Kitabı oku: «Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen»

Yazı tipi:

Charles Boissevain

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066403249

Inhoudsopgave

VOORREDE.

INLEIDING.

I.

ZIJN JEUGD.

II.

IN ATJEH.

III.

NAAR HET NOORDEN.

IV.

DE TOCHTEN OP DE PANDORA.

V.

MET WOORD EN DAAD.

VI.

DES ZOMERS OP DE NOORDZEE,

VII.

OP DE WILLEM BARENTS.

VIII.

IN DEN MIST.

IX.

IN ’T WESTIJS.

X.

IN ’T KRAAIENNEST.

XI.

IN ’T OOSTIJS.

XII.

LAATSTE WINTER IN HET VADERLAND.

XIII.

’S WINTERS OP DE NOORDZEE.

(VERHAAL VAN BEYNEN)

XIV.

LAATSTE MAANDEN.

BIJLAGEN.

I.

HET LIED VAN DE BARENTS.

II.

HET WETENSCHAPPELIJK NUT.

III.

IV.

VOORREDE.

Inhoudsopgave

Tot mijn vreugde zal door een herdruk van het Leven en Streven van L. R. Koolemans Beynen weder aandacht gevestigd worden op hem en op het doel waaraan hij zijn leven wijdde. Hij heeft ons op de zee gewezen als het oefeningsveld bij uitnemendheid van den Nederlander.

Zeer juist heeft mr. W. H. de Beaufort eens aangetoond, welke de beteekenis van Beynen’s streven was. Hij schreef:

„Mocht gedurende de republiek en zelfs thans nog wel eens, de landmacht zich niet altijd in die waardeering verheugen, waarop zij billijke aanspraak had, de zeemacht bleef nationaal. Van haar spreken de schoonste bladzijden onzer geschiedenis, in haar leven onze dierbaarste overleveringen voort. Zij heeft van de toppen harer masten de driekleur in alle zeeën zich doen spiegelen.

Er zijn op onzen bol geen staten,

Geen werelddeelen of klimaten,

Waar hare roem is onbekend.

Van waar de zon begint te rijzen,

Of weigert schaduwen te wijzen,

Of ondergaande schaduw zendt.

Geen beter oefenschool, geen vruchtbaarder arbeidsveld voor het jonge Holland, dat zich in den kalmen dampkring van rustigen arbeid niet te huis voelt, dan de zee. De nooit ophoudende strijd met wind en weder eischt tegenwoordigheid van geest, kweekt vastberadenheid, leert den roekelooze voorzichtigheid; de voortdurende aanwezigheid van gevaar stemt den lichtzinnigste tot ernst. De strijd met den medemensch verbittert het gemoed, wekt de dierlijke hartstochten op, verwildert den mensch; de strijd met de elementen geeft hem dien ernstigen moed, die kalme onverschrokkenheid, die onversaagd gevaren trotseert. Het zeemansleven heeft ten allen tijde een grooten invloed, een eigenaardig vormende kracht op het karakter uitgeoefend. Wanneer wij de beschrijving lezen, die Beynen ons van zijne Pernisser visschers naliet, dan zien wij de naneven voor ons der Barentzen en Bontekoe’s. En waar Boissevain ons den jongen zeeofficier uit zijne brieven schetst, daar voelen wij dat er verwantschap bestaat tusschen hem en de De Ruiters en Evertsens, de Trompen en de Van Galens. Het is merkwaardig hoe een zoo vrijheidlievende, zoo onafhankelijke volksaard als de onze, zich op zee aan de strengste tucht, aan de meest onvoorwaardelijke gehoorzaamheid weet te gewennen. Wat wij, in Beynens beschrijving van het leven op den Castor lezen, brengt ons onwillekeurig de woorden in herinnering van een onzer zeventiendeeuwsche schrijvers: „’t Is wonder, de hevigste voorstanders van een ongebonden vrijheid besluiten zich gewillig binnen een gevangenhuis van ettelijke planken.”

„Nogmaals, Nederland moge zich gelukkig achten dat het een zeemogendheid is. Het heeft naast zijn oorlogsvloot, zijn koopvaardijvloot en zijn visschersvloot. Daar is plaats op al die honderden kielen voor alle rangen en standen, voor de zonen der aanzienlijken en de zonen van het volk. Reeds stelde de vaderlandslievende belangstelling van velen, enkelen onzer kloeke zeevaarders in de gelegenheid, om in het belang der wetenschap leerrijke ontdekkingsvaarten tusschen de ijsschotsen der Poolzee te wagen. De herlevende ondernemingsgeest onzer kooplieden, moge ook onzen koopvaarders, tot nog toe maar al te veel gedwongen denzelfden koers te nemen, nieuwe vaarwaters aanwijzen, hen nieuwe wegen leeren zoeken.”

Dank zij Beynen hadden de acht tochten van de Willem Barents plaats. In Duitschland en Engeland werd evenzeer als in Nederland gewaardeerd wat jonge geleerden, wat natuurvorschers op onzen kleinen schoener een goed werk mochten verrichten.

Dit vernam ik o.a. van den grooten Huxley.

Het was op een gastmaal van de Engelsche Royal Geographical Society, dat ik naast hem zat. Door lord Northcote, die later gouverneur-generaal van Britsch-Indië werd en toen president was, had ik—als bestuurslid en secretaris der vereeniging, welke jaar aan jaar de kleine Barents uitzond tot onderzoek der Noordelijke Poolzee—den dank ontvangen van de Royal Geographical Society voor het „onwaardeerbaar werk” van de Barents en voor de redding van Leigh Smith, den Britschen Noordpoolreiziger, dien de Barents bij Nova-Zembla had gevonden.

Ik had Huxley alles te vertellen van de Barents… hoe wij jaar na jaar het geld er voor kregen na alom gebedeld te hebben… hoe weinig de regeering hielp, ofschoon wij voor een reeks zee-officieren een voortreffelijke school van zeemanschap openhielden… hoe stelselmatig en geduldig het onderzoek was, en welke voortreffelijke, voorbeeldige jonge geleerden we telkens konden medekrijgen.

Hem was veel van hun werk bekend, en hij vertelde mij toen, hoe hij, evenals Darwin zijn oefening als natuuronderzoeker, de richting aan zijn studie gegeven, geheel dankte aan de lange zeereizen bij het begin van zijn loopbaan ondernomen. Hij zeide:

—„Geloof mij, voor een jongen geleerde is niets beter dan practisch werk op zee. Ik zelf ging, toen ik in 1846 mijn studietijd in Charing-cross Hospital achter den rug had, voor een jaar of wat als „naval surgeon” de zee op.”

En toen begon hij duidelijk te maken, op zijn eigen, kristalheldere wijze, aan mij, den leek, waarom het leven aan boord, het bezoek van verre zeeën zoo goed is voor een jongen natuurkundige.

Dit was sinds lang in mijn vergeetboekje genoteerd, maar ziet het kwam alles in herinnering toen ik vier jaar geleden het verslag las van een hoogst belangwekkende redevoering, welke professor Rudolf Virchow gehouden had over Medical Science, bij de opening van den winter-cursus in Charing-cross Hospital.

Hij hield de tweede van de Huxley lectures, lezingen ter nagedachtenis van Huxley door groote geleerden jaarlijks te houden.

En hij zeide o.a.:

„In Charing-cross Hospital ontving Huxley in rijke mate onderricht in anatomie en physiologie. Dus geoefend aanvaardde hij den post van naval surgeon, en toen hij vier jaar later van zee terugkeerde was hij een volmaakt zoöloog en een scherpzinnig etnoloog geworden.

„Hoe dit mogelijk was zal gemakkelijk door ieder begrepen worden, die uit eigen ervaring weet hoe groot de waarde van eigen, persoonlijke waarneming is voor de ontwikkeling van onafhankelijk en onbevooroordeeld denken.

„Nemen wij een jongman, die op deze wijze een rijke schat opdoet van positieve kennis…. die bovendien zich geoefend heeft in ontleding en in critisch oordeelen. Welnu, aan zulk een jongman geven een lange zeereis en een rustig verblijf te midden van een geheel nieuwe omgeving een onwaardeerbare gelegenheid tot oorspronkelijk werken en diep nadenken.

„Hij wordt dus vrij van het dogmatisme der scholen…. hij is afhankelijk van het gebruik dat hij gelieft te maken van zijn eigen verstand…. hij is gedwongen van elk afzonderlijk voorwerp de eigenschappen en de geschiedenis na te gaan… hij vergeet weldra de dogma’s van stelsels die in zwang zijn, en wordt dus eerst een scepticus en vervolgens een onderzoeker.

„Dus leerden mannen als Darwin—nooit zullen zijn reizen op de Beagle vergeten worden—en als Hunter en Huxley op zee hoe te onderzoeken en te denken.”

Toen ik dit las werd voor de honderdste keer bij mij de oude smart weer levendig over het staken van de Barents-tochten.

Jaar aan jaar hielden wij vol, maar ten laatste konden wij geen steun meer verkrijgen…. de Barents moest hernieuwd of beter nog vervangen worden, maar geld ontbrak… en zoo moesten wij het onwaardeerbaar, het eenig aanhoudend, wetenschappelijk onderzoek der zeeën dat Holland—die zeemogendheid!—ooit deed, opgeven.

Maar, voorwaar niet vruchteloos, heeft Beynen gevoeld, gedacht, gewerkt en het spoor ons gewezen.

Wij hebben onder zijn leiding iets tot stand gebracht. Steeds boden nieuwe zeeofficieren, nieuwe geleerden zich aan. Deed o.a. professor Weber, die zoo heerlijk volhardend zijn zee-onderzoek voortzet, niet zijn eersten oefeningstocht op onzen kleinen Barents! Deed prof. Sluiter niet hetzelfde?

Knappe, eenvoudige, geduldige mannen der wetenschap als zij, die ons vaderland tot eere zijn, waren steeds gereed op het eerste appèl mede te gaan!

Dit alles ligt in het verleden. Maar in het heden klinken nog prof. Virchow’s woorden.

Nog steeds bestaat de vereeniging welke de Barents uitzond… nog steeds zijn leden van het bestuur enkele der mannen, die de tochten van weleer leidden en aanvoerden.

Als er jonge mannen, jonge geleerden zijn, begeerig tot herleving der onderzoekingstochten, die een plan, een denkbeeld hebben, die op Beynen’s spoor tot eere der marine en der wetenschap willen werken, laat hen dan bij deze veteranen der oude tochten aankloppen.

Het ideaal herleeft in Europa! Komt jonge zeevaarders, jonge geleerden, geeft ook een oud en schoon ideaal ons vaderland, een nieuw en krachtig leven!

