Kitabı oku: «Ruize-rijmen»
Charivarius
Ruize-rijmen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403522
Inhoudsopgave
1. NAAMPIE.
2. BROER, ZUS EN MOP.
3. DE REVANCHE-IDEE.
4. WIJ, DWAZEN!
5. EER EN HOOGACHTING!
6. EEN KAARTJE!
7. DÎNER À PRIX FIXE.
8. ST. NICOLAASKLACHT.
9. DE LIEVE JEUGD.
10. VERJAARSWENSCH.
11. CELIBATAIRSWEE.
12. BEÊ AAN NEÊRLANDS GOÔN.
13. RIDDERORDENRIJM.
14. DE NETTE MENSCH SPREEKT.
15. DE SÉANCE.
16. IMPÔT UNIQUE.
17. VISITE.
18. DE HUWELIJKSRECEPTIE.
19. HET ENKELE WOORD.
20. DE DIEP-BEDROEFDE AANBEHUWDELINGEN.
21. MIJN BEGRAFENIS.
II. POLITIEKE RIJMEN.
1. WAT MOET MIJN ZOON WORDEN?
2. DE BIJZONDERSTE VOORZIENIGHEID OP HET GEVALLEN BOEKSKE.
3. DE RAAD DER BEZADIGDEN.
4. PENELOPE.
5. AAN LIEFTINCK, HET TACHTIGJARIG KAMERLID.
6. STEMRIJM.
III. OORLOGS-RIJMEN.
1. DE BLOEDGEBEDEN.
2. HET SCHOONSTE.
3. DAPPERE SOLDATEN, BANGE DIPLOMATEN.
4. ZES DIPLOMATEN.
5. AAN CORT.
6. NIEDERLAND! DIE WAFFEN NIEDER!
7. MOEDER, WIL U BABY ROEPEN?
8. THE HYMN OF HATE.
9. CONSPUEZ!
10. OLIEVERF-RIJM.
11. DE TIEN.
12. ’T WORDT WEER AANGEVULD.
13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.
14. „SCHIMPT HEUSCHELIJCK!”
15. DIETSCHLAND, DIETSCHLAND, UEBER ALLES!
16. O, GIJ, EENS DE ZON VAN MIJN LEVEN.
17. ACH, DEDEN WIJ OOK MAAR MEE!
18. DAT IS HET!
19. WANHOPIG BESLUIT VAN EEN GESLINGERD KRANTENLEZER.
20. DIE GROSZE ZEIT.
21. DE GROOTE TOEVLUCHT.
22. IK HEB NU NET EEN JAAR GEMOORD.
23. DE HOCHKULTUR EN DE BLOOMING FOREIGNER.
24. OPEN BRIEF.
25. DE TOEKOMST.
26. WAT ZIJ KUNNEN DOEN.
27. O, DIE BLINDE, BLINDE, BLINDE...
28. DE ZWARTE LIJN.
29. DE MELKKNECHT EN DE DUITSCHE KULTUR.
30. WE WONEN IN EEN HOUTEN HUIS.
31. LEUZEN-RIJM.
32. REIK MIJ DE HAND, OF......
33. WIJ!
34. DE SNOEVERS.
35. DIVINA COMOEDIA.
36. ONZE OUDE.
37. DE STRIKTSTE BEVELEN.
38. QUOD LICET JOVI NON LICET BOVI.
39. DE GEVALLEN RUITER.
40. DE TOEKOMSTIGE LEIDING DER MENSCHHEID.
41. BIOLOGISCHE FRIEDENSRÜSTUNGEN.
42. LEUGEN-RIJM.
43. ROFFEL-RIJM.
44. CHARIVARIUS’ BEKEERING.
45. HET MEILIED DER MOEDERS.
46. MAJESTEIT OF HET KONINGSCHAP VOLGENS TSAAR EN KEIZER.
47. PRINSEN-RIJM.
48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.
49. AAN FRANS BASTIAANSE, MIJN CONCURRENT-RUIZERIJMER.
50. AAN CHARIVARIUS, om hem gerust te stellen.
51. VORSTENSCHOOL.
52. KARL EN ZITA OF HET BIOSKOOPGEVAAR.
53. MIES, CHARIVARIUS, DE KANARIE EN DE OORLOG.
54. O! O! O!
55. EEN FAILLISSEMENT.
56. WIJ DUITSCHERS, VOORHEEN EN THANS.
57. HOOG BEZOEK.
58. DE BRIEF VAN DEN VADER.
59. HOEZEE!
IV. TAAL.
1. TAAL-RIJM.
2. ED-DIJM.
3. MEVROUW.
4. BESLIST.
5. RUIZE!
6. WAAR GAAT HET OM?
7. PRACHT-BEWEGING.
8. ZIELIGE ZALIGHEID.
9. FEDERALISME.
10. HET LIED VAN MOOIE KAREL UIT DE JORDAAN.
11. UITKOMST-RIJM.
12. SPREEK JE MOERS TAAL!
13. THE OLD MASTERS OF HOLLAND.
14. DE CHAOS.
V. KUNST.
1. AAN SPEENHOFF.
2. DE BENAUWDE VESTE.
3. AAN TIELENS.
4. D’R KOMEN NETTE LUI!
5. PRELUDIUM.
6. HOLLANDSCHE HUMOR.
7. HOE SCHRIJF IK EEN TOONEELSTUK?
8. DE BLOEMENTUIN.
9. DE CRITICUS.
VI. LETTEREN.
1. VAERS.
2. SONNET.
3. HET GOUDENE RAADSEL VAN HET WONDERE GELUK.
4. EEN ST. NICOLAASCADEAUTJE.
5. RID- EN RUNDERS.
6. ZAK-DRAMA.
7. RUST-RIJM.
8. RIJM-RIJM.
9. LOFRIJM OP DE PRIKKEL-IDYLLEN.
VII. IERSCHE GIJN
VIII. OVIDIUS’ HERSCHEPPINGEN.
1. DEUCALION EN PYRRHA.
2. ECHO.
3. NARCISSUS.
4. PYGMALION.
5. ARACHNE.
6. ICARUS.
7. PYRAMUS EN THISBE.
8. PHILEMON EN BAUCIS.
9. PHAETON.
IX. GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.
EERSTE ZANG.
TWEEDE ZANG.
DERDE ZANG.
VIERDE ZANG.
VIJFDE ZANG.
X. ALLERLEI.
1. MEI-RIJM.
2. DE POST-STAKING.
3. NAPOLEON-RIJM.
4. EERSTE LIEFDE.
5. KWAK-RIJM.
6. HET WONDER.
7. O, TELEFOON!
8. OPGEMERKT.
9. STEMMINGSRIJM VAN DOOD EN LEVEN.
10. DE TREINEN ZIJN OP TIJD.
11. HAZEN-RIJM.
12. MENSCH, ERGER JE NIET!
13. OWEEERSWEE OF HET EET-EXAMEN.
14. DE OWEEËRS KRIJGEN LES.
15. LOFLIED OP DE VRIENDSCHAP.
16. HET ANTWOORD VAN ’T MEISJE.
17. WAAR WERD OPREGHTER TROU......
18. EXAMEN-RIJM.
19. AUTO-RIJM.
20. GEMAKKELIJKE BIJVERDIENSTE.
21. HET EENE MERKWAARDIGE.
22. IDYLLE.
23. LENTELIED.
24. OP DE AUTO-TENTOONSTELLING.
25. VOETBAL-HYMNE.
26. HET EENE NOODIGE.
27. LOF DER ZOTHEID. I.
28. LOF DER ZOTHEID. II.
29. DE BLOEDNEUSPROLEET.
30. RECLAME-RIJM.
31. HET ERGSTE.
32. PLAATSELIJKE KEUZE.
33. DE BLAREN EN DE BLADEN.
34. DE NIET-ONBEVOEGDE ZIJDE.
35. HET PLAATSELIJKE BLAADJE.
36. PATRICISCH PROLETARIAAT.
37. KERSTLIEDJE.
38. LEVENSWIJSHEID.
XI. VAN LEVEN EN STILTE.
1. LEVENSLIED.
2. CHARIVARIUS IN DE ALPEN (DE PERS IN DE WOLKEN) .
3. BOSCH-RIJM.
4. STRAND-RIJM.
5. SNEEUW-DAG IN DE DUINEN.
6. KACHEL-MIJMERIJ.
7. DE JONGE BLINDE.
8. BELLO, DE TREKHOND, dien Charivarius, na wat afdingen, voor ƒ 7,50 kocht van een hondenbeul.
9. TREUR-RIJM.
10. TOE, JONGENS, WEEST NIET WREED!
11. DES EENLINGS MIJMERIJ.
12. TWEE-EENHEID.
L’ENVOI.
1. NAAMPIE.
Inhoudsopgave
De tijd van Klara, Bettekoo, van Annemie en Aagje
Is lang voorbij. We volgen nu het voorbeeld van het Haagje.
