijze ontstaan, maar zij konden evenzeer de gevolgen van een complot zijn.

Athos en d’Artagnan gingen uit, terwijl Planchet ging vernemen, of er niet een drietal paarden in den omtrek te koop waren. Voor de deur stonden twee paarden getoomd en gezadeld, frisch en sterk. Dat was juist wat men zocht. Hij vroeg naar de eigenaars en men antwoordde hem, dat de eigenaars den nacht in de herberg hadden doorgebracht en nu bezig waren den herbergier te betalen.

Athos ging naar beneden om ook de vertering te betalen, terwijl d’Artagnan en Planchet voor de deur op straat bleven; de herbergier bevond zich in een zeer afgelegen benedenvertrek; men verzocht Athos zich ook derwaarts te begeven. Athos trad zonder achterdocht binnen en haalde twee geldstukken te voorschijn, om te betalen. De herbergier was alleen en zat voor zijn schrijftafel, van welke een der laden geopend was. Hij nam het geld aan, dat Athos hem aanbood, keerde het om en om in zijn hand en riep eensklaps uit, dat het stuk valsch was, verklarende, dat hij hem en zijn makker als valsche munters zou doen gevangen nemen.

„Snaak,” zeide Athos, hem naderende, „ik zal u de ooren afsnijden.” – Maar de herbergier bukte, nam twee pistolen uit de lade en richtte ze op Athos, tevens om hulp roepende.

Tegelijkertijd traden vier goed gewapende mannen door de zijdeuren binnen en wierpen zich op Athos. – „Ik ben overweldigd!” riep Athos, uit al de kracht zijner longen, „maak u voort, d’Artagnan! voort, voort!” – En hij schoot zijn beide pistolen af.

D’Artagnan en Planchet lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij maakten de beide paarden los, die voor de deur stonden, sprongen er op, staken ze hun sporen diep in de zijden en vloden in een driedubbelen galop.

„Weet gij, wat er van Athos is geworden?” vroeg d’Artagnan aan Planchet. – „Ik heb er twee zien vallen op beide schoten, en door de glazen deur meende ik hem met de anderen te zien schermen.” – „Dappere Athos!” mompelde d’Artagnan. „En wanneer men er aan denkt, dat men hem aan zijn lot moet overlaten! Trouwens, misschien wacht ons hetzelfde lot op tien schreden van hier. Voorwaarts, Planchet! voorwaarts! gij zijt een moedige kerel.” – „Ik heb het gezegd, mijnheer! de Pikardiërs leert men in het gebruik kennen; daarenboven, ik ben hier in mijn land, en dat moedigt mij aan.”

Opnieuw hun rossen aansporende, kwamen beiden te Saint-Omer zonder zich te hebben opgehouden. Te Saint-Omer lieten zij hun paarden uitrusten, den toom aan hun armen vasthoudende, uit vrees van eenig ongeval, en aten een stuk uit de hand op straat, waarna zij verder togen.

Op honderd schreden van de poort van Calais viel het paard van d’Artagnan neer; er was geen middel om het weer te doen opstaan, het bloed kwam hem uit neus en oogen. Nu bleef dat van Planchet nog over; maar het was stil blijven staan, en er was evenmin middel om het weer aan het loopen te krijgen. Gelukkig, zooals wij zeiden, waren zij op honderd schreden afstands van de stad. Zij lieten de beide paarden op den weg staan en snelden naar de haven.

Planchet maakte zijn meester opmerkzaam op een edelman, die op een afstand van slechts vijftig schreden voor hen uit liep. Overhaast naderden zij den edelman, die ook veel haast scheen te hebben. Zijn laarzen waren met stof bedekt en hij deed onderzoek, of hij niet onmiddellijk naar Engeland kon oversteken.

„Niets ware gemakkelijker,” antwoordde de kapitein van een vaartuig, dat zeilklaar lag; „maar dezen ochtend is er bevel ontvangen, niemand te laten vertrekken, zonder een uitdrukkelijk verlof van den kardinaal.” – „Ik heb dat verlof,” zeide de edelman, een papier te voorschijn halende, „ziedaar.” – „Laat het door den gouverneur voor gezien teekenen,” zeide de kapitein, „en geef mij de voorkeur.” – „Waar kan ik den gouverneur vinden?” – „Op zijn buiten.” – „En waar ligt dat buiten?” – „Op een kwartieruurs afstand van de stad; dáár, gij kunt het van hier zien, aan den voet van die hoogte, dat leien dak.” – „Zeer goed,” zeide de edelman. En door zijn lakei gevolgd, sloeg hij den weg in naar het buitenverblijf des gouverneurs.

D’Artagnan en Planchet volgden den edelman op vijfhonderd schreden afstands. Eenmaal buiten de stad zijnde, verdubbelde d’Artagnan zijn schreden en bereikte den edelman op het oogenblik, dat hij in een klein boschje trad.

„Mijnheer,” sprak d’Artagnan tot hem, „gij schijnt zeer veel haast te hebben.” – „Men kan niet meer haast hebben, mijnheer!” – „Het doet mij leed,” zeide d’Artagnan, „want evenals gij heb ik ook veel haast; ik wilde u daarom verzoeken, mij een dienst te bewijzen.” – „Welken?” – „Mij te laten voorgaan.” – „Ik heb zestig mijlen in vier en veertig uur afgelegd en ik moet morgen op den middag te Londen zijn.” – „Ik heb dienzelfden weg in veertig uur afgelegd en ik moet morgenochtend om tien uur te Londen zijn.” – „Het spijt mij, mijnheer! maar ik ben de eerste hier geweest, en ik zal mij niet laten voorbijgaan. ’s Konings dienst?” vroeg de edelman. – „Voor mijn eigen dienst,” antwoordde d’Artagnan. – „Maar het schijnt, alsof gij met mij twist wilt zoeken.” – „Pardieu! wat denkt gij, dat het anders zij?” – „Wat begeert gij?” – „Wilt gij het weten?” – „Zeker.” – „Welnu, ik begeer het bevelschrift, dat gij bij u hebt, omdat ik er geen heb en er een moet hebben.” – „Gij schertst, veronderstel ik.” – „Ik scherts nooit. Laat mij voorbij.” – „Gij zult mij niet voorgaan, mijn beste jongen! ik zal u het hoofd aan stukken slaan. Hola, Lubijn, geef mijn pistolen.” – „Planchet!” zeide d’Artagnan, „zorg gij voor den knecht, ik zal mij met den meester belasten.”

Planchet, door zijn vroegere daad stoutmoedig geworden, viel op Lubijn aan, en daar hij groot en sterk was, wierp hij hem op den grond en zette hem de knie op de borst. – „Ga uw gang, mijnheer!” zeide Planchet, „ik ben klaar.”

Dit ziende trok de edelman zijn degen en viel op d’Artagnan aan; maar deze was hem te sterk. In drie seconden bracht d’Artagnan hem drie steken toe, bij elken stoot uitroepende: „Eén voor Athos, één voor Porthos, één voor Aramis.”

Bij den derden stoot viel de edelman als een levenlooze klomp neer. D’Artagnan, meenende dat hij dood of ten minste in onmacht gevallen was, naderde hem, om hem het bevelschrift af te nemen. Maar op het oogenblik dat hij den arm uitstrekte om zijn zakken te onderzoeken, bracht de edelman, die zijn degen nog vasthield, hem een steek in de borst toe, zeggende: „Een voor u!” – „En een voor u! de laatste de beste!” riep d’Artagnan woedend, en nagelde hem aan den grond met een vierden steek in den buik. – Nu sloot de edelman zijn oogen en viel in onmacht.

D’Artagnan tastte in den zak, waarin hij hem het bevelschrift ter overvaart had zien steken en eigende het zich toe. Het was op naam van den graaf de Wardes. Toen een laatsten blik op den schoonen jongeling werpende, die nauwelijks vijf en twintig jaar was, en dien hij bewusteloos en misschien wel dood liet liggen, slaakte hij een zucht bij de gedachte aan dat zonderlinge lot, dat de menschen er toe brengt elkander te vernielen, en zulks om de oogmerken te dienen van die hen geheel vreemd zijn, en die somwijlen zelfs niet eens weten, dat zij bestaan.

Maar dra werd hij in deze overwegingen gestoord door het gebrul van Lubijn, die uit al zijn macht om hulp riep. Planchet neep hem met de hand zoo nauw mogelijk de keel dicht.

„Mijnheer!” zeide hij, „zoolang ik hem op die wijze vasthoud, zal hij niet schreeuwen, daarvan ben ik zeker; maar zoodra ik hem loslaat, zal hij wederom beginnen. Ik meen in hem een Normandiër te herkennen en de Normandiërs zijn koppig.” – En waarlijk, hoe beklemd ook, trachtte Lubijn nog eenige klanken voort te brengen. – „Wacht maar even,” zeide d’Artagnan, en zijn zakdoek nemende, stopte hij hem den mond dicht. – „Thans,” zeide Planchet, „zullen wij hem aan een boom binden.”

Dit werd met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Toen trok men den graaf de Wardes bij zijn knecht, en daar de avond begon te vallen, en de geknevelde en de gekwetste beiden zich eenige schreden ver in het boschje bevonden, was het natuurlijk, dat zij daar tot den volgenden morgen moesten blijven.

„En nu,” zeide d’Artagnan, „naar den gouverneur!” – „Gij schijnt gekwetst te zijn,” zeide Planchet. – „Dat is niets, bemoeien wij ons met hetgeen het meeste haast heeft; vervolgens zullen wij aan mijn wonde denken, die mij trouwens niet zeer gevaarlijk schijnt.” – En beiden begaven zich ijlings naar het buiten van den waardigen ambtenaar.

Men meldde den heer graaf de Wardes aan. D’Artagnan werd binnengeleid. – „Gij hebt een bevel, door den kardinaal onderteekend?” vroeg de gouverneur. – „Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „ziehier.” – „Ha! het is in goeden vorm en behoorlijk door den kardinaal geteekend,” zeide de gouverneur. – „Dat is natuurlijk,” antwoordde d’Artagnan, „ik ben een zijner getrouwsten.” – „Het schijnt, dat Zijne Eminentie iemand wil beletten naar Engeland over te steken?” – „Ja, een zekeren d’Artagnan, een Bearneesch edelman, die Parijs heeft verlaten in gezelschap van drie zijner vrienden, met voornemen Londen te bereiken.” – „Kent gij hem persoonlijk?” vroeg de gouverneur. – „Wien?” – „Dien d’Artagnan.” – „Zeker.” – „Geef mij dan zijn signalement.” – „Niets is gemakkelijker.”

En d’Artagnan gaf trek voor trek het signalement van den graaf de Wardes op. – „Heeft hij iemand bij zich?” vroeg de gouverneur. – „Ja, een knecht, Lubijn genaamd.” – „Men zal hen in het oog houden, en wanneer men hen in handen krijgt, kan Zijne Eminentie gerust zijn; zij zullen, goed bezorgd, naar Parijs worden teruggevoerd.” – „Hierdoor, mijnheer de gouverneur!” zeide d’Artagnan, „zult gij u in het oog des kardinaals niet weinig verdienstelijk maken.” – „Zult gij hem zien bij uw terugkomst, mijnheer de graaf?” – „Zonder twijfel.” – „Zeg hem, als ik u verzoeken mag, dat ik zijn onderdanige dienaar ben.” – „Ik zal het niet verzuimen.” – En, door deze verzekering verheugd, teekende de gouverneur het paspoort en stelde het d’Artagnan weder ter hand.

