Kitabı oku: «De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal»
D'Arbez
De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403621
Inhoudsopgave
VOORWOORD.
HOOFDSTUK I.
Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken.
HOOFDSTUK II.
Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip.
HOOFDSTUK III.
De reis van de Stavenisse.
HOOFDSTUK IV.
De schipbreuk.
HOOFDSTUK V.
Een beraadslaging en de gevolgen daarvan.
HOOFDSTUK VI.
Donkere dagen.
HOOFDSTUK VII.
Er komt hulp.
HOOFDSTUK VIII.
De reis naar de Baai en de aankomst aldaar.
HOOFDSTUK IX.
Vier maanden een lekker lui leven.
HOOFDSTUK X.
Een zeeman tegen wil en dank.
HOOFDSTUK XI.
Een goed plan.
HOOFDSTUK XII.
Het bouwen van de boot.
HOOFDSTUK XIII.
De reis naar en de aankomst te Kaapstad.
HOOFDSTUK XIV.
Het onderzoek.
HOOFDSTUK XV.
Katrijn verandert van plan.
HOOFDSTUK XVI.
De reis van de Centaurus.
HOOFDSTUK XVII.
Het verhaal van de jonge Fransman.
HOOFDSTUK XVIII.
De reis van de Noord.
HOOFDSTUK XIX.
Twee brieven van belang.
HOOFDSTUK XX.
Van zeeman tot boer.
HOOFDSTUK XXI.
Donkere dagen.
HOOFDSTUK XXII.
Een onverwacht bezoek.
HOOFDSTUK XXIII.
De Kommandeur wordt profeties.
HOOFDSTUK XXIV.
Een nieuwe vijand.
HOOFDSTUK XXV.
Een oude kennis.
HOOFDSTUK XXVI.
De dood van Kapitein Knijf.
HOOFDSTUK XXVII.
De laatste zeereis van de dochter van de Zeekapitein.
HOOFDSTUK XXVIII.
De dood van Katrijn.
HOOFDSTUK XXIX.
Besluit.
VOORWOORD.
Inhoudsopgave
In dit boekje heb ik tot zulk ’n bedrag op de Bank van de Fantasie getrokken, dat ’t misschien niet onnodig is om mijn lezers te vertellen, wat er waarheid, en wat verdicht in is, te meer, daar deze serie van boeken, de naam van Zuid Afrikaanse Historie Bibliotheek draagt.
De gebeurtenissen betrekking hebbende op ’t vergaan van de Stavenisse en ’t bouwen van de Centaurus zijn zuiver histories, evenals de reis van de Centaurus naar Natal en de geschiedenis van Drakenstein, voor zover in dit werk behandeld.
De Kapitein van de Stavenisse heette werkelik Willem Knijf, en IJsbrand Hogesaad was de Eerste stuurman. Natuurlik had de Stavenisse ’n tweede en ’n derde stuurman, maar of ze MacIntosh en Abraham Hartog heetten, dan wel Jan Klaassen en Piet Hein, kan ik niet zeggen. Ook was er ’n opperbootsman, maar deze heb ik willekeurig Willem Tuijl genoemd.
De namen van de Engelsen in Natal zijn histories juist.
Heeft de held van dit verhaal Abraham Hartog ’n verdichte naam, hetzelfde is ’t geval met Katrijn Knijf, de heldin. Of de Kapitein ooit ’n dochter gehad heeft, is mij onbekend, maar zeer zeker is ’t, dat die dochter nooit op de Stavenisse was, toen deze strandde: Katrijn is ’n zuiver produkt van mijn verbeeldingskracht, en ik hoop, dat ze deze geen oneer zal aandoen.
Dat ’n meisje als zij, van jongs af aan op zee opgegroeid, ’n rein, prakties karakter had, is niet onnatuurlik en dat zij zo gemakkelik de overgang maakte van ’t zee- tot ’t landleven, laat zich uit dat karakter begrijpen.
Minder natuurlik is misschien die overgang van de zijde van de jonge Hartog, maar we zouden ’t niet moeilik vinden om voorbeelden uit de tegenwoordige geschiedenis van Zuid-Afrika aan te halen van mannen, die zonder vorige ervaring de boerderij hebben uitgeoefend en daarin uitmuntend zijn geslaagd. Ik moet echter erkennen dat ’t geluk Hartog biezonder gunstig is geweest.