Zoo’n naampie op een y-tje klinkt zoo fijntjes, zoo coquetjes,
Marie, Christien, Jacoba, Anna, Mina is niet netjes.
We zeggen liever Mary, Tini, Cobi, Anni, Mini,
En Kitty, Nelly, Wimmy, Elly, Florry, Lotty, Stini.
En Jet is veel te burgerlijk, fatsoenlijker is Jetty,
En Jenny, Molly, Henny, Dolly, Enny, Polly, Hetty,
En Maggy, Tilly, Fanny, Lili, Lizzy, Carry, Corry,
En Bini, Betty, Dini, Nettie, Suzie, Emmy, Dorry.
Een jongen heet geen Hein, maar Harry. Jan is plat; zeg Johnny,
En Willem — dat moet Willy zijn, en Toon natuurlijk Tonny,
Dan noem’ we Wijnand Wijnie’ hoor; een ie-tje hebben zal-ie!
Wat moet’ we dan met Albert doen? — Wel, noem den lummel Ally!
Ook Eduard is veel te flink, en Frits en Ferdinand,
Die worden dus tot Eddy, Freddy, Ferry-dear ontmand.
En Gijs wordt Bertie, Bonnie staat voor... drommels ja hoe hiet die?
Gelukkig nog dat Piet voorloopig Piet is en niet Pietie!
Al wat uit Eng’land komt is chic. Ja juist, maar je vergeet,
Dat daar de waschvrouw Mary, en het vischwijf Kitty heet!
2. BROER, ZUS EN MOP.
Inhoudsopgave
De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,
Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.
Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,
Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!
Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,
Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,
Is Hilda, Nora, Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,
De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!
Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,
Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!
Marianne klinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:
De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!
We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,
En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!
Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,
Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.
Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,
En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,
En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,
En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,
En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...
Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.
’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,
Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.
O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!
Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!
3. DE REVANCHE-IDEE.
Inhoudsopgave
Opgedragen aan Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep en Pip en Mans en Tet en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep en Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Snor en Poppie, en Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Topie, en Kiek en Uk en Noep en Tot en Ies en Oot en Mik, en Broer en Zus en Peuter, Poes en Fink en Tik.
Motto: „Verongelijkten van alle ouders, vereenigt u!”
Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,
Neemt op je ouders wreede wraak, want waarlijk zij zijn schuldig!
Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,
Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!
Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,
Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.
Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:
„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”
Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,
Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden!—
En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,
Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.
Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,
Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.
Je weet, dat mamma „uier” is (een oud-latijnsche stam)
En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net als ham, en kam en klam.
Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:
Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,
Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,
Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader... Pap!
Allemaal:
’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot Amsterdam
Van: Mam en Pap en Pap en Mam en Mam en Pap en Mam!!
4. WIJ, DWAZEN!
Inhoudsopgave
„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”
Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.
En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,
Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;
Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,
En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.
Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:
WelEdele, of, deftiger, WelEd. Geboren Heer,
Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengen
Tot WelEerwaarden, ZeerGeleerden, WeledelGestrengen,
Den HoogGeboren Heer of Vrouwe; en — je moet het hooren!—
Die even minder deftig is, die is HoogWelGeboren!
En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,
Wat ben je dan? Medunkt, dan moet je ZeerGeboren zijn!
HoogEdele, GrootAchtbare, Geleerde, ZeerEerwaarde...
Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,
Zoo iemand werd HoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!
En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,
En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’
Hij werd WelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge!—
O, HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbare Heer,
U is geleerd, maar is U ’t Hoog, of is U ’t nog maar Zeer?—
Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,
Voor wie wij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,
Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...
Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.
5. EER EN HOOGACHTING!
Inhoudsopgave
De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,
We doen niet meer aan Edel, Streng, of dergelijke moppen,
Den Waarden Weleer Zeer Geleerden Hooggeboren Heer—
Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.
Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toe
Op Waarde, Beste, Zeer Geacht’ en al dat mal gedoe;
Hoogachtend, Met de meeste Achting, ’k Blijf geheel de Uwe,
Uw dienaar, dienstwillig, dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?
En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,
Omdat hij maar geen keus kon doen uit Lieve, Waarde of Beste!
Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,
Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?
En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”
Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?
Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:
„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezer
Heb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,
Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,
En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.
’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?
Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,
Maar sta je, als je spreekt met iemand, ook zoo gek te doen?
Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!
Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?”—
Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,
En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:
Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,
En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!
6. EEN KAARTJE!
Inhoudsopgave
Wie stuurt er me-n-’n kaartje,
Een kaartje met Nieuwjaar?
Die kaartenstroom, die kaartenvloed
Die doet me ieder jaar zoo ’n goed!
Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?
Och, stuur me maar een kaartje,
Een kaartje met Nieuw Jaar!
Wie stuurt er me-n-’n kaartje,
Een kaartje met Nieuw Jaar?
Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,
En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,
Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,
Ik snak zoo naar je kaartje,
Je kaartje, met Nieuw Jaar.
O, stuur me toch je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar!
Dan heeft de Post wat bezigheid,
December is de slappe tijd,
Zoodat je ook de Post verblijdt,
Begrijp je? met je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar.
Zoo’n kaartje, dat bespaart je
Een langen brief, niet waar?
’t Is dan niet noodig, dat je dicht
Een mooien wensch aan Oom of Nicht,
Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”
Je stuurt ze maar een kaartje,
Je bent veel gauwer klaar.
Dus krijg ik vast je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar?
’k Behandel ’t heusch niet achteloos,
’k Bewaar het netjes in een doos,
En stuur je na een korte poos,
Uit dankbaarheid mijn kaartje,
Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.
Zoo gaat het jaar op jaartje,
Zoo foppen wij mekaar.
De wereld is een poppenkast!
We doen elkander overlast,
Maar ’t hoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...
Och, stuur me maar geen kaartje,
Nee, dank je. Laat het maar.
7. DÎNER À PRIX FIXE.
Inhoudsopgave
Opgedragen aan alle vriendelijke gastvrouwen, door een paying guest.
Laat mijn lustig lied bezingen
Een van d’ allerdolste dingen,
Die in onze nette kringen
Tot den goeden toon behooren,
(Dus je weet al van te voren,
Dat je weer wat moois zal hooren.)
Wie bij vrienden gaat dineeren,
Moet een pop — contant — spendeeren,
Wie bij vrienden gaat logeeren,
Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,
Dokt een gulden, die de meid krijgt—
Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,
Zij ontvangt het; goed — uitstekend,
Maar je weet wat het beteekent:
’t Is bij ’t huren zóó berekend:
„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,
Maar we geven, hm, ja, weet je,
Nog al zoo eens een dineetje...
Bovendien, wij inviteeren
Dikwijls menschen te soupeeren,
Of ze komen hier logeeren,
— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn—
Anders zou je loon wat laag zijn.”
„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”
Antwoordt heel tevreden Keetje.
En na ieder dejeuneetje,
Of dineetje of soupeetje,
Voelt zij al haar handpalm jeuken...
„Och, mevrouw, waar is de keuken?”
Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, en
Ziet hoe Keetje, niets verlegen,
Krijgt, wat zij — wat is er tegen?—
Loons te weinig heeft gekregen.
Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,
Houdt van deftig doen en geurslaan,
Die laat Mina bij de deur staan,
Dat is nog te prefereeren,
Want dan kan geen gast ’t probeeren,
Om ’m stiekempjes te smeren...
Och mevrouw, mag ik het wagen,
U bescheidenlijk te vragen,
Of u wellicht dezer dagen
Eens bij mij wilt komen eten?
Maar dan moet ik zeker weten,
Dat g’ uw beursje zult vergeten:
Komt u bij mij middagmalen,
’k Wil u gaarne goed onthalen—
Maar u mag het niet betalen!
8. ST. NICOLAASKLACHT.
Inhoudsopgave
O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking!
U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking!
O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux,
Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos,
Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht,
Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht;
Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken:
Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken:
Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets,
Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets!
Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!”
En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven;
Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk,
Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk!
„Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven,
De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven).
Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd,
Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt,
(Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”)
Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij,
En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziere
Van wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’.
Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen,
Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen.
Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen,
Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen.
Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen,
Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen.
Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden,
Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden;
Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur,
Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”.
Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever.
Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever:
„Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?”
En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man.
En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen,
En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen...
..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... .....
Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas!
Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!
9. DE LIEVE JEUGD.
Inhoudsopgave
De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan,
Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.
De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm—
O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.
Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn,
Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?
Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!)
Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.
Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens,
Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.
De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang,
In pracht-revues en operettes van den derden rang.
Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek,
Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.
Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol,
Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.
Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd,
De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.
Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg:
Ze zijn te stom voor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.
De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch—
De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.
’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek,
Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.
Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik,
Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.
De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord;
Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.
Zooals ze tot hun ouders zeggen „je” en „jou” en „jij,”
Zoo doen ze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...
O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom,
Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”
10. VERJAARSWENSCH.
Inhoudsopgave
Proeve van een gezellig damesbriefje.
Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind,
Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt,
Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat,
Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat,
Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit,
En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit,
Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk,
Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk,
Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan,
Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan,
Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest,
Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest,
Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet,
Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet,
Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer,
Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer,
O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg,
Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg,
Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk,
Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk,
’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield,
Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt,
Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet,
Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed,
Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt,
Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt,
’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van,
Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man,
Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij,
Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij,
Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word,
Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.
Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbende
KIKI.
11. CELIBATAIRSWEE.
Inhoudsopgave
Beklaag uw ongetrouwden vriend
Niet om zijn eenzaam leven,
Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient!
En dan, bedenk eens even:
Hij heeft het rustig, vrank en vrij,
Hij kent geen aardsche zorgen,
Zijn leven vliet bedaard voorbij,
Hij denkt niet aan den morgen.
Neen. Wat ik heel wat erger vind,
Een last! Om te bezwijken!
Is, als hij bij zijn besten vrind
De baby moet bekijken.
Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al,
Te midden der vriendinnen.
Hij weet niet wat hij zeggen zal—
Hoe moet de hals beginnen?
De dames kussen ’t kind om ’t langst,
Hij weet niet hoe hij staan moet,
Fixeert het wicht in doodlijk’ angst,
Dat hij er ook nog aan moet.
Hij kijkt, confuus, en ongerust,
Naar ’t kind zijn natte lippies...
Daar nadert tante Kee — zij kust
Het op... zijn bloote bippies!
Een oude nicht staat mal te doen,
Ze blaast haar wangen bol op:
„Mijn honkieponkie, nog een zoen!
Ik ben er toch zoo dol op!
Me bommekoppie, koekeloe,
Dada, me dikkedijntje,
Van kielekielekiekeboe,
Trararietjes, trarijntje!
M’n hikkepikkiesnuizepoes,
M’n mollebollebokkie,
M’n rikketikkierobbedoes,
M’n kussemusse mokkie!
Jou pruimepoetepietemis,
Jou honneponnepippie,
Jou krullebollekissebis,
Jou poelekoelekippie!
Waar issie dan, me pootepien?”
— ’t Is of ze met ’r hond spreekt—
Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien!—
Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt!
Nu komt het vreeslijkst oogenblik...
Hij heeft het aan zien komen!
Hij heeft er van gedroomd, met schrik,
In vele, bange droomen:
Hij krijgt het kind op schoot!! Jawel!
Hij durft niet nee te zeggen,
Ik zal er — zoo bedenkt hij snel—
Wat kranten onder leggen...
...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ......
Te laat!! Hij roept de baker, wenkt...
Hij weet niet wat hij ’t meest is,
Boos, of beschaamd, als hij bedenkt
Dat hij ook zoo geweest is!
Ach, mag een schuchter woord misschien
Het eind van dit betoog zijn...?
Ik wil graag al je kind’ren zien,
Maar niet — voordat ze droog zijn!
12. BEÊ AAN NEÊRLANDS GOÔN.
Inhoudsopgave
„Is life worth living?”
’t Zijn verschrikkelijke tijden,
Die het Menschdom thans doorleeft,
Fel geteisterd door een lijden,
Als geen pen beschreven heeft,
Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.
Vrij bleef nog ons goede Holland,
Dierbaarst plekje van onz’ aard!
Vrij! Terwijl Europa dol an ’t
Rennen is, als ’t schichtig paard,
Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.
Maar ook wij hebb’ onz’ ellende,
Op de Vaderlandsche kust:
Circulaires — und kein Ende—
Laten je geen dag met rust,
En bederven je je stemming en je lieve levenslust.
Zit je ergens knus te babbelen,
In een lunchroom of café,
Op je krakeling te knabbelen,
Bij je borrel of je thee,
Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”
Nergens kun je rustig loopen,
In dit dierbaarst oord van d’ aard,
Nu eens moet j’ een bloempje koopen,
Dan weer prikken in een kaart,
En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”
Veel vernuftigs vond deze eeuw al
Uit — tot Last van ’t Algemeen,
Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,”
Fraaier vondst bestaat er geen:
Daarmee hinder je drie menschen tegelijk, inplaats van één!
Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven,
Driemaal, meen ik haast zoowat,
Dan probeer ik stil te blijven
Zitten — net zoo als ik zat...
En den term niet uit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Dankbaar, dat wij veilig bleven,
Goôn! die ons genadig zijt!
Zullen w’, u ter eere, geven,
Blakend van liefdadigheid...
Als gij ons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!
13. RIDDERORDENRIJM.
Inhoudsopgave
„Brave landgenooten! Twee Koninginnedagen zonder lintjes!” (Tel.)
Ik ben een man van beteekenis,
Me dunkt dat dat nu wel gebleken is,
Want Christelijke bladen vallen mij aan,
En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan.
Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten,
Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten,
Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen:
Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen!
Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten,
Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen.
Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt,
Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt,
Of je bent van een heeleboel anderen de oudste,
Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste,
Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeest
Secretaris van de voorbereidingscommissie geweest,
In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt,
Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijd
Zoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne,
Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je.
Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst,
(Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!)
Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte,
Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’,
Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken:
„Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?”—
Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen?
O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen,
Dan zweer ik je dat je mijn eerelint
Op elk exemplaar van mijn kleere’ vindt:
Op rok, op smoking, op pandjes-jas,
(Die nu, zoo als ik verlede’ las,
Het rokcostuum overdag vervangt)
’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt,
Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert,
Daar komt het op uit en het schittert van ver,
Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedaille
Op me kamerjapon, ja zeker, dat zal je,
En ook op mijn grijsruiten zomercostuum,
Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m,
Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld,
Dat ook op het groenende tennisveld
Die zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stem
De sportwereld toeroept met kracht en klem,
In kleurengeluiden hard en schel:
„Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?”
En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden,
Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden,
Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan,
Op straat voor den gaanden en komenden man
Zoo open te dragen: dan hoort hij al dalijk
Als ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk,
Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was?
Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!”
Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat,
Dan staan daar de dagjeslui uit de stad,
In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst,
Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte.
Die menschen nu dienen toch ook wel te weten,
Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten,
Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij,
Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden,
Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden:
„Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid:
Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”
14. DE NETTE MENSCH SPREEKT.
Inhoudsopgave
„Deze dame was jaren lang aangeslagen naar een vermogen van ƒ 25.000. Toen zij stierf liet zij een vermogen na van 8 millioen.” Belasting-discussies.
Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen,
Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen,
Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks;
Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen,
Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen,
Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.
Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig!
Bij mij zijn je geld en je goederen veilig,
Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;”
Maar vragen douanen me naar mijn sigaren,
Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen,
Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.
Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren,
Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren,
Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is;
Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen:
Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,”
Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”
O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje,
Kastanjebruin kind, met je blozende koontje,
En een aartje (goddank!) naar je vaârtje!
O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen...
Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen,
Dat scheelt me de helft in je kaartje.
Op school was ik altijd een eerlijke jongen,
Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen,
Een jongen die doet wel eens méér raar!
Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen,
’k Was eerlijk als goud hoor! — maar als ’k ’t ’m kon lappen,
Bedroog ik geregeld den leeraar.
We maakten er grappen op, soms om te gieren!
We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,”
Ik placht mij er op te beroemen.
Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelen
Met „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen):
Wat nette lui eerlijkheid noemen.
Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen,
En oplichten, knoeien, vervalschen en helen,
Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben,
Dat ik niet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel,
Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel...
Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!
15. DE SÉANCE.
Inhoudsopgave
Daar zitten de zielige stakkers,
Verschillend in rang en stand,
Ze voelen zich broeders en makkers,
Vereend door een spookigen band.
’t Begint met het Largo van Händel,
Dat maakt ze wat melig en mak
Dan zijn ze goed gaar voor den zwendel,
En steek je ze zóó in je zak.
Het medium neemt ze in ’t ootje;
Eerst werkt hij wat op d’r gemoed,
Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje,
Hij raadt het — en soms raadt hij goed.
Hij raadt uit een kam of een kaartje
Of de doode dik, lang was, of kort,
Uit een mes of de scheê van een schaartje,
Of hij veel aan muziek deed, of sport.
„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „als water;
Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?”
„„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „later
Dan merk je wel wat het beduidt.”
„De neus van je nicht was gebogen.”
„„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?””
„Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen;
Dat komt zóó: ik zag d’r en face.”
„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen...
Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!”
„„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen,
Toen verging mij de lust tot een lach.
Dan, plotseling, doet hij je schrikken,
„Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!!
Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken...
Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”
O, zie dat morbide verlangen,
Dat hunkren naar griezel en schrik!
Dien koortsigen blos op hun wangen,
Dien glazigen glans in den blik!
Ze zweven naar hemelsche oorden
Op vleuglen van klank en van taal,
Van wondere, wazige woorden,
Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.
Naar Liefde, naar Schoonheid te streven,
Naar Kunst — alles is hun te laf—
Ze zijn niet tevreê met het leven,
’t Bestaan, zooals God het hun gaf.
Zóó smacht naar de zonne de zieke,
Hij haakt, en hij hoopt en gelooft—
Zóó snakken zij naar het Mystieke,
Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.