D’Artagnan verloor zijn tijd niet in nuttelooze plichtplegingen, hij groette den gouverneur, bedankte hem en vertrok. Zoodra zij het huis hadden verlaten, spoedden hij en Planchet zich voort en een langen omweg makende, vermeden zij het bosch en traden de stad door een andere poort binnen. Het vaartuig lag nog altijd gereed om onder zeil te gaan; de kapitein wachtte op de kade.

„Wel?” riep hij, d’Artagnan bespeurende. – „Ziehier mijn paspoort voor gezien geteekend,” zeide deze. – „En die andere edelman?” – „Hij zal vandaag niet vertrekken,” zeide d’Artagnan; „maar wees gerust, ik zal de vracht voor ons beiden betalen.” – „Laat ons in dat geval vertrekken,” hernam de kapitein. – „Laat ons vertrekken,” herhaalde d’Artagnan. En hij sprong met Planchet in de boot; vijf minuten later waren zij aan boord.

Het was tijd; op een halve mijl afstand in zee zag d’Artagnan een licht schitteren en hoorde hij een kanonschot. Het was dat, hetwelk de sluiting der haven aankondigde. Nu werd het ook tijd, dat hij aan zijn wonde dacht; gelukkig was zij, zooals d’Artagnan had gedacht, niet zeer gevaarlijk; de punt des degens was, tegen een rib stootende, daarop afgegleden, verder was het hemd op de wonde blijven kleven, zoodat er nauwelijks eenige druppels bloed waren gestort. D’Artagnan was van vermoeidheid uitgeput; men spreidde een matras voor hem op het dek uit; hij wierp er zich op en viel in slaap.

Den volgenden dag, bij het opgaan der zon, bevond hij zich slechts op drie of vier mijlen afstands van de kust van Engeland; er was gedurende den nacht weinig wind geweest en men had niet veel wegs afgelegd. Te twee uur wierp het vaartuig het anker in de haven van Douvres. Te half drie zette d’Artagnan voet aan wal in Engeland, uitroepende: „Eindelijk ben ik er!” Maar hiermede was nog niet alles gedaan: hij moest naar Londen.

In Engeland waren de posterijen in tamelijk goeden staat. D’Artagnan en Planchet namen elk een paard; een postillon reed voor hen uit en in vier uren tijds waren zij voor de poorten der hoofdstad. De hertog was met den koning ter jacht naar Windsor. D’Artagnan kende Londen niet en verstond geen woord Engelsch; maar hij schreef den naam van Buckingham op een stuk papier en men duidde hem het hotel van den hertog aan.

D’Artagnan vroeg naar den vertrouwden kamerdienaar van den hertog, die, wijl hij hem op al zijn reizen vergezelde, volmaakt Fransch sprak; hij zeide hem, dat hij van Parijs kwam voor een zaak, waarvan dood en leven afhingen, en dat hij zijn meester oogenblikkelijk moest spreken. De openhartigheid van d’Artagnan overreedde Patrick, dit was de naam van den vertrouwden dienaar des ministers. Hij liet twee paarden zadelen en belastte zich den jongen garde te geleiden. Planchet had men intusschen, zoo stijf als een plank, van zijn ros geheschen. De krachten van den armen jongen waren uitgeput. D’Artagnan scheen van ijzer te zijn.

Men kwam aan het kasteel; hier deed men onderzoek; de koning en Buckingham waren op de valkenjacht in de moerassen, twee of drie uur van daar verwijderd. In twintig minuten was men ter bestemder plaatse. Dra hoorde Patrick de stem zijns meesters, die zijn valk terugriep.

„Wien moet ik mylord den hertog aankondigen?” vroeg Patrick. – „Den jongeling, die op zekeren avond twist met hem heeft gezocht op de Pont-Neuf over de Samaritaine.” – „Een rare aanbeveling!” – „Gij zult zien, dat zij misschien beter dan een andere is.”

Patrick zette zijn paard in galop, bereikte den hertog en berichtte hem op de wijze, zooals hem gezegd was, dat een bode hem wachtte.

Buckingham, dadelijk begrijpende, dat het d’Artagnan betrof en er iets in Frankrijk was voorgevallen, waarvan men hem kennis wilde geven, gunde zich slechts zooveel tijd om te vragen, waar degene was, die hem die tijding bracht. In de verte de uniform der gardes herkennende, gaf hij zijn paard de sporen en reed recht op d’Artagnan aan. Patrick hield zich betamelijk op eenige schreden afstands.

„Er is der koningin geen ongeluk overkomen?” riep Buckingham, geheel zijn ziel en zijn liefde in deze vraag uitstortende. – „Ik geloof het niet; echter vrees ik, dat haar een groot gevaar bedreigt, hetwelk Uwe Genade alleen van haar kan afwenden.” – „Ik?” riep Buckingham. „Hoe! zou ik gelukkig genoeg wezen haar van eenigen dienst te kunnen zijn?.. Spreek, spreek!” – „Neem dezen brief,” zeide d’Artagnan. – „Dien brief, van wien komt die brief?” – „Van Hare Majesteit, geloof ik.” – „Van Hare Majesteit?” zeide Buckingham, die zoo bleek werd, dat d’Artagnan meende dat hij in onmacht zou vallen. En hij verbrak het zegel. „Wat beteekent die scheur?” vroeg hij, d’Artagnan een plek aanwijzende, waar de brief doorstoken was. – „Ha, ha!” antwoordde d’Artagnan, „ik had het niet eens gezien: die fraaie steek is door den degen van den graaf de Wardes veroorzaakt, toen hij mij in de borst kwetste.” – „Zijt gij gekwetst?” vroeg Buckingham. – „O, het is niets,” zeide d’Artagnan, „een schram.” – „Gerechte hemel! wat heb ik gelezen?” riep de hertog. „Patrick! blijf hier, of liever, vergezel den koning overal, waar hij zich moge begeven en zeg aan Zijne Majesteit, dat ik hem nederig verzoek mij te willen verontschuldigen; maar dat mij een zaak van het grootste gewicht te Londen terugroept. Kom, mijnheer! kom.” – En beiden sloegen galoppeerend den weg naar Londen in.

HOOFDSTUK XXI.
De gravin de Winter

Onderweg liet de graaf zich door d’Artagnan met het een en ander bekend maken; niet met alles, wat er was voorgevallen, maar alleen met datgene, wat d’Artagnan wist. Uit hetgeen hij van den jongeling vernam en wat hem uit eigen ondervinding levendig voor den geest stond, kon hij zich een tamelijk getrouw denkbeeld vormen van den gevaarvollen toestand, terwijl de brief der koningin, hoe kort en zakelijk overigens, daaromtrent geen twijfel overliet. Maar wat hem vooral verbaasde, was, dat de kardinaal, in zijn belang, om den jongeling te beletten den voet in Engeland te zetten, niet was geslaagd hem onderweg op te houden. Het was toen en bij de betuiging dier verbazing, dat d’Artagnan hem de genomen maatregelen verhaalde, en hoe, ten gevolge der vriendschap en opoffering zijner drie vrienden, die hij, verstrooid op den weg, in hun bloed badende, had achtergelaten, hij zijn doel had bereikt, slechts één degensteek hebbende ontvangen, die het briefje der koningin had doorstoken, maar dien hij den heer de Wardes met een verschrikkelijke soort van munt had betaald.

Onderwijl hij naar dit zoo eenvoudig mogelijk voorgedragen verhaal luisterde, beschouwde de hertog bijwijlen den jongeling met een verwonderden blik, alsof het hem onbegrijpelijk was, dat zooveel voorzichtigheid, moed en verknochtheid zich met een gelaat konden vereenigen, dat nog geen twintig jaren aanduidde.

De paarden vlogen als de wind den weg over, en binnen weinige minuten waren zij voor de poorten van Londen. D’Artagnan had gedacht, dat, zoodra zij in de stad zouden zijn gekomen, de hertog den loop van zijn paard zou matigen, maar integendeel; hij vervolgde zijn weg in een woeste vaart, zich weinig bekommerende, of hij hen overreed, die zich op zijn weg bevonden. En inderdaad, de City doorrijdende, hadden er twee of drie voorvallen van dien aard plaats; Buckingham nochtans wendde zelfs het hoofd niet, om te zien wat er van hen geworden was, die hij had omvergeworpen. D’Artagnan volgde hem te midden der kreten, die veel naar verwenschingen geleken.

De binnenplaats van het hotel oprijdende, sprong Buckingham van zijn paard, en onverschillig, wat er van zou worden, wierp hij het den teugel op den nek en snelde de stoep op. D’Artagnan volgde hem, niet zonder eenige ongerustheid voor die arme dieren, van welke hij in de gelegenheid was geweest de waarde te schatten; maar het troostte hem te zien dat drie of vier lakeien reeds uit de keukens en stallen waren gekomen en onmiddellijk de paarden verzorgden. De hertog liep zoo haastig voort, dat d’Artagnan moeite had hem te volgen. Hij ging achtereenvolgens een aantal zalen door, versierd met een pracht, waarvan de voornaamste edellieden van Frankrijk zelfs geen denkbeeld hadden, en trad eindelijk een slaapkamer binnen, een wonder tevens van smaak en van rijkdom. In de alkoof dier kamer bevond zich een deur in het behangsel; de hertog opende ze met een kleinen gouden sleutel, welken hij om den hals aan een keten van hetzelfde metaal droeg.

Uit welvoeglijkheid was d’Artagnan achtergebleven, maar op het oogenblik, dat Buckingham den drempel dier deur overschreed, keerde hij zich om, en de aarzeling des jongelings ziende, zeide hij: „Kom! en indien gij het geluk hebt in de tegenwoordigheid van Hare Majesteit te worden toegelaten, zeg haar dan, wat gij gezien hebt.”

Door deze uitnoodiging aangemoedigd, volgde d’Artagnan den hertog, die de deur achter hem sloot. Beiden bevonden zich toen in een kleine kapel, geheel behangen met Perzische, met goud geborduurde zijde, en schitterend verlicht door een aantal waskaarsen… Boven een soort van altaar, onder een hemel van blauw fluweel, waarop zich witte en roode pluimen verhieven, hing een portret van natuurlijke grootte, Anna van Oostenrijk voorstellende, zoo gelijkend, dat d’Artagnan een kreet van verwondering slaakte, toen hij het ontwaarde. Men zou gezegd hebben, dat de koningin leefde. Op het altaar en onder het portret stond het kistje, waarin de diamanten haken waren geborgen. De hertog naderde het altaar, knielde, gelijk een priester voor het kruisbeeld zou gedaan hebben, en opende vervolgens het kistje.

„Ziedaar,” zeide hij, er een grooten blauwen strik uithalende, die van diamanten schitterde; „ziedaar die kostbaarheden, met welke ik gezworen had begraven te worden. De koningin neemt ze terug, haar wil, zooals die van God, geschiede in alle dingen.” – Vervolgens kuste hij achtereenvolgens al de diamanten, van welke hij ging scheiden. Eensklaps slaakte hij een vreeselijken kreet.

„Wat is er?” vroeg d’Artagnan angstig, „wat overkomt u, mylord!” – „Ach! alles is verloren!” riep Buckingham, bleek als een doode, „twee der diamanten ontbreken, ik vind er niet meer dan tien.” – „Heeft mylord ze verloren, of gelooft hij dat men ze hem ontstolen heeft?” – „Men heeft ze mij ontstolen,” hernam de hertog, „en het is de kardinaal, die het heeft uitgevoerd. Beschouw slechts de linten, waarop zij bevestigd waren, zij zijn met een schaar afgesneden.” – „Heeft mylord eenig vermoeden, wie den diefstal heeft gepleegd?.. Misschien heeft die persoon ze nog in zijn bezit.” – „Wacht, wacht een oogenblik!” riep de hertog: „de eenige keer, dat ik die diamanten gedragen heb, was op het bal der koningin te Windsor, nu acht dagen geleden. De gravin de Winter, met wie ik in onmin was, is mij op dat bal genaderd. Die verzoening kan niet anders dan de wraak eener jaloersche vrouw zijn geweest. Sedert dien dag heb ik haar niet weergezien. Die vrouw is een zendelinge van den kardinaal.” – „Maar heeft hij er dan in de geheele wereld?” riep d’Artagnan. – „O ja, ja,” zeide Buckingham tandenknarsende van woede, „ja, hij is een vreeselijk strijder. Maar ondertusschen, wanneer moet het bal plaats hebben?” – „Aanstaanden Maandag.” – „Aanstaanden Maandag! nog vijf dagen. Wij hebben dus nog meer tijd, dan wij behoeven. Patrick!” riep de hertog, de deur der kapel openende, „Patrick!”

Zijn vertrouwde kamerdienaar verscheen. – „Mijn juwelier en mijn secretaris!” – De kamerdienaar verwijderde zich zwijgende en met een haast, die van de gewoonte getuigde, welke hij zich had eigen gemaakt, blindelings en zonder spreken te gehoorzamen. Maar hoewel de juwelier het eerst was geroepen geworden, was het de secretaris, die het eerst verscheen, iets zeer natuurlijks, daar deze in het hotel woonde.

Hij vond Buckingham voor een tafel in zijn slaapkamer zitten, met eigen hand eenige bevelen schrijvende. – „Mijnheer Jackson!” zeide hij, „gij moet u oogenblikkelijk naar den lord-kanselier begeven en hem zeggen, dat ik hem met de uitvoering dezer bevelen belast. Ik begeer, dat zij zonder verwijl ten uitvoer worden gebracht.” – „Maar, Excellentie! indien de lord-kanselier mij naar de beweegredenen vraagt, die Uwe Genade tot een zoo buitengewonen maatregel hebben doen besluiten, wat moet ik dan antwoorden?” – „Dat het mijn wil is en ik aan niemand rekenschap mijner daden verschuldigd ben.” – „Zal hij dit antwoord ook aan Zijne Majesteit moeten overbrengen?” hernam glimlachende de geheimschrijver, „indien Zijne Majesteit toevallig de nieuwsgierigheid had te willen weten, waarom geen enkel schip de haven van Groot-Brittanje mag verlaten?” – „Gij hebt gelijk, mijnheer!” antwoordde Buckingham; „dan moet hij den koning zeggen, dat ik tot den oorlog besloten heb, en deze maatregel mijn eerste vijandelijkheid jegens Frankrijk is.” – De geheimschrijver boog en verwijderde zich.

„Van dien kant kunnen wij nu gerust zijn,” zeide Buckingham, zich tot d’Artagnan wendende, „zij zullen er niet dan na u komen.” – „Hoedat?” – „Ik heb een embargo gelegd op al de schepen, die zich op dit oogenblik in de havens Zijner Majesteit bevinden, en zonder bijzonder verlof zal geen er van het anker durven lichten.”

D’Artagnan zag verbaasd den man aan, die de onbegrensde macht, waarmede het vertrouwen des konings hem bekleedde, ten dienste zijner minnarijen deed strekken. Buckingham bemerkte aan de uitdrukking van het gelaat des jongelings, wat er in zijn ziel omging en hij glimlachte.

„Ja,” zeide hij, „ja! het is, omdat Anna van Oostenrijk wezenlijk mijn koningin is; op één woord van haar zou ik mijn vaderland, mijn koning, mijn God verraden!.. Zij heeft mij verzocht de protestanten van la Rochelle de hulp niet te zenden, welke ik hun had beloofd, en ik heb aan haar verlangen voldaan. Ik heb mijn woord verbroken; maar om het even, ik gehoorzaam aan haar begeerte; ben ik niet grootelijks voor mijn gehoorzaamheid beloond, spreek! want het is aan die gehoorzaamheid, dat ik haar portret verschuldigd ben!”

D’Artagnan stond verstomd, de teedere en onzichtbare draden ziende, van welke somwijlen het lot van een volk en het leven van zoovele menschen afhangt.

Terwijl hij in deze overwegingen verdiept bleef, trad de goudsmid binnen: hij was een Ier, een der bekwaamsten in zijn vak, en die met eigen mond verzekerde, dat hij jaarlijks honderd duizend pond sterling door den hertog van Buckingham verdiende.

„Mijnheer O’Reilly!” zeide de hertog, hem in de kapel geleidende, „bezie die diamanten haken eens en zeg mij, wat elk hunner waard is.”

De goudsmid wierp een blik op den sierlijken vorm, waarin zij bewerkt waren, berekende door elkander de waarde der diamanten en zonder de minste aarzeling antwoordde hij: „Vijftienhonderd pistolen het stuk, mylord.” – „Hoeveel dagen worden er vereischt om twee haken zooals deze te maken? gij ziet dat er twee aan ontbreken.” – „Acht dagen, mylord!” – „Ik zal voor elk drie duizend pistolen betalen, indien ik ze overmorgen heb.” – „Mylord zal ze hebben.” – „Gij zijt een kostelijk man, meester O’Reilly! maar dat is nog niet alles; die haken mogen aan niemand toevertrouwd en moeten in dit hotel vervaardigd worden…” – „Onmogelijk, mylord! ik alleen ben in staat ze zoodanig te maken, dat men geen onderscheid tusschen de oude en de nieuwe zal zien.” – „Derhalve, mijn beste O’Reilly! zijt gij mijn gevangene, en al wildet gij op dit oogenblik dit hotel verlaten, gij zoudt het niet kunnen… schik u dus naar de omstandigheden. Noem mij diegenen uwer knechts, welke gij noodig mocht hebben en geef de werktuigen op, die zij moeten medebrengen.”

De goudsmid kende den hertog, hij wist wel, dat elke tegenwerping nutteloos was en onderwierp zich dus. – „Het zal mij toch wel geoorloofd zijn mijn vrouw te doen verwittigen?” vroeg hij. – „O! gij moogt haar zelfs spreken, mijn waarde meester O’Reilly, uw gevangenschap zal niet streng zijn, wees gerust, en daar elke moeite een belooning waardig is, ziehier, behalve den prijs der twee haken, een biljet van duizend pistolen, om u het verdriet te doen vergeten, dat ik u veroorzaak.”

D’Artagnan kon zich van de verwondering niet herstellen, hem door den minister veroorzaakt, die zoo ruimschoots over millioenen gouds en menschen kon beschikken. De goudsmid schreef intusschen aan zijn vrouw, haar tegelijkertijd het briefje van duizend pistolen zendende, met het verzoek, hem daarvoor in de plaats te doen geworden zijn behendigsten werkman en een keuze van diamanten, van welke hij haar het gewicht en de namen opgaf, alsmede een lijst der werktuigen, die hij noodig had. Buckingham geleidde den goudsmid in de kamer, die voor hem was bestemd en welke, na verloop van een half uur, in een werkplaats was veranderd; vervolgens plaatste hij voor de deur een schildwacht, die niemand, wie dan ook, mocht binnenlaten, behalve zijn kamerdienaar Patrick.

Het is onnoodig hierbij te voegen, dat het aan den goudsmid O’Reilly en aan zijn knecht volstrekt was verboden uit te gaan, onder welk voorwendsel ook. Dit geregeld zijnde keerde de hertog tot d’Artagnan terug.

„Thans, mijn jonge vriend,” zeide hij tot hem, „thans behoort Engeland aan ons beiden: wat wilt gij, wat begeert gij?” – „Een bed,” antwoordde d’Artagnan, „dat is voor het oogenblik, ik beken het, datgene, waaraan ik het meest behoefte heb.” – Buckingham gaf aan d’Artagnan een kamer naast de zijne. Hij wilde den jongeling onder zijn bereik houden, niet omdat hij hem wantrouwde, maar ten einde iemand te hebben, met wien hij onafgebroken over de koningin kon spreken.

Een uur later werd in Londen het bevel afgekondigd, van uit welke haven ook geen schip, naar Frankrijk bestemd, te laten vertrekken, zelfs niet de paketboot met brieven. Iedereen zag hierin een oorlogsverklaring tusschen beide koninkrijken.

Twee dagen later, tegen elf uur, waren de twee diamanten haken gereed, en zoo nauwkeurig nagebootst en zoo volkomen gelijk, dat Buckingham de nieuwe uit de oude niet kon herkennen en dat zelfs de kundigsten in dat vak, zooals hij, er zich in vergist zouden hebben. Dadelijk liet hij d’Artagnan roepen.

„Ziedaar,” zeide hij, „de diamanten haken, welke gij komt halen; gij zijt nu getuige geweest, dat al wat menschelijke macht heeft kunnen doen, gedaan is geworden.” – „Wees gerust, mylord! ik zal zeggen, wat ik heb gezien; maar Uwe Genade geeft mij de diamanten zonder het kistje.” – „Het kistje zou u hinderlijk zijn; buitendien, het kistje is mij te kostbaarder geworden, omdat het mij alleen overblijft. Gij zult zeggen, dat ik het behoud.” – „Ik zal uw boodschap woordelijk overbrengen, mylord!” – „En thans,” hernam Buckingham, den jongeling strak aanziende, „hoe zal ik dit u ooit kunnen vergelden!”

D’Artagnan werd rood tot in het wit zijner oogen. Hij begreep, dat de hertog een middel zocht, om hem iets te doen aannemen en het denkbeeld, dat het bloed zijner vrienden en het zijne door Engelsch goud zou betaald worden, stiet hem geweldig tegen de borst.

„Verstaan wij elkander wel, mylord!” hernam hij, „en beschouwen wij van te voren de zaken uit het ware oogpunt, opdat er geen vergissing plaats hebbe. Ik ben in dienst van den koning en de koningin van Frankrijk en behoor bij de compagnie der gardes van den heer des Essarts, die, zoowel als zijn schoonbroeder, de heer de Tréville, aan Hunne Majesteiten zeer gehecht is. Ik heb dus alles voor de koningin en niets voor Uwe Genade gedaan. Wat meer is, misschien zou ik van dat alles niets hebben gedaan, indien ik niet in de gelegenheid ware geweest iemand welgevallig te zijn, die mijn dame is, zooals de koningin de uwe.” – „Ja,” zeide de hertog glimlachende, „en ik geloof zelfs die andere persoon te kennen; het is…” – „Mylord! ik heb haar niet genoemd,” viel de jongeling hem haastig in de rede. – „Dat is ook waar,” zeide de hertog. „Het is dus jegens haar, dat ik erkentelijk moet zijn voor uw toewijding.” – „Gij hebt het gezegd, mylord! want juist op dit oogenblik, dat er een oorlog op handen is, beken ik u, dat ik in Uwe Genade niets anders dan een Engelschman zie en bijgevolg een vijand, dien ik nog liever zou ontmoeten op het slagveld dan in het park van Windsor of in de gangen van het Louvre; hetgeen mij trouwens niet zal beletten, stiptelijk mijn zending te volbrengen; maar ik herhaal het aan Uwe Genade, dat zij mij persoonlijk niet den minsten dank schuldig is voor hetgeen ik in deze tweede samenkomst voor mij zelven doe, als voor hetgeen ik reeds voor haar gedaan heb in de eerste. Wij zeggen: trotsch als een Gaskonjer!” antwoordde d’Artagnan. „De Gaskonjers zijn de Schotten van Frankrijk!”