Als er onder mijn lezers of lezeressen sommigen mochten zijn, die iets van ’t zeewezen afweten, zullen ze zich wellicht verwonderen, hoe ’n bootsman zo snel tot Kapitein opklom, maar in de oude dagen, toen Nederland en niet Engeland de zee beheerste, waren zulke gevallen niet zeldzaam.
Als slechts één voorbeeld mogen wij de naam noemen van Michiel Adriaanszoon de Ruyter, de grootste vlootvoogd, die Holland en zelfs Europa ooit gekend heeft, en die van scheepsjongen, admiraal werd.
Met deze verklaringen biedt de schrijver het publiek dit boekje aan en hoopt dat ’t een waardige mededinger mag worden van “Mooi Annie”, dat, naar de ervaring heeft geleerd, het geliefkoosd boek is, niet alleen van de jeugd van Zuid-Afrika. maar ook van ouderen van dagen.
D’ARBEZ.
HOOFDSTUK I.
Waarin wij met Vader en Dochter bekend raken.
Inhoudsopgave
Er zijn mensen in de wereld, die zich tot de ongelukkigen van de Aarde rekenen, en die zelfs als het hen goed gaat, steeds blijven mopperen en klagen en niets anders kunnen doen dan alles van de donkerste zijde te beschouwen.
Zulk een man was schipper Willem Knijf. Het is waar dat hij veel te doorstaan had gehad, maar niet minder waar, dat meer dan eens zijn leven op wonderbaarlike wijze gered werd. Evenwel scheen het eerste steeds in z’n geheugen te blijven en vergat hij ’t laatste te gemakkelik.
Willem Knijf was een Zeeuw van geboorte en zover hij wist, waren zijn voorouders steeds zeelieden of dochters van zeelieden geweest.
Eén Willem Knijf was ’n Watergeus geweest en had als bootsmansmaat op ’t admiraalschip van Willem van der Marck op 1 April 1572 deelgenomen aan de verovering van den Briel; later, in 1588, had hij als eerste stuurman van Van Heemskerk ’t zijne bijgedragen tot ’t vernielen van de Spaanse Onoverwinlike vloot.
Een ander, Jan Knijf, was tweede stuurman op ’t schip van Piet Hein, toen deze de Zilvervloot veroverde.
De grootvader van onze Willem Knijf had toen hij reeds ’n oud man was, als kapitein van ’n schip, de oude Tromp geholpen om de Noordzee van de Engelsen schoon te vegen. Doch de vader van Willem Knijf hield niet van oorlogen, maar had zich op de walvisvangst begeven, en was verscheidene jaren kapitein van een walvisvaarder geweest; Willem’s moeder was de dochter van ’n stuurman, in de dienst van de West Indiese Kompanjie.
Onze Knijf die geboren was in ’t jaar 1630, had reeds op twaalfjarige leeftijd ’n tocht met zijn vader naar ’t Noorden meegemaakt.
Op die tocht drong de stoutmoedige kapitein door tot ver in ’t Noorden langs de Westkust van Groenland, voor die tijd ’n zeer gevaarlike onderneming. Zijn moed werd echter beloond, want toen hij eindelik de steven zuidwaarts wendde, was ’t ruim van zijn schip geheel met traan gevuld en stonden zelfs vaten daarmee, vastgesjord op ’t bovendek.
Maar langs de kust van Labrador stootte het schip op ’n ijsberg en werd zodanig beschadigd dat het de kapitein slechts met grote moeite gelukte om ’t vaartuig op ’t vlakke strand te zetten. De gehele bemanning werd gered en ook de kleine Willem.
Daar het weer mooi bleef, was men in de gelegenheid om alle proviand, de zeilen en masten aan land te krijgen, en tevens een groot deel van de traan. Maar daar ’t reeds laat in ’t najaar was en de strenge koude zich geweldig deed gevoelen, bleef er niets anders voor de bemanning over dan op de woeste kust te overwinteren.
Een plan door een van de stuurlieden geopperd, om te trachten over land de Hollandse volkplanting Nieuw Amsterdam (tans New York) te bereiken, werd door de kapitein als te gevaarlik, van de hand gewezen.