Rubini — die wist ze te boeien!
’t Was phenomenaal wat hij deed;
En hoe deed Tagore z’ ontgloeien,
Zacht zingend, als Boeddha verkleed.
Ze hebben hun godsdienst verloren,
Hun ziel is verslaafd aan den soes—
Bij Peters, Rubini, Tagore
Daar vinden ze rust in een roes.
16. IMPÔT UNIQUE.
Inhoudsopgave
STAATSRECHTELIJK-ECONOMISCH RIJM.
De Physiocraten verdedigden de leer van de „Impôt unique”: zij wilden alle belastingen vervangen door één enkele — Charivarius ook.
„Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is niet geoorloofd”. Grondwet, art. 158.
Ja, de oorlog is verschriklijk,
En de tijd als lood zoo zwaar,
Droef, benauwend, onverkwiklijk,
Welhaast onverdraaglijk, maar—
Weet je, wat ik nog veel zwaarder,
Harder te verduren vind,
Veel ellendiger, veel naarder?
Het piano tikkend kind!
Daar begint ie, Jantje of Pietje,
Weg is weer je rust en vree,
Want, als naaste buur, geniet je
Gratis van het goede mee:
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun,
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
Wat een wanhoop, wat een lijden!
Kind, je maakt me stapelgek!
Ongevraagd en onbescheiden,
Dring je door in mijn vertrek.
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun,
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je,
’t Helpt niet of je protesteert,
Door die klanken-duikboot wor je
Rücksichtslos getorpedeerd:
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun,
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
In mijn huis wil ik regeeren,
Kan ’k dan niet uit mijn gebied
Iedereen en alles weren?
Neen! die helsche klanken niet!
Zoo doet dus dit kleine knaapje
Wat de Staat zelf niet vermag,
En zoo is het nietigst aapje
Sterker dan het Staatsgezag!
Och, mevrouwtje! Och, meneertje!
Hebt respect voor ’t instrument!
Staakt de lessen — ik bezweer ’t je,
Want je kind heeft geen talent.
Laat ’m liever leeren schilderen,
Is die kunst soms minder fraai?
Dan voorkom je het „verwilderen,”
En het maakt niet zoo’n lawaai.
„Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk,
Heusch, die ziet er wel wat in......”
Ja mevrouw, dat is best mooglijk,
Maar — de man heeft een gezin!
Zelfs al is hij nog zoo eerlijk:
De verwachting volgt den wensch,
Iedre leerling is begeerlijk—
Ook een leeraar is een mensch!
Eiglijk moet je meelij krijgen
Met het wicht, gekweld, geplaagd,
Door gestadig dringen, dreigen,
Naar het jengelblok gejaagd.
„Weet je, dat je nog studeeren,
Jantje! nog studeeren moet?
Wanneer zal je toch eens leeren,
Dat je ’t uit je eigen doet!”
„Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......”
’t Is al weer gedaan, de pret!
„Zal je nou gehoorzaam wezen?
Gauw: studeeren — of naar bed!”
En daar zit ie weer weemoedig
Op het klavecijn te slaan;
„Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig,
„Jantje is vooruit gegaan.”
Rapper gaan de finkies, rapper,
Door geen aardsche macht gestuit,
Jantje rinkelt, klein maar dapper,
Boven al het praten uit:
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
„Hè, speel nou nog ’s dat stukkie
Voor de jaardag van je pa!”
Jantje draait wat op zijn krukkie,
En hij denkt ’s even na......
„Nee, dat kan ik niet meer spelen,
En ik von d’r ook niks an.
Dit nog eens? ’t Kan mijn niet schelen.”
„Goed; Dan dit nog maar ’s, Jan.”
Dan begint weer ’t zelfde stukkie,
Weer die zelfde nare dreun
Weer dat griezelige stukkie,
Weer die liederlijke dreun......
En ik hoor ’t weer binnen zweven
Op de golven des geluids
Heel die gruwel van mijn leven......
Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!!
En ik wil u wel vertellen,
— ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd—
Maar dat kan ik u voorspellen:
Als hij eens zijn vrijheid heeft,
En, ontgroeid aan moeders zorgen,
Kalm zijn eigen weg mag gaan,
Zult u ’m op een goeien morgen
Bij het rammelhout zien staan;
Al zijn notenboeken kwakt ie
In de verste rommelhoek,
En het klavecimbel smakt ie
Dicht — voor eeuwig. Met ’n vloek.
Want hij denkt aan al die uren,
Die hij weggesmeten heeft,
En ’t zal heel wat jaren duren,
Voor hij u uw schuld vergeeft!—
Wie een huis gaat meubileeren
Voor zijn burgermans gezin,
Wàt ie daar ook kan ontberen—
Een piano moet er in.
Net zoo goed als kommen, kannen,
Tafels, stoelen, canapé’s,
Schotels, borden, potten, pannen,
Vliegenkasten voor het vleesch,
Glazen, lepels, vorken, messen,
Hooikist, poetslap, emmer, tijl,
Kurketrekkers, inmaakflesschen,
Bezem, blik, en doek en dweil,
Voor de lampen lampekappen,
Voor elk venster een gordijn,
Matten, loopers op de trappen—
Moet er een piano zijn.—
Moch ik ooit minister worden,
Dan kwam hier d’ „Impôt unique,”
Tegen die verwenschte horden,
Die pianotikkerskliek.
Mateloos zou ik belasten,
Altijd zwaarder, altijd meer:
Die vervloekte jammerkasten....
Goden! daar begint het weer:
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun,
Telkens weer dat zelfde stukkie,
Telkens weer die zelfde dreun......
enz. ad infinitum.
(Knip uit, arme lezer, en stuur aan je buren!)
17. VISITE.
Inhoudsopgave
Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven.
En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven.
Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed,
Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want het moet.
Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten.
Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten.
Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof,
Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof.
Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen,
Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen.
„’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw?
Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou.
Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen.
Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen.
Als nu de zon maar beter scheen. Die heeft al vrij veel kracht.
Nu is het in de schaduw kil, maar in de zon is ’t zacht.
Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden?
Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden!
En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd;
Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt.
Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten,
Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten,
En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij.
En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij,
Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer.
Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer.
En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar?
Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar!
Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven.
En dan zoo keurig ingericht! Dat schijnt niet te beschrijven......!”
Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt,
Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt.
Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen,
Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluut niets hebt te zeggen.
Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed,
Neen, wat je doet, dat doe je alleen...... omdat ’n ander ’t doet!
18. DE HUWELIJKSRECEPTIE.
Inhoudsopgave
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie,
Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie.
Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaal
Met scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal.
Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig;
Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?!
En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf,
Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af.
Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?”—
— „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maar Piet en hij zijn volle neven!”—
— „Wat hebb’ z’ ook weer bij ons gedaan?” — —„O, ’t een of ander vod.
Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.”—
„En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk;
En moeten wij maar telkens dokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!”—
— „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”.—
— „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt!
Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper!
Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...”
„Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld:
Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar...... geld!
d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten—
En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten.—
De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan,
Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan.
Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen,
Lispt: „Die bedanken! — Deze niet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen.
„Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket!
Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (zusje schudt angstig ’t hoofd)...... wat achteraan gezet......
Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (Zusje, wanhopig, te hard fluisterend): „Nee, hij heeft niks gegeven!”—
— „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (snel tot een zwager) Zoo! hoe staat jou het leven?......”
Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand—
Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant.
Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t rose
Staan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose,
Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend,
Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient.
„Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’
Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1]
’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar,
Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt, dit is de foto maar.
Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie.
En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie.
Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.”
„Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!”—
En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen,
Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen:
B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”,
Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij die slabak ligt!......
En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen:
Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen!
Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht:
Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
[1] Françoise.
19. HET ENKELE WOORD.
Inhoudsopgave
„Als u het hart tot spreken dringt, zoo spreek!” — De Génestet.
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult:
O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld.
Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner,
Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé.
Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat,
Dat jij er aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat.
Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week!
En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek,
Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik...
Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik......
Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag!
Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach......
Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort)
„Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...”
Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluid
Klinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit:
„Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toon
Niet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon...
En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend...
En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend...
De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet...
Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je niet
Maar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord...
Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort...
Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid...
Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid...
Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt...
Dan is dit oogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!)—
Waarop jij... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord...
Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort.
Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end,
Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent.
Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang,
’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang.
„Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak...
De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak...
Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel...
Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel...
De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart...
Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haard
t’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die...
Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie...
Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos...
Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos...
Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt...
Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...”
Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard,
Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart,
En hij blijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toe
De tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe.
En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin;
Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin.
„Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!)
Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht...
’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt...
e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)...
„Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...”
Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend,
Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik,
En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik...
O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet!
En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt,
Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest—
Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest.
Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal,
Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal,
Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf.
Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
20. DE DIEP-BEDROEFDE AANBEHUWDELINGEN.
Inhoudsopgave
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen:
’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen.
Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt,
Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.”
Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen—
En dan het innige geliefde „buiten haakjes brengen.”
Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd,
Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd!
En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t!—
Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.”
O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentieblad
Van iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt!