D’Artagnan groette den hertog en maakte zich gereed te vertrekken. – „Hoe nu, wilt gij op die wijze vertrekken? Waarheen en hoe?” – „Dat is waar ook.” – „Goddam! de Franschen denken aan niets.” – „Ik vergat, dat Engeland een eiland is en gij er de koning van zijt.” – „Ga naar de haven, vraag naar de brik de Sond, stel dezen brief den kapitein ter hand; hij zal u naar een kleine haven overbrengen, waar men u zeker niet zal wachten en waar gewoonlijk niets anders dan visschersvaartuigen inloopen.” – „Hoe heet die haven?” – „Saint-Valéry; maar wacht dan toch. Wanneer gij daar zult zijn aangekomen, moet gij een geringe herberg zonder naam of uithangbord, een echte matrozenkroeg, binnengaan; gij kunt u niet vergissen, daar is er slechts een.” – „En verder?” – „Zult gij naar den waard vragen en hem zeggen: forward! dat wil zeggen, voorwaarts: dat is zooveel als een herkenningsteeken. Hij zal u dan een gezadeld paard geven en u den weg wijzen, dien gij volgen moet; gij zult vier wisselplaatsen vinden. Indien gij op elke wisselplaats uw adres te Parijs wilt opgeven, dan zullen de vier paarden u derwaarts volgen: gij kent er reeds twee van, en gij schijnt die als een goed kenner gewaardeerd te hebben; het zijn die, welke wij bereden hebben; geloof mij, de andere zullen niet minder zijn. Die vier paarden zijn opgetuigd om ten oorlog te gaan. Hoe fier gij ook moogt zijn, zult gij toch niet weigeren, er een aan te nemen en aan uw vrienden de drie andere te doen aannemen; daarenboven, het is om er mede in het veld te gaan. Het doel heiligt de middelen, zooals gij Franschen immers zegt, niet waar?” – „Ja, mylord! ik neem het aan,” zeide d’Artagnan, „en als het Gode behaagt, zullen wij van uw geschenken een goed gebruik maken.” – „Geef mij nu de hand, jongeling! misschien ontmoeten wij elkander spoedig op het slagveld; maar intusschen scheiden wij als goede vrienden.” – „Ja, mylord! maar in de hoop spoedig vijanden te worden.” – „Wees gerust, ik beloof het u.” – „Ik reken op uw woord, mylord!” – D’Artagnan groette den hertog en begaf zich haastig naar de haven.

Tegenover den Tower van Londen vond hij het aangeduide schip; hij stelde den brief aan den kapitein ter hand, die hem door den gouverneur der haven voor gezien liet teekenen en daarop onmiddellijk onder zeil ging.

Vijftig vaartuigen lagen zeilklaar, maar moesten wachten. Een er van voorbij varende, meende d’Artagnan de vrouw van Meung te herkennen, dezelfde, die door den onbekenden edelman milady werd genoemd en die hij, d’Artagnan, zoo schoon had gevonden; maar tengevolge van den stroom der rivier en den goeden wind stevende het schip zoo snel voort, dat het in weinige oogenblikken uit het gezicht was.

Den volgenden ochtend te negen uur landde men te Saint-Valéry. D’Artagnan richtte zijn schreden onmiddellijk naar de aangeduide herberg en herkende ze aan de kreten, die er van uit opgingen: men sprak over den oorlog tusschen Engeland en Frankrijk als van iets, dat aanstaande en onvermijdelijk is, en de vroolijke matrozen hielden feest. D’Artagnan drong door de menigte heen, naderde den herbergier en uitte het woord forward! Op hetzelfde oogenblik gaf de herbergier hem een teeken te volgen, ging door een deur naar de plaats en bracht hem in den stal, waar een gezadeld paard hem wachtte, en vroeg hem of er nog iets van zijn dienst was.

„Ik moet den weg nog weten, dien ik moet volgen,” zeide d’Artagnan. – „Begeef u van hier naar Blangy, en van Blangy naar Neufchâtel. Treed te Neufchâtel de herberg de Vergulde Egge binnen, geef aan den herbergier het wachtwoord en gij zult, zooals hier, een gezadeld paard vinden.” – „Ben ik iets schuldig?” vroeg d’Artagnan. – „Alles is betaald en ruimschoots. Goede reis en dat God u geleide!” – „Amen!” antwoordde de jongeling, in galop zich verwijderende.

Vier uren later was hij te Neufchâtel. Hij volgde stiptelijk de ontvangen voorschriften. Te Neufchâtel vond hij, evenals te St. Valéry, een gezadeld paard, dat hem wachtte; hij wilde de pistolen uit de holsters van het zadel nemen, dat hij verliet, om die in de holsters van het paard te doen, dat hij nu ging bestijgen, maar die holsters waren met dezelfde soort pistolen voorzien. – „Wat is uw adres te Parijs?” – „Hotel des gardes, compagnie des Essarts.” – „Goed!” was het antwoord. – „Welken weg moet ik inslaan?” vroeg nu op zijn beurt d’Artagnan. – „Dien van Rouaan, maar gij moet de stad rechts laten liggen. Gij zult in het kleine dorpje Ecouis stil houden, daar is slechts een herberg, het Wapen van Frankrijk. Beoordeel ze niet naar het uiterlijke: in den stal zult gij een paard vinden, dat even goed zal zijn als dit.” – „Hetzelfde wachtwoord?” – „Volkomen hetzelfde.” – „Vaarwel baas!” – „Goede reis, edele heer! is er nog iets van uw dienst?” – D’Artagnan schudde met het hoofd van neen en vertrok in vollen galop.

Te Ecouis werd hetzelfde tooneel herhaald: hij vond een even beleefden herbergier en een versch en uitgerust paard. Hij liet zijn adres achter, zooals hij reeds had gedaan en vertrok in denzelfden galop naar Pontoise.

Te Pontoise wisselde hij voor de laatste maal van paard en te negen uur reed hij in vollen draf de binnenplaats van den heer de Tréville op. In twaalf uren tijds had hij bij de zestig mijlen afgelegd.

De heer de Tréville ontving hem alsof hij hem nog dienzelfden morgen gezien had; alleen drukte hij hem de hand wat sterker dan gewoonlijk. Hij berichtte hem, dat de kompagnie van den heer des Essarts de wacht had aan het Louvre en hij zich op zijn post kon begeven.

HOOFDSTUK XXII.
Het ballet van la Merlaison

Den volgenden dag was er van niets anders te Parijs sprake dan van het bal, dat heeren schepenen der stad den koning en de koningin zouden geven, en waarop Hunne Majesteiten het vermaarde ballet van la Merlaison moesten dansen, dat den koning het meeste genoegen deed. Sedert acht dagen maakte men ook werkelijk alles op het Stadhuis in gereedheid voor dezen plechtigen nacht. De stadstimmerman had zijn stellages reeds getimmerd, op welke de genoodigde dames zouden zitten; de stadskruidenier had de zalen voorzien van tweehonderd witte waskaarsen, hetgeen in dien tijd een ongehoorde weelde was; eindelijk had men twintig vioolspelers besteld en het loon, dat men hun toekende, was het dubbele van het gewone, omdat, zooals het verslag luidt, zij den geheelen nacht moesten spelen.

Te tien uur des morgens kwam de vaandrig der gardes van den koning, de heer de la Coste, gevolgd door twee politiedienaren en eenige schutters van het korps, den griffier der stad, Clément genaamd, al de sleutels der deuren van de kamers en bureaux van het hotel vragen. Die sleutels werden hem onmiddellijk ter hand gesteld. Aan elk hing een kaartje ter herkenning en van dat oogenblik was de heer de la Coste belast met de bewaking van al de deuren en toegangen.

Te elf uur kwam op zijn beurt de Hallier, kapitein der gardes, gevolgd door vijftig schutters, die dadelijk zich in het Stadhuis verspreidden en zich naar de deuren begaven, welke hun ter bewaking werden aangewezen.

Te drie uur naderden twee kompagnieën der gardes, een Fransche en een Zwitsersche. De kompagnie der Fransche garde bestond voor de helft uit manschappen van den heer de Hallier en voor de andere helft uit die van den heer des Essarts.

Te zes uur des avonds begonnen de genoodigden te verschijnen. Naarmate zij binnentraden, werd hun in de groote zaal op de gereedgemaakte stellages een plaats aangewezen.

Te negen uur kwam de vrouw van den eersten president; daar deze na de koningin de voornaamste persoon van het feest was, werd zij door de stadsheeren ontvangen en haar een plaats aangewezen in de loge over die, waarin de koningin zich zou begeven.

Te tien uur richtte men een tafel met confituren aan voor den koning in de kleine zaal, aan de zijde der St. – Janskerk en zulks tegenover het zilveren buffet der stad, dat door vier schutters bewaakt werd.

Te middernacht hoorde men een groot geschreeuw en veelvuldige vreugdekreten; het was de koning, die de straten doorging, welke van het Louvre naar het Stadhuis leidden en die alle met gekleurde lantaarns verlicht waren. Onmiddellijk gingen heeren schepenen, in hun lakentabbaard gekleed en voorafgegaan door tien sergeanten, elk een flambouw dragende, den koning tegemoet, dien zij op de trap ontmoetten, waar de provoost der kooplieden hem verwelkomde, welk kompliment Zijne Majesteit beantwoordde door zich te verontschuldigen van zoo laat te zijn gekomen; hij wierp de schuld hiervan op den kardinaal, die hem, met over staatszaken te spreken, tot elf uur had opgehouden.

Zijne Majesteit, in staatsiekleederen, werd vergezeld door Zijne Koninklijke Hoogheid Monsieur, door den graaf de Soissons, den groot-provoost, den hertog de Longueville, den hertog d’Elbeuf, den graaf d’Harcourt, den graaf de la Roche-Guyon, den heer de Liancourt, den heer de Baradas, den graaf de Cramail en den ridder de Souveray. Iedereen kon zien, dat de koning verstrooid en droefgeestig was. Een kabinet was voor den koning en een ander voor Monsieur gereed gemaakt. In elk dier kabinetten waren maskeradekleederen voorhanden. Evenzoo was gedaan voor de koningin en voor mevrouw de présidente. De heeren en dames van het gevolg Hunner Majesteiten moesten zich bij paren in de daarvoor bestemde kamers verkleeden.

Alvorens in het kabinet te gaan, beval de koning, dat men hem zou waarschuwen, zoodra de kardinaal verscheen.

Een half uur na de komst des konings verhief zich opnieuw een levendig gejuich, hetwelk de komst der koningin verkondigde; de schepenen deden evenzoo als zij reeds gedaan hadden, en voorafgegaan door de stads-sergeanten, gingen zij hun doorluchtige gastvrouw tegemoet. De koningin trad de zaal binnen; men bemerkte, dat zij even neerslachtig als de koning was en er bijzonder vermoeid uitzag. Op het oogenblik dat zij binnentrad, werd de gordijn van een kleine loge, die tot hiertoe was dicht gebleven, geopend en zag men het bleeke gelaat des kardinaals, die in een Spaansch ruitergewaad was gekleed; zijn oogen vestigden zich op die der koningin en een glimlach van akelige vreugde zweefde op zijn lippen; de koningin was niet met haar diamanten haken getooid. De koningin hield zich eenigen tijd bezig met de komplimenten van de leden der vroedschappen aan te hooren en de begroetingen der dames te beantwoorden.

Eensklaps verscheen de koning met den kardinaal voor een der deuren van de zaal. De kardinaal sprak zacht met hem, terwijl de koning zeer bleek was. De koning drong door de menigte, en zonder masker en de linten van zijn buis nauwelijks dichtgestrikt, naderde hij de koningin en met een bevende stem zeide hij:

„Mevrouw! waarom, als het u belieft, hebt gij u niet met uw diamanten getooid, wanneer gij wist, dat het mij aangenaam was ze te zien?” – De koningin liet haar blik rondwaren en zag, achter den koning, den kardinaal, op duivelachtige wijze glimlachende. – „Sire!” antwoordde de koningin met een ontroerde stem, „omdat ik, in het gewoel van dat groote feest, vreesde er een ongeluk aan te zullen krijgen.” – „Gij hebt ongelijk, mevrouw! indien ik u dat geschenk heb gedaan, was het om er u mede te tooien. Ik zeg u, dat gij niet wel hebt gedaan.” – En des konings stem beefde van toorn; iedereen beschouwde en luisterde met verbazing, niets begrijpende van hetgeen er voorviel. – „Sire!” zeide de koningin, „ik kan ze van het Louvre doen halen, waar zij zijn, en alzoo zal de begeerte Uwer Majesteit vervuld worden.” – „Doe zulks, mevrouw! en wel zoo spoedig mogelijk; want binnen een uur zal het ballet een aanvang nemen.”

De koningin neeg, ten teeken van onderwerping en volgde de dames, die haar naar haar kabinet moesten geleiden. Van zijn kant begaf de koning zich naar het zijne.

Er heerschte gedurende een oogenblik in de zaal verwarring en verlegenheid. Al de aanwezigen hadden kunnen bemerken, dat er iets tusschen den koning en de koningin was voorgevallen; maar beiden hadden zoo zacht gesproken, dat iedereen eerbiedig eenige schreden was achteruitgegaan, en dus niemand iets had gehoord. De muzikanten speelden zoo hard zij konden, maar men luisterde er niet naar.

De koning verliet het eerst zijn kabinet; hij was gekleed in een allerfraaist jachtgewaad en Monsieur en de overige edellieden waren in dezelfde kleeding. Dit gewaad stond den koning het best en daarin geleek hij inderdaad de eerste edelman van zijn rijk.

De kardinaal naderde den koning en stelde hem een doosje ter hand. De koning opende het en vond er twee diamanten haken in. – „Wat beteekent dat?” vroeg hij den kardinaal. – „Niets,” antwoordde deze; „alleenlijk indien de koningin met de diamanten haken is getooid, waaraan ik twijfel, tel ze dan, Sire! en indien gij er slechts tien vindt, vraag dan Hare Majesteit, wie haar de twee diamanten haken kan hebben ontstolen, die hier zijn.”

De koning beschouwde den kardinaal, als om hem te ondervragen; maar hij had den tijd niet hem een enkele vraag te doen. – Een kreet van bewondering ontglipte aller monden: Geleek de koning de eerste edelman van zijn rijk, dan was ongetwijfeld de koningin de schoonste vrouw van Frankrijk. Inderdaad, haar jachtgewaad stond haar voortreffelijk: zij had een vilten hoed met blauwe veeren op; een parelgrijs fluweelen kleed, opgeheven door diamanten haken en een blauw satijnen rok, geheel met zilver geborduurd. Op haar linker schouder schitterden de diamanten haken op een strik van dezelfde kleur als de veeren en de rok. De koning trilde van blijdschap en de kardinaal van toorn; echter op den afstand, dien zij van de koningin verwijderd waren, konden zij de diamanten niet tellen; de koningin bezat ze; maar had zij er tien of twaalf?

Op dit oogenblik gaven de muzikanten het sein voor het ballet. De koning naderde mevrouw de présidente, met wie hij zou dansen en Zijne koninklijke Hoogheid Monsieur de koningin. Men nam plaats en het ballet begon.

De koning was over de koningin geplaatst en telkens, wanneer hij haar voorbijging, verslond hij met zijn blikken de diamanten, wier aantal hij niet kon te weten komen. Een koud zweet bedekte het voorhoofd van den kardinaal. Het ballet duurde één uur. Het eindigde onder het gejuich der geheele zaal, ieder geleidde zijn dame naar haar plaats; maar de koning maakte van zijn voorrecht gebruik, om de zijne te laten waar zij was en naderde haastig de koningin.

„Ik dank u, mevrouw!” zeide hij, „voor de bereidwilligheid, waarmede gij hebt getoond aan mijn begeerten te voldoen, maar ik geloof, dat u twee diamanten ontbreken en ik kom ze u brengen.” – Bij die woorden gaf hij de koningin de beide diamanten, die hem de kardinaal had ter hand gesteld. – „Hoe, Sire!” riep de koningin, verwondering veinzende, „geeft gij mij nog twee andere, ik zal er dan veertien hebben?”

En de koning, ze tellende, vond wel degelijk twaalf diamanten op den schouder Harer Majesteit. De koning riep den kardinaal. – „Wel, wat beteekent dat, mijnheer de kardinaal?” vroeg de koning op strengen toon. – „Het beteekent, Sire!” antwoordde de kardinaal, „dat ik die beide diamanten haken Hare Majesteit wenschte te doen aannemen; doch ze in persoon niet durvende te geven, heb ik dit middel te baat genomen.” – „En ik ben er Uwe Eminentie te meer erkentelijk voor,” antwoordde Anna van Oostenrijk met een glimlach, die bewees, dat zij niet misleid werd door deze aardige beminnelijkheid, „daar ik zeker ben, dat deze twee diamanten u evenveel kosten, als de twaalf aan Zijne Majesteit hebben gekost.” – Vervolgens den koning en den kardinaal gegroet hebbende, hernam de koningin den weg naar haar kamer, waar zij zich had verkleed, en waar zij zich weer zou omkleeden.

De aandacht, welke wij hebben moeten vestigen, bij het begin van dit hoofdstuk, op de doorluchtige personen, die wij er in voorstelden, heeft ons hem voor een oogenblik doen uit het oog verliezen, aan wien Anna van Oostenrijk de onbegrijpelijke overwinning was verschuldigd, die zij op den kardinaal had behaald, hij, die verloren, onopgemerkt, onder de menigte was gemengd, welke zich voor de deuren verdrong, en van dáár dat tooneel beschouwde, alleen voor vier personen begrijpelijk, namelijk voor den koning, de koningin, Zijne Eminentie en voor hem.

De koningin was in haar kamer teruggekeerd, en d’Artagnan maakte zich gereed om te vertrekken, toen hij zich zacht op den schouder voelde tikken; hij keerde zich om en bespeurde een jonge vrouw, die hem wenkte haar te volgen. Deze jonge vrouw had haar gelaat bedekt met een masker van zwart fluweel, maar ondanks deze voorzorg, die trouwens meer was genomen voor anderen dan voor hem, herkende hij oogenblikkelijk zijn gewonen gids, die lichtzinnige, geestige juffrouw Bonacieux. Den vorigen dag hadden zij elkander even bij den portier van het Louvre, Germain, gesproken, waar d’Artagnan haar had laten roepen. De haast der jonge vrouw, om aan de koningin de heerlijke tijding mede te deelen van de gelukkige terugkomst van haar bode was de oorzaak, dat beide gelieven slechts een paar woorden wisselden.

D’Artagnan volgde dan juffrouw Bonacieux, door het dubbel gevoel van liefde en nieuwsgierigheid gedreven. Langs den geheelen weg en naarmate de gangen meer en meer ledig werden, wilde d’Artagnan de jonge vrouw vasthouden, om haar slechts een oogenblik te beschouwen; maar vlug als een vogel ontglipte zij steeds zijn handen; en toen hij spreken wilde, herinnerde haar vinger, op zijn mond gelegd, hem er aan, dat hij zich in de macht bevond van een wezen, hetwelk hij blindelings moest gehoorzamen en dat hem de geringste klacht verbood.

Mejuffrouw Bonacieux opende een deur en geleidde den jongeling in een volkomen duister vertrek. Daar gaf zij opnieuw een teeken het stilzwijgen te bewaren; en een tweede, door een gordijn bedekte deur openende, waaruit eensklaps een schitterend licht blonk, verdween zij.

D’Artagnan bleef een oogenblik onbeweeglijk en vroeg zich zelven af, waar hij was; maar spoedig verzekerde hem een lichtstraal, die deze kamer binnendrong, de zoele en welriekende lucht, die hem naderde, het tevens eerbiedig en beschaafd gesprek van twee of drie vrouwen en het dikwijls herhaalde woord van: Hare Majesteit, dat hij zich in een kabinet bevond, dat de kamer der koningin begrensde.

De jongeling bleef in de schaduw en wachtte. De koningin scheen vroolijk en vergenoegd, hetgeen de personen, die haar omringden, zeer scheen te verwonderen, daar zij haar meestal in een zorgvolle gesteldheid aantroffen. De koningin schreef die vroolijke luim aan de fraaiheid van het feest en het vermaak, dat het ballet haar had veroorzaakt, toe; en dewijl een koningin niet mag worden tegengesproken, of zij huilt of lacht, waren allen uitbundig in den lof over de beminnelijkheid der heeren schepenen van Parijs.

Hoewel d’Artagnan de koningin niet kende, onderscheidde hij dra haar stem van die der andere, vooreerst door een lichten, vreemden tongval, vervolgens door dien toon van overheersching, zoo eigenaardig aan vorstelijke woorden. Hij hoorde haar naderen en dan weer zich van die geopende deur verwijderen, en twee of driemalen zag hij zelfs de schaduw van een lichaam het licht onderscheppen. Eindelijk kwam een hand en een arm, bewonderenswaardig van vorm en blankheid, door het behangsel; d’Artagnan begreep, dat het zijn belooning gold; hij wierp zich op de knieën, vatte de hand en drukte er eerbiedig zijn lippen op; toen trok die hand zich weg, een voorwerp in de zijne latende, dat hij voor een ring erkende; dadelijk sloot zich de deur weder, en d’Artagnan bevond zich opnieuw in een diepe duisternis. D’Artagnan stak den ring aan zijn vinger en wachtte opnieuw, het was blijkbaar, dat alles nog niet was afgeloopen. Op de belooning zijner opoffering moest die zijner liefde volgen. Bovendien, hoewel het ballet was geëindigd, was echter het feest nauwelijks begonnen; men soupeerde te drie uur, en het uurwerk van St. Jan had reeds eenigen tijd kwart voor twee geslagen. Inderdaad, van lieverlede verminderde het gerucht der stemmen in de aangrenzende kamer, vervolgens hoorde men het zich verwijderen; de deur van het kabinet, waarin zich d’Artagnan bevond, werd weder geopend en juffrouw Bonacieux huppelde binnen.

„Zijt gij er eindelijk!” riep d’Artagnan. – „Stil!” zeide de jonge vrouw, op de lippen des jongelings haar hand leggende: „Stil, en vertrek langs waar gij gekomen zijt.” – „Maar waar en wanneer zal ik u wederzien?” vroeg d’Artagnan. – „Een briefje, dat ge te huis komende zult vinden, zal het u zeggen. Vertrek! vertrek!” en op die woorden opende zij de deur van de gang en stiet d’Artagnan buiten het kabinet. D’Artagnan gehoorzaamde als een kind, zonder eenig verzet of tegenstand, hetgeen bewijst, dat hij wel degelijk verliefd was.

HOOFDSTUK XXIII.
De verliefde samenkomst

D’Artagnan spoedde zich naar huis; en hoewel het reeds later dan drie uur in den nacht was, en hij de slechtst befaamde wijken van Parijs had door te gaan, ontmoette hem niets kwaads. Men weet, er bestaat een God voor de dronkaards en voor de verliefden. Hij vond de deur van zijn gang open, klom de trap op en klopte zachtjes, op een met zijn knecht overeengekomene wijze, aan de deur. Planchet, dien hij twee uren vroeger van het Stadhuis had gezonden, met het bevel hem te wachten, kwam de deur openen.

„Is er iemand geweest, die een brief voor mij heeft gebracht?” vroeg d’Artagnan haastig. – „Niemand heeft een brief gebracht, mijnheer!” antwoordde Planchet; „maar een is er geheel alleen gekomen.” – „Wat wilt gij zeggen, zot?” – „Ik wil zeggen, dat, toen ik te huis kwam, en hoewel ik den sleutel van uw kamer in den zak had en die sleutel mij niet verlaten heeft, ik een brief op het groene kleed uwer tafel in de slaapkamer gevonden heb.” – „En waar is die brief?” – „Ik heb hem gelaten, waar hij lag, mijnheer! Het is niet natuurlijk, dat de brieven op die wijze bij de lieden komen. Als het raam open of met een reet geopend was geweest, dan was het te verklaren; maar neen! alles was potdicht, mijnheer! wees voorzichtig, er schuilt zeker tooverij onder.”

Ondertusschen was de jongeling de kamer binnengestormd, en opende hij den brief. Hij was van mejuffrouw Bonacieux en luidde als volgt:

„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen; bevind u, heden avond te tien uur, te St. Cloud, tegenover het paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées verheft.”

C. B.

Dezen brief lezende, voelde d’Artagnan zijn hart zwellen en weder inkrimpen door die teedere aandoeningen, welke het hart der minnenden tevens folteren en streelen. – Het was het eerste briefje, dat hij ontving, de eerste samenkomst, die hem werd aangeboden. Zijn hart, door de dronkenschap der vreugd vervuld, was gereed te bezwijmen op den drempel van dat aardsche paradijs, dat men liefde noemt.

„Welnu, mijnheer!” zeide Planchet, die zijn meester beurtelings had zien blozen en verbleeken; „welnu, heb ik het niet geraden? het is zeker een slechte zaak.” – „Gij bedriegt u, Planchet!” antwoordde d’Artagnan, „en tot bewijs, ziedaar een kroon, waarvoor gij op mijn gezondheid kunt drinken.” – „Ik bedank mijnheer voor de kroon, die hij mij geeft, en ik beloof hem, getrouw zijn voorschrift na te komen; maar het is niettemin raar, dat de brieven op zoodanige wijze in de gesloten huizen komen…” – „Uit den hemel vallen, mijn vriend! uit den hemel vallen.” – „Dus is mijnheer tevreden?” vroeg Planchet. – „Mijn waarde Planchet! ik ben de gelukkigste der menschen.” – „En kan ik van het geluk van mijnheer gebruik maken om te gaan slapen?” – „Ja, ga.” – „Dat de zegen des Hemels op mijnheer neerdale; maar het is niettemin waar, dat die brief…” – En Planchet verwijderde zich, het hoofd schuddende met een zweem van twijfeling, die de gulheid van d’Artagnan niet geheel had kunnen verdrijven.

Alleen zijnde, las en herlas d’Artagnan het briefje, hij kuste en herkuste twintig malen die regels, door de hand zijner schoone minnares geschreven. Eindelijk begaf hij zich te bed, sliep in en deed gouden droomen.

Te zeven uur des morgens stond hij op en riep Planchet, die op een tweeden roep de deur opende met een gezicht, waarvan de ongerustheid des vorigen daags nog niet was afgewischt.

„Planchet!” zeide d’Artagnan tot hem, „ik ga misschien voor den heelen dag uit, gij zijt dus vrij tot zeven uur van avond; maar te zeven uur houd u dan gereed met twee paarden.” – „Komaan,” zeide Planchet, „het schijnt, dat wij wederom eenige gaten in onze huid gaan opdoen.” – „Gij moet uw pistolen en musket medenemen.” – „Wel, wat zeide ik?” riep Planchet. „Ja, ik was er zeker van, vervloekte brief.” – „Maar verontrust u toch niet, domkop! het betreft niets anders dan een pleizierpartij.” – „Ja, zooals het pleiziertochtje van laatst, toen het kogels regende en valstrikken groeide.” – „Maar, indien gij bang zijt, Planchet!” hernam d’Artagnan, „zal ik zonder u gaan; ik ga liever alleen, dan vergezeld van een reisgezel, die beeft.” – „Mijnheer beleedigt mij,” zeide Planchet, „ik meen toch, dat hij mij aan het werk heeft gezien?” – „Ja, maar ik geloof, dat gij uw moed in een keer versleten hebt.” – „Mijnheer zal zien, dat, wanneer de gelegenheid zich voordoet, mij er nog van overblijft; ik verzoek mijnheer alleen, dien niet te verspillen, indien hij wil, dat ik hem lang behoude.” – „Gelooft gij er van avond nog iets van te kunnen missen?” – „Ik hoop het.” – „Welnu, ik reken op u.” – „Op het bepaalde uur zal ik gereed zijn; maar ik dacht, dat mijnheer slechts één paard in den stal der gardes voorhanden had?” – „Misschien is er op dit oogenblik niet meer dan één; maar heden avond zullen er vier zijn.” – „Het schijnt, dat onze reis gestrekt heeft, om van paarden te verwisselen.” – „Juist,” zeide d’Artagnan; en na Planchet opnieuw bemoedigend toegewenkt te hebben, vertrok hij.

De heer Bonacieux stond voor de deur; het voornemen van d’Artagnan was den waardigen winkelier voorbij te gaan zonder hem aan te spreken; maar deze groette hem zoo nederig en goedhartig, dat zijn huurder niet alleen zich verplicht vond hem wederkeerig te groeten, maar zelfs een gesprek met hem aan te knoopen. En daarenboven, waarom zou men niet vriendelijk zijn jegens een man, met wiens vrouw men een afspraak heeft gemaakt tot een samenkomst tegenover het klein paviljoen van den heer d’Estrées.

D’Artagnan naderde hem dus op de meest beleefde wijze. Het gesprek viel natuurlijk op de gevangenneming van den armen man. De heer Bonacieux, wien het onbekend was, dat d’Artagnan zijn gesprek met den onbekende van Meung had beluisterd, verhaalde aan zijn jongen huurder de vervolgingen van dat gedrocht, dien heer de Lassman, dien hij gedurende zijn geheele verhaal onophoudelijk den titel van beul des kardinaals gaf, terwijl hij lang uitweidde over de Bastille, de grendels, de deuren, de luchtgaten, de tralies en de folter-werktuigen.

D’Artagnan luisterde naar hem met een voorbeeldige welwillendheid; vervolgens, toen hij gedaan had: „En mejuffrouw Bonacieux,” zeide hij eindelijk, „weet gij, wie haar ontvoerd heeft? want ik vergeet niet, dat het tengevolge dezer noodlottige omstandigheid was, dat ik het genoegen uwer kennismaking heb gehad.” – „O!” riep de heer Bonacieux, „zij hebben zich wel gewacht mij zulks te zeggen, en mijn vrouw van haar zijde heeft mij bij alle goden gezworen, het niet te weten… Maar gij zelf,” vervolgde Bonacieux op den toon van volkomen goedhartigheid, „waar hebt gij toch al die dagen gezeten? Ik heb u, noch uw vrienden gezien, en het is toch niet in het slijk van Parijs, dat gij al het stof hebt opgedaan, dat Planchet gisteren van uw laarzen stofte.” – „Gij hebt gelijk, mijn beste heer Bonacieux! mijn vrienden en ik hebben een klein reisje gedaan.” – „Ver van hier!” – „Och, mijn God! neen, niet meer dan een veertig uur van hier. Wij hebben den heer Athos naar de baden van Forges gebracht, waar mijn vrienden zijn gebleven.” – „En gij zijt teruggekomen, gij, niet waar?” hernam de heer Bonacieux, aan zijn gezicht de slimst mogelijke uitdrukking gevende. „Een knappe jongen, zooals gij, verkrijgt geen lang verlof van zijn minnares, en men wachtte u met ongeduld te Parijs terug, niet waar?” – „Op mijn woord,” antwoordde de jongeling lachende, „ik vertrouw het te eerder aan u, mijn waarde heer Bonacieux! daar ik zie, dat men u niets kan verbergen; ja, ik word verwacht en wel met ongeduld, dat verzeker ik u.” – Een lichte wolk zweefde op het voorhoofd van Bonacieux, maar zoo licht dat d’Artagnan die niet bemerkte.

„En men zal u voor uw spoed beloonen,” vervolgde de winkelier met eenige ontroering in de stem; een ontroering, die d’Artagnan evenmin bespeurde als de voorbijgaande wolk, die een oogenblik te voren het gezicht van den waardigen man verduisterd had. – „Och kom, houdt u nu maar goed!” zeide d’Artagnan lachende. – „Maar wat ik u zeg,” hernam Bonacieux, „is alleen om te weten, of gij laat te huis zult komen.” – „Waarom vraagt gij dat, mijn waarde huisheer?” vroeg d’Artagnan; „zijt gij voornemens mij te wachten?” – „Neen, maar sedert mijn inhechtenisneming en den diefstal, die bij mij gepleegd is, schrik ik telkens, wanneer ik een deur hoor opendoen en vooral des nachts… Duivelsch! wat wilt gij, ik ben geen krijgsman.” – „Welnu, schrik niet, indien ik te een, twee of drie uur van nacht te huis kom; en wanneer ik in het geheel niet te huis kom, schrik dan nog niet.”

Maar nu werd Bonacieux zoo bleek, dat d’Artagnan niet anders kon, of hij moest het gewaar worden en vragen wat hem deerde. – „Niets,” antwoordde Bonacieux, „niets. Sedert die ramp ben ik aan flauwten onderhevig, die mij eensklaps overvallen, en nu voel ik een rilling door mijn lijf loopen… Maar let er niet op; gij, die u met niets anders behoeft te bemoeien, dan om gelukkig te zijn.” – „Dan heb ik bezigheid, want ik ben het.” – „Nog niet, wacht toch een weinig, gij hebt immers gezegd tot van avond.” – „Welnu! die avond zal komen, Goddank! en misschien wacht gij dien met evenveel ongeduld als ik. Misschien zal heden avond juffrouw Bonacieux wel te huis komen.” – „Juffrouw Bonacieux is heden avond niet vrij,” antwoordde de echtgenoot ernstig; „zij moet voor dienstzaken in het Louvre blijven.” – „Zooveel te erger voor u, mijn waarde heer! zooveel te erger. Wanneer ik gelukkig ben, zie ik gaarne de geheele wereld gelukkig, maar mij dunkt, dat dit niet mogelijk is.” – En de jongeling verwijderde zich, luid lachende over de scherts, die hij alleen, dacht hij, kon begrijpen.

„Vermaak u wel,” antwoordde Bonacieux met een stem, alsof die uit een graf klonk. Doch d’Artagnan was reeds te ver, om die te hooren; en al had hij die gehoord, in de gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, zoude hij ze echter zeker niet hebben opgemerkt. Hij richtte zijn schreden naar het hotel van den heer de Tréville; zijn bezoek van den vorigen dag was, men herinnere het zich, zeer kort en van zeer weinig beteekenis geweest.

Hij vond den heer de Tréville in zijn ziel verblijd. De koning en de koningin waren voor hem op het bal allerbeminnelijkst geweest. Het is waar, dat de kardinaal integendeel alleronbeleefdst was geweest. Te een uur had hij zich verwijderd, voorwendende ongesteld te zijn. Hunne Majesteiten waren niet voor zes uur des morgens in het Louvre teruggekeerd.

„Thans,” zeide de heer de Tréville, op bijna fluisterenden toon en met zijn blik al de hoeken van het vertrek doorzoekende, om te zien of zij wel alleen waren, „thans spreken wij eens over u, mijn jonge vriend! want het is blijkbaar, dat uw terugkomst van eenigen invloed is geweest op de vergenoegdheid des konings, de zegepraal der koningin en de vernedering Zijner Eminentie. Nu is het de zaak u goed te houden.” – „Wat heb ik te vreezen?” antwoordde d’Artagnan, „zoolang ik de gunst Hunner Majesteiten geniet.” – „Alles, geloof mij. De kardinaal is de man niet, om een hem aangedanen trek te vergeten, zoolang hij niet met den uitvoerder heeft afgerekend; en die uitvoerder lijkt mij wel een jongeling van mijn kennis te zijn.” – „Gelooft gij, dat de kardinaal zoo ver is gevorderd als gij en hij weet, dat ik naar Londen ben geweest?” – „Duivelsch! zijt gij naar Londen geweest? En is het van Londen, dat gij dien schoonen ring hebt medegebracht, die aan uw vinger schittert? Wees op uw hoede, mijn beste d’Artagnan! het geschenk eens vijands brengt niet veel goeds. Is hierop niet zeker Latijnsch vers toepasselijk… Wacht eens?” – „Ja zeker,” antwoordde d’Artagnan, die nooit in zijn hersens den eersten regel van zijn Rudimenta had kunnen stampen en door zijn onwetendheid zijn leermeester wanhopig had gemaakt, „ja zeker is er een.” – „Ongetwijfeld moet er een zijn,” zeide de heer de Tréville, die eenige kennis van letterkunde had, „en de heer de Benserade zeide het nog, eenige dagen geleden, op… Wacht eens… Ha, zoo is het: Timeo danaos et dona ferentes. – Dat wil zeggen, wantrouw den vijand, die u geschenken doet.”

„Die diamant komt van geen vijand, mijnheer!” hernam d’Artagnan, „hij komt van de koningin.” – „Van de koningin!” riep de heer de Tréville. „O, o! Inderdaad, het is waarlijk een koninklijk juweel, dat duizend pistolen zoo goed als een penning waard is. Door wien heeft de koningin u dat geschenk doen ter hand stellen?” – „Zij heeft het mij in persoon gegeven.” – „Waar dan?” – „In het kabinet naast het vertrek, waarin zij van kleeding heeft verwisseld.” – „Op wat wijze?” – „Door mij haar hand ten kus aan te bieden.” – „Gij hebt de hand der koningin gekust?” riep de heer de Tréville, d’Artagnan beschouwende. – „Hare Majesteit heeft mij de eer bewezen, mij die genade te vergunnen.” – „En dat in tegenwoordigheid van getuigen! Onvoorzichtige!” – „Neen, mijnheer! wees gerust, niemand heeft het gezien,” hernam d’Artagnan; en hij verhaalde aan den heer de Tréville, hoe de zaken zich hadden toegedragen.

„O, de vrouwen! de vrouwen!” riep de oude soldaat, „ik herken ze wel aan haar romaneske verbeelding; al wat naar het geheimzinnige zweemt, bekoort haar. Dus hebt gij maar alleen den arm gezien, niets meer? Gij zoudt de koningin ontmoeten zonder haar te herkennen? of zij zou u ontmoeten, zonder te weten wie gij waart?” – „Ja, maar door dien diamant…” hernam de jongeling. – „Luister,” zeide de heer de Tréville, „wilt gij dat ik u een raad, een goeden, een vriendenraad geef?” – „Gij zult mij veel eer bewijzen, mijnheer!” zeide d’Artagnan. – „Welnu, ga dan bij den eersten goudsmid den besten en verkoop hem dien diamant, voor zooveel hij er u voor zal willen geven; al is hij de grootste jood, gij zult er altijd wel achthonderd pistolen voor krijgen. Pistolen hebben geen naam, jongeling! en deze ring heeft er een verschrikkelijken, die dengene kan verraden, die hem draagt.” – „Dien ring verkoopen, een ring die van mijn koningin afkomstig is, dat nooit!” riep d’Artagnan. – „Welaan, keer dan den steen naar binnen, arme dwaas! want men weet wel, dat een kadet van Gaskonje dergelijke juweelen niet in het juweelkistje zijner moeder vindt.” – „Gelooft gij dan, dat ik iets te vreezen heb?” vroeg d’Artagnan. – „Ik kan u zeggen, jongeling! dat hij, die zich op een kruitmijn te slapen legt, van welke de lont is aangestoken, zich in zekerheid moet wanen bij u vergeleken.” – „Duivelsch!” zeide d’Artagnan, wien de overtuigende toon van den heer de Tréville begon te verontrusten, „duivelsch! wat moet ik doen?” – „Op uw hoede zijn, altijd en voor alles. De kardinaal heeft een taai geheugen en een langen arm; geloof mij, hij zal u een poets spelen.” – „Maar welke?” – „Weet ik het? staan al de listen des duivels hem niet ten dienste? Het minste, dat u kan overkomen, is gevangen te worden genomen.” – „Hoe, zou men iemand in hechtenis durven nemen, die in dienst van Zijne Majesteit is?” – „Pardieu! men heeft met Athos weinig omslag gemaakt; in alle geval, jonge gek! geloof een man, die sedert dertig jaar aan het hof verkeert, raak niet in slaap in uw gerustheid, of gij zijt verloren. Integendeel, en ik ben het, die u dit zegt, zie overal vijanden. Indien men twist met u zoekt, vermijd dien, al ware het met een kind van tien jaar; indien men u, hetzij des nachts of op den dag aanvalt, ontwijk zonder te blozen; indien gij een brug over gaat, bevoel dan de planken, uit vrees dat een der planken onder uw voeten verzinkt; wanneer gij voorbij een in aanbouw zijnd huis gaat, zie dan naar boven, uit vrees dat een steen op uw hoofd valt; indien gij laat te huis komt, laat u dan door uw lakei volgen en zorg, dat hij gewapend is, althans indien gij op uw lakei kunt rekenen. Stel in niemand ter wereld vertrouwen, wantrouw uw vriend, uw broeder, uw minnares, maar vooral uw minnares.”

D’Artagnan bloosde. – „Mijn minnares!” herhaalde hij werktuigelijk, „en waarom haar meer dan een ander?” – „Omdat de minnaressen een der middelen zijn, die den kardinaal het meest bevallen; hij heeft er geen, dat van spoediger uitwerking is; een vrouw verkoopt u voor tien pistolen: het bewijs er van is Dalila. Gij kent immers de heilige schrift, hè?”

D’Artagnan dacht aan de samenkomst, die juffrouw Bonacieux op dienzelfden avond had bepaald; maar wij moeten tot lof van onzen held zeggen, dat de slechte denkwijze van de Tréville omtrent de vrouwen in het algemeen hem niet het minste wantrouwen jegens zijn lieve huisjuffer inboezemde. – „Maar, à propos!” hernam de heer de Tréville, „wat is er van uw drie vrienden geworden?” – „Ik wilde u juist vragen, of gij niets van hen hadt vernomen.” – „Niets, mijnheer.” – „Ik heb hen onderweg gelaten. Porthos te Chantilly, met een tweegevecht op den hals; Aramis te Crèvecoeur, met een kogel in den schouder, en Athos te Amiëns, met een beschuldiging als valsche munter op het lijf.” – „Ziet ge wel!” zeide de heer de Tréville; „en hoe zijt gij het ontkomen?” – „Door een wonder, mijnheer! wel is waar met een degensteek in de borst, doch daarvoor heb ik den graaf de Wardes, bezijden den weg van Calais, aan den grond gestoken, als een vlinder op een behangsel.” – „Ziet ge wederom wel! De Wardes is een dienaar des kardinaals, een neef van Rochefort; luister, mijn waarde vriend! Er komt bij mij een denkbeeld op.” – „Welk, mijnheer?” – „In uw plaats zou ik iets verstandigs doen.” – „Wat?” – „Terwijl Zijne Eminentie u in Parijs zoeken doet, zou ik met stille trom den weg naar Picardië inslaan en mijn drie vrienden gaan zoeken. Wat duivel! zij verdienen van uw kant die kleine oplettendheid wel.” – „Die raad is goed, mijnheer! en morgen vertrek ik.” – „Morgen, en waarom niet nog dezen avond?” – „Dezen avond, mijnheer! word ik te Parijs door een gewichtige zaak opgehouden.” – „O, jongeling! jongeling! zeker een liefdehandel. Wees op uw hoede! ik herhaal het u: het is de vrouw, die ons allen, zooals wij zijn, verloren heeft, en die ons nog, zoolang wij bestaan, zal doen verloren gaan. Geloof mij, vertrek nog dezen avond.” – „Onmogelijk, mijnheer.” – „Ge hebt reeds uw woord gegeven?” – „Ja, mijnheer!” – „Dat is iets anders; maar beloof mij, indien gij heden nacht niet wordt gedood, dat gij dan morgen zult vertrekken.” – „Ik beloof het u.” – „Hebt gij geld noodig?” – „Ik heb nog vijftig pistolen. Dat is zooveel ik noodig heb, geloof ik.” – „Maar uw vrienden?” – „Ik vertrouw, dat hun geen geld zal ontbreken. Wij hebben Parijs verlaten elk met vijf en zeventig pistolen in den zak.” – „Zal ik u vóór uw vertrek nog wederzien?” – „Ik geloof het niet, mijnheer! althans indien er niets nieuws gebeurt.” – „Welaan, goede reis!” – „Ik dank u, mijnheer!” – En d’Artagnan nam van den heer de Tréville afscheid, meer dan ooit getroffen door zijn zoo vaderlijke zorg voor zijn musketiers.

Hij begaf zich achtereenvolgens naar de woningen van Athos, Porthos en Aramis. Doch geen hunner was nog te huis gekomen. Ook hun lakeien waren nog afwezend, en men had van hen niet de minste tijding. Hij zou wel eenige narichten van hen bij hun minnaressen hebben kunnen inwinnen, maar hij kende noch die van Porthos noch die van Aramis; wat Athos betreft, deze had er geen.

Voorbij het hotel der gardes gaande, wierp hij een blik in den stal; drie van de vier paarden waren reeds aangekomen. Planchet, geheel verwonderd, was reeds bezig ze te roskammen en had dit reeds aan twee verricht.

„O, mijnheer!” riep Planchet, d’Artagnan bespeurende: „o, wat ben ik verheugd u te zien.” – „En waarom dat, Planchet?” vroeg de jongeling. – „Stelt gij vertrouwen in den heer Bonacieux, onzen huisheer?” – „Ik! volstrekt niet.” – „O, mijnheer! hieraan doet gij wel.” – „Maar waartoe die vraag?” – „Omdat, terwijl gij met hem spraakt, ik u beiden beschouwde, zonder u te beluisteren, mijnheer! zijn gelaat zag ik twee of drie malen van kleur veranderen.” – „Och!” – „Heeft mijnheer dat niet opgemerkt? hij was zeker te zeer verstrooid door dien brief, dien hij ontvangen heeft; maar ik integendeel, die op mijn hoede ben, tengevolge der zonderlinge wijze waarop die brief in huis is gekomen, ik heb geen trekking van zijn gezicht mij laten ontsnappen.” – „En hoe vondt gij het?” – „Verraderlijk, mijnheer!” – „Waarlijk?” – „En daarenboven, zoodra mijnheer hem verlaten had en om den hoek der straat verdwenen was, heeft de heer Bonacieux zijn hoed genomen, de deur gesloten en langs de andere zijde der straat zich verwijderd.” – „Waarlijk? gij hebt gelijk, Planchet! dat alles komt mij verdacht voor; maar wees gerust, wij zullen hem de huur niet betalen, alvorens ons de zaak nauwkeurig zal zijn verklaard geworden.” – „Mijnheer schertst, maar mijnheer zal wel zien.” – „Wat wilt gij, Planchet! wat gebeuren moet, staat geschreven.” – „Ziet mijnheer van zijn avondwandeling niet af?” – „Wel, integendeel Planchet! Hoe meer verstoord ik op den heer Bonacieux moet wezen, te meer reden zal ik hebben, om mij naar de samenkomst te begeven, om welke de brief, die u zoozeer verontrust, mij verzoekt.” – „Als mijnheer er dan toe besloten heeft…” – „Onveranderlijk, mijn vriend! zorg dus, hier in het hotel met alles gereed te zijn, ik zal u komen afhalen.”

Planchet, ziende dat er geen hoop meer overbleef zijn meester van besluit te doen veranderen, slaakte een diepen zucht en begon het derde paard te roskammen. Wat d’Artagnan betreft, die in den grond een zeer voorzichtig jongeling was, hij begaf zich naar den Gaskonjischen priester, die op het oogenblik, dat de vier vrienden in nood verkeerden, hen op een ontbijt met chocolaad had onthaald, om bij dezen het middagmaal te gebruiken.

HOOFDSTUK XXIV.
Het paviljoen

Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn musket en een pistool gewapend. – D’Artagnan had zijn degen op zijde en stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poort de la Conférence door en den bekoorlijken weg langs, die naar St. Cloud leidt, en toen veel fraaier dan tegenwoordig was.

Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand bewaren, dien hij zich had voorgeschreven; maar zoodra de weg eenzamer en donkerder begon te worden, naderde hij van lieverlede al meer en meer, zoodat hij bij het binnenrijden van het bosch van Boulogne zich ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.

D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons omging. – „Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?” – „Vindt gij niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?” – „Waarom, Planchet?” – „Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft spreken.” – „Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat gij bang zijt?” – „Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!” – „Uit vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.” – „O, mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn oogen, en iets onaangenaams op de lippen.” – „Wat duivel doet u aan Bonacieux denken!” – „Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet aan hetgeen men wil.” – „Omdat gij bang zijt, Planchet!” – „Mijnheer! verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de voorzichtigheid is een deugd.” – „En gij zijt deugdzaam, niet waar, Planchet?” – „Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.” – „Inderdaad,” mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen worden.” – En hij zette zijn paard in den draf.

Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort. – „Rijden wij op die wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij. – „Neen, Planchet! want gij zijt ter plaatse uwer bestemming gekomen.” – „Wat, mijnheer! ben ik aangekomen? en mijnheer?” – „Ik ga nog eenige schreden verder.” – „En laat mijnheer mij hier alleen?” – „Zijt gij bang, Planchet?” – „Neen, maar ik moet mijnheer alleen doen opmerken, dat de nacht zeer koud zal zijn, dat de koelte rheumatiek doet ontstaan, en dat een lakei, door rheumatiek gekweld, een treurig dienaar is, vooral voor een zoo vluggen meester als mijnheer.” – „Welnu, wanneer gij kou gevoelt, Planchet, ga dan in een dier herbergen, welke gij daar ginds ziet; gij kunt er mij morgenochtend te zes uur voor de deur wachten!” – „Mijnheer, ik heb met uw verlof voor de kroon, die gij mij dezen ochtend hebt gegeven, gegeten en gedronken, zoodat mij geen enkele penning in den zak is overgebleven, om mij voor de koude te gaan beschutten.” – „Daar hebt gij een halve pistool. Tot morgen!”

D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende. – „God! wat is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg prijkte.

Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen en St. Cloud bereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.

Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te kondigen, wachtte hij. – Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.

D’Artagnan ging tegen de heg staan, na een blik achter zich te hebben geworpen. Achter die heg, dien tuin en die hut hulde een donkere nevel in zijn plooien die uitgestrektheid, waarin Parijs slaapt, die gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der samenkomst zou slaan.

Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok van St. Cloud langzaam tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den nacht… Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde, trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte venster de lieve juffrouw Bonacieux.

Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige der kamer deed vermoeden. De klok van St. Cloud sloeg half elf. Nu, zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke aandoening was.

Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlas dien; hij had zich niet bedrogen, de samenkomst was wel degelijk op tien uur bepaald. Hij hernam zijn plaats, tamelijk ongerust wordende over deze stilte en eenzaamheid. Het sloeg elf uur…

D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.

Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom was gemakkelijk te beklimmen… Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van gewelddadigheid zou vinden.

Het kleine zachte licht blonk steeds in de duisternis van den nacht. D’Artagnan zag toen iets, dat hij aanvankelijk niet had opgemerkt, want niets had hem tot dat onderzoek gedreven, namelijk dat de grond hier platgetreden was, elders gaten, sporen van verwarde voetstappen van menschen en paarden vertoonde. Bovendien hadden de wielen van een rijtuig, dat van Parijs scheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het paviljoen, en vandaar weder in de richting naar Parijs terugkeerde. Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen, welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te drukken.

Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien, wegens dienstzaken, te Parijs had moeten blijven, of wellicht ook wel tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen, werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.

Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op, sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuld de rivier overgezet; zij had alle blijken gegeven er belang bij te hebben niet herkend te worden; maar juist uit hoofde van alle voorzorgen, welke zij nam, had de veerman met nog meer oplettendheid haar gadegeslagen en bemerkt, dat de vrouw jong en schoon was. Destijds zoowel als thans waren er een menigte jonge, schoone vrouwen, die zich naar St. Cloud begaven en er belang bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had opgemerkt.

D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst wel degelijk te St. Cloud en niet elders was bepaald; voor het paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.

Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem, alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.

Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat ware geweest den beschroomdsten gerust te stellen. Eindelijk opende zich slechts een vingerbreedte een oud vermolmd luik, doch sloot zich weder dadelijk, zoodra het schijnsel eener ellendige lamp, die in een hoek brandde, den bandelier, den degengreep en de loopen der pistolen van d’Artagnan had verlicht.

Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien. – „In ’s hemels naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn voorgevallen? spreek!”

Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren. D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp, de wanorde in de kamer heerschende gezien had.

De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven, dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.

„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren, verklaar u!” – „Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets; indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets goeds uit voortspruiten.” – „Hebt gij dan iets gezien?” hernam d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in ’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal komen.”

De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig gerucht op straat hoorende en begeerig te weten wat er voorviel, naar de deur liep; daar ontwaarde ik, dat men trachtte binnen te komen. Arm zijnde en niet vreezende bestolen te worden, opende ik en zag op eenigen afstand drie mannen. In de schaduw stond een bespannen koets en gezadelde paarden. Die gezadelde paarden behoorden blijkbaar aan de drie mannen, welke als ruiters waren gekleed.

„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’ – ‚Gij hebt zeker een ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn. – ‚Ja, heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’ – ‚Geef ons die en ga in huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’

„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’ Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast. Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoen gehoord, een vrouw liep naar het venster en opende het, als om er zich uit te werpen; maar toen zij de twee mannen zag, trad zij schielijk achteruit; en de beide mannen sprongen achter haar de kamer binnen. Toen zag ik niets meer, maar ik hoorde een gerucht als van brekend huisraad. – De vrouw schreeuwde en riep om hulp. Maar spoedig werden haar kreten gesmoord; de drie mannen naderden het venster, de vrouw in hun armen wegdragende; twee gingen de ladder af en droegen haar in het rijtuig, waarin de kleine oude zich na haar begaf. Hij, die in het paviljoen was gebleven, sloot het venster, trad een oogenblik daarna uit de deur en verzekerde zich, dat de vrouw in het rijtuig was; zijn beide gezellen wachtten hem reeds te paard, hij sprong op zijn beurt in den zadel; de lakei zette zich naast den koetsier; de koets verwijderde zich in galop, begeleid door de drie ruiters, en alles was geëindigd. Van toen af heb ik niets meer gezien, niets meer gehoord.”

D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der jaloezie in zijn hart brulden.

„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven gebracht, en dat is het voornaamste.” – „Weet gij min of meer,” vroeg d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?” – „Ik ken hem niet.” – „Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien hebben.” – „O, gij meent hoe hij er uitzag?” – „Ja.” – „Een groot, mager, bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van een edelman.” – „Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij! Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?” – „Wie?” – „De kleine.” – „O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste onderscheiding.” – „Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach, arme vrouw, wat hebben zij met haar gedaan?” – „Gij hebt mij geheimhouding beloofd,” zeide de grijsaard. – „En ik herhaal u mijn belofte, wees gerust, ik ben edelman. Een edelman heeft slechts één woord, en ik heb u het mijne gegeven.”

D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte. – „O, indien ik mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is geworden?”

Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht. D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet. Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon brengen.

Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te wekken, na zijn flesch te hebben geledigd, in zijn hoek de gemakkelijkste houding aan te nemen en zoo goed als hij kon in te slapen.

D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde, was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.

1.Wij weten zeer goed, dat de benaming van „Milady” niet anders gebruikt wordt, dan wanneer die door den familienaam wordt gevolgd. Maar wij hebben dit zóó in dit manuscript gevonden, en durven het niet op ons nemen, hierin iets te veranderen.
2.De schrijver doelt op de spreuk van Lodewijk XIV, die tot wapen had aangenomen een zon met dit devies: „nec pluribus impar”; d. i. voor zeer vele dingen ben ik genoegzaam; dit kenschetst geheel den trotschen aard van Lodewijk XIV en ook den meer zedigen aard van Lodewijk XIII, dien de schrijver tot spreuk schijnt te geven: „pluribus impar”; d. i. voor de meeste dingen ben ik niet berekend.
3.Dit was de titel van den oudsten broeder des Franschen konings.
4.Het hoofdbureau van politie is nog heden ten dage gelegen in de straat van dien naam.
Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ağustos 2017
Hacim:
870 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain

Benzer kitaplar