Van de zeilen en masten maakte men twee tenten en daarin bracht men zo goed mogelik de winter door.
Twee kachels waren uit ’t schip gered en er was genoeg drijfhout aan ’t strand te vinden, dat als brandstof dienst kon doen.
Lampen, gevuld met walvisolie verschaften licht in de nacht en ook op de niet minder donkere winterdagen.
Maar beschutting, brandstof en licht zijn niet voldoende om de mens in ’t leven te houden, daartoe is voedsel ook hoogst nodig. Er was genoeg proviand op ’t schip geweest om de bemanning te voeden, totdat men de kust van Nederland weer bereikt had, maar niet voor de zeven maanden lange wintertijd van Labrador.
Schoon de kapitein de rantsoenen zoveel mogelik verminderde, zou waarschijnlik de hongerdood het lot van allen zijn geweest, ware ’t niet, dat men er in geslaagd was om ’n aantal ijsberen te schieten en tevens veel wilde ganzen en andere zeevogels.
Gebrek aan groenten deed echter de gevreesde scheurbuik uitbreken onder de bemanning en voor ’t einde van de winter stierven vijf hunner, terwijl het dubbele van dat getal ziek lag.
Gelukkig kwam in Mei van ’t volgende jaar ’n Deense walvisvanger langs de kust van Labrador, op de terugreis naar Copenhagen en slaagde men er in, signalen met deze te wisselen en ’n overeenkomst te treffen, waarbij de Deense kapitein aannam om tegen afstand van de overgebleven vaten traan, de bemanning van ’t Hollandse schip mee te nemen naar Denemarken. Van daar viel ’t de bemanning gemakkelik Holland te bereiken.
Op zijn twaalfde jaar had dus Willem Knijf reeds enige gevaren van de zee ondervonden. Doch hij was hierdoor niet afgeschrikt en maakte nog verscheidene reizen met zijn vader mede.
Toen Willem 18 jaar was, stierf zijn moeder en kort daarop besloot de jonge Knijf op eigen wieken te drijven, nam dienst bij ’n rederij, die z’n schepen naar de Levant of Middellandse Zee zond, en klom daarbij op tot Eerste Stuurman.
Op 25jarige leeftijd huwde hij met een dochter van ’n kapitein in dienst van de West Indiese Kompanjie; door de invloed van zijn schoonvader kreeg hij ’t bevel over een der kleinere schepen van die Kompanjie en bleef bijna 10 jaar in zijn dienst.
Intussen was zijn huwelik gezegend met de geboorte van ’n dochter, die Catharina werd genoemd, doch gewoonlik als Katrijn bekend was.
Kapitein Knijf had eenmaal ’t ongeluk dat hij door nalatigheid van een van de stuurlui, schipbreuk leed op een van de Bahama eilanden. De Direkteuren van de Kompanjie gaven hem echter de schuld daarvan en ontsloegen hem uit hun dienst.
Een jaar lang was hij zonder betrekking, maar toen gelukte ’t hem met veel moeite om als Eerste Stuurman te worden aangesteld bij de Oost Indiese Kompanjie en in 1680 het bevel te krijgen over het schip de “Waterslang”.
Vijf jaren lang deed hij met dit schip verscheidene reizen naar Indië, maar op de laatste reis bleek bij de aankomst te Batavia, dat het schip reeds zo oud en verrot was, dat zowel kapitein als bemanning weigerde er op te blijven.
Na veel gesukkel stemden de autoriteiten in Batavia er in toe om de Waterslang degelik te doen onderzoeken, met ’t gevolg dat ’t schip afgekeurd en later afgebroken werd. Aan de Kapitein werd beloofd dat hij zodra mogelik ’n ander schip zou krijgen en intussen werd hij op wachtgeld gesteld.
Op deze laatste reis had Knijf, zoals toen de gewoonte onder de schippers was, zijn vrouw en dochter meegenomen, maar drie maanden na zijn aankomst in Batavia werd zijn vrouw door de koorts aangetast en stierf na ’n ziekbed van enige weken.
Katrijn Knijf was toen reeds ’n volwassen meisje van omtrent 23 jaar, en schoon ’t haar niet aan vrijers had ontbroken, was zij nog ongehuwd; als haar vader meermalen bij haar aandrong om zich ’n levensgezel uit te kiezen was haar lachend antwoord, dat de zee haar man was en zij geen andere echtgenoot verkoos.