Doet ge dit dan eert ge Beynen. En nu, 27 jaar nadat ik mijn vriend’s leven schetste, zeg ik nog met dezelfde warme overtuiging van toen, dat geen jonge zeeheld hartelijker waardeering door navolging verdient dan hij.

Drafna. Naarden, Mei 1906.


INLEIDING.

Inhoudsopgave

„Mijn hart en hand

Zijn voor mijn land”.

Spreuk van Tromp.

Het was in Maart van het jaar 1879 dat ik naast mijn vriend L. R. Koolemans Beynen op het dek stond van het mailschip Koning der Nederlanden, waarmede hij de reis naar Indië maken zou. Naar Southampton deden wij hem uitgeleide. De kabels waren losgeworpen, de muziek der koninklijke marine had het volkslied gespeeld en we stoomden langzaam de haven van het Nieuwediep uit.

Plotseling grijpt Beynen mijn arm en zegt: „Kijk eens, daar heb je Albert en de Pernissers!” en terwijl hij met den hoed wuifde en riep: „Dag vrienden, vaartwel! vaartwel!” klonk er tot driemaal een krachtig „hoerah!” van een kleinen schoener, die aanhoudend met de vlag salueerde en op welks dek een twaalftal visschers met muts en roode zakdoek groetten, terwijl zij riepen: „Goede reis! God zij met u! Tot weêrziens!”

„Ze hadden beloofd mij de laatste eer te bewijzen, vóór ik het vaderland uit het gezicht had verloren,” zeide Beynen glimlachend, doch met een traan in het oog; hij sprong op de borstwering van het schip, en zich aan het want vasthoudende, wuifde hij zijne vrienden uit Pernis nog lang en hartelijk toe.

Ik zie hem nog voor mij, gelijk hij daar stond. Het woei hard, doch de zon scheen en verlichtte de Hollandsche duinen. Geruimen tijd keek hij naar het wegdeinend strand, en zijn edel, open, innemend gelaat, uit welks jeugdige trekken levenslust, moed, vastberadenheid en diep gevoel spraken, vertolkten als steeds wat er in zijn gemoed omging. Toen we de kust uit het oog hadden verloren, zeide hij: „dat waren nu die Pernissers, van wie ik je zooveel verteld heb,” en hij begon mij op nieuw, maar nu nog uitvoeriger dan te voren, alles mede te deelen van den tocht naar de vischgronden, dien hij pas met hen had medegemaakt.

De onversaagde, eenvoudige visschers waren in de winterdagen en nachten op de Noordzee zijn vrienden geworden, en het deed hem goed aan ’t hart dat die moedige Hollandsche zeelieden hem op hartelijke zeemanswijze het vaarwel toeriepen bij zijn vertrek uit het vaderland.

De reden hiervan zal ieder begrijpen die Beynen gekend heeft, of die, uit zijn eigen woorden en geschriften, in de volgende bladzijden iets zal vernemen van het leven en streven van dezen jongen zeeofficier. Want zijn hart klopte van de onzelfzuchtigste, reinste liefde voor zijn vaderland, en met geestdrift en volharding toonde hij steeds door daden en woorden, dat volgens zijn overtuiging ons Hollandsche zeevolk de matrozen van De Ruyter en Heemskerck kon evenaren, indien men het slechts dezelfde oefenschool aanbood.

Geen beter bewijs voor de juistheid zijner overtuiging zou hij voortaan kunnen geven, zeide hij mij, dan door te wijzen op het voorbeeld dier beugvisschers, die zeemanschap en bedaarden moed geleerd hadden op de stormachtige Noordzee in het hart van den winter.

Hij schreef aan mijn vrouw, toen hij van den tocht met de Pernissers was teruggekeerd:

„Ik wist niet dat er op onze zeekust zulke edele, oorspronkelijke, stoutmoedige en godsdienstige helden leefden, en het heeft mij meer genoegen gedaan dan ik zeggen kan om met hen kennis te maken. Ze zijn in menig opzicht groote kinderen, doch ze hebben al de machtige hoedanigheden geërfd van onze moedige zeevaders1 in de 17de eeuw, en wanneer ik nu nog denk aan de laatste veertien dagen, dan is het nog of ik een aangenamen droom heb gedroomd en of ik eenigen tijd heb doorgebracht met een troep zeevolk dat onder den ouden Barents zelven gediend heeft. Wanneer we van en naar de vischgronden zeilden, bracht ik de avonduren door in het vooronder, en vertelde ik hun van onze helden der IJszee, en geschiedenissen uit de jaarboeken der hollandsche walvischvaarders, toen deze eenvoudige schippers de eerste ontdekkers waren in het Noorden.

„Dit waren heerlijke oogenblikken, wanneer ik vol ware zeemansgeestdrift was.”

En mij schreef hij: „Ik heb nooit een heerlijker uur doorleefd dan toen ik ’s nachts op dek kwam van de Castor, na in het vooronder een voordracht te hebben gehouden over Barents en wat hij deed. Lieve vriend, ik heb weer eenige Hollanders van den ouden stempel gevonden, die kunnen voelen en handelen, die, in elken zin van het woord, hart hebben.”

Het had Beynen, gelijk hij schreef, aanvankelijk een droom geschenen, toen hij aan boord van de Castor was. Hij had juist zijn verslag van de reis der Barents geëindigd en daarin de daden der groote voorvaderen in herinnering gebracht, en ziet, daar was hij plotseling overgebracht te midden van mannen, die spraken en handelden alsof ze met Barents zelven naar het Noorden geweest waren.

Ik heb Beynen zelden zoo vurig, zoo overtuigend over iets hooren spreken, als hij deed ’s nachts op het dek van de Koning der Nederlanden, toen we langs het Hollandsche en Vlaamsche strand naar Engeland gingen. Het was bitter koud, de zee lichtte en er woei een fiksche bries. Soms waarschuwde de stoomfluit, en week ons schip uit voor visschers, die aan het werk waren op zee, en dan zeide Beynen: „Zie je, dat zijn nu de helden, die het land moeten verdedigen in oorlogstijd. Wat bezit het vaderland toch heerlijke krachten voor zijn bescherming, als ze maar met verstand en zaakkennis en na langzame voorbereiding worden aangewend. Gij lacht mij een weinig uit en zegt dat ik op een van Marryat’s adelborsten gelijk, die uit ijver voor den dienst zijn eigen vrienden den wervers wilde overleveren, maar gij weet immers, dat mijn vrienden met hart en ziel het vaderland liefhebben en vrijwillig zouden dienstnemen, gelijk hun vaderen in 1830 deden. Ja, ik denk natuurlijk het eerst aan onze beugvisschers, de keurbende onzer visschersdorpen, die op stormachtige winternachten door het ijs van hun haven breken en op kleine zeilscheepjes diep in deze zelfde zee steken, welke heden bij de Doggersbank op andere wijze spookt als hier. En op dit prachtige schip, dat, hoe hard het ook waait, als een muur vastligt op de zee, beseft ge niet, hoe ge het thans in een vischsloep zoudt hebben.

„Weet je wat voor mannen die Pernissers zijn?

„Ik herinner mij in 1871 een milicien uit Pernis aan boord te hebben gehad, wiens polsen zoo dik waren, dat wij op het schip geen handboeien hadden wijd genoeg om ons in staat te stellen hem in de boeien te slaan. En ze krijgen zulke spieren, doordien ze van jongs af een beuglijn van 15000 meter, die druipt van ijskoud zeewater, hebben in te palmen.

„Zulke mannen moeten we in de reserve hebben.

„Wien zoudt ge liever aan boord van een van Zr. Ms. schepen op den uitkijk hebben staan: zulk een beugvisscher, of een in enkele maanden tot zeeman bevorderden sigarenmaker, die als milicien aan boord is gekomen?

„Gij moest als ik gezien hebben hoe ze door aanhoudende oefening zulk een scherpziend oog hebben gekregen, dat ze bij donker of mistig weer zeer ver op zee een boot ontdekken en er de beweging van kunnen volgen. Ze kennen alle geluiden der zee, en zouden het zachtste gedruisch van een naderende sloep vernemen, terwijl een ander niets zou hooren dan het ruischen der golven of het klagen van den wind.

„Hoe zouden die eigenschappen te pas komen in oorlogstijd, bij scherpen uitkijk naar vijandelijke sloepen en torpedo-booten! Wat zou het heerlijk zijn om een torpedo-boot of een sloep, met een bemanning van dergelijke visschers, aan te voeren, ten einde den vijand te verontrusten en af te leiden! Zij zijn in sloepen tehuis, want met hun kleine jol gaan zij bij nacht en ontij midden in de zee de jonen inhalen en de lijnen inpalmen, als de beuglijn gebroken is. Wie een beug kan uitzetten en innemen is bij uitstek geschikt, ja, als het ware aangewezen om gebruikt te worden bij het leggen en lichten en verleggen van een touwversperring, mits ze vooraf geoefend zijn in de behandeling der zware trossen. Onze Noordzeevisschers, die na dagen en nachten van hard werken weer geheel versterkt opstaan, als ze in oliepak en zeelaarzen eenige uren op een hoop touwwerk hebben liggen slapen, zijn de ware vrijwilligers der zee in tijd van gevaar. Ze weten overal den weg op de kusten, over de gronden en in onze zeegaten, alsof ze vaste zeeloodsen waren, en in de kennis der stroomen zoowel onder den wal als in open zee worden ze door niemand geëvenaard. Goed aangevoerd door officieren, die hun eigenaardigheden kennen en eerbiedigen, die zij liefhebben en waarin ze vertrouwen stellen, zouden ze tot alles in staat zijn, evenals de Geuzen, die de Spanjaarden, en de jongens van Tromp, die de Engelschen aan boord klampten.”

Zijn stem trilde terwijl hij dus sprak; hij gevoelde ieder woord dat hij uitte, en hij maakte zulk een diepen indruk op mij, dat ik den volgenden ochtend in mijn hut het gesprokene opschreef, om mij den vriend weer voor oogen te brengen als ik twee dagen later in Engeland van hem afscheid zou genomen hebben. Ik ben nu vooral recht blijde dat ik dit gedaan heb, want door dit gesprek mede te deelen doe ik hem beter kennen dan door een lange beschrijving.

