Kitabı oku: «Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen»

Yazı tipi:

H. A. Guerber

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313692

Inhoudsopgave

Inleiding.

Hoofdstuk I: Het Begin.

Scheppingsmythen.

Ymir en Audhumla.

Odin, Vili en Ve.

De schepping van de aarde.

Mani en Sol.

De wolven Sköll en Hati.

Dwergen en elfen.

De schepping van den mensch.

De boom Yggdrasil.

De brug Bifröst.

De Vana’s.

Hoofdstuk II: Odin.

Odin vader van goden en menschen.

Odins persoonlijke verschijning.

Valhalla.

Het feest van de helden.

Sleipnir.

De wilde jacht.

De Rattenvanger.

Bisschop Hatto.

Irmin.

Mimirs bron.

Odin en Vafthrudnir.

Vinding van de Runen.

Geirrod en Agnar.

Mei-dag feesten.

De historische Odin.

Hoofdstuk III: Frigga.

De koningin van de goden.

Het gestolen goud.

Odin verschalkt.

Fulla.

Gna.

Lofn, Vjofn en Syn.

Gefjon.

Eira, Vara, Vör en Snotra.

Holda.

De ontdekking van het vlas.

Tannhäuser.

Eástre, de godin van de Lente.

Bertha, de Witte Vrouw.

Hoofdstuk IV: Thor.

De Donderaar.

Thors hamer.

Thors familie.

Sif, de goudharige.

Thors Reis naar Jötun-heim.

Utgard-Loki.

Thor en Hrungnir.

Groa, de toovenares.

Thor en Thrym.

Thor en Geirrod.

De vereering van Thor.

Hoofdstuk V: Tyr.

De god van den oorlog.

Tyrs zwaard.

De geschiedenis van Fenris.

Hoofdstuk VI: Bragi.

Het ontstaan van de dichtkunst.

Het zoeken van den drank.

De roof van den drank.

De god der muziek.

Vereering van Bragi.

Hoofdstuk VII: Idoen.

De appels van de jeugd.

De geschiedenis van Thiassi.

De terugkomst van Idoen.

De godin van de lente.

Idoen valt in de onderwereld.

Hoofdstuk VIII: Niörd.

Een gijzelaar bij de goden.

De god van den zomer.

Skadi, godin van den winter.

De scheiding van Niörd en Skadi.

De vereering van Niörd.

Hoofdstuk IX: Frey.

De god van het elfenland.

Het dingen om Gerda’s hand.

De historische Frey.

Dienst van Frey.

Het Yule-feest.

Hoe de zee zout werd.

Hoofdstuk X: Freya.

De godin der liefde.

Koningin der Valkyren.

Freya en Odur.

Freya’s halsketting.

Geschiedenis van Ottar en Angantyr.

De mannen van Freya.

Vereering van Freya.

Hoofdstuk XI: Uller.

De god van den winter.

Dienst van Uller.

Hoofdstuk XII: Forseti.

De god van de waarheid.

De geschiedenis van Heligoland.

Hoofdstuk XIII: Heimdall.

De wachter van de goden.

De wachter van den regenboog.

Loki en Freya.

Heimdall’s namen.

De geschiedenis van Riger.

Hoofdstuk XIV: Hermod.

De vlugge god.

Hermod en de Waarzegger.

Hoofdstuk XV: Vidar.

De zwijgende god.

Vidar’s schoen.

De profetie van de Nornen.

Hoofdstuk XVI: Vali.

Het vrijen van Rinda.

De geboorte van Vali.

Dienst van Vali.

Hoofdstuk XVII: De Nornen.

De drie schikgodinnen.

Het web der Nornen.

Andere beschermgeesten.

De geschiedenis van Nornagesta.

De Vala.

Hoofdstuk XVIII: De Valkyren.

De slagmaagden.

De wolkenpaarden.

Zij kiezen de gevallenen.

Hun getal en hun werk.

Wieland en de Valkyren.

Brunhild.

Hoofdstuk XIX: Hel.

Loki’s kroost.

Hel’s Koninkrijk in Niflheim.

Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.

Pestilentie en honger.

Hoofdstuk XX: Aegir.

De god van de zee.

De godin Ran.

De golven.

Aegirs Brouwketel.

Thor en Hymir.

Onbeminde godheden.

Andere goden van de zee.

Riviernimfen.

Legenden van de Lorelei.

Hoofdstuk XXI: Balder.

De meest beminde.

Balders droom.

De profetie van de Vala.

De goden aan het spelen.

De dood van Balder.

Hermod’s Boodschap.

De brandstapel.

Hermod’s tocht.

De voorwaarde van Balders invrijheidsstelling.

De terugkomst van Hermod.

Vali de Wreker.

De beteekenis van de geschiedenis.

De vereering van Balder.

Hoofdstuk XXII: Loki.

De geest van het kwade.

Loki’s karakter.

Sigyn.

Skrymsli en het kind van den boer.

De reus-Bouwmeester.

Loki’s laatste misdaad.

Aegirs banket.

De vervolging van Loki.

Loki’s straf.

Loki’s Dag.

Hoofdstuk XXIII: De Reuzen.

Jötun-heim.

Oorsprong van de bergen.

De eerste goden.

De reus verliefd.

De Reus en de kerkklokken.

Het schip van de reuzen.

Prinses Ilse.

Het speelgoed van de reuzin.

Hoofdstuk XXIV: De Dwergen.

Kleine mannen.

De Tarnkap.

De legende van Kallundborg.

De tooverij van de dwergen.

Het weggaan van de dwergen.

Ondergeschoven kinderen.

De Troll-pieken.

Een gissing.

Hoofdstuk XXV: De Elven.

Het gebied der Elven.

De Elvendans.

De dwaallichtjes.

Oberon en Titania.

Alf-blot.

Beelden op deurposten.

Hoofdstuk XXVI: De Sigurd Saga.

Het begin van het verhaal.

De Volsunga Saga.

Sigi.

Rerir .

Volsung.

Het trouwen van Signy.

Het zwaard van Branstock.

Sigmund.

Siggeirs verraad.

Signy’s Zonen.

Sinfiotli.

De weerwolven.

Sigmund en Sinfiotli door Siggeir gevangen genomen.

Sigmunds wraak.

Helgi.

De dood van Sinfiotli.

Hiordis.

Elf, de Viking.

De geboorte van Sigurd.

De schat van den dwergkoning.

Sigurds zwaard.

Het gevecht met den draak.

De slapende oorlogsmaagd.

De opvoeding van Aslaug.

De Niblungen.

Gunnars krijgslist.

De komst van Brunhild.

De twist der koninginnen.

De dood van Sigurd.

De vlucht van Goedroen.

Atli, koning van de Hunnen.

Het begraven van den Niblungenschat.

Het verraad van Atli.

De laatste der Niblungen.

Swanhild.

Verklaring van de sage.

Hoofdstuk XXVII: De Geschiedenis van Frithiof.

Bisschop Tegnér.

Geboorte van Viking.

Het Balspel.

De bloedveete.

Thorsten en Belé.

Geboorte van Frithiof en Ingeborg.

Frithiofs liefde voor Ingeborg.

Helge en Halfdan.

Frithiofs vrijage.

Sigurd Ring als vrijer.

Bij Balders Heiligdom.

Frithiof verbannen.

De Storm.

Atlé’s uitdaging.

Frithiofs thuiskomst.

Frithiof als balling.

Aan het hof van Sigurd Ring.

Frithiofs trouw.

Verloving van Frithiof en Ingeborg.

Hoofdstuk XXVIII : De Godenschemering.

Het verhaal van de goden.

De Fimbul-winter.

De wolven losgelaten.

Heimdall geeft het sein.

De verschrikkingen van de zee.

De verschrikkingen van de Onderwereld.

Het groote gevecht.

Het verslindende vuur.

Wedergeboorte.

Een nieuwe hemel.

Een te groot om te noemen.

Hoofdstuk XXIX: Grieksche en Noorsche Mythologie.

Vergelijkende Mythologie.

Het begin van de dingen.

Kosmogonie.

De luchtverschijnselen.

Jupiter en Odin.

De schepping van den mensch.

Nornen en Schikgodinnen.

Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.

Frigga en Juno.

Muzikale mythen.

Thor en de Grieksche goden.

Idoen en Eurydice.

Skadi en Diana.

Frey en Apollo.

Freya en Venus.

Odur en Adonis.

Rinda en Danae.

Zee-Mythen.

Balder en Apollo.

Ragnarok en de Zondvloed.

Reuzen en Titanen.

De Volsunga Saga.

Brunhild.

Zonnemythen.

Register op aangehaalde gedichten

Register.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

Y

Z


Sigurd

Gilbert Bayes.

Inleiding.

Inhoudsopgave

De voorname beteekenis van de ruwe brokken poëzie, in vroege IJslandsche litteratuur bewaard, zal nu door niemand meer betwist worden, maar er bestond tot voor korten tijd een buitengewone onverschilligheid ten opzichte van de godsdienstige overlevering en mythische leer die zij behelzen.

De langdurige verwaarloozing van deze kostbare herinneringen aan onze heidensche voorvaderen is niet de schuld van het materiaal, waarin alles wat van hun godsdienstige geloofsvoorstellingen over is, is besloten, want men kan veilig beweren dat de Edda even rijk is aan de eigenaardigheden van nationalen roman en van rasverbeelding, hoe ruw dan ook, als de meer bevallige en idyllische mythologie van het Zuiden. Ook ligt het niet aan een zekere wreedheid in de opvatting van de goden zelf, want ofschoon zij niet mogen reiken tot groote geestelijke hoogten, beweren in de eerste plaats kenners van de IJslandsche letterkunde, dat zij zich verheffen breed en massief als de Skandinavische bergen. Zij toonen “een geest van overwinning, die meer is dan brute kracht, die meer is dan het stoffelijke alleen, een geest die strijdt en overmeestert”.1 “Zelfs waar een deel van de stof hunner mythen aan anderen is ontleend, hebben de Noren hunnen goden een edelen, fieren, grooten geest gegeven en hen op een hoog standpunt geplaatst, dat geheel het hunne is.”2 “Inderdaad, deze oud-Noorsche zangen hebben een waarheid in zich, een innerlijke eeuwige waarheid en grootheid. Het is een grootheid, niet van lichaam en reusachtige afmeting alleen, maar een ruwe grootheid van ziel”.3

De invoering van het Christendom in het Noorden bracht mede den invloed van de klassieke rassen, en deze schaadde den aangeboren geest, zoodat de vreemde mythologie van Griekenland en Rome een toenemend deel van de geestelijke toerusting der noordelijke volken is geworden naarmate de letterkunde en overlevering des lands verwaarloosd zijn.

Ongetwijfeld heeft de Noorsche mythologie een diepgaanden invloed uitgeoefend op onze gewoonten, wetten en taal, en er is daarom een groote onbewuste inspiratie van deze op de Engelsche letterkunde. De meest in het oog springende trekken van deze mythologie zijn een zeer bijzonder grimmige humor, dien men in den godsdienst van geen ander ras vindt, en een duistere draad van tragiek die door het gansche weefsel loopt, en deze eigenaardigheden, de beide uitersten rakend, zijn in forsche trekken op de Engelsche litteratuur geschreven.

Maar van bewusten invloed is er, vergeleken bij den rijkvloeienden stroom van Helleensche inspiratie, weinig te merken, en als wij ons keeren tot de moderne kunst, is het verschil zelfs nog duidelijker.

Deze onverschilligheid is toe te schrijven aan vele oorzaken, maar allereerst aan het feit dat de godsdienstige geloofsvoorstelling van onze heidensche voorvaderen niet wezenlijk diep waren geworteld. Vandaar het succes van de meer of minder overwogen politiek der eerste Christelijke zendelingen, die de heidensche opvattingen wilden verwarren en ze in het nieuwe geloof wilden verstikken, waarvan men een belangwekkend voorbeeld heeft in het overbrengen naar het Christelijk Paaschfeest van de attributen der heidensche godin Eastre, aan wie het in het Engelsch zelfs zijn naam ontleent. De Noorsche mythologie werd op deze wijze tot staan gebracht eer zij hare volle ontwikkeling had bereikt, en de voortgang van het Christendom bande haar ten slotte in het duister van vergeten dingen. Haar veel omvattend en ordelijk plan echter, in tegenstelling met de onsamenhangende mythologie van Grieken en Romeinen, vormde den grondslag van een meer of min redelijk geloof, dat de Noren geschikt maakte om de onderrichting van het Christendom te ontvangen, en zoo aan haar eigen ontbinding medewerkte.

De godsdienstige voorstellingen van het Noorden zijn niet nauwkeurig weerspiegeld in de oudere Edda. Inderdaad is ons in de Noorsche litteratuur slechts een travestie van het geloof onzer voorvaderen bewaard. De primitieve dichter hield van allegoriseeren, en zijn verbeelding vermeide zich tusschen de scheppingen van zijn vruchtbare muze. “Zijn oogen waren gevestigd op de bergen, totdat de besneeuwde toppen menschelijke gestalten aannamen en de reus van de rots op het ijs neerdaalde met zwaren stap; of hij wilde staren op de pracht van de lente, of de zomersche velden, totdat Freya met den schitterenden halsketting, aankwam, of Sif met de wuivende gouden haren.”4

Wij hooren niets van de offergebruiken en godsdienstige riten, en alles is weggelaten wat geen stof levert voor artistieke behandeling. De zoogenaamde Noorsche mythologie kan men dus meer beschouwen als een waardevolle reliquie der Noorsche dichtkunst in haren aanvang, dan als een uiteenzetting van de godsdienstige voorstellingen der Skandinaviërs, en deze letterkundige fragmenten dragen veelvuldig het kenmerk van den overgangstoestand, waarin de verwarring van oud en nieuw geloof gemakkelijk is te zien.

Maar niettegenstaande de grenzen, door langdurige verwaarloozing gesteld, is het mogelijk ten deele een plan van de oude Noorsche geloofsvoorstellingen te reconstrueeren, en de gewone lezer zal veel profijt hebben van Carlyle’s onderrichtende studie in “Helden en Heldenvereering.” “Een verbijsterend, ondoordringbaar kreupelbosch van leugens, verwarringen, onwaarheden en absurditeiten, dat het heele levensveld bedekt!” Zoo noemt hij ze, met goede reden, maar hij gaat verder en toont aan, met evenveel waarheid, dat in het hart van deze ruwe vereering van een uit haar verband gerukte natuur een geestelijke macht uiting zoekt. Wat wij zonder eerbied onderzoeken, zagen zij met devotie aan, en, daar zij het niet begrepen, vergoddelijkten zij het onverwijld, zooals alle kinderen geneigd waren te doen in alle perioden der wereldgeschiedenis. Inderdaad waren zij heldenvereerders naar het hart van Carlyle, en twijfelzucht had geen plaats in hun eenvoudige philosophie.

Het was de kindsheid van de gedachte, die staarde op een heelal vol goddelijkheid, en die hartelijk en oprecht geloofde. Een volk met ruime ziel dat in het donker zich strekte naar idealen, die beter waren dan zij zelf wisten. Ragnarok moest een einde maken aan hunne goden, omdat zij waren gestruikeld van hun hoogere standplaatsen.

Wij hebben aan een eigenaardig verschijnsel te danken, dat zooveel van de oude leer, als wij nog bezitten, is bewaard. Terwijl vreemde inlanders de Noorsche taal bedierven, bleef zij vrij wel onveranderd in IJsland, dat van het vastland uit door de Noormannen was gekoloniseerd, die er heen gevlucht waren om te ontkomen aan de onderdrukking van Harold Schoonhaar na zijn vernietigende overwinning van Hafrsfirth. Deze menschen brachten mede den dichterlijken geest die zich reeds geopenbaard had, en deze schoot nieuwen wortel in dien dorren grond. Velen van de oude Noorsche dichters waren uit IJsland afkomstig, en in den vroegsten tijd der Christelijke jaartelling werd een groote dienst aan de Noorsche letterkunde bewezen door den Christenpriester, Saemund, die vlijtig samenbracht een groote massa heidensche poëzie tot een verzameling, bekend als de Oudere Edda, en deze is de voornaamste basis van onze tegenwoordige kennis aangaande den godsdienst der oude Noormannen. De IJslandsche letterkunde bleef echter een verzegeld boek tot het einde van de achttiende eeuw, en heel langzaam heeft zij het sedert dien tijd gewonnen op onverschilligheid, totdat er nu teekenen zijn dat zij eventueel tot haar recht zal komen. “Het kennen van het oude geloof”, zegt Carlyle, “brengt ons in nauwer en zuiverder betrekking tot het Verleden—tot onze eigen bezittingen in het Verleden. Want het gansche Verleden is het bezit van het Heden; het Verleden had steeds eenige waarheid, en is een kostelijk bezit.”

De veelbeteekenende woorden van William Morris met betrekking tot de Volsunga Saga kunnen ook heel goed worden aangehaald bij wijze van inleiding tot deze geheele verzameling “Mythen van de Noormannen”. “Dit is de groote geschiedenis van het Noorden, die voor ons ras moet zijn wat het verhaal van Troje was voor de Grieken—voor ons geheele ras eerst, en verder, als de verandering van de wereld ons ras niet meer heeft gemaakt dan tot een naam van hetgeen is geweest—ook een geschiedenis—dan moet zij voor hen die na ons komen niet minder zijn dan wat het verhaal van Troje geweest is, voor ons”.

1 Noorsche Mythology “Kauffman”.

2 Halliday Sparling.

3 Carlyle “Heroes and Heroworship”.

4 “Noordelijke Mythologie”, Kauffmann.

Hoofdstuk I: Het Begin.

Inhoudsopgave

Scheppingsmythen.

Inhoudsopgave

Ofschoon de Arische bewoners van Noord-Europa, overeenkomstig de vooronderstelling van eenige gezaghebbende geleerden, oorspronkelijk van de hoogvlakte van Iran, in het hart van Azië, afkomstig zijn, hadden het klimaat en de omgeving van de landen, waar zij zich ten slotte vestigden, grooten invloed op de vorming van hun vroegere godsdienstige opvattingen, alsook op de verandering van hun levenswijze.

De grootsche en ruwe landschappen van Noord-Europa, de middernachtzon, de schitterende stralen van den noordelijken dageraad, de oceaan die zich voortdurend tot woede opzweept tegen de groote klippen en ijsbergen van den Poolcirkel, moest de bevolking niet minder levendig aandoen dan de bijna wonderbare plantengroei, het voortdurende licht, en de blauwe zeeën en luchten van hun korten zomertijd. Het is daarom niet heel vreemd dat de IJslanders b.v., aan wie wij de meest volledige herinneringen aan dit geloof te danken hebben, als zij rondom zich zagen, zich verbeeldden dat de wereld oorspronkelijk was geschapen uit een zonderling mengsel van vuur en ijs.

De Noordelijke mythologie is grootsch en tragisch. Haar voornaamste thema is de voortdurende worsteling van de weldadige natuurkrachten tegen de schadelijke, en dus is zij niet bekoorlijk en idyllisch als de godsdienst van het zonnige zuiden, waar de bevolking zich kan koesteren in een voortdurenden zonneschijn, en de vruchten der aarde opgroeiden zoodat men ze slechts te plukken had.

Het was heel natuurlijk, dat de gevaren, waaraan men bloot stond op jacht en bij het visschen onder dezen onbarmhartigen hemel, en het lijden dat werd opgelegd door de lange, koude winters, als de zon nooit schijnt, onze voorvaderen koude en ijs deden beschouwen als boosaardige geesten; en het was om dezelfde reden, dat zij met bijzondere voorliefde aanriepen den weldadigen invloed van warmte en licht.


De Reus met het vlammende Zwaard

J. C. Dollman.

Wanneer men hen vraagde naar de schepping der wereld, antwoordden de Noorsche skalden of dichters, wier zangen in de Edda’s en Saga’s zijn bewaard, dat in het begin, toen er nog geen aarde was, noch zee, noch lucht, toen duisternis op alles rustte, er een machtig wezen bestond, genaamd Alvader, dien zij vaag beseften als ongeschapen en onzienlijk, en dat, wat hij wilde, gebeuren moest.

In het midden der ruimte was, bij den aanvang van den tijd, een groote afgrond Ginnunga-gap, de kloof der kloven, de gapende golf, welker diepten geen oog kon peilen, daar zij in voortdurende schemering was gehuld. Benoorden deze plek was een ruimte of wereld, bekend als Niflheim, de woonplaats van mist en donker, en in het hart daarvan vloeide de onuitputtelijke bron Hvergelmir, de ziedende ketel, welks wateren twaalf groote stroomen voedden: de Elivagar. Daar het water van deze stroomen snel wegliep van zijn bron en de koude winden van de gapende golf ontmoette, verhardde het weldra tot groote blokken ijs, die neerrolden in de onmetelijke diepten van den grooten afgrond met een voortdurend gedruisch als van donder.

Bezuiden deze donkere kloof, en vlak tegenover Niflheim, het mistgebied, was een andere wereld, met name Muspells-heim, de woonplaats van het oorspronkelijke vuur, waar alles warmte en licht was, en welks grenzen steeds bewaakt werden door Surtr, den vlammenreus. Deze reus zwaaide trotsch zijn blinkend zwaard en zond voortdurend groote stroomen vonken uit, die met een sissend geluid op de ijsblokken vielen in den bodem van den afgrond, en ze ten deele door hitte deden smelten.

Door Surtr, met zijn brandend zwaard

Werd zuid’lijk Muspels poort bewaard,

In stroom van meer dan aardschen gloed

Vloeid’ uit de kracht die leven doet.

Valhalla (J. C. Jones).

Ymir en Audhumla.

Inhoudsopgave

Toen de damp tot wolken rees, ontmoette hij de heerschende koude en werd veranderd in rijm of rijp, die, laag op laag, de groote centrale ruimte vulde. Zoo door de voortdurende werking van koude en hitte, en waarschijnlijk ook door den wil van den ongeschapene en ongeziene, ontstond tusschen de ijsblokken van den afgrond een reusachtig wezen Ymir of Orgelmir (ziedende klei), de verpersoonlijking van den bevroren oceaan, en daar dit wezen uit rijm geboren was, werd hij Hrim-thurs of IJsreus genoemd.

In vroegen tijd

Toen Ymir leefde,

Was zand, noch zee

Geen golf die koelt;

Geen aard’ omlaag,

Geen lucht omhoog;

Eén chaos ’t al

En nergens gras.

Saemunds Edda.

Rondtastend in het donker op zoek naar wat voedsel, bemerkte Ymir een reusachtige koe, Audhumla (de voedster), die door dezelfde kracht als hij zelf was geschapen en uit dezelfde grondstoffen. Toen hij zich naar haar toe spoedde, merkte Ymir met vreugde op dat uit haar uier vier groote stroomen melk vloeiden, die in ruime mate voedsel verstrekken zouden.

Aan al zijn behoeften was dus voldaan; maar de koe, rondziende naar voedsel op haar beurt, begon met haar ruwe tong het zout af te likken van een ijsblok in de buurt. Hiermee ging zij voort totdat het haar van een god verscheen en dan het gansche hoofd opdook uit zijn ijzig omhulsel, totdat langzamerhand Buri (de voortbrenger) vrij ten voeten uit te voorschijn stapte.

Terwijl de koe dus bezig was geweest, was Ymir in slaap gevallen, en terwijl hij sliep werden een zoon en dochter geboren uit de uitwaseming onder zijn oksel, en zijn voeten brachten den zeshoofdigen reus Thrudgelmir voort, die, kort na zijn geboorte, op zijn beurt het leven schonk aan den reus Bergelmir van wien al de booze vorstreuzen afstammen.

Men zegt van Hrim-thurs,

Dat uit z’n oksel voort

Een knaap, een meisje kwam,

Dien wijzen Jötun

Heeft voet met voet verwekt

Zeshoofdigen zoon.

Saemunds Edda.

Odin, Vili en Ve.

Inhoudsopgave

Toen deze reuzen het bestaan ontdekten van den god Buri en van zijn zoon Börr (geboren), dien hij onmiddellijk ter wereld had gebracht, begonnen zij krijg tegen hen te voeren, want daar de goden en reuzen vertegenwoordigden de tegengestelde machten van goed en kwaad, kon niet verwacht worden dat zij met elkander in vrede zouden leven. De strijd duurde blijkbaar eeuwen, terwijl geen van beide partijen een beslist voordeel behaalde, totdat Börr de reuzin Bestla huwde, dochter van Bolthorn (doorn des kwaads), die hem drie geweldige zonen baarde, Odin (geest), Vili (wil) en Ve (heilig). Deze drie zonen hielpen hun vader onmiddellijk in zijn strijd tegen de vijandige vorstreuzen, en slaagden er eindelijk in hun meest doodelijken vijand, den grooten Ymir, te verslaan. Toen hij levenloos te aarde zonk, gutste het bloed uit zijn wonden in zulke stroomen, dat het een grooten zondvloed teweeg bracht, waarin zijn geheele geslacht omkwam, behalve Bergelmir, die in een boot ontsnapte en met zijn vrouw naar de grenzen der wereld ging.

Gij deedt verdrinken Ymirs gansch geslacht,

Slechts niet Bergelmir, hij ontvlood te scheep

Uw zondvloed, uit hem ’t reuzenvolk ontsprong.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hier vestigde hij zich en noemde de plaats Jötun-heim (het huis der reuzen) en hier verwekte hij een nieuw ras van vorstreuzen die zijn antipathieën erfden, den strijd voortzetten en steeds bereid waren toe te snellen uit hun verlaten land en het gebied der goden te verwoesten.

De goden, in de Noorsche mythologie Aesir (pilaren en dragers van de wereld) genoemd, begonnen, toen zij zoo getriomfeerd hadden over hunne vijanden, en niet langer in voortdurenden strijd waren verwikkeld, rondom zich te zien met het voornemen den desolaten aanblik der dingen te verbeteren en een bewoonbare wereld te vormen. Na behoorlijk overleg rolden Börr’s zonen het groote lijk van Ymir in den gapenden afgrond, en begonnen de wereld te scheppen uit zijn verschillende samenstellende deelen.

De schepping van de aarde.

Inhoudsopgave

Uit het vleesch vormden zij Midgard (middentuin), zooals de aarde werd genoemd. Deze werd geplaatst precies in het centrum van de groote ruimte, en geheel in het rond omtuind met Ymirs wenkbrauwen als bolwerken of wallen. De vaste massa van Midgard werd omgeven met het bloed of zweet van den reus, dat den oceaan vormde, terwijl zijn beenderen de heuvelen uitmaakten, zijn vlakke tanden de klippen en zijn gekruld haar de boomen en allen plantengroei.

Zeer tevreden over den uitslag van hun eerste pogingen in zake de schepping, namen de goden nu den loggen schedel van den reus en hingen hem behendig als hemelgewelf boven aarde en zee; daarna verstrooiden zij zijn hersenen door de ruimte er onder en vormden er de bevallige wolken uit.

Uit Ymirs vleesch

Werd d’aard geschapen,

Uit zijn bloed de zee,

Uit zijn beend’ren de heuvels,

Uit zijn haar boom en plant,

Uit zijn schedel de hemelen,

En uit zijn brauwen

Schiepen de goden

Midgard, het menschenkind ter woon;

Maar uit zijn brein

Werden de wolken zwaar

Alle geschapen.

Noorsche Mythologie.

Ten einde het hemelgewelf te steunen, plaatsten de goden de sterke dwergen, Nordri, Sudri, Austri, Westri, op zijn vier hoeken, met het bevel het op hun schouders te houden, en aan hen ontleenden de vier punten van het kompas hun tegenwoordige namen: Noord, Zuid, Oost en West. Om aan de dus geschapen wereld licht te geven versierden de goden het hemelgewelf met vonken, afkomstig uit Muspells-heim, lichtpunten die gestadig schenen door het donker als schitterende sterren. De levendigste van deze vonken echter werden bewaard tot de vervaardiging van de zon en de maan, die in mooie gouden wagens werden gezet.

En uit het vlammenland, waar Muspel heerscht,

Zondt gij en haaldet vuur, en schiept gij ’t licht

Van zon en maan en star, gij hingt ze aan ’t zwerk.

Deelend de paden dus van nacht en dag.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen al deze toebereidselen gereed waren en de rossen Arvakr (de vroege ontwaker) en Alsvin (de snelle looper) gespannen waren voor de zonnekar, plaatsten de goden, bang dat de dieren zouden te lijden hebben als zij in de buurt van de brandende sfeer kwamen, onder hun schoudergewrichten groote vliezen, gevuld met lucht of met eene of andere verkoelende stof. Ook vormden zij het schild Svalin (de verkoeler), en plaatsten het voor den wagen om hen te behoeden voor de rechte stralen der zon, die anders hen en de aarde tot asch zouden hebben verbrand. Eveneens was de maanwagen voorzien van een snel ros, Alsvider (de al-sterke) geheeten; maar er was geen schild noodig om het te beschermen voor de milde stralen der maan.

Mani en Sol.

Inhoudsopgave

De wagens waren klaar, de paarden ingespannen en ongeduldig om hun dagelijksche ronde te beginnen, maar wie zou hen langs den rechten weg sturen? De goden keken om zich heen, en hun aandacht werd getrokken door de twee schoone spruiten van den reus Mundilfari. Hij was heel trotsch op zijn kinderen en had hen naar de pas geschapen bollen Mani (de maan) en Sol (de zon) genoemd. Sol, de Zonnemaagd, was de vrouw van Glaur (gloed) die blijkbaar een van Surtr’s zonen was.

De namen bleken gelukkig gekozen, toen aan broeder en zuster de besturing van de paarden hunner twee naamgenooten waren toevertrouwd. Nadat zij goeden raad hadden gekregen van de goden, werden zij naar de lucht gebracht, en vervulden dagelijks de hun opgelegde plichten en stuurden hun rossen langs de hemelpaden.

Weet dat Mundilfari genoemd

Vader wordt van maan en zon;

Eeuwen, eeuwen gaan voorbij

En zij duiden maand en dag.

Hávamál.

Vervolgens riepen de goden Nott (nacht), een dochter van Norvi, een van de reuzen, en vertrouwden haar de zorg over een donkere kar, getrokken door een zwart paard Hrim-faxi (vorst-maan), uit wiens golvende manen dauw en rijp op aarde vielen.

Hrim-faxi is het zwarte ros

Dat van ’t oosten brengt den nacht,

Zwaar van liefdevreugd die stroomt

Bijt hij op ’t beschuimd gebit,

Dan drupt weer de dauw en siert

Rondgestrooid der aarde land.

Vafthrudni’s-mal.

De godin van den nacht was driemaal getrouwd geweest, en bij haren eersten man Naglfari, had zij een zoon die Aud heette, bij haar tweeden, Annar, een dochter Jörd; en bij haar derden, den god Dellinger (dageraad) werd haar nu een andere zoon, van stralende schoonheid, geboren, en hij ontving den naam Dag.


De Wolven vervolgen Sol en Mani

J. C. Dollman.

Zoodra de goden dit prachtige wezen zagen, rustten zij ook voor hem een wagen uit, getrokken door het schitterende witte ros Skin-faxi (die blinkende manen heeft) en van zijn manen schenen felle lichtstralen van alle kanten, de wereld verlichtend en glans en vreugde brengend aan iedereen.

Voort van het oost, naar ’s hemels toppunt toe,

Dreef Dag zijn ros welks manen schitterden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De wolven Sköll en Hati.

Inhoudsopgave

Maar daar het kwaad het goede altijd op de hielen volgt, in de hoop het te vernietigen, stelden de oude bewoners van de Noordelijke landen zich voor, dat beiden, Zon en Maan, voortdurend vervolgd werden door de woeste wolven Sköll (verzet) en Hati (haat), wier eenig doel was de schitterende wezens vóór hen in te halen en op te eten, opdat de wereld weer in haar oorspronkelijke duisternis mocht worden gehuld.

Sköll heet de wolf

Die de godin, de prachtige,

Naar de zee toedrijft;

Een andere, Hati genoemd

Is Hrodvitnir’s zoon;

Hij zal voorgaan het hemelkind schoon.

Saemunds Edda.

Nu en dan vertelde men, haalden de wolven hun prooi in en trachtten ze op te eten, brachten zoo een verduistering van de stralende hemellichamen te weeg. Dan hief het verschrikte volk een zoo oorverdoovend rumoer aan, dat de wolven, door het getier verschrikt, ze direct loslieten. Dus bevrijd vervolgden Zon en Maan hun weg en ijlden sneller dan te voren, terwijl de hongerige monsters voortstormden in hun zog, snakkend naar den tijd wanneer hun pogingen zouden slagen en het einde der wereld zou komen. Want de noordelijke volken geloofden dat, daar hun goden ontsprongen waren aan een vereeniging van het goddelijke element (Börr) en het sterfelijke element (Bestla), zij eindig waren, en gedoemd onder te gaan met de wereld die zij hadden gewrocht.

Maar toen zelfs in dien vroegsten tijd

Was zwak geduid de dageraad

Van woesten strijd, van schok des doods,

Als alles endt in Ragnarok;

Als goed en kwaad, als niet en zijn

Beginnend nu, enden hun kamp.

Valhalla.

Mani werd ook vergezeld door Hiuki, de wassende, en Bil, de afnemende maan, twee kinderen die hij had weggerukt van de aarde, waar een wreed vader hen noopte iederen nacht water te dragen. Onze voorouders verbeeldden zich dat zij deze kinderen, de oorspronkelijke, “Jack en Jill” met hun emmer, in vage omtrekken op de maan zagen.

De goden stelden niet alleen Zon, Maan, Dag en Nacht aan om den voortgang van het jaar aan te geven, maar riepen ook Avond, Middernacht, Morgen, Voormiddag, Middag en Namiddag om hun plichten te deelen, terwijl zij Zomer en Winter tot de beheerschers der jaargetijden maakten. Zomer, een rechtstreeksche afstammeling van Svasud (de milde en lieflijke), erfde den vriendelijken aard van zijn vader, en werd door allen bemind behalve door Winter, zijn doodelijken vijand, den zoon van Vindsual, zelf weer een zoon van den onvriendelijken god, de verpersoonlijking van den ijskouden wind.

Vindsual is de naam van hem

Die heeft verwekt den wintergod;

Zomer was Suasuthers kind;

Beiden zullen gaan hun pad,

Tot der goden schemering.

Vafthrudni’s-mal.

De koude winden zweepten voortdurend neer van het noorden, en verstijfden de aarde, en de Noormannen verbeeldden zich dat deze in beweging waren gezet door den grooten reus Hraesvelgr (lijken-zwelger), die, gedost in arendsvederen, aan den meest noordelijken top van den hemel zat, en dat wanneer hij zijn armen of vleugelen ophief de koude stormen uitschoten en onbarmhartig zwiepten over het gelaat der aarde, alle dingen verwoestend met hun ijzigen ademtocht.

Hrae-svelger is de naam van hem

Die zit voorbij der hemelen end,

En spreidt zijn arendsvleug’len uit,

Zoodat de storm te voorschijn schiet.

Vafthrudni’s-mal.

Dwergen en elfen.

Inhoudsopgave

Terwijl de goden bezig waren met het scheppen van de aarde en voor hare verlichting zorgden, was er een gansche schare op wormen gelijkende schepselen uitgebroed in Ymirs vleesch. Deze zonderlinge wezens trokken nu de aandacht der goden. Zij riepen hen tot zich en gaven hun eerst gestalten en voorzagen hen met bovenmenschelijk verstand en verdeelden hen vervolgens in twee groote klassen. Die welke donker, verraderlijk en sluw van nature waren, werden verbannen naar Svart-alfa-heim, de woning der zwarte dwergen, gelegen onder den grond, van waar zij nooit naar buiten mochten komen over dag, op straffe dat zij in steen zouden worden veranderd. Zij werden Dwergen, Trolls, Gnomen of Kobolden genoemd en besteedden al hun tijd en kracht aan het doorvorschen van de geheime schuilhoeken der aarde. Zij verzamelden zilver, goud en kostbare steenen, die zij wegstopten in geheime spleten, waar zij ze, als zij wilden, konden uithalen. De overige dezer kleine schepselen, allen die goed, schoon en nuttig waren, noemden de goden Feeën en Elfen, en zij lieten hen wonen in het luchtgebied Alfheim (huis der lichtelfen), gelegen tusschen hemel en aarde, van waar zij konden neerzweven als zij wilden, om bij de planten en bloemen te zijn, te spelen met de vogels en vlinders, of te dansen in het zilverachtige maanlicht op het groen.

Odin die de leidende geest was geweest in al deze ondernemingen, gebood nu den goden, zijn afstammelingen, hem te volgen naar de breede vlakte, Idavold geheeten, ver boven de aarde, aan de andere zijde van den grooten stroom Ifing, welks wateren nimmer bevroren.

Ifings diep’ en donk’re vloed

Scheidt der aarde kind’ren nu

Van de plek, der goden woon;

Open ligt het water, dat

Nimmer ijskorst stremmen zal

Wijl het wiel der eeuwen vliegt.

Vafthrudni’s-mal.

In het midden van de heilige ruimte, die van het begin der wereld gereserveerd was tot hun eigen verblijf en Asgard (huis der goden) heette, kwamen al de twaalf Aesir (goden) en vier-en-twintig Asynjur (godinnen) samen op Odins bevel. Toen werd een groote bijeenkomst gehouden, waarop werd vastgesteld dat geen bloed binnen de perken van hun gebied of vredeplaats zou vergoten worden, maar dat er harmonie zou heerschen voor altijd. Als een verdere uitkomst der bespreking richtten de goden een smidse op waar zij al hun wapenen maakten en de gereedschappen, noodig tot het bouwen van de prachtige paleizen van kostbare metalen waarin zij lange jaren woonden in zulk een gelukkigen toestand dat deze periode de Gouden Eeuw is genoemd.

De schepping van den mensch.

Inhoudsopgave

Ofschoon de goden van den beginne Midgard, of Mana-heim hadden aangewezen tot woning van den mensch, waren er eerst geen menschelijke schepsels om er in te wonen. Op zekeren dag trokken Odin, Vili en Ve, volgens sommigen, of Odin, Hoenir (de schitterende) en Lodur of Loki (vuur) er samen op uit en wandelden langs de zeekust toen zij vonden òf twee boomen, den esch, Ask, en den olm Embla, òf twee blokken hout, gehouwen in de ruwe gelijkenis van de menschelijke gestalte. De goden staarden eerst op het levenlooze hout in stille verbazing; toen, merkende wat er van gemaakt kon worden, gaf Odin dezen blokken zielen, Hoenir verschafte beweging en zintuigen, en Lodur verleende bloed en bloeiende kleur.

Zoo begiftigd met taal en gedachte en met het vermogen om lief te hebben en te hopen en te werken, en met leven en dood, mochten de pas geschapen man en vrouw Midgard beheerschen zooals zij wilden. Zij bevolkten het gaandeweg met hunne nakomelingen terwijl de goden, zich herinnerend dat zij hen in het leven hadden geroepen, een bijzonder belang stelden in al wat zij deden, over hen waakten en hun dikwijls hulp en bescherming verleenden.

De boom Yggdrasil.

Inhoudsopgave

Alvader schiep vervolgens een forschen esch, Yggdrasil, den boom van het heelal, van den tijd of van het leven, die de heele wereld vulde, daar hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard, bij Mimirs bron (den oceaan), en in Asgard, bij de Urdas-fontein.

Door zijn drie groote wortels verkreeg de boom een zoo wonderbare hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal overschaduwde, terwijl de andere wijd zich uitspreidende twijgen over de andere werelden staken. Een adelaar zat vastgeroest op den tak Lerad, en tusschen zijn oogen de valk Vedfolnir, die zijn doordringende blikken in den hemel zond en op de aarde en naar Niflheim, en vertelde al wat hij zag.

Daar de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit verdorden, diende hij als weide, niet enkel voor Odins geit Heidrun, die de hemelsche mee, den drank der goden, verstrekte, maar ook voor de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van welker hoornen honigdauw op aarde druppelde en dat water voor alle rivieren in de wereld verstrekt.

In den ziedenden ketel Hvergelmir, dicht bij den grooten boom, knaagde een verschrikkelijke draak, Nidhug, voortdurend aan de wortels, en werd in zijn vernielingswerk bijgestaan door tallooze wormen, welker doel was den boom te dooden, daar zij wisten dat zijn dood het teeken zou zijn van der goden val.

En altijd roofziek werkt een macht baldadig,

De wreede Nidhung uit des wereld diep,

Hij haat het asa-licht welks glans weldadig

Op heldenhoofd en zwaard zijn weerschijn schiep.

Viking-verhalen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Onophoudelijk de takken en den stam van den boom op en afvliegend, sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder), de typische woelwater en babbelaar, zijn tijd met aan den draak beneden de opmerkingen van den adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tusschen hen te verwekken.

De brug Bifröst.

Inhoudsopgave

Het lag, natuurlijk, in de rede, dat de boom Yggdrasil in volkomen staat werd gehouden, en dit was de plicht der Nornen of Schikgodinnen, die hem elken dag besprenkelden met de heilige wateren van de Urdar-fontein. Als dit water naar de aarde druppelde door de takken en de bladeren, voorzag het de bijen van honig.

Aan weerskanten van Niflheim, hoog zich verheffend boven Midgard, rees de heilige brug Bifröst (Asabru, de regenboog) op, gebouwd uit vuur, water, en lucht, welker beweeglijke en wisselende tinten zij behield, en waarover de goden heen en weer naar de aarde trokken of naar de Urdar-bron, aan den voet van den esch Yggdrasil, waar zij dagelijks vergaderden.

“De goden stonden op

Namen hun paarden, vingen aan hun rit

Over de Bifröst, brug die Heimdall hoedt,

Naar Yggdrasil, den esch, naar ’t Idavold,

Thor kwam te voet, maar heel de rest te paard.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Van al de goden ging alleen Thor, de dondergod, nooit over de brug, uit vrees dat zijn zware tred of de hitte van zijn bliksem ze zou vernielen. De god Heimdall hield er dag en nacht de wacht. Hij was gewapend met een scherp zwaard, en droeg een trompet, Giallar-hoorn genaamd, waarop hij gewoonlijk een zachten toon blies om de komst of het vertrek der goden aan te geven, maar waarop hevig zou geblazen worden als Ragnarok zou komen, en de vorstreuzen en Surtr samenspanden om de wereld te verwoesten.

Surtr van het zuiden komt

Met flikk’rende vlam;

Blinkt van zijn zwaard

Niet Val-gods zon?

De rotsen worden saam gesloopt.

De reuzenbergen wank’len;

De menschen gaan het pad der hel,

De hemel is gespleten.

Saemunds Edda.

De Vana’s.

Inhoudsopgave

Ofschoon nu de oorspronkelijke bewoners van den hemel de Aesir waren, waren zij niet de eenige godheden van de noordelijke rassen, die ook de macht erkenden van de zee- en windgoden, de Vana’s, wonend in Vana-heim en regeerend naar hun willekeur. In vervlogen tijden, eer de gouden paleizen in Asgard gebouwd waren, ontstond een twist tusschen de Aesir en Vana’s, en zij grepen naar de wapenen, terwijl zij rotsen, bergen en ijsschotsen gebruikten als werptuigen in het gevecht. Maar toen zij weldra ontdekten dat in eenheid hun kracht lag, legden zij hunne geschillen bij en sloten vrede, en om het verbond te bekrachtigen wisselden zij gijzelaars uit.

Zoo gebeurde het dat de Van, Niörd, kwam wonen in Asgard, met zijn twee kinderen, Frey en Freya, terwijl de Asa, Hoenir, Odins eigen broeder, zijn tenten opsloeg in Vana-heim.

Hoofdstuk II: Odin.

Inhoudsopgave

Odin vader van goden en menschen.

Inhoudsopgave

Odin, Wuotan, of Wodan, was de hoogste en heiligste god van de noordelijke rassen. Hij was de alles doordringende geest van het heelal, de verpersoonlijking van de lucht, de god van universeele wijsheid en overwinning, en de leider en beschermer van vorsten en helden. Daar men veronderstelde dat al de goden van hem afstamden, had hij den bijnaam Alvader, en als oudste en opperste onder hen bezette hij den hoogsten zetel in Asgard. Bekend onder den naam Hlidskialf, was deze stoel niet enkel een verheven troon, maar ook een geweldige wachttoren, van waar hij de heele wereld kon overzien en met een enkelen blik in oogenschouw nemen alles wat er gebeurde onder goden, reuzen, elfen, dwergen en menschen.

En uit de hal des hemels toog hij weg

Naar Lidskialf, en zat er op zijn troon,

Den berg, van waar zijn oog de wereld ziet.

En uit den hemel sloeg hij lichten blik

En zag naar Midgard, d’ aard’ en ’t menschenvolk.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Odins persoonlijke verschijning.

Inhoudsopgave

Niemand dan Odin en zijn vrouw en koningin Frigga mochten dezen zetel gebruiken, en als zij er op zaten keken zij meestal naar het Zuiden en het Westen, het wit van alle verwachtingen en tochten der noordelijke volken. Odin werd meestal voorgesteld als een groot, sterk man, ongeveer vijftig jaar oud, hetzij met donker krullend haar of met een langen grijzen baard en kaal hoofd. Hij was gekleed in een grijs gewaad, met een blauwe kap, en zijn gespierd lichaam was gehuld in een wijden blauwen mantel met grijze spikkels—een beeld van de lucht met haar wollige wolken. In zijn hand had Odin doorgaans de speer Gungnir die altijd trof en die zoo heilig was dat een eed, bij haar punt gezworen, nooit kon gebroken worden, en aan zijn vinger of arm droeg hij den wonderbaren ring, Draupnir, het zinnebeeld van vruchtbaarheid, boven vergelijking waardevol. Als hij op zijn troon zat of tot het gevecht was gewapend—want dikwijls daalde hij naar de aarde af om daaraan deel te nemen—dan droeg Odin zijn adelaarshelm; maar als hij vreedzaam over de aarde ging in menschelijke gestalte om te zien wat men uitvoerde, dan droeg hij doorgaans een breedgeranden hoed, laag over zijn voorhoofd getrokken, ten einde het feit te verbergen dat hij maar één oog had.


Odin

Sir E. Burne-Jones.

Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) zaten op zijn schouders als hij op zijn troon zetelde, en deze zond hij elken morgen de wijde wereld in, met spanning wachtend op hun terugkeer tegen den avond, wanneer zij hem in het oor fluisterden alles wat zij gezien hadden en gehoord. Zoo werd hij goed op de hoogte gehouden van alles wat op aarde gebeurde.

Hugin en Munin

Vliegen elken dag

Over de wijde wereld.

Ik vrees voor Hugin

Dat hij niet weerkomt,

Maar nog meer in angst ben ik voor Munin.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Aan zijn voeten hurkten twee wolven of jachthonden, Geri en Freki, dieren die daarom als heilig beschouwd werden en als goede voorteekenen wanneer men hen op weg tegenkwam. Odin voederde deze wolven altijd met eigen hand en met vleesch dat voor hen was neergezet. Hij wilde zelf geen voedsel en proefde zelden van iets behalve van de heilige mee.

Geri en Freki

De krijger voedt,

Der benden machtige heer;

Maar van wijn enkel

Bestaat de sterke

Odin, hoogberoemd.

Lied van Grimnir.

Als hij in staatsie op zijn troon zat, deed Odin zijn voeten rusten op een voetbank van goud, het werk der goden wier meubelen en werktuigen alle gemaakt waren òf van dat kostbare metaal òf van zilver.

Behalve de prachtige hal Gladsheim, waar de twaalf zetels stonden waarop de goden zaten wanneer zij vergaderden, en Valaskialf, waar zijn troon, Hlidskialf, was geplaatst, had Odin een derde paleis in Asgard, gelegen in het midden van het wondervolle bosch Glasir, welks glanzende bladeren waren van rood goud.

Valhalla.

Inhoudsopgave

Dit paleis, Valhalla geheeten (de hal der uitgelezen verslagenen) had vijfhonderd veertig deuren, breed genoeg om achthonderd krijgslieden naast elkander door te laten, en boven den hoofdingang waren een zwijnskop en een adelaar welks scherpe blik doordrong tot de verste hoeken van de wereld. De muren van dit wondervolle gebouw waren gemaakt van schitterende speren, zoo sterk gepolijst dat zij de hal verlichtten. Het dak was van gouden schilden, en de banken waren versierd met schoone rustingen, de geschenken van den god aan zijn gasten. Hier boden lange tafels ruimschoots gerief aan de Einheriar, soldaten gevallen in den slag, die in het bijzonder door Odin begunstigd werden.

Gemakkelijk wordt herkend,

Door hen die tot Odin gaan,

Het verblijf als men het ziet,

Zijn dak met speren belegd,

Zijn hal met schilden bedekt,

Met wapenen elke bank versierd.

Grimnirs Lied.

De oudste Noorsche natiën, die den oorlog voor het meest eervolle bedrijf hielden, en moed als de grootste deugd beschouwden, vereerden Odin vooral als god van strijd en zegepraal. Zij geloofden dat, zoo dikwijls er een gevecht op handen was, hij zijn bijzondere dienaressen, de schild-, strijd- of wenschmaagden, Valkyren (kiezers der gesneuvelden) geheeten, uitzond, die uit de doode krijgers het halve aantal kozen en ze droegen op haar snelle rossen over de sidderende regenboogbrug, Bifröst, in het Valhalla. Welkom geheeten door Odins zonen, Hermod en Bragi, werden de helden geleid naar den voet van Odins troon, waar zij den prijs ontvingen die hun moed toekwam. Als een of andere uitverkorene van den god dus in Asgard werd gebracht, stond Valvader (vader der gesneuvelden) zooals Odin heette wanneer hij het voorzitterschap bekleedde over de krijgers, soms van zijn troon op en heette hem in persoon welkom aan de groote ingangspoort.

Het feest van de helden.

Inhoudsopgave

Behalve den roem van zulk een onderscheiding en het genot van Odins geliefde tegenwoordigheid dag op dag, wachtten nog andere stoffelijke genietingen de krijgers in het Valhalla. Een onbekrompen onthaal werd hun bereid aan lange tafels, waar de schoone maagden met hare blanke armen, de Valkyren, hen met nauwgezetten ijver dienden, nadat zij hare wapenrusting hadden afgelegd en zij zich in zuivere, witte kleederen hadden gedoscht. Deze maagden, negen in getal, volgens sommige bronnen, brachten den helden groote horens met heerlijke mêe gevuld, en zetten hun enorme porties wild-zwijnenvleesch voor, waarvan zij lekker smulden. De gewone Noorsche drank was bier of ale, maar onze voorvaderen vonden dit drinken te gemeen voor de hemelsche sfeer. Zij verbeeldden zich dus dat Valvader zijn tafel ruim voorzien had van mee of honigwijn die dagelijks in groote hoeveelheid door zijn geit Heidrun werd geleverd. Deze geit graasde voortdurend de teere bladeren en twijgen op Lerad, den hoogsten top van den Yggdrasil.

Veel strijd, gevaarvol vechten was hun leus;

Ontijdig en met purpren wonden vol,

Was harde dood hun keus; hij bracht hun aan

Een recht op feest en drinken dat nooit eindt

In Odins hal, welks ruim weerklinken deed

’t Vroolijk rumoer der schimmen, eens geveld

In woest gevecht of door gedurfden slag.

Vrijheid (James Thomson).

De spijs die de Einheriar aten was het vleesch van het goddelijke everzwijn Saehrimnir, een wonderbaar dier, dat dagelijks geslacht werd door den kok Andhrimnir, en gekookt in den grooten ketel Eldhrimnir; maar ofschoon de gasten van Odin echten noorschen eetlust hadden en tot verzadigings toe aten, was er altijd vleesch genoeg voor allen.

Andhrimnir kookt

In Eldhrimnir

Saehrimnir;

’t Is ’t beste vleesch;

Geen schier kent

Der Einherjen spijs.

Grimnirs lied.

Bovendien was de voorraad onuitputtelijk, want het wilde zwijn kwam altijd weer in het leven terug vóór het uur van den volgenden maaltijd. De wonderbare vernieuwing van voorraad in de provisiekamer was niet de eenige miraculeuse gebeurtenis in Valhalla, want men zegt dat de krijgers na tot verzadigd wordens toe gegeten en gedronken te hebben, altijd naar hun wapenen vroegen, zich uitrustten en naar het groote hofplein reden, waar zij tegen elkander vochten en de wapenfeiten herhaalden, waardoor zij beroemd waren geworden op aarde, en dat zij elkander roekeloos vreeslijke wonden toebrachten, die echter op wonderdadige wijze totaal waren genezen zoodra de etenshoren klonk.

Odins uitverkoren gasten

Spelen daag’lijks ’t oorlogsspel;

Van het feestlijk kampgebied

Rijden zij in glinstrend staal;

En vroolijk, aan der goden disch,

Zwelgt men den kroes met fonklend bier,

En eet Saehrimni’s roemrijk vleesch.

Vafthrudni’s-mal.

Ongedeerd en gelukkig als de horen klonk, en zonder elkander wrok toe te dragen om de harde stooten die men had gegeven of ontvangen, reden de Einheriar opgewekt naar Valhalla terug om in Odins lieflijk bijzijn hun feesten weer te beginnen, terwijl de Valkyren met hare witte armen en wuivend haar bevallig rondzweefden en telkens weer haar horens of haar geliefkoosde drinkschalen, de schedels harer vijanden, vulden, terwijl de skalden zongen van oorlog en van ontroerende Vikingtochten.

Zij krijgen stoot en houw den ganschen dag

Bij stof en kreet en bloed en lid, verminkt;

Maar keeren ’s avonds weer naar Odins hal

Gezond en frisch; zoo is hun hemelsch lot.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Terwijl zij dus vochten en feestvierden brachten de helden hun dagen in volkomen geluk door, terwijl Odin genoegen had in hun kracht en aantal, dat echter, dit voorzag hij, zijn val niet zou kunnen voorkomen als de dag van het laatste gevecht aanbreken zou.


Een Vikingtocht

J. C. Dollman.

Daar zulke genietingen de hoogste waren die de verbeelding van een noordelijken krijger kon schilderen, was het zeer natuurlijk dat alle krijgslieden Odin moesten liefhebben en vroeg in hun leven zich moesten wijden aan zijn dienst. Zij beloofden dat zij, zoo mogelijk, zouden sterven met de wapenen in de hand, en verwondden zelfs met hun eigen speren zich zelven als de dood naderde, wanneer zij ongelukkig genoeg waren geweest den dood op het oorlogsveld te ontgaan en bedreigd werden met “een strooien dood”, zooals zij overlijden aan ouderdom of ziekte noemden.

Aan Odin trouw verpand

Kerft hij zich runen,

Dood-runen heel diep op zijn arm en zijn borst.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Tot loon voor deze toewijding waakte Odin met bijzondere zorg over zijn gunstelingen, gaf hun geschenken, een tooverzwaard, een speer of een paard en maakte hen onoverwinnelijk totdat hun laatste uur gekomen was, als hij zelf verscheen om op te eischen of te vernietigen de giften die hij had geschonken, en de Valkyren de helden naar Valhalla droegen.

Hij gaf aan Hermod

Een helm en pantser,

Van hem ontving ook

Siegmund een zwaard.

Hyndla-lied.

Sleipnir.

Inhoudsopgave

Als Odin een werkzaam aandeel had in den oorlog, bereed hij meestal zijn acht-pootig grijs paard, Sleipnir, en droeg een wit schild. Zijn schitterende speer over de hoofden der strijdenden geslingerd, was het teeken dat het gevecht zou beginnen, en hij stormde dan in het midden van de gelederen en schreeuwde zijn oorlogskreet: “Odin heeft U allen”.

En Odin doste

Zich uit met rusting blinkend, helm van goud,

En voerde Sleipnir voort.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Soms gebruikte hij zijn tooverboog waarvan hij tien pijlen tegelijk kon schieten, en elk velde zonder missen een vijand neer. Ook veronderstelde men dat Odin zijn begunstigden krijgers de beroemde Berserkerwoede (Berserker-naakthemd) ingaf, die hen in staat stelde, ofschoon naakt, zonder wapenen en geheel omsingeld, ongehoorde daden van moed en kracht te verrichten, en als door tooverkracht te ontwijken.

Evenals Odins eigenschappen, gelijk de allesdoordringende elementen, veelvuldig waren, zoo ook zijn namen; hij had er niet minder dan tweehonderd, die bijna alle een vorm van zijn werken aanduidden. Men beschouwde hem als den ouden god van de zeelui en van den wind.

“Machtig’ Odin,

Noren smeeken: U zij d’ eer!

Stuur ons schip, o sterke Wodan,

Veilig over d’ Oostzee weer”.

Vail.

De wilde jacht.

Inhoudsopgave

Odin, in zijn hoedanigheid van windgod, werd afgebeeld als midden door de lucht ijlend op zijn achtpootig paard, waarvan het oudste Noorsche raadsel afkomstig is, dat aldus luidt: “Wie rijden er samen naar het gevecht? Zij hebben drie oogen, tien voeten, één staart: en zwerven zoo de landen door”. En daar men meende dat de zielen van de dooden werden weggedreven op de vleugelen van den storm, werd Odin vereerd als de leider van alle zielen die het lichaam hadden verloren. In deze rol was hij het meest algemeen bekend als de Wilde Jager, en als de menschen het geruisch en gebulder van den wind hoorden, schreeuwden zij luid in bijgeloovige vrees en verbeeldden zich dat zij hem zagen voorbij rijden met zijn stoet, allen gezeten op snuivende paarden, en vergezeld van blaffende honden. En men beschouwde het voorbijgaan van de Wilde Jacht, bekend als Wodan’s Jacht, de Razende Menigte, Gabriels Honden of Asgardreia, ook als een voorteeken van onheil als b.v. oorlog of pest.

De Rijn vloeit klaar, maar een dof gebrom

Van kamp hoort straks zijn bed,