O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante!
O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante!
Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woord
Van al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.”
’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten,
In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten!
En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend,
Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent.
En gij, die ’t meent...! hebt gij met uw verdriet te koop te loopen
Voor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen?
Is „innig” niet intiem, en stil? Is alle innigheid
Niet met dat grove adverteeren in flagranten strijd?
O gij, die ’t meent...! moet gij met uw geklaag de kranten vullen?
Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen?
Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert?
Dat gij met uw banaal gezwets uw smart... prostitueert?
Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames:
„Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames!
Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog,
Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!”
En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagen
Belandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen!
Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid,
En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
(Stel het vast voor jezelf. Beschrijf het. Laten je nabestaanden het vinden. Do it now!)
21. MIJN BEGRAFENIS.
Inhoudsopgave
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijk
Een brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk.
Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefde
Van zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’.
Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister,
De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister.
De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen,
Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen.
De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen,
Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen.
En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is,
Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is.
En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken:
Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken.
’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen,
En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen:
„Hij was een vriend, in d’ echten zin, een man, waar je op kon bouwen,
Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die man vertrouwen!”
„Ja, wel heel schielijk ging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken,
(’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.)
„Nu was hij in de laatste tijd toch niet meer zoo de oude.”—
„Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!”—
„Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!”—
En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje.
Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten,
’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten.
Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken,
Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken.
Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken,
Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.”
Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houden
Zoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden...
Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijk
Een brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk!
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen......
En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
II. POLITIEKE RIJMEN.
Inhoudsopgave
1. WAT MOET MIJN ZOON WORDEN?
Inhoudsopgave
Leiddraad bij de keuze van een ambt of betrekking.
De liberale zoon spreekt:
„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel,
Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel,
Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij,
Die vinding is... de Christelijk-historische partij.
’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie,
Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie.
Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver.
En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair.
Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan,
Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan,
Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen,
Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen.
Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch,
’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch.
Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts,
Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.”
Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden.
Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden,
En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap.
Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap:
(Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging)
De Christelijke-Oratorium-Vereeniging.
’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren,
Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren.
En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen:
Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen!
„Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch,
Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
2. DE BIJZONDERSTE VOORZIENIGHEID OP HET GEVALLEN BOEKSKE.
Inhoudsopgave
„Tijdens de groote spoorwegstaking, toen dr. Kuyper minister was, wist hij op een gegeven oogenblik niet wat hij doen moest. Als vreemdeling op dit terrein, zocht hij raad voor de te volgen gedragslijn, en hierbij nu zag hij, een heel ander boek uit zijn boekenkast zoekende, en er uit nemende, een klein, dun boekje op den grond vallen, dat hij niet wist dat hij had, en heel niet kende. In dit boekje vond hij de oplossing. Vandaar het succes. Dit is nu de „bijzondere Voorzienigheid.” —
(Heraut).
’t Is staking. Leiden is in last.
Het Licht staat voor zijn boekenkast.
Hij zoekt een boek, om raad, en tast
Met zorg in ieder hoekje;
Daar valt een boekje op den grond,
’t Was heel toevallig dat hij ’t vond,
Hij wist niet eens dat het bestond,
Zoo’n dun, eenvoudig boekje.
O, die beroerde stakingstijd!
De Leider is de kluts wat kwijt,
Hij is in groote moeilijkheid,
Welk pad moet hij bewandlen?
Hij ’s vreemdeling op dit terrein
Welnu, dit boekje, dun en klein,
Zal Nederland ten zegen zijn,
Dat zegt hem hoe te hand’len.
O, Boekske, wees gebenedijd!
U zij mijn lof en dank gewijd!
Bijzonderste Voorzienigheid!
O, wondre, wondre zaken!
Als ’t boekje niet gevallen was,
Waarin het Licht zijn leiding las,
Dan zat’ we nog in het moeras,
Dan war’ ze nog aan ’t staken!
Dus niet door staatsmanskunst of kracht,
Maar door een soort van „Domheidsmacht”
Heeft Kuyper toen het werk volbracht,
— Zijn blad zal wel niet jokken!—
Hij, en de vromen aan zijn zij,
(Er was een echte dom’nee bij!)
Regeerden naar — een loterij,
Wij noemen zoo iets: gokken!
Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur!
Past op, want, dringt t’ onzaalger uur
De Leider zich weer in ’t Bestuur,
Langs politieke bochten,
Als dan god Mars zijn vuisten balt,
En dreigender het schetren schalt,
En... als er dan geen boekje valt,
Dan is ons land gesjochten!
3. DE RAAD DER BEZADIGDEN.
Inhoudsopgave
De heer Bogaerts: „De Eerste Kamer is niet alleen een college van revisie, doch dient tevens door haar bezadigdheid de continuïteit van de wetgeving te waarborgen. Dit element van bezadigdheid mag niet worden miskend.”
De heer van Schaik: „Ik hecht aan het behoud van die Kamer op grond van het daarin gelegen element van bezadigdheid.”
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zing
Op den Raad van bezadigde mannen,
Uit welken bezadigden Kring
Alle wuftheid (bijna) is gebannen.
Bezadigdheid klinkt uit hun taal,
Waar geen felroode vonken uit spatten,
In deze bezadigde zaal
Zoemen louter gedegen debatten.
Bezadigd en zacht is het licht,
En bezadigd het kleed en de stoelen,
In die sfeer van Gezag en Gewicht
Zou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.
Bezadigd zijn stem en kostuim,
Bezadigd zijn blik en gebaren,
Bezadigd zelfs kortswijl en luim—
Bezadigd door stand en door jaren.
Hoe weinig bezadigd of fijn
Is ’t gezegd (of ik moet me vergissen)
Dat ’t enkel de boden nog zijn,
Die die Kamer niet graag zouden missen!
Neen. Net als het nukkige wicht
Het gezag van Papa of Mamma ducht,
Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht,
Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.
Hoog tronen zij — kloek en classiek,
Door de godlijke gunst begenadigd!
Hun nut is wat problematiek,
Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
4. PENELOPE.
Inhoudsopgave
Fragment.
Muze, vermeld mij den man
in ervaringen rijk en in listen,
Die ons beveiligen kan
tegen daimonikoi (paganisten).
Zing mij dan, Muze, de maar’
van de macht en den moed en de hope...!
Droef stond Penelope daar
(in den regel genoemd Penelope).
Droef, want de Meester was weg,
de Kolos, de geweldige strijder,
Daarom, met wijs overleg,
zag zij uit naar een anderen Leider.
Zie, zoo nu gaf de Godin,
de klaar-oogige Pallas-Athena,
’t Denkbeeld Penelope in
van den boog, van den boog van Messena.
Plotseling snelt zij terug,
naar ’t Paleis met den goudenen toren;
Rap, als de vogelen vlug,
haalt zij weg den veerkrachtigen horen.
Als zij, een oogwenk alleen,
zich het hart heeft ontlast van de droefheid,
Spoedt zij ter zale zich heen,
nu getooid met het masker der stroefheid,
En den veerkrachtigen boog
overhandigend hun, die daar wachten,
Noodt zij hen statig en hoog
te beproeven om beurten de krachten.
„Hij, die zijn sterkte bewijst,”
zoo ontsnapt aan den wal harer tanden,
„Krijgt wat hij wil, wat hij eischt,
uit mijn eigene vorstlijke handen.”
En als de zwoegende troep
dan bij beurten den boog tracht te spannen,
Monstert zij peinzend de groep,
en ziehier wat zij denkt van die mannen:
Kolinios bidt en werkt,
en (daar kan de Parteia niet buiten)
Hij wordt door godsvrucht gesterkt,
en door Petroleontische duiten.
Phrysios ook is vertrouwd,
Maar Penelope heeft al berekend,
Dat op de keper beschouwd,
deze Held niet zoo heel veel beteekent.
Haemskarchileus komt daarna,
maar Penelope neemt dien man vast niet:
Hij was een Broeder, nou ja,
maar het degelijk wagenschot was ’t niet.
Idiobyrgias dan?
om de macht van den vijand te fnuiken?
Neen. Dat ’s een eerlijke man,
en zoo iemand is nooit te gebruiken.
Zoo peinsde Penelope,
en de zaalbogen welven zich wijder...
Buiten dreunt dondrend de zee,
en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
5. AAN LIEFTINCK, HET TACHTIGJARIG KAMERLID.
Inhoudsopgave
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde,
Die rustloos werkte heel een leven lang,
Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde,
Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,
En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde,
Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang,
Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang,
Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde—
Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest,
Bezielende ernst met luchten luim te kruiden,
Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!
Nu zal tot ver in ’t vrije vaderland
Met heldre klanken uw geboort-clock luiden,
Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
6. STEMRIJM.
Inhoudsopgave
Waaruit men kan leeren, dat de invoering van het vrouwenkiesrecht aanmerkelijke vereenvoudiging teweeg brengt.
