Kitabı oku: «De nijlbruid», sayfa 26
»Ik weet het zelf maar al te goed,” antwoordde Philippus.
»Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen,” gromde de oude. »Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!”
»Kon ik dat maar!” zuchtte Philippus. »Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is.”
»Dat klinkt duister,” zeide de grijsaard gelaten. »Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo ‘gelukkig’ en wat mij betreft een zoo ‘spoedig’ einde heeft genomen; de aanleiding – zooals gewoonlijk eene vrouw – is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid.”
Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had – om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.
»En daarover,” viel de grijsaard hem in de rede, »was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen.”
»Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten.”
»En waarom, met welk doel?” vroeg de oude met schrille stem. »Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo’n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen.”
»Dat is niet waar!” haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. »Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij – ik ben niet ijdel – mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar – het zijn hare eigene woorden – ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij ‘knaap’ en ‘kind’ noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap.”
Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze – hoe zal ik haar noemen – verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man – wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar13 aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”
»Toon het mij,” antwoordde Philippus met zachte stem. »Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden.”
»Dan moet zij het zijn,” riep de oude met schelle stem, »die plaats maakt voor u.”
Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: »Wat bedoelt gij hiermede?”
»Niets,” antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: »Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne.” Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: »Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat – ik ken u genoeg Philippus – dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!”
Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: »Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe14 willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge! – Heidaar Anubis!”
Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL
TWEEDE DEEL
EERSTE HOOFDSTUK
Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.
In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.
De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.
Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.
Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.
Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?
Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.
Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.
Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.
»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.
Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”
»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.
Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”
Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”
De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet – doch daarover spreken wij later – wanneer niet – gij moet het maar dadelijk hooren – wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”
Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”
»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.
»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon. »Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”
»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch…”
»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”
»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”
»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”
»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.
»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”
»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”
»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”