Hij had pas de vaderlandsche duinen uit het oog verloren, achter welke hij zijn dierbare moeder, zijn zusters, broeders en vrienden achterliet; hij kon niet weder medegaan naar het Noorden op de kleine Barents welke hij liefhad, en hoezeer hem dit aan het hart ging, behoef ik niet te beschrijven, maar hij morde en klaagde niet; blijmoedig, hoopvol en vol hartelijke geestdrift dacht hij alleen aan de belangen van zijn land en van de marine. Hij wilde dat ik—wanneer zich daartoe de gelegenheid aanbood—een woord zou kunnen zeggen over die belangen, welke hem zoo dierbaar waren, en met bezieling en frissche opgewektheid omschreef hij mij zijn denkbeelden, terwijl wij met den stormpas in den kouden stormachtigen nacht heen en weer gingen op het dek, en hij mij telkens lachend tegenhield, als een onverwacht slingeren van het schip mij struikelend tegen de verschansing deed vallen.

Mijn verhaal van Beynen’s kort maar roemrijk en gezegend leven begin ik met dit gesprek, omdat het den toon aangeeft, waarin hij steeds gesproken heeft. Wanneer men weet wat hij in Atjeh deed en opmerkte, hoe hij op het oefeningsvaartuig de Zeehond zich gedroeg, hoe hij op de Pandora zijn plicht deed en aller harten won, hoe hij in Nederland geestdrift wekte voor zijn plannen, hoe hij als ijsloods de Barents naar het Noorden bracht, hoe hij zich zonder te klagen terugtrok en weder in Indië ging dienen, zal men steeds denzelfden Beynen terugvinden, die aan de marine zijn leven had gewijd, en zijn vaderland boven alles beminde.

Ik heb drie groote stapels brieven voor mij liggen, door hem geschreven aan zijn moeder, aan zijn vaderlijken vriend den Staatsraad Jansen, oud kapitein-ter-zee, en aan mij. Aanhalingen uit die brieven zullen hem doen kennen en door ieder doen liefkrijgen.

Uit de ongekunstelde woorden, welke de adelborst aan zijn ouders schreef, zoowel als uit de eenvoudige taal, waarin de jonge luitenant vertrouwelijk met zijn vrienden op het papier praatte, straalt niet alleen een innemende persoonlijkheid, maar een groot, open karakter ons toe. Men lette op, hoe hij steeds aan anderen denkt, hoe hartelijk hij het voorbeeld bewondert, dat de officieren van zijn corps hem geven, hoe hij, zoowel in de sloep met cholera-lijders op de reede als bij het oprukken tegen den vijand, zoowel onder Engelsche vlag ondervinding opdoende als onder de Nederlandsche vlag pioniersdienst verrichtende, slechts één wensch koestert: steeds het eerst in de bres te springen om het vaderland te dienen.

„O Beynen, je bent een juweel van een jongen!” zeide zijn commandant Sir Allen Young, bij het afscheid nemen na den tweeden tocht in het Poolijs…

„O, Beynen, je waart een juweel van een man!” zal iedereen herhalen, die hem leert kennen uit zijn brieven.


1 „Zeevaders” was een geliefkoosde uitdrukking van Beynen, als hij van de zeelieden der 17de eeuw sprak.↑


I.
ZIJN JEUGD.

Inhoudsopgave

Laurens Rijnhart Koolemans Beynen was de derde zoon van den heer Gijsbertus Johannes Willem Koolemans Beynen en mevrouw Neeltje Johanna Koolemans Beynen, geb. Van der Stok. Te ’s Hage zag hij den 11den Maart 1852 het levenslicht, en na zijn opleiding te hebben ontvangen aan de school van het departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en op de school van den heer Neuman te ’s Hage, legde hij met goed gevolg zijn examen als adelborst af, en kwam hij op het instituut te Willemsoord. Op school, waar vooral de Vaderlandsche geschiedenis hem aantrok, leerde hij veel, doch te huis leerde hij meer. Hij was een der oudsten van een zeer talrijk gezin, en men moet hem van zijn vader en moeder hebben hooren spreken, om te beseffen hoe hij hen liefhad en waardeerde, en hoe hij alles, waarvoor hij geprezen en bemind werd, eenvoudig en met de innigste overtuiging toeschreef aan het voorbeeld en de lessen zijner ouders. Hij werd groot gebracht in een gezin waar liefde heerschte, waar men ernstig, hoopvol en vroom den Allerhoogste eerde door daad en woord, en waar hij vaderlandsliefde en plichtbesef reeds aan ’s moeders knieën leerde. In zulk een atmospheer komen alle edele kiemen tot wasdom en ontwikkelt zich een karakter.

Niets heeft machtiger invloed op kinderen dan het voorbeeld en de groote liefde van hun ouders, en aan Laurens Beynen was niets meer tot steun in moeielijke uren dan de herinnering aan zijn vader, dan de wensch om zijn moeder waardig te zijn en te blijven. Hoe innig hij van zijn vader hield, kan blijken uit een brief, welken hij den 1sten Mei 1874 in Indië schreef. Ik neem er enkele regels uit over, die vader en zoon beiden leeren kennen.

„Goede tijding vond ik hier helaas niet! Het was de eerste keer dat ik in den vreemde een brief van huis kreeg, zonder er vaders hand in aan te treffen. Wel heb ik enkele malen brieven van huis gekregen, waarin vader of moeder, door drukte verhinderd, slechts enkele regels hadden geschreven, maar nooit heb ik geheel en al vaders hand er in gemist. Dit maakt mij bezorgd en ik zie met onrustig verlangen uit naar volgende berichten. Wat zullen die aanbrengen? Een hartkwaal kan lang duren, maar ook een plotselingen afloop hebben, terwijl ik hier niets, totaal niets voor vader kan doen. Ik weet ook niet, of deze keer nu wel die onherroepelijk laatste keer zal zijn; maar toch, ik weet dat iedere herhaling op dien leeftijd, onder die omstandigheden een schrede nader is tot het einde van alles, tot den dood. En toch, die dood, nog onlangs onder zulke treffende vormen hier door mij aanschouwd, moge ons allen een onherstelbaar verlies berokkenen en ons in diepe droefheid dompelen, zeker ben ik er van, ja, zeker, dat die voor onzen geliefden vader geen verschrikkingen meer heeft.

„Wanneer men zoo’n levensbaan achter zich heeft, wanneer men zoo weinig voor zich zelf, zoo veel voor anderen geleefd heeft, wanneer men kan wijzen op zoo’n onafgebroken streng rechtvaardig streven naar wat goed en edel is; wanneer men armen en weezen jaren lang met zoo’n geheele toewijding, met zoo’n groote liefde gediend heeft; wanneer men kan terugzien op een leven, in verschillende richtingen zoo nuttig werkzaam in uitgebreiden kring; wanneer men ruim dertig jaren met zoo’n grenzenlooze liefde ’t hoofd is geweest van een gezin, waarvan bereids vijf zonen de maatschappij zijn ingetreden, slechts strevend de naam van zoo’n vader tot eere te strekken; wanneer men kinderen en kleinkinderen zoo zonder zorgen achter kan laten en ’t geheele godsdienstige leven slechts één voorbereiding was tot dien laatsten stap die voert naar heerlijker sfeeren, waarlijk, waarlijk dan kan men in volle gerustheid uitroepen: „Dood, waar is uw verschrikking?” Moge mijn vader dan ook gerust dat tijdstip zien naderen, toch blijft voor ons, vooral voor mij, zwerver te midden van een koud, hardvochtig wereldburgerschap, die stonde de bangste van het leven.

„Maar laat ons niet ’t ergste vreezen; waar leven is, is hoop en ik zoek weer als altijd troost in dat geheime voorgevoel dat mij steeds influistert dat ik al de mijnen in gezondheid terug zal zien.

„Indien ik nu slechts tijding, slechts spoedig weer tijding ontvang!”

Opgeleid door dezen vader, en door een moeder, wier geestdrift voor het vaderland en wier zachtmoedige vroomheid hem in zijn jeugd op een ideaal van nederige plichtsvervulling en zelfverzaking wezen, groeide Laurens Beynen op als een echte Hollandsche jongen volgens het hart van „Hildebrand.” Hij ging op de catechisatie bij Ds. Gunning, en als hij mij schertsend soms in zijn brieven zijn „schoolvriend” noemde, dan was het omdat ik—doch tien jaar vroeger dan hij—van Ds. Gunning1 mijn godsdienstige opleiding ontvangen had, en wij geheel overeenstemden in onze dankbare herinnering aan dien waardigen en beminnelijken leeraar, wiens warme overtuiging en bezielend woord op ons beiden even diepen indruk had gemaakt. Mijn vroegere leermeester schreef mij kort geleden met aandoening over Beynen: „Op mijn catechisatie zie ik hem nog voor mij, den lastigen, aardigen jongen van wien ik zooveel hield, ook als zijn kleine levendigheden mij soms noodzaakten hem een woord van bestraffing toe te spreken, dat steeds zoo goedig werd aangenomen. Hij kon zoo goed, zoo schrander vragen en twijfelen, en soms opponeeren, maar dan ook eerbiedig en aandachtig steeds naar mijn tegenrede luisteren. Ik hoop óók meê zijn oog naar boven gericht te hebben. Steeds ben ik hem de hartelijkste genegenheid blijven toedragen.”

Wanneer ik nu ten laatste nog in herinnering breng dat dr. L. R. Beynen—de oud-rector der Latijnsche school te ’s Hage—de peetoom was van Laurens Koolemans Beynen, en hem van zijn jeugd af aan tot vriend en raadsman strekte, dan kent men de liefelijke omgeving waarin hij opgroeide. Toen hij met de Barents uitzeilde schreef zijn oom dr. Beynen hem: „Houd God steeds voor oogen. Blijf in ’t geen gij geleerd hebt, wetende van wien gij ’t geleerd hebt. Ga voort met voor vaderland, koning en wetenschap te ijveren en te werken!”

Hij haalde in een brief aan mij die woorden later aan, zeggende: „God, vaderland en koning te eeren is mij sinds mijn eerste jeugd geleerd!”

Op het Instituut te Willemsoord deed hij ijverig zijn best en, gelijk prof. Kan in zijn waardeerend schrijven in het tijdschrift van het Aardrijkskundig genootschap mededeelt, scheen zijn liefde voor de geschiedenis des vaderlands hem daar te zijn bijgebleven. Althans zijn eerste pennevrucht, geleverd voor den almanak der adelborsten, draagt den titel: „Een groot man. Herinnering aan den vice-admiraal Jan Evertsen, gesneuveld in 1666,” en voert het motto: „Examinez ma vie et jugez qui je suis,” woorden, die alleszins bij de beoordeeling van Beynen zelven van toepassing zijn. Overste Steffens, die tegenwoordig commandant van Zr. Ms. opleidingsschip Wassenaar is, schreef mij na Beynen’s dood: „Ik heb altijd veel van hem gehouden, reeds sints den tijd dat ik hem, met het roode kraagje als adelborst, op de schoolbanken van het Instituut voor mij heb zien zitten. Er zat leven in hem. Hij behoorde niet tot de blokkers, maar ik gevoelde dat er uit hem een flink zeeman zou groeien. Toen het bekend was dat hij met de Pandora zou medegaan, heb ik de overtuiging uitgesproken, dat hij daar op zijn plaats zou zijn. Beynen was een voorbeeld voor velen niet alleen wat liefde voor het gekozen vak betreft, maar ook wat bescheidenheid en beminnelijkheid als mensch betreft.”