Een jong en aardig paartje,
Gelukkig, schoon getrouwd,
Dee ’t eerste huwlijksjaartje,
— Verstandig, welbeschouwd!—
Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.
Zij was zoo’n beetje kerklijk,
En hield haar godsdienst aan;
Hem was het wat bewerklijk
Om ’s Zondags op te staan
„Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.
Ofschoon ’t haar wel wat griefde,
Ze hield zich wijslijk stil,
En ’t mantelpak der liefde
Bedekte dit verschil;
Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.
Maar na de eerste jaren
Deed hij zijn kiezersplicht;
Ook dat gaf geen bezwaren,
En zelfs geen boos gezicht,
Hoewel hij links was, en haar neiging rechtswaart was gericht.
Zij was in zulke zaken
Verstandig en bedaard;
Zich daarom druk te maken
Was niet de moeite waard:
Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.
Toen kwam de dwang te stemmen,
En ’t kiesrecht voor de vrouw;
’t Begon haar te beklemmen,
Het keurslijf werd te nauw:
Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.
Een bende jongelingen
Hing daaglijks aan de bel,
Om haar naar rechts te dringen,
In termen, forsch en fel:
Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!
Ze loopen, ongedurig,
Vergaderingen af,
’t Gesprek wordt bits en vurig,
Hun leven wordt een straf,
Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.
Weg is de lieve Vrede,
Verbroken is de band,
Het zwaard verlaat de scheede,
De veete-fakkel brandt,
Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.
Daar krijgen plotseling beiden
Een lumineus idee:
Als onze stemmen strijden,
Wint geen partij er mee:
We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!
De goede geest herleeft dus,
Nu zijn ze niet meer boos,
En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dus
Op alle stembureaux
Den zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
III. OORLOGS-RIJMEN.
Inhoudsopgave
1. DE BLOEDGEBEDEN.
Inhoudsopgave
(Verzoek van een Neutraal.)
„Men drukt ons het zwaard in de hand......
Gaat nu ter kerke, knielt neer voor God, en bidt om hulp voor ons dapper leger.”
Wilhelm, I. R.
„Nooit is Engeland met zuiverder geweten ten strijde getrokken dan nu.”
Asquith.
„De kerken in Londen en Parijs zijn vol van de geloovigen, die om de zege bidden.”
N. R. C.
„Antwerpen heden zonder strijd bezet. Gode zij dank gebracht in diepen ootmoed voor dit heerlijk succes. Hem alleen zij de eer.”
Wilhelm, I. R.
...„WOLFSKUILEN zijn kuilen, waarin puntige palen zijn geslagen, met de punt naar boven. Om hen aan het gezicht te onttrekken worden zij met takken belegd, en daarna met dunne zoden bedekt.”
Pioniervoorschrift voor de Infanterie.
Wij leven in een donkren tijd,
Want twee partijen zijn in strijd,
Die ik uit onpartijdigheid,
Vanwege de neutraliteit,
Maar A en B zal noemen.
Den vrede minnen beide teer,
Zij zeggen ’t zelven keer op keer,
Dus daaraan twijfelt niemand meer,
Zij plegen zich er evenzeer
— Terecht — op te beroemen.
En iedren dag stijgt, strijk en zet,
Tot Onzen Lieven Heer ’t gebed
Van A en B, als een duet:
„Wij trekken op, Heer, onbesmet,
Men drukt ons ’t zwaard in handen!
O, God, wees met ons leed begaan,
Help ons den vijand te verslaan,
Op ’t land en op den oceaan,
O, Heer! hoor onze beden aan,
En zie onz’ offeranden!”
Zoo wordt de slachting voorbereid.
En na het winnen van een strijd,
Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!”
Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheid
Ter kerk, in diepen ootmoed;
En knielt, de handen vouwend, neer,
Al preevlend: „God alleen zij d’ eer!
Het is ’t besluit — dat blijkt alweer—
Van Onzen („onzen”) Lieven Heer,
Dat onze vijand dood moet.”
Maar B gevoelt zich martelaar,
En zegt: „Die A is een barbaar,
Hij zocht den krijg, die huichelaar!”
En A weer: „God, het is niet waar,
B lastert. ’t Is verfoeilijk!”
O, A en B, en B en A!
Nu vraag ’k je. Is dat logica?
Kom, laat die race-in-’t-bidden na!
Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ,
Je maakt het God maar moeilijk.
’k Wou, dat je allebei dit onthield:
God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt,
Millioenen A’s ter neer geknield,
En evenzooveel B’s, bezield
Met hoop op steun van Boven;
En A geeft God zijn eerewoord,
Dat hij slechts voor den Vrede moordt,
Voor de Beschaving, enzoovoort...
Als God van B nu ’t zelfde hoort,
Wien moet Hij dan gelooven?
Daarom, Partijen, A en B,
Spreek ik nu ook een woordje mee,
Eenvoudigweg, en recht-door-zee,
Ik zeg het tegen alle-twee,
Omdat ik zoo neutraal ben;
Partijen, A en B dus, hoort
Naar mijn neutraal en nuchter woord,
Behartigt het en zegt het voort,
(’k Hoop niet dat ’t onzen Vrede stoort,
Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):
Rolt, Republiek en Keizerrijk,
Rolt, volkren, u in bloed en slijk,
Dat niets voor Hart of Rede wijk’,
Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!
Dat ’s nu de wet van ’t Leven.
Blijft uw beschavingsplicht bewust:
Vernietigt Kunst naar hartelust,
Kweekt armoe, hongersnood, gerust,
’t Geweten maar in slaap gesust!
Het schouwspel is verheven;
Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt,
Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant,
Zweert „oog om oog, en tand om tand!”
En laat, ter eer van ’t Vaderland,
Uw krijgsgeschreeuw weerklinken.
Verbrijzelt, decimeert, verkracht,
Werpt bommen uit den duisteren nacht,
Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht,
Laat weg en weide, grebb’ en gracht
Van wond- en lijklucht stinken;
Vergiftigt stroom en beek en wel,
Spuit vochten, vlammend forsch en fel,
Roept Satan op tot metgezel,
Vraagt allen machten uit de Hel
Steeds nieuwe kwel-methoden;
Blaast gassen, vol van vuil venijn,
— Het laatste! Prima, extra-fijn!—
Dan zult gij wel tevreden zijn:
Zóó sterft uw vijand, dol van pijn,
Niet één, maar duizend dooden;
Pleegt woordbreuk zonder blik of blos,
Verwoest landouwen, beemd en bosch,
Verspreidt uw helsche mijnen los,
Graaft wolfskuil voor man en ros,
Bindt krijgers aan d’ affuiten;
Zet huis en hof in vlammengloed,
Noemt razernij en moordlust „moed”,
Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed,
Ik vind het allemaal mooi en goed......
Maar toe! laat God er buiten!
2. HET SCHOONSTE.
Inhoudsopgave
„De indruk, dien ik gekregen heb, is overweldigend. De geestdrift der soldaten, die kracht, die moed, welke zich overal openbaren, is het schoonste dat ik ooit in mijn leven gezien heb, schrijft Sven Hedin.”
Tel.
„Zij werden dan met de bajonet er uitgekieteld.”
Brief in de Vossische Zeitung.
„Der Krieg ist im Gegensatz zum Frieden der gröszte Lebenserwecker. — Bestrebungen, die die Abschaffung des Krieges überhaupt zum Zweck haben, sind unsittlich und menschunwürdig.”
Bernardi.
„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,”
Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven:
„Die geestdrift, die kracht en die moed!
De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!”
Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig—
Zijn pen is gedoopt in het bloed.
Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter!
Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter,
En oorlog is haat en venijn!
Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden,
En oorlog is stank van de krengen van paarden,
Verminking, vernieling en pijn!
Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte,
Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holte
Waar d’ arm zat, gescheurd bij de borst?
De wormen zijn nu al den mond ingekropen,
Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen,
Het bloed is gedroogd en gekorst.
De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen,
Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen,
Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd!
Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven.
Een bloedrige klomp is er overgebleven
Van ’t stralende Beeld van de Jeugd.
Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog,
Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog!
Een vinger ligt ginds op den grond;
Daar liggen de stompjes van armen en beenen,
Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenen
Nog zacht uit den stervenden mond.
Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten,
Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten,
Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt!
Omdat een troep veilige hofdiplomaten,
Met seinen en telefoneeren en praten,
Dat eenmaal zoo hebben bepaald.
O, God, onze Vader! Wij danken U allen:
Daar is er net een in de wolfskuil gevallen,
De punt van de paal door zijn pens!
Wij haten hem vurig — geheel naar behooren,
Omdat hij in ’t andere land is geboren,
Een half uur over de grens.
Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen,
Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen,
Je zegt het zoo „eng” en onguur;
Je kan ’t ook met grappige namen betitelen,
De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen”—
In ’t algemeen heet het „Cultuur”.
’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen,
Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen,
Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer?
En als we de bloem van de natie zien vallen,
Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen,
Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”
De beest-mensch in deze verschriklijke tijden
Geniet van het hakken en steken en snijden.
