Kitabı oku: «De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis»
Gustave Aimard
De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404499
Inhoudsopgave
DE SPOORZOEKER.
I.
De Verrassing.
II.
De gast.
III.
De nachtelijke zamenspraak.
IV.
Indianen en Jagers.
V.
Wederzijdsche Ophelderingen.
VI.
Eene duistere geschiedenis.
VII.
Eene duistere historie (vervolg) .
VIII.
Eene duistere geschiedenis. (Slot)
IX.
Vrij-Kogel en Loer-Vogel.
X.
Nieuwe Personaadjen.
XI.
Het veer del Rubio.
XII.
Don Stefano Cohecho.
XIII.
De hinderlaag.
XIV.
De reizigers.
XV.
De Herleving.
XVI.
Plaatselijk onderzoek.
XVII.
Don Mariano.
XVIII.
Wat de Regtspleging voorafging.
XIX.
Het geregtelijk verhoor.
XX.
Het vonnis.
XXI.
Vrij-Kogel.
XXII.
Het Kamp.
XXIII.
De Vliegende-Arend.
XXIV.
Quiepa Tani.
XXV.
Een drietal schurken.
XXVI.
Eene Jagt in de Prairiën .
XXVII.
Eene jagt in de Prairiën .
(Vervolg) .
XXVIII.
Blank-huiden en Rood-huiden.
XXIX.
De Raad.
XXX.
Het tweede detachement.
XXXI.
De Tlacateotzin .
XXXII.
Eerste ontdekkingen in de stad.
XXXIII .
Ophelderingen.
XXXIV.
Een gesprek.
XXXV.
De Zamenkomst.
XXXVI.
Eene ontmoeting.
XXXVII.
Verwikkelingen.
XXXVIII.
Eene nachtelijke verkenning.
XXXIX.
Het groote geneesmiddel.
XL.
De laatste storm.
Besluit.
[Inhoud]
DE SPOORZOEKER.
I.
De Verrassing.
Inhoudsopgave
Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst bezochte streken der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen, op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, aan welke rivier de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben gegeven van: Gouden golvenstroom zonder einde.
Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan had afgelegd, vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge cederboomen, terwijl het onzeker schijnsel van hare sidderende stralen, naauwelijks licht genoeg verspreidde, om de afwisselende voorwerpen op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. Geen windje beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche stilte beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, afgebroken door het korte gekef en gejank der op buit loerende coyoten (wolven) of het spotachtig gehuil van panter en jaguar aan het naaste rivierwed.
Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche savane, waar geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van den nacht verstoort, onder het immer wakend oog der Godheid, een onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten mensch, en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied.
Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden de digte takken van een floripondio-boschje voorzigtig uit één geschoven. Uit de gemaakte opening kwam een nieuwsgierig menschenhoofd te voorschijn, met schitterende oogen, als van een wild dier, die in alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij tot hiertoe verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten.
Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het sombere rood van gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum [2]en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije gelaatstrekken, hem terstond kenbaar als een dier stoutmoedige canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag zeldzamer wordt en weldra geheel dreigt te zullen uitsterven.
Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan den trekker, en bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende kreupelboschjes en rotsholten. Nadat hij zich, zoo het scheen, door de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had gerust gesteld, bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van den centzontle, of amerikaanschen nachtegaal.
Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden doorgelaten, kwam een tweede personaadje te voorschijn.
De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij met eene stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien werkelijk bezat:
—Wel, hoe is ’t?
—Alles is stil, antwoordde de jager, de Cihuatl kan gerust komen.
De Indiaan schudde het hoofd.
—Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt.
Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager.
—De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen op zijne verliefde wachtplaats, in het stam-dorp?
—Het opperhoofd is niets vergeten.
—Laat hij haar dan roepen.
De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den Walkon deed de stilte weêrgalmen.
Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, eene jonge vrouw sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn vriend was, tot zulk een vertoon van teederheid had laten vervoeren, en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig van zich af, onder het uiten van eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering of hartstogt te kennen gaven.
—Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden zullen haar bewaken.
—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij [3]met eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den Machsi-Karehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de bescherming van zulk een magtig opperhoofd veilig is.
De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk dien schijn van norsche ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen.
—Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, zeide hij.
De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep, of althans deed alsof zij sliep.
De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij zag, wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, die zijn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde.
—Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij, het opperhoofd zal waken.
—De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, en een graauwe lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde de Canadees, weldra zal het dag worden, de slaap is mijne oogleden ontvloden, het past den mannen zich te beraden.
De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn buks op den grond en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde.
De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden.
Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt, gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie personaadjen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk eene gewigtige rol te spelen.
De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes engelsche voeten lang, rank, mager en droog van gestel; bijna geheel uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone kracht en stoutmoedigheid worden vereischt.
Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat den stempel van het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn [4]breed voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde neus, zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende mond, en de digte blonde met enkele graauwe haren vermengde lokken, die welig en krachtvol onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Vogel, een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei wild, inzonderheid herten en dassen wist te ontdekken.
Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen moest, hetzij om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te verkoopen, of om zich van eenen nieuwen voorraad kruid en kogels te voorzien.
Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der magtigste en krijgshaftigste volksstammen der Comanchen.
Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen.
De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden, dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle rigtingen doorkruisen.
Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd, bezat hij fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, eene zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren.
Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum is merkwaardig genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven te worden.
Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den mach-akoub-hachka, eene muts welke slechts door krijgslieden van rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zij bestaat uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden lap rood laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er eene pluim van regtstandige [5]witte en zwarte adelaarsvederen op vast gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blaauwgekleurde en aan de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes, om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven zijn linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbond met de Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn aangezigt was voor de helft roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar de verw door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder afgerekend, waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden geteekend, om het getal zijner groote wapenfeiten aan te duiden, en op zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur van een menschenhand, die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om zijn hals droeg hij een prachtige mato-un-knappininde of collier van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten witgemaakt. Zijne schouders waren bedekt met den grooten mih-ihee of bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, en hing zoo wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne hampes, of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar op de vreeg met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen gevuld, benevens zijn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer, lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk gebruik zoo het noodig mogt zijn.
Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezigt schrik inboezemde.
Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te zeggen, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in zwang was.
Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot kennismaking met de personen, die op ons tooneel verschijnen zullen, hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij ons verhaal.
Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, [6]zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees de kop van zijn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte het woord tot zijn makker.
—Is mijn broeder voldaan? vroeg hij.
—Ooah! antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn broeder heeft een vriend.
—Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen?
—De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken.
—Waartoe zou dat dienen?
—De Vliegende-Arend wil zich wreken.
—Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof dat gij deze zaak niet uit het regte oogpunt beschouwt.
—Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen?
—Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben, wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij ons reeds van den hals heeft geschoven.
De Indiaan haalde hooghartig de schouders op.
—De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij, de Vliegende-Arend veracht hen.
—’t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen zouden wij echter wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen, totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen, in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; wij zijn hier nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp.
—Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn te slapen.
—Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat zij klaar wakker zijn en ons zoeken.
Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den voorzigtigen jager willen regtvaardigen, hoorde men meer dan een tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud, en een dertigtal Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op den brandstapel af, waar onze drie avonturiers zich bevonden hadden; maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen.
De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende welke rigting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te vinden. Plotseling vielen er drie geweerschoten uit het digtst van het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen, op den grond.
De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten [7]voorwaarts in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn in zijne hand een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede.
Die man was de Canadees Loer-Vogel.
De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar niet veel goeds in ’t zin. De Canadees scheen dit echter niet op te merken en stapte bedaard naar hen toe, met den vasten en langzamen tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun opperhoofd hield hen echter terug.
—Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen glimlach, zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten.
[Inhoud]
II.
De gast.
Inhoudsopgave
Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen plaats grepen, had in eene uitgebreide kampplaats, aan den ingang van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan den oever der Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen.
Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat van vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de zware vermoeijenissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan was zamengesteld uit omtrent dertig à vijf en dertig personen, allen gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed jagers en gambucinos, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen, en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen, om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt.
De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig, om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een [8]soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval der zwervende Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den vorm van een Sint-Andries-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken.
Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote tent opgerigt, boven eene digt gesloten en door twee muildieren—een vóór- en een achter—gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was, werd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar werd.
Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond; iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor zich zelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het doortrekken van een moeijelijken bergpas, een der jagers,—gebruik makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla, die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op te heffen en naar binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen, of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten.
Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd:
—Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat ik voor allen verkies geheim te houden?
Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden en het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim van hun kapitein uit te vorschen.
De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks afgeloopen, of een gedruisch van paardenhoeven deed zich hooren, en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden.
—Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander.
De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende bedienden de teugels hunner paarden over en rigtten zich met haastige stappen naar de tent. Aldaar gekomen zijnde, bleef de eerste staan en zeide tegen zijn medgezel:
—Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm, zullen wij het weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen.
—Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik zal van uwe beleefde gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het krieken van den dag zal ik, zoo ik hoop, genoeg rust hebben genoten om mijne reis voort te zetten. [9]
—Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij het vuur, dat voor mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige oogenblikken in deze tent begeef; zoo aanstonds kom ik terug en zal ik de eer hebben u gezelschap te houden.
De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van de tent brandde, terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn achter zich vallen liet, dat hem voor de oogen van zijn gast verborg.
Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne korte forsch gespierde ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen; ettelijke rimpels op zijn krachtvol gelaat schenen aan te duiden, dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, ofschoon zijn stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde, en geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde, die zoo zwart was als een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der rijke mexicaansche hacendero’s, of landedelen, namelijk de manga, de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën open, en een paar botas vaqueras, of koeherders laarzen; aan den bol van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden hoed, was een rijke met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; eene machete zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen ijzeren ring; de loopen van twee zesschots revolvers blonken in zijn buikriem, en naast hem op het gras lag zijn amerikaansche prachtig met zilver gedamasceerde buks.
Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik in ’t rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik te bekommeren over hetgeen hij deed.
Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der rassen van het Zuiden.
—Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen.
Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot zijn zegsman.
—Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij.
—O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet [10]en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het gegeven hebben.
—Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede spottenderwijs aan, dat paard is een “costeno,” (kustpaard) hij zal te grootsch zijn om met zulke arme “tierras adentro” (binnenlanders) te grazen als de onze.
Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach.
De onbekende glimlachte schalks.
—Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen, dat ik gaarne wil aanwenden.
—Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat?
—Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los!
—Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan.
—Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, kom hier!
Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik.
—Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk.
—Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij ook zijn mag.
—Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei de vreemdeling.
—Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; ’t is een edel dier, maar hij heeft den duivel in ’t lijf!
De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur. [11]
Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent.
—Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben ik geheel tot uwe dienst.
De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd:
—Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak.
—Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein zich naast zijn gast.
—Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult, een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus.
—Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen, wat het ook wezen mogt.
—Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden blik toewierp.
Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam.
—Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger.
—Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud veroorzaakte.
—Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner!
De knecht—dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef; eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden den bijna kloosterlijken maaltijd.
Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard, droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe.
—Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der maïskoeken doorbrak.
—Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach.
De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen [12]ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret te geven.
Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd, terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte hoedanigheden zich verscholen.
Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen.
—Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen, en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt?
—Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: tijd is geld.
—Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen!
—Ik zeg u dank, caballero.
—Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden.
—Spreek.
—Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten.
—Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag.
—Ik heet don Miguel Ortega.
—En ik don Stefano Cohecho.
De kapitein maakte eene eerbiedige buiging.
—Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte de vreemdeling.
—Als ik u verzoeken mag!
—Waarom hebt gij mijn naam willen weten?
—Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne vijanden te kunnen onderscheiden. [13]
—Dat is zoo, welnu?
—Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten zal tellen.
—Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare kansen.
Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen.
Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag.
Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen verscholen zat.
Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen, greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord.
De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om zoo scherp mogelijk rond te zien.
Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk, en verdween in de prairie.
Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over de borstwering en ijlde hem na.
Die man was Domingo.
[Inhoud]
III.
De nachtelijke zamenspraak.
Inhoudsopgave
Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, [14]wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen slechts een onvoldoende bescherming verleenden.
Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet.
Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet kon betrappen.
De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne boosaardige neigingen laten besturen.
In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de waagschaal stelde.
Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de hielen zat.
Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote (wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid.
—Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u te ontmoeten. [15]
—Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers in de kaan.
—Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen.
—Dat konden we onmogelijk.
De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën.
—Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken.
—Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen over zijne schouders golfden.
—Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze scheiding gedaan?
—Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, om u te kunnen helpen in geval van nood.
—Dank u; geen nieuws?
—Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben?
—Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien?
—Neen.
—Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken.
—Men zal er zich van weten te bedienen.
—Dat weet ik, Vrij-Kogel,1 ik ken uw moed sedert lang; maar gij, uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen, dat is alles.
—Geen nood!
—Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken, bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen moeten onderdoen.
—Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo velen.
—Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden?
—Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht. [16]
—Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft.
—Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af.
—Het is om gek van te worden.
—Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte spoor zijt?
—Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb.
—Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn.
—Waartoe zullen wij besluiten?
—Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal.
—Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan de hand geven?
—Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk een slag te durven slaan.
—Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen, help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt van Loer-Vogel.
—Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven.
Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte:
—Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt.
—Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en trouwe kameraad ben.
—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht!
Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk van Vrij-Kogel hield hem terug.
—Wat is er? vroeg de vreemdeling. [17]
De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote!
Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer.
Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in de ooren.
—Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde.
—Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust.
—Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij volgen zou. ’t Was slechts een spion, die u achter de broek zat; dat is al.
—Een spion!
—Por Dios! gij zult het zien.
—O wee! dat ziet er gek uit.
—Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen.
—Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden?
—Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen.
Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata (paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte.
—Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel) is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op!
—In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen.
De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat hij nog vrij had, en keek den jager aan: [18]
—Het staat u heel mooi om mij “goede man” te noemen en mij raad te geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt?
—Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei don Stefano spotachtig.
—Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten te verbergen.
Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen.
—En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij.
—Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd.
—Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen?
—O, ontzaggelijk veel, waarde heer.
Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat hij te vertellen heeft.
De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd voelde, en ging op het gras overeind zitten.
—Cuerpo de Christo! riep hij op vrolijken toon, thans is mijne positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten.
—Niet waar?
—Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles wat gij verlangt.
—Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken.
—Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet anders dan winnen door met u te praten.
—Zoudt gij dat denken?
—Ik ben er van overtuigd.
—Daar kondt gij misschien wel gelijk in hebben; zeg mij eens, hebt gij behalve die edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken?
De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord van eer, senor, ik zie niets.
—Zijt gij daar zeker van?
—Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen.
—Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt.
—Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid; zoo als gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt. [19]
Don Stefano knikte toestemmend.—Als ik u een beetje op weg hielp, zeide hij, misschien zou .…
—zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo hem met drift in de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg, ik verlang niets liever dan dat.
—Zoo, bijvoorbeeld .… maar let wel, ik bevestig niets, ik veronderstel het alleen, meer niet.
—Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet.
—Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld?
—Voor goud vooral.
—Dat wou ik juist zeggen.
—Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer.
—Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een algemeene trek .…
—Niet waar?
—Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn.
—Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt.
—Ziet gij nu, dat ik het wel wist?
—O! goud, eerlijk gewonnen.
—Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palankijn van don Miguel Ortega?
—Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg.
—En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien, als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als deze bijvoorbeeld?
Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de oogen schitteren.
—Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van onmiskenbare begeerigheid, al zou ik mijne hoop op het paradijs er voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen.
Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel.—Maak den man los, zeide hij koeltjes, wij verstaan elkander.
Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde.
—De ring! riep hij.
—Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; is onze koop nu gesloten?
Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker, rigtte fier zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke stem:—Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles wat in mijn vermogen is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig zoekt te verbergen; ook zweer ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik onderhandel, nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de drie caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om, zoo ik hem [20]ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf, al ware het den dood zelf, te ondergaan, die deze drie caballeros zullen goedvinden mij op te leggen.
De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door een Spaansch-Amerikaan kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld dat zij dien ooit verbroken hebben. Don Stefano boog dus, ten volle overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen.
Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten, gevolgd door een vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid.
Vrij-Kogel ontstelde er van.—Don José, zeide hij tegen den vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe ons! keer naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk meer nieuws kunnen vertellen.
—Maar dat schieten dan?
—Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat mij handelen.
—Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan.
—Tot morgen?
—Ja, tot morgen.
—En ik nu? riep Domingo, caramba! kameraden, als gij met messen gaat spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten doen?
De oude jager keek hem oplettend aan.
—Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is zoo kwaad niet, kom dan maar meê, als gij het verlangt.
—Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden voor mijne afwezigheid.
Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne zamenkomst voor den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het boschje, en rigtte zijne schreden naar het kamp.
De beide jagers en de mesties bleven alleen.
1 Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen.↑
[Inhoud]
IV.
Indianen en Jagers.
Inhoudsopgave
Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren wateren zachtkens voortkabbelden door eene schoone schilderachtige streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, verhief zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en bergen van ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond langzaam af in lagchende weiden, getooid met het weligste groen, of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte van allerlei soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van Vrij-Kogel aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt gordijn van [21]opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden op den dag, aan den bespiedenden blik hebben kunnen ontsnappen van iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; thans echter, in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer van digt gebladerte heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden zij zich volkomen veilig rekenen. Door de sterkte zijner strategische stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond nadat don Stefano hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de ervaringen der woestijn had geoefend.
—Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie?
—Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo zedig; maar toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming, die gij wagen wilt.
—Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw werk goed verlangt te doen; luister dus met aandacht: de kleur van mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt geven u reden genoeg om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar ik mijn gansche leven in de wouden heb doorgebragt; er is om zoo te zeggen geen grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen rekenschap kan geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en weergalmde de oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten, ben ik zeker de buks te hebben gehoord van een man, voor wien ik de warmste vriendschap koester, die man is op dit oogenblik in gevaar, hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn slaap hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen dat mijn vriend niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij hem dus niet te hulp komen is hij verloren, want zijne vijanden zijn talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna hopeloos; wij hebben alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. Zijt gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord, om uw scalp en uw leven in ons gezelschap te wagen?
—Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens; misschien krijg ik nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om een eerlijken dood te sterven. Gij kunt over mij beschikken, oude klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel.
—Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt, om u op het gevaar opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans zullen wij er niet verder over spreken, maar handelen, want de tijd dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw voor hem, dien wij willen redden. Trek mijne moksens1 aan, houd uwe oogen en ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne orders; laat ons gaan! [22]
Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg, die door de anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden staan om zich niet te vergissen; toen stapte hij, met de instinctmatige vastheid, die bij de jagers schier tot een tweede gezigt wordt, snel maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen.
Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld te maken van hetgeen een marsen in de prairiën beteekent, bij nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, verward in elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege ineenslingeren en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen, welke een eeuwenheugend warbosch kan opleveren. Op marsch in zulk een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, die door vele jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare kuilen en moerasgronden,—is het niet alleen reeds moeijelijk, zich in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis een spoor te banen en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en niet vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk, wanneer men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen en geen tak kan doen zwiepen, geen blad doen ritselen, zonder gevaar van den vijand wakker te maken, dien men tracht te overrompelen.
Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch de noodige bekwaamheid geven, om dit moeijelijke werk tot stand te brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel in de hoogste mate; hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor hem opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele reeds genoeg zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden uitslag te doen wanhopen. De twee andere jagers hadden alleen het spoor te volgen, dat door hunnen gids even behendig als moeijelijk werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts door een kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen; zonder dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij hen te komen. Zoo Vrij-Kogel zulks gewild had, had hij den rand van het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen door het hooge gras behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker en minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn door gewoonte geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij gekozen had, de eenige was, die hem in staat zou stellen om tot het tooneel van den strijd door te dringen, zonder door de Indianen te worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er niet in ’t minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen, hen langs zulk een weg te naderen.
Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De drie jagers waren op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken zachtjes uiteenschoven, wat zagen zij?
Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; [23]op deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal krijgslieden der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden, aan piketten gekoppeld, het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn vriend Loer-Vogel stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks leunende, en nu en dan eenige woorden met hen wisselend. Vrij-Kogel begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door gebaar noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried!
Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover elkander waren geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen afwas gegaan, een bisonsmantel zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren.
—Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der opperhoofden, hem groetende.
—Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde Loer-Vogel op gebelgden toon.
—Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der blanken is; mijne ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, die hij mij geven zal.
Loer-Vogel trok minachtend de schouders op.
—Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide hij, dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof uit te gaan? Waarom hebben zij mij aangevallen?
—Mijn broeder weet het wel.
—Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten; maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn stam in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn komen aanvallen gedurende mijn slaap.
Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de wenkbraauwen.
—Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een adderentong, zeide hij barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de woorden, die zijne borst uitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch; hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt.
—Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd [24]want aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend.
—Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch; maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan!
—Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is een mist voor mijne oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen.
—Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder omwegen antwoorden, want zijne stem is eene muziek, die mij langen tijd zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft dien ik meende verloren te hebben.
—Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden.
Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd; hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad in ’t zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, die tusschen hunnen sachem en den jager scheen te heerschen, hadden zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door een vriend werden bezocht.
Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van zijne krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige woorden aan de omstandigheden eene geheel andere rigting had weten te geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen, die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in een wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, geen kans zag zich te redden.
De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte van te voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen, en hij zijne eenige hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de verklaring onstuimig afliep.
—Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf.
—Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen!
—Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een opperhoofd spreekt.
—Ik luister!
—De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij de Comanchen, die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de Roode-Wolf in een altepetl (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen waren dien dag op de jagt in de prairiën, hunne krijgslieden en jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid? [25]
—Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende.
—Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der Apachen zijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar zijn stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager?
Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik op Loer-Vogel; deze echter wendde zijne oogen niet af, en zeide: Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, opdat ik moge weten wat hij mij ten laste legt.
De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem:
—De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en voerde haar weg als een lafhartige verrader!
Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand; maar bijna oogenblikkelijk zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij:
—Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden vloeijen van zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter laat hij zich door zijn hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd.
—Ooah! riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan moet zijne bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen.
—Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans is de beurt aan hem om de mijnen te hooren.
—Goed! dat mijn broeder spreke.
Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn helder en open oog schoot als een bliksemflits, en een zegevierende glimlach plooide zich om zijne lippen.
—Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van mijn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem uit naam van Machsi-Karehde, den grooten sachem der Bison-Comanchen, de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier erupahs (geweren), zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe beeren-klaauwen; ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen te verhoeden; mijn broeder de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen, wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd, dat de Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw zou terug halen, die men verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken [26]zin of in welk opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft zijne vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij was in zijn goed regt; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat ik kwalijk gehandeld heb.
—Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn.
—Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en die zijne vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de Vliegende-Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan.
—De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven, zeide de Indiaan trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen, hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten?
Loer-Vogel glimlachte.
—De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op dit oogenblik in het kamp der bleekgezigten gevlugt, welks wachtvuren de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat mijn broeder maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren.
De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er drie mannen de kampplaats binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel, Ruperto en Domingo.
Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer goed kenden, onstuimig op, slaakten een kreet van verbazing, om niet te zeggen van angst en ontsteltenis, en grepen terstond naar hunne wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun weg en naderden ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning acht te geven.
Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers toelichten, en de verandering opgeven die hunne tusschenkomst waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg brengen.
1 Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen.↑
[Inhoud]
V.
Wederzijdsche Ophelderingen.
Inhoudsopgave
Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige plaats waar zij stonden, niet alleen alles wat er in het kamp der Apachen omging, kunnen zien, maar tevens zonder een woord er van te missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den Rooden-Wolf gesproken was.
Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan [27]elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers gewoon zijn tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd of uitgevoerd; zij hadden voor elkander geene geheimen; alles was onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen zoo wel als hunne vriendschappen.
Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat door den Rooden-Wolf ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen, die wij later zullen vermelden, het hem niet hadden belet, zou hij waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos uit de magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met deze zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem, namelijk, de vreedzame tegenwoordigheid van Loer-Vogel in het kamp der Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten had gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen.
Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt.
Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet het minste gedruisch maakte.
Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette:
—Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den nacht op de boomen te wandelen.
—De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien?
—In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, vooral in deze oogenblikken. [28]
—Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen?
—Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te slapen in mijn kampement.
—Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten en is daarom hier gekomen.
—Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets.
—Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord?
—Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets?
—Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem overrompeld bij zijn vuur.
—Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid?
—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees.
—Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij thans niet spreken; wat denkt gij te doen?
—Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en deze honden overrompelen.
—Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets aan veranderen.
—De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen.
—Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen.
De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd.
Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden.
—Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij liever list te baat nemen.
—De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter.
—Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel aan ons, daar wij hen misleiden.
De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen.
—Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk. [29]
—De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen.
—Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten.
Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden.
Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst onder de Apachen te weeg bragt.
De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel.
—Vriend, zeide hij in ’t Spaansch, welke taal de meeste Indianen verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos.
—Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt?
—Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters.
—Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen… of neen, ik zal liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen.
Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken indruk.
Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend; en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt, en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is.
De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, [30]wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van ’t spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij.
—Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden.
—De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen.
—Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten.
—Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen.
Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden.
—Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid gelegerd? hervatte de Roode-Wolf.
—Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten op zijn best genomen, in westelijke rigting.
—Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld.
—En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen te zullen worden?
—Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig.
—Niemand, voorzeker.
De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen rang en fluisterde hem eenige woorden in ’t oor; deze stond op en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, [31]kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest.
—Wel? vroeg hem de Roode-Wolf.
—Nilijti—het is waar—antwoordde de Indiaan laconisch.
Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken in ’t gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene gansch andere manier zou hebben behandeld.
Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters in den zadel.
—De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah mijne blanke broeders beschermen!
—Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet met ons mede?
—Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed.
—Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen de tanden.
De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk verstoren.
De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden weten te verdrijven.
—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong, en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der Indianen bekend; maar ik herinner mij wel…
—Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende.
Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk [32]leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken.
Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij:
—Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven aan, gij weet wel wie.
—Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel!
—Goed fortuin!
Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam.
—Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op mijne vraag te antwoorden.
—Ja toch, vriend, een ding nog.
—En dat is?
—Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben volstrekt geen haast.
—Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt.
—En wat zal dat woord zijn?
—Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen?
—Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u op dit oogenblik te kunnen voldoen.
—Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met zonsopgang te verlaten.
—Komaan, dat is immers onmogelijk?
—Met uw verlof, ja; ik moet!
—Maar wat dringt u dan zoo?
—Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En [33]gij weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus niet willen verleiden om mijn woord te breken.
—Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen den weg wijzen?
—Dat zal ik morgen hooren.
—En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden of Gringos?
—Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, dat zal zich wel vinden.
—He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; hoe zegt gij ook weer?
—Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet.
—Dat’s vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven.
—Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor.
—Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt?
—Op den besten voet.
—Als spoorzoeker.
—Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift.
—Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer zamen te leven.
—Zoudt gij onder zijne bende willen gaan?
—God bewaar mij!
—Dan begrijp ik er niets meer van.
Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen weder tot zijn vriend wendende, zeide hij:
—Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen; ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard.
Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de oude jager aannam, en zag hem ongerust aan:
—Spreek, zeide hij.
Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien.
De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager nog sprak. [34]
[Inhoud]
VI.
Eene duistere geschiedenis.
Inhoudsopgave
Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen.
Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, 2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl—een rookende vulkaan—en de Iztaczehuatl, of de “Witte Vrouw,” welks grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den oostelijken straatweg,—een der vier groote wegen langs welke men den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd is—ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog boven de azotea’s (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de Moneda en de San-Francisco.
De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario (de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president der [35]republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote verkoophuizen—de Parian en de Portal de las Flores.
Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea’s, om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er uit de calle San-Francisco een onderofficier—gemakkelijk te herkennen aan den druivenstok1 dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had—en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond gelezen werd: “Juan Bautisto Leporella, Evangelista.” De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien [36]had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.
De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in het slot steken, eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn.
—Ha! zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare! ik had u nog niet zoo spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen toon, daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich zien dien zij niet aandurven.
—Cuerpo de Christo! houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote, antwoordde de sergeant barsch; wie anders als ik zou mijne voeten nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten?
De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver gevatten bril met ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd.
—Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden genoeg in mijn ministerie, mooije “chérubin d’amour.”
—’t Is mogelijk, hervatte de soldaat, hem zonder pligtpleging terugduwend en het winkeltje binnentredend, ik beklaag ze allen die onder de greep van zulk een ouden roofvogel komen als gij; maar dat is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom.
—Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken een ander doel hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de oude beschroomd.
—Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden, zoodat niemand daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij hebben geen tijd te verliezen.
De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan men van hem zou verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn pothuis des nachts tegen de rateros (dieven) moesten beschermen; daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig de deur van binnen te hebben gegrendeld.
Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende candil (keukenlamp) gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong, schoon, sterk en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd en gluiperig, wisselden zij ter sluik blikken van onverklaarbare beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool zich waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte stemmen oor aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van verschillende soort die op den val van een engel uitwaren.
De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo zacht, als ware hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis hem zouden beluisteren.
—Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij ter zake komen en elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds half elf geslagen, spreek dus, wat hebt gij voor nieuws?
—Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders.
De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te bezinnen. [37]
—’t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet meer om; waar staat mijn hoofd toch?
Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel voorziene beurs te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een aantal goudstukken blinken van verscheidene oncen zwaarte; vervolgens een lang knipmes, dat hij opende en naast zich op de tafel legde. De oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat zijne beurs en stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken voor zich uit op de tafel. De evangelista vergat oogenblikkelijk het mes, om zich met niets anders bezig te houden dan met het goud, welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet.
De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid van iemand, die zich bewust is, allesafdoende middelen in handen te hebben.
—Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel, hervatte hij, of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met mij te doen hebt en uwe zaken vergeet.
De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik op de verleidelijke goudstukken wierp.
—Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde hij, om u niet te willen believen met al de middelen daar ik over te beschikken heb.
—Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap, en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn.
Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen zeggen waar ze gebleven waren.
—Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven.
—Ter zake, ter zake.
—Ik ben er reeds.
—Spreek op dan; ik luister.
De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg.
Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven, de menigte had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen teruggekeerd; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk langzaam en statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles.
—Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en op dreigenden toon. [38]
De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd gewekt, en streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd.
—Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem.
—Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere.
—Gij moet dan weten, begon hij.… maar, vervolgde hij, op eens weder afbrekende, moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden vertellen?
—Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij er doorkomen; ge weet wel dat ik de volledigste narigten hebben moet. Canarios! speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel zijn voor u.
De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon op nieuw:
—Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne papieren geschikt en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan de deur geklopt; ik stond op om open te doen; het was eene jonge en schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er over kon oordeelen, want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij niet kenbaar was.
—Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks bezocht? viel de sergeant hem in de rede.
—Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij elk bezoek in eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor onkenbaar te maken; in weerwil echter van deze voorzorgen, heb ik haar telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen dadelijk herkend, daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door te laten misleiden.
—Zeer goed; ga voort.
—Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen met haar waaijer; ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar van dienst kon zijn.—“O!” antwoordde zij mij op vrijpostigen toon, “wat ik van u verlang is zeer eenvoudig.”—“Spreek slechts, senorita,” zeide ik, “zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan verzekerd dat ik het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen.”—“Als het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn,” was haar antwoord; “maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen kan?” En terwijl zij dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den meesten ernst en met de hand op het hart:—“Senorita, een evangelista is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen blijven in mijn hart begraven.” Hierop haalde zij een geschrift uit den zak van hare saya (overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers om, maar eensklaps begon zij te lagchen, en riep:—“Wat ben ik toch dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf niet begrijpen zult wat gij schrijft.” Ik boog op goed geluk af, [39]en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen, die zij mij sedert eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven.
—Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede.
—Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en, zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoo dat de woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag verdoemd zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis sloeg, als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift dat zij mij copiëren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was.
—Wat verder?
—Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, en er een adres op geschreven.
—Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor het eerst.
—Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen.
—Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres?
—Z. p. V. 2 Calle S.P. Z.
—Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk; maar vervolgens?
—Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven.
—Zij is wel genereus.
—Povre nina! (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met zijne kromme vingers zich de drooge oogen afwischte.
—Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van; is dat alles wat zij u gezegd heeft?
—Nagenoeg, zei de oude aarzelend.
De sergeant keek den evangelista strak aan.
—Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende, die Tio Leporello dadelijk deed verdwijnen.
—Bijna niets.
—Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel weten dat de hoofdzaak van een brief gewoonlijk in een post scriptum staat.
—Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een providencia2 die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge meisje zeer zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: Naar het Bernardijnen klooster! [40]
De sergeant huiverde onmerkbaar.
—Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid, dat adres beteekent niet veel; maar geef mij intusschen het overgedrukte blad.
De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit papier uit te voorschijn, daar eenige woorden in bijna onleesbare krabbels op stonden.
Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep, scheen de inhoud hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte zigtbaar en eene zenuwachtige rilling liep hem door de leden; maar hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.
—’t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;—zie daar, dat is voor u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver nog een hand vol goudstukken toe.
—Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op het kostbare metaal, terwijl hij tevens naar het mes greep.
Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat; hij rukte den oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik makende waarop Leporello bukte om het goud op te rapen, stak hij hem het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide schouders. De stoot was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, dat de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt of zucht te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en onverschillig aan; toen door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer gerustgesteld, meende hij dat hij dood was.
—Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste niet klappen.
Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het mes af, raapte zijn goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur, sloot die weder achter zich digt en verwijderde zich met rustigen, ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die te lang is uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen.
De Plaza Major was eenzaam en stil.
1 Een rotting of zoogenaamde sixpence.↑
2 Naam der huurrijtuigen te Mexico.↑
[Inhoud]
VII.
Eene duistere historie (vervolg).
Inhoudsopgave
Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of om naauwkeuriger te spreken als vele steden in Holland, want er liep langs de meeste grachten doorgaans een straat tusschen het water en de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op een enkele wijk der stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen vergelijken; evenwel, ofschoon de grachten voor het oog verdwenen [41]zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere gedeelten der stad, waar men hen in afvoerkanalen of liever in open riolen heeft herschapen, ontwaart men ze dadelijk door den vuilen stank dien zij uitwasemen of liever door de massa fecale stoffen, die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt.
De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo knaphandig te hebben vereffend, was het plein in de volle breedte overgegaan en toen de calle de la Monterilla ingeslagen.
Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten van het winkeltje had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer twintig minuten, door een aantal eenzame straten en donkere steegjes, wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend en dreigender werd, hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, boven welks deur, achter een retablo des animas benditas (schilderij der gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige wachthonden naargeestig tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op de deur met den druivenstok, dien hij in de hand had.
Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en zingen daar binnen hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand naderen met zwaren stap. De deur werd half geopend, want als overal in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten en eene grove stem vroeg op dronkenmans toon:
—Quien es?—Wie is daar?
—Gente de paz—Goed volk, antwoordde de sergeant.
—Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief binnen te komen! riep de andere, die zich scheen te bedenken.
—Ik verlang niet om binnen te komen.
—Wat duivel verlangt gij dan?
—Pan y sal! por los caballeros errantes (brood en zout voor de dolende ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, terwijl hij zich derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen.
De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing:
—Valgame dios! Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen eerbied, wie zou u onder die ellendige plunje hebben herkend! Kom binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld.
Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige oogenblikken te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten en de deur geheel te openen.
—’t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens dat ik niet binnen kom! Met hun hoevelen zijn ze?
—Met hun twintigen, Senor.
—Gewapend?
—Ten volle.
—Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten, mijn zoon, de tijd is kort.
—En gij dan, Senor? [42]
—Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar gaauw wat, haast u.
Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd; hij liet de deur open en liep op een drafje naar binnen.
Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan de tanden gewapend den trap af en de straat op, suizebollend en tegen elkander tuimelend. Toen zij den sergeant in ’t oog kregen, groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend en onbewegelijk staan.
Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den evangelista don Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die nog wie weet hoeveel andere namen had, doch dien wij vooreerst zijn laatsten naam zullen laten behouden.
—Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn uniform met den mantel bedekte, een langen degen aangespte, en een paar pistolen met dubbelen loop in zijn gordel stak.
—Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand.
—Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd heb; maar terwijl het thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen, zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos (nachtwakers) te letten.
De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge aanbeveling.
—Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand opzette, dien Pepito hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij vertrekken; luistert nu aandachtig, caballeros.
De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich gevleid voelende dat zij als caballeros werden toegesproken, traden digter bij don Torribio om hem des te beter te kunnen verstaan.
Deze vervolgde:
—Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten vertoonden, zouden zij zeker de aandacht en achterdocht der politie-agenten wakker maken; het is derhalve voor het welslagen der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken; gij zult u dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren van het Bernardijnen-klooster begeven; daar aankomende zult gij u zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige houding aannemen, en u niet verroeren buiten mijne orders. Vooral houdt u stil en maakt geen leven of twist: hebt gij mij begrepen?
—Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig.
—Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij het klooster zijt.
De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later waren allen, links of regts, aan de hoeken der naast bijliggende straten verdwenen. [43]
Pepito was alleen overgebleven.
—En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik hier alleen achterbleef.
—Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat?
—Dat ’s waar, daar dacht ik niet aan.
—Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne onderneming mag slagen, daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig bij mij komen.
Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot.
Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed in de oogen, wikkelde zich digt in zijn mantel en verwijderde zich met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende:
—Zou ik slagen?
Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden.
Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel maakt een statige en indrukwekkende vertooning, als alle Spaansche kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad in de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, een groote spijskamer en keuken, een uitgestreken moestuin, boomgaard en wel aangelegde warande met prachtig geboomte bezet, tot geschikte wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met groote schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende uit het leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen, met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan: een kleine slaapsteê, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich een spiegel bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een guitare en een tuchtroede, eene beeldtenis der Heilige maagd van hout of albast, met een krans van witte rozen op het hoofd en een altoos brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat op geringe uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is. [44]
Het Bernardijnen-klooster bevatte, op het tijdstip van ons verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig novicen. In dit land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters opgesloten; de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of ontvangen; de regel orde is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche godsdienstpligten, die zij met de grootste stiptheid moeten naleven, hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn teruggekeerd, schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat iemand er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen.
Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op elkander gelijken; alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke beschrijving. Men zou inderdaad bezwaarlijk een boudoir vinden, waar zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het was eene spatieuze vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee boogvensters met in lood gezette ruiten, op welks glazen heilige voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld goud-leerbehangsel gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit het leven van den heiligen Bernardus voorstellende, versierden hier en daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen smaak, dien men zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter een eenvoudig maar keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met welriekende olie gevuld, hing aan de zoldering voor het outaar, dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon door eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en onzigtbaar gemaakt.
De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk zich de slaapstede der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van gesneden eikenhout en met een wit gazen behangsel, om de moskieten af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, waarop eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer geplaatst; in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast, geheel opgevuld met werken van godsdienstigen aard, wier prachtige, rijk vergulde banden men door de glazen deuren zag blinken; verder stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde pooten hier en daar tegen den wand.
Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat, tegenover een prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk, wat snijkunst betrof, als een meesterstuk in den stijl der renaissance kon worden beschouwd.
Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten getemperd, over al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans, die den bezoeker met zeker gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde en aan het ruime vertrek een gestreng, bijna somber aanzien gaf.
Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden—namelijk weinige minuten voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven [45]hebben—zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige leuning, boven welken de kroon der kloostervoogdij prijkte, en welks goud-lederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud geboord was.
De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent zestig jaar; hare gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeijende lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door een hevige drift bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en scheen in diepe aandacht verzonken.
De deur van hare cel werd zachtjens geopend; een jong meisje, in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden voet te durven aanraken.
Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de abdis zat, verlegen staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op haar zou gelieven te rigten.
—Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk, toen zij de tegenwoordigheid der proefnon opmerkte; kom nader.
De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit.
—Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof te vragen?
Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden.
De abdis hervatte op strengen toon:
—Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den nonnensluijer eerst over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij, even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand anders.
Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die het jonge meisje deden sidderen.
—Heilige moeder! prevelde zij zacht.
—Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze kind, dat zich voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als een rietstaf, en dat dezen morgen gestorven is.
—Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de nieuwelinge bedeesd en met eene haperende stem.
—Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik eener slang.
—Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik terugdeinzende.
—Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart bijgewoond? vervolgde de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de gebeden dan niet gehoord die over hare kist werden uitgesproken?
—Dat heb ik, moeder!
—Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen [46]de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt gij deze treurige en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt gij dan nu nog durven beweren dat dit alles slechts bedrog is en dat zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijnen toorn plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen die de Satan tot muiterij aanspoort?
—Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan er niet aan twijfelen, zij is voorzeker dood.
Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer bedwingen en liet hare tranen den vrijen loop.
De abdis zag haar uitvorschend aan.
—Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas op! Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw hart tot opstand drijft, en ik zal u in ’t oog houden.
Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan.
Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, als van een onstuimige troep volk, schenen snel te naderen.
—Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer?
Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van hare cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd.
—O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons eindelijk komen verlossen?
Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio terugkeeren, dien wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne kameraden in de rigting van het klooster optrok.
Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond gestopt en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet minder dan twaalf serenos waren op deze wijs opgevangen en gekneveld.
Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order gegeven om de medegesleepte serenos op den grond te leggen, en aan den voet van den muur op elkander te stapelen.
Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn gezigt mede; de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook door zijne medgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar eene kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deur met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed [47]te voorschijn, om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte; de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk een schaar van gemaskerden voor zijne deur verzameld zag.
Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op den man af.
—Buenas noches! goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde dat ik u zoo wel zie.
De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide:
—Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed.
—Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede.
—Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende.
—Ja, gij.
—Maar waarin kan ik u van dienst zijn?
—Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster op een witten voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en ten tweede als hombre de bien y religioso (fatsoenlijk en vroom man.)
—O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend.
—Geen gemaakte nederigheid, als ’t u b’lieft! ik weet dat gij in het klooster genoeg vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te zien openen; en om die reden alleen verzoek ik u ons te vergezellen.
—Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero… riep de arme pulquero verschrikt.
—Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra Senora del Carmen, ik steek uw huis in brand!
Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de zwarte maskers en begon tegen wil en dank te gehoorzamen.
Het huis van den pulquero1 lag slechts weinige schreden van het klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, en don Torribio wendde zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem stond:
—Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak nu maar handig dat de deur van het convent ons geopend wordt.
—In ’s hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende om zich te verzetten; hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik geen middel weet om.…
—Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat ik geen tijd heb om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het klooster komen en deze beurs, die vijftig oncen goud bevat, is voor u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit zijn gordel halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop.
Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten van zijn land waren hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten. [48]
—Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool overhaalde, hebt gij u bedacht?
—Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal beproeven wat ik kan.
—Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de beurs overreikende.
De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard, en een glans van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij langzaam naar de poort van het convent, blijkbaar met zich zelf in beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke som die hij ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het minste gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten het bekennen, zich niet zoo gemakkelijk laat vinden.
1 Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten pulquerios.↑
[Inhoud]
VIII.
Eene duistere geschiedenis. (Slot)
Inhoudsopgave
De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens schoot hem eene heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op de lippen greep hij den klopper die voor de deur van het klooster hing.
Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen.
—Wat is het? vroeg Salado.
—Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten minste behoort te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander middel te gebruiken.
—Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster waakt altijd.
—Weet gij dat zeker?
—Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en bang was dat hij het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio misschien van besluit veranderde—het Bernardijnen-klooster te Mexico is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen komen halen voor zieken. Laat mij dus begaan.
—Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm loslatende.
Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen: hij maakte dus spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn koperen knop.
Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden de poort tegen den muur gedrongen, om zich niet te laten zien.
Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en verscheen het gerimpeld gezigt der portierster voor de opening.
—Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig [49]schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der Bernardijnen?
—Ave Maria purissima (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een toon zoo kwezelachtig mogelijk.
—Sin peccado concebida (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek, broeder?
Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is bitter verslagen.
—Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar de nacht is zoo donker dat ik uw gezigt niet kan zien.
—Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de pulquero; maar hij vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont.
—Ah! nu ken ik u wel, broeder.
—Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don Torribio.
—Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje, riep de oude, een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk nadeed; het is zoo koud van nacht en ik moet nog zooveel paternosters bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen.
—Valga me Deos! zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank; de pater gardiaan der Franciscanen heeft mij aanbevolen om u drie flesschen wonderwater te vragen.
In ’t voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in Mexico zeker geheim geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht heeft om alle kwalen te genezen en waarvan de opbrengst ten voordeele der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht van dit water betreft zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel duur verkocht wordt en aan het klooster groote inkomsten verschaft, laat zich ligt begrijpen.
—Santa Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen glinsterden van genoegen bij de buitengewone aanvraag van den pulquero,—drie flesschen! herhaalde zij.
—Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten, daar ik zoover heb moeten loopen; en bovendien de angst over mijne zieke vrouw en kinderen heeft mij zoo ter neêrgeslagen, dat ik naauwelijks op mijne beenen staan kan.
—Arme ziel, riep de portierster medelijdend.
—O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster.
—Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er niemand in de straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men nooit te voorzigtig kan zijn.
—Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de bandieten een wenk gaf om zich gereed te houden.
—Dan zal ik u de deur openen.
—De hemel zal u loonen, zuster. [50]
—Amen! zei de oude non.
Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels afschuiven, en de deur werd geopend.
—Kom gaauw binnen, broeder, riep zij.
Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan don Torribio zijne plaats in te ruimen.
Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om zich te herstellen, greep hij haar bij de keel en kneep die met de beide handen als in een schroef.
—Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in ’t oor, draai ik u den hals om.
Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt met een zwart masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig, dat zij op den grond viel en geheel buiten kennis liggen bleef.
—Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte gevolgen van zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen?
In ’t eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te brengen; doch weldra ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee der zijnen een wenk om haar stevig te binden en een prop in den mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan de deur op schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos meester dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in, gevolgd door al zijne kameraden, om het eigenlijke verblijf der nonnen op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk om in dit eindelooze doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis te vinden, daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken.
Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want ofschoon zij zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, waren zij met de inwendige gelegenheid volstrekt onbekend. Op het oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, hun plan deed gelukken.
De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over de binnenplaatsen en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren, terwijl zij schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek hoe verborgen of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van hun chef.
De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden natuurlijk door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of er had eene aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zij hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed, als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt naar de kamer der kloostervoogdes.
De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen [51]en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende terstond hare deur, verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en zich thans aan het hoofd der troep stellende, trok zij onverschrokken naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met allerlei soort van wapenen zwaaijend rondliepen, of de moed ontzonk haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had, snelde don Torribio naar haar toe en riep:
—Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen dat gij zelve bedreven hebt.
Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende en gemaskerde mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan den grond geworteld.
—Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem.
—Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef, en zich thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de gezwavelde lonten.
De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde.
—Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd had den sluijer aan te nemen, hier plotseling gestorven.
De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen tot den spreker.
—Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij onverschrokken.
—Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik vervolg dus: die nieuweling, naauwelijks zestien jaar oud, heette dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van dit klooster; vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning, in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten.
Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden blik op de abdis.
—Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde zij koelzinnig.
—Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door uwe angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten over te gaan.
—Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos even onverstoorbaar; ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal [52]mij derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan.
—Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is godslastering, het is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat; maar dat gaat mij niet aan, dat is uwe zaak; de mijne daarentegen is deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang der grafkelders aanwijzen en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat.
—En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig.
—Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, als om het haar des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel worden opgeofferd en gij,—gij, vervolgde hij met een grijns die allen deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen worden, die u, ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken.
De abdis glimlachte met minachting.
—Begin maar met mij, zeide zij.
—Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met eene ruwe stem tegen zijne gezellen, terstond de handen aan ’t werk.
Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde geen de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon eene onwillekeurige naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen hare innerlijke ontroering bewees.
—Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio.
—Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of gij den wil van eene oude vrouw kunt beheerschen.
—Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel.
De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen.
—Houdt op, in ’s hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet.
Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd.
Er volgde eene tweede plegtige aarzeling.
—Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot ondergaan. God ziet ons.
—Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde het meisje met nadruk; Hij is het die deze mij onbekende mannen herwaarts heeft gezonden, om eene groote misdaad te beletten. Volgt mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de grafkelders wijzen. [53]
—Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de handen der bandieten poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich al mijn toorn vereenigen.
—Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden van zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen pligt te vervullen.
—Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een einde aan! riep de kommandant. Zijn bevel werd onmiddellijk uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen weinige minuten tot zwijgen gebragt.
—Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd.
Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.—Ik zeg u duizendmaal dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem, voleindig wat gij zoo wel begonnen zijt, en geleid ons naar die afschuwelijke grafkelders.
—Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende.
De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied.
Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds verspreid en waren zij naar hare cellen teruggekeerd.
Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar deden sidderen.
—Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat ik alles wist, Senorita; ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen.
Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden.
—Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij; alleen en zonder beschermer ten prooi aan den haat van deze furie, die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen; zou het dus niet beter zijn haar te volgen?
—Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar.
—Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe hulp en troost zal noodig hebben? Zijt gij niet hare pleegzuster, hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou het u beletten? Gij zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich op Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u.
Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees.
—Kent gij mij dus? riep zij.
—Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was het niet om u zelve, doe het dan om harentwil; ga met mij mede en dwing mij niet om u hier achter te laten, in handen van vijanden die u met gruwzame straffen bedreigen.
—Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig. [54]
—Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond.
—Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen, ofschoon ik niet weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik u niet en al verbergt uw masker u voor mijn oog, ik wil uwe woorden gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel hart bezit, de Hemel verhoede dat ik hierin dwaal.
—Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven, mijn arm kind.
Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht, en dreigde in tranen uit te barsten.
De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit oogenblik de holle gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren ledig hadden gestaan.
—Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht dat de grafkelders in dit klooster, even als in alle anderen, zich onder den vloer der kerk bevonden.
Het jonge meisje glimlachte droevig.
—Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene bevende stem.
—Waarheen dan?
—Naar het in pace!
Don Torribio smoorde eene bittere verwensching.
—O! mompelde hij.
—De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder nederdaalde, vervolgde dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, de dooden niet anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra was de plegtigheid niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren werden voor de toeschouwers gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, die nog niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het in pace in het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar—hier zijn wij er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene groote zerk aanwees, die plat op den vloer lag, midden in de ruime zaal waar zij thans binnen traden.
Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle, geheel ledige zaal, die gemaskerde mannen, in groepen verzameld rondom dat jeugdige, geheel in ’t wit gekleede meisje, en alleen verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, dit alles had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten der middeleeuwen, wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers en koningen te vonnissen.
—Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem.
Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende zich een donker keldergewelf, waar een laauwe walm uit opsteeg. Don Torribio nam een toorts en bukte om in de opening te zien. [55]
—Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel ledig.
—Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager.
—Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne ontroering naauwelijks meester bleef.
—Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk ontdekken, of het geschreeuw der martelaars daar buiten kunnen hooren weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde grootte als deze, en boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, een der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden afzonderen, wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten, dien men de hel noemt! Daar smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. O! de inquisitie wist hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort geleden in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen verdwijnen; zoek dus lager, caballero, zoek dieper.
Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd parelen, hij dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl hij met de uiterste inspanning zijne woede bedwong, klom hij langs een touwladder, die aan een der wanden van het onderaardsch gewelf hing, in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd.
Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De steen werd opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle spelonk.
—Zij is ledig! riep hij verschrikt.
—Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona Luisa die aan den rand van den bovenkelder stond.
—Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus verdiende gemarteld te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig van smart.
—Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het jonge meisje; maar haast u, haast u toch! iedere minuut langer is eene eeuw voor haar die u wacht.
Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan ’t werk om den derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken zag hij zijn arbeid bekroond.
Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht te geven die uit het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed uitgaan, bukte hij voorover in de diepte.
—Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle gewelf meer geleek naar die van een tijger, dan van een mensch.
En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten, sprong hij in den kelder.
Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in de zaal, met het levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen.
—Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen toe; blijven wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf van wilde dieren met menschelijke aangezigten. [56]
Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten opgenomen, en allen verwijderden zich op een draf in de rigting van het klooster. Weldra bereikten zij de plaats waar de abdis lag.
Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze poging om hare banden los te rukken, en kronkelde zich als eene geboeide slang, terwijl zij de mannen die hare snoode plannen hadden vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp.
—Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en verachtelijk met den voet schopte, wees vervloekt doemwaardige, uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt.
Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste toppunt bereikt, mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop een weinig te verschuiven.
—Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een doodkreet in de ooren klonk.
Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte.
Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone bewoners overgebleven.
[Inhoud]
IX.
Vrij-Kogel en Loer-Vogel.
Inhoudsopgave
Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon hij met een nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen.
Er volgde een ruime poos stilte.
Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone geschiedenis gebogen, veroorloofden zich geen enkele aanmerking.
Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op.
—Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie; maar neem mij niet kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo vrij ben u aan te merken dat zij in geen het minste verband schijnt te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met de gebeurtenissen in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij ten minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn.
—Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers met de gebeurtenissen te maken die er in Mexico, of in eenige andere stad in het binnenland voorvallen? Wij zijn hier in de wildernis om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden te vechten, alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan.
Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van gewigt, werktuigelijk zijne pijp naast zich neêr.
—Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat [57]ik over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen aanhooren, zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige beteekenis had?
—Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft, moet ik u zeggen dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons verteld hebt.
De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige oogenblikken de hoogte der zon waar te nemen om het uur te berekenen.
—Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus nog meer tijd dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar de karavaan u wacht die gij den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; wat ik u verteld heb bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo gij lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen.
Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen wil prijs geeft, om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die hij te voren weet dat hem weinig belang kan inboezemen.
Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten, of zich om zijne gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal weder op, in dezer voege:
—Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken behandeld had met eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat schenen om allen argwaan te verwijderen en zijn avontuur met een ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter was de evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet alleen nog spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven, die hij alle dagen aan den jongman had ter hand gesteld,—brieven daar deze hem zoo duur voor betaalde en die de oude rekestschrijver, met de aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig bewaard had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio, of zelfs, wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken, wanneer hij het slagtoffer mogt worden van een of ander verraad. Dit laatste was thans werkelijk gebeurd: de evangelista, den volgenden morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in zijn pothuis gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring aan den Juez de lettras (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren te overhandigen, eer hij stierf. Deze manslag, in verband met de opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed spoor aan, dat zij met den meesten ijver begon te volgen, des te meer daar de jonge dochter wier lijk zoo stoutmoedig werd weggeroofd, veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen bekende redenen, dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat de bandieten, het klooster verlatende, paarden hadden genomen, die [58]hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden teugel waren weggereden in de rigting der presidios. Tevens gelukte het, een der personen te ontdekken, die de paarden geleverd hadden; dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door het goud dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf, verklaarde, dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en twintig remonte paarden had verkocht, af te leveren des morgens ten twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; daar deze paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd over de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur der aflevering. Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende twee vrouwen in hunne armen, waarvan de eene naar het scheen in onmagt lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen galop verwijderd. Het spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, waar don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar had hij een gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en de noodige levensmiddelen voor eene langdurige reis in de woestijn; en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen met zijn geheelen troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat iemand wist te zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd genoeg, maar toch in zoo verre voldoende, dat zij de ouders van het vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen voort te zetten.
—Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend, viel Loer-Vogel hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als gij gedaan hebt zal ik u eenige opmerkingen maken, waarvan gij, zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen.
—Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel, en hij vervolgde: Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een gewigtige dienst had bewezen en dien ik sinds al dien tijd niet weder ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, als hij mij zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven die ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken; Ruperto en ik bevonden ons juist aan het presidio de Tubac om eenige tijger- en pantervellen te verkoopen. De man dien ik bedoel deelde mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde er nog bij dat hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist mij zoodanig te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan zijne vijanden te wreken. Twee dagen later gingen wij zamen op weg om de bandieten op te sporen; voor iemand die zoo bedreven is als ik, om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen der bandieten slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der Spaansche karavaan onder kommando van don Miguel Ortega.
—Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal? [59]
—Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben?
—Waartoe zou dat dienen in de woestijn?
—Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen.
—De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging?
—Don José verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat hij haar altijd zoo lief had gehad als een vader.
—Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd hebt, als ik mij niet vergis.
Vrij-Kogel krabde zich achter het oor.
—Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt dat zij alles behalve dood is, integendeel.…
—Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij dit, en is het dan met zijne toestemming geweest dat men het arme schepsel levend heeft begraven! Maar als dat zoo is, dan steekt er een verfoeijelijk geheim achter.
—Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste stem. Nu gij het zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en dat ik er bang voor begin te worden! Intusschen heeft die man mij eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste reden om hem te verdenken, en.…
Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager.
—Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten, wij beminnen elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de prairie ons gezamentlijk nachtleger en deelen wij elkanders geluk en ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, hetzij in den strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen; zeg ik de waarheid, of niet?
—’t Is de waarheid, Loer-Vogel, ’t is de waarheid, en hij die anders sprak zou moeten liegen! antwoordde de jager getroffen.
—Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat op het punt van begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten wij waken, zorgvuldig waken; wie weet of de Voorzienigheid ons niet als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen te ontmaskeren en de onschuldigen te doen zegevieren. Die don José, zegt gij, heeft verlangd dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, Ruperto en ik, wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend, nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden.
—Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik wil u wel zeggen dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond mij zwaar op het hart woog. Ik ben maar een arme jager die van zulke schandelijke streken uit de steden niets begrijp.
—Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op de regte plaats; maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu wij het over de zaken eens zijn geworden en elkander verstaan hebben, dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg te gaan. [60]
—Ik zal vertrekken zoodra gij wilt.
—Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen?
—Opperbest.
—Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto.
—Gij kunt mij eene dienst bewijzen.
—Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid.
—Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een paar dagen bondgenooten noodig op welke wij vast kunnen staat maken; die bondgenooten zou het hier aanwezige opperhoofd, zoo wij er hem om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus naar zijn dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor te volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij maar zorgt dat wij, wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u vinden kunnen.
—Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond; stel u gerust.
Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit wat hij van hem verlangde.
—Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd met edele waardigheid; de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam; tweehonderd krijgslieden zullen op den eersten wenk van mijn vader het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun mond uitblaast komen voort uit hun hart.
—Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand drukkende die de Roodhuid hem toestak, dat de Wacondah u behoede terwijl gij op weg zijt!
Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde, die geen sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander: Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos in westelijke rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd.
—Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen hebben, merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den linker arm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten woudlooper kenschetst.
—Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer bezorgden toon. In allen geval zullen wij een gewigtige waarheid gaan ontdekken.
—Zoo denk ik er ook over, zeide de ander.
—Een ding is er dat ik vooral zou willen weten.
—En dat is?
—Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt. [61]
—Pardi! eene vrouw, zonder twijfel.
—Wie heeft u dat gezegd?
—Niemand, maar ik vermoed het.
—Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles zich ophelderen.
—God geve het!
—God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem behaagd heeft in onze harten de vermoedens te verwekken, die ons op dit oogenblik verontrusten, dan is het, zoo als ik u daar even reeds gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid wil maken.
—Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel, eerbiedig zijn muts afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt.
Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat, en liepen de een achter den ander, om de moeijelijkheden van den weg beter te vermijden.
Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken.
—Het is reeds laat, zei Loer-Vogel.
—Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten den verloren tijd weder zien in te halen.
—Hoe zoo?
—In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u?
—Ja, als wij maar paarden hadden.
—Die denk ik u juist te bezorgen.
—Hebt gij dan paarden?
—Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens in den omtrek gelaten, om de plaats te bereiken waar don José mij besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met eene praauw.
—Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part, ik wil u wel zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie gemarcheerd dat mijne beenen mij naauwelijks willen dragen.
—Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden.
Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door Vrij-Kogel aangewezen rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden rustig grazen en peul-vruchten of jonge struiken knabbelen. De edele dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken de fijne en schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te gemoet. Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld; alleen hing de bossal (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten het tuig in orde, stegen in den zadel en stelden zich in beweging.
—Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij zeker in tijds te zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven ons zelfs niet te haasten, maar kunnen op ons gemak zamen praten: zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien?
—Nooit, moet ik u zeggen. [62]
—Dus kent gij hem niet.
—Als ik mij op don José beroepen mag, is hij een schurk; wat mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem te doen heb gehad, zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem kunnen geven.
—Dat is bij mij anders, ik ken hem.
—Ei!
—Ja, door en door.
—Sinds lang reeds?
—Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem te beoordeelen.
—Zoo; en wat denkt gij wel van hem?
—Veel goeds, maar ook veel kwaads.
—Te duivel!
—Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in hetzelfde geval?
—Min of meer, dat stem ik u toe.
—Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen; toen ik dus dezen nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken, heb ik u een uitwijkend antwoord gegeven en gezegd dat ik hem te weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst niet wilde belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen opzigte weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen zult over de hulp die gij tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij hem noemt, verleend hebt.
—Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan God alleen?
—Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw gevoelen gansch en al te kennen.
—Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis die gij mij dezen nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft.
—Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat?
—Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:.…
—Laat hooren.
—Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding in wereldsche zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te nemen van iemand, dien gij, volgens de beginsels welke wij hier in de prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen—zoo niet als een vijand, dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne verbindt, en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan.
Loer-Vogel begon te lagchen.
—Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij.
—Niet waar?
—Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan goede redenen waarom ik de verdediging van dien man op mij heb genomen; over die redenen kan ik mij echter thans niet uitlaten; [63]zij zijn een geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat gij spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude vriendschap te berusten en mij naar eigen goedvinden te laten handelen.
—Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de zaak te krijgen, en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen.
—Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar houd u thans stil en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen moeten.—Te duivel! de Mexicanen hebben zich niet laten wachten, ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen.
Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de eene zijde tegen de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende, in geregelde orde was aangelegd, als een verschanste redoute, met balen en gekruiste boomstammen versterkt en front biedende aan de prairie.
De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden, en kregen zonder moeite verlof om binnen te komen.
Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder oogenblik.
De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig neer bij het kampvuur.
Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had, des morgens vroeg reeds vertrokken.
[Inhoud]
X.
Nieuwe Personaadjen.
Inhoudsopgave
Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt als verhalers gebruik makende, ruim veertien dagen in ons verhaal terugtreden, om den lezer op een tooneel te verplaatsen dat met de gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband staat, al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval onze hoofdpersonen verzameld had.
De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende benamingen, het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte van het zuiden tot het noorden doorloopt, heeft vele uitgestrekte llanos of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene talrijke bevolking leeft, op hoogten waar in Europa alle plantengroei verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac—een vooruitgeschoven post der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn—voorbij is en dan het tierra caliente, of warme land, ongeveer honderd mijlen in zuidelijke rigting is binnengetrokken, komt men eensklaps en zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld, als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en ruim tachtig mijlen breedte. [64]
Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende voorstelling te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze wonderen te beschrijven die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit warbosch van boomen en gewassen in zich bevat; de stoutste schildering schiet te kort om er den indruk van weer te geven, zoo wonderbaar fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding deinst terug voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte natuurbosschen, die gestadig als uit hun eigen vernietiging herboren zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom ontwikkelen; reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend, dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te kruipen of op nieuw wortel te schieten, en een eind verder zich weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander kruisend in tallooze kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken doolhof, om een schier onoverkomelijken slagboom te vormen, als ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde zij hare geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des stervelings, wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf dezer wouden slechts zelden, en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen van allerlei leeftijd en soort, als door de hand des toevals gezaaid, schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt als halmen op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen, rank en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten gewelf der ouderen, wier trotsche kruinen de kracht der stormen en der eeuwen hebben verduurd, en die hunne magtige armen ver in het rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen heldere en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen, na tallooze wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer of rivier zonder naam, wier bruischende stroom of kalme waterspiegel nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets anders terugkaatste dan de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig over hen uitbreidt.
Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle pracht hunner schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen der tropische plantenwereld: de acajou-boom, de palissander, de ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, de kurkboom, de ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa, spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen, vruchten en bladeren, en vormen een dom van het levendigst groen, of een digt verwulf, waar geen zonnestraal in doordringt en waaronder zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. Uit het diepst dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke geluiden: woest gebrul, gemaauw van boschkatten, gehuil van wolven, geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld door scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische klaagtoonen, of stemmen van toorn, woede en [65]verschrikking van de duizend wilde dieren die er in huisvesten.
Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer ontgonnen natuurwoud gestreden, en met de bijl in de eene en de brandfakkel in de andere hand, zich te midden dezer chaos duim voor duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft men eindelijk een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog moeijelijker bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over den duizendjarigen afval van blad, dood hout, rottende boomstammen of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens springend of klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in de lucht wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te letten op alles wat hem omringt, of het oor sluit voor het onzigtbaar gevaar! want behalve de hindernissen door het plantenrijk in den weg gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang die men in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het wild gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten op den kronkelloop van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras, dat zich onkenbaar onder den onveiligen bodem verschuilt; overdag, zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten naar den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas; want als men ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er onmogelijk weder uit: geen doolhof van Dedalus zonder een leiddraad van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit.
Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en duizende anderen die wij niet konden beschrijven, door te worstelen, dan komt men aan eene ruime vlakte, aan alle zijden door wouden omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad verheft.
Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige verblijven, in welke tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan was binnengedrongen, wier juiste ligging men zelfs niet wist te bepalen en waar, volgens de verzekering der Indianen, sedert de verovering van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken zich heeft teruggetrokken.
De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de onberekenbare in deze steden begraven schatten werden uitgestrooid, hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers gaande gemaakt, en vele hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren pad naar deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug te vinden. Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare nieuwsgierigheid die de zwerfzieke verbeelding van sommige menschen ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert de laatste vijftig jaren, zich aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, maar zonder dat een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar het onbekende teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken op den bodem van steile rotskloven of in de quebradas (verbrokkelde gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk, [66]welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig spoor achter te laten, of zonder dat men ooit weder iets van hen heeft gehoord.—
Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden, doch die wij eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen wil en keus verpligt geweest, in een dezer ontoegankelijke steden verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan onze voorgangers, wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door te worstelen en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden.
De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten volgen, is dus met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door niemand worden gelogenstraft, daar wij spreken nadat wij gezien hebben.
Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het onmetelijk oer-woud, daar wij straks eene vlugtige schets van gaven, is doorgeworsteld, strekt zich uit in een langwerpig vierkant van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, waarover hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van verwonderlijke ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele lengte. Aan iederen hoek van het vierkant verheft zich eene verbazend groote rotsmassa, die aan de zijde welke over de vlakte uitziet, loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte dient; deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een doorloopenden muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig voet dikte. Aan de binnen- of stadszijde vormt deze muur een talus of helling, die aan haar basis zestig voet breedte heeft. De muur is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde klei gebakken briksteenen, die men adobas noemt: elke steen is omtrent een meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt bijna de hoogte van den muur.
Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan weerszijde een ronden toren met zoogenaamde peperbus-spitsen, die aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken; wat deze gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken zamengestelde, bijzonder smalle brug, die bij het minste onraad kan worden opgehaald of weggenomen, en die het eenige middel uitmaakt om door de poort naar buiten te komen.
De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in verband staan; zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt gebouwd, wegens de aardbevingen welke in deze streek niet zeldzaam voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en van vele vensters voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels zijn met een schitterend wit vernis bestreken.
Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras zich verheffende, heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en uitlokkend voorkomen.
Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen, [67]wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte moeijelijk lieten onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch uit, en hielden eenige oogenblikken stil aan den uitersten rand, onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen begonnen zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine heuvel, die nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin, hoe weinig verheven ook, den horizont regtlijnig afsneed en hun het uitzigt belette.
Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg.
Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten, verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug van verrassing en bewondering.
De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt, en ook de hellingen zoowel aan de regter- als linkerzijde waren bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen, strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de geheimzinnige stad Quiepa-Tani1, met haar sterke torens en dikke muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis, wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in stomme verbazing deed wegzinken.
Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde zich tot zijne kameraden:
—Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als een Indiaan deed kennen; heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden?
—Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is regt, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een der beide mannen die hij had toegesproken.
De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach zou zijne twee togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien.
—Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden, merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had.
—Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar Quiepa-Tani geleiden, antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds te donker.
—De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten onzen togt tot morgen uitstellen. [68]
—Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven.
Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en verlaten scheen.
De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren heerscht, had plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest avondconcert. Het scherpe geschreeuw der nachtvogels, die thans wakker werden en zich gereed maakten om de loeries, de colibrietjes of de laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen, vermengde zich met het gebrul der congouars2, het valsch gehuil der jaguars3 en panters, en het schokkend geblaf der coyotes4 wier echo’s akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en spelonken waar deze gevaarlijke gasten zich verscholen hielden.
Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen de drie mannen weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te midden van eene opene plek in het bosch was aangelegd.
Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij neergevlijd en zaten in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes telden te zamen naauwelijks dertig jaren, zij waren bijzonder schoon, en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken herinnerden aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van Rafaël in zijne Madonna’s heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans schenen zij vermoeid en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch der naderende voetstappen, sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, als een vrolijke zonnestraal op haar gelaat.
De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te verflaauwen, terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden, die op korten afstand vastgekoppeld stonden, van erwten en gras te voorzien.
—Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager wendende, die naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij haast aan het doel onzer reis?
—Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend Addick, gaat gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk verblijf vinden, waar niemand u zal kunnen vervolgen.
—Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en onverschillig gelaat van den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden? [69]
—Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het.
—Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken?
—De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op mijne ondervinding; mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt, zoo jong als gij zijt, reeds genoeg geleden. Het is wel noodig dat een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de sombere wolken verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben.
—Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen die haar langs de wangen liepen.
—Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere meisje, haar teeder omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde zij op vleijenden toon: ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last u minder zwaar vallen.
—Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil zijt gij ongelukkig, hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden?
—Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door weder moed te scheppen.
—Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe vervolgers buiten de mogelijkheid hebben gebragt om u verder te schaden; ik speel met hen eene vreesselijke partij, waarin ik mijn hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang als ik afwezig ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten die ik voor u heb opgespoord, en dat gij mijne terugkomst geduldig zult afwachten.
—Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een wonderwerk gered; mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik lief had hebben mij verlaten, behalve Luisa, mijne pleegzuster, die hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, dien ik niet kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken nacht, toen gij mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere en verstandige zorgen mij omringd, en waart gij in plaats van mijne verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een vader.
—Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst als gelukkig.
—Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare ontroering, om u te bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet niet wat de goede God in zijne wijsheid over mij beschikken zal, maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste gedachten voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal u gehoorzamen; geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken glimlach, ik beschouw mijn leven slechts, als een wanhopige speler zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid of er ook iets van komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt; vertrek dus zonder vrees, ik stel vertrouwen in u. [70]
—Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu ben ik zeker dat ik slagen zal.
Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de dames een soort van rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt, waarop zij zich konden nedervlijen. Zij verwijderden zich dus, om de welkome rust te genieten.
Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte zich, na nog een poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het vuur uit, terwijl zijne twee kameraden beurtelings zouden waken; en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis verliest de natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk gestel te verdringen of tot zwijgen te brengen.
Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder met bleeke opaaltinten te kleuren, of de jagers stonden op. De toebereidsels voor hun vertrek waren weldra gemaakt, het oogenblik der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee jagers hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld, om des te langer bij haar te blijven.
Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast elkander konden gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om den jager, die don Miguel zou vergezellen, te naderen:
—Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene zachte stem.
—Spreek, zeide de jager op denzelfden toon.
—Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in.
—Ten onregte, Senorita, ik ken hem.
Zij schudde met weerzin het hoofd.
—’t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo niet, dan zal ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had dat hij er niets van wist.
—Spreek vrij, zeg ik u.
—Geef mij een mes en uwe pistolen.
De jager keek haar verwonderd aan.
—Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een moedig meisje, ziedaar wat gij mij vraagt.
Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de voorwerpen die zij van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes bij, een met kruid en een met kogels gevuld.
—Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij.
—Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde.
Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen onder hare kleederen, met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager er om glimlagchen moest.
Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch.
—Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames verantwoordelijk stel! [71]
—Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde.
Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer op eene plaats te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen kon worden ontdekt.
De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad.
—Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen voor het laatst te zien.
—Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef.
Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek die zij den vorigen avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen.
In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel, hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling.
Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen schotel.
Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren.
Don Miguel slaakte een bitteren zucht.
—Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem.
Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren zij weder op weg.
Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug.
—En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan een Indiaansch hoofdman van mijne kennis.
—Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen te dienen?
—Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt wel dat dit de mijne is.
—Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte stem.—Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze volgende bijeenkomst. [72]
—Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del Rubio bij u; dat is afgesproken.
—Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt.
—Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in ’t minst niet nieuwsgierig om het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij elkander niet kennen, niet waar?
—Ja, dat is van het meeste belang.
—Welaan dan, adieu.
—Adieu.
Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop.
1 In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg, dus in ’t Hollandsch: Hemelberg.↑
2 Amerikaansche leeuw.↑
3 Tijger.↑
4 Wolf.↑
[Inhoud]
XI.
Het veer del Rubio.
Inhoudsopgave
Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud, en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en wanluidende kreten aanhieven.
In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen.
Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen.
—Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze houding half naar hem toewendde. [73]
—Een weinig slapen, antwoordde de jager.
—Slapen?
—Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er ten minste niets tegen hebt.
Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn.
—Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in ’t onzekere te laten, het zou wel kunnen zijn.…
Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden.
—Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt.
—Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is.
—O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een man van beproefden moed en buitengewone kracht.
—Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd.
—Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt?
—Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging.
—Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen?
—Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden.
—Daar wilt gij mede zeggen?.… vroeg de Canadees min of meer gepikeerd.
—Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels vergeten zijt.
—Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten?
—Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan.
—Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis verschuilen.
—Sluipmoord namelijk.
De Canadees huiverde onwillekeurig. [74]
—Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij.
—Waar zou ik anders voor vreezen?
—’t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen?
—Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er van is.
—Maar hoe zult gij dat zien?
—Ik weet het niet, God zal het mij ingeven.
—Gij hebt toch zeker het een of andere plan?
—Ja, dat wel.
—Wat dan?
—Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult helpen uitvoeren.
Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand.
—Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan.
—Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen.
—Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal uitblijven; het regent reeds met groote droppels.
—Een reden te meer om ons te haasten.
—Gij hebt gelijk.
—Vergezelt gij mij dan?
—Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan?
—Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe goedheid.
—Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig.
—Hoe zoo?
—Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken.
Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit oogenblik bevond.
Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den uitgang van het kamp.
De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters.
Deze waren in ’t minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden.
—Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten.
—Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek.
—Op dit uur?
—Waarom niet?
—Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan de prairie af te loopen. [75]
—In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren mijner plannen veroorzaakt.
De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne overweging stonden af te wachten.
—Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den uwen doet met op deze wijs uit te gaan.
—Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord.
—Ik luister.
—Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot gevaar. Hebt gij mij goed begrepen?
—Zeer goed.
—En zult gij doen, wat ik u aanbeveel?
—Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen.
—Goed, tot wederziens!
—Goed geluk!
De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen gesloten werd.
Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los.
Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen begon te vallen.
Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der verschrikte [76]roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken tegen den zandigen oever.
Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, bleven beiden plotseling staan.
De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte.
Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd.
De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch.
De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur.
Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar verkeerde.
Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden.
Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider oor getroffen.
Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig voorwaarts, [77]hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet.
Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste.
—O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is een mensch in doodsgevaar.
—Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel.
Zij hadden elkander begrepen.
Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden?
Voor hen uit lag het onmogelijke.
Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij den stand der wateren.
Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te kunnen onderscheiden.
—’t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp te snellen?
Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door het zwerk.
Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met den stroom worstelen.
—Moed! moed! houd moed! riepen zij.
—Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem.
Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen zij snuivend en sidderend in de rivier.
Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het midden der golven.
De man die zij ter hulp kwamen was getroffen.
Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door hetzelve in het water liet voortsleepen.
Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven. [78]
—Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek.
—Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel.
De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden bliksemslag af om hem uit te werpen.
Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte.
—Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo!
Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.