Het meisje was inderdaad een echte Geuzedochter.
Haar lengte was bijna 6 voet en daarbij was zij fors gebouwd en bezat ’n onvrouwelike spierkracht. Van jongs af had zij met haar moeder de reizen van haar vader meegemaakt, en was steeds de lieveling van offisieren en manschappen geweest, en op die wijze raakte ze spoedig met ’t zeewezen bekend, wist niet alleen de namen van alle zeilen en touwen, maar kon ook ’t stuurrad hanteren en zelfs “de zon schieten”.
Ongelukkiger wijze nam zij ook veel van de ruwe taal der matrozen over en deinsde zelfs niet er voor terug om nu en dan ’n vloek over haar lippen te doen komen. Vrees kende ze niet, en ’t was niets ongewoons om in ’n hevige storm haar aan de zijde van haar vader op ’t kampanje-dek te zien staan, gehuld in ’n Zuidwester en ’n oliejas.
Willem Knijf deed zijnerzijds niets om dit leven van zijn dochter te belemmeren; integendeel was hij trots op z’n stuurmeisje, zoals hij haar noemde, en zei dat ze meer van ’t zeeleven afwist dan menige gecertificeerde stuurman.
HOOFDSTUK II.
Kapitein Knijf krijgt een nieuw schip.
Inhoudsopgave
Op 3 Oktober 1685 trad Kapitein Knijf, vroeg in de morgen, in ’t kantoor van de Sekretaris van Indië, te Batavia, en vroeg aan ’n jong ambtenaar of hij de Sekretaris kon spreken, daar deze hem ontboden had.
Knijf werd dadelik tot de Sekretaris toegelaten, die hem ontving met de woorden: “Goede morgen, Kapitein Knijf, we hebben eindelik ’n schip voor je gevonden. Kapitein Gerritsen van de Stavenisse is overgeplaatst op ’n schip dat naar China en Japan zeilt, en nu hebben we een nieuwe kapitein voor de Stavenisse nodig. Het is ’n derde klas schip, meet omtrent 600 ton en heeft ’n bemanning van ongeveer 80 koppen. Het ligt op de ree van Batavia en je kunt ’t gaan bezien en ’t bevel er over krijgen, als ’t je bevalt, maar je moet je wat haasten, want we zijn verlangend ’t schip zodra mogelik naar ’t vaderland terug te zenden en willen dadelik ’n aanvang maken met ’t inschepen van de lading. Indien je ons aanbod aanneemt, zullen we je ’t zelfde traktement betalen, dat je genoot als schipper van de Waterslang, ofschoon de Stavenisse ’n kleiner schip is.”
De Kapitein bedankte de Sekretaris en zei dat hij nog die middag ’t schip zou gaan bezichtigen. Hij liet zich daartoe dan ook om 2 uur naar ’t schip roeien, dat op bijna 2 mijl afstand van ’t land lag.
De Eerste stuurman, IJsbrand Hogesaad, ontving hem aan boord, maar deze ontvangst was niet erg hartelik, want Hogesaad had verwacht zelf ’t bevel over ’t schip te krijgen en was dus niet weinig verstoord, toen hij hoorde, dat men ’n nieuwe kapitein zou aanstellen.
De Tweede stuurman bleek ook ’n onaangenaam mens te wezen, maar de Derde stuurman, ’n nog jonge man met de naam van Abraham Hartog, scheen ’n geschikte kerel en aan deze werd ’t overgelaten om schipper Knijf op ’t schip rond te leiden.
De Stavenisse was niet meer dan 10 jaar oud en nog in goede toestand. Masten, zeilen en touwwerk, alles zag er nog goed uit. ’t Schip scheen hecht gebouwd en de scherpe ogen van Willem Knijf konden slechts één fout ontdekken, namelik dat de achtersteven wat te hoog gebouwd was. Doch Hartog deelde aan de schipper mede, dat ’t ’n uitmuntende zeiler was, die zijn roer goed gehoorzaamde.
Was ’t schip dus wel naar de zin van de nieuwe kapitein, veel minder beviel hem de bemanning. Deze bestond uit lieden van allerlei naties: Hollanders, Duitsers, Noren, en ook waren er drie Engelsen onder. Het waren ruwe gezellen en de gezichten van sommigen stonden Knijf volstrekt niet aan.
Toen hij hierover een opmerking tot Hartog maakte, antwoordde deze, dat de bemanning werkelik ’n lastig klompje was, schoon de vorige kapitein ze door grote gestrengheid in toom had gehouden; de Eerste bootsman, Willem Tuijl, was echter gelukkig een flukse kerel, voor wie de bemanning ontzag had, en die zij zonder de minste tegenwerping gehoorzaamden, “en,” voegde de jonge stuurman er bij, “als ’t u gelukt om Tuijl op uw hand te krijgen, dan zult u geen moeite met de mannen hebben.”
Voor ’n ogenblik dacht Knijf er aan om Hartog te ondervragen omtrent ’t karakter van de Eerste stuurman, doch hij liet dit na, omdat hij ’t verkeerd achtte bij ’n mindere offisier inlichtingen in te winnen omtrent diens meerdere.
De volgende morgen ging Knijf weer naar ’t kantoor van de Sekretaris en gaf deze te kennen, dat hij ’t bevel over de Stavenisse zou aannemen, dat men kon beginnen met ’t laden van ’t schip, en dat hij, als kapitein, persoonlik daarbij zou wezen, daar hij ’t liever niet aan zijn mindere offisieren toevertrouwde.
Ook deelde hij mede, dat hij wel wat bezwaar had tegen de bemanning, doch zijn best zou doen om met hen klaar te komen.
Het was toen Zaterdag, en Maandag, aldus beloofde de Sekretaris, zou men trachten, te beginnen met laden.
Op de Zondag had de Kapitein een lang onderhoud met zijn dochter. Hij vertelde haar alles wat hij van Hartog gehoord had, en gaf ronduit zijn vrees te kennen, dat hij met Hogesaad en ’n gedeelte van de bemanning niet overweg zou kunnen.
Katrijn lachte. Zij kende haar vader en wist dat deze niet graag al te streng tegen z’n mannen optrad, maar vrede en rust boven alles verkoos, want Kapitein Knijf had de slechte gewoonte om zich alle onaangenaamheden te veel aan te trekken.
“Kijk, vader,” sprak ’t meisje, “naar u zegt, heeft Hartog u de raad gegeven om de Eerste bootsman op uw hand te krijgen. Laat dit nu maar aan mij over; ik kan met zulke oude zeebonken goed terecht en ik zal die oude baas wel zo paaien, dat hij geheel en al naar mijn pijpen danst. Ik denk dat u meer moeite zult hebben met de Eerste stuurman dan met iemand anders, en dat hij ’n man is die u in ’t oog zult moeten houden. Ik zal morgen eens voor de grap met u medegaan en poolshoogte nemen, zodat ik kan weten hoe ik mij op de reizen te gedragen zal hebben. Wat is de naam van de Tweede Stuurman?”
“Die ben ik vergeten,” antwoordde de Kapitein, “hij is ’n Schot met rode haren en een nors, bars gezicht. O ja, MacIntosh is z’n naam. Ik houd niet van de Engelsen en Schotten. Ze hebben gewoonlik te veel noten op hun zangen en menen alles beter te weten dan ’n ander. Ik begrijp niet waarom de Kompanjie altijd zulke schorriemorrie in dienst neemt.”
“Dat weet je wel, Vader,” zei Katrijn. “Het is doodeenvoudig, omdat de Kompanjie dat slag van mensen tegen minder loon kan krijgen, dan Nederlandse zeelui, en bovendien komen er in ons vaderland zoveel vreemdelingen, dat men daar maar blij is, als die iets te doen kunnen krijgen.”
De volgende morgen liet de Kapitein zich met z’n dochter overroeien naar het schip en hij stelde haar voor aan de verschillende offisieren.
Toen hij echter aan hen vertelde, dat zijn dochter hem op de reis zou vergezellen, bromde de Schotse stuurman in ’t Engels iets in z’n baard. Kapitein Knijf verstond hem niet want hij kende geen Engels, maar Katrijn, die op een van de vorige reizen wat van die taal geleerd had van ’n jonge Engelsman, die verliefd op haar was geworden, verstond goed wat MacIntosh zei.
Het was, dat hij haatte om een vrouwspersoon op ’t schip te hebben, omdat zij zich bemoeide met alles wat haar niet aanging.
Tot zijn niet geringe verwondering zei Katrijn lachend en in ’t Engels: “Meneer MacIntosh, je hoeft niet bang te wezen, dat ik me met jou zal bemoeien, want mooi ben je niet, en ’n aangenaam humeur schijn je ook niet te hebben,” ’n aanmerking waarover de Schot zelf moest lachen.
Een geheel andere indruk maakte de jonge Hartog op ’t meisje. Ze zag spoedig dat hij ’n flinke kerel was, die z’n zaken kende en zelf hard werkte, terwijl hij blijkbaar meer populair bij de bemanning was dan de twee andere stuurlui.
IJsbrand Hogesaad sprak niet veel. Men kon aan hem zien dat hij een wrok in z’n hart had, en dat hij dus een gevaarlik man kon worden. Katrijn trachtte verscheidene malen ’n gesprek met hem aan te knopen, maar daar ze geen andere antwoorden kreeg dan ja en nee, moest ze spoedig de poging opgeven.
Het bevrachten ging zeer langzaam. De lading bestond voornamelik uit specerijen, tee en andere landbouwprodukten en scheen uit alle hoeken bijeen te zijn gehaald, en daar de balen en kisten van allerlei grootte waren, was ’t lastig om ze op behoorlike manier in ’t ruim te pakken. De schipper was daarom blij dat hij zelf er bij tegenwoordig was, want hij wist bij ondervinding hoe gevaarlik ’t was als de lading van ’n schip kon verschuiven.
Hij zorgde dus door middel van zware balken en andere maatregelen, dat er geen gevaar voor zo iets bestond, een en ander tot grote ergernis van de Eerste Stuurman, die klaagde dat de kapitein te veel onnodige bohaai maakte en dat al die omslag niet nodig was.
MacIntosh bemoeide zich weinig met ’t laden, daar Knijf hem opgedragen had om al de zeilen en ’t touwwerk goed na te zien en waar ’t nodig was, die geheel en al te vernieuwen. Dit was reeds op zichzelf ’n reden dat de opperbootsman achting voor de nieuwe kapitein begon te krijgen, want er was niets, dat Willem Tuijl meer genoegen deed dan te zien, dat al z’n takelwerk eerste klas in orde was.
Reeds op de tweede dag begon Katrijn ’n gesprek met de bootsman, vertelde hem heel wat omtrent haar eigen reizen en liet daarbij de oude zeebonk ook de gelegenheid om zijn ervaringen te verhalen, iets wat hij ongehinderd kon doen, omdat hij bezig was aan ’t verstellen van ’n groot zeil, welk werk niet te veel van zijn aandacht vereiste. Daarop begon ’t meisje te spreken over schepen en tuigen, over weer en wind, over het sturen van ’n schip en dergelijke zaken meer, en toonde zulk ’n kennis van ’t zeewezen, dat de oude man er verbaasd over stond en hij niet kon nalaten om te zeggen, dat zij op haar jonge jaren bijna evenveel wist als hij nu.
“Kan je zeemansknopen maken, Juffer?” vroeg hij ten laatste, juist op ’n ogenblik dat er ’n gedeelte van de bemanning in hun nabijheid stond. “Neem de proef maar eens met me,” zei ’t meisje lachend, terwijl zij twee stukjes touw in haar hand nam.
De bootsman noemde ’n zekere soort van zeemansknoop, die ’t meisje daarop in ’n oogwenk op zeer handige manier maakte en vervolgens aan de oude ter beoordeling gaf.
De ene soort van knoop na de andere werd aan de dochter van de Kapitein opgegeven, maar zij raakte geen ogenblik de kluts kwijt en slaagde er steeds in, ze goed te maken, wat iedere keer door de bemanning met handgeklap toegejuicht werd.
Dit alles maakte ’n niet geringe indruk op ’t scheepsvolk, en reeds vóór ’t vertrek van de Stavenisse had ’t meisje niet alleen de oude bootsman op haar hand, maar ook de genegenheid gewonnen van alle manschappen, door wie ze niet anders genoemd werd als “de juffer”.
Eerst tegen ’t einde van Oktober had de Stavenisse z’n lading ingenomen, die echter niet biezonder zwaar was, en gedurende de volgende dagen kwam de proviand aan boord, waarbij de Kapitein voornamelik zorg droeg, dat alleen goede eetwaren werden meegenomen en ook zijn eigen tafel goed voorzien was; want al was de Kompanjie niet zo heel presies op de behandeling van de manschappen, zo was hij toch meer vrijgevig tegenover de offisieren.
Op de laatste dag vóór het vertrek kwamen de grote vaten met drinkwater aan boord en op 4 November werden de zeilen van de Stavenisse gehesen en zette hij, door ’n flinke Oostenbries gedreven, koers naar de Straat van Sunda.
HOOFDSTUK III.
De reis van de Stavenisse.
Inhoudsopgave
De Stavenisse bewees spoedig, dat de jonge Hartog de waarheid had gesproken, toen hij zei dat ’t schip ’n goede zeiler was.
Licht geladen als ’t was, kliefde ’t schip de wateren met buitengewone snelheid, en daar de gunstige wind enige dagen aanhield, was men spoedig de Straat van Sunda door, en in de open Indiese Oceaan.
Alles ging zo goed, dat de Kapitein tot de gevolgtrekking kwam, dat de aanvankelik door hem gevoelde vrees, ongegrond was geweest en hij ’n aangename reis zou hebben.
MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn, schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.
De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar ’t voordek zag komen, om met hem en de bemanning ’n praatje te maken.
Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan ’t praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.
Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.
Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.
Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.
Tegenover het scheepsvolk sloeg hij ’n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor ’t minste vergrijp en maakte ’n vrij gebruik van ’t eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.
De enige man, die ’t waagde om de Eerste stuurman ’t hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z’n vloeken en schelden aanhoorde, nooit ’n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met ’n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.
Eens had Hogesaad in z’n woede ’n bevel gegeven omtrent ’t rangschikken van de zeilen; ’t was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar ’t voordek begaf, waar hij overluid tot ’t scheepsvolk zei: “Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan ’t niet oplossen; probeer jullie het maar!”
Hogesaad had reeds z’n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar ’t voordek begeven met ’n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen ’t lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.
De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: “wat is er aan de hand, Hogesaad?”
“De bootsman heeft me beledigd,” riep Hogesaad verbolgen uit, “en ik ga hem eens flink op z’n tabernakel geven.”
“Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman,” zei de Kapitein bedaard; “de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op ’t voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalen dat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van ’t schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of ’t nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen.”
Hogesaad begreep dat ’t niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij ’t stuk touw op ’t dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.
Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over ’t gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z’n behandeling van ’t scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. “Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer,” zei de bootsman, “dat meneer Hogesaad ’n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van ’t schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader ’n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel ’n oogje op hem houden en toezien dat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat ’t raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op ’n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins.”
“Nee,” zei Katrijn, “dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg.”
Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.
De Boekhouder was ’n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z’n vrije tijd doorbracht met ’t lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z’n kajuit had.
De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was ’n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en ’n echte spotvogel, die niemand spaarde met z’n kwinkslagen, en ’n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet ’t stilzwegen konden opleggen.
Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van ’t eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar ’t Noorden en werd ’t weer stormachtig.
Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van ’n stormzeil en ’n gaffel.
Het schip steigerde en rolde op ’n ontzettende wijze en schoon ’t aan ’t roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan ’t stuurtoestel hebben.
Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op ’t kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van ’t weer en de kans van ’n verandering in de richting van de wind.
Abraham Hartog was met ’n jonge matroos aan ’t roer.
Plotseling sloeg ’n hevige golf tegen ’t schip aan en draaide ’t roer met zulk ’n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat ’t aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging ’t schip voor de wind.
Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapitein snelden toe om ’t dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om ’t stuurrad te bedwingen.
Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op ’t dek lag en uit ’n gat in z’n hoofd bloedde; ’t meisje trachtte ’t bloed met haar zakdoek te stillen.
Intussen hadden de bootsman en enige matrozen ’t ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van ’t dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.
Dit voorval maakte, toen ’t op ’t voordek bekend werd, ’n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.
De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was ’t weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.
De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.
Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z’n gemak en hij sprak er over met z’n dochter.
“Het is een lelike toestand,” zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, “waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze ’t schip mijlen uit z’n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht ’n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m’n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed ’n einde aan mijn loopbaan maken.”
Katrijn glimlachte en zeide: “Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen.”
HOOFDSTUK IV.
De schipbreuk.
Inhoudsopgave
In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was ’t de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; ’t was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z’n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.
Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van ’t land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan ’n mistbank.
Voor ’n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als ’t schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z’n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z’n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.
Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op ’t kampanjedek staan.
Zowat ’n kwartier later kwam weder uit de grote mast ’t geroep: “Land vlak bij ons!” en riep ook de man op de voorboeg ’t zelfde, terwijl Hogesaad zelf ’t witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.
Voor hij echter ’n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: “alle handen op dek! ’t schip is in gevaar!”
De bootsman hoorde ’t en in ’n ogenblik was de bemanning op ’t dek, gereed om alle orders uit te voeren.
Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z’n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde ’t schip tot staan te brengen.
De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op ’t dek verscheen en ’t bevel overnam.
Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.
Ook de andere offisieren verschenen op ’t dek, alsmede Katrijn.
Men hield raad, maar kon voor ’t ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels ’t schip zouden houden, want blijkbaar was dit in ’n sterke stroming.
Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.
Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor ’t ergste.
Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich van haar vrouwekleren en trok ’n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.
Zij was ’n uitmuntende zwemster, maar wist dat in ’t water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.
Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, ’n groot zakmes en in de linker ’n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.
Even voor drieën sprong de tweede kabel met ’n knal als van ’n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte ’t schip op ’n rots en werd zo beschadigd, dat ’t zich dadelik met water begon te vullen.
De bemanning sprong weldra over boord en ’n ieder trachtte door zwemmen ’t land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.
Van de 71 personen op ’t schip slaagden 60 er in om op ’t droge te komen, terwijl 11 man verdronken.
De Kapitein en z’n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter ’n platte rots, die slechts ’n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite ’t zanderige strand.
De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozen hadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor ’t ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.
Toen de dag aanbrak, zag men dat ’t schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was ’n groot gat, waaruit reeds ’n deel van de lading in zee spoelde.
Gelukkig lagen de ra’s van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op ’t strand en ’t eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.
Op de twee volgende dagen slaagde men er in om ’t kompas en enige andere instrumenten uit ’t wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, ’n kist met beschuit en wat kleren.
Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.
HOOFDSTUK V.
Een beraadslaging en de gevolgen daarvan.
Inhoudsopgave
De schipbreuk had ’n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door ’t ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen ’n rots aan ’t strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.
Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer ’n schip zou krijgen en dat hij en z’n dochter nu van honger zouden omkomen. “De toekomst is donker, erg donker mijn kind,” zo besloot hij met ’n diepe zucht.
“Vader, ’t is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot ’t heden bepalen en zien wat ’t beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat ’t vergaan van de Stavenisse ’n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft ’n slecht voorbeeld aan ’t scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo’n toestand zien.”
Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. “Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn,” zei hij. “De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden.”
De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met ’t doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van ’t tegenwoordige Durban.
De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.
Weldra was men ’t er algemeen over eens, dat men dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.
Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik ’t minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo’n reis verbonden.
De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.
Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.
Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.
Men nam z’n weg langs ’t strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.
Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z’n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar ’t schip gestrand was. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.
Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan ’t strand schelpdieren te zoeken.
Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor ’n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.
Bij laag water zou men, zoals later bleek, ’t wrak wel kunnen bereiken, al was ’t dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik ’n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, ’n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.
Ook spoelde ’n beschadigde boot van ’t schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee ’n reis naar Kaapstad te ondernemen.
Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van ’t strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan ’t werk.
Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagd en door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.
Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar ’n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met ’n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van ’t wrak hadden gehaald.
Katrijn was de ziel en ’t leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.
Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.
Hij slaagde er zelfs in om van ’n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad ’n aantal tamelik grote vissen ving, die ’n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.
Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z’n vermogen om met ’t werk behulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.
Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.
De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.
Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en ’t strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen ’t zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek ’t onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in ’t werk stelde, werd de boot door ’n zware golf getroffen en kantelde om.
Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleen zichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met ’t aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.
Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.
Wel gelukte ’t de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar ’t scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.
Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw ’n tocht naar ’t wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.
Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.
De toekomst zag er nu waarlik duister uit.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.