Kitabı oku: «Het Leven der Dieren: De Spinachtigen»

Yazı tipi:

Alfred Edmund Brehm

Het Leven der Dieren: De Spinachtigen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404222

Inhoudsopgave

DE WORMDUIZENDPOOTEN (Protracheata) .

DE SPINACHTIGEN (Arachnoidea) .

EERSTE ORDE.

DE SOLPUGEN (Solifugae) .

TWEEDE ORDE.

DE SCHORPIOENEN (Scorpionina) .

DERDE ORDE.

DE BASTAARDSCHORPIOENEN (Pseudoscorpiones) .

VIERDE ORDE.

DE SCHORPIOENSPINNEN (Pedipalpi) .

VIJFDE ORDE.

DE BASTAARDSPINNEN (Opiliones) .

ZESDE ORDE.

DE ECHTE SPINNEN (Araneina) .

ZEVENDE ORDE.

DE MIJTEN (Acarina) .

ACHTSTE ORDE.

DE WORMSPINNEN (Linguatulida) .

NEGENDE ORDE.

DE MOSBEERTJES (Tardigrada) .

TIENDE ORDE.

DE ZEESPINNEN (Pantopoda) .

DE ZWAARDSTAARTEN.

DE SCHAALDIEREN.

EERSTE ORDE.

DE TIENPOOTIGEN (Decapoda) .

TWEEDE ORDE.

DE SPLEETVOETIGEN (Schizopoda) .

DERDE ORDE.

DE MONDPOOTIGEN (Stomatopoda) .

VIERDE ORDE.

DE CUMACEËN (Cumacea) .

VIJFDE ORDE.

DE PISSEBEDDEN (Isopoda) .

ZESDE ORDE.

DE VLOOKREEFTEN (Amphipoda) .

ZEVENDE ORDE.

DE BLADPOOTKREEFTEN (Phyllocarida) .

ACHTSTE ORDE.

DE RANKPOOTIGEN (Cirripedia) .

NEGENDE ORDE.

DE ROEISPRIETIGEN (Copepoda) .

TIENDE ORDE.

DE SCHELPKREEFTEN (Ostracoda) .

ELFDE ORDE.

DE KIEUWPOOTIGEN (Branchiopoda) .

DE WORMDUIZENDPOOTEN (Protracheata).

Inhoudsopgave

De zonderlinge, in Europa niet voorkomende dieren, die men in het geslacht Peripatus („wandelaar”) heeft samengevoegd, behooren een afzonderlijke klasse in de groote hoofdafdeeling der Gelede Dieren uit te maken. Zij hebben eenige eigenschappen met de Arthropoden gemeen en tevens kenmerken, die men overigens uitsluitend bij de Wormen aantreft. Tot de Ringwormen (Annulata) werden zij gerekend, voordat men hun wijze van ademhalen had leeren kennen; zij bezitten luchtbuizen (tracheeën); deze staan met de buitenwereld in gemeenschap door talrijke kleine openingen, welke over de geheele oppervlakte van ’t lichaam verspreid zijn, maar vooral in de middellijn van den buik gevonden worden. Aan het wormvormige lichaam kan men een kop onderscheiden met 1 paar sprieten en 1 paar kaken. De romp bestaat uit 14 à 42 segmenten, die ieder één paar ledematen (voetstompjes met 2 klauwen) dragen. Hieraan danken deze dieren den naam van Klauwdragers (Onychophora). Men noemt ze ook wel Oertracheaten (Protracheata), om aan te duiden dat men ze beschouwt als „voorloopers” van de door tracheeën ademende Arthropoden.—De wijfjes brengen levende jongen ter wereld.

De weinige tot dusver bekende soorten leven op soortgelijke plaatsen als de Duizendpooten in Zuid- en Middel-Amerika, Zuid-Afrika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland. Eén daarvan (Peripatus Edwardsii), die West-Indië en Cayenne bewoont, is 50 à 65 mM. lang, heeft 29 à 31 paar pooten en is grijsbruin van kleur.

DE SPINACHTIGEN (Arachnoidea).

Inhoudsopgave

Bij nagenoeg alle Arthropoden, die men onder den naam van Spinachtigen (Arachnoidea) in één klasse samenvat, heeft het lichaam twee afdeelingen: het kopborststuk (cephalothorax) en het achterlijf. (Uitgezonderd zijn de Solpugen, die een duidelijk begrensden kop hebben en een borststuk, dat uit drie volkomen gelijke ringen bestaat.) Het kopborststuk is altijd ongeleed, van boven beschut door een groot, meer of minder sterk gewelfd rugschild, van onderen door een borstschild, dat meestal een geringen omvang heeft, daar het aan alle zijden omgeven is door de heupen van de ledematen. De oogen, voorzoover aanwezig, zijn steeds enkelvoudig, 2 à 12 in getal, kunnen op verschillende gedeelten van het kopborststuk voorkomen en hebben dus geen bepaalde plaats; zij leveren door de wijze van rangschikking kenmerken voor de onderscheiding van geslachten en soorten. Onder den vrijen voorrand van het rugschild is een paar ledematen vastgehecht, die door voorkomen en verrichting aan kaken herinneren en bij verschillende orden van Spinachtigen in vorm niet weinig uiteenloopen. Zij ontspringen niet, gelijk de bovenkaken der Insecten, naast de mondspleet, maar er boven; in dit opzicht, en ook doordat zij hunne zenuwen uit den bovenslokdarmknoop ontvangen, gelijken zij op de sprieten der tot dusver behandelde Gelede Dieren. Men heeft daarom deze met de werkzaamheden van kaken belaste sprieten zeer te recht kaaksprieten genoemd. Het ontbreken van gewone en het bezit van kaaksprieten is een karakteristieke eigenschap van de Spinachtigen. Deze hebben bovendien nog 5 andere paren ledematen, waarvan de 4 achterste paren geheel het voorkomen van gangpooten hebben. De voorste, die de plaats van kaken innemen, zijn verschillend van vorm; bij de behandeling der orden komen wij hierop terug.—Het achterlijf is soms uit leden samengesteld, meestal echter ongeleed; het draagt nimmer pooten en verschilt hierdoor van dat der meeste Schaaldieren.—De ademhaling heeft plaats door „longen”, door luchtbuizen, of (bij de laagste vormen) door de huid. De zoogenaamde „longen” zijn eigenlijk onvertakte tracheeën, die een eigenaardigen vorm hebben aangenomen en niet door een spiraaldraad gesteund worden; zij heeten daarom ook wel „tracheën-longen”. Elke „long” bestaat uit een groot aantal holle platen, die als de bladen van een boek bijeengevoegd zijn en een zakvormig orgaan opleveren, dat aan de binnenzijde van een ademgat gelegen is.—Met uitzondering van de tweeslachtige Tardigraden, zijn alle Spinachtigen éénslachtig; de mannetjes verschillen dikwijls door geringere grootte van de wijfjes. De geslachtsopening (soms zijn er 2) is niet aan het einde van het achterlijf, maar veel verder naar voren gelegen. Een legboor wordt uitsluitend bij de Phalanginen gevonden. In den regel komen de jongen bij het verlaten van het ei met hunne ouders in vorm overeen; alleen bij sommige Mijten en bij de Wormspinnen komt gedaantewisseling voor. De groei gaat met verscheidene vervellingen gepaard en duurt voort, nadat het dier geslachtsrijp is geworden.

Het aantal bekende Spinachtigen bedraagt ruim 4000, die men in 10 orden verdeelt. De 5 eerste (Solpugen, Schorpioenen, Bastaardschorpioenen, Schorpioenspinnen, Bastaardspinnen) hebben allen een duidelijk geleed, „zittend” (over zijn geheele breedte vastgehecht) achterlijf en worden daarom gezamenlijk Geleedbuikigen (Arthrogastra) genoemd. Deze groep bevat ± 600 soorten. In lichaamsbouw wijken deze dieren overigens zeer uiteen. Sommigen behooren tot de hoogst ontwikkelde Spinachtigen; andere (b.v. de Bastaardschorpioenen) zijn aan veel lager georganiseerde wezens (aan de Mijten) het naast verwant. De 6e orde is die der Echte Spinnen met ongeveer 2500 soorten; ruim 900 behooren tot die der Mijten. De laatste 3 orden (de Wormspinnen, de Mosbeertjes en de Zeespinnen), bevatten gezamenlijk ± 200 soorten.

EERSTE ORDE.
DE SOLPUGEN (Solifugae).

Inhoudsopgave

De Solpugen (Solifugae) hebben niet slechts het achterlijf, maar den geheelen stam in leden verdeeld. Het voorste stuk—een echte „kop”—maakt een eivormig geheel uit met de 2-ledige, vooruitstekende, schaarvormige kaaksprieten. Het grondlid, welks sterk gezwollen wortelgedeelte „hand” heet, heeft een uitsteeksel, dat boven het klauwvormig eindlid ligt en, evenals dit, „vinger” wordt genoemd; beide „vingers” zijn met krachtige tanden gewapend; de onderste werkt in verticale richting op de bovenste. Ook kunnen beide scharen zijwaarts bewogen worden. Aan de bovenzijde van den kop bevinden zich 2 oogen, aan de onderzijde, naast en achter de mondspleet twee paar kaken, welker lange tasters in maaksel overeenkomen met de drie paar ware, aan de borstringen gehechte pooten, maar niet, als deze, in twee klauwen eindigen. Het achterlijf is uit 9 leden samengesteld en, evenals de geheele overige stam, dicht, viltachtig behaard; de ledematen zijn met lange, broze haren bezet, waarvan sommige een buitengewone lengte bereiken.

De Gewone Rolspin (Solpuga of Galeodes araneoides) wordt 5 cM. lang, bewoont de steppen van Zuid-Rusland en komt ook in Egypte voor. Zij is grootendeels roestgeel, van voren aan de scharen echter bruin, op het rolronde achterlijf roestbruin; de olijfbruine kaaktasters zijn aan de onderzijde met dikke stekels bezet.


Strijd tusschen een Gewone Rolspin (Galeodes araneoides) en een Schorpioen. Ware grootte.

De Rolspin houdt zich over dag schuil in spleten van den leemachtigen bodem, in rietvelden of onder steenen; ’s nachts gaat zij op roof uit en vangt Insecten. Dat zij ook groote dieren aanvalt, is uit proeven met gevangen exemplaren gebleken. Een Rolspin van 52 mM. lichaamslengte greep een 105 mM. langen Schorpioen bij den wortel van den staart, beet dezen af en verslond vervolgens het geheele dier. Deze zege was echter slechts aan een toeval te danken, zooals bleek, toen men een tweeden Schorpioen bij haar bracht en zij dezen van voren aanviel; dit dier hield zijn vijandin met de scharen vast en bracht haar met den gifstekel een wonde toe, waaraan zij na eenige stuiptrekkingen bezweek. Ook elkander sparen de Rolspinnen niet; na een strijd op leven en dood vreet de overwinnaar zijn tegenpartij op. Daarentegen draagt de moeder, naar Spinnenaard, de grootst mogelijke zorg voor haar kroost.

TWEEDE ORDE.
DE SCHORPIOENEN (Scorpionina).

Inhoudsopgave

Het geheele voorkomen van den Schorpioen stempelt hem tot een zinnebeeld van arglist en boosaardigheid. Het laatste achterlijfssegment bevat 2 gifklieren en loopt uit in een gekromden stekel met twee gif-afvoerende openingen aan de spits. De wonde, die dit wapen veroorzaakt, is voor kleine dieren steeds noodlottig, maar brengt soms ook bij groote dieren en bij menschen langdurige vergiftigingsverschijnselen, of zelfs den dood, teweeg. Guyon vermeldt vijf gevallen met doodelijken afloop 12 uren na de verwonding en één geval van onmiddellijken dood door den steek van een zeer grooten Schorpioen. Het gif is een waterhelder, spoedig opdrogend, zuur reageerend vocht, oplosbaar in water, onoplosbaar in absoluten (watervrijen) alcohol en in ether.

De Schorpioenen (Scorpionina) verschuilen zich, evenals de Duizendpooten, onder steenen, in rottend hout, in spleten van muren en dergelijke donkere hoeken. Daar zij zeer veel van warmte houden, komen zij dikwijls voor in menschelijke woningen, waar zij bedden, kleederen, schoenen en dergelijke warme plekjes tot woonplaats kiezen. Reizigers, die in de open lucht den nacht doorbrengen, zien, zoodra zij het overal onontbeerlijke vuur hebben aangelegd, behalve andere nachtelijke Arthropoden, altijd ook Schorpioenen verschijnen en moeten zich tegen hen op de een of andere wijze beveiligen. In dit geval en ook bij het verrichten van werkzaamheden in de vrije natuur kan het voorkomen, dat een mensch onverhoeds te dicht bij een Schorpioen komt, die dan gewoonlijk meent zich te moeten verdedigen en zijn wapen gebruikt. De steek veroorzaakt een zeer pijnlijke, brandende gewaarwording en heeft ontsteking van de wonde, verlamming, koorts, flauwten en braking ten gevolge. De vergiftigingsverschijnselen zijn des te ernstiger, naarmate het dier grooter is, met meer kracht kan steken en meer gif in de wonde laat vloeien; een grooten invloed op hun hevigheid hebben ook de prikkelbaarheid van den gewonden persoon en de weersgesteldheid, daar, zooals bekend is, alle ontstekingsziekten in warme landen een kwaadaardiger verloop hebben dan in de gematigde luchtstreken. De Europeesche soorten veroorzaken de minst ernstige wonden; de Afrikaansche en Aziatische Schorpioenen zijn gevaarlijker, misschien wegens hun meerdere grootte. Vroeger trachtte men de genezing van de wonde te bespoedigen door haar te bestrijken met „schorpioenenolie”: olijfolie, waarin men eenige Schorpioenen had laten sterven; dit wordt nog wel gedaan door personen, die meer vertrouwen stellen in huismiddeltjes dan in voorschriften van een geneeskundige. Alkalische geneesmiddelen, zooals ammonia of tabaksasch, zijn het best geschikt om de pijn te verzachten en de zwelling te verminderen; het innemen van een kleine dosis ipecacuanha heeft een gunstigen invloed op de overige ziekteverschijnselen. De inboorlingen van Afrika, die veel te lijden hebben van den Rotsschorpioen (Scorpio afer), leggen een stevigen band om de wonde en nemen rust, totdat de ongesteldheid geweken is. Men heeft opgemerkt, dat het menschelijk lichaam langzamerhand aan het gif van den Schorpioen gewoon geraakt. De tweede verwonding veroorzaakt een minder hevig en langdurig lijden dan de eerste; de derde steek heeft een zwakkere werking dan de tweede. Men zegt, dat iemand, die de juistheid van deze mededeelingen bij zichzelf heeft beproefd, het weldra zoo ver bracht, dat hij van den steek niets anders voelde dan de spoedig verdwijnende pijn van de huidwonde.

Gedurende hunne nachtelijke rooftochten maken de Schorpioenen allerlei Insecten en Spinnen buit, die hun liefste voedsel uitmaken. Zij loopen dan zeer vlug en behendig, soms ook zijwaarts of achteruit, waarbij de staart voortdurend naar boven en naar voren gekromd boven den rug wordt gehouden en altijd voor den aanval gereed is. Zij grijpen iedere voor hen geschikte prooi met de scharen der kaaktasters, lichten haar ondanks alle tegenstribbeling omhoog, bekijken haar met de oogen, die op het midden van het kopborststuk voorkomen en maken haar weerloos met een nimmer falenden, van achteren naar voren gerichten steek in den borstzenuwknoop. Na eenige stuiptrekkingen is het slachtoffer dood; het wordt naar den bek gebracht en uitgezogen, niet zelden ook fijn gekauwd en geheel verslonden.

De Schorpioenen leven vooral in de tropische gewesten en in de warmste gedeelten van den gematigden aardgordel; veel verder dan tot 45° N.B. strekt hun verbreidingsgebied zich niet uit; in ons vaderland en Noord-Duitschland komen zij in ’t geheel niet voor.


Veldschorpioen (Buthus occitanus):—a) Rugzijde.—b) Buikzijde van het vóórachterlijf: aan het 1e segment komt de geslachtsopening voor, aan het 2e zijn de kammen gehecht; de ademgaten bevinden zich aan het 3e–6e segment, die 4 paar longen bevatten.—Ware grootte.

Een van de algemeenste Zuid-Europeesche soorten, die Frankrijk, Spanje, Barbarije, kortom alle oeverlanden van de Middellandsche Zee bewoont, de 85 mM. lange, lichtgeel-roode Veldschorpioen (Buthus occitanus), moge hier de geheele familie vertegenwoordigen. Vóór het lichaam steken de beide kaaktasters uit; zij eindigen in scharen, welke van die der Kreeften verschillen, doordat niet de binnen-, maar de buitenvinger klein en ten opzichte van het uitsteeksel der zoogenaamde „hand” beweeglijk is. De korte, dikke, van boven niet zichtbare grondstukken dezer ledematen zijn de kaken. De kaken van het tweede paar, welker plaatvormige heupen een naar voren gericht uitsteeksel hebben, dat als onderlip dient, hebben geheel het maaksel van pooten en worden als zoodanig gebruikt. De stam van den Schorpioen bestaat uit het vierhoekige, naar achteren eenigszins in breedte toenemende, ongelede kopborststuk, waarop zonder eenige insnoering het 13-ledige achterlijf volgt, welks 6 laatste ringen den knobbeligen, 45 mM. langen „staart” (het „na-achterlijf”) vormen, met de aarsopening aan ’t einde van ’t voorlaatste en den gekromden gifstekel aan ’t einde van ’t laatste lid. Aan de buikzijde van het tweede achterlijfssegment komen de zoogenaamde kammen voor. Het zijn 2 veelledige, smalle platen met tandvormige, bij wijze van een kam gerangschikte uitsteeksels, welker aantal niet onbelangrijk verschilt in verband met de soort, en bij leden van dezelfde soort allengs toeneemt. Hun eigenlijke beteekenis is onbekend; waarschijnlijk kunnen zij bij wendingen van het lichaam en bij de beweging langs steile, gladde wanden, de werking der pooten ondersteunen. Aan de bovenzijde van het kopborststuk bevinden zich de oogen: de beide grootste of kruinoogen dicht bij het midden, de overige 2 à 5 paar (zijoogen) in twee groepen ter rechter en ter linkerzijde van den voorhoofdsrand. Het lichaam is met harde chitine-platen bekleed; het rugschild en het buikschild van ieder segment van het „voor-achterlijf” zijn door zachte vliezen verbonden, aan den harderen staart echter tot een ring vergroeid. De oppervlakte is glanzig of dof, meestal ruw, gekorreld of geknobbeld, van lijsten of kanten voorzien, op sommige plaatsen ook wel met borstels begroeid. De kleur kan variëeren van lichtgeel door bruin tot zeer donker zwart; hoogstens vindt men bij hen een zwarte teekening op lichten grond.

De Schorpioenen brengen levende jongen ter wereld. Gedurende de eerste weken, zoo lang hun uitwendig skelet zacht en licht van kleur is, blijven zij bij hun moeder; men heeft niet kunnen nagaan, op welke wijze zij zich in dien tijd voeden. De moeder vermagert intusschen hoe langer hoe meer en sterft, zoodra de jongen zelfstandig geworden zijn en zich verspreiden. De door haar talrijk kroost omgeven moeder levert een zeer eigenaardig schouwspel op; in zeer verschillende houdingen bedekken de 30 à 50 jongen haar lichaam; vreedzaam leven deze van aard zoo ongezellige dieren in dit geval bijeen.

De Schorpioenen worden in 4 familiën verdeeld met te zamen ongeveer 100 soorten. Die van de eerste familie (Telegonini) hebben een zeer smal, dwars gericht, sikkelvormig borstschild. Zij komen uitsluitend in Amerika en Nieuw-Holland voor en onderscheiden zich door een glanzige, bijna gladde lichaamsoppervlakte. Dit geldt o.a. van den Bonten Schorpioen (Telegonus versicolor) uit Brazilië, een glanzig, zwart en geel gevlekt diertje, dat slechts 28 mM. lang wordt en een zeer dikken staart heeft, op welks spits, evenals op de vingers van de scharen, het zwart door rood vervangen is.

Tot de tweede familie (Scorpionini) behooren verreweg de meeste, over 12 geslachten verdeelde soorten. Een groot, 3- of 5-hoekig borstschild, één reeks van tanden aan elken schaarvinger, 2 of 3 groote en 1 of 2 kleine zijoogen komen bij alle voor. Twee groote bijoogen vindt men o.a. bij den 70 mM. langen, van boven donkerbruinen, van onderen gelen Moorschen Schorpioen (Brotheas maurus) en bij den Huisschorpioen of Karpatischen Schorpioen (Scorpio carpathicus, S. europaeus). Deze is slechts 35 mM. lang, van boven roodbruin, van onderen, aan de pooten en aan de spits van den staart geel van kleur. Hij bewoont het Zuiden van Europa tot aan de Tiroler Alpen en de Karpaten.—Drie groote bijoogen hebben alle overige soorten. De zwarte Rotsschorpioen, de Ketoengeng der Javanen (Scorpio afer), kan bijna 16 cM. lang worden; hij bewoont Afrika en Oost-Indië met de naburige eilanden. De nagenoeg 8 cM. lange Kaapsche Schorpioen (Opistophthalmus capensis) wordt, evenals al zijne verwanten, voor zeer vergiftig gehouden; het doffe, roodachtige geel van de meeste lichaamsdeelen is levendiger en zuiverder van tint op het rugschild van het kopborststuk vóór de buitengewoon ver achterwaarts gelegen kruinoogen en op het breede achterste stuk van de „handen”.

De leden van de derde familie (Centrurini) hebben een klein, driehoekig borstschild, tanden op twee reeksen aan den beweeglijken, op één reeks aan den onbeweeglijken vinger, een doorn onder den wortel van den gifstekel, hoogstens één klein zijoog naast de 3 groote zijoogen en een spoelvormige hand aan den schaar der kaaktasters. De zeer slanke, dunpootige, 37 mM. lange Amerikaansche Schorpioen (Centrurus americanus) is op grijsgelen grond fraai zwart gevlekt. Donkerder van kleur en forscher gebouwd, maar tevens zeer slank, is de soms wel 105 mM. lange Hottentotsche Schorpioen (Centrurus hottentottus).

De Veldschorpioen (Buthus occitanus) behoort tot de vierde familie (Androctonini), die van de vorige verschilt door het bezit van 3 groote en 2 kleine bijoogen.

DERDE ORDE.
DE BASTAARDSCHORPIOENEN (Pseudoscorpiones).

Inhoudsopgave

De Boekenschorpioen (Chelifer cancroides), die door zijne groote scharen op een Schorpioen zonder staart gelijkt, herinnert door de grootte, de kleur en den algemeenen omtrek van het sterk afgeplatte lichaam aan een Bedwants. Hij houdt zich op in oude huizen, tusschen stoffige boeken, in portefeuilles van herbariën en in kasten met insectenverzamelingen. Hier maakt hij zich verdienstelijk door Stofluizen, Motten, Mijten en andere kleine Gelede Dieren te verslinden. Bij ’t openen van een door hen bewoonde insectenkast ziet men deze diertjes kreeftachtige bewegingen maken, met even groot gemak achteruit en zijwaarts als vooruit loopen en met de lange kaaktasters naar links en rechts telegrafeeren; zij zijn geheel buiten staat om zich tegen de hen vattende vingers te verweeren. Het wijfje legt ongeveer 30 eieren en draagt deze aan de buikzijde van ’t achterlijf mede.


Boekenschorpioen (Chelifer cancroides). Sterk vergroot.

Andere soorten van nagenoeg dezelfde grootte en vorm leven onder mos, boomschors, enz. in de vrije natuur.

Bij alle Bastaardschorpioenen (Pseudoscorpiones)—of Schorpioenmijten (Chelonethi)—is het kopborststuk ongeleed, doch van 2 groeven voorzien, het achterlijf 11- (zelden 10-)ledig. Bij den voorhoofdsrand hebben zij 3 of 4 oogen, sommige in ’t geheel geen. De kaaksprieten zijn weinig ontwikkeld en niet voor ’t bijten, maar voor ’t zuigen geschikt. Voor ’t ademen dienen luchtbuizen met 2 paar ademgaten aan de buikzijde van de beide eerste achterlijfsringen. Aan het tweede buikschild komen de beide geslachtsopeningen en ook de afvoeropeningen van de spinklieren voor.

VIERDE ORDE.
DE SCHORPIOENSPINNEN (Pedipalpi).

Inhoudsopgave

Men kent ± 30 soorten van deze zeer zonderlinge Spinachtigen, uitsluitend bewoners van de tropische gewesten der Oude en der Nieuwe Wereld. Evenals de Echte Spinnen hebben zij tweeledige kaaksprieten met klauwvormig eindlid, dat vermoedelijk in gemeenschap staat met een gifklier. De naam Pedipalpi beteekent, „tasterpooten” en doelt op de groote lengte en de veelledigheid van den voet der achterste kaken (of voorste pooten), die aan een „zweep” van een spriet herinnert. Het 11- of 12-ledige achterlijf, hoewel „zittend”, is door een insnoering van het ongelede kopborststuk gescheiden.—Bij de Draadschorpioenen (Thelyphonidae) zijn de drie laatste achterlijfsleden smal en vormen een korte buis, die in een lange, veelledige draad met een stinkklier eindigt. De zweep is betrekkelijk kort en 8-ledig. De kaaktasters zijn dik, gedrongen en aan ’t einde schaarvormig. De afgebeelde soort bewoont Java en Timor en is zonder den staart 32 mM. lang.—De Zweepschorpioenen (Phrynidae) hebben een meer spinachtig voorkomen, missen den staartdraad, maar hebben een buitengewoon lange, veelledige zweep. De lange kaaktasters eindigen niet in een schaar, maar in een door stekels omgeven klauw. De afgebeelde soort leeft op San-Domingo en wordt hier soms in het vandaar uitgevoerde verfhout gevonden.


Langstaartige Draadschorpioen (Thelyphonus caudatus). Ware grootte.

VIJFDE ORDE.
DE BASTAARDSPINNEN (Opiliones).

Inhoudsopgave


Langarmige Tarantelschorpioen (Phrynus lunatus). Ware grootte.—a) Voorste deel van het kopborststuk vergroot om de rangschikking der oogen te toonen.

De tot dusver besprokene Spinachtigen komen alleen den bewoner van Zuid-Europa en van andere warme landen onder de oogen, en dan nog slechts bij uitzondering en bij toeval, daar zij nachtwandelaars zijn. De Bastaardspinnen (Phalangina of Opiliones) leiden een minder verborgen leven en zijn over den gematigden aardgordel en geheel Amerika verbreid. De buitengewoon lang- en dunpootige dieren, die bij ons, zoowel als in noordelijker en zuidelijker deelen van Europa hun klein, eivormig lichaam zwevend houden, wanneer zij een boomstam of een muur bestijgen, of over den bodem loopen, daarentegen bij het rusten op den buik liggen en de pooten ver uitstrekken, zijn aan iedereen onder den naam van Hooiwagens bekend. Liefhebbers van een vreemdsoortige versnapering zeggen, dat de romp van deze diertjes zoo zoet smaakt als een hazelnoot. Bij het vangen van dit wild zijn zij in de gelegenheid om op te merken, hoe licht de dunne pooten van de vleezige heup los geraken en hoe zij uren lang voortgaan met krampachtige bewegingen te maken, als waren zij nog in leven. In donkere hoeken van huizen, maar ook in de vrije natuur overal, niet uitsluitend op zeer verborgen plaatsen, ziet men deze dieren over dag rusten, of nu en dan traag van plaats veranderen, als liepen zij op stelten. Zoodra de nacht begint, ontwaken zij uit haar droomenden toestand; dartel stoeiend, trachten zij elkander een beentje te lichten; de lange pooten geraken verward; de eigenaars van deze lichaamsdeelen behouden met moeite het evenwicht en hun plaats. Intusschen worden meer ernstige bezigheden niet verzuimd. Als een Kat bespringt de Hooiwagen zijn buit, die uit kleine Insecten en Spinnen bestaat.

De Hooiwagens (Phalangidae), waarvan men ongeveer 100 soorten onderscheidt, die bijna alle de Oude Wereld bewonen, stemmen in de volgende opzichten overeen. Het dikke, eivormige lichaam is straalsgewijs door de lange pooten omgeven. Nagenoeg op ’t midden van het kopborststuk staan de beide oogen; het bolle achterlijf is (niet altijd duidelijk) in 6 ringen verdeeld. Twee ademgaten onder de heupen van de achterpooten stellen het tracheeënstelsel, waardoor de ademhaling geschiedt, met de buitenwereld in gemeenschap. De 3-ledige kaaksprieten zijn naar beneden gericht; hunne beide laatste leden vormen een kleine schaar. De kaaktasters bestaan uit 6 draadvormige leden en eindigen in den regel in één fijnen klauw, evenals de beide pootvormige kaken, die overigens weinig verschillen van de 3 paar volgende, tweeklauwige ledematen. Bij geen der overige Arthropoden vindt men pooten van zulk een lengte. De koude schijnt de Hooiwagens weinig te deren; zelfs op hooge bergen komen zij voor: de Gletscher-hooiwagen (Opilio glacialis) wordt in de Zwitsersche Alpen nog op een hoogte van 3344 M. gevonden.

De meest algemeen verbreide soort, de Gewone Hooiwagen (Opilio parietinum, fig. 4), is op de heup, de dij en het kopborststuk met fijne doorntjes bezet. De lichtbruinachtige rugzijde vertoont een nagenoeg ruitvormige, zwartbruine teekening; de buikzijde is witachtig. Het lichaam wordt 8 à 10 mM. lang. Zeer gretig heeft men deze Spin de wijfjes van de Roodbruine Sparrelootgallen-bladluis (Chermes coccineus, C. strobilobius) zien grijpen; zij perste hare slachtoffers de eieren uit het lichaam en vrat deze op, waarna zij de overige, hardere deelen liet liggen. Naar het schijnt, duurt de ontwikkeling van deze soort 3 jaren, waarin verscheidene vervellingen voorkomen.

Behalve de Hooiwagens onderscheidt men nog een zestal andere familiën (met 150 soorten) van Bastaardspinnen. De zonderlingste vormen treft men aan in het Zuid-Amerikaansche geslacht Gonyleptes. Het achterlijf is bij deze zoo goed als geheel onder het stevig gepantserde kopborststuk verborgen. Daarachter steken de ver uiteenwijkende, breede en zeer lange achterpooten uit, die een bijzonder dikke heup hebben en met krachtige doornen gewapend zijn. Alleen de mannetjes vertoonen deze afwijkingen; bij de wijfjes is achter het rugschild van ’t kopborststuk een deel van het achterlijf zichtbaar. De bruinroode Gonyleptes curvipes bewoont Brazilië en Chili en blijft over dag verscholen achter boomschors, onder omgehouwen boomstammen, in gaten van den grond en dergelijke schuilhoeken, waar andere duisterlingen haar tot voedsel dienen.

ZESDE ORDE.
DE ECHTE SPINNEN (Araneina).

Inhoudsopgave

In ’t oog vallende eigenaardigheden van de Spinnen zijn haar arglistig loeren op buit van uit een verborgen hinderlaag en de alles behalve vriendschappelijke betrekking, waarin zij, vooral het mannetje en het wijfje, tot elkander staan. Om de hevigste openbaring van vijandschap tusschen twee menschen aan te duiden, vergelijkt men hen met Spinnen. Daar hare uitwendige kenteekenen al even weinig innemend zijn als de beide reeds genoemde karaktertrekken, worden de Spinnen door de meeste menschen gemeden en verafschuwd, hoewel zij in vele opzichten onze bewondering verdienen. Haar lichaamsbouw is niet minder merkwaardig dan die der overige Arthropoden; haar arbeid heeft evenveel aanspraak op onze waardeering. Reeds door de ouden werd dit erkend. Volgens een Grieksche sage had Arachne, de dochter van den purperverwer Idmon, die van Pallas-Athene de weefkunst had geleerd, de onbescheidenheid om aan haar goddelijke leermeesteres een wedstrijd voor te stellen. Te vergeefs werd dit waagstuk haar ontraden door de godin, die de gedaante van een oude vrouw had aangenomen. Arachne bleef bij haar voornemen en vervaardigde een kunstig weefsel, dat de minnarijen der goden voorstelde. Toen Athene, hierover vertoornd, het weefsel verscheurde, hing Arachne uit wanhoop zich op. De godin riep haar in ’t leven terug in de gestalte—van een Spin, opdat zij naar welgevallen zou kunnen hangen.—Koning Salomo stelde de Spin tot voorbeeld aan zijne hovelingen wegens haar vlijt, kunstvaardigheid, schranderheid, matigheid en deugd.


Kruisspin (Epeira diadema):—1) Wijfje. 2) Mannetje. 3) Spinpijpje. 4) Spintepels met de aarsopening (boven) en het „zeefje” (onder). 5) Kaaksprieten en oogen. 6) Linker kaakspriet, waarvan het grondlid overlangs doorgesneden is om de gifklier in haar geheel te toonen. 7) Top van het voetlid.—3–7 sterk vergr.

Bij alle Echte Spinnen is zoowel het achterlijf als het kopborststuk ongeleed; beide afdeelingen zijn door een dunnen steel verbonden. Als pareltjes in ’t goud, zijn aan de bovenzijde van ’t kopborststuk de enkelvoudige oogen geplaatst, die door hun aantal, rangschikking, afstand, grootte en richting betrouwbare kenmerken voor de onderscheiding der talrijke geslachten opleveren. Bij de meeste Spinnen komen 8, bij sommige 6, bij enkele 2 en bij eenige bewoners van donkere holen in ’t geheel geen oogen voor. Elke kaakspriet (fig. 5) bestaat uit een dik, aan de binnenzijde gegroefd grondlid en een klauwvormig eindlid, dat in deze groeve teruggeslagen kan worden en, als een giftand van een Slang, doorboord is; dit kanaal staat in gemeenschap met een gifklier in den vorm van een langwerpigen, blinden zak (fig. 6). Bij een beet met de beide kaaksprieten storten dus 2 gifklieren venijn in de wonde. Kleine dieren worden er bijna onmiddellijk door gedood, doch ook voor groote dieren en zelfs voor den mensch is het gif van eenige soorten van Spinnen gevaarlijk. Aan weerszijden van de mondspleet komen de heupleden van het volgende paar ledematen, de kaken, voor; hunne 5 overige leden vormen den kaaktaster. Het eindlid, dat bij het wijfje altijd een (meestal getande) klauw draagt, is bij het mannetje vervormd tot een voor deze orde karakteristiek voortplantingsorgaan. Het volgende paar kaken eindigt, evenals de 3 paar eigenlijke pooten, in 2 kamvormig getande klauwen (fig. 7) en komt er ook in andere opzichten (o.a. door de verdeeling in 7 leden) zoozeer mede overeen, dat men het gewoonlijk als een paar pooten beschouwt en aan de Spinnen 4 paar bewegingsorganen toeschrijft. Aan den voet van de beide groote klauwen bevindt zich (fig. 7) een kleine, slechts bij enkele Spinnen ontbrekende „voorklauw” van gelijken vorm.

Onmiddellijk vóór de min of meer buisvormige aarsopening zijn de wonderbaarlijke spinorganen gelegen, die de tweede eigenaardigheid van de geheele orde vormen. Door klieren van zeer verschillend maaksel, die zich tusschen de ingewanden bevinden, wordt een vloeistof bereid, die in aanraking met de lucht verhardt tot een taaie (droge of kleverige) draad. De spinstof ontwijkt uit de talrijke, microscopisch fijne gaatjes, waarmede de zoogenaamde „spintepels” (fig. 4) bij wijze van een zeef bezaaid zijn. De meeste Spinnen hebben 3 paar van deze organen: voorste (onderste), middelste en achterste (bovenste). Die van het middelste paar vallen weinig in ’t oog, daar zij altijd klein en éénledig zijn; de voorste en achterste zijn grooter en dikwijls 2- of 3-ledig. Vóór de voorste spintepels vindt men nog het zoogenaamde „zeefje” (cribellum), een met talrijke spinpijpjes bezet veld, dat door een hoornachtigen rand omgeven is. Door spierwerking kunnen de spintepels naar voren en naar achteren, naar buiten en naar binnen bewogen, uitgestulpt en teruggetrokken worden. Bij sommige Spinnen komt een paar veelledige spintepels voor, die als staartjes voorbij de spits van het achterlijf uitsteken; deze spelen waarschijnlijk een rol bij het rangschikken der draden, doch vormen er zelf geen. De eigenlijke, kegelvormige of cilindrische spintepels bestaan uit twee deelen: het onderste en grootste is behaard en door een hoornachtigen ring omgeven; het bovenste is een eenigszins bol vlak, dat als een borstel met een groot aantal uitsteeksels van eigenaardigen vorm, de spinborstels of spinpijpjes (fig. 3) bezet is. Hun wijdte en rangschikking loopen zeer uiteen. Zij zijn niet slechts bij verschillende soorten van Spinnen, maar ook aan de verschillende spintepels van hetzelfde dier in ongelijk aantal aanwezig. Het talrijkst zijn zij bij de Kruisspinnen, die er ongeveer 1000 hebben; bij Tegenaria zijn er slechts 400, bij Segestria senoculata ongeveer 100 en bij verscheidene kleinere soorten nog minder. Bij het spinnen van een draad worden niet altijd alle spinpijpjes gelijktijdig gebruikt; de Spin kan naar verkiezing enkele of verscheidene van deze organen laten werken, al naar het doel waarvoor de draad bestemd is.

De hardheid van de chitinelaag, die het lichaam van de Spin bedekt, is zeer ongelijk; bij de inheemsche soorten is zij over ’t algemeen zachter dan bij verscheidene buitenlandsche, waaronder er zijn met een zeer harde schaal. Na de klauwen hebben altijd het rugschild en het borstschild van het kopborststuk de grootste hardheid. De oppervlakte is niet meer of minder dicht bekleed met lange, borstelige of korte fluweelachtige haren, soms ook met stekels; niet zelden verhoogt dit kleed in niet geringe mate het afschrikwekkend voorkomen van de Spinnen. Sombere kleuren hebben bij haar gewoonlijk de overhand; niet zelden echter zijn zij lichter en bont van kleur en teekening. Voor de onderscheiding der soorten zijn deze verschijnselen niet zeer geschikt.

Daar de Spinnen van roof, n.l. van allerlei Insecten, leven, is, evenals aan andere roofdieren, gezelligheid haar vreemd; zij moeten hare soortgenooten mijden en in sommige gevallen bestrijden. De uitzonderingen op dezen regel zijn zeldzaam en alleen in Zuid-Afrika en Argentinië waargenomen.

De Spinnen zijn arme wevers; evenals deze, moeten zij weven, om in hun levensonderhoud te voorzien; zij moeten echter spaarzaam zijn met de grondstof, omdat deze bij goede voeding in ruime mate, bij schralen kost slechts in geringe hoeveelheid beschikbaar is. De draad, die het lichaam verlaten heeft, kan er niet weer in teruggetrokken worden. Soms zou men kunnen meenen, dat dit wel geschiedt, n.l. als de Spin bij een draad naar boven klimt en deze daarbij steeds korter wordt; in dit geval echter wordt de draad eenvoudig opgewikkeld en aan de pooten medegevoerd. Een nog veel grooter onderscheid dan er bij verschillende soorten van Wespen wordt waargenomen in de wijze van bouwen der nesten, merkt men bij de Spinnen op. Sommige, zooals de van oudsher bekende Kruisspin, vervaardigen een wielvormig web, andere, zooals de Gewone Huisspin, een dichter weefsel van trechtervormige gedaante, nog andere buizen, zakken, enz., hieraan danken zij de namen Wiel-, Kruisnet-, Trechter-, Zakspinners. Een groot aantal Spinnen vangen haar prooi niet in een web, maar oefenen op een eerlijker wijze het roovershandwerk uit door het Insect, dat in de nabijheid van haar schuilhoek komt, loopend te vervolgen of onverhoeds te bespringen. Bovendien gebruiken de Spinnen hare draden als middel om van plaats te veranderen; zij laten zich spinnend naar beneden zakken en kunnen ook, door de draad in schommelende beweging te brengen, een voorwerp bereiken, dat niet onmiddellijk onder haar uitgangspunt gelegen is. Wanneer de draad van hier losgerukt en door luchtstroomingen medegevoerd wordt, zal zij een kleine Spin kunnen dragen; bij fraai herfstweder ziet men sommige soorten op deze wijze door de lucht vliegen en zich over een grooten afstand verplaatsen. Alle Spinnen zonder uitzondering, voor zoover zij wijfjes zijn, gebruiken het product van hare spinklieren tot beschutting van de eieren. Deze overigens zoo wreedaardige dieren leveren sterk sprekende bewijzen van moederliefde en overtreffen in dit opzicht zelfs de Insecten, die het best voor hunne jongen zorgen. De eieren worden meestal midden in den zomer gelegd; bij gunstige temperatuur en vochtigheidstoestand van de lucht verlaat het jong 3 à 4 weken later het ei. De meeste Springspinnen, Zak-, Trechter- en Wielspinners leggen in het laatst van den zomer eieren en brengen het gewoonlijk lensvormige, soms halfbolvormige nestje op een voor winterkwartier geschikte plaats. Van de leden dezer familiën overwinteren slechts bij uitzondering enkele exemplaren; daarentegen verkeeren de nog niet volwassen jongen van de overige soorten des winters op hunne gewone schuilplaatsen in een toestand van verstijving. In het gunstige jaargetijde groeien zij tamelijk snel, hetgeen door verscheidene vervellingen mogelijk wordt. Over ’t algemeen is men van oordeel, dat bij de vierde vervelling de groei ophoudt en dat na dien tijd de vervanging van verloren lichaamsdeelen niet meer voorkomt.

Het aantal bekende soorten van Spinnen bedraagt eenige duizenden en neemt nog steeds toe. Zij zijn over de geheele aardoppervlakte verbreid; sommige soorten worden nog op een hoogte van ongeveer 3125 M. boven den zeespiegel aangetroffen. Toch zijn warme landen beter voor haar ter bewoning geschikt dan koudere, zooals blijkt uit de grootere verscheidenheid van vormen, die deze orde in de tropische gewesten aanbiedt; hier leven de grootste en fraaiste soorten. In het barnsteen zijn overblijfselen van een niet onbelangrijk aantal uitgestorven soorten (ongeveer 250) gevonden. Reeds in de steenkolenformatie bestond deze orde; twee soorten uit dit tijdperk zijn bekend.


Vogelspin (Mygale).

Tot het geslacht der Moord-, Bosch- of Vogelspinnen (Mygale), dat uitsluitend in de warme landen van beide halfronden aangetroffen wordt, behooren Spinnen, die een lichaamslengte van 5 of meer cM. kunnen bereiken, doch met hare dikke, ruig behaarde pooten 18 cM. kunnen overspannen. Sommige reizigers hebben haar beticht van het dooden en verslinden van kleine Vogels; Bates heeft werkelijk een dergelijke Spin op heeterdaad betrapt. Of dit de Gewone Vogelspin (Mygale avicularia) was, dan wel een andere der veel op elkander gelijkende soorten van hetzelfde geslacht, is niet bekend. Over een diepen spleet van een dikken boomstam was een stevig, wit weefsel uitgespannen, in welks beschadigd onderste gedeelte twee vogeltjes (Vinken) hingen. Het eene was reeds gestorven, het andere lag onder het lichaam van de Spin, onmiddellijk onder de spleet, en was den dood nabij. Nadat Bates den roover verjaagd had, vond hij het vogeltje, dat weldra in zijne handen stierf, bedekt met eene smerige, op speeksel gelijkende vloeistof. Naar deze mededeeling en de gebrekkige houtgravure, die haar vergezelt, is de afbeelding vervaardigd; de Spin echter is geteekend naar een in spiritus geconserveerd exemplaar van de genoemde soort. Bates zegt uitdrukkelijk, dat het door hem waargenomen feit nieuw was voor de bewoners van Amazonië, die de bedoelde, in hun vaderland volstrekt niet zeldzame Spinnen Aranhas caranguexeiras (Kreeftspinnen) noemen. Dat het niet de gewoonte van alle Vogelspinnen kan zijn om zich met Vogels te voeden, blijkt uit hare verblijfplaatsen, die vermoedelijk niet dikwijls door de gevleugelde bewoners der lucht bezocht worden. Slechts weinige soorten leven op boomen en struiken, de meeste bewonen gaten in muren, daken van huizen, op welker muren men ze soms ziet zitten, ruimten onder steenen en holen in den grond. Dit laatste geldt o.a. van een dikke, bruine, in West-Indië en Brazilië levende, 65 mM. lange soort [Mygale (Therephosa) Blondii], die gemakkelijk herkend kan worden aan de gele strepen op de pooten. Zij bekleedt haar scheef afhellende, ongeveer 63 cM. lange gang met een zijden behangsel en gaat tegen den avond bij de opening op den loer liggen. Verschrikt vlucht zij diep in haar woning, zoodra zware voetstappen naderen. Ook in Zuid-Afrika schijnen de onder steenen wonende Moordspinnen veelvuldiger te zijn dan de op houtgewas levende. Met groote behendigheid trachten zij springend te ontkomen aan de vervolging van ieder, die haar wil vangen; altijd zijn zij gereed om met hare scherpe gifklauwen de grijpende vingers te kwetsen.

De Indianen vreezen de Boschspin niet. Bates zag de kinderen, die voor hem Insecten verzamelden, met een groot dier van deze soort spelen. Zij hadden het een draad om het lichaam gebonden en liepen er mede door het huis als met een hondje.

In 1862 werd te Danzig bij het lossen van een uit Engeland afkomstig kolenschip een levende Mygale avicularia gevonden en bijna een jaar lang in ’t leven gehouden. Zij verslond Insecten, Pissebedden en Spinnen, maar ook Kikvorschen en rauw vleesch.

De Vogelspin is pekzwart en met zwartbruine haren bekleed; een koperkleurig rood vilt bedekt het breede, platgedrukte eindlid van den poot, dat twee verborgene, ongetande klauwen draagt; de voorste middeloogen zijn aanmerkelijk grooter dan de overige. De leden van het soortenrijke geslacht Mygale onderscheiden zich door de X-vormige rangschikking der 8 dicht bijeen geplaatste oogen, door stevige, lang en dicht behaarde pooten en door twee gekromde haken aan het einde van het tweede scheenlid van de voorpooten.

Bij Mygale en een gering aantal andere geslachten vindt men 4 longzakken, dus ook 4 ademgaten aan ’t voorste deel van den buik (alle overige leden der orde bezitten 2 longen), slechts vier spintepels, waarvan 2 zeer klein zijn, en naar voren gerichte kaaksprieten, welker klauwlid benedenwaarts en niet binnenwaarts tegen het grondlid wordt aangelegd. De Spinnen, die deze kenmerken gemeen hebben, worden gezamenlijk Vierlongigen (Tetrapneumones) genoemd. In Europa is deze groep o.a. vertegenwoordigd door de Metselspinnen (Cteniza), waarvan 6 soorten het Middellandsche Zee-gebied bewonen en door het geslacht Atypus (d.i. „afwijkend”, zoo genoemd wegens het bezit van 6 spintepels), waarvan 3 soorten, behalve in Zuid-Europa, ook, hoewel zelden, in Duitschland gevonden worden.


Sauvage’s Metselspin (Cteniza fodiens) in haar woning (deze is sterk verkort en overlangs doorgesneden voorgesteld).—a) Plaatsing der oogen (sterk vergroot).—b) Deksel van binnen gezien.—c) Eieren.—Ware grootte (behalve a).

Sauvage’s Metselspin (Cteniza fodiens), die hieronder in haar eigenaardige woning is afgebeeld (deze moet men zich echter ruim 4-maal zoo lang denken), heeft een roodbruin, bijna onbehaard lichaam en ziet er ongeveer uit als een Kelderspin. De beide staartjes aan de spits van het achterlijf, die ook bij vele andere Spinnen voorkomen, stellen de beide genoemde, tastervormige, geen draad voortbrengende spintepels voor. Deze soort wordt vooral op Corsica gevonden; zij kiest tot verblijfplaats een niet met gras begroeide, steile helling, die uit een samenpakkende grondsoort zonder steentjes bestaat, waarin het regenwater dus niet kan blijven staan. Hier graaft hij in horizontale richting een soms wel 63 cM. lange gang, zoo wijd, dat zij zich er met gemak in kan bewegen; deze wordt van binnen bekleed met een zijden weefsel om het instorten te verhoeden. Haar kunstigst werkstuk is echter het cirkelronde deurtje, waarmede de gang gesloten wordt en dat in de opening past. Het is aan den buitenkant plat en ruw en niet van de omgevende aarde te onderscheiden, overigens uit fijne klei en spinsel samengesteld, van binnen met een sierlijk zijden weefsel bekleed, welks draden langs een deel van den bovenrand overgaan in het bekleedsel van de gang en zoo een hengsel vormen; het deurtje valt door zijn eigen zwaarte dicht, nadat men het geopend heeft. De Spin verlaat haar woning niet anders dan ’s nachts om op roof uit te gaan; over dag is zij in haar goed gesloten hol beveiligd tegen vijanden. Als een van deze de deur wil openen, belet de Spin dit, door de klauwen van de achterpooten in het bekleedsel van de gang, die van de voorpooten in de zijden binnenbedekking van het deurtje te slaan en dit dus naar zich toe te trekken. De zwarte stipjes die in fig. b langs een deel van den rand voorkomen, stellen de gaten voor, die met het genoemde doel in ’t weefsel zijn aangebracht. Wanneer de Spin de deur niet meer gesloten kan houden, vlucht zij naar het diepste deel van haar hol. Hier bevinden zich de eieren en later de jongen, die gedurende het eerste levenstijdperk zorgvuldig door de moeder bewaakt worden. Wanneer de Metselspin uit haar hol gehaald en aan de zonnestralen blootgesteld wordt, is zij na korten tijd slap en als verlamd.

Alle Spinnen, die slechts door twee longen (sommige bovendien door luchtbuizen) ademen—de Tweelongigen (Dipneumones)—, hebben het klauwvormig eindlid van de kaaksprieten in rust binnenwaarts gericht. Op grond van haar levenswijze kan men ze verdeelen in Gevestigde of Webspinnen (Sedentariae) en Zwervende of Jachtspinnen (Vagaebundae). De laatstgenoemde maken geen web en vangen loopend of springend haar buit; de eerstgenoemde wachten hem af op of bij het web, dat zij vervaardigen, of de draden, die zij spannen, en worden, naar de wijze van spinnen, in verscheidene familiën verdeeld.

De Wielspinners (Orbitelariae, Epeiridae) hebben een meestal rechtstandig web, samengesteld uit draden, die, als de spaken van een wiel, straalsgewijs van een middelpunt uitgaan, en andere, die als concentrische of spiraalwindingen de vorige doorsnijden. In de nabijheid van dit vangnet of er midden in wachten zij geduldig, tot een vliegend Insect er aan vastgehecht blijft. In het laatst van den zomer of in den herfst hebben de meeste Spinnen door de laatste vervelling haar volledige ontwikkeling bereikt. Kort na de paring bezwijken de mannetjes; de wijfjes brengen hare eierenzakjes, die gewoonlijk door gele, eenigszins wollige vlokjes omgeven zijn, op een veilige plaats en sterven vóór den aanvang van den winter. Alle Wielspinners hebben 8 oogen; de 4 grootste staan in ’t midden (middenoogen) en vormen een vierkant, tenzij de afstand tusschen de 2 voorhoofdsoogen iets grooter is dan die, welke de kruinoogen vaneenscheidt; de 4 overige (zijoogen) zijn aan weerszijden van de middenoogen en op grooten afstand van deze, twee aan twee, eenigszins scheef en zeer dicht bij elkander geplaatst (zoodat er dikwijls geen tusschenruimte overblijft). De pooten zijn tamelijk dik; de voorste zijn langer dan die van het 2e paar, hoewel deze de volgende in lengte overtreffen. Alle wijfjes (uitgezonderd die van het geslacht Tetragnatha) onderscheiden zich door een dik, bolrond achterlijf en een sterk getanden tasterklauw.

Dit alles kan men het gemakkelijkst waarnemen bij de algemeen bekende Gewone Kruisspin (Epeira diadema). Aan de rugzijde van het vette, glanzige achterlijf ziet men lichte vlekjes een kruis vormen op den lichter of donkerder bruinen, met meer of minder grijs gemengden ondergrond; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam. Andere hier voorkomende, meestal zuiver witte vlekken en stippels, begrenzen een driehoekig veld. Bij het aanmerkelijk kleinere, slechts 11 mM. lange mannetje zijn de schenen van de 2e paar pooten verdikt. De Epeiren spinnen uit 6 tepels met zeer talrijke pijpjes.

De Gewone Kruisspin wordt in ’t grootste deel van Europa in tuinen, kreupelhout en ijle naaldhoutbosschen gevonden; meestal vestigt zij zich op betrekkelijk geringen afstand van den grond, bij voorkeur in de nabijheid van slooten, moerassen, meren, kortom op plaatsen waar Vliegen en Muggen gewoonlijk in overvloed rondvliegen. In ’t begin van Mei verlaten de jongen de eischaal; gedurende ongeveer 8 dagen blijven zij bijeen, of liever komen telkens weer samen na zich verspreid te hebben; na de eerste vervelling verlaten zij haar geboorteplaats. Langzamerhand, na verscheidene vervellingen ontwikkelt zich de teekening, die het volwassen dier onder de fraaiste inheemsche soorten een plaats verschaft. Zoodra de jonge Kruisspinnen zich verstrooid hebben, spint ieder een web, dat natuurlijk wegens zijn geringe grootte minder de aandacht trekt dan de wielvormige weefsels van 30 en meer cM. middellijn, welke men later ontmoet. De plaats waar zij zich vestigen zal, wordt eerst na rijp beraad bepaald; voordat zij aan den arbeid tijgt, loopt zij geruimen tijd op allerlei voorwerpen rond; dit is volstrekt noodig, daar zij op deze plaats op een andere wijze te werk moet gaan dan op gene om de buitendraden te spannen, die het drie- of vierhoekige raam begrenzen, waaraan het web bevestigd is. Haar eerste werk bestaat in het vasthechten van den draad, dien zij zal spinnen, door drukking met de spits van het achterlijf; in verreweg de meeste gevallen geschiedt dit op een hoog gelegen plaats. Zij laat deze los en zakt langzamerhand door haar eigen gewicht, hangend aan den steeds langer wordende, uit de spintepels komenden draad, die vervolgens in strak gespannen toestand bevestigd wordt; het tweede aanhechtingspunt is steeds lager gelegen dan het eerste. Groote zorgvuldigheid vereischt het spinnen van den bovensten dwarsdraad, die als een strak gespannen touw twee soms ver uiteenliggende punten verbindt. Wanneer het niet mogelijk is te voet van het eene punt naar het andere te komen, schiet de Spin een draad uit, die door luchtstroomingen naar het tweede aanhechtingspunt wordt vervoerd; soms laat zij zich, onder aan een draad hangend, zoo lang heen en weer slingeren, totdat zij met de pooten de gewenschte plaats bereiken kan. Indien de draad niet dadelijk de noodige spanning heeft, wordt hij door korte zijdraden strak getrokken. Als het raam gereed is, verbindt de Spin twee tegenovergestelde punten door aan het eene een draad te bevestigen, langs de buitendraden naar het andere punt te loopen en intusschen den steeds langer wordende nieuwen draad met den achterpoot van zich af te houden. Door tusschen het midden dezer lijn en den omtrek heen en weer te gaan komen de spaken van het wiel tot stand, waarbij de laatste verkregene steeds als weg dient bij het spinnen van de volgende. De nu volgende arbeid, het verbinden van alle stralen door cirkels, levert geen bezwaar op. In het middelveld, dat zich ongeveer zoo ver uitstrekt, als de Spin hare pooten kan uitsteken, zijn deze draden droog, evenals de tot dusver gebruikte; verderop zijn zij bezet met zeer talrijke, buitengewoon fijne, kleverige knobbeltjes en hierdoor in staat om denzelfden dienst te doen als de lijmroeden bij het vogelvangen: zij houden de vliegende Insecten vast, die er mede in aanraking komen. Men heeft uitgerekend, dat een web van 36 à 39 cM. middellijn ongeveer 120 000 van deze knobbeltjes bevat.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
199 s. 49 illüstrasyon
ISBN:
4064066404222
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar