Kitabı oku: «Frank Mildmay, De zeeofficier»
Frederick Marryat
Frank Mildmay, De zeeofficier

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066312725
Inhoudsopgave
Door Kapitein Marryat
Tweede omgewerkte druk
Door W. Degenhardt met 12 oorspronkelijke platen Geteekend en gegraveerd door Jos. Scheidel
Amsterdam Tj. van Holkema
Levensschets van Kapitein Marryat.
Eerste hoofdstuk.
Tweede hoofdstuk.
Derde hoofdstuk.
Vierde hoofdstuk.
Vijfde hoofdstuk.
Zesde hoofdstuk.
Zevende hoofdstuk.
Achtste hoofdstuk.
Negende hoofdstuk.
Tiende hoofdstuk.
Elfde hoofdstuk.
Twaalfde hoofdstuk.
Dertiende hoofdstuk.
Veertiende hoofdstuk.
Vijftiende hoofdstuk.
Zestiende hoofdstuk.
Zeventiende hoofdstuk.
Achttiende hoofdstuk.
Negentiende hoofdstuk.
Twintigste hoofdstuk.
Eenentwintigste hoofdstuk.
Tweeëntwintigste hoofdstuk.
Drieëntwintigste hoofdstuk.
Vierentwintigste hoofdstuk.
Vijfentwintigste hoofdstuk.
Door
Kapitein Marryat
Tweede omgewerkte druk
Door
W. Degenhardt
met 12 oorspronkelijke platen
Geteekend en gegraveerd door Jos. Scheidel
Amsterdam
Tj. van Holkema
Inhoudsopgave
Gedrukt bij P. W. M. Trap, Leiden.
Levensschets van Kapitein Marryat.
Inhoudsopgave
Kapitein Marryat heeft zich, als zeeofficier en als schrijver, een uitstekenden naam weten te verwerven. Hij werd den 10en Juli 1792 te Westminster geboren. Van zijn kinderjaren valt weinig mede te deelen; met sterke hartstochten en een vroegtijdig ontwikkelden geest was hij een moeielijk te regeeren knaap. Hij liep weg van elke school, waarop men hem plaatste, en het Dorado van zijne verbeelding was steeds—de zee! Eindelijk werd zijn verlangen om in den zeedienst te komen te sterk om voor eenige overreding te wijken, en deed zijn vader de noodige stappen daartoe. Op den 3en September 1806 maakte hij zijne eerste reis naar de Middellandsche zee op Zijner Britsche Majesteits schip Impérieuse, commandant lord Cochrane.
Deze kruistocht van de Impérieuse heeft in de geschiedenis veel éclat gemaakt. Gedurende de drie jaren, die Marryat op dat schip diende, was hij getuige van meer dan vijftig gevechten, waaraan hij zooveel deelnam als men een knaap van zijne jaren kon toestaan. In den eersten winter van zijnen diensttijd nam en vernielde lord Cochrane drie Fransche oorlogsschepen en twaalf koopvaarders: ook vernielde hij het fort Roquette, bij den ingang van Arcassan.
Op den 21en Februari 1808 nam Marryat deel aan een gevecht in de baai van Almeria; op den 30en Juli van datzelfde jaar werd het kasteel van Mongat aan de Impérieuse overgegeven; op den 13en November liet men een fort bij Barcelona in de lucht springen en werd een Fransch schip genomen. Bij al deze ondernemingen was hij tegenwoordig; ook nam hij deel aan de verdediging van het kasteel van Rosas.
Bij deze verschillende ontmoetingen kreeg Marryat drie wonden, waarvan eene in zijne maag; een gedeelte van zijn hemd met de bajonet mede in het lijf gedrongen, deed dienst voor prop en stelpte het bloed, zoodat hij in de opgewondenheid van het gevecht geene pijn gevoelde. Eerst toen hij zich ontkleed had en het wegnemen van het linnen het bloed weder had doen vloeien, bespeurde hij gewond te zijn. In lord Cochrane’s rapport dd. 8 December 1808 werd hij loffelijk vermeld en in Mei 1809 ontving hij een getuigschrift van denzelfden hoofdofficier voor betoonden moed bij het redden van het leven van den adelborst Cobbett; welk voorval (evenals de meeste gebeurtenissen uit zijn vroeger leven) omschreven is in »Frank Mildmay.” Op den 9en Januari 1809 liep de Impérieuse Port Selda binnen, verdreef den vijand uit zijne stellingen en veroverde vier bronzen kanonnen, die aan boord werden genomen, met welke daad lord Cochrane’s veelvuldige diensten in de Middellandsche zee besloten werden. Marryat bleef echter aan boord van de Impérieuse dienen en ontving in de daaraanvolgende maand April een getuigschrift van luitenant Urry Johnson voor zijn moedig gedrag, toen hij onder dien officier op een ontploffingsvaartuig dienst deed. In October van dat jaar werd hij met Zr. Ms. Victorious (van 74 stukken) van Vlissingen naar Engeland opgezonden, daar hij door een hevigen aanval van Zeeuwsche koorts tijdelijk buiten den actieven dienst was geraakt. Zeer tijdelijk slechts, daar hij daags na zijne tehuiskomst geplaatst werd aan boord van Zr. Ms. Centaur, het vlaggeschip van sir Samuel Hood. Hij was toen achttien jaren oud. Met sir Samuel Hood keerde Marryat naar de Middellandsche zee terug en redde in September 1810 het leven van den matroos Thomas Mowbray, die van de groote ra overboord viel, toen het schip buiten Toulon kruiste. Na een afzijn van twaalf maanden voer hij van Cadix naar huis op de Atlas (van 74 stukken), commandant James Sanders en ging van daar naar Barbados en Bermuda, als passagier aan boord van de Africa (van 64 stukken), commandant John Bastard.
Op den 1en Maart 1811 sprong Marryat op zeer moedige wijze van de kampanje van dit schip overboord, terwijl het met een zevenmijls vaart vóór den wind zeilde, om het leven te redden van den matroos James Walker; een poging die vruchteloos bleek, daar hij bijna 2 Eng. mijlen achter de Africa en meer dan dertig minuten te water was, vóór er tot zijne redding eene sloep bij hem kon komen. Voor deze handeling ontving hij een getuigschrift van moed van kapitein Bastard. Van Bermuda vertrok hij met een stoomschip, de Chab naar Halifax, bestemd voor de Aeolus, een fregat onder bevel van kapitein lord James Fownshend. Op den 30en September, terwijl de Aeolus vóór New-York kruiste, woei er een allerhevigste storm, en toen het schip over zijde was geworpen en zijne bezaansmast en de stengen had verloren, ging de jonge Marryat vóóraan het tuig in, ten einde de groote ra los te kappen (eene onderneming ten hoogste gevaarlijk voor hemzelf), en redde daardoor het vaartuig van den ondergang. Zijn heldhaftig gedrag bij die gelegenheid wekte de algemeene bewondering op, en in een getuigschrift verleend voor zijnen moed, zegt lord James Fownshend: »Hij gedroeg zich met eene dapperheid, onverschrokkenheid en fermeteit, die mijne hoogste goedkeuring wegdroegen.” Jaren later over diezelfde gebeurtenis schrijvende, zeide Marryat: »Het was het meest trotsche oogenblik van mijn leven.”
Van denzelfden officier ontving hij een tweede getuigschrift voor het redden van een jongen in de haven van Halifax. Op den 17den November 1811 werd hij overgeplaatst naar de Spartan, een fregat onder bevel van kapitein Edward Pelham Brunton, onder wien hij bleef doordienen op de Noord-Amerikaansche kust tot den 22en Augustus 1812. Weinige dagen vóór hij dit schip verliet om thuis te varen met de korvet Indian, nam hij deel aan twee sloepen-expeditiën in Haycockshaven en Little River, waarbij zes Amerikaansche vaartuigen genomen werden.
Op den 26en December 1812 ontving Marryat zijne benoeming tot luitenant, en op 8 Januari 1813 werd hij geplaatst aan boord van de korvet L’Espiègle, commandant John Taylor. Den 8en Februari daaraanvolgende viel de matroos Jacob Small uit het grootwant, en sprong Marryat hem natuurlijk na om hem te redden; doch weder was die poging zonder goed gevolg door den langen tijd, die er noodig was vóór eene sloep hem kon bereiken. Voor deze laatste moedige daad werd luitenant Marryat wederom beloond door een getuigschrift van kapitein Taylor. In zijn geheelen diensttijd bij de marine ontving hij zevenentwintig getuigschriften, aanbevelingen en dankbetuigingen, behalve nog eene gouden medaille van de Humane Society voor het redden van menschenlevens met gevaar van zijn eigen.
Luitenant Marryat bezocht achtereenvolgens Suriname, Demerary en Barbados; doch toen er bij eene danspartij op laatstgenoemde plaats een bloedvat bij hem gesprongen was, verliet hij L’Espiègle en keerde met de Spartan als passagier naar Engeland terug.
Zijne volgende plaatsing was op 31 Januari 1814 aan boord van de Newcastle (van 58 stukken), commandant lord George Stuart, onder wien hij behulpzaam was in het nemen van den Amerikaanschen kaper Ida (van 10 stukken) en Prince de Neufchatel (van 18 stukken). Op den 19en December sneed hij vier schepen den weg af naar de baai van Boston. Wegens voortdurende ongesteldheid verliet hij op den 16en Februari 1815 de Newcastle te Madera en keerde naar Engeland terug met de Conway (van 24 stukken) en werd op den 13en Juni van dat jaar benoemd tot commander.
Nadat de krijgsgebeurtenissen van 1815 door een algemeenen vrede gevolgd waren, besteedde kapitein Marryat zijn tijd aan het vermeerderen van zijne kennis in de wetenschappen, die hem bij eene eventueele opdracht van ontdekkings- of opnemingstochten van dienst konden zijn.
Omstreeks dien tijd stelde hij zijn beroemd Seinboek voor Alle Natiën (Code of Signals) samen, dat tot voor korten tijd bij alle zeevarende natiën in gebruik was.
Hij bereisde Italië en het geheele vasteland van Europa.
In Januari 1819 huwde hij met Catharina, de tweede dochter van sir Stephen Shairp van Houston in het graafschap Linlithgow. Het was in dat jaar, dat hij gekozen werd tot Fellow van de Royal Society. Op den 13en Juni 1820 werd kapitein Marryat aangewezen voor de korvet Beaver en naar St. Helena gezonden, waar hij tegenwoordig was bij den dood van keizer Napoleon en van waar hij duplicaatbrieven naar huis overbracht, die bericht van dit overlijden inhielden. Van de Beaver werd hij op de Rosario overgeplaatst en kwam den 9en Mei 1821 daarmede thuis. In het begin van 1823 werd hij commandant van de Larne, ging daarmede naar Oost-Indië en was op eenendertigjarigen leeftijd, als oudst-aanwezend zeeofficier, commandant van de Maritieme Middelen. Hij ontving, te Calcutta zijnde, bij zich aan boord den opperbevelhebber Sir Archibald Campbell, en stond aan het hoofd der macht op de rivier bij den aanval op Rangoon. Toen hij in September 1824 door kapitein Chads met de Ariadne werd vervangen, had hij bijna zijne geheele bemanning verloren.
Na nog andere kleine expeditiën in Indië te hebben medegemaakt, maakte hij door een sterfgeval nieuwe promotie en bracht de Fees naar Engeland terug. In Januari 1827 werd Marryats bevordering bekrachtigd en werd hij benoemd tot Ridder van de Bath-orde, welke onderscheiding hij ten volle verdiend had.
In November 1828 was hij commandant van de Ariadne en werd op Madera en de Wester-Eilanden met diplomatieke zendingen belast. Twee jaren daarna werd hij om particuliere belangen genoodzaakt het bevel neder te leggen, en werd hij benoemd tot adjudant van Z.K.H. den Hertog van Sussex.
Hoewel kapitein Marryat geen bepaald schrijver werd, vóór hij den zeedienst verlaten had, begon hij zijn eersten roman »Frank Mildmay” te schrijven op zijn kruistocht bij de Wester-eilanden,—een jaar vóór hij het bevel van de Ariadne opgaf. Hij ontving voor dit werk van den uitgever Colman de som van £400. Zijn volgende werken waren »The Kings Own” en »Newton Forster”, die verschenen in een tijdschrift waarvan Marryat de redactie had en waarin later ook werden opgenomen »Peter Simple”, de »Pacha of Many Tales”, »Japhet in search of a Father”, »Diary of a Blase”, en de losse stukken, later uitgegeven als »Olla Podrida”, met een tooneelspel in drie bedrijven, getiteld »The Gipsy” en een treurspel »The Cavalier of Seville.”
In 1833 bracht Marryat een bezoek aan Amerika, waar hem eene zeer slechte ontvangst ten deel viel. Wel werd hij in Boston, Saratoga en Philadelphia toegejuicht en goed onthaald, doch daarentegen werd in Toronto en Louistown zijn beeltenis verbrand, en verwachtte hij persoonlijke mishandelingen.
Uit Amerika terug, vestigde hij zich in Londen, alwaar hij tot 1843 bleef. In die jaren schreef hij zijn »Diary in America”, »Percival Keene”, »Poor Jack”, »The Poacher” en »Masterman Ready.”
Na 1843 een rustiger leven wenschende, ging hij te Langham Manor in Norfolk wonen, een vroeger door hem gekocht buitenverblijf. Hier schreef hij »Monsieur Violet”, »The Settlers”, »The Mission” en »The Privateersman”. In 1846 schreef hij »The Children of the New Forest” en »The Little Savage”.
Voor zijne romans ontving kapitein Marryat zeer veel geld; die, welke den meesten opgang maakten, bezorgden hem een fortuin van £20,000. In December 1847 ontving hij pensioen voor langdurigen dienst. De oorzaak zijner laatste ziekte was het veelvuldig springen van bloedvaten, die in verzwering overgingen en eindelijk den maagwand vernielden; doch zijn einde werd verhaast door den dood van zijn oudsten zoon luitenant Frederic Marryat van de Koninklijke Marine, een jong uitstekend officier, die bij verschillende gelegenheden dezelfde eigenschappen van onversaagdheid en heldenmoed, die zijn vader hadden onderscheiden, aan den dag had gelegd, doch die op den 20en December 1847 schipbreuk leed.
Dit verlies gaf kapitein Marryat’s verzwakte gezondheid zulk een schok, dat hij na ontvangst van het bericht begon weg te kwijnen. Hij leefde nog tot den 9en Augustus van het volgende jaar 1848, toen een zachte en gelukkige dood een einde aan zijn werkzaam, verdienstelijk en in den aanvang veelbewogen leven maakte.
Eerste hoofdstuk.
Inhoudsopgave
De volgende bladzijden hebben ten doel de voornaamste lotgevallen uit mijn leven aan boord van de Engelsche oorlogsschepen in het begin der 19de eeuw te schetsen. De rol die ik daarbij persoonlijk vervulde, stond in een te nauw verband met mijn karakter en mijne familieomstandigheden, dan dat ik zou mogen verzuimen vooraf een kort overzicht van mijne kinder- en schooljaren te geven.
Mijne ouders behoorden tot den gegoeden stand. Ik was een zwak, ziekelijk kind, werd daarom boven mijne broeders en zusters vóórgetrokken en niet weinig bedorven. Reeds vroeg trok ik de aandacht door slimheid en onbeschaamdheid: eigenschappen, die mij nog lang na mijne kindsheid zijn bijgebleven.
Heb ik later meermalen gelegenheid gehad mij in den dienst door vermetelheid te onderscheiden;—wezenlijke moed behoorde niet tot mijne eigenschappen. De aanleg tot durven had ik, en het geluk heeft mij later meestal gediend. Veel van mijne handelingen, veel in mijn wedervaren vindt hierin zijne verklaring.
Toen ik het ouderlijk huis verliet en naar eene kostschool werd gezonden, had de moederlijke zorg de eerste beginselen van deugd in mijn ontvankelijk gemoed gezaaid. Helaas! die teedere plant werd onvoldoende beschermd en was maar al te veel aan den invloed eener slechte omgeving blootgesteld. Veel van het goede verstikte of ontkiemde eerst veel later; distels en onkruid groeiden er voor in plaats. Jaren lang was ik geen stichtelijk voorbeeld voor anderen.
Het hoofddoel van mijn schoolgaan was Latijn en Grieksch te leeren. Mijn meester had een eigenaardigen slag om dit in te pompen. Hij vulde onze hersenen met geleerdheid, alsof hij met werk en pik de naden van een vaartuig te breeuwen had. Bij onze hardhoofdigheid was voor die methode dikwijls kracht noodig. Als werktuig voor krachtigen aandrang diende een knoestige stok. Ondanks die barbaarschheid, maakten wij vrij snelle vorderingen in de klassieke talen, en had ik mij in ’t algemeen over mijn meester weinig, over zijne wederhelft daarentegen zeer veel te beklagen.
Op haar toch rustte de niet onbelangrijke taak, om voor onze verdere ontwikkeling en veredeling van hart en gemoed het voetspoor onzer moeders te volgen. En hoe nam zij dien duren plicht op zich? Met de grootst mogelijke onverschilligheid, alsof wij haar bijzonder eigendom, hare slaven waren. Elk onzer moest tijd en bekwaamheden aan haren dienst wijden, in haar beurs voordeel brengen. Dat schepsel, het zij met gepasten eerbied aldus over haar gesproken, was gierig en achterdochtig, karaktertrekken zeer duidelijk in haar gelaat afgeteekend door scherpe, grauwe dicht bijeengeplaatste oogen en een sterk vooruitspringenden neus. Zij scheen nog geen harer voorouders of familieleden aan het liegen verloren te hebben, althans in die kunst had zij het zeer ver gebracht, waarom zij dan ook nooit van een ander gelooven wilde, dat hij waarheid sprak. De uitwerking van al die beminnelijkheden op ons jongens bleef niet uit. Daar wij toch niet vertrouwd werden was het ons volkomen onverschillig om geloofd te worden of vertrouwen te verdienen; ons grootste genoegen was haar te bedriegen. Dit laatste kwam door hare inhaligheid zeer dikwijls voor. Wij moesten immers om beurten voor haar als tuinman en pluimgraaf dienst doen, appelen en peren oprapen en opzamelen en de kippen achternaloopen, die door haar gekakel te kennen gaven, dat zij ernstig aan de eierfabricage dachten. Was het van ons jongens te verwonderen, dat wij naar evenredigheid van onzen honger, diefachtig waren, vooral omdat wij toch verdacht werden een en ander achtergehouden te hebben? Op allerlei loopjes werden wij dus genoeg geoefend, in allerlei listen volleerd, in allerlei kleine schurkenstreken doortrapt. Ofschoon onze schooljuffrouw zich waarlijk niet ruïneerde in de zorg om ons goed te voeden, ontwikkelden wij door al die lichaamsoefeningen in kracht en behendigheid minstens even voldoende als in Latijn en Grieksch, hoewel ik mij kan voorstellen dat menig paar onzer ouders vreemd opgekeken zou hebben bij de ontdekking, op welke wijze het schoolgeld van 80 pond sterling per jaar door dit waardige echtpaar aan ons verdiend werd, of juist had kunnen opmerken, welke jaarlijksche aanwinst in menschelijkheid hun zoons voor deze uitgaaf mede thuis brachten.
Met al ons liegen evenwel konden wij niet beletten, dat nu en dan onze stukjes uitkwamen en eene meer of min ernstige straf ons deel werd. Ik had het na een zekeren tijd vrij ver in allerlei misdrijf gebracht en was met een mijner vrienden, Tom Crauford genaamd, de belhamel der school. Veel onoordeelkundige straffen maakten ons hoe langer hoe schaamteloozer. Op het laatst gaven wij letterlijk om niemand of niets meer, verhard door de »zegeningen”, die de meester op onze meest schuldige hoofden deed nederdalen.
Kort vóórdat Tom en ik ons op den voorgrond hadden weten te plaatsen, was een groote, uit de Oost-Indiën gekomen jongen, die zich door bijzondere lichaamskrachten doch tevens door groote domheid en onverschilligheid onderscheidde, met een der secondanten slaags geweest, daardoor op school onmogelijk geworden en om zijne onhandelbaarheid door zijne ouders naar zee gezonden.
Dit voorbeeld van emancipatie bleef mij steeds voor oogen en was een spoorslag voor mijne verdere gedragingen. Daar ik het zeer weinig op de juffrouw voorzien had, was het mij een waar genoegen haren beschermeling, den Franschen dansmeester, eens een kool te stoven. Monsieur Aristide Maugrebleu was een klein dik ventje van tusschen de vijfenveertig en vijftig jaren, maar ijdel en fatterig zonder voorbeeld. Wetende, dat ik met een zwarte kool aangeteekend stond, was hij steeds onaangenaam tegen mij. Ik vond, dat hier een sprekend voorbeeld gesteld diende te worden en wist hem, toen hij ons een ouwerwetschen »pas seul” voorhuppelde, een beentje te lichten en tot groot vermaak van alle jongens een dol figuur, met zijn puntbuikje op den grond draaiende, te doen slaan. Ongelukkig echter had hij daarbij een voet verstuikt; ik was de oorzaak geweest en werd dienovereenkomstig op de noodige kastijding onthaald.
Ik vond dit zoo onbillijk, dat ik wegliep. Tom had mij bij die gelegenheid een zetje over den muur gegeven. Ik was al een heel eind de weide ingeloopen en juist bezig een aanspraak samen te stellen, waarmede ik te huis komende mijn vader het verder onhoudbare van mijn toestand op school eens duidelijk aan het verstand zoude brengen, toen ik door een secondant in gezelschap van de oudste leerlingen achternagezeten en ontdekt werd. Tom was met zijn schijnheilig gezicht een der voorsten om mij vast te grijpen en uitbundig met verwijten te overladen omtrent mijne ondankbaarheid om mij zóó te willen onttrekken aan de zorgen van den besten der meesters en de liefderijkste, teederste der schoolmoeders.
Ik was gevangen en moest mede terug. Oogenschijnlijk nam ik met mijn lot genoegen, maar in stilte beraamde ik een plan om mij te wreken. Onze weg voerde langs een vijver, waarvan ik met loodsmans bekwaamheid de ondiepten en modderkuilen kende. Na Tom een oogje gegeven te hebben, sprong ik, in weerwil van het gure Novemberweer, vrij ver van den drassigen oever in het koude water en riep van daar den meester toe, dat hij zich vergist had, toen hij meende mij reeds in zijne macht te hebben: hij kon mij van daar opnieuw in ontvangst nemen, zoo hij wilde. Hij kon moeielijk met leege handen thuis komen, maar liefhebbers om mij er uit te halen deden zich niet op. Goede raad was duur. Hij moest er zelf op af. Langzaam werd schoen voor schoen, kous voor kous uitgetrokken, onder smeekingen en bedreigingen tegen mij, steeds in de hoop, dat de koude van het bad mijne onverzettelijkheid zou bedwingen. Alles vergeefs. Ik waadde dieper in en stelde mij op achter een diepe kuil, waar ik bedaard mijn vervolger afwachtte. Rillend van de koude, voetje voor voetje maar met verwoedde gebaren, naderde hij, stak de hand uit om mij te grijpen en—zakte tot ieders verwondering, behalve de mijne, eensklaps voor het grootste deel in de diepte weg. Onder den schijn van hem te willen redden, sprong ik boven op zijne schouders, liet hem eens duchtig drinken van het modderige nat en was, vóór hij de oogen had uitgewreven, op het droge terug, in ’t midden mijner makkers met zijn mal figuur den spot drijvende.
Toen ik meende een goede voldoening gehad te hebben, gaf ik mij aan den intusschen op het droge gesukkelden vijand, bij gebrek aan beter te bedingen voorwaarden »op genade of ongenade” over en werd, zooals te verwachten was, allerminzaamst op school in ontvangst genomen en op mijn natte kleeding allerhartelijkst afgeklopt. Met een hoofd als vuur, verwaardigde ik niet bij die afstraffing een kik te geven, maar had vermoedelijk daaraan te danken, dat ik van dit ontijdige bad niet doodziek werd, zooals onze arme secondant, die natuurlijk om dergelijk geneesmiddel niet solliciteerde en veertien dagen lang met zware koortsen zijn bed moest houden.
Kort na dit voorval, dat de maat van hetgeen men meende van mij te mogen verduren, deed overloopen, kwam onze vroegere schoolmakker, de Oosterling, in zijn nette marine-uniform, zijn jongeren broeder op onze school een bezoek brengen. Hij was natuurlijk het voorwerp onzer groote belangstelling. Vooral ik had hem tal van vragen over het leven aan boord te doen.

Hij moest er zelf op af.
Pag. 14.
Ofschoon hij eerlijk daarvan zoowel de voor- als de nadeelen opnoemde, maakte het toch een diepen indruk op mij, dat de adelborsten zoo dikwijls vrijaf hadden, en dat er aan boord geen schoolmeester was om hen te drillen en onrechtvaardig te ranselen, maar dat er aan elk hunner per dag een pint wijn verstrekt werd. De levenswijs was wel ruw op een oorlogsschip, zoo zeide hij, maar het was toch een glorierijk bestaan en gaf met het oog op een oorlog met Frankrijk mooie vooruitzichten.
Meer had ik niet noodig om mijne keus te bepalen. Door die betrekking was ik het eerst van de gehate school ontslagen. De vacantie was nabij. Schriftelijk bereidde ik mijn vader voor op mijn ernstigen wensch om te gaan varen.
Ik had in de jaren op de school doorgebracht groote veranderingen ondergaan. Als een lijdzaam, gewillig kind was ik er gekomen; door strenge, wreede behandeling waren mijne slechtere eigenschappen ontwikkeld;—ik zou de school verlaten als een woesteling.
Te huis had ik echter mijn pleit nog niet zoo gereedelijk gewonnen. Mijn vader had weinig met den zeedienst op en had mij voor eene academische opleiding bestemd. Mijne moeder kreeg het bij het hooren noemen van een oorlogsschip reeds op de zenuwen. Doch daar ik bleef aandringen en zoowel voor de bedreigingen van mijn vader als voor de smeekingen mijner moeder ongevoelig bleef, moest men aan mijn verlangen toegeven en was het uitgemaakt, dat ik in den zeedienst zou treden.
Mijn schooltijd was dus voorbij. Menigeen kan aan dat levenstijdperk met genoegen terugdenken. Ik echter niet. Mijn gansche leven is stormachtig geweest, maar het ongelukkigste deel daarvan sleet ik op de school.
Mijn vader had nu eene plaatsing voor mij weten te verkrijgen aan boord van een te Plymouth liggend fregat, en de korte tijd die mij overbleef vóór ik mijne bestemming moest opvolgen, werd besteed aan het gereedmaken mijner uitrusting. Achtereenvolgens werden een groote kist, benevens mijn uniform, steek, ponjaard en zeelaarzen thuis bezorgd, elk artikel, gelijk men begrijpen kan, met evenveel ongeduld verbeid.
Toen eenmaal het besluit genomen was, dat ik naar zee zoude gaan, legde mijn vader er zich kalm bij neder. Ik had toch een ouderen broeder, die den familietitel en de bezittingen erven moest, te Oxford studeerde en een grootscheepsche opvoeding genoot, ook in de kunst om als een gentleman zijn geld te verteren. Met eene jongere editie, vooral van zoo’n woelig soort als ik, zit men gewoonlijk verlegen. Ik had mijne keuze gedaan en daarmede uit. De rekeningen werden gewillig betaald en mijn uitzet was royaal genoeg.
Toen de tijd van mijn vertrek daar was, de kist op den wagen geladen en ik gereed om de deur uit te gaan, was het voor mijne arme moeder een treurig oogenblik. Snikkende sloot zij mij in hare armen, hartverscheurend was hare droefheid. De heete tranen, die zij onder het kussen langs mijne wangen liet rollen, lieten mij, ongevoelig als ik was, volkomen koud. Voor niets ter wereld had ik het genot, van het heengaan naar zee, willen missen. Eerst later, toen ik die edele ziel door den dood had verloren, stond mijne koelheid bij dat afscheid mij voor den geest. Zwaar werd ik daarvoor gestraft in de vele liefdeloosheid, die ik in mijn veelbewogen leven nog te ondervinden had.
Toen het rijtuig wegrolde, viel zij bewusteloos in mijns vaders armen.
Tweede hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Ik herinner mij haast geen dag zoo vol van verwachting als die, waarin ik te Plymouth mij voor het eerst in uniform zou kleeden, om mij aan boord te gaan melden. Ik stelde mij niet minder voor dan een pas ontloken vlinder te zijn, waaraan ieder bewondering schuldig was. Mijne trotschheid en inbeelding waren grenzenloos. Ik stond, zoo meende ik, aan den aanvang van een bestaan van louter vrijheid en genot. Reeds ver achter mij waren, in gedachte, de school- en kinderjaren; aan die geleden ellende mocht ik nu als man, zoo vond ik, niet meer denken. Doch helaas, ook de zaligheid van dezen morgen bleef niet onvermengd.
Ik had mij dan, voor den spiegel staande, netjes aangekleed, had mijn ponjaard op zijde, een onmogelijk grooten steek op het hoofd; ik was meer dan voldaan over mijzelven en het kwam mij voor, dat ik een dergelijk genot ook aan anderen moest gunnen. Onder voorwendsel van orders te geven voor het opknappen mijner kamer, maar in werkelijkheid om door haar bekeken en dus bewonderd te worden, schelde ik het kamermeisje. Zij was slim genoeg mijne bedoeling te raden en sloeg bij het binnenkomen der kamer de handen ineen van verbazing over zoo’n schitterende verschijning. Edelmoedig stopte ik haar eene fooi in de handen en gaf haar zelfs onder den indruk, dat ik nu een volslagen Heer was, een fermen kus. In hare dankbaarheid voor het eerste was zij gauw een der knechts gaan waarschuwen, die nu ook zijne opwachting kwam maken en met een diepe buiging mede een compliment afstak. Op den kus na, beloonde ik hem even vrijgevig. Als de schoenpoetser in de buurt was geweest, zouden zij hem zeker op mij afgezonden hebben en zou ook hij zijn fooi niet zijn misgeloopen, want ik was dwaas genoeg die vleierij voor goede munt op te nemen. Voor de aanvallen van nog meer haaien werd ik gevrijwaard, doordien het intusschen tijd was geworden mij bij mijn commandant en op mijn schip te gaan melden.
Nauwelijks was ik de trappen van het hotel afgestegen en op straat gekomen, of mijne ijdelheid kreeg nieuw voedsel, toen ik een blijkbaar pas aangeworven schepeling ontmoette, die voor mij de hand aan zijne muts bracht. Ik nam dat saluut zeer ernstig op, raakte mijn steek aan en wandelde vol zelfbehagen door. Het verdroot mij echter, dat de inwoners zoo weinig acht op mij sloegen en niet half zooveel in mij vonden, als ik zelf deed; ik zag geheel over het hoofd, dat er in Plymouth haast evenveel adelborsten rondliepen als negerjongens in Port Royal, ofschoon de laatsten voor hun meesters heel wat meer waarde hadden dan de eerstgenoemden. Spot en plagerij van de vrouwen, die ik passeerde, nam ik alles voor waardeering van mijn mannelijk voorkomen op. In het volle gevoel van mijne eigene gewichtigheid droeg ik het hoofd fier in den nek. Een goed eind voor mij uit zag ik eindelijk een troepje officieren in volle uniform, waarschijnlijk uit een krijgsraad, in mijne richting aankomen.
»Aha!” zeide ik, »daar heb je eenigen van ons soort volkje.” Ik nam, evenals zij hunne sabels droegen, mijn ponjaard in de linkerhand en stak deftig mijn rechterhand in de borst, zooals een paar hunner dit hadden. Verder poogde ik even fier en rechtop te loopen en stak mijn neus in den wind zooals een big zulks in een storm doet, overtuigd dat ik heel indrukwekkend was. Wij liepen aan verschillende kanten van den weg en waren elkaar even gepasseerd, toen een, zeker in Zijner Majesteits dienst rauw geworden stem, achter mij aan riep: »Hei daar, jonker, kom eens over!”
In het denkbeeld verkeerende, dat ik geroepen werd om gecomplimenteerd te worden, of om opgave te doen welke kleermaker zoo’n nette jas voor mij geleverd had, of waar ik die mooien steek was machtig geworden, of althans verwachtende, dat er nu een twist zou volgen over de vraag aan wien de eer te beurt zou vallen mij onder zijne bevelen te krijgen, werd ik in de hoogste mate verbaasd, toen de oudste van die heeren, op een zeer nijdigen toon, mij aldus toesprak:
»Wel, heerschap, op welk schip hoort gij thuis?”
»Mijnheer,” antwoordde ik trotsch, »ik behoor tot Zr. Ms. fregat Le—;” het was een Fransche naam, dien ik zeer geaffecteerd uitsprak.
»O, ei zoo! doet gij?” zeide de oude heer op een voornamen toon. »Wees dan zoo goed rechtsomkeert te maken, naar de landingsplaats te marcheeren, een boot te nemen en als een Engelsch weerlicht naar boord van Zr. Ms. Le—,” (hier bauwde hij mij na,) »te varen. En zeg dan aan den eersten officier, namens mij, dat hij u aan boord moet houden, zoolang het schip in de haven ligt; ik zal uw commandant verzoeken zijne officieren te leeren om nooit den haven-admiraal voorbij te gaan zonder hem behoorlijk te groeten.”
Onder die aanspraak was ik het middelpunt van een cirkel geworden, waarvan de admiraal en de hem vergezellende hoofdofficieren den omtrek vormden. Zóó opgedrongen, en zóó toegesproken, begon ik mij werkelijk gedrukt te voelen.
»Nu, mijnheer, gij verstaat mij?—Gij kunt gaan.”
»Jawel, ik versta het heel goed,” dacht ik bij mijzelf, »maar hoe kan ik in ’s hemels naam hier uitkomen?” Die hooge heeren hielden mij volkomen ingesloten, zoodat ik vóór- noch achterwaarts kon.
Die blokkade, die hen scheen te vermaken, was intusschen mijne uitkomst. Ik kreeg daardoor tijd om te bedenken wat ik zeggen zou, zette een doodonschuldig gezicht en betuigde, dat ik voor het eerst in uniform was, mijn commandant nog niet kende en nog nooit aan boord van een schip was geweest. Bij deze uitlegging verwrong zich het gezicht van den admiraal tot een soort van glimlach, terwijl de kolonels het uitproestten.
»Zoo, jongmensch,” zei de admiraal, die inderdaad een heel beste man was—»zoo, jongmensch, nu ik hoor, dat gij nog nooit op zee zijt geweest, is het te excuseeren, dat ge geen betere manieren kent. Die boodschap aan den eersten officier vervalt, doch ik zou u aanraden om toch maar eens naar boord te gaan.”
Daar ik nu mijn welverdiende portie beethad, maakten de hoofdofficieren een doorgang voor mij open. Bij het heengaan, hoorde ik een hunner zeggen: »Ik sta er voor in, dat het lesje hem bijblijven zal.” Ik kon daarop het antwoord, zonder schade voor mijzelf, best voor mij houden en gevoelde mij wel een voet kleiner dan vóór de kennismaking met die hooge autoriteiten. Onder den indruk daarvan volgde ik het eerste bevel, dat ik in dienst ontving, sneller op dan menig ander in later tijden.
Het verdere gedeelte van mijne wandeling liep zonder stoornis af; voorzichtig geworden, salueerde ik iedereen die ik ontmoette, onverschillig of het een adelborst, een onderofficier, of zelfs een korporaal van de mariniers was. Mijne overdrijving aan den anderen kant werd mij op eens op nette wijze duidelijk gemaakt door eene als dame gekleede jonge vrouw, die meer dan ik van de marine scheen af te weten en mij vroeg, of ik mij soms populair maakte om in het parlement gekozen te worden.
Zonder die hatelijkheid te vatten, antwoordde ik: »Neen.”
»O, ik dacht soms,” zeide zij, »omdat ge tegen iedereen zoo bijzonder beleefd waart.”
Zonder dien vriendelijken wenk, had ik zeker den achter haar aankomenden tamboer met mijn steek gegroet.
Ik kwam eindelijk aan het hôtel, waar mijn bevelhebber zijn intrek had genomen, en overhandigde dezen mijns vaders brief. Hij nam mij van top tot teen op en noodigde mij uit om ’s avonds te zes uren bij hem te komen eten.
»Intusschen kunt gij, daar het nu pas elf uren is, naar boord gaan, en u bij den eersten officier, mijnheer Handstone, aanmelden. Deze zal u in de rol laten inschrijven en permissie geven om naar den wal terug te gaan voor uw diner.”
Ik boog en vertrok. Onder weg naar de landingsplaats werd ik nog door deze en genen begroet met de namen van »kadetje,” of »beschuitknabbelaar,” doch de ware bedoeling daarvan niet vattende, bleef ik er koel onder. Toen ik aan de trap gekomen was, kwamen een paar vrouwen op mij af, die aan mijn gezicht zagen, dat ik een bootje verlangde en uit mijn spiksplinter nieuwe uniform mijne onhandigheid afleidden. »Naar welk schip verkiest UWelEdelGestrenge gebracht te worden?” was hare vraag. Ik noemde den naam.
»O, die ligt onder den obelisk,” zeide de oudste van het paar, op het oog een veertig jaren oud; »voor een shilling zullen we Uwe Edelheid daarheen roeien.”
Ik nam het aanbod aan. De oudste was zeer ervaren in het roeien, en ging met de riemen zoo behendig om alsof het breinaalden waren; maar de jongste, hare dochter, zooals mij bleek Sally gedoopt, was daarin erg onervaren. Zij zag er echter wel aardig en net gekleed uit en had een mooi voetje, waarmede ik echter een poosje later zeer onzacht kennis zou maken.
»Pas op, Sally,” zeide hare moeder, »houd slag met mij, of je zult een bruinvisch vangen.”
»Maak je niet ongerust, moeder,” zeide Sally, vol vertrouwen; maar alsof nu juist die waarschuwing er de oorzaak van was, zij stak het blad van haren riem te ondiep in het water; de riem ondervond niet den verwachten wederstand, kwam met het handvat op hare borst terug, en de rampzalige Sally draaide om haar zitvlak achterover, met het hoofd omlaag in de boot, de beenen daarentegen in de lucht, waarbij ik met haren schoen een knip tegen den neus ontving, die mij verplichtte met beide handen mijn steek te grijpen.
»Daar heb je het nu, Sally,” zeide de moeder boos, »ik heb je nog zóó gewaarschuwd!”
Sally scharrelde weer op haar plaats, kleurde een beetje en hervatte het werk. »Dat noemen ze bij ons een bruinvisch vangen,” zeide de vrouw. Ik antwoordde, dat ik dat wel aardig vond, en vroeg aan Sally om er nog eens een te vangen; maar hierin had zij weinig zin, en wij kwamen nu spoedig langs zijde van het fregat.
Nadat ik aan mijne roeisters den afgesproken shilling geofferd had, greep ik den valreep en klom aan boord. Boven gekomen werd ik aangesproken door een adelborst; deze was gekleed in buis en broek; het witte hemd, dat hij droeg, was van twijfelachtige zindelijkheid, en een zwartzijden doek was los om zijn hals geknoopt.
»Wat verlangt mijnheer?” vroeg hij.
»Ik zou gaarne Mr. Handstone, den eersten officier willen spreken,” zeide ik, en ontving daarop tot antwoord dat de eerste officier omlaag was om brieven te frankeeren, doch dat hem, als hij op dek kwam, van mijne komst bericht zou worden gegeven.
Na deze samenspraak werd ik aan bakboordszijde op het halfdek aan mijn lot overgelaten. Het schip was in eene groote wanorde, onder behandeling van het werfpersoneel. De caronaden van het bovendek waren alle uit de geschutpoorten gehaald en hier en daar langscheeps uit den weg gezet, de dekken vol pik, over de pas gebreeuwde naden gegoten, elders de kalfaters op hun gereedschapskisten gezeten in afwachting van het einde van het schaftuur. Aan stuurboordszijde stonden eenige adelborsten mij aan te gapen en op te nemen, misschien wel gissende naar de mogelijkheid of ik aan boord geplaatst was, en wat voor soort van kerel of ik wezen zou. Hun twijfel werd spoedig opgelost.
De eerste officier kwam op dek, de jonker van de wacht stelde mij voor, ik gaf mijn naam op en deed de boodschap van den commandant.
»Het is in orde, sir,” zeide Mr. Handstone. »Hier, mijnheer Flyblock, neem dit jongmensch mede naar omlaag, breng hem in de voorlongroom en wijs hem, waar zijn hangmat moet hangen.”
Ik volgde mijn nieuwen vriend langs de trap naar de kuil, waar wij eene vrouw passeerden, die brood, boter en bokkings aan de matrozen verkocht en in hare manden allerlei andere waren om zich heen had staan, zooals tabak, zeep, spiegeltjes en andere toiletbenoodigden; haar bier scheen echter den grootsten aftrek te hebben. Haar voorbijgaande, daalden wij nog eene trap af naar het tusschendeks, waar mij, vlak achter den grooten mast, mijne toekomstige verblijfplaats werd aangewezen,—een klein hok met den naam van logies bestempeld. Behalve door twee deuren, die in het volkslogies uitkwamen, en een raam aan den voorkant, dat eenig schemerlicht uit het groot luik zou toegelaten hebben, wanneer het niet gesloten werd gehouden, omdat wij anders voor iedereen der bemanning te kijk waren, ontvingen wij licht en lucht door een koekoek boven onze hoofden. Die koekoek was een glazen raam, dat geopend kon worden en zoo ingericht was, dat niet al het water, dat bij ongeluk langs de daarboven geplaatste trap liep, of dat met hooge zeeën of bij het schoon-schip maken over den rand van het luik wipte, op onze tafel of op onze hoofden kon neerkomen. Het licht, dat die koekoek doorliet, was op merkwaardige wijze getemperd; het kwam namelijk door meergenoemde trap heen, wat onbegrijpelijk zou zijn, als ik er niet bij vertelde, dat de treden niet uit planken, maar uit roostertjes bestonden. Het grootste deel der ruimte werd ingenomen door een tafel, gedekt met een onzindelijk laken, vol wijn- en mosterdvlekken. Een negerbediende was bezig om eten op te dragen, en eene zitplaats werd mij aangewezen. »Goede hemel!” dacht ik, toen ik mij na veel moeite in die plaats gewrongen had; »en dat is nu mijne toekomstige verblijfplaats? Dan had ik het toch nog beter op school: daar was althans frissche lucht en schoon linnengoed.”
Op dat oogenblik was ik wel in eene stemming om aan mijne arme, zielsbedroefde moeder een berouwvollen brief te schrijven, met verzoek om als de verloren zoon haar weer in de armen te vliegen. Twee belangrijke bezwaren weerhielden mij echter van dien stap: ten eerste mijn trots, ten tweede gebrek aan plaats en schrijfgereedschap. Met een diepen zucht zocht ik dus slechts heil in philosophische overdenkingen en herinnerde mij de gedachten van Gil Blas in het roovershol: »Ziehier den waardigen neef van mijn oom Gil Perez, als een rat in de val geloopen.”
De meesten mijner nieuwe kameraden waren in dienst buiten boord; het tusschendeks stond vol victualie- en watervaten, kisten, pakken, opgerolde zeilen en hangmatten, zoodat er geen doorkomen meer was; buiten boord en boven ons hoofd hadden de breeuwers hun werk hervat; het heele schip was vervuld met een stank van grog, jenever en bier, gebakken vleesch, uien en bokkings, daarbij een donkere lucht:—mij dunkt, meer was er niet noodig, om mijne gemoedstemming te drukken, en mij de overtuiging te schenken, dat er in de wereld veel ellende is. Ik was op het punt om mistroostig te worden, toen mij de uitnoodiging van den commandant te binnen schoot. Toen ik dit Flyblock mededeelde, zeide hij: »Dat komt heel mooi; Murphy moet ook bij hem dineeren, dan kunt ge samen gaan; ik ben overtuigd dat hij zeer ingenomen zal zijn met uw gezelschap.”
Het ging niet aan den kolonel op een adelborst te laten wachten; wij zorgden dus bijtijds te zijn. Het diner was in alle opzichten een »dienstdiner.” De commandant praatte veel, de officieren heel weinig, de adelborsten in ’t geheel niet; maar wat de behandeling van lepel en vork, en het ledigen der wijnglazen, voor zoover zij althans gevuld werden, betrof, heerschte de grootste levendigheid in omgekeerde volgorde. Gasten van ons schip waren er de eerste officier, Murphy en ik; de overigen waren collega’s van onzen bevelhebber en enkele andere officieren.
Zoodra het dessert was afgenomen, schonk de gastheer mij nog eens in, en verzocht mij het glas te ledigen en dan te gaan kijken, hoe de wind was. Den hierin opgesloten wenk vatte ik niet, de lastgeving nam ik te letterlijk op; buiten de deur zijnde, zat ik er over in, hoe ik achter de windstreek moest komen, daar mijne kennis van het kompas nog hoogst onvolledig was. Gelukkig viel mij buiten de windwijzer op den ouden kerktoren in het oog, die vier letters had, welke ik wist dat de hoofdstreken aanwezen. De windvaan kwam zoo juist met de letter W overeen, dat ik haastig naar binnen terugkeerde om, in mijn trots, dat ik er zoo gauw achter was, mijn kolonel te rapporteeren »dat de wind West was.” Maar wie schetst mijne verwondering, toen ik niet alleen voor mijne moeite niet bedankt, maar door het gezelschap uitgelachen werd; de eerste officier schudde het hoofd en zeide: »Dat is me een baar!” De commandant echter herstelde de fout op scheepsmanier. »Hier jonker,” zeide hij, »hier is nog een glas wijn, drink dat en dan zal Murphy u wel eens wijzen, wat ik bedoel.” Murphy voldeed aan den last, dronk met een minder vroolijk gezicht zijn wijn ledig, zette erg flink zijn glas op tafel en verliet, onder eene buiging met mij het vertrek.
Toen wij samen in de vestibule waren, liet hij tegenover mij zich niet onbetuigd:—»Wel, voor den d....., hoe kon je zoo terugkomen, ongare schaapskop? Kon je dien wenk niet begrepen hebben en weggebleven zijn, zooals de oude bedoelde? Nu heb ik mijn wijn kunnen missen voor zoo’n misbaksel als jij bent. Ik zal je dat koopje betaald zetten, vóór wij veel weken ouder zijn.”
Die fijnbeschaafde aanspraak hoorde ik met eenig ongeduld maar met eene groote dosis verontwaardiging aan. »Ik kwam terug,” zei ik, »om den kolonel te vertellen, hoe de wind was.”
»Och loop naar de maan,” antwoordde Murphy; »denk je, dat de commandant niet wist, hoe de wind was;—en bovendien, als hij dit werkelijk te weten had willen komen, zou hij er een zeeman om gestuurd hebben, zooals mij, en niet zoo’n hulpeloos lam als jij bent.”
»Wat de commandant bedoelde,” zeide ik, »dat weet ik niet, maar ik deed slechts wat mij gelast werd.—Maar wat bedoelt gij met mij een hulpeloos lam te noemen? Ik ben evenmin een lam als gijzelf!”
»O, zoo, ben je dat soms niet?” zeide Murphy, mij op hardhandige wijze aan een oor naar zich toe trekkende.
Dit nu was niet te dulden; wel was ik pas dertien en hij zeventien jaren en een opgeschoten kerel; ’t ware dus beter geweest, als ik mij bedaard had gehouden. Maar hij was begonnen: mijn eer stond op ’t spel, ik was woedend, en ’t verbaast mij nog, dat ik mijn ponjaard niet trok en daarmede op hem aanviel. Gelukkig echter vergat ik in mijne drift, dat ik dit wapen aanhad; de beleediging mijne uniform aangedaan, de bewondering van het kamermeisje, het saluut van den schildwacht alles kookte in mijn brein dooreen. Ik rekte mij uit als een vuurpijl, die de lucht ingaat en bracht mijn vuist, een wapen dat ik nog al wist te hanteeren, in het linkeroog van mijn tegenpartij, met eene kracht en juistheid die Cribb, den bokser, jaloersch gemaakt zou hebben. Murphy strompelde onder den aanval terug en ik verbeeldde mij, dat hij genoeg had.
Maar neen,—ik heb reeds gezegd, dat het een dag van teleurstellingen was!—hij was alleen achteruitgetrokken voor een aanloop; toen kwam hij op mij af met een drang, waar die van de gardes bij Waterloo eene kleinigheid bij was: zijne charge was onweerstaanbaar. Ik werd neergeworpen, in elkaar gedrukt, op den grond gebonsd, geslagen en geschopt, dat er bijna een eind aan mij zou gekomen zijn, waren niet de kellner en een kamermeid tot mijn ontzet komen opdagen. De laatste bracht vooral hare tong in werkdadige beweging; jammer voor mij, dat zij geen ander wapen in handen had, anders zou Murphy het niet malsch gehad hebben. »Schaam u,” zeide zij, »voor zoo’n grooten lummel, om een arm, onschuldig kind als dat, zoo te mishandelen. Wat zou zijne mama er wel van zeggen, als zij dat zag?”
»Laat zijne mama ophoepelen, en gij er bij,” zeide Pat. »Zie mijn oog eens aan.”
»’t Mocht wat, uw oog,” zeide de kellner; »’t is jammer, dat hij ’t andere niet juist zoo getracteerd heeft; het is verdiend loon voor ’t slaan van een kind; de jongen is flink geweest, en dat is meer dan van u gezegd kan worden.”
Intusschen waren op het leven, dat wij maakten, de kolonel en zijne gasten en nog anderen komen toeloopen. Ik had eene verdedigende houding aangenomen en mij niet doen hooren, hoewel mij het bloed uit neus en mond stroomde, en mijn gelaat de duidelijkste bewijzen vertoonde van de handigheid van mijn vijand, die als een goed bokser bekend stond en nooit dat dikke oog zou opgeloopen hebben, als hij eenigszins had kunnen denken, dat ik hem zou hebben durven aanvallen. De commandant vroeg, wat er gaande was. Murphy vertelde het gebeurde op zijne manier, en er was nagenoeg geen woord waarheid bij. Nu, als het een wedstrijd om het beste liegen had moeten zijn, dan zou ik het daarin zeker van hem hebben kunnen winnen, maar bij deze gelegenheid diende waarheid spreken mij beter. Zoodra hij uitgepraat had, gaf ik een onopgesmukt verhaal van de toedracht, en duidelijk bleek daarbij de kracht van mijn redenaarstalent boven het zijne. Murphy werd in ongenade weggestuurd, met scheepsarrest tot zijn oog weer zou genezen zijn.
»Dat is een straf, eigenlijk van uw tegenstander uitgegaan,” betoogde de commandant; »dat heeft de jongen mij uit de handen genomen: gij kunt natuurlijk met dat blauwe oog niet naar den wal gaan.”
Zoodra hij afgetrokken was, kreeg ik eene waarschuwing tot meerdere behoedzaamheid in het vervolg.
»Gij gelijkt wel op een jongen beer,” merkte de commandant op. »Ge gaat een verdrietigen tijd te gemoet. Als ge van plan zijt dadelijk uwe handen te gebruiken voor elk minder aangenaam woord, dat men u zegt, dan kan ik u wel voorspellen, hoe het u in den dienst gaan zal: als ge zwak zijt, zult ge een verschoppeling worden,—en als gij sterk zijt, zult ge u veel vijanden maken. Een twistzieke aard zal u gehaat maken in elken rang, dien gij bekleedt; men zal u altijd blijven wantrouwen, wel wetende, dat de geest van onbeschaamdheid en heerschzucht door u in de voor-longroom getoond, u zal bijblijven tot in de kajuit, met u op zal gaan in den dienst. Ik breng u dit in uw eigen belang onder het oog; het is geen bemoeizucht, ik weet dat iedereen en alles aan boord zijn eigen tegenwicht vindt; ik raad u alleen aan, wel te onderscheiden tusschen verzet tegen onderdrukking, dat ik ten zeerste goedkeur, en het op den voorgrond willen staan uit ijdelheid, heerschzucht en bandeloosheid, waarmede ik niets opheb. Ga nu uw gezicht afwasschen en keer dan naar boord terug. Doe uw best om met uwe overige kameraden op een goeden voet te komen; de eerste indruk is alles, en reken er op, dat Murphy niet veel goeds van u zeggen zal.”
De raad, mij zoo even gegeven, was op zichzelf uitstekend, doch kwam in dit geval een half uur te laat. Mijn gevecht was door eene onhandigheid van den commandant ontstaan en had zijn dieperen oorsprong in de toenmalige zeden en gebruiken aan boord der schepen. De tafelgesprekken bij de officieren en hoogeren, behalve wanneer er dames tegenwoordig waren, liepen het liefst over allerlei onderwerpen en werden gevoerd in een toon, die voor zoo’n knaap minder geschikt waren te hooren. Om die reden had men mij een wenk gegeven om maar weg te gaan. Het ware beter geweest, als mijn kapitein dit in een meer duidelijken vorm gedaan had.
Tegen acht uren ongeveer, kwam ik aan boord terug, waar Murphy mij intusschen vóór was geweest en eene allesbehalve hartelijke verwelkoming had bereid. Ik werd zoo koel ontvangen, dat ik mijn troost op het halfdek ging zoeken, aldaar op en neer bleef loopen, tot ik vermoeid was en toen tegen een stuk geschut aanleunde. In die houding werd ik opgeschrikt door het barsche bevel: »Blijf van dat stuk af; er wordt niet geleund op ’t halfdek!” Ik bracht de hand aan mijn pet en vervolgde mijn eenzame wandeling, van tijd tot tijd een schuinschen blik werpende op den officier der wacht, die mij zoo grof gewaarschuwd had. Mijn stemming was zeer neerslachtig; ik gevoelde mij hoogst ongelukkig. Nog geen verzuim had ik kunnen plegen en toch leed ik als onder een begane misdaad. Men had mij gegriefd, en zoo goed ik kon had ik mij verweerd. Waren het dan allen duivels, waar ik mede te maken had? Mijne gedachten keerden naar huis terug. Het beeld mijner bedroefde moeder, snikkende in mijns vaders armen, stond mij helder voor den geest. Mijn ongevoelig hart snakte naar liefderijkheid. Tranen kwamen op en zouden, had ik een eenzaam hoekje gevonden, willig gevloten hebben. Mijn trots was voor ’t oogenblik geknakt. Ik gevoelde alle ellende der afhankelijkheid en had gaarne alle schoone vooruitzichten willen verruilen voor mijne plaats terug in de ouderlijke woning.
Niet lang daarna kwam de eerste officier aan boord terug. Ik hoorde hem het met mij gebeurde aan den luitenant van de wacht vertellen. Dit deed het getij in mijn voordeel kenteren. Ik moest in de officiers-longroom komen, en toen ik daar alle vragen voldoende had kunnen beantwoorden, werd Flyblock geroepen, en ik opnieuw onder zijne hoede gesteld. Ik hoopte nu maar, dat de bescherming van den eersten officier mij een tijdlang beleefde behandeling zou waarborgen.
Ditmaal had ik betere gelegenheid mijn nieuw verblijf en mijne kameraden, die thans aan boord terug en in hun logies bijeen waren, op te nemen. Zij waren rond de tafel gezeten op kisten, die zoowel voor bank als bergplaats dienst deden; om zijne zitplaats te bereiken moest men over al de anderen heenklimmen. Zoo dicht opeengepakt te zijn, is zelfs onder de beste vrienden niet aangenaam; er behoeft niet eens warmte, bedompte lucht, gebrek aan linnengoed bij te komen. Nergens anders was een dergelijke toestand denkbaar, dan in het ruim van een slavenhaler. De adelborsten waren acht in getal, vier ouderen en vier nieuwelingen, zooals ik. Zij zaten in hun hemdsmouwen. Het maal op de tafel bestond uit licht bier in een groote pul, en harde scheepsbeschuit in een Japansche broodmand. Om den grooten eenvoud der gerechten niet te verstoren, of wel de onoogelijke vette tafel te verbergen, lag er een groot groen kleed met gele randen overheen, vol thee- en azijnvlekken. Ergens in een hoek stond een zak aardappelen; boven onze hoofden, tegen het dek aan, tegen boord, overal waren planken en kastjes getimmerd, waar in beminnelijke verwarring elkaar gezelschap hielden: borden en glazen met octantdoozen, messen, vorken en suikerbrooden, vuile hemden en kousen met nog fraaier tafellakens; waar kleer- en schoenborstels naast kammen en tandenschuiers te vinden waren, evenals steken en ponjaards naast zeelaarzen, en de boterprovisie tusschen een paar schrijfcassettes. Een enkele brandende vetkaars verlichtte dit soort van moordhol, waarin men zelfs met gesloten oogen kon genieten, door goed den neus op te halen.
Na mijne intrede gevoelde ik mij hier geenszins op mijn gemak. Dicht bij de deur stond onze zwarte bediende, die zelf al niet aan een parfumeriewinkel deed denken, op orders te wachten, met een handdoek voor het schoonvegen van borden en glazen, die mij reeds dadelijk onpasselijk maakte; ik viel half ziek op den eersten zetel neer. Na eenige oogenblikken kwam ik wat bij, spande mijne oogen zoo goed mogelijk in en waagde het in ’t rond te zien. Het eerst viel mijn blik op mijn vijand van ’s middags; hij droeg de sporen onzer ontmoeting in een met bruin papier onder een vuil zijden zakdoek verbonden linkeroog, met het andere staarde hij mij aan en op een woesten en brutalen toon zwoer hij wraak over mijne handeling te zullen nemen. Hierin werd hij gesteund door een ander, die naast hem zat en een onaangenaam gezicht had, door een paar groote bakkebaarden niet mooier gemaakt.
Onnoodig is het verder uit te wijden over al wat mij naar het hoofd geworpen werd; ik kan volstaan met de verklaring, dat de grooteren allen tegen mij en de jongeren onzijdig waren. Van de eerste partij ging eene soort van lastgeving uit, dat de andere helft eens wat ruimte zoude maken en naar boven zoude opkrassen.” »En jij, mijnheer van Vuistenburg,” zeide er een, »ruk maar op met de rest en laat je leelijke tronie zoo weinig mogelijk hier zien.”
De knapen gehoorzaamden in stilte en ikzelf had geen bezwaar hen te volgen. Bij het heengaan voegde Murphy mij toe: »Zoo moordenaar, ik zie, dat je weet te gehoorzamen, en dat is maar goed ook, want ik had al een beschuit klaar, om je naar den kop te smijten.” Die beleediging moest ik nog slikken, maar maakte het mij niet duidelijker wat de admiraal toch bedoeld kon hebben met zijn gezegde, van die »goede manieren”, die ik aan boord te leeren had.
Ik sloot mij nu meer aan bij de jongere adelborsten, en wij begaven ons voor een ongestoord onderhoud naar voren op den bak. Na langdurig overleg, werd ik, ofschoon het mijn eerste avond aan boord was, met algemeene stemmen als hun leider verkozen. Die eerepost had ik te danken aan mijn kloekmoedig optreden tegen de tirannie der oudsten en inzonderheid aan mijn aanval tegen Murphy. Door hen vernam ik nu veel van de wijze, waarop het bij ons toeging; hoe wij door den commandant, met het oog op de oefeningen en vermeerdering van kennis, ingedeeld waren en onder toezicht stonden; hoe wij voornamelijk, en het beste, in het vloeken werden opgeleid; hoe goed wij nagegaan werden; hoe wij wel ten volle aan de tafel mochten bijbetalen,—maar om de beste provisiën door anderen te zien opeten. Mijn bloed kookte bij die verhalen van hunne onderdrukking, en plechtig verklaarde ik liever te zullen sterven, dan zulk eene behandeling te gedoogen.
Het werd tijd om onze nachtkwartieren te gaan betrekken. Onder het halfdek, in ’t gezicht van den schildwacht bij de kerkdeur hing mijne hangmat. Men wees mij, hoe ik daarin moest klimmen, en lachte mij uit, toen ik er aan de andere zijde even vlug weer uitgleed. Ik moest mij hier het zedelijk overwicht van die kereltjes, alleen omdat zij reeds ettelijke weken aan boord waren, wel laten welgevallen en voor goede munt opnemen, dat zij mij voor een »baar” uitmaakten. Die plagerijen waren echter nog al goedaardig, en na nogmaals den lachlust mijner kameraden te hebben gaande gemaakt, slaagde ik er eindelijk in het ware evenwichtspunt in mijn slingerend bed te vinden en viel spoedig in een diepe rust. Doch tegen ongeveer vier uren in den morgen werd daaraan een gewelddadig einde gemaakt, want op dat oogenblik kwam met een ruk het hoofdeneinde van mijn hangmat naar beneden, en ik viel met mijn hoofd op het dek, terwijl mijne beenen nog in de lucht bleken hangen, evenals van de arme Sally, toen zij in het bootje een bruinvisch ving. Ontdaan door den schok en niet zeer spoedig tot een helder inzicht van de zaken gebracht doordien mijn bloed naar de beenen steeg en ik daardoor niet vatte hoe die kanonnen tegen den zolder aangeplakt waren, had ik eenigen tijd noodig, vóór ik mij kon oprichten.
De schildwacht voor de kerk, die de toedracht der zaak gezien had en den dader had opgemerkt, kwam medelijdend ter mijner hulp. Hij knoopte de gebroken lijn aaneen en hing mijne hangmat weder op, maar kon mij niet overhalen mij andermaal in dat verraderlijke bed te wagen, want ik dacht niet dadelijk, dat dit touw met opzet doorgesneden was. Te bang voor eene nieuwe tuimeling, wikkelde ik mij in mijne dekens en legde mij neer op eene kist, van waar ik een wakend oog kon houden op de plek, waar ik neergebonsd was.
En gelukkig was die inval van mij, want nog maar weinig minuten later kwam Murphy, van de hondewacht afgelost, naar omlaag, zag mijne hangmat weer hangen, meende dat ik er inlag, nam zijn mes en sneed de lijn aan het boveneinde weer door. »Zoo,” zeide ik in mijzelf, »waart gij dat, die mij de eerste maal ook hebt laten vallen, op het gevaar af mij een hersenschudding te bezorgen, en het nu weer beproeft!” Ik deed eene gelofte van wraak en vervulde die spoedig. Als een struikroover, kroop ik ineen opdat hij mij niet zou gewaarworden en loerde, tot ik hem in zijn eigene hangmat had zien kruipen en zijn solo in het snurken kon waarnemen. Zachtjes schoof ik een paar schrootbossen onder zijn hoofdeinde, zoodat hij in zijn val op de scherpe randen zou neerkomen, (al had hij zich te pletter gevallen, ’t kon mij niets schelen, ik dorstte immers naar wraak) en stil, maar met één ruk, sneed ik zijn touw door. Hij viel op de wijze, die ik voorzien had, gaf een diepen snik en bleef liggen. Ik had weer haastig mijn kist en mijn deken opgezocht en hield mij slapende, terwijl de schildwacht, die gelukkig gezien had, hoe Murphy mij het eerst had afgesneden, met een lantaarn nader-bij kwam, de schrootbossen weer naar hun plaats terugschoof, en hem bewusteloos ziende, den sergeant van de mariniers waarschuwde en verzocht den ziekenoppasser mede te brengen.
Toen de sergeant naar voren was gegaan, fluisterde hij mij toe: »Blijf stilliggen; ik heb alles gezien, maar als zij er achterkwamen, zoudt ge een leelijke pijp rooken.” Murphy had weinig vrienden, zoo het scheen: iedereen verheugde zich in het voorgevallene. Ik bleef stil in mijn deken gewikkeld, terwijl de ziekenvader de belangrijke wond verbond en na geruimen tijd er eerst in slaagde hem bij te brengen. Doch wel veertien dagen moest mijn vijand zijn bed houden. Het vermoeden viel niet op mij, of zoo er soms al over gedacht mocht zijn, begreep men zeer goed, dat ik niet de aanvaller was. Het geheim bleef goed bewaard, ik gaf den marinier een guinje present en verhief hem tot mijn oppasser.
Een enkel woord tot mijne verontschuldiging zal hier niet misplaatst te achten zijn. Ik gaf hierboven een staaltje van mijne hardheid en onverzoenlijkheid. Hartstochten als deze behoorden zeker op mijn leeftijd nog sluimerende te blijven, maar juist door de onmenschkundige handelingen van diegenen, waaraan men mij als kind had toevertrouwd, waren zij reeds vroeg ontkiemd. Dit waren nu de vruchten mijner slechte opvoeding. En in welk eene omgeving was ik nu, op een leeftijd voor diepe indrukken zoo vatbaar, geraakt? Op een schip moest ik samenleven met een driehonderdtal mannen uit den laagsten stand der maatschappij. Met vloeken werd elk gesprek gekruid; de eenige zondagviering bestond in verwisseling van kleederen en meer vrijen tijd tot ongebondenheid.
Welk voorbeeld de officieren aan hun jeugdiger scheepsmakkers gaven, heb ik hierboven reeds met een enkel voorbeeld aangetoond. Wat de adelborsten onderling aanging, hiervan viel mede weinig goeds te zeggen. Taal en manieren waren niet beter dan die van het volk; hunne levenswijze was misschien iets meer verfijnd. Hun eenig genoegen aan den wal bestond in dronkenschap en liederlijkheid, hunne gesprekken aan boord liepen over weinig anders en zij waren trotsch op die feiten. Wel mocht de commandant mij opgemerkt hebben, dat op een oorlogsschip alles zijn tegenwicht vond; maar in het adelborstenverblijf was zulks dan overeenkomstig de zeden der wilden, voor wie lichaamskracht het hoogste is en beslist of men tiran dan wel slachtoffer zal wezen. De schooltucht was nog heilig bij de tirannie in een adelborsten-longroom in het jaar 1803.
Tiranniseeren werkt altijd hoogst nadeelig. Niemand wordt er beter door. Ik geef gaarne toe, dat jongelieden uit de hoogere standen eenige partij kunnen trekken uit den omgang met minderen, en dat het een jong aristocraat geen schade doet, eens een pak slaag op te loopen van een burgermanszoon. Maar hij, die als slaaf wordt opgebracht, eindigt met tiran te zijn, wanneer hij zelf de macht in handen krijgt. Onze aard brengt er ons toe om anderen te doen ondervinden, waar wijzelven in geleden hebben. De moed en geestkracht van een flinken jongen zullen door eene slechte behandeling, waartegen hij niet is opgewassen, gebroken worden, om dikwijls plaats te maken voor lijdelijke onderwerping met een onbevredigd gevoel naar wraak, dat hem levenslang bijblijft.
Ik had aanleg voor dit laatste. Het zal uit sommige mijner verdere lotgevallen nog meermalen blijken, dat het slechte zaad, zoo vroeg en zoo mild in mij gezaaid, zeer welig opschoot. Toen ik pas aan boord kwam, schrikte ik terug van al de ruwheid, die ik zag. Langzamerhand gewende ik aan den omgang met al wat slecht was. In weinige maanden was ik juist als de anderen. Misschien ware ik langer bestand gebleven tegen den invloed der slechte voorbeelden, als zij mij met geweld waren opgedrongen; maar bij bespotting mijner levensopvatting legde ik spoediger de wapenen neer. Mijn jonge kameraads, die mij hoogstens zes maanden in dienst vooruit waren, waren reeds oud in verdorvenheid; zij lachten om mijne onschuld en heetten mij »papkind” of »schoolmiss”, doch brachten mij spoedig op gelijke hoogte. Den leeftijd voor volkomen loszinnigheid hadden wij noch niet bereikt, maar de aanleg was bij ons allen aanwezig.
Ik was nog geen twee dagen aan boord, toen mijne makkers er op aandrongen, dat ik eens den grooten top zou inklimmen. In vol vertrouwen enterde ik het want in als een geoefend klimmer, maar was nog niet zeer hoog, toen ik ingehaald werd door een marsgast en een zijner maats, die mij zonder plichtplegingen elk bij een arm pakten en behoorlijk aan een paar hoofdtouwen vastbonden. Zij lachten om mijne tegenwerpingen. Ik vroeg, wat dit te beduiden had, waarop de marsgast, heel beleefd de hand aan zijne muts brengende, antwoordde, dat dit de manier was, waarop alle heeren behandeld werden, den eersten keer dat zij het tuig inkwamen, en dat het slechts aan mij stond mij los te koopen. Ik keek om hulp omlaag naar het halfdek, doch daar stond iedereen mij uit te lachen, en niet het minst die kleine apen van jonkers, die mij derwaarts verlokt hadden en veel pret in hun grap hadden. Geen uitweg ziende, vroeg ik, wat ik te betalen had. De marsgast zeide, dat zeven shillings een fatsoenlijk losgeld was. Ik beloofde die som te zullen geven, werd losgemaakt en voldeed, op het dek teruggekomen, mijne schatting.
Dit kleine voorval nu niet eens medegerekend, had ik aan boord nog niet veel anders dan wreedheid en onderdrukking te lijden gehad; dit versterkte mijn diep leedwezen ooit den voet op een schip gezet te hebben. Alleen wanneer ik Murphy met zijn verbonden hoofd in zijne kooi zag liggen, gevoelde ik eene aangename voldoening, die mij verder drong om te zijner tijd met iedereen af te rekenen, die mij iets schuldig was gebleven.
Toen ik drie weken aan boord was, werd het schip zeeklaar gerapporteerd. Bij den eersten officier was ik nog al in gunst geraakt, door met ijver de mij opgedragen diensten te vervullen. Ik was bij eene wacht ingedeeld, in de voormars geplaatst en aangewezen bij de divisie voorste kanonnen in de kuilbatterij. Van de adelborsten had ik gehoord, dat de eerste officier een hard, onaangenaam man was, vooral lastig tegen degenen, die het eenmaal bij hem verkorven hadden; maar ik moet eerlijk zeggen, dat ik die meening niet kon deelen en hem altijd als een echt gentleman achting heb toegedragen. Met den tweeden officier was ik op lang zoo’n goeden voet niet. Ik had dezen eens dienst geweigerd, omdat ik meende, dat hij daarin buiten zijn macht ging, en dit vergaf hij mij nimmer.
Murphy was weer hersteld en deed zijn dienst; zijn haat tegen mij was geenszins verminderd, en nooit had ik rust in zijne tegenwoordigheid. Eens wierp hij mij met kracht een harde beschuit naar het hoofd, mij daarbij een onteerenden scheldnaam gevende. In eens was het met mijne zelfbeheersching gedaan en was al, wat ik reeds door mijne heftige geaardheid had moeten lijden, glad vergeten; het bloed kookte mij in het hoofd en droppelde van mijn gewond voorhoofd. Verblind van woede, greep ik een koperen kandelaar, die, om zeevast te staan, vol lood was gegoten, en wierp dien met alle kracht in zijne richting. Als hij niet tijdig gebukt had, zou het zeker zijne laatste beleediging zijn geweest; nu evenwel kreeg onze zwarte jongen, die achter hem stond, het voorwerp tegen den schouder; kermende werd de arme man naar den ziekenboeg gebracht en bleef verscheidene dagen onder dokters handen.
Murphy vloog op tot onmiddellijke wraakneming, maar werd daarin teruggehouden door zijn oudste collega’s, die beweerden dat mijne overtreding een meer plechtige strafoefening vorderde. Door een soort van rechtbank, waar de ontvangen provocatie eenvoudigheidshalve niet in rekening werd gebracht, werd ik schuldig verklaard aan »insubordinatie tegen een oudere,” en »het geven van een slecht voorbeeld aan de jongeren,” en veroordeeld om afgeranseld te worden met behulp van een kous met nat zand gevuld. Met het aangezicht op tafel, werd ik door de vier krachtigsten vastgehouden, terwijl de dokter-assistent, die ook ons logies deelde, mijn pols vatte om waar te nemen, hoeveel ik kon verdragen; Murphy trad, op eigen verzoek, als beul op. Bij elk ander zou ik het bij de onuitstaanbare pijnen, die ik leed, hebben uitgeschreeuwd; maar nu was het mijn eer te na en zou ik mij eerder hebben laten doodslaan, dan een kik te geven. Na een uiterst gestreng pak, gaven het koude zweet en eene flauwte aan, dat ik niet meer kon verduren. Ik werd losgelaten met het bevel om veertien dagen achtereen op mijzelf te eten op mijn kist. Nauwelijks was ik overeind en weder bij adem, of ik verklaarde op de ernstigste manier, dat elke herhaling van de ondervonden beleediging een herhaling van het feit, waarvoor ik nu straf had geleden, ten gevolge zoude hebben en dat ik dan bij den commandant om recht zou vragen. »En,” zeide ik, mij bijzonder tot Murphy wendende, »ik ben het geweest, die laatst uwe hangmat heb afgesneden, waardoor gij bijna den kop te pletter gevallen hebt. Dat was voor uw lafhartige daad aan mij; en ik zal het weer doen, al heb ik er nog zoo onder te lijden; elke daad van dwingelandij, die ge aan mij begaat, zal zijne wraak vinden. Beproef maar eens, of ik ook woord houden zal.” Hij grijnslachte en werd bleek, maar durfde, als echte lafaard, niets meer ondernemen. Ik werd de voor-longroom uitgejaagd en hoorde nog achter mij zeggen: »Nu, dat is een kwaadaardige duivel!”
Dit heftige tooneel had een soort van wapenstilstand ten gevolge. Murphy begreep, dat hij bij de eerste provocatie den kandelaar naar zijn hoofd, of een mes in zijne ribben zou krijgen; den vrede, dien ik niet door zijn medelijden kon verkrijgen, had ik nu aan zijne vrees te danken. De zaak werd druk op het schip besproken. Daar het bij de officieren in de longroom verkeerd werd voorgedragen, veroordeelde men mij. Bij de bemanning, waar men Murphy algemeen haatte, geraakte ik er door in gunst; mijn flinke weerstand wekte bewondering.
De houding der officieren was zoo koel, dat ik mijn troost maar bij de mindere schepelingen zocht. Dit was mij in zooverre nuttig dat ik nu snelle vorderingen maakte in de practijk van mijn vak en veel leerde uit de verschillende oordeelvellingen over het algemeen gebrek aan zeemanschap bij de officieren, uit den mond dier oude echte zeelui opgevangen. Onze goede verstandhouding gaf aanleiding tot de volgende overeenkomst: zij beloofden mij nooit te zullen wegloopen uit eenige sloep, waarmede ik in dienst aan den wal zou zijn; ik daarentegen zou hen altijd veroorloven, om zoo lang mogelijk naar de kroegen te gaan. Ongelukkig echter ontbraken er, in spijt van ons contract, toch twee man uit de sloep, waarmede ik daags voor ons vertrek naar zee was uitgezonden, en omdat ik buiten mijn boekje was gegaan met hen te vergunnen in een drankwinkel te loopen, werd ik, toen ik aan boord kwam, van het halfdek ontzet en alleen voor den dienst in den voortop aangewezen.
Derde hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding, waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.
Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had, bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.
De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik ging als »alle hens op” was naar boven, zoo ook gedurende den tijd, dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek, zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen, dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die eerlijke pikbroeken sleet.
Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen, en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn manschappen. »Ware het niet,” zoo vervolgde hij, »om uw overigens goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen, dat gij u in ’t vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten.”
De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen, kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden, aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy’s kooi had afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen, en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,” vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen, en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden.”
De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke, naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op, dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien, voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De omkeer in de algemeene stemming bleek uit de talrijke uitnoodigingen die ik aan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven mij met achterdocht behandelen.
Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten, die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.
Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke, beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo gevaarlijk kon afloopen;—bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was, kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.
Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek, onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag, die hem het leven kostte toen hij ’s lands eer ophield. De geschiedenis van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven, dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast het mij, dat bij zulk een verwarring en de overeenstemming van alle zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was: dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien worden; hij kon geen partij trekken van ’s vijands zwakke punten of fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen; zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers, lag, als ’t ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip van 80 stukken.
Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek, en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; ’s vijands centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen, waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten, hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden, zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den dag nolens volens werkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten, zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam, niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde; en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte, dat ieder zijn plicht zou doen”, slechts weinigen de hoop van hun vaderland teleurstelden.
Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen van het sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering, en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme, besliste vastberadenheid te lezen.
Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde, volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal, ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip bij »alarm”. Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen, op de onderra’s de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald, worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool, piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden, voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stuk staat de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen, sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het woord »overal” de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte, zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,” dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!” Ik wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.
Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.
Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was, dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche fregat l’Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn, ware het niet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.
Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna, en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.
Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken, zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte, tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te laten blijken.
Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man, die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,—en nu, in eens als ’t ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig waren.
Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop—ik bad alleen om uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.
Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer: gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in ’t geheim was ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien te hebben.
Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen, klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig linieschepen. Sommige van ’s vijands schepen zagen wij in de richting van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er een sloep van ons naar een ander nabijzijnd schip ging, sprong ik er in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in overweging om een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te zenden. »Neen,” zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is daar zeer geschikt voor!” Ik stak van boord, niet weinig verheugd over het in mij gestelde vertrouwen.
Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben; maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.
»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag,” zeide een aan onze tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog aan den mond bracht.
»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal, dien dans zijt ontsprongen,” dacht ik bij mijzelve.
»Als er dan toch veel dooden moeten zijn,” zeide een ander, »dan voor mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!”
Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was geweest.
Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed; menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van het menschelijke lichaam?
Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene nieuwe uitrusting zou laten opdokken.” Ik vroeg, wat hij daarmede bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar,” omdat ik dit niet wist, en toen ingelicht. »Weet ge niet,” zeide mijn leermeester, »dat na elk zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?”
Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans- en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette, dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet, toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-) kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden, terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu, op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen, zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden.”
»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?” vroeg ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.
»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?”
De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij een flink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.
Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was, kreeg ik verlof,—ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen, ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende, den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken, en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur, waarop zij juist aan tafel waren gezeten.
Vierde hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Aan de deur van ons huis gekomen, liet ik zachtjes den klopper vallen, zei geen woord tegen den bediende die mij de deur opende, doch stoof met een groote drukte de eetzaal in, waar ik als een dakpan binnen en mijne moeder om den hals viel. »Goede hemel, mijn kind!” was al wat zij kon uitbrengen, vóór zij flauw viel. Mijn vader, die juist de helft van zijn bord soep verorberd had, vloog op, om mij te omhelzen en om moeder bij te brengen. Het geheele gezelschap rees overeind als een vlucht opgeschrikte patrijzen; een van de dames zou juist een lepel soep aan den mond brengen, toen haar buurman haar die met de elleboog uit de handen sloeg, waardoor zij een spiksplinternieuwe zijden japon bedierf; ons kleine schoothondje Carlo hief een oorverdoovend gekef aan; kortom, ik had er niet beter in kunnen slagen om de grootst mogelijke verwarring teweeg te brengen.

Goede hemel, mijn kind!
Pag. 45.
Langzamerhand kwam alles tot rust en mijn moeder ook weer bij,—mijn vader schudde mij de hand,—de gasten stemden overeen in de verklaring, dat ik een knappe, belangwekkende jongen was, de dames namen weer plaats, en het was mij aangenaam te kunnen opmerken, dat ik den eetlust niet had verstoord. Ik was in de gelegenheid spoedig te toonen dat ik hierin niet achterlijk was. De ontberingen, van het scheepsleven hadden mij van een goede tafel niet afkeerig gemaakt, en ik speelde mijn partij goed mede, als de heeren op mijn gezondheid dronken. De tot mij gerichte vragen wist ik alle even vloeiend te beantwoorden, en ik was zoo woordenrijk, dat de vragers zeker wel eens spijt kregen mij aan den praat gebracht te hebben.
Ik gaf een opgesmukte beschrijving van den zeeslag, sprak, opgeblazen als ik was, met lof over sommige van de vlag- en hoofdofficieren, haalde minachtend mijne schouders op over anderen en beschuldigde er zelfs eenigen van niets minder dan lafhartigheid. Nu en dan gebruikte ik, om mijn woorden meer kracht bij te zetten, een hartigen vloek; dan keek mijn vader ernstig, hief mijn moeder bestraffend een vinger op, lachten de heeren en zeiden de dames heel toegefelijk: »zoo’n jongen!—wat een vuur—wat een verrukking—wat heeft hij opgemerkt!” Zij brachten het hierdoor echter niet verder bij mij, dan dat ik ze in mijzelf met den naam van »domme ganzen” betitelde.
Des anderen daags, toen de hartelijkheid van het wederzien nog niet bekoeld was, bracht ik bij het ontbijt bij mijne ouders mijne kist met goed ter sprake; toevallig gaf, gelukkig voor mij, mijn vader juist hiertoe aanleiding, door te vragen, hoe mijne kleeren zich gehouden hadden.
»Vrij treurig,” zeide ik, onder het verwerken van mijn derde eitje, (ik was nog uitgerammeld van den honger).
»Vrij treurig?” herhaalde mijn vader. »Mij dunkt, gij waart toch in allen deele ruim voorzien.”
»Dat is zoo, vader,” zeide ik; »maar u kunt u geene voorstelling maken, van wat het zeggen wil, als een schip klaar voor ’t gevecht wordt gemaakt; al wat niet te heet of te zwaar is om aan te pakken, wordt overboord geslingerd met eene handigheid, zooals.... zooals ik bijvoorbeeld deze boterham inneem. »Van wie is die steken-doos?”—»Van Mr. Spratt, mijnheer.”—»Die verd..... Mr. Spratt, ik zal hem leeren hoe hij een andermaal op zijn steken-doos moet passen; weg er mee”—en over de lijvalreep zeilde de doos in zee. Spratt’s vader was een hoedenmaker in Londen, wij lachten er dus om.”
»Eilieve Frank,” vroeg mijne moeder, »deden zij met uw doos ook zoo?”
»Zij ging denzelfden weg op. Ik keek haar na, toen zij naar achteren dreef, en kreeg tranen in de oogen, toen ik bedacht, hoe boos u zoudt zijn.”
»Maar de kist, Frank, wat is er met uwe kist gebeurd? Ge hebt gezegd, dat die Vandalen ten minste zware voorwerpen ontzagen, en de uwe was, ik heb nog de rekeningen liggen, van een eerbiedwekkend gewicht.”
»Dat is zoo, vader; hoeveel lichter zij haar ook gemaakt hebben, den eersten dag in zee. Ik lag er op,—zoo zeeziek als een hond,—toen de eerste officier en de luitenant van de week omlaag de ronde deden na het schoonschip maken; ik en mijne Noachs arke lagen in den weg.—»Wel, wien hebben wij daar?” zeide mijnheer Handstone. »O, het is jonker Mildmay maar, met zijn kist,” zeide de sergeant van de mariniers, van wiens terrein ik erkennen moet een stuk in beslag genomen te hebben. »Zoo!” herhaalde de eerste officier, »ik zag het aan voor een van de pijlers van de nieuwe brug, en de eigenaar voor een dronken Ierschen heibaas.”—Ik was te ziek om op hunne woorden te letten.”
»Gij laat uw ontbijt in den steek,” waarschuwde mijn zuster.
»O, ik wil graag nog een half broodje en een kop koffie,” zeide ik.
»Die arme jongen!” zeide mijne moeder, »wat moet hij uitgestaan hebben!”
»O, ik heb nog lang niet alles verteld, beste moeder; het is een wonder, dat ik het er levend afgebracht heb.”
»Levend afgebracht!” zeide mijne tante Julia. »Hier is een kleinigheid, beste jongen, voor de vernieuwing van hetgeen gij in dienst van den lande verloren hebt. Wel, flinke vent! wat zouden wij er naar aan toe zijn, als wij geen zeelui hadden!”
Ik stak de kleine gift—het was een bankje van tien pond—op, maakte een eind aan mijn ontbijt, door de toevoeging van een snede ham op een Fransch broodje, aan de reeds ingescheepte eetwaren en vervolgde mijn verhaal. »Het eerste wat Mr. Handstone zeide was, dat mijn kist veel te groot was; daarop liet hij volgen: »Roep mij den timmerman hier.—Kijk, baas, neem deze kist onder handen; er moet minstens een voet in de lengte, en een voet in de hoogte af.”—»Best, meneer,” zeide de baas. »Kom jonker, ga er eens af en geef mij den sleutel.” Zoo ziek als ik was, begreep ik volkomen, dat hier noch tegenwerpingen, noch smeekingen zouden baten; dus scharrelde ik van mijne ligplaats af, gaf den sleutel aan den timmerman, die de kist openmaakte, en met de noodige vlugheid al mijn schatten op het dek uitpakte. Spoedig had ik al de adelborsten om mij heen. De potjes met confituren en het krentenbrood, door u, beste aller moeders, met zoo veel zorg ingepakt, werden voor mijn oogen verdeeld en verslonden. Een hunner stak zijn morsigen poot in een pot vlierbessen-gelei, die u mij medegegeven hadt voor het geval van verkoudheid, en hield mij een handvol voor den mond, en dat, terwijl hij wist, dat ik het zoo te kwaad had met de zeeziekte.”
»O,” riep mijne zuster, »ik zal nooit van mijn leven weer gelei kunnen zien!”
»Die ruwe vlegels!” zei tante.
»Om kort te gaan,” vervolgde ik, »al wat bruikbaar was, werd ingerekend, en daar ik mij zoo ziek gevoelde, liet mij dit onverschillig; maar toen zij op een lachenden toon oneerbiedig over u, dierbare moeder, begonnen te spreken, werd ik woedend en zou hen aangevlogen zijn.”
»Nu ’t is niets, mijn jongen,” zeide moeder. »Wij zullen alles wel weer in orde brengen.”
»Ja, dat zal wel dienen,” bracht vader hiertusschen in; »maar als ’t je blieft, geen confituren of koek meer, mijn waarde.—Vertel verder, Frank!”
»Wel, vader, een half uur later was mijn kist weer klaar; maar nu zij toch eens aan het afzagen waren, hadden zij er nog best een voet meer af kunnen nemen, want er bleef ruimte te over om op te bergen, wat men mij overgelaten had. De ledige potjes kwamen natuurlijk aan de mariniers, om hun poetsolie in te bewaren; en daar eenige andere zware artikelen weggekaapt waren, was ik niet meer in zorg waar ik die stoppen moest. Daarna, dat weet u, kwam de zeeslag, en toen gingen kist en hangmat, de heele rommel naar den——.”
»Worden bij zoo’n gelegenheid alle kisten en kooigoederen overboord geworpen?” vroeg mijn vader, mij in de oogen ziende met een strengen, uitvorschenden blik, dien ik moeite had om te doorstaan.
»Ja, altijd alles wat in den weg staat, en mijn kist hinderde, en voort er mede. Ik had vreeselijk het land; maar u begrijpt, dat ik den eersten officier niet kon aanvliegen; zij zouden mij behoorlijk aan een der raas opgeknoopt hebben.”
»De Hemel zij gedankt, lieveling, dat gij u ingehouden hebt,” zeide mijn moeder. »Wat gebeurd is, kan hersteld worden, maar zoo iets zou ik nooit te boven gekomen zijn. En uwe boeken, wat is daarmede gebeurd?”
»Alles ging mede. Zij liggen ergens vóór de straat van Gibraltar;—ik ben ze alle kwijt, behalve mijn Bijbel; die is gered, omdat ik er juist daags vóór het gevecht in had liggen lezen.”
»Voortreffelijke jongen!” riepen moeder en tante in koor uit, »ik weet zeker, dat hij de waarheid zegt.”
»Ik hoop het,” zeide mijn vader droogjes; »maar men moet toch erkennen, dat die zeegevechten, hoe roemrijk ook voor Oud-Engeland, zeer kostbare genoegens zijn voor de ouders van jonge adelborsten, tenzij die jongens er zelf hun hachje bij inschieten.”
Of mijn vader nu wantrouwig begon te worden, dan wel tegen nog meer vragen opzag, uit vrees van nog meer sterke stukjes te hooren, weet ik niet; maar ik was blijde, dat het verhoor een einde had genomen en ik met goed fatsoen weg kon gaan. Tot mijn schande moet ik zeggen, dat de Bijbel, die zoo goed dienst had gedaan om mij moeders gunst te verzekeren, slechts ééns open was geslagen sedert ik van huis ging, en dat was om na te zien of er ook bankbriefjes tusschen de bladen in weggestopt waren, wat ik gehoord had, dat men wel eens meer bij jongelui deed om te zien of zij wel trouw in dat Boek lazen.
Mijn nieuwe eischen werden alle ingewilligd met te meer spoed, daar ik thuis erg lastig begon te worden; mijn zee-manieren waren dikwijls erg stuitend in onze huiskamer. Mijn moeder, tante en zuster waren heel andere dames dan die, welke ik in onze zeeplaatsen ontmoet had. Mijn vloeken en den baas spelen over onze bedienden was zeer hinderlijk en bracht er toe bij, dat men tegen mijn ophanden vertrek niet erg opzag. Met blijdschap hoorde men mij het einde van mijn verlof aankondigen. Daar ik er nu alles van gehad had, kon ik de familie koeltjes verlaten, en toen de wagen vóórkwam, sprong ik er in, reed naar het Gouden Kruis, en meldde mij den volgenden morgen weer aan boord.
Door het meerendeel mijner kameraden werd ik hartelijk verwelkomd; Murphy en een paar zijner trawanten deden daarin niet mede. Geen enkel oogenblik dacht ik met wroeging aan de leugens en huichelarij, waarmede ik mijne brave ouders bedrogen en opgelicht had. De lezer zal wel begrepen hebben, dat in het omstandig verhaal omtrent mijne kist geen woord waarheid was, behalve dat verkleinen op last van den eersten officier en het rooven van mijn lekkernijen. Dat ik veel van mijn uitrusting kwijt was, was de waarheid; maar ik had een en ander verloren door eigen zorgeloosheid, niet omdat het overboord geworpen was. Toen ik daags na mijn komst op het schip den sleutel van mijn kist miste, overtuigde de snelle vermindering mijner bezittingen den eersten officier, dat het restant heel wat beknopter kon gepakt worden, en dit had het inkorten van mijn kist ten gevolge.
Mijn nieuwe kleeren bracht ik in een koffer mede, en daar deze zeer handig was, slaagde ik er voortaan in, den boel beter bij elkaar te houden dan vroeger. Het geld, dat mij toegestopt was, vond zijn weg wel. Ik begon eenigszins meer aan mijn uiterlijk te hechten, daar ik opgemerkt had, dat de best gekleede adelborsten in den regel de aangenaamste dienstbaantjes hadden. Ik werd daardoor dikwijls aangewezen om gezelschappen met dames, die het schip kwamen bekijken of bij commandant of officieren kwamen dineeren, met de sloep af te halen. Ik had tamelijk veel praats en was geen onknappe jongen, en hoewel nog al ontwikkeld, had ik bij de dames veel vóór, omdat ik zoo’n aardig, lief jonkertje was, zoo schijnbaar doodonschuldig van hart en manieren. De reden was, dat ik aan boord onder heel wat strenger tucht stond, dan in het ouderlijk huis, waar ik mijn vader, die overigens een zeer knap man was en zijn wereld wel kende, doch van zeezaken verbazend slecht op de hoogte was, in een zekeren zin, als hij op mijn terrein kwam, behandelde als dien ondermeester: ook hij en zijn gansche gezelschap gingen kopje onder in den vijver hunner onwetendheid. Zoo groot is de macht van plaatselijke kennis en slimheid over abstracte wetenschap en ervaring.
Mijn laatste slagen te huis had mijn zelfvertrouwen in niet geringe mate ontwikkeld. Aan schijnbare zedigheid paarde ik eene onovertroffen schaamteloosheid en hierin won ik het verre van mijne tijdgenooten. Ik meen hiermede van mijne jongensjaren voor goed te kunnen afstappen. De drie eerste proefjaren van een leven als adelborst leveren alleen lotgevallen, die als zij in alle bijzonderheden verteld werden, meer zouden tegenstaan dan met genoegen worden gelezen en veel eer tot een afschrikkend dan een aanmoedigend voorbeeld zouden strekken; stilzwijgend stap ik dus dien tijd voorbij om over te gaan tot mijn leeftijd van zestien jaren, toen ik reeds zeer opgeschoten was en een uiterlijk voorkomen had gekregen, waarop ik met recht meende trotsch te mogen zijn.
In allen deele, behalve waar het godsdienst en zedelijkheid betrof, hield de vooruitgang van mijn geest gelijken tred met dien van mijn lichaam. In moraliteit kwam ik meer en meer te kort, ja er brak een tijd aan, dat ik die, als nuttelooze lading, als ballast, overboord had gezet. Bij mijn flink gebouwd lichaam deed de verdorvenheid mijner ziel slechts denken aan een prachtig gepleisterd praalgraf, waarin van binnen bederf heerschte,—aan een prachtige slang, die, in weerwil van hare gouden en azuren schubben, een hevig gif verborg. Ik koesterde hooghartigheid, wraakzucht, bedrog en eigenliefde;—mijne beste vermogens gingen op in de onedelste bedoelingen.
In de kennis van mijn vak maakte ik goede vorderingen. Het was mij toen een groot genoegen mij daarvoor in te spannen. Hierbij had ik het voorrecht om aan mijne eigene krachten overgelaten te zijn, daar ik nog steeds met mijn oudere collega’s op een gespannen voet was en daardoor weinig voortgeholpen werd. Kostte het mij wat meer moeite, het geleerde kwam er beter bij mij in door eigen onderzoek. Door den tijd werd ik een goed navigateur, en tevens een bekwaam zeeman.
Mijne verhouding tot de jongere adelborsten en ook tot de mindere schepelingen liet weinig te wenschen over. Ik was zoowel te trotsch om zelf een tiran te zijn, als om mij aan de dwingelandij van anderen te onderwerpen. Naarmate ik krachtiger werd, wist ik beter mijne plaats te bewaren, mij te doen eerbiedigen. De kleine schermutselingen, die zoo al eens onder ons voorvielen, waren eene goede oefenschool en bezorgden mij, door de vele kleine overwinningen, eene vreedzame onzijdigheid. Vocht ik wel eens met de ouderen en was ik daarbij niet gelukkig, toch had ik het voorrecht dat ik, om de toenemende hardheid mijner vuisten, meer en meer door elk, Murphy hiervan niet uitgezonderd, met volkomen vrede gelaten werd.
Aan mijn betere opvoeding had ik bovendien een zedelijk overwicht in de voor-longroom te danken. Doch helaas! ook dit was werkelijk slechts weinig in mijn waar belang. Ik werd daardoor in veel opzichten de vraagbaak en albeslisser bij letterkundige twisten, en liet mij daarop weer veel te veel voorstaan. Mijn omgang werd dikwijls gezocht; dit bracht mij menigmaal in minder gewenschte gezelschappen. Ik had een goede stem en bespeelde een paar muziekinstrumenten; hieraan had ik veel vrijaf in den dienst, en tal van uitnoodigingen in de officiers-longroom te danken, waar ik meer wijn en grog te drinken en meer onbehoorlijke gesprekken te hooren kreeg, dan mij dienstig waren.
Wij kregen bevel tot een kruistocht op de Fransche kust, en daar nu de jongste haven-admiraal een oude grief tegen onzen kolonel had, zwoer hij bij hoog en laag, dat wij dadelijk uitzeilen zouden, klaar of niet klaar. Het sein daartoe werd geheschen op het oogenblik, dat wij aan weerszijden bezig waren water en victualie, buskruit en munitie van de lichters in te hijschen en de halfdeksbatterij nog geheel en al van zijne plaats stond. Schot op schot viel van de Royal William, te gelijk met het sein tot anker lichten door de Gladiator, het vlaggeschip van den haven-admiraal, herhaald.
De commandant, eenigszins bevreesd voor het mogelijk, per telegraaf, verkeerd overbrengen van het relaas naar Londen, en wellicht inziende, dat hij het wel wat veel op den eersten officier had laten aankomen, gaf den last om er maar goedschiks aan te voldoen; alles werd met onvergefelijken spoed aan boord gesmeten, wat niet op het schip thuis behoorde naar den wal gejaagd, het anker gelicht, de zeilen in top geheschen en voort ging het met een flinke Noordelijke bries, over de roede van Yarmouth langs de Needles in zee, in een staat van verwarring, zooals ik nooit meer hoop te aanschouwen.
De schout-bij-nacht sir Hurricane Humbug stond, zooals ik later vernam, boven bij de strandbatterij naar ons te kijken en mompelde: »Die verd..... kerel!” (onzen kolonel bedoelende) »daar gaat hij eindelijk. Ik was al bang, dat hij van het lange liggen zich een bank onder het schip gemaakt had!”
Dat »haastige spoed, zelden goed is” komt nog meer in zeezaken dan in andere omstandigheden uit. Zoo was het voor ons schip thans bijna noodlottig geworden. Hadden wij een vijand ontmoet, dan zouden wij òf de vlag hebben moeten onteeren door te vluchten, òf genomen zijn geworden. Nauwelijks waren wij de Needles gepasseerd, of de nacht brak aan en daarmede kwam een zware NNW. storm. Alle hens was tot vier uren des morgens in de weer om de sloepen en ankers te sjorren, zijtakels op te brengen, de aan dek gebleven victualie op te ruimen en het onderwant met de stagen aan te zetten, daar dit ten gevolge van het werken van het schip, verontrustend bijgerekt was. Toen dit met groote inspanning ten uitvoer gebracht was en de kanonnen buitengewoon gesjord waren, ging de storm in een orkaan over.
Ongeveer te negen uren des morgens viel een, pas kort te voren te Portsmouth aangeworven, marinier overboord; en hoewel nu verscheidene ferme gasten in een van de sloepen sprongen en verzochten, dat deze zoude gestreken worden om hem te redden, werd zulks door den commandant geweigerd, daar hij koel berekende, dat de kans grooter was om zeven man er bij te verliezen dan dien eenen te redden,—en zoo werd de arme kerel aan zijn lot overgelaten. Wel lag het schip bij en had geene vaart, doch het dreef veel harder dwars uit, dan de ongelukkige, die evenwel een uitstekend zwemmer bleek te zijn, zwemmen kon.
Het was zeer hard, om de krachtige, maar onvoldoende pogingen aan te zien, die de arme man aanwendde om het schip weer te bereiken; al zijne inspanning had alleen tot uitwerking, zijn doodstrijd te verlengen. Wij bleven hem in ’t zicht houden tot hij eene mijl aan loevert was, nu eens op den kop eener berghooge golf, dan weer in de diepte tusschen twee golven wegzinkende; eindelijk zagen wij niets meer! Zijn droevig einde werd lang in het schip betreurd. Destijds meende ik, dat het wreedheid van den commandant was, om niet de sloep tot zijne redding van boord te zenden; maar nu ik meer ondervinding heb, denk ik er anders over en ben overtuigd, dat hij alleen uit harde noodzakelijkheid van twee rampen de minste koos.
Het lot van dezen jongen man was een ernstige waarschuwing voor mij. Ik had mij aangewend erg roekeloos te zijn en met nieuw aangeleerde acrobatische toeren te koop te loopen, zoodat enkele oude kwartiermeesters en sommige officieren reeds voorspeld hadden, dat het slecht met mij af zou loopen. Er was alleen verschil van meening of ik verdrinken zou, dan wel bestemd was mijn nek te breken; voor het laatste deed ik genoeg mijn best door als een aap in het tuig op en neer te vliegen. Geen van der marsgasten was daarin zoo vlug als ik. Ik liep over de marsraas tot aan den nok uit, zonder mijne handen vast te houden, ging langs de stagen van mast tot mast, of gleed in een oogwenk langs het marseval naar omlaag; en daar ik een volleerd zwemmer was, telde ik de kans om te verdrinken al zeer weinig. Toen ik echter dien armen marinier had zien verdrinken, die even goed, zoo niet beter dan ik zwemmen kon, werd ik veel voorzichtiger. Ik had opgemerkt, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zwemmen nutteloos is; en hoe gezien ik ook bij de matrozen mocht wezen, was het duidelijk dat, zelfs al ontbrak het hun niet aan den goeden wil, zij daarom nog niet altijd in de mogelijkheid zouden zijn om mij te hulp te komen. Van dien tijd af paste ik boven wat meer op mijn tellen.
Kort nadat wij in zee gestoken waren, gebeurde er iets, dat mij een groote voldoening gaf. Murphy, wiens aard er toe leidde om tegen iedereen, dien hij de baas meende te zijn, onbeschoft te wezen, kreeg twist met een bedaard, hoogst fatsoenlijk jongmensch, een adelborst, die slechts tijdelijk aan boord was als passagier, om overgevoerd te worden naar zijn eigen, in de Golf van Biskaye kruisend schip. De jonge man, gevoelig voor die onbehoorlijke behandeling, daagde Murphy tot vechten uit, wat door dezen werd aangenomen; maar daar onze passagier aangenomen had om bij den commandant te gaan dineeren, stelde hij voor den strijd tot na tafel uit te stellen, daar hij liever niet met een blauw geslagen oog in de kajuit wilde verschijnen. Murphy beschouwde dit als een voorwendsel en beleedigde zijne tegenpartij nog eens opnieuw, door hem toe te voegen, dat hij niet durfde, als hij niet door den wijn opgewonden was en dat hij stellig wel niet vechten zou, als hij aan tafel geen wijn genoeg te drinken had gekregen.
De kordate jongeling gaf geen antwoord op dien schimp; hij kleedde zich en ging naar de kajuit. Het diner was voorbij, en na het opzetten van de wacht, riep hij Murphy op de achterkoebrug, waar hij hem een pak slaag toediende, zooals hij nog nooit in zijn leven gehad had. Het gevecht, of beter gezegd, het pak, duurde niet langer dan een kwartier, en de jonge bovenrolsgast legde daarbij zooveel handigheid aan den dag en maakte zoo’n uitmuntend gebruik van zijne vuisten, dat de ruwe kracht van zijn vijand dezen niets baatte, hij slechts verdedigender wijze kon te werk gaan, en blijde was zich in het logies terug te kunnen trekken, in koor uitgejouwd door al de adelborsten, waarbij ik zorgde niet achter te blijven. Met zoo’n duidelijk bewijs voor oogen van de voordeelen der kunst van zelfverdediging, besloot ik mij daarop bijzonder toe te leggen; met den jongen vreemdeling als leermeester, werd ik in korten tijd zoo’n goed bokser, dat ik Murphy en zijn aanhang gerust staan durfde.
Op één gedeelte van mijnen dienst had ik, eerlijk moet ik er voor uitkomen, veel tegen: dit was het wacht doen met den nacht. Ik was een liefhebber van slapen en kon ’s avonds na tien uren mijne oogen niet meer openhouden. Er was volstrekt niets tegen te doen; vergeefs besproeiden mijn eigen kameraden mij zeer vrijgevig uit eene puts met water, vergeefs werd ik onderhouden of bestraft door den eersten officier,—als de eerste helft van mijne wacht om was, kon niets mijn slapende geestkracht doen ontwaken. Ik was een der dweepziekste dienaars van den god Morpheus; en in zijne vereering leed ik allerlei vervolging. De eerste officier nam mij op zijn eigen wacht en beproefde alle mogelijke middelen, zoowel met goedheid, als met strengheid, om mij die hebbelijkheid af te leeren. Ik wist steeds aan zijn waakzaam oog te ontsnappen en hier of daar een verborgen hoek te vinden, om het overige van de wacht te slapen; en den volgenden morgen werd ik even geregeld naar de voormars gezonden, om het grootste deel van den dag te boeten voor mijne tekortkomingen in de duisternis. Ik geloof, dat ik van mijne twee eerste dienstjaren wel de helft van mijne wakende uren in de bovenste verdiepingen doorbracht.
Dáár zorgde ik evenwel altijd boeken bij mij te hebben, en zeker sleet ik zóó beter en gezonder mijn tijd, dan ik anders omlaag in ons donker logies zou gedaan hebben. Mr. Handstone, ofschoon een lastig zeeschip, was op-en-top een gentleman; veel belang stellende in de jonge, onder hem dienende officieren, deed hij alle moeite hen voort te helpen en te onderrichten. Meermalen onderhield hij mij ernstig over deze onbehoorlijkheid in mijn gedrag; mijn antwoord was trouw, dat ik daarvan evenzeer overtuigd was als hijzelf, maar dat ik er niets aan kon veranderen; dat ik alle straffen daarvoor eerlijk verdiende, en mij in dit opzicht geheel op zijne goedheid verliet. Dikwijls riep hij mij op de wacht te loefwaarts bij zich en knoopte een gesprek aan over alles wat hij meende, dat mij belangstelling kon inboezemen of opwekken. Bemerkende, dat ik nog al veel aan geschiedenis had gedaan, vroeg hij dikwijls mijne zienswijze, of gaf zijne eigene met een groote dosis gezond verstand; maar altijd werd op een gegeven oogenblik het gewicht mijner oogleden zoo zwaar, dat ik soms, als hij midden in eene lange redeneering was, stil de kuiltrap wist af te sluipen en hem zijne slot-oratie tegen de wolken liet ten einde brengen.
Nu, dit was toch wel een beetje al te erg en werd ook als zoodanig beschouwd. Ik had niet alleen dienstverzuim gepleegd, maar ook gebrek aan eerbied aan mijn meerdere getoond. Bovendien was hij nog het meeste boos geworden, omdat hij mijn verdwijnen eerst opgemerkt had uit de kwalijk verborgen vroolijkheid van het andere wachtpersoneel.
Eindelijk werd mijne ongenade bij hem voltooid door eene handeling, waarbij ik echter niet alle schuld had. Eens op een morgen had hij mij reeds te zeven uren naar de vóórbramzaling gezonden, en liet mij daar, hetzij omdat hij in een kwade luim was, hetzij doordien hij mij vergat, den geheelen dag blijven. Toen hij omlaag ging om te eten, liet ik mij in de mars zakken, vond daar een gezellig plekje om te slapen in een der bramlijzeilen, en had den uitkijk boven opgedragen mij te wekken, als de eerste officier weer aan dek kon komen. Juist was ik druk in den dienst van mijn geliefden god Morpheus, de uitkijk had verzuimd een oogje op de achtertrap te houden, de eerste officier kwam op dek, en zich mijner herinnerende, keek hij naar boven en riep mij toe.
Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de zaling.” »Wat!” schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag klimmen?”
»Neen, mijnheer,” antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de bramzaling te slapen.”
»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten,” beval de eerste officier »en ik zal je leeren waarheid te spreken!”
Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had, kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op ’t halfdek komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:
»Welnu” zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?”
Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zaling zat, mijnheer, op mijn eerewoord.”
»Uw eerewoord!” riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer,” wendde hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het eerste naar boven riep?”
»Op de zaling, sir,” was mijn antwoord.
»Dan zal ik het aannemen,” zeide hij; »daar gij officier en gentleman zijt, ben ik verplicht u te gelooven.” Hierop keerde hij zich om en ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.
Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten; ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn, en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer wreede bestraffing te vrijwaren.
Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf: ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was, zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.
Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen, en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen; maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het eenige dat deze tocht ons gekost heeft.
Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen, waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.
Vijfde hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Na het gebeurde op de voorbramzaling zou het mij nimmer gelukt zijn het vertrouwen en de achting van onzen eersten officier te herwinnen. Hij was ongetwijfeld een uitmuntend en streng dienstdoend officier en kon daardoor onmogelijk iets wat hij beschouwde te zijn een inbreuk op de eer, door de vingers zien. Toen het toeval dan ook kort daarna medebracht, dat wij van elkaar scheidden, was mij dit niet onaangenaam.
Eens jaagden wij in de baai van Arcasson op een vaartuig, dat, zooals gewoonlijk, zijn heil onder den wal nabij eene batterij zocht; en onze commandant besloot, zooals dit nu zijne gewoonte was, het daar vandaan te laten halen. Tot dit doel werden de noodige sloepen bewapend, daarvoor de bemanning aangewezen en alles voorbereid voor een aanval op den volgenden morgen. Het bevel over dezen tocht werd aan den eersten officier opgedragen, die dit volijverig aanvaardde en in zeer opgewekte stemming naar bed ging, in het vooruitzicht van den roem en het voordeel, die de volgende dag hem zou brengen. Hij was dapper en bedaard bij een gevecht, zoodat de matrozen hem vol vertrouwen, als den leider tot een zekere overwinning, volgden. Of nu ditmaal zijn slaap door onrustige droomen gekweld was geworden, dan wel nadere overpeinzing van de moeielijke en gevaarlijke taak die hem wachtte, hem verontrust had, weet ik niet; maar des morgens viel ons allen een belangrijke verandering in zijne wijze van doen op. Zijn ijver was verdwenen; met langzame en afgemeten passen, stapte hij over het dek, schijnbaar in diepe gedachten verzonken, en wat hij anders nooit was, ditmaal stil en droefgeestig en onverschillig voor de dienstzaken.
De sloepen werden klaargemaakt, de officieren waren er reeds in, de riemen werden opgezet, de oogen der jeugdige krijgshelden fonkelden van geestdrift en nog liet de heer Handstone, steeds in diep gepeins op dek loopende, zich wachten. Ten laatste ontving hij een herinnering van den commandant, die hem op luider toon dan gewoonlijk vroeg, of hij nu van plan was om het bevel te aanvaarden, Zijn antwoord was: »Wel zeker, onmiddellijk,” en toen stapte hij flink en krachtig het halfdek over en liet zich in zijne sloep af.
Ik volgde en zette mij naast hem neder; hij keek mij vreemd en onverschillig aan; ware hij in zijne gewone stemming geweest, ongetwijfeld zou hij mij in eene der andere sloepen gezonden hebben. Wij hadden een heel eind te roeien, vóór wij het voorwerp van onzen aanval bereikten, terwijl het zoo dicht mogelijk onder den wal geankerd lag en gereed was ons te ontvangen. Eene volle laag van kartetsen was onze eerste begroeting. Deze had op ons volk dezelfde uitwerking als de sporen op een strijdros. Wij kwamen langs zijde en enterden het vaartuig. Handstone had in een oogenblik zijne gewone opgewektheid herkregen, moedigde zijne manschappen aan, klom met de sabel tusschen de tanden tegen het boord op, terwijl ons volk een salvo van geweerschoten loste en daarna hun onverschrokken aanvoerder volgde.
In onze sloep, die het eerst op zijde was gekomen, waren in minder dan een oogenblik elf man van de vierentwintig dood of buiten gevecht. Dit niet tellende, sprong de eerste officier vooruit. Ik volgde hem op de hielen; van de verschansing was hij dadelijk op het dek, en vóórdat ik mijn zwaard kon trekken om hem bij te staan, viel hij achterover tegen mij aan, sleepte mij in zijnen val mede en was een lijk. Zijn lichaam was door dertien geweerkogels getroffen.
Ik had geene gelegenheid om onder hem weg te komen, vóór er op ons getrapt werd en ik bijna stikte onder het gedrang mijner scheepsmakkers, die vurig om den prijs te nemen of om ons verlies te wreken, met onweerstaanbare dapperheid voortrukten. Ik werd voor dood gehouden en dienovereenkomstig behandeld, zoodat men mijn lichaam gebruikte als een trede aan den valreep, waar de trap ingenomen was. Daar bleef ik liggen, bijna flauw van de drukking en half gestikt in het bloed van mijn heldhaftigen aanvoerder, op wiens borst mijn hoofd rustte, terwijl ik, ter beschutting van mijn schedel tegen de hakken mijner vrienden en de wapens mijner vijanden, mijne handen om het achterhoofd hield. Daar ik nog nadenken kon, kwam ik echter tot de overtuiging, dat voorloopig een verandering van positie niet in mijn belang was. Binnen acht minuten was de strijd beslist, ofschoon het mij in mijn neteligen toestand, oneindig lang scheen. Vóór het afgeloopen was, geraakte ik geheel in onmacht, en toen ik weder bijkwam was het vaartuig onder zeil en buiten bereik van de schoten der versterking.
De eerste oogenblikken van rust na het bloedbad werden besteed tot onderzoek naar de dooden en gewonden. Ik werd tot de eersten gerekend en tusschen de stukken, naast de ontzielde lichamen van den eersten officier en de overigen neergelegd. Een frissche koelte, die de geschutpoort inwoei, bracht mij een weinig tot mijzelven, maar flauw en ziek als ik mij gevoelde, had ik de macht, noch de neiging om beweging te maken; mijn hoofd duizelde, ik wist niet goed meer wat er met mij gebeurd was en bleef in een soort van bedwelming, totdat de prijs bij het fregat was aangekomen en de hoera’s van gelukwensching en overwinning door de aan boord achtergeblevenen mij in de ooren klonken.
Met de eerste sloep kwam de dokter met zijne helpers over, om de dooden te onderzoeken en aan de gekwetsten de eerste hulp te verleenen. Murphy kwam ook mede. Hij was niet bij de expeditie geweest; toen hij mijn dood gewaand lichaam zag, raakte hij het met de punt van zijn voet aan, daarbij uitroepende: »Daar hebben we een jongen haan, dien zij het kraaien verleerd hebben! Wel wonder, want het jong was voor de galg bestemd.”
Het geluid van ’s kerels gehate stem zou voldoende geweest zijn om mij uit mijn graf op te wekken, maar zoover was het nog lang niet met mij; zwakjes riep ik uit: »Je liegt,” wat te midden van het droevige tooneel rondom mij een smakelijk gelach ten zijnen koste teweegbracht. Ik werd naar boord overgevoerd, te bed gebracht en adergelaten; spoedig was ik in staat om de bijzonderheden onzer ontmoeting te vertellen, doch een geruimen tijd bleef ik gevaarlijk ziek.
De uitlating van Murphy bij mijn dood gewaand lichaam en mijn bondig antwoord gaven aanleiding tot veel vroolijkheid aan boord; de adelborsten sarden hem door hem den redder van mijn leven te noemen, daar niets dan zijn gehate stem mij uit den doodslaap had kunnen wekken. Het treurig lot van den eersten officier werd door ons allen betreurd, ofschoon ik niet ontveinzen kan, dat het mij in dit geval, evenals den vorigen keer toen de dood een paar getuigen van mijn vechtangst had weggenomen, niet erg speet. Toen ik eenmaal wist, dat ik zijne goede meening verbeurd had, was het mij vrij aangenaam, dat ik hem nooit meer ontmoeten zou. Het bleek nu, dat hij een sterk voorgevoel van zijn dood had gehad; dikwijls had ik van het bestaan van iets dergelijks gehoord, maar dit nog nooit bijgewoond.
De prijs, die door ons genomen was, heette l’Aimable Julie; zij was geladen met koffie, katoen en indigo, voerde veertien stukken en telde vóór het gevecht zevenenveertig koppen, waarvan er acht sneuvelden en zestien gewond raakten. Daar dit buitenkansje voorviel kort vóór wij naar onze haven moesten terugkeeren, zetten wij spoedig koers naar Spitheads reede, alwaar onze commandant een hartelijke verwelkoming van den admiraal ontving. Toen ons rapport ingediend en de averijlijst opgemaakt en aan den admiraal opgezonden was, kregen wij per keerende post last om ons zeeklaar te maken. De bestemming was onbekend, en zelfs voor den commandant een geheim. De matrozenvrouwen echter beweerden te weten, dat wij naar de Middellandsche zee moesten, en zoo kwam het ook uit.
Slechts enkele dagen werden ons gegund om ons haastig klaar te maken; hiervan maakte ik ook gebruik om een paar malen naar huis te schrijven, waardoor ik verkreeg wat ik beoogde, namelijk het noodige geld. Wij gingen onder zeil en bereikten spoedig, zonder ongevallen, Gibraltar, waar wij de algemeene order vonden, die op elk uit Engeland aangekomen schip geldig is, namelijk, om ons te gaan stellen onder de bevelen van den admiraal te Malta. Weinige uren waren voldoende om onzen victualie- en watervoorraad aan te vullen; toen zetten wij onze reis voort, in grooter haast om van Gibraltar weg te komen, dan om Malta te bereiken,—zooveel mogelijk de bochten van de Spaansche kust volgende, in de hoop onder weg een en ander op te pikken, dat ons te La Valette een even hartelijke ontvangst zou bezorgen, als onlangs te Portsmouth ons deel werd.
Vroegtijdig, den tweeden morgen na ons vertrek, liepen wij Kaap de Gata in ’t zicht. Met de ochtendschemering ontdekten wij vier zeilen bovenswinds en dicht onder de kust. Begunstigd door een lichte koelte, zetten wij alle zeilen bij voor de jacht. Verscheidene uren achtereen wonnen wij slechts weinig, en tegen den avond ging de wind geheel liggen. Toen werden de sloepen gereedgemaakt om de vervolging voort te zetten, en wij staken van boord, elk een eenigszins uiteenloopenden koers nemende. Ik was bij den master in de giek, en daar deze het snelst roeide, kwamen wij spoedig bij eene der feloeken aan. Wij losten er eenige geweerschoten op; doch daar er weer een zuchtje was doorgekomen, weigerde het vaartuig bij te draaien. Toen werd bijzonder op den man aan het roer gemikt en deze ook werkelijk getroffen; de eenige verandering, die wij daarmede verkregen was, dat hij den helmstok met de rechterhand moest loslaten, doch nu met de linkerhand bleef doorsturen. Wij van onzen kant bleven op dien onverschrokken kerel doorvuren, maar ’t was zóó eigenlijk niets beter dan moordenaarswerk, daar hij zich niet kon verdedigen, doch slechts trachtte te ontkomen.
Ten laatste, na eens goed opgehaald te hebben, gelukte het ons met den sloepshaak in den spiegel van het scheepje te pikken, maar nauwelijks waren de riemen ingelegd, of men sloeg van boord onzen haak weer los, en wij dreven een goed eind achter. Daar nu de bries geheel opraakte, konden wij zoodoende spoedig weer oproeien, kwamen langs zijde en namen het vaartuig in bezit. De arme roerganger was tot het laatst toe zijn dienst blijven waarnemen, ofschoon hij geweldig bloedde. Wij boden hem alle hulp en vroegen, waarom hij zich niet eerder had overgegeven. Hij antwoordde fier, dat hij een Oud Castiliaan was. Of hij van meening was, dat een spoediger overgave onteerend zou geweest zijn, dan wel uit eigen ondervinding geleerd had, dat men tot het laatste oogenblik nooit weten kan hoe het loopt, kan ik hier niet uitmaken. Maar zeker is het, dat ik nooit iemand ontmoette, die zich kraniger hield. Gaarne had ik alles willen geven wat ik bezat om de wonden te kunnen heelen van dien geduldigen, zachtzinnigen, doch onversaagden ouden man, die geene klacht uitte, maar zich aan zijn noodlot onderwierp met eene zielegrootheid, die zelfs Socrates hem benijd zou hebben. Hij had vier kogelwonden en overleefde, zooals te verwachten was, slechts enkele uren zijne gevangenneming.
Tot onze verbazing bemerkten wij, dat dit scheepje met de drie andere, waarvan er nog een door de sloepen genomen was, van Lima uitgezeild was. Zij voerden slechts één mast, de bemanning was twaalf koppen sterk en de inhoud ongeveer dertig ton: de lading bestond uit koper, huiden, was en cochenille, en zij hadden toen vijf maanden reis. Hunne bestemming Valencia zouden zij binnen een dag bereikt hebben, indien zij niet door ons onderschept waren geworden. Wisselvallige kansen van den oorlog toch! Deze dappere schipper had, na een zorgelijke en vermoeiende reis, het vooruitzicht binnen enkele uren bij de zijnen aan te landen en hen te verblijden met het loon voor zijn eerlijke arbeidzaamheid en ondernemingsgeest,—toen eensklaps door ons aan al die zoete verwachtingen de bodem werd ingeslagen. Voor ons kwam het prijsgeld binnen onder de tranen, zoo al niet de vervloekingen van zijne weduwe en weezen!
Door eenig bericht, dat onze kolonel met den prijs opdeed, werd hij genoopt om van hier naar de Balearische eilanden over te steken. Wij liepen Iviza in ’t zicht en zeilden er langs, naar de baai van Palma op het eiland Majorca; tot onze teleurstelling vonden wij hier niets en zetten onzen koers om het eiland voort.
Hier gebeurde iets zoo vreemds, dat het bijna niet te gelooven is; toch is geen twijfel denkbaar, omdat er buiten mij nog anderen getuige van zijn geweest. De zee was spiegelglad en het weer prachtig schoon; onze afstand van den wal bedroeg meer dan 5⁄4 mijl, toen de commandant de schootsverheid van onze kuilbatterij willende bepalen, den konstabel gelastte een der achttienponders op de kust te richten. De konstabel verzocht om een doel op te geven. Toevallig zag men van boord een mensch langs het witte strand loopen, en daar er, om den grooten afstand, schijnbaar niet de geringste kans bestond hem te kunnen treffen en het slechts een klein stipje geleek, werd hij als doelwit aangewezen. Het schot ging af en de man viel getroffen neder. Op dit oogenblik zag men eenig rundvee uit den boschrand te voorschijn komen, en werden daarop sloepen van boord gezonden om eenige daarvan te schieten en weg te kapen.
Bij het aan wal stappen, bevonden wij, dat ons slachtoffer door den kogel middendoor was geschoten; en het zonderlingste van de zaak was, dat hij een man van stand bleek te zijn. Hij was zeer netjes gekleed en droeg een korte zwarte broek, waaruit zijden kousen te voorschijn kwamen; toen hij het doodelijk schot ontving was hij in een van de werken van Ovidius lezende, welk boek ik hem nog uit de handen moest nemen.
Dikwijls hoort men van de wonderdadige uitwerking van een toevallig afgegaan schot, maar wie had ooit kunnen veronderstellen, dat die ongelukkige kogel zoover komen en zooveel onheil stichten zou. Wij begroeven den armen heer in het zand, nadat ik nog een klein miniatuurportret van een mooie jonge vrouw van zijn hals had afgenomen en nog een kostbare borstspeld bij mij had gestoken. Twee of drie van de koeien schoten wij neer: deze werden gevild en gevierendeeld in de sloep geladen, zoo keerden wij naar boord terug. Ik leverde de kostbaarheden bij den commandant in, doch deze gelastte mij ze te bewaren, tot er soms navraag van de familie gedaan mocht worden. Jaren daarna had ik die nog in mijn bezit.
Twee dagen later ontmoetten wij weer een vaartuig, dat er verdacht uitzag; daar het stil was, werden terstond de gewapende sloepen op de jacht uitgezonden. Deze verkenden het, naderbij komende, voor eene chebèque, varende onder Fransche vlag; die vlag werd echter spoedig neergehaald en door geen andere vervangen. Toen wij binnen stem-bereik kwamen, riepen zij ons toe om voorbij te gaan, onder bedreiging van te zullen vuren, als wij nader kwamen. Zoodanige waarschuwing kon op een Britsch officier, maar vooral op zulke vuurvreters als wij waren, geen invloed hebben. Wij bleven er dus op aanroeien en geraakten in een wanhopigen strijd, waarbij de partijen even sterk in aantal waren, doch zij het voordeel hadden op hun dek te staan en door verschansingen beschut te zijn. Wij echter behielden de overhand, kwamen aan boord en namen het vaartuig in bezit met een verlies aan onze zijde van zestien, en aan hunnen kant van zesentwintig man, zoo dooden als gewonden. Maar groot was onze ontsteltenis, toen wij gewaarwerden het bloed van eigen bondgenooten vergoten te hebben. Het scheepje bleek een kaper uit Gibraltar te zijn; zij hadden ons voor Franschen aangezien, omdat in onze sloepen de riemen in ijzeren dollen geroeid werden op de Fransche manier; en wij hadden gemeend, dat zij Franschen waren om hun vlag en later om de taal, waarin zij ons toegeroepen hadden. In dit gevecht verloren wij drie officieren en verscheidenen van onze beste matrozen. De kaper had eene uit allerlei natiën bijeengeraapte bemanning; het meerendeel waren Grieken; en ofschoon zij een vrijbrief van den gouverneur van Gibraltar wisten te toonen, kwam het ons voor, dat zij weinig op de nationaliteit van eenig schip letten zouden, zoodra zij slechts begrepen, dat het hun niet te sterk was.
Na deze ongelukkige vergissing gingen wij naar Malta door; de kolonel was eenigszins bevreesd voor een berisping van den admiraal voor zijne ondoordachte handeling om de sloepen af te zenden naar een schip, waarvan hij de weerbaarheid niet kende. Gelukkig voor hem was de admiraal afwezig, en toen wij hem later ontmoetten, hadden wij weer zooveel prijzen er bij genomen, dat deze kleinigheid er onder doorliep en met den mantel der liefde bedekt werd.
Tijdens ons verblijf in de haven van Malta viel op een goeden nacht mijn vriend Murphy overboord en dat nog wel terwijl alle sloepen uit het water geheschen waren. Hij kon niet zwemmen en zou zeker verdronken zijn, als ik niet overboord gesprongen was en hem boven water gehouden had tot er hulp kwam opdagen. De lieden aan boord verkondigden over deze mijne daad meer lof dan die verdiende. Iemand onder zulke omstandigheden het leven te redden, is een verdienstelijke daad; maar mijn eigen leven te wagen voor een ander, die van mijne komst aan boord af steeds getoond had mijn bitterste vijand te zijn, was veel meer dan zij verwacht hadden, en ontegenzeggelijk de edelste wraak, die ik had kunnen nemen. Maar hierin waren zij mis,—zij kenden mij nog niet genoeg; het was slechts mijne ijdelheid geweest en het verlangen om mijnen vijand te verpletteren onder zijne zware verplichtingen, die mij tot zijne redding hadden doen besluiten; bovendien toen ik van de valreep zijn gespartel stond aan te zien, begon ik te vreezen, dat al de wraak, die ik voor hem opgegaard had, mij daar in eens dreigde te ontgaan. Om kort te gaan, ik kon Murphy niet missen, en redde hem alleen om dezelfde reden, waarom een kat nog een paar malen de gevangen muis loslaat.
Murphy erkende de verplichting die hij aan mij had, en betuigde, dat hij in vrees voor den dood had verkeerd, maar binnen een paar dagen vergat hij wat hij mij schuldig was, voltooide zijn eigen schande en was oorzaak dat mijn karakter verheven werd ten koste van zijnen goeden naam. Om een zeer onbeduidende reden wierp hij mij een kom vuil water in het aangezicht, toen ik eens langs hem ging; dit was een schoone aanleiding om aan mijn lievelingshartstocht te voldoen. Reeds lang had ik op een aanleiding tot twist met hem gewacht, maar daar hij op onzen overtocht naar Gibraltar tot Malta ziek was geweest, had die ontbroken. Hij was nu hersteld en in ’t volle genot zijner krachten, zoodat hij vreemd opkeek van mij den eersten slag te ontvangen. Een worsteling volgde; ik bracht al mijne bokslessen in practijk en wond mijzelf tot gloeihitte op bij het herdenken aan de vroeger van hem ondervonden beleedigingen. Tot zijn eer moet ik zeggen, dat hij zich heel goed hield,—maar er stond voor hem veel op het spel; verloor ik het, welnu dan bleef alles zooals vroeger, maar voor hem was het een gansch ander geval. Een gevallen tiran kan zijne vrienden wel tellen. Dol van woede bij de gelukkige stompen, die ik hem in ’t aangezicht toebracht, verloor hij zijne kalmte, terwijl ik doodbedaard bleef; zijne bewegingen waren zoo wild, dat ik al zijne slagen wist te keeren en met woeker terugbetaalde. Eindelijk bleef hem niets over dan zich gewonnen te geven met half dichtgeslagen oogen en een zoodanig met bloed bevlekt, opgezwollen gezicht, dat hij zelfs voor zijne vrienden, als hij die bezeten had, onkenbaar zou zijn geweest.
Ik was er zonder eenig merkteeken afgekomen; de meesten onzer waren met gemaakte prijzen medegezonden en dus van boord afwezig; maar de twee oudsten uit onze voorlongroom, een oude masters-assistent, die geen kans had om ooit bevorderd te worden, en de jonge dokter, die mij bij den pols had gehouden, toen ik voor mijne zoogenaamde insubordinatie had moeten boeten, waren nu, als getuigen van Murphy, bij het gevecht tegenwoordig geweest. In beginsel had ik aangenomen, om als ik in den strijd gelukkig was geweest, de behaalde voordeelen te vervolgen. De juichtonen der overwinning galmden door ons verblijf: de jongsten bewierookten mij met triomfzangen en gaven groote ergernis aan het bovengenoemde drietal. De jonge dokter, een bleekneuzig, dom, pokdalig en ziekelijk uitziend jong man, was dwaas genoeg om hardop te zeggen, dat, omdat ik Murphy een pak slaag had gegeven, ik nog niet denken moest, dat ik nu de baas in de voorlongroom was. Mijn antwoord hierop was een beschuit, die ik als een seinschot van waarschuwing in zijn gezicht slingerde; en op hem toespringende, vóór hij zijne lange beenen onder de tafel had kunnen uittrekken, vatte ik hem met mijne hand in zijn halsdas en draaide die zoo stijf dicht, dat ik hem half deed stikken, terwijl ik onderwijl zijn hoofd eenige malen zeer onzacht met het beschot liet kennis maken.
Toen hij mooi zwart in ’t gelaat begon te worden, liet ik los, hem vragende of hij soms nog voldoening verlangde, waarop hij ontkennend antwoordde; en van dien dag af was hij altijd behoorlijk onderdanig jegens mij. De andere oudere heer, een stevige koopvaardijlobbes, gevoelde zich zeer onaangenaam gestemd bij de achtereenvolgende nederlagen van zijne bondgenooten, en zou, geloof ik, graag een afzonderlijken vrede met mij gesloten hebben. Hij had er in ’t geheel niet over gedacht om den dokter te hulp te komen, ofschoon deze er hem herhaaldelijk om gesmeekt had. Het was mij een groot genoegen dit op te merken, en ik was nu te gewilliger ook hem zijn aandeel te geven, nu ik zag, dat hij er weinig zin in had. Maar het was hem daarom niet geschonken. Om twaalf uren in dien nacht, werd ik van de eerste wacht afgelost en vond, omlaag komende, den ouden assistent in een verregaanden staat van dronkenschap. Zoo rolde hij in zijne kooi en viel in slaap. Toen hij daar »als een zwijn” lag, nam ik een stuk helschen steen, maakte dit nat en trok allerlei streepen en figuren over zijne getaande physionomie. Zijne op zichzelve reeds buitengewoon leelijke tronie had nu veel van een getatoueerden Nieuw-Zeelander. Den volgenden morgen, toen hij zijn toilet ging maken, was mijne partij in stille verwachting naar de ontknooping. Hij opende een oude toiletdoos, zette scheermes en zeep klaar, haalde een ouden riem en plaatste een driehoekig stuk spiegelglas tegen het opstaande deksel, gereed om zich in te zeepen. Wie beschrijft de afschuw en verbazing, waarmede hij terugsprong bij het zien zijner eigene beeltenis? Hij overtrof Roscius bij het aanschouwen van den geest van Hamlet. Met zijn natgemaakten voorvinger wilde hij de vlekken uitwisschen, maar de schoone teekeningen wilden niet verdwijnen, en wij stonden als kleine saters rondom hem te schateren van het lachen.
Ik vertelde hem boutweg, dat hij evenals Murphy en de dokter, mijn merk droeg; en, voegde ik er met een wreede spotternij, die ik beter gedaan had voor mij te houden, bij: ik wilde vandaag nu al mijne onderdanen eens in zwarte livrei zien. Ik vroeg, of hij voldaan was over mijne schikking, of dat hij daartegen appèl wenschte aan te teekenen; hij gaf te kennen, dat hij het er bij zou laten.
Zoo had ik, in ééne vierentwintig uren de groote bondgenooten, zoo lang mijne onderdrukkers, ten onder gebracht. De gevolgen mijner overwinning kan ik in een paar woorden mededeelen. Van dit oogenblik af, evengoed als ware er eene omwenteling geweest, heerschte er in de voorlongroom vrijheid en gelijkheid, al liet de broederschap nog wel iets te wenschen over. Mijn invloed was nu groot genoeg geworden om aan allerlei wederrechtelijkheden een eind te kunnen maken, en dit deed ik ook trouw. De vroeger zoo hinderlijke tirannie der oudsten was volkomen gebroken. Daar nu in het vervolg ook bleek, dat ik niet zoo twistziek was als men vroeger dacht, maakten mijne handelingen een werkelijk zeer gunstigen indruk ook bij de officieren.
Wij verlieten Malta, in de verwachting onzen opperbevelhebber (eskadercommandant) in de buurt van Toulon te vinden. Nu heeft zelden de commandant van een fregat een groot verlangen om bij zijn admiraal te komen, tenzij hij gewichtige brieven moet overbrengen. Dit laatste was thans niet het geval; met een zwaren oostelijken storm achter ons, vlogen wij westwaarts de Middellandsche zee door en moesten toen weer langs de Spaansche en Fransche kusten opwerken. »Het is een slechte wind, die niemand wat goeds aanwaait”, zegt het spreekwoord; dit ondervonden ook wij weer; hadden wij nabij Toulon gekruist met het overige deel van de vloot, dan zou het ons al bitter weinig voordeel hebben opgeleverd om eenige prijzen te maken, want het prijsgeld moest dan in zooveel deelen verbrokkeld worden. Onze kolonel, die een slimme kerel was, maakte liever buit op eigen gelegenheid, en als er iets genomen was, zond hij het altijd bij voorkeur naar Gibraltar; ten eerste, omdat wij dan weer daarheen gezonden werden om ons volk terug te halen, en ten tweede, omdat hij uit ervaring wist, dat men bij het admiraliteitshof te Malta erg knoeide en dat dáár altijd veel aan den strijkstok bleef hangen.
Al wat wij tot nu toe genomen hadden werd dan ook voor de formaliteit der prijsverklaring naar Gibraltar gezonden, en nu vonden wij gelegenheid er nog wat aan toe te voegen. Wij hadden het geluk eerst een groot schip te vermeesteren, en daarna weer eene brik. De laatste had eene lading tabak en wijn in. Met het bevel over deze brik werd ik belast, en geen eerste minister had ooit zoo’n drukkende verantwoordelijkheid bij zoo’n gebrekkigen steun. De bemanning van het fregat was, door de vele gemaakte prijzen, die naar eene haven onder zeil waren, en door de ongelukkige ontmoeting met den kaper zoo gedund, dat mij slechts drie man konden afgestaan worden. Ik was echter zoo blijde met mijn eerste commandement, dat ik geen bezwaar gemaakt zou hebben, zelfs al had ik alleen met een hond en een varken moeten varen.
De sloep van het fregat bracht ons over. Er woei een fiksche Oostenwind; dadelijk legde ik het roer op en stuurde op de oude rots aan. Toen de wind later toenam en storm werd, hield ik hem maar recht van achteren, doch moest spoedig besluiten de bramzeilen te bergen. Met groote moeite, en één voor één, wisten wij dit gedaan te krijgen. Toen bleek het noodig een paar reven in de marszeilen te steken, maar dit ging niet. Wij namen de proef met een zoogenaamd Spaansch rif, d.i. wij lieten de marszeilen op den rand loopen en zetten de riftalies stijf, doch wij bleven vóór den wind, die nog steeds onrustwekkend toenam, door het water vliegen. Onze lading (wijn en tabak) was ongelukkigerwijs door een Spanjaard en niet door een Engelschman gestuwd. Het onderscheid was voor mij niet van belang ontbloot. Een Engelschman zou, met het oog op het bekende gebrek zijner landgenooten, den wijn beneden en de tabak boven geborgen hebben. Doch juist het omgekeerde was gebeurd. Mijn volkje was er spoedig achtergekomen en had zich heel gauw meer dan half bedronken.
Alles ging nog goed tot twee uren des morgens, toen mijn roerganger, die men aan zijn lot overgelaten had, ook behoefte aan eene »hartversterking” begon te krijgen, en de anderen niet kunnende wekken om hem een dropje te brengen, vond, dat hij heel best het schip zichzelf kon laten sturen, zoolang hij even naar het kraantje liep.
Nauwelijks was echter het roer losgelaten, of het vaartuig vloog in den wind op, en kwam dwarsscheeps te liggen; die veranderde windrichting op de zeilen kostte ons den grooten mast, die even boven dek afbrak. Gelukkig bleef de fokkemast behouden; de roerganger, nog geen tijd gehad hebbende zich te bedrinken, ijlde naar zijn post terug en de beide andere matrozen werden nuchter van schrik.
Zoo goed en zoo kwaad als het ging, wisten wij de vleet kwijt te raken. Wij kregen het vaartuig weer vóór den wind, en zóó ging het verder. Maar de Engelsche zeeman, die op zijn tijd de noodige stoutheid weet aan den dag te leggen, is bij eene andere gelegenheid ook weer hoogst onvoorzichtig, en ziet bij gevaar de gevolgen licht over het hoofd. In plaats dat het verlies van het groottuig eene waarschuwing voor hen was tot matigheid, had dit op mijn volk juist een omgekeerde werking. Nu de helft van de zeilen zichzelve geborgen had, was het met de overgebleven helft een veel gemakkelijker huishouden; zij konden nu tweemaal zoo gemakkelijk dronken zijn dan te voren. Deze regel van drieën werd, mijns ondanks, behoorlijk in toepassing gebracht, en zoolang de verdere reis duurde, waren zij altijd onbekwaam door den wijn.
De fortuin begunstigt ons dikwijls het meest, wanneer wij dit het minste verdienen. Ik wist, dat wij bijna onmogelijk het nauw van Gibraltar konden uithollen zonder het te bemerken. Den derden dag, nadat wij het fregat verlaten hadden, liepen wij vroeg de rots in het zicht en rondden ten twee uren de punt van Europa. Ik had mijn volk order gegeven de ankerkabels op te steken en, zooals dat aan jonge officieren wel eens meer overkomt, er op gerekend, dat het uitgevoerd was, omdat ik het gezegd had en zij »ja” geantwoord hadden. Het was niet in mij opgekomen om te gaan zien of mijn bevel volbracht was; om de waarheid te zeggen, had ik zelf ook werk genoeg om handen. Ik stond aan het roer van ’s nachts twaalf uren tot zes uren ’s morgens, te gelijk scherp naar het land uitkijkende; toen had ik mij laten aflossen en nadat ik het roer overgegeven had, was ik tot tien uren in een diepen slaap gevallen: toen was al mijn verstand noodig geworden om te zorgen, dat wij de baai inliepen, en niet de straat uitstormden, en daardoor ontging mij die heele kabelgeschiedenis, tot op het oogenblik dat wij de ankers noodig kregen.
Toen ik, met ons prijs-sein in top, langs den achtersteven van een der in de baai liggende oorlogsschepen zeilde, riep de wachthebbende officier mij toe, dat ik »zeil zou minderen.” Jawel, dacht ik, niets liever dan dat, maar hoe dit gedaan te krijgen? Mijn bemanning was daartoe door dronkenschap buiten staat, en toen ik terugriep om mij daarvoor assistentie te zenden, waren wij zoo hard doorgezeild, dat men door den harden wind mij niet verstaan kon of wilde. Nood breekt wet. Ik liep te veel vaart om ten anker te kunnen gaan en zag onder de andere schepen een groot transportschip liggen, dat, naar ik meende, beter dan elk ander een stootje kon verdragen. Te meer liet ik voor dat doel het oog op dat vaartuig vallen, omdat ik wist, dat de reeders van zulk soort schepen gewoonlijk gauwdieven zijn, die er niets om geven om het gouvernement op duizenden ponden sterling aan onkosten te jagen. Toevallig lag hij juist bij de ankerplaats voor prijzen, en daar ik geene andere kans zag om te komen, waar ik wezen wilde, stuurde ik recht op het transportschip aan en liep hem vierkant in de zijde tot groote verbazing van kapitein, stuurman en volk.
De gewone uitroepingen, vloeken en verwenschingen volgden den schok. Hierop was ik voorbereid, evenals op het verlies van mijn voortuig, dat, kennis makende met de fokkera van het transportschip, ons over stuurboordsverschansing verliet en daardoor het vraagstuk van zeilmindering volledig oploste. Mijn schoone brik was eerst tot een kotter herleid en nu bleef er niets dan een romp over, die gelukkig waterdicht was gebleven. Met geringe moeite kwam ik van het groote schip vrij en commandeerde daarop op fieren toon: »Laat vallen het anker!”
Maar jawel: mijn anker viel, dat was zeker, maar het gaf ons niets, mijn vaartuig had er geen houvast aan wegens het verzuim van de kabelopstekerij. Wij bleven dus drijvende, en toen wij achter een der fregatten gekomen waren, zond de commandant daarvan, ziende dat ook de andere kabel niet vast was, vriendelijk een sloep met volk tot mijne hulp; en te vijf uren lag ik eindelijk veilig in de baai en stapte ik op mijn halfdek op en neder, even trotsch als Columbus, toen hij de Amerikaansche eilanden ontdekt had.
Maar kort, zeer kort duurde mijne macht! Den volgenden morgen reeds kwam ons fregat binnen. De kolonel liet mij halen, en ik gaf hem verslag van mijne reis en mijn wedervaren. Minzaam troostte hij mij over den ondervonden tegenspoed, en in plaats van mij een aanmerking te maken over het verlies mijner masten, zeide hij dat het, alles samengenomen, nog wonder was, dat ik het schip had weten binnen te brengen. Nog geen veertien dagen lagen wij voor Gibraltar, toen er bericht kwam, dat de Fransche legers Spanje waren binnengetrokken, en kort daarop kwam bevel uit Engeland om tegen de Spanjaarden geene vijandelijkheden meer te plegen. Dit was voor ons wat men noemt »een klontje uit de pap”, daar nu alle kans op prijsgeld vervlogen was; doch tegelijkertijd vermeerderden onze werkzaamheden en werd er voortaan veel grooter activiteit van ons gevergd, dan het geval zou zijn geweest, indien de oorlog met Spanje had voortgeduurd.
Wij kregen nu last ons bij het eskader in de wateren van Toulon te voegen, doch moesten onder weg Carthagena bezoeken en in die haven den toestand van de Spaansche vloot opnemen. Door den gouverneur van de plaats en de Spaansche zeeofficieren werden wij met de meeste hoffelijkheid ontvangen. De laatsten deden zich als zeer bekwaam en welopgevoed voor. Hunne schepen echter lagen voor het meerendeel afgetuigd, en voor eene nieuwe uitrusting ontbraken de middelen.
Zesde hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Natuurlijkerwijs zeer verlangende om een land te zien, waar wij zooveel jaren achtereen buiten waren gesloten, verzochten en verkregen wij allen vergunning om naar den wal te gaan. Dit werd ook aan de matrozen toegestaan, die er in troepjes van vijftien of twintig man gebruik van maakten. In de straten werden wij achtervolgd en aangegaapt door het volk; doch tevens vermeden zij met ons in aanraking te komen. Van overoude tijden af hebben de herbergen in Spanje een slechten naam gehad, welken die in deze stad naar behooren ophielden. Meestal werden zij door het laagste gespuis, door oplichters en roovers bezocht, die er geene gewetenszaak van maakten om voor afwisseling ook eens een moord te plegen. Het eten was er afschuwelijk. Alles was bereid met knoflook en olie. De olla podrida met de onafscheidelijke tomato-saus waren onuitstaanbaar, maar den wijn vonden wij, adelborsten, nog al genietbaar. Als wij soms in een dier huizen ons maal gebruikten, zochten de roovers twist met ons; en daar zij steeds met hunne dolken gewapend waren, was het onze zaak op verdediging bedacht te zijn; gingen wij aan tafel zitten, dan lieten wij steeds duidelijk den loop onzer pistolen blinken en daarmede hielden wij hen, die even lafhartig als diefachtig waren, op een eerbiedigen afstand. Onze matrozen evenwel, die minder voorzichtig en ook zelden gewapend waren, werden herhaaldelijk door die schurken aangerand, beroofd en sommigen zelfs vermoord.

Den volgenden morgen reeds kwam ons fregat binnen.
Pag. 72.
Eens was ook ik bijkans hun slachtoffer geworden. Toen ik op zekeren avond met den tweeden master wandelde, werden wij door vier van die onverlaten aangeklampt. Uit de vreemde wijze, waarop zij hunne mantels omhadden, bemerkten wij weldra, dat zij daaronder wapens verborgen. Ik verzocht mijn kameraad zijn dolk gereed te houden, goed tegen mij aan te sluiten en niemand tusschen ons en den muur door te laten. Ons op onze hoede ziende, wenschten zij ons »buenas noches” (goeden nacht) en beproefden ons op ons gemak te brengen met een praatje en vroegen een sigaar, die mijn makker bijna zou gegeven hebben, had ik hem niet gewaarschuwd vooral geen oogenblik de hand van zijn ponjaard te nemen, want dit hadden zij juist gaarne gewenscht.
In deze verdedigende houding bleven wij doorwandelen, tot wij bijna op de plaza, het groote marktplein waren, alwaar vele menschen bijeen, volgens plaatselijke gewoonte, in den maneschijn pantoffelparade maakten. »Nu,” riep ik mijn vriend toe, »nu ons weggemaakt. Volg mij snel, als ik het op een loopen zet, en dan tot op het midden der plaza.” Onze list gelukte, wij ontliepen de dieven, die het niet dadelijk begrepen hadden en bovendien in de vlugheid hunner bewegingen door hun zware mantels verhinderd waren. Op de politie in Spanje had door ons niet gerekend kunnen worden.
Behalve nog eenmaal om te voldoen aan een uitnoodiging bij den Spaanschen admiraal, die al de officieren gevraagd had, was dit de laatste maal, dat ik ’s avonds aan den wal ging.
Van Carthagena werd de reis in de richting van Toulon voortgezet, in de nabijheid waarvan wij ons onder de vlag stelden. Onze eskaderchef gaf ons last om te gaan kruisen tusschen Perpignan en Marseille. Des anderen daags reeds verlieten wij de vloot en hielden de kust voortdurend in onrust. Geen schip durfde zich buiten den wal vertoonen; wie het beproefd had, zou in onze handen zijn gevallen. Om de kustbatterijen gaven wij niets. Wij brachten deze met onze achttienponders tot zwijgen, of wij landden en lieten ze in de lucht springen. Bij een dezer kleine schermutselingen was ik bijna gevangengenomen en zou ik in dat geval al de eer en roem en de wonderdadige ontkomingen, die in de volgende bladzijden vermeld zijn, misgeloopen zijn. Misschien had men mij neergesabeld, maar anders zou ik stellig als krijgsgevangene voor de volgende zes jaren, die de oorlog nog duren zou, naar de vesting Verdun weggevoerd zijn.
Wij waren geland om een versterking te bestormen en zoo mogelijk in de lucht te doen vliegen, waartoe wij een grooten zak buskruit en een lange lont met ons voerden. Alles ging aanvankelijk even voorspoedig. Wij kwamen toen aan een kanaal, waar wij over moesten. De beste zwemmers werden vóór geroepen, om het kruit droog over te brengen. Ik bood mij, onder meer anderen, daarvoor aan. Gemakshalve liet ik schoenen en kousen staan; en nadat wij de batterij genomen hadden, keek ik zóó oplettend naar de kist met telegraphische seinen, dat ik geheel niet meer dacht aan de voorgenomen ontploffing, tot ik het schreeuwen van »Loop, loop!” hoorde door degenen die aan de buitenzijde de lont hadden aangestoken.
Op dat oogenblik stond ik op den dertig voet hoogen, glooienden muur van het fort. Een gedeelte sprong, de rest gleed ik af en liep wat ik loopen kon onder een hagelbui van steenen, die aan een uitbarsting van den Vesuvius deed denken. Ik kwam er zonder letsel af, doch in den sprong had ik mijn voet bezeerd en leed daaraan veel pijn. Twee velden met stoppels bezet moest ik overtrekken, en daar mijne schoenen aan gindsche zijde van het kanaal stonden, kreeg ik van het scherpe stroo in mijne wond, dat mij bijna dol maakte, zoodat ik veel neiging gevoelde er maar bij neer te gaan zitten en mijn lot af te wachten. Gelukkig echter bleef ik het volhouden en had bijna de sloepen bereikt. Men had mijne afwezigheid niet opgemerkt en was reeds van wal gestoken, toen in de verte een geluid als van een naderenden donder mijn oor trof. Ik bemerkte spoedig, dat dit ruiterij uit het nabijgelegen Cotte was, te laat opdagende om de batterij te helpen verdedigen; ik deed daarop eene uiterste krachtsinspanning en sprong in zee, de sloepen achterna. Zoo na waren zij mij op de hielen, dat eenige vijandelijke jagers op hunne paarden mij te water volgden en hunne pistolen op mij losten. De sloepen waren reeds een kwart mijl van de kust opgeroeid, toen de officieren gelukkig de cavalerie opmerkten, en tegelijkertijd ook mij in de peiling kregen; een der sloepen kwam mij te gemoet, en met groote moeite werd ik opgevischt; doch ik was van vermoeienis en bloedverlies zoo uitgeput, dat ik voor half dood aan boord werd gedragen; door mijne wonden lag het been open, en wel eene maand lang bleef ik onder geneeskundige behandeling.
Toen ik bijna hersteld was, namen wij een schip, waarmede Murphy als prijsmeester werd weggezonden; denzelfden avond nog pakten wij een schoener van haar ankerplaats weg. Het bevel over het laatste vaartuig werd weder aan mij opgedragen. Het was nacht geworden vóór ik daarmede weg kon, en in de groote verwarring aan boord had men verzuimd het vaatje sterken drank voor mijzelf en de bemanning bestemd, mede te geven. Hierdoor kwam ik van het eene uiterste in het andere; op mijn vorig schip had ik te veel drank gehad, maar hier had ik gebrek. Daar wij van nature dorstig uitgevallen waren, behoefde ons verlangen naar drank werkelijk geene aanmoediging van de zoutevisch, die het hoofdbestanddeel der lading en daardoor ook van onze voeding uitmaakte, en sterk hinderde ons het gemis van onzen borrel.
Den derden dag na het verlaten van ons fregat met bestemming naar Gibraltar zag ik voor mij uit onder den Spaanschen wal een schip, dat ik voor dat van Murphy herkende aan een bijzonder teeken in zijn groot marszeil. Ik zette alle dienstdoende zeilen bij om hem in te halen, in de hoop van hem wat drank te kunnen verkrijgen, wetende dat hij veel meer dan het noodige aan boord had. Toen ik naderde, zette ook hij alle mogelijke zeilen bij, doch tegen donker was ik zoo nabij, dat hij bijna gepraaid kon worden; dichter kwam ik niet; toen deed ik een paar seinschoten met de kleine drie-ponders, die mijn schoener voerde. Ofschoon ik deze herhaalde, werd er geen notitie van genomen en toen het geheel donker was geworden, raakten wij uit elkanders gezicht, om eerst weer in Gibraltar samen te treffen.
Den volgenden morgen liep ik drie Spaansche visschersvaartuigen op. Zij hielden mij voor een Franschen kaper, lieten hunne lijnen slippen en maakten zeil. Ik kwam echter met hen op en loste een schot, waarop zij zich overgaven. Toen ik hen langs zijde liet komen en bevond, dat elk een vat wijn aan boord had, verklaarde ik dat deel hunner lading als contrabande prijs, maar bood eerlijk betaling aan voor hetgeen ik hun ontnam. Toen zij vernamen dat wij »Ingleses” waren, weigerden zij deze aan te nemen, in hunne blijdschap van niet in Fransche handen te zijn gevallen. Toen wist ik het door een geschenk van tabak met hen goed te maken. Zij boden mij van alles uit hun vaartuig aan, maar op een edele manier wees ik dit af, omdat ik nu had wat mij noodig was. Wij scheidden daarop in de beste stemming, zij roepende: »Viva Inglaterra!” en wij hunne gezondheid drinkende met hun eigen wijn.
Nog gingen er verscheidene dagen voorbij voor wij Gibraltar haalden; meestal waren de winden flauw bij zeer schoon weder; toen wij eenmaal de ontdekking gedaan hadden dat de visschersbooten wijn aan boord hadden, vulden wij daarvan, zoo dikwijls dit noodig was, onzen wijnkelder zonder bezwaar van de inkomende rechten; en ik had reden om te gelooven, dat Zijne Majesteit Koning George om onze vrijgevige handeling niets verloor van de hem toekomende populariteit. Toen wij eindelijk te Gibraltar binnenliepen, had ik nog een paar goede vaatjes over, om mijne kameraads te kunnen onthalen; hoewel het mij speet te ervaren, dat ons schip en al de vooruitgezonden prijzen reeds voor ons in de haven waren gekomen. Murphy echter kwam nog een dag na mij aan.
Ik stond toen juist bij ons op het halfdek; en tot mijne verbazing, hoorde ik hem rapporteeren, dat hij door een Franschen kaper achternagezeten was, doch dezen na een gevecht van vier uren, had doen afdeinzen;—zijn tuig had nog al schade geleden, maar hij had er niemand bij verloren. Ik liet dat praatje tot ’s avonds doorgaan. Sommigen geloofden hem, maar anderen twijfelden aan het verhaal. Bij het diner in de longroom ging zijn bluf alle perken te buiten; en toen hij halfdronken mijn schoener met drie man ging vergrooten tot een zwaarbemande brik, werd ik onpasselijk van al die leugentaal, vertelde de geschiedenis naar volle waarheid en zond om den kwartiermeester, die bij mij was geweest, om te getuigen. Van dat tijdstip af, werd hij een voorwerp van algemeene verachting op het schip. Iedere leugen was een Murphy en iedere Murphy een leugenaar. Tegen dezen smaad kon hij niet langer op; en hij gevoelde zich ten laatste zoo weinig op zijn gemak, dat hij geen bezwaar maakte, toen de commandant hem eene overplaatsing voorstelde; zijn slechte naam bleef hem volgen, waar hij ging, en hij is nooit bevorderd geworden. Voor mij was het eene streelende zelfvoldoening mij volledig op dien man te hebben kunnen wreken en daarna de eerste aanleiding te zijn geweest voor zijne verwijdering uit een eervol beroep, dat hij te schande maakte.
Het was thans, voor de fregatten vooral, verre van rusttijd. Wanneer ik hier den naam van ons schip en van onzen bevelhebber noemde, dan zouden ’s lands geschiedboeken getuigenis kunnen afleggen, hoe wij, veel meer dan menig ander, verdienstelijk zijn geweest in de zaak der Spaansche bevrijding. Het zuiden van Spanje werd het tooneel van een wreeden, bloedigen krijg. Ons station liep van Barcelona tot aan Perpignan op Fransch gebied. Onze dienst (juist een, waarvoor onze commandant een bijzondere geschiktheid bezat) bestond: in het verleenen van steun aan de guerrillabenden, het onderscheppen van ’s vijands toevoer van levensmiddelen, zoowel wanneer deze langs de zee beproefd werd, als over den weg langs het zeestrand, en ook het verdrijven van den vijand uit elke versterking, waarin hij zich mocht genesteld hebben.
Voor tochten, die met dezen dienst in verband stonden, was ik dikwijls drie of vier weken aan een stuk van boord, behoorende tot eene divisie onder bevel van den derden officier. Dikwijls hadden wij daarbij veel ontberingen te verduren. Zoo konden wij gewoonlijk niet meer dan voor de eerste week voldoende levensmiddelen medevoeren. Op het punt van kleeding waren wij hoogst eenvoudig; met schoenen en kousen hielden wij ons niet op, aan linnengoed deden wij niet, en hoeden wisten wij haast niet meer hoe die er uitzagen; voor hoofddeksel wonden wij ons een doek om het hoofd en zoo klauterden wij, wanneer het voorkwam, over rotsen of baggerden door de natte ravijnen in gezelschap van onze nieuwe bondgenooten, de geharde bergbewoners.
Hoezeer dezen ook onze dapperheid bewonderden, voor onze ideeën en onze wijze van handelen hadden zij geene sympathie. Met een vroolijk hart deelden zij hun voedsel met ons, maar zij bleven altijd even hardvochtig tegenover gevangengenomen Franschen; en nooit gelukte het ons door overreding hun leven gespaard te krijgen, wanneer dezen daartoe onze tusschenkomst afsmeekten. Zij werden vóór onze oogen neergesabeld of anders naar den top van eenigen heuvel gesleept, van waar men het zicht had op eene Fransche versterking, en dáár, ten aanschouwe hunner landgenooten, wreedaardig verminkt.
Niet ten onrechte zal de lezer die afschuwelijke barbaarschheid veroordeelen, maar hij houde toch ook in het oog, dat bij dit volk door de langdurig ondergane mishandelingen alle gevoel was uitgedoofd. Roof, brand, moord en hongersnood was altijd de nasleep geweest van de invallen der Franschen; en hoezeer wij ook begaan waren met het lot der ongelukkigen, die thans in hunne handen vielen, hoe gaarne wij dit voor hen afgewend hadden, moesten wij toegeven, dat de wraakneming zeer te begrijpen was. Bij zulk een ongeregelden oorlog, leefden wij somtijds in overdaad, en andere keeren leden wij honger. Eens gebeurde het, dat wij, flauw van den honger, een monnik ontmoetten. Wij verzochten hem ons een plaats te wijzen, waar wij, hetzij met geld, hetzij met goede woorden of op eene andere wijze eten konden krijgen; maar hij wist niets en had ook geen geld, omdat, zooals hij zeide, zijne kloosterorde zulks verbood. Doch toon hij in zekere gejaagdheid van ons af wilde komen en zich omdraaide, meenden wij iets te hooren rammelen; en daar nu eenmaal de nood de wetten breekt, veroorloofden wij ons de vrijheid hem nader te onderzoeken. Werkelijk vonden wij een aardig sommetje geld, dat wij voor hem in bewaring namen, onder de verzekering, dat ons geweten ons die handeling voorschreef, omdat zijne orde hem verbood geld te hebben. Groot achtten wij ook voor hem het bezwaar niet, omdat hij leefde te midden eener bevolking, die niet zou kunnen gedoogen dat hij gebrek leed. Wij behielden den gemaakten buit, zetten die om in voedsel, kwamen spoedig daarop weer bij onzen troep en meenden dat de zaak daarbij blijven zou; maar de monnik was ons op eenigen afstand gevolgd, en wij zagen hem den heuvel opkomen waar wij gelegerd waren. Om ontdekking te voorkomen, maakten wij ons onkenbaar. De monnik diende zijne klacht in bij het guerrillahoofd, wiens oogen vlammen schoten over de onwaardige behandeling, die zijn priester beweerde ondervonden te hebben, en zeker zou er bloed gevloeid zijn, ware hij bij machte geweest de schuldigen aan te wijzen.
Ik trok een effen gezicht bij mijne veranderde kleeding, en toen hij mij bijzonder opnam, alsof hij vermoeden had, keek ik hem vierkant in de oogen, met de volle macht mijner weergalooze onbeschaamdheid, en vroeg hem in luiden en dreigenden toon in het Fransch, of hij mij soms voor een struikroover aanzag. Die vraag en de wijze, waarop hij gedaan werd, bracht den priester tot zwijgen, ofschoon hij nog niet voldaan scheen. Hij liet zich schijnbaar wijsmaken door eenigen van ons volk, dat hij vermoedelijk door een anderen troep was beroofd geworden, en op de vervolging daarvan ging hij nu af. Het was mij aangenaam hem te zien vertrekken. Bij het heengaan wierp hij nog een scherp onderzoekenden blik op mij, dien ik beantwoordde met eenen blik van kwalijk verborgen woede en minachting.
Eenigen tijd vóór bovenverhaalde geschiedenis was mijn schip tot andere diensten aangewezen; en daar ik toen geene gelegenheid had gehad om naar boord terug te keeren, werd ik tijdelijk op eenen anderen bodem overgeplaatst. Voor verdere bijzonderheden wordt naar het volgende hoofdstuk verwezen.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.