Het schoonste!! Armzalige zot!
Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte.
Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’,
De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!
3. DAPPERE SOLDATEN,
BANGE DIPLOMATEN.
Inhoudsopgave
Gerijmd naar aanleiding van Grey’s genoegelijk déjeuner in het Cecil Hotel te Londen.
„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.”
Emily Hobhouse.
Ze praten zoo goed
Van onsterflijken moed,
Van de dapperheid van de soldaten;
En iedereen vecht
Voor beschaving en recht...
Maar over den vrede te praten,
Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.
Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied:
Koor: Dappere soldaten,
Bange diplomaten.
’t Staat vast, dat ik win,
Dus als ik nu begin,
Dan denken ze, dat ik bek-af ben;
Ik ben niet zoo bang
Dat ’k naar vrede verlang!
Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben?
En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet:
Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet.
Koor: Dappere soldaten,
Bange diplomaten.
Ze durven zooveel
Op het oorlogstooneel,
Waarvan een gewoon mensch zou schrikken;
Schiet ze lam, schiet ze blind!
Moordt er moeder en kind!
En laat er de mannen verstikken!
Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet,
Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.
Koor: Dappere soldaten,
Bange diplomaten.
Zoo’n stichtlijke toast
Wakkert aan, en vertroost,
Verdriet en ellende vergeet je.
En er wordt niet gedacht
Aan ’t gemoord en ’t geslacht
Bij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje...
Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt—
Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet.
Koor: Laffe diplomaten,
Stervende soldaten...
4. ZES DIPLOMATEN.
Inhoudsopgave
(„Het wordt steeds meer duidelijk, dat slechts enkele personen, eenige diplomaten en ministers, de onmiddellijke aanleiding geweest zijn tot de uitbarsting.”—
Chr. N. i. h. Hbl.
„Het is een oorlog door een zes-tal diplomaten veroorzaakt. De volken leefden vreedzaam met elkander, zonder eenigen haat of nijd. Een half dozijn mannen heeft Europa aan den rand des afgronds gebracht, en Europa is daarin gevallen.”—
Ramsay Macdonald in de Cont. Times.)
Wie hebben strijd
En moord bereid,
Giganten-strijd van zóóveel staten?
Zes Diplomaten.
Wie wierpen ’t lot,
Het volk ten spot,
Van gansch Europa, trotsch, verwaten?
Zes Diplomaten.
Wie speelden met
Moraal en wet,
Geheime ententes en tractaten?
Zes Diplomaten.
Wie stookten ’t vuur
T’onzaalger uur
Nog meer door zwijgen dan door praten?
Zes Diplomaten.
Wie stookten ’n zee
Van wereldwee,
Een storm van jammer zonder maten?
Zes Diplomaten.
Wie brachten woed’
En dorst naar bloed,
Wie brachten haat tot wie niet haatten?
Zes Diplomaten.
Wie vulden lucht
En aard, geducht
Met ’t knetrend knallen der granaten?
Zes Diplomaten.
Wie drijven dag-
aan-dag ten slag,
Ten doode, duizenden soldaten?
Zes Diplomaten.
Wie maakten dat
In dorp en stad
De lijklucht hangt in steeg en straten?
Zes Diplomaten.
Wie brengen smart
En angst in ’t hart
Van vrouwen, eenzaam en verlaten?
Zes Diplomaten.
Wie roepen luid
Den volke uit:
Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten?
Zes Diplomaten.
Wie zal ’t berouw
— ’t Koom’ laat of gauw—
Geen stonde lang met ruste laten?...
Zes Diplomaten.
5. AAN CORT.
Inhoudsopgave
Nomen breve, opera longa.
Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven,
Hebt gij met Treub, gij duo van de kracht,
Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven,
En in den chaos orde en rust gebracht.
Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht,
Ook toen in ’t boek van ’t eigen zieleleven
Met scherpe stift het smartwoord werd geschreven;
U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.
En als soms weer, in deze duistre dagen,
Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed,
De geest benauwd wordt, en het harte bang—
Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen:
De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!...
Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.
6. NIEDERLAND! DIE WAFFEN NIEDER!
Inhoudsopgave
Reimchen von ein „scrap of paper” und ein „Stück Papier.”
Trulstra, Substitut-Gesandt,
Ging in Deutschland informieren,
Ob das grosze Vaterland
Niederland wollt’ annexieren,
Wenn — was er wahrscheinlich findt—
Deutschland diesen Ohrlog winnt.
Trulstra war der rechte Mann,
Weil die Hollandsche Regierung
Eiglig nicht regieren kann:
Die ist nur so zur Verzierung.
Trulstra ist Representant
Von das ganze Niederland.
Aber, Trulstra, hör’ mich an,
Warum liefst du thatlig toll weg,
Wenn du kamst von Zimmermann?
Warum nicht zu Bethman-Hollweg?
Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,
Belgien’s Tractat-Formulier!
Trulstra, ehrlich dürt das langst,
Krieg ist grausam, Friede seelig,
Dusz bekenn nur, in dein Angst
Haft du — Niemand nimmt es kwälig—
Die Alliierten unterschatzt,
Nicht neutral das! und misplatzt.
Ein Ding hätt’ ich darum grag,
Gistern schosz es mir zu binnen:
Geh’ nun auch nach England, Trag’,
Falls die Alliierten winnen,
Dasz wir nicht, wenn das geluckt,
Durch Brittannien aufgeschluckt.
Und jezt fältt mir dies noch ein:
Gibt auch Grey so’n „scrap of paper”,
Dann kann Holland ruhig sein.
Und, bekeicht man ’s auf dem Käper,
Wenn kein Feind uns dähren kann:
Wahrfür dient das Läger dann?
Drum, Soldaten, stuhr und stramm,
Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln,
Braucht das Schwert fürs Boszerham,
’s Bayonet für die Kartoffeln!......
Und das Alles danken wir:
„Scrap of paper” — „Stück Papier”!
7. MOEDER, WIL U BABY ROEPEN?
Inhoudsopgave
„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het mooie luchtschip komt......”
(Kernkamp, De Oorlog.)
„Moeder, wil u Baby roepen,
Als dat mooie luchtschip komt,
Dat daar boven alle daken
Verre vliegt, en gromt en bromt?”
„Kind, ik zal je laten slapen,
Als het Groote Monster naakt,
Die je zeien, dat het mooi is,
Hebben je wat wijs gemaakt!”
„Waarom zit u zoo te beven?
Ben u bange voor de nacht?
Zal u Baby zeker roepen......??”
„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”
Baby sluimert. In het duister
Zweeft de Zeplin door het zwerk,
En de moordenaars daarboven
Doen bedaard hun duivelsch werk.
„Zal ’k er maar wat laten vallen?
Dat daar, dunkt me, is een stad,”
„Ja, je kunt het licht probeeren,
’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”
En hij werpt de helsche bommen
Naar beneê met vaste hand,
God ter eer, en voor de Zege
Van het lieve Vaderland.
— — — — — — — — — — — — —
Baby ligt er, bleek en bloedig,
In d’r bedjen uitgestrekt,
Moeder hoeft ’r niet te roepen,
Zeplin heeft ’r doodgewekt......
8. THE HYMN OF HATE.
Inhoudsopgave
„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen,
So recke dich in ganzer Furchtbarkeit!
Zur Liebe ist es später wieder Zeit,
Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!”—
Fliegende Blätter.
Het is wel goed, maar eens oprecht te praten,
Je komt niet verder met schijnheiligheid,
Voor liefde is er later wel weer tijd,
Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten,
Een krijgsman is goddank geen jonge meid!
Voor liefde is er later wel weer tijd,
Nu is er maar één leuze: leer te haten!
De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten,
De liefde schept geen macht en wint geen strijd,
Voor liefde is er later wel weer tijd.
Nu is er maar één leuze: leer te haten!
De leer van Jezus kan ons nu niet baten,
Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid,
Voor liefde is er later wel weer tijd,
Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Wij hebben nu voor alles surrogaten:
Het surrogaat voor liefde is de nijd,
Voor liefde is er later wel weer tijd,
Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Dus luistert, kanselier en diplomaten:
Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt,
Voor liefde is er later wel weer tijd,
Nu is er maar één leuze: leert ze haten!
9. CONSPUEZ!
Inhoudsopgave
„Wat de Argentijnsche schepen betreft, raad ik aan, ze...... spoorloos tot zinken te brengen.”—
Luxburg, Gezant.
Oneerbiedig opgedragen aan Zijn Excellentie Graaf Luxburg.
Luxburg, schoft, je naam zal leven
Tot bij ’t verre nageslacht,
Door den raad, dien j’ hebt gegeven,
En het plan dat j’ hebt bedacht:
„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken,
Wind en weder diene je!
Zorgt dat al de lui verdrinken,
Leve Argentinië!
Laat van ’t ons bevriende landje
’t Schip met man en muis vergaan:
Helpt de lummels maar ’n handje......
Spoorloos! Heb je ’t goed verstaan?
Zie je nog zoo’n stakkerig troepje,
Stijf van schrik, van doodsangst stom,
Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje—
Slaat met ’t heele zootje om.
Zie je ’n drenkeling, even later,
Die zich vastklampt aan een hout,
Prachtig mikpunt: kop uit ’t water!
Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!
Dat geen stervling wederkeere!
Al wat leeft, dat moet kapot;
Moordt er raak op los, ter eere
Van onz’ ouden Duitschen God.
Volgt mijn raad dus; weest verstandig,
Dan bè j’ hartlijk welkom thuis,
En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig,
Een voor één, het ijzren Kruis.”
Luxburg, ’k wil je niet verhelen.
’t Is niet hoffelijk, misschien,
Maar als ’k jou zag vierendeelen—
’k Zou het met genoegen zien!
Van een „Duitschen God” te spreken
Staat je volk volkomen vrij:
Daar is ook — ’t is nu gebleken—
’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.
10. OLIEVERF-RIJM.
Inhoudsopgave
„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.” Wilhelm, I. R. — N. v. d. D.
Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.
„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,
En in mijn dienst vergrijsd,
Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,
In zwaar vergulde lijst.
Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!
Dien ’t menschdom eert en prijst,
Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,
In zwaar vergulde lijst.
Gij, die zoo vaak voor Rus en Serf
De Rijksvaan dreigend hijscht,
Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,
In zwaar vergulde lijst.
Gij zijt den vijand ten verderf,
Wat uw succes bewijst;
Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,
In zwaarvergulde lijst.
„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”
Dat bidt uw Vorst — neen eischt—
Bij dit portret in olieverf,
In zwaar vergulde lijst.
Wat er verbrokle of verscherv’
— Dat maakt Mij nog het blijst—
Niet dit portret in olieverf,
In zwaarvergulde lijst.
Wáárin het mes des tijds ook kerv’
Wááraan de worm ook spijst—
Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,
In zwaarvergulde lijst.
En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,
Mijn Ziel ten hemel rijst,
Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,
In zwaarvergulde lijst.
Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,
Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!
Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,
In zwaarvergulde lijst.”
— — — — — — — —
Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,
En ook geen meer op -ijst,
Vaarwel dus, hoofd in olieverf,
In zwaarvergulde lijst!
11. DE TIEN.
Inhoudsopgave
De Toorts vermeldt met blijdschap, dat een tiental Nederlanders zich bereid hebben verklaard een professoraat aan de Gentsche hoogeschool, in Duitschen dienst, te aanvaarden.
Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar?
Om België’s overweldiger te dienen,
Gij buigt u blij voor den geweldenaar,
Gij, met uw tienen.
Gij zult doceeren in den geest en trant,
Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven,
En zóó den zonen van ’t geteisterd land
Uw wijsheid geven.
Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagd
Gansch België en zijn Koning te bedwingen,
Begint het al zijn weldaân, ongevraagd,
Hun op te dringen.
Hoevelen had men al vergeefs genood?
Het waren de hooghartigen, de sterken;
Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verbood
Gaat gij daar werken.
Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt,
Uw rechten en uw plichten, uw belooning;
Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt,
Hij is uw Koning!
Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf,
Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen,
Die geen Portretten stuurt, in olieverf,
Of Telegrammen.
In dienst van hem, die België heeft geknecht,
Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen,
Een deel der boeten, België opgelegd,
Als loon ontvangen.
Voor wat de vijand aan dat volk misdeed
Zult g’ onderdanig uw bewondring veinzen;
Bij ’t zien van al dat onverdiende leed
Zoet-schmeichlend grijnzen.
Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat,
En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen,
Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaad
Er uitgeworpen.
Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer:
Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’!
Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer—
Hij is uw schande.
12. ’T WORDT WEER AANGEVULD.
Inhoudsopgave
Troostrijm voor den Oudejaarsavond, opgedragen aan De Moeders.
„Tegenwoordig kunnen wij het normale verlies der troepen bijna geheel door de jaarlijksche vermeerdering der manschappen aanvullen.”—
De O. H. Minister van Oorlog.
„I didn’t bring up my boy to be a soldier.”
Amerikaansch liedje.
„Moedertje, vanwaar die tranen?
Heb je zoo’n verdriet?
Heb je niet genoeg te eten,
Brandt je vuurtje niet?”
„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude,
’k Ben gewend aan nood;
’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten,
Maar mijn kind is dood.””
„Dapper heeft uw zoon gestreden,
Kijk maar in de krant;
Schoon is ’t, Moedertje, te sterven
Voor het Vaderland!”
„„’k Lees geen kranten, want mijn oog is
Dof van droefenis;
’k Weet alleen maar dat mijn jongen
Weggenomen is.””
„Maar zijn naam zal in ’t Geschiedboek
Staan, met eer vermeld;
Voor zijn Volk en voor zijn Keizer
Stierf hij als een held!”
„„Voor zijn Volk en voor zijn Keizer
Bracht ’k mijn zoon niet groot;
Roem en eere zijn gebleven,
Maar mijn kind is dood.””
„Troost je, Moeder. Droog je tranen!
Draag het met geduld;
’t Is ’t normaal verlies der troepen,
’t Wordt weer aangevuld.”
13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.
Inhoudsopgave
(„In den Gulden Riddertijd.” — Marlowe-Pisuisse.)
In den gulden riddertijd
Was er schoonheid in den strijd,
Streed men niet in leelijk kakhi,
Maakten handelaars geen zaakie
Uit den oorlog, met profijt—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er stoere eerlijkheid,
Waren er geen persberichten
Om het volk valsch voor te lichten,
Haat te zaaien, haat en nijd—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Raakte men zijn hoofd niet kwijt,
Hooggeleerde professoren
Deden geen betoogen hooren
Mal van oppervlakkigheid—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Trad de ridder kalm in ’t krijt,
En geen dikke telegrammen
Om den moed te doen ontvlammen
Werden onder ’t volk verspreid—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Werd er stevig gerammeid,
Hard geslagen, fel gestooten,
Maar niet met dum-dum geschoten,
Die ’t gebeent’ in splinters splijt—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was op d’ open zee de strijd,
Deden geen verborgen mijnen
Schepen machinaal verdwijnen,
Zonder moed en dapperheid—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er edelmoedigheid,
Was er geen gemeene duikboot,
Die een schip laag in den buik schoot
Als een dief, die ’t daglicht mijdt—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Streed men niet des duivels-strijd,
Wierp geen vliegersvloot in drommen
Vrouw en kind met helsche bommen,
Streed men niet als Satan strijdt—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Bleef men ridder in den strijd.
’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien,
’t Draaien, placht men te verfoeien,
Eens gezeid — dat bleef gezeid!—
In den gulden riddertijd.
In den gulden riddertijd
Was er openhartigheid,
En voorzichtige neutralen
Zwegen niet in alle talen.
Over ’t onrecht in den strijd......
In den gulden riddertijd!
14. „SCHIMPT HEUSCHELIJCK!”
Inhoudsopgave
Leerdicht voor de Belgische dames.
„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende, en die een opmerkelijk gebrek aan takt en opvoeding verrieden. Hare grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.”—
Wolff’s Bureau.
Een jolig, jong gravinnetje
Liep langs de Boulevard,
Een kuiltjen in d’r kinnetje,
Een krultjen in d’r haar.
En naast haar liep haar grootmama,
Daar keek natuurlijk niemand na.
’t Was heusch een lief gravinnetje,
Zoo vriendelijk als de dag,
Maar — nijdig als een spinnetje,
Zoodra z’ ’n Duitscher zag!
Dan uitte ze de grofste taal—
En grootma had dezelfde kwaal.
Daar komt een stramme luitenant,
Hij vult de halve straat,
Echt Pruisisch aan den buitenkant,
Al is zijn hart niet kwaad;
Zijn snorren wijzen, in een boog,
Naar onzen oude, daar omhoog.
Hij doet...... enfin ge kent ze wel—
Luid briest zijn hoog-Germaansch,
Zijn stem is tien percent te schel,
Zijn kleur kalkoensche-haansch;
Zijn blikken schieten twee en veer-
tig centimeters vonk’ — en meer!
„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!”
Roept grootma — veel te luid,
En sist, en trekt een langen neus......
Daar krijscht gravinnetje uit,
Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst:
Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!
Nooit is den luit, zijn leven lang,
Zoo’n smaadheid aangedaan,
Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang......
Maar — ’t komt haar duur te staan:
Ja, dames, ’t is niet na je zin,
Maar...... allebei de bajes in!
Een vrouwenmond staat zelden stil,
Hij kleppert onverveerd,
Maar, dames, àls je schelden wil,
Scheldt dan gedistingeerd!
Waarom is Jonke opgepakt?
Van wege haar gebrek aan takt.
Het lot van ons gravinnetje
Zij u een les, voorgoed;
Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje,
Als g’ ook zoo’n luit ontmoet,
Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer,
Wees u zoo goed en...... explodeer!”
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.