Kitabı oku: «De Wedergeboorte van Nederland»

Yazı tipi:

B. D. H. Tellegen

De Wedergeboorte van Nederland


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066314040

Inhoudsopgave

EEN WOORD VOORAF.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

INLEIDING.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

EEN WOORD VOORAF.

Inhoudsopgave

(1884).

.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat eene m. i. averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte onzer politieke geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt te komen. Men begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat tusschen 1813 en volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen er op gevolgd is. Men is er weder op uit, de beteekenis dier revolutie in de schaduw te stellen, men sluit de oogen daarvoor, dat met haar de staatseenheid niet alleen maar ook het streven naar staatshervorming hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom vooral scheen het mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne voorstelling niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang eener geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende jaren in vele opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had gebracht of had trachten te brengen. Dit te herinneren, dit boven allen twijfel te stellen, was vooral het doel dezer uitgaaf. In hoeverre ik hierin geslaagd ben, moge de deskundige en onbevooroordeelde lezer beslissen.

DE SCHRIJVER.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Inhoudsopgave

De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt aangeboden, is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen heeft het aan beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis groote diensten bewezen. Om het die bij voortduring te laten vervullen scheen meer dan een eenvoudige herdruk noodig. Niet dat Tellegen's beschouwingen verouderd zijn; integendeel, het wil mij voorkomen dat jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen kan. Maar zij kunnen nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door en uit veel uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het boek zeer ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door moderner uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven verwijzen. Zoo dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat in 1884 nog niet bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat gedeelte der noot aansprakelijk.

Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch, in andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden van mijne hand doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig te maken op hetgeen jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij gebruikte, omtrent de door hem besproken zaken kunnen doen opmerken.

Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor mij is 1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie, maar bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars had opgeleverd. In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in wat er van werd, wel. Dit heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als Tellegen, en ver van mij is alle wensch of pogen, op dit hoofdpunt hem te vertroebelen of te verzwakken. Moge het integendeel blijken dat mijn bijwerk een steun en bevestiging is geweest.

Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste en nog ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden vervallen. Zij zijn of worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider verband waarin zij behooren.

September 1913.

H. T. COLENBRANDER.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.

Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij, Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795 verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde, was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd. De jaren 1795–1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen en—het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne landgenooten durfde zeggen: „ik ben bereid en vastelijk besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten” (proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet1). Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok duitschen grond2), waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg, kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.

Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien is er wat af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813 verkeerd, indien hij zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een requisitoir tegen Oranje, zooals hij het „enkelen” laat verbergen „achter den muur hunner tanden.” Hij ziet meen ik voorbij, dat de „vergeven en vergeten”-passus uit de proclamatie van 30 November een weerklank is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf opgegaan. De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet van Gijsbert Karel van 17 November: „al het geledene is vergeten en vergeven.” Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik Fagel, die de (in Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins opgesteld heeft, ze overgenomen. Dat de natie vergaf, bleek uit het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op volgen dat ook de teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te verzekeren was van de zijde van Oranje geen ongevraagd durven, maar door het volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich dan ook geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het requisitoir is van een man van 1884, niet van 1813. „Geest en hart,” schrijft Falck, „waren open voor alle redeneeringen gegrond op het beginsel van eensgezindheid en verbroedering. De fraaie proclamatie die den Prins voorafgegaan was, het werk van den voormaligen Griffier Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en Z. M.'s eigene taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke zich bij het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van der Duyn en Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij houden”3).

Waar aan beide zijden schuld is geweest en boete, pleegt men elkander bij het wederzien geen lange lijsten van grieven aan te bieden, maar ziet liever den weg op die voorwaarts leidt.

Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen; zelden of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland zóó groot geweest.

1) G. K. van Hogendorp in 1813, bijlage bl. 15.—Zie ook Falck's Gedenkschriften, bl. 119.

2) Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij van Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den 23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over deze zaak Gedenkstukken IV, 701.

3) Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van Fennekol aan Wiselius, Gedenkstukken VI, 1756.

I.

Inhoudsopgave

HET GRONDGEBIED.

Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware herleefde, had in één opzicht althans zijne voordeelige zijde. Het scheen den prins van Oranje, het scheen de hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die als van zelve sprak, dat door die herleving ook het grondgebied der Vereenigde Nederlanden weder het eigendom werd van den opgestanen Staat. Niet alleen, dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór de inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had behoord. Ook zoodra een gedeelte van het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied van de fransche overheersching was bevrijd geworden, werd dit bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde Nederlanden vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had bij dat tractaat de departementen van Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en het land van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze had het kwartier Breda ingedeeld bij het departement der Beide Nethen en van de overige landen de departementen der monden van de Schelde en der monden van den Rijn gemaakt. En hoewel nu de Franschen dit alles op verre na nog niet hadden verlaten—men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814 bevrijd—werden toch die landen reeds toen verklaard, „evenals van ouds” uit te maken een deel van den Staat der Vereenigde Nederlanden en onder het bestuur daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid, dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige twijfel konde bestaan. En wanneer de prins vooreerst met stilzwijgen den toestand dier landen voorbijging, die reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk waren vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en hetgeen daarbij behoorde, wanneer hij daarover zweeg, zoo meen ik de oorzaak daarvan niet zoo zeer te moeten zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot de Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel daarin, dat zoowel het een als het ander nog geheel in de handen des vijands was.

Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen hij reeds den 28sten November 18134) aan Hendrik Fagel, den vertrouwde van den prins te Londen, en dus nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als zijne meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de dadelijke en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën in de drie werelddeelen verwachtte, koloniën, waarvan Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den Mei 1802 te Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was afgestaan, terwijl de overige koloniën sedert door dat rijk veroverd waren in den oorlog tegen ons gevoerd. Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende, vond het blijkens zijn antwoord van 1 December 18135) wat voorbarig, toen reeds bij Engeland op de vervulling van dien wensch aan te dringen. Holland moest eerst geheel en al zelfstandig zijn, voordat men over die teruggaaf kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen, die koloniën, in plaats van aan het bevriende en geallieerde Holland, aan het vijandige Frankrijk terug te geven. Wanneer dit gevaar echter voorbij was, dan, meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich tot wederzijdsche tevredenheid schikken.

Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent beschouwde als van zelf te spreken, ook door de geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd. Was het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der revolutie uit te wisschen, die hunne gedragslijn bepaalde? Ik zoude het niet durven beweren. Zij waren—evenals Napoleon—zeer afkeerig van zelfregeering en volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van 1789 vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon, weinig eerbied voor de zelfstandigheid der volken, en waren in zoover navolgers der revolutie en der Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in strijd zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd met Piemont vereenigd; aan Venetië door Oostenrijk ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke en wereldlijke potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche omwenteling waren te niet gegaan en het feest der opstanding niet mede zouden vieren; aan België, dat tegen zijn zin zoude dienen ter vergrooting van Noord-Nederland. Maar men denke bovenal aan de verdeeling van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde mogendheden begonnen en in den revolutietijd voortgezet, tot eene zekere hoogte het voorbeeld en de verontschuldiging tevens van de uitspattingen van Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets komen. Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de geallieerden geene tegenspraak ondervond? Was het de verwantschap van het huis van Oranje met het pruisische koningshuis, die eenig gewicht in de schaal legde? Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die (het gold de wederinbezitneming van landen op den rechteroever der Maas) den terugkeer der Vereenigde Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als boven alle bedenking verheven beschouwde6). Was het de omstandigheid dat er nog vóór de komst der geallieerden in het hart des lands, aldaar eene poging tot zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten? Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van beschouwing der oppermachtige geallieerden. Maar bovenal was het Engeland, dat de herleving der Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der herleving der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en uitgebreid. Het zoude voor Engeland zijn eene brug naar het vasteland; het zoude beletten, dat de geheele kust van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam van eene der machtige continentale mogendheden. Het zoude een voormuur zijn tegen het altijd nog gevreesde Frankrijk. Dit waren de redenen waarom de geallieerden in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of Venetië deed. Het was ook in de oogen van den engelschen minister van buitenlandsche zaken, lord Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had, iets wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot zijnen vroegeren toestand7). Deze wijze van beschouwing, van den aanvang gehuldigd, heeft dan ook gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814 over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.

Wij keerden dus terug in het bezit van het grondgebied der Vereenigde Nederlanden. Wij zouden niet meer afhankelijk zijn van een buitenlandsche mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland zoude zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de vlag der Nederlanden weder op alle zeeën gezien worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan Melchior Kemper8). Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is het slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen den blik vestigt op de onafhankelijkheid, op de vernietiging der vreemde overheersching. Het land kan in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche volk nu een vrij volk zijn, met het oog op de binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude moeten worden beantwoord door hen, die geroepen werden het gebouw te stichten, waarin de nederlandsche maatschappij zoude wonen. Het antwoord op die vraag zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten gegeven worden.

Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland, ten opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het mogelijk, en wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan Tellegen in het bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen, bij acte gepasseerd tusschen den minister Lord Grenville en den voortvluchtigen Willem V, 2 Febr. 1795, de Nederlandsche koloniën in bewaar te nemen: „S. M. Britannique,” luidt dit stuk9), „ayant fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de donner aux commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux appartenans à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous la protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la République se trouve par l'occupation de la province de Hollande par une force ennemie, S. M. s'engage de la manière la plus formelle qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt tout vaisseau, forteresse ou place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en conséquence du dit ordre, et qu'Elle le restituera à la République des Provinces-Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en paix avec le France, et que l'indépendance de la République et sa constitution légitime garantie par S. M. en 1788 seront assurées.”

Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche gezaghebbers, gedagteekend Kew 7 Febr. 179510), voorzien, vertoonden zich de Engelschen in den loop van den oorlog die met den vrede van Amiens eindigde, voor de meeste Nederlandsche koloniën en bezittingen, welke echter over het geheel zich niet onmiddellijk, ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming hebben gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op Suriname werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname gelukte11). In het geheel gingen over de Kaap, Ceilon, de nederzettingen op de kusten van Coromandel en Malabaar, in Bengalen, op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda, Berbice, Essequebo, Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in 1800). Behouden bleven dus alleen Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate, het kantoor op Desima en de Goudkust.

Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er twee die Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins mogelijk voor goed wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland door de veroveringen van Clive en Warren Hastings hoofdmacht in Voor-Indië was geworden in plaats van Frankrijk, moest het ook het aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit wenschen, terwijl Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene bedreiging voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de Kaap en Ceilon niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide Nederlandsche koloniën gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken maritiemen aanval op Britsch-Indië kunnen ondernemen.

Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland waren overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke schending van het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al werd het huis van Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond de verleiding het huis van Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in ruil voor die opoffering bereid bleek, de Kaap en Ceilon in handen van Engeland te laten.

Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der Franschen uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en Pruisen gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt hopelooze zaak, doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5 April 1795) en zelfs bij geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis van Oranje, in ruil voor den van dit huis te verkrijgen „afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap”, eene schadeloosstelling in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor zichzelve) besprak12), werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord Malmesbury de erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de door Engeland in bezit genomen koloniën terugbekomen zou, met uitzondering van de Kaap en Ceilon; Oranje zou eene schadeloosstelling ontvangen op het vasteland13).

De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in 1798 zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie van het huis van Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op Pruisen niet te rekenen is, richt het zich tot Rusland, en het overleg omvat niet alleen het lot van Nederland maar ook dat van België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks verlies Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat het steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval terug; ook toen het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen Frankrijk voorbereidde, had het op bevestiging en uitbreiding van zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van België, het oog. Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden worden. Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende mededeeling: „As the Netherlands14) cannot probably under all the circumstances which have occurred be replaced under the dominion of Austria, it will be an object to be considered what plan will be most effectual to provide for the defence of this highly important barrier against the future encroachment of France. None has here occurred which is thought equally effectual and practicable as the uniting those provinces to the Dutch Republic under the administration of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted to the maintenance of their respective civil and religious constitutions”15).—In antwoord hierop liet Paul I mededeelen: „Nous envisageons comme une acquisition grande et utile pour toutes les puissances bien-intentionnées, si les ci-devant Pays-Bas autrichiens puissent être arrachés à la France et joints à la Hollande”16).

Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van België werd toen ook buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd onmiddellijk vóór het optreden van Napoleon. De overtuiging was algemeen dat de Revolutie in Frankrijk op haar laatste beenen liep en dat het tijd werd zich te verstaan omtrent de nieuwe orde, na haar nederlaag aan de Europeesche statengemeenschap te geven. Fransche publicisten uit de liberale school, lieden van de kleur der meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land verdreven door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend orgaan, Le Spectateur du Nord, met voorslagen tot het Europeesch publiek die ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil voor stevige waarborgen tegen een nieuw militair overwicht van Frankrijk in Europa, de binnenlandsche zaken van dat land aan de liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig herstel van het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van Duitschland en van het geheele Noorden, en geven als middel tot verbetering de vereeniging der zeventien Nederlandsche gewesten onder het huis van Oranje aan de hand. In twee geschriften van een publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (L'Antidote au Congrès de Rastadt, 1798, en La Prusse et sa neutralité, 1799) is dit denkbeeld vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van het opperbestuur komt de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de monarchale kan zijn: „Pour compléter l'union des deux pays,” schrijft hij, „pour leur donner toute la vigueur dont ils sont susceptibles, il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut mieux les réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on se garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de Brabant à Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir ainsi l'autorité en multipliant les titres. Il serait impossible de gouverner utilement et solidement les deux peuples, en le faisant à tant de titres et sous des dénominations diverses. Leur nouveau souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de ce mot”17).

Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening verkondigen waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden. Lord Grenville stelt zich in 1799 slechts „some federal compact” tusschen beide landen voor18), en daar de militaire operatiën der Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot Noord-Nederland zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799 aan zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den herstelden Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema voor het redres der Noord-Nederlandsche zaken in;—een schema, nagenoeg geheel overgenomen uit een in Juli 1799 door den gewezen griffier der Staten-Generaal, Hendrik Fagel, aan de Engelsche regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime schaal, van bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag van vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene lasten), meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming; vervanging der admiraliteiten door één departement van marine; een Hooggerechtshof der Unie. Op een dergelijke constitutie is Engeland bereid zijn zegen te geven door teruggave, bij den algemeenen vrede, van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en Cochin na19).

Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was opgegaan. De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en de minister van buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer gaarne van de Franschen zijn verlost geweest, mits men tegelijk de hoofdresultaten der revolutie bevestigd kon zien, die voor Nederland bestonden in de opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als de Engelschen aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede neutraal zou mogen worden verklaard; en men heeft de poging gewaagd, voor dit denkbeeld den steun te verwerven van Pruisen. Als de afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk, in het kabinet van den minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle hoop ontnomen dat Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij zij berusten in het herstel van het huis van Oranje. „Ik antwoordde dat hieraan niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde van zaken. Wat ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een gesprek van bijkans twee uren eindigde hij met te zeggen dat men tenminste aan den Erfprins moest....,” en de Vos ontwerpt dan eene constitutie voor de Bataafsche Republiek met den Erfprins als hoofd van het uitvoerend bewind „onder een anderen titel als dien van Stadhouder;” de politieke verklaringen als grondslag van het stemrecht zal men laten vervallen, en het recht om in de grondvergadering te verschijnen aan geldbezit binden; eene constitutie der beati possidentes dus, met een oranjewimpel in top20). De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was voorgekomen.

Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap aan den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in Noord-Holland stond: „de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan, wanneer men de hoop konde hebben, dat niet zoozeer de oude constitutie wederom zoude worden ingevoerd, maar de principes bijbehouden van eenheid der Republiek en van eene behoorlijke representatie, met de uitvoerende magt in amplissima forma aan het huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde gelegd worden”21). Lord Grenville kende deze boodschap, toen hij zijne instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich niettemin tot de door Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met handhaving van den bondgenootschappelijken regeeringsvorm22). „You will not fail to remark”, voegt hij in een begeleidend schrijven aan zijn broeder toe, „that in the communication made through M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the keeping up a representative body adapted to that state of things, are strongly insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline towards a different arrangement, and to think that a nearer adherence to the ancient form of government would be more conducive to the happiness of that country, are founded principally in an opinion that such is probably the wish of the best and soundest part of the United Provinces”.

De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog. Het Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen te helpen. Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die versterking op versterking zonden en allen voortgang der gelande troepen weldra konden beletten en hen eindelijk naar hunne schepen terugdrijven; maar ook, omdat men van de overwinning der coalitie een staatkundigen teruggang vreesde, die in Nederland zeer weinig voorstanders had.

Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit hunne boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer blijkt het uit vele politieke stukken, in deze jaren door welmeenende plannenmakers uit de oude oranjepartij opgesteld. De grondtoon is, dat de zaak gevonden moet worden bij compromis met de gematigde patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een uitkomst voor, die minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van vóór 1795 afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij hebben zal, zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt opgedrongen, in plaats van door deze ingeroepen23).

Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt in Frankrijk de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle speculatiën op den naderenden ondergang der Revolutie een spoedig einde maakt. Europa richt zich op den nieuwen toestand in, waartoe de blijvende verwijdering van het huis van Oranje uit Nederland behoort. Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent Oostenrijk de Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802) Engeland, dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt, alleen Ceilon mag behouden.

Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar een tusschen de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling, welke 23 Mei 1802 tot stand kwam.24) Om zich de goede gunsten van Napoleon te verwerven van wien in dezen alles afhing, had de Erfprins niet geschroomd de reis naar Parijs te ondernemen. De oude Prins liet die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is geheel onjuist, zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald wordt, dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt eer hij in het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel degelijk onderteekend25); maar hij heeft geweigerd de regeering in de hem afgestane landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn zoon, die zich voortaan betitelt als vorst van Oranje-Fulda. Willem V bepaalde er zich toe, de regeering te voeren in zijn Dillenburgsche erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806, nog voor korte maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.

Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801–1804 in eene bijzonder scheeve positie. Het hing voor de territoriale schadeloosstelling af van de genade van den Eersten Consul; voor andere regelingen van Engeland en van de Bataafsche Republiek. De vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de Engelschen, maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de teruggave dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen. Zij werd door de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £220.000. De Prins weigerde standvastig die som aan te nemen in de omschrijving waaronder zij hem werd aangeboden: als prijs van schepen die nimmer aan zijn persoon, maar aan den Staat hadden behoord. Engeland wilde er gaarne iets anders op vinden: het zocht een middel om het huis van Oranje als een en cas te behouden voor het mogelijk geval van hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade der continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer de eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn opgevolgd, gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men nu niet langer van de schepen die men zonder meer behield, maar stelde aan de Prinses van Oranje (die nog eenigen tijd in Engeland was gebleven na het vertrek van haar gemaal naar het vasteland) een som van £60.000 ter hand als tegemoetkoming in de behoeften van het Oranjehuis, en kende aan dat huis, „gedurende het believen van Zijne Majesteit”, een jaargeld toe van £16.00026). De bewoordingen waren zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het jaargeld na den dood van zijn vader.

Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze had, bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk als veroverd goed beschouwde domeinen van het huis verkregen titulo oneroso, en was dus zeer weinig geneigd nogmaals de beurs te openen om ze aan Oranje te betalen. Toen nu art. 18 van den vrede van Amiens het huis eene schadevergoeding toezeide voor de verliezen geleden „zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van de verandering van constitutie”, verklaarde de Bataafsche gezant Schimmelpenninck zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek door Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel voortvloeiende; en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend op den dag der totstandkoming van het traktaat, gaf Frankrijk de verlangde toestemming. Aan het huis van Oranje werd dan nu beduid dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel van het verlies van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren te beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het huis van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze waren nimmer verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding der rente; zij konden dus niet onder de verliezen worden gerekend, waarvoor vergoeding uitgekeerd was krachtens art. 18 van het verdrag van Amiens. In het najaar van 1802 werd door den Prins getracht, eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op gang te brengen betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek echter was zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland feitelijk aan den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij nimmer hadden behoord; bovendien brak spoedig na den aanvang der onderhandeling de oorlog met Engeland weder uit, en was hunne kas weldra berooider dan ooit, terwijl Bonaparte meende dat zij hun geld liever aan de marine dan aan een afkomst met Oranje, thans pensioentrekker van Engeland, moesten besteden. Ondervindende dat de zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in het begin van 1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te verdeelen tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag, Sémonville, de belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het ultimatum van den Prins aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei 1802 af, en verrekening van alle andere wederzijdsche pretensiën met een saldo van 5 millioen ten voordeele van het huis. Onder pressie van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het Staatsbewind nu eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den Keizer; toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het reeds gesloten tractaat27), en van de gansche afrekening is nooit iets gekomen. Het huis van Oranje behield zijn aanspraken, maar is niet meer in het geval gekomen ze te kunnen verzilveren.

Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de naburige Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te huldigen en hunne particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De vorsten van Oranje-Dillenburg en van Oranje-Fulda ontbraken op het appèl: bij de schamelheid hunner territoriale inkomsten en na de mislukking der Bataafsche onderhandeling was het Engelsche jaargeld het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel hunner inkomsten geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij deze gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus Nassau te Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een nieuwen voetval van den Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en toen deze uitbleef werd hij van de lijst der candidaten voor het Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats meer dan in de voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen maakte Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806) het jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814 genoten.

Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen, zag hij de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den vrede van Tilsit (9 Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis en hof, een werkzaam deelnemer aan allerlei anti-Napoleontische plannen. Koortsachtig bovenal is zijne werkzaamheid in het jaar 1809 geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen tot aansluiting aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging van een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een verandering van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen! Zoo weinig had men er aan gedacht, gebruik te maken van de betrekkingen, die hij in Nederland mocht hebben onderhouden.

Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van een Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen Antwerpen, van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou gebleken zijn hoe weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in Nederland had overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel na, had ieder zijn vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij kon. Oranje zelf had daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van Oranienstein (26 Dec. 1801) de oude Prins, op aandrang van Pruisen en den Erfprins, die daardoor de indemniteitsvooruitzichten van het huis hoopten te verbeteren, aan zijn aanhangers had doen weten dat hij het niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een ambt aannam onder de nieuwe staatsregeling van 1801. In de regeeringslichamen van dien tijd hadden dan ook tal van oranjelieden zitting genomen, en er zich leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral toen de dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in massa tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van Lodewijk Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen dan ook in Mei 1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van Dijk geheeten, naar Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn als Engeland zijn beloofde landing in Noordduitschland ondernam, kwam deze met een zeer karakteristiek rapport terug. Hij was geadresseerd geweest aan Bentinck van Buckhorst, op wiens landgoed bij Zwolle hij den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar Bentinck had hem aanstonds onderricht, „dat aangezien de omstandigheden zoo volkomen veranderd waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke voorheen de wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk, zeer toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren aan niemand eenige directe ouvertures doen konde.” Van Dijk werd dus door hem verwezen naar „zijn (van Dijk's) eigen kennissen en vrienden”, die hij dan ook persoonlijk opzocht te Amsterdam, Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij „weldenkende en ijverige voorstanders der oude constitutie” aantrof, die „niets hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen medewerken,” maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, „voor en aleer het gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam konden toonen. Dan daar de Engelsche expeditie ondernomen is geworden zonder dat men eigenlijk het ware oogmerk daarvan kende en voor zoover mij bewust is zonder voorkennis van Uwe Hoogheid, zoo heeft men aan niemand eenig teeken kunnen geven....”28)

Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om de relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had gezonden maar overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche regeering was gebleven—trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen Engeland en het vasteland, waar de Prins om de familiebetrekkingen zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was sedert de inlijving van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk hoogst bezwaarlijk geworden—de Prins begeeft zich in het voorjaar van 1813, op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van Rusland en van Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet verwachtte en met zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er het huis van Oranje natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was geenszins gereed, vaste bedingen omtrent de toekomst van dat huis aan te gaan.

In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën meester gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden waren gebleven, met de enkele uitzonderingen van het kantoor op Desima en van de nederzettingen op de Goudkust, op welke beide plaatsen, daar ook de Franschen er zich nimmer hebben vertoond, de Nederlandsche vlag geen oogenblik is neergehaald. De voorwaardelijke belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon thans door Oranje bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers zoowel Engeland als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de Bataafsche Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in 1795 op den voorgrond gestelde begrip der „onwettigheid” van dat lichaam in de practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was door de teruggave der koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd; op haar of het in hare rechten tredend Frankrijk waren zij sedert 1803 opnieuw veroverd als op een gewonen vijand, zonder dat ooit daarbij aan iemand de geringste toezegging van voorwaardelijke teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden voet, waren de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands handen gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te verkrijgen die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou blijkbaar moeten zijn de vrijwillige voorwaardelijke teruggave der veroverde koloniën, op voorwaarden door Engeland te stellen, en voor zoover het behoud dier veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht voor de welvaart van Engeland zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799 zeer goed wist, zou Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland zich van eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen, wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om zich tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk binnen de grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de prijs voor een bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en Oostende te verrichten. Of het evenwel mogelijk zou zijn België in zijn geheel of ten deele aan Nederland te brengen, moest van het succes der coalitiewapenen afhangen, en zelfs niet alleen van het succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers of Oostenrijk ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor Nederland zou behoeven te dienen dan ook voor België, hing in Engelands oogen weder eenigermate af welke vorm aan de nieuwe Nederlandsche regeering ware te geven. Nimmer zou Engeland zich van iets ontblooten eer op al deze vragen een beslist antwoord te geven was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen verscheen, nog in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh (wier gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der Staten-Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:

„Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point on croirait utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne constitution stadhoudérienne, ou bien d'y substituer un autre système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation;

jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une extension de ses frontières (par une sorte de nouvelle Barrière plus efficace que l'ancienne), soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République, une consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à la tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation de territoire (si elle avait lieu) devrait influer sur la constitution à donner à ce nouvel Etat;

enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des colonies hollandaises dont elle a fait la conquête pendant la guerre.”29)

Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.

Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt, geen voorkeur hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het koningschap aan den dag. Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl gedaan: daarin had in de plaats der boven cursief gedrukte woorden gestaan: „ou bien d'y substituer un système de gouvernement plus analogue et pour le fond et pour la forme aux circonstances et aux besoins impérieux de l'époque présente, aux secousses que l'Europe entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui pût concilier le vœu”, enz. De Prins had deze woorden geschrapt en door de kleurloozer redactie vervangen. „D'avoir l'air de solliciter la royauté”, had zijn moeder hem nog vóór het vertrek op het hart gebonden, „c'est ce que je ne conseillerais jamais”;—maar aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: „si par un mouvement spontané on vous appelle au trône, je suppose que vous ne vous refuserez pas”.30) De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging van naar de souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis van Oranje steeds met energie teruggewezen; dat het volk zelf de omstandigheden nu geheel veranderd achtte, mocht worden vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh eerst zien blijken.—„The omission proposed by the Prince”, oordeelt na het lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het huis uit de dagen van 1787) „is certainly a proper one as far as he is personally concerned, but the sentiment contained in it, highly important as to the general arrangement”.31) Zoo heeft Fagel het in November begrepen en in dezen zin onmiddellijk aan Hogendorp geschreven32), met volle instemming, toen, van den zich in April op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.

Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken voorkeur van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden, maar naar de aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied, zooals spoedig zou blijken;—en uit de slotwoorden is voor den goeden verstaander te lezen dat voor zulk een vergrooten en met een militaire functie ten dienste van Europa belasten staat de monarchale regeeringsvorm aangewezen schijnt.

Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep op Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795, als thans niet langer toepasselijk.

Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins en Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten der Engelsche regeering open, dat wij het hier tekstueel mededeelen33):

„Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de la Hollande, son entière séparation d'avec la France, et le rétablissement de la maison d'Orange en Hollande, étaient des objets qui seraient toujours regardés par ce pays-ci comme étant pour lui d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue à opposer par ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était pendant si longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte d'habitude; que par conséquent on serait certainement très disposé ici à concourir à atteindre ce but pour autant que les moyens de ce pays pouvaient le permettre; mais que, pour le moment, on croyait consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en différant de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se fût concerté avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh communiquerait sans délai à ceux-ci et nommément à l'Empereur de Russie34) les ouvertures faites par le Prince, et que dès qu'on aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des communications ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait nécessaire que le Prince d'Orange attendît ici35) cette réponse et la communication ministérielle qui pourrait en être la suite.

Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à quelques-uns des points touchés par le Prince dans son entretien du 27 avril, Lord Castlereagh remarqua que l'Angleterre (le moment opportun étant arrivé) serait certainement toujours disposée à concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui résister; que sous ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à donner à la Hollande une frontière plus forte et plus compacte, mais que l'accomplissement de cet object devait naturellement dépendre de circonstances qu'il n'était pas encore possible de prévoir, bien moins de diriger;

que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels à faire à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler les imperfections, et que tout ce qui pouvait tendre à donner à la Hollande et à son gouvernement plus de force, de solidité et de consistance que par le passé était a désirer, surtout si ce changement pouvait s'opérer de gré et conformément au vœu de la nation;36)

qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince avait mis en avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement S. A. S. Elle-même ne s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se dessaisir de toutes37) celles qui avaient autrefois appartenu à la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait naturellement (indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de moyens de résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer à celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se rapprocherait de l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer les anciennes relations avec elle”38).

Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden voegt eenige toelichting.

Nommément à l'Empereur de Russie. Overleg tusschen Engeland en Rusland omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak van gisteren; zie hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het denkbeeld der vereeniging van die twee landen goedgekeurd, en had ook in 1805 toegestemd dat het in de groote Engelsch-Russische alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een bijzonder artikel van dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: „Les hautes parties contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent concert de procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les circonstances, des arrondissemens convenables, tels que les ci-devant Pays-Bas autrichiens en tout ou en partie à la première, l'Etat de Genève ou la Savoie à la seconde”39). Austerlitz had de verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland verwijderde zich van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een vredesverdrag tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze gelegenheid was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming door Engeland eener schuld van f87.100.000 vroeg, die Rusland bij Amsterdamsche bankiers had aangegaan;—een eisch toen door Engeland afgewezen, maar waarop Rusland zich voornam te gelegener tijd terug te komen. Sedert 28 Febr. 1813 was ook Pruisen met Rusland verbonden, en 3 Maart 1813 sloot Engeland met Zweden een verdrag, waarbij Bernadotte zich verplichtte de operatiën der Russen in Duitschland te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch subsidie, van de verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken toebehoorende Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde eiland Guadeloupe.

Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April tusschen den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen verliep de oorlog in Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten niet zeer fortuinlijk; eerst toen Rusland en Pruisen zich bij verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche subsidiën tot volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij dépêche aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan de onafhankelijkheid van Nederland40) deel uitmaakt, en, in zeer voorzichtige bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om tot verwezenlijking der programpunten door teruggave van koloniën mede te werken41).

Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den afval van Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder de grondslagen van den Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan Metternich voorgesteld „la séparation de la Hollande de la France”, een punt vervolgens overgenomen in het door Oostenrijk aan Napoleon gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren de vier groote mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van het grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel open. Voor de beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk af, dat zich wel 12 Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen nog niet gereed was tot eene bespreking van het Belgische vraagstuk. Eerst toen de slag van Leipzig beslist had dat meer land beschikbaar zou komen dan men in het begin van 1813 had durven hopen, achtte Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen betreffende Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis gaf42). „If things”, heet het daarin, „can be restored on the side of the Low Countries to a state, similar to that in which they stood at that period, when one of the great military Powers of Germany was interposed as a protection between France and Holland, the British Government will not feel it necessary to press for any departure from the ancient arrangement of limits; but if the course of events should be such as to render this highly desired object unattainable, and the frontier of France should still remain in contact with that of Holland, they feel it essential that Antwerp, with such other extension of territory as may be necessary to give to the United Provinces an adequate military frontier, should be assigned to Holland... The immediate object of this Memorandum is to point to the active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland. Whenever matters may be ripe for entering more fully upon its future settlement, the British Government will be prepared to recur to those principles laid down in a despatch to Lord Cathcart of July 5th43) with respect to the colonies conquered from Holland since 180344) with a sincere disposition on their part, liberally to strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe can be rendered secure by adequate arrangements against the Power of France.”

Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de Engelsche politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel in absoluten zin, maar alleen voor zoover de herplaatsing van een der beide groote militaire mogendheden van Duitschland in eerste linie tegen Frankrijk onbereikbaar mocht blijken. Aan Oostenrijk èn België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten kwestie, en als de keus tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië kiezen. Omgekeerd zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van België aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland een geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen weder op moest komen, dat zich juist tot eene compacte macht in Midden-Duitschland hoopte te kunnen uitbreiden, en aan de verwerving van een land als Saksen boven het occupeeren van den gevaarlijken wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook in 1798 waren het deze overwegingen alleen die Engeland het plan tot de vereeniging hadden doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van Oostenrijk's verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio45).

Wat de koloniën betreft wordt door de hier gebruikte formule al dadelijk van de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde maar bij den vrede van 1802 in Engelands handen verbleven Ceilon. Ziehier een eerste verduidelijking van het „pas toutes” van Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813. Andere verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met Castlereagh te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de koloniën eerst volgen zouden nadat en naarmate Nederland op het vasteland versterkt kon worden tegen Frankrijk, en dus was eerst die versterking aan de orde—tusschen Engeland en de bondgenooten. Wèl werd den Prins vergund zijn eigen denkbeelden omtrent die versterking aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed het onmiddellijk na het verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit dit niet door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij vraagt niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche Nederlanden met Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt tusschen Maas, Rijn en Moezel, en dit alles moet met de oude Republiek tot een ondeelbaren staat worden gevormd46). Lord Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een andere meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor het geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld boven dat van ineensmelting van Holland en België overwegen, „I find”, schrijft hij 30 Nov. aan zijn den Prins naar Holland vergezellenden gezant Lord Clancarty, „I find Lord Malmesbury47) thinks an arrangement in extension of Holland preferable to giving the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold it. Turn your mind to the Barrier Question48). I consider Antwerp and all Holland held before 1792 indispensable. The frontier must then embrace at least Malines, Maestricht, Juliers and so to the Rhine at Cologne or Dusseldorf.”49) En Repelaer, eenige dagen na het uitbreken van den opstand naar Engeland gekomen, kon eenige dagen te voren uit Castlereagh's mond het volgende opteekenen:

„Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den slag van Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met Napoleon, en heeft hem het behoud van België en van den linker Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij toestemt in het herstel van Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft in Italië en over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel, dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen. Wat er nu met België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan Oostenrijk terug moeten, of zal er een Duitsch huis in moeten worden geplaatst: dat van Beieren, Baden of een ander. Blijkt het voor ons niet noodig tot een dezer oplossingen mede te werken, dan zijn wij besloten tot de vereeniging van België met Nederland, hoewel wij vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen de Nederlandsche volksopinie.”50)

Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel van Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is eigenaardig Lord Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek naar het vasteland nog zooveel twijfel te hooren aan den dag leggen aan de juistheid der oplossing die hij daar ten slotte heeft doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831 die gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.

Ici (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden waarom Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief, m.a.w. dat hij in Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat zijne verheffing en vergrooting zooveel mogelijk het werk van Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland, waar alles tot na den slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar verstrikt raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands belang zouden strooken.

Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in het onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het vasteland uit Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps te kunnen werven aan welks hoofd hij zich zou stellen „comme le représentant de la nation hollandaise”; hij zou zich dan onder de bevelen van den kroonprins van Zweden in Noordduitschland willen voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook deze „mesure” als „trop décisive” verdaagd. Eerst eind September liet men hem toe op deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij stelde nu (volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving in Duitschland van een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen onder een door hem aan te wijzen officier voor, welk corps door Engeland zou worden betaald en zich aansluiten zou bij een eveneens door Engeland betaald Duitsch legioen onder Walmoden, dat onder de bevelen van Bernadotte stond.51) Zelf verlangde hij zich zoo spoedig mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging der Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October door Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van uitvoering gekregen. Doch de officier met de werving belast, de Constant-Rebecque, eind October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig dat reeds van links en rechts Duitschland was leeggehaald en er bijna geen beschikbare Hollandsche krijgsgevangenen of deserteurs meer over waren: zoo dienden er in het legioen onder Walmoden reeds 1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld. Evenmin waren de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of drie man per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde een 1000 man, en in het begin van 1814 eerst konden de bataillons naar Holland oprukken,52) waar zij toen een welkome aanwinst waren voor het in vorming zijnde Nederlandsche leger. Tot het uitlokken van den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den Prins dus hoegenaamd niets kunnen bijdragen.

Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er toe geleid, dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij een mogelijke restauratie van Oranje in Nederland van den zoon gebruik te maken, met voorbijgang van den vader.

Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot een vast besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest. In 1795, na dien winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog van York zich met schande overladen hadden, had de toenmalige Erfprins, opperbevelhebber van het geslagen Nederlandsche leger, zijn ergernis niet kunnen verkroppen. Over de acte van inbewaargeving der koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader menig hard woord gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen gezocht in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd buiten de gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen als toeschouwer in den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de zaak van zijn huis door de ongeschikte handen van den hertog van York opnieuw zag verbrodden. Met de geslagen Engelsche troepen naar Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan vertrouwden of die hij daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat Engelsch was uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering.53) De aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon te verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had, moeilijk openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch zeer. Daarna hadden de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem aan een zilveren band kon leggen; hartelijkheid van wederzijdsche gevoelens werd er eerder door tegengehouden dan bevorderd. Een uitstekenden indruk daarentegen had in Engeland gemaakt 's Prinsen niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de voltooiing zijner opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na Tilsit, toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog op iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn was hiervan zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht heeft zelf naar Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in het vergeetboek zou geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het gebeurde kwalijk worden ontvangen. „Il ne reste plus que moi qui peut encore veiller à vos intérêts; convenons que sans l'Angleterre nous serions réduits à la besace”54). De Prins wilde daar niet van hooren maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet naar waren dat hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen uitrichten; van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De Prins-Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen waren in deze jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie over alle hoven van continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam geworden als een witte raaf. Ook deze omstandigheid vergat de Prins bij zijn besluit niet55). Nu èn Nederland èn Nassau èn Fulda verloren waren, wat beter toekomst kon de in 1792 geboren Willem wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?

Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig was. Hij trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn studietijd te Oxford om was en het vooruitzicht op het vasteland nog hoegenaamd niet ten voordeele van het huis veranderd, meende zijn vader niet beter te kunnen doen dan hem voor adjudant van Wellington bij het leger in Spanje aan te bieden56), een denkbeeld dat in Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins, die aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde, er ook genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich uitstekend gedroeg, zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met lof kon worden vermeld. Zoo was, in 1812 en begin 1813, „Willem VII” zooals hij in de wandeling heette, eigenlijk veel meer een publiek persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten vader, die ook wel vrij dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809), maar altijd bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met Charlotte, een plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel ook eenige tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke familie waren niet van dien aard, dat haar leden het over eenig punt gemakkelijk eens werden, en vooral niet over zoo een.

Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men in Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der practische politiek kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van het Oranjehuis in Nederland behoorde. Niet dat men het mogelijk achtte daartoe aanstonds eene poging te doen, maar het behoorde tot de aangelegenheden waaromtrent men zijne gedachten had te bepalen om niet door de omstandigheden te worden verrast. Zou eene poging tot restauratie niet beter kansen opleveren indien men den jongen Willem VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar erfenis van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij niet geschikter zijn als nationaal vereenigingspunt te dienen dan zijn stroeve vader? De vraag is gesteld, door plannenmakers in Engeland57) en in Nederland58); ook door leden der Engelsche regeering. „It may perhaps be desirable”, schrijft de minister van oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, „to have the young Prince of Orange in England, if the times should prove eventful”.59) Den 20sten April 1813, een paar dagen vóór de aankomst van Willem VI in Engeland, schrijft hij: „The Prince of Orange has left Berlin for Stockholm, probably with an intention of coming here. His son is much more popular in Holland; and if any stir should be made, he would be the best person to go there instead of his father”.60) En nog 28 April: „The Prince of Orange arrived here three days ago, not invited or expected by us ... I gave Fagel to understand that the son was the person to push forward, if anything was to be done.”61) Ook Lord Malmesbury wordt door de komst van den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan tot de reis vernomen en het afgeraden; „he had much better turn his whole thoughts to Austria and endeavour through the means of that court to recover his German territories.”62) Stelt men zich dus Willem VI voor als in de toekomst te Dillenburg herplaatst, zijn zoon is de man „to unite (as King William did) this throne and the Stadtholderate.”63) De eenige reden dat men den jongen prins nog in Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar de zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op de regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer Alexander en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar oogmerk goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur te wijzen. Evenmin werd het wenschelijk geacht, hem als met eene volmacht der Engelsche regeering voorzien naar het vasteland terug te zenden. Men hield hem dus te Londen zoo te zeggen in reserve, maar het feit zelf van zijne aanwezigheid en gedurigen aandrang kon onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met het denkbeeld van zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er, bij 's Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon te Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast hebben Willem VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak, nu de jonge prins op uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus in Engeland verscheen op een oogenblik dat de volksbeweging, die in April in Holland gaande was geweest, lang in bloed was gesmoord, en er niet het geringste voornemen bij de Engelsche regeering meer bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der Franschen uit ons land te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan, in diens plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal; en welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast elkander zag bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van een wel aantrekkelijk maar uitermate zwak karakter; dat Wellington juist had gezien, toen hij op Bathurst's boven medegedeelde brieven had geantwoord: „he is very young, and can have no experience in business, particularly in the business of revolutions; he is very shy and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage to him to place him in a situation in which he is to be at the head of great concerns of this description. Too much is not be expected from him.”64) Na een verblijf van drie weken in Engeland verlangde de jonge man zelf naar Spanje terug, en men kon met goede houding niets tegen dit voornemen inbrengen. Sedert was Willem VI veilig voor de mededinging van zijn zoon (een mededinging, nimmer van het kind zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt Castlereagh geen zwarigheid meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van het weinige dat Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding der omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat werk den Prins zelven te gebruiken.

In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman C. P. Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert Februari in Holland zichtbare voorteekenen der volksberoering die in April werkelijk heeft plaats gehad. Gevers verzocht een Engelsche landing met Willem VII aan boord;65) hij verkreeg echter niet anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam omtrent de militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen verlof zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te openbaren. Den 18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over Holland te Londen terug; ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en kort voor zijn vertrek door Castlereagh met den Prins in aanraking gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit Holland zond gingen direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis van de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat Gevers in geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en diens werk in de verte niet hetzij door Engeland hetzij door den Prins is uitgelokt. De geheele persoon van Gevers is overigens van geringe beteekenis en zijne berichten hebben zeer weinig om het lijf. Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot het laatste oogenblik onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte te voegen dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen opstand te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins den zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden langs den Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der verbondenen;—ook mag men er aan danken dat in October in Engeland 20.000 geweren werden ingescheept66) om die bij het uitbreken van een opstand onmiddellijk naar Holland te kunnen overbrengen; ook voor een eventueel troepentransport werden maatregelen genomen. Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats in Bosscha's Staatsomwenteling beluste Gevers in 1815 aan dien auteur verzekert: „Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche macht ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand gebracht”67). Het Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den 22sten November, na de aankomst der gezanten van van Hogendorp en wegens hun bericht.

Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van toebereidselen van den Prins noch van maatregelen der Engelsche regeering, in hoeverre hebben de marschen der verbonden legers dien uitgelokt?

Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche memorandum „the active and early efforts” der bondgenooten tot de bevrijding van Nederland verzocht.68) Voor eenig effect op het begin van den opstand is die aandrang veel te laat gekomen: toen zij ontvangen werd was de opstand reeds een feit. Doch in het hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook zonder Engelsche noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De historicus Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking had aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot Frederik Willem III het verzoek, met de leiding der bevrijding van Holland te worden belast; hij wenscht als staatkundig adviseur te worden toegevoegd aan een Pruisisch leger dat die bevrijding zal hebben te bewerken.69) Op dit verzoek is niet beschikt.—Van zijn kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan den Koning op de onmiddellijke „verovering van Holland” aan. De hoofdrichting van dat leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht verlof deze te veranderen in eene op Keulen en daar den Rijn over te mogen gaan, tot ondersteuning van een inmiddels te ondernemen directen aanval op Holland door Bernadotte.70) Dit verlof is niet verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van haar vlucht, in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het Hollandsche bastion te laten springen om dan van het Noorden uit Frankrijk binnen te dringen. Ergo bleef voor een eventueele onderneming tegen Holland alleen het leger van Bernadotte beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen (Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig de bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische landen in Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak dicht aan de Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te overschrijden. Bernadotte zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van Göttingen noordwaarts op, met het dubbel doel Davoust in Hamburg op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn eigenlijke belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn hoofdkwartier blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de afwijking naar het Noorden werd aan de Russische afdeeling van Winzingerode de richting op Bremen voorgeschreven; dit was het meest westelijk marcheerende korps. Het onderhoud van zoo groote legers als sedert een jaar Duitschland kaalvraten, maakt een reusachtig deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte ruiterij (Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht en kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men die vinden kon. Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen Kozakken over onze grenzen gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel of vast plan. Den 9den November het eerst, in gering getal, bij Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de vestingen Deventer en Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen worden door de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen bezet (15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov. overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen; Hogendorp's afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23 Nov. dezen troep bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam door te trekken waar hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden, zonder moeite komen kan, en den 24sten zijn de eerste Kozakken te Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der Hoeven te Zwolle den kommandant der gezamenlijke Kozakken die thans in het noordoosten des lands rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo ver als Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor hij infanterie en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste uitdrukkelijk bevel van Bernadotte aan Winzingerode om een gedeelte zijner geregelde troepen meer westelijk te dirigeeren: Benkendorff wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar nog zonder last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van Deventer is teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet bewegen den IJsel over te gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning aan Winzingerode, marcheert als hij die ontvangen heeft, en is 1 Dec. te Amsterdam.

De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag, en zijn niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook dit open lag, en zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij versterkte plaatsen hebben aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve te Kampen, dat 20 Nov. aan hen overging met hulp der bevolking.

Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch van Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland aan te vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte. Zijne orders van laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar Minden (1 Nov.), naar Munster (5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier te bezetten van Wezel tot het scheidingspunt van Rijn en IJsel (19 Nov.)71). Toen de laatste order ontvangen werd bereidde Bülow reeds iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne voorhoede onder Oppen reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken; den 23sten, nadat Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van Amsterdam, is die voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24 Nov.) Zutfen genomen; 25–27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf in beweging gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is voortgerukt naar Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor ontruimd was, en waar dus de tenzelven dage ingerukte Russen van Narischkin en de 29 Nov. aangekomen Hollanders, afgezonden door Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.

Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen op Nederlandsch grondgebied de aanleidende oorzaak van den opstand zijn geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov. in den Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te Amsterdam het vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek der Fransche ambtenaren. Beide waren uitgelokt door de begin November aangevangen algemeene vlucht der Franschen uit Noordwest-Duitschland, die ook de Franschen in Nederland demoraliseerde en hen de wijk deed nemen in de richting op Utrecht–Gorkum–Breda, de verzekerde verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk. Daarbuiten bleven alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden, Deventer, Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar daarom kan men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische, nimmer van Russische zijde gedaan is) van de „verovering” van Holland. Toen de wapenfeiten voorvielen, die dan de „verovering” zouden moeten uitmaken, bevond zich in het hart des lands sinds lang geen vijand meer, en was daar integendeel een bestuur gevestigd dat de „veroveraars”, soms met sterken aandrang, overtuigen moest dat zij veilig binnen konden rukken.72)

Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au vœu de la nation (hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan kon vóór het uitbreken van den opstand zelf niets zekers blijken. Gedachtenwisseling omtrent den regeeringsvorm heeft er na 18 Mei tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats gehad, maar dat Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou blijken de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen gezant Jacobi, aan wien hij te kennen gaf „que les défauts et inconvéniens de l'ancienne constitution feraient désirer d'établir les changemens requis pour donner plus de force et d'énergie à la marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme devrait être plus monarchique” (1 Nov.)73). Er was geen gevaar dat de Engelsche regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door het volk in den weg zou leggen. „If the Nation call the Prince of Orange to the Sovereignty,” oordeelde ook Lord Malmesbury, „it would be the height of folly to reject it”74).

Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag gelegd heeft en die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal komen, verdient het vermelding dat aan de waarschijnlijkheid eener uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen in Engeland zeer sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich herinnerd zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige Engelsche regeering) in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen, toen hij in zijn opeisching aan Story den Prins van Oranje diens „souverain légitime” genoemd had.75) Lord Grenville schreef waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij er in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten varen toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken volkswensch in Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat de Souvereine Vorst aan de notabelenvergadering een soort excuus zou maken voor zijn onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit,76) een denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd. Toen in de London Gazette van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty een credentiaal had ontvangen bij de regeering van den Souvereinen Vorst, werden er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt, waaruit echter meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de Engelsche regeering spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der Nederlandsche verhoudingen van 1813.77) Alle bona fide twijfel had opgehouden na de gebeurtenis van 2 December.

In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den Prins en van het Nederlandsche volk.78) Na het onbeantwoord blijven van zijn aanbod aan zijn koning om als staatkundig adviseur een Pruisisch leger naar Holland te vergezellen, trok hij zich op zijn studeerkamer terug en schreef daar eene constitutie voor het herboren Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is begonnen in de laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de auteur van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek, verheft daarbij den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem nergens boven dezen; te zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder sterk is het federalistisch karakter van Niebuhr's ontwerp: het recht, de waterstaat, de religie(!), de universiteiten zullen provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal. Terwijl Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft (doch corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat Niebuhr's zoon in 1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven is „auf Veranlassung des hochseligen Königs Wilhelm I”; alleen had deze, op een hem door zijn moeder overgebrachte, vage dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in even vage termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield, maar niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken.79) Prinses Willemijn heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht, waar de Souvereine Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen invloed van Niebuhr's tekst op 's Vorsten eigen deelneming aan het constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en noch aan de commissie als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is die tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat naast de Nederlandsche werkelijkheid; daarentegen in Niebuhr's ideeënwereld, die op zichzelf belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de studie voor zijn Römische Geschichte, waarvan de eerste deelen verschenen waren in 1811 en 1812, en waarin opmerkelijke voorliefde voor aristocratische instellingen is uitgedrukt en even groote afkeer van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp onthoudt Nederland wat het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der nationale eenheid langs den toen eenig mogelijken weg van sterke vorstenmacht. Zijn invoering zou niet de waarborg maar het graf der Nederlandsche vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte gewoonten.

4) Br. en Ged. IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).

5) Br. en Ged. IV, 274.

6) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814 (Gedenkstukken VII, 176).

7) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan Lord Clancarty, 24 April 1814 (Gedenkstukken VII, 24 en 108).

8) Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van Hogendorp (Br. en Ged. IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's Staatkundige Geschriften III, 71).

9) Gedenkstukken II, 820.

10) Aldaar, 831.

11) Dit ter verbetering van de noot in Gedenkstukken II, 821.

12) Gedenkstukken II, 942; III, 684.

13) Gedenkstukken II, bll. CXII en 987.

14) Versta: de Zuidelijke Nederlanden.

15) Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (Gedenkstukken III, 890).

16) Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798 (Gedenkstukken III, 896).

17) Falck's Gedenkschriften, bl. 350.

18) Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799 (Gedenkstukken III, 973).

19) De instructie: Gedenkstukken III, 403 aangevuld door III, 1074; het advies van Fagel: Gedenkstukken III, 1006.

20) Gedenkstukken III, 552.

21) Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799, Gedenkstukken III, 547.

22) Art. 1 der instructie: „That the form of federative government on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved” (behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte, wijzigingen).

23) Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie van 1814), Mei 1795, Gedenkstukken II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (Gedenkstukken II, 839) en voorjaar 1799 (Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (Ged. II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (Ged. II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar geleden had voorgestaan (zie Ged. III, 1037 en 1080, en Vreede's van de Spiegel IV, 456; en voor de kritiek: Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (Ged. III, 1100): „Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...”.

Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander hoofdstuk wordt gegeven.

24) Zie hiervóór, bl. 4 noot.

25) Ged. IV, 708; vgl. Bosscha, Staatsomwenteling II, 273.

26) Gedenkstukken IV, 737.

27) Gedenkstukken IV, bl. XXIX.

28) Gedenkstukken V, 813.

29) „Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813” (Ged. VI, 1876).

30) Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (Ged. VI, 1859).

31) Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (Ged. VI, 1880).

32) Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 265).

33) Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door den uitmuntenden redacteur Fagel. „In Fagel deed mij eens een bevoegd regter—Lord St. Helens—de gave opmerken om al het verhandelde in eene conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne committenten mede te deelen” (Falck's Gedenkschriften, 150).—Lord St. Helens was de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.

34) Ik cursiveer.

35) Onderstreept in Fagel's handschrift.

36) Ik cursiveer.

37) Onderstreept in Fagel's handschrift.

38) Gedenkstukken VI, 1881.

39) Martens' Recueil II, 433.—Vgl. het artikel van Bussemaker, De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid, in Gedenkboek der Herstelling I, 43 vv.

40) „The reestablishment of Holland as an independent Power” (Bussemaker in Gedenkboek I, 56).

41) „As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same spirit” (Bussemaker t. a. p.).

42) Gedenkstukken VI, 1950.

43) In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.

44) Ik cursiveer.

45) Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.

46) Gedenkstukken VI, 1955.

47) Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd werd.

48) Ik cursiveer.

49) Gedenkstukken VII, 2.

50) Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te verstaan (zie Ontstaan I, bl. LIXV en 17).

51) Gedenkstukken VI, 1889.

52) Gedenkstukken VI, 1953.

53) Gedenkstukken III, 1103.

54) Gedenkstukken V, 778.

55) Gedenkstukken V, 784.

56) Gedenkstukken VI, 1808.

57) Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813, Gedenkstukken VI, 1854 en 1868.

58) Zie hiervoor talrijke bewijzen in Ged. VI, 240, 271, 336, 417, 423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschrift Ondergang en Herstel. De plannen gingen niet uit van Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (Br. en Ged. V, 11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband gestaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak: Ondergang en Herstel. Castlereagh hield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.

59) Gedenkstukken VI, 1850.

60) Gedenkstukken VI, 1872.

61) Gedenkstukken VI, 1878.

62) Gedenkstukken VI, 1860 (11 Maart 1813).

63) Gedenkstukken VI, 1879.

64) Gedenkstukken VI, 1883 (18 Mei 1813).

65) Zie Ged. VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (Ged. VI, 1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.

66) Gedenkstukken VI, 1947.

67) Gedenkstukken VI, 1898.

68) Hiervóór, bl. 28–29.

69) Gedenkstukken VI, 1863.

70) Pertz, Gneisenau III, 508 vv.

71) Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).

72) Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in Gedenkboek I 70 vv., benevens de inleiding op het 3de stuk van Gedenkstukken VI.

73) Gedenkstukken VI, 1949.

74) Ontstaan I, 22.

75) Gedenkstukken III, 393; vgl. Ontstaan I, bl. XXXVII en 20.

76) Ontstaan I, 65.

77) Ontstaan I, bl. LVII vv.

78) Ontstaan I, bl. XIX vv. (bespreking) en Ged. VI, 1902 vv. (tekst).

79) Gedenkstukken VI, 1881.

II.

Inhoudsopgave

DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN AAN DEN PRINS.


21Nov.1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden door van der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp, in naam van den prins van Oranje.
30 „ „ Terugkomst van den prins.
1 Dec. „ Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en Fannius Scholten.
2 „ „ Aanneming der souvereiniteit.
6 „ „ Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.

De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financiën. Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal, noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner beschikking gehad.

De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan met de stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet konde stellen aan het geheel.

De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand—en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had80)? Door het oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen door de staten der provinciën, toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?

Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide81), dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstelling van iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm82). En wat met het oog op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast, dat den prins de hooge overheid moest worden opgedragen, een ander woord voor souvereiniteit. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den 2den December 1813 de souvereiniteit aannam en den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.

Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de Prins absoluut vorst—niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan het blijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon83)? Dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat, wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn „van het vrije Nederland,” daar was de Prins in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst „der Vereenigde Nederlanden.”

Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?

En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de grond van alles was.

In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.

Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is het feit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.

Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?

Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke verhouding tot het huis van Oranje.

De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige staat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.

Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.

Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger waardigheid.

Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.

De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. The world's great patriot is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.

Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den „Prins van Friesland”, zooals men hem noemt, te zien.84) De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt de Prins, tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maar het is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.

En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde onherroepelijk tot het verleden. Het „eiland” Holland85) was tot zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.

Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.

Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.86) Er is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt.87) Een woord dat toont hoe weinig hij verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek gesmeten voorbeeld.

In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.

Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op, waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.

Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;—alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook nimmermeer is afgeweken88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;—en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.

In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan89).

De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had: elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel. Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats van een oppermachtig „volk”, wenschte men, in het belang van de bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie zal zoo worden „genationaliseerd”, een woord dat in de staatkundige programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.90)

Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen vorderde91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.

De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.

Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde het: „empêchez donc la peau de transpirer”, roept Lodewijk in wanhoop uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt mee, en ook de conscriptie.

Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel, een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het gemoedelijk „besogneeren” onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd; thans leerde men het „dienstdoen” van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts „het volk” moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als garde d'honneur.

Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in 181093). De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.

Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook eenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.

Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven: „de oude tijden komen weerom”, het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen bestuurd94).

Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat De Wedergeboorte van Nederland heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.

Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel95). Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had voorspeld „de naderende volksregeering”, die men niet moet willen ophouden, maar door hervormingen den weg banen. „In de tegenwoordige tijden”, schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, „kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der ingezetenen”, en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen rol overschiet dan die van „citoyen utile”96). Anders dan zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel oogenblik, bij zijn Verklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is de innerlijke.

De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den „homme de bien” verruild heeft voor den „habile homme”; dat zij als regel volgt: „ne parvenir au cœur que par la voie de l'esprit”; „fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison”97). Het gevolg? „Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel”.—„Quelle est la passion qui s'éveillera pour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celui du manque absolu de caractère est le plus fondé”.98)

Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.

In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinning der geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latere Schets is onmiskenbaar.

Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,99) heeft de ondervinding doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden) „het beleid” hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.

Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet minder aanhing.

Dit stuk van 1799–1801100) werd opgezet naar aanleiding van de leiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.101) Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. „De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden”.

Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de Verklaring aan het Staatsbewind,102) waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar, „alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden”. Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen zijn „van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk.”

De Verklaring verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.

Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om financieele redenen op zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden, en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, de Discours sur l'histoire de la Patrie104), zijn onontbeerlijk voor de kennis van den gedachtengang die de Schets van 1812 beheerscht, en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in het monarchaal verleden105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; „à tous les bourgeois aisés le droit de nommer au scrutin ces électeurs...”; „une démocratie tempérée et très limitée à côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait...”; „le pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés...”; het is de Schets zelve van 1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatste Discours klinkt als een belofte: „Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit de son propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe....”

Er is dus, sedert 1795 en 1799–1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812106) de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. „De natie”, schrijft hij in 1817 ter verklaring, „was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt”107). De natie—niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.

Reeds de eerste redactie van de Schets (1812) heeft het woord „Koning” en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd was108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud zou luiden: „de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”109).

Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Als in het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand vertoonen kan,110) gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: „Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland zijn”, en als het Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten gelijkelijk de kreet op: „de Prins moet onze Koning zijn”111).

Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: „de Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid.” Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou schenken.

Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. „Le Prince est Souverain”, schrijft hij aan Fagel, „on ne sait pas comment, mais tout le monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même”112).

Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, „dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed; te meer daar hij dacht dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn”113). Repelaer antwoordt „dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan het hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien”. Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, „scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen”. In den Haag, den 30sten, bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins „geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden”114), en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.

Is dit nu115) de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche van Lord Clancarty116) spreekt niet van een Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem, Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.

Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten mede onder zijn, Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest geschieden te Amsterdam.

Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekende Vertraute Briefe van Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden117) en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders en place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.

Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):

„Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine Proclamatio domestica”.118)

Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, „unter dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks”.119)

En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.

De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.120) Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: „Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet”121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, „heeft het volk terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden uitgeroepen”. Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma: „nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam”, voor zoover die uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.

Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp toestak122): de „vergeten en vergeven”-proclamatie, het stuk à tout usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.

De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: „den Haag” (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) „zou uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan”123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.

Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplaren der door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven,124) op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht,125) of anders bericht omtrent zijne komst. „Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne”, schrijft hierop Canneman aan Falck, „de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepen als Vorst. De plechtige proclamatie wordt met ongeduld verwagt.” Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij „uitroeping” (bij monde) van „plechtige proclamatie” (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De „uitroeping” daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.

De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener „plechtige proclamatie” gebracht toen zij door van der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het van hen verwachtte. Het was avond;126) te laat voor het gewone Dagblad-nummer van 2 December.127) Kemper's uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.

Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;—en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden, met zoo uit aller naam te spreken.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ekim 2024
Hacim:
520 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066314040
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar