Kitabı oku: «Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker»
Carel van Nievelt
Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066313630
Inhoudsopgave
De grauwe Vrouw.
De Paraplu van den Kapelaan.
Jack Bobson's Poolreis.
De Jonkvrouw van Hillegersberg.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
Harmonia.
In den Hobbelstoel.
Eene min in den zonneschijn.
Eene min in den mist.
Mevrouw de Douairière.
Alpengloeien.
Don Juan del Mulino.
II.
Chiaroscuro.
De grauwe Vrouw.
Inhoudsopgave
Wem nie durch Liebe Leid geschicht, Dem ward auch Lieb' durch Liebe nicht; Leid kommt wohl ohne Lieb' allein; Lieb' kann nicht ohne Leiden sein.
Meester Claudius, uit Rotterdam, is dezen zomer voor zijn genoegen op reis geweest. Als goed vriend heeft hij mij van zijne ontmoetingen en ervaringen iets meegedeeld, dat misschien zoo alledaagsch niet is. Ik vertel het, met zijn verlof, hier over.
De bel klepte drie, de stoomfluit gilde, de trein zette zich in beweging. Er in zat de meester; er buiten stonden zijne vrouw en zijn dochtertje.—„Adieu! dag, lieven, dag! Gauw schrijven, hoor! Saluut! Dag, dag, adieu!”—Een knikken nog uit het raampje—reeds waren zij uit zijn gezicht verdwenen; tusschen hem en haar, die den goeden man nawuifden op het plankier, drong zich eene zwarte machinenloods. Alléén in den coupé, schoot onze reiziger als een pijl uit den boog door de Kralingsche weilanden heen, zijn huis al verder en verder achter zich latende, met elke minuut eene zevenmijls-schrede nader ijlende tot de wouden en bergen van zijn verlangen.
Het is eene kostelijke gewaarwording, het gevoel van dat eerste uitvliegen: die zekerheid dat heden en morgen eens het taakwerk ons niet wacht, dat uitzicht op het nieuwe, het onbekende, of het van vroeger ons reeds lief gewordene, dat elk uur van de komende dagen ons staat te brengen.
Minder aangenaam wel, wanneer, als in Claudius' geval, omstandigheden gebieden dat men in zijn ééntje zulk eene pleizierreis onderneemt. Maar dit behoefde toch onzen vriend het genoegen niet te vergallen. Zijne vrouw en zijn kind waren immers gezond en veilig; het ontbrak haar noch aan bescherming noch aan verzet; zoo van ganscher harte gunden zij den man en vader de ontspanning naar welke hij zoozeer hunkerde; dagelijks ook konden zij zijne brieven ontvangen en beantwoorden.... Dus, meester, met volle teugen genoten van den korten rusttijd!
Het schoone weder al moest hem het hart doen jubelen. Hoe laafde zich zijn oog aan het etgroen der pas gemaaide weiden; hoe geurde het versche hooi hem tegen; hoe flikkerden de Hollandsche slooten en weteringen, door de namiddagzon in gloed gezet, hem als raketten voorbij. En al houtrijker, straks al heuvelachtiger, steeds al aantrekkelijker werd het landschap, hoe meer hij zich verwijderde van de misdeelde streek, in welke het lot hem zijne woning wees. Kom, meester! onthaal uzelven op eene sigaar! En dan (o voorsmaak eener vreugde, wat zijt gij zoet!) dan het reisboek uit de tasch gegrepen, om op de kaart het grootsche plan nog eens in al zijne aanlokkelijkheid te bestudeeren. Voor zoover een mensch alléén gelukkig kan wezen, voelde Claudius zich gelukkig op dit oogenblik.
Spoortreinen hebben in onze dagen wél eene groote snelheid, maar nog geenszins de volmaaktheid bereikt. Terwijl meester Claudius gansch verdiept zit in zijnen Baedeker, brengt eene hevig schokkende beweging van het rijtuig zijn hoofd in forsche botsing met de lijst van het venster.... Het was niets. Een steentje misschien, dat op de staven lag; of eene losgeraakte schroef.... Toch, als onze reiziger zijne lectuur hervat, dansen hem de letters een weinig voor de oogen. En—zonderling!—het is hem of hij een gefluister verneemt in zijn oor:
„Vriend, denk er aan! deze trein kan verongelukken. Een enkel verzuim, één noodlottig toeval—zoo wordt deze sterke wagen versplinterd als eene spanen doos. Hen die gij tehuis liet, ziet gij dan nimmer weer!”—
Alle drommels! Wie lispte dat daar?—De meester dacht toch alléén te zijn in den coupé!.... Hij wendt het hoofd zijwaarts—en inderdaad—hij vreesde het al—, in den hoek aan het andere venster zit eene donkere gestalte, vormloos ineengedoken, dicht gesluierd, van kruin tot voeten in het grauw.
Een spooksel? meent gij. Nu ja—van een mensch had het ding zeker al weinig, en van een engel nog minder.
Het was eene oude bekende van meester Claudius. Vrouw Zorg is haar naam. Sinds jaar en dag pleegt zij hem geen uur onverzeld te laten op zijn levenspad. Zij schrijdt vóór hem heen op de wandeling; zij staat achter zijnen stoel onder het arbeiden; zij hurkt naast zijn leger bij het slapen gaan, en reikt hem hare kille hand bij het uit bed stappen.... Maar hier toch had hij niet verwacht haar aan te treffen. Hij meende stellig haar in de stad te hebben achtergelaten. Hij was zelfs (oprecht beleden) met het bepaalde oogmerk er op uitgegaan, haar eindelijk, eindelijk eens te ontloopen. En nu—tóch hier!—Zij moest dus, ongezien, achter hem in het rijtuig geslopen zijn.
„Ah!” riep hij—„onafwendbare! gij óók op reis?—Waarheen? als ik vragen mag. Ik hoop dat onze wegen ditmaal niet samenvallen—ofschoon ik waarlijk zóózeer aan uw gezelschap gewoon ben geraakt, dat ik haast eene leemte voel wanneer ik u eens niet bij mij heb!”
De gedaante boog zich even, alsof het compliment haar streelde.
„Maar wat”, voer Claudius voort, „wat kraakt ge mij daar weer voor kwade noten!—Een honderdduizend sneltreinen snorren er dagelijks door Europa—en hoe zelden hoort men van spoorwegrampen!—Waarom zou juist déze trein verongelukken?—De kans voor mij is even gering, als om uit een millioen witte boonen blindelings er eene enkele zwarte te grijpen!”
„Toch, vriend”, hernam de schim: „die ééne zwarte boon is onder al die witten! die ééne zwarte boon kan voor de hand liggen, en moet van tijd tot tijd gegrepen worden!”
Het was zoo: hij kon het niet tegenspreken. Voor zijnen geest rees de beschrijving van hetgeen er onlangs gebeurd was op de lijn tusschen Birmingham en Manchester, tusschen Dijon en Macon—wel ja, tusschen Schiedam en Rotterdam nog kortelings.—„'t Is waar”, prevelde hij: „die ééne zwarte boon zou inderdaad heden avond voor de hand kunnen liggen—en in dát geval——”
Verbeeldde hij het zich? of was er opeens uit het westen een nevel gerezen, die de ondergaande zonneschijf verbleekte, het groen der Veluwsche wouden aanstreek met grauw, en den horizon in ontijdige schemering hulde?
Het moet wel aan zijne oogen gelegen hebben. Want een paar medereizigers hoorde hij tot elkander zeggen, dat de zomer nog geenen zoo helderen en prachtigen avond had gebracht.
Te Coblenz is het liefelijk verpoozen, na eenen langen spoorwegrit. Dáár vult men boordevol (ten minste als men van een goed glas wijn houdt, zooals meester Claudius) den roemer zich met den nectar van Rüdesheim. Dáár bruist zoo plechtig de breede Rijn langs Ehrenbreitstein's onwrikbare rotsvesting. Dáár wandelt men over de schaduwrijke hoogten van brug naar brug, en blikt er neder op de stad met haar gewoel, op den edelen stroom, die zich al kronkelend verliest in vruchtbare landouwen, schilderachtig heuvelland en rijk bebouwde vlakte—het minnelijkst toonbeeld hoe natuur en menschenwerk elkander sieren. Ja, dáár schudt de geest des moeden vreemdelings zijne lasten af, om onbekommerd mee te zingen met de merels in het groen, dat de aarde schoon is, het leven zoet.
In die stemming des avonds binnen de stad teruggekeerd, vond de meester eenen brief van huis. Eenen opgewekten brief, eenen hartelijken brief: eene lieve aansporing om alle zorgen nu toch aan kant te zetten: eene blijde verzekering dat alles wel en goed en vroolijk was.
„Alles wel—goddank! Kellner, eene halve Assmannshauser!—Ha! waar zijt ge nu, vrouw Zorg, met uwe sombere inblazingen!”
Alles wel, ja ja. Alleen—aan het slot schreef toch de moeder—in postscriptum, naar de wijze der vrouwen—dat het kind eene verkoudheid scheen beloopen te hebben, dat het een weinig was gaan hoesten—in 't kort, een van die onbeduidende moederpraatjes, waaraan geen verstandig vader zich zwaar behoeft te laten gelegen liggen.
Nu kunnen zelfs zijne vijanden (hij heeft er, de goede man, want hij bezit een karakter) zelfs zijne vijanden kunnen niet beweren dat meester Claudius geen verstandig vader is. „Een bagatel!” dacht hij. „Welk kind is er niet telkens verkouden? Welke kleine hoest er niet eens?—Wat geduld en wat gomballen——”
En evenwel, als hij onwillekeurig dat naschrift nog eens herlas, verdween zijne luchthartigheid. Want aan zijne zijde—hij voelde 't—had eene donkere gedaante post gevat, en een bleeke vinger wees hem op het papier—hij zag het nu duidelijk: hoe kon 't wezen dat hij het daareven niet had gezien?—een bleeke vinger wees hem op het papier wat er geschreven stond tusschen de regels:
„Geef acht, vader! Er kwamen in onze buurt gevallen van eene besmettelijke ziekte voor. Die verkoudheid, zij zou de voorloopster kunnen wezen van erger. Het kind kan ziek worden. Het kind kan sterven.... Reis niet te vèr weg! Keer liever huiswaarts, vader!....”
„Duivelin!” schreeuwde hij: „kunt ge mij dan zelfs in deze enkele vacantie-dagen uwe boosaardigheid niet sparen?—Het kind is verkouden, zeg ik u: niets anders. Het kind zal morgen weer beter zijn! Gij liegt, vreugdbederfster! gij liegt indien ge anders profeteert!”
De schaduw was verdwenen: de brief stak in des meesters zak. Aan den avonddisch zaten mèt hem gezellige menschen, geurden kostelijke wijnen, dampten smakelijke spijzen;—en toen hij daareven thuiskwam, had hij honger, was hij dorstig, voelde hij zich juist in de luim tot blijmoedig kouten. Maar thans zat de tong hem als gekluisterd, de wijn smaakte hem flauw, het eten zouteloos. Telkens nog hoorde hij den nagalm van die maning: „Het kind kan ziek worden. Het kind kan sterven.”
Bij het slapen gaan zelfs, las hij met gesloten oogen weer de ongeschreven woorden in het naschrift van dien brief: „Reis niet te vèr weg! Keer liever huiswaarts, vader!”
Niettemin trok de meester steeds verder van huis—het einddoel van zijnen tocht steeds nader bij.
„Gegroet, mijn Schwarzwald! Gegroet, o heimathland van mijne dichterziel!” zoo juichte hij;—en zijn hart zong hem als een leeuwerik in de borst, toen hij, met den trouwen knuppel in de vuist, de reistasch over den rug, den weg insloeg van Freiburg op den Schauinsland.
Wáár ook is het verkwikkender dolen, voor eenen die rust verlangt, dan in de dalen en op de bergen van het Zwarte Woud?—Wáár ontsluit de schemering der sparren hem vriendelijker hare geheimenissen? Wáár omvangt hem ongestoorder de heilige stilte, in welke hij geenen toon verneemt dan het ruischen van het geboomte, of eenen zucht wellicht uit zijne eigene ziel—beiden eene taal sprekend welke hij niet verstaan kan? Wáár komt zijn geest den Schepper nader, dan op deze toppen, wanneer hij westwaarts den Rijn ziet blinken in de zonnige diepte, oostwaarts de golvingen van het donkere woudland zich verliezend in het oneindige, en in het zuiden den ganschen Alpenketen, gelijk eene verre witte wolkenbank uitgekarteld aan den gezichteinder?.... Gij bosschen en bergen, gelukkig wie u kent en liefheeft!
Meent men echter dat in dit stille, groene heiligdom vrouw Zorg den wandelaar niet besluipen kan, besluipen en bespringen gelijk een wild gedierte van achter eenen boomstam—dan heeft men de ervaring van meester Claudius niet.
Hij blies uit, de brave man, na den schoonsten dagmarsch, onder den lindeboom vóór zijne landelijke herberg—eene zooals men ze in die dalen nog aantreft, in welke het nieuwerwetsche gerief den ouderwetschen eenvoud nog niet aan de deur zette. Avondvrede zweefde over het landschap; avondvrede huisde in zijn gemoed. Zijn lichaam voelde hij zoo gezond, zijnen geest zoo helder. De herinnering van het gesmaakte natuurgenot wekte hem zoo op; de rust na den forschen uitstap behaagde hem zoo; het pijpje tabak bij den liter frisschen landwijn geurde hem zoo voortreffelijk. Uren in het rond geen vergenoegder sterveling, dan meester Claudius.
Daar komt de dikke kasteleinsvrouw, die hem daareven het hart veroverde met hare forellen en hare eierstruif, hoogrood van aangezicht naar buiten, en reikt hem de Basler Nachrichten.
„Hola, moederlief! die krant moogt ge wel houden. Haal liever uwe gezellige breikous, en kom een uurtje bij mij zitten keuvelen!”.... Doch zij heeft geenen tijd. Het knetterend keukenvuur roept haar tot dringender plichten.
Die Basler Nachrichten!—Wat zal de meester met die Basler Nachrichten?—Hij maalt nu eenmaal niet veel om politiek geschrijf. Zal hij boven de kersen, die het bruine Aennchen hem daar opdraagt, tot nagerecht een bordvol oostersche quaestie verkiezen, of wel eenen schotel redevoeringen van Monsieur Gambetta?—Hij zoo dwaas niet! Weg met die krant!—
Doch toevallig strijkt zijn blik over een telegram uit Nederland,—en in stee van het blad op zij te werpen, grijpt hij het met beide handen, en leest.
Hoe! eene aanzienlijke bank gesprongen. Verscheidene groote handelshuizen in den val meegesleept. Het tuimelen van andere nog te gemoet gezien.... Mijn God! dit is verschrikkelijk!—Meester Claudius hoopt niet voor eenen geldwolf versleten te worden; maar hij werd oud genoeg om teruggekomen te zijn van de stelling, dat een matige welstand ontbeerlijk zou wezen tot huiselijk geluk.... Had hij in die bank geen geld belegd?—Gelukkig, neen; de catastrophe, voor zoover hij kon nagaan, deerde hem persoonlijk niets. Doch waren er geene nabestaanden die door dezen slag konden zijn getroffen?—Hij vreesde van ja. En hij zelf—men wist toch niet wat er nog volgen kon; en wanneer hij zich voorstelde hoe de kleinigheid, die hij bespaarde om de toekomst der zijnen te bezorgen tegen het ergste, hoe die kleinigheid hem eveneens op deze wijze plotseling zou kunnen ontvallen: hoe hij sterven kon, en vrouw en kind dan zouden moeten leven bij de genade: hoe ontzettend voor teedere handen de strijd is om het bestaan, hoe wanhopig het lot van deftige nooddruft, hoe bitter voor deze het brood der dienstbaarheid, hoe meedoogenloos de wereld voor armoede die niet bedelen kan——mijn God!—en hij, die zich de weelde durfde veroorloven van een plezierreisje!—Behoorde hij niet veeleer elken overgewonnen gulden weg te leggen, ter afwering van zúlk eene mogelijkheid? Had hij het recht wel, met zúlk eene kans hangende boven de hoofden zijner geliefden——
„Als meneer de courant gelezen heeft?”—zoo brak eene half strenge, half spottende stem den troebelen loop zijner overpeinzingen af.
Het was schemerdonker geworden. In de vrouw, die hem het blad terugvroeg, herkende hij niet meer de ronde, goedmoedige kasteleinesse—doch haar, zijne eeuwige vervolgster, de dicht gesluierde verschijning in het grauw.
Weer nam de meester zijnen wandelstaf op, en toog hij verder naar het zuiden. Men zag hem te Bazel, te Zürich, te Luzern—nu met vreugdestralen in zijne oogen—dan, plotseling, en zonder merkbare aanleiding, met eene wolk om het voorhoofd.
De zon, onbeneveld boven de kimme rijzende, vond hem op zekeren ochtend gezeten op den top van den Pilatus-berg, rondturende in eenen kring van wat het schoonste land der aarde verhevenst biedt en liefelijkst.
„O Alpen!” riep hij, „groote Alpen! moogt gij ten minste, terwijl uwe majesteit ons omringt, ons wat kracht inboezemen, wat moed en wat vertrouwen! Moogt gij ons doen beseffen, bij den aanblik uwer ontzaglijkheid, hoe nietig zij zijn, onze grieven en nooden en zorgen hier beneden!”—
En alweder—hoe zijn geest zich baadde in verrukking, hoe hij al het andere met macht van zich poogde af te weren—alweder bespeurde hij de nabijheid van het grauwe wezen. Want in hem woelde de herinnering, hoe hij eenmaal hier niet alléén verwijlde: hoe hij vóór jaren op deze zelfde hoogte zat met haar—toen zijne bruid, thans zijne gade—en die hij ditmaal te huis liet blijven.
„Heugt het u nog”, zoo fluisterde over zijnen schouder heen de stem, „hoe gelukkig gij toen waart, hoe krachtig en hoe hoopvol? Hoe dik en bruin uwe haren nog waren, hoe stout en weelderig uwe illusiën?—Uwe haren, mijn vriend, waar zijn zij gebleven? Uwe illusiën, waar vlogen zij heen? Verstoven en verspat, niet waar? gelijk afgevallen bladers, gelijk opgeblazen zeepbellen—verstoven en verspat!”
De meester kon het niet ontkennen. Hij knikte weemoedig met het hoofd, en streek zich met de hand over den schedel, op welken het ochtendkoeltje vergeefs naar lokken zocht om mee te stoeien.
„Heugt het u ook nog”, hernam de stem, „hoe warm uw hart toen klopte voor het leven, voor de wereld, voor het menschdom? Hoe gij zoo onwankelbaar nog vertrouwdet op den triomf der gerechtigheid, zoo bergvast nog geloofdet aan de eindelijke verwezenlijking van het ideale hier beneden?.... Mijn vriend, er liggen vele blanke en gladde steenen aan uwen voet. Zoudt ge mij op eenen dezer kunnen neerschrijven wat er tháns nog onwankelbaar staat in uw vertrouwen, en bergvast in uw geloof?”
Een smartelijk lachje gleed om des meesters mond. Hij tastte onwillekeurig in de losse kiezels:—de kleinste, helaas, docht hem tot het neerschrijven van zijn credo groot genoeg.
„En”, vervolgde de stem weer—„hoe zit gij thans hier zoo alléén? Waarom is zij thans niet bij u, die toen zoo dicht aan uwe zijde was?—Eilieve, mijn vriend, hoe is dit?—Gij, die destijds geen genoegen kendet zònder haar, gij kunt u thans zoo week op week alléén gaan vermaken?—Begint uw hart ook van haar zich los te winden?—Begint de liefde uwer jeugd den weg te volgen van de geestdrift, de phantasie, de milde opwellingen uwer jeugd—zoodat gij straks, twijfelmoedig voor God, bitter jegens de wereld, zelfs in uwe eigene huiskamer geenen boezem meer vindt om uw hoofd er aan te vlijen?—Man! indien het zóó met u worden moest: indien gij u allengs eenzamer gingt opsluiten in uwe zelfzucht: indien de moeiten om het bestaan, de krenkingen des levens, de kwalen des lichaams en de gemelijkheid van den ouderdom zóó uwen geest verlammen, uw gemoed verstompen, uw hart verkalken moesten, dat gij noch tot arbeid, noch tot liefde, noch tot éénige zelfopóffering meer bekwaam wezen zoudt——zeg, man, ware het dan niet beter voor u——de gelegenheid is schoon—de afgrond hier is diep——en wat betreft de droefenis der achterblijvenden over uw verlies——bah! een oude egoïst meer of minder....”
Neen! bij den Hemel!—dit ging nu toch te ver!.... De meester springt verwoed overeind. Hij grijpt om zich heen. Hij wil het spooksel zelf in de diepte storten.... Vergeefs! In ijle lucht stoot zijne vuist.
Na deze vreeselijke ontmoeting heeft meester Claudius op zijne reis geenen overlast meer gehad van de grauwe vrouw. Hij keerde trouwens al spoedig daarna huiswaarts.
Eerst bij zijne aankomst te Rotterdam zag hij haar weer, toen hij uit den wagen stapte. Onopgemerkt was zij bij zijn heengaan achter hem er in geslopen; onopgemerkt (behalve door hemzelven) sloop zij bij zijne terugkomst achter hem er uit.
„Verwenschte!” wilde hij haar toeroepen.
Doch de kussen van vrouw en dochterken sloten hem den mond.
En de stem der grauwe, thans met iets moederlijk zachts in hare trilling, lispelde hem in het oor:
„Kom, scheld mij niet! Voor al de schatten ter wereld zoudt ge mij toch niet willen missen. Want zie!—zonder dézen, die u zoo lief zijn, zoudt ge mij niet hebben—maar zonder mij ook niet dézen!”
De Paraplu van den Kapelaan.
Inhoudsopgave
Sancta, sancta simplicitas!
„En mocht het gaan regenen”—zei de hupsche juffrouw in de Stern und Post te Amsteg, aan wier disch wij ons verzadigd hadden met gebakkene forellen—„mocht het regenen gaan, dan zal de kapelaan van Bristen u wel eene paraplu leenen.”
Nu, dat zou heel vriendelijk wezen van dien heer. Of dát ook een goed Christen moest zijn, die daar maar parapluen gereed had staan voor den eersten den besten voorbijtrekker!—Toch dachten wij geen gebruik te maken van des kapelaans leenvaardigheid: want het zwerk, in den vóórmiddag druilig, stond helder boven de bergen als een lachend meisjesoog; en zoo wij op reis iets verfoeielijk vinden, dan is het, na regen zonder regenscherm, een regenscherm zonder regen. Wat echter den kapelaan zelven betrof, het was ons stellige voornemen niet heen te gaan van voor 's mans aangezicht, dan na zijne woning te zijn binnengetreden. Wij hadden namelijk, in ons reisboek de noodige aanwijzingen garende voor dezen onzen uitstap in het Maderaner-dal, den wenk gelezen—gelezen en onuitwischbaar in onze heugenis gegrift: „Dorf Bristen, Erfrischungen beim Kaplan.”
Erfrischungen!—Het woord op zichzelf reeds oefent eene onbeschrijfelijke bekoring, wanneer men op eenen zomerschen namiddag eenen klim van een duizend voet of wat voor den boeg heeft;—in den klank al is iets ververschends, iets dat den moeden wandelaar met versche kracht de punt van den alpenstok doet drillen tusschen de steenen op zijn hobbelig pad. Maar dan—zelfs den dorstige is het niet onverschillig wèlke hand den lavenden beker hem langt—althans nadat hij gedronken heeft.
Ververschingen alzoo—beim Kaplan..... Dit luidde toch ietwat bedenkelijk. Zou hij ze tappen uit een wereldlijk, dan uit een geestelijk vat? En zoo het eerste—zou de wijn niet naar wierook rieken, het bier niet bitter zijn gemaakt met tinctura theologica in stee van hop?—En zou hij er geld voor vragen? Of verstrekte hij ze wellicht, de goede Samaritaan, als eene godsgave, uit louter christelijke milddadigheid, dengenen die er naar smachtten?—Iemand die grootheid van ziel genoeg bezat om zijne parapluen uit te leenen aan vreemdelingen, zóó iemand kon licht de onbaatzuchtigheid nog eene spanne verder strekken, en zijnen wijn uitgieten pro Deo.
Het een bij het ander—deze hoeder van zielen en laver van lichamen boezemde ons eene zeer levendige belangstelling in, niet minder haast dan de Hüfi-gletscher, de Stäuber-val en de overige merkwaardigheden van dit pronkstuk der Alpen-dalen. Het stond dus vast, dat wij ons door hem zouden laten ververschen.
Van Amsteg naar Bristen is een half uur klimmens langs een van die Zwitsersche kronkelpaden, die voorzeker (indien een breede en gemakkelijke weg geacht moet worden ten verderve te leiden) smal en steil en steenig genoeg zijn om uit te loopen op het koninkrijk der hemelen.
Wij zullen goed de helft van den afstand achter den rug hebben gehad, toen wij vóór ons uit eene menschelijke gedaante zagen heenstappen, met dien uiterst langzamen maar gestadigen tred, die den log geschoeiden Zwitser in staat stelt veel sneller eenen berg te beklimmen, dan Monsieur Volauvent van het Brusselsche ballet, vlugvoetigste aller menschen,—den tred, met andere woorden, waarmee de schildpad eens den wedloop won van den haas. Inderdaad, van eene schildpad had de figuur daar vóór ons wel een weinig. Het ronde lichaam, het dicht op de schouders gedrongene hoofd, de korte, dikke, wijd uit elkander staande beenen—dan, bij wijze van staartstompje, de onder den zoom van het opperkleed uitwippende punt van eene reusachtige paraplu——
Maar is het waar, schildpadden ontmoet men niet in de eedgenootschappelijke cantons—Roomsche paters des te menigvuldiger. En deze mensch—er was geen twijfel aan—deze dikke mensch droeg op zijne schouderen de uniform van de Alleenzaligmakende. Kon hij het wezen, temet—de ververscher?
Hij zette zich op eenen steen, ontdeed zich van zijnen hoed, haalde eenen rooden zakdoek te voorschijn, en begon zich daarmede naarstiglijk het blakende bolle aanschijn af te vegen. Onder die bedrijven hadden wij hem spoedig ingehaald, en den avondgroet met hem gewisseld. Want in de Alpen groet men elkander, ook al heeft men nooit eenen stuiver aan elkaar verdiend. O deugd en vreugde van het reizen! Menschen uit de vier hoeken van Europa, lieden die nooit tevoren elkaar gezien hebben, en nooit daarna elkaar zullen wederzien, zij wenschen elkander eenen frisschen morgen of eenen vroolijken avond toe bij het ontmoeten tusschen de bergen en de sparren—zoo gul en hartelijk alsof zij, zoowaar, het plaatsje aan de tafel des levens, het teugje koele lucht en het sprankje zonneschijn elkander niet misgunden!
„Abend, Abend, meine Herrschaften!” hijgde de vleeschklomp op den steenklomp, nog altoos druk met den rooden zakdoek in de weer. Deze zoon der bergen scheen het klimmen toch ontwassen—òf wel, hij had dien namiddag bij eenen boer te veel zuren room gegeten. „Melkkost maakt de knieën slap!” placht onze Lauterbrunner gids te zeggen: „Wenn ich Engländer führe, die Berge springen wollen, so lass ich se Milch trinchen. Dann springen se bald nich mehr!”—
„Zijn wij”, zoo vroegen we, „zijn wij, o weleerwaarde, van Bristen nog ver?—van den kapelaan?”
Wij stieten elkander in de ribben: want dit was eene strikvraag. Maar de vetzak liep er zoo gauw niet in!—De wrijvende roode zakdoek hield rust op de tonsuur; een guitig licht vonkte in de kleine bruine oogen, over welke de borstelige wenkbrauwen zich samentrokken; de machtige onderkin zwol tot eenen krop, en de breede, vleezige lippen snoerden zich bijeen alsof zij een staatsgeheim te bewaren hadden.
„Wel”, riep hij: „van hier tot Bristen is nog eene minuut of tien. En van hier tot den kapelaan—”
„Nog een tien minuten!”
„Poeh, poeh, mijn zoon! Het lijkt er niet naar!—Van hier tot den kapelaan——Maar zegt me eens: wat willen de heeren eigenlijk van den kapelaan?”
„Drinken, paterlief, drinken! Wij zijn als sponzen zoo dorstig. Voor elken droppel dien hij ons schenkt, zullen wij hem zeven jaren levens toebidden!”
„Misericordia! verschoont hem! Wat zou hij dan nog lang op het Paradijs moeten wachten, de arme zondaar!... Maar laat mij eens zien. Van hier tot den kapelaan—dat kan ik u heel precies vertellen.”—Hij nam zijne paraplu, drukte den knop tegen mijne maagstreek, zichzelven de punt tegen zijne knieschijf, deed als las hij op den stok eene maat af, en riep met groote stem: „Also! Van hier tot den heer kapelaan van Bristen—op den kop af, drie voet negen!”—Tegelijk werd er in het diepste van zijnen breeden buik eene schudding merkbaar, die, een geweldig aardbeven gelijk, zich allengs verspreidde over zijn geheele lichaam. Hij lachte, dat de tranen twee stortbeekjes vormden langs zijne koonen.
Wij van onzen kant veinsden natuurlijk de grootst mogelijke verrassing, alsof er in ons niet het flauwste vermoeden gerezen ware van 's mans éénzelfheid met den bewusten dranktapper in Baedeker.
„Is het mogelijk? En zijt u het waarlijk zelf?—de kapelaan van de erfrischungen?”
„Freili, Freili!” schaterde hij: „Ik ben het zelf, en niemand anders dan ik. Kijk! Ginds ziet ge het torentje van mijne kerk; en vlak daarbij den rook die uit mijnen schoorsteen waait. Mijne goede Barbara bakt pannekoeken, denk ik!”—
Eene minuut later schreden wij met ons drieën, een vóór en een achter den ouden heer, verder langs het pad omhoog. Het geleek eenen Rigi-trein, met de locomotief in het midden—zóó blies en stoomde onze zwaarlijvige metgezel. Een paar malen nog moest hij stilstaan om lucht te happen. Wij verkwikten hem dan met eau de Cologne, hetwelk hij gretig opsnoof, en waarvan zijne poriën groote hoeveelheden schenen in te slorpen. Eindelijk werd het pad effen, en wij stonden in de schaduw van een paar zware noteboomen, voor eene bruin berookte houten woning, op wier vensterkozijnen eene verzameling bergkristallen lag te flonkeren in het licht dat door de bladers brak.
„Barbara! Barbara!” schreeuwde onze makker door het openstaande raam: „Hier breng ik je twee heerschappen mee, die het op je rooden Veltliner gemunt hebben!—Barbara, hé toch!”
Terstond kwam er uit het venster een lachend vrouwehoofd voor den dag, niet mooi, niet jong, maar rond en blozend als een wijnappel. Dit hoofd liet, al grinnikend en knikkend, een paar rijen tanden zien, op welke een hofdentist had kunnen verlieven, en een stel oogen, die glinsterden als de stukken rooktoopaas waarover de eigenares zich heenboog.
Wij traden, door den pater vóórgegaan, in een als gelagkamer ingericht vertrek, kraakhelder, en behaaglijk opgesmukt met eene keur van snuisterijen. Voorwerpen uit de drie rijken der natuur groepeerden zich tegen de wanden rondom de zeer welvarend uitziende portretten van ettelijke martelaren en evangelisten. Hier—terwijl Paus Pius en Paus Leo welwillend op ons nederblikten—stelde zijn weleerwaarde ons formeel aan het blakende vrouwegezicht voor:—
„Twee dorstige vreemdelingen, zuster Barbertje!—Mijne heeren, ziethier mijne zuster Barbara. Aanschouwt in haar de meesteresse van dit huis.”
„Maar broeder!” riep de zus, dieper rood nog garend in hare koonen.
„Tut tut—zóó is het!—Meine Herrschaften, indien het u wezenlijk ernst is met uwe begeerte naar ons nederig tapsel, tracht u dan met dit vrouwentimmer te verstaan. De kapelaan staat wel in het boek; maar de eigenlijke domina hier, is Signorina Barbara.”
Ondertusschen had het vrouwentimmer in quaestie fluks de glazen al voor ons volgeschonken. De kapelaan dronk mee als een bisschop. Ook Barbara stak af en toe haren vergenoegden wipneus in eenen kelk. Er werd gevraagd van waar en waar heen; voor eene tweede maal werden de halve liters gevuld; men praatte en smookte en klonk; de wrange Veltliner gleed er in als Château Lafitte——tot opeens het verdwijnen van de zon achter den westelijken bergzadel ons herinnerde dat de klok niet stilgestaan had middelerwijl.
„Vrienden”, zei de dikke man: „ik wil u niet wegjagen; maar als ge vóór het donker het logement nog halen wilt, dan wordt het uw tijd. Ge hebt nog volle derdehalf uur voor het mes; en de wandeling is te schoon om zoo te draven.”
Wij namen afscheid—tot wederziens, daar wij langs denzelfden weg terug zouden keeren. Reeds waren wij de deur uit, den trap af. Daar riep ons de kapelaan weerom:
„Sanct Rochus! dat ik het vergeten zou!.... Ich bitte—nehmen Sie doch einen Schirm mit!”....
Dit was te veel voor onzen lachlust:—„Een regenscherm?—Maar beste heer, waartoe dit? Er drijft geen wolkje aan het uitspansel!”
„Toch, toch!” maande hij. „Laat u raden! Het weerglas zakt!”
„Maar weleerwaarde! Het firmament is als metaal!”
„Neemt er een mee!” hernam de brave oude, die al ernstiger werd hoe meer wij lachten: „Men kan niet weten! Niemand gaat van hier ooit naar boven zonder paraplu!.... Barbara! Barbara! einen Schirm!.... Wat? Zijn ze alle uitgeleend?—Dan de mijne maar, de groote groene!.... Mijne heeren, het is mijn lijfstuk. Maar gij zult wel goed op hem passen, niet waar?—Denkt er om—misschien brengt hij u nog geluk aan!”—
Het baatte niet of wij al afsloegen; de man drong aan: het scheen of hij zou meenen zijne roeping op aarde gemist te hebben, wanneer hij niet al zijne parapluen voortdurend in actieven dienst hield tusschen Bristen en het hotel Zum Alpenklub. Zoo dan, om hem niet te grieven, en daar Barbara al met het bedoelde instrument naar buiten kwam geloopen, liet ik het mij geduldig op den nek laden. Nu eerst ook blonk er grenzenloos welbehagen op des paters aangezicht, als stond hij op het punt zichzelven de handen op te leggen, zeggende: „Ga slapen in vrede nu, dienstknecht des Heeren! Wèl besteed was wederom deze dag uws levens!”
„Valete!” schreeuwde hij ons na: „Auf Wiedersehen!”
Of die laatste uitroep het meest óns gold, dan wel zijn regenscherm—ik durf het niet beslissen.
Voorbij het kerkje van Bristen opent zich opwaarts het dal. Hoe meer gij de met sparrewoud bewassene steilte nadert, op welke het vriendelijke berghotel al heel van verre u toewenkt, des te heerlijker ontvouwt het Alpenlandschap u zijne pracht. Stouter en toorniger worden de sprongen van den Karstelenbach, het wilde kind der gletschers. Gij stapt heen over de achterblijfselen van een paar lawinen, die langs kaalgereten hellingen neerdonderden over het pad—vreeselijke bajerts van afgeknapte boomstronken en meegesleurde rotsbrokken en grauwbestoven sneeuw. De lucht wordt koeler, de adem der ijsvelden beroert u van nabij—long-verruimend, pees-versterkend, oog-verhelderend. En terwijl gij stadig stijgt, treedt sneeuwtop bij sneeuwtop in glanzende majesteit te voorschijn.
Eén punt is er aan den weg, waar gij niet laten zult te toeven, hoe groot ook uwe haast naar het avondmaal. Het is bij Lungenstutz, eene kleine buurtschap van zeven hutten, met zevenmaal zeven kinderen. Eene plotselinge golving van het pad gunt u hier een onbelemmerd uitzicht naar alle kanten: dal-opwaarts en dal-afwaarts, op de bergketenen naar noord en zuid en oost en west. Hier kunt gij nederzitten, en luisteren naar het geraas van den bergstroom, die, honderd vaam beneden u, in eene duistere kolk geschoten is, waar hij woelt en knaagt aan de fundamenten der gesteenten. Hier speurt gij, diep in het hart der vallei, blanke draden, die schijnen neer te fladderen van eenen machtigen rotswand,—watervallen, wier tuimelen morgen, als gij ze nadert, u met ontzetting vervullen zal. Hier kunt gij rondturen, en de bergen begroeten, één voor één. Déze daar, aan uwe rechterhand, is de geweldige Piz Tgietschen, koning der groep; naast hem de spitse Düssistock—het breede Scheerhorn—de phantastisch gekartelde Rüchen, met zijne tweeling-piek de Windgälle—ver in het westen de witte tinnen van de Spannörter—en als sluitstuk van den diadeem, de koen ten hemel zich spitsende pyramide van den Bristenstock. Zij staan in eenen kring, om uwe hulde te ontvangen. Donkere, dreigende gevaarten, op wier kruinen, met ijs gehelmd, het avondrood de wachtvuren ontsteekt van den nacht.
En als gij eene pooslang zoo rondgeblikt hebt, dan is er alle kans, dat gij allengs u omringd ziet van eenen tweeden kring—enger en minder verheven, maar in zijne soort niet minder schilderachtig dan de krans der Alpen. Ik bedoel, dat de zevenmaal zeven kinderen uit de zeven hutten van de buurtschap Lungenstutz zich om u heengeschaard zullen hebben, ten einde met smeekende oogen en onverstaanbare woorden u te bewegen tot het inruilen van hunne splintertjes bergkristal tegen koperen pasmunt...... Eilieve, laat u dit niet verdrieten. Deze barrevoetertjes kunnen van natuurschoon niet snoepen; een krentekoek ware hun op het oogenblik liever dan een heel gebergte; en al acht gij in theorie het bedelen nóg zoo verderfelijk, gij kunt heden in geene stemming wezen tot het toepassen van de economisch-philanthropische beginselen, die gij tehuis zoo gestrengelijk in practijk brengt. In uwen zak gegrepen dus! Met eene enkele handvol duiten maakt gij hier negen-en-veertig gelukkigen.
Hervat dan uwe mijmering. Zie toe, hoe de gloed op de hoogten verflauwt, verbleekt, vergrauwt; hoe uit het dal de duisternis opwaarts sluipt door de wouden, die roerloos staan, als scharen pelgrims bij het tingelen van de vesper-klok; hoe aan den hemel, boven de bleeke, kille velden der eeuwige sneeuw, de sterren ontstoken worden——en ginds in het hotel Zum Alpenklub, in de warme, gezellige eetzaal, de lampen boven den disch die u weldra spijzen zal.... Gelukkige, sta op! Den gletschers zegt gij thans vaarwel; de welberechte tafel heet gij welkom. Wat ware gindsche goede herberg zonder de Alpen? Wat waren de Alpen zonder gindsche goede herberg?—In dit harmonisch samentreffen van het verhevene en het geriefelijke ligt het geheim der hoogste aardsche vreugde. U van het eene tot het andere te kunnen wenden, naar de geest u roept of het lichaam u noodigt, afwisselend u een Manfred te voelen en een mensch van vleesch en beenderen—dit is waar genot.
Gij dan, zoo wanneer gij het gesmaakt zult hebben—ik bid u, bewaar de heugenis er van trouw en zuiver in uw binnenste. Zonnestralen kunt gij niet opbottelen en huiswaarts dragen; zonnige beelden des te beter. Gij kunt u er aan te goed doen in uren van motregen en bedruktheid, wanneer het u een troost zal zijn, uit de diepste diepten van Schieland's polders te mogen uitroepen: „Auch ich war in Arkadien!”
Twee dagen hadden wij in het Maderaner-dal het schoonste weder. Doch bij ons derde ontwaken zagen wij dat er in den nacht op de bergen versche sneeuw gevallen was—een vrij stellig voorteeken van eene naderende storing in den dampkring. Inderdaad woei er reeds uit het westen een sterke wind, die verdachte flarden van wolken voor zich henenjoeg. Wij maakten nog eene flinke ochtend-wandeling, gebruikten het middagmaal, en gunden ons, vóór wij den terugtocht naar Amsteg aanvaardden, eene eerlijk verdiende siesta. Het liep dus al tegen den avond, toen wij der moederlijke kasteleinesse de hand drukten tot afscheid, en onze schreden dal-afwaarts richtten, met de reistasschen, de alpenstokken en de paraplu van den heer kapelaan ganz ordentlich beladen.
Deze paraplu, daar zij aan mijn verhaal den titel gaf, dien ik wel met eenige nauwkeurigheid te beschrijven. Zij behoorde tot dat vóórwereldlijke genus, dat weldra in de zee der evolutie spoorloos zal zijn ondergegaan, doch waarvan, hier en daar in Europa, zeer enkele individuen nog op de golven zijn zwalkende gebleven. Haar stok was dik genoeg voor eenen bezemsteel; hare taats geleek den spriet van eene brandspuit; en haar baleinen rif moet Leviathan half zijn gebit gekost hebben. Een ring van koper hield met moeite de zwellende plooien van haar grasgroen bekleedsel in bedwang. Haar knop eindelijk (eene grillige afwijking van den klassieken hoornen haak) bestond uit een houten kruis, met eenen ruw gesneden doodskop in het midden, wiens grijnzend gebit was samengesteld uit de letters van memento mori, en wiens oogholten opgevuld waren met een paar goed geslepene kristallen van groenachtig rood vloeispaath. Schoof men haar open, dan ontwikkelde zij zich tot den omvang eener niet al te bekrompene legertent, omwelvende het hemeldak van kimme tot kimme. Haar gewicht durf ik niet begrooten. Genoeg, dat men haar het schikkelijkst torste van schouder op schouder, gelijk Israël's verspieders den dikken druiventros uit den lande Kanaän.
Hadden wij tijdens de heenreis onder dit antediluviaansche gedrocht nutteloos gezweet—thans, op den terugmarsch, kwam het ons onschatbaar te stade. Want wij waren nog geen kwartier gaans van het logement, of de wind ging liggen, de wolken pakten zich samen, en een kille regen ving aan ons te besproeien—sempre crescendo.
Niet ontzettender is het verschil tusschen Elyseum en Tartarus, dan tusschen een Alpendal bij zonneschijn en een Alpendal bij regen. De schoone bergen verzwolgen door den nevel; elke boom, die zoo gezegende schaduw spreidde, verkeerd in eene stortmachine; het gisteren zoo steenharde pad veranderd in eene glibberige baan van bodemlooze modder. Glibberige paden (wij weten het uit de zedekunde) voeren lichtelijk ten val, inzonderheid wanneer zij afwaarts hellen; en in modderige banen laat menige zondaar het heil van zijne ziel, menige wandelaar de zolen van zijne schoenen steken.
Wij riepen Sinte Margriet aan, belovende haar een pak stearine-kaarsen op den 20sten der maand Juli. Vergeefs!—De helleveeg plaste er op los als eene Hollandsche schoonmaakster—makende, gelijk deze, meer vuilnis dan schoonheid met haar flodderen. De lucht werd al grauwer; ras daalde de schemering; in de verte begon onheilspellend de donder te grommen.
Het kwam dus aan op goeden moed, eenen stevigen voetstap en eenen sterken arm; den laatste, om de paraplu in positie te houden, die, door het hemelwater verzadigd, mij op den schouder woog als onze moeder de Aarde op den armen Atlas. Toch, aan de duurgekochte beschutting van dit monster was het te danken, dat wij althans ons bovenlijf nog droog voelden toen wij te Bristen aanklopten bij den kapelaan—juist terwijl een felle bliksemstraal ons de oogen verbijsterde.
„Alle heiligen!” gilde Barbara, die ons de deur opende.
Hierop volgde de donderslag; en daarna de zware stem van den heer des huizes:
„Aha, meine Herrschaften! so isch es recht!—Nun, hat sich mein alter Schirm nicht treu erwiesen? Firmus et fortiter?”
„Der Schirm, Herr Kaplan, hat seine Schuldigkeit gethan!”
Barbara en de pater wilden niet dat wij verder trokken dien avond. Het was wel geene herberg bij hen; maar door zulk noodweer in het donker twee vreemdelingen den berg af te laten gaan, zóó hondsch waren zij niet. Als wij ons dus behelpen wilden met een kermisbed in de gelagkamer——
Nu, wat ons betreft, niets liever. Want, vooreerst, hadden wij èn van den plasregen èn van de paraplu volop onze bekomst. En verder beloofden wij ons van eenen avond met den kapelaan wonderen van gezelligheid. Wie zou niet gaarne de verveling van een logement verruild hebben voor wat kout met eenen minzamen gastheer? en het ploeteren door regen en modder voor een lekker houtvuur, een paar pantoffels, eene sigaar en een keteltje warmen kruidenwijn?
Onder het genot van deze goede dingen waren wij recht spoedig aan het praten geraakt. Of liever, de kapelaan praatte zoo tamelijk alleen en voor ons allen—en dit tot ons innig vermaak. Vertellen is iedermans zaak niet! Daarom, loopt gij er zoo eenen tegen het lijf, die de kunst verstaat, houd dan gerust uwen eigen mond gesloten, en wijd geopend uwe ooren.
Hij sprak over zijne parochie; over enkele wonderlijke gebruiken onder zijne gemeentenaren; over de bezoeken die hij had af te leggen in hutten hoog op den berg; over het harde leven en de ontberingen van die arme sennen; over den korten zomer, den langen, langen winter hier in het hoogdal.
Barbara luisterde naar dit alles alsof zij het voor 't eerst van haar leven hoorde. Zij lachte om al zijne kwinkslagen; zij knikte toestemmend of bewonderend bij elke zijner opmerkingen. Hij moest een goede broeder voor haar wezen, gelijk hij blijkbaar een goede herder was voor zijn kuddeken—eenvoudig, trouw, vol goeden moed: de geestverwant, meer nog dan de leeraar van dit natuurvolk: een die het kende en begreep: kortom, een schaap onder de schapen—maar met dit al niet schaperig.
Het éénige wat hem klagen deed, was zijne corpulentie. Hij jammerde over de zweetdroppelen en de aamechtigheid die het klauteren hem kostte—hem, in vroeger jaren zoo rap ter been.
„Ach ja!” zuchtte hij: „Vroeger ging Mohammed naar den berg; tegenwoordig zou de berg wel naar Mohammed mogen komen: want de profeet is zelf een berg geworden—mons super montem!..... Maar niet altoos had ik aan mijzelven zoo'n vracht te dragen. Neen, neen! er was een tijd, dat geen mij voorbijliep!” En met trots toonde hij ons de zeldzame bloemen en insecten, en de fraaie kristallen, die hij op de moeilijkst genaakbare pieken in den omtrek gezameld had:—
„Edelweiss van den Tödi: ongemeen groote bloemen. Ik moest, om ze te plukken, tegen eenen steilen en gladden rotswand een voet of twintig omhoog klimmen.—Hier is dubbelspaath van den Bristenstock. Legt men het op een beschreven stuk papier, dan is het precies of men eene rekening ziet van sommige heeren kasteleins!—En bekijkt mij eens dit brok rooktoopaas met colophiet! Ik groef het uit eene holte boven op den Düssistock. Wèl wonder, dat ik dáárbij niet den nek gebroken heb; want het uitstek, waarop ik mij gewaagd had, waggelde onder mijnen voet, en duidelijk hoorde ik in den steen de kabouterlui hameren en beitelen.”
„En als ge nu eens, broeder Rochus”—viel Barbara in, terwijl zij de handen zich over de borst vouwde—„als ge nu bij die strapatzen eens om het leven gekomen waart?”—
„Wel,” antwoordde hij—„dan zou mijne zuster Barbertje misschien alle dagen voor eenen deken een vet hoen hebben mogen braden, in plaats van eene droge metworst voor eenen armen berg-kapelaan!.... Maar de kobolden behoefde ik toch niet te vreezen, zuster! Want ik had altoos mijne paraplu met het heilige kruis bij me.”
„Is het mogelijk!” kon ik niet nalaten uit te roepen. „Toch niet dat vervaarlijke groene ongedierte?”——
Een oogenblik scheen het of mijn ondankbare uitval tegen zijn eigendom hem de wenkbrauwen deed samentrekken. Doch de plooi verdween: hij glimlachte diepzinnig, en sprak:
„Dezelfde, mijn zoon! dezelfde.——Weet wèl, dat een sterveling hier beneden geene trouwere levensgezellin kan hebben, dan eene stevige paraplu.”
Barbara protesteerde. Maar hij ging voort:
„Eene stevige paraplu is onder de meubelen wat de pillen van Holloway zijn onder de remediën: nooit te onpas, altoos nuttig. Gij schuift haar open—zie! daar wandelt gij onder een dak, beschut tegen regen, tegen wind, tegen zonnesteken, alsmede tegen de dingen die de vogelen des hemels soms laten nederdalen op des menschen zondig hoofd. Gij vouwt haar dicht—en zij is u een hoofdkussen wanneer gij languit liggen wilt in de schaduw; zij is u een staf, een wapen, en tevens een vredeteeken in uwe hand: want nooit nog heeft een mensch met eene paraplu onder den arm de oorlogsfakkel doen ontvlammen waar hij kwam. Ten overvloede heeft zij boven mannelijk gezelschap dit voor, dat zij u niet de veldflesch helpt ledigen; en boven vrouwelijk, dat zij niet kijft en kakelt langs den weg.”
„Foei, broeder, foei!” riep Barbara: „Gij, anders zoo galant!”—
Weer observeerden wij met bezorgdheid die heftige schudding in den zetel van des paters nieren. Toen hij uitgelachen en zich de oogen afgedroogd had, vervolgde hij:
„Zóóveel over de waarde van parapluen in het algemeen. Wat nu in het bijzonder die paraplu betreft—die groote groene, mijn lijfstuk, met het kruis en den doodskop—zij is mij méér geweest dan een getrouw wandelmakker. Zij redde mij eens...... Maar kom! dát wil ik u vertellen.... Zuster, zorg dat de bodem niet uit je ketel smelt!”
Barbara goot nieuwen wijn bij, nam hare breikous, en zette zich mee tot toehooren—enkel aandacht voor eene geschiedenis, die zij stellig zoo vlot van buiten moest kennen als haar Ave.
„Gij zijt,” zoo begon de pater, „van Andermatt over de nieuwe Duivelsbrug gekomen. Ik noem haar de nieuwe, omdat ik haren eersten steen heb zien leggen, in het jaar '30, en omdat het mij dus nog heel goed heugt hoe die oude alléén de bedding van de Reuss overspande.
„Een trotsch bouwstuk, die nieuwe brug. Maar de oude was toch veel merkwaardiger; en ik houd het er voor, dat zij de nieuwe nog lang overleven zal. Want wat kan er in duurzaamheid halen bij het metselwerk van——gij weet wien ik bedoel!”—
Barbara sloeg een kruis.
„Ik behoef u zeker niet te herinneren op wat wijze het met die oude brug eigenlijk geschapen stond. Hoe de Bewuste haar bouwde, onder beding, dat de eerste die er over heenging hem toebehooren zou; hoe hij in éénen nacht het werk voltooid had; hoe hij 's ochtends vroeg post vatte aan de ééne zijde, om zijne prooi te bespringen; hoe de slimme mannen van Uri toen van de andere zijde eenen grooten zwarten bok loslieten, die terstond zijnen hoogvereerden vriend en meester in de armen huppelde; en hoe Zijne Helsche Majesteit, verwoed over dit bedrog, den bok in vier stukken scheurde, en, wrake zwerend, in den grond verzonk.
„Wel, de mannen van Uri meenden dit nu al eens bijster leep te hebben aangelegd!—Maar wacht even! Wie het lest lacht, die lacht het best! De Vorst der Duisternis laat zoo maar niet met zich sollen!—Der Teufel isch kein Kühbub!—Ik verklaar u, hij heeft zijne schade ingehaald, dubbel en dwars. Want jaarlijks nog in den nacht van den 29sten Augustus, den nacht van den bouw, houdt hij wacht op de oude brug—en wie haar het eerst na klokke twaalf overschrijdt, die is zijn..... Nú, sedert de nieuwe brug er is, wacht hij vergeefs. Doch vóór het jaar '30 is er menige argelooze ziel op die manier hem in de klauwen geloopen!”—
„Brr!” prevelde Barbara—„de wurmen!—En wat deed hij met hen?”
„In zijnen zwavelpoel stopte hij ze, waar weenen is en knersing der tanden.”
„Voor eeuwig en eeuwig?”—
„Zuster Barbara, dat is veel gevraagd. De Madonna is rijk aan genade; en veel vermag op dit stuk de voorspraak van Sint Rochus, mijnen patroon.... Maar laat mij voortgaan, zuster! laat mij voortgaan.
„In het jaar '40 had ik de priesterwijding ontvangen; en in afwachting van eene plaatsing, woonde ik ten huize van mijnen oom, den kanunnik te Andermatt. Ik was toen een krachtige, twintigjarige borst, in mijn hart eigenlijk meer roeping voelende voor het jagersbedrijf dan voor het herdersambt. Ook spookte er—ik mag het nú wel bekennen—in mijn binnenste een duiveltje van vrijdenkerij. Aan God en de sacramenten geloofde ik van harte, aan de Heiligen maar half, aan den Duivel in het geheel niet. En ware ik naar mijn zondig gemoed te werk gegaan, dan zou ik veel liever geknield hebben voor eene boerendeerne van melk en bloed, dan voor het houten beeld van Onze Lieve Vrouwe.”—
„Broeder! zwijg toch!” riep Barbara, met eene allervermakelijkste uitdrukking van schrik en verbazing op haar gelaat: „Zwijg toch! Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken!”—
„Barbertjelief”, hernam hij vaderlijk: „ééns moet de waarheid aan het licht. Wij allen zijn zwakke stervelingen. En wat mij betreft—ik ben nu oud genoeg om te mogen bekennen dat ik eenmaal jong was!—Sint Rochus zij geloofd! het is spoedig genoeg anders met mij geworden!”
Hij liet de onderlip hangen, keek droevig naar zijnen paffen buik, zuchtte, dronk met ééne teug zijn glas leeg, en vervolgde:
„Op eenen namiddag, in het laatst van Augustus, belastte mijn oom, die wegens ongesteldheid zijne kamer moest houden, mij met het overbrengen van een vertrouwelijk schrijven aan zijnen confrater, den pastoor te Wasen. Die boodschap was mij welkom: want de weleerwaarde heer Feierabend was een blijmoedig man, die hoog in eere hield wat koning Salomo geschreven heeft over den wijn. Vol lust ging ik dus op marsch, met mijne groene paraplu—die daar, een erfstuk van mijnen braven oom—onder den arm, en onder mijne soutane verborgen mijn zijden vlindernetje. Want daar ik niet jagen mocht op gemzen, zoo moesten de kapellen en kevers het misgelden.
„Ik viel bij den heer pastoor Feierabend binnen als de beer in het honingvat. Zijn weleerwaarde had juist nog een stuk of drie andere geestelijke broeders te gast, die hem moesten helpen eene keuze te doen tusschen twee proefjes ouden witten wijn, waarvan hij wilde inslaan. De heeren waren het oneenig: twee hunner stemden voor den Yvorner, de twee anderen voor den Markgräfler. Men riep mijne bescheidene meening in; en daar de mensch niet lichtvaardiglijk oordeelen zal, noch over zijns naasten zonden, noch over zijns naasten wijn, zoo waagde ik mij niet aan eene beslissing dan na herhaald en grondig onderzoek. Kortom, toen ik tegen het schemeruur afscheid nam, had ik eenen stevigen slok onder mijnen gordel. Pastoor Feierabend bood mij wel nachtverblijf aan; doch ik had mijnen goeden oom beloofd spoedig terug te keeren. Bovendien, het kon een prachtige avond zijn voor de nachtvlinders. Zou ik om niet mijn netje meegedragen hebben?
„Maar jawel! Van jacht geen sprake. Het werd een broeiend heete, doodstille, koolzwarte nacht. Geen sterretje aan den hemel, die als met krip overtogen was. Het éénige, wat eenen zweem van schijnsel gaf, was het schuim van de Reuss in de diepte...... Onze sennen op de bergen verzekeren dat er somwijlen eene duisternis over de aarde komt, zóó dik, zóó ondoordringbaar, dat het vee angstig begint te loeien, en de geiten verschrikt over de horden trachten te springen. Zulk een nacht was déze.
„Ik kende den weg stap bij stap; maar toch verzeker ik u dat ik moest oppassen waar ik ging, om niet terecht te komen waar ik niet wezen wou. Tot voorbij Göschenen liep ik zonder talmen voort. Toen echter bevingen mij de drukkende lucht en de benauwende duisternis. Ik moest mij op eenen steen zetten, om wat te rusten.
„Zoo zittende, tastte ik naar mijnen rozekrans..... Wat mij nooit gebeurd was—ik had hem vergeten. Tot straf legde ik mijzelven twaalf paternosters op..... Ben ik onderwijl in slaap gevallen?—Het moet wel. Want om tien uur was ik door Göschenen gekomen; en nu—ik hoorde in de verte de dorpsklok slaan—ik telde de slagen—het waren er twaalf!
„IJlings sprong ik op mijne beenen, om spoed te maken zooveel het tasten naar den weg dit maar toelaten wilde. Het aanzwellende gedonder van de Reuss deed mij weten dat ik het punt naderde waar zij haren salto mortale maakt. Weldra voelde ik in mijn aangezicht het natte stuifmeel, waarvan de lucht hier vol is. En bij het omslaan van eenen hoek—zoo waarlijk, daar stonden duidelijk de beide boogbruggen afgeteekend tegen het wit van de onder haar doortuimelende watermassa. Het was of er van de wolk van stuifsel boven de kloof een geheimzinnig schijnsel uitging, dat den omtrek min of meer verlichtte..... Een spookachtig gezicht!—Ik wist niet waarom—maar mijn hart bonsde mij tegen mijne ribben.
„Terwijl ik zoo staarde, schoot mij iets vurigs voorbij mijne oogen: eene wit gloeiende stip, die met grillige flikkeringen zich door de lucht bewoog. Het moest, dacht ik, een bijzonder groote en schitterende lichtkever zijn.
„Al mijn jachtlust ontwaakte in mij: want zulk een exemplaar bezat ik nog niet in mijne verzameling. Ik haalde mijn netje voor den dag, en zette behoedzaam het diertje na.
„Het vloog een eind voort langs den weg; vervolgens fladderde het omlaag naar den stroom, juist boven het verwaarloosde zijpad, dat destijds nog naar de oude brug afdaalde. Het hier te volgen, was in het donker geene veilige onderneming; doch wat doet een jager niet!—Heelhuids belandde ik op de brug. Aan het eind er van haalde ik het diertje in. Ik meende van mijne vangst reeds zeker te zijn: ik sloeg mijn net uit——och jemini!—de slag was mis—en met eene plotselinge zwenking verdween mij het vermaledijde insect spoorloos tusschen de struiken die over den afgrond hingen.
„Gemelijk, boos op mijzelven en op heel het kevergeslacht, wendde ik mij terug. En nu, kinderen—schrikt niet! Wordt niet versaagd!——
„Midden op de brug stond eene lange, sombere gestalte, met eenen mantel om, eenen hoed met breeden rand en haneveer op het hoofd. Zij blikte mij aan met fonkelende oogen, strekte de armen naar mij uit, en mompelde in eene vreemde, harde taal eenige cabalistische woorden.... Als een bliksem schoot mij door het brein dat het heden de nacht was van den 29sten Augustus. Meer had ik niet noodig om te begrijpen wien ik daar vóór mij zag.
„Des Heeren bijstand afsmeekende, vermande ik mij. „Wie zijt gij? Wat wilt gij?” riep ik met barsche stem.
„Het antwoord, hoewel onverstaanbaar, klonk mij als eene vreeselijke blasphemie, gepaard met snijdend hoongelach.
„„Terug!” schreeuwde ik: „Laat af van mij, Satanas!”
„Maar, in stee dat het hielp, lachte hij des te smalender, en drong hij snel, met uitgesperde krallen, op mij toe, om mij te grijpen”....
Hier kon Barbara hare ontroering niet langer bedwingen. „Mutter Gottes!” riep zij, nu werkelijk bleek: „Ik begrijp niet, broeder, hoe ge 't overleefd hebt!”—
Hij keek haar bestraffend aan. „Zuster Barbara”, sprak hij: „waar is uw geloof?”—
„Ach Gott! es isch aber gar zu schauderhaft! Hij had je aan stukken kunnen scheuren als den zwarten bok!”—
„Bedaar, zuster, bedaar!—Ik zit hier, zooals ge ziet, met al mijne leden nog gaaf, en met mijne ziel (zoo wil ik deemoediglijk vertrouwen) op den weg des heils. Sint Rochus mijn patroon streed met mij. In hoc signo vici!
„Ik hief mijn regenscherm omhoog, en bracht den Euvele het kruis vlak onder zijne grijnzende tronie. „In nomine Patris, Filii et Spiritus Sancti!”.... Vervolgens, om aan den naam der Heilige Drievuldigheid meer nadruk bij te zetten, gaf ik den Duivel met zijnen broeder den Dood eenen slag op zijnen haviksneus, dat het zoo kwakte.
„Dit was hem genoeg: brullend zette hij het op een loopen. Wel holde ik hem na; maar hij was mij te rap met zijne hielen. Gevlogen!—
„Ik echter, met het kruis in top, stapte den weg op, en over de nieuwe brug huiswaarts. Luidkeels hief ik aan, dat het galmde tusschen de rotsen: „Te Deum laudamus!”.... En—wonderlijk!—ik zag hoe het plotseling lichter geworden was om mij heen. Ik zag dat de sterren mij bestraalden!”
De oude man nam eene lange teug uit zijn glas, klopte de asch uit zijne pijp, en stopte zich eene versche.
„Ik weet zeer goed”, hernam hij met eenige aarzeling, nadat hij eenige seconden al hoofdschuddend in het vuur gestaard had: „Ik weet zeer goed—en ik wil het u niet verzwijgen—dat den volgenden dag te Andermatt het gerucht liep: een phantastische Engelschman, die laat in den nacht op de oude brug had gestaan, om indrukken te garen voor een dichtstuk, was aangerand door den Booze in de gedaante van eenen Roomschen kapelaan.... Ja ja! dat vertelden ze; en dat kwam ook mij ter oore.... Zeg, wat dunkt u daarvan?”—
„Mij dunkt”, antwoordde ik, „dat dit niets was dan een listig uitstrooisel van Jonker Satan zelf, om zijne smadelijke nederlaag te verbloemen.”
„Niet waar?” riep hij triomfantelijk: „Anders kan het niet geweest zijn! Anders niet!..... Kinderen, ik kan u verzekeren dat ik van dien dag af aan den Duivel geloofd heb, zoo stellig als aan den goeden God!”
„Bewahre, ja!” zuchtte Barbara—en zij dronk eens voor den schrik.
„Sedert”, hernam de kapelaan, „ben ik nooit uitgegaan zonder deze groote groene paraplu. Tegen den regen heeft zij mij trouw beschermd—tegen de hitte van de zon—tegen den brand van de hel. Kinderen”——hij greep het nog natte meubel, hield het kruis ons voor, en sprak, met eene trillende stem en eenen glans van waarlijk apostolische geestdrift op zijn kogelrond aangezicht—: „Kinder, der Teufel isch kein Kühbub, fürwahr! Hij spant ons strik op strik. Maar wat u ook bejegene op uw pad, verlaat u op den heiligen Rochus en op het hout des kruises!—In dit teeken zult gij alles overwinnen!”
Ik kan het hierbij laten. Alleen nog—eere wien eere toekomt!
Baedeker had ons niets te veel beloofd. Bij den kapelaan van Bristen hebben wij, dorstigen, ons ververscht: met den wijn uit zijn vat—maar veel meer nog met den humor van zijn gul gemoed, met de kloekheid van zijn naïef geloof, en met het hartelijke roode aanschijn van zijne ronde zuster Barbara.
Eenvoudig paar daarginds in de bergen—verversch er nog velen als ons—die dorsten naar wat schoonheid in de natuur, en naar wat frischheid in menschen!
Jack Bobson's Poolreis.
Inhoudsopgave
„Though this be madness, Yet there's method in it.”
Des avonds, zoo vaak mij de ooren begonnen te tuiten van het rumoer der wereldstad, placht ik verademing te zoeken op eene der bruggen waar tol geheven werd, en waar dus weinig verkeer den begeerige naar stilte verstoorde.
Gelijk een visioen uit het Boek der Openbaring was hier de aanblik van de rivier en hare oevers—: „eene glazen zee, met vuur gemengd”. Duizenden waren de lampen in den nacht. Londen's diepe stem, gedempt, rolde dreunend over de wateren. En zeewaarts, met dof gebruis tegen de granieten bogen, gleed in de diepte de zwarte stroom, de lampen weerspiegelend met sidderende flikkerglansen. Dan daalde vaak, in de droeve maanden November en December, een grauwe mist uit de hoogte, en legde zich neder op Babylon. Zóó moet de chaos gelegen hebben, woest en ledig, vóór de Geest des Scheppers scheiding kwam maken tusschen het licht en tusschen de duisternis. De duizenden lampen waren als uitgebluscht; onzichtbaar geworden hare trillende schijnselen in het water; al de voorwerpen rondom, ook de brug zelve, aan mijn oog onttrokken, als weggesmolten in het niet. Maar de hemel was vervuld van eenen valen gloed, waarover matte schaduwgestalten schenen heen te trekken in spokenden optocht. En de doffe stem van Londen dreunde voort, als uit eindeloozen afstand. En het doffe bruisen der rivier steeg opwaarts, als uit peillooze diepte. Een gonzen en een schemeren—anders niets.
Ik toefde ook dán nog op de brug. Maar niet lang. Geen mensch weerstaat den somberen invloed van zulk weder te Londen. Elk zoekt eenen haard, al is het zijn eigen niet; elk wil voort uit den geelgrauwen damp, die erger is dan duisternis, wijl zelfs het licht, dat hij verslindt, machteloos is tegen hem.
Zóó ook ik.
Gewoonlijk, na zulk eene melancholieke wandeling, ging ik mij wat opfleuren in zeker behaaglijk ale-huis, gelegen in eene stille zijstraat nabij de zuidzijde der brug. Het was eene kleine, doch kalme en in zekeren zin deftige inrichting. Geen verblindende lichtglans straalde den voorbijganger er uit tegen; geene verdachte heeren en verleidelijke schenksters aan het buffet. De dikke kastelein of zijne stemmige dochter bediende. Men dronk er zijn bier, echt nationaal, uit blinkende tinnen kannen—Engelsch brouwsel uit Engelsch metaal. In de ouderwetsche, met zand bestrooide parlour knapperde steeds in den open haard een vroolijk vuur, terwijl op de eiken tafels versche pijpen geschaard lagen, die den gast op het overredendst noodigden tot toeven. Alles was er, zooals men het eer op het gemoedelijke platteland, dan te Londen zoeken zou. Ook de gasten. Hier kwamen bejaarde huisvaders uit de buurt hunne courant lezen, of murmureeren over de slechte tijden. Doch het liep er nooit druk. Dikwijls, als ik vroeg gekomen was, zat ik er alleen—of met nog éénen persoon, die nu juist bestemd was de held te zijn van deze geschiedenis.
Hij mag een zestiger zijn geweest. Allereerst trok hij de aandacht door eene dikke muts van glimmend zwart berevel, die hem niet van het hoofd ging. Voorts verrieden gelaatskleur, kleeding en manieren hem dadelijk als eenen oud-zeeman: en toch had hij in zijn doen niets van het hoekige, zoomin als van het vrijmoedige of zelfgenoegzame, dat oude varenslieden veelal kenmerkt. Zijne forsche gestalte was gebogen; de zware grijze knevelbaard hing hem ongerept over lippen en borst; diepe rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Hij scheen lichamelijk veel geleden te hebben, of in den geest veel getobd. Altoos zat hij in denzelfden hoek, geweldig rookend, half verscholen achter zijne courant. Met niemand sprak hij; doch des te drokker scheen hij bezig met zichzelven. Vaak schudde hij geërgerd het hoofd, of liet, met omlaag turenden blik, de kin op de borst rusten. Blijkbaar had de man eene grief, die hem geheel vervulde. Hij maalde over iets.
Ook met mij, hoe dikwijls ik met hem samen geweest was in de stille gelagkamer, had hij nooit een woord gewisseld. Mijn „goeden avond!” bij het binnentreden beantwoordde hij werktuigelijk; verder was er tusschen ons geen geluid gegeven.
Men kan zich daarom mijne verwondering denken, als op zekeren namiddag (ik had pas den omtrek der dokken bezocht en mijn hoofd opgevuld met bonte beelden uit de vijf werelddeelen) de geheimzinnige man plotseling opstond, zich over mij plaatste aan de tafel, en met doordringenden blik mij in de oogen begon te staren.
Ik wil bekennen dat ik eene seconde sterken aandrang voelde om den kastelein te schellen. Doch dit angstige gevoel, van alleen te zijn met eenen krankzinnige, was even snel geweken, toen de zonderling, weemoedig glimlachend, als om mij gerust te stellen, met diepe, gedempte stem tot mij de vraag richtte, of ik niet vreemdeling was.—„I thought so”, hernam hij op mijn bevestigend bescheid. En als reden voor die meening, liet hij er op volgen: „You have not the look of an Englishman: you have a look as if you could believe an honest fellow.” Daarna weer, na eene korte pauze, en terwijl hij mij een artikel aanwees in de Daily Telegraph: „Have you read this?”—Hierop, heftiger: „They are at it again, the lying rogues—and yet I told them how it is!”—En ten slotte, met eenen donderenden vuistslag op de tafel: „Curse them, Sir, they have buried me first—and now they won't believe me!”
Hij sprong op in zijne volle lengte; en ik, nu volkomen zeker van met eenen razende te doen te hebben, strekte nogmaals de hand uit naar de tafelschel. Maar dadelijk, als verschrikt door zijne heftigheid, zonk hij weer in zijnen stoel, schudde het hoofd, en hield zacht mijnen arm terug. „You take me for a madman, haha!” lachte hij droevig. „Perhaps you are right. But never mind my fits. I will tell you a great secret. And you will believe me. Won't you?”
Aan mijnen stoel gekluisterd door bevreemding, knikte ik toestemmend. Ik luisterde toen naar het volgende verhaal, dat de man met de zwarte muts mij deed, soms met levendige gebaren van aandoening, en dan weer mompelend voor zich heen, als iemand die eene honderdmaal herhaalde les opzegt. Hij had daarbij eenen stijl en vaak eene woordenkeus, die, zonder juist keurig te mogen heeten, toch eene zekere mate van beschaving en verbeeldingskracht verrieden.
„Ja! ze hebben mij begraven. Ze meenden dat Jack Bobson dood was. Maar Jack heeft ze allen overleefd!—Ik ben het, die hier tegenover u zit. Ik ben Jack Bobson—en de arme Sir John had geen knapper ijsmeester op zijn schip.
„Van Jack Bobson hebt ge zeker nooit gehoord. Maar wel van Sir John—Sir John Franklin?—Nu, ik voer met hem mee op de Erebus, in het jaar '45.
„'t Ging alles best tot het Beechey-eiland, waar we dien eersten winter ons kwartier opsloegen. Doch toen de zon weer uit haar nest gekropen was, in Mei, of Juni, ging Jack Bobson te kooi liggen met eene vreemde ziekte, die bij hem in de familie zat, en deed alsof hij stierf. Dit was stom van Jack. Maar nog stommer was het van de kameraden, dat ze hem den tijd niet gunden om weer tot zijnen adem te komen, en hem wegstopten onder eenen hoop keien, alsof er haast bij was. De éénige, die bij deze gelegenheid zijn verstand gebruikte, was de witte beer die Jack opgroef, en hem wakker schudde met eenen knauw, en van schrik aan den haal ging, toen Jack hem bedankte met eenen opstopper tegen zijnen kouden neus. Goed maar, dat er in de gauwigheid geen doodkist op had kunnen overschieten voor Jack. En de kameraads schenen inderdaad geduchte haast te hebben gehad om verder te trekken. Zij waren gevlogen met hunne schepen, toen Jack door den beer was bijgeholpen. Gevlogen!—Arme kerels! Arme Sir John!—Waren ze maar gebleven! dan zaten ze hier warm als ik, en we hadden samen de Pool ontdekt, en, curse me, Sir! als men ons dán niet zou gelooven!—Hier gaan ze! Op hunne eeuwige glorie!
„Ik was alleen”, ging de verteller voort, na eene teug genomen te hebben uit zijne kroes. „Ik was alleen. Bij geluk had Sir John op het Beechey-eiland in eene cairn eenen ruimen voorraad achtergelaten van levensmiddelen en allerhande benoodigdheden; ook eene stevige sloep met toebehooren. Nu moet ge bovendien weten, dat die ziekte van mij eene bijzonder vreemdsoortige ziekte was geweest. Mijn vader had ze vóór mij gehad, en had drie weken op het kerkhof te Plymouth gelegen. Toen hij weer levend werd, had hij met een enkel zetsel het deksel van zijne kist gewipt, en het handjevol zand van het deksel: want hij was uit het armhuis begraven—ofschoon hij een gentleman was, Sir, die een aardig fortuintje tot den laatsten stuiver verspilde—gek die hij was—met het zoeken naar eene machine om de zonnestralen vloeibaar te maken en op te bottelen...... Well, but that's neither here nor there!—Die ziekte, wou ik maar zeggen, was zooveel als eene schijndoodziekte. De dokters verklaren dat zij maar ééns in de honderd jaren voorkomt. Ontwaakt men er uit, en heeft men maar een goed maal eten gehad, dan voelt men zich versch man, rap en levenslustig als drie. Zoo dan, nadat ik de cairn opengebroken en mij behoorlijk met spijs en drank versterkt had, was ik weer als een borst van achttien jaren.
„Daar rees in mij eene stoute gedachte. „Jack Bobson”, sprak eene stem in mijn binnenste: „gij kunt een beroemd man worden, zoo beroemd als de grootsten van oud-Engeland's helden. Uwe makkers ontdekken de Noordwest-passage. Gij, Jack, ontdekt de Pool!”...... Ei ja! waarom zou ik niet?—Ik wist den weg; niets ontbrak mij tot de reis; 't was zomerdag; de zee lag open, en er woei eene vaste bries uit het Zuiden. Voorwaarts, Jack Bobson! voorwaarts!
„Fluks maakte ik de sloep ree met zeil en riemen, roer en tuig, en met eenen overvloed van mondkost en kleeren, wapens en kruit. Het was de handigste kleine expeditie, die ooit naar het Noorden den boeg wendde. Maar één ding vergat ik. Ik ezel! dat ik verzuimde mijn kloek plan neer te schrijven op een stuk papier, en dit stuk te teekenen met mijnen naam, en het weg te bergen in de cairn! Dan hadden zij mij moeten gelooven. Ik ezel!”——Hij sloeg zich wild tegen het voorhoofd. „Zeg, Sir”, voer hij eensklaps tegen mij uit: „gelooft gij me, tot dusver?”—Een oogenblik later hervatte hij rustig zijn verhaal:
„De vaart liep prachtig. Eerst oostwaarts door Straat Lancaster. Daarna noordwaarts door de Smith-sound en het Kennedy-kanaal. En van ijs geen spoor, dan langs de verre kusten, waar de bergspitsen zoo blauw zagen als kopervitriool. En aanhoudend die mooie zuiderbries, die mij warmde en voortdreef. In dertig dagen, juist geteld, was ik waar ze nu zeggen dat Kane geweest is met zijne Yankees—aan de open Poolzee.
„Maar—look here now! Als de Yankee Kane werkelijk zóó ver geweest is, dan had hij verder moeten gaan: en als hij gezien heeft wat hij vertelt, dan had hij méér moeten zien. Curse me, Sir! ware Kane de Yankee geen lafaard geweest, zoo stond Jack Bobson thans niet geboekt als een leugenaar!
„Kane vond eene open zee en eene hooge temperatuur. Hij vond gras aan de oevers, en kudden muskusossen, en zwermen watervogels. Hij vond, terwijl zuidwaarts alles ijs was en bijtende vorst, milde regenwolken en nevel in het Noorden. Welnu! ik zeg u dat hij verder had moeten gaan en méér had moeten vinden. Achter dien nevel lag nog iets beters.
„Dát heb ik gezien, Jack Bobson, die hier zijn bier met u drinkt. Ik drong heen door den mist, niet meer zeilend, maar roeiend, over eene zee die door geen zuchtje werd gerimpeld. De nevel werd al dichter—en lauwer; bloedroode flikkeringen doorgloeiden hem soms. Dagen lang, terwijl ik voortroeide met koortsig verlangen naar het einde der reis, naar de geheimzinnige oorzaak van dat lichten en van de steeds toenemende warmte—dagen lang zag ik niets om mij heen, dan dien grijzen, lauw vochtigen damp. Vaak was hij zóó dik, dat ik zelfs het roerlooze water niet onderscheiden kon, waarin mijn riemslag ploegde—ja, mijne hand niet, op armslengte uitgestoken. Ik zat als geblinddoekt; de adem werd mij zwaar; en ware er niet af en toe een snuiven hoorbaar geweest van den eenen of anderen visch in mijne nabijheid, of de wiekslag van onzichtbare vogels boven mijn hoofd—zoo hadde ik mij kunnen verbeelden voor eeuwig verloren te zijn in het rijk van de schaduwen des doods.... Eindelijk echter werd het ijler. Ik bespeurde een groenachtig schemeren in de verte. Daar brak het zonlicht door——en ik zag.... Maar gij moet me gelooven! Zult ge?——
„Ik zag eene grasgroene watervlakte, spiegelglad gespreid onder een wit betrokken zwerk. En midden uit dien groenen plas, op eenen afstand van twaalf of veertien mijlen, rees een enkele, ontzaglijke kegelberg, twintigduizend voet hoog, naar ik gis. Aan den voet was hij met welig groen bewassen; topwaarts werd hij eene grauwe rotsmassa; en uit zijne kruin steeg, nogmaals duizenden voeten hoog, loodrecht eene dikke zuil van witten damp, die aan haar zenith zich uitspreidde naar alle kanten. In breede stroomen trok de damp door het luchtruim, om langzaam neer te dalen op de zee, en den wal van nevel te vormen, dien ik had doorboord. Het was een gewelf, een onmetelijke koepeldom van nevel, met de zuil, die te rusten scheen op den berg, in het midden, en met zijne fundamenten rondom op de wateren. Nu en dan schoten er vreeselijke vuurstralen uit den bergkrater, die de dampzuil deden gloeien, en gansch den dom van nevel in het rond verlichtten. En daaronder lag de groene zee—glad, peilloos diep, naar de kleur en helderheid te oordeelen—maar niet levenloos. Hier krielde het van walvisschen, die speelden met hunne jongen; het ruischte van hun geblaas; boven den wijden waterspiegel dansten alom de fonteinen uit hunne neusgaten. Ook bespeurde ik, terwijl ik den berg naderde, andere monsters, van ijselijker gestalten: monsters zooals ik later afgebeeld vond in boeken, met harde Latijnsche namen gedoopt—monsters van vóór den Zondvloed, zeggen de geleerden. De groote zeeslang stak in de verte zijnen gehoornden kop een vijftien ellen boven water; van verbazende salamanders werden de ruggen zichtbaar, als omgeslagen scheepsrompen; en toen ik dicht genoeg nabij den berg was, kon ik aan den oever leguanen bespieden met lange vogelhalzen en bekken als snoeischaren—en kaaimans, Sir! naast wie de kerels in de Zuid-Amerikaansche rivieren als babies zouden zijn.
„Hoe ik den moed had dit alles nog zoo op te nemen, begreep ik later zelf niet. Zeker had ik hem te danken aan het fiere bewustzijn, dat mij toen doortintelde van het hoofd tot de voeten. Want, Sir!—hier was ik, Jack Bobson, van aangezicht tot aangezicht met de Noordpool. Die ontzaggelijke vulkaan (nooit vergeet ik zijnen aanblik vol eenzame majesteit) die ontzaggelijke vulkaan was het toppunt van de wereld, het uiterste eindje van het hooge Noorden. Door zijn ruggemerg moest de as loopen, om welke de aardkloot zich wentelt. De gloed zijner uitbarstingen was het Noorderlicht. De heete waterdamp uit zijnen krater was oorzaak van de warmte die het ijs verdrong, tweehonderd mijlen in den omtrek. En deze groene zee was de lang gezochte kraamzaal der walvisschen—de wijkplaats van de laatste nakomelingen der gedrochten, die toekijkers waren bij het van stapel loopen der arke Noach's—zoo zeggen de geleerden. Zie, Sir!—en dit alles had ik gevonden en ontdekt—ik, Jack Bobson, een eenvoudig ijsmeester van de Erebus, geheel alleen—Jack Bobson, Sir, die hier aan deze tafel met u zit!——Gelooft ge mij?
„De monsters deden mij geen kwaad. Nu en dan gluurde er een met een oog als eene scheepslantaarn mij aan; maar geen sperde er zijnen muil open om mij en mijne boot op te slokken. Blijkbaar begrepen zij niets van ons beiden. Alleen de groote zeeslang, die een bereisd monster is, en de menschen en hunne boosheid kennen moet, zou mij bij eene ontmoeting waarschijnlijk belet hebben van mijn avontuur iets na te vertellen. Ik sidderde bij de gedachte—en het werd mij zoo bang, zoo bang, dat ik met alle macht begon weerom te roeien naar de nevelzee. Eene sterke strooming, die om den berg scheen heen te loopen, kwam mij te hulp. Haar noordwaartsche tak had mij heengevoerd naar de Pool; haar zuidwaartsche voerde mij terug er van. Ik boorde weer door den nevel. Weldra was de glasgroene zee, was de machtige vulkaan onttrokken aan mijnen blik. Alleen het roode flikkeren vergezelde mij nog, flauwer en flauwer, naarmate de damp weer dikker werd. Nogmaals dagen lang dreef ik zoo blindelings voort. De koude nam allengs toe. Straks ontmoette ik weer ijs. De horizon helderde weer op in het Zuiden. Ik zag land: bergen, met sneeuw bedekt. De strooming wierp mij tegen de kust. Eskimo's snelden toe, die mij vriendelijk opnamen, en die ik rijk maakte met de schatten in mijne boot.
„Wel, ik leefde dertien jaren onder dezen stam, vóór Mac Clinton met de Fox mij terugbracht naar Engeland. En nu eerst begon mijn lijden. Ze vertelden mij van Sir John's jammerlijk uiteinde. Hoe ik geschreid heb om hem en de arme kameraden!—Maar toen ik hun verhaalde dat ik zelf de Pool ontdekt had, en wat ik gezien had dáár—toen geloofden ze mij niet. Ze zeiden dat de kou mijne hersens moest hebben doen bevriezen, of dat de traan der Eskimo's mij naar het hoofd moest geslagen zijn. Ze zeiden dat ik gek was. Ze geloofden mij niet!
„Ik kwam hier, te Londen. Mijne betrekkingen waren alle gestorven—en vreemden kenden mij niet meer. Ze wisten wel dat er een Jack Bobson was geweest op de Erebus. Maar die Jack Bobson moest omgekomen zijn als de rest. En ik, met mijne groote ontdekking—ik was een bedrieger, een dronkaard, een krankzinnige!—Ze geloofden mij niet!
„Ik schreef aan de bladen. Ik sprak met de penny-a-liners van deze schurkachtige Daily Telegraph, die nu weer zotteklap verkondigt over eene Pool van eeuwigdurend ijs. Ze lachten mij uit! Ze wezen mij de deur!—Ze geloofden mij niet!
„En hier zit ik nu, Sir—ik, Jack Bobson—met de grootste ontdekking na Columbus in mijne hand——en, curse them, Sir! They won't believe me! They won't believe me!”.................
Kermend had mijn verteller zijnen laatsten klaagtoon uitgestooten. Zijn gerimpeld gelaat vertrok zich als tot schreien. Ik had medelijden met hem.
Toch ben ik nooit na dien avond teruggekeerd in het rustige ale-huis nabij de Waterloo-brug. Ik had het hart niet, Jack Bobson onder de oogen te treden, en hem te zeggen of te toonen dat ook ik hem niet geloofde.
De Jonkvrouw van Hillegersberg.
Inhoudsopgave
Sage, Gij lieflijke, Oud van den beginne, Jong totaan het einde— Verjong ons met uwe jeugd!
I.
Inhoudsopgave
Hillegersberg is een Zuidhollandsch dorp, een uur gaans ongeveer van Rotterdam gelegen. Om er te komen, volgt men den Schie-stroom totaan de buurtschap de Heul, wijd berucht wegens hare eigenaardige wijze van Pinksterviering. Vervolgens slaat men rechtsaf eenen straatweg in, die—hooge zeldzaamheid in dit gedeelte van ons vaderland—beplant is met boomen, wel is waar vlijtig verminkt, maar toch nog niet gansch afgemaakt. Onder het schrale lommer beweegt men zich afwisselend langs groene weiden, groene slooten, groene moestuinen, en talrijke, aan weerszijden tusschen groen verscholen buitenplaatsjes. Aldus kuiert de duffe stadbewoner het vriendelijke dorpje binnen, genoegelijk gestemd over het bijeentreffen van zóóveel groenigheden binnen zoo luttelen afstand van winkel of kantoor.
Mijne beminde stadgenooten, de Rotterdammers, hebben deze toelichting niet van noode: want voor de deftigen onder hen is „den Berg” eene gezochte begraafplaats; en voor de niet-deftigen is het een uitverkoren ontspanningsoord. Zij allen rijden er dus heen op hunne beurt—de rijken stom en stapvoets en met groote staatsie, om er zich te laten bijzetten—de arme drommels (die na hunnen dood den zinkput in het Crooswijksche veen voor lief moeten nemen) jolend en tierend, holderdebolder in breukige kalessen en volgepropte omnibussen, om er in eenen theetuin zich te verhitten met schommelen en slechten drank.
Voor andere bewoners van Nederland echter, in de Maasstad en omstreken vreemdelingen, was de bovenstaande mededeeling misschien niet overbodig. Ter inlichting van dezen ook meen ik hier nog te moeten aanstippen, dat de gemeente Hillegersberg niet slechts boogt op een aristocratisch kerkhof en eenen plebejischen theetuin, maar bovendien op eenen heuvel, eene ruïne en eene legende. Deze drie laatste eigenhoorigheden zijn voor een dorp in het proza-land bij uitnemendheid, het ingedeukte, boomlooze, van koemest en spoeling doorweekte Schieland, iets zóó ongewoons, dat ik waarlijk wel een woordje méér er over zeggen mag.
Den heuvel, het is zeker, zou een wandelaar, die er niet opzettelijk aandachtig op werd gemaakt, allicht voorbijloopen zonder iets van zijne aanwezigheid te bespeuren;—ik geef hem vermoedelijk méér dan zijn rechtmatig deel, wanneer ik hem eene hoogte toeschrijf van wel twaalf voet boven de omliggende poldervlakte. Nochtans is hij, gelet op zijne herkomst, met vollere waarheid iets ontzagwekkends, iets kolossaals, iets titanisch te noemen, dan bij voorbeeld het Matterhorn of de Dhawalaghiri, van welke men toch beweren mag dat zij, louter als bergen beschouwd, heel wat méér te beteekenen hebben. Het Matterhorn en de Dhawalaghiri zijn namelijk voortbrengsels van natuurkrachten—terwijl de berg van Hillegersberg....
Maar stil, mijne heeren! dempen wij onze luidruchtigheid! Want hier verschijnt, gegord met mos, met eiloofranken kuisch gesluierd, de sage op ons tooneel.
In een zeer grijs verleden (de oudste menschen van Hillegersberg herinneren zich er niets meer van) woonden er in deze landstreek zonen en dochteren Anak's, zeer vreeselijk om aan te zien: geweldige creaturen, wier grootte evenveel vademen bedroeg, als duimen de grootte van de kinderen der menschen. Hunne voetzolen waren op de aarde; maar hunne hoofden boorden in de wolken. Riepen zij elkander toe, dan was er donder in de hemelen; wandelden zij, dan dreunde de bodem als van den tred van vele heirscharen; en als zij zich nederlegden om te slapen aan het boord der meiren, zoo steigerden gelijk strijdrossen de golven bij het geronk uit hunne neusgaten.
En het geschiedde eens op eenen dag, dat eene jonge maagd uit dit geslacht, Hildegarde, die rijzig en schoon was boven alle hare zusteren, van het fijnste zand begeerde, opdat zij daarmede haar aangezicht blank mocht schuren—blank en blinkend in de oogen van Ubbo den Bruine, den jongeling dien zij liefhad. Zij dan sprak tot haren vader, Twikko den Grauwe: „Mijn vader, waar vinde ik zand zoo rein als goud, zoo fijn als water, zoo wit als melk?”
Twikko de Grauwe antwoordde, zeggende: „Ga naar het strand der zilte zee, en schep er wat zacht als eiderdons is onder uwe voeten.”
„Mijn vader”, hernam de maagd, „geef mij uwen helm van koper, opdat ik het daarin drage, dat zand.”
Maar Twikko de Grauwe ontstak in toorn, en riep haar toe: „Wat vraagt gij mijnen helm van koper, mijnen heldenhelm van glanzend metaal! Hebt gij den korf niet, den korf van popelstammen, dien Fikko de Roode u vlocht, uw bruidegom?”
Toen schoten er bliksems uit Hildegarde's oogen. „Vervloekt!” schreeuwde zij: „vervloekt zij Fikko tot in de wortels van zijne roode haren! Het is Ubbo de Bruine, dien ik min! Eer zal de aarde mij verzwelgen, eer kies ik de diepe zee mij tot bruidsbed, vóór Fikko de Roode met eene nagelspits mij beroert!”
„Ha, bastaard van eene teef!” zóó brullend sprong de oude op: „Ha, voetwisch van mijne knechten! dezen avond nog zult gij uw Ubbo's nieren mij opdragen als gebraad en zijn hartebloed als mee in mijnen gouden beker!...”
Hildegarde gaat. Weinige schreden brengen haar aan het zeestrand. Zij gaart eene blonde duin of wat in haar schortekleed; zóó beladen ijlt zij huiswaarts heen, diep bezorgd wegens den bruinen Ubbo. En als zij Twikko's haardstede nadert, zoo waait de landwind den reuk van een slagveld in hare neusgaten, en vóór haar uit speurt zij de wolken rood van bloedwalm. Haar zoekend oog doolt langs den horizon, of het de strijdenden niet ontwaart. Maar al voortsnellende stoot zij haren voet tegen het gevest van een in den grond gestoken zwaard. Zij struikelt—en ligt over het lijk van Ubbo den Bruine.
En met eenen smartkreet, dien de raven herhaald hebben tot in Nibelheim, hief zij den beminde aan hare borst. En zij droeg hem naar het strand der zilte zee. En in de branding stappend, met den dooden lief in hare armen, waadde zij verder en verder, tot de bruisende wateren zich sloten boven haar hoofd.—
Kent gij de witte krijtklippen aan den overkant der zee?—Het zijn de gebleekte beenderen van het jonge reuzenpaar, door de golven opgeworpen tegen Albion's kust. Dáár echter, waar Hildegarde struikelde, en het noodlottige duinzand in haar voorschoot werd uitgestort over den bodem—dáár welft zich sedert een heuvel boven het drassige weideveld: de heuvel van Hildegarde: Hildegard's berg.
Dus luidt de sage. Men vindt door de windvaan op het gemeentehuis en door het fraai gebeitelde dorpswapen in den gevel van dit gebouw nog ten huidigen dage Hildegarde's ongeluk in dankbaar aandenken gehouden.
Inderdaad, van dankbaarheid mag hier wel sprake wezen. Want aan dit voorhistorische treurspel hebben de Hillegersbergers alles te danken.
In de eerste plaats hunnen berg;—zonder die scheur in dat schortekleed immers zouden er kikkers kwaken ter plekke waar thans de gasten uit de stad een vergezicht komen genieten. In de tweede plaats hunne sage;—de berg baarde de sage, gelijk het schortekleed den berg baarde. In de derde plaats hunne ruïne;—want vermits die ruïne boven op den berg staat, zoo moet men wel aannemen dat het juist alweer de berg was, die den bouwmeester der ruïne uitlokte om dáár en niet elders te bouwen. In de vierde plaats hun zeer begunstigd kerkhof, dat mede op den berg en om de ruïne gelegen is;—de aanzienlijke Rotterdammers toch, die zich hier laten begraven, maakten voor het meerendeel hun fortuin in koffieboonen of in metallieken; en juist voor dezulken is het zoet en eervol, den laatsten slaap te sluimeren op eene verhevenheid uit den sagen-tijd, onder eene ruïne uit de dagen der kruistochten. In de vijfde plaats....
Doch waartoe deze opsomming nog voortgezet? Het is klaar als kristal, dat Hillegersberg nooit geworden zou zijn wat het is, zonder den berg van Hildegarde. En evenzoo duidelijk is het, dat de berg van Hildegarde er nooit zou gekomen zijn zonder den ontijdig opgevlamden hartstocht van Hildegarde de reuzin voor Ubbo den reus, bijgenaamd de Bruine.
II.
Inhoudsopgave
Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was. Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd, toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene Judas-geaardheid—hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep hij. Dit in aanmerking nemende—alsmede dat eene krachtige maag een zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel jasje eenen jongen man niet misstaan—meende Justus dat voor eenen spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had geërfd.
Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van eenen bemiddelden ondermeester?—Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander bekampen—tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants, die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet kwijtschold voorwaar.
Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld zond—zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezen jonkman geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam—maar tot beuken op kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren, porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen, dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.
Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem aan—ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger magister, eene nadere uiteenzetting.
Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner rijpheid, op het toppunt zijner macht!—Wie (zegt het spreekwoord) op zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig, en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu, groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met schoolkinderen beneden de twaalf jaren niet bijzonder te pas. Boven het streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven geacht. Maar verstand—ja! van verstand had meester Van Meppen in zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard—althans naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!—Want wat baat het mij of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen Salomo?—De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak. Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende zelfgenoegzaamheid.
De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:—„het boompje dient jong gebogen.” Dit klinkt bijna wreedaardig, niet waar?—En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnen Inferno eene afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein, onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid van het andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!—Meester Van Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk kwaad—„necessitas naturae”, evenals bakers, dienstmeiden, en vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn leek hem ten hoogste bedriegelijk. „Ik voor mij”, riep hij, tuk op elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn: „Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo schitterend gevolg in praktijk gebrachte „Fortiter in modo, suaviter in rebus!””—waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd, dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als eenen smartelijken, doch onvermijdelijken plicht. En zoo ging er geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en rechts—zuiver uit plichtbesef—louter uit kracht van een met overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de weldadige werking van eene dracht slagen. „Het boompje moet jong gebogen!”—Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan: zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de broek gaf—dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend, verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: „Zachte meesters maken stinkende wonden!”—Om kort te gaan, meester Pieter van Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare begrippen.
Welnu dan—was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte, denkwijzen, gebruiken en instellingen—iets eigenzinnigs, iets weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo rechtzinnig gereformeerd geweest.
Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene aanwassende neiging te bespeuren tot—hoe zou hij het noemen?—tot vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen in den maneschijn—: eene neiging, die den stijven, dorren, met de kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of jota meegevoelen.
Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus, hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helper treffen, die hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.
III.
Inhoudsopgave
Hoe de heer Pieter Van Meppen op dien romanesken trek, waarvan hij zoo huiverig was, zijnen ondermeester het eerst recht tastbaar—in fragrante delicto, gelijk hij zich uitdrukte—betrapt had?—
Ja zie—dat gebeurde heel bij toeval. En zonder dit toeval, vrees ik, zou de man er niet licht achter gekomen zijn, wat het dan toch voor heidensche grillen waren, die zijnen assistent soms zoo wonderlijk deden doen—zoo geheel anders dan alle andere jeugdige Hillegersbergenaren.
Vooraf dient men te vernemen dat meester Van Meppen een éénig stuk kroost bezat: een dochtertje, Marieken geheeten. Als een Zuidhollandsch burgerkind, Maria gedoopt, had het meisje eigenlijk een Mietje moeten wezen; doch hare moeder, die uit het Geldersche, of eigenlijk uit het land van Cleve was, en de taal harer kindsheid maar niet verleeren kon, had de kleine altoos genoemd bij den naam dien zij zelve gedragen had: Mariechen. Wel—Mariechen (of Marieken op zijn Hollandsch) klonk ook wèl zoo aardig tusschen al die Mietjes in, waarvan het wemelde te Hillegersberg. Dat vond een ieder.
Een stil en vroegrijp wijfje, dit Marieken—zooals éénige kinderen, die vroeg de moeder derven moeten, veelal worden. Flink uit de kluiten geschoten, met haar ernstig gezichtje en mijmerende oogen, kon zij in haar dertiende jaar wel haast voor vijftien doorgaan. Maar den blijden stoeilust, den overmoedigen lach van de kalverjaren zocht men bij haar vergeefs. Hoe zou zij ook vroolijk zijn geworden?—Spelen had zij nooit geleerd; huismoederlijk zorgen des te spoediger. En met wie zou zij gelachen hebben?—Hare moeder, lang ziekelijk, ontviel haar vroeg, na haar al in hare eerste jeugd te hebben doen meeproeven uit den kelk van pijn en lijden. De dorpskinderen ontweken des schoolmeesters weinig aanlokkelijke woning. En de éénige die haar overbleef, haar strenge, stijve vader—ach! hij stond zoo ver van haar. Zij rilde van zijne klappen; zij schrok van zijne bijbelteksten en zijn deurwaarders-latijn; zij deinsde terug voor zijne in haar oog alomvattende geleerdheid. Van zijnen kant ook geene toenadering tot haar. Wel hield hij van zijn kind—niet minder al dan het gros der vaders, die niet kortweg onmenschen zijn. Maar dóórdringen in het jonge gemoed, meeleven met het jonge leven—de man had er nooit aan gedacht; en wie hem dit onder het oog zou hebben gebracht als eene tekortkoming, die zou Hebreeuwsch tot hem gesproken hebben. Marieken was een goed kind, meende hij; maar daarvoor had Marieken het dan ook goed. Marieken deed als kind haren plicht, door haren vader gehoorzaam te zijn, en te zorgen dat haar vaders rok netjes geschuierd, haar vaders pijp luchtig gestopt, haar vaders koffie warm ingeschonken werd. Daarvoor genoot Marieken de gastvrijheid van het vaderlijke dak, de vaderlijke bescherming, het vaderlijk onderwijs, de vaderlijke opleiding tot orthodoxe deugd, en—de vaderlijke liefde.... Voor dezen man, tusschen kinderen vergrijsd, met kinder-adempjes als gevoederd, was het hartje van zijn eigen kind nog als het boek met de zeven zegelen.
Jammer voor hem! Want in dat boek—in dat hartje wil ik zeggen—had hij zooveel liefs kunnen lezen; en om de zegelen er van te ontsluiten, was ook geen wonderdier noodig met zeven hoornen en zeven oogen. Och neen! Een eenvoudige ondermeester had ze verbroken. Justus Eykendaal kende bladzijde bij bladzijde van buiten. Niets van hetgeen daar geschreven stond (het was zoo veel niet trouwens: wat stille behoefte maar om lief te hebben, wat geloof en wat gevoel en wat ingeborene verbeeldingsgave)—niets van het schrijfsel in dit boek was den jongeling geheim. En evenzoo—maar dit vermoedde Justus, van zijne hoogte als man en ondermeester zelf zoo niet—evenzoo lagen voor het kind de roerselen bloot van het gemoed des jongelings.
Justus, na in zijn twaalfde jaar ouderloos te zijn geworden, was bij meester Van Meppen als kweekeling op school gekomen. Marieken was toen even negen. Destijds leefde ook juffrouw Van Meppen nog; en daar die brave vrouw met de moeder van Justus heel bevriend was geweest, zoo had het schoolmeesterlijke echtpaar den jongen in huis genomen. De vrouw zag daarin jegens den wees eene liefdedaad, terwijl de man de schikking beschouwde als voor het ondermeestertje heilzaam uit een zedelijk en paedagogisch oogpunt, en tevens (nademaal een Indische oom zich verbonden had tot het uitkeeren van een billijk kostgeld) voor hemzelven niet onvoordeelig met betrekking tot het huishoudelijke budget. Dus dakgenooten geworden, bleven toch aanvankelijk, zoolang juffrouw Van Meppen leefde, de knaap en het meisje elkander innerlijk vreemd; want nog ontbrak de band, die hunne schuwe naturen tot elkander brengen kon. Eerst een paar jaren later, na den dood van des schoolmeesters vrouw, was hierin snel verandering gekomen. Marieken, in hare verlatenheid, was tot Justus—en Justus, in zijne deelneming, was tot Marieken genaderd. Samen hadden zij de moederlijke doode betreurd; samen hadden zij haar graf bezocht op den heuvel; samen—eerst aarzelend, maar weldra vol uit het hart—hadden zij gepraat over hunne eenzaamheid in deze groote en wreede wereld, van wier grootheid en wreedheid zij toch op hun dorpje pas zulk een klein en zwak denkbeeld zich hadden kunnen vormen. Elkander troosten, elkander aanvullen, was de grondslag geweest van hunne vriendschap; dit alvast had uit hunne jonge harten de kiem van bitterheid geweerd, die binnensluipen moet in elk zieltje dat in geene enkele andere borst den weerklank verneemt van zijn zuchten en van zijn lachen. En allengs—naar gelang het meisje zich mee ontwikkelde, zoodat het verschil in leeftijd al minder en minder eene belemmering werd voor hunnen innerlijken omgang—allengs was er op dien grondslag voor hen beiden een heerlijk lustslot verrezen, waarin zij samen woonden als prins en prinses: een lustslot met gouden zuilen en torens van kristal: de koene, hooge burcht der phantasie.
Om het zakelijker uit te drukken: Justus en Marieken waren samen aan het lezen, aan het wandelen en aan het droomen gegaan.
Het lezen .... och heilige onnoozelheid! De hedendaagsche collega's van mijnen vriend zouden meewarig geglimlacht hebben, indien zij zijnen boekenschat bijeen hadden gezien. De Nederlandsche ondermeester in die donkere, langvervlogene dagen was nog niet de verbazend geleerde kop van tegenwoordig: de jonge wijsgeer, die van alle de vruchten in den boomgaard der kennis geproefd, en de meesten derzelve wrang bevonden heeft. Och hemel, neen! Een professor was destijds een professor, en een ondermeester was een ondermeester. Er stond eene maat tot de kennis die men vergde voor de somma van twee-honderd-en-vijftig gulden 's jaars. Zoo bij voorbeeld zou Justus, indien hij pedant ware geweest en bluf had willen slaan, onder zijne ranggenooten bij de paedagogiek zich gemakkelijk hebben kunnen doen huldigen als een genie, omdat hij, behalve goed lezen, net schrijven, vlug cijferen en eene tamelijke dosis aardrijkskunde en geschiedenis, zich aardig wat Duitsch had eigen gemaakt: de taal die hem uit juffrouw Van Meppen's mond zoo zacht, zoo „heimlich” geklonken had, en in welke hij den rijksten schat wist te kunnen vinden van zijne lievelings-lectuur: sprookjes en sagen, balladen, liederen, overleveringen.....
Naïef, niet waar?—Ja, dat was heel iets anders dan Vogt en Büchner, Douwes Dekker en Stuart Mill, en meer van die klokspijs, waarmede onze huidige, zoo oneindig degelijker onderlegde jeugd zich de hersenen voedt! Inderdaad, dat was heel iets anders!....
En dit malle goed, dit zotte, zoete gephantaseer van bijgeloovig volk en onnoozele dwepers, dat leerde de jongen nu ook Marieken lezen. In de Palmblätter van Herder of in de Märchen van Grimm—om maar iets te noemen—konden die twee te zamen zich dermate verdiepen, dat er zoo eenen ganschen zondag-achtermiddag geene school en geene schoolmeesterij, geen Hillegersberg en geen tredmolen voor hen op de wereld waren. Justus las voor; hij las goed, heb ik reeds gezegd. Marieken luisterde. En het een en ander was te genotrijker, omdat het contrabande was, aangezien meester Van Meppen (van wiens boekenrek na den dood zijner vrouw zelfs Maurits Lijnslager verwijderd was als een loszinnige, en Zschokke's Alamontade als ijdelheid der ijdelheden) er volstrekt niets van bespeuren mocht. Des winters moesten de jongelui hunne kans waarnemen bij eene vetkaars in de school, terwijl Van Meppen zijn uiltje knapte na het eten; of in de huiskamer, wanneer de geduchte zijn societeit-avondje genoot. Des zomers kropen zij weg in de ruïne op het kerkhof. Justus had aan een der afgebrokkelde stukken muur eene soort van trap gevonden, die naar eene nis leidde, een voet of acht boven den grond. Hier zaten zij verholen te lezen en te babbelen in het avondlicht, van aangezicht tot aangezicht met den ouden kerktoren, die aandachtig scheen mee te luisteren naar de verhalen van feeën en eenjers, nixen en dwergen en roovers en ridders, als waarden er echo's om hem henen van liederen uit zijne eigene jeugd. Hier ook was het, dat Justus aan Marieken de geschiedenis verteld had van Hildegarde en Ubbo. Het duurde een heel poosje, vóór Marieken zich uit het hoofd kon zetten dat de beide Delftsche torens, van deze verhevenheid juist zichtbaar als twee donkere staken waarachter het westen glom, niet Twikko en Fikko waren, de bloedige reuzen, uittrekkende op maagdenroof!
Dan het wandelen!.... De meesten mijner lezers zouden van die tochten door de Schielandsche dreven ras genoeg hebben gehad; maar enkelen hunner—bedenkende dat het blauw des hemels en het wit der wolken en het groen der velden heerlijk zijn alom, en dat zelfs eene wandeling door eenen polder beter is dan in het geheel geene wandeling—zouden lustig hebben meegestapt door dik en dun, blijde al dat zij den zuiveren wind hadden om in te happen, en den vrijen, wijden horizon om hunnen blik er langs te laten dwalen. Men vergete ook niet, dat Justus en Marieken nooit eene andere natuur gekend hadden dan deze; de Duitsche wouden, de Zwitsersche bergen mocht hunne phantasie hun voorspiegelen, gelijk zij hun ook beelden maalde van het hemelsche paradijs; maar die wouden te doorkruisen, die bergen te beklimmen—de mogelijkheid van zoo iets kwam niet in hen op, laat staan de begeerte er naar. En eindelijk herinnere men zich hoe elke natuur ons sympathiek wordt, in welke wij ons bewegen als kinderen: in welke wij het eerst de vleugelen leeren uitslaan van onze verbeelding, het eerst de voor het jong gemoed zoo onuitsprekelijk aangrijpende indrukken ontvangen van de grootheid en de majesteit der Schepping, het eerst de zaligheid leeren smaken van bewonderen, van twijfelloos, critiekloos aanbidden.
Zoo wandelden de jongelieden, telkens als hun een vrije zaterdag-middag of een schoone zomer-avond gegund was, frisch er op los; ver langs de eenzame boorden van de Rotte, rondom de golvende, van wilgen en biezen omzoomde plassen, dwars door de velden naar een dorp in den omtrek—samen zingend in den wind met den rietvink, kruiden lezend, sproken dichtend, droomen droomend, muziek vernemend en wonderen speurend, waar de zinnen van anderen niets zouden opgemerkt hebben dan kaalheid en platheid—vunzig water en drassig veen.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.