Kitabı oku: «Moord met een hoger doel»

Yazı tipi:

MOORD MET EEN HOGER DOEL

EEN AVERY BLACK-MYSTERY

BOEK 1

BLAKE PIERCE

Blake Pierce

Blake Pierce is de auteur van de bestselling mystery-serie met Riley Paige, die bestaat uit de spannende thrillers Eens weg (boek 1), Eens gepakt (boek 2) en Eens begeerd (boek 3). Blake Pierce is ook de auteur van de mystery-serie met MacKenzie White.

Blake is zelf al zijn hele leven lang een grote fan van mystery-boeken en thrillers. Hij hoort graag wat je van zijn boeken vindt. Neem gerust eens een kijkje op www.blakepierceauthor.com om meer over hem te weten te komen en op de hoogte te blijven van zijn boeken.

Copyright © 2016 door Blake Pierce. Alle rechten voorbehouden. Met uitzondering van toestemming onder de U.S. Copyright Act uit 1976, mag niets uit deze uitgave in enige vorm of op enige manier worden verveelvoudigd, gedistribueerd, overgedragen of opgeslagen in een database of een geautomatiseerd gegevensbestand, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. Dit e-book heeft enkel een licentie voor persoonlijk gebruik. Dit e-book mag niet verkocht of doorgegeven worden aan derden. Als u dit boek met anderen wil delen, koop dan voor iedere ontvanger een afzonderlijk exemplaar. Als u dit boek aan het lezen bent of als dit boek niet alleen voor uw gebruik werd gekocht, retourneer het boek dan en koop uw eigen exemplaar. Dank u voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een fictief boek. Namen, karakters, bedrijven, organisaties, plaatsen, gebeurtenissen en incidenten zijn een product van de verbeelding van de auteur of worden fictief gebruikt. Enige overeenkomst met werkelijke personen, levend of dood is geheel toevallig. Jacket image Copyright miljko, gebruikt onder licentie van iStock.com.

ANDERE BOEKEN VAN BLAKE PIERCE

RILEY PAIGE MYSTERY-SERIE

EENS WEG (boek 1)

EENS GEPAKT (boek 2)

EENS BEGEERD (boek 3)

AVERY BLACK MYSTERY-SERIE

MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1)

OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2)

INHOUD

PROLOOG

HOOFDSTUK EEN

HOOFDSTUK TWEE

HOOFDSTUK DRIE

HOOFDSTUK VIER

HOOFSTUK VIJF

HOOFDSTUK ZES

HOOFDSTUK ZEVEN

HOOFDSTUK ACHT

HOOFDSTUK NEGEN

HOOFDSTUK TIEN

HOOFDSTUK ELF

HOOFDSTUK TWAALF

HOOFDSTUK DERTIEN

HOOFDSTUK VEERTIEN

HOOFDSTUK VIJFTIEN

HOOFDSTUK ZESTIEN

HOOFDSTUK ZEVENTIEN

HOOFDSTUK ACHTTIEN

HOOFDSTUK NEGENTIEN

HOOFDSTUK TWINTIG

HOOFDSTUK EENENTWINTIG

HOOFDSTUK TWEEËNTWINIG

HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG

HOOFDSTUK VIERENTWINTIG

HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG

HOOFDSTUK ZESENTWINTIG

HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG

HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG

HOOFDSTUK NEGENTWINTIG

HOOFDSTUK DERTIG

HOOFDSTUK EENENDERTIG

HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG

HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG

HOOFDSTUK VIERENDERTIG

HOOFDSTUK VIJFENDERTIG

HOOFDSTUK ZESENDERTIG

HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG

HOOFDSTUK ACHTENDERTIG

HOOFDSTUK NEGENENDERTIG

HOOFDSTUK VEERTIG

PROLOOG

Cindy Jenkins slaagde er maar niet in om het feestje van de studentenvereniging in het Atrium te verlaten. De enorme ruimte was versierd met stroboscooplampen, twee goed gevulde bars en aan het plafond hing een schitterende discobal die zijn kleurrijke lichtjes op de dansende feestgangers wierp. De hele nacht had ze met iedereen, maar met niemand in het bijzonder gedanst. Danspartners kwamen en gingen de hele avond. Cindy zwaaide met haar kastanjebruine haar en toverde voor elk van hen een perfecte glimlach tevoorschijn. Met haar kristalheldere blauwe ogen verleidde ze iedere danspartner. Dit was háár nacht, een feestje niet alleen voor de eer van Kappa Kappa Gamma, maar voor elk jaar dat ze het beste van zichzelf had gegeven.

Haar toekomst, zo wist ze, was verzekerd.

De afgelopen twee jaar had ze stage gelopen bij een van de grootste boekhoudbedrijven van de stad. Ze hadden haar onlangs zelfs een contract als assistent-boekhoudster aangeboden.

Haar startsalaris zou ruim voldoende zijn om enkele nieuwe outfits te kopen en ze zou makkelijk een flat kunnen huren in de buurt van het bedrijf. Haar resultaten? De beste van de klas. Ze zou best nog een tijdje kunnen flierefluiten tot het einde van het studiejaar, maar dat woord kwam niet in haar woordenboek voor. Met alles wat ze deed gaf ze altijd het beste van zichzelf. Intens werken en intens genieten, dat was haar motto. En vanavond wilde ze genieten.

Cindy schaterde het uit bij haar zoveelste behoorlijk sterke “Dreamy Blue Slush”-cocktail, schreeuwde mee met de Kappa Kappa Gamma-leus en danste uitbundig. De stroboscooplampen gaven haar bewegingen een bijzonder effect. Ze gooide haar weelderige haren naar achteren en fronste haar wenkbrauwen toen een student die ze al jaren kende haar wilde kussen. Waarom ook niet, dacht ze. Een kus kan toch wel, niets serieus, niets wat haar relatie zou schaden. Gewoon een kusje, zodat iedereen kon zien dat ze niet altijd dat brave meisje was dat alles volgens het boekje deed.

Haar vrienden moedigden haar met luide kreten aan. Cindy maakte zich los van de jongeman. Het dansen, de alcohol en de hitte eisten hun tol. Ze had moeite rechtop te blijven staan en lachend klampte ze zich weer aan hem vast.

“Kom je met me mee naar huis?” fluisterde hij.

“Ik heb een vriend.”

“Waar is hij dan?”

Inderdaad, dacht Cindy. Waar is Winston eigenlijk? Hij haatte dit soort studentenfeestjes. “Niet meer dan een zootje omhooggevallen meiden die te veel drinken en hun vriend bedriegen,” zei hij altijd. Nou, dacht ze, eigenlijk heeft hij wel gelijk. Iemand anders kussen terwijl ze eigenlijk al een relatie had was het avontuurlijkste wat ze ooit had gedaan.

Je bent dronken, mompelde ze in zichzelf. Ze moest hier weg.

“Ik moet gaan,” wauwelde ze.

“Nog een dans?”

“Nee,” antwoordde ze, “ik moet er echt vandoor.”

Met tegenzin liet de jongeman haar gaan. Starend naar de populaire laatstejaarsstudente van Harvard liep hij weer naar de dansende menigte en zwaaide naar haar.

Cindy duwde een bezwete lok achter haar oor en verliet de dansvloer; haar blik was troebel en ze had een gelukzalige glimlach op haar gezicht. Haar favoriete nummer begon te spelen en ze baande zich een weg tussen de dansende studenten door.

“Neeeeee!” riepen haar vriendinnen toen ze zagen dat ze op weg was naar de uitgang.

“Waar ga je heen?” vroeg een van hen.

“Ik ga naar huis,” zei ze vastberaden.

Haar beste vriendin Rachel maakte zich van de groep los en nam haar bij de hand. Rachel was een kleine, wat gedrongen brunette, helemaal niet het mooiste of slimste meisje van de groep, maar haar vurige, seksuele temperament zorgde ervoor dat ze altijd in het middelpunt van de belangstelling stond. Ze droeg een kort glitterjurkje en telkens als ze bewoog leek het alsof de naden het zouden begeven. “Je kunt helemaal nog niet naar huis!” schreeuwde ze.

“Ik heb echt te veel gedronken,” antwoordde Cindy.

“We hebben onze 1 aprilgrap nog niet eens uitgehaald! Die zou het hoogtepunt van het feest worden! Alsjeblieft? Blijf je nog even?”

Cindy dacht aan haar vriend. Twee jaar waren ze nu al samen. Ze zouden elkaar later op de avond zien. Ze dacht aan de kus op de dansvloer en vroeg zich af hoe ze dat ooit had durven doen.

“Nee echt,” zei ze, “ik moet ervandoor!” Ze keek Rachel aan, was zich bewust van de erotische uitstraling van haar vriendin, wierp een blik op de jongeman en voegde er lachend aan toe: “Wie weet waar ik verder nog toe in staat ben als ik blijf.”

“O!” riepen haar vriendinnen uit.

“Alle remmen los!”

Cindy gaf Rachel een zoen op haar wang en fluisterde: “Geniet nog van de avond. Ik zie je morgen wel.” Daarna vertrok ze naar huis.

Eenmaal buiten ademde Cindy de frisse avondlucht in. Ze veegde het zweet van haar gezicht en in haar korte gele zomerjurkje vervolgde ze haar weg door Church Street. De gebouwen in dit gedeelte van de stad waren lage bakstenen constructies, af en toe afgewisseld met enkele statige woonhuizen die door bomen waren omringd. Ze ging linksaf, Brattle Street in, stak de straat over en liep verder in zuidwestelijke richting.

Op de meeste straathoeken stonden straatlantaarns, maar een gedeelte van Brattle Street was in complete duisternis gehuld. Cindy liep vastberaden door en spreidde haar armen zijwaarts, alsof de schaduwen haar lichaam konden zuiveren van alcohol en uitputting en haar nieuwe energie konden geven voor haar afspraakje met Winston.

Links van haar zag ze een smal steegje. Instinctief was ze iets voorzichtiger: het was tenslotte al heel laat en ze kende maar al te goed de reputatie van deze verlaten wijk van Boston. Eigenlijk had ze helemaal geen zin om zich hier zorgen over te maken. De toekomst lachte haar stralend toe. Vanuit haar ooghoeken zag ze een beweging en ze draaide zich om. Te laat. Ze voelde plotseling een scherpe pijn in haar nek en haar adem stokte. Ze keek achterom en besefte opeens waar de pijn vandaan kwam.

Een naald.

De angst sloeg haar om het hart en de opwinding die ze daarnet nog voelde was meteen verdwenen.

Op datzelfde ogenblik voelde ze een duw in haar rug en een tengere arm greep de hare vast. Haar aanvaller was kleiner dan zij, maar bijzonder sterk. Ze werd het steegje in getrokken.

“Ssst!”

De gedachte dat dit een grap zou kunnen zijn verdween in het niets toen ze de boosaardige, sterke stem hoorde. Ze probeerde zich uit alle macht te verzetten en wilde het uitschreeuwen. Haar stem bleek het echter niet meer te doen. Het was alsof iets alle spieren in haar nek verlamde. Ook haar benen verloren hun kracht en ze kon amper nog rechtop blijven staan.

Doe iets, smeekte ze zichzelf en ze besefte meteen dat als ze niets zou doen, ze zou sterven. De sterke arm omklemde haar van rechts. Cindy kon zich uit de greep verlossen en spande haar nek om haar aanvaller een achterwaartse kopstoot te kunnen geven. Haar achterhoofd smakte tegen zijn neus en ze kon het bijna horen kraken. De man vloekte binnensmonds en liet haar los.

Rennen, dacht ze bij zichzelf.

Maar haar lichaam weigerde elke beweging. Haar benen begaven het en ze kwam hard op de straatstenen terecht.

Cindy lag op haar rug, haar benen en armen wijd uitgespreid. Ze kon zich niet meer bewegen.

Haar aanvaller knielde naast haar neer. Voor zijn gezicht viel het vieze haar van een slonzige pruik, hij had een valse snor en droeg een bril met sterke glazen. Zijn ogen, koud en hard, deden haar huiveren. Emotieloos. “Ik hou van jou,” zei hij.

Cindy probeerde te schreeuwen, maar kwam niet verder dan een zwak gemurmel.

Zijn gezicht raakte bijna het hare. Plotseling, alsof hij zich van de omgeving bewust werd, stond hij rechtop.

Cindy voelde dat hij haar handen vastgreep en haar verder de steeg in sleurde.

Haar ogen vulden zich met tranen. Alsjeblieft, smeekte ze bij zichzelf, help me, help! Ze dacht aan de studenten, aan haar vrienden, aan haar eigen gelach op het feest. Help!

Aan het einde van het steegje raapte de man haar op en omhelsde haar stevig. Haar hoofd viel slap op zijn schouder. Hij streelde liefdevol haar haren. Hij nam haar bij de hand en draaide haar rond alsof ze geliefden waren. “Alles komt goed,” zei hij luid, alsof anderen meeluisterden, “ik doe de deur wel open.”

Cindy zag wat verderop een groepje mensen staan. Ze had moeite met denken, kon zich niet bewegen en alle pogingen om te spreken faalden.

De deur aan de passagierskant van het blauwe minibusje stond open. Hij zette haar op de passagiersstoel en sloot het portier voorzichtig, zodat ze met haar hoofd tegen het raampje kon leunen.

Hij ging op de chauffeursstoel zitten en trok een zachte kussensloop over haar hoofd. “Slaap nu maar, mijn liefste,” zei hij toen hij de auto startte. “Slaap!”

Het minibusje reed weg en alles werd zwart voor Cindy’s ogen. Het laatste waar ze nog aan dacht was haar toekomst, haar mooie toekomst die zo plotseling was weggerukt.

HOOFDSTUK EEN

Avery Black stond helemaal achteraan in de overvolle vergaderzaal. Diep in gedachten verzonken leunde ze tegen de muur en nam alles in zich op. Meer dan dertig agenten hadden zich in de kleine vergaderzaal van het Boston Police Department in New Sudbury Street verzameld. Twee van de vier muren waren geel geschilderd, de andere twee waren glazen wanden die uitkeken op de tweede verdieping van het politiebureau. Hoofdinspecteur Mike O’Malley, geboren en getogen in Boston, liep zenuwachtig heen en weer achter het podium. O’Malley was klein, maar goed gebouwd voor zijn vijftig lentes en had donkere ogen en dito haar. Avery had het gevoel dat hij altijd onrustig was en niet lekker in zijn vel zat.

“En ten slotte,” zei hij met zijn zware accent, “wil ik graag Avery Black welkom heten op bij de afdeling Moordzaken.” Een plichtmatig geklap vulde de anders zo stille vergaderzaal.

“Nou, nou,” snauwde de hoofdinspecteur, “zo begroet je een nieuwe rechercheur toch niet? Black heeft meer arrestaties op haar naam staan dan jullie samen en rekende bijna in haar eentje de West Side Killers in. Een beetje meer respect tonen graag.” Terwijl hij dit zei knikte hij met een neutrale blik in de richting van de achterkant van de zaal. Avery hield haar hoofd gebogen en verschool haar gezicht onder haar geblondeerde haren. In haar zwarte onberispelijke broekpak en witte blouse, van toen ze nog strafrechtadvocaat was, zag ze er eerder uit als een advocaat dan als een agent. Deze outfit was trouwens een van de redenen waarom de meeste van haar collega’s haar ontweken of over haar roddelden.

“Avery!” De hoofdinspecteur wierp zijn armen in de lucht. “Ik probeer je hier wat steun te geven. Wakker worden!”

Verrast keek ze op en zag een zee van gezichten die haar vijandelijk aanstaarden. Ze begon zich werkelijk af te vragen of het wel zo’n goed idee was geweest om naar Moordzaken te komen. “Goed, over op de orde van de dag,” vervolgde de hoofdinspecteur. “Avery, mijn kantoor. Nu.” Daarop wendde hij zich meteen tot een andere agent. “En jou wil ik ook spreken, en jij, Hennessey, kom onmiddellijk hier. En Charlie, waar ga jij zo snel naartoe?”

Avery wachtte tot de menigte de vergaderzaal had verlaten voordat ze naar het kantoor van O’Malley liep. Bij de deur botste ze op een agent die ze al eerder op de afdeling had gezien, maar nog nooit formeel had begroet. Ramirez, een latino, was iets groter dan zijzelf, vrij tenger en met een bijzonder elegant voorkomen. Zijn haar was kortgeknipt, zijn baard pas geschoren en ondanks zijn strakke pak had hij iets soepels en nonchalants over zich. Hij nam een slokje van zijn koffie en bleef haar zonder enige emotie staan aankijken.

“Kan ik je helpen?” vroeg ze.

“Nee, het is net andersom,” zei hij, ‘ik ben degene die jou gaat helpen.”

Hij stak ter begroeting zijn hand uit, maar Avery nam deze niet aan.

“Ik wilde de beroemde Avery Black weleens persoonlijk ontmoeten. Er doen heel wat geruchten over jou de ronde. Ik wilde weleens weten wat ervan waar is. Tot nu toe heb ik gehoord: verstrooid en doet alsof ze te goed is voor het korps. Check, ik heb er twee goed. Niet slecht voor een maandag.”

Een vijandelijke benadering door haar collega’s was niets nieuws voor Avery. Al vanaf de eerste dag bij de politie, nu drie jaar geleden, had ze er al mee te maken. Nog nooit had ze er echte vrienden gehad en haar collega’s kon ze amper vertrouwen.

Avery drong zich langs Ramirez heen.

“Veel geluk bij de hoofdinspecteur,” riep Ramirez haar na, “hij kan echt een eikel zijn.” Het sarcasme in zijn stem ontging haar niet en ze wuifde zijn opmerking weg.

Door de jaren heen had Avery geleerd hoe ze haar vijandige collega’s moest aanpakken. Een raak antwoord geven was beter dan hen volledig negeren. Zo kon ze hen laten voelen dat ze zich niet liet afschrikken en dat ze vast van plan was te blijven.

Op de tweede verdieping van het politiebureau in het centrum van Boston was het altijd een drukte van jewelste. De kleedruimtes bevonden zich in het midden en werden door glazen kantoren omgeven. Door verschillende agenten werd Avery scherp aangekeken.

“Moordenaar,” hoorde ze iemand mompelen.

“Moordzaken ligt je perfect,” zei iemand anders binnensmonds.

Avery kwam langs een Ierse agent die ze ooit uit de klauwen van een bende had gered. Ze wierp Avery een vriendelijke blik toe en fluisterde: “Veel geluk, Avery. Je verdient het.”

Avery lachte haar toe. “Bedankt.”

Het eerste vriendelijk woord van de dag krikte haar zelfvertrouwen op en zelfverzekerd stapte ze het kantoor van de hoofdinspecteur binnen. Tot haar verbazing zag ze dat Ramirez door het raam stond toe te kijken. Hij hief zijn beker koffie en grijnsde.

“Kom binnen,” zei de hoofdinspecteur, “en sluit de deur.”

Avery ging zitten.

O’Malley zag er van dichtbij nog triester uit. Het was duidelijk dat hij zijn zwarte haar kleurde en rond zijn ogen en mond had hij talloze rimpels. Vermoeid wreef hij over zijn slapen en leunde naar achteren. “Vind je het leuk hier?” vroeg hij haar.

“Hoe bedoel je?”

“Ik bedoel dit hier, bureau A1, in het hart van Boston. Je zit er hier echt middenin. Het echte werk. Je komt uit een klein stadje, toch? Oklahoma?”

“Ohio.”

“Goed, goed,” mompelde hij. “Wat vind je nu precies zo boeiend aan dit politiebureau in het centrum? Er waren heel wat andere afdelingen hier in Boston waar je terechtkon. Je had in de buitenwijken kunnen werken. Heel wat bendes daar. Maar je solliciteerde enkel voor onze dienst.”

“Ik hou van grote steden.”

“Er lopen hier heel wat griezels rond. Weet je zeker dat je hier klaar voor bent? Dit is Moordzaken, heel wat anders dan jongeren die met elkaar op de vuist gaan.”

“Ik heb in mijn leven heel wat gezien: ik was erbij toen een van de leiders van de West Side Killers iemand levend vilde terwijl zijn bendeleden kalmpjes toekeken. Over welk soort griezels hebben we het hier?”

O’Malley hield haar nauwlettend in het oog. “Er is mij verteld,” zei hij, “dat die Harvard-psychopaat jou behoorlijk hard heeft aangepakt. Hij maakte je compleet belachelijk. Maakte je hele leven kapot. Van een veelbelovende advocaat naar de totale afgang, en dan niets meer. En later als groentje naar het politiekorps. Best wel pijnlijk, toch?”

Avery verschoof ongemakkelijk in haar stoel. Waarom kon hij het verleden niet laten rusten? Waarom moest hij hierop terugkomen? Waarom nu? Vandaag was een bijzondere dag: haar promotie bij Moordzaken. Ze wilde dat niets deze dag zou verpesten en zeker haar verleden niet. Wat voorbij is, is voorbij. Ze moest vooruitkijken.

“Toch kreeg je het prima voor mekaar,” zei hij met enig respect. “Je bouwde hier een nieuw leven op en dit keer aan de juiste kant. Respect. Maar,” zei hij, terwijl hij haar aankeek, “ik wil er zeker van zijn dat je hier klaar voor bent. Dus: ben je er klaar voor?”

Ze keek hem aan en vroeg zich af waar hij heen wilde. “Als ik er niet klaar voor was, zou ik hier niet zijn,” antwoordde ze.

Hij knikte tevreden. “We hebben net een telefoontje gekregen,” zei hij. “Een dood meisje. In scène gezet. Het ziet er niet goed uit. De mannen ter plaatse weten niet goed wat ze ervan moeten denken.”

Avery’s hart begon sneller te slaan. “Ik ben er klaar voor,” zei ze.

“Echt?” vroeg hij haar. “Ik weet dat je goed bent, maar als dit een grote zaak wordt, wil ik er zeker van zijn dat je niet zal instorten.”

“Ik zal niet instorten,” antwoordde ze.

“Dat is wat ik wilde horen,” zei hij en hij schoof wat met de papieren op zijn bureau. “Dylan Connelly staat aan het hoofd van de afdeling Moordzaken. Hij is momenteel ter plaatse, samen met de forensische dienst. Je hebt trouwens ook een nieuwe partner. Zorg ervoor dat hij het overleeft.”

“Dat was mijn schuld niet,” verdedigde ze zich. Ze voelde de woede in zich opkomen toen ze dacht aan het onderzoek van Interne Zaken, en dat allemaal omdat haar vorige partner – een zelfingenomen driftkop – een kogel door zijn lijf had gekregen toen hij in zijn eentje wilde infiltreren in een bende, om daarna met de pluimen van haar onderzoek te gaan pronken.

De hoofdinspecteur wees naar buiten. “Je partner wacht op je. Jij hebt de leiding. Stel me niet teleur.”

Ze draaide zich om en zag Ramirez staan. Ze kreunde. “Ramirez? Waarom hij?”

“On eerlijk te zijn,” zei O’Malley schouderophalend, “was hij de enige die met jou wilde samenwerken. De rest lijkt een hekel aan je te hebben.”

Ze voelde hoe de knoop in haar maag zich aanspande.

“Een betrouwbare, jonge rechercheur,” voegde hij eraan toe. Hij stond op ten teken dat hun gesprek afgelopen was. “Wees niet te kieskeurig wat vrienden betreft.”

HOOFDSTUK TWEE

“Hoe ging het?” vroeg Ramirez toen Avery het kantoor uit kwam.

Ze boog haar hoofd en stapte vastberaden door.

Avery had een hekel aan dat soort babbeltjes, en collega’s die haar nieuwsgierige vragen stelden, vertrouwde ze al helemaal niet. “Wat hebben we tot nu toe?” vroeg ze.

“Puur zakelijk.” Ramirez lachte. “Fijn om weten. Goed, Black, we hebben een dood meisje dat op een bankje is neergezet in Lederman Park, dicht bij de rivier. Het is een drukbezochte plaats. Niet echt een ideale plek dus om er een lichaam achter te laten.”

Verschillende agenten begroetten Ramirez.

“Neem ze te grazen, jongen!”

“Het beste met haar, kerel!”

Avery schudde haar hoofd. “Grappig hoor,” zei ze.

Ramirez hield zijn handen omhoog. “Ik heb niets gezegd.”

“Jullie zijn allemaal hetzelfde,” snauwde ze. “Ik had nooit gedacht dat een politiebureau net een advocatenkantoor zou zijn. Een exclusief jongensclubje, hè? Vrouwen niet toegestaan.”

“Rustig maar, Black.”

Ze liep door op weg naar de liften. Enkele agenten konden hun lach niet bedwingen. Gewoonlijk trok Avery zich hier helemaal niets van aan, maar iets in deze nieuwe zaak zorgde ervoor dat ze zich onrustig voelde. De woorden van de hoofdinspecteur spookten door haar hoofd. Ze weten niet goed wat ze ervan moeten denken. In scène gezet. Geen normale moordzaak dus. Bovendien bezorgde de nonchalante en koele houding van haar nieuwe partner haar een vervelend gevoel. Een beetje te makkelijk. Niets was ooit te makkelijk.

Net toen de liftdeuren dichtgingen, hield Ramirez deze tegen. “Het spijt me, oké?”

Hij leek oprecht. Handen geheven en een verontschuldigende blik in zijn donkere ogen. Hij duwde op het knopje en de lift ging naar beneden.

Avery keek hem tersluiks aan. “De hoofdinspecteur vertelde me dat je de enige bent die met mij wil samenwerken. Waarom?”

“Je bent dé Avery Black,” zei hij, alsof dat iets vanzelfsprekends was. “Natuurlijk was ik nieuwsgierig. Niemand kent je echt, maar iedereen heeft wel een mening over jou: idioot, geniaal, hoe je ooit was, iemand die komt en gaat, moordenares, heldin. Ik wilde zelf te weten komen hoe je bent.”

“Waarom is dat zo belangrijk voor je?”

Ramirez schonk haar een mysterieuze glimlach, maar zei verder niets.

* * *

Avery liep achter Ramirez aan, die ontspannen door de ondergrondse garage stapte. Hij droeg geen stropdas en de bovenste twee knopjes van zijn overhemd stonden open. “Ik sta daar,” zei hij en hij wees.

Ze liepen langs twee agenten die hem leken te kennen. Een van hen zwaaide en keek hem aan met een blik van: wat moet je nou met haar?

Hij liep met haar naar een stoffige Crimson Cadillac, oud en met twee gescheurde stoelen.

“Betrouwbaar karretje,” grapte Avery.

“Dit schatje heeft mij al heel wat diensten bewezen,” antwoordde hij trots, terwijl hij liefdevol over de motorkap streek. “Het enige wat ik hoef te doen is me kleden als een pooier of een hongerlijdende Spanjaard en niemand vindt me verdacht.”

Ze reden de parkeergarage uit.

Lederman Park lag op slechts enkele kilometers van het politiebureau. Ze reden westwaarts Cambridge Street in en gingen rechtsaf naar Blossom Street.

“Dus...” zei Ramirez, “ik heb gehoord dat je vroeger advocaat was.”

“En?” Met haar blauwe ogen keek ze hem vanuit haar ooghoeken onderzoekend aan. Ze was meteen op haar hoede. “Wat heb je nog meer gehoord?”

“Strafpleiter,” voegde hij eraan toe, “de beste die er was.” Werkte je vroeger niet voor Goldfinch & Seymour? Behoorlijk bekend bedrijf. Waarom ben je gestopt?”

“Weet je dat dan niet?”

“Ik weet dat je heel wat schurken hebt verdedigd. Je was bijzonder goed, toch? Je kreeg zelfs enkele corrupte smerissen achter de tralies. Best wel een mooi leventje, denk ik. Een mooi salaris, succesvol. Wie geeft nu zo’n baan op om bij de politie te komen werken?”

Avery dacht aan het huis waar ze was opgegroeid, een kleine boerderij omringd door uitgestrekte velden. Ze hield niet van die eenzaamheid en al helemaal niet van de dieren en de geur van de boerderij: uitwerpselen, vacht en veren. Al heel snel wist ze dat ze daar weg wilde. En dat had ze ook gedaan: Boston. Eerst het middelbaar onderwijs, daarna een rechtenstudie en uiteindelijk had ze een prachtige carrière opgebouwd.

En nu dit.

Ze zuchtte diep. “Ik heb geleerd dat de toekomst soms anders kan lopen dan gepland.”

“Hoe bedoel je?”

In gedachten zag ze die glimlach weer voor zich, die oude, akelige glimlach van een gerimpelde oude man met een sterke bril. Hij had zo oprecht, zo nederig, slim en eerlijk geleken. Zo zagen ze er allemáál uit, realiseerde ze zich nu.

Uiteindelijk was er een einde gekomen aan alle rechtszaken, iedereen had zijn leven hervat en ze had beseft dat ze niemand had gered, dat ze geen mensen had verdedigd, dat ze enkel een pion was geweest, een pion in een maatschappij die veel te ingewikkeld was en veel te vastgeroest zat om ooit te veranderen.

“Het leven kan hard zijn,” mijmerde ze. “De ene dag denk je dat je alles weet en de volgende dag komt de waarheid aan het licht en valt je hele wereld in duigen.”

Hij knikte. “Howard Randall,” zei hij en meteen werd alles duidelijk.

Bij het horen van zijn naam werd ze zich bewuster van alles: de koude lucht in de auto, hoe ze daar zat, hun locatie in de stad. Lange tijd had niemand in haar bijzijn zijn naam uitgesproken. Ze voelde zich ontmaskerd en kwetsbaar. Als reactie herpakte ze zich en ze ging rechtop zitten.

“Sorry,” zei hij, “het was niet mijn bedoeling om...”

“Het geeft niet,” zei ze.

Maar het gaf wel. Hij had aan alles een einde gemaakt. Haar leven. Haar baan. Haar verstand. Het was een hele uitdaging om strafpleiter te zijn, het was aan hém om te bewijzen dat het nut had. Een geniale Harvard-professor, algemeen gerespecteerd, eenvoudig en vriendelijk en verdacht van moord. Door hém te verdedigen zou ze bewijzen dat alles de moeite waard was. Voor de eerste keer in haar leven zou ze kunnen doen waar ze van jongs af aan van had gedroomd: de onschuldigen verdedigen en bewijzen dat er toch gerechtigheid bestond.

Niets was echter minder waar.

HOOFDSTUK DRIE

Het park was al afgesloten voor het publiek.

Twee agenten in burger hielden Ramirez staande en gebaarden dat hij de hoofdparkeerplaats af moest rijden en links af moest slaan. Tussen alle agenten, die overduidelijk van haar eenheid waren, zag Avery er enkele die van de staatspolitie waren. “Wat doet de staatspolitie hier?” vroeg ze.

“Hun kantoor is aan het einde van de straat.”

Ramirez parkeerde zijn auto naast enkele politievoertuigen. De plaats delict was voor een groot gedeelte afgezet met gele tape. Achter deze afsluiting stonden heel wat nieuwswagens, reporters en camera’s. Een groepje joggers en regelmatige bezoekers van het park stonden nieuwsgierig te kijken wat er aan de hand was.

“Niemand komt erin,” zei een agent.

Avery haalde haar badge tevoorschijn. “Moordzaken,” zei ze. Het was de eerste keer dat ze zich in haar nieuwe functie voorstelde en ze voelde toch een zekere trots.

“Waar is Connelly?” vroeg Ramirez.

Een agent wees in de richting van de bomen.

Ze liepen over het gazon, met aan hun linkerzijde een baseballveld. Gele tape was rond de bomen vastgemaakt. Het pad naar Charles River was met bladeren bedekt. Een agent, iemand van de forensische dienst en een fotograaf stonden voor een bankje.

Avery vermeed elk contact met de mensen ter plaatse. Door de jaren heen had ze geleerd dat sociaal contact haar afleidde en dat ze door te veel vragen en formaliteiten haar aandacht moeilijk bij de zaak kon houden. Jammer genoeg was ook dat een van de redenen voor de minachting van haar hele eenheid.

Het slachtoffer was een jong meisje dat schuin op het bankje was neergezet. Het leed geen twijfel dat ze dood was. Met uitzondering van haar blauwige huidskleur, haar houding en gezichtsuitdrukking leek het alsof er niets aan de hand was.

Ze leek op een verliefde jonge vrouw die op iemand wachtte. Haar gezicht rustte op haar handen, die op de rugleuning van het bankje lagen. Een ondeugende glimlach sierde haar gezicht.

Haar houding deed denken aan iemand die al een hele tijd wachtte en die zich net had omgedraaid om te kijken of er iemand aankwam, of iemand die zich mateloos verveelde. Ze droeg een geel zomerjurkje en witte teenslippers, haar prachtige kastanjebruine haren vielen over haar linkerschouder. Haar benen waren over elkaar geslagen en haar tenen rustten lichtjes op het pad. Alleen haar ogen verraadden haar kwelling. Deze straalden pijn en ongeloof uit.

Avery hoorde in gedachten een stem, de stem van de oude man die dag en nacht door haar hoofd spookte. Wat zijn eigen slachtoffers betrof had hij haar ooit de vraag gesteld: Wat zijn ze? Enkel lege vaten, naamloze, anonieme lege vaten, slechts enkelen van de miljarden die afwachten tot ze hun bestemming hebben gevonden.

Ze voelde de woede in zich opborrelen, woede over de vernederingen die ze had ondergaan en die haar hele leven hadden verwoest.

Ze ging dichter bij het lichaam staan. Als advocaat had ze heel wat forensische rapporten moeten lezen. Ze had duizenden foto’s van de patholoog-anatoom moeten bekijken en alle gruwelijkheden moeten doornemen die met haar zaak te maken hadden. Als agent was haar kennis er beslist op vooruitgegaan toen ze routinematig alle moordslachtoffers moest onderzoeken. Ze had geleerd de situatie perfect in te schatten.

Het viel haar op dat de jurk gewassen was en dat het haar van het meisje verzorgd was. Haar vinger- en teennagels waren pas schoongemaakt en ze rook kokosnoot en honing en een vleugje formaldehyde.

“Wil je haar kussen, of zo?” vroeg iemand haar.

Met haar handen op haar rug boog ze zich over het slachtoffer heen. Op het bankje zag ze een geel kaartje met het cijfer vier erop. Ernaast, ter hoogte van de taille van het meisje, lag nauwelijks zichtbaar op het geel van de jurk een stugge oranje haar.

Het hoofd van de afdeling Moordzaken, Dylan Connelly, stond haar met zijn handen in de zij aan te kijken en wachtte op antwoord. Hij was zwaar en stevig gebouwd, had golvend blond haar en doordringende blauwe ogen. Zijn borst en armen scheurden de naden van zijn blauwe overhemd bijna open. Hij droeg een bruine linnen broek en zware zwarte schoenen.

Avery had hem op het bureau al gezien, niet echt haar type, maar ze bewonderde zijn bijna dierlijke vastberadenheid.

“Dit is een plaats delict, Black. Kijk de volgende keer uit waar je loopt. Je mag van geluk spreken dat we alles al hebben onderzocht op sporen.”

Stomverbaasd keek ze naar beneden. Ze had heel goed uitgekeken waar ze stapte. Ze keek omhoog, recht in de staalblauwe, koude ogen van Connelly, en besefte dat hij haar het gevoel wilde geven dat ze niet welkom was.

“Ik wist niet dat dit een plaats delict was,” sneerde ze. “Bedankt dat je het even uitlegt.”

Ramirez grinnikte.

Connelly kwam dichterbij en beet van zich af. “Weet jij eigenlijk wel waarom niemand jou kan hebben, Black? Je bent niet alleen een buitenstaander, maar toen jij nog aan de andere kant stond, had je geen greintje respect voor ons. En nu je bij ons bent, toon je nog minder respect. Laat één ding duidelijk zijn: ik mag jou niet, ik vertrouw je niet en ik wilde je al helemaal niet in mijn team.”

Hij wendde zich tot Ramirez. “Vertel haar wat we al weten. Ik ga naar huis, douchen. Ik voel me ziek,” zei hij.

Hij deed zijn plastic handschoenen uit en gooide ze op de grond. Hij richtte zich tot Avery en voegde eraan toe: “Ik verwacht tegen het einde van de dag een uitgebreid rapport. Om vijf uur stipt. Vergaderzaal. Is dat duidelijk? Kom niet te laat. En ruim ook deze troep op voordat je gaat. De agenten van de staatspolitie waren zo vriendelijk om een stapje terug te doen om ons hier ons werk te laten doen. Wees jíj nu maar zo vriendelijk om ze wat respect te tonen.” Geïrriteerd ging hij ervandoor.

“Je kunt goed met mensen omgaan, zeg,” zei Ramirez

Avery haalde haar schouders op.

De forensisch specialist ter plaatse was Randy Johnson, een goedgebouwde, jonge Afro-Amerikaanse vrouw. Ze had grote ogen en was heel zelfbewust. Haar korte dreadlocks gingen slechts voor de helft schuil onder haar witte kapje.

Avery had vroeger al eens met haar samengewerkt. Ze vormden ooit een sterk team bij een zaak van huiselijk geweld. De laatste keer dat ze elkaar hadden gezien was in de kroeg.

Randy vond het geweldig om samen met Avery op de zaak te zitten, en ze stak een hand naar Avery uit. Plotseling besefte ze dat ze nog steeds haar handschoenen droeg, en ze bloosde en schaterde het uit. “Oeps, jakkes!” zei ze en ze voegde er nog steeds lachend aan toe: “Misschien ben ik wel besmet!”

“Ook leuk om jou te zien, Randy.”

“Gefeliciteerd met Moordzaken.” Randy boog plechtig. “Je bent erop vooruitgegaan.”

“Stapje voor stapje,” zei Avery grinnikend. “Wat hebben we hier?”

“Volgens mij was er iemand verliefd,” antwoordde Randy. “Hij heeft haar behoorlijk opgeknapt. Sneed haar open langs haar rug. Haalde alles eruit, vulde haar weer op zodat ze niet zou gaan rotten en naaide haar weer dicht. Frisgewassen jurkje. Manicure. Bijzonder voorzichtig ook. Nog geen vingerafdrukken. Na grondig onderzoek in het lab zal ik je meer kunnen vertellen. Tot nu toe heb ik twee wonden gevonden. Zie je die glimlach? Dat kun je op twee manieren doen: je kunt de mond aan de binnenkant vastpinnen, of je kunt door middel van een soort gel een glimlach op een dood gezicht toveren. Deze wond echter” – ze wees naar de hoek van de lippen – “wijst op een injectie. En hier zit er nog een.” Ze wees naar de nek. “Door de verkleuring kan ik met zekerheid zeggen dat deze injectie eerst werd gegeven, misschien zelfs al tijdens de ontvoering. De dood moet zo’n achtenveertig uur geleden zijn ingetreden. Ik heb trouwens enkele interessante haren gevonden.”

“Hoe lang zit ze hier al?”

“Fietsers hebben haar om zes uur gevonden,” zei Ramirez. “Elke nacht wordt er om middernacht en om drie uur gepatrouilleerd in het park. Toen zat ze er nog niet.”

Avery bleef naar de ogen van het dode meisje staren. Het leek alsof ze naar iets keek in de verte, maar toch naar iets heel dichtbij langs de oever, naar iets aan hun kant van de rivier. Voorzichtig ging ze achter het bankje staan en volgde de kijkrichting van het meisje. Stroomafwaarts zag ze een aantal bakstenen gebouwen; een ervan was bijzonder laag en had een witte koepel op het dak. “Wat is dat voor gebouw?” vroeg ze. “Dat grote gebouw daar, met die koepel.”

Ramirez tuurde in de verte. “Misschien het Omni Theatre?”

“Kunnen we te weten komen wat daar opgevoerd wordt momenteel?”

“Waarom?”

“Ik weet niet, maar ik heb zo’n voorgevoel.” Avery kwam overeind. “Weten we wie ze is?”

“Ja,” antwoordde Ramirez, terwijl hij in zijn notities keek. “We gaan ervan uit dat het Cindy Jenkins is. Laatstejaarsstudente op Harvard. Lid van de studentenvereniging Kappa Kappa Gamma. Ze wordt al twee dagen vermist. De campuspolitie en de politie van Cambridge hebben afgelopen avond haar foto verspreid. Connelly gaf opdracht om de foto’s te bekijken. Het bleek Cindy Jenkins te zijn. We wachten wel nog op bevestiging. Ik zal de familie opbellen.”

“Hoe zit het met de bewaking?”

“Jones en Thompson zijn daar nu mee bezig. Je kent ze wel, toch? Prima rechercheurs. Vandaag kunnen we rekenen op hun hulp. Als we niet kunnen aantonen dat we de extra hulp nodig hebben, staan we er vanaf morgen alleen voor. Er staan geen camera’s in het park, maar iets verderop aan de snelweg en aan de overkant van de straat staan er wel enkele. Vanmiddag moeten we meer weten.”

“Getuigen?”

“Geen enkele tot nu toe. De fietsers waren duidelijk. Ik kan wel eens wat rondvragen.”

Avery nam de omgeving in zich op. Een groot deel van het park was afgezet met gele tape. Er was niets bijzonders gevonden bij de rivier, op het fietspad of in het gras. Ze stelde zich de gebeurtenissen voor. Hij was hoogstwaarschijnlijk langs de hoofdweg gekomen en had zijn auto nabij het water geparkeerd zodat hij makkelijk het bankje kon bereiken. Maar hoe had hij het lichaam erop gekregen zonder argwaan te wekken?

Dat vroeg ze zich af. Op toeschouwers was hij misschien voorbereid geweest. Misschien had hij een manier gevonden om haar er nog levend te laten uitzien. Avery draaide zich weer om naar het lichaam. Het zou zo gegaan kunnen zijn. Het meisje was mooi, zelfs in de dood, bijna onwerkelijk mooi. Hoogstwaarschijnlijk had hij er heel wat tijd aan besteed om haar er zo mooi mogelijk te laten uitzien. Dit was niet het werk van een bende, dacht ze. Dit was geen gekwetste minnaar. Het was heel anders. Avery had zoiets al eens gezien.

Opeens vroeg ze zich af of O’Malley misschien gelijk had. Misschien was ze er nog niet klaar voor.

“Kan ik je auto even lenen?” vroeg ze.

Ramirez trok een wenkbrauw op. “Wat doen we dan met de plaats delict?”

Vol zelfvertrouwen haalde ze haar schouders op. “Je bent een grote jongen. Bedenk maar wat.”

“Waar ga jij dan naartoe?”

“Naar Harvard.”

HOOFDSTUK VIER

Hij zat in zijn kantoortje, superieur, triomfantelijk, machtiger dan wie ook ter wereld. Zijn computer stond aan. Hij slaakte een diepe zucht, sloot zijn ogen en zijn gedachten dwaalden af.

Hij dacht aan de donkere kelder bij hem thuis, die er eigenlijk een beetje uitzag als een plantenkwekerij. Klaprozen in verschillende variëteiten sierden de grootste kamer: rood, geel en wit. Heel wat andere psychedelische planten, die hij in de loop der jaren had verzameld, had hij in lange bloembakken geplant. Sommige zagen er buitenaards uit, andere leken op meer alledaagse soorten die je zomaar overal in de natuur kon vinden. Maar zijn planten hadden bijzondere eigenschappen. Een automatisch bewateringssysteem, een temperatuurmeter en ledverlichting zorgden ervoor dat ze weelderig bloeiden.

Een lange gang met houten wanden leidde naar de andere kamers. De wanden waren versierd met foto’s. Op de meeste foto’s waren dieren te zien in verschillende stadia van de dood om daarna “herboren” te worden als opgezette dieren: een gestreepte kat spelend met een bolletje wol, een zwart-wit gevlekte hond liggend op zijn rug alsof hij wachtte tot iemand hem over zijn buik zou aaien.

Dan had je de deuren. Hij stelde zich voor hoe de deur aan de linkerkant openging. Daar zag hij haar weer, haar naakte lichaam dat op de zilverkleurige metalen tafel lag. De ruimte werd verlicht door felle tl-lampen. In een glazen vitrine stonden allerlei gekleurde vloeistoffen in glazen potten.

Het gevoel van haar huid toen hij met zijn vingers langs de buitenzijde van haar bovenbenen streek. Hij herbeleefde de hele procedure die hij zo voorzichtig had uitgevoerd: hij had alle ingewanden verwijderd, het lichaam geconserveerd, schoongemaakt en weer opgevuld. Tijdens dit hele proces van wedergeboorte had hij foto’s genomen. Het waren zijn trofeeën waarmee hij later nog meer wanden zou versieren. Sommige foto’s hingen er al.

Een sterke, bovennatuurlijke energie vulde zijn lichaam.

Jarenlang had hij elke vorm van menselijk contact vermeden. Hij beschouwde mensen als griezelige, gewelddadige en oncontroleerbare wezens. Heel anders dan dieren. Hij hield van dieren. Maar mensen hadden een betere offerwaarde voor de Hogere Geest. Na de dood van het meisje was de hemel opengegaan en had hij de vage gestalte van de Almachtige Schepper kunnen zien, die hem streng toefluisterde: méér!

Plotseling werd hij uit zijn dromen opgeschrokken door een luide stem. “Jij daar, alweer aan het dagdromen?”

Een morrende medewerker stond hem fronsend aan te kijken. Hij zag eruit als een honkbalspeler. Ondanks zijn blauwe pak leek hij bijzonder indrukwekkend.

Onderdanig boog hij zijn hoofd. Met voorovergebogen schouders veranderde hij in een zielig mannetje dat niets te betekenen had. “Het spijt me, meneer Peet.”

“Ik ben je verontschuldigingen meer dan zat. Bezorg me zo vlug mogelijk die cijfers.”

Vanbinnen grijnsde de moordenaar als een lachende reus. Het spelletje was bijna even opwindend op de werkvloer als bij hem thuis. Niemand wist hoe bijzonder hij wel was, hoe toegewijd en hoe onmisbaar voor de natuurlijke balans van het universum. Niemand van hen zou een ereplaats krijgen in het koninkrijk van de Opperwereld. Hun alledaagse, saaie, aardse taken: zich netjes opdoffen, vergaderingen bijwonen, geld de wereld rondsturen... allemaal zo nutteloos. Maar hij had dit alles wel nodig. Het verbond hem met de buitenwereld en hierdoor kon hij zijn goddelijke taken vervullen.

Zijn baas bromde iets en vertrok.

Met gesloten ogen stelde hij zich zijn Oppergod voor: de duistere, in schaduw gehulde figuur die hem in zijn dromen toefluisterde en zijn gedachten bepaalde. Fluisterend begon hij zijn loflied te zingen: “O God, o God, ons werk is puur. Vraag en ik zal geven: meer.” Méér!

HOOFSTUK VIJF

Avery had een naam: Cindy Jenkins. Ze kende de studentenvereniging Kappa Kappa Gamma. En ook Harvard kende ze maar al te goed. De Ivy League-school had haar aanvraag als eerstejaarsstudente geweigerd, maar omdat ze met twee jongens van de school verkering had gehad, had ze toch kunnen deelnemen aan het sociale leven op Harvard.

De studentenverenigingen op Harvard, zowel die voor de meisjes als voor de jongens, waren in tegenstelling tot verenigingen van andere universiteiten niet officieel erkend. Ze beschikten niet over de befaamde Greek Houses die je bij veel andere universiteiten wel vond. Dit betekende echter niet dat er op Harvard niet werd gefeest. De meeste van die feestjes vonden regelmatig plaats in huizen of flats buiten het universiteitscomplex en ze werden “organisaties” of speciale “clubs” genoemd. Avery had zelf ondervonden hoe het studentenleven echt in elkaar zat. Overdag leek iedereen zich enkel te concentreren op de studieresultaten, maar zodra de avond viel veranderden de toegewijde studenten in echte feestbeesten.

Bij het rode verkeerslicht keek Avery even snel op internet. Ze las dat Kappa Kappa Gamma in Cambridge twee ruimten in hetzelfde gebouw in Church Street huurde. De ene ruimte was bedoeld voor speciale evenementen, de andere voor vergaderingen en als sociale ontmoetingsplek voor studenten.

Ze reed over Longfellow Bridge en hield rechts aan richting Massachusetts Avenue. Aan haar rechterzijde zag ze tussen de bomen door de campus van Harvard, met zijn immense rode bakstenen gebouwen en betegelde paadjes.

Avery parkeerde haar auto, deed de portieren op slot en keek omhoog naar de blauwe lucht. Het was een warme dag en de temperatuur liep nu al op tot tweeëntwintig graden. Ze keek op haar horloge: halfelf.

Het Kappa-gebouw was langwerpig, had een bakstenen voorgevel en bestond uit twee verdiepingen. Op de begane grond waren enkele kledingzaken gevestigd. Avery veronderstelde dat zich op de tweede verdieping kantoren bevonden en de flats van de studentenvereniging. Het enige naambordje bij de bel van de tweede verdieping was een blauwe fleur-de-lis, het symbool van Harvard, en ze drukte op het knopje.

Door de intercom hoorde ze een hese stem. “Ja?”

“Politie,” snauwde ze, “doe open.”

Een ogenblik bleef het stil. “Even serieus,” antwoordde de stem toen, “wie is dit?”

“Het is de politie,” zei Avery ernstig. “Er is niets aan de hand. Niemand zit in moeilijkheden. Ik wil alleen maar even praten met iemand van Kappa Kappa Gamma.”

Met een zoem ging de deur open.

Boven aan de trap werd Avery begroet door een slaperig, uitgeput ogend meisje in een wijde grijze trui en witte joggingbroek. Ze zag eruit alsof ze de hele nacht had gefeest. Slierten donker haar bedekten het grootste gedeelte van haar gezicht. Ze had donkere kringen onder haar ogen, en haar lichaam, waar ze waarschijnlijk bijzonder trots op was, zag er nu eerder opgeblazen en vormloos uit.

“Wat moet u hier?” vroeg ze.

“Rustig maar,” antwoordde Avery. “Dit heeft niets te maken met de activiteiten van de studentenvereniging. Ik kom alleen maar een paar vragen stellen.”

“Kan ik uw identificatie zien?”

Avery haalde haar badge tevoorschijn.

Argwanend wierp ze een blik op Avery, keek wat er op de badge stond en deed een stap achteruit.

De ruimte van Kappa Kappa Gamma was groot en het zonlicht verlichtte de kamer. Het plafond was bijzonder hoog. Een aantal comfortabele beige zitbanken en blauwe zitzakken stonden her en der verspreid. De muren waren donkerblauw geschilderd. Er was een bar, een geluidsinstallatie en een gigantische flatscreen-tv. De grote ramen keken uit op de overkant van de straat. Avery keek naar buiten en zag de bovenkant van een ander gebouw en de eindeloos blauwe lucht. Enkele wolkjes dreven voorbij.

Ze dacht aan haar eigen studententijd, die er waarschijnlijk heel anders had uitgezien dan die van de meeste meisjes bij Kappa Kappa Gamma. Om te beginnen betaalde zij zelf haar studie. Elke dag na school werkte ze bij een plaatselijke advocatenfirma, waar ze was opgeklommen van secretaresse tot assistent-raadgever. Bovendien dronk ze zelden tijdens haar studententijd. Haar vader was een gewelddadige alcoholist geweest. Na feestjes was zij meestal degene die iedereen veilig thuisbracht, of ze bleef op haar kamer om te studeren.

Opeens keek het meisje haar hoopvol aan. “Gaat dit over Cindy?” vroeg ze.

“Ben je een vriendin van Cindy?”

“Ja, ze is mijn beste vriendin,” zei ze. “Zeg alstublieft dat het goed met haar gaat.”

“Hoe heet je?”

“Rachel Strauss.”

“Heb jij de politie gebeld?”

“Ja, inderdaad. Cindy was nogal dronken zaterdagavond toen ze het feestje verliet. Sinds die avond heeft niemand haar meer gezien. Zo is Cindy eigenlijk helemaal niet.” Ze draaide even met haar ogen en voegde er glimlachend aan toe: “Meestal is ze nogal voorspellend, heel perfectionistisch, weet u wel? Ze gaat altijd op tijd naar bed, volgens een strak schema dat zeg maar nooit verandert tenzij je het minstens vijf jaar van tevoren aanvraagt. Zaterdagavond ging ze helemaal uit haar bol. Drinken. Dansen. Ze gooide alles overboord. Het was best wel leuk haar zo te zien.” Eventjes staarde Rachel voor zich uit. “Ze zag er echt gelukkig uit.”

“Had ze daar een bepaalde reden voor?” vroeg Avery.

“Ze was de beste van de klas. En ze had net een baan aangeboden gekregen.”

“Wat voor baan?”

“Een baan bij Devante Accounting. Dat is zowat het beste bedrijf in heel Boston. Ze studeerde boekhouding. Ongelooflijk saai, ik weet het, maar ze was ontzettend goed met cijfers.”

“Kun je me wat meer vertellen over zaterdagavond?”

Rachels ogen vulden zich met tranen. “Het gaat dus over Cindy, hè?”

“Ja, inderdaad,” zei Avery, “misschien kunnen we beter even gaan zitten.”

Rachel stortte in en begon te huilen. Door haar tranen heen probeerde ze te spreken. “Is alles goed met haar? Waar is ze?”

Avery vond dit onderdeel van haar werk verschrikkelijk: met familie en vrienden praten. Eigenlijk kon ze over de zaak nog niet veel kwijt. Hoe meer mensen er van de zaak op de hoogte waren, hoe meer er werd gekletst, en zo konden ook de daders heel wat informatie te weten komen. Meestal had niemand hier begrip voor: men was te veel van streek. Men wilde alleen maar antwoorden.

Avery zat naast haar. “We zijn blij dat je ons hebt gebeld,” zei ze. “Daar heb je goed aan gedaan. Ik vrees dat ik je nog niet veel over de zaak kan vertellen, zolang het onderzoek nog loopt. Wat ik je wel kan zeggen is dat ik er alles aan doe om te weten te komen wat er die nacht met Cindy is gebeurd. Ik kan dit echter niet alleen, en daarom heb ik je hulp nodig.”

Rachel knikte en veegde haar tranen weg. “Ik kan helpen,” zei ze. “Ik kan helpen.”

“Ik wil weten wat je je kunt herinneren over die nacht én over Cindy. Met wie heeft ze gepraat? Is je iets opgevallen? Heeft ze bepaalde opmerkingen gemaakt? Waren sommige mensen erg in haar geïnteresseerd? Wat weet je nog over het ogenblik waarop ze is weggegaan?”

Rachel stortte weer in. Na een tijdje stak ze haar hand op en leek ze zich iets beter te voelen. “Ja,” zei ze, “zeker.”

Avery probeerde haar een beetje af te leiden en vroeg: “Waar is iedereen trouwens?” Ik dacht altijd dat deze studentenhuizen vol zaten met meisjes die in hun Kappa-outfit aan het bekomen waren van hun kater.”

“De meesten zijn naar hun colleges,” zei Rachel, terwijl ze haar ogen droogdepte. “En een paar meisjes zijn gaan ontbijten. Trouwens,” voegde ze eraan toe, “dit is geen echt studentenhuis. Het is alleen maar een ruimte die we huren om uit te rusten en wat te chillen als we niet naar onze kamers willen. Cindy verbleef hier trouwens nooit. Het was haar te modern. Ze hield meer van een iets huiselijkere sfeer.”

“Waar woont ze dan wel?”

“Op een studentenkamer niet ver hier vandaan,” zei Rachel. “Maar zaterdagavond ging ze niet naar huis. Ze zou haar vriend ontmoeten.”

“Vriend?”

Rachel knikte. “Winston Graves, populaire laatstejaarsstudent, roeier, enorme eikel. Niemand begreep wat ze in die gozer zag. Ik wel, denk ik. Hij is razend knap en zijn ouders zijn stinkend rijk. Cindy had nooit geld. Als je zelf niet veel geld hebt, kan ik wel begrijpen dat je voor dit soort types valt.”

Inderdaad, dacht Avery. Daar weet ik alles van. Ze bedacht hoe het geld, de prestige en de macht van haar vorige baan ertoe hadden geleid dat ze ging geloven dat ze helemaal niet meer dat bange en vastberaden meisje was dat Ohio had verlaten.

“Waar woont Winston?” vroeg ze.

“Winthrop Square. Dat is hier niet zo ver vandaan. Maar Cindy is daar nooit aangekomen. Winston kwam zondagmorgen langs en vroeg naar haar. Hij dacht dat ze vergeten was dat ze hadden afgesproken en dat ze hem had laten zitten. Dus zijn we samen naar het huis gegaan waar ze woont. Maar daar was ze ook niet. En toen heb ik de politie gebeld.”

“Kan ze ergens anders naartoe gegaan zijn?”

“Zeker niet,” zei Rachel. “Zo is Cindy helemaal niet.”

“Dus toen ze hier vertrok wist je zeker dat ze naar Winston ging?”

“Absoluut.”

“Denk je dat er iets gebeurd kan zijn waardoor ze misschien haar plannen had gewijzigd? Is er die avond zelf iets gebeurd, of misschien zelfs op het einde van de avond?”

Rachel schudde haar hoofd. “Nee, of toch,” besefte ze opeens. “Ja, er was wel iets. Ik weet zeker dat het niets te betekenen heeft, maar er was een jongen die haar al jarenlang leuk vindt. Hij heet George Fine. Hij is knap, stoer, een eenling en een beetje vreemd, als u begrijpt wat ik bedoel. Hij traint veel en gaat vaak joggen op de campus. Vorig jaar zat hij een keer bij hetzelfde hoorcollege als ik. We maakten er altijd grapjes over dat hij sinds het eerste jaar bijna elk semester bij Cindy in de les zat. Ze leek wel een obsessie voor hem. Hij was hier zaterdagavond ook en het gekke is dat Cindy die avond vrij veel met hem heeft gedanst en dat ze zelfs gekust hebben. Zoiets doet Cindy eigenlijk helemaal nooit. Ik bedoel, ze heeft een relatie met Winston, ook al zijn ze niet het perfecte koppel, maar ze was echt stomdronken en helemaal uitgelaten. Ze kusten, dansten en opeens was ze weg.”

“Is George haar gevolgd?”

“Dat weet ik eigenlijk niet,” zei ze. “Echt waar. Ik kan me niet herinneren dat ik hem nog heb gezien nadat Cindy vertrokken was, maar dat was misschien omdat ik ook behoorlijk dronken was.”

“Weet je nog hoe laat ze vertrokken is?”

“Ja,” zei ze, “stipt om kwart voor drie. Zaterdag hadden we ons jaarlijkse 1 aprilfeestje en we zouden een goede grap uithalen, maar iedereen had zoveel plezier dat we er helemaal niet meer aan hadden gedacht, tot Cindy op het punt stond te vertrekken.” Rachel boog haar hoofd. Opeens werd het helemaal stil.

“Nou,” zei Avery, “je hebt me goed geholpen. Dank je wel. Hier heb je mijn kaartje. Als je je nog iets herinnert of als andere studenten zich nog iets herinneren, neem dan contact met me op. Het onderzoek is momenteel volop aan de gang, dus zelfs het kleinste detail kan ons al een heel eind op weg helpen.”

Rachel keek haar aan en tranen welden op in haar ogen. Langzaam rolden ze over haar wangen. Heel stil en beheerst zei ze: “Ze is dood, hè?”

“Rachel, daar kan ik niets over zeggen.”

Rachel knikte, hield haar handen voor haar gezicht en stortte helemaal in.

Avery boog naar voren en hield haar stevig vast.

HOOFDSTUK ZES

Weer buiten keek Avery naar de hemel en ze slaakte een diepe zucht.

Het was behoorlijk druk in Church Street en ze merkte dat er op heel wat gevels camera’s hingen. Ze kon zich moeilijk voorstellen dat de ontvoering hier had plaatsgevonden, zelfs midden in de nacht.

Waar ben je heen gegaan? vroeg ze zich af.

Ze zocht op haar telefoon naar de makkelijkste route naar Winthrop Square. Ze liep wat verder Church Street af en sloeg links af naar Brattle Street. Die was breder dan Church Street en er waren net zoveel winkels. Aan de overkant van de straat zag ze Brattle Theatre. Daarnaast liep een smal steegje met op de hoek een koffiezaakje. Bomen zorgden voor wat schaduw in de straat. Nieuwsgierig stak Avery de straat over en liep het steegje in. Toen keerde ze terug naar Brattle Street en bekeek de gevels van de winkels in de buurt. Minstens twee ervan hadden een camera.

Ze stapte een sigarettenwinkel binnen. Een belletje kondigde haar bezoek aan. “Kan ik u helpen?” vroeg een oude blanke hippie met dreadlocks.

“Ja,” zei Avery. “Ik zag dat er een camera aan de gevel hangt. Welk bereik heeft dat ding?”

“De hele straat,” zei hij, “in beide richtingen. Twee jaar geleden heb ik die moeten installeren. Die vervloekte studenten! Iedereen denkt altijd dat die Harvard-studenten zo verstandig zijn, maar ze zijn net zo’n stelletje klootzakken als andere mensen. Al jaren slaan ze mijn ruiten telkens aan diggelen. Een studentengrap, zeker? Nou, niet voor mij. Weet je wel hoeveel die ruiten me kosten?”

“Dat is inderdaad vervelend. Luister, ik heb geen huiszoekingsbevel,” zei ze, terwijl ze haar badge tevoorschijn haalde, “maar een van die idiote studenten heeft voor nogal wat overlast gezorgd een beetje verderop in de straat. Jammer genoeg hangen daar geen camera’s. Mag ik de beelden van uw camera’s eens bekijken? Ik weet ongeveer hoe laat dat was. Het zal niet zo lang duren.”

Hij fronste en mompelde wat in zichzelf. “Ik weet niet,” zei hij toen, “ik moet de winkel in het oog houden. Ik ben hier in mijn eentje.”

“Ik kan het de moeite waard maken.” Ze lachte. “Wat dacht u van vijftig dollar?”

Hij boog zijn hoofd en zonder een woord te zeggen stapte hij achter de toonbank vandaan en draaide het bordje aan de deur van “open” naar “gesloten”.

“Vijftig dollar?” zei hij. “Kom maar verder!”

Achter in de winkel was het een rotzooi van jewelste en het was er behoorlijk donker. Achter de kartonnen dozen en een heleboel rommel kwam een kleine tv tevoorschijn. Erboven hing een plank aan de wand met daarop een elektronische installatie die met een kabel aan de tv verbonden was.

“Eigenlijk gebruik ik dat ding niet vaak,” zei hij, “alleen als er moeilijkheden zijn. De opnamen worden elke week op maandagavond gewist. Wanneer heeft het incident plaatsgevonden?”

“Zaterdagavond,” zei ze.

“Nou, dan hebt u geluk.”

Hij startte het systeem op. Op de zwart-witbeelden was de voorkant van de winkel te zien. Avery kon de ingang duidelijk zien, net als de overkant van de straat en het begin van Brattle Street. Het gedeelte dat haar interesseerde lag ongeveer vijftig meter verderop. Het beeld werd troebeler en het steegje was niet duidelijk meer te zien.

Met de muis spoelde hij de beelden terug. “Hoe laat was het precies?” vroeg hij.

“Kwart voor drie,” zei ze, “maar ik zou ook graag de beelden zien van andere tijdstippen. Vindt u het goed als ik zelf even kijk? U kunt gerust terug naar de winkel.”

De man keek haar achterdochtig aan. “Bent u van plan iets te stelen?”

“Ik ben een smeris,” zei ze. “Stelen ligt niet in mijn aard.”

“Nou, u ziet er niet uit zoals de meeste smerissen,” zei hij lachend.

Avery pakte een kleine, zwarte stoel. Ze veegde het stof eraf en ging zitten. Ze bestudeerde de installatie en algauw had ze gevonden hoe ze de beelden voor- en achteruit kon spoelen.

Om kwart voor drie zag ze enkele mensen Brattle Street in en uit gaan.

Om tien voor drie leek de straat leeg.

Om acht voor drie kwam er iemand in beeld vanuit de richting van Church Street. Aan haar haren en jurk te zien was het een meisje. Ze stak Brattle Street over en sloeg links af. Toen ze langs het koffiezaakje liep, kwam er een donkere figuur achter de bomen vandaan en pakte haar vast. Opeens waren ze allebei verdwenen. Eventjes kon Avery slechts enkele onduidelijke donkere bewegingen zien. De beelden liepen verder en de bomen namen weer hun oorspronkelijke vorm aan. Het meisje kwam niet meer tevoorschijn.

Ze haalde haar portofoon van haar riem. “Ramirez,” zei ze, “waar ben je?”

“Wie is dit?” antwoordde een krakende stem.

“Je weet maar al te goed wie ik ben. Je nieuwe partner.”

“Ik ben nog steeds in Lederman Park. We zijn hier bijna klaar. Ze hebben net het lichaam weggehaald.”

“Je moet meteen hierheen komen,” zei ze en ze gaf het adres door. “Ik denk dat ik weet waar Cindy Jenkins werd ontvoerd.”

* * *

Een uur later had Avery beide uiteinden van het steegje met gele tape laten afzetten. Een politieauto en het busje van de forensische dienst stonden geparkeerd op de stoep van Brattle Street. Een politieagent hield nieuwsgierige bezoekers op afstand.

Het steegje kwam uit op een brede, donkere straat. Aan de ene kant daarvan bevond zich een glazen gebouw van een makelaarskantoor en een laadperron. De andere kant was bebouwd met woningen. Er was ook een parkeerplaats met ruimte voor vier auto’s. Ook het andere eind van het steegje was afgezet met gele tape en een politieauto.

Avery stond voor het laadperron. “Daar,” zei ze, terwijl ze naar een camera in de hoogte wees. “Die opnamen hebben we nodig. Het is hoogstwaarschijnlijk de camera van het makelaarskantoor. We gaan naar binnen om te kijken wat we te weten kunnen komen.”

Ramirez schudde zijn hoofd. “Je bent niet wijs,” zei hij. “Er was helemaal niets geks te zien op die beelden.”

“Cindy Jenkins hoefde helemaal niet in dit steegje te zijn,” zei Avery. “Haar vriend woont de andere kant op.”

“Misschien maakte ze gewoon een ommetje,” redeneerde hij. “Wat ik bedoel is dat we hier heel wat mensen op zetten en misschien leidt het tot niets.”

“Natuurlijk zal het tot iets leiden. Je hebt de beelden toch gezien?”

“Het enige wat ik zag waren een aantal vage zwarte schimmen waar ik niets van kon maken!” Hij bleef volhouden. “Waarom zou de moordenaar hier toeslaan? Overal hangen camera’s. Hij zou wel helemaal gek moeten zijn.”

“We gaan kijken wat we te weten kunnen komen,” zei ze.

De eigenaar van het glazen gebouw en het laadperron was Top Real Estate Company. Na een kort gesprek met de beveiligingsmedewerker bij de ingang namen Avery en Ramirez plaats in de zachte, lederen stoelen en wachtten op een van de medewerkers van het kantoor. Tien minuten later verscheen de verantwoordelijke van de beveiligingsdienst, samen met de bedrijfsleider.

Avery zette haar mooiste glimlach op en schudde hen de hand. “Bedankt dat u ons wilde ontvangen,” zei ze. “We willen graag de beelden zien van de camera die boven het laadperron hangt. We hebben geen huiszoekingsbevel,” zei ze, “maar wat we wel hebben is een meisje dat werd vermoord en dat zaterdagavond hoogstwaarschijnlijk net voor uw deur werd ontvoerd. Als er op de beelden niets te zien is, zijn we hier binnen twintig minuten weer weg.”

“En als er wel wat te zien is?” vroeg de bedrijfsleider.

“Dan hebt u de juiste beslissing genomen om de politie te helpen bij deze uiterst gevoelige en urgente zaak. Het kan wel een hele dag duren om een huiszoekingsbevel te regelen. Dit meisje is al twee dagen dood. Zij kan ons niets meer vertellen. Zij kan ons niet verder helpen. Maar ú kunt dat wel. Help ons alstublieft. Elke seconde die we verliezen, maakt het moeilijker om de dader op te sporen.”

De bedrijfsleider knikte bij zichzelf en wendde zich tot zijn beveiligingsmedewerker. “Davis,” zei hij, “breng ze naar boven. Geef ze alles wat ze nodig hebben. Als er problemen zijn,” zei hij tegen Avery, “dan hoor ik het wel.”

Op weg naar boven floot Ramirez zachtjes. “Wat charmant,” zei hij.

“Ik doe wat ik moet doen,” fluisterde Avery.

Het beveiligingskantoortje van Top Real Estate was uitgerust met meer dan twintig beeldschermen. De medewerker nam plaats aan een zwarte tafel met een toetsenbord. “Oké,” zei hij. “Tijd en plaats?”

“Het laadperron. Ongeveer om acht voor drie, en vanaf daar graag verdergaan.”

Ramirez schudde zijn hoofd. “Ik weet zeker dat we niets zullen vinden.”

De beelden van de camera waren van een veel betere kwaliteit dan die van de sigarettenwinkel en bovendien in kleur. De meeste schermen hadden hetzelfde formaat, maar een ervan was groter. De beveiligingsmedewerker verbond de camera op het laadperron met het grootste scherm en spoelde de beelden terug.

“Daar!” riep Avery. “Stop!”

Het beeld stopte op tien voor drie. De camera liet een panoramisch beeld zien van de parkeerplaats tegenover het laadperron, evenals het bordje van de doodlopende straat en de straat die zich daarachter bevond. Het steegje dat naar Brattle Street leidde was maar half te zien. Op de parkeerplaats stond maar één auto geparkeerd: een donkerblauw minibusje.

“Die auto hoort daar helemaal niet te staan,” zei de man en hij wees.

“Is het kenteken leesbaar?” vroeg Avery.

“Ja, ik heb het,” zei Ramirez.

Alle drie tuurden ze naar het scherm. Een tijd lang zagen ze alleen de bewegingen van de auto’s in de tegenoverliggende straat en de bewegende bomen.

Om zeven voor drie kwamen er twee personen in beeld. Ze zagen eruit als een verliefd koppel.

Een ervan was een man, tamelijk tenger en klein, met dik weerbarstig haar, een snor en een bril. De andere persoon was een meisje, groter en met lang haar. Ze droeg een licht zomerjurkje en sandalen. Het leek alsof ze dansten. Hij hield een van haar handen vast en draaide haar in het rond.

“Wel heb ik ooit,” zei Ramirez, “dat is Jenkins!”

“Hetzelfde jurkje,” zei Avery, “dezelfde schoenen, dezelfde haren.”

“Ze is gedrogeerd,” zei hij. “Kijk, haar voeten slepen over de grond.”

Ze zagen dat de moordenaar de deur aan de passagierskant van het busje openmaakte en haar erin zette. Toen hij zich omdraaide om naar de andere kant van het busje te lopen, keek hij recht in de camera bij het laadperron, maakte een theatrale buiging en liep naar de deur aan de bestuurderskant.

“Verdomme!” riep Ramirez uit. “Die klootzak daagt ons gewoon uit!”

“Ik wil het hele team op deze zaak,” zei Avery. “Thompson en Jones houden zich vanaf nu alleen nog hiermee bezig. Thompson kan in het park blijven. Licht hem in over het minibusje, dan weet hij waar hij naar moet zoeken. We moeten te weten komen welke kant dat busje op is gegaan. Jones heeft een lastigere opdracht. Hij moet meteen hierheen komen en het busje volgen. Het kan me niet schelen hoe hij het doet. Zeg hem dat hij alle mogelijke camerabeelden moet bestuderen.”

Ze draaide zich om naar Ramirez, die haar geschokt en vol bewondering aanstaarde.

“We hebben onze moordenaar.”

HOOFDSTUK ZEVEN

Om kwart voor zeven ’s avonds nam Avery de lift naar de tweede verdieping van het politiebureau. Ze voelde zich uitgeput. Alle energie en kracht door de gebeurtenissen van die morgen hadden geleid tot een vruchtbare dag. De avond zou echter nog veel onbeantwoorde vragen brengen. Haar lichte huid was wat verbrand door de zon en haar haren zagen er niet uit. Haar jasje hing slordig over haar arm, haar blouse was smoezelig en gekreukt. Ramirez daarentegen zag er nog steeds uit om door een ringetje te halen: zijn haren netjes naar achteren gekamd, zijn pak zag eruit alsof het net van de stomerij kwam, zijn ogen stonden nog steeds bijzonder alert en op zijn voorhoofd parelden enkel wat druppeltjes zweet.

“Hoe kun jij er na zo’n dag nog zo goed uitzien?” vroeg ze.

“Dat is mijn Spaans-Mexicaanse bloed,” verduidelijkte hij. “Ik kan makkelijk vierentwintig of achtenveertig uur doorgaan en er nog steeds perfect uitzien.” Hij schonk Avery een pijnlijke blik en verzuchtte: “Je ziet er inderdaad vreselijk uit.” In zijn ogen blonk respect. “Maar je hebt het wel gedaan!”

’s Avonds was het maar half zo druk op de tweede verdieping. De meeste agenten waren al naar huis of patrouilleerden op straat. In de vergaderzaal brandde nog licht. Dylan Connelly beende heen en weer, blijkbaar helemaal van streek. Toen hij hen zag gooide hij de deur open. “Waar hebben jullie in hemelsnaam uitgehangen?” snauwde hij. “Ik wilde om vijf uur stipt een verslag op mijn bureau. Het is bijna zeven uur. Jullie radio stond uit. Allebei,” benadrukte hij. Hij wees naar Avery. “Van jou had ik dat nog kunnen verwachten, Black, maar zeker niet van jou, Ramirez! Niemand heeft me gebeld. Niemand beantwoordde zijn telefoon. Ook de hoofdinspecteur is woedend, dus je hoeft niet bij hem te gaan klagen. Zien jullie de ernst van de situatie eigenlijk wel in? Wat dachten jullie wel?”

Ramirez stak zijn handen in de lucht. “Maar we hébben gebeld,” zei hij. “Ik heb een boodschap ingesproken.”

“Je hebt twintig minuten geleden gebeld,” snauwde Dylan. “Ik probeer je al sinds halfvijf elk halfuur te bereiken. Was er iemand dood? Zaten jullie achter de moordenaar aan? Want dit zijn de enige antwoorden die ik kan aanvaarden voor jullie regelrechte ongehoorzaamheid. Ik zou jullie onmiddellijk van de zaak moeten halen.” Hij wees in de richting van de vergaderzaal. “Naar binnen, nú.”

Boze bedreigingen waren niet aan Avery besteed. Dylans woede was niet meer dan een achtergrondgeluid dat ze makkelijk kon buitensluiten. Ze had dit lang geleden al moeten leren, in Ohio, toen ze had moeten horen hoe haar vader elke nacht tegen haar moeder tekeerging. In die tijd hield ze haar handen hard tegen haar oren, zong liedjes en droomde over de dag dat ze eindelijk vrij zou zijn.

Geen tijd voor herinneringen nu, er waren dringendere zaken.

De middagkrant lag op tafel. Op de voorpagina stond een foto van Avery Black, die met een geschrokken blik recht in de camera keek die onverwacht in haar gezicht geduwd was. De kop, in grote letters, luidde: Moord in Lederman Park: strafpleiter van een seriemoordenaar onderzoekt de zaak! Naast deze paginagrote foto stond een foto van Howard Randall, de oude verschrompelde seriemoordenaar met jampotglazen en een valse lach, de man van wie Avery nog steeds nachtmerries had. Deze foto had als titel: ‘Vertrouw niemand: advocaat noch politie.’

“Heb je dit gezien?” snoof Connelly. Hij pakte de krant op en gooide die terug op tafel. “Je hebt de voorpagina gehaald! Het is pas je eerste dag bij Moordzaken en je bent al voorpaginanieuws. Alwéér. Heb je er enig idee van hoe onprofessioneel dit overkomt? Nee, nee,” zei hij toen hij Ramirez’ blik zag, “waag het niet om hier iets op te zeggen. Jullie hebben het allebei verpest. Ik weet niet met wie jullie vanmorgen hebben gesproken, maar jullie hebben een gigantische puinhoop veroorzaakt. Hoe kreeg Harvard te horen dat Cindy Jenkins dood is? Op de website van Kappa Kappa Gamma werd een herdenkingsregister geopend.”

“Een goeie gok?” zei Avery.

“Krijg de klere, Black! Je staat niet langer op de zaak. Heb je dat goed begrepen?”

Hoofdinspecteur O’Malley kwam de kamer binnen.

“Wacht,” protesteerde Ramirez. “Dit kun je niet maken. Je weet helemaal niet wat we te weten zijn gekomen.”

“Het kan me niet schelen wat je te weten bent gekomen,” gromde Dylan. “Ik ben nog niet klaar. Het wordt nog beter. De burgemeester heeft een uur geleden gebeld. Blijkbaar speelt hij golf met de vader van Jenkins en hij wilde weten waarom een strafpleiter, die nota bene een seriemoordenaar heeft vrijgepleit, op de moordzaak zit van de dochter van een van zijn beste vrienden.”

“Kalm aan,” zei O’Malley.

Dylan draaide zich met een rood gezicht en open mond om. Bij het zien van de hoofdinspecteur – die een heel stuk kleiner en stiller was, maar die bijzonder opgefokt was en eruitzag alsof hij elk moment kon ontploffen – nam Dylan een stap terug.

“Om welke reden dan ook,” zei O’Malley gelaten, “is deze zaak gewoon helemaal uit de hand gelopen. Daarom wil ik precies weten wat jullie de hele dag hebben gedaan, tenminste als jij daar mee akkoord kunt gaan, Dylan?”

Connelly mompelde iets bij zichzelf en draaide zich om.

De hoofdinspecteur knikte naar Avery. “Voor de draad ermee.”

“Ik heb de naam van het meisje nooit genoemd,” zei Avery, “maar ik heb wel een van haar medestudenten bij Kappa Kappa Gamma ondervraagd, de beste vriendin van Cindy Jenkins, Rachel Strauss. Zij heeft waarschijnlijk het verband gelegd. Het spijt me,” zei ze met een oprecht verontschuldigende blik in Dylans richting. “Ik ben niet zo goed in small talk. Ik was op zoek naar antwoorden en die heb ik gevonden.”

“Vertel het dan,” moedigde Ramirez haar aan.

Avery liep om de vergadertafel heen. “We hebben te maken met een seriemoordenaar.”

“Kom nou toch!” mopperde Dylan. “Hoe kan zij dat nou weten? Ze is pas één dag met de zaak bezig. We hebben pas één dood meisje. Dat kan helemaal niet.”

“Hou nu toch eens je mond!” schreeuwde O’Malley.

Dylan beet op zijn onderlip.

“Dit is geen gewone moord,” zei Avery. “Dat zei je zelf ook al, hoofdinspecteur, en ik denk dat jij dit ook ingezien moet hebben,” zei ze tegen Dylan. “Het slachtoffer ziet eruit alsof ze nog leeft. Onze moordenaar aanbad haar. Geen enkele blauwe plek op haar lichaam, geen verkrachting, dus een overval of huiselijk geweld kunnen we alvast uitsluiten. Het forensisch rapport bevestigt dat ze werd gedrogeerd met een krachtig, hoogstwaarschijnlijk natuurlijk middel dat de moordenaar waarschijnlijk zelf heeft samengesteld uit plantenextracten, waardoor ze bijna meteen verlamd raakte en langzaam werd vermoord. Ervan uitgaande dat hij deze planten zelf ergens stiekem kweekt, heeft hij hiervoor licht, een watersysteem en plantenvoeding nodig. Ik heb een paar mensen opgebeld om te weten te komen hoe deze zaden worden geïmporteerd, waar ze worden verkocht en hoe je aan al het benodigde materiaal hiervoor kunt komen. Hij wilde dat zijn slachtoffer in leven bleef, in elk geval een tijdje. Ik had geen idee waarom, tot we hem zagen op het beeld van bewakingscamera’s.”

“Wat?” fluisterde O’Malley.

“We hebben hem,” zei Ramirez. “Maar maak je nog niet al te blij. De beelden zijn korrelig en het is lastig te zien, maar de hele ontvoering werd door twee camera’s geregistreerd. Jenkins verliet zondagnacht iets na halfdrie een feestje om naar het huis van haar vriend te gaan. Hij woont op ongeveer vijf straten van het Kappa Kappa Gamma-gebouw. Avery nam dezelfde weg die Jenkins normaal zou hebben genomen. Ze kwam langs een steegje. Ik weet niet hoe ze erbij kwam, maar opeens kreeg ze het idee om de bewakingscamera van een sigarettenwinkel daar in de buurt te controleren.”

“Daar is een bevelschrift voor nodig,” onderbrak Dylan.

“Alleen als iemand erom vraagt,” antwoordde Avery. “En soms kom je al een heel eind met enkel een vriendelijke lach en een aardig gesprekje. Deze winkel kreeg het afgelopen jaar een keer of tien met vandalisme te maken,” vervolgde ze. “Onlangs heeft de eigenaar een bewakingscamera geïnstalleerd. Nu ligt die winkel aan de andere kant van de straat, schuin tegenover dat steegje en op een wat grotere afstand, maar toch kun je op de beelden duidelijk een meisje zien – en ik geloof echt dat het Cindy Jenkins was – die tussen de bomen vastgegrepen wordt.”

“En toen belde ze mij,” ging Ramirez verder. “Eerlijk gezegd dacht ik dat ze gek was. Echt waar. Die beelden leken mij echt niet duidelijk genoeg. Maar Avery wilde dat ik de forensische dienst belde om de hele zaak daar ter plaatse te onderzoeken. Je kunt je wel voorstellen dat ik kwaad was. Maar,” zei hij enthousiast, “ze had gelijk. Er hing nog een andere camera in de buurt, bij het laadperron op het einde van het steegje. We vroegen het bedrijf of we de beelden konden zien. Ze gingen akkoord en boem!” zei hij met uitgestrekte armen. “Op de beelden zagen we een man uit het steegje komen die ons slachtoffer stevig vasthield. Dezelfde jurk. Dezelfde schoenen. Hij was tenger gebouwd en duidelijk kleiner dan Cindy, en hij danste. Hij hield haar vast en danste werkelijk met haar. Ze was duidelijk onder invloed van iets. Haar voeten hingen er maar zo’n beetje bij. Op een bepaald ogenblik kijkt hij zelfs recht in de camera. Die griezel stond ons gewoon uit te lachen. Hij zette haar op de passagiersstoel van een minibusje en reed weg alsof er niets was gebeurd. Een donkerblauwe Chrysler was het.”

“Kenteken?” vroeg Dylan.

“Vals natuurlijk. Ik heb het al gecheckt. Zal wel een nep nummerplaat zijn. Ik ben een lijst aan het samenstellen van alle Chrysler-minibusjes met dezelfde kleur die de afgelopen vijf jaar in een straal van vijf naburige staten werden verkocht. Hij had zich natuurlijk ook hebben vermomd. Je kon amper zijn gezicht zien. Hij had een snor, mogelijk een pruik op en droeg een bril. Het enige wat we kunnen inschatten is zijn lengte – ongeveer een meter zeventig – en misschien zijn huidskleur: blank.”

“Waar zijn de opnamen?” vroeg O’Malley.

“Beneden bij Sarah,” antwoordde Avery. “Ze zegt dat het wel een tijdje kan duren, maar ze zal proberen op basis van wat ze kan zien morgen een compositietekening af te hebben. Als we iets van een gezicht hebben, kunnen we dat vergelijken met onze verdachten en onze database checken om te kijken of er iets herkenbaars tussen zit.”

“Waar zijn Jones en Thompson?” vroeg Dylan.

“Ik hoop dat ze nog steeds aan het werk zijn,” zei Avery. “Thompson heeft de leiding over de surveillance in het park. Jones probeert uit te zoeken waar het busje heen reed nadat hij uit het zicht verdween.”

“Toen we vertrokken,” voegde Ramirez eraan toe, “had Jones al minstens zes verschillende camera’s binnen een straal van tien straten rond het steegje ontdekt die weleens interessant zouden kunnen zijn.”

“Zelfs al verliest hij het busje uit het oog,” zei Avery, “dan weten we tenminste welke kant het op is gegaan. We weten dat hij vanuit het steegje in noordelijke richting ging. Samen met wat Thompson eventueel in het park vindt, zal dat het mogelijk maken om een bepaald gebied af te bakenen, en als het moet kunnen we alle huizen contoleren.”

“Hoe zit het met sporen?” vroeg O’Malley.

“Niets gevonden in het steegje,” antwoordde Avery.

“Is dit alles?”

“We hebben ook enkele verdachten. De avond van haar ontvoering was Cindy op een feestje. Er was daar ook een gozer die George Fine heet. Naar verluidt zit hij al jaren achter Cindy aan: hij volgt dezelfde vakken als zij en verschijnt op alle feestjes waar Cindy ook is. Zaterdag kuste hij Cindy voor de eerste keer en heeft hij de hele avond met haar gedanst.”

“Heb je hem al gesproken?”

“Nog niet,” zei ze en ze keek hierbij naar Dylan. “Ik wilde eerst je toestemming vragen voordat ik heel Harvard in rep en roer zou brengen.”

“Ik ben blij dat je toch iets van gevoel voor protocol hebt,” gromde Dylan.

“En dan hebben we nog haar vriendje,” voegde Avery eraan toe, “Winston Graves. Cindy zou die nacht naar zijn huis komen. Maar ze is er nooit aangekomen.”

“Dus we hebben twee mogelijke verdachten, opnamen van de ontvoering en een busje dat we moeten opsporen. Ik ben onder de indruk. En het motief? Heb je daar al over nagedacht?”

Avery meed zijn blik.

Zowel de camerabeelden als de manier waarop het slachtoffer was behandeld en neergezet, wezen op een man die genoot van wat hij deed. Hij had het al eerder gedaan en hij zou het weer doen. Hij werd kennelijk gemotiveerd door een kick van machtsgevoelens, want hij trok zich niets aan van de politie. Dat leidde ze af uit de buiging die hij voor de camera bij het steegje had gemaakt. Daar was ofwel lef ofwel domheid voor nodig, en niets in de manier waarop hij het lichaam had gedumpt of haar had ontvoerd wees op een gebrek aan beoordelingsvermogen.

“Hij speelt een spelletje met ons,” zei ze. “Hij houdt van wat hij doet en hij wil het nog een keer doen. Ik denk dat hij een plan heeft. Dit is nog niet voorbij.”

Dylan snoof en schudde zijn hoofd. “Belachelijk,” siste hij.

“Goed,” zei O’Malley. “Avery, je mag morgen met de verdachten gaan praten. Dylan, jij licht Harvard in dat Avery morgen langskomt. Ik bel vanavond de hoofdcommissaris en licht hem in over wat we tot zo ver hebben. Ik kan ook bevelschriften regelen voor de bewakingscamera’s. Zorg ervoor dat Thompson en Jones alert blijven. Dan, ik weet dat je het de hele dag al behoorlijk druk heb gehad, maar nog één klusje en dan kun je naar huis. Probeer achter de adressen van die twee jongens van Harvard te komen. Rij er even langs op weg naar huis. Probeer er zeker van te zijn dat ze deze nacht nergens naartoe gaan. Ik wil niet dat iemand de benen neemt.”

“Komt in orde,” zei Ramirez.

“Goed!” O’Malley klapte in zijn handen. “Aan de slag. Jullie hebben prima werk geleverd. Je mag trots zijn op jezelf. Avery en Dylan, wacht nog even hier.”

Ramirez wees naar Avery. “Zal ik je morgen ophalen? Acht uur? Dan kunnen we samen hierheen komen.”

“Prima.”

“Ik ga nog even bij Sarah langs, misschien heeft ze de tekening al.”

Het enthousiasme van een partner die graag wilde helpen, uit zichzelf en zonder dat ze het hoefde te vragen, was nieuw voor Avery. Alle andere partners die zo ooit had gehad sinds ze bij de politie was gekomen, zagen haar het liefst de mist in gaan.

“Klinkt goed,” zei ze.

Nu Ramirez vertrokken was liet O’Malley Dylan aan de ene kant van de vergadertafel plaatsnemen en Avery aan de andere kant. “Luister, jullie allebei,” zei hij met krachtige stem. “Mijn baas belde me vandaag op met de vraag hoe ik het ooit in mijn hoofd heb kunnen halen een bekende en beruchte ex-strafpleiter op deze zaak te zetten. Avery, ik heb hem verteld dat je de perfecte persoon was voor deze zaak en ik sta achter mijn beslissing. Het werk dat je vandaag hebt geleverd, bewijst dat ik gelijk had. Het is echter al halfacht en ik zit nog steeds hier. Ik heb een vrouw en drie kinderen die thuis op me zitten te wachten en ik wil niets liever dan naar huis gaan en deze ellendige plek hier even vergeten. Maar blijkbaar delen jullie mijn bezorgdheid niet, dus begrijpen jullie misschien niet wat ik probeer te zeggen.”

Verwonderd keek Avery hem aan.

“Doe dus wat jullie moeten doen en val me niet langer lastig met jullie flauwekul!” riep hij uit.

Een gespannen stilte vulde de kamer.

“Dylan, neem je taak op als verantwoordelijke van de dienst! Bel me niet voor elk onbenullig detail. Zorg ervoor dat je je mensen zelf onder controle hebt. En jij,” – hij wendde zich tot Avery – “hou maar op met je zogenaamde grappen en laat die wat-kan-mij-het-schelen houding varen, en doe maar gewoon alsof het je wél iets kan schelen, want ik weet dat dat zo is.” Hij staarde haar lange tijd aan. “Dylan en ik hebben uren op een telefoontje van jullie gewacht. Wil je je radio uitschakelen? Wil je geen telefoons beantwoorden? Misschien kun je dan beter nadenken? Prima, doe je best. Maar wanneer een leidinggevende je opbelt, dan bel je hem terug. Als dit nog eens gebeurt, dan haal ik je van de zaak. Begrepen?”

Avery knikte onderdanig. “Begrepen,” zei ze.

“Ik snap het,” zei Dylan en hij knikte.

“Prima,” zei O’Malley. Hij richtte zich op en glimlachte. “Ik had dit eigenlijk al veel eerder moeten doen, maar nu lijkt me wel een geschikt ogenblik. Avery, ik stel je graag voor aan Dylan Connelly, een gescheiden vader van twee kinderen. Zijn vrouw verliet hem twee jaar geleden omdat hij nooit thuis was en te veel dronk. Ze hebben een nieuw leven in Maine opgebouwd en hij ziet zijn kinderen nooit, dus daarom is hij de hele tijd zo chagrijnig.”

Dylan verstijfde en stond op het punt iets te zeggen, maar zweeg.

“En Dylan, dit is Avery Black, voormalig strafpleiter die het helemaal verneukt heeft en een van de gevaarlijkste seriemoordenaars weer de straten van Boston in heeft laten gaan, een man die opnieuw heeft gemoord en haar hele leven heeft verwoest. Ze verloor een miljoenendeal, heeft een ex-man en een kind dat haar nauwelijks nog wil zien. En net zoals jij verdringt ze haar verdriet door hard te werken en te veel alcohol te drinken. Zien jullie nu in dat jullie eigenlijk meer op elkaar lijken dan jullie denken?” Plotseling werd hij weer ernstig. “Stel me niet nog een keer teleur of ik haal jullie allebei van de zaak.”

HOOFDSTUK ACHT

Avery en Dylan waren alleen achtergebleven in de vergaderzaal. Zwijgend zaten ze tegenover elkaar. Geen van beiden bewoog. Dylan hield zijn hoofd gebogen. Hij had een ondefinieerbare grimas op zijn gezicht en leek over iets na te denken. Voor het eerst voelde Avery enige sympathie voor hem. “Ik weet hoe je je voelt,” begon Avery.

Dylan stond zo plotseling en snel op dat zijn stoel tegen de muur knalde. “Denk maar niet dat dit ook maar iets verandert,” zei hij. “Jij en ik zijn totaal verschillend.”

Zijn dreigende lichaamshouding straalde woede en afstandelijkheid uit, maar zijn ogen zeiden iets anders. Avery kon zien dat hij elk ogenblik kon instorten. De hoofdinspecteur had iets gezegd wat hem had geraakt, net zoals het haar had geraakt. Beiden waren beschadigd, eenzaam. Alleen.

“Luister,” zei ze, “ik dacht alleen...”

Dylan draaide zich om en opende de deur. De manier waarop hij de ruimte verliet bevestigde haar vermoedens: hij had tranen in zijn bloeddoorlopen ogen.

“Verdorie,” mompelde ze.

De avonden vond Avery het ergst. Ze had geen vriendenkring meer, geen echte hobby’s behalve haar werk en ze voelde zich meestal zo moe dat ze zich niet kon voorstellen om wat te sporten. Helemaal alleen aan die grote vergadertafel liet ze haar hoofd zakken en vreesde voor wat komen zou.

Naar huis gaan na deze zware dag voelde net als alle andere dagen, alleen was de sfeer behoorlijk geladen en vele collega’s werden door het voorpaginanieuws nog meer aangemoedigd.

“Hé, Black,” riep iemand, terwijl hij naar haar foto wees. “Leuke kop.”

Een andere agent tikte op de foto van Howard Randall. “Volgens dit verhaal waren jullie behoorlijk gek op elkaar, Black. Hou je van gerontofilie? Je weet toch wel wat dat betekent? Dat je het graag met oude mannetjes doet.”

“Wat zijn jullie toch grappig.” Ze glimlachte en richtte als een wapen haar vingers op hen.

“Rot op, Black.”

In de garage stond een witte BMW geparkeerd, vijf jaar oud, vuil en verwaarloosd. Avery had die gekocht op het hoogtepunt van haar succes als strafpleiter.

Waar zat je toen met je gedachten? mijmerde ze. Waarom koopt iemand nu een wítte auto?

Prestige, herinnerde ze zich. De witte BMW was opvallend en flitsend geweest en ze wilde er iedereen duidelijk mee maken dat ze het had gemaakt. Nu was hij niet meer dan een herinnering aan haar mislukkingen.

Avery’s flat was in Bolton Street, in het zuidelijk deel van Boston. Het was een kleine flat, op de tweede verdieping, met twee slaapkamers. Het was heel wat minder dan haar vorige luxueuze penthouse, maar het was er ruim en netjes, met een mooi terras, waar ze kon ontspannen na een drukke werkdag.

De woonkamer was groot en op de vloer lag een zacht bruin tapijt. De keuken bevond zich rechts van de voordeur en was door twee grote kookeilanden afgescheiden van de rest van de kamer. Planten of dieren had ze niet. De flat lag aan de noordzijde van het gebouw, waardoor het er meestal donker was.

Avery gooide haar sleutels en de rest van haar spullen op tafel: wapen, schouderholster, portofoon, badge, riem, telefoon en portefeuille. Op weg naar de douche deed ze haar kleren uit.

Na een lange douche om de gebeurtenissen van de dag van zich af te spoelen, deed ze gemakkelijke kleding aan, nam een biertje, griste ze haar telefoon van tafel en ging naar het terras. Ze keek op haar telefoon en zag twintig gemiste oproepen en zo’n tien berichten. De meeste waren van Connelly en O’Malley, en met een hoop geschreeuw.

Soms was Avery zo geconcentreerd met een zaak bezig dat ze weigerde haar telefoon te beantwoorden, vooral als ze nog geen enkel puzzelstukje op zijn plek had weten te leggen. Vandaag was zo’n soort dag geweest.

Ze scrolde omlaag langs de laatstgekozen nummers en langs alle nummers van diegenen die haar de laatste maand hadden opgebeld. Niet een ervan was van haar dochter of haar ex.

Opeens besefte ze dat ze hen miste.

Ze koos een nummer.

De telefoon ging over.

Een boodschap beantwoordde haar oproep: “Hallo, met Rose. Ik ben er even niet, maar als je een korte boodschap inspreekt met je naam en nummer, dan bel ik je zo snel mogelijk terug. Dank je wel.” Piep.

Even speelde ze met het idee Jack te bellen, haar ex. Hij was een goeie vent, haar schoolliefde en met een hart van goud, echt een heel fijne persoon. Toen ze achttien was hadden ze een passionele relatie gehad, maar met haar misselijkmakend ego nadat ze de baan van haar leven had binnengehaald, had ze alles verpest.

Jarenlang had ze anderen de schuld gegeven voor hun scheiding en voor de breuk met haar dochter: Howard Randall met zijn leugens, haar vorige baas, het geld, de macht en alle personen die ze had moeten gebruiken en misleiden om de waarheid steeds een stap voor te blijven. Langzaamaan werden haar klanten minder betrouwbaar en toch wilde ze doorgaan, ze bleef blind voor de waarheid en speelde een spel met de gerechtigheid, enkel en alleen om dat ene doel te kunnen bereiken: winnen. Nog een laatste zaak, had ze zich vaak voorgenomen. De volgende keer verdedig ik iemand die écht onschuldig is en zet ik alles recht.

Howard Randall was die laatste zaak geweest.

“Ik ben onschuldig,” had hij uitgeroepen bij hun eerste ontmoeting. “Deze studenten zijn mijn leven. Waarom zou ik ze iets willen aandoen?”

Avery had hem geloofd en voor de eerste keer in lange tijd had ze ook geloofd in zichzelf. Randall was een wereldberoemde professor Psychologie aan Harvard, in de zestig, zonder enig motief en voor zover bekend geen verleden vol krankzinnige persoonlijke overtuigingen. Hij zag er zelfs zwak en gebroken uit en Avery had altijd al de zwakken willen verdedigen.

Hem vrij krijgen was het hoogtepunt van haar carrière geweest, het allerhoogste wat ze ooit had kunnen bereiken. Tot hij weer moordde, met als enige doel haar als mislukte advocate te kijk te zetten.

Het enige wat Avery had willen weten was: waarom?

“Waarom heb je het gedaan?” had ze hem ooit eens gevraagd in zijn cel. “Waarom heb je gelogen en mij erin geluisd? Enkel maar om voor de rest van je leven vast te zitten?”

“Omdat ik wist dat je kon worden gered,” had Howard haar geantwoord.

Gered, dacht Avery.

Is dit dan verlossing, vroeg ze zich af en ze keek om zich heen. Hier? Nu? Geen vrienden? Geen gezin? Met een biertje in mijn hand een nieuw leven proberen op te bouwen en op moordenaars te jagen om mijn fouten uit het verleden recht te zetten? Ze nam een slok bier en schudde haar hoofd. Nee, dit is geen verlossing. Nog niet, tenminste.

Ze dacht weer aan de moordenaar.

Er begon zich een beeld van hem te vormen in haar hoofd: stil, eenzaam, wanhopig op zoek naar aandacht, een specialist in kruiden en in lichamen. Een alcoholist of een drugsverslaafde was uitgesloten. Daarvoor was hij te voorzichtig. Het minibusje kon op een gezinsleven wijzen, maar zijn acties wezen uit dat een gezin was wat hij wílde, niet wat hij hád.

Gedachten en beelden spookten door haar hoofd en na nog twee biertjes viel ze in haar comfortabele tuinstoel in slaap.

HOOFDSTUK NEGEN

Avery droomde dat haar gezin weer samen was.

Haar ex was atletisch gebouwd, met kortgeknipt bruin haar en prachtige, groene ogen. Beiden waren ze fervente klimmers en ze waren op pad met hun dochter, Rose: ze was pas zestien toen haar aanvraag voor Brandeis College werd goedgekeurd. In Avery’s droom was ze pas zes. Alle drie liepen ze zingend langs een pad met dicht op elkaar groeiende bomen. Donkere vogels fladderden en schreeuwden toen de bomen plotseling veranderden in een donker monster dat Rose een mes in haar borst stak.

“Nee!” schreeuwde Avery.

Een andere hand viel Jack aan, en hij en haar dochter werden beiden omhooggehesen.

“Nee! Nee! Nee!” huilde Avery.

Het monster daalde naar haar af.

Donkere lippen fluisterden in haar oor.

Gerechtigheid bestaat niet.

Avery schrok wakker door een onophoudelijk geluid. Ze zat nog steeds op het terras. De zon stond al aan de hemel. Haar telefoon bleef maar fel rinkelen. Ze nam op. “Black.”

“Hoi, Black!” antwoordde Ramirez. “Neem jij dan nooit je telefoon op? Ik sta beneden. Pak je spullen en kom hierheen. Ik heb koffie en de compositietekeningen.”

“Hoe laat is het?”

“Halfnegen.”

“Geef me vijf minuten,” zei ze en ze verbrak de verbinding.

De droom bleef in haar gedachten rondspoken. Met veel moeite stond ze op en ging haar flat in. Haar hoofd bonsde. Ze trok een verbleekte spijkerbroek aan en een eenvoudig wit T-shirt dat meteen wat chiquer stond met een zwarte blazer. Haar ontbijt bestond uit drie slokken jus d’orange en een mueslireep. Onderweg naar buiten wierp ze een blik in de spiegel. Haar kleding en haar povere ontbijt vielen in het niets vergeleken bij de dure broekpakken en de dagelijkse luxueuze ontbijten in de meest exclusieve restaurants van vroeger. Leer er maar mee te leven, dacht ze. Mooi zijn hoeft niet meer. Je taak is nu slechteriken vangen.

In de auto gaf Ramirez haar een beker koffie. “Je ziet er goed uit, Black,” grapte hij.

Zoals altijd was hij het toonbeeld van perfectie: donkere spijkerbroek, lichtblauw overhemd, donkerblauw jasje met donkerbruine riem en glimmende schoenen.

“Je had model moeten worden in plaats van politieagent,” bromde Avery.

Hij gaf haar een stralend witte glimlach. “Eigenlijk heb ik vroeger inderdaad wat modellenwerk gedaan.” Hij reed de straat door en ging in noordelijke richting. “Heb je wat kunnen slapen?” vroeg hij haar.

“Niet echt, en jij?”

“Als een roos,” zei hij trots. “Ik slaap altijd goed. Ik trek me de dingen niet zo aan, weet je. Ik laat de dingen graag los,” zei hij en hij wuifde zijn hand door de lucht.

“Nog nieuws?”

“Beide jongens waren gisteravond thuis. Connelly heeft erop toegezien dat ze er niet vandoor gingen. Hij heeft ook met de decaan gesproken om wat meer informatie te krijgen en om ervoor te zorgen dat niemand verrast zou zijn door een aantal agenten in burger op de campus. Geen van beiden heeft een strafblad. De decaan zei dat ze allebei goede jongens zijn, afkomstig uit goede families. We zullen zien vandaag. Nog niks gehoord van Sarah over de gezichtsherkenningssoftware. Daar horen we vanmiddag van. Een paar autodealers belden me terug met namen en nummers. Ik zal er voorlopig een lijst van maken en afwachten wat ervan komt. De ochtendkrant al gezien?”

“Nee.”

Hij haalde de krant tevoorschijn en gooide die op haar schoot. Een kop in grote, dikke letters: Moord op Harvard. Ook stond er op de voorpagina een foto van Lederman Park en een kleinere foto van de Harvard-campus. Het artikel herhaalde nog eens de tekst van de editie van de vorige dag en er stond een kleinere, oude foto bij van Avery en Randall samen in de rechtszaal. De naam Cindy Jenkins werd vermeld, maar er was geen foto van haar gepubliceerd.

“Hebben ze geen ander nieuws?” zei Avery.

“Ze is een blank meisje van Harvard,” antwoordde Ramirez, “natuurlijk is dit groot nieuws. Het is onze taak ervoor te zorgen dat die blanke kinders veilig zijn.”

Avery trok een wenkbrauw op. “Dat klinkt vrij racistisch.”

Ramirez knikte instemmend. “Ja inderdaad,” beaamde hij, “Ik ben waarschijnlijk een beetje een racist.”

Ze reden door de straten van South Boston, over Longfellow Bridge en Cambridge in.

“Waarom ben je eigenlijk smeris geworden?” vroeg Avery.

“Ik vind het geweldig om een smeris te zijn,” zei hij. “Mijn vader was agent, mijn grootvader was agent en nu ben ik agent. Ik ging naar de politieacademie en leerde snel het vak. Hoe kun je dit nu niet leuk vinden? Ik mag een wapen en een badge dragen. Ik heb pas geleden een bootje gekocht. Ik vaar naar de baai, zit er wat te chillen, vang wat vis en daarnaast vang ik moordenaars. Het werk te doen van God dus.”

“Ben je gelovig?

“Niet echt,” zei hij, “alleen bijgelovig. Als er al een god bestaat, wil ik er gewoon zeker van zijn dat hij weet dat ik aan zijn kant sta, snap je?”

Nee, dacht Avery, eigenlijk niet.

Haar vader was een gewelddadige man geweest, terwijl haar moeder trouw naar de kerk ging en bad tot God, ze was er bijna door bezeten.

Weer hoorde ze de stem uit haar dromen.

Gerechtigheid bestaat niet.

Je hebt het mis, zei Avery bij zichzelf. En ik zal het bewijzen.

* * *

De meeste laatstejaarsstudenten van Harvard woonden niet op de campus zelf, maar in een van de studentenflats een eindje verderop. Georges Fine was hierop geen uitzondering.

Peabody Terrace was een hoog gebouw langs de Charles River bij Akron Street. Het witte gebouw telde vierentwintig verdiepingen, had een groot buitenterras, prachtige grasperken en de studenten die op de hogere verdiepingen woonden konden genieten van een prachtig uitzicht over de rivier. De flat van George lag op een van deze verdiepingen.

Peabody Terrace bestond uit verschillende gebouwen. George Fine woonde op de tiende verdieping van blok E. Ramirez parkeerde zijn auto in Akron Street en ze gingen het gebouw binnen.

“Dit is een foto van hem,” zei Ramirez. “Waarschijnlijk slaapt hij nog. Zijn eerste les begint pas om halfelf.”

Op de foto, die een deel van een grotere foto moest geweest zijn die van internet geplukt was, stond een arrogante jongeman met een verveelde blik. Hij had glimmend zwart haar en donkere ogen. Hij had een lichte grijns op zijn gezicht, alsof hij de fotograaf uitdaagde de perfecte foto te nemen. Hij had een sterke kaaklijn en prettige gelaatstrekken, en Avery vroeg zich af waarom men hem vreemd vond. Hij ziet er zelfverzekerd uit, vond Avery. Dus waarom zou hij een meisje stalken dat helemaal geen interesse in hem heeft?

Ramirez toonde de portier zijn badge.

“Zijn er problemen?” vroeg deze.

“Dat zullen we straks te weten komen,” antwoordde Ramirez.

Ze namen de lift naar boven. Eenmaal op de tiende verdieping sloegen ze links af een lange gang in. De vloer was bekleed met lichtbruin tapijt met kringels, en de deuren waren glanzend wit geschilderd.

Ramirez klopte op de deur van flat 10E. “George,” zei hij, “ben je daar?”

Na een korte stilte zei een stem: “Laat me met rust.”

“Politie,” zei Avery, terwijl ze op de deur bonkte. “Doe open.”

Weer een stilte, daarna wat geritsel en nog meer stilte.

“Vooruit!” riep Avery. “We hebben niet de hele dag de tijd. We willen je alleen maar wat vragen stellen.”

“Hebben jullie een huiszoekingsbevel?”

Ramirez trok zijn wenkbrauwen op. “Dat joch heeft er verstand van zeker. Heeft-ie waarschijnlijk bij de Ivy League geleerd.”

“Binnen een uurtje kunnen we een huiszoekingsbevel hebben,” zei Avery, “maar als je me laat vertrekken om al dat gedoe te gaan regelen, dan word ik pas echt nijdig. Ik voel me vandaag al behoorlijk chagrijnig, en je wil me echt ook nog eens niet nijdig zien! We willen het even over Cindy Jenkins hebben. Volgens verschillende bronnen kende je haar goed. Doe die deur gewoon open en ik zal beste vrienden met je zijn.”

De grendel werd weggeschoven.

“Je kunt écht goed met mensen overweg,” zei Ramirez.

George kwam tevoorschijn in een mouwloos T-shirt en een joggingbroek. Hij was behoorlijk gespierd en goed in vorm. Hij was ongeveer een meter zeventig en volgens de beelden van de bewakingscamera’s had hij daarmee ongeveer dezelfde lengte als de moordenaar. Hij zag eruit alsof hij hetzij behoorlijk onder invloed was, hetzij dagenlang niet had geslapen. Toch staarde hij hen met een onbevreesde blik aan. Avery vroeg zich af of hij vroeger misschien gepest was geweest en besloten had om terug te slaan.

“Wat willen jullie?” vroeg hij.

“Mogen we binnenkomen?” vroeg Avery.

“Nee, we kunnen dit hier wel afhandelen.”

Ramirez zette zijn voet tussen de deur. “Eigenlijk,” zei hij, “komen we liever binnen.”

George keek van Avery naar Ramirez en naar diens voet die nog steeds tussen de deur zat. Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op en deed een stap achteruit. “Kom maar binnen,” zei hij, “ik heb niets te verbergen.”

De flat was groot genoeg om er met twee personen te wonen, met een woonkamer, terras, twee bedden aan weerszijden van de kamer, en een keuken. Het ene bed was netjes opgemaakt en lag vol met kleren en allerlei elektronica. Het andere bed was een puinhoop.

George ging op het rommelige bed zitten. Zijn handen hield hij naast zich en hij greep de matras stevig vast. Het leek alsof hij ieder moment kon opspringen.

Ramirez stond bij het raam dat uitkeek op het terras en bewonderde het uitzicht. “Mooi stulpje,” zei hij. “Niet meer dan een studio, maar bijzonder indrukwekkend. En wat een uitzicht. Wauw! Je moet wel genieten van dat bijzondere uitzicht over de rivier.”

“Kom maar gewoon ter zake,” zei George.

Avery pakte een stoel en ging tegenover George zitten. “We onderzoeken de moord op Cindy Jenkins,” zei ze. “Jij was een van de laatsten die haar levend heeft gezien, dus dachten we dat je ons wel verder zou kunnen helpen.”

“Een heleboel mensen hebben haar levend gezien.”

De woorden moesten stoer klinken, maar toch zag ze de pijn in zijn ogen.

“We hebben gehoord dat je haar wel leuk vond.”

“Ik hield van haar,” zei hij. “Maar wat maakt het nu nog uit? Ze is er niet meer. Niemand kan me nu nog helpen.”

Ramirez en Avery wisselden een blik.

“Hoe bedoel je?” vroeg Ramirez.

“Ik heb begrepen,” zei Avery, “dat je net na haar het feestje hebt verlaten.”

“Ik heb haar niet vermoord,” verklaarde hij, “als je dat soms bedoelt. Ik verliet het feestje omdat ze bijna de deur uit strompelde. Ik was ongerust. Maar toen ik beneden kwam, was ze nergens meer te zien. En toen ben ik nog enkele mensen gedag gaan zeggen. Vraag maar na. Dat is de waarheid.”

“Waarom moest je nog afscheid gaan nemen?” vroeg Ramirez. “Als je zoveel van haar hield en zo ongerust was, waarom heb je haar dan niet gewoon geholpen?”

“Praat maar met mijn advocaat.”

“Je verbergt iets,” zei Ramirez.

“Ik heb haar niet vermoord.”

“Bewijs dat maar.”

George sloeg zijn blik neer en schudde zijn hoofd. “Ze heeft mijn leven verwoest,” zei hij. “Ze heeft mijn leven verwoest en nu proberen jullie ook mijn leven te verwoesten. Denk je nu echt dat jullie zo belangrijk zijn?”

Ramirez schonk Avery een blik die zei: deze gozer spoort niet! Hij ging bij het raam staan om weer van het uitzicht te genieten.

Avery wist wel beter. Ze kende dit type, ze had er zowel als advocaat als politieagent mee te maken gekregen. Iets had hem gebroken, maar toch kwam hij krachtig over. Opgefokt en klaar om aan te vallen, dacht ze, net als sommige bendeleden die ze ooit had ondervraagd. Deze combinatie van onschuld en verontwaardigdheid kon snel omslaan in gewelddadigheid. Ze hield haar hand op haar riem, haar vingers gleden naar haar holster zonder echter al haar wapen aan te raken. “Wat bedoel je daarmee, George?” vroeg Avery.

Toen hij opkeek stond zijn lichaam strak. Een wilde grimas ontsierde zijn gezicht. Zijn ogen stonden wijd open en hij beet op zijn lip. Hij kromp ineen. Hij stond op de rand van huilen en leunde weer naar achteren. “Ik dóé ertoe,” riep hij uit.

Een arrogante eikel leek het over te nemen, en hij stond op en spreidde zijn armen. Hij leek verrast door zijn eigen tranen, maar liet deze toch de vrije loop. “Ik dóé ertoe,” snikte hij en hij viel op zijn knieën.

Avery stond op en liep een stukje weg, met haar hand op haar wapen.

“Wat is dit hier allemaal?” vroeg Ramirez.

“Laat hem met rust,” zei Avery.

Zich niet bewust van de wanhoop van hun verdachte knielde Ramirez naast hem neer en zei: “Hé man, het is oké. Als jij het hebt gedaan, beken dan gewoon. Misschien ben je wel gek of zo. We kunnen je helpen. Daarvoor zijn we hier.”

George verstijfde en werd stil. Hij fluisterde: “Ik ben niet gek. Ik ben jullie allemaal alleen maar zat.”

Handig als een getrainde soldaat reikte hij zijn hand achter zijn rug en haalde opeens een mes tevoorschijn. Voor Ramirez goed en wel besefte wat er gebeurde greep George hem bij de keel en stak het mes in zijn rechterzijde, net onder zijn borst. Ramirez schreeuwde het uit, en George ging achter hem zitten om Ramirez als schild te gebruiken.

Avery trok haar wapen. “Niet bewegen!” riep ze.

George hield het mes tegen Ramirez’ slaap. “Wie is hier nu de verliezer?” zei hij. “Wie?” schreeuwde hij.

“Laat vallen!”

De wond tussen zijn ribben deed Ramirez kreunen. Hij kon moeilijk ademhalen door George’ arm rond zijn nek. Hij reikte naar zijn wapen, maar de punt van het mes werd harder tegen zijn slaap gedrukt. George hield hem stevig vast en fluisterde Ramirez in het oor: “Stil jij.” Ramirez kreunde en opeens schreeuwde hij: “Schiet die hufter neer!”

Avery zag dat George het mes dieper in Ramirez zijn slaap drukte en dat het bloed begon te druppelen. Op dat ogenblik besefte ze dat ze geen keuze meer had. Het was haar partner of deze griezel, en elke seconde kon het verschil maken.

Ze schoot.

Plotseling schreeuwde George het uit van de pijn, wankelde achteruit en verloor zijn grip op Ramirez.

Avery keek op en zag dat hij naar zijn bloedende schouder greep. Opgelucht zag ze dat het maar een oppervlakkige schouderwond was, precies wat ze had gehoopt.

Ramirez graaide naar zijn wapen, maar nog voor hij het kon grijpen, stond George al weer overeind. Avery kon haar ogen niet geloven. Niets kon dit joch tegenhouden.

Haar verbazing werd nog groter toen ze zag dat George noch Ramirez, noch haar wilde aanvallen.

Hij rende naar het open raam.

“WACHT!” schreeuwde Avery.

Ze had geen tijd meer. Hij was haar tien stappen voor en ze besefte dat hij zou springen.

Opnieuw nam ze een moeilijke beslissing.

Opnieuw schoot ze.

Deze keer richtte ze op zijn been.

Hij viel neer op zijn gezicht, greep naar zijn knie en dit keer bleef hij kreunend liggen. Zijn voeten hingen over de rand van het terras.

Ramirez stond op en draaide zich snel om. Met zijn ene hand tegen zijn wond gedrukt pakte hij zijn wapen en hield de loop tegen George’ gezicht. “Je hebt me gestoken, verdomme!”

“Ik heb hem,” zei Avery.

Ramirez schopte George in zijn zij, kromp ineen van de pijn tussen zijn ribben en drukte harder op de wond. “Verdomme!” schreeuwde hij.

Naast hem op de grond lachte George hem uit, terwijl er bloed van zijn lip drupte. “En, voelde dat goed, klotesmeris? Ik hoop het voor je, want ik ben hier weg.”

Avery deed een stap naar voren, haalde haar handboeien tevoorschijn, trok George’ armen op zijn rug en klemde ze stevig vast. “Jij,” zei ze, “vliegt de cel in.”

HOOFDSTUK TIEN

Met haar wapen nog steeds op George gericht belde Avery het alarmnummer. Daarna nam ze haar portofoon en riep versterking op. Ramirez kon niet geloven hoe stom hij was geweest en hoeveel pijn de wond deed. Af en toe schudde hij zijn hoofd en mompelde in zichzelf. “Ik kan nog steeds niet begrijpen hoe die gozer me heeft kunnen aanvallen.”

“Hij is snel,” zei Avery. “Je bent behoorlijk getraind, George. Het leger? De marine? Is het daarom dat je Cindy zo makkelijk kon ontvoeren?”

George zat in kleermakerszit en zweeg, zijn hoofd gebogen.

“Hoe gaat het met je wond?” vroeg Avery aan Ramirez.

“Ik weet niet. Ik kan ademen, dus is mijn long waarschijnlijk niet geraakt. Maar het doet verdomd veel pijn.” Hij zweeg en vol respect keek hij haar aan. “Dank je, Black. Je hebt me gered. Ik sta bij je in het krijt.”

De ambulance kwam eraan en Ramirez kreeg eerste hulp toegediend. Terwijl ze druk uitoefenden op de wond, stelden ze Ramirez enkele vragen. Volgens de eerste diagnose had het mes de longen net gemist.

De hele tijd schudde Ramirez zijn hoofd. “Stom,” zei hij. “Stom.” Op een brancard werd hij naar buiten gebracht. “Voor je het weet ben ik terug,” zei hij tegen Avery. “Wees maar gerust. Dit is niet meer dan een schrammetje. En George,” riep hij, “je hebt een agent aangevallen. Daarop staat minstens zes jaar. En als blijkt dat je dat meisje hebt vermoord, krijg je levenslang.”

De beveiligingsdienst van Harvard bleef bij Avery tot de politie kwam om George op te pakken. De hele tijd sprak niemand ook maar een woord. In haar driejarige loopbaan bij de politie had Avery al met heel wat moordenaars te maken gekregen, maar jongeren met wapens en messen deden haar toch altijd wat meer nadenken. Jongeren zoals George. Prima student. Universiteit van Harvard. Iemand die duidelijk alles had, maar innerlijk toch beschadigd was, gebroken.

De politie was gekomen om George mee te nemen en Avery bleef alleen achter in de flat. Het woord “waarom” bleef door haar hoofd spoken.

Waarom heeft hij dit gedaan?

Waarom? Waarom? Waarom?

In haar geest dook het gezicht van Howard Randall weer op. Wat is er mis met deze wereld? vroeg ze zich af. Kijk hier nu eens naar: een prachtig uitzicht en weelderige luxe. Jong, knap, gezond en toch had hij net een agent aangevallen en neergestoken. Andere gezichten kwamen bij haar op: gezichten van bendeleden, van boze echtgenoten en dronken psychopaten die onschuldige mensen en kinderen hadden vermoord, van kinderen, sommigen niet ouder dan zes.

Waarom?

Was het de pijn? De pijn van het harde leven?

Een herinnering kwam bij haar op: haar vader met onverzorgde haren, afgebrokkelde tanden en een wapen in zijn hand. “Wil je weten wat pijn is?” snauwde hij. “Ik schiet je verdomme door je kop! Dan zul je pas weten wat pijn is, toch, meisje? Toch?”

Avery stond op.

Zolang iedereen er nog was had ze het moeilijk gevonden zich te concentreren op de flat. Nu waren de flat en George haar topprioriteit.

Wie ben je? vroeg ze zich af.

De muren van de flat waren bijna kaal, met uitzondering van een foto waarop George trots een medaille toonde die hij bij een of andere wedstrijd had gewonnen. Op zijn bureau vond Avery zijn sleutelbos en een portefeuille. Er hingen meer dan tien sleutels aan de bos. Waarvoor heb je die allemaal nodig? vroeg ze zich af.

Op zijn computer stond geen wachtwoord. Een eerste blik op zijn recente internetgeschiedenis leverde niets bijzonders op: een paar pornofilms, relatieadvies en enkele plaatsen waar je op de campus kon sporten. Er stonden twee socialmediasites open. Op een ervan had hij tweeëndertig vrienden. Populaire gozer, dacht ze sarcastisch.

Verstopt in zijn kast vond ze een doos vol foto’s: George tussen een groep mannen, allemaal in T-shirts van de reservetroepen van het leger, George tussen zijn ouders met op de achtergrond Harvard, en Cindy Jenkins, honderden foto’s van Cindy Jenkins. Cindy in het winkelcentrum, Cindy op Harvard, Cindy op een feestje. Iedere foto zag eruit alsof die stiekem was genomen, sommige foto’s van veraf, andere foto’s van heel dichtbij zonder dat ze het wist.

“Jezus.”

Woede welde in haar op, niet vanwege wat ze had gevonden of om vanwege wat George had kunnen doen als hij niet was opgepakt, maar vanwege de decaan van Harvard en het geheime leven dat bijna haar partner de dood in had gejaagd.

Avery zocht het nummer in haar telefoon en belde. “Ik wil onmiddellijk met decaan Isley spreken,” zei ze.

“Het spijt me,” zei de secretaresse, “de decaan zit in vergadering.”

“Al zit hij op de maan!” snauwde Avery. “U spreekt met Avery Black, afdeling Moordzaken van de politie van Boston. Ik sta op dit ogenblik in de kamer van een van jullie studenten, George Fine. Wat weet de decaan over George? Heel wat, denk ik. Jullie ‘normale’ Harvard laatstejaarsstudent heeft zojuist een agent neergestoken. Ik wil hem meteen spreken, nu!”

“Een ogenblikje, alstublieft.”

Twee minuten later had ze de decaan aan de lijn.

“Hallo, inspecteur Black,” zei hij, “het spijt me dat ik u liet wachten. Ik hoorde net wat er deze morgen is gebeurd.”

“Ik wil één ding weten,” zei Avery. “Mijn baas, Dylan Connelly, belde u gisteravond om iets meer te weten te komen over George Fine en Winston Graves. U zei, en ik citeer mijn partner, degene die door George werd neergestoken: ‘Het zijn allebei goede jongens, afkomstig uit goede families.’ Staat u nog steeds achter deze uitspraak?”

De decaan kuchte even. “Ik begrijp niet helemaal wat u bedoelt,” zei hij.

“Is dat zo? Ik denk dat ik eigenlijk heel duidelijk ben. Laat ik het even anders formuleren. We hebben een neergestoken agent. We hebben een vermoord meisje. Nu hebben we ook een verdachte van wie u beweerde dat hij een goede jongen was. Ik geef u een laatste kans om uw beweringen te herzien voordat ik serieus overweeg om klacht neer te leggen. Ik heb zojuist ontdekt dat George Fine bij de reservisten van het leger zat. Dat was toch behoorlijk relevante informatie, nietwaar? Hij is daarnaast ook goed getraind in gevechtskunsten. Ook relevant. Een goede jongen uit een goede familie is hij dus echt niet. Wat weet u nog meer over hem?”

“Mevrouw Black, de relatie met onze studenten is...”

“Vertel het me nu of ik leg de telefoon neer en dan staat u er alleen voor.”

“Mevrouw Black, ik kan niet zomaar...”

“Vijf... Vier... Op één hang ik op...”

“We hebben...”

“Wat u hebt is een meisje dat werd vermoord en een mogelijke dader op uw faculteit... Drie... Twee...”

“Goed dan!” schreeuwde hij onthutst. Zijn stem werd zachter. “Bedenk goed,” zei hij, “dat niemand hier gelooft dat een van onze studenten verantwoordelijk kan zijn voor...”

“Hij heeft een agent neergestoken. Mijn partner. Vertel me dus maar alles wat u over hem weet.”

“De eerste twee jaar dat hij hier op de universiteit zat, stond hij onder disciplinair toezicht,” gaf de decaan toe. “Hij was een jong meisje van Scarsdale gevolgd: Tammy Smith. Er waren... problemen. Er werd echter geen klacht ingediend. We wilden hier geen pers. Hij had duidelijke richtlijnen gekregen dat hij minstens tweehonderd meter uit haar buurt moest blijven en hij moest wekelijks langs bij de studentenpsycholoog. Ik had de indruk dat deze sessies vrij goed verliepen. Sindsdien was hij een modelstudent.”

“Verder nog iets?”

“Dat is alles. Ik heb hier zijn dossier. Als u wil mag u dat inkijken.”

“En hoe zit het met Winston Graves?”

“Graves?” vroeg de decaan lachend. “Hij is een van onze allerbeste laatstejaarsstudenten, een uitblinker op alle gebieden. Ik heb persoonlijk heel veel respect voor hem en zijn familie.”

“Geen geheimen?” drong Avery aan.

“Niet dat ik weet.”

“Dat betekent dus ‘misschien’,” zei Avery. “Ik zal het zelf wel uitzoeken. En de volgende keer dat een agent u om informatie vraagt, werk dan wat beter mee. Een krantenkop als ‘Agent neergestoken in studentenflat op Harvard’ is misschien niet zo geweldig voor jullie reputatie.”

“Een ogenblikje, ik dacht dat we...”

Avery verbrak de verbinding.

De volgende die ze opbelde was Jones, een spichtige, grappige Jamaicaan die altijd wel een reden vond om te mopperen, zelfs al voelde hij zich nog zo in zijn nopjes.

“Jones,” zei hij.

“Met Black. Hoe ver sta je met de beelden van de bewakingscamera’s?”

Jones zat in een klein donker kantoortje samen met twee technici in uniform. Hij leunde over zijn toetsenbord en draaide met zijn ogen bij het horen van haar vraag. “Je bent gek, Black,” klaagde hij, “weet je dat?” Hoe lang moet ik me hier nog met dat gekkenwerk bezighouden? Het is net een raadseltje dat ik moet oplossen. Ik moet gissen waar hij heen is gereden, de beelden van de camera’s in de buurt opvragen, het tijdstip opzoeken en afwachten tot er iets gebeurt. Ik zit al uren en uren naar niets te staren. Ik heb maar eenmaal prijs gehad.”

“Je hebt iets ontdekt?”

“Ja,” zei hij, terwijl hij naar het scherm tuurde. “Ik zit op het ogenblik bij de verkeersleiding, samen met Stan en zijn vriend Frank. Geweldige kerels. Ze helpen me al de hele dag. Wat heb ik gedaan? Ik heb de beelden bekeken van de verkeerslichten op Aubern, in Hawthorn. Weet je wat ik zag? Jouw minibusje. Het reed Auburn in, voorbij Hawthorn. Ik check Auburn, in westelijke richting, net voorbij Aberdeen en ik zie weer het minibusje. Het rijdt verder in westelijke richting.”

“En van daaruit?”

“Meen je dat nou?” schreeuwde Jones. “Wat denk je dat ik ben? Een satellietsysteem? Ik ben er maar liefst vijf uur mee bezig geweest!”

“Zoek verder,” zei Avery en ze hing op. Het minibusje ging in westelijke richting, dacht ze. De stad uit. Als het George is, dan moet hij ergens nog een huis hebben.

Thompson was de volgende die ze opbelde. Al jarenlang was hij de partner van Jones. Hij was een indrukwekkende, grove kerel die er met zijn bleke huidskleur en blonde haar als een albino uitzag. Hij had volle lippen en eerder vrouwelijke gezichtskenmerken. Thompson zat rustig in een kantoortje donuts te eten en vertelde enkele agenten van de staatspolitie hoe hij op een keer Jones had betrapt terwijl hij sliep en een konijnengezicht op hem had getekend.

“Thompson,” zei hij met zware stem toen hij opnam.

“Met Black. Is er nieuws?”

“Het minibusje reed in Charles Street in noordelijke richting. Dat is alles wat ik te weten ben gekomen. Ik wist niet zeker of ik ook de bruggen moest checken.”

“We zitten met een moordenaar die op de vlucht is,” snauwde Avery. “Je moet álles checken! Jones is al veel verder dan jij. Waar ging hij heen na Charles Street?”

“Daar probeer ik achter te komen,” zei hij.

“Nee,” antwoordde ze. “Je hoeft niet meer te observeren vandaag. Ik heb je nodig voor iets belangrijkers: George Fine. Harvard-student. Ik ben nu in zijn flat. Ramirez werd neergestoken en ligt op dit ogenblik in het ziekenhuis. Ik wil dat je alles te weten komt over George Fine. Neem desnoods contact op met zijn ouders. Hij zit in voorlopige hechtenis. Heeft hij ergens een huis, misschien ten noordwesten van Harvard? Zijn sleutels liggen hier in zijn flat. Is er een medische voorgeschiedenis? Ga praten met zijn vrienden, familie, iedereen die iets over hem kan weten. Begrepen? Er zit geen wachtwoord op zijn computer, dus die kun je ook uitpluizen. Je hebt voor de rest van de dag dienst op Harvard.”

“Ik zal er snel zijn.”

“Je had hier nú al moeten zijn,” schreeuwde ze en ze hing op.

Noordelijke richting, dacht ze. Vanuit Lederman Park ging hij in noordelijke richting. Misschien over de brug en meteen naar Harvard? Waarom reed je dan westwaarts nadat je Cindy uit het steegje had ontvoerd?

Zeg het me, Fine, dacht ze terwijl ze de kamer rondkeek. Zeg het me.

* * *

Een uurtje later kwam Avery in het ziekenhuis aan.

Het mes had Ramirez’ long maar licht geraakt. Gelukkig had het alle andere belangrijke organen gemist, maar de dokters moesten de wond toch inwendig hechten.

Ze ging naar de wachtkamer. Drie agenten in burger waren er al. Een van hen deed haar aan een kikker denken. Zijn gezicht was rond en pafferig, maar stevig en hij had zwart haar en geniepige ogen.

Ook dat nog, dacht Avery. Finley.

Finley Stalls was een van de grootste eikels van de afdeling. Een diepongelukkige Ier die elke avond aan de drank ging en overdag met een verschrikkelijk humeur op kantoor rondliep. Hij had een gemeen gevoel voor humor en hoewel hij Avery zelf nooit pestte, was hij de eerste om te lachen om de pesterijen van de anderen.

De drie agenten schonken haar een emotieloze blik die ze intussen maar al te goed kende van de afdeling. Ze was net van plan naar hen te zwaaien om hun vreemde charmes wat af te zwakken toen Finley haar toeknikte en haar met zijn snelle en haaast onverstaanbaar Bostons accent toesprak. “Verdomd goed werk,” zei hij.

Ze wist niet zeker of hij een grapje maakte of het meende.

De tweede agent sprong hem bij. “Ga je voor het record van het meest aantal vermoorde partners, Black?”

Ah, dacht Avery. Inderdaad een grap.

“Kom op,” zei de derde agent. “Laat haar met rust. Het is haar schuld niet. Ramirez gedraagt zich altijd vreemd bij verdachten. Hij denkt altijd dat de heilige geest er wel op zal toezien dat hem niets overkomt of dat er niets zal gebeuren. Stomme idioot. Ze heeft hem hier toch levend gekregen, niet?”

“Heb je de moordenaar?” vroeg de tweede agent.

“Misschien,” zei Avery.

Ze wachtte op de volgende grap, de volgende verbale aanval, maar het bleef stil. Allen zaten ze in stilte te wachten en voor het eerst in lange tijd kon Avery zich mentaal ontspannen in het bijzijn van andere agenten en zich concentreren.

Ze belde de forensische dienst. “Randy, weet je al iets meer?”

Randy zat in het lab in de kelders van het bureau. Terwijl ze met Avery sprak, tuurde ze in de microscoop op haar bureau. “Ik ben blij dat je belt,” zei ze. “Weet je nog dat we het over die natuurlijke drugs hadden, die planten waarmee hij misschien zijn slachtoffer verdoofde en uiteindelijk vermoordde? Dat is bevestigd. De giftige stoffen in haar lichaam bevatten zo’n zestig procent opium. Heel puur. Het moet dus een van zijn eigen planten zijn. Heb je hierover al enige aanwijzingen?”

“Ik heb gesproken met een drugsdealer die ik ken,” zei Avery. “Ik heb hem gevraagd wie er zo dom zou kunnen zijn om alleen de zaadjes te verkopen en zo hun eigen handeltje naar de knoppen te helpen. Ik wacht nog steeds op antwoord. Ik had gehoopt dat jij andere aanwijzingen zou hebben. Ik heb helemaal niets specifieks gevonden over ledverlichting of tuingereedschap. Dat kan men overal verkrijgen.”

“Ik zit nu naar vezels te kijken die op het lichaam van het meisje zijn gevonden,” zei Randy, “en ik kan met zekerheid zeggen dat sommige afkomstig zijn van een kat, waarschijnlijk een gestreepte. Ik denk dat onze moordenaar van dieren houdt. Hopelijk zet hij ze niet alleen op voor de sier. Er zijn ook sporen van aarde te vinden. Gewone tuinaarde. Volgens mij heeft de moordenaar groene vingers, heeft hij planten en dieren, een echte tuinliefhebber.”

Avery kon de puzzel niet oplossen.

George Fine had helemaal geen planten of katten.

Misschien op die andere locatie, dacht ze. Maar dan zou er toch íéts te vinden moeten zijn in zijn flat. Boeken over tuinieren, drugs?

“Goed,” zei Avery. “Bel me als je meer weet.”

* * *

Wat later die dag klopte Avery op Ramirez’ kamerdeur en stapte binnen.

Ramirez gooide zijn armen in de lucht en keek haar lachend aan. “Kijk eens wie we daar hebben,” zei hij. “Mijn redder.”

“Niet echt,” zei Avery. “Wat heb ik gedaan dan?”

“Je bleef kalm,” zei Ramirez, “en je gedroeg je als een echte smeris met die verdachte, niet als een dom groentje, zoals ik. Maar alles komt goed,” fronste hij. “Binnenkort ben ik hier weer weg. Volgens de dokter mag ik morgen al naar huis. Vrijdag ben ik weer op mijn post.”

“Dat is niet wat ik heb gehoord,” zei Avery. “De dokter heeft gezegd dat het minstens twee weken zal duren voordat je hersteld bent. Hij wil dat je het rustig aan doet.”

“Wat?” klaagde Ramirez. “Vertel dat maar niet aan de hoofdinspecteur. Stuur me alsjeblieft niet naar huis om te zitten niksen. Je kent mijn thuissituatie niet.”

“Hoe is je thuissituatie dan?” vroeg Avery verwonderd.

Ramirez was een raadsel voor haar: knap, goed in vorm, piekfijn gekleed en niets leek hem echt te raken. Door George’ aanval had hij zich echter van een heel andere kant laten zien: eerder nonchalant, boos, en hij was er helemaal niet op getraind om op George’ snelle en verrassende aanval te reageren. In het begin deed hij haar denken aan al die mannen met wie ze een paar jaar geleden enkele avontuurtjes had beleefd. Ook zij glommen aan de buitenkant, maar wanneer ze eenmaal tot hen kon doordringen, waren ze niet meer dan een hoopje ellende. Ze hoopte dat dat bij haar nieuwe collega niet het geval was.

“Ah nee, wil je echt dat ik mijn geheim onthul?” vroeg hij. “Oké dan, waarom niet. Ik lig nu toch in een ziekenhuisbed. Ik weet dat ik eruitzie als Superman, maar heel eerlijk? Vanbinnen ben ik maar een gewone jongen, Black. Ik hou van mijn werk, maar ik haat het om te zweten, dus ik ga zelden naar de sportschool en ik ben zeker niet de gevaarlijkste man in het team. Zie je dit prachtige lijf? Daar ben ik mee geboren.”

“Is er iemand die thuis op je wacht?” vroeg Avery.

“Ik had vroeger een vriendin. Zes jaar lang. Een tijdje geleden liet ze me zitten. Ze zei dat ik te veel moeite had om me te binden. Kom op, Black! Laten we eerlijk zijn. Waarom zou een leuke man zoals ik zich moeten binden aan één vrouw, terwijl er miljoenen te krijgen zijn?”

Om een heleboel redenen, dacht Avery.

Ze dacht aan Jack, haar ex-man. Hoewel ze elkaar al een hele tijd niet meer hadden gesproken, had ze meteen met hem willen trouwen toen ze jonger was. Hij gaf haar zekerheid, vriendelijkheid, liefde en steun. Hoe intens of hoe koel Avery ook was, altijd was hij er voor haar. Altijd stond hij met een knuffel voor haar klaar. “Ik denk dat mensen zich binden omdat ze zich veilig willen voelen,” zei ze.

“Dat mag de reden niet zijn,” zei hij. “Het moet uit liefde zijn.”

Avery had nooit de betekenis van liefde echt begrepen totdat haar dochter Rose geboren werd. Als jonge studente was ze ervan overtuigd geweest dat ze echt van Jack hield. Hij had haar een goed gevoel gegeven en ze miste hem als ze niet samen konden zijn. Maar als ze echt van hem had gehouden, had ze hem nooit als vanzelfsprekend beschouwd en had ze hem nooit verlaten.

Rose werd geboren toen Avery amper twintig was. Jack wilde al vroeg een gezin stichten, maar toen Rose was geboren, voelde Avery zich alsof ze vastzat: geen tijd meer alleen met Jack, geen tijd meer voor zichzelf, geen sociaal leven meer, geen carrière. Het was een puinhoop geweest. Zíj was een puinhoop geweest, en dat was ook te merken geweest: het einde van haar huwelijk en haar leven als moeder. En hoewel zij en Rose nog altijd van elkaar vervreemd waren, wist ze nu wel wat liefde was, ze wist het.

“Wat weet jij nou van liefde?” vroeg ze.

“Ik weet dat liefde betekent dat je een vrouw een goed gevoel moet bezorgen.” Verlegen en met een verleidelijk glimlach keek hij haar aan.

“Dat is geen liefde,” zei Avery. “Liefde is bereid zijn alles op te geven voor iemand. Liefde is iemand boven je eigen verlangens stellen, en dat deze persoon ook laten voelen. Dat is liefde. Het heeft helemaal niets te maken met seks.”

Ramirez trok vol bewondering zijn wenkbrauwen op. “Wauw,” zei hij. “Je gaat behoorlijk diep, Black.”

Het deed Avery pijn eraan terug te denken. In plaats daarvan probeerde ze geconcentreerd te blijven op de zaak: een moordenaar op de vlucht en een verdachte in voorarrest.

“Ik moet gaan,” zei ze. “Ik wilde alleen even checken of je er wel bovenop zou komen. Ik wil echt niet nog dode collega op mijn geweten hebben.”

“Ga dan maar,” zei Ramirez. “Waar is onze Navy Seal?”

“In voorarrest. En eigenlijk zit je er niet zover naast. Hij is reservist bij het leger. Heel sterk met zijn handen. Ik heb de decaan al aangepakt voor het achterhouden van belangrijke informatie over een mogelijk dodelijk wapen. Thompson zit nu op Harvard.”

“Denk je dat hij onze moordenaar is?”

“Ik weet het niet.”

“Waarom twijfel je?”

Die puzzelstukjes, dacht Avery. De puzzelstukjes pasten niet in elkaar. “Het is niet onmogelijk dat hij de moordenaar is,” zei Avery. “Laten we maar eens zien wat er gebeurt.”

HOOFDSTUK ELF

Een uur later stond Avery met O’Malley en Connelly in een klein, donker kamertje. In de ruimte voor hen zat George Fine, achter spiegelglas. Zijn handen waren aan een metalen tafel geboeid en vanwege de schotwonden had hij verband om zijn schouders en benen. Hij had geluk gehad dat het enkel schampschoten geweest waren. Avery had goed kunnen mikken.

Af en toe mompelde hij iets binnensmonds of schoof hij heen en weer op zijn stoel. Zijn lege ogen staarden in het niets en hij leek diep in gedachten verzonken.

In haar handen hield Avery een vel papier met daarop zes verschillende zwart-wittekeningen van het gezicht van een man, gebaseerd op de beelden van de bewakingscamera’s. Elke tekening stelde een blanke man voor met een fijn gevormde kin, hoge jukbeenderen, kleine ogen en een hoog voorhoofd. Op drie van de tekeningen waren de pruik, de bril en de snor achterwege gelaten, en de politietekenaar had de moordenaar verschillende kapsels en gezichtsbeharing gegeven. Op de laatste drie tekeningen stond de man met minstens een van de vermommingen afgebeeld, voor het geval het toch geen vermomming was.

Avery nam uitgebreid de tijd om elke tekening afzonderlijk te bekijken.

Het gezicht dat ze op de beelden had gezien, stond in haar geest geprent en door middel van de duidelijke tekeningen kon ze zich het gezicht iets anders voorstellen: een bredere kin, lagere jukbeenderen, een kaal hoofd, grotere ogen, bril, en een andere kleur van ogen.

Af en toe keek ze op naar Fine. Ze zag toch wel enkele overeenkomsten: blank, hoge jukbeenderen... Hij had een iets slanker lichaam, maar beiden hadden een lichte tred. De geraffineerde bewegingen die ze op de camera’s had gezien leken bijzonder veel op die van George toen hij Dan te pakken had genomen. Maar toch twijfelde Avery. Er waren ook nog de planten en de dieren. De moordenaar op de camerabeelden had bovendien iets duivels over zich, een soort vlotte humor die George helemaal niet had. Zou George een buiging gemaakt hebben voor een camera?

Alsof Connelly haar gedachten kon lezen, wees hij naar het raam en zei: “Dit is onze man. Ik weet het zeker. Bekijk hem eens goed. Hij heeft nog geen twee woorden gesproken sinds hij hier zit. Kun je het geloven, dat hij een advocaat wil? Echt niet. Hij krijgt helemaal niets. We hebben een bekentenis nodig.”

O’Malley droeg een donker pak met een rode das. Hij trok even aan zijn lip, fronste zijn wenkbrauwen en zei: “Ik denk dat ik het eens ben met Connelly. Je zei dat je in zijn kamer foto’s van Jenkins hebt gevonden. Hij viel een agent aan en vermoordde die bijna. Hij past bovendien in het profiel. Hij lijkt duidelijk op de getekende portretten. Waarom nog twijfelen?”

“Er klopt iets niet,” zei ze. “Waar bracht hij Cindy heen na de ontvoering? Hoe heeft hij geleerd een lichaam te balsemen? Randy Johnson zei dat de haren op Cindy’s jurk afkomstig zijn van een kat. Fine heeft helemaal geen kat. Wat hij wel heeft zijn een heleboel zoekopdrachten op internet, naar porno en relatieadvies. Klinkt dat als een moordenaar?”

“Luister, Black, laat een ding duidelijk zijn,” zei Connelly beslist. “Wat mij betreft is deze zaak gesloten. We hebben hem. Hij heeft waarschijnlijk ergens anders een safehouse. En daar zullen we de kat, het minibusje en het moordwapen aantreffen. Jouw taak is om dat huis te vinden. Mijn god, waarom doe je toch altijd alsof je zoveel beter bent dan al de rest?”

“Ik wil alleen maar zekerheid.”

“O ja? Nou, dat was niet altijd het geval, nietwaar?”

Connelly zag eruit alsof hij elk ogenblik kon uitbarsten: rode wangen en bloeddoorlopen ogen net alsof hij had gedronken of een zware nacht achter de rug had. De naden van zijn overhemd stonden zoals gewoonlijk op springen en Avery vreesde dat hij elk ogenblik zijn vuist in iemands gezicht kon slaan.

Ze richtte zich tot O’Malley. “Laat mij eens met hem spreken.”

“Hij is jouw verdachte,” zei O’Malley schouderophalend. “Je kunt doen wat je wilt. Maar wij denken dat hij het heeft gedaan. Heel wat mensen zitten op de oplossing van deze zaak te wachten. Als je niet snel kunt bewijzen dat hij onschuldig is, dan ronden we dit af, oké?”

Ze hield haar duimen omhoog. “Akkoord, chef.”

De deur naar de verhoorkamer zoemde en Avery duwde hem open. Alles was er grijs, inclusief de stalen tafel waar George aan zat, de spiegel en de muren.

George zuchtte gefrustreerd en boog zijn hoofd. Hij droeg nog steeds hetzelfde shirt en dezelfde joggingbroek.

“Ken je me nog?” vroeg Avery.

“Ja,” zei hij, “jij bent de trut die een wapen op mijn gezicht richtte.”

“Jij probeerde mijn partner te doden.”

“Zelfverdediging.” Hij haalde zijn schouders op. “Jullie zijn mijn kamer binnengekomen. Iedereen weet dat de politie van Boston erg graag hun wapens gebruikt. Ik wilde mezelf alleen maar beschermen.”

“Je hebt hem neergestoken.”

“Praat maar met mijn advocaat.”

Avery ging zitten. “Laat me eens kijken of ik dit helder kan krijgen,” zei ze. “Je bent een gemiddelde economiestudent. Reservist bij het leger. Geen strafblad, tenminste, tot aan vandaag dan. In alle opzichten een rustige, onschuldige student. Je hebt maar een paar vrienden.” Ze haalde haar schouders op. “Maar volgens mij is dat niet meer dan normaal als je geen feestbeest bent. Succesvolle ouders. De een advocaat, de ander dokter. Geen broers of zussen, máár,” benadrukte ze met klem, “wel een heleboel meisjes op wie je verliefd bent geweest. Tja,” zei ze bijna verontschuldigend, “ik heb met de decaan gesproken en hij heeft me alles verteld over je passie voor Tammy Smith, het meisje dat je stalkte op Scarsdale. Is zij de reden waarom je naar Harvard bent gekomen of was dat alleen maar toeval?”

“Ik heb niemand vermoord,” zei hij en hij keek haar recht in de ogen met een vastberaden strakke blik alsof hij haar uitdaagde iets anders te beweren.

Dit verhoor beviel Avery helemaal niet.

Intuïtief voelde ze aan dat ze het bij het rechte eind had: hij was onstabiel en eenzaam, een tiener die op het punt stond om in te storten net voordat het meisje van zijn dromen plotseling werd vermoord, en opeens was er iets bij hem geknapt. Maar een nauwgezette moordenaar die lichamen opzette en deze hierbij in engelachtige, levensechte posities plaatste? Dat geloofde ze niet. Er was alleen geen eenduidig bewijs voor.

“Hou je van films?” vroeg ze.

Hij fronste zijn wenkbrauwen, onzeker over wat hij over deze vraag moest denken.

“Kun je me vertellen welke film er nu speelt in het Omni Theatre?” voegde ze eraan toe. “De bioscoop recht tegenover Lederman Park.”

Een lege blik staarde haar aan.

“Er spelen drie films,” zei ze. “Twee van de drie zijn actiefilms in 3D. Die interesseren me eigenlijk niet,” zei ze luchtigjes. “De derde heet L’Amour Mes Amis, een Franse korte film over drie vrouwen die verliefd op elkaar worden. Heb je die film gezien?”

“Nooit van gehoord.”

“Hou je van buitenlandse films?”

“Praat maar met mijn advocaat.”

“Goed, goed,” zei ze. “Wat denk je hiervan: nog één vraag. Je geeft een eerlijk antwoord, en dan laat ik je met rust en zorg ervoor dat je je advocaat te zien krijgt. Oké?”

Hij zweeg.

“Zonder enige verplichting,” voegde ze eraan toe. “Ik meen het.” Avery probeerde haar gedachten te formuleren. “Jij zou de moordenaar kunnen zijn,” zei ze. “Echt waar. We moeten de zaak nog wat verder onderzoeken, maar sommige dingen lijken al te kloppen. Waarom zou je anders een smeris aanvallen? Waarom is je kamer zo netjes? Ik denk dat je nog ergens anders een huis hebt. Is dat zo?”

Met een ondoordringbare blik staarde hij haar aan.

“Het probleem is,” zei Avery, “je kunt natuurlijk ook gewoon een stomme gozer zijn die er kapot van is dat het meisje op wie hij verliefd was dood is. Misschien was je razend en voelde je je beroerd, en vanzelfsprekend ben je ook onstabiel aangezien je een agent hebt aangevallen. Maar,” benadrukte ze, terwijl ze in de richting van de spiegelwand wees, “mijn baas en de hoofdcommissaris denken allebei dat je schuldig bent aan moord. Zij willen je zien hangen. Ik ga je dus nu voor de keuze stellen. Je geeft een antwoord op mijn vraag en ik herzie mijn mening en ik zorg ervoor dat je krijgt wat je vraagt. Oké?” Ze leunde naar voren en keek hem diep in de ogen. “Waarom heb je mijn partner aangevallen?”

Een heleboel emoties gingen door George Fine heen. Hij keek haar onzeker aan en leek over zijn woorden na te denken. Hij wendde even zijn blik af en keek Avery toen weer aan.

Hij dacht duidelijk na over zijn antwoord en wat dit zou kunnen betekenen in de rechtszaal. Toen besloot hij iets. Hij schoof dichter naar haar toe en ondanks zijn stoere gedrag kon ze de glazige blik in zijn ogen zien.

“Jullie denken allemaal dat jullie alles weten, dat jullie zo belangrijk zijn. Nou, ik ben ook belangrijk,” zei hij. “Mijn gevoelens doen er ook toe. Je kunt niet net doen alsof we vrienden zijn en me dan helemaal negeren. Dat is verwarrend. Ik ben ook belangrijk. En als je me kust, dan betekent dat dat je van mij bent. Begrijp je dat?”

Zijn gezicht vertrok, tranen rolden over zijn wangen en hij schreeuwde het uit: “Dat betekent dat je van mij bent!”

HOOFDSTUK TWAALF

Hij keek op zijn horloge. Het was bijna zes uur. De zon stond scheen nog en er hingen nog steeds mensen rond op het enorme grasveld.

Hij zat tegen een boom op de campus bij Killian Court. Iedereen kon hem makkelijk zien zitten in de schaduw van het hoge bladerdak en voor alle zekerheid had hij een pet en een bril opgezet.

Hij zat er pas enkele minuten. Er waren problemen geweest op het werk en hij had vlug nog een document moeten klaarmaken voor zijn baas. Vaak vroeg hij de Hogere Geest waarom hij zijn baas, en alle anderen die hem in de weg stonden, niet gewoon kon vermoorden. Zonder een woord te spreken, alleen maar door geluiden en angstaanjagende beelden, had de Hogere Geest hem laten weten dat zíjn gedachten en gevoelens helemaal niet belangrijk waren: alleen de meisjes waren belangrijk.

Jong. Uitgelaten. Levendig.

Meisjes die de Hogere Geest uit zijn gevangenis konden bevrijden.

Een tempel vol meisjes, studentes die op het punt stonden de wereld te ontdekken, levende bronnen van potentiële energie die de Hogere Geest van hen kon overnemen, genoeg kracht om zich uit zijn buitenaardse koninkrijk te bevrijden en om als fysieke persoon op aarde te verschijnen. Apostelen en volgelingen zouden dan overbodig zijn. Vrijheid. Eindelijk. En zij die hem hadden geholpen? Zij die geduldig en sterk waren geweest, die uit liefde en toewijding een tempel vol jonge meisjes hadden gebouwd? Wat zou er met hen gebeuren? Nou, zij waren verzekerd van een plaats in de hemel natuurlijk. Als goden hadden zij daar recht op.

Het was dinsdag en op dinsdagavond ging Tabitha Mitchell na de lessen altijd naar de grote universiteitsbibliotheek om er samen met haar vriendinnen te studeren

Om kwart over zes zag hij haar. Tabitha was half Chinees en half blank. Ze was mooi en populair, en ze liep te lachen met haar vriendinnen. Ze gooide haar donkere haar naar achteren en schudde haar hoofd bij iets wat gezegd werd. Het groepje liep over het gazon.

Het was niet nodig haar te volgen. Hij wist al waar ze heen ging: eerst naar haar kamer om zich om te kleden en daarna naar de bar, de Muddy Charles, voor de Ladies Night die daar elke dinsdagavond was. Gratis drank voor alle meisjes. Dinsdagavond was haar favoriete avond om uit te gaan.

Hij nam een slokje van zijn smoothie, sloot zijn ogen en bereidde zich mentaal voor.

* * *

Hij hield van de voorbereiding, het wachten, de hunkering en het verlangen dat bijna barstte. Het was makkelijk om liefde te voelen voor deze meisjes. Elk meisje had een levendige geest en een onuitputtelijke energie en ze deelden samen dat ene bijzondere doel, iets wat ze in hun eentje nooit zouden kunnen bereiken. Voor hem waren ze prinsessen, koninginnen, die zijn bewondering en eeuwigdurende eerbied meer dan verdienden.

De hergeboorte vond hij het moeilijkst.

Nadat ze veranderd waren, waren ze niet langer van hem. Dan waren ze offers geworden voor de Hogere Geest, bouwstenen voor zijn eventuele terugkeer en het enige wat hij van hen nog bezat waren de foto’s en de herinneringen aan een ontluikende liefde die veel te vroeg verloren was gegaan, veel te vroeg.

Hij stond bij de Charles River en staarde naar de rollende golven van het water. De avond was gevallen en hij was ’s avonds altijd het meest in zichzelf gekeerd, voordat hij begon. Achter hem, aan de overkant van Memorial Drive, liep Tabitha Mitchell met haar vriendinnen naar de Muddy Charles. Hij wist dat ze daar minstens twee uur zouden blijven voordat ze elk hun eigen weg zouden gaan en Tabitha alleen naar haar studentenkamer zou terugkeren.

De sterren waren nauwelijks zichtbaar aan de donkere hemel. Hij zag er een, toen twee, en hij vroeg zich af of de Hogere Geest in deze sterren woonde of dat hij de hemel zelf was, het universum. Alsof zijn vraag werd beantwoord, verscheen het beeld van de Hogere Geest: een donkere schaduw aan de hemel die deze helemaal omvatte. De Hogere Geest keek hem geduldig en vol verwachting aan. Hij sprak geen woord, maar hij begreep meteen wat hij moest doen.

Rond negen uur liep de moordenaar in de richting van de kroeg en wachtte in een smal steegje tussen de bar, die zich in het hoge witte gebouw van Morss Hall bevond, en het Fairchild-gebouw. Het was er slecht verlicht. Een aantal mensen slenterden naar buiten.

Om vijf over halftien verscheen ze.

Voor het gebouw nam Tabitha afscheid van haar vriendinnen. Onder aan de trap ging ieder haar eigen weg. Haar twee vriendinnen liepen naar hun flat in Amherst Street en zij ging rechtsaf. Net als altijd ging ze het steegje in.

Zonder rekening te houden met de vele mensen rond hem heen veranderde de moordenaar in een volleerd acteur. Hij deed alsof hij dronken was en slenterde in Tabitha’s richting. In de palm van zijn hand hield hij een zelfgemaakte injectiespuit vast, die met zilveren ringetjes om zijn vingers zat.

Op het ogenblik dat hij langs haar heen liep, stak hij de naald in haar nek, greep haar vast om haar hals zodat ze zich niet zou kunnen bewegen en trok haar naar zich toe.

“Hoi, Tabitha!” zei hij luid en met een vals Brits accent. Om geen achterdocht te wekken voegde hij eraan toe: “Ik hoorde al van Shelly en Bob dat je hier zou zijn. Laten we het weer goedmaken, oké? Ik wil geen ruzie meer. We horen bij elkaar. Laten we gaan zitten en alles uitpraten.”

Eerst probeerde Tabitha zich nog los te rukken van haar aanvaller, maar door de snelwerkende drugs kreeg ze geen geluid uit haar keel. In de daaropvolgende seconden was ze verward door de namen van haar vrienden. Haar reactiesnelheid nam af en even hoopte ze dat het een of andere grap was van haar medestudenten.

Hij hield haar heel zorgvuldig vast. Een arm om haar heen geslagen, zodat ze niet zou vallen. Met zijn andere hand, waarin hij nog steeds het verdovend middel had, stopte hij de naald in een van zijn broekzakken en omvatte daarna haar wang. Zo hield hij haar met zijn sterke armen recht en praatte verder, alsof ze echt een ruziënd koppel waren dat op het punt stond het weer goed te maken.

“Ben je nu alweer dronken?” vroeg hij. “Waarom drink je toch altijd als ik er niet ben? Kom eens hier. Laten we gaan zitten en praten.”

De mensen die op straat en over de groenstrook langs de moordenaar en Tabitha heen liepen hadden de indruk dat er iets verkeerd zat, vanwege haar onnatuurlijke bewegingen. Een paar bleven zelfs staan kijken, maar de moordenaar was na de injectie en haar korte tegenspartelen zo handig in hoe hij Tabitha’s lichaam ondersteunde, dat ze gewoon een dronken studente leek die door haar vriend of een van haar medestudenten werd geholpen. Haar benen probeerden te lopen. Haar armen graaiden naar hem, niet op een agressieve manier, maar alsof ze zich in een droom bevond en de wolken wilde laten verdwijnen.

Voorzichtig en liefhebbend leidde de moordenaar haar naar een muurtje, ging naast haar zitten en streelde haar haren. Zelfs de meest oplettende voorbijgangers gingen ervan uit dat alles in orde was en gingen verder met hun avondwandeling.

“We zullen zo gelukkig zijn samen,” fluisterde de moordenaar.

Zachtjes kuste hij haar op haar wang. De opwinding die hij voelde was nog sterker dan bij Cindy. Met een vreemd gevoel van spanning staarde hij naar de donkere hemel en zag de Hogere Geest afkeurend op hem neerkijken.

“Het is al goed,” zei hij geschokt.

In een stevige knuffel trok hij Tabitha dichter tegen zich aan. Hij rook haar geur en drukte haar armen en benen dichter tegen zich aan. Er kwamen zachte kreetjes over haar lippen, maar hij wist dat dit niet lang meer zou duren. De drugs zouden haar geest in ongeveer twintig minuten vervagen.

Net naast hen speelden twee jongens frisbeegolf. Een drukke groep jonge studenten zongen liedjes. Langs de Charles River raasden auto’s voorbij.

Te midden van alle drukte tilde de moordenaar Tabitha op en nam haar op zijn rug. Hoewel haar voeten in de lucht hingen, hield hij haar handen op zijn borst en draafde naar zijn auto, die op Memorial Drive geparkeerd stond.

“Vooruit!” riep hij nog steeds met zijn Britse accent. “Sla je benen om me heen! Je laat mij al het werk doen. Help me dan tenminste een beetje. Alsjeblieft?”

Hij bleef praten tot ze bij het minibusje waren gekomen, zette haar ertegenaan, opende de deur aan de passagierskant en zette haar er voorzichtig in.

Enkele seconden bleef hij gehurkt bij het portier zitten, niet alleen om de rol van bezorgde vriend verder te spelen, maar om haar uiterlijk in zich op te nemen, om te zien hoe haar borst op en neer ging, en hij vroeg zich af – zoals hij dat al zo vaak had gedaan – hoe het zou zijn om haar echt te kussen en met haar de vrijen. De Hogere Geest mopperde vanaf zijn positie aan de hemel en met een zucht sloot de moordenaar de deur aan de passagierskant, nam plaats achter het stuur en reed weg.

HOOFDSTUK DERTIEN

Woensdagmorgen vroeg stapte Avery het bureau binnen en checkte haar berichten om te kijken of er nog nieuws was. Het vreemde verhoor met George had één ding duidelijk gemaakt: hij was gek. Kon hij de moordenaar zijn? Zeker wel, begon Avery te denken, maar toch waren er nog enkele andere opties die onderzocht moesten worden.

Er was nog een andere verdachte: de vriend van Cindy Jenkins, Winston Graves. Graves was een schermkampioen op Harvard en kwam uit een belangrijke familie. Zijn vader was eigenaar van enkele supermarktketens en zijn moeder was een graag geziene klant bij de bekendste modehuizen. Hij was duidelijk een toegewijde student en atleet die nooit echt zou hoeven werken in zijn leven, maar toch behaalde hij topresultaten en had de ambitie ooit zijn land te vertegenwoordigen op de Olympische Spelen.

Een gladde kerel, vond Avery, maar toch de moeite waard om eens verder uit te pluizen.

“Hallo, Black,” riep de hoofdinspecteur, “kom eens hierheen.”

Aan zijn bureau zat Finley Stalls, als een dief die op heterdaad was betrapt. Ondanks hun korte moment van vriendschappelijkheid van de vorige dag had Avery liever niets met hem te maken. Meestal werd hij slechts opgeroepen als een eenheid een tekort aan personeel had. Ze vond hem lui, gemeen, onbetrouwbaar en vaak kon je door zijn sterke accent niet goed volgen waar hij het over had.

“Wat is er, hoofdinspecteur?”

O’Malley droeg een donkerblauw overhemd met lange mouwen en een beige broek. Hij had een stoppelbaard en zag eruit alsof hij niet veel had geslapen. “Thompson heeft goed werk geleverd,” zei hij. “Vanochtend kregen we een telefoontje van Shelly Fine, de moeder van onze verdachte. Ze heeft hem een tijdje geleden wat geld geleend om een hele maand een huisje te huren in Quincy Bay. Dit is het adres,” zei hij, terwijl hij haar een papiertje gaf. “Dit zou de plaats kunnen zijn die we zoeken. Ga er meteen langs. Als het raak is, dan vraag ik de hoofdcommissaris om vandaag nog een persconferentie te houden.”

Avery bekeek het adres. In het zuidwesten, dacht ze, bij het water. Ver weg van de plaats van de ontvoering of van de route die het minibusje had gevolgd. Volgens de informatie van Jones was de moordenaar in tegenovergestelde richting gereden nadat hij uit het steegje in Cambridge was gekomen. En volgens Thompson was het busje in noordelijke richting gereden.

“Prima,” zei ze. “Ik rij er vanmiddag naartoe.”

“Ben je dronken of zo?” snauwde hij. “Ik geef je zonet het mogelijke adres van onze moordenaar en jij zegt dat je er pas vanmiddag naartoe zal gaan?”

“Thompson en Jones hebben gisteren bijna de hele dag mogelijke routes gecheckt. Ze ontdekten dan het minibusje vanuit het park noordwaarts gereden is en vanuit het steegje naar het westen. Niet een keer zuidwaarts. Ik wil niet beweren dat Fine de moordenaar niet is. Ik denk gewoon na.”

“Luister, Black. Van mij mag je nadenken wat je wilt. Wil je andere aanwijzingen volgen? Doe je best. Maar doe het ná je bezoek aan dit huisje. Begrepen? Wat mij betreft is de zaak gesloten. Ik wil het afronden, met een mooi strikje eromheen. Maak me niet belachelijk tegenover de hoofdcommissaris.”

“Prima,” zei ze, “geen probleem.”

“Dat ‘prima’ klinkt verdacht veel als ‘ik doe toch wat ik wil’,” zei O’Malley. “Luister, Avery,” zei hij wat rustiger. “Ik weet dat je slim bent. Daarom heb je ook promotie gekregen, oké? En ik weet dat je een goede intuïtie hebt. Maar ik wil nu dat deze zaak opgelost wordt. Heb ik het mis? Goed. Wrijf het gerust in mijn gezicht. Maar voorlopig? We hebben de beste aanwijzing tot nu toe en ik verwacht dat je deze grondig onderzoekt.”

“Begrepen,” zei ze.

“Goed zo,” antwoordde hij, “dus neem je nieuwe partner mee en wegwezen.”

“Finley?”

“Ja,” zei hij. “Heb je daar problemen mee?”

“Dat meen je niet.”

“Wat?” vroeg de hoofdinspecteur uitdagend. “Had je gedacht dat ik je een goeie agent zou meegeven? Je eerste partner werd vermoord. Je tweede partner ligt in het ziekenhuis. Finley is perfect. Hij lost al mijn problemen op. Doet hij het goed? Prima. Vermoorden ze hem? Geen probleem. Dan kan ik eindelijk tegen de hoofdcommissaris zeggen dat we hier wat overgewicht zijn kwijtgeraakt.”

“Ik sta er gewoon bij, hoor!” riep Finley.

O’Malley stak een vinger uit naar hem. “Stel me niet me teleur,” snauwde hij. “Ik ben het beu, begrepen, Fin? Als je jezelf kunt bewijzen in deze zaak, zal ik mijn mening over je toewijding als agent misschien herzien. Want nu ben je niet meer dan een racistische smeris die van de ene eenheid naar de andere wordt gestuurd omdat niemand je wil ontslaan. Is dat echt wat je wilt? Ben je trots op die titel? Goed. Geen gekloot meer dus. Doe wat Avery je zegt en zorg dat je het goed doet. Begrepen?”

* * *

“Wat heeft hém gebeten?” snauwde Finley toen ze wegliepen. Hij sprak de woorden zo vlug uit en met zo’n zwaar accent dat Avery het amper begrepen had. Ze had iets verstaan als ‘wafembeten’ en de ware betekenis drong pas enkele minuten later tot haar door.

Ze was minstens een kop groter dan Finley en in vergelijking met zijn kikkerlippen, hangende wangen, vreemde ogen en kleine, forse postuur, zag zij eruit als een supermodel.

Tot ze bij de auto kwamen hadden ze nauwelijks een woord met elkaar gewisseld.

Finley keek geschokt naar de witte BMW. “Wat?” riep hij. “Daar stap ik niet in.”

“Waarom niet?”

“Dat is een meidenauto.”

Avery stapte in. “Wat jij wil.”

Finley was volledig van slag en stond in zijn blauwe politie-uniform wat onhandig rond de witte BMW-cabrio te draaien. Hij zag eruit als een verloren katje in een regenbui.

“Hé, Fin,” riep een agent vanuit de verte. “Leuk karretje.”

“Ah, man,” gromde Finley.

“Dat is nu karma,” zei Avery, terwijl Finley met tegenzin instapte en het portier dichttrok.

“Wat je zaait, zal je oogsten.” Ze reed de parkeergarage uit en sloeg af in westelijke richting.

“Hè?” vroeg hij. “Waar ga jij nou heen? Quincy Bar is de andere kant op.”

“We komen er wel,” zei ze.

“Hé, wacht eens even,” sputterde Finley tegen. “Ik was er ook bij daarnet. De baas heeft gezegd dat we naar Quincy Bay moesten. Zonder uitzondering.”

“Hij heeft ook gezegd dat je naar mij moet luisteren.”

“Echt niet. Echt niet,” schreeuwde Finley. “Je gaat die niet voor mij verknoeien, Black. Draai om. Dit is mijn laatste kans. De baas haat me. We moeten doen wat hij zegt.”

Hij slikte zijn medeklinkers in en de snelheid waarmee hij sprak bezorgde Avery kippenvel. “Luister jij weleens naar jezelf?” vroeg ze. “Ik bedoel, neem jij weleens je eigen stem op om te luisteren hoe je eigenlijk praat?”

Finley keek beduusd.

“Ach, laat maar,” zei ze.

“Black, ik meen het,” drong hij aan.

“Heb je weleens oog in oog gestaan met een seriemoordenaar?” vroeg ze.

“Nee. Ja. Nou, misschien.” Finley dacht even na.

“Ze hebben iets bijzonders,” zei Avery, “iets wat hen onderscheid van andere mensen. In het begin wist ik dat ook niet, tot ik er als advocaat een verdedigde die volgens mij onschuldig was. Toen bleek dat ik het mis had, begon ik bepaalde dingen in te zien. Zijn huis bijvoorbeeld, en de de dingen die hij had verzameld. Die leken op het eerste gezicht normaal, maar achteraf gezien bleken deze aanwijzingen te bevatten. Alles zat in een schaduw verborgen,” herinnerde ze zich, “een schaduw die langzaam moest verdwijnen.”

“Waar heb je het in godsnaam over?” mopperde Finley.

Avery slaakte een diepe zucht. “George Fine zou onze moordenaar kunnen zijn,” zei ze. “Hij heeft meisjes achtervolgd en een agent aangevallen. Maar met alles wat ik zo van hem zie, klopt er helemaal niets van. Het wijst helemaal een andere kant op, naar een vreemde gozer die vastzit in zijn eigen kop. We hebben geen duidelijk bewijs van iets anders, en daarom denk ik dat het huis alleen maar een toevluchtsoord is, een plek waar hij naartoe gaat om even uit zijn eigen hoofd te ontsnappen. Ik weet niet, misschien heb ik het wel helemaal mis. We gaan zeker naar het huis. Ik beloof het. Geef me een uurtje.”

Finley schudde zijn hoofd. “Shit, man. Ik ga eraan.”

“Nog niet,” zei ze. “Alleen maar een kleine omweg via Harvard om een andere verdachte te ondervragen en dan gaan we meteen naar Quincy Bay.”

De hele weg naar Cambridge bleef het doodstil in de auto. Op een gegeven moment was Avery zo nieuwsgierig naar Finley en hun moeilijke relatie in het verleden dat ze hem toch een vraag stelde. “Waarom hang je eigenlijk altijd de klootzak uit?”

“Tegenover jou?”

“Ja, tegenover mij.”

Finley haalde zijn schouders op alsof het antwoord duidelijk was. “Je bent een meid,” zei hij. “Iedereen weet dat meiden geen goede agenten zijn. Ik heb trouwens gehoord dat je lesbisch bent. En dat je met seriemoordenaars neukt, toch? Spoort niet. Je bent een gek wijf, Black. Je gedraagt je trouwens altijd net alsof je hier niet thuishoort. Dus denk ik bij mezelf: waarom gaat ze niet ergens anders heen als ze het hier niet leuk vindt? Dat is alles. Beetje treiteren, dat is alles. Als je respect wilt, moet je terugvechten,” zei hij en hij bokste met zijn vuist door de lucht. “Bam, bam, bam!”

Avery begon zich af te vragen of hij ze wel allemaal op een rijtje had.

* * *

“Kan ik iets voor jullie doen?”

Winston Graves zag er precies zo uit zoals de studentes hem hadden beschreven: arrogant, koel, groot, donker en atletisch. Hij had dromerige groene ogen en een gespierd, door de zon gebruind lichaam. Hoewel hij helemaal niet leek op de man op de beelden van de bewakingscamera’s, probeerde Avery hem met enkele vermommingen voor te stellen en ze ging wat dichter bij hem staan om zodat hij wat korter leek.

Hij stond voor zijn flat op de eerste verdieping en droeg een wit met rode basketbalshort, teenslippers en een mouwloos T-shirt. Een stapeltje boeken in zijn handen. Hij wierp een blik op naar Finley, die wat verder op het voetpad was blijven staan en naar hem loerde als een pitbull die op het punt staat aan te vallen.

“Mijn naam is Avery Black,” zei ze, terwijl ze haar badge tevoorschijn haalde. “Ik ben van de afdeling Moordzaken. Ik zou je graag enkele vragen willen stellen over Cindy Jenkins.”

“Dat werd dan hoog tijd,” zei hij.

“Hoe bedoel je?”

“Ik heb de politie zondag al gebeld. En dit is voor het eerst dat iemand het belangrijk genoeg vindt om met me te komen praten? Haha,” lachte hij sarcastisch, “ik ben onder de indruk.”

“Ik vrees dat ik het niet helemaal begrijp,” zei Avery. “Wilde je iets toevoegen aan de zaak? Wilde je daarom dat de politie je terugbelde?”

“Nee,” zei hij, “ik sta gewoon telkens weer versteld van de domheid van onze politiediensten.”

Avery kromp ineen.

“Au,” zei Finley. “Let op je bijdehante woorden, Harvard-jongen, of ik arresteer je wegens belemmering van het onderzoek.”

Winston keek Finley arrogant aan, maar toen hij zijn woedende blik zag, leek hij zich wat onzekerder en onderdaniger op te stellen.

“Wat willen jullie?” vroeg Winston.

“Je kunt ons om te beginnen vertellen waar je zaterdagavond was,” zei Avery.

Winston lachte. “Dat meen je niet,” zei hij. “Ben ik nu opeens een verdachte? Dit wordt steeds leuker.”

Winston blaakte van zelfvertrouwen alsof hij onaantastbaar was door zijn rijkdom en afkomst. Hij deed Avery denken aan al die multimiljonairs met wie ze had gewerkt toen ze nog advocaat was. In die periode gedroeg ze zich waarschijnlijk net zo.

“We gaan gewoon alles na,” zei ze.

“Ik was met mijn vrienden poker aan het spelen. Iedereen zat tot ongeveer middernacht bij mij thuis. Willen jullie dat nagaan? Ga uw gang. Hij noemde enkele namen op van zijn medestudenten.

Avery maakte aantekeningen. “Dankjewel,” zei Avery. “En hoe gaat het met jou?”

Hij fronste zijn wenkbrauwen. “Wat bedoelt u daar nu weer mee?”

“Ik weet niet, ik wilde gewoon wat medeleven tonen. Hoe voel je je? Ik veronderstel dat dit wel heel moeilijk moet zijn voor je. Ik heb begrepen dat jij en Cindy al geruime tijd een koppel waren. Twee jaar, klopt dat?”

“Fijn staaltje speurwerk,” zei hij sarcastisch. “Het was uit tussen Cindy en mij. Nog niet officieel, maar in de afgelopen maanden was het pijnlijk duidelijk geworden dat we niet bij elkaar pasten. We gingen elk een andere richting op. Ik was van plan het uit te maken. Dus nee, ik was er niet helemaal kapot van. Het is natuurlijk een vreselijke tragedie. Ik was uiteraard geschrokken toen ik hoorde wat er was gebeurd, maar tranen? Nee, daarvoor ben je aan het verkeerde adres.”

“Jemig,” zei Avery. “Het is pas drie dagen geleden.”

“Sorry,” snauwde Winston, “maar mis ik soms iets? U komt naar mijn huis, geeft de indruk dat ik een verdachte ben, stelt vragen over mijn relatie en dan probeert u me ook nog schuldgevoelens te bezorgen over mijn emoties. Misschien zou u beter wat op uw woorden moeten letten, rechercheur, of ik bel mijn advocaat en zorg ervoor dat u het wat rustiger aan mag doen.”

“Hou verdomme je bek!” schreeuwde Finley met een uitgestoken vinger.

Avery schonk hem een blik waarmee ze zei: hiermee help je dus echt niet.

Haar telefoon ging. “Black,” zei ze.

Het was O’Malley aan de lijn. “Stop meteen met wat je aan het doen bent,” zei hij met een dwingende, maar zachte stem. “Maak rechtsomkeer en rijd naar Violet Path op de begraafplaats Mount Auburn in Watertown. Sla het adres op in je telefoon en ga er als de bliksem heen. Vraag daar naar rechercheur Ray Henley. Hij heeft de leiding. Dat huisje kan wachten.”

“Wat is er gebeurd?” vroeg ze.

Drie seconden bleef het stil.

“Ze hebben net weer een lichaam gevonden.”

HOOFDSTUK VEERTIEN

Mount Auburn was een chique begraafplaats met kronkelende paadjes, meren en uitgestrekte bossen. Verschillende graven lagen verspreid over het hele terrein. Een aantal politiewagens van Watertown, ongemarkeerde politieauto’s, een ambulance en het busje van de forensische dienst stonden overal geparkeerd, waardoor het onmogelijk was Violet Path op te rijden. De bomen hielden het meeste zonlicht tegen. Groepjes toeschouwers en fietsers verdrongen zich om iets te kunnen zien wat zich net buiten Avery’s gezichtsveld afspeelde. Ze parkeerde de auto aan de voet van een heuveltje, net op het kruispunt van Walnut Avenue en Violet Path.

“Jij daar,” riep een agent in burger toen ze uit haar auto stapte, “je mag hier niet parkeren. Verplaats je auto. Dit is een plaats delict.”

Avery haalde haar badge tevoorschijn. “Avery Black,” zei ze. “Afdeling Moordzaken. Politie van Boston.”

“Je bevindt je buiten je rechtsgebied, Boston. We hebben jullie niet nodig hier. Ga terug.”

Avery schonk hem een beleefde en vriendelijke glimlach. “Ik ben gekomen voor Ray Henley.”

“Inspecteur Henley?” gromde de agent achterdochtig. “Wacht hier.”

“Waar heeft hij last van?” gooide Finley ertussen.

Hij stond zo dicht bij Avery dat hij bijna haar schouder aanraakte.

“Word ik gestraft?” vroeg ze. “Is dat waarom je hier bent?”

“Dit wordt mijn grote kans, Black. Door jou word ik een echte rechercheur.”

“God sta me bij.”

Een slanke, knappe man in spijkerbroek en een geruit overhemd kwam over de heuvel naar hen toe lopen. Hij zag er eerder uit als een arbeider dan als een rechercheur. Alleen de badge die hij om zijn hals droeg en het wapen op zijn heup verrieden zijn rol. Zijn gezicht was gebruind door de zon en hij had golvend bruin haar. Hij maakte een aangename en rustige indruk en lachte Avery toe alsof ze elkaar kenden. “Rechercheur Black.” Hij zwaaide. “Bedankt dat je bent gekomen.”

Hij gaf haar een stevige handdruk en toen hij haar aankeek kwam er een kalmte over Avery heen, alsof ze zich meteen in zijn armen wilde werpen om vergeving te krijgen voor al haar zonden.

Er viel een ongemakkelijke stilte.

“Ik ben Ray Henley,” zei hij.

“Oké,” zei Avery wat verward, “sorry.” Er is mij verteld dat jullie nog een lichaam hebben gevonden, dat leek op het lichaam dat we in Lederman Park hebben ontdekt.”

Het werd even stil toen ze meteen over de zaak begon. Hij zuchtte somber en wreef over zijn wangen. “Ja, inderdaad,” zei hij, “kom maar mee, dan kun je het zelf zien.”

Onderweg vertelde hij haar alles wat ze moest weten. “Een jogger vond haar vanmorgen rond zes uur. Door de manier waarop ze daar zat, dacht ze eerst dat het meisje een soort duivelsaanbidder was. We denken dat ze Tabitha Mitchell heet, een derdejaarsstudente aan het Massachusetts Institute of Technology. Ze is gisteravond nooit in het studentenhuis aangekomen. Haar kamergenote belde rond twee uur de politie en nog een keer om acht uur. Normaal gesproken wacht de politie van Cambridge achtenveertig uur voordat er een foto wordt verspreid, maar aangezien ze ook een studente is, hebben ze een uitzondering gemaakt.”

“Wat doet ze hier?”

“Ik dacht dat jij ons daarbij kon helpen.”

Het lichaam bevond zich op de top van de heuvel, omringd door grafzerken. Ze lag voorovergebogen over een grote grafzerk die eruitzag als een schaakpion. Hij had haar er weer ongelofelijk levensecht laten uitzien. Ze zat geknield en omhelsde het monument. Haar wang rustte op de top. Ze hield haar ogen open en er was iets wellustigs aan haar hele voorkomen. Ze had rode blush op haar wangen. Er was een soort lijm op haar gezicht en aan de punten van haar haren gesprayd, zodat het leek alsof ze zweette, en haar lippen waren licht geopend en getuit, alsof ze ademloos was.

“Ze draagt geen ondergoed,” zei Ray.

Cindy Jenkins had haar ondergoed nog aan gehad: een slipje en een beha. Wat heeft dit te betekenen? vroeg Avery zich af. Wordt de moordenaar brutaler? Of was ze zo de deur uit gegaan?

Tabitha’s ogen waren open en staarden naar iets in de verte. Avery volgde haar blik en kwam uit bij een groep witte, lage grafzerken op een grazige helling aan de overzijde.

“Finley,” zei ze en ze rilde inwendig bij het uitspreken van zijn naam, “schrijf alles op wat je bij die graven daar ziet. Duid ze aan zodat ik weet welke het eerste, het tweede en het derde graf is. Begrepen? Loop dan even rond door dat gebied. Seriemoordenaars keren vaak terug naar de plaats delict voor nog wat simpele spanning. Misschien hangt onze moordenaar daar nog steeds rond.”

“Een seriemoordenaar,” kaatste hij terug. “O, wauw. Goed gezien, jij weet van aanpakken, Black,” zei hij, terwijl hij met zijn vinger in haar richting wees.

“Is dat je partner?” vroeg Ray.

“Nee,” zei ze beslist.

Weer probeerde hij een gesprek aan te knopen. “Een paar dagen geleden zag ik je foto in de krant.” Hij glimlachte. “En,” voegde hij er een beetje verlegen aan toe, “een paar jaar geleden zag ik je in heel véél kranten.”

Eerst was Avery er zich niet van bewust, tot ze naar hem keek en besefte: hij is aan het flirten.

Met een dood lichaam in de buurt kon ze zich moeilijk op iets anders concentreren dan onderzoeken wat er was gebeurd en de stukjes van de puzzel op hun plaats krijgen. Ze vroeg zich af of dit kwam door het schuldgevoel en de kwelling uit het verleden, maar realiseerde zich toen dat ze altijd al zo was geweest, zelfs als advocaat: gefocust, volhardend en gedreven om verbanden te vinden die de zaak zouden kunnen oplossen. Het enige verschil was dat deze verbanden nu niet dienden om haar cliënten vrij te pleiten, maar om moordenaars te stoppen.

Ray voelde aan dat ze zich er ongemakkelijk bij voelde en veranderde van onderwerp. “Denk je dat hij de man is die we zoeken?”

Avery schraapte haar keel. “Absoluut,” zei ze. “Dit is zijn werk.”

“Nou,” verzuchtte hij, “dan geef ik je alle middelen die we hebben. We hebben in Watertown niet vaak te maken met zo’n soort misdaad. Als je wilt, dan stuur ik het lichaam naar jullie lab door en kun je van daaruit verder aan de slag. Is dat oké?”

“Natuurlijk,” zei ze oprecht dankbaar, “dat zou fantastisch zijn.”

“Begrijp me niet verkeerd,” zei hij glimlachend. “Ik doe het niet alleen maar om aardig te zijn. Heel eerlijk? Eigenlijk ben ik nogal dwangmatig wat delen betreft. Ik krijg er kippenvel van als ik bedenk dat er twéé dossiers bestaan bij zo’n belangrijke en dringende zaak.”

“Maar toch,” zei ze, “bedankt.”

Hij hield haar blik zo lang mogelijk vast. Avery bloosde en keek de andere kant op. Ze was blij met de aandacht die hij haar schonk, maar wilde graag weer aan het werk. Ze werd gered door een andere agent die hem riep.

“Inspecteur, we hebben iets gevonden.”

“Ben zo terug,” zei Ray.

De begraafplaats was een rustig en vredig terrein, net zoals Lederman Park waar Cindy Jenkins was achtergelaten. Waarom? vroeg Avery zich af. Wat is de betekenis van parken? In gedachten zette ze een aantal mogelijkheden op een rijtje. Was Tabitha ook lid van een studentenvereniging, net als Cindy? Ze was een derdejaarsstudente en half Aziatisch. Dus de moordenaar heeft het niet enkel gemunt op laatstejaarsstudenten of alleen blanke meisjes. Cindy kwam uit een belangrijke familie. En Tabitha? Ze waren allebei ontvoerd vanuit Cambridge. Waarom? Woont de moordenaar daar? Waar werd Tabitha voor het laatst gezien? Wie zag haar voor het laatst levend? Zijn er beelden beschikbaar? De lijst van vragen leek oneindig.

Wat wéten we eigenlijk? vroeg ze zich af.

Niets, dacht ze. We weten absoluut niets zeker.

Of toch, dacht ze opeens. We weten iets: we weten hoe hij er ongeveer uitziet, zijn ras, hoe hij te werk gaat en we weten welke drugs hij heeft gebruikt. Ramirez was een lijst aan het opstellen van handelaren die planten met verdovende eigenschappen verkochten en van autobedrijven en websites die blauwe Chrysler minibusjes aanboden. We kunnen deze aanwijzingen volgen. We kunnen ook de compositietekening van de moordenaar doorgeven aan de politie van Cambridge. Misschien vinden we daar een match. We kunnen ook nagaan waar het busje heen is gereden na Lederman.

Ik heb meer mensen nodig, dacht ze. En níét Finley.

Plotseling begonnen er politiesirenes te loeien.

Agenten schoten in actie.

“Iemand op de vlucht! Iemand op de vlucht!”

Wat verderop, op een ander pad, zag Avery een zwarte auto optrekken, misschien een Mustang, die een dikke rookwolk over de begraafplaats uitstootte. Beneden stond Ray bevelen uit te delen. De twee agenten en de fotograaf die bij het lichaam stonden, snelden zich naar de zwarte auto toe.

“Nee, nee,” zei Avery wijzend. “Hier blijven. Iemand moet het lichaam bewaken.”

Finley, dacht ze. Waar zit hij?

Haar portofoon kwam krakend tot leven.

“Hé, Black,” schreeuwde Finley, “we hebben hem. Ik heb hem!”

“Waar ben je?” vroeg ze streng.

“Ik zit in een politiewagen van Wartertown met... Hé, hoe heet jij?” hoorde ze hem vragen.

“Hou je mond, man!” zei een andere stem. “Ik probeer te rijden!”

“Ik weet niet hoe hij heet,” voegde Finley eraan toe. “Een of andere agent. Wij zijn de eersten. We volgen een zwarte Mustang. We rijden in noordwestelijke richting de begraafplaats af. Spring vlug in dat mooie witte karretje van je en kom ons versterking geven. We hebben hem!”

HOOFDSTUK VIJFTIEN

Avery sprong in haar auto en zette een zwaailicht op het dak. Het rode licht begon rond te draaien. Haar portofoon, een nieuw model dat zo licht en dun was als een smartphone, gooide ze op de passagiersstoel. In plaats daarvan zette ze de autozender aan en stelde hem in op de frequentie waarop ze Finley kon bereiken.

Ze startte de auto, draaide achteruit, trapte het gaspedaal in en reed zo snel ze kon naar Walnut Avenue. Het was een wirwar van paadjes op de begraafplaats. Door de bomen heen kon ze in de verte de achterkant van een politiewagen zien. Ze week van het pad af en reed over het gazon. Shit, dacht ze. Hierdoor krijg ik moeilijkheden. Ze probeerde de grafstenen te ontwijken. Ze kwam weer op de verharde weg en volgde een aantal politiewagens.

Avery zette buiten de begraafplaats de achtervolging in naar Mount Aubern Street. Ze kon nog net twee wagens ontwijken. Achter zich hoorde ze een botsing. De rij rood en blauwe zwaailichten reed in de richting van Belmont Street.

Avery nam de microfoon van de autozender. “Finley,” zei ze, “waar ben je?”

“Ach man,” zei Finley, “jullie liggen een heel eind achter. We zijn al veel verder dan iedereen. Dit is fantastisch. We gaan hem krijgen, de klootzak.”

“Waar ben je?” schreeuwde ze.

“Op Belmont, net voorbij Oxford. Nee, wacht, hij draait Marlboro Street in.”

Avery keek op haar snelheidsmeter. Honderd, honderdtwintig. Belmont was een weg met gescheiden rijbanen. Aan haar kant ervan kon ze makkelijk langzaam verkeer rechts voorbijrijden. Godzijdank hadden alle politiewagens het verkeer al omgeleid. Ze had de laatste auto ingehaald.

“Op Unity Avenue zijn we linksaf gegaan,” zei Finley.

De rij politiewagens ging rechtsaf Marlboro Street in en reden onmiddellijk weer naar links.

“We zijn gestopt. We zijn gestopt,” riep Finley uit. “Ik ben nu uitgestapt. De Mustang staat op het gazon van een klein bruin huis, aan de linkerkant. We zijn nu op weg naar het huis.”

“Ga het huis niet in!” riep Avery. “Hoor je me? Ga niet naar binnen!”

Het werd stil op haar radio.

“Shit,” riep ze uit.

Alle politiewagens hadden halt gehouden bij een vrijstaand bruin huis met twee verdiepingen. Voor het huis lag een gazon zonder bomen. De Mustang had het portaal van het huis bijna geraakt. Naast de Mustang stond een politiewagen en Avery veronderstelde dat dit de auto was waarin Finley had gezeten.

Avery stapte uit en trok haar Glock uit haar schouderholster. Ook andere agenten trokken hun wapen. Niemand leek te begrijpen wat er aan de hand was.

“Is dit onze kerel?” vroeg Henley.

“Geen idee,” zei een agent.

Binnen hoorden ze geroep.

Er werden schoten gelost.

“Jullie twee!” schreeuwde Henley zijn mannen toe. “Ga naar de achterkant van het huis. Zorg ervoor dat Sullivan gedekt blijft. Temple, jij dekt mij.” Gebukt liep hij de trappen naar het huis op en ging naar binnen.

Avery maakte aanstalten om achter hem aan te gaan.

“Wacht even, wacht!” schreeuwde een agent.

Met zijn armen in de lucht als teken van overwinning kwam Finley met zijn wapen in de hand het huis uit. “Ziezo,” zei hij. “Het is afgelopen met onze seriemoordenaar.”

“Finley, wat is er gebeurd?” schreeuwde Avery.

“Ik heb hem te pakken gekregen,” verklaarde hij zonder enig gevoel van berouw of fatsoen. “Ik heb die klootzak neergeschoten. Hij trok een wapen en ik schoot hem neer. Heb een agent het leven gered en die eikel neergeschoten. Zo doen we dat in het zuiden,” verklaarde hij, terwijl hij een teken maakte met zijn handen dat Avery meteen herkende als het teken van de South Boston D-Street Boys.

“Rustig aan,” zei ze. “Hoe weet je zo zeker dat hij de man is die we zoeken?”

Finley draaide zijn hoofd in de richting van het huis en sperde zijn ogen wijd open. “Zeker,” zei hij. “Hij is zeker de man die we zoeken. We vonden hem in de kelder. Een hoop gore shit daar. Je gelooft je eigen ogen niet.”

Henley kwam het huis uit. “Sullivan,” zei hij, “laat een ambulance komen, nu, en ga binnen in die kelder kijken. Dickers is neergeschoten. Hij heeft hulp nodig. Travers,” zei hij, “ik wil dat deze plaats wordt afgesloten. Niemand erin. Niemand eruit. Begrepen? We willen niet dat deze plaats nog verder wordt besmet. Marley! Eruit,” schreeuwde hij.

“Ik wil zien wat daarbinnen is,” zei Avery.

“Ga maar,” gebaarde Henry, “zij mag naar binnen, Travers. Zij allebei,” zei hij, waarmee hij Finley bedoelde. “Niemand anders.” Hij wendde zich tot Finley en zei: “Ik heb een verklaring van jou nodig, jongeman.”

“Geen probleem,” zei Finley. “Helden vertellen graag hun verhaal.”

“Vertel me alles, en langzaam,” snauwde Avery.

Finley, nog steeds vol adrenaline, reageerde scherp. “Ik heb gedaan wat je me gevraagd hebt,” zei hij snel en met zijn typische accent. “Ik was de namen op de grafstenen aan het noteren. Het waren graven van meisjes, misschien een jaar of achttien, twintig. Ik ben niet zo goed in rekenen. Ze waren gestorven tijdens de Tweede Wereldoorlog. En opeens zag ik die oude man die alles van een afstand aan het bekijken was. Hij zag er verdacht uit, weet je wel. Ik liet het een andere agent weten, want ik ben een teamspeler hè, en we gingen samen op weg om een praatje te maken met hem. Toen we halverwege waren, rende hij ervandoor naar zijn auto. Ik wist niet dat oude kerels zo vlug konden lopen. Hij sprong in zijn auto en ging er als de bliksem vandoor. Wacht maar tot je ziet wat we gevonden hebben. Heb de zaak helemaal in mijn eentje opgelost,” zei hij, terwijl hij zichzelf op de borst sloeg. “Wees maar niet ongerust, hoor. Ik zal jou niet vergeten in mijn verslag,” voegde hij eraan toe. “Wie is er nu een luiwammes?” schreeuwde hij naar de hemel.

Het enige wat Avery van het hele verhaal had begrepen was “grafzerken... meisjes... gestorven tijdens de Tweede Wereldoorlog...” en ze besefte dat ze moest proberen alles hierover te weten te komen.

Met haar wapen in de hand ging Avery door de voordeur.

Binnen hing een oude, muffe geur alsof er al lange tijd niemand meer had gewoond. De tapijten waren bedekt met wit stof. Een trap leidde naar de tweede verdieping. Boven hoorde Avery voetstappen en iemand riep: “Veilig.”

“Deze kant op,” zei Finley.

Hij leidde haar langs de trap. Links bevond zich de keuken. Rechts was er deur die naar de kelder leidde. Rond de deur hing een sterke geur: rottende lichamen en geurende oliën. Olie, dacht Avery. Misschien is dit inderdaad onze moordenaar.

Krakende treden leidden naar een grote, donkere kelder met een stenen vloer. De sterke geur deed Avery bijna kokhalzen: dode lichamen in staat van ontbinding, vermengd met zoete geuren om de stank te verdoezelen. Aan de balken en tussen het isolatiemateriaal hingen talloze luchtverfrissers. Tegen bijna elke muur stonden dozen gestapeld, honderden en honderden dozen. Op de enige vrije plaats in de kelder stond een lange tafel met opgedroogd, geronnen bloed. Op de tafel lagen allerhande snij-instrumenten.

Helemaal aan de andere kant van de kelder stond een groezelig bed.

Op dat bed lag een lichaam, onderhand helemaal blauw en in staat van ontbinding. De benen lagen gespreid en waren vastgebonden aan de spijlen van het bed, net als de handen. Het was een meisje, jong, en Avery kreeg de indruk dat ze al jaren geleden moest zijn gestorven.

Er waren overal vreemde seksattributen in de kamer: stoelen waarop iemand kon worden vastgebonden, kettingen aan het plafond en een schommel. Een van de dozen achteraan stond open. Avery keek in de doos en ving een glimp op van enkele vrouwelijke lichaamsdelen.

Ze kneep haar neus dicht tegen de stank. “Jezus.”

“Wat heb ik je gezegd?” zei Finley. “Verdomd gore boel, niet?”

Een dode man lag aan het voeteinde van het houten bed. Hij was ongeveer een meter negentig, oud, mager en had lange, grijze haren. Misschien een jaar of zestig, dacht Avery. Hij had een wapen in zijn hand.

De neergeschoten agent zat tegen een muur aangeleund en werd door zijn vriend geholpen. Gelukkig had hij een kogelwerend vest gedragen, maar enkele splinters hadden zijn nek en gezicht geraakt.

“Mijn vrouw vermoordt me,” zei de agent.

“Nee joh,” antwoordde de andere agent, “je bent een held.”

De kelder was smerig, met overal stofvlokken. De instrumenten op de tafel en de tafel zelf, en zelfs de seksattributen zagen eruit alsof ze nooit grondig waren schoongemaakt. De dozen die achteraan opeengestapeld stonden zaten vol vieze vlekken en vielen bijna om.

“Het hele huis moet grondig doorzocht worden,” zei Avery. “Finley, ga naar de garage en kijk of je het blauwe minibusje ziet staan. Zoek ook naar vermommingen, planten, naalden, alles wat met onze zaak te maken kan hebben.”

“Ik ga al,” zei hij en hij liep de trap weer op.

De rest van het huis was oud en gaf de indruk dat het niet werd bewoond. Geen dieren of planten. Het was netter dan de kelder, maar toch lag overal een dikke laag stof. Verder waren er in het huis geen perverse toestanden meer te vinden. Aan de muur hingen replica’s van schilderijen van artiesten zoals Bruegel en Monet. Het leek erop dat de verdachte het grootste deel van zijn tijd op de tweede verdieping doorbracht. Avery vond er zijn persoonlijke spullen en kleding.

Ze ging weer naar buiten. De buurt was tot leven gekomen. Overal waren zwaailichten te zien en heel wat mensen stonden nieuwsgierig te kijken naar wat er zich afspeelde in het afgesloten deel van de straat.

Hijgend kwam Finley terug. “De garage is leeg, enkel hier en daar wat spullen,” zei hij.

Gebaseerd op de beelden van de bewakingscamera’s en op haar eerdere ervaringen had Avery voor zichzelf al een beeld gevormd van de moordenaar. Ze stelde zich een sterke, elegante jongeman voor, goed opgeleid en antisociaal, een man die van kunst hield en veel afwist van medicinale brouwsels. De manier waarop hij zijn slachtoffers tentoonstelde deed haar denken aan de schilderijen van Parrish of aan de werken van Alphonse Mucha. Ook de drugs die hij gebruikte waren als het ware kunst op zich, samengesteld uit een aantal zeldzame, verboden planten en bloemen. Hij was ook bijzonder detailgericht en hygiënisch. De kleren van de slachtoffers had hij gewassen en hun gezicht had hij schoongemaakt.

Dit huis?

De dode man in de kelder?

George Fine?

Het waren allemaal puzzelstukjes, maar ze leken niet tot dezelfde puzzel te behoren. Elke puzzel had zijn eigen stukjes en alle stukjes lagen verspreid.

HOOFDSTUK ZESTIEN

Toen ze uit de lift kwamen stond het hele politiebureau Avery en Finley op te wachten. Finley genoot van alle aandacht. Hij maakte een buiging, riep naar zijn vrienden en bleef maar schreeuwen: “Ik ben de man, toch? Zie je nu hoe wij in het zuiden deze zaken oplossen?”

“Prima gedaan.”

Er werd geklapt.

“Je hebt die klootzak te grazen genomen.”

Helemaal alleen in een donker kantoortje schonk Avery geen aandacht aan alle drukte. De kreten waren voor haar niet meer dan wat achtergrondgeluiden. Verschillende beelden spookten door haar hoofd: George Fine, Winston Graves en de oude dode man in zijn gore, afschuwelijke horrorkelder.

O’Malley kwam zijn kantoor uit om Avery persoonlijk te feliciteren. “Vertel me eens,” zei hij. “Hoe is het gegaan?”

“Die kerel heet Larry Kapalnapick. Hij laadt vrachtwagens in bij Home Depot,” zei Avery. “Het lijkt erop dat alle lichamen in de kelder al een hele tijd dood waren.”

“Zieke lijkenopgraver!” kwam Finley ertussen.

“Hij deed dit waarschijnlijk al jaren,” zei Avery. “De politie van Watertown schat dat er lichaamsdelen liggen van minstens twintig verschillende mensen. Hij graaft hoogstwaarschijnlijk een lijk op, speelt er wat mee en snijdt het dan in stukken om in zijn kelder te bewaren. Henleys eenheid brengt op dit ogenblik alles naar het lab voor verder onderzoek.”

“Klootzak,” siste O’Malley.

Finley lachte. “Die klootzak had overal in zijn kelder luchtverfrissers hangen.”

“Enig nieuws over ons slachtoffer?”

“Vanuit het huis zijn we weer naar de plaats delict gereden. De lijkschouwer was er, samen met de forensische dienst. Randy beweert dat het dezelfde dader moet geweest zijn als bij Cindy Jenkins, dezelfde werkwijze en uit de geur is af te leiden dat ze dezelfde verdovende middelen heeft gekregen. Ze zal het nog verder onderzoeken.”

“Dus, Fine was het zeker niet?”

“Nee, dat is onmogelijk,” zei ze. “Hij zat al sinds de vorige avond vast. Hij is ergens schuldig aan, maar zeker niet aan deze moorden. Uit voorzorg heb ik Thompson en Jones opdracht gegeven om het huisje in Quincy Bay te gaan onderzoeken. Daarna zal Jones verder uitzoeken waar het minibusje naartoe gereden kan zijn en Thompson moet proberen alles te weten te komen over Winston Graves.”

“Graves? De vriend van Jenkins?”

“We zijn er nog lang niet,” gaf Avery toe. “Ondertussen neem Finley de zaak van Tabitha Mitchell over. Hij kan beginnen bij vrienden en familie.”

“Finley?”

“Hij heeft zijn best gedaan vandaag.”

Ze richtte zich tot Finley en zei: “Probeer verder te denken dan enkel Tabitha Mitchell. We hebben een verband nodig tussen haar en Cindy Jenkins. Kindertijd. Vakken die ze volgden op school. Favoriete eten. Naschoolse activiteiten. Vrienden en familie. Alles.”

Met een vurige blik klopte Finley op zijn hart. “Ik bijt me erin vast,” zei hij.

De hoofdinspecteur knikte naar Avery. “Wat ga jij doen?”

Avery dacht aan het blauwe minibusje dat vanuit Boston in westelijke richting was gereden. Ze ging ervan uit dat de moordenaar ergens voorbij Boston moest wonen: Cambridge, Watertown of Belmont. Samen goed voor zo’n tweehonderdduizend inwoners. Een oceaan vol gezichten dus.

“Ik moet nadenken,” zei ze.

* * *

Avery richtte haar Glock 27 op een schietschijf in de verte. Een oranje veiligheidsbril beschermde haar ogen en ze had oordopjes in. Ze zag het gezicht van Howard Randall voor zich, als invulling voor de nieuwe tot nu toe nog gezichtsloze moordenaar. Ze schoot.

Bang! Bang! Bang!

Drie schoten bijna in het midden van de schietschijf.

Veranderen van omgeving deed haar meestal goed: door eventjes na te denken en alles tot zich te laten doordringen ging ze alles vaak anders zien.

Maar dit keer stootte ze op een blinde muur. Geen aanwijzingen. Geen overeenkomsten. Enkel een muur die haar verhinderde de waarheid te weten te komen. Avery had nooit geloofd dat ze op zo’n muur kon stuiten. Muren waren voor anderen, voor andere advocaten, voor andere agenten die simpelweg geen muren konden slopen om de waarheid te ontdekken.

Wat zie ik over het hoofd?

Bang! Bang! Bang!

Haar kogels weken af naar rechts. Toen ze net met deze oefening was begonnen, had ze elke keer raak geschoten. Nu zaten de kogels er steeds naast. Net als ik, dacht ze. Mis. Ernaast. Waar moet ik het zoeken?

Nee, dacht ze en herpakte zich.

Adem in... Adem uit...

Bang! Bang! Bang!

Recht in de roos.

Howard Randall, dacht ze.

Opeens wist ze het: dat is het. Een nieuw perspectief.

Stom, dacht ze. Idioot. Connelly wordt gek. De media zou erbovenop springen. De media stikt er maar in. Zou hij het doen? Natuurlijk zou hij het doen, ze wist het opeens zeker. Hij ging de cel in voor jou. Hij is ziekelijk geobsedeerd door jou. Hij volgt de zaak waarschijnlijk al op de voet.

Nee, zwoor ze. Ik doe het niet. Ik wil het allemaal niet nog eens meemaken.

Ze laadde haar wapen en schoot opnieuw.

Bang! Bang! Bang!

Elk schot zat ernaast.

* * *

In het duister van het politiekantoor zat Avery na middernacht nog over haar bureau gebogen. Foto’s lagen voor haar uitgespreid: Cindy Jenkins, Tabitha Mitchell, Lederman Park, de begraafplaats, het steegje en screenshots van de moordenaar en van het minibusje.

Wat zie ik over het hoofd?

Nauwkeurig bestudeerde ze de foto’s.

Finley had al enkele getuigenissen. Tot nu toe leek het erop dat Tabitha op een openbare plaats werd ontvoerd, net als Cindy, hoogstwaarschijnlijk op enkele meters van de kroeg waar ze elke dinsdagavond zat. Maar er was geen sprake van een stalker of een vriendje die ze konden ondervragen. Volgens getuigenissen was Tabitha al een tijdje single. Tabitha was lid van een studentenvereniging, Sigma Kappa, maar dat was dan ook de enige link met Cindy Jenkins. Tabitha was een derdejaarsstudente economie. Cindy was een laatstejaarsstudente boekhouding.

Studentenverenigingen.

Zou dát de link kunnen zijn?

Ze nam zich voor alle bijeenkomsten van nationale studentenverenigingen te checken.

De film die in het Omni Theatre had gespeeld ging over drie vrouwen. De grafsteen wees drie vrouwen aan. Zou dit kunnen betekenen dat hij altijd in drievoud moordt? Ze vergeleek de film en de meisjes uit de Tweede Wereldoorlog en probeerde aanwijzingen te vinden.

Ze onderzocht verschillende routes rond Cambridge en Watertown en probeerde zich voor te stellen waar de moordenaar zou kunnen wonen en waarom hij juist deze routes had gekozen. Finley hield zich nu bezig met de lijst van donkerblauwe Chryslers. Ze hadden al tweeduizend eigenaars gevonden die in de laatste vijf jaar zo’n auto hadden gekocht. Maar stel dat hij die zes jaar geleden had gekocht, dacht ze. Of zeven?

Howard Randall beheerste nog steeds haar gedachten. Zijn stem begon zelfs door haar hoofd te spoken: “Kom gerust naar me toe, Avery. Ik zal niet bijten. Stel me je vragen. Laat me jou helpen. Ik heb je altijd al willen helpen.”

Ze sloeg tegen haar hoofd.

“Ga wég!”

Toch bleef zijn gezicht verschijnen en hij lachte.

HOOFDSTUK ZEVENTIEN

Om halfacht ’s morgens zat Avery in haar auto en reed in de richting van het huis van Constance en Donald Prince.

Ze woonden in Somerville, net ten noordoosten van Cambridge, in een klein geel met wit huis in een rustige straat. Rond de tuin stond een witte houten omheining. Het huis had twee terrassen: een op de begane grond en een op de eerste verdieping. Op deze laatste stonden een paar stoelen en een tafel zodat ze er in de vroege ochtendzon konden genieten van hun ontbijt. Alles zag er perfect uit: de bomen langs de stoep, de zon die opkwam en de vogels zongen aan de hemel.

Avery kon zich enkel het geschreeuw herinneren, het eindeloze geschreeuw, toen ze voor de eerste en enige keer de familie Prince had bezocht, en het gehuil en de borden die tegen de muren werden gegooid, alsof beiden haar wanhopig probeerden weg te jagen.

Constance en Donald Prince waren de ouders van Jenna Prince, de laatste Harvard-studente die professor Howard Randall had vermoord, nu bijna vier jaar geleden. De moord was gepleegd nadat de geweldige strafpleiter Avery Black het onmogelijke had gedaan en professor Randall vrijgesproken had gekregen van de moord op twee andere Harvard-studentes, ondanks het feit dat alle aanwijzingen in zijn richting wezen.

Avery dacht aan die korte tijd tussen haar overwinning en de moord op Jenna Prince. Toen de jury de vrijlating had beslist, was het feesten begonnen. Eindeloze nachten had ze feestend doorgebracht, ze had de duurste flessen wijn gekraakt en het bed gedeeld met talloze vreemde gezichten. In een van die nachten had ze zelfs haar ex opgebeld om te vragen of ze het nog een keer samen zouden proberen. Ze had nooit zijn antwoord afgewacht. Ze had enkel gelachen om haar vraag en gezworen nooit meer naar zo’n mislukkeling terug te keren. Toen ze er nu aan terugdacht, zelfs na al die jaren, schaamde ze zich nog steeds kapot.

Haar overwinning was van korte duur geweest.

Enkele dagen later las ze in de kranten de pijnlijke waarheid: Vrijgelaten Harvard-moordenaar slaat weer toe. Net zoals bij zijn vorige slachtoffers had hij de lichaamsdelen van Jenna Prince nauwkeurig verspreid over verschillende plaatsen op Harvard. Het enige verschil was dat Howard Randall zich die keer onmiddellijk als dader bekend had gemaakt. Meteen nadat het lichaam op Harvard was ontdekt, was hij opgedoken, hij had zijn armen in de lucht gehouden als teken dat hij zich overgaf en had helemaal onder het bloed gezeten. “Deze is voor jou, Avery Black,” had hij aan de reporters verklaard. “Dit is de prijs die je voor vrijheid betaalt.”

En haar overtuiging dat ze een keurige en eerbare persoon was? Dat ze eindelijk gedaan had wat ze had moeten doen, een onschuldig man vrijlaten?

Weg.

Alles waarin ze ooit had geloofd werd hiermee vernietigd. Haar echtgenoot had de waarheid over haar overdreven zelfvertrouwen en enorme ego al een hele tijd geleden ontdekt. Maar haar dochter? Voor haar was het een schokkende openbaring geweest. “Ging het alleen maar om het geld?” had Rose haar gevraagd. “Je hebt een seriemoordenaar vrijgepleit. Hoeveel andere moordenaars heb je laten gaan zodat je dit soort schoenen kon kopen?”

Avery keek naar het beige interieur van haar BMW. Het leer zag er verbleekt en oud uit. Het zwarte dashboard was eruit gehaald en vervangen door een radiosysteem, een politiescanner en een computer voor als ze surveillancedienst had. De auto die ze op het hoogtepunt van haar roem en arrogantie had gekocht, deed haar nu alleen maar denken aan haar decadente verleden en haar testament voor de toekomst.

“Je bent niet voor niets gestorven,” zwoor ze in nagedachtenis van Jenna Prince. “Dat beloof ik je.”

De weg naar het huis leek eindeloos lang. Ze hoorde haar voetstappen op het grind, vogels, auto’s in de verte en alle geluiden maakten haar bewuster van zichzelf en wat ze ging doen. “Ik haat jou,” had Constance haar al die jaren geleden toe gespuwd. “Je bent de duivel. Je bent nog erger dan de duivel.” “Ga onmiddellijk ons huis uit!” had Donald haar toegeschreeuwd. “Jij hebt onze dochter vermoord. Wat wil je nog meer? Vergiffenis? Wie kan er ooit zo’n zieke en slechte persoon als jij vergeven?”

Avery liep de trappen op.

Een telefoontje vooraf zou nog ongepaster geweest zijn dan dit onverwachte bezoek. Ze wilde dat ze haar gezicht zagen, haar wanhoop. En ze had hen nodig.

Ze drukte op de bel.

Een vrouwelijk stem van middelbare leeftijd riep: “Wie is daar?”

Voetstappen kwamen dichterbij.

De deur ging open.

Constance Prince zag er bleek uit, ze had een onnatuurlijke zongebruinde teint en kortgeknipte geblondeerde haren. Ze kwam alleen nog maar het huis uit om boodschappen te doen en om Mahjong te spelen met haar vriendinnen, maar ze was toch zwaar opgemaakt: blush, eyeliner en felrode lippenstift. Rond haar mond en ogen had ze diepe rimpels. Ze droeg een lichte trui en een rode broek. Gouden armbanden rinkelden om haar polsen en in haar oren had ze gouden oorbellen.

Ze knipperde een paar keer met haar ogen, waarna ze Avery strak aanstaarde. De gastvrijheid die ze had uitgestraald, smolt als sneeuw voor de zon. Haar adem stokte en geschrokken zette ze een stap terug.

Een andere stem riep: “Wie is daar, schat?”

Zonder een woord te spreken probeerde Constance de deur te sluiten.

“Alstublieft,” zei Avery, “ik wil u alleen maar iets vragen. Daarna ga ik er meteen weer vandoor.”

Door de smalle deuropening kon ze een klein stukje van Constance’ gezicht zien. Ze hield haar hoofd gebogen en bewoog zich niet.

“Alstublieft,” smeekte Avery. “Ik wil iets te weten komen, maar ik heb uw toestemming hiervoor nodig.”

“Wat wil je?” fluisterde Constance.

Avery keek onderzoekend naar het stoepje en de straat en draaide zich daarna weer in de richting van de deur. “Hebt u de kranten gelezen?”

“Ja.”

“Er is een nieuwe moordenaar op pad. Hij lijkt op de vorige,” zei Avery zonder de naam Howard Randall te noemen. “Hij is slim en moeilijk te pakken te krijgen. Vandaag werd er weer een lichaam gevonden. Dit zijn er dus twee tot nu toe, maar we hebben redenen om aan te nemen dat hij drie meisjes wil vermoorden. Er zal dus waarschijnlijk gauw een derde slachtoffer vallen. Ik ben nu politieagente,” voegde ze eraan toe. “Ik ben niet langer de persoon die ik toen was. Ik probeer het goed te maken, ik probeer ánders te zijn.”

De deur ging helemaal open.

Donald Prince had de plaats van zijn vrouw ingenomen. Hij zag er ouder uit, was behoorlijk zwaar en zag er ongezond uit. Zijn haar was kortgeknipt en grijs, hij had een rood gezicht en hij keek haar geschokt en met een woedende blik aan. Hij ging gekleed in een vuil T-shirt, een short en groene klompen. Aan een van zijn handen had hij een handschoen met tuinaarde eraan.

“Wat wil je, verdomme?” zei hij. “Waarom ben je hier?” Hij keek de straat in. “Je bent hier niet welkom. Heb je onze familie nog niet genoeg verdriet bezorgd?”

“Ik ben gekomen om uw toestemming te vragen,” zei ze.

“Toestemming?” spuwde hij uit en even leek het alsof hij begon te lachen. “Jij krijgt helemaal nergens onze toestemming voor. We willen je uit ons leven! Jij hebt onze dochter vermoord. Begrijp je dat dan niet?”

“Ik heb uw dochter niet vermoord.”

Hij sperde zijn ogen wijd open. “Denk je dat dat een excuus is voor wat je hebt gedaan?”

“Ik heb fouten gemaakt,” zei ze, “en daar moet ik mee leven, elke dag. Maar ik ben veranderd. Ik ben nu politieagent. Ik probeer mijn fouten goed te maken en ze niet zomaar op vrije voeten te laten.”

“Nou, heel fijn voor je,” antwoordde hij agressief. “Maar een beetje te laat voor ons, hè?” Hij probeerde de deur te sluiten.

“Wacht,” zei Avery. Ze hield haar handpalm tegen de deur. “We hebben weer een moordenaar. Net als Howard Randall. Hier in de buurt. Hij zal nog een keer toeslaan. Ik ben er zeker van. En heel gauw. Ik heb geen enkele aanwijzing en ben ten einde raad. Ik heb nieuwe inzichten nodig. Ik moet Howard gaan bezoeken en te weten komen of hij me kan helpen. Ik wil hiervoor uw toestemming.”

Binnen hoorde ze gelach.

De deur ging open.

Donald leunde naar achteren en zag er ondoordringbaar uit. “Je wilt mijn toestemming?” zei hij. “Om met de moordenaar van mijn dochter te gaan praten, zodat je een andere moordenaar kunt pakken?”

“Precies,” zei ze.

“Ja, hoor,” zei hij met een valse lach. “Veel succes.”

Alle vertrouwelijkheid verdween uit zijn gezicht en met een donkere, moordende blik keek hij Avery aan. “Het kan me niet schelen wie je nu bent. Begrijp je dat? Kom nog eenmaal in onze buurt. Praat nog eenmaal met mijn vrouw.” Zijn ogen brandden van woede en hij fluisterde: “En ik vermoord je. Dat zweer ik. En dat, dát zal gerechtigheid zijn. Echte gerechtigheid.”

HOOFDSTUK ACHTTIEN

De South Bay-gevangenis was een reusachtig bruin complex dat bestond uit zes vierkante blokken in het South End in Boston. De vesting was gebouwd in een driehoek met weinig ramen en nog minder toegangspoorten. Voor de gemiddelde bezoeker was het door de verschillende kleinere gebouwen, de hoge muren en de eindeloos lange omheiningen moeilijk om de ingang vinden.

In het verleden had Avery South Bay al verschillende keren bezocht, als advocaat en als agent. Hoewel het voor haar eenvoudig was om over Massachusetts Avenue te rijden en bij de verschillende zijstraten te komen van waaruit ze op Brandson Street kon parkeren om makkelijk het hoofdgebouw te bereiken, was het toch altijd een tijdrovende en ingewikkelde onderneming.

Bezoekers moesten minstens vijf dagen van tevoren een schriftelijke aanvraag indienen om het gebouw binnen te komen. Zonder goedkeuring werden ze, omwille van veiligheidsredenen, meteen de deur gewezen, ondanks hun naam, positie of de reden van hun bezoek. Het feit dat Avery een politieagent was betekende helemaal niets voor de bewakers van South Bay. Gevangenissen waren net privé-eilandjes, staten op zich waar de medewerkers enkel verantwoording ten opzichte van hun directeur of de burgemeester moesten afleggen.

Avery daarentegen was geen gewone bezoeker.

Als lokale beroemdheid in South Bay kende bijna elke medewerker haar. De rechtszaak waarbij ze Howard Randall had vrijgepleit van moord was uitgebreid op tv gekomen. Wat ook op tv was gekomen, was zijn bloederige overgave enkele dagen later. Tijdens beide gebeurtenissen was haar gezicht overal te zien geweest, en tot haar verdwijning en uiteindelijke verschijning bij de politie van Boston stond haar naam synoniem met corrupte advocaten en een rechtssysteem dat grondig herzien moest worden.

Bij de metaaldetector riep een bewaker: “Hé, mevrouw Black. Kijk eens wie we hier hebben, Joey! Avery Black is terug.”

“Alles goed, mevrouw Black?”

Avery wuifde hem slap toe. “Hallo, mannen.” Ze legde haar spullen op de tafel en liep door de scanner.

Een andere opzichter maakte een buiging. “Waaraan hebben we deze eer te danken, mevrouw Black?”

“Ik kom Howard Randall bezoeken.”

“Ooo!” kirden een aantal opzichters.

“Wat zou ik daar graag een vlieg op de muur zijn,” zei iemand. “Wees voorzichtig, Black. Randall werd twee maanden geleden overgeplaatst naar blok B. Hij had een andere gevangene behoorlijk toegetakeld. Die ouwe kan er nog wat van!”

Na de metaaldetectors werd ze gefouilleerd en mocht ze plaatsnemen in de bezoekerskamer.

“Naam?” vroeg een onbeleefde, stuurse vrouw in het beveiligde kantoortje.

“Avery Black. Politie van Boston, afdeling Moordzaken.”

“Ik heb je naam niet op mijn lijst, Black. Je zal een andere keer moeten terugkomen.”

Een bewaker die toevallig voorbijkwam trok een gezicht. “Nee, nee,” zei hij, “laat haar maar binnen. Weet je niet wie ze is? Avery Black. Heeft die gekke, ouwe kerel van een Randall vrijgepleit voor moord. Bijzonderste zaak die ik ooit heb gezien.”

“Op jouw verantwoordelijkheid?”

“Ja, ja. Geef haar maar een pasje. Ik stuur iemand naar Randall. We gaan eens kijken of hij zin heeft in een praatje. Het spijt me, mevrouw Black, maar als hij u niet wil zien, kunnen we niets doen.”

“Begrepen,” zei ze.

De beveiligde wachtkamer was behoorlijk groot en de muren waren groen geschilderd. Verderop kon ze het geluid van zoemers en slaande deuren horen. Verschillende tafels en stoelen waren bezet met bezoekers die zaten te wachten tot ze een van de gevangenen te zien kregen. Een Mexicaans koppel was ruzie aan het maken terwijl hun drie kinderen de kamer rondliepen en probeerden met de andere bezoekers te praten.

Wat doe ik hier eigenlijk? vroeg Avery zich af.

“Black! Dit moet je geluksdag wel zijn,” riep de bewaker. “Randall zei dat hij je al verwachtte. Jammer genoeg geen openbare bezoeksruimte voor hem. Hij moet opgesloten blijven. Zodra hij zijn mond opentrekt zit hij in de problemen. Wat meer privacy voor jou ook, toch? En trouwens, je was toch ooit zijn advocaat? Heb je dan geen bepaalde voorrechten?”

De weg naar de kelder was precies zoals Avery het zich herinnerde.

Gevangenen schreeuwden en kletterden tegen de tralies van hun cel. “Haal me hieruit! Ik ben onschuldig!” Bewakers riepen: “Hou je mond of je gaat in de separeer!” Ze hoorde zowel de bewakers als de gevangenen fluisteren. “Hé, schatje. Even een onderonsje?”

De kelder was donkerder dan de rest van de gevangenis, met slechte verlichting en dikke zwarte deuren in muren van grijs beton. De deuren hadden elk een wit nummer. B1... B2... B3. Ze liepen alle deuren voorbij en kwamen bij een volgende poort.

“We hebben hem voor je in de vergaderruimte gezet,” zei hij. “Je zal daar wat rustiger zitten. Als je klaar bent, roep je maar.”

Een zwarte deur zonder nummer stond open.

In een heel smal kamertje zat Howard Randall aan het eind van een lange metalen tafel. Hij had een groot hoofd en zijn grijze haar was aan de zijkanten kortgeschoren. Zijn gerimpelde gezicht werd gesierd door een dikke bril. Met zijn kleine ogen keek hij Avery opgewonden aan. Hij was gekleed in een oranje overall. Zijn rimpelige handen lagen op tafel en werden met handboeien bijeengehouden. Ook zijn voeten waren geboeid en aan een tafelpoot vastgemaakt zodat hij niet opeens kon opspringen.

“Ziezo, Howard,” zei de bewaker. “Zie je wat ik doe voor jou? Ze wilden haar eerst niet naar beneden laten komen. Ze had geen afspraak gemaakt. Maar ík heb haar binnen gekregen. Dat is wel iets waard, toch?”

Howard glimlachte en knikte dankbaar. “Natuurlijk, agent Roberts,” zei hij zacht maar zelfverzekerd. “We zullen het later wel over de betaling hebben.”

De pafferige bewaker glimlachte terug. “Prima deal,” zei hij. “Denk eraan,” zei hij tegen Avery, “roep me maar wanneer je klaar bent. Ik ben niet ver weg. Hak haar niet aan stukken, Howard,” lachte hij.

De deur sloeg dicht.

De laatste keer dat Avery hem had gezien was drie jaar geleden, voor een nikszeggend bezoekje dat haar hopelijk enkele antwoorden zou hebben gegeven. Maar toen had Howard het alleen maar gehad over hoe dankbaar ze hem wel moest zijn voor alles wat hij haar had gegeven.

Hij zag er tammer uit dan bij haar laatste bezoek. Slecht eten en geen beweging, dacht ze. Maar zijn ogen... Zijn ogen straalden als sterren.

“Hoe gaat het met je, Howard?”

“Hoe gaat het met jóú, Avery?”

“Altijd de therapeut, net zoals vroeger,” zei ze. “Waar ging dat over?” vroeg ze met een blik over haar schouder. “Wat wil hij als betaling?”

“Agent Roberts wordt graag aangeraakt,” zei hij. “Hij valt op oudere mannen. Ik wind hem op. Hij zal later wat tijd samen willen doorbrengen.”

“Ik dacht dat je aseksueel was?”

Howard haalde zijn schouders op. “Een mens wordt eenzaam hier,” legde hij uit. “We doen wat we moeten doen om te kunnen overleven, toch, Avery?”

Ze verstarde en keek hem strak aan, in de verdediging gedrukt. “Hoe bedoel je?”

Howard keek haar zorgeloos aan. Hij probeerde zijn handpalmen te openen en ontspannend achterover te leunen, maar de handboeien hielden hem dicht bij de tafel.

“Avery toch,” zei hij, “waarom ben je zo op je hoede? Jij bent naar míj toe gekomen. Ik ben maar een simpele gevangene. Hoe zou ik je nu nog kunnen kwetsen?”

“Ik heb gehoord dat je hier zit omdat je een andere gevangene hebt aangevallen.”

“Dat was iets heel anders.” Hij knikte instemmend. “Mijn daden waren in de gegeven omstandigheden perfect gegrond. Ga zitten, alsjeblieft. Ik krijg tegenwoordig niet zo veel bezoek. Vertrouw me nu maar. Ik bijt niet,” zei hij met een spaarzaam, duister lachje waarbij zijn kleine tanden zichtbaar werden.

De afschuw die Avery altijd al voor hem had gevoeld kwam opeens terug. Ze had de neiging om te kokhalzen. Hij heeft me gemanipuleerd, dacht ze, me belogen, opzettelijk mijn leven verwoest. Waarom ben ik eigenlijk hierheen gekomen? Waarom zou ik hem vertrouwen? Hij zal me niet helpen.

Alsof hij haar gedachten kon lezen, zei hij: “Je bent gekomen in verband met de zaak, nietwaar?”

“Welke zaak?”

“In de krant van vandaag spreken ze over de studentenmoordenaar, als ik het me goed herinner. Twee slachtoffers, allebei studenten aan de universiteit, werden op een bijzondere manier... ergens neergezet, toch? Als paspoppen.”

“Wat weet je nog meer?”

“Ga zitten,” zei hij nog een keer.

Met tegenzin trok Avery een stoel onder de tafel vandaan en ging zitten.

“Dat is beter, hè?” kirde hij.

“De bewaker zei dat je me verwachtte.”

“Ja,” zei hij.

“Hoe wist je dat ik zou komen?”

“Ik wíst het niet, Avery. Ik kan geen gedachten lezen. Maar sommige dingen weet ik wel,” fluisterde hij, terwijl hij naar voren leunde. “Zo weet ik bijvoorbeeld dat je niet zo lang geleden werd gepromoveerd tot rechercheur op de afdeling Moordzaken, en dat je deze zaak leidt, toch? Dat vertellen de kranten. En ik weet dat je één groot talent hebt, Avery, en dat is je doorzettingsvermogen. Je gaat door tot je wint. Maar hier ben je het spoor bijster, hè? De gewone man verdedigen is één ding. Bendeleden opsporen is een andere zaak, deze lui hebben bepaalde levensbehoeften en verlangens en hun motieven zijn makkelijk te begrijpen. Maar mensen zoals ik?” Even zei hij niets. “Wij zijn van een heel andere soort. Onze motieven, onze doelstellingen zijn vaak moeilijker te begrijpen door... minder belangrijke stervelingen.”

“Noem je mij een minder belangrijke sterveling?”

Hij knikte eenmaal kort met zijn hoofd, alsof hij “ja” wilde zeggen, zonder het met zoveel woorden toe te geven.

“Ik weet dat je nu hier bent,” zei hij, “en dat betekent dat je iets nodig hebt. Ik denk dat je wil dat ik je help om deze zaak op te lossen. Een dappere zet, mevrouw Black. Ik dacht altijd dat je op me neerkeek en toch ben je hier, je ben naar mij gekomen voor hulp. We zijn weer partners.”

“We zijn nooit partners geweest.”

“We zijn altíjd partners geweest,” verbeterde hij haar meteen. “Ik kwam hier voor jou, Avery, om jou het licht te laten zien, om jou te veranderen; niet je kleding, maar wie je diep vanbinnen bent. Een enkele persoon, één leven kan een wereld van verschil maken en jij bent het bewijs daarvan: mijn grootste geschenk aan de mensheid. Je bent veranderd. Ik zie het. Je bent je brutale houding kwijt. Dat arrogante gedrag is verdwenen. Zoals je hier nu voor me zit, ben je een eenvoudige dienaar van de wet. Je zoekt niet langer rijkdom of macht en je hebzucht is verdwenen. Ik hou van de nieuwe Avery. Ik ga er volledig mee akkoord.”

De persoon over wie hij het had, de persoon die hij zogezegd liefhad, was alleen nog het lege omhulsel van de vrouw die Avery ooit was geweest. Een beschadigd omhulsel, zo laag gevallen dat ze bijna nooit meer haar haar kamde of bedacht wat ze zou aantrekken. Ze was een geest, een geest die rondreed in haar auto van vroeger en die zich hulde in kleding uit haar vorige leven, maar die volledig dood was. Afgezien dan van haar ijzeren wil, een wil die haar dreef om waar dan ook gerechtigheid te vinden, zodat ze op een dag haar fouten uit het verleden kon rechtzetten en vrij kon zijn.

“Ik haat de persoon die ik ben geworden,” zei ze.

“En als je terug zou kunnen gaan,” vroeg hij haar, “zou je het dan doen?”

Nee, dacht Avery. Ze zou nooit teruggaan. Dat leven was voorbij. Maar dit nieuwe leven... Dat was nog niet compleet. Ze schaamde zich nog steeds, ze vocht nog steeds om uit de schaduw van haar bestaan te treden. Ze dacht aan haar donkere, lege flat, aan haar leven zonder vrienden of familie, aan haar dochter die niets met haar te maken wilde hebben. Opeens voelde Avery zich mentaal wegglippen naar een plaats waar ze in haar hele leven maar één keer was geweest, een donkere plaats.

“Ik kan nooit teruggaan,” zei ze.

“Dus,” zei Howard, “het verleden is voorbij, maar de toekomst is nog altijd niet rooskleurig. Ik kan je helpen, Avery. Ik wíl je helpen.”

Avery keek op, ze was zich plotseling weer bewust van de kamer, van Howard Randall die voor haar zat en ze dacht aan haar zaak die vastliep. “Ik heb je hulp nodig,” gaf ze toe.

“En ik heb iets nodig van jóú, Avery.”

Met intense passie sperde hij zijn kleine bruine ogen wijd open, hij leunde zo ver mogelijk voorover en herhaalde: “Ik heb iets nodig van jóú.”

“Wat heb je nodig?” vroeg ze.

Randall veranderde compleet. Met zijn handen sloeg hij op de tafel, hij stond voorovergebogen en schreeuwde zijn intense, vurige woorden in haar gezicht.

“Váder,” zei hij, “Grover Black. Alcoholist. Verkrachter die sloeg en mishandelde. Móórdenaar.”

De woorden sneden Avery recht in het hart en brachten haar terug naar het verleden, naar dat huis in Ohio, waar ze samen met haar vader en haar moeder had gewoond. “Nee,” zei ze.

“Moeder. Layla Black. Alcoholiste. Drugsverslaafde. Gék!”

Avery was na het hele incident met Randall bij psychologen geweest, heel wat psychologen, maar dit keer was het helemaal anders. Toen was ze op haar hoede en had ze zelf de regie. Met maar enkele woorden en een gedreven passie had Randall het kind in haar teruggebracht. Ze voelde zich weer zes jaar oud.

De tranen kwamen, de instinctieve tranen van een jong meisje die haar moeder wilde redden van een gewapende vader die geen grenzen kende.

“Vader! Alcoholist. Vernederend. Moordenaar!”

Wanhopig en buiten zichzelf sprong Avery overeind en timmerde op de deur. “Laat me eruit!” riep ze.

Randall hield zijn mond. Hij leunde naar achteren en trok een wenkbrauw op. “De moordenaar die je zoekt is een kunstenaar, nietwaar?” zei hij. “Hij stelt de slachtoffers tentoon als geliefden. Hij is introvert, een dromer. Niet iemand die zomaar meisjes van de straat plukt. Hij gaat naar hen op zoek, observeert hen, kent hen ergens van. Denk na, Avery. Denk na...”

De bewaker opende de deur.

Avery haastte zich naar buiten.

HOOFDSTUK NEGENTIEN

Op de parkeerplaats van de gevangenis zat Avery als een hoopje ellende en helemaal gebroken ineengedoken over het stuur van haar auto geleund. Tranen stroomden over haar wangen en ze snikte hardop. Op een gegeven ogenblik richtte ze zich schreeuwend op en sloeg met volle kracht op het stuur.

Woorden.

Telkens als ze in gedachten een van zijn woorden hoorde, schreeuwde ze harder.

Aanrander. Alcoholist. Moordenaar.

“Nee, nee, nee.”

Ze schudde haar hoofd om de beelden te laten verdwijnen: haar vader in het bos, een wapen in zijn hand. Het lichaam achter hem. Spataderen. Grijze haren. Die groene jurk.

“Ga weg, ga weg, ga weg,” smeekte Avery.

Ze was het bijna vergeten, tot nu. Al die jaren had ze geprobeerd het verleden achter zich te laten, Ohio te verlaten en haar verschrikkelijke geschiedenis uit te wissen. En met enkele woorden had Howard Randall alles teruggebracht.

“Je bent net als hen,” snikte ze ongelukkig.

Moordenaar.

Alcoholist.

Net als hen... Net als hen.

Nee! schreeuwde ze in gedachten. Je bent helemaal niet net als hen! Je bent geen moordenaar of een drugsverslaafde. Je bent niet ziek in je hoofd. Elke dag doe je je best. Fouten? Natuurlijk, maar altijd geef je het beste van jezelf.

Laat hem verdwijnen uit mijn hoofd.

Laat hem verdwijnen uit mijn hoofd.

Met haar vuisten veegde ze haar tranen weg. Ze stopte met snikken. Beheers je, zei ze tegen zichzelf.

Ze begon opnieuw te huilen, maar zachter en rustiger dit keer. Ze huilde niet om haar verre, pijnlijke verleden, maar om haar nieuwe leven, haar eenzaam en pijnlijk bestaan.

Ze sloeg op het stuur. “Beheers je!”

Opeens zag ze alles heel helder. Ze werd zich bewust van alles om zich heen: de rand van de voorruit, haar arm, de auto’s die om haar heen geparkeerd stonden, de hemel.

Nog niet helemaal zichzelf, maar veel rustiger pakte Avery de telefoon en belde Finley.

“Yo, yo,” antwoordde hij.

“Finley,” zei ze, “waar ben je?”

“Ik ben druk bezig op kantoor. Waar hang jij in godsnaam uit? Ik zou hier extra voor betaald moeten worden, weet je dat? Verdien ik geen vrije dag omdat ik die griezel te grazen heb genomen? Ik heb net een van de meest fantastische zaken in mijn leven opgelost en zit hier nu vast op kantoor. Eigenlijk verdien ik een biertje.”

Zijn hele monoloog klonk als één lang woord.

Avery wreef in haar ogen. “Finley, kalm aan. Wat heb je tot nu toe?”

“Waarom vraagt iedereen me altijd om kalm aan te doen?” klaagde hij verontwaardigd. “Er is niets mis met de manier waarop ik praat. Iedereen in mijn team begrijpt me prima. Misschien ligt het probleem bij de anderen, heb daar al ooit aan gedacht? Dat is wat mijn moeder altijd zei.”

“Finley! Update graag.”

“Het lichaam is naar de lijkschouwer gebracht,” zei hij rustiger en wat langzamer. “De plaats delict is grondig onderzocht. Ze hebben enkele vezels gevonden, maar het ziet ernaar uit dat het dezelfde vezels zijn die ze bij Jenkins hebben aangetroffen: kattenhaar en enkele vlekken van plantenextract op haar kleren. Zoals je hebt gevraagd, heb ik me de afgelopen uren beziggehouden met een verband tussen beide meisjes te zoeken. Verschillende vakken op de universiteit: economie en boekhouding. Tabitha was derdejaars, Cindy laatstejaars. Verschillende studentenverenigingen, helemaal geen familiebanden. Bla, bla, bla. Ik heb ook met Ramirez gesproken. Hij vertelde me dat de ouders van Cindy het over een cursus kunst hadden die ze vorig jaar in Cambridge heeft gevolgd. De studio waar die werd gegeven, heet Art for Life en bevindt zich tussen Cambridge Street en Seventh. Ik heb enkele vrienden van Tabitha opgebeld en gevraagd of zij daar iets van afwisten. Ik wacht nog op een antwoord.”

Kunstenaar, dacht Avery. Hij zei dat de moordenaar een kunstenaar is. “Wie geeft daar les?” vroeg ze. “Wie is de eigenaar van de studio?”

“Hoe kan ik dat nu in hemelsnaam weten? Denk je dat ik soms alles tegelijk kan?” blafte hij. “Je vroeg me zowat honderd dingen tegelijk. Ik heb er geen idee van wie die verdomde lessen geeft. Ik zei toch, ik wacht op antwoorden.”

Ze sloot haar ogen. “Oké,” zei ze, “bedankt.”

“Kom je me hier nu nog helpen of niet?” klaagde Finley.

“Ik moet eerst nog iets uitzoeken,” zei ze. “Heb je het adres van Cindy? En van Tabitha? Ik wil eens langsgaan bij hun flat om te zien of ik iets kan vinden.”

“Ik ben al in Tabitha’s flat geweest. Een typische meisjeskamer. Hippe kleding en een paar stomme posters aan de muur. Niets bijzonders.”

“Dat beslis ik zelf wel.”

* * *

Cindy had in een huis gewoond dicht bij het Kappa Kappa Gamma-huis en dicht bij haar vriend. Het wit met blauwe, twee verdiepingen tellende huis in Tudorstijl was geschikt voor twee personen. Cindy huurde de eerste verdieping, op de tweede verdieping woonde een andere laatstejaarsstudente van Harvard.

Avery had haar bezoek aangekondigd, zodat ze er zeker kon van zijn dat de bewakers haar zouden binnenlaten.

Onder een steen bij de voordeur lagen de reservesleutels.

In de flat hing een muffe geur. Er waren vier kamers: een zitkamer, een slaapkamer, een tweede kamer die Cindy als studeerkamer had ingericht en een keuken. Enkele kunstwerken versierden de muren.

In de studeerkamer lagen bibliotheekdocumenten en een aantal paperbacks. Haar bureau lag vol met stapels papier.

Avery nam de documenten door: doktersrekeningen, foldertjes, sollicitatiebrieven, verslagen. Alles was netjes en ordelijk. Avery noteerde alles in haar telefoon: Cindy’s dokter, elke leraar die haar les had gegeven, waar ze gesolliciteerd had en haar huidige werkgever, Devante Accounting Firm. De brief met de bevestiging dat ze bij het boekhoudbedrijf als assistent-boekhouder aan de slag kon had ze trots een speciaal plaatsje op haar bureau gegeven.

Nergens vond ze iets over een kunstcursus. Wat ze wel ontdekte was een ingelijst met de hand geschilderd schilderij aan de muur, met onderaan Cindy’s handtekening. Het schilderij stelde een fruitschaal voor. Avery draaide het schilderij om. Op de achterkant stond een stempel: Art for Life, het adres en een logo dat een hand in de vorm van een schilderspalet voorstelde. Avery legde alles terug op zijn plaats, ging naar buiten en stapte in haar auto.

Ze belde het MIT, zodat ze Tabitha’s flat kon bezoeken. De assistent van de decaan had haar gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat ze erin kon.

Ze had nog maar net opgehangen toen haar telefoon ging.

“Jones hier,” zei een Jamaicaanse stem.

“Zeg het maar,” zei Avery.

“Er is hier niets te vinden, man. Het huisje is leeg.”

“Wat heb je dan in hemelsnaam de hele dag uitgespookt?”

“Onderzoek, man,” klaagde Jones, “speurwerk. Het duurde een tijd om hierheen te rijden. We moesten ook nog de sleutels ophalen, toch? Toen wilde Thompson rijden en hij heeft helemaal geen gevoel voor richting. De GPS stuurde ons het hele land door. Maar,” zei hij, terwijl hij een slok van zijn biertje nam, “we zijn er toch gekomen en hebben de hele boel uitgekamd. Niets gevonden. Ben je zeker dat die kerel hier verbleef?”

“Je hebt een hele dag verspild,” zei Avery.

“Je luistert helemaal niet, Black! We hebben hard gewerkt.”

“Er zijn twee meisjes vermoord,” zei Avery. “Of ben je dat soms vergeten? Er is een seriemoordenaar op de vlucht en het enige wat jullie doen is de idioot uithangen in een huisje bij het meer. Ga verder met het onderzoek naar de camera’s in Cambridge. En dit keer,” snauwde ze, “wil ik morgenmiddag een gedetailleerd verslag op mijn bureau. Ik wil precies weten wat je elk uur hebt gedaan. Begrepen?”

“Ah, kom op! Black. Alsjeblieft,” zeurde Jones. “Dit is gekkenwerk. Het is onmogelijk om op die manier een auto kilometer na kilometer op te sporen. Dat kan gewoon niet. Daarvoor heb ik minstens tien man nodig.”

“Doe het dan samen met Thompson.”

“Thompson?” lachte Jones. “Die is nog erger dan Finley.”

“Denk eraan,” benadrukte Avery, “een gedetailleerd verslag op mijn bureau, morgenmiddag. En zorg ervoor dat Thompson dit ook begrijpt. Als je het deze keer verknoeit, dan licht ik Connelly in.” Ze hing op.

Hoe kan ik bij Moordzaken werken zoals het hoort als de helft van mijn team niet naar me wil luisteren? mopperde ze bij zichzelf.

Toen ze op haar volgende bestemming aankwam was het al donker.

Tabitha had in het midden van het MIT gewoond, pal naast Vasser Street. Haar kamergenote liet Avery binnen. Het was een klein, mager meisje met lang zwart haar, een bril en een gezicht vol jeugdpuistjes. De flat was groot: een zitkamer, een open keuken en twee slaapkamers.

“Hallo,” zei het meisje, “u moet Avery zijn.”

“Ja, bedankt dat je me binnenlaat.”

“Dat is haar kamer,” zei ze, terwijl ze hem aanwees.

Het meisje was verlegen en zag er beroerd uit.

“Waren jullie vriendinnen?” vroeg Avery.

“Niet echt,” zei ze, terwijl ze de kamer uit ging. “Tabitha was een populair meisje.”

In Tabitha’s kamer was het een troep van jewelste. Haar boekenkast was volgepropt met losse papieren. Avery vond er zowel doktersvoorschriften en verslagen als een stinkende verpakking van een broodje. Wat haar echter meteen opviel was een aantal schilderijen aan de muur, waarschijnlijk door Tabitha zelf geschilderd: landbouwtaferelen, een schilderij van het MIT, een fruitschaal.

Avery bekeek de achterkant van een van de ingelijste schilderijen.

Een stempel met de vermelding: Art for Life.

HOOFDSTUK TWINTIG

Molly Green had een zware avond. Ze streek een lok blonde haren uit haar gezicht, wreef het zweet van haar voorhoofd en stroopte haar mouwen op. “Luke en Gidget!” schreeuwde ze. “Nu heb ik er echt genoeg van!”

Het huis waar ze als parttime oppas werkte was groot en leeg. Ze liep de enorme zitkamer op de eerste verdieping rond en zocht achter banken en stoelen. Met haar gezicht tegen de glazen schuifdeuren die naar de veranda leidden, tuurde ze in het donker en dacht: ik hoop maar dat ze niet naar buiten zijn geglipt.

Ze kon ze nergens vinden: niet in de keuken, niet in de kasten en niet in de badkamer op de benedenverdieping. Ook de kleine logeerkamer was leeg. “Ik meen het,” riep ze, “het is al lang bedtijd.”

Ze stampte de trap op met haar hoge hakken en gekleed in een zwart leren rokje met een mouwloos shirtje; kleding die ze speciaal had uitgekozen voor het feestje later die avond.

“Ik hoop maar dat jullie al in bed liggen.”

Natuurlijk lag zowel Luke als Gidget verstopt onder de lakens en ze schreeuwden het uit van plezier omdat ze haar weer eens te slim af waren geweest.

De kinderen deelden een kamer en hadden elk hun eigen bed. Het verschil tussen Gidgets kant van de kamer en die van Luke kon niet groter zijn. Haar kant was roze geschilderd, netjes en helemaal op orde, met speelgoed dat keurig op zijn plaats lag en kleren die netjes in de kast hingen. Lukes kant was donkerblauw geschilderd. Al zijn speelgoed lag verspreid op de vloer, zijn kleren lagen overal en op de muren waren vuile vlekken te zien en sporen van kleurpotloden.

“Nu snap ik het,” zei Molly. “Jullie laten me het hele huis rondrennen terwijl jullie net doen alsof jullie lekker liggen te slapen. Leuk geprobeerd, hoor.”

Ze gooiden de lakens van zich af en begonnen te zeuren om aandacht.

“Lees nog een verhaaltje, Molly.”

“Laat het licht branden op de gang,” zei Luke.

“Jullie ouders vermoorden me als ze zien dat jullie nog niet slapen wanneer ze terug zijn. Jullie moeten nu je bed in. Geen verhaaltjes meer. Ik laat het licht op de gang aan. Goed begrepen? Als ik een van jullie op de gang hoor of als jullie proberen me te laten schrikken, dan verklik ik jullie. En jullie weten allebei wat dat zal betekenen.”

“Nee, nee,” jammerde Gidget.

“Niet aan papa vertellen,” smeekte Luke.

“Oké, dan. Bedtijd. Slaap lekker.”

Weer deed ze de deur dicht, maar ze liet hem op een kiertje staan, zodat ze het licht op de gang konden zien.

Weer beneden dacht ze: argh... kinderen.

Ze wierp een blik in de spiegel in de zitkamer en zag dat ze er nog steeds fantastisch uitzag: haar groene oogschaduw zat nog perfect, lange wimpers, mooie lippenstift en twinkelende blauwe ogen.

Je ziet er hot uit, dacht ze opgewonden.

Twintig minuten later, terwijl Molly naar een opgenomen aflevering van The John Oliver Show aan het kijken was, deden meneer en mevrouw Hachette stilletjes de voordeur open.

Ze voerden even een beleefd gesprekje. Molly vertelde hoe de avond was verlopen. “Het avondeten was heerlijk. Ik heb verhaaltjes voorgelezen. Ze zijn in bad geweest. We hebben wat spelletjes gespeeld en dan zijn ze naar bed gegaan. Niets bijzonders.”

Zoals altijd vroegen de Hachettes of ze niet nog wat langer wilde blijven, iets wilde eten of wilde blijven slapen in de logeerkamer. Molly sloeg het aanbod af.

Het enige waar ze kon aan denken was het feest, een geweldige knalfuif georganiseerd door een van de grootste studentenverenigingen voor jongens van de Brandeis Universiteit. Drie jongens met wie ze ooit had geflirt, zouden er ook zijn. Niet een van hen was interessant genoeg om haar vriendje te zijn, maar ze hoopte dat ze er misschien wel iemand anders zou leren kennen.

Ze pakte haar tas en ging de deur uit.

Laat het feest maar beginnen, dacht ze lachend.

* * *

Hij zat al een tijdje buiten op haar te wachten, verscholen in zijn donkere minibusje. Het afgelopen uur had hij in stilte naar haar zitten kijken en zich voorbereid op het ideale moment. Hij had gezien dat ze door het huis op zoek was gegaan naar de kinderen en hen eindelijk in de slaapkamer had gevonden. Hij had ook de Hachettes het huis zien binnengaan.

Zijn minibusje stond geparkeerd in een van de stille straten van de met bomen beplante buurt, ten noordoosten van de Brandeis Universiteit, op enkele minuten rijden en twintig minuten lopen vanaf de campus. Molly, zo wist hij, zou lopend gaan. Ze zou de trap af lopen, linksaf Cabot Street in gaan en dan rechts afslaan naar Andrea Road. Daarna volgde ze, afhankelijk van waar ze moest zijn op de campus, meestal iedere keer een andere route.

Zoals hij had voorspeld, kwam Molly de trappen af en ging meteen linksaf.

Stilletjes stapte hij uit het minibusje en liep naar de achterkant, waar hij deed alsof hij iets uit de bagageruimte haalde. Met een klap gooide hij de klep dicht, zuchtte en stapte de straat op. Molly kwam recht op hem af. Hij deed zijn pet af en keek op.

In gedachten verzonken botste Molly bijna tegen hem aan. “O, sorry,” mompelde ze.

“Geeft niet,” antwoordde hij.

“Hoi!” riep ze uit. “Ik ken jou. Hoe gaat het?”

“Goed.” Hij lachte. “Ik heb wat problemen met mijn auto. Een ogenblikje.” Hij fronste zijn wenkbrauwen en wreef over zijn kin. “Ik dacht dat jij ergens op de Brandeis-campus woonde?”

“Ja, klopt,” gaf ze toe. “Maar ik werk hier. Zie je dat huis daar,” zei ze, terwijl ze zich omdraaide om het aan te wijzen. “Doordeweeks pas ik daar op de kinderen. Maar wees maar niet ongerust, ik...”

Op het ogenblik dat ze zich weer omdraaide, stak hij haar vlug met zijn naald.

“Hé! Au! Wat is...”

Molly viel en hij haastte zich om haar op te vangen. “Gaat het wel?” Hij deed alsof hij in paniek was. “Molly?” Met gespeelde ongerustheid tikte hij op haar wangen. “Molly, gaat het wel met je?”

Hij keek vlug om zich heen.

De straten waren donker en verlaten.

“Maak je maar geen zorgen,” fluisterde hij. “Ik zal wel voor je zorgen.”

HOOFDSTUK EENENTWINTIG

De glazen voordeur van de Art for Life-studio had aan weerszijden grote ramen. Avery kon een smalle ruimte zien die volgestouwd stond met verschillende soorten moderne kunst: beeldhouwwerken, schilderijen, tekeningen en collages. Aan het eind kwam de kamer uit in een grotere zaal, waar in een cirkel een paar schildersezels stonden, en ze nam aan dat dat de ruimte was de cursussen werden gegeven.

Haar telefoon ging. “Black,” antwoordde ze.

“Wat zoek je precies?” vroeg Finley. “Ik kreeg net een telefoontje van een van Tabitha’s vrienden. Het slachtoffer volgde een cursus in die studio.”

“Dat wist ik al. Heb je al die kunst niet zien hangen toen je haar kamer doorzocht?”

“Welke kunst?”

“In haar kamer.”

“Dat was geen kunst,” merkte Finley op. “Dat was troep. Ik dacht dat ze dat ergens op een rommelmarkt had gekocht. Luister, Black. Begin nou niet te zeuren. Ik heb je net een interessante aanwijzing gegeven.”

“Ik ben er al,” zei ze. “De studio is gesloten.”

“Ik zit in de kroeg,” antwoordde hij. “Mijn dienst zit er al twee uur op. Ik zou je graag vragen hierheen te komen, maar ik denk dat ze hier geen lesbiennes binnen laten.”

“Ik ben niet lesbisch,” zei ze.

“Echt niet? Zo zie je er anders wel uit.”

“Je bent een walgelijke kerel, Finley, wist je dat?”

“Nee, nee,” zei hij, “ik ben een goede kerel. Het is mijn opvoeding. Die was een puinhoop. Volgende keer beter. Beloofd. Je bent wel oké, zelfs al ben je lesbisch. Echt waar. Ik ben er voor je. Ik zie je morgen. Ga me nu bezuipen.”

Avery voelde de adrenaline door haar aderen stromen en ze wist dat ze zich niet zou kunnen ontspannen of zou kunnen slapen. Ze ging naar huis om in de stilte van haar flat wat meer te weten te komen over Art for Life. Op weg naar huis haalde ze Chinees.

Haar flat was in duisternis gehuld. Alleen naast de bank brandde een lamp. Terwijl ze aan de tafel in haar woonkamer zat te eten, werkte ze door.

Art for Life bestond al vijf jaar. De eigenaar was een zekere Wilson Kyle, hij was kunstenaar geweest en een zakenman, en hij bezat een restaurant naast de studio en twee gebouwen in de buurt. Ze zocht in de database van de politie, maar vond niets over Kyle.

Er werkten twee mensen in de studio: een fulltime verkoper die John Lang heette en een parttime medewerkster die alleen in het weekend werkte. Op woensdag- en donderdagavond gaf Kyle zelf les en om de twee weken leidde Lang de kunstcursussen.

Lang had een strafblad.

Hij stond bekend als zedendelinquent. Zeven jaar geleden waren er twee incidenten geweest. Een incident was met een jongen bij wie hij ging oppassen, een ander incident was gebeurd bij een meisje uit de buurt. De ouders van beide kinderen hadden verklaard dat hun kinderen waren aangerand. Eerst pleitte Lang onschuldig, maar veranderde daarna zijn verklaring om een rechtszaak en een eventuele celstraf te vermijden. Hij kreeg vijf jaar voorwaardelijk, verplichte begeleiding gedurende een jaar en een stigma dat hem zijn leven lang zou blijven achtervolgen.

Volgens de politiegegevens kwamen zijn lengte en gewicht overeen met de kenmerken van de moordenaar.

Avery leunde naar achteren. Het was bijna middernacht. Ze was klaarwakker en stond al klaar om bij John Lang op de deur te gaan bonzen. Dit kon hem zijn, dacht ze.

Overtuigd van de mogelijkheid dat dit de man was die ze zochten, wilde Avery dit goede nieuws met iemand delen. Vreemd genoeg was Ray Henley de eerste persoon die bij haar opkwam, maar de gedachte aan een ongemakkelijk, nachtelijk telefoontje met iemand die ze pas had ontmoet joeg haar schrik aan. Finley wakker bellen was al helemaal geen goed idee en de hoofdinspecteur had haar uitdrukkelijk gezegd hem nooit thuis te storen.

Even dacht ze eraan haar dochter te bellen. De laatste keer dat ze elkaar hadden gesproken, was een paar maanden geleden geweest en het gesprek was niet goed afgelopen. Dus stuurde Avery haar een mailtje. “Hoi,” schreef ze, “ik heb veel aan je gedacht de laatste tijd. Zou je graag eens persoonlijk spreken. Wat denk je van lunch dit weekend. Zaterdag misschien? Hetzelfde restaurantje als altijd? Rond twaalf uur? Laat maar weten. Ik hou van je. Mama.”

Ze had nog steeds zin om met iemand te praten en belde het ziekenhuis.

De telefoon ging een hele tijd over en eindelijk nam een slaperige stem op.

“Hallo?”

“Ramirez,” zei ze, “hoe gaat het?”

“Verdorie, Black. Hoe laat is het?”

“Bijna één uur.”

“Ik hoop dat je een goede reden hebt,” mompelde hij. “Ik was net lekker aan het dromen. Ik zat in een boot, op een helderblauwe oceaan, een zeemeermin kwam naar me toe gezwommen en we begonnen te vrijen.”

“Wauw,” zei ze, maar was helemaal niet in de stemming om naar zijn hitsige dromen te luisteren. “Ik heb een fantastisch aanknopingspunt,” zei ze. “Art for Life. Een kerel die daar werkt, zijn naam is John Lang. Hij heeft een strafblad. Beide meisjes volgden er les. Hij kan de kerel zijn die we zoeken.”

“Ik dacht dat Finley de zaak al had opgelost,” lachte Ramirez. “Hij beweert dat hij gisteren een heuse seriemoordenaar heeft neergeknald.”

“Finley weet niet eens het verschil tussen een seriemoordenaar en een moordserie.”

Ramirez lachte. “Hij is gek, hè? Ik heb het verhaal gehoord over die oude man met die dode lichamen in zijn kelder. Gore boel. Sommige mensen zul je nooit begrijpen.”

“Hoe voel je je eigenlijk?”

“Beter, beter. Eigenlijk wil ik hier zo snel mogelijk weg en weer aan het werk.”

“Dat weet ik, maar je hebt rust nodig.”

“Ja, ja, en eigenlijk is het hier zo slecht nog niet. Ik heb een kamer alleen, comfortabel bed, betaald verlof, lekker eten. Jíj bent degene om wie ik me zorgen maak. Ik bedoel, Finley...? Je hebt het zwaar, denk ik.”

“Ach, ik red het wel. Als hij die bekrompenheid en dat racisme achterwege laat en ook nog eens zijn grote mond houdt, dan valt hij best wel mee. Ik zou alleen willen dat ik hem kon verstaan.”

Ramirez schoot in een lach, maar hield opeens op. “Au, man dat doet pijn!” kreunde hij. “Ik moet voorzichtig zijn. Die hechtingen doen echt pijn. Ja, hij is er me eentje, die Finley,” zei hij. “Een Ier uit het zuiden. Vroeger was hij een D-Boy. Wist je dat? Ze hebben hem bijna afgemaakt toen hij naar de andere kant overliep. Heb je zijn tattoos al gezien? Zijn hele lichaam zit ermee onder.”

“Nee, ik heb de tattoos over zijn hele lichaam nog niet gezien.”

Ramirez snoof. “Nou, Avery, bedankt voor je telefoontje. Ik ben moe, dus ik ga ophangen. Veel geluk met je nieuwe aanwijzingen. Ik hoop het voor je.”

Avery nam een biertje en ging naar haar balkon. De maan verlichtte de hemel en de wolken dreven snel voorbij.

Ze nam een grote slok.

Ik heb je te pakken, dacht ze.

HOOFDSTUK TWEEËNTWINIG

Die avond nam Avery twee slaappillen en zette haar wekker om zeven uur. Art for Life ging pas om negen uur open, maar ze wilde goed voorbereid zijn.

Om kwart voor zeven werd Avery al wakker, nog wat suf, maar helemaal klaar om de dag te beginnen. Ze trok dezelfde outfit aan als elke dag en verwisselde enkel de kleuren: een bruine broek en een blauw bloesje. Blauw straalt rust uit, dacht ze. Ik wil dat iedereen rustig blijft vandaag. Ze maakte haar portofoon vast aan haar riem. Haar wapen stak ze in de holster en ze gespte haar badge vast.

Ze wierp een blik in de spiegel.

Veel mensen vonden haar nog steeds knap, maar Avery zelf zag alle foutjes in haar gezicht: rimpels die ze een tijdje geleden nog niet had gehad, de vermoeide blik in haar ogen, haar haren die er door het vele blonderen bijzonder ongezond uitzagen.

Avery trok een pruilend gezicht, draaide in het rond, tuitte haar lippen en lachte.

Dat is het meisje van vroeger, dacht ze.

Zo vroeg in de morgen was het nog niet druk in Cambridge Street. Avery stopte voor een koffie en een bagel en parkeerde daarna haar auto aan de overkant van de straat, enkele deuren van de studio vandaan. Het wachten vond ze het vervelendste aan de klus, maar Avery was er volledig op voorbereid.

Tot haar verbazing zag ze John Lang al om halfacht in haar achteruitkijkspiegel verschijnen.

Hij was groot en slank en paste daarmee niet in het profiel van de moordenaar, maar hij was haar enige aanknopingspunt en er was een verband. En toch deed zijn manier van lopen haar aan de moordenaar denken: hij stapte elegant, maar toch stevig door. Toen hij bij de studio aankwam opende hij de deur.

Avery stapte uit haar auto. “Neem me niet kwalijk,” riep ze van de overkant van de straat. “Kan ik u even spreken?”

Lang had een onaangenaam gezicht, dunner wordend blond haar en hij droeg een bril. Hij keek Avery een ogenblik fronsend aan en ging de studio in.

“Hé,” riep Avery, “politie.” Ze zwaaide met haar badge.

John Lang was verbaasd en ongerust. Argwanend keek hij door het raam. Aan de overkant van de straat keken twee mensen met een beker koffie in de hand toe hoe Avery naar de studio draafde. Gelaten en met een ongeruste blik opende Lang de deur. “De winkel is nog gesloten,” zei hij.

“Ik kom niet voor kunst.”

“Wat kan ik dan voor u doen, mevrouw?”

“Ik wil het graag hebben over Cindy Jenkins en Tabitha Mitchell.”

Hij keek haar verbaasd aan. “Die namen zeggen mij helemaal niets.”

“Weet u dat zeker? Beide meisjes volgden een cursus in deze studio en nu zijn ze allebei dood. Misschien wilt u uw mening herzien? Mag ik binnenkomen?”

Lang stond een hele tijd in de studio naar zijn computer te staren en keek toen weer naar de straat. “Ja,” zei hij, “maar niet te lang, want ik heb het bijzonder druk.”

Het was koel in de studio, waarschijnlijk was de airconditioning zo geprogrammeerd dat deze al vroeg opstartte. Lang wierp zijn tas op zijn bureau, ging op zijn bureaustoel zitten en draaide zich om naar Avery. Hij vroeg haar niet om te gaan zitten. Enkele comfortabele stoelen stonden in de kamer verspreid, maar Avery bleef staan.

“Cindy Jenkins en Tabitha Mitchell,” zei ze.

“Ik heb u al gezegd dat ik die niet ken.”

“Ze volgden hier een cursus.”

“Er zijn wel meer mensen die hier een cursus komen volgen. Wanneer was dat ongeveer?”

“Waarom zoekt u het niet op in uw computer?”

Hij bloosde. “Die gegevens worden regelmatig gewist,” zei hij.

“Is dat zo? Slaan jullie de namen en adressen van de klanten dan niet op zodat jullie flyers en mailings kunnen sturen? Dat kan ik moeilijk geloven.”

“We houden de namen en de adressen wel bij,” zei hij, “maar de documenten die ze bij hun aankomst invullen niet. Ik weet dus helemaal niet meer wanneer ze hier een cursus hebben gevolgd.”

“U liegt,” zei ze.

“Word ik ergens van verdacht?” vroeg hij.

“Hebt u een misdaad gepleegd?”

“Absoluut niet!”

Avery was niet overtuigd. Door de manier waarop hij sprak, zijn ontwijkende blik en het feit dat hij de computer niet wilde opstarten groeide haar wantrouwen. “Hoe lang werkt u hier al?” vroeg ze.

“Vijf jaar.”

“Wie heeft u aangenomen?”

“Wilson Kyle.”

“Weet Wilson Kyle dat u een zedendelinquent bent?”

Lang begon weer te blozen en zijn ogen vulden zich met tranen. Hij ging rechtop in zijn stoel zitten en keek haar boos aan. “Ja,” zei hij, “dat weet hij.”

“Waar was u zaterdagnacht? En woensdagnacht?”

“Thuis. Ik kijk elke avond naar films.”

“Kan iemand dat bevestigen?”

Lang stond op het punt in tranen uit te barsten en trilde van woede. “Hoe durft u,” siste hij. “Wat probeert u eigenlijk te zeggen? Ik heb geboet voor mijn verleden. Ik heb in de gevangenis gezeten, ik ben in behandeling geweest, ik doe gemeenschapsdienst en ik ben getekend voor de rest van mijn leven: zedendelinquent. Ik ben een beter persoon nu,” zwoor hij. Hij ontspande zich en de tranen rolden over zijn wangen. “Ik ben veranderd. Ik wil alleen maar dat mensen zoals u me met rust laten.”

Hij hield iets verborgen. Avery kon het voelen. “Hebt u Cindy Jenkins en Tabitha Mitchell vermoord?”

“Nee!”

“Start de computer op.”

Met een verwrongen gezicht schudde hij zijn hoofd en Avery wist nu zeker dat hij iets verborgen hield. “Als u nu weigert in te loggen en mij de zoekgeschiedenis niet laat zien, kom ik in de namiddag terug met een arrestatiebevel.”

“Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?” brulde iemand.

Een grote, extravagante man stond in de deuropening. Zijn perfect geknipte golvende, grijze haren waren naar achteren gekamd en hij had een kort, grijs sikje. Hij droeg een kleine, opvallende, zwarte bril en zijn groene ogen keken haar woedend aan. Een rode zomertrui hing losjes over zijn witte T-shirt. Hij droeg een jeans en zwarte Crocs.

Lang verborg zijn gezicht in zijn handen en stortte onmiddellijk in. “Het spijt me! Het spijt me!”

Avery haalde haar badge tevoorschijn. “En u bent?”

“Wilson Kyle. Ik ben de eigenaar van deze studio.”

“Ik ben Avery Black. Politie Boston, afdeling Moordzaken. Ik heb redenen om aan te nemen dat meneer Lang mogelijk betrokken is bij twee moorden.”

Vol ongeloof trok Wilson zijn wenkbrauwen op. “John Lang?” vroeg hij. “Bedoel je hem? De man die daar zo bang voor u zit? Denkt u echt dat hij een moord zou kunnen plegen?”

“Twee meisjes, die aan verschillende universiteiten studeerden,” zei ze, terwijl ze nauwlettend elke beweging van John Lang in de gaten hield, “werden tentoongesteld: een in het park en een op de begraafplaats.”

“Ik heb iets gelezen over die zaak,” bevestigde Kyle. Hij legde zijn grote hand op Johns schouder. “John?” vroeg hij voorzichtig. “Weet jij hier meer van?”

“Ik weet hier niets van!” huilde John. “Heb ik nog niet genoeg meegemaakt?”

“Welk verband ziet u tussen hem en deze moorden?”

“Die twee meisjes volgden hier allebei een cursus. Hij heeft een strafblad. Hij heeft geen alibi voor de nachten waarin deze meisjes werden ontvoerd en hij weigert me te laten zien wat er in de computer staat,” zei ze.

“Hebt u een huiszoekingsbevel?”

“Nog niet, maar ik kan er zo een krijgen.”

Wilson Kyle knielde met zijn immense lichaam naast John neer en met ongelooflijk veel geduld en medeleven probeerde hij John in de ogen te kijken. “John,” zei hij, “het is in orde. De politie probeert een misdaad op te lossen. Wat staat er in de computer dat je haar niet wilt laten zien? Je kunt het me eerlijk vertellen.”

“Ik moest wel kijken!” snikte hij.

“Het is oké, John,” zei hij, terwijl hij zich vooroverboog en hem toefluisterde: “Ik zal je niet veroordelen.” Hij wreef over Johns rug, hielp hem en startte de computer op. “Wachtwoord?” vroeg hij.

John haalde snikkend zijn neus op. Hij schudde zijn hoofd en nauwelijks hoorbaar fluisterde hij een antwoord.

Wilson Kyle typte zijn wachtwoord in.

“Alstublieft, agent Black,” zei hij. “Kijk zelf maar. Kom, John,” voegde hij eraan toe, “laten we daar gaan zitten terwijl we wachten. Het komt allemaal in orde. Dat beloof ik je. Deze agent wil er alleen maar zeker van zijn dat je niets met deze moorden te maken hebt. Je bent geen moordenaar, hè, mijn jongen? Natuurlijk niet, John. Natuurlijk niet.”

Avery ging aan het bureau zitten. Een eerste blik op de zoekgeschiedenis leverde niets op. Kunstsites, Scrabble en verschillende kunstenaars en hun werken. Ze bekeek de zoekgeschiedenis van elke dag in detail. Op dinsdag, vroeg in de morgen, ontdekte ze een aantal pornosites.

Ze keek op.

John zat met gebogen hoofd op een stoel, zijn gezicht in beide handen verborgen. Wilson Kyle stond achter hem en staarde Avery aan. Hij zag eruit als een machtige heerser die moest toekijken naar iets wat hem helemaal niet beviel en hem steeds woedender maakte.

Avery concentreerde zich weer op de computer en klikte enkele links aan. Beelden van jonge kinderen kwamen tevoorschijn, naakt of halfnaakt. Hun leeftijden varieerden van zes tot twaalf jaar. Geschokt door wat ze te zien had gekregen, klikte ze nog enkele andere sites open en probeerde een rationele verklaring te vinden waarom ze zou moeten negeren wat ze zojuist had gezien. Gebaseerd op zijn voorliefde voor jonge kinderen kon ze zich moeilijk voorstellen dat hij de moorden had gepleegd.

“Weet u waar hij zaterdagavond was?” vroeg ze.

“Ja, dat weet ik,” zei Wilson. “John was thuis naar een film aan het kijken, Night of the Hunter. Ik weet dat zo zeker omdat ik hem deze film had aangeraden en hij mij daarna, ik denk rond een uur of tien, opbelde om te vertellen wat hij ervan vond. Ik was er niet, maar ik ben zeker dat u dit telefoontje kan terugvinden als u ook zijn telefoon checkt.”

“Kunt u mij zeggen waar ú deze week was?” vroeg ze aan Wilson.

Wilson lachte luid. “Weet u wel wie ik ben, agent Black? Nee, ik denk het niet. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben helemaal niet beroemd of heb geen belangrijke vrienden, maar ik ben bijzonder geïnteresseerd in de plaatselijke gemeenschap en als ik niet bij vrienden ben, kunt u mij meestal vinden op een liefdadigheidsbijeenkomst in de stad. Dus om uw vraag te beantwoorden: ja, ik kan perfect verantwoorden waar ik een hele maand was, maar ik vrees, als u dit in detail wil weten, dat ik daarvoor een verzoekschrift zal moeten eisen.”

Je had het mis, dacht Avery. Dit is niet de kerel die je zoekt. Ze had zowel John als Wilson door. John was ziek en Wilson was een opgeblazen, zelfingenomen eikel. Maar geen van beiden was een seriemoordenaar. Ze waren te zwak, allebei.

Ze zuchtte. Ze was haar tijd aan het verprutsen.

Ze had dit al eens meegemaakt: alleen, geen duidelijke aanknopingspunten, de weg kwijt en de regels van haar beroep aan het overtreden. Maar dit keer was het persoonlijk. Dit keer ging het om een seriemoordenaar. De laatste keer dat Avery met een seriemoordenaar te maken had gehad, had ze hem vrijgepleit en hij had weer gemoord. Het was alsof die oude zaak opnieuw tot leven was gekomen en als ze hem deze keer op een of andere manier kon pakken, zou ze weer vrij zijn.

“Jullie horen nog van mij,” zei Avery, en ze vertrok.

“Mevrouw Black,” riep Wilson nog.

“Ja.”

“Ik spreek John wel aan over de pornosites die u zojuist hebt ontdekt, daar mag u zeker van zijn. Maar ik vraag me wel af of u weet waaróm hij deze sites heeft bezocht. En hebt u er enig idee van waarom hij jaren geleden die kinderen heeft aangerand? Nou, dat zal ik u vertellen, zodat u dit voorval kunt plaatsen, voordat u zelfingenomen en vol vooroordelen een ander huis of kantoor binnenvalt om er mensen te beschuldigen. Als kind werd John zowel door zijn vader als door zijn moeder regelmatig verkracht, ziet u.”

John zat stilletjes te snikken.

Wilson hield als een beschermengel zijn handen op John zijn schouders.

“Ik ga ervan uit dat u niet weet wat er gebeurt met kinderen die zijn verkracht, mevrouw Black. Ze leren dat dergelijk gedrag normaal is en dat het van hen wordt verwacht. En naarmate ze ouder worden, winden jonge kinderen hen op omdat ze geleerd hebben om opgewonden te zijn. Het is een ziekelijke en beangstigende vicieuze cirkel waar ze bijna niet uit komen, maar John heeft echt heel hard zijn best gedaan. Heel hard. Het zou jammer zijn,” zei hij, “mocht deze vreselijke misstap al zijn vooruitgang tenietdoen, vooral nu hij er zo hard aan heeft gewerkt om de fouten uit zijn verleden recht te zetten. Mocht u vertrouwd zijn met de menselijke natuur, dan zou u dit kunnen begrijpen.”

“Hartelijk dank voor de wijze les,” zei Avery.

“O ja, en nog iets,” zei Wilson, terwijl hij wit van woede naar haar toe liep. “U had het recht niet om hier ongevraagd binnen te komen en zomaar zonder toestemming iemand te ondervragen. Zodra u buiten bent, bel ik uw baas of wie dan ook op en ik zal hen vragen u te ontslaan of u op zijn minst te schorsen voor deze ernstige schending van de wet en uw gebrek aan enig menselijk fatsoen.”

* * *

In een waas stapte Avery de studio uit. Een paar uur geleden was ze er nog van overtuigd geweest dat ze de dader te pakken had, maar nu was ze er bijna zeker van dat John Lang helemaal niets met de zaak te maken had en dat haar wat te wachten stond als Wilson Kyle het politiebureau zou bellen.

Ze schaamde zich voor wat ze net had gedaan, stapte in haar auto en reed weg.

Howard Randalls woorden spookten door haar hoofd: de moordenaar is een kunstenaar, niet iemand die zomaar meisjes van de straat plukt...

Ik heb je raad gevolgd. Ik vond een verband.

Weer hoorde ze Randalls stem.

Hij moet ze ergens vandaan halen...

Waar, dacht ze. Waar vindt hij ze? Er moet een ander verband zijn, iets wat ik over het hoofd zie.

Er moet iets anders zijn, een ander verband.

Ze moest terug naar het bureau, maar besefte dat ze daar al helemaal geen antwoorden zou vinden. De aanwijzingen zouden haar antwoorden moeten geven. Ze besliste Jones te gaan helpen met zijn onderzoek naar de routes die uit Cambridge leidden. Thompson had de verklaringen van Graves al gecheckt. Het alibi van de arrogante laatstejaarsstudent klopte: drie van zijn vrienden hadden bevestigd dat zij zaterdagavond bij hem thuis waren geweest.

Ze stopte voor nog een kop koffie en ontbijt.

Haar telefoon ging. “Black,” zei ze.

De stem aan de andere kant van de lijn klonk grimmig en ontevreden. “Met Connelly.”

Avery huiverde. Had Wilson Kyle al gebeld? Hadden ze eindelijk een doorbraak in de zaak?

“Zeg het maar,” zei ze.

“Waar ben je in hemelsnaam mee bezig?” fluisterde Connelly.

“Hoe bedoel je?”

“Dit gaat te ver, Black. We komen over als een stelletje idioten. De baas is woest. En ik ook, ik had het moeten weten dat je niet geschikt was voor deze klus.”

“Waar heb je het over?” zei ze. “Bel je me alleen maar op om me te treiteren?”

“Weet je het dan nog niet?” vroeg hij.

Na een ogenblik stilte zei Connelly: “We hebben net een telefoontje gekregen van de politie van Belmont. Op het speelplein in Stony Brook Park hebben ze een lichaam gevonden. Lijkt erop dat het onze man is.”

HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG

Avery parkeerde haar auto aan de oostelijke rand van Stony Brook Park en liep Mill Street in, naar de ingang van het park.

Het terrein van Stony Brook was een groot waterpretpark voor kinderen, met drie afzonderlijke speelpleinen en een groot houten fort. Het speelplein lag naast een bewaakt woonerf en was volledig door bomen en omheiningen afgesloten.

Een aantal auto’s van de politie van Belmont en wagens van verslaggevers stonden voor de toegangspoort geparkeerd. Buurtbewoners stonden nieuwsgierig toe te kijken.

“Daar is ze,” riep iemand.

Voordat Avery het goed en wel besefte werd ze omringd door nieuwsverslaggevers. Toen ze net ontslagen was bij de advocatenfirma had Avery gehoopt dat de camera’s, de lampen en de microfoons op een dag ooit uit haar leven zouden verdwijnen. Jammer genoeg was dat nooit zo geweest. In tijden waarin niet veel te beleven viel, was ze altijd wel in een of andere krant het mikpunt van flauwe grappen geweest.

Een kleine reporter met kortgeknipt zwart haar duwde een microfoon onder haar neus. “Mevrouw Black,“ zei ze, “hebt u een relatie met Howard Randall?”

“Wat?” riep Avery uit.

Ook een andere reporter stak haar een microfoon toe. “U hebt hem gisteren bezocht. Waar hadden jullie het over?”

“Waar haalt u die informatie vandaan?” vroeg Avery.

Een van de reporters stak haar een krant toe en toen Avery las wat er op de voorpagina stond en de krant opensloeg om het artikel te lezen, begonnen de camera’s te draaien en wachtte iedereen op een antwoord.

De krantenkop luidde: Twee meisjes vermoord en nog steeds geen aanwijzingen. Er stond een foto bij van de begraafplaats. Als ondertitel stond er te lezen: “Een agent en een moordenaar: een ontluikende liefde.” Avery zag een foto van zichzelf, huilend in haar auto, met op de achtergrond de gevangenis.

De bewakers, dacht ze. Zij hebben foto’s genomen.

Het artikel zelf stond op de derde pagina. “Wie leidt de afdeling Moordzaken bij de politie van Boston?” Woorden als ‘onbekwaam’, ‘verkeerde aanpak’ en ‘nonchalance’ sprongen haar in het oog. De eerste regel luidde: “Waarom laat de politie van Boston een voormalige advocaat met een omstreden verleden een onderzoek naar een seriemoordenaar leiden?”

Avery voelde een knoop in haar maag en gaf de krant terug.

“Hebt u hierop commentaar?” vroeg iemand.

In stilte ging Avery ervandoor.

“Agent Black! Agent Black?”

Een vrouw van nog geen vijftig kilo kwam op Avery toe lopen en gaf haar een duw tegen haar borst. “Jij zielig stuk ongeluk!” riep ze. “En voor jou soort betalen wij belastingen? Geen sprake van! Ik zorg ervoor dat je ontslagen wordt, jij moordend klerewijf.”

De mensenmassa werd steeds groter.

“Waarom zit jíj op deze zaak?” riep iemand anders.

“Hou haar uit de buurt van de kinderen.”

Avery kon eindelijk tot bij de toegangspoort komen, toonde haar badge en een agent duwde haar naar binnen.

“Wie heeft hier de leiding?” vroeg ze.

“Kom maar hierheen,” wenkte de agent. “Talbot Diggens. Inspecteur Diggens.”

Onder normale omstandigheden kon Avery zulke scheldpartijen makkelijk negeren, maar vandaag, na haar erbarmelijke ondervraging van John Lang, het nieuwe slachtoffer, het ontbreken van aanknopingspunten en al de rest, kostte het haar heel wat energie om sterk te blijven en gewoon door te lopen.

Eenmaal door de ingang kon ze nog steeds de menigte hun ongenoegen horen uitroepen, terwijl reporters hun camera’s door de omheining heen duwden.

De agenten op het speelplein draaiden zich om toen Avery voorbijkwam. Sommigen mompelden iets, anderen keken haar minachtend aan.

Zal dit ooit stoppen? dacht ze.

Talbot Diggens was een bijzonder grote, kale zwarte man. Hij had een zonnebril op en stond in de vroege ochtendzon al vreselijk te zweten. Over zijn witte T-shirt droeg hij een piekfijn grijs pak en het enige waaruit af te leiden was dat hij een agent was, was de badge rond zijn nek en het wapen dat onder zijn jasje uit piepte.

Hij wees naar haar. “Ben jij Black?” zei hij.

“Ja.”

“Volg mij maar.”

Het park zelf liepen ze voorbij. Achter het zwembad met een fontein die anders water in alle richtingen spoot, kwamen ze bij een speelplein voor peuters en gingen van daaruit meteen in de richting van een houten kasteel, compleet met bruggen, een slotgracht en een houten stad.

De camera van de politiefotograaf flitste in het houten bouwsel.

“Een tienjarig meisje heeft haar vanmorgen gevonden,” zei hij. “Ze wilde met haar spelen, maar het lichaam bewoog niet, dus raakte ze haar aan. IJskoud.”

Het houten gebouw had aan de voorzijde een opening van waaruit je het kasteel binnen kon.

Een dood meisje zat in de ingang, net alsof ze eventjes uitrustte. Ze was een jaar of achttien, negentien, gokte Avery. Blonde haren. Gekleed in een nauwsluitend shirt en een rokje. Ze had een bijna lachwekkende, grappige uitdrukking op haar gezicht. Ze hield haar armen omhoog en haar handen waren met bijna onzichtbare draadjes vastgemaakt aan een stok boven haar hoofd. In haar ogen lag, net zoals bij de anderen, een gedrogeerde en gekwelde uitdrukking.

“Weet je wie ze is?” vroeg Avery.

“Nog niet.”

Avery zag meteen dat het slachtoffer haar ondergoed nog aanhad. Misschien was het bij dat vorige meisje alleen maar toeval geweest, dacht ze.

Net zoals de andere meisjes keek ook dit slachtoffer naar iets in de verte. Avery volgde haar blik en kwam bij de speelplaats voor peuters terecht. Meteen wist ze waar hij het slachtoffer naar had laten kijken: een muurschildering met kinderen op een van de plastic wanden. De groep kinderen bestond uit zowel jongens als meisjes van alle rassen die elkaars hand vasthielden.

Talbot keek haar argwanend aan. “Is het waar?” vroeg hij.

“Is wat waar?”

“Jij en Randall. In de kranten staat dat jullie een koppel zijn. Is dat waar?”

“Dat is walgelijk,” zei ze.

“Misschien wel,” zei hij. “Maar is het waar?”

“Dat zijn jouw zaken niet,” zei ze.

“Man, jij helpt mijn dag wel naar de knoppen, weet je dat? Eerst krijg ik te maken met een seriemoordenaar omdat jij je werk niet goed doet en nu wil je niet eens een simpele vraag beantwoorden. Kom op, onze hele eenheid is met deze zaak bezig.”

“Je hoeft je hierover geen zorgen te maken,” zei Avery. “Mijn eenheid zal...”

“Nee, nee, nee,” mopperde hij, “dat zal zeker niet gebeuren. Dit is míjn plaats delict, begrijp je? Ik heb jouw eenheid alleen maar uit beleefdheid gebeld. Ik zal je dit niet geven,” zei hij, terwijl hij het lichaam aanwees. “Jullie hebben al twee dode meisjes in minder dan een week. Nu hebben wij een derde in Belmont. Weet je wat dat betekent? Samenwerken.”

“Maar we hoeven toch niet...”

“O, jawel,” zei hij, terwijl hij met zijn ogen rolde. “Wees nu eens eerlijk. Hoe ver sta je met deze zaak?”

“We hebben heel wat belangrijke aanwijzingen die...”

“Piep! Fout antwoord!” riep hij met een computerstem. “Daar geloof ik niets van,” zei hij iets rustiger. “Kijk jou nu toch eens. Je ziet er net zo vreselijk uit als ze in de kranten schrijven. En je weigert zelfs een collega-agent iets over je privéleven te vertellen. Wat is dat nu allemaal? Dus, weet je wat? Vanaf nu werken we samen en in Belmont lossen we de zaken snel op.”

“O ja?” zei Avery. “En hoeveel lichamen als dit hebben jullie al gezien?”

“Pfffff,” siste hij.

“Nee, even serieus nu.”

“Dat doet er niet toe.”

“Ik zal je eens precies uitleggen wat er wel toe doet,” zei ze. “Ik hou me nu minder dan een week met deze zaak bezig en ik weet waar de moordenaar ongeveer woont. Ik weet hoe groot hij is en ik weet hoe hij eruitziet. Ik weet dat hij van dieren houdt en met welke auto hij rijdt, en zoals de zaken er nu voor staan,” zei ze, terwijl ze naar het dode meisje wees, “weet ik dat hij er nog niet genoeg van heeft. Drie was zijn magische getal. Nu is dat veranderd. En ik weet een heleboel dingen meer,” spuwde ze uit. “Maar weet je wat? Je hebt gelijk. Dit is jouw rechtsbevoegdheid. Zoek het zelf maar uit.”

Ze draaide zich om en maakte aanstalten om ervandoor te gaan.

“Ho, ho, ho,” brulde Talbot. “Een ogenblikje, briesende leeuw!”

Toen Avery hem aankeek, was zijn houding helemaal veranderd. Hij hield zijn armen wijd gespreid en lachte zijn witte tanden bloot. “Eventjes dacht ik dat ik te maken had met een schattig katje, maar wat er werkelijk voor me staat is een briesende leeuw.” Hij kwam iets dichter bij Avery staan, die er naast hem bijzonder klein en nietig uitzag. “In een belangrijke zaak zoals deze kan ik niet tussen een inspecteur en een seriemoordenaar in komen te staan,” zei hij. “Er wordt al genoeg geluld in de pers. Ik moet je wel helpen, of ik dat nu leuk vind of niet. Neem gerust je tijd,” zei hij en hij gebaarde om zich heen. “Onderzoek zoveel je wilt.”

“Maar je zei net...”

“Niemand vindt jou leuk,” benadrukte hij ernstig. “Ik wil niet dat mijn mannen denken dat wij een team zijn. Als zwarte heb ik het hier al moeilijk genoeg. Wat denk je hiervan: ik geef mijn mannen de opdracht deze plaats delict te onderzoeken. We brengen het lichaam naar onze patholoog-anatoom, proberen te weten te komen wie ze is en laten onze forensische dienst het terrein uitkammen. Wat is je nummer? Fluister het. Fluister...”

Avery fluisterde haar nummer en Talbot trok een gemeen gezicht, net alsof hij het nummer noteerde van haar baas, zodat die haar kon aanpakken.

“Ik heb je net gebeld,” zei hij. “Ziezo... Dan heb je mijn nummer ook. Zodra ik alle gegevens heb van mijn team, stuur ik je een gedetailleerd rapport toe. Niet tevreden? Vertel het dan maar aan je baas, zodat die míjn baas op de hoogte kan brengen, maar laat één ding duidelijk zijn: deze shit is in mijn stad gebeurd en dit betekent dat de politie van Belmont erbij betrokken is. Wil je me helpen? Vertel me dan wat je weet.”

“Goed,” zei ze, “zo kunnen we het doen. Maar ik wil ook dat mijn team het lichaam te zien krijgt en overlegt met jouw patholoog-anatoom.”

“Geen enkel probleem.”

“En ik wil volledige toegang tot de plaats delict.”

“Prima. Hebben we een deal?”

“Ja,” zei ze fronsend. “Ik denk het wel.”

“Het interesseert me helemaal geen reet wat jij denkt!” schreeuwde Talbot zodat iedereen het kon horen. “Het is zo en niet anders, Black!”

HOOFDSTUK VIERENTWINTIG

Meteen na zijn praatje met Avery liep Talbot naar zijn agenten om hen in te lichten over wat hun te doen stond. De meesten schonken Avery een gemene blik of schudden afkeurend hun hoofd. Ze hoorde een van hen zeggen: “Waarom moeten wij onze informatie met haar delen? De misdaad werd hier in Belmont gepleegd.”

Avery nam uitgebreid de tijd om de plaats delict te verkennen. Vanuit verschillende hoeken bestudeerde ze het lichaam. De meesten negeerden haar, maar af en toe kon ze de verwijten van de moeders horen en de vragen die de reporters afvuurden.

De moordenaar beheerste haar gedachten. Al in Lederman Park en daarna op de begraafplaats had ze het gevoel gekregen dat ze zijn werkwijze doorhad. Hij had stille plekjes uitgekozen, plaatsen waar hij op een respectvolle manier zijn slachtoffers kon tentoonstellen. Deze plaats was echter anders. Hoewel hij dit meisje in een park en tussen de bomen had geplaatst, was dit een kinderspeelplaats en dus lang niet zo rustig als een begraafplaats of een bankje langs de rivier.

Waarom hier? vroeg ze zich af.

Ook het tafereel waar het meisje naar keek was helemaal anders: een groepje kinderen, zowel meisjes als jongens en van verschillende rassen.

Er is iets gebeurd, dacht ze.

Wat is er veranderd?

De verslagen van de forensische dienst en de patholoog-anatoom zouden uitwijzen of er verschillen waren met de andere meisjes of op de plaats delict, maar zelfs al zouden deze niets opleveren, toch vertrouwde Avery op haar intuïtie. Jarenlang had ze te maken gekregen met moordenaars en daarvoor, als advocaat, met de meest ongure types. Daardoor had ze heel wat ervaring opgedaan in het ontdekken van subtiele verschillen, zowel in de menselijke geest als op een plaats delict.

Helemaal alleen, zonder nieuwe aanknopingspunten en na de vreselijke ervaringen met opgehitste betogers, ouders en met de agenten van de politie van Belmont die haar als een onwelkome gast aanstaarden, liep ze met gebogen hoofd terug naar haar auto.

Haar aankomst op het politiebureau was zo mogelijk nog erger. Op het ogenblik dat ze uit de lift stapte viel alles stil. Vrijwel iedereen keek haar met een gemene blik aan. Jones schudde zijn hoofd en keek de andere kant op en Thompson draaide haar de rug toe. Geen enkele flauwe grap, geen enkele opmerking, en dat maakte alles alleen nog maar pijnlijker.

Finley zat aan zijn bureau. Iets vriendelijker dan de rest van zijn afdeling wierp hij haar een blik vol medelijden toe en boog zijn hoofd.

De ochtendkrant met het vreselijke artikel over haar bezoek aan Howard Randall lag op een paar bureaus en op enkele computerschermen stond dezelfde foto van Avery die op de parkeerplaats van de gevangenis in haar auto zat te huilen.

“Black,” riep iemand, “in mijn kantoor.” O’Malley gebaarde dat ze moest binnenkomen.

Connelly stond op.

“Nee. Nee,” zei O’Malley. “Jij niet. Alleen Black.”

“Maar dit is mijn zaak,” sprak Connelly hem tegen.

“Als je dat zo wilt houden, ga dan zitten en zwijg.”

Uitdagend keek Connelly hem aan en hij stak zijn borst vooruit.

“Zit ik in moeilijkheden?” vroeg Avery.

“Kom binnen,” gebaarde O’Malley en hij sloot de deur. “Waarom denk je dat je in moeilijkheden zit, Black? Zeg jij het maar.”

“Ik weet niet,” zei ze. “Ik ben op bezoek gegaan bij Howard Randall, op zoek naar aanknopingspunten. Hij gaf me iets, geen specifieke aanwijzing, maar een verband tussen beide meisjes. Hij wist iets.”

O’Malley zuchtte diep. “Wat kan Howard Randall nu in hemelsnaam weten over deze zaak?” vroeg hij. “Die kerel zit in de cel. Het enige wat hij over deze zaak kan weten, is wat hij in de kranten leest.”

“Hij heeft de geest van een moordenaar,” drong Avery aan. “Hij denkt zoals een moordenaar.”

O’Malley keek haar fronsend aan. “Hou toch op,” zei hij, “hou op, alsjeblieft. Luister naar me, Avery. Ik mag je graag. Ik weet dat je tot heel wat in staat bent: je kent geen angst, je bent eerlijk en misschien het allerbelangrijkste: je bent slim. En anderen weten dat ook. Misschien maken ze je het leven soms zuur, maar dat is omdat ze jaloers en bang zijn. Mensen zijn bang voor wat ze niet begrijpen, en ik begin deze angst te voelen.”

“Hoofdinspecteur, waar heb je het...”

Hij hief zijn hand op. “Alsjeblieft,” zei hij kalm en bijna gelaten, “laat me uitpraten. Dit is een ernstige zaak. Ernstiger dan ik eerst dacht. Tot nu toe hebben we drie lichamen in drie verschillende districten, drie vermoorde meisjes, geen verdere aanknopingspunten en heel veel woedende mensen. Je bent gedreven, Avery. Ik zie het. Ik zie het nu zelfs. Deze zaak vreet aan je. Je wilt deze kerel echt te pakken krijgen en je bent zo vastberaden dat je een paar domme beginnersfouten hebt gemaakt.” Hij stak een vinger op. “Ten eerste,” zei hij, “heb je vanochtend een burger lastiggevallen in Cambridge.”

“Ik had reden om te denken... “

“Het interesseert me niet wat je dacht,” riep hij. “Je hebt ten onrechte een man beschuldigd, iemand die bij de politie bekendstaat en die al talloze keren hard is aangepakt door wat er in zijn verleden is gebeurd. Nadat jij vertrokken bent, is hij volledig door het lint gegaan. Hij heeft geprobeerd zelfmoord te plegen in het toilet. Zijn baas heeft de deur eruit moeten trappen. De ambulance kwam erbij. Daarna heeft hij mij, de hoofdcommissaris en de burgemeester opgebeld. En weet je wat hij zei? Hij zei dat we een geestelijk gestoord iemand deze zaak laten leiden. We mogen van geluk spreken dat hij nog geen officiële klacht heeft ingediend.”

“Zelfmoord?” Avery staarde omlaag. Ze zag de doordringende blik van Wilson Kyle voor zich en herinnerde zich zijn hartstochtelijke woorden over Langs verleden. “Dat was een vergissing,” zei ze. “Dat is nooit mijn bedoeling geweest.”

“Ten tweede,” zei O’Malley, terwijl hij een tweede vinger opstak. “Je staat in de krant. Nu weet ik wel dat dat niet jouw fout is. Maar soms doe je net alsof je de enige persoon in dit hele universum bent. Ik vraag me soms af hoe je er nog in slaagt de dingen duidelijk te zien, maar je ziet ze. Wat je echter niet zag waren al die paparazzi-ratten die op de loer lagen om je in moeilijkheden te brengen. Met de foto in het park kan ik nog leven. Wat echt niet kan, is de foto op de parkeerplaats van de gevangenis. Je bent op bezoek gegaan bij de beroemdste seriemoordenaar in de hele geschiedenis van Boston, een kerel die jij vrijgepleit hebt, die dan later in jouw naam nog eens heeft gemoord, en je dacht er niet aan om dat aan mij te vragen? Of om na te gaan of er geen camera’s in de buurt waren? Of om dit toch tenminste met mij te bespreken zodat ik je had kunnen vertellen dat je gek was?”

“Ik wilde weten hoe hij het zag.”

“Dan licht je mij of Connelly in, of iemand anders die bij deze zaak betrokken is. Maar je gaat niet op eigen houtje een gevangenis binnen om een oude bekende te gaan opzoeken. Ik bedoel, in hemelsnaam, Avery, lees jij de kranten wel? Ze laten het lijken alsof ons hele bureau uit een stelletje nietsnutten bestaat en dat de enige aanknopingspunten die we tot nu toe hebben, moesten komen van een oude bekende van jou. Dat kan niet, Avery, dat kan echt niet.”

“Hoofdinspecteur, ik...”

“Ten derde,” zei hij, terwijl hij nog een vinger opstak, “je mannen zijn niet tevreden. Thompson en Jones klagen over het feit dat ze alle mogelijke camerabeelden moeten opvragen.”

“Gisteren hebben ze een hele dag verspild!”

O’Malley stak zijn hand op. “Connelly wil zelfs niet meer met jou spreken.”

“Dat is mijn fout niet.”

“Ik weet niet wat je met Finley hebt gedaan,” zei hij verrast, “maar die heeft de laatste tijd heel hard gewerkt en hij is echt van streek over alles.”

Opeens besefte Avery welke kant dit gesprek op ging. “Hoezo is hij van streek?” vroeg ze.

“Misschien heb ik te snel beslist om jou te promoveren,” mompelde O’Malley bij zichzelf.

“Hoofdinspecteur, wacht.”

Hij schudde zijn hoofd en keek haar strak aan. “Het is genoeg, Avery, alsjeblieft. Genoeg. Oké? De hoofdcommissaris is woedend. De burgemeester is ook razend. Er komen klachten van weet ik veel wie en ze gaan allemaal over jou. Maar echt het ergste in deze hele zaak,” zei hij met een bezorgde blik, “is dat het helemaal niet over jou gaat of over al deze problemen. We hebben drie vermoorde meisjes in minder dan een week. Er zijn er drie vermoord, Avery. We hebben geen enkel aanknopingspunt en we zitten op een dood spoor. Juist of niet?”

Avery zag weer hoe de moordenaar zich omdraaide naar de camera en een buiging maakte. “Ik zal hem vinden,” zei ze, “dat zweer ik.”

“Het is niet langer nodig om te zweren,” antwoordde O’Malley. “Ik haal je van de zaak. Nu meteen. Connelly neemt het van je over.”

“Hoofdinspecteur...”

“Ik wil er niets meer over horen, Black. Niets meer, want op dit ogenblik ben ik nog rustig, nietwaar? Ik blijf rustig omdat ik ook van streek ben, maar als je hier nu niet over ophoudt, word ik razend door alle druk die op mij wordt uitgeoefend in deze zaak. Je bent van de zaak gehaald. Ik wil dat je binnen het uur alle informatie die je hebt verzameld doorgeeft aan Connelly. En heb je al nieuws over het laatste slachtoffer in Belmont? Hoe ver staan we daarmee? Waar is het lichaam nu? Nee, je hoeft het me nu niet uit te leggen. Ik wil alles op papier, samen met de aanwijzingen die je tot nu toe al hebt. En wees volledig. Begrepen? Daarna mag je gaan. Neem de rest van de dag vrij. Kom maandag terug en dan zullen we het hebben over wat er nu verder moet gebeuren. Ik zal er dit weekend over nadenken.”

“Dus ik mag me niet langer met de zaak bezighouden,” zei ze.

“Nee,” zei hij.

“Voorgoed?”

“Voorgoed,” knikte hij.

“Ben ik nog in dienst bij Moordzaken?”

O’Malley gaf geen antwoord.

HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG

Avery wist niet waarheen. Haar favoriete plekje, de schietbaan, was alleen voor agenten en zij voelde zich niet langer een agent. Haar flat was donker en leeg, en ze wist dat als ze naar huis ging, ze in bed zou kruipen en er dagenlang zou in blijven.

Een lokale kroeg in de buurt was open.

Ze was de dag al goed begonnen.

“Een whisky,” zei ze, “een goede.”

“We hebben heel veel goede soorten,” antwoordde de barman.

Avery herkende hem niet. Ze ging alleen ’s avonds naar de kroeg. Vanaf nu niet meer, dacht ze onverschillig. Voortaan drink ik ook overdag.

“Lagavulin!” zei ze en ze sloeg op de bar.

Op dit uur zaten er maar twee andere mensen in de kroeg, locals, twee oude mannen die van drinken hun beroep hadden gemaakt.

“Geef mij er nog maar eentje,” zei Avery.

Na vier glazen voelde ze zich stomdronken. Vreemd genoeg deed dit gevoel haar denken aan het verleden. Nadat Howard Randall weer had gemoord na zijn vrijlating door Avery’s geniale pleidooi had ze weken aan een stuk zwaar gedronken. Het enige wat ze zich uit die tijd kon herinneren waren de eenzame nachten in haar donkere kamer, verschrikkelijke katers en de onophoudelijke stroom mediaberichten.

Ze staarde naar zichzelf, naar haar handen, naar haar kleren en naar de mannen aan de bar.

Kijk eens hoever je het hebt gebracht, dacht ze. Je bent zelfs geen smeris meer.

Niets.

In gedachten zag ze het gezicht van haar vader, lachend: “Jij denkt dat je heel wat bent,” had hij haar eens gezegd met een wapen tegen haar slaap. “Je bent helemaal niets. Ik heb jou gemaakt, en ik kan je weer kapotmaken.”

Avery strompelde naar huis.

Beelden van de moordenaar, autoroutes, haar vader en Howard Randall deden haar hoofd tollen en het laatste waar ze zich bewust van was voordat ze in slaap viel was haar eigen gesnik.

* * *

Avery bracht de rest van de dag door in bed, gordijnen gesloten. In de loop van de namiddag en de avond kwam ze af en toe uit bed om wat water of bier te drinken en om een kliekje uit de koelkast naar binnen te werken, waarna ze weer naar bed ging en meteen weer in slaap viel.

Zaterdagmorgen om tien uur ging de telefoon.

Rose, stond er op het schermpje.

Averay nam op, beroerd en slaperig. “Hoi.”

De stem aan de andere kant van de lijn klonk hard en onverbiddelijk. “Lag je te slapen? Heb ik je wakker gemaakt?”

“Nee, nee,” zei Avery, terwijl ze rechtop ging zitten en kwijl van haar kin wreef. “Ik ben wakker.”

“Je hebt mijn e-mail niet beantwoord.”

“Welke e-mail?”

“Ik had gereageerd op je bericht om samen te gaan lunchen. Gaan we nog?”

Het duurde een tijdje voordat Avery besefte waar ze het over had, maar opeens herinnerde ze zich dat ze Rose gemaild had in haar euforie toen ze dacht de moordenaar te pakken te hebben. Nu, met een kater, als verstotelinge op het werk en onzeker over haar baan, voelde ze zich helemaal niet in staat haar ellende te verbergen met leuke kleren of onder een laag make-up, en te doen alsof ze een liefhebbende moeder was voor haar dochter die eigenlijk al helemaal van haar vervreemd was.

“Ja,” zei ze. “Natuurlijk. Ik kijk ernaar uit om je te zien.”

“Weet je het zeker? Je klinkt verschrikkelijk.”

“Ja hoor, natuurlijk weet ik het zeker, schat. Twaalf uur, oké?”

“Tot straks.”

De verbinding werd verbroken.

Rose, dacht Avery met een zucht.

Ze waren vreemden voor elkaar. Avery had het nooit aan iemand verteld, maar de zorg voor Rose en proberen om een goede moeder te zijn was een nachtmerrie geweest voor haar. Vroeger leek het idee om moeder te worden zo mooi: een nieuw leven, het wonder van de geboorte, de mogelijkheid dat Rose haar relatie met Jack zou kunnen redden. Maar ze had het een vermoeiende en ondankbare taak gevonden, en het had alleen maar geleid tot nog meer ruzies met Jack. Ze greep elke kans die ze kon om Rose achter te laten bij een oppas of in de kinderopvang, of ze schoof de zorg door naar Jack. Haar werk was haar toevluchtsoord geworden.

Ik was zo’n slechte moeder, dacht ze.

Nee, zei ze bij zichzelf. Het was niet allemaal zo slecht.

Ze had echt van Rose gehouden.

Ze had ook heel wat mooie herinneringen. Soms verkleedden ze zich samen en dan hadden ze dolle pret. Avery had haar zelfs geleerd hoe ze op hoge hakken moest lopen. En er waren ook knuffels en tranen en lange filmavonden en bakken roomijs.

Dat alles leek nu echter zo ver weg.

Ze leefden al jaren gescheiden van elkaar.

Na Howard Randall had Jack de voogdij aangevraagd en gekregen. Hij had beweerd dat Avery ongeschikt was als moeder en haalde verschillende gebeurtenissen aan, inclusief foto’s van toen Rose zichzelf was gaan verminken en brieven en mails die ze haar moeder had gestuurd, maar die nooit beantwoord werden.

Wanneer heb ik haar voor het laatst gezien? vroeg Avery zich af.

Met Kerstmis, dacht ze. Nee, enkele maanden geleden. Je liep haar voorbij op straat. Je had haar zo lang niet meer gezien dat je haar bijna niet meer had herkend.

Nu wilde Avery een moeder zijn, een echte moeder. Zij wilde de persoon zijn die Rose belde om om raad te vragen. Ze wilde dat Rose bij haar kwam logeren en dat ze de avonden gezellig samen konden doorbrengen met roomijs.

Pijn stond Avery in de weg, die eindeloze pijn in haar hart en haar ziel om alles wat er in het verleden was gebeurd en om wat haar nog te doen stond om het als rechercheur weer goed te maken. Het was allemaal een reusachtig groot, duister monster dat moest gevoed worden.

Gerechtigheid bestaat niet.

Avery maakte zich klaar.

In een spijkerbroek, T-shirt en bruine blazer staarde ze naar zichzelf in de spiegel. Te veel make-up, dacht ze. Je ziet er vermoeid uit. Depressief. Met een kater.

Zelfs een stralende glimlach kon haar innerlijke strijd niet oplossen. “Ach wat,” zei ze.

Jake’s Place op Harrison Avenue was een donker restaurantje met bordeauxrode zitjes en hoekjes waar je anoniem van een goede maaltijd kon genieten. Verschillende keren had Avery er filmsterren en andere beroemdheden gezien. Rose had het restaurant voor de eerste keer uitgekozen toen de zaak over de voogdij nog liep, en hoewel Avery er zeker van was dat Rose die plek had uitgekozen om niet samen met haar moeder gezien te worden, was het een plaats geworden die hen samenhield en de enige plaats waar ze elkaar ontmoetten na elkaar maanden niet gezien te hebben.

Rose was er al en ze had een plaatsje uitgekozen in een nis ver bij de andere klanten vandaan. In veel opzichten leek Rose op Avery toen ze nog jong was: blauwe ogen, lichtbruin haar, het figuurtje van een supermodel en een uitstekende kledingsmaak. Ze droeg een bloesje met korte mouwen dat haar zongebruinde armen mooi liet uitkomen. In haar linker neusvleugel had ze kleine diamanten neuspiercing. Met een perfecte houding en een waakzame blik schonk ze haar moeder een koele glimlach, waarna ze meteen weer leeg en ondoorgrondelijk keek.

“Hoi,” zei Avery.

“Hoi,” was het bitse antwoord.

Avery leunde wat ongemakkelijk naar voren om haar een knuffel te geven, maar die bleef onbeantwoord.

“Leuke neuspiercing,” zei ze.

“Ik dacht dat je neuspiercings niet leuk vond.”

“Het staat jou wel leuk.”

“Ik was verrast door je mail,” zei Rose. “Je mailt me niet zo vaak.”

“Dat is niet waar.”

“Dat neem ik terug,” gaf Rose toe. “Je neemt alleen maar contact met me op wanneer alles goed met je gaat, maar volgens wat ik in de kranten heb gelezen en volgens wat ik zelf kan zien,” zei ze, terwijl ze Avery bedenkelijk aankeek, “is dat niet het geval.”

“Bedankt, zeg.”

Volgens Avery, die haar dochter maar enkele keren per jaar zag, leek Rose heel wat ouder en volwassener dan zestien. Ze had het altijd al goed gedaan op school en had een grote studietoelage gekregen voor Brandeis. Ze werkte zelfs als kinderoppas bij een familie in de buurt.

“Hoe gaat het met papa?” vroeg Avery.

De ober onderbrak het gesprek. “Hallo,” zei hij. “Ik ben Pete. Ik ben nieuw hier, dus heb wat geduld met me. Willen jullie iets drinken?”

“Gewoon water,” zei Rose.

“Voor mij ook.”

“Oké, hier hebben jullie de menukaarten. Ik kom zo bij jullie terug om de bestelling op te nemen.”

“Dank u,” zei Avery.

“Waarom vraag je altijd naar papa?” snauwde Rose toen ze weer alleen waren.

“Uit nieuwsgierigheid.”

“Nou, als je zo nieuwsgierig bent, waarom bel je hem dan niet zelf op?”

“Rose...”

“Sorry,” zei ze, “ik weet niet waarom ik dat zei. Weet je? Ik weet niet eens wat ik hier doe,” verzuchtte ze. “Om heel eerlijk te zijn, mam, weet ik eigenlijk niet waarom je wilde dat ik hierheen kwam.”

“Wat bedoel je daar nu weer mee?”

“Ik ben in therapie,” zei Rose.

“O ja? Dat is goed.”

“Mijn therapeute zegt dat ik veel ouderlijke problemen heb.”

“Zoals wat?”

“Zoals dat jij ons hebt verlaten.”

“Rose, ik heb nooit...”

“Wacht,” zei Rose fel, “alsjeblieft. Laat me uitpraten. Daarna mag jij iets zeggen, oké? Je ging weg. Je gaf papa de voogdij en je was weg. Heb je er enig idee van hoe mij dat heeft verwoest?”

“Ik kan me er iets bij voorstellen...”

“Nee, dat kun je niet. Voordat dit alles gebeurde was ik heel populair. Daarna, bijna van de ene op de andere dag, was ik het meisje met wie niemand nog iets te maken wilde hebben. Ik werd gepest. Ze noemden me een moordenaar omdat mijn moeder een moordenaar had vrijgepleit. En met jou kon ik er helemaal niet over praten, mijn eigen moeder. Ik had je toen nodig. Ik had je echt nodig, maar juist op dat ogenblik liet je me in de steek. Je weigerde met mij te praten, je weigerde over de zaak te praten. Besef je wel dat alles wat ik over jou wist, dat ik dat uit de kranten had?”

“Rose...”

“En natuurlijk was er ook geen geld meer,” lachte Rose en ze wapperde met haar hand. “We waren er berooid aan toe nadat je je baan had verloren. Daar heb je nooit aan gedacht, hè? Van beroemde advocaat werd je een gewone politieagent. Goed gedaan, mam.”

“Ik moest wel,” snauwde Avery terug.

“We hadden niets meer,” zei Rose. “Je kunt niet zomaar meteen weer een bloeiende carrière hebben halverwege je leven. We moesten verhuizen. Heb je er ooit bij stilgestaan hoe dit alles ons leven zou beïnvloeden?”

Avery leunde naar achteren. “Is dit waarom je bent gekomen? Om tegen me te schreeuwen?”

“Waarom wilde jíj dat ik kwam, mam?”

“Ik wilde dat we weer dichter naar elkaar toe groeiden, ik wilde zien hoe het met je gaat, ik wilde met je praten en het weer goed proberen te maken.”

“Nou, als ik dit alles niet verwerk, zal dat allemaal niet gebeuren en ik kan het nog niet verwerken. Helemaal nog niet.” Rose schudde haar hoofd en keek naar het plafond. “Weet je? Jarenlang dacht ik dat je een superster was. Een sterke persoonlijkheid, een belangrijke baan, we woonden in een groot huis en ik dacht: wauw, mijn mama is een heel sterke vrouw. Maar toen ging deze droom opeens stuk, en alles erbij: het huis, de baan en jijzelf, vooral jijzelf.”

“Mijn hele wereld stortte in elkaar,” zei Avery. “Ik was er kapot van.”

“Ik was je dochter,” zei Rose. “Ik was er ook nog. Je negeerde mij.”

“Ik ben er nu,” zwoor Avery. “Nu ben ik er.”

De ober kwam terug. “Oké, dames. Hebben jullie al beslist?”

Gelijktijdig snauwden Avery en Rose: “Nog niet!”

“Hola, oké... Geef me maar een seintje als jullie klaar zijn.”

Geen van beiden gaf antwoord.

De ober draaide zich om en vertrok.

Rose wreef in haar gezicht. “Het is te vroeg,” besefte ze. “Het spijt me, mam. Maar het is te vroeg. Je wilde weten waarom ik hierheen was gekomen? Ik dacht dat ik er klaar voor was. Maar ik ben het niet.” Ze schoof uit haar stoel en ging staan.

“Rose, alsjeblieft. Ga zitten. We zijn hier pas. Ik mis je. Ik wil met je praten.”

“Het gaat niet om jou, mam. Het ging nooit alleen maar om jou. Snap je dat dan niet?”

“Geef me nog een kans,” zei Avery. “Laten we het opnieuw proberen.”

Rose schudde haar hoofd. “Ik ben er nog niet klaar voor. Het spijt me. Ik dacht van wel, maar nee.”

Ze vertrok.

“Rose! Rose!”

HOOFDSTUK ZESENTWINTIG

Toen Rose vertrokken was bleef Avery nog een tijdje alleen in het restaurant zitten. Ze bestelde eieren en toast, een kleine salade, een kop koffie en staarde voor zich uit. Ze dacht aan alles wat Rose had gezegd.

Mijn dochter haat me, dacht ze.

Nog nooit had ze zich zo down gevoeld, en ze wilde in een hoekje kruipen en alles achter zich laten.

In plaats daarvan betaalde ze de rekening en liep het restaurant uit.

Het zonlicht deed haar ineen krimpen.

Waarom kan het vandaag niet regenen? dacht ze.

Het leven buiten ging gewoon door, mensen haastten zich door de straten en auto’s raasden haar voorbij. Meer dood dan levend nam ze als een geest alles in zich op.

Dit is precies wat de moordenaar wil, dacht ze. Hij beheerst je gedachten. Hij lacht je uit. Net als Howard. Net als Howard.

Avery ging naar haar auto en reed doelloos rond.

Zonder dat ze zich ervan bewust was, reed ze in zuidelijke richting, naar de gevangenis. De lichamen van de drie meisjes bleven door haar hoofd spoken, net als de moordenaar, zijn minibusje, de routes die hij had genomen en een huis, een huis waar hij kon in wonen: klein, verscholen tussen bomen en met een onverzorgd gazon, want hij had immers andere dingen te doen dan het gras te maaien. Ze had de verdachten verkeerd ingeschat.

Ze moest een andere richting uit, ze moest helemaal opnieuw beginnen.

De parkeerplaats was nog steeds zoals ze het zich herinnerde. De gevangenis binnenstappen was net zoals de vorige keer: fluisterende bewakers die haar met de vinger wezen en ook de vrouw in het beveiligde kantoortje zeurde weer omdat ze geen afspraak had gemaakt.

“Hij zei dat hij wist dat je zou terugkomen,” spotte een bewaker. “Verliefd geworden, misschien? Blijkbaar hebben de kranten dan toch gelijk.”

Eigenlijk had ze geen reden om terug te komen. Ze geloofde zelf niet meer dat hij haar wilde of kon helpen, niet na haar stomme actie bij Art for Life. Hij speelde gewoon graag spelletjes, besefte ze. Maar Avery had wel zin in een spelletje. Ze had niets meer te verliezen, kon nergens meer terecht en op dit ogenblik beschouwde ze Howard Randall vreemd genoeg als de enige echte vriend die ze nog had.

Net als de vorige keer zat Howard in de vergaderruimte in de kelder, alleen had hij deze keer geen lach op zijn gezicht, maar keek hij haar bezorgd aan. “Je lijkt vandaag niet echt jezelf, Avery. Gaat het wel?”

Avery lachte.

Als ze een sigaret had gehad, had ze die nu opgestoken. Ze had niet meer gerookt sinds ze jong was geweest, maar zo voelde ze zich nu precies: roekeloos en onaantastbaar.

Ze ging zitten en zette haar ellebogen op tafel. “Je laatste tip was waardeloos,” zei ze. “Een kunstenaar? Bedoelde je John Lang?”

“Ik weet niet waar je het over hebt.”

“Onzin!” Agressief lachte ze hem toe. “Je hebt me voor schut gezet,” zei ze. “Mooi gespeeld. Wilde je eventjes herinneringen ophalen om me in tranen te zien uitbarsten?”

“Ik zie je helemaal niet graag verdrietig,” zei hij ernstig.

“Loop naar de hel!” schreeuwde ze. “Je speelt weer een spelletje. Je hebt me verteld dat hij een kunstenaar was. Je bracht me hem bijna op een presenteerblaadje.”

“Jouw moordenaar ís ook een kunstenaar,” zei hij. “Een echte kunstenaar.”

“Wat bedoel je daar nu weer mee?”

“Hij is heel trots op zijn werk. Hij moordt niet zomaar. Hij slacht die meisjes niet af. Hij moordt met een doel. Deze meisjes betekenen iets voor hem. Hij kent ze, persoonlijk, en in ruil voor het leven geeft hij ze onsterfelijkheid, in de vorm van kunst.”

“Hoe kun jij dit nou weten?”

Howard leunde naar voren. “Je hebt me nooit gevraagd hoe ík mijn slachtoffers uitkoos,” antwoordde hij, “of waarom ik hen op een bepaalde manier neerzette.”

Als Howards advocaat had Avery er alles aan gedaan om hem vrij te krijgen. Ze had geprobeerd te weten te komen hoe hij dacht en waarom hij zulke gruwelijke daden had begaan, zodat ze Howard kon loskoppelen van de moorden op basis van zijn persoonlijke geschiedenis.

“Het was een boodschap voor mensen die in het echte leven al dood waren,” zei ze. “Je koos de beste studentes uit en beschuldigde hen van een of andere misdaad tegen de mensheid, daarna sneed je ze in stukken en verspreidde de lichaamsdelen op de grond zodat het eruitzag alsof er meerdere mensen uit de onderwereld probeerden te ontsnappen.”

“Nee,” snauwde Howard. Hij leunde naar achteren. “Wat is het leven?” vroeg hij nadrukkelijk. “Wat is de betekenis ervan? Waarom zijn we hier?”

“Wat heeft dat ermee te maken?”

“Alles!” schreeuwde hij, en hij bonsde op de tafel.

Een bewaker keek door het kijkvenstertje. “Is alles oké?”

“Ja, Thomas,” zei Howard, “ik wind me alleen maar wat op.”

De bewaker verdween weer.

“Het leven is kort,” probeerde Howard uit te leggen, “en alles in het leven herhaalt zich voortdurend. We leven en telkens opnieuw sterft een deeltje van onszelf in dit universum. Hoe we nu leven, heeft invloed op al die keren die we herboren worden, op onze eigen energie en die van het leven. Ik koos mijn slachtoffers uit omdat ze fouten hadden, bepaalde fouten die ze in dit leven nooit meer goed konden maken. Dat is waarom ik hen moest helpen, zodat ze konden bloeien in hun volgende leven.”

“Is dat hoe jij je daden verantwoordt?”

“Deze wereld is alleen wat we er zelf van maken, Avery. Alles waar we van dromen kunnen we bereiken. Hoe verantwoord jij jóúw daden?”

“Ik probeer de fouten uit mijn verleden goed te maken, elke dag weer opnieuw.”

Hij zuchtte, schudde zijn hoofd en begon te blozen als een man die eindelijk de vrouw van zijn leven had ontmoet. “Je bent zo bijzonder,” zei hij, “zo heel bijzonder. Toen ik je voor het eerst ontmoette, wist ik het al meteen. Hard en slim en grappig, en toch heb je fouten, toch ben je gebroken door je verleden. Ik kan je hierbij helpen, Avery. Laat me je helpen. Het kan nog. Wil je dan niet gelukkig zijn, vrij?”

Ik wil mijn dochter terug, dacht ze.

“Ik wil de moordenaar vinden,” zei ze hardop.

Scherp als een havik schoot Howard naar voren. “Hoe voelde het toen je vader je moeder vermoordde?”

Avery verstijfde. Hoe weet hij dat? dacht ze. Het stond in alle kranten, zei ze tegen zichzelf. Iedereen kan die informatie vinden.

“Wil je het alweer over mijn verleden hebben?” vroeg ze. “Wil je me aan het huilen maken? Niet vandaag. Ik zit al diep genoeg. Dieper kan ik niet zakken.”

“Perfect,” zei hij. “Nu kun je verrijzen.”

De dag dat haar moeder werd vermoord stond haar scherp voor de geest. Het gebeurde achter het huis, na schooltijd. Ze kwam thuis en hoorde het schot. Ze was pas tien. Een schot, stilte, en nog een schot. Ze liep het bos in en zag haar vader gebogen over het lichaam staan, met het wapen nog in zijn hand. “Ga een schop halen,” had hij gezegd.

“Ik voelde niets,” zei ze tegen Howard. “Mijn moeder was een drankorgel en ze was er nooit voor mij. Ze liet me altijd duidelijk merken dat ik een ongelukje was geweest. Ik voelde helemaal niets toen ze stierf.”

“Wat voor soort moeder ben jij?”

Een barst. Avery voelde een barst in het lege, mistroostige pantser van haar bestaan. En hoewel ze zich leeg en uitgeput voelde, besefte ze dat ze nog steeds gekwetst kon worden.

“Ik wil het niet over Rose hebben.”

Een diepe rimpel verscheen tussen Howards wenkbrauwen. “Aha,” zei hij, “dat kan ik begrijpen.” Nadenkend keek hij omhoog en opeens richtte hij zich weer tot Avery. “De moordenaar kent deze meisjes,” zei hij. “Waar zit het verband?”

Avery schudde haar hoofd. “Over het derde meisje weten we nog niet veel,” zei ze. “De eerste twee zaten allebei op de universiteit en waren allebei lid van een studentenvereniging. De ene was een laatstejaarsstudente, de andere derdejaars, dus daar vinden we geen verband.”

“Nee,” fluisterde hij.

“Wat?”

“Nee,” zei hij weer, “je hebt het mis.”

“Wat heb ik mis?”

Teleurgesteld keek hij haar aan. “Ken je het verhaal van de jongen en de vlinder?” vroeg hij. “Als een rups begint te veranderen in een vlinder, gebruikt de vlinder zijn lichaam en vleugels om zichzelf uit de cocon te bevrijden. Dit is een moeilijke opgave die heel veel tijd vraagt, maar de vlinder vecht en werkt, hij ontwikkelt spieren en kracht, en als hij eindelijk uit de cocon komt, kan hij door zijn kracht vliegen en op zoek gaan naar voedsel om te overleven. Op een dag zag een jongen die rupsen als huisdieren hield een van zijn cocons schudden en bewegen. Hij had medelijden met het diertje en wilde het helpen, zodat het niet zoveel hoefde te lijden. Hij vroeg zijn moeder om de cocon een beetje open te snijden zodat de vlinder zichzelf makkelijker zou kunnen bevrijden. Maar deze simpele handeling, uit liefde voor het diertje, beroofde de vlinder van zijn kracht en toen hij veel te vroeg uit de cocon kwam, waren zijn lichaam en vleugels nog niet sterk genoeg om te jagen of te vliegen en ging hij al na enkele dagen dood.”

“Wat wil je hiermee zeggen?” vroeg Avery. “Ben ik dan de jongen of de vlinder?”

Howard gaf geen antwoord.

Hij boog zijn hoofd en zweeg. Avery vroeg het keer op keer opnieuw, begon te schreeuwen en bonsde op de tafel omdat ze een antwoord wilde.

HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG

Opgehitst.

Na haar ontmoeting met Howard voelde Avery zich opgehitst en boos.

Wat bedoelde hij? vroeg ze zich af. Het enige wat ik zei was juist: beiden zaten op de universiteit, beiden waren lid van een studentenvereniging. Een laatstejaarsstudente. Een derdejaarsstudente. Wat was hier mis mee?

Argh! schreeuwde ze inwendig.

Mensen en auto’s vulden de straten. Het was zaterdag en officieel was ze van de zaak gehaald. Toch wilde ze niet zomaar haar tijd verspillen. Ze wilde iets doen. Helemaal van voren af aan opnieuw beginnen, dacht ze. Vanaf het begin.

Het was al behoorlijk druk in Lederman Park toen ze aankwam; het park liep vol joggers en honden. Op het baseballveld dicht bij de rivier speelden een rood en een blauw team een partijtje softbal.

Avery parkeerde haar auto en liep naar het bankje waar ze Cindy Jenkins hadden gevonden. Ze herinnerde zich nog heel duidelijk het lichaam, de manier waarop ze zat, de vage glimlach en haar blik die op de bioscoop gericht was. Eerst wilde hij maar drie meisjes vermoorden, dacht ze. Maar dat was veranderd. Waarom had hij zijn plannen gewijzigd? De drie lichamen hadden heel wat overeenkomsten gehad. Hij had ze alle drie voorzichtig behandeld en met uitzondering van het laatste meisje keken ze allemaal in de richting van iets wat met het cijfer drie te maken had: drie verliefde vrouwen, drie meisjes uit de Tweede Wereldoorlog. Waar zit het verband? vroeg ze zich af.

Ze zat op het bankje, niet op de plaats waar het lichaam had gezeten, maar aan de andere kant, en ze zocht met haar telefoon informatie op internet over het getal drie. In de meeste godsdiensten had het getal een magische betekenis. In het Chinees klonk het als “levend”. Het was het eerste getal dat “allemaal” betekende. Noah had drie zonen. Drie verwees ook naar de Drievuldigheid. Drie. Drie. Drie.

Ze legde haar telefoon weer neer.

Je wilde er drie vermoorden, dacht ze. Drie meisjes gaven je kracht. Maar opeens kwam hier verandering in. Wat was er veranderd? Waarom wilde je er plotseling meer vermoorden?

Na haar ontmoeting met Howard was Avery gaan geloven dat de moordenaar in een soort hogere macht geloofde, een god uit een of andere godsdienst, of misschien zijn eigen soort god? Een god die jonge meisjes nodig had. Waarom? dacht Avery. Waarom had hij jonge meisjes nodig?

Beiden zaten op de universiteit. Beiden waren lid van een studentenvereniging. Een laatstejaarsstudente. Een derdejaarsstudente.

Nee, had Howard gezegd.

Ze reed naar de begraafplaats van Auburn.

Avery stond voor de plek waar ze Tabitha Mitchell gevonden hadden. Ze tuurde over de begraafplaats en had het gevoel zich in een onwerkelijke wereld te bevinden waarin ze niet thuishoorde. De rit naar Lederman Park. De rit naar de begraafplaats. Tijdens het rijden naar beide plaatsen had ze een vredig gevoel ervaren. Misschien had hij hetzelfde gevoeld. Geen angst. Geen zorgen dat hij gesnapt zou worden. Een dag als alle andere.

Het was bijzonder druk op het speelterrein van Stony Brook. Avery schrok toen ze zag dat de hele plaats delict al opgeruimd was. Overal zag ze kinderen, van kleine baby’s tot kinderen van een jaar of acht. De grootste kinderen liepen door de fonteinen heen en klommen het houten kasteel op en neer. Moeders riepen en liepen achter hun kinderen aan. Ze hoorde kinderen huilen omdat ze hun hoofd hadden gestoten. Sommige moeders en babysitters staarden Avery aan alsof ze haar herkenden of haar gezicht probeerden te plaatsen.

Ze liep naar de ingang van het kasteel, waar ze het derde meisje hadden gevonden.

Een kind keek haar vanuit de opening aan. “Hoi,” zei hij en hij klauterde ervandoor.

Avery keek in dezelfde richting waarin Tabitha had gekeken en staarde naar de muur met de kinderen.

Waar ligt het verband? dacht ze.

Beiden zaten op de universiteit. Beiden waren lid van een studentenvereniging. Een laatstejaarsstudente. Een derdejaarsstudente.

Nee.

Ze koos een nummer.

De norse stem van Talbot Diggins beantwoordde haar oproep. “Wat is er, Black? Ik dacht dat je dood was.”

“Waarom zou ik dood zijn?” vroeg ze.

“Lees je dan nooit de kranten? De East Coast is helemaal in paniek door deze moordenaar. Drie dode meisjes in een week? Je hebt weer de voorpagina gehaald. Ze zeggen dat je van de zaak bent gehaald. Officieel met verlof.”

“Ik ben helemaal niet met verlof.”

Op de achtergrond hoorde Avery kinderen schreeuwen. Hij zei: “Een ogenblikje,” en ging wat zachter praten. “Wees nu toch eens stil, jongens. Je ziet toch dat papa aan het telefoneren is. Ga je moeder maar lastigvallen. Maak dat jullie wegkomen! Vooruit! Ik kom zo.”

“Het spijt me,” zei Avery. “Ik stoor blijkbaar.”

“Nee,” antwoordde hij, “een dagje uit in het park. Zeg het eens, Black.”

“Ik belde je om wat meer te weten te komen over het derde slachtoffer.”

“Ja, ik heb een telefoontje gekregen van inspecteur Connelly van jullie bureau. Hij zegt dat hij vanaf nu het onderzoek leidt. Hij wilde weten wat we al gevonden hadden. Hij klinkt echt als een eikel. We hebben haar vingerafdrukken onderzocht en vonden een match. Ze was betrokken bij een flauwe grap op de universiteit vorig jaar. Ze heet Molly Green. De media is hiervan nog niet op de hoogte, dus hou het nog even voor jezelf. Ze was studente aan de Brandeis Universiteit. Ze studeerde financiën. Niet echt een briljante studente. Ook geen lid van een studentenvereniging, dus dat is niet het verband.”

“Heb je al met iemand gesproken op Brandeis?”

“Ik heb met de decaan gesproken. Maar op dit ogenblik laat hij nog niet veel los. Hij wil nog niets bekendmaken voordat hij maandag zelf een verklaring kan afleggen. Hij verwees me door naar een consulente, Jessica Givens genaamd. Molly maakte zich kennelijk zorgen over een baan.”

“Baan? Had het slachtoffer een baan?”

“Dat heeft de begeleidster niet gezegd. Wat ze wel zei was dat uiteindelijk alles goed gekomen is.”

“Kun je mij het nummer geven van die consulente?”

“Ja, hoor,” zei hij. Hij hield de telefoon wat verder van zich af zodat hij het kon opzoeken en schreeuwde Avery het nummer toe. “Heb je het?” Avery sloeg het nummer op in haar eigen telefoon, onder de naam Jessica Givens. “Ja, hebbes,” zei ze.

“Heb je haar vrienden al gesproken?” vroeg Avery.

“Mijn team heeft gisteren contact met haar vrienden en familie opgenomen. Sommigen zijn er vandaag ook nog mee bezig. Ze paste soms op de kinderen van een gezin in de buurt van de universiteit. Ze werd donderdagavond voor het laatst levend gezien toen de moordenaar haar in de buurt van het huis ontvoerde.”

“Hoe weet je dat?”

“Een van mijn agenten heeft gisteren een verklaring afgenomen van een jonge gozer, vijftien jaar, die tegenover het huis woont waar Molly werkte. Zei dat hij ’s nachts niet kon slapen. Rond de tijd dat Molly klaar was met werken, zag hij een meisje dat aan haar beschrijving voldeed het huis uit komen en een praatje maken met een kerel naast een blauw minibusje.”

Avery’s adem stokte. “Dat is zijn auto,” zei ze, “een blauw Chrysler minibusje.”

“Ja,” stemde Talbot in, “dat zei Connelly al. Hij zei ook dat ze nog niet weten op welke naam de auto geregistreerd staat, maar ze zijn er volop mee bezig. De jongen zei dat de dader een hoed en een bril droeg. Blanke kerel, ongeveer een meter zeventig, slank maar stevig gebouwd, tussen de vijfentwintig en vijfenveertig jaar oud. Dat is hem, toch?”

“Ja, dat is hem.”

“De jongen wist niet wat hij zag. Hij zei dat het leek alsof ze flauwviel. De dader heeft eerst nog om hulp geroepen, heeft haar toen in het minibusje gezet en is weggereden.”

“Heeft die jongen iemand gebeld?”

“Nee, hij zei dat het leek alsof hij voor haar zorgde. Hij is pas vijftien.”

“Nog iets?”

“Is dit niet genoeg?”

“Ik probeer alle stukjes aan elkaar te passen.”

“Je mag van geluk spreken dat ik je dit allemaal vertel, Black. Die Connelly heeft echt een pesthekel aan je.”

“Waarom help je me eigenlijk?”

“Ik heb iets met radeloze, moedige, blanke meiden waar ik in de kranten over lees, denk ik,” grapte hij, waarna Avery hem met gesmoorde stem hoorde zeggen: “Ach, kom op, schat. Ik maakte maar een grapje. Ze is een rechercheur. Nee, ik ben niet in haar geïnteresseerd. Een ogenblikje.” Hij kwam terug aan de telefoon en zei: “Oké, Black, ik moet gaan. Leuk dat je belde.” Hij hing op.

Brandeis, dacht Avery. Het derde meisje ging naar de universiteit van Brandeis, in Waltham, de meest westelijke richting tot nu toe. Het eerste slachtoffer ging naar Harvard, in Cambridge, net buiten Boston. Het tweede zat op het MIT in Cambridge en werd verder naar het westen achtergelaten op de begraafplaats in Watertown. De universiteit van Brandeis ligt nog verder naar het westen, maar het slachtoffer was naar het oosten gebracht, in Belmont.

Dus, dacht ze, hij woont óf in Belmont, óf in Watertown.

Het leek logisch. Hij had niet verder willen rijden om elk meisje dat hij wilde vermoorden te vinden en ergens te positioneren. Op basis van waar hij de lichamen naartoe bracht en achterliet, werd zijn reistijd telkens korter. Lederman Park ligt een heel eind van Belmont verwijderd, dacht ze. Helemaal naar Boston. Met zijn eerste slachtoffer wilde hij iets duidelijk maken én afstand creëren van bij hem thuis. Toen werd hij roekelozer. Het tweede lichaam werd verder westwaarts gevonden, in Watertown. Het derde liet hij nog verder achter, in Waltham. Hij kan onmogelijk in Waltham wonen, dacht ze. Waarom zou hij van daaruit de hele weg naar Boston afleggen?

Ze belde Finley op.

Toen Finley opnam, hoorde ze op de achtergrond extreem luide heavymetalmuziek.

“Yo, yo,” schreeuwde hij.

“Finley, met Black.”

Bijna fluisterend hoorde ze: “O, verdomme.” Daarna werd de muziek wat stiller gezet en werd Finley bijzonder zakelijk. “Luister, Black,” zei hij, “eigenlijk mag ik het helemaal niet met jou over de zaak hebben.”

“Ben je nog steeds bezig met die autohandelaars?”

“Ja.”

“De moordenaar woont óf in Belmont, óf in Watertown. Beperk je zoekactie dus tot deze twee plaatsen en dat zal je een hoop tijd besparen.”

“Hoe weet jij dat nou?”

Ze hing op.

Boekhouding. Economie. Financiën. Allemaal vakken die met het bedrijfsleven te maken hadden.

Talbot zei dat het derde slachtoffer gespannen was voor een sollicitatiegesprek. Cindy kon aan de slag bij een boekhoudbedrijf. Wat was de naam ook al weer? Devante, herinnerde ze zich. Het grootste boekhoudbedrijf van Boston. Had Molly een baan? Tabitha was een derdejaarsstudente. Had zij al een baan?

Ze liep naar haar auto.

Op weg naar Brandeis belde ze Finley opnieuw.

“In hemelsnaam,” snauwde Finley. “Laat me nu toch eens met rust. Het is zaterdag. Voor het eerst in twee jaar hoef ik niet te werken op zaterdag of zondag. Laat me wat plezier maken. Bel Connelly maar. Hij heeft dienst. Bel Thompson. Hij heeft ook dienst.”

“Tabitha Mitchell,” zei ze, “ging die ergens een baan aannemen?”

“Een echte baan?”

“Ja, een echte baan. Niet als prinses in Disneyland.”

“Waarom zou zij al een baan nemen? Ze was pas derdejaars, toch?”

“Dat weet ik niet. Daarom bel ik naar jou. Heb je haar familie nog niet gesproken?”

“Ja, de moeder.”

“Heeft zij iets gezegd over een baan?”

“Nee.”

“Bel haar nog eens op. Probeer te weten te komen of Tabitha een baantje had voor deze zomer.”

“Ik heb geen dienst.”

“Je zit midden in een zaak!”

“Ik hoef aan jou geen verantwoording af te leggen, Black!”

“Er is een moordenaar op de vlucht!” schreeuwde Avery. “En hij gaat opnieuw toeslaan. En ik zit hem op de hielen, Finley. Ik heb hem bijna, ik voel het. Bel de moeder. Tabitha’s vrienden. Wie je ook maar kunt bereiken. Ik heb een antwoord nodig. Vlug. Alsjeblieft. Bel me als je iets meer weet.”

“Verdomme!” hoorde ze Finley nog schreeuwen voor ze ophing.

HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG

Avery nam Route 20 helemaal tot in Waltham County. De rit vorderde maar traag. Om de paar kilometer moest ze stoppen voor verkeerslichten.

Jessica Givens nam nooit haar telefoon op. Na de vierde poging besefte Avery dat dit haar nummer van het werk moest zijn. Ze liet een boodschap achter en belde naar Inlichtingen. “Hallo,” zei ze, “ik heb het nummer nodig van een zekere Jessica Givens in Waltham.”

“We hebben tien personen met de naam Givens in Waltham,” zei de medewerker. “Weet u waar ze woont?”

“Nee.”

Daarna belde ze de decaan. Antwoordapparaat.

Avery reed vanuit South Street de campus van de Brandeis Universiteit op. Het duurde eventjes voor ze had gezien waar ze kon parkeren.

Brandeis was een van de topuniversiteiten voor financiën. De centrale campus bestond uit een aantal kronkelende paadjes op een grote heuvel, waarover het bijzonder lastig lopen of rijden was. Over het terrein verspreid stonden een aantal oude bakstenen gebouwen met hier en daar een klein kasteeltje en moderne glazen gebouwen met een bijzondere architectuur. Nadat ze een parkeerplaats had gevonden, liep ze een van de paadjes op en vroeg waar ze de administratie kon vinden.

Ze kwam terecht in een klein gebouwtje dat bijna helemaal leegstond. Aan de balie zat maar één medewerker. “We zijn gesloten,” zei hij.

Avery haalde haar badge tevoorschijn. “Ik ben Avery Black. Ik ben op zoek naar Jessica Givens. Volgens mijn gegevens is ze een consulente die hier ergens op de campus werkt.”

Een warme, vriendelijke glimlach begroette haar. “Hé,” zei hij, “u bent Avery Black. U jaagt op seriemoordenaars, toch? Cool!”

“Er is helemaal niets cools aan een seriemoordenaar.”

“Nee, nee,” zei hij snel, “natuurlijk niet. Ik bedoelde ook niet de seriemoordenaar. Ik bedoelde u. U bent overal op het nieuws. Ik herken u. De kranten pakken u heel hard aan.”

“Ik ben verbaasd dat u mij nog te woord wil staan.”

“Natuurlijk,” zei hij, “u bent me er wel eentje.”

De woorden kwamen zo spontaan en toen hij besefte wat hij gezegd had, begon hij te blozen en stamelde: “Het spijt me. Dat was helemaal niet professioneel van me. Ik...”

“Geeft niet,” zei ze met een verleidelijke glimlach. “Echt!”

“Weet u het zeker?”

“Ja hoor,” zei ze, en ze leunde over de balie. “Helemaal niet. Zou je me trouwens kunnen helpen?”

“Natuurlijk, natuurlijk. U hebt geluk dat ik er nog ben. Eigenlijk had ik al op weg naar huis moeten zijn. Laat me eens kijken,” zei hij, terwijl hij op zijn computerscherm keek. “Wat hebt u nodig?”

“Ik heb het mobiele nummer en het adres nodig van Jessica Givens.”

Hij gluurde over zijn computerscherm heen. Een zwarte lok krullend haar viel over een deel van zijn gezicht. Hij was jong, waarschijnlijk begin twintig.

“Maar weet u, eigenlijk mag ik helemaal geen persoonlijke informatie doorgeven.”

Avery leunde wat meer naar hem toe. “Hoe heet je?” fluisterde ze.

“Buck.”

“Buck,” zei ze geluidloos, en toen, zachtjes en terwijl ze geheimzinnig om zich heen keek: “Ik sta op het punt de moordenaar in te rekenen, Buck. Jessica Givens heeft misschien informatie die me verder kan helpen.”

Plotseling keek hij haar ongerust aan. “Heeft hij hier iemand aangevallen? Ik dacht dat hij alleen op Harvard en MIT had toegeslagen.”

“Laten we zeggen dat niemand nog veilig is, Buck. Elke studente is een mogelijk doelwit. Maar Jessica Givens,” zei ze, waarbij ze naar de deur wees, “die weet iets. Iets heel belangrijks. Zij heeft informatie die deze hele zaak zou kunnen oplossen. Ik kan niemand anders nog vertrouwen. Ik ben alleen gekomen. Kun je me helpen? Niemand anders hoeft dit te weten.”

“Jemig,” fluisterende hij. “Natuurlijk, als het zo belangrijk is, prima,” zei hij glimlachend en hij gaf haar wat ze nodig had.

“Dankjewel,” zei ze. “Ik hoop dat je beseft dat je me hiermee misschien wel de belangrijkste informatie hebt gegeven om de moordenaar te pakken te kunnen krijgen.”

“Echt waar?”

“Echt waar,” fluisterde ze hem met een zwoele stem toe. Ze hield haar vinger op haar gesloten lippen. “Denk eraan, ons geheimpje.”

“Natuurlijk,” zei Buck. “Enkel u en ik.”

Avery draaide zich om en verliet het kantoortje. Zodra ze weer in het zonlicht stond, toetste ze het nummer in dat ze zojuist had gekregen.

“Hallo?” zei iemand.

“Spreek ik met Jessica Givens?”

“Ja. Met wie spreek ik?”

“Hallo, Jessica. Mijn naam is Avery Black. Ik ben een van de rechercheurs die zich bezighouden met de moord op Molly Green. Ik heb begrepen dat u al met Talbot Diggens heeft gesproken?”

“Hoe bent u aan mijn nummer gekomen?”

“Bent u de consulente met wie inspecteur Diggens heeft gesproken over Molly Green?”

“Ja, dat ben ik. Maar dit is mijn privénummer. Ik ben op het ogenblik bij familie.”

“Molly Green is dood, mevrouw Givens. We proberen de moordenaar te vinden. Dit zal echt niet zo lang duren. U zei dat het slachtoffer gespannen was voor een sollicitatiegesprek, is dat zo?”

“Ja, inderdaad.”

“Wat was er aan de hand?”

“Ongeveer een maand geleden had ze een baan aangeboden gekregen van een boekhoudbedrijf.”

Boekhoudbedrijf, dacht Avery. Ook Cindy Jenkins was bij een boekhoudbedrijf aangenomen. “Herinnert u zich de naam nog?”

“Uiteraard,” zei Jessica, “het is een van de grootste boekhoudbedrijven in Boston. Ik was trouwens verbaasd dat ze aangenomen werd. Haar studieresultaten waren, in vergelijking met sommige andere studenten die voor deze baan hadden gesolliciteerd, helemaal niet zo schitterend. Het was Devante. Devante Accounting in het financiële district in Boston.

HOOFDSTUK NEGENTWINTIG

Even na zonsondergang parkeerde de moordenaar zijn auto op de campus van de Bentley Universiteit in Waltham. Hij had een parkeerplaats gevonden ten noorden van College Drive en liep zuidwaarts het voetpad op.

Een onaangenaam gevoel maakte zich van hem meester.

Eigenlijk had hij dit niet van tevoren gepland, maar hij was op jacht naar zijn vierde slachtoffer.

Toen hij zich enkele maanden geleden had voorbereid op zijn eerste moord had hij zich gesteund gevoeld door de Hogere Geest. Die had hem de opdracht gegeven om drie meisjes te vinden, drie meisjes om de poort naar de hemel te kunnen openen en zijn stem had hem door elke stap van het proces geleid.

De ommekeer was gekomen tijdens het tentoonstellen van Molly Green.

Op weg naar de uitgekozen plaats in Belmont, een plaats waar de Hogere Geest zeker tevreden mee zou zijn, had hij in zijn binnenste een boze stem horen roepen: meer. Hij was er zeker van geweest dat dit niet kon kloppen. De Hogere Geest had er maar drie nodig. Meer, had de stem herhaald, telkens opnieuw. Bezorgd, helemaal bezweet en onzeker van zichzelf had de moordenaar beseft dat hij Molly op een andere plaats moest achterlaten. In paniek – en hij raakte eigenlijk nooit in paniek – had hij Belmont verkend en hij had er gelukkig de speelplaats gevonden met de hoge muur die naar de toekomst verwees. De Hogere Geest zou dit prachtig vinden.

Maar hijzelf voelde zich helemaal niet zo gelukkig.

Nog een meisje betekende dat het hierbij niet zou blijven en dat zijn Hogere Geest een onuitputtelijke voorraad meisjes zou willen.

Hij had andere interesses, andere verlangens. Dieren, bijvoorbeeld: zijn passie om dieren te redden van een leven op straat. Hij hield van katten, en hij had zelfs een keer een gewonde vleermuis in huis gehaald. Hij had de vleermuis liefgehad en verzorgd tot hij het diertje het eeuwige leven had gegeven.

Plantkunde was een van zijn andere hobby’s. Maar de laatste maanden had hij helemaal geen tijd meer gehad om nieuwe mengsels te ontwikkelen en deze op verschillende dieren uit te testen. Hij had al zijn tijd aan de Hogere Geest geofferd, een god die een steeds belangrijkere plaats in zijn leven innam.

Meer meisjes..., dacht hij.

Meer...

Zijn beloning voor de drie-eenheid zou onsterfelijkheid zijn in menselijke vorm en hij zou een plaats in de hemel krijgen, samen met alle andere hemelse wezens. Maar op dit ogenblik voelde hij zich helemaal niet onsterfelijk, eigenlijk voelde hij zich niet zo goed en bijzonder emotioneel. Dit nieuwe spel, dit nieuwe plan beantwoordde helemaal niet aan zijn eigen diepste verlangens en hij begon gruwelijke gedachten te krijgen over de Hogere Geest.

Hoog aan de hemel zag hij zijn god bedenkelijk op hem neerkijken en hij hoorde zijn bulderende stem eisen: méér!

Ja, ik weet het, schreeuwde de moordenaar in gedachten de hemel toe. Meer! Zie je dan niet dat ik hier ben? Ik hou haar al een hele tijd in de gaten. Ik weet waar ze is. Ik weet waar en wanneer ik zal toeslaan. Ik heb alles onder controle! verzekerde hij de Hogere Geest. Maar in zijn diepste zelf voelde hij zich er helemaal niet klaar voor.

De vorige moorden had hij vol zelfvertrouwen gepleegd en daarbij de bescherming van de Hogere Geest kunnen voelen, zodanig zelfs dat als hij in het openbaar en op klaarlichte dag gemoord had, hij dit had kunnen doen zonder dat iemand dit opmerkte. Maar nu had hij het gevoel dat iedereen hem aanstaarde.

Net buiten de parkeerplaats lag een uitgestrekt gazon met daarop een groot filmscherm.

Zoals elke zaterdagavond was het filmavond op Bentley en vandaag stond de zwart-witte filmklassieker Casablanca op het programma.

Honderden studenten en koppeltjes waren naar de film komen kijken. Sommigen onder hen lagen op dekentjes, anderen zaten op stoelen en sommigen hadden bier of wijn meegenomen om van deze avond te kunnen genieten.

Hij had een dekentje bij zich en een zonnebril op.

Zijn doel? Een laatstejaarsstudente met de naam Wanda Voles. De avond tevoren was hij te weten gekomen wat ze vanavond van plan was. Het was pas uit met haar vriend en ze had besloten alleen naar de filmavond te komen. Haar vrienden hadden haar gesmeekt haar zaterdagavond niet door te brengen op zo’n flauw filmgebeuren, maar Wanda was vastbesloten geweest. “Casablanca is mijn lievelingsfilm,” had ze tegen hen gezegd.

Om verschillende redenen had hij precies deze avond uitgekozen. Een van de belangrijkste redenen was dat hij ergens hoopte dat ze niet zou komen opdagen. Hoewel hij wist dat hij hiermee zijn god verraadde, had hij dit gevoel toch niet kunnen ontkennen. “Ik wil het niet doen! Ik wil het niet doen!” had hij geschreeuwd. De Hogere Geest had geweigerd te luisteren. Diep in zijn binnenste had hij een zeurende pijn gevoeld.

Hij ging aan de rand van de menigte staan. Af en toe wierp hij een blik op het scherm en zag Humphrey Bogart en Ingrid Bergman elkaar kussen of elkaar in de haren vliegen.

Wanda zat aan de westelijke zijde van het gazon. Ze zat alleen, maar was omringd door andere studenten. Hij koos een plaatsje uit op een meter of twintig achter haar. Wanda’s kamer, zo wist hij, lag op ongeveer tien minuten wandelen van de parkeerplaats. Ze zou in haar eentje over enkele smalle, kronkelende paadjes moeten lopen.

De moordenaar zat op zijn dekentje en deed alsof hij naar de film keek.

Doe het niet, spookte er door zijn hoofd. Doe het niet!

Ik moet het doen, blafte hij terug.

Alsof iemand hem in zijn maag schopte boog hij opeens voorover. Nog steeds hoorde hij in gedachten de stem van de Hogere Geest. Meer! Meer! Meer! Méér!

Ik weet het, antwoordde hij. Het spijt me.

Genieten van de film was helemaal niet mogelijk. Elke hartstochtelijke scène herinnerde hem aan zijn eigen wanhopige situatie, aan de mensen om hem heen en aan zijn schuldgevoel. Het was verkeerd, helemaal verkeerd en hij kon het niet eens uitspreken, hij mocht het niet eens denken.

Toen de aftiteling over het scherm rolde, pakte Wanda Voles haar dekentje en persoonlijke spullen en ging op weg naar huis. Heel wat studenten bleven op het gazon zitten. Er werd uitbundig gekust en hard gelachen. Af en toe zag hij een koppeltje in de bosjes verdwijnen. Naast Wanda liepen nog enkele andere studenten.

Enkele seconden nadat Wanda hem voorbij was gelopen, stond hij op en volgde haar. Een gewone studente, dacht hij bij zichzelf. Leugens, spookte het door zijn hoofd. Hou op! vocht hij terug. Meer! brulde de Hogere Geest. Het bevel schokte hem en ging als een epileptische aanval door zijn hele lichaam.

Hou jezelf onder controle, dacht hij.

Hij zag Wanda over de parkeerplaats lopen. Ze liep vlak langs zijn auto. Een eindje verderop gingen enkele studenten dezelfde kant op.

Alleen, dacht hij. Ze is alleen. Nu!

Dit keer voelde hij geen vreugde, geen opwinding en zijn persoonlijke betrokkenheid was ver zoek. De kracht van de Hogere Geest had hem verlaten. Toch moest hij doorzetten. Zoals altijd keek de Hogere Geest wachtend op hem neer.

Wanda liep ongeveer tien stappen voor hem uit. Ze begon een deuntje te neuriën.

Hij had zijn list al voorbereid. Hij zou haar begroeten, doen alsof hij met zijn dochter naar de film was gekomen en een verhaal verzinnen over een lekke band. Zij zou zich vooroverbuigen om te helpen de bandenspanning te controleren en op dat ogenblik zou hij toeslaan met de naald. Geen gedoe. Geen getuigen. Gewoon een jong meisje dat op een parkeerplaats verdwijnt.

Vijf stappen achter haar.

Hij begon de naald klaar te maken.

Nog vier stappen en ze zou weer langs een rij auto’s komen.

Nog drie stappen, en hij opende zijn mond om haar aan te spreken.

Pal voor Wanda’s neus sprong een student achter een auto vandaan.

“Grrrr!” brulde hij, met zijn armen hoog in de lucht.

Geschrokken deinsde Wanda achteruit.

Meteen draaide hij zich om en liep in tegenovergestelde richting. Achter zich kon hij de jongen horen lachen. “Ik had je goed te pakken, hè!”

Wanda schreeuwde terug: “Ik schrok me bijna dood!”

“Het spijt me. Het spijt me,” zei hij verontschuldigend, “maar ik had je wel goed te pakken! Ik zag je aan komen en ik moest het gewoon doen. Waar ga je heen? Het is nog vroeg.”

Hun conversatie vervaagde naar de achtergrond.

Een gevoel van opluchting overspoelde de moordenaar, opluchting omdat hij toch gered was van zijn misdaad. Het zat niet goed, zei hij bij zichzelf. Ik wíst dat het niet goed zat. Ik moet er beter over nadenken. Ik moet een nieuw plan verzinnen. Geen paniek, geen paniek, suste hij zijn god. Alles komt goed. Dat beloof ik u.

Hoog in de lucht hoorde hij zijn god teleurgesteld grommen.

HOOFDSTUK DERTIG

Een dromerig, onwerkelijk gevoel maakte zich van Avery meester.

Ze kon zich opeens de laatste woorden van Jessica Givens niet meer herinneren, of wanneer het gesprek werd beëindigd, of waar ze haar telefoon had gelaten.

Ze bevond zich in de duisternis van de Brandeis-campus. Het enige waar ze zich bewust van was waren de groene grasvelden, de bomen, de sterrenhemel en de immens grote, verlichte gebouwen.

Blijf rustig, dacht ze bij zichzelf.

Het is niet de eerste keer dat je zoiets meemaakt.

Haar bezoek aan John Lang van Art for Life lag nog vers in haar geheugen, net als de waarschuwingen van de hoofdinspecteur en de vrije dagen die hij haar had gegeven om over alles na te denken.

Je bent van de zaak gehaald, weet je nog?

Nu niet meer, dacht ze.

Cindy Jenkins was aangenomen bij Devante. Molly Green was aangenomen bij Devante. Hoe zat het met Tabitha Mitchell?

Op weg naar haar wagen belde Avery Finley op. De telefoon ging een paar keer over en schakelde toen naar de voicemail. Hij negeert me, dacht ze. Ze probeerde het nog vijf keer. Het resultaat was iedere keer hetzelfde. Telkens liet Avery dezelfde boodschap achter, telkens met wat meer urgentie. “Finley. We hebben een verband. Jenkins en Green waren beiden bij dezelfde firma in Boston aangenomen. Je moet me terugbellen. Had Tabitha Mitchell een baan op het oog voor haar laatste jaar? Bel me meteen terug als je deze boodschap hoort.”

Avery zat in haar BMW en logde in op de computer op het dashboard.

Devante was een privéfirma in Boston. Online kon ze alleen wat algemene informatie vinden: de oprichter van het bedrijf, de bestuurder, de CEO en de organisatiestructuur.

Een gerichte zoekactie leverde een groot aantal functies op binnen het boekhoudbedrijf: hoofdboekhouder, boekhouder, assistent-boekhouder, belastingadviseur, belastinginspecteur... De lijst aan functies was oneindig.

Wie neemt deze studentes in dienst? vroeg ze zich af. Dat zou toch een medewerker van de personeelsdienst moeten zijn die de universiteiten bezoekt en de meest geschikte kandidaten eruit pikt? En hoogstwaarschijnlijk verzamelt deze persoon de cv’s en verdeelt dan de veelbelovende kandidaten over de mensen die verantwoordelijk zijn voor de openstaande functies binnen het bedrijf.

Hoe kan ik te weten komen met wie deze meisjes contact hebben gehad en wie hun cv’s heeft doorgenomen? Het antwoord was eigenlijk makkelijk, maar nu ze officieel van de zaak was gehaald, eigenlijk ook heel riskant. Ik moet contact opnemen met de bestuurder of de CEO, dacht ze. Alleen zij kunnen me bij de juiste personen brengen. Ze lachte inwendig. Oké, hoe doe ik dat?

Een bevelschrift, dacht ze.

Ik zal hiervoor een bevelschrift nodig hebben.

Zo’n bevelschrift was moeilijk te krijgen. Een aanvraag hiervoor moest gefundeerd zijn. In dit geval was Avery ervan overtuigd dat het verband tussen de meisjes en het bedrijf dat hen wilde aannemen een overtuigende motivatie zou zijn om een bevelschrift te krijgen. Een rechter daarentegen zou het nodig vinden dat er in de kantoren van Devante ook voorwerpen gevonden zouden kunnen worden die met de misdaad te maken hebben. En dat zou weleens een probleem kunnen zijn, dacht ze. Maar misschien staan er belangrijke gegevens op de computers van het bedrijf. Als de moordenaar relevante informatie op zijn computer heeft staan, kan ik hiermee een aanvraag tot een bevelschrift te motiveren.

Slaap er een nachtje over, dacht ze. Maak dit keer geen fouten. Wacht tot Finley opbelt. Wees zeker van je zaak, voor je naar de hoofdinspecteur stapt.

Opeens dacht ze: geen sprake van.

Ze zette haar auto in de versnelling en stoof ervandoor.

HOOFDSTUK EENENDERTIG

Iets na acht uur ’s avonds wandelde Avery het politiebureau binnen. De receptioniste op de eerste verdieping was in gesprek met een agent en een prostituee. Verderop in het kantoor waren agenten in burger druk in de weer met dronken studenten en met het noteren van verklaringen. Ergens brak een relletje uit en er waren drie agenten nodig om een kolossale blanke man in bedwang te houden.

Toch iets bijzonders, agent zijn.

De meeste agenten begonnen niet gewoon om acht of negen uur en gingen al helemaal niet elke dag om vijf uur naar huis. Ook tijdens de weekends waren agenten meestal niet vrij, óf ze moesten een bepaalde anciënniteit hebben óf de hele eenheid moest roulerende diensten hebben. Op haar afdeling werkte iedereen in een ploegendienst, een stelsel van vijf dagen dat liep van woensdag tot zondag en als iemand met een zaak bezig was, dan werkte die vaak elke nacht tot in de vroege uurtjes door.

Avery herkende enkele bekende gezichten. Toch leek niemand haar aanwezigheid op te merken. Tijdens de nachtdiensten in het weekend hing er een bijzondere sfeer, het was alsof je na achtenveertig uur aan één stuk doorwerken op een begraafplaats terechtkwam: als in een roes werkte iedereen in zijn eigen ritme door.

Op de tweede verdieping was Connelly in een hevige discussie verwikkeld met Thompson.

Thompson zag er dubbel zo breed uit als een normaal persoon, een reus die vaak in de sportzaal te vinden was, en met zijn bleke huid, zijn volle lippen en zijn lichtblonde haar bezorgde hij andere agenten – en ook de meeste misdadigers – een bijzonder ongemakkelijk gevoel.

“Waarom zit ik hier eigenlijk nog steeds?” klaagde Thompson.

“Neem je me in de maling, of zo?” snauwde Connelly. “Ik heb je een opdracht gegeven en je hebt die niet uitgevoerd. Het kan me schelen hoe lang je hier nog zit, wat mij betreft zit je hier nog tot vier uur vannacht.”

“Autohandelaars?” gromde Thompson, terwijl hij overeind kwam. “Hoeveel autohandelaars zijn er open op zaterdagavond? Mijn dienst zit er al uren op. Hier heb je een lijst van Watertown en Belmont.”

“Ik had ook een lijst van Waltham gevraagd. En ik had je ook de telefoonnummers en de contactpersonen gevraagd van elk bedrijf,” zei hij, terwijl hij de lijst doornam.

Avery zat op een bureau te wachten tot Connelly uitgeraasd was.

Opeens zag hij haar. “Wat doe jij hier in hemelsnaam? Had de hoofdinspecteur je niet gezegd eventjes rust te nemen?”

“Kunnen we even praten?” vroeg ze.

“Nee,” zei hij. “Ik heb jou niets te vertellen. Ga maar weer. Vóór maandag wil ik je hier niet meer zien.”

Avery wees naar Thompson. “Hij zit zijn tijd te verspillen.”

“Zie je wel!” zei Thompson. “Ik zit hier gewoon mijn tijd te verspillen.”

“Hou nu in hemelsnaam je mond!” dreigde Connelly. “Black, ik zweer het. Als je niet binnen vijf seconden verdwijnt, zal ik er persoonlijk voor zorgen dat je voor de rest van je dagen niet meer welkom bent bij Moordzaken.”

Avery boog haar hoofd. “Ik ga helemaal nergens heen,” zei ze rustig en op vlakke toon. “En je moet naar me luisteren. Ik heb een aanknopingspunt. Een belangrijk aanknopingspunt,” benadrukte ze, terwijl ze hem recht in de ogen keek. “We moeten hierover praten. En we moeten op één lijn zitten. Wil je de moordenaar te pakken krijgen? Of wil je chagrijnig blijven omdat je denkt mij te kennen of omdat ik in je team zit of omdat ik een beter leven heb gehad dan jij?” Ze sprong van het bureau af. “Het spijt me als ik je op een of andere manier heb beledigd,” zei ze, “maar ik sta hier nu. Net zoals jij. We zitten allebei tot over onze oren in de shit. Ik heb het nog niet opgegeven om die kerel te pakken te krijgen en eindelijk heb ik een aanknopingspunt. Dit kan niet wachten tot maandag. Als je me eruit gooit, dan bel ik eerst de hoofdinspecteur en daarna de hoofdcommissaris en dáárna wie er ook maar naar me wil luisteren.”

Bezorgd wees Thompson naar Avery. “Luister naar haar,” zei hij.

“Hou nu toch eens je mond, Thompson! Ga zitten.” Hij wees van Avery naar de vergaderzaal. “Drie minuten,” zei hij. “Ik geef je niet meer dan drie minuten.”

Toen ze alleen waren zei Avery: “Ik weet dat ik enkele fouten heb gemaakt.”

“Enkele?”

“Dómme fouten,” voegde ze eraan toe, “maar dat waren enkel beroepsmatige fouten. Ook vandaag heb ik er weer een paar gemaakt. Ik ben Howard Randall nog een keer gaan opzoeken.”

Connelly schreeuwde en gebaarde dat ze kon gaan.

“Hij heeft me een aanknopingspunt gegeven,” zei Avery, “of,” vervolgde ze, “een soort van aanknopingspunt. Ik had het nog niet onmiddellijk door, niet voordat ik naar Brandeis ging.”

Connelly nam zijn hoofd in beide handen. “Ben je naar de universiteit van Molly Green geweest? Er was je duidelijk gezegd dat je niets meer met deze zaak te maken had.”

“Hou nu toch een keer je mond!” riep ze. “Voor één keer? Alsjeblieft?”

Verrast over haar uitval sloeg hij zijn armen over elkaar en deed een stap achteruit.

“Ik heb er met iemand gesproken van de leerlingenbegeleiding. Ze wist mij te vertellen dat Molly een baan op het oog had bij Devante Accounting. En nu mag je eens raden. Ook Cindy Jenkins had een baan aangeboden gekregen bij Devante. Over Tabitha heb ik nog geen nieuws. Finley zou hierover contact opnemen met haar moeder, maar tot nu toe heb ik hem nog niet gehoord. Tabitha was een derdejaarsstudente, maar als blijkt dat ook zij bij Devante had gesolliciteerd, dan is dat toch wel heel toevallig en dat kunnen we niet zomaar naast ons neerleggen, denk je niet?”

“Je vorige aanknopingspunt heeft anders niet veel opgeleverd.”

“Maar er was een verband tussen die twee meisjes, het enige tot nu toe. Als we het derde meisje kunnen linken aan Devante, dan zitten we dichter dan ooit.”

“Finley zit niet meer op de zaak,” mompelde hij.

“En?”

Connelly draaide zich om en leek na te denken. Hij droeg een grijs pak en een blauw overhemd dat te klein was voor zijn gespierde lichaam. Een beetje verveeld, maar geboeid door wat Avery net had verteld, draaide hij met zijn schouders en wreef over zijn blonde stoppelbaard. “Blijf hier even wachten,” zei hij.

“Wat ben je...”

“Ik zei wachten!” snauwde hij haar toe, terwijl hij de deur uit ging.

Door het raam zag ze dat hij een verbaasde Thompson instructies aan het geven was. Daarna liep hij naar zijn eigen kantoor en begon te telefoneren.

Avery zat bijna twintig minuten in de vergaderzaal te wachten. De last van wat ze te weten was gekomen, was van haar schouders gevallen en voor het eerst in lange tijd kon ze zich eventjes weer ontspannen. Ze voelde een onweerstaanbaar verlangen om haar dochter op te bellen.

En wat zou je haar dan zeggen? vroeg ze zich af.

Dat je dom bent geweest, en dat je dat eigenlijk nog steeds bent. Vertel haar de waarheid: dat je van haar houdt en dat je het goed wilt maken, hoe dan ook.

De deur van de vergaderzaal werd geopend. “Tabitha was een derdejaarsstudente,” zei Connelly. “Ze ging eerder dan verwacht afstuderen, primus van de klas. En ze had een baan aangeboden gekregen bij Devante Accounting.”

Avery stond op. “Verdomme.”

Een verband. Howard Randall had gelijk gehad. Ze herinnerde zich zijn woorden: hij gaat naar hen op zoek, observeert hen, kent hen ergens van. Toen ze samen met Randall het lijstje afliep – een laatstejaarsstudente, een derdejaarsstudente – had hij zijn hoofd geschud.

Hij wist het, besefte ze.

De misselijkheid die Avery had gevoeld toen ze Randall had moeten bezoeken om hem om hulp te vragen, begon langzaam weg te ebben. Ze hadden het verband tussen de meisjes gevonden en als ze alle puzzelstukjes in elkaar zou kunnen passen, was er hoop: voor haar, voor de toekomst en om het verleden achter zich te kunnen laten.

“Alle drie,” zei Connelly “Alle drie hadden ze een baan bij Devante.”

“Hoe ben je hierachter gekomen?”

“Finley had de Mitchells thuis opgebeld. Ik heb de moeder op haar mobieltje gebeld. Ze sliep. Toen ik zei dat het over haar dochter ging, begon ze meteen te huilen. Maar ze had de informatie die we nodig hadden. Wat erger is, ik denk dat dit gisteren of eergisteren al in de kranten stond.”

Zo wist hij het, besefte Avery. Randall leest de kranten.

Zwijgend keken ze elkaar aan.

“Wat doen we nu?” vroeg Avery.

“Zeg jij het maar.”

Ze wendde haar hoofd af en beet op haar onderlip. “We hebben een naam nodig. Wie is de medewerker die al deze meisjes heeft gesproken?”

“Wie het ook is,” zei Connelly, “hij moet ervan op de hoogte zijn dat minstens twee van deze meisjes werden vermoord. Het is overal op het nieuws geweest.”

“Als twee meisjes die jij een baan hebt bezorgd binnen een week allebei vermoord werden, zou jij dan iemand opbellen?”

“Niet als ik schuldig was.”

Connelly pakte meteen de telefoon in de vergaderzaal, zette hem op luidspreker en belde de hoofdinspecteur. Geïrriteerd en slaperig luisterde O’Malley zowel naar Avery als naar Connelly. Het bleef een tijdje stil voor hij een antwoord gaf.

“Wacht tot morgenvroeg,” zei hij. “We kunnen nu toch niets doen. Zondagmorgen bel ik de hoofdcommissaris en de burgemeester. Shit,” mompelde hij. “Devante. Een grote firma.”

“We zullen beginnen bij de CEO en zo het rijtje aflopen,” zei Avery. “Iemand moet een lijst met de functies hebben binnen het bedrijf. Ik denk dat onze moordenaar bij personeelszaken werkt.”

“Probeer vannacht wat te slapen,” zei de hoofdinspecteur, “allebei. Het kan morgen een belangrijke dag worden. Ik zie jullie om acht uur op kantoor. Avery, als je niet kunt slapen, begin dan met de bevelschriften: een voor het bedrijf zelf en een zonder naam voor een medewerker van het bedrijf. Je kunt ook Devante opbellen om na te gaan of er in het weekend medewerkers aanwezig zijn. Ik vrees dat er op dit uur niemand meer zal antwoorden, maar je weet nooit.”

Er werd opgehangen.

Connelly wist zich geen houding te geven en keek Avery niet aan. “Laten we hopen dat er een doorbraak komt,” zei hij en hij liep de vergaderzaal uit.

Avery begon met de bevelschriften. Ze belde minstens tien nummers op bij het kantoor van Devante in Boston. Geen antwoord.

Ga naar huis, dacht ze.

Slaap was echter wel het laatste waar ze aan dacht.

HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG

De zondag voelde als een maandag voor Avery.

Om zeven uur was ze al klaarwakker en ze zat vol energie. Vreemd genoeg was ze na haar thuiskomst meteen in slaap gevallen en had ze de hele nacht geslapen als een roos. Het was maanden geleden dat ze zo’n goede nachtrust had gehad.

Ze trok een zwart broekpak aan met een witte blouse. Zoals gewoonlijk droeg ze aan haar voeten zwarte Skechers-sneakers. De dagen van Manolo Blahniks met hoge hakken lagen ver achter haar. Na haar ontbijt en een sterke kop koffie bekeek ze zichzelf in de spiegel in de gang.

“Ga ervoor,” zei ze.

Plotseling voelde ze zich onzeker. Ze had er al zo vaak dichtbij gezeten, maar zo veel aanwijzingen hadden nergens toe geleid. Nee, dacht ze. Deze moet het zijn, het moet gewoon.

Op weg naar haar auto aanschouwde ze in gedachten haar leven als agent: verkeersleiding, kleine criminaliteit, huishoudelijk geweld, bendeoorlogen, en nu dit, haar grootste zaak, een rechercheur op jacht naar een seriemoordenaar. Dit is waar je drie jaar lang naartoe hebt gewerkt, zei ze bij zichzelf: een kans om de fouten uit je verleden goed te maken, een kans om het hoofdstuk Howard Randall voorgoed af te sluiten en uit de schaduw van het verleden te treden, een kans om opnieuw te leven.

De weekenddiensten bij het politiebureau wisselden om acht uur. De kantoren waren bijna leeg, het grootste deel van de agenten had surveillancedienst op straat of was op weg naar het bureau. Connelly was er al, samen met de hoofdcommissaris en Thompson.

De hoofdcommissaris droeg een spijkerbroek en een rood T-shirt van de politie van Boston. Nog nooit had Avery hem zo casual gezien. Hij stond samen met de anderen in zijn kantoor en was aan het telefoneren. Hij gebaarde Avery om binnen te komen.

“Een ogenblikje,” zei hij in de telefoon, “Black is hier. Ik zal je op de luidspreker zetten, dan kunnen we dit meteen afhandelen.”

Een schorre stem vulde de kamer. “Hallo? Kan iedereen mij horen?”

Met zijn lippen vormde O’Malley het woord “burgemeester”.

“Iedereen luistert,” zei hij.

“Rechercheur Black,” zei de burgemeester op een toon die zijn afkeer duidelijk maakte, “ik heb vernomen dat u, ondanks het feit dat u van deze zaak werd gehaald, toch op onderzoek bent uitgegaan. Hoe zeker bent u over Devante? U weet misschien wel dat Miles Standish een heel goede vriend is van mij.”

Met zijn lippen vormde O’Malley dit keer het woord “eigenaar”.

“Ik twijfel er uiteraard niet aan dat meneer Standish niets met de zaak te maken heeft,” zei Avery. “We gaan ervan uit dat de moordenaar een medewerker moet zijn, hoogstwaarschijnlijk iemand van personeelszaken of een andere medewerker die deze meisjes heeft ontmoet, hun cv’s heeft doorgenomen en hen vervolgens heeft doorverwezen naar de juiste afdelingen.”

“Ik vroeg u hoe zéker u bent over Devante, mevrouw Black. Weet u zeker dat dit het juiste aanknopingspunt is? Ik moet een heel moeilijk telefoontje plegen.”

“Er zijn drie meisjes vermoord,” zei ze. “Ze studeren aan verschillende universiteiten, maar toch konden ze alle drie aan de slag bij Devante. Dat is het enige verband tussen deze meisjes. Ik ben honderd procent zeker.”

“Goed dan,” zei de burgemeester. “Mike,” voegde hij eraan toe, “ik bel zo meteen Miles op. Ik verwacht vrij vlug een antwoord. Als hij niet wil meewerken, zorg dan voor een bevelschrift en doe wat je denkt te moeten doen. Maandag wil ik deze zaak opgelost zien.”

“Komt in orde, burgemeester,” zei O’Malley.

Toen de burgemeester had opgehangen, wendde O’Malley zich tot de groep. “Oké,” zei hij, “we zullen als volgt te werk gaan. Avery, jij hebt de leiding. Je hebt al heel wat fouten gemaakt, maar toch ben jij degene die de zaak nu opengebroken heeft, dus ik ga ervan uit dat je het ook kunt afmaken. Over je toekomst hebben we het later wel. Connelly houdt toezicht. Als we alle gegevens hebben zul jij de leiding hebben over Thompson en zijn partner. Thompson,” zei hij terwijl hij even zweeg om de juiste woorden te vinden, “ik had altijd gedacht dat jij die vreemde Ierse reus zou zijn die het zou maken binnen de eenheid. Jammer genoeg is dat nooit gebeurd. En om heel eerlijk te zijn: ik denk dat je nog luier bent dan Finley. Of nee, schrap dat maar,” verbeterde hij zichzelf, “ik zat verkeerd wat Finley betreft. Hij heeft heel hard zijn best gedaan. Iedereen kan fouten maken. Jij, daarentegen, zorg er alsjeblieft voor dat je me vandaag aangenaam verrast. Heb je dat goed begrepen?”

“Ja, meneer,” zwoor Thompson.

Een kwartiertje later kregen ze het telefoontje waarop ze met spanning hadden gewacht. O’Malley zette meteen de luidpreker aan. “O’Malley hier,” zei hij meteen.

Een opgewekte, jonge stem vulde de kamer. “Hallo!” zei ze. “Ik ben Laura Hunt. Ik ben de persoonlijke assistente van meneer Miles Standish. Er werd mij gevraagd u op te bellen en u alle informatie over Devante te bezorgen die u nodig hebt.”

O’Malley gebaarde naar Black. “Jouw beurt,” zei hij.

“Met Avery Black,” zei ze. “Ik weet niet of u er al van op de hoogte bent, maar we zijn op zoek naar een moordenaar die in verband kan worden gebracht met Devante Accounting.”

“Ja, mevrouw Black, ik ben van alles op de hoogte.”

“Wat we nodig hebben is een naam, iemand die elk van deze studentes kan hebben benaderd en hun ofwel een baan heeft aangeboden ofwel doorverwezen heeft naar een andere afdeling waar ze aan de slag konden.”

“Oké,” zei ze. “Mag ik vragen over welk kantoor van Devante we spreken?”

“Hoe bedoelt u?”

“Nou, we hebben kantoren in Boston, Chicago en San Antonio.”

“Het kantoor in Boston.”

“Oké, een ogenblikje graag. Hier komt het. Timothy McGonagle is het hoofd van de afdeling Personeelszaken in het kantoor in Boston. Ik denk niet dat hij zich rechtstreeks bezighoudt met het aanwerven van studenten, maar u kunt hem of een van zijn medewerkers hiervoor persoonlijk benaderen.” Ze gaf meteen zijn mobiele telefoonnummer, zijn telefoonnummer van thuis en zijn adres.

“Hoeveel medewerkers heeft McGonagle?” vroeg Avery.

“Er zijn achtentwintig medewerkers op de afdeling Personeelszaken.”

“Kan ik, als er problemen zijn, rechtstreeks contact opnemen met u?”

“Natuurlijk,” zei ze en ze gaf Avery haar nummer. “Meneer Standish wil u op alle mogelijke manieren verder helpen. Hij vraagt alleen of het mogelijk is de naam Devante uit de kranten te houden. U kunt wel begrijpen dat we niet willen dat de mensen ons bedrijf in verband brengen met criminele activiteiten.”

“Begrepen,” zei Avery.

Het gesprek werd beëindigd en O’Malley richtte zich tot de groep.

Avery wilde Timothy McGonagle persoonlijk ontmoeten. Zelfs al was hij persoonlijk niet verantwoordelijk voor de moorden, hij had hoogstwaarschijnlijk een moordenaar aangeworven of hij had iemand aangeworven die de moordenaar in dienst had genomen. Onderzoek wees uit dat McGonagle nog nooit met de politie in aanraking was gekomen, zelfs niet voor een parkeerovertreding.

“Goed zo,” zei hij, “in de startblokken iedereen. Ik moet naar een verjaardagsfeestje.”

* * *

McGonagle woonde niet ver van het politiebureau vandaan. Zijn woning lag in de welgestelde buurt Beacon Hill, ten noorden van de kantoren van Devante, dicht bij Lederman Park. Connelly hield toezicht op twee politie-eenheden en probeerde een extra team samen te stellen om Avery versterking te geven, mocht dit nodig zijn.

Thompson was haar partner voor vandaag. De hele rit had hij nog geen woord gesproken en hij zat wat onhandig naast haar op de passagiersstoel.

“Waar kom jij eigenlijk vandaan?” vroeg Avery.

“Boston,” mompelde hij.

“Waar vandaan in Boston?”

“Een beetje van overal.”

“Waarom ben je politieagent geworden?”

Hij fronste zijn witte wenkbrauwen en een scheve grijns verscheen op zijn gezicht. “Wat is dit hier? Een vragenspelletje?” snauwde hij haar toe.

Avery parkeerde haar auto in Pinckney Street.

McGonagle woonde in een groot, uit bakstenen opgetrokken huis met witte luiken en een rode voordeur met een portiekje ervoor.

Thompson bleef een eindje verderop wachten alsof hij helemaal niet samen met Avery Black gezien wilde worden. Zijn omvang en vreemde uiterlijk hadden een bijzondere aantrekkingskracht op de voorbijgangers en zelfs mensen aan de overkant van de straat kwamen op hem af om hem even van dichtbij te kunnen bekijken.

Avery belde aan en meteen hoorde ze iemand naar de voordeur komen.

“Hallo?” riep iemand.

Tim McGonagle was jonger dan Avery had verwacht, hij was misschien midden dertig, had zwart haar en felgroene ogen die de hele tijd op hun hoede leken. Hij droeg een grijze broek en een roze overhemd met een groene das.

Bijna een meter tachtig, dacht ze. Te groot. De lengte klopte niet.

“Kan ik u ergens mee helpen?” vroeg hij.

“Avery Black,” zei ze. “Politie Boston, afdeling Moordzaken.”

“O ja, nu zie ik het. De beroemde agent.” Hij glimlachte. Hij wierp een blik op Thompson en wendde zich weer tot Avery. “Wat kan ik voor u doen?”

“Hebt u de zaak van de seriemoordenaar gevolgd?” vroeg Avery.

“Ja,” zei hij.

“Is het u al opgevallen dat alle drie de slachtoffers onlangs werden aangeworven door uw firma?”

“Nee,” zei hij, “mijn hemel, dat is vreselijk.”

“Wat is precies uw functie bij Devante?”

Hij gebaarde dat ze binnen mocht komen. “Wilt u niet liever gaan zitten?”

“Nee, dank u.”

Ergens binnen in het huis hoorde ze een vrouwenstem: “Timmy? Wie is dat?”

“Een ogenblikje, Peg,” riep hij. “Ik ben manager van de afdeling Personeelszaken bij Devante, hier op het kantoor in Boston,” legde hij Avery uit. “Mijn belangrijkste verantwoordelijkheden zijn het aanwerven en het begeleiden van de medewerkers. Ik ben de schakel tussen de werknemers en het bedrijf, en ik probeer in geval van problemen een oplossing te zoeken, dat soort dingen. De enige cv’s die ik te zien krijg zijn die van de medewerkers op hoger niveau, zoals een CEO-betrekking of een hoofdboekhouder.”

“Wie werft de studenten aan?”

“Een van mijn medewerkers. Zijn naam is Gentry Villasco, maar eerlijk gezegd kan ik me moeilijk voorstellen dat hij zoiets zou kunnen doen. Hij is administratief directeur en heeft de leiding over vier medewerkers. Zij zijn verantwoordelijk voor het aanwerven van de studenten: ze bekijken hun cv’s en nemen contact op met verschillende universiteiten om bekwame studenten te rekruteren.”

“Als een student geïnteresseerd is in een baan bij uw bedrijf, moet dit dan via hem gebeuren?”

“Ja, inderdaad. Zijn medewerkers bekijken de cv’s van de verschillende studenten door en maken op basis hiervan al een eerste selectie. De beste kandidaten komen dan uiteindelijk bij hem terecht. Als Gentry van mening is dat een bepaalde kandidaat aan alle eisen voldoet, dan stuurt hij deze door naar de juiste afdeling.”

“Kunt u mij wat meer over hem vertellen? Is hij vrijgezel? Getrouwd? Wat doet hij tijdens de weekends? Heeft hij vrienden?”

Timothy schoot in een lach. “Gentry is absoluut niet de moordenaar,” zei hij. “Hij leeft een beetje op zichzelf, dat is zeker, en hij is misschien iets ouder dan ikzelf. Een jaar of vijftig, misschien. Hij woont in West Somerville en pendelt elke dag op en neer. Hij is vrij sociaal, maar verkiest toch wat op zichzelf te leven, als u begrijpt wat ik bedoel? Hij werkt al langer dan ik bij Devante, zo’n jaar of vijftien, denk ik.”

Avery staarde hem strak aan. “Weet u zeker dat u de drie slachtoffers niet kent? Mocht u hun namen vergeten zijn, dan zal ik ze nog even voor u opsommen: Cindy Jenkins, Tabitha Mitchell en de laatste naam is nog niet in de media gekomen: Molly Green.”

“Ik heb die namen nog nooit gehoord,” zei hij, waarop hij zichzelf meteen verbeterde. “Ik heb natuurlijk de eerste twee namen wel al gehoord, maar niet binnen het bedrijf. Ik lees de kranten. Ik ben op de hoogte van de zaak,” zei hij, terwijl hij zich uitstrekte en haar bleef aanstaren.

“Blijft u de hele dag thuis?” vroeg Avery.

“Nou, mijn gezin en ik hadden gepland om zo meteen naar de kerk te gaan. Eigenlijk waren we net aan het ontbijten met de kinderen.”

Hij leek eerlijk en echt verontwaardigd over het verband tussen deze slachtoffers en Devante. Een huisvader, dacht Avery. Ze zette een stap achteruit en probeerde zich de moordenaar in te beelden met een vrouw en kinderen.

“Hier hebt u mijn kaartje,” zei ze. “Mocht u zich nog iets herinneren, aarzel dan niet om mij te bellen.”

“Natuurlijk,” zei hij. “Wat een vreselijke toestand.”

Thompson stond ongeïnteresseerd tegen de muur geleund, zijn voet tegen de bakstenen voorgevel, en staarde naar de blauwe lucht.

In het voorbijgaan mepte Avery hem tegen de borst.

“Hé!” riep hij uit.

“De volgende keer dat je je als een deurstopper gedraagt,” zei ze, “kun je misschien beter terug naar kantoor gaan.”

HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG

Na een kort gesprek met Laura Hunt had Avery het mobiele nummer en het adres van Gentry Villasco. Ze had ook alle namen, adressen en contactgegevens van al zijn medewerkers, voor het geval dat Villasco zelf geen informatie kon of wilde geven.

In totaal had Gentry vier medewerkers, twee vrouwen en twee mannen. De vrouwen woonden in Chelsea en Boston, dus ver de plaats vandaan waar Avery dacht de moordenaar te kunnen vinden. Een van de mannen woonde in South Boston, dus ook buiten het bereik van de vermoedelijke woonplaats van de moordenaar. De laatste medewerker woonde in Watertown: Edwin Pesh. Watertown was een van de plaatsen die Avery op het oog had. Ze omcirkelde zijn naam en sprong in haar auto. Onderweg controleerde Thompson alle gegevens van de medewerkers in de centrale database van de politie. Een van de twee vrouwen had een aantal onbetaalde parkeerboetes op haar naam. De man uit South Boston was een jaar geleden gearresteerd voor openbare dronkenschap en verstoring van de openbare orde. Over de twee anderen was niets te vinden.

Gentry Villasco woonde in een brede straat in Somerville. Zijn huis was vrij klein en smal. Het in Tudorstijl opgetrokken gebouw met twee verdiepingen was witgeschilderd met bruine balken en een bruin dak. Naast de oprit stond een rij bomen. Voor de gesloten garage stond een witte Honda Civic geparkeerd.

Avery en Thompson waren in een hevig discussie verwikkeld.

“Ik bedoel alleen maar dat je toch een beetje moet doen alsof je geïnteresseerd bent.”

“Maar ik bén geïnteresseerd,” zei hij.

“Kijk om je heen,” zei ze. “Als ik met een verdachte aan het praten ben, hou het terrein dan wat in de gaten, glimlach een beetje en doe alsof je aantekeningen maakt. Doe iets, maar sta niet alleen maar naar de lucht te staren.”

“Ik zit al langer bij de politie dan jij.”

“Is dat zo? Nou, dat is moeilijk te geloven. Wanneer was de laatste keer dat je promotie hebt gemaakt?”

Boos klemde Thompson zijn lippen op elkaar en probeerde in de smalle passagiersstoel van de BMW een andere positie aan te nemen.

Toen ze uit de auto stapten en naar de voordeur liepen ging Avery voorop, met de kolossale Thompson achter zich aan, als een bodyguard klaar om elke aanval af te weren.

Ze belde aan.

In de deuropening verscheen een elegante, bescheiden man. Hij deed Avery aan een monnik of aan een andere geestelijke denken. Hij had een door de zon gebruind gezicht met smalle, ietwat glurende ogen. Boven op zijn kruin werd hij al wat kaal en aan de zijkanten had hij kortgeknipt wit haar. Eigenlijk was alles aan hem vrij klein en smal: zijn kin, zijn handen en zijn schouders. Hij droeg een beige broek en hoewel het buiten zo’n dertig graden was had hij over zijn T-shirt een zwarte trui aan.

Hij heeft het juiste postuur, dacht Avery. Een beetje aan de kleine kant, maar als hij een vermomming had gedragen, kon hij evengoed verhoogde schoenen gedragen hebben.

“Hallo,” zei Villasco met de zachtste stem die Avery ooit had gehoord. “Willen jullie binnenkomen?”

Verrast zei Avery: “Weet u dan waarom we hier zijn?”

“Ja,” knikte hij met een triest gezicht, “ik denk dat ik het wel weet.” Hij draaide zich om en ging weer naar binnen.

“Meneer Villasco, waar gaat u heen?” riep Avery. “Meneer Villasco, kunt u eventjes... Hallo, meneer? Ik wil alleen maar iets vragen.”

Avery en Thompson keken elkaar aan.

“Bel versterking,” zei ze en ze trok haar wapen.

Ook Thompson trok zijn wapen. “Ik kom met je mee.”

“Beslist niet,” snauwde ze, terwijl ze naar de oprit wees. “Jij belt nu meteen versterking. Wacht op de anderen. Ik ga liever alleen naar binnen.”

In het huis was het bijzonder koud, maar toch had Avery nergens airconditioners opgemerkt. Ze deed de deur achter zich dicht en ging de woning binnen.

Achter in de grijsblauwe hal was een trap naar de tweede verdieping. Een grijze kat met groene ogen staarde haar vanaf een van de treden aan. Ze liep naar rechts en kwam in een kleine woonkamer terecht. Planten stonden op de vensterbanken en hingen van het plafond naar beneden.

Haar hart bonsde in haar keel.

Ze hield haar wapen laag.

“Meneer Villasco?” riep ze. “Waar bent u?”

“In mijn kantoor,” antwoordde hij.

Langzaam liep ze naar een smalle deur achter in de woonkamer. Bij elke stap controleerde ze of ze niet werd gevolgd. Slechts één keer in haar leven was ze beschoten geweest. Twee kogels hadden haar geraakt: een in haar been en een in haar schouder.

Gentry Villasco zat rechts in de woonkamer aan een lange mahoniehouten werktafel. Op de ene hoek van de tafel stond een groene lamp, op de andere hoek lag een stapel papieren. Hij hield zijn handen in zijn schoot. Aan haar linkerzijde stond onder een raam een smalle groene bank.

“Meneer Villasco,” zei ze, “toon me alstublieft uw handen.”

“Je werkt zo hard,” verzuchtte hij, “je hele leven lang.”

“Meneer Villasco. Ik wil nu echt uw handen zien.”

“Alles voor de familie. Dat weet u wel, toch? Ik deed het alleen voor de familie.”

“Alstublieft... Uw handen.”

“Het leek me het beste.” Hij knikte. “Ik heb mijn leven al geleefd. Waarom zou ik hier nog langer moeten blijven? Twee jaar geleden stierf mijn vrouw aan kanker. Wist u dat? Vreselijke ziekte.”

Avery kwam dichter bij de tafel. “Uw handen!”

“Die meisjes,” zei hij. “Ik wist het, ik wist het. Een vreselijke tragedie. Echt waar. Maar wie zijn wij om te oordelen? Iedereen heeft recht op een bestaan.”

Opeens pakte hij een wapen van zijn schoot en plaatste het onder zijn kin. Het wapen was op zijn minst vijftig jaar oud, een revolver: zilver met een witte handgreep, iets wat men op een rommelmarkt zou kunnen vinden of in een antiekwinkel.

Avery stak haar hand op. “Niet doen!” schreeuwde ze.

Villasco vuurde.

HOOFDSTUK VIERENDERTIG

“Néé!”

Het schot echode door de kamer. Door de knal werd zijn hoofd naar achteren gerukt en het bloed spoot uit zijn achterhoofd op de muur achter hem.

“Shit,” fluisterde Avery.

Met zijn wapen in de aanslag rende Thompson het huis in. “Wat is er gebeurd?” schreeuwde hij. “Verdomme!”

Avery draaide zich om. “Heb je versterking gevraagd?”

“Iedereen is onderweg.”

Als verdoofd stond Avery naar de dode man voor haar neus te staren. Enkele minuten geleden leefde hij nog, dacht ze en haar hart brak in duizend stukken.

* * *

Plastic handschoenen en zakjes werden uit de auto gehaald. Thompson pakte er een paar en kreeg de opdracht het terrein te onderzoeken. Avery nam de begane grond voor haar rekening.

In de woonkamer lagen grijze tapijten en de muren waren grijswit geschilderd. Behalve de woonkamer en Villasco’s kantoor bevond zich tegenover de trap een keuken. De kasten waren gemaakt van donker hout, het aanrecht was blauw en de vloer bestond uit witte tegels. Een kleine deur leidde naar een tuin met een houten omheining. Langs het hek stonden verschillende soorten bloemen in bloei. Op het kleine terras stonden wat tuinmeubelen.

In het huis ontdekte Avery een deur die naar een kelder leidde. Ze liep langs de krakende treden omlaag en kwam terecht in een doodgewone kelder: een cementvloer, houten planken aan de muren en verschillende voorraadkasten. Ze opende een plastic opbergbox en vond een heleboel winterkleding.

Op de begane grond botste ze op Thompson.

“Buiten is niets te vinden,” zei hij. “De garage staat vol met metalen blikken en tuingereedschap.”

Samen liepen ze de trap op naar de eerste verdieping.

Avery ging voorop, haar wapen omlaag gericht. De kat die ze eerder had gezien snelde de bovenste treden op en verdween. Met twee vingers wees ze naar haar ogen en daarna naar links. Thompson knikte, en ging boven aan de trap linksaf. Avery ging de kamer binnen waarin de kat zojuist verdwenen was. De kleine logeerkamer was grijsachtig groen geschilderd. Op de houten vloer stonden drie kattenbakken. Twee katten lagen op het bed: de dikke grijze kat die ze eerder al had gezien en een wit klein katje. De enige kast in de kamer was gevuld met vrouwenkleding en de geur van mottenballen kwam haar tegemoet.

Langs de balustrade liep ze in de richting die Thompson had genomen. In de grootste slaapkamer aan haar rechterkant stond een tweepersoonsbed. Aan de muren hingen spiegels. Het tapijt was wit. Ze opende de spiegeldeuren van een kleerkast en vond kleding en schoenen.

“Hé, Black,” hoorde ze, “kom eens hier.”

De laatste ruimte was meer een soort kast, met een trap die naar de zolder leidde. De ruimte was te klein voor Thompson om naar binnen te kunnen. Hij zat boven aan de trap en haalde van de zolder een voorwerp tevoorschijn. “Er staan er nog meer,” zei hij.

Avery nam het harige standbeeldje vast.

Het was een kat, een zwarte opgezette kat die op een houten plankje was vastgemaakt. Op het plankje stond geen opschrift.

“Is er ook een gestreepte kat?” vroeg ze.

“Hoe weet je dat?”

Thompson gaf haar een tweede opgezette kat. Deze was veel kleiner, een rode kat met zwarte strepen en donkere ogen. Ze gaf het hem terug.

“Stop enkele haren in een zakje,” zei ze.

“Alleen van deze?”

“Ja. De forensische dienst heeft op de eerste twee lichamen haren gevonden van een gestreepte kat.”

In de verte hoorden ze de politiesirenes al. Toen ze het geluid dichterbij hoorden komen, gingen ze weer naar beneden en liepen het gazon op.

Avery had zich opgelucht moeten voelen. Maar in plaats van opgelucht voelde ze zich leeg en onvoldaan. De puzzelstukjes spookten door haar hoofd, er klopte iets niet: de routes die de moordenaar had gevolgd gingen allemaal de noordelijke en de westelijke richting uit van Boston. Hij woont ten noordwesten van Boston, dacht ze. Dit klopt wel. Maar het verklaarde nog altijd niet waarom het blauwe minibusje verder in westelijke richting was gereden vanuit Cambridge. Een tweede huis, dacht ze. Hij moet ergens een tweede huis hebben. Daar verstopt hij het minibusje. De rest leek allemaal te kloppen. Hij kweekte planten. Er waren katten in huis.

Als de haren van de gestreepte kat overeenkwamen met de haren die Randy op de lichamen had gevonden, en als sommige van zijn planten verdovende eigenschappen hadden, dacht Avery, dan was de zaak opgelost.

Thompson kwam achter haar staan.

Ze keek over haar schouder. “Ga eens kijken wat je kunt vinden in zijn kantoor,” zei ze. “Zorg er wel voor dat je het lichaam niet aanraakt. We zijn op zoek naar een tweede huis. En we moeten het blauwe minibusje vinden. Ga op zoek naar rekeningen waaruit kan blijken kan hij ergens huur betaalt of een hypotheek heeft, verzekeringspapieren van een auto, dat soort dingen.”

“Begrepen.”

Villasco’s laatste woorden spookten door haar hoofd.

Ik deed het alleen voor de familie.

Wie zijn wij om te oordelen?

Iedereen heeft recht op een bestaan.

* * *

Avery keek toe terwijl de politiewagens van Somerville en Boston met loeiende sirenes de straat in kwamen rijden en parkeerden waar ze maar konden, en hoe de agenten met getrokken wapens uit de wagens stapten.

Connelly was een van hen.

De ergernis die hij normaal in zijn blik had als hij Avery aankeek was verdwenen, net als het wantrouwen en de onzekerheid. Hij keek haar nu vol bewondering aan en had moeite te geloven dat een vrouw, eens een bekende topadvocaat, die agent was geworden, erin geslaagd was een zaak op te lossen en de rest van de eenheid er als een stelletje slappelingen liet uitzien.

“Wat hebben we tot nu toe?” zei hij.

De politie van Somerville omsingelde het huis en stoof naar binnen.

Avery beleefde het hele gebeuren als in een vage droom. Ze had geen oog voor Connelly of de anderen. In gedachten zat ze mijlenver weg. De puzzel was nog niet opgelost, maar ze had daar geen echte bewijzen voor, alleen haar intuïtie en Gentry Villasco’s laatste woorden. Ik deed het alleen voor de familie. Wie zijn wij om te oordelen? Iedereen heeft recht op een bestaan.

Had Gentry echt al deze meisjes ontvoerd? vroeg Avery zich af. Hij leek zo zacht, ongelukkig bijna, alsof hij ergens mee zat waar hij geen controle over had.

“Avery, gaat het wel goed? Praat met me,” drong Connelly aan.

“Hij is binnen,” zei ze, “Gentry Villasco. Dood. Heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Hij zei dat hij het voor zijn familie had gedaan. Thompson zoekt naar papieren die naar een ander huis of het blauwe minibusje kunnen verwijzen.”

“Is hij de man die we zoeken? Avery?”

Iedereen heeft recht op een bestaan.

“Ik moet een telefoontje plegen,” zei ze.

Avery ging een eindje verderop staan en toetste het nummer van Tim McGonagle in. Voicemail. Ze sprak een bericht in.

“Meneer McGonagle,” zei ze, “met Avery Black. Ik zou willen weten of Gentry Villasco familie heeft die ook bij Devante werkt, een neef of zo bijvoorbeeld. Het is heel belangrijk. Bel me alstublieft zo snel mogelijk terug.”

Ze bekeek nog een keer de lijst met medewerkers die voor Villasco werkten. De naam Edwin Pesh was omcirkeld.

Je kunt een plaats delict niet zomaar verlaten, dacht ze. Dit is jóúw plaats delict. Connelly zou het je nooit vergeven. O’Malley zou het je nooit vergeven. Je moet hier alles opvolgen. Verklaringen afnemen en het huis grondiger doorzoeken.

Geduld was nooit haar sterkste punt geweest. Hoewel haar uiterlijke kalmte en sarcastische aard al die jaren heel wat mensen het idee had gegeven dat ze alles onder controle had, was ze innerlijk als een trein die maar door raasde.

Als Villasco je moordenaar is, dan is hij nu dood, dacht ze. Meer kun je niet doen. Het huis wordt helemaal uitgekamd.

Je kunt niet zomaar weggaan, schreeuwde ze in gedachten.

Avery ging terug naar het huis. Thompson en Connelly waren nergens te bespeuren. Alleen de agenten van de politie van Somerville stonden met elkaar te praten. Kinderen en ouders uit de huizen in de buurt kwamen kijken wat er aan de hand was.

Nú, dacht ze, terwijl ze naar haar auto liep.

Niemand hield haar tegen.

Het adres in Watertown van Edwin Pesh lag op zo’n dertig minuten rijden van het huis van Villasco in Somerville. Het is helemaal niet zo ver, dacht ze. Als je niets verdachts ziet, kun je meteen weer rechtsomkeer maken. Zeg gewoon dat je een koffie ging halen of dat je misselijk was geworden.

Avery nam haar tijd. Ze stopte voor elk rood verkeerslicht en hield zich aan alle maximumsnelheden. Ik hoef me helemaal niet te haasten, dacht ze.

Halverwege de rit dacht ze opeens aan Rose, hoe ze overstuur was geweest tijdens hun lunch en hoe slecht ze zich misschien het hele weekend had gevoeld.

Je moet het goed maken met haar, dacht ze bij zichzelf. Wat er ook gebeurt, ze is nog steeds je dochter en ze is niet langer die kleine huilende, poepende en plassende baby. Ze is een vrouw nu, een volwassen persoon en ze heeft een moeder nodig.

Ze toetste haar nummer in.

De voicemail beantwoordde haar oproep.

“Oké, ik ben dom geweest,” sprak Avery in. “Rose, je moeder hier. Eigenlijk verdien ik het niet om mezelf zo te noemen, hè? Ik weet dat ik er niet altijd voor je was. Ik ben er waarschijnlijk zelfs nooit voor je geweest, niet op de manier die jij wilde. Ik ben een vreselijke moeder geweest. Dat is waar, ik weet het. Maar ik was jong en onvolwassen, en een kind grootbrengen is een hele klus. Dat is geen excuus,” verbeterde ze zichzelf meteen. “Ik neem alle schuld op me. Jack was fantastisch, hij deed echt zijn best, vooral met jou. Geef me nog een kans, Rose. Ik vind het vreselijk wat er met ons is gebeurd. Alsjeblieft. Nog een laatste kans. Ik beloof dat ik alles zal goedmaken. Ik begrijp het maar al te goed als je me niet meer aanvaardt als moeder, maar laat het me tenminste toch proberen.”

De voicemail maakte een einde aan haar gesprek.

“Verdorie,” fluisterde Avery.

Net toen ze besliste terug te bellen, reed ze Watertown binnen. Ze was helemaal niet zo goed vertrouwd met Watertown als met Cambridge of Boston. Toen ze moest stoppen voor een rood verkeerslicht, toetste ze het adres van Edwin Pesh in en zag ze op haar schermpje een rode stip verschijnen.

Op vijf minuten hiervandaan.

Twee.

Het huis van Edwin Pesh was behoorlijk vervallen. De grijze verf van de houten wanden was afgebladderd. Een van de blauwe luiken hing maar half aan de muur en het dak lag vol bladeren en afgeknapte takken. In tegenstelling tot de andere huizen in de buurt was het hele huis omgeven door bomen en struiken en in een donkere schaduw gehuld. Het gras was in geen maanden gemaaid en alle bloemen en planten stonden er triest bij of waren dood.

Op de oprit stond een blauw minibusje.

Dit is het, dacht ze. Dit is zijn huis.

Alles kwam terug: haar gesprekken met Randall, de routes vanuit Lederman Park en Cambridge, de ontvoering van Cindy Jenkins en de beelden van de moordenaar die een buiging maakte in de camera’s en in zijn busje stapte om weg te rijden.

Traag reed ze langs het huis. Ze reed het volgende kruispunt op en draaide de straat weer in. In haar achterzak had ze een extra wapen en aan haar riem hing een sterke, draagbare zaklamp. Naast haar lag haar portofoon.

Ga niet alleen naar binnen, dacht ze. Roep versterking op.

Stel dat hij nog een ander slachtoffer bij zich had? Je kunt een verrassingsaanval uitvoeren. Zet niet meteen de hele boel op stelten. Ga alleen het huis binnen. Stil. Snel.

Je hebt hulp nodig! zei ze bij zichzelf.

Even dacht ze eraan Connelly of Thompson op te bellen, of zelfs Finley. Nee, dacht ze, hen niet. Waarom niet? vroeg ze zich af. Je vertrouwt Connelly en Thompson niet en Finley is al helemaal geen optie.

Opeens dacht ze aan het ogenblik waarop ze was afgestudeerd, een van de sprekers, een vrouwelijke agent, had toen gezegd: “Iedereen heeft hulp nodig. Als politieagent sta je er nooit alleen voor. Je maakt deel uit van een team. Reken dan ook op hen.”

Jarenlang had ze er alleen voor gestaan. Nadat haar wereld was ingestort had ze niet kunnen rekenen op vrienden. Tijdens haar eerste jaren bij het korps was bijna iedereen een vijand geweest. Vreemd genoeg had Ramirez haar gesteund. Vanaf de eerste dag was hij eerlijk geweest en had hij in haar geloofd, een echte partner in elke betekenis van het woord. Hij is gewond, dacht ze. Nog altijd buiten dienst. Maar toch.

Ze toetste zijn nummer in.

Al bij de eerste beltoon antwoordde hij. “Waar ben je, Black?” vroeg hij. “Heb gehoord dat O’Malley je van de zaak heeft gehaald. Wat is er in hemelsnaam gebeurd?”

“Waar ben je?” vroeg ze.

“Ik ben thuis. Het ziekenhuis heeft me laten gaan. Ik mag nog een tijdje geen zwaar werk doen, maar ik verveel me te pletter. Zeg me alsjeblieft dat ik je met iets kan helpen.”

“Ik heb de moordenaar gevonden,” zei ze. “Zijn naam is Edwin Pesh. Hij woont in Watertown. Op dit ogenblik sta ik voor zijn huis.”

“Wauw!”

“Hoe vlug kan je hier zijn?”

“Heb je iemand laten weten waar je bent?”

“Jij weet het toch,” zei ze.

“Oké,” mompelde hij, terwijl hij nadacht. “Oké.”

“Noteer dit adres,” zei ze, terwijl ze hem alle details doorgaf.

“Ik ben er over twintig minuten,” antwoordde hij, “misschien zelfs eerder als ik geluk heb met de verkeerslichten. Ga het huis niet binnen zonder mij, begrepen?”

Ze hing op.

Avery stapte uit haar auto en liep als een zondagse wandelaar de straat in.

Haar hart ging flink tekeer.

Eenmaal bij het huis bukte ze zich en liep de oprit op.

Ze hield een hand op de achterklep van het minibusje en keek naar de zijkant van het huis. Er brandde geen licht. Door de ramen op de beneden- en bovenverdieping kon ze een klein beetje van het interieur zien. De kelderramen waren zwart geschilderd.

Haar vingers gleden over de nummerplaat en meteen voelde ze aan de randen een plakkerige substantie. Een valse nummerplaat, dacht ze. Familie. Villasco had dat gezegd. Het donkere huis doemde voor haar op. Achter een van de ramen zat een grijze kat.

Mogelijk verband.

Avery trok haar wapen.

HOOFDSTUK VIJFENDERTIG

Edwin Pesh had een druk weekend. De Hogere Geest had hem niet met rust willen laten. De hele zaterdagnacht was hij wakker gebleven. De stem in zijn hoofd had voortdurend meer geëist en ook zijn eigen verantwoordelijkheden begonnen hun tol te eisen.

Moe en uitgeput zat hij, omgeven door katten, in een van de kamers op de eerste verdieping. Katten in alle mogelijke variëteiten en groottes zaten te spinnen en probeerden op zijn schoot te springen. In deze kamer alleen al zaten er zeker een stuk of tien. Sommige staarden uit het raam. Andere lagen in een hoekje of op het bed te slapen of waren uit een van de vele schaaltjes op de vloer aan het eten.

Wanda Voles... De Hogere Geest had hem haar naam verschillende keren toegefluisterd, zo vaak dat Edwin wist wat hem te doen stond. Ga ervoor, dacht hij. Zorg voor de katten, ga een eindje met de honden wandelen, ga dan terug naar Bentley en neem Wanda Voles te pakken.

Nee! schreeuwde zijn geest.

Ja! schreeuwde hij terug.

Beneden hoorde hij een van de honden blaffen. Meteen begonnen ook alle andere honden oorverdovend te blaffen.

Gealarmeerd sprong Edwin overeind en hij keek door het raam.

De tuin was leeg.

Aan de zijkant van het huis liep iemand gebukt achter zijn minibusje.

Politie, dacht hij.

Opeens verdween de aanvankelijke paniek en Edwin bereidde zich voor om te handelen als trouwe volgeling van de Hogere Geest; diep in zijn binnenste voelde hij zijn goddelijke aanwezigheid.

Hij sloot zijn ogen, haalde diep adem, spreidde zijn armen uit en hield zijn handen stevig tegen elkaar boven zijn hoofd. Driemaal na elkaar boog hij door zijn knieën, opende zijn ogen en voelde het innerlijke vuur.

Hij beeldde zich in dat de Hogere Geest bezit van hem had genomen; het goddelijke wezen zat nu in zijn lichaam en had controle over al zijn gedachten en handelingen.

Met mijn hele hart aanvaard ik u, zwoor hij.

Edwin had nooit van fysieke inspanning gehouden. Maar door de aanwezigheid van de Hogere Geest voerde hij nu enkele sprongen en spieroefeningen uit om zich voor te bereiden op een eventuele aanval.

Na jaren thuis oefenen, en nu als belichaming van de Hogere Geest, was hij ervan overtuigd dat hij elke vijand zou kunnen verslaan.

Ze bedreigen ons hogere doel! brulde de Hogere Geest in Edwins gedachten. We moeten vermijden dat ze onze plannen dwarsbomen. Ga, mijn zoon. Ga... en jaag.

* * *

Uit het huis kwam geblaf. Er zaten zeker twee of drie honden in het huis. Een ervan was een grote pitbull die voor het raam op de begane grond op en neer bleef springen.

Shit, dacht ze. Doe iets.

Nog steeds gebukt liep Avery de tuin in.

De honden begonnen harder te blaffen.

De kelderdeur was blauw geschilderd. Ze probeerde de deur te openen. Op slot. Het huis had ook een veranda met een achterdeur. Voorzichtig liep ze de veranda op en gluurde door het raam. Meteen kwam de pitbull naar het raam gerend. Het blaffen werd gemener. Ze zag nog twee kleinere honden: een mopshond en iets wat leek op een minipoedel. Ze zag ook een heleboel katten.

De achterdeur was gesloten.

Met haar wapen sloeg ze een van de ramen naast het sleutelgat stuk.

Het glas versplinterde.

Meteen probeerde de pitbull haar door de opening aan te vallen. Avery kwam overeind en luisterde geconcentreerd naar de bewegingen van de drie honden. Toen de kust veilig leek, stak ze haar hand naar binnen en probeerde de deur te openen.

Gehurkt stond ze tegen de houten deur geleund en reikte naar de deurknop. In haar andere hand hield ze haar wapen. Aandachtig luisterde ze naar de honden: de pitbull sprong blaffend op en neer, bleef eventjes stilstaan op de vloer en herhaalde daarna het hele proces. Net toen hij weer ging opspringen, opende Avey de deur.

De hond rende naar buiten. Met een lichte schop duwde ze hem van de trappen. De andere twee honden verschenen en sprongen tegen Avery op. Met de deurknop nog steeds in haar hand draaide ze zich vliegensvlug om, sprong naar binnen en sloot de deur achter zich.

De honden blaften nog steeds, maar ze had er geen last meer van.

Avery was binnen.

Een kat streek spinnend langs haar been.

Naast haar bevond zich de keuken. Links zag ze een kleine eetkamer en recht voor haar een woonkamer met nog twee katten. Op de vensterbank in de keuken stonden enkele makkelijk te onderhouden planten: cactussen en tropische hangplanten.

Met haar wapen in de aanval liep Avery door het huis.

Blijf alert, dacht ze. Hij weet nu waarschijnlijk al dat ik binnen ben.

“Edwin Pesh!” schreeuwde ze. “Politie. Kom tevoorschijn met je handen omhoog. Buiten wachten nog twee agenten,” loog ze. “Versterking is onderweg. Binnen enkele minuten zit het hele huis vol agenten. Edwin Pesh!”

Om de hoek zag ze een trap naar de eerste verdieping. Op de treden zaten nog meer katten.

Avery sloop de treden op, haar wapen recht naar boven gericht. Ze zag een balustrade. Overal liepen katten haar in de weg. Voorzichtig duwde ze ze opzij.

Op nog meer katten na, was de eerste verdieping leeg. Geen enkele afbeelding sierde de muren. Nergens waren foto’s of schilderijen te zien. Het enige wat ze zag waren twee eenvoudig ingerichte slaapkamers vol katten. Elke kast stond open. Ze keek onder de bedden en in elk hoekje van de kamer. Geen Edwin Pesh te bespeuren.

De deur naar de kelder bevond zich in de keuken.

Naast de deur hing een telefoon.

Avery nam de hoorn van de haak en toetste het alarmnummer in.

“Dit is de alarmcentrale,” zei een vrouwenstem. “Hoe kan ik u helpen?”

“Mijn naam is Avery Black, politie van Boston,” zei ze en ze gaf haar badgenummer door. “Ik bevind me in het huis van een mogelijke seriemoordenaar en ik heb versterking nodig.”

“Dank voor uw oproep, rechercheur Black. Kunt u mij...”

Avery liet de hoorn hangen.

Het was donker in het trapgat naar de kelder. Avery ontdekte een lichtschakelaar aan de rechterkant en knipte die aan. Onder aan de trap zat nog een deur. Voorzichtig daalde ze de trap af. De wanden waren bekleed met hout.

Onder aan de trap opende ze de tweede deur.

Een tweede gang, loodrecht op de deuropening. Enkele kale peertjes aan het plafond verlichtten de ruimte. Ze ging linksaf en moest meteen weer links een scherpe bocht maken die uitkwam op een veel langere gang.

Elke vierkante centimeter van de muren in de gang was bedekt met foto’s, honderden foto’s. De foto’s volgden een horizontale lijn. Ze bestudeerde de volgorde van de foto’s, van de eerste tot de laatste. Ze leken een verhaal te vertellen. Op de eerste foto zat een zwarte kat op de rand van een hek. Op de volgende foto lag de kat dood op de grond. De daaropvolgende foto toonde een gedeeltelijk opengesneden kat waarvan de ingewanden zichtbaar waren. Op elke foto die volgde was de kat in een volgend stadium van opzetting te zien.

Aan beide uiteinden van de muur zat een deur.

Het is net een doolhof, dacht ze.

“Edwin Pesh!” schreeuwde ze. “Dit is de politie. Kom tevoorschijn! Hou je handen waar ik ze kan zien en kom in de gang.”

Ze luisterde of hij tevoorschijn kwam.

Niets, ze hoorde enkel in de verte de honden blaffen en zag de roodharige kat die haar tot in de kelder was gevolgd.

De eerste deur links stond open. De kamer was in duisternis gehuld. Avery klikte haar zaklantaarn aan en hield die in dezelfde lijn als haar wapen. Ze ging de kamer in. Tegen de achterste muur stonden verschillende soorten potten, rijen glazen potten gevuld met stoffen in verschillende kleuren. Links van haar stond een metalen tafel met medische apparatuur en vloeistoffen en materiaal om lichamen te balsemen.

Godallemachtig.

Een kat streek langs haar been.

Geschrokken richtte Avery haar wapen en vuurde bijna.

“Jezus,” fluisterde ze.

Even sloot ze haar ogen.

Achter zich hoorde ze het gekraak van een plankenvloer. Op het ogenblik dat ze zich oprichtte en zich wilde omdraaien voelde ze opeens een scherpe pijn in haar hals en hoorde iemand de rennen in de gang.

Shit!

Ze voelde haar armen en benen slap worden.

Niet zo, dacht ze. Zo kan ik niet aan mijn einde komen.

Gesterkt door de gedachte dat dit brouwsel elk ogenblik haar krachten volledig kon wegnemen probeerde Avery te schreeuwen. Maar ze kon enkel een zwak, nauwelijks hoorbaar geluid uitbrengen en struikelde de hal in. Onderweg stootte ze verschillende keren tegen de muren. Ingelijste foto’s vielen van de muur in scherven op de grond. Elke deur die ze voorbijkwam stond open. Het licht van de zaklantaarn schoot heen en weer.

Blindelings vuurde ze haar wapen af.

Als in een droom nam ze schemerig de beelden waar: vaag zag ze een kamer die door de tralies en de strooien vloer op een cel leek, in een ander kamer stonden opgezette katten en honden.

Toen ze bij de laatste deur kwam zakte Avery door haar knieën.

De zaklantaarn viel uit haar hand.

Met de weinige kracht die haar nog restte, draaide ze aan de deurknop en duwde de deur open.

In het zwakke licht van haar zaklamp zag ze Edwin Pesh staan.

Avery lag nu op haar buik. Ze hield haar wapen in de aanslag en bereidde zichzelf voor om te schieten. Plotseling, zo licht als een veertje, sprong Edwin van de ene naar de andere kant van de kamer, steeds maar weer, lenig als een kat. Ze kon onmogelijk raak schieten.

Duizelig. Avery voelde zich duizelig en verward. Het wapen was te zwaar geworden voor haar, veel te zwaar om het op te richten. Ze probeerde het wapen dicht bij de grond te houden. Haar wang raakte de harde, koude vloer, maar ze hield haar ogen nog steeds op Edwin Pesh gericht.

Edwin hurkte neer, en zijn ogen waren gelig in het licht van de zaklamp.

Avery voelde dat ze het bewustzijn ging verliezen.

Edwin richtte zich op en stapte naar haar toe. “Ssst,” fluisterde hij.

Niet op deze manier, dacht Avery.

Het kostte haar een grote inspanning, maar steunend met haar pols op de koude vloer richtte ze de loop van haar wapen op Edwins liezen en schoot drie keer. Bang! Bang! Bang!

Haar wapen viel uit haar hand.

Voor zich zag ze Edwins voeten. Hij stond te wankelen op zijn benen. Opeens zakte hij in elkaar.

Daar lag hij, naast haar, ineengezakt, met zijn gezicht op slechts enkele centimeters van het hare. Ze lagen naast elkaar, beiden roerloos, beiden stervend en elkaar aanstarend.

Zijn blik hield de hare vast. In de dromerige waas van een of ander middel dat hij haar had gegeven, leken zijn ogen ongelooflijk groot, als donkere poelen. Een glimlach speelde op zijn lippen.

“Meer,” fluisterde hij. “Méér.”

Iets anders zei hij niet en hij bewoog niet meer. Zijn lippen verstarden in een vreemde glimlach en zijn wijd opengesperde ogen brandden tot in haar ziel.

In gedachten hoorde Avery: meer, méér!

In de hal hoorde ze een mannenstem.

“Avery?”

Ze voelde een hand in haar hals zoeken naar een hartslag. Iemand vloekte en vaag herkende ze een verwrongen stem: “Praat tegen me, Black. Hoor je me? Probeer het nog even vol te houden. Er is hulp onderweg.”

Maar ze voelde zich verzwakken.

Ze hoorde weer zijn stem, dit keer in paniek.

“Verdomme, Black, waag het niet om nu te sterven!”

HOOFDSTUK ZESENDERTIG

Avery werd wakker in een ziekenhuisbed. Ze was behoorlijk in de war en haar keel voelde droog en pijnlijk aan. Haar hele lichaam deed pijn, het was alsof haar bloed was weggevloeid en vervangen was door een sterke, giftige vloeistof. Via een infuus kreeg ze medicatie toegediend en ergens in de kamer hoorde ze een hartmonitor piepen.

De kamer was gevuld met ballonnen en bloemen.

Op een stoel naast haar bed zat Ramirez ineengedoken te slapen. Hij zag er net zo relaxed en tot in de puntjes verzorgd uit als op de eerste dag dat ze elkaar hadden ontmoet. Hij droeg een glanzend blauw pak en zijn stralend witte overhemd liet zijn gebronsde gezicht en golvende, zwarte haren bijzonder goed tot hun recht komen.

Een verpleegster kwam de kamer binnen. “Je bent wakker,” stelde ze verbaasd vast.

Avery probeerde iets te zeggen.

“Probeer nog maar niet te praten,” zei de verpleegster. “Ik haal zo meteen de dokter erbij. Je hebt vast wel honger. Ik zal eens kijken wat ik voor je kan vinden.”

Ramirez werd wakker en geeuwde. “Black,” lachte hij, “welkom terug in het land van de levenden.”

Met pijn in haar keel en een hese stem vroeg Avery: “Hoe?”

“Drie dagen,” zei hij. “Je ligt hier al drie dagen. Ach man, was me dat een toestand. Je ligt in het stedelijk ziekenhuis van Watertown. Gaat het? Wil je nog wat rusten? Of wil je dat ik wat met je praat?”

Avery had zich in haar hele leven nog nooit zo kwetsbaar gevoeld. Ze lag niet alleen in een ziekenhuisbed, maar kon zich amper bewegen en spreken kon ze ook al niet.

Ze knikte en sloot haar ogen. “Praten...”

“Je bent me er wel eentje, Avery Black. Gelukkig was je slim genoeg om mij en het alarmnummer te bellen toen je in het huis zat. Als je dat niet had gedaan, was je er misschien niet meer geweest. Maar dat is voor later. Je hebt hem goed te grazen genomen,” zei hij. Hij lachte. Drie schoten, alle drie raak. Een in zijn lies, een door zijn hart en de laatste in zijn gezicht. Hij is dood. Geen meisjes meer voor hem. Je mag van geluk spreken dat je nog leeft.” Hij floot. “Weet je dat? Hij heeft je volgespoten met heel gevaarlijk spul. Het verlamt gedurende zes uur het lichaam en vreet langzaam alle inwendige organen weg tot je uiteindelijk sterft. De dokters hadden zoiets nog nooit gezien, maar op basis van de stoffen in de injectienaald die hij had gebruikt, hebben ze antistoffen kunnen samenstellen. Toch is je toestand een tijdje heel kritiek geweest.”

Ze wierp een blik op alle bloemen en ballonnen.

“Je hebt heel wat bezoek gekregen,” zei hij. “De hoofdinspecteur was hier, Connelly en zelfs Finley. Het kostte hen helemaal geen moeite, ze kwamen je graag bezoeken. Ze zijn mij allemaal naar het huis gevolgd.”

Ze keek hem aan.

Hij grijnsde. “Jij bent misschien wel gek,” zei hij, “maar ik niet. Na je telefoontje heb ik meteen Connelly opgebeld. Ik had versterking nodig.”

Avery keek hem lang en nieuwsgierig aan. Zijn donkerbruine ogen, die anders zo speels en ondeugend stonden, keken haar nu warm en bezorgd aan, alsof hij nog meer wilde doen voor haar.

“Jij?” vroeg ze.

Hij begon te blozen. “Nou ja,” mompelde hij aarzelend en het leek alsof hij moeite had zijn zin af te maken. “Ik zit hier inderdaad al een tijdje. Ik wilde er gewoon zeker van zijn dat mijn partner er weer bovenop zou komen. Trouwens,” zei hij schouderophalend, “ik moet nog steeds rusten met die wond, nietwaar? Ik dacht: waar kan ik beter rusten dan in een ziekenhuis? En eigenlijk voelde ik me ook wat eenzaam, zo alleen in mijn flat, weet je wel? Hoe dan ook, ik ben ontzettend blij dat je weer wakker bent,” zei hij. Hij had het moeilijk om haar aan te kijken. “Ik ga nu maar. De dokter heeft gezegd dat je veel rust nodig hebt.”

“Nee,” fluisterde ze. Zachtjes stak ze hem haar hand toe.

Ramirez greep haar vingers en hield ze stevig vast.

HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG

Toen het nieuws zich verspreidde dat Avery leefde en aan de beterende hand was, nam ook het aantal bezoekers toe. In de loop van de namiddag kreeg ze bezoek van Finley, samen met hoofdinspecteur O’Malley en Connelly die met gebogen hoofd bij de deur stond te wachten.

“Gestoorde klootzak,” zei O’Malley. “Naast die medische kamer had hij een hele tuin in zijn kelder. Die kerel kweekte elk soort hallucinerende plant die iemand zich maar kan voorstellen. Had ook gegevens liggen van enkele dealers, dus we kunnen meteen ook dat hele handeltje oprollen. Prima werk, Avery.”

“We hebben ook wat meer informatie over de lichamen gevonden,” voegde Connelly eraan toe. “Hij zou de Drievuldigheid uit de Romeinse mythologie aanbeden hebben. Zij waren volgelingen van de godin Venus. Deze drie jonge meisjes aanbaden schoonheid. We denken dat hij ze daarom in de dood zo levensecht afbeeldde. Hij had ook een paar tekeningen in huis liggen.”

Finley was bijzonder geïnteresseerd in de berg geschenken op de vensterbank. “Verdorie,” zei hij, “de burgemeester heeft je bloemen gestuurd? Ik heb nog nooit iets gekregen van de burgemeester. Ik ben er zeker van dat als je mij om versterking had gebeld, de burgemeester mij ook bloemen zou gestuurd hebben. Stomme Ramirez,” zei hij. “Ik was je partner. Ik.”

O’Malley keek Avery bezorgd aan. “We zullen het over je gebrek aan protocol hebben als je er weer helemaal bovenop bent,” zei hij. “Nu moet je vooral rusten en zorgen dat je snel beter wordt.”

* * *

Wat later die avond kwam Randy Johnson om Avery een bezoekje te brengen. De kwieke, kleine medewerkster van de forensische dienst had haar haren in een uitbundig afrokapsel opgestoken. Ze droeg een jurk met rode stippen en had bloemen en een krant bij zich. Avery had net gegeten en voelde zich al uitgeput.

“Hoi, meid!” zei Randy. “Hoorde dat je wakker was.”

Avery probeerde te glimlachen.

“Probeer maar niet te praten. Probeer nu nog maar niet te praten,” zei Randy bezorgd. “Ik weet dat je al een drukke dag hebt gehad. Ik kwam alleen even langs om met mijn eigen ogen te zien dat mijn meid weer springlevend was.” Ze sperde haar ogen wijd open. “En ik breng je wat roddels!” Ze ging naast Avery zitten. “Eerst en vooral denk ik dat Dylan Connelly je wel ziet zitten. En dit is geen grap. Hij kwam een paar keer bij me langs om te zien hoever ik stond met mijn onderzoek en twee keer heeft hij naar jou gevraagd. De eerste keer was het van: “Hoi, heb je Black al bezocht?” Nogal losjes en zo. En vandaag was de tweede keer. Hij vroeg: “Hoe gaat het met Black?” Het was de eerste keer dat hij me aansprak over iets wat niks met een zaak te maken had. Ik meen het echt! Als je wilt, duikt hij meteen met jou tussen de lakens.”

Avery schonk haar een afkeurende blik.

“Ja, je hebt gelijk. Hij is niets voor jou,” zei ze, “Maar Ramirez, dat is echt een droomkerel. Ga maar achter hem aan, meid. Hij heeft je leven gered!” Ze lachte, maar langzaam vervaagde haar lach. “Kunnen we het alsjeblieft over de moordenaar hebben?” voegde ze eraan toe. “Is het nog te vroeg?”

Avery stak haar duim omhoog.

“Zesendertig katten,” zuchtte Randy met ongeloof in haar stem. “Zesendertig! Wie heeft er nu in hemelsnaam zesendertig katten? En drie honden? En weet je wat nog gekker is? Het waren allemaal vrouwtjes. Niet een enkele kater te vinden in het huis. En dan al die foto’s aan de muren in de kelder? Ik weet niet of je je dat nog herinnert, maar hij had een hoop afgrijselijke foto’s van al die katten en die honden en van de meisjes die hij had vermoord. Elke foto toonde een specifieke fase in het proces van opzetten, weet je wel? Alle meisjes. Die zieke idioot had een eigen meidenclubje. Volgens Connelly heeft het iets te maken met de Romeinse mythologie en Aphrodite en al die vrouwen, maar ik denk dat hij gewoon knettergek was.”

Avery probeerde iets te zeggen. Ze schraapte haar keel en concentreerde zich op één woord. “Familie?”

“Of hij familieleden had?” vroeg Randy als bevestiging. “Is dat wat je wilt weten? Zeker. Die kerel die zichzelf door het hoofd heeft geschoten was zijn oom. Ik dacht dat je dat wel wist. Het hele verhaal staat in deze krant,” zei ze. “De oom heeft de moordenaar zo’n jaar geleden aangeworven. De moordenaar ontmoette al deze meisjes op een carrièrebeurs. Hij leerde hen beter kennen toen ze bij hem op kantoor kwamen.” Ze legde de krant op Avery’s borst.

Als titel stond er te lezen: “Universiteitsmoordenaar opgepakt” met ernaast een foto van de plaats delict. De ondertitel luidde: “Agent en ex-advocaat in kritieke toestand.” Eronder stond een artikel over hoe ze de plaats delict had verlaten om in haar eentje de echte moordenaar te gaan vinden.

“Je bent een nationale held!” juichte Randy.

Avery zag zichzelf helemaal niet als een held of iets dergelijks. Ze was nog te versuft om zich lange tijd ergens op te kunnen concentreren en haar lichaam was nog in shock na de verlamming, zodat ze zich moeilijk kon bewegen.

Held. Dat wilde ze helemaal niet zijn. Dat had ze nooit willen zijn. Ze had alleen haar fouten willen goedmaken, deze klootzakken voor altijd achter de tralies willen krijgen.

Ze wilde dingen goedmaken die ze nooit helemaal opgelost kon krijgen.

Haar oogleden werden zwaar en terwijl ze in slaap viel, groeide de vrees dat ze misschien nooit meer zou kunnen lopen.

HOOFDSTUK ACHTENDERTIG

Op donderdagmorgen ontwaakte Avery tot haar eigen verbazing vrij opgewekt en zonder al te veel pijn. Ze kon haar armen weer makkelijker bewegen, zonder hulp rechtop gaan zitten en helder nadenken. Die morgen had ze ook al een praatje gemaakt met de verpleegster en had daarbij gemerkt dat ook de spieren in haar keel weer goed functioneerden. Ze had wel moeite om zich te herinneren wat er in het huis allemaal gebeurd was. Ze zag beelden voor zich van de honden, alle katten en de vreemde muren van de kelder die bedekt waren met hout en foto’s. Ze zag ook het angstaanjagende beeld van Edwin Pesh die met vlammende ogen als een spin heen en weer sprong. Hoe was ze daar levend uit gekomen? Het enige wat ze zich helder kon herinneren was het gezicht van Ramirez en hoe hij haar bemoedigend had toegefluisterd. De deur ging open en Avery schrok op uit haar gedachten. Ze voelde dat haar hart heviger begon te kloppen toen Rose in de deuropening verscheen.

“Mama!” huilde ze, terwijl ze haar stevig vasthield. “Ik was zo bezorgd om je.”

Avery sloot haar ogen en beantwoordde de stevige knuffel van Rose. De spontane omhelzing maakte haar bijzonder emotioneel en ze liet haar tranen de vrije loop.

Avery herinnerde zich hun onaangename lunch en het bericht dat ze ingesproken had voor ze het huis van de moordenaar binnenging.

Ze is terug, dacht ze. Mijn Rose is bij me teruggekomen.

Na een tijdje liet Rose haar los. “Ik heb iedereen opgebeld,” zei ze. “Ik had geen idee waar je was. Niemand wilde me iets vertellen. Uiteindelijk heeft je hoofdinspecteur me teruggebeld en me verteld dat je hier lag en dat je wakker was geworden. Ik ben zo snel mogelijk gekomen.”

Avery glimlachte, nauwelijks in staat om door haar tranen heen iets te zeggen.

“Mama, ik voelde me zo slecht na ons laatste gesprek. Het spijt me zo. De hele week heb ik gedacht: als mama nu sterft, zal je voor altijd verder moeten leven met de manier waarop je haar de laatste keer hebt behandeld. Het is enkel...”

Tranen rolden over Avery’s wangen. “Het is mijn fout,” zei ze. “Geef jezelf de schuld niet, Rose. Alle schuld ligt bij mij. Ik ben je moeder en ik beloof dat ik alles zal goedmaken.”

Huilend hielden ze elkaars hand stevig vast en Avery voelde het zware verdriet dat ze al die jaren met zich mee had gedragen langzaam wegebben. Alleen dit kon haar genezen. Veel beter dan op moordenaars te jagen.

Uren zaten ze daar zo, hand in hand, en ze vertelden alles wat ze elkaar al die jaren niet hadden kunnen of willen zeggen. Avery besefte dat het tijd was geworden om weer te leven.

* * *

Rond het middaguur kwam Ramirez op bezoek. In zijn designer jeans, lichtroze overhemd en witte sneakers zag hij er bijzonder ontspannen uit.

“Hoi, Avery,” zei hij alsof hij zelf in het ziekenhuis thuishoorde. “Ik heb lunch meegebracht,” waarbij hij een picknickmand omhooghield. “Ik hoop dat je me geen lastpak vindt, maar mijn moeder zei altijd: “De beste manier om een vrouw haar hart te stelen is haar verwennen met lekker eten.”

“Wil je mijn hart dan stelen?” vroeg Avery.

“Je weet wel, je weet wel,” zei hij, terwijl hij haar blik vasthield, “jij hebt mijn leven gered. Je bent mijn partner. Ik heb jouw leven gered.” Verlegen keek hij haar aan. Zijn donkerbruine ogen zochten de hare. “Als je niet wilt dat ik blijf,” voegde hij eraan toe, terwijl hij de mand vol gebraden kip, kersen en frisdrank opende, “dan kan ik ook gewoon terug naar huis gaan.”

Avery lachte. In moeilijke tijden had ze vroeger altijd het gezelschap opgezocht van mannen zoals Ramirez. Nee, dacht ze opeens. Niet helemaal zoals hij. De andere mannen hadden een wat harder kantje, dat waren verleiders, meer geïnteresseerd in een nachtje samen het bed in duiken dan in een vaste relatie. Maar Ramirez, wist ze, die is lief. En schattig. En hij lijkt echt om me te geven.

Hij is je partner! schreeuwde een stemmetje in haar hoofd.

Nou en? dacht ze vol zelfvertrouwen. Je bent veranderd, dit is je nieuwe ik en ik kan doen waar ik zin in heb.

“Blijf,” zei ze met een ondeugende grijns. “Ik ben gek op lunch.”

HOOFDSTUK NEGENENDERTIG

Op vrijdag mocht Avery het ziekenhuis verlaten.

Ramirez kwam haar ophalen en bracht haar naar haar auto, die nog steeds in de buurt van het huis van de moordenaar geparkeerd stond. Toen ze voorbijreden staarde Avery lange tijd gelaten naar het huis.

“Gaat het wel?” vroeg Ramirez. “Raakt het je niet te veel?”

“Het gaat wel,” antwoordde ze.

Ze voelde zich inderdaad goed. Ze voelde zich zelfs beter dan gewoon maar goed.

Haar hele leven voelde anders, beter. Binnenkort zou ze Rose terugzien. Ramirez was elke dag langsgekomen om haar gezelschap te houden. Alle wensenkaarten die ze in het ziekenhuis had ontvangen, hadden vol mooie woorden gestaan. Door alle mensen die haar beterschap hadden gewenst had ze beseft dat ze, hoewel ze zich de afgelopen drie jaar zo eenzaam had gevoeld, nooit echt alleen was geweest.

Avery stapte uit de auto en keek Ramirez over de motorkap aan. “Zo,” zei ze, “hier moet ik zijn. Dank je wel voor alles.”

“Ga je naar het bureau?”

“Ja.”

“Wil je dat ik met je meega?”

“Nee,” zei ze. “Het is oké. Geniet nog wat van je vakantie. Ik weet zeker dat ik je binnenkort weer in een levensgevaarlijke situatie zal doen terechtkomen.”

Ramirez knipoogde lachend. “Ik hoop het.”

Op weg naar het bureau voelde Avery zich bijzonder emotioneel. Spanning en angst beheersten haar gedachten. Ze had de zaak dan wel opgelost, maar ze had toch enkele grenzen overschreden: ze had de bevelen van haar baas naast zich neergelegd en ze had een plaats delict verlaten om in haar eentje Edwin Pesh te gaan inrekenen.

Het zal allemaal wel goedkomen, dacht ze. Je hebt hem tenslotte te pakken gekregen.

In de parkeergarage van het politiebureau werd ze door verschillende agenten aangestaard. Allen staken ze triomfantelijk hun duimen en vuisten in de lucht.

“Goed gedaan, Black,” riep iemand.

Ze stapte de lift in naar de tweede verdieping. Toen de lift stopte bij de kantoren van de eenheid op de eerste verdieping begonnen de meeste van de agenten respectvol te klappen. Sommigen negeerden haar om verder te werken, anderen hadden een nietszeggende uitdrukking op hun gezicht, alsof ze zich wel moesten aansluiten bij hun enthousiaste collega’s, maar de meesten keken haar met heel veel respect na.

Verlegen stak ze haar hand op en wendde ze haar blik af. “Dank jullie wel.”

Op de tweede verdieping werd ze zo mogelijk nog hartelijker verwelkomd. Gedurende tenminste een minuut stopte iedereen op de afdeling Moordzaken met werken zodat ze haar een staande ovatie konden geven.

“Seriemoordenaars, zoek dekking!” schreeuwde iemand.

“Je hebt hem te pakken gekregen, Black!”

“Fijn dat je terug bent.”

Finley kwam naar haar toe gelopen en hoewel hij haar niet al te veel complimentjes wilde geven in het bijzijn van anderen, gaf hij haar toch een professioneel klopje op de schouder en wees haar trots aan.

“Dit is mijn partner,” zei hij. “Zien jullie dat? Samen lossen wij misdaden op. Die klote-misdadigers hebben geen schijn van kans met Black en Finley op hun hielen.”

“Allemaal weer aan de slag,” riep O’Malley vanuit zijn kantoor. “Black,” riep hij en hij wenkte haar. “In mijn kantoor.”

Connelly keek haar van achter zijn bureau aan, knikte haar kort toe en ging meteen weer aan de slag. Volgens Avery zat hij alleen maar wat papieren aan het verschuiven op zijn bureau om zo de indruk te geven dat hij druk bezig was. Ze bleef hem aankijken. Zoals ze had verwacht keek hij na een paar seconden weer op. Geërgerd omdat hij was betrapt, stond hij mompelend op en verliet het kantoor.

“Doe de deur dicht,” zei O’Malley. “Ga zitten.”

Avery sloot de deur en ging zitten.

“Fijn dat je terug bent. Hoe voel je je nu?” vroeg hij bezorgd.

“Ik voel me al veel beter. Dank je.”

“Zoals ik in het ziekenhuis al zei, heb ik nog een paar vragen om de hele situatie juist te kunnen inschatten. Laten we het dus eerst eens hierover hebben.” Hij keek op zijn blad papier en las de eerste vraag op. “Waarom heb je de plaats delict bij de woning van Villasco verlaten?”

“Hij was niet de man die we zochten.”

“Waarom was je daar zo zeker van?” vroeg hij nieuwsgierig. “Die kerel had zichzelf door het hoofd geschoten. Hij werkte bij Devante. Zaak gesloten, zou ik denken.”

Fronsend keek Avery hem aan. “Het zat niet goed. Hij zei iets, iets over familie. Ik kan het me niet meer precies herinneren, maar het was alsof hij iemand in bescherming nam. Er stond geen minibusje voor het huis, er was geen kamer waar hij lichamen kon opzetten. Hij zag er eenzaam uit, eenzaam en bang. Het zat me dwars. Ik kon het niet loslaten en op de lijst die McGonagle me had gegeven, stond nog één aanknopingspunt dat ik moest onderzoeken.”

“Waarom zag je Edwin Pesh als verdachte?”

“Hij woonde in Watertown. Op basis van de richting die de moordenaar vanuit Lederman Park en Cambridge uit was gereden, was ik er altijd al van uitgegaan dat de moordenaar ofwel in Watertown, ofwel in Belmont woonde.”

“Dus op basis van je intuïtie verliet je een plaats delict en liet je je partner achter om alleen naar Watertown te rijden.”

“Dat was eigenlijk mijn bedoeling niet.”

“Wacht eens even,” zei hij. “Niet nu. Beantwoord eerst de eerste vraag.”

“Ja, inderdaad,” antwoordde ze.

“Waarom heb je Ramirez gebeld? Hij had helemaal geen dienst. En het alarmnummer?”

“Zodra ik het minibusje op de oprit zag staan heb ik Dan gebeld. Ik besefte dat ik misschien hulp zou nodig hebben. Ik heb het alarmnummer gebeld vanuit het huis. Al die dieren in huis bezorgden me kippenvel.”

“Waarom heb je Connelly niet gebeld? Of Thompson? Of zelfs Finley. Ze zaten allemaal in je team.”

Avery keek hem aan. “Eerlijk? Ik was niet zeker of ik hen kon vertrouwen.”

“Dus je besliste dan maar om iemand die herstellende was van een steekwond te vertrouwen? Niet zo slim, Avery. Maar toch kwam het goed. Ramirez was zo slim om versterking te vragen, maar eigenlijk had ik meer verwacht van iemand die ik net tot leidend rechercheur gepromoveerd had. Zij zijn je nieuwe partners en je moet leren samenwerken als een team.”

Toen Avery nog advocaat was, was het ieder voor zich. Zelfs al moesten ze als groep aan een zaak werken, dan nog werkte ieder voor zich om bij de baas op een goed blaadje te staan. Het was een onderlinge strijd geweest, een zielloos bestaan en deze lijn had ze ook bij de politie van Boston doorgetrokken.

“Ik kan beter,” zei ze.

“Ja, nou ja, niemand is hier ooit echt vriendelijk geweest voor je sinds je hier boven bij de afdeling Moordzaken bent gekomen, ik kan je wel begrijpen. En voordat je die bende West Side Killers had ingerekend was je beneden ook niet altijd even welkom, toch? Maar nu is alles anders, Avery. Je hebt net een grote publieke zaak opgelost.”

“Dus, je neemt me weer in dienst bij Moordzaken?” vroeg ze.

O’Malley trok zijn wenkbrauwen op. “Of ik je terug in dienst weer bij Moordzaken? Meen je dat nou? Je hebt mijn bevelen om je uit de zaak terug te trekken genegeerd. Je verliet een plaats delict. Je hebt geen rekening gehouden met je partners en je hebt een heel groot risico genomen. Denk je nu echt dat je het verdient om weer bij Moordzaken aan de slag te gaan?”

“Ja,” zei ze vol zelfvertrouwen. “Dat denk ik wel.”

O’Malley lachte. “Wie ben ik om een held tegen te spreken?” Op zijn gezicht kwam een brede grijns. “Natuurlijk ben je weer in dienst!” zei hij. “Maar maak nu dat je wegkomt. Neem de rest van de dag vrij. Kom maandag terug en we starten met een schone lei. En nu je gewonnen hebt, doe me alsjeblieft een plezier.” Hij verzamelde enkele papieren. “Bel de burgemeester op. Hier heb je zijn persoonlijke nummer. En bel meteen ook naar Miles Standish, de eigenaar van Devante. Ik heb gezien dat ze je allebei bloemen en een kaartje hebben gestuurd.”

Hij gin staan en salueerde.

Avery voelde zich vereerd door zijn gebaar.

“Prima werk, Avery.”

HOOFDSTUK VEERTIG

Op zaterdagmorgen hield Avery grote schoonmaak in haar flat.

Alles wat haar aan haar vroegere leven herinnerde stopte ze in kartonnen dozen: foto’s, krantenartikelen over de verdediging van Howard Randall, kleren die ze als advocaat had gedragen. Ze werd niet langer door haar verleden achtervolgd. Een paar foto’s van Rose en kleding die een speciale betekenis had bewaarde ze, maar de meeste andere zaken gingen recht de prullenbak in.

Ze deed iedere lamp in het huis aan. Al die jaren had ze de meeste dagen in duisternis doorgebracht en toen ze de geschilderde muren, de tapijten en de keuken in het licht zag, dacht ze: je kocht deze flat na Randalls zaak en voordat je agent werd. Alles hier doet je denken aan die vreselijke tijden. Net als jij verdient deze flat een nieuw leven.

Het is tijd om de flat te verkopen. Om verder te gaan. Om een nieuw stekje te kopen in de stad, misschien wat dichter bij Rose, als ze dat goed zou vinden.

In gedachten verzonken stond Avery op haar terras naar de hemel te staren en ze besefte dat nog één ding moest doen om met haar verleden te kunnen breken.

Ze pakte haar autosleutels en liep naar buiten.

De rit naar de South Bay-gevangenis was makkelijker dit keer. Hoe vaak had ze deze rit al niet gemaakt? Onderweg belde ze om een afspraak te maken met Howard Randall.

“U kunt helemaal geen afspraken maken voor de dag zelf,” zei de vrouw.

“Dit is een hele stap voor mij,” zei Avery. “Ik maak nú toch een afspraak.”

“Het spijt me, maar...”

Avery hing op.

In de gevangenis kwamen de bewakers naar haar toe lopen om haar te feliciteren met het inrekenen en stoppen van de moordenaar. En weer was de vrouwelijke bewakingsagent in het groene kantoortje niet tevreden dat ze geen afspraak had gemaakt, maar ze herkende haar van de foto’s van de vorige keren, en nu uiteraard van in de kranten.

“U hebt die moordenaar te grazen genomen, toch?”

“Ja,” zei Avery trots, “dat heb ik inderdaad gedaan.”

“Oké, geen afspraak nodig voor u vandaag. Prima gedaan!”

Toen Avery de vergaderruimte in de kelder binnenstapte zag ze meteen dat Randall een grote lach op zijn gezicht had. Zijn handen waren aan de tafel vastgemaakt. “Gefeliciteerd,” zei hij.

“Dank je,” antwoordde Avery.

Hij zag er ouder uit dan ze zich herinnerde en helemaal niet zo sterk meer. De greep die hij op haar had gehad was tot haar grote verbazing bijna helemaal verdwenen.

Ze ging zitten. “Er is iets wat ik je al een tijdje wilde zeggen,” zei ze. “Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld, maar ik wist het.” Haar blauwe ogen staarden diep in de zijne. “Toen ik je zaak aanvaardde, wist ik dat je schuldig was. Ik was er niet helemaal van overtuigd, maar toch. Je speelde het spelletje perfect, maar ik voelde meteen dat mijn hele leven uiteen zou vallen door jou.”

Randall leunde iets naar voren.

In zijn ogen blonken oprechte tranen.

“Ik weet het,” fluisterde hij.

“Hoe kon je dat nu ooit geweten hebben?”

“Ik was betrapt,” zei Randall. “De aanwijzingen lagen voor het grijpen: ze waren allebei studentes. We hadden meerdere keren samen geluncht of waren ’s avonds soms uit gaan eten. De lichamen werden op de campus teruggevonden. Een van hen had een dagboek bijgehouden. Maar,” zei hij met een sluwe lach op zijn gezicht, “ik was er zeker van dat ik een jury kon overtuigen van mijn onschuld, dat ik een leugendetectortest zou kunnen ondergaan, dat ik een advocaat of wie dan ook om de tuin zou kunnen leiden, want weet je, Avery, ik geloof niet in je waanideeën van goed of slecht. Zoals ik het zag, was het verantwoord om die meisjes te vermoorden. Uiteindelijk zou het hen en de wereld helpen. Daarom was ik onschuldig aan welke misdaad dan ook. Ik was erop voorbereid dat ze me zouden vrijlaten en dat ik mijn werk zou kunnen voortzetten, alleen deze keer op een iets slimmere manier. Dat geloofde ik echt, tot ik jou ontmoette.” Hij slaakte een diepe zucht. “Wat zag ik in jou?” vroeg hij zich hardop af. “Een bijzondere, mooie vrouw, verloren en op zoek naar verlossing. Je geloofde echt dat je deed wat juist was. Je geloofde het echt en deze overtuiging, deze valse overtuiging, vrat je helemaal op vanbinnen. Je kon het zelf niet zien, maar ik wel. Ik kon alleen maar proberen om je het te laten inzien. De leugen doorprikken en je te doen beseffen wat voor puinhoop je leven was.”

“Waarom?” fluisterde Avery. “Waarom ik?”

“Is dat dan niet duidelijk?” zei Howard. “Ik hou van je, Avery.”

Deze bekentenis was meer dan ze aankon. Ze draaide zich van hem weg en schudde haar hoofd. Liefde? Hij heeft je kapotgemaakt. Is dat wel zo, dacht ze. Of heeft hij je bevrijd? Nee, verzekerde ze zichzelf. Hij is een moordenaar, een manipulator, iemand zoals hij kan het niet goed voorhebben met iemand anders. En toch voelde ze zich gelukkiger dan ooit. De donkere schaduw die haar had achtervolgd tijdens haar jaren als beginnend agent was verdwenen. Haar vroegere leven als advocaat werd opeens heel duidelijk: een wanhopige poging om haar vorige leven achter zich te laten en iemand te worden die ze eigenlijk nooit graag was geweest.

Avery stond op om te vertrekken.

“Niet weggaan,” smeekte Howard. “Nog niet, alsjeblieft.”

“Wat wil je nog meer?”

“Je hebt je verhaal nog niet afgemaakt,” fluisterde Howard. Een valse glimlach speelde rond zijn lippen en hij keek haar met een opwindende schittering in zijn ogen aan.

“Mijn vader?” vroeg ze. “Wil je weten wat er die avond nog meer gebeurd is?”

Zwijgend keek Howard haar aan.

Avery wendde haar hoofd af. Dit deel van het verhaal had ze nog nooit aan iemand verteld, noch aan Jack, Rose of de reporters die haar als jong meisje hadden geïnterviewd. Ze herinnerde zich haar moeders benen in het gras, het bloed op haar jurk en haar vader die over haar heen gebogen stond met het wapen in zijn hand.

Ze haalde diep adem, sloot haar ogen en bereidde zich voor om de strijd aan te gaan met haar meest duistere demonen. Ze wist niet of ze er wel klaar voor was.

“Ik hoorde hen roepen,” begon ze met onvaste stem.

Een minuut lang zweeg ze voordat ze verderging met haar verhaal. “Net voordat hij schoot,” zei ze, “had hij haar een hoer genoemd, een waardeloze dronken hoer, en zij zei gemene dingen tegen hem,” fluisterde ze, terwijl ze Howard schuin aankeek. “Gemene dingen. Toen hoorde ik het schot en zag hem. Hij lachte, hij lachte echt naar mij, net alsof ik zojuist een grap had verteld. ‘Ga een schop halen. Je moet je moeder begraven,’ zei hij.”

Met tranen in haar ogen keek ze Howard aan.

“En ik deed het,” zei ze. “Ik bleef verstard staan tot het donker begon te worden. Helemaal alleen groef ik toen het gat. Mijn armen beefden, mijn benen zaten vol modder. De hele tijd kon ik aan niets anders denken dan dat hij mij ook zou neerschieten en me samen met haar zou begraven. Ik was zo bang. Elke seconde leek wel een eeuwigheid. Toen ik eindelijk klaar was, was het helemaal donker. Nergens was er een lichtje te zien, alleen een eindeloze hemel vol sterren. De hele tijd bleef hij naar me kijken. “Goed gedaan,” zei hij toen ik klaar was. Daarna raakte hij me aan, hij raakte me aan zoals al die vorige keren, alleen was het dit keer veel harder, met veel meer kracht. Nu hij van mijn moeder verlost was, dacht hij dat hij eindelijk met mij kon doen wat hij wilde.”

Ze keek omhoog en slaakte een diepe zucht.

“Toen ben ik ervandoor gegaan,” zei ze. “Nog diezelfde avond liep ik weg van huis. De politie pakte me op en probeerde me terug naar huis te brengen. Ik vertelde hen wat er was gebeurd, ik vertelde hen alles. Wat er tóén met mij gebeurde, wil je echt niet weten,” zei ze. Ergens was het nog vreselijker dan wat mijn vader me had aangedaan.”

“Ik wil het wel weten, Avery,” fluisterde hij als een hunkerende alcoholist die verlangde naar meer alcohol. “Ik wíl het weten.”

Op dat ogenblik besefte Avery hoe hij echt in elkaar zat: de lelijkheid, zijn ineengekrompen figuur en zijn duivelse blik. Hij deed haar denken aan het verhaal van de vlinder en de cocon. Eigenlijk was hij zoals de rups in het hele verhaal, dacht ze. Een slijmerig, vreemd wezen dat had kunnen veranderen in een mooie vlinder, maar nooit veranderd was.

“Je hebt me geholpen,” zei ze met oprechte genegenheid. “Zowel in mijn leven als bij de zaak. Ik zal nu niet meer terugkomen. Het is niet meer nodig.”

Howard leunde naar achteren en langzaam vervormde zijn lach in een duivelse grijns. Maar in tegenstelling tot de vele andere keren was het dit keer een zwakke grijns, een grijns die een barst in zijn zelfvertrouwen verried, die liet zien dat hij er niet zo zeker van was.

“O, jawel hoor,” zei hij. “Je komt terug.”

* * *

Buiten de gevangenis was de lucht betrokken, de eerste bewolkte dag in meer dan een week. Al vanaf de eerste dag dat ze het lichaam van Cindy Jenkins hadden gevonden, had Avery naar regen verlangd, naar wolken die perfect pasten bij de manier waarop ze zich voelde. Nu gaf ze er helemaal niet meer om.

Terwijl ze naar haar auto liep, voelde ze zich lichter dan ooit. Voor het eerst in lange tijd deed niets er nog toe. Eigenlijk deden de koude lucht en de donkere wolken haar goed: een nieuw start.

Een ogenblik stond ze stil en ademde bewust de koude lucht in en voor het eerst in lange tijd besefte ze dat ze leefde.

BINNENKORT VERKRIJGBAAR!

Boek 2 in de Avery Black mystery-serie!

Geniet ondertussen van Eens weg, boek 1 van de RILEY PAIGE mystery-serie!


EENS WEG

een Riley Paige-mystery

boek 1

“Een dynamisch verhaal dat je vanaf het eerste hoofdstuk grijpt en niet meer loslaat.”

--Midwest Book Review, Diane Donovan (over Eens weg)

“Een meesterwerk van spanning en mysterie! De auteur heeft geweldig werk geleverd en personages met een psychische kant ontwikkeld, die zo goed is omschreven dat we in hun hoofd zitten, hun angsten kunnen volgen en om hun successen kunnen juichen. De plot zit heel knap in elkaar en houd je het hele verhaal bezig. Dit boek vol spannende wendingen houdt je net zolang wakker totdat je de laatste bladzijde hebt gelezen.”

--Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Eens weg)

In de landelijke buitenwijken van Virginia worden dode vrouwen gevonden die op monsterlijke wijze zijn vermoord en als de FBI erbij wordt geroepen, staan ze voor een raadsel. Er loopt een seriemoordenaar rond, hij slaat steeds vaker toe en ze weten dat er maar één agent goed genoeg is om deze zaak op te lossen: Special Agent Riley Paige.

Riley is zelf op betaald verlof, herstellende van de confrontatie met haar laatste seriemoordenaar. Kwetsbaar als ze is, twijfelt de FBI eraan om van haar briljant inzicht gebruik te maken. Maar Riley, die haar eigen demonen moet verslaan, komt erbij en haar jacht brengt haar naar de verontrustende subcultuur van poppenverzamelaars, in de huizen van gebroken families en in de meest duistere kanalen van het brein van de moordenaar. Terwijl Riley de lagen eraf pelt, beseft ze dat ze het tegen een moordenaar opneemt die nog zieker is dan ze had kunnen denken. In een panische race tegen de klok wordt ze tot het uiterste gedreven, haar baan staat op het spel, haar eigen gezin is in gevaar en haar kwetsbare geest staat op instorten.

Maar als Riley eenmaal een zaak aanneemt stopt ze niet. Het obsedeert haar, leidt haar naar de donkerste hoeken van haar eigen brein en vervaagt de grens tussen jager en prooi. Na een reeks onverwachte wendingen leidt haar intuïtie haar naar een schokkende climax die Riley zelf niet had kunnen bedenken.

Eens weg is een duistere psychologische thriller met bloedstollende spanning, en markeert het debuut van een boeiend nieuwe serie – en een geliefd nieuw personage – waardoor je tot diep in de nacht blijft lezen.

Boek 2 in de Riley Paige-serie is nu verkrijgbaar!


EENS WEG

een Riley Paige-mystery

boek 1

Blake Pierce


Blake Pierce is de auteur van de bestselling mystery-serie met Riley Paige, die bestaat uit de spannende thrillers Eens weg (boek 1), Eens gepakt (boek 2) en Eens begeerd (boek 3). Blake Pierce is ook de auteur van de mystery-serie met MacKenzie White.

Blake is al zijn hele leven een grote fan van thrillers en mystery-boeken. Hij hoort graag wat je van zijn boeken vindt. Neem gerust eens een kijkje op www.blakepierceauthor.com om meer over hem te weten te komen en op de hoogte te blijven van zijn boeken.

ANDERE BOEKEN VAN BLAKE PIERCE


RILEY PAIGE MYSTERY-SERIE

EENS WEG (boek 1)

EENS GEPAKT (boek 2)

EENS BEGEERD (boek 3)


AVERY BLACK MYSTERY-SERIE

MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1)

OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2)

4,5
2 puan