Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Marathon», sayfa 9

Yazı tipi:

XIII

Simon had na het eerste samentreffen de lans, in de mêlée onbruikbaar, weggeworpen en stootte, achter het schild gedekt, met zijn kort zwaard op de fraaie harnassen der Onsterfelijken, die hij als in een nevel zag. Het wilde geschreeuw aan beide zijden had zijn hoogtepunt bereikt; men hoorde zich zelf en zijn nevenmannen niet meer en bespeurde alleen aan de wijd geopende monden dat ieder zijn deel bijbracht in de ontzaglijke uitbarsting, die het luchtruim deed trillen. De wederstand, door den rechtervleugel bij zijn aanval ontmoet, was zeer gering; het was het groote aantal vijanden, niet hun tegenweer, dat zijn voortdringen bemoeilijkte. De ontzettende schok, waarmede het kleine maar stevige en massieve Helleensche leger in het omvangrijke doch vooze en weeke lichaam van het Perzische heir was gedrongen, had het laatste aan de beide vleugels al dadelijk doen terugwijken; de achterhoede, uit de minst weerbare bestanddeelen saamgesteld, had zich terstond gewend en den weg naar de schepen gekozen, die bij den aanvang van den strijd zoo dicht mogelijk het strand waren genaderd. Maar de Onsterfelijken hielden stand, allen mannen uit adellijke Perzische huizen, de eenigen uit het gansche leger, die uit een hooger beginsel dan werktuigelijke en gedwongen plichtsvervulling ten strijde trokken. Hunne bewapening was evenwel tegen de zware Atheensche lang niet opgewassen, terwijl het ongewone van den strijd te voet hen weinig gevaarlijk maakte. Zoo drongen de Atheners voorwaarts, met beleid vechtend, kalm en bezonnen ook na de razende vaart van zoo even. Gelijk straks ging Simon thans geheel op in hetgeen hem voor het oogenblik bezig hield en dacht hij aan niets anders; hij was Athene, de barbaren neerstootend, die het gewaagd hadden den gewijden bodem van Attika te betreden, het alleen betreurend dat er zooveel waren, niet uit gebrek aan moed maar uit vrees dat het onmogelijk zou zijn die dichte zwermen te verstrooien. Men vocht door elkander; tusschen de Onsterfelijken mengden zich wilde, demonische gestalten met fladderende haren en wuivende pluimen, knotsen en bijlen voerend, half naakt en zonderling beschilderd, met grijnzende geluiden en dansende bewegingen. Doch telkens als de aandrang der vijanden te groot werd en er steeds weer nieuwe opdoemden in ontmoedigende hoeveelheid, bespeurde Simon in zijne nabijheid den geheimzinnigen man, op een Attischen boer gelijkend, met zijn vreemdsoortig wapen in het rond slaand, verpletterend wie onder zijn bereik kwam. Al zijn bewegingen, hoezeer schijnbaar eenvoudig, waren bovenmenschelijk; de vijand stortte neer nog eer zijn slagen troffen; een heele leegte ontstond rondom hem en hij sloeg maar altijd door.

Zoo ging het voort, een lange poos. Doch terwijl Simon straks onder het stormloopen de gedachte aan zijn wissen dood met zich voerde, al kon die gedachte hem ook niet doen versagen, zoo was die thans in de hitte van den strijd en ofschoon de dood hem elk oogenblik voor oogen zweefde, geheel verdrongen. Een buitengewone kalmte beving hem, zonderling afstekend bij het dolle gewoel dat hem omringde en waar hij zijn deel toe aanbracht. En aldus geschiedde het dat hij al vechtende niet bespeurde hoe er eigenlijk geen vijanden meer te bevechten waren en de geheele Perzische linkervleugel in wilde vlucht naar het strand vlood, naar de schepen.

Simon en de zijnen waren aangevangen den vijand achterna te zetten toen een snerpend trompetgeschal zich deed hooren, het sein gevend: rechtsomkeert en in stormpas. De beide vleugels van het Helleensche leger waren overwinnaar gebleven, doch het zwakke centrum was op de Perzische geregelde troepen en de Sakische boogschutters gestuit, uiteengeslagen en vervolgd. Miltiades, die gedurende het geheele gevecht de leiding volkomen in zijne hand bleef houden, had daarop aan de zegevierende vleugels het sein doen geven hun makkers ter hulp te komen. En weder ving de wilde loop aan om het lot van Athene, over de lijken der verslagenen en de lichamen der stervenden, meest allen Perzen, slechts een enkele Athener hier en daar. Simon verbaasde zich, op zijn schreden terugkeerend, dat een zoo breede strook gronds met gevallenen bedekt was; hij had in het vuur van den strijd niet bespeurd dat de vijand een heel eind was teruggedrongen alvorens op de vlucht te slaan. Op zijn weg ontmoette Simon een paard dat, door een lansstoot in den buik gewond, stervend neder lag; het bewoog zich niet meer; alleen van tijd tot tijd lichtte het den kop met de troebele oogen op en stootte een klagelijk, kort gehinnik uit. Den ruiter, ter helfte door het dier bedekt, had het leven geheel verlaten; het was Hippias, die reeds in den aanvang van het gevecht, door de ouderen onder de Atheners herkend en tot doelwit gekozen, den dood had gevonden. En Simon, in zijn snellen loop, voor zich, heel in de verte, de schubbenpantsers van het vervolgende Perzische voetvolk ziende, trad zonder hem te kennen den doode op de borst en wipte met gespierden tred over het lijk van den man, die met de barbaren uit Azië gekomen was om Athene te bedwingen.

Het vervolgde centrum, hulp ziende naderen, had stand gehouden en de Perzen zagen zich van twee zijden in het nauw gebracht. Wederom dekte Simon zich met het schild en stootte toe. Het vechten hield hem veel minder uitsluitend bezig dan in den aanvang; hij was er nu aan gewend en merkte dingen op, die hem straks niet zouden getroffen hebben. Een heel eind van zich af zag hij een groep ruiters, Datis en zijn staf; hij meende dat de Perzische bevelhebber beter had kunnen doen dan, door eene gedeeltelijke overwinning meegesleept, zijn vluchtende hoofdmacht in den steek te laten. Doch het was Simon onmogelijk zijn gastheer van den vorigen dag te bereiken; de mêlée was te dicht. Het krijgsgeschreeuw had aan beide zijden opgehouden; men vocht in hartstochtelijk zwijgen, de tanden op elkaar, geen kwartier gevend. Simon zag zich onverwachts in het gezelschap van Plataiërs, kenbaar aan de letter p op het schild en het verheugde hem dat die mannen uit Boiotië, welke hij, de Athener, altijd voor wat log en plomp had aangezien, zoo uitstekend vochten. De strijd duurde overigens slechts korten tijd en ten tweeden male werd de vijand op de vlucht geslagen, in noordoostelijke richting zich naar de zee spoedend, door den overwinnaar nagezet in de hoop hem van de reddende schepen af te snijden en geheel te vernietigen.

De Hellenen waren den Perzen zóó na op de hielen dat de eerste vervolgers tusschen de laatste vervolgden liepen en zonder genade rechts en links om zich hieuwen. Maar plotseling stonden de Perzen stil; de Hellenen, meegesleept door hun vaart, drongen hen van achteren op en werden door den terugdeinzenden vijand tegengehouden met wanhopige inspanning. Men had, loopend, de lage moerassen in den noordoosthoek der vlakte bereikt; de Perzen hadden de voorsten hunner in het bedriegelijke, lange gras dat er uit verrees voorover zien plompen en wilden terug, met verwrongen gelaatstrekken en wijd starende oogen, voor zich het slijkige water, achter zich de Atheensche zwaarden. En bemerkend dat slechts tusschen deze twee te kiezen was, hief die ellendige troep een droef gejammer en gehuil aan, vol weemoed over den zekeren dood, zoo ver van het vaderland en zoo smadelijk ondergaan. Doch de Atheners drongen op, met het zwaard prikkend wie niet vooruit wilde, bloeddorstig en wreed geworden in den loop van het gevecht, hen niet meer afmakend maar langzaam vooruitstuwend en in het moeras drijvend waar ze in neerplompten als groote aardkluiten van een brokkelenden dijk. Toen was het dat Simon aanschouwde wat Kynaigeiros hem had medegedeeld, de Perzische bevelhebbers, die met korte zweepen hun onderhoorigen weder op den vijand in wilden jagen, in razenden doodsstrijd zwiepend tusschen die menschenmassa, doch door hun eigen mannen neergestooten en vertrapt met verwarde mengeling van ledematen en lichamen, saamgekneed en gestrengeld.

Weder ging het in dezelfde woeste vaart achter de terzijde wijkende vluchtelingen aan, strandwaarts. Op eens bevond Simon zich naast Aischylos die oorspronkelijk tot den linkervleugel behoorde. Hij verhaalde den dichter hetgeen hij gezien had van den vreemden Attischen boer, die gedurende het laatste gedeelte van den aanval en het begin van het gevecht zich aan zijne zijde bevonden had. En ziet! hij vernam dat diezelfde geheimzinnige man in diezelfde oogenblikken aan Aischylos’ zijde gestaan had en dat er niemand in het Helleensche leger was of hij had hem naast zich zien loopen en vechten, heele rijen Perzen neervellend met zijn eenvoudig wapen. Maar Aischylos, de dichter, vertrouwd met de vele dingen op aarde en in den hemel, voor gewone stervelingen ondoorgrondelijk, had den man herkend; het was Echetos, de oude Attische heros uit het grijze verleden van sagen en mythen, die met zijn landgenooten had meegevochten om den gehaten indringer te verslaan.

Het strand was bereikt. Het grootste gedeelte der Perzische vloot, met den voorsteven naar de kust gekeerd, lag ter opneming van het vluchtende leger gereed. Bij honderden, reeds een heelen tijd, waadden de vluchtelingen er heen en klommen tegen de schepen op, langs touwen, riemen, koordladders, bruggen, toegestoken lansen, latten en haken. Het leek een vischvangst van menschen, van boord af gevangen en binnengehaald; reusachtige scholen, wier leden zich gewillig lieten grijpen en jammerden wanneer de visschers hen niet spoedig genoeg inpalmden. De groote, donkere galeien lagen rustig op het water, waardig en onverstoorbaar te midden van al die kleine, wriemelende wezens, ze goedaardig in haar buik opnemend tot zij er gansch en al mede gevuld waren en niets meer verdragen konden. Dan gingen zij de zee in, achteruit geroeid, zonder den steven te wenden, in gejaagde en zenuwachtige haast.

Maar nu zag men Hellenen en Perzen gelijktijdig de schepen naderen. En toen vertoonde zich het weerzinwekkend schouwspel van slechts op eigen behoud bedachten; vluchtenden, die over de lichamen hunner voormannen het schip trachtten te beklimmen, voortgeprikt door de Helleensche zwaarden, de hersenpan hunner krijgsmakkers vertredend, zelf weer vertreden door anderen, opgejaagd in nog angstiger benauwdheid. Simon, die Aischylos weder uit het oog verloren had, zag thans diens broeder, den reusachtigen Kynaigeiros, naast zich; zijn zwaard was gebroken en hij hield een Perzische kromme sabel, op het slagveld geraapt, in de vuist. Zoo drongen ze voort, met een klein hoopje twee-, driehonderd Perzen voor zich uit jagend tegen het schip op en de achtersten neerstootend in het water, onder ijselijk gegil en gekerm.

Dus waren alle schepen het middelpunt van een verwoed gevecht. Daar zag men uit een der verder gelegen vaartuigen een rookwolk opstijgen, neerslaan, zich terzij uitbreiden en plotseling vervangen worden door een rosse vlam. En den brand ziende, voelden Simon en Kynaigeiros zich bevangen door een razend verlangen: al die schepen in lichterlaaie te zetten en in asch te doen verdwijnen. Dàt zou een waardige bekroning wezen van zoo grootsch een dag! Toen, naijverig op hunne makkers, niet wetend op welke wijze dat verlangen uit te voeren bij gebrek aan middelen, brulden zij met heesche kelen boven het jammeren der Perzen uit: «Vuur! bij Poseidon! vuur! schaft vuur!» Bij elk der andere schepen was dezelfde gedachte ontstaan en rond alle donderde het: «Vuur! bij Poseidon! geeft ons vuur!» terwijl steeds de tegen de zijden hangende en klimmende Perzen werden opgeheschen in de buiken der galeien, die ze onverstoorbaar opnamen als dikke, logge, goedige wezens.

De laatste Perzen, die het schip beklommen, waren in veiligheid gebracht en, dol van strijdlust, de grens tusschen het mogelijke en het onmogelijke niet meer aannemend, maakten de overwinnaars zich gereed het vaartuig aan boord te klampen en met de geheele bemanning te vermeesteren. Van uit het water dat hun tot aan de borst reikte, grepen zij, terwijl de riemen reeds in beweging werden gebracht, alles aan wat zoo even tot berging der Perzen gediend had en heschen en trokken en wrongen zich naar boven, de voeten schrap zettend tegen de planken, zwaaiend en zwierend aan touwen en reepen. Doch over de verschansing van het schip weerde zich de bemanning, met pieken naar beneden stootend, met bijlen ontvangend wie zich omhoog had gewerkt. Het eerst zag Simon den reusachtigen Kynaigeiros met het schild aan den arm en de kromme sabel tusschen de tanden de verschansing grijpen, doch op hetzelfde oogenblik met afgehouwen rechterhand nederstorten. Zelf, iets lager, aan een touw hangend, week hij terzijde om het vallende lichaam te ontgaan en wrikte zich met geweldige inspanning een eind hooger, toen een slag met een strijdkolf hem den helm in tweeën spleet en zielloos in het water wierp.

XIV

«Ik was op het punt den jankenden Pers het zwaard in de borst te stooten, toen hij in tamelijk verstaanbare taal iets begon te verhalen dat mijne aandacht trok. Datis, zeide hij, had, weinig vertrouwen in de eerlijkheid der zijnen stellend, de oorlogskas op eene veilige plaats doen begraven; eene plaats, die hem echter bekend was. En hij bood aan mij die plaats te wijzen zoo ik hem slechts het leven wilde laten.»

«En wat hebt ge toen gedaan, Kallias?» vroeg Straton.

De priester der Eleusinische Demeter gaf ten antwoord:

«Ik beloofde alles wat hij verlangde. Doch toen ik den schat aanschouwde – kisten vol gouden dareiken! – bekroop mij de vrees dat de Pers, een onbetrouwbaar barbaar, het geheim wellicht aan anderen zou verklappen alvorens ik tijd had gevonden den buit in veiligheid te brengen. Ik dankte hem derhalve voor zijne aanwijzing en sneed hem den strot af.»

Straton lachte goedkeurend en prees uitbundig Kallias’ handelwijze. Het was immers: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Hij vervolgde:

«Gij zijt thans een rijk man, Kallias, en zult Pallas Athene wel een waardig wijgeschenk brengen voor haar tempel op den burcht.»

«Heb daarvoor geen zorg. Nauwelijks te Athene teruggekeerd, heb ik mij naar den beeldhouwer Rhoikos begeven en hem een Trojaansch paard besteld om voor den tempel der godin opgesteld te worden, van het fraaiste en kostbaarste marmer dat Paros oplevert. Hij vierde juist de verloving zijner dochter Erinna: een feest dat uitgesteld was tot over het lot van Athene zou beslist zijn.»

«Naar Parisch marmer behoeft ge niet lang te zoeken. Ge weet toch dat de onzen een prachtig stuk hebben buit gemaakt, door de Perzen medegevoerd om als tropee op het slagveld van Marathon te worden opgericht.»

«Een Nemesis moge men er uit houwen; een Nemesis, de godin der hemelsche gerechtigheid, die verwaten overmoed vernedert en straft! Van Marathon zal de menschheid gewagen zoolang Zeus troont op zijn hoogen zetel!»

Twee mannen, die een doode droegen, kwamen voorbij. En achter hen weer twee, en weer, en weer, een heele rij lijkendragers. Reeds twee dagen waren sedert den slag verloopen doch eerst thans werd tot het begraven der gesneuvelden overgegaan. Na hunne nederlaag toch hadden de Perzen getracht, kaap Sounion omzeilend, Athene te verrassen, overtuigd dat tal van ingezetenen op hunne hand waren. Een afgesproken teeken – een schild op een lans omhoog geheven – had hun zelfs de zekerheid verschaft dat de stad slechts onvoldoende verdedigd was. Maar de overwinnaars hadden zich met geforceerde marschen naar Athene teruggespoed en reeds post gevat in het Kynosarges toen de schepen der barbaren tegenover Phaleron verschenen. De coup de main was mislukt en de vloot naar Azië teruggekeerd, met een verlies van vierenzestighonderd man en, meer dan dat, van het prestige der Perzische wapenen, dat naar men gemeend had reeds voldoende zou geweest zijn om Athene te doen sidderen. Eerst nu alle gevaar geweken was, had men met de teraardbestelling der gevallenen een aanvang gemaakt.

«Is het aantal der gesneuvelde Hellenen reeds bekend?» vroeg Kallias, met Straton verder gaande over het slagveld.

«Honderdtweeënnegentig der onzen vonden den dood.»

«Wel hun, die de dood in zulk een oogenblik verrast! Weet ge reeds dat rond de gemeenschappelijke tombe tien zuilen zullen opgericht worden, één voor elke phyle, met de namen der gesneuvelden erin gegrift?»

«En den Plataiërs zal een afzonderlijk graf voor hunne dooden worden gegund naast dat der Atheners. Zij alleen stonden Athene bij in de ure, die de vrijheid van gansch Hellas bedreigde.»

Zij zwegen. In het schemerlicht van den avond zag men een groep zwaargewapende mannen naderen, kransen op het hoofd en purperen mantels om de leden, met strenge trekken en geschoren bovenlip, gevolgd door lieden van onaanzienlijk uiterlijk, gekleed in schapehuiden, het hoofd bedekt met een muts van hondevel, omvangrijke schilden torsend. Het waren krijgslieden en heloten van het Spartaansche leger dat eindelijk verschenen was, juist tijdig genoeg om de lijken der gesneuvelden te zien begraven. Zij wenschten in korte bewoordingen den beiden Atheners geluk met de behaalde overwinning, doch zonder innigheid, naijverig op de natie, die zich zoo plotseling had doen kennen in ongehoorden glans.

«Hoe minder steun hoe grooter roem,» zeide Kallias toen zij zich verwijderd hadden.

«Ik zou trouwens,» meende Straton, «niet gaarne in het gelid staan naast die stugge, norsche mannen, die alle vreugde des levens en bekoring der Muzen verachten. Liever bevond ik mij tegenover hen op het slagveld, gelijk ik voor twee dagen tegenover het barbarenleger stond.»

«Dàt mogen de goden verhoeden! Wie der beide volken in een dergelijken strijd mocht bezwijken, altijd zou het eene toepassing zijn van de fabel des gewonden adelaars, die weende, bespeurend dat de doodelijke pijl uit ’s jagers hand prijkte met de vederen van het eigen geslacht. Maar mocht die ure immer aanbreken, dan zullen de onzen zich weten te herinneren dat zij de zonen zijn van hen, die streden te Marathon.»

Thans waren zij aangekomen bij de tropee, ter eere der overwinning op het slagveld aangebracht; eene wapenrusting aan een paal gehangen. Wederom trad een lange rij dragers langs hen; de voorsten voerden met zich een reusachtigen doode, die de rechterhand miste.

«Dat is Kynaigeiros, Aischylos broeder,» zeide Straton. «De dichter zelf heeft den dood van nabij aanschouwd doch is met een zware wonde vrijgekomen.»

«Kynaigeiros sneuvelde bij den aanval op de schepen, die ons de meeste dooden kostte. Ook de polemarch Kallimachos en Simon, de zoon van Panaitios, lieten er het leven.»

«Het graf der helden is het gansche heelal; ons rest slechts hen te benijden. Het geluk berust op de vrijheid; de vrijheid op den moed; gezegend de staat, welks burgers voor die vrijheid het leven willig schenken!»

«En tot hen, die de gevallenen beweenen, tot ouders, weduwen en kinderen zou ik wenschen te zeggen: bedenkt dat een schitterend levenseind een onwaardeerbaar goed is en dat de schoonste herinnering bestaat in de achting en liefde door gansch een volk aan uwe dooden gewijd.»

Zoo spraken, op het slagveld van Marathon, Kallias, de priester der Eleusinische Demeter en de jeugdige Straton, gerijpt en gestaald in de groote en geweldige dagen, die waren voorbijgegaan.

Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
25 haziran 2017
Hacim:
150 s. 1 illüstrasyon
Telif hakkı:
Public Domain