In het Koninklijk Instituut te Willemsoord bleef zijn aandenken geëerd, en toen de mare van zijn overlijden bekend werd, ontving de kommandant P. ten Bosch reeds den volgenden dag van de adelborsten het verzoek, om het portret van Beynen te mogen plaatsen in hun zaal, als een blijk hunner vereering. En ik kan de verleiding niet weerstaan nog een ander bewijs te geven van de warme toegenegenheid, door Beynen gewekt bij onze flinke aanstaande zee-officieren. Namens het corps adelborsten van het Koninklijk Instituut werd mij, nadat Beynen’s levensbeschrijving in de Gids was verschenen, o.a. het volgende geschreven, waaruit blijkt met welke nobele plannen voor de toekomst onze adelborsten, op Beynen’s spoor, hun schoone carrière zullen beginnen:

„Ik kan u de verzekering geven dat de daden en werken van dien onvergetelijken „Zeeridder” altijd bij ons in levendige herinnering zullen blijven en zijn edele, echt mannelijke persoonlijkheid ons steeds als een heerlijk ideaal, schier onbereikbaar, zal voor oogen staan, als het ideaal van den Hollandschen zeeman, van den zeeman, waardig een eervolle plaats in te nemen in de rijen onzer roemrijke „zeevaders”.”

Nadat Beynen het Instituut verlaten had, waar zijn naam dus in eervolle herinnering wordt gehouden, en waar hij eenige trouwe, hartelijk geliefde vrienden won, maakte hij een oefeningstocht op de Urania, en werd hij, na tot adelborst 1e klasse benoemd te zijn, in September 1871 geplaatst op Zr. Ms. wachtschip de Rijn, te Hellevoetsluis. Zijn eerste zeereis maakte hij in het voorjaar van 1872 aan boord van Zr. Ms. Wassenaer, waarmede hij naar de kust van Guinea ging. Hij werd op de Afrikaansche kust voor het eerst door ijlende koortsen aangetast, waaraan hij later nog enkele keeren lijden zou bij tropische hitte. Op de terugreis naar het vaderland hersteld, ging hij in Augustus van dat zelfde jaar aan boord van de Wassenaer in de Noord-zee kruisen, en kreeg hij gelegenheid Edinburgh en de Schotsche Hooglanden te bezoeken, vanwaar hij aan zijn ouders even aardige als levendige brieven schreef. Maar hij bleef verlangen naar meer bedrijvigheid en moeielijker werk, en zijn vurige wensch werd dus vervuld toen hij in 1873 naar Atjeh werd gezonden.


1 Ds. Gunning—die later hoogleeraar te Leiden werd—was ons een leermeester geweest, wien het zoo geheel ernst was met zijn adspiratie tot den oneindig liefdevollen Verlosser, van wien hij ons sprak, dat hij, in welke opvatting we ook later van hem verschilden, ons onvergetelijk bleef, zoodat ons beider vriendschap voor hem ook ons tot een bracht.↑


II.
IN ATJEH.

Inhoudsopgave

Het was in den tijd, die verliep tusschen het verlaten van Atjeh door de eerste expeditionaire macht en de eerste krijgsbedrijven van de tweede expeditie, dat Beynen op Zr. Ms. fregat Zeeland, onder bevel van den kapitein ter zee Van Gogh (thans in 1879 kommandant der zeemacht in Indië) naar Atjeh gezonden werd.

Aan boord van dit schip schreef hij in Juni 1873:

„Al sedert vier dagen liggen wij op de reede van Atjeh. Onbeschrijfelijk vreemd en doodsch is de indruk, dien men ondervindt als men op een reede komt, waar men niet verwelkomd wordt door allerlei soorten van prauwen van bevriende eilanders met vruchten enz. Wij kwamen dicht bij den vijandelijken wal ten anker. De kust is zwaar begroeid en daarachter ligt hoog bergland.

„Nu stelt gij u zeker voor, dat de toestand hier is als volgt:

„De geheele kust geblokkeerd door de Nederlandsche zeemacht, terwijl Atjeh een nietsbeduidend, in verval geraakt staatje is. Dat denkt men in Holland, maar ’t is mis, geheel mis! Atjeh is niet in verval, en de Atjehers vechten als leeuwen. Het is een groot, sterk slag menschen, die, na hun geweer afgevuurd te hebben, tegen het sterkste snelvuur der Beaumont-geweren inloopen, met twee klewangs gewapend. De kolonialen hebben zich prachtig tegen hen gehouden.

„De Atjehers zijn steeds druk in de weer. ’s Nachts ziet men van het dek al hun nachtvuren tegen de helling der bergen, wat een zeer eigenaardig gezicht is.

„Onze kolonel werkt maar altijd rusteloos voort, met het gevolg dat het hier hoe langer hoe beter wordt, wat de blokkade betreft. Daar een onzer officieren adjudant van den kolonel is geworden, moest ik als oudste adelborst op het admiraalschip officiersdienst doen. Omdat er hier verschillende gevallen plotseling op de wacht voorkomen, zag ik er eerst tegen op, maar ik vond het toch heerlijk. Het was Zondag den 16den Juli 1873 dat ik mijn eerste wacht als officier deed.

„Toen ik op de dagwacht kwam, kreeg ik over—d.i. deelde de naar kooi gaande officier mij mede—dat er in de Malakkastraat een schip even zichtbaar was, doch dat men er nog niets verders van wist. Ik keek mijn oogen uit, maar ik kon niets anders van het schip verkennen als dat het dubbele marszeilraas had, een witten gang en sloepen aan bakboord. Toen ik echter uit het manoeuvreeren begreep dat het schip op de reede wilde komen, liet ik dadelijk den eersten officier waarschuwen. De overste kwam onmiddellijk op ’t dek. Hij wilde juist de officierssloep doen strijken, toen het schip afhield, de Turksche vlag vertoonend, die veel op de Atjehsche gelijkt. De overste, ziende dat het dek zwart van volk was, vertrouwde de zaak niet, en liet de twee groote sloepen bewapenen, die hij door twee gewapende barkassen naar het schip liet sleepen.

„Het was een Turksch schip, Nedjah genaamd, dat, ons salueerend, ankerde onder den vijandelijken wal. Wij maakten meer stoom, lieten de ketting met een boei er op slippen en hielden op de reede op en neder, vlak langs het Turksche schip, met de batterij slagvaardig. Dit alles geschiedde in enkele oogenblikken. De Turksche kapitein kwam aan boord, vergezeld van een Maleischen tolk, en nu bleek het een Arabisch schip te zijn van Mekka, kapitein Mahjeddin, met ruim 450 hadjis aan boord, waaronder veel Atjehers. Daar de kapitein bewees dat hij van de blokkade niets wist, lieten wij hem vrij gaan, doch gaven hem last, zonder eenig verkeer met den wal, onmiddellijk het anker te lichten en de geblokkeerde wateren te verlaten, wat hij deed, terwijl de Siak hem volgde om toe te zien dat hij het bevel nakwam, en de stoombarkassen jacht maakten op prauwen, die het waagden uit den wal te houden om de Nedjah aan boord te komen.

„Wat heb ik het getroffen op mijn eerste wacht als officier!

„Het is nu November en sinds eergisteren waren er goede voorteekenen voor den zoo verlangden N. O. Passaat. Gij kunt u niet voorstellen welk een aangename verrassing het was, toen ik, op dek komend, hedenmorgen zag dat wij in plaats van Z. W. nu N. O. voorlagen.

„Bijna vijf maanden lang hadden wij onophoudelijk Z. W. voorgelegen, en dit gaat hier altijd gepaard met nat, slecht weder, en nu lagen wij, voor het eerst sinds ik hier ben, N. O. en woei ons een heerlijke, koele, droge, geurige wind tegen, terwijl de zon zoo vroolijk en vriendelijk scheen, aan alles kleur en tinten gevende. Zij verdreef de donkere wolken van de toppen der bergen en liet de scherpe kruinen zich sterk afteekenen tegen het hemelblauw. Wat ook heerlijk genoemd mag worden is, dat nu de schaduwen van de zee zijn weggejaagd, ik een blik kan werpen in het heldere blauwe water onder ons, waar tallooze schitterend gekleurde visschen in onze vreugde over de zon en het weder deelen. De hooge steile donkere kust had onmiddellijk een vriendelijken tooi aangenomen. De krachtige stralen der tropische zon drongen in de diepste kloven van het gebergte door, en we zagen die heerlijke groene wouden, welke Insulinde zoo geheimzinnig aantrekkelijk maken. Zacht glooiend liepen de lichtgroene berghellingen, hier en daar door donkerzwart-groen geschakeerd, tot het strand af, waar de zilverwitte branding haar eeuwig lied zong, terwijl haar tot nu toe zoo donderende tonen zachtkens en geleidelijk overgingen in die stille welluidende alleenspraak der fluisterende golven, welke steeds begrepen worden door hen, die smart kennen.

„Hoe heerlijk schoon is God’s schepping, en wat doet het treurig aan dat wij die vruchtbare vallei moeten gaan doorweeken met bloed van inboorlingen en Europeanen.

„Den 17den November moesten wij den wal naderen en werd er een benting door ons beschoten, waaruit batterijen het ons lastig maakten. Wij verdreven den vijand, doch wat mij het meeste trof, was het gezicht van een eenvoudigen kampongbewoner, die onder ons hevigst vuur met echt Indische kalmte en waardigheid op het strand langs de zee liep, terwijl hij met deftige, statige bewegingen met de armen de geheele kustlijn bezwoer, oogenschijnlijk vast overtuigd, dat hij daardoor zijn schoongelegen visschersdorp behoeden zou voor vernieling.

„Ik ben tijdelijk op Zr. Ms. Schouwen overgeplaatst, welk schip deel uitmaakt van het eskader, dat Sumatra’s westkust blokkeert. Het bevalt mij hier aan boord weder zeer goed, vooral daar ik hier officiersdienst doe en ’s morgens en ’s middags van 4 tot 8 wacht heb, wat zeer aangenaam is, daar wij veel zeilen, loerende op drie Turksche schepen, die hier gepasseerd zijn met ammunitie voor Sumatra.

„Den 14de heb ik een grap gehad. Luitenant v. d. Heuvell en ik kregen last om de Karang-Baba-baai op te nemen en in kaart te brengen. De baai ligt bezuiden Atjeh-head, waar onze kommandant de batterijen moest vernielen. Nadat wij twee dagen van ’s morgens vroeg tot donker er mede bezig waren geweest, konden wij de baai in kaart brengen, maar de kommandant wist de plaatsen nog niet waar de batterijen stonden. Nu kreeg ik last om met mijn sloep vlak langs den wal te houden in de hoop dat men op mij zou vuren. Op de vermoedelijke plaats der batterij gekomen, roeide ik vlak den wal in tot voor de brekers op het rif, en wierp daar de dreg in den grond om niet in de branding te geraken. Ik kon nu de Kali prachtig opnemen, doch de vijand was te slim om door schieten zijne batterijen, die in het groen verborgen waren, te verraden. Zelfs toen ik met mijn geweer eenige schoten loste op het strand, hield de vijand zich roerloos. Wind en zee namen toe, en ik hield meer op zee naar luitenant Van Broekhuyzen, die met onze kleine vlet in de golven lag te hakken, zonder er veel vaart in te kunnen krijgen.

„De Atjehers hadden mij echter goed gezien en hielden mij in de gaten, en toen ik den volgenden morgen bezig was aan den Noordhoek van de baai een kreek op te looden, werd mijn sloep van achter de struiken plotseling door een heftig geweervuur beschoten. Ik had last om op te nemen en niet om te vechten en ik ging dus met mijn sextant door, doch toen de vijanden op het strand kwamen en daar bedaard gingen knielen en op hun gemak op mij aanlegden, terwijl een hunner het waagde met de Atjehsche vlag te wapperen, kon ik niet nalaten mijn Beaumont op te nemen en tien schoten op de heeren te lossen, wat genoeg was om het geheele strand schoon te maken, zoodat ik met mijn bezigheid kon voortgaan, ofschoon ze bleven schieten uit het bosch, zoodat er vele kogels over en naast de sloep vielen, zonder iemand te kwetsen. Een paar uur later kwamen we heelhuids weer aan boord.

„Dit was een aardig avontuurtje.

„Alles is nu trouwens genoegelijk, want wij hebben gelukkig onzen inslag uit Batavia gekregen, na 4½ maand eigenlijk gebrek te hebben geleden, zoodat wij nu weer dik beginnen te worden. Gelukkig dat het Roode Kruis ons meermalen bedacht, hoewel er natuurlijk door het groote aantal monden niet veel voor ieder was. Dat weinige zal ik toch mijn geheele leven door blijven gedenken. Ik kan u niet genoeg mijn bewondering te kennen geven over de wijze, waarop de marine tijdens de blokkade groote ellende zonder mopperen doorgestaan heeft. Men kan er zich van verre geen denkbeeld van maken, maar als men weet wat op die kleine scheepjes, vooral op de Westkust maanden en maanden lang geleden is, zonder eenige afleiding of verademing en zelfs zonder voldoend voedsel, dan krijgt men grooten eerbied voor de mannen, die zoo gewillig en blijmoedig hun edelste krachten ten beste geven in het belang van ons dierbaar vaderland. Dat ziet niet op mij; o! neen, dat weet gij wel beter, maar op die kloeke officieren en manschappen, die maanden lang, terwijl ze de kust blokkeerden, met stormweer te kampen hebben gehad op scheepjes, die steeds water schepten, zoodat men—en dat is geen mopje, ik verzeker het u—meer in het water dan op het droge leefde.

„Verschillende equipages zijn dan ook afgewerkt en geheel uitgeput, maar steeds vol goeden moed.

„Dit zijn zaken, die met geen goud betaald kunnen worden, en land en volk zijn en blijven, ook weer bij deze expeditie, aan de marine ontzaglijk veel verplicht.”

De adelborst, die met zulk een geestdrift sprak van de officieren der marine, die hem een voorbeeld gaven; de jonge man, die nooit klaagde en ontevreden was, maar steeds bewonderde en liefhad, zou spoedig zelf de ernstige zijde van het beroep zijner keuze zien.

Op de blokkeerende vloot barstte in December 1873 de cholera uit.

„De gele vlag waait thans ook aan boord van Zr. Ms. Zeeland,” schrijft hij, „en het is steeds een treurig iets zulk een ziekte als de cholera aan boord te hebben van een schip, waar men alles zoo haarfijn hoort en ziet. Ik moet over de reede varen met flesschen karbolzuur om te desinfecteeren, en om choleralijders met de sloep te vervoeren. O! die ziekte! die ziekte! welk een vijand! Soms als ik juist op een schip aanlegde, zag ik een lijk over boord gaan, en het gebeurde ook wel dat lijken voorbijdreven… ’s Morgens deed ieder schip een sein om mede te deelen hoeveel lijders er aan boord waren, en dan voer de boot rond om alle zieken te gelijk over te voeren naar het tijdelijk hospitaal op het eiland Nassy.

„Ik zelf ben met een groot gedeelte van mijn mariniers van den wal teruggekeerd met de cholera. Daar ik het in dienst gekregen had, voorzichtig was geweest met water drinken en mij niet aan noodeloos gevaar had blootgesteld, schikte ik er mij kalm in. Doch mijn arme soldaten zijn door de kogels gespaard om te zekerder door de cholera te sterven. Het peloton, dat ik aan wal aanvoerde, is gedecimeerd. Zoo iederen morgen mis je weer deze of gene van je troep, een vriend of een kennis, en vraag je dan: „waar is die en die?” dan is het steeds hetzelfde: „vannacht op post in elkaar gezakt!” of: „aan de ziekte overleden.” Ik ben echter weer in zooverre hersteld, dat ik de overgeblevenen kan voorgaan.

„Van een mijner vrienden moet ik u echter eerst wat vertellen. Van het begin der expeditie af heeft mijn vriend, de adelborst Schuylenburg, dag en nacht met de ziekensloep gevaren, wat ik slechts een enkelen keer deed. Doch hij kan bijzonder goed met een sloep omgaan, welke hij handig door de branding weet te brengen. Geen moeite is hem te veel; hij biedt zichzelven telkens aan voor het verschrikkelijke werk van het vervoeren der zieken, terwijl men eens zien moest, met welke teedere zorg en oplettendheid hij er voor waakt, dat zoowel choleralijders als gewonden zoo min mogelijk last zullen hebben van de reis in de sloep.

„Heden (11 Dec. 1873) kwam hij bij ons aan boord om zieken af te halen en over te brengen naar de ziekenschepen. Hij en zijn volk hadden in geen drie dagen ander voedsel gehad als nu en dan wat harde beschuit, en hij was niet uit zijn barkas geweest. Wij drongen er op aan, dat hij zich bij ons eens goed wasschen en ferm wat eten zou, doch hij werd te vroeg weer weggezonden. In den afgeloopen nacht was zijn vlet in de hevige branding omgeslagen. Deze vlet is een ondiepe sloep, waarin hij de gekwetsten van den wal naar zijn barkas of de ziekensloep van het Roode Kruis roeit. Toen de vlet vol water was en zonk, gaf Schuylenburg het voorbeeld. Hij en zijn matrozen namen ieder een gekwetste op de schouders, en ze poogden, nu zinkende dan zwemmende, vasten grond onder de voeten te krijgen. Ze liepen het grootste gevaar, maar niemand dacht er aan zijn leven te redden door den gekwetste aan zijn lot over te laten, en ten laatste gelukte het hun den wal te bereiken, zoodat allen gered werden.”

Een halve maand later schrijft hij opnieuw over zijn vriend Schuylenburg, die met hem den aanval op Pedir medemaakte en daarbij gewond werd.

„Mijn vriend, de adelborst Schuylenburg, ging ook mede. Terwijl ik tijdelijk als infanterieofficier optrad, was hij weer bij de ambulance, waarmede hij tot in de voorhoede oprukte. Druk bezig zijnde met de gewonden dadelijk in zijn armen op te nemen, om ze in de tandoes te laten vervoeren, stortte hij neer, door een kogel getroffen, die hem het been verbrijzelde. Ach, wat veroorzaakte mij dit een smart!… Welk geduld toonde hij steeds, als hij op al de ziekenschepen bij beurte plaats vroeg voor zijn kranken en, dikwijls onheusch bejegend, steeds vriendlijk volhardde totdat hij den armen choleralijders een rustplaats bezorgd had. Zulke diensten, als hij steeds bewees, zijn niet te beloonen. Maar juist omdat ze zoo weinig opgemerkt worden zijn ze zoo schoon!”

Deze edele jonge held, die in enkele regels zoo aanschouwelijk wordt beschreven door zijn vriend, overleed aan de bekomen wonde.

Den 31sten Januari 1874 schreef Beynen: „Eergisteren stierf na een allersmartelijkst lijden mijn vriend F. W. Schuylenburg aan de gevolgen zijner bekomen wonden bij Pedir, waarbij bovendien nog dysenterie kwam. De laatste dagen had hij de klem. Zijn overlijden heeft mij dieper getroffen dan ik kan zeggen.

„We hebben hem gisteren begraven in den grond, maar al te duur verkregen en ook door zijn bloed gekocht, hopende, zooals overste Binkes het uitdrukte, dat het voor de ouders eenigen troost zou zijn te weten, dat hij ten minste onder de Nederlandsche driekleur en dus op Nederlandschen bodem begraven ligt. Hij rust in het zeestrand, aan den zoom van het bosch; een eenvoudig kruis met vermelding van naam en datum zal voortaan de plek aanduiden, waar onze brave makker zijn laatste rustplaats vond.”

Tot de helden, waarop ons vaderland fier kan zijn, behoort de adelborst F. W. Schuylenburg. Zijn vriend Beynen heeft in de brieven aan zijn moeder de beeldtenis van dien jongen ridder der zee bewaard, en er voor gezorgd, dat dit voorbeeld van onzelfzuchtige plichtsbetrachting, van hartelijke toewijding aan zijn naasten en zijn vaderland, niet verloren is gegaan.

Beynen was te zamen met zijn vriend Schuylenburg in het vuur geweest, en de beide adelborsten der marine hadden getoond niet alleen op zee hun Koning te kunnen dienen.

Bij de eerste landing der troepen was Beynen echter niet mede gegaan, waaraan we eene aanschouwelijke beschrijving van dat belangrijk krijgsbedrijf te danken hebben. Hij was weer aan boord van Zr. Ms. Zeeland gekomen en aanvankelijk aangewezen om een peloton der landingsdivisie van zijn schip—namelijk het tweede peloton mariniers—aan te voeren. Doch eene noodzakelijke wijziging van dit bevel hield hem aan boord. Hij schreef den 11den December 1873:

„Aan alles komt een einde, en dus ook aan het vervoeren van choleralijders, en zoo brak dan ten laatste de dag van actie aan, waarnaar wij ruim een half jaar lang hadden uitgezien. Den 9den December zou de landing plaats hebben, en dat nu niet op het vorige punt, maar de marine en de transportvloot zouden ’s nachts in de meeste stilte met ongedekte vuren om Pedropunt gaan, ten einde ’s morgens vroeg de troepen aan wal te zetten.

„’s Nachts om 3 uur was het alarm aan boord, en de Zeeland verliet de reede van Atjeh. Het was een heerlijke, kalme, heldere nacht, en verrukkelijk om te zien, hoe al die schepen naast elkander stoomden en bij het doorkomen van den dag op de hun aangewezen plaatsen lagen.

„De marine was in twee divisiën gesplitst: de landings- en de dekkingsdivisie. De eerste, onder den kapitein-luitenant-ter-zee Binkes, zou uitsluitend troepen landen en hen beschermen, terwijl de dekkingsdivisie—bestaande uit de grootste schepen—onder kolonel Van Gogh, door een goed onderhouden granaatvuur de verbindingslijn tusschen Groot-Atjeh en de landingsplaats zou afsnijden.

„Daar twee van onze officieren op de sloepen geplaatst waren, viel ik als oudste adelborst het eerst voor den dienst in en bleef dus aan boord van de Zeeland. Hoe gaarne ik ook in de sloepen was medegegaan, heb ik zulks niet willen vragen.

„Elke dienst toch moet goed vervuld worden en ieder zou natuurlijk het belangrijkste willen bijwonen; ik zou met dezelfde toewijding, zoo het noodig ware geweest, dag en nacht choleralijders vervoerd hebben, als dat ik mijn matrozen had aangevoerd bij de landing, indien mij deze eer was te beurt gevallen.

„Ik bleef dus aan boord. Om vier uur ontbeten wij allen flink met spekpannekoeken en hard brood, en bleven toen tot het licht was geworden in de batterij. Ik had bovendien de wacht als officier; het was dus dien dag gezellig dienst presteeren, en ik troostte mij er mede dat deze dienst wellicht even nuttig was voor het land als menige andere.

„Om negen uur ’s morgens zagen wij de landing plaats hebben. Welk een aantal sloepen! Langzaam maar zeker, gedekt door het vuur van het landingseskader en voorafgegaan door de gewapende marinesloepen, naderden zij den wal onder een vrij hevig schieten van den vijand, totdat eindelijk de sloepen den wal bereikten, en de eerste Nederlanders, door het water wadend, Atjeh’s grond betraden. Ik vergeet het heerlijk schouwspel nooit van die drie of vier eerste mannen, voorafgegaan door een luitenant, die op het land sprongen en onmiddellijk de eerste hoogte bestormden, waar ze handgemeen werden met den vijand.

„Toen de volgende sloepen, onder een goed onderhouden vuur van de marinesloepen en gevolgd door de muziek van de kolonialen, aan den wal kwamen, schaarden soldaten en matrozen zich in linie van bataille en en colonne rukten ze met versnelden pas langs het strand om de West. Zij naderden ons nu meer en meer, en wij zagen de troepen, met de bajonet op, als een glinsterende, kronkelende slang door het bosch en over de begroeide hellingen zich een weg banen, terwijl de voortroep met stormpas vooruit was gerukt en onder onze oogen drie vlaggen van de benting haalde, hetgeen met een driewerf hoezee! vol geestdrift van al de schepen begroet werd.

„Den volgenden morgen werden de marinesloepen naar wal gezonden, met de mariniers, van welke ik er 50 aanvoerde, ten einde de kampong in de rugzijde van den waterkant aan te vallen. Bij hoogwater gingen 25 van onze gewapende sloepen naar land; wij naderden zoo dicht mogelijk en sprongen toen gepakt en gezakt over boord, waadden verder en stelden ons langs de kust op. In goede orde marcheerden wij op, toen ons geseind werd om halt te houden. De vijand had de kampong ontruimd, ze was door onze troepen bezet en wij moesten naar boord terug. Ik mocht dus dezen dag Koning en vaderland nog niet in het vuur dienen.

„Ten laatste mocht ook ik iets doen voor het land, en de eer der marine helpen ophouden. Een paar dagen later werd er ’s morgens geseind, dat gewapende sloepen zich in de Kali moesten samentrekken. Toen de geheele sloepenbrigade gereed was om onder overste Bunnik de rivier op te roeien, vernamen wij dat het gemunt was op Kotta-Djawa, waar de vijand zich met kanonnen verschanst had. Terwijl wij de prachtige rivier opvoeren, hoorden we voortdurend het snelvuur der kolonialen op den oever, en het eigenaardige schrille krijgsgeschreeuw van de Atjehers. Op den bepaalden tijd waren wij voor Kotta-Djawa, waar wij plotseling beschoten werden uit twee bedekte bentings aan weerszijden van de rivier. Verschillende onzer sloepen raakten vast op een versperring, door den vijand in de Kali gelegd, zoodat wij spoedig gekwetsten hadden. De sloepen beantwoordden kalm en goed mikkende het vijandelijk vuur. Onze granaten sprongen onophoudelijk in de bentings. Mijn peloton was aangewezen om de voorhoede uit te maken, en zoo rukte ik met mijn mariniers in tirailleurslinie de kampong binnen, doch de vijand was gevlucht. Elk huis werd doorzocht, doch alles bleek in haast verlaten te zijn. De overste bepaalde nu, dat de mariniers onder kapitein Sutherland aan wal zouden blijven, terwijl de matrozen in de sloepen voor dreg zouden blijven liggen. De benting was ontzaglijk sterk, op zijn Europeesch aangelegd met bomvrij logies. Acht stukken waren op de wallen geplant, terwijl de zwaarste stukken de Kali bestreken. Wij maakten ons bivak zoo goed mogelijk in orde; sloegen hutten op en namen alle mogelijke voorzorgen van veiligheid. Den eersten nacht in het bivak vergeet ik nooit. Gekleed en met de wapens in handen, lagen wij op den grond en deden geen oog toe, daar duizenden muskieten op ons aanvielen. Het was een heerlijke nacht, waarin wij alleen verontrust werden, doordien de vijand boven ’s winds van ons zijn eigen huizen in brand stak, zoodat de rook en groote vlammende vonken over ons bivak heen vlogen. Wij wisten dat wij op een vooruitgeschoven post in het vijandelijk land waren en pasten dus dubbel op.

„Om vier uur was het reveil, en de luitenant-ter-zee Van Stein werd met mij en tien mariniers op verkenning uitgezonden. We kwamen terug met twee schapen, geiten en een slachtos, zoodat we ons van een voldoenden voorraad versch vleesch voor ons kleine troepje hadden voorzien. Vervolgens moest ik met een corvée een weg naar de Kali kappen, de bamboeheggen herstellen en het bivak voltooien. ’s Avonds had ik van 6–12 uur de wacht, en sliep toen tot 4.30, zonder dat de muskieten mij den slaap konden ontrooven.

„Om zeven uur kwam een kapitein van den Staf de rivier op en meldde aan onzen kapitein, dat het halve derde bataljon vooruitgezonden was, eerst om de zuid en dan op het kompas om de west. Een kompagnie van ons moest derhalve om de oost trekken, ten einde deze troepen te ontmoeten en hun den weg naar de benting te wijzen.

„De kompagnie, waarvan ik het tweede peloton van 60 man aanvoerde, begaf zich dadelijk onder bevel van kapitein Sutherland op weg, en ik moest weer de voorhoede uitmaken. In behoorlijke orde met spits, voorwacht, hoofdtroep en zijdekkingen marcheerden wij op. Het moest langzaam gaan, want het terrein was zeer bezwaarlijk. Ik was echter zoo gelukkig een meer open terrein te vinden, dat om de oost liep en dat volgden wij nu een eind ver, totdat wij in sawahvelden uitkwamen. Hier liet de kapitein mij met mijn peloton, dat het meest rust noodig had, als steunpunt achter, waarop hij kon terugtrekken, en hij marcheerde verder. Toen de kapitein uit het zicht was, deed ik een ronde langs de postenketen en ontdekte een pad in het bosch, dat onbezet was gebleven. Ik liet daar een dubbelen post achter en maakte een patrouille om het terrein iets meer te verkennen. Plotseling hoorden wij iets, en, in het groen verscholen, verkende ik een troep van 14 kolonialen, die van het pad langs de Kali waren afgedwaald. Het waren allen neger-soldaten, maar ik wist mij toch begrijpelijk te maken en hun den weg te wijzen. Om 11 uur kwam de kapitein terug, zonder onze troepen ontmoet te hebben, en nu trok ik met mijn peloton in oostelijke richting op, terwijl het eerste peloton onder den kapitein en luitenant Van Stein zich op mijn plaats opstelde.

„Ik moet bekennen, dat, toen ik mij te midden der sawahvelden op onbekend terrein bevond, wetende dat alles wat nu geschiedde op mijn verantwoordelijkheid was, dit mij wel eenigszins een vreemde gewaarwording gaf. Maar ik bracht mij in herinnering alles wat ik mijzelf geleerd had van hetgeen een infanterieofficier in zulk een geval moet doen, en dan steunde ik op mijn beetje gezond verstand en bleef dus maar kalm, terwijl ik behoedzaam voortsloop, van elke bedekking gebruik makende. Toen ik een goed terrein vond om mijn hoofdtroep in stelling te laten komen, liet ik halt houden. Ik had in de verte een gong gehoord en liet, na posten uitgezet te hebben, een patrouille onderzoek instellen. Ze kwamen met het bericht dat we in de buurt van een grooten kampong waren, wat ik al gedacht had door de menigte klapperboomen, welke ik zag.

„Daar ik zekerheid wilde hebben of die kampong bezet of verlaten was, besloot ik er mij zelf van te overtuigen, om zeker te zijn dat ik niet door overdreven berichten op een dwaalspoor wierd geleid. Met vier oude soldaten kroop ik door de hooge halmen en naderde uiterst behoedzaam den boschrand. Eerst zag ik een kat, toen een hond, en ten laatste hoorde ik duidelijk stemmen in den kampong. Ik wist nu genoeg en trok terug op onzen hoofdtroep om den kapitein te waarschuwen en zijn orders te vragen. Een mijner zijposten, die tusschen twee sawahvelden op den uitkijk stond, werd toen echter iets gewaar, en nu zag ik een paar zwarte kolonialen, gevolgd door een Europeesch sergeant, uit het bosch kruipen. Wij verkenden elkander spoedig, en ik liet mij bij den Overste Engel, die dicht achter de spits marcheerde, brengen, wien ik mededeelde dat ik tot een compagnie mariniers behoorde, die last had zijn troepen te ontmoeten. De overste was verblijd dat wij elkander ontmoet hadden, daar hij den vorigen dag een vergeefschen tocht gemaakt had, en zeide dadelijk tot mij: „Mijnheer, ik wensch u hartelijk geluk met ons behaald succes!” waarop ik niet veel wist te antwoorden.

„Ik schrijf dit alles zoo uitvoerig om mij later al die kleine bijzonderheden te kunnen herinneren, daar ik dit de belangrijkste gebeurtenis vond tijdens mijn verblijf in de vallei van Atjeh.”

De 21-jarige adelborst had dan ook wel reden om dit eerste onafhankelijk optreden in herinnering te houden. De ontmoeting in dit uitgestrekte, onbekende, moeielijke terrein, nadat enkel op het kompas gemarcheerd was, had plaats juist zooals gewenscht was, en het kalme beleid, waarvan in het eenvoudig verhaal blijken genoeg voorkomen, kenschetst vooral den jongen zeeman, die op zijn gezond verstand vertrouwt. Twee dagen later werd op hetzelfde terrein een transport met begeleidende troepen overrompeld en vernietigd.

Na twee keer in het vuur te zijn geweest, nam Beynen deel aan een aanval op de hoofdplaats van het rijk Pedir op de Noordkust, waar zijn colonne het acht uur lang hard te verantwoorden had, bij welken aanval de adelborst Schuylenburg de wond kreeg, waaraan hij overleed. In sloepen waren ze de rivier opgeroeid en, na aan wal gestapt te zijn, slaags geworden met den vijand, die zoowel hun linker als rechter flank omtrok en van achter boomen en struiken op hen vuurde.

„De vijand kwam nu opzetten,” schrijft hij in een brief van 1 Januari 1874, „en vocht ongelooflijk dapper; als ik het zelf niet gezien had, zou ik het bijna niet gelooven hoe zulk een voorvechter tegen ons pelotonvuur kwam inloopen, al dansende en springende en met zijn twee klewangs zwaaiende, totdat hij dood nederstortte. Sneller en met grooter overmacht naderde de vijand. Nu moesten alle mariniers gaan liggen en enkel de onderofficieren en scherpschutters voortreden. Kalm en juist begonnen zij snelvuur te geven. Dit hielp ontzaglijk. Achtereenvolgens zagen wij die dappere kerels, gewond, waggelend vooruitsukkelen en eindelijk languit in het zand tuimelen. De artillerie konden we niet in positie krijgen door den aard van het terrein, dat een moeras was. Intusschen daalde door de eb het water meer en meer in het ellendig riviertje, en we moesten dus met de booten aftrekken, als we die niet op het droge wilden laten. De vijand beschoot ze reeds, en er vielen gewonden. We trokken dus terug naar de booten en de mariniers deden dit op de meest uitmuntende wijze. De sloepen moesten door de rivier worden getrokken door matrozen, die tot het midden in het water liepen. Dit vorderde langzaam, zoodat ik met mijn sectie ruim een uur achter de dijkjes stand moest houden. Hierbij verloren wij twee dooden en twee gekwetsten. Nu waren de sloepen behouden en trokken wij langzamerhand terug, al vurend, door moerassen, kreken en bijna ondoordringbaar nipa-nipa, meer dan eens tot over de borst door den modder wadende. De geest onder de soldaten bleef steeds even voortreffelijk. Ten laatste kwam er een echt tropische regenbui, en we liepen te rillen in den modder, maar de regen verdreef den vijand, wiens kruit op de pannen van zijn vuursteengeweren nat werd. We hebben toch flinke soldaten! Met zoo weinig volk, in zulk terrein, terwijl de rivier ons in den steek liet, zoo te retireeren, zegt wat ten voordeele onzer manschappen, die ordelijk, bedaard en vroolijk bleven. Het was een branitocht, en onze generaal Van Swieten gaf er een speciale dagorder voor. Intusschen vind ik het hoogst onaangenaam dat mijn eerste ernstige ontmoeting met den vijand een terugtocht moest wezen. Maar ik kon er niets aan doen. Het is een treurig gezicht zoo zijn manschappen te zien neerstorten, maar het gevecht animeert onbegrijpelijk. Van mijn sectie zijn er velen gevallen. Wij voerden onze gesneuvelde krijgsmakkers mede naar het schip en zetten hen den volgenden dag in zee met militaire eerbewijzen over boord. Wat mijn dappere mariniers aangaat, men mag mij met de derde sectie, voor mijn part, gerust overal heenzenden; ik vertrouw volkomen op hen en zij op mij. Doch terwijl ik eenige dagen gewone dienst op de reede deed, zijn mijn mariniers, helaas! zonder mij weer naar den wal gezonden.

„Het dooden van zijn medemenschen is echter een smartelijk, een verschrikkelijk werk.

„Ik heb daarbij grooten eerbied voor die wilde natuurmenschen, die met zulk een opoffering en moed het schoone land dat zij bewonen, verdedigen.

„Het is mijns inziens een hoogst noodzakelijke oorlog, maar uit een menschlievend oogpunt meer dan treurig, en ik vind het verschrikkelijk, dat dit dooden van dappere kerels noodig is voor ons vaderland. Doch wij zijn de dienaars van vorst en regeering en zullen onzen plicht betrachten als een braaf zeeofficier betaamt.

„Soms ziet men echter veel, wat zeer pijnlijk is en het hart doet krimpen.

„Na de bloedige bestorming van Moesapi vond men te midden der gesneuvelde Atjehers het lijk van eene beeldschoone inlandsche vrouw. In de eene hand klemde ze nog een lans, in de andere een klewang. Een kogel had haar in het hart getroffen.

„Terwijl de troepen zegevierend verder trokken, begroeven onze matrozen de gesneuvelden. Al de Atjehers gingen samen in één grooten kuil. Doch toen ze die schoone vrouw daar zagen liggen, die voor haar land gesneuveld was, bedekten ze haar met een kleed; geen onvertogen woord, geen grap werd gehoord, doch zonder dat hun iets geboden was, groeven ze uit eigen beweging een afzonderlijk graf voor haar. Mij schoten de woorden te binnen van Wolfe:

„Slowly and sadly we laid her down,

On the field of her fame fresh and gory,

We carved not a line, and we raised not a stone,

But we left her alone WITH HER GLORY”.

„Als ware zij eene Hollandsche vrouw, had die heldin haar land lief.

„Moge ons land met nauwgezetheid van geweten dit rijk besturen, dat door de natuur zoo rijk begiftigd is. Moge dit geschieden in het belang van het vaderland, maar voornamelijk in het belang van die moedige, onwetende inboorlingen, die tot nu toe onderdrukt en uitgezogen werden door vreemde overweldigers. Moge het bloed van onze dapperen niet tevergeefs zijn gestort, en geen toestand worden geboren, waarvan een weldenkend mensch gruwt. Eerst als ik daarvan zekerheid heb, zal ik van ganscher harte deelnemen in de vreugde, welke op het oogenblik geheel Nederland zeker gevoelt over de inneming van den Kraton. Die inneming moet een zegen worden voor Atjeh, gelijk ze een roemvolle bijdrage is tot de geschiedenis van het dierbare vaderland!”

Wie drukt den adelborst, die dus gevoelde en aan zijn moeder schreef, niet in gedachte de hand?

Beynen bleef nog eenigen tijd te Atjeh aan land, doch ten laatste waren er van de 200 man niet zoovele meer ongewond en gezond, dat het veilig was hen daar te laten. Zij werden weder aan boord gezonden, en Beynen kwam juist bijtijds om de laatste eer te helpen bewijzen aan zijn vriend Schuylenburg, die den 29sten Januari overleed. Den eersten Februari overviel Beynen de geduchte Indische koorts. Tien dagen lang herhaalden zich de aanvallen, die hevige congesties veroorzaakten. Het schip was vol zieken; er kon weinig notitie van hem genomen worden, doch ieder deed recht hartelijk wat hij vermocht.

„Terwijl ik daar ziek en moedeloos nederlag, hoorde ik boven mij op ’t dek een dagorder van den generaal voorlezen. Ik luisterde, en toen ik hoorde dat de generaal ons mededeelde, dat hij na de inneming van den Kraton uit Holland tal van telegrammen had ontvangen om hulde te brengen aan de opofferingen en dappere daden van zee- en landmacht voor Atjeh, kan ik u niet zeggen hoe heerlijk te moede ik was. Ik werd eerst ijskoud en de tranen sprongen mij uit de oogen. Zulke oogenblikken in het soldatenleven vergoeden veel, zeer veel. Wat zijn er dan ook vele opofferingen door onze dapperen gedaan, wat zijn er schoone daden verricht!

„Het was dien dag een gelukkige dag. Ik kreeg twee brieven van huis, en onze beste, brave kolonel Van Gogh kwam mij opzoeken, met dit gevolg dat ’s middags de dokter naar mij toekwam en zeide: „Hoor eens, Beynen, dat gaat zoo niet! De kolonel heeft mij over je gesproken en we hebben gemeend dat verandering van lucht en afwisseling onmisbaar voor je zijn. De frissche zeelucht moet je genezen. Overmorgen gaat Zr. Ms. Soerabaya naar Batavia en dat reisje moet je niet als officier, maar als passagier medemaken. Dan ga je in Batavia in ’t hospitaal en zoodra je beter wordt, ga je naar boven (d.i. naar het gezondheidsetablissement Gadok, op de grens der Preanger), om te zien of je geheel herstellen kunt!”

„Gij ziet hoe men voor mij zorgt, maar ik vind het erg onaangenaam zoo de expeditie te moeten verlaten, in plaats van op Zr. Ms. Zeeland, met vlag en wimpel van top, Atjeh te verlaten als alles afgeloopen is, mais qu’y faire!”

De zeereis en de frissche berglucht der Preanger maakten dat de koorts en dysenterie ten laatste overwonnen werden, doch het gestel was zoo geschokt, dat hij naar het vaderland werd teruggezonden.

De geneesheeren stonden niet toe dat hij door de Roode Zee ging, uit vrees dat de hersenkoorts dan terug zou keeren, zoodat hij de reis per zeilschip om de Kaap de Goede Hoop maakte, en den 21sten November 1874 in Holland terugkwam.

Te St. Helena van een bezoek aan het graf van Napoleon aan boord terugkeerende, ontving hij het bericht dat zijn door hem zoo innig geliefde en vereerde vader overleden was. Hij was nog zwak, en de smartelijke tijding trof hem zoo diep, dat hij de rest van de reis in zijn hut doorbracht.

Een bijna vrouwelijke teederheid onderscheidde dezen moedigen en heldhaftigen jongen! Wat hij in de eenzaamheid zijner hut gedurende de lange reis overdacht, en waartoe hij besloot, zal blijken uit het volgende deel van zijn leven, waarvan ik nu enkele bijzonderheden ga mededeelen.


III.
NAAR HET NOORDEN.

Inhoudsopgave

Voor niemand is ’t verborgen:

Ons heden draagt ons morgen

Ontkiemende in den schoot;

De wilskracht spreekt uit ijver,

Maar—faalt zij—trots den drijver

Voert dommelzucht ter dood!

Gedacht,—gewerkt,—gebeden!

En vroegst en jongst verleden

Zijn lessen afgevraagd,

Tot uit het schemerduister

Voor aller oog de luister

Eens nieuwen morgens daagt!

Het heeft mij vaak leed gedaan dat Potgieter, die in deze en zoo vele andere regelen zijn volk opwekte tot mannelijke daden, niet de vreugde genoten heeft van Beynen te leeren kennen. Deze was een jongen naar zijn hart, die, de traditie eerende, aan heden en verleden lessen vroeg, om met al de kracht, die in hem was, te werken voor een grootsch ideaal.

Er waren woorden van Potgieter, welke Beynen van buiten kende.

Laat mij er enkele van aanhalen:

„Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het rechtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren olijftak in…”

„Er was een tijd, dat de Hollandsche vlag werd begroet als de meesteresse der zee, waar ook ochtend- of middag- of avondlicht de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin hare vlootvoogden den bezem op den mast mochten voeren, dewijl zij, naar de krachtige uiting dier dagen, de zee hadden schoongeveegd van gespuis; en in een der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden hebben welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd!”

„Er was een tijd, waarin de Hollandsche handel den moed had, de boeien te verbreken, hem door den beheerscher der beide Indiën aangelegd, en, stouter nog, de ongenade van ’s aardrijks uithoeken braveerde om eenen doortocht te vinden, „door natuur ontzegd;” een tijd waarin de winzucht een adelbrief verwierf, door hare verzustering met de wetenschap;—stel u voor, God verhoede dat het ooit gebeure! stel u voor, dat Java ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte, en zeg mij werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij dan hare zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders in Noord- of in Zuid-Amerika betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer in China nog herinnert; wie ons in Australië kent?”

Deze regels waren Beynen uit het hart geschreven. Hij eerde de Oliviers van Noord, de Jacques le Maires, de Barentsen met de warmste geestdrift: hij had Prins Maurits er lief voor, dat hij het octrooi der Groenlandsvaart aan onze koene zeelieden verleende; hij eerde even hartelijk de Oranjes in het harnas voor ’s lands veiligheid en vrijheid strijdend, als de groote zeekapiteins voor ’s lands welvaart en grootheid aan het roer.

Hij had innigen eerbied voor de handelaars en reeders van Holland’s gouden eeuw, die het mogelijk maakten dat zoovele schepen op avontuur uitzeilden, „omdat zij er hun breeden rug onder zetten,” gelijk hij zoo eigenaardig, met een glimlach kon zeggen. Hem wekte ons verleden tot krachtsinspanning, en sinds den eersten dag, dat hij zelfstandig dacht, werkte hij voor zijn ideaal: de wereldzee arbeidsveld als weleer; de poolzee kweekschool van zeemanschap en ondernemingszucht.

Wat hij als jong adelborst had opgemerkt, versterkte hem in deze gevoelens.

Hij had al zeilende en vechtende telkens meer liefde gekregen voor de Nederlandsche marine, en zijn wapenbroeders in het schoone corps, waartoe hij de eer had te behooren, zullen uit de enkele brieven, welke ik van hem aanhaal, zien, welke geestdrift de kennis, moed en zeemansdeugden der officieren van de koninklijke marine bij hem opwekten.

Doch hij merkte op dat, door het schier uitsluitend varen op stoomschepen over bekende wateren, en het ontzenuwend dienen in den Indischen archipel het scheepsvolk veel zeemanschap en vooral veel zeemansgeest had verloren. Met het oog hierop wilde hij dat toch elke richting zou gevolgd worden, welke als tegenwicht kon dienen tegen het noodzakelijke, maar minder leerzame dienen en rusten in Indië, ten einde dus de eigenschappen en krachten te kweeken, die het zeevolk van Tromp en De Ruyter onderscheidden.

In de eerste plaats achtte hij daarom verkenningstochten in de Noordelijke IJszee noodig, als bij uitnemendheid geschikt om bij koninklijke marine en handelsvloot nieuwen zeemansgeest te wekken.

Hij had niet veel gelezen over dit onderwerp, toen hij in Nederland terugkeerde, maar hij had dit denkbeeld als bij ingeving. Hij wist nog weinig, maar dacht des te meer. Zijn zucht om naar het Noorden te gaan was aanvankelijk slechts een onbestemd verlangen, en op het zeilschip, dat hem naar zijn dierbaren huiswaarts bracht, bleef hij er steeds aan denken, hoe het hem mogelijk zou wezen zijn ideaal te bereiken en iets voor zijn land en de marine te doen.

Te huis gekomen, wendde hij zich in Februari 1875 tot den kapitein ter zee, M. H. Jansen, staatsraad voor marinezaken, wiens roemrijke loopbaan als zeeofficier en wiens geloof in de Noordpoolvaart, als kweekschool voor de marine, Beynen bekend waren. Hij vroeg den kolonel of hij hem niet het voorrecht kon verschaffen met een der Engelsche expeditiën naar het Noorden te worden gezonden… doch men hoore hoe kolonel Jansen mij deze eerste ontmoeting zelf in een brief mededeelt:

„In het vroege voorjaar van 1875 werd mij een kaartje binnengebracht waarop stond: L. R. Koolemans Beynen, luitenant-ter-zee, die mij wenschte te spreken. Ik had zijn naam nooit vroeger gehoord. Met vriendelijk, modest, innemend gelaat vroeg hij mijn hulp om een reis naar de poolgewesten te maken.

Dit nam mij nog meer voor hem in; maar mijn sympathie daalde toen ik hem vroeg of hij iets van de groote gevaren en moeielijkheden kende, en er wat over gelezen had, en hij ten antwoord gaf: neen, niets!

„Nu zeide ik: neem dan eerst deze boeken naar huis mede, lees ze aandachtig en kom daarna nog eens terug.

„Ik gaf hem al mijn boeken over ijsvaart mede van 1595 tot op onzen tijd, waarmede hij blijkbaar gelukkig wegging. Veertien dagen later kwam hij zijn verzoek herhalen, want, zeide hij, „nadat ik de boeken met ongeduld verslonden heb, is de aandrang in mij nog veel grooter geworden om naar het Noorden te gaan.”

Zijn wensch werd vervuld. Wel waren al de plaatsen op de Alert en Discovery—de schepen door de Engelsche regeering naar het Noorden te zenden—reeds bezet, doch kolonel Jansen had in April, van zijn vriend den geograaf Clements Markham,—nu Sir Clements Markham en oud-president van het Britsche Aardrijkskundig Genootschap—vernomen dat de beroemde noordpoolvaarder Sir Allen Young voornemens was in Juni een ontdekkingstocht te gaan maken in de Noordwestelijke IJszee. De heer Markham vroeg aan Jansen: „Can you suggest the name of a Dutch officer with the necessary tastes and qualifications who would, with the sanction and approval of his government, like to accompany Captain Allen Young on his Arctic Voyage?”

Kapitein Young schreef ook aan kolonel Jansen, zeggende: „Knowing the great interest that His Majesty the King of Holland has so graciously taken in scientific matters and also that the Dutch nation has always taken so prominent a part in the explorations of the Northern Seas, I write to you to say that I should feel much honored if his Majesty the King and his Excellency the minister of marine should desire to appoint an officer to accompany my expedition with the view of studying the navigation of the Western arctic Seas.” Z. M. de koning gaf het gevraagde verlof en de minister van marine Van Erp Taalman Kip werkte met hartelijke belangstelling mede, daar hij den jongen luitenant in staat stelde om Sir Allen Young’s uitnoodiging aan te nemen en met hem op de Pandora een ontdekkingsreis te gaan maken.

Hij had zich hiertoe zooveel mogelijk voorbereid, door onder leiding van kolonel Jansen alles wat op de ijsvaart betrekking heeft, te bestudeeren, en uit zijn verslagen kan men bespeuren hoe grondig hij onmiddellijk de wetenschappelijke studie der pooltochten heeft opgevat, eer hij de praktische ervaring ging opdoen, welke zijn land ten goede zou komen.

Hij bekommerde zich niet om hetgeen een reis op de Pandora hem zou kosten maar rustte zich voor eigen rekening uit, en verkocht daarvoor „een papiertje,” zooals hij lachend zeide. Terwijl hij op reis was droeg kolonel Jansen zorg dat hij bij zijn terugkeer „het papiertje” weer zou kunnen inkoopen, waartoe eenige belangstellenden de som vergrootten, welke Mr. O. F. baron Groeninx van Zoelen reeds vroeger, in een schrijven aan het bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap, had aangeboden, wanneer een officier der Nederlandsche marine op een poolschip mocht medegaan om zich in de ijsvaart te oefenen.

Het heeft moeite genoeg gekost om Beynen, die schier al te weinig om geld gaf, over te halen dit bedrag aan te nemen. Zijn ijver om mede te gaan kan blijken uit den volgenden brief aan mij van kolonel Jansen: „Door een toevallig verzuim was de toestemming van kapitein Young mij zeer laat ter hand gesteld, zoodat ik niet dacht, dat er voor Beynen nog tijd genoeg zou zijn, om zijn uitrusting in gereedheid te brengen. Ik was dan ook op het punt van kapitein Young voor zijn vriendelijk aanbod te bedanken, toen Beynen juist bij mij kwam. Acht dagen, zeide hij, is meer dan ik noodig heb om mij gereed te maken. Wij gingen dadelijk naar den minister van marine, die evenwel ’s konings toestemming niet wilde vragen, zonder zeker te zijn dat kapitein Young met Beynen genoegen nam. Toen zeide Beynen: Mag ik naar Londen gaan, om het hem te vragen? De minister vond dat goed. Het was toen 3 uur en te 5 uur voer hij reeds naar Harwich en keerde den volgenden dag terug, zonder te denken aan de kosten, en na hetgeen hij voor zijn uitrusting noodig had, op aanwijzing van kapitein Young, in Londen besteld te hebben. Zoo was Beynen.”


Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
17 ocak 2025
Hacim:
268 s. 15 illüstrasyon
ISBN:
4064066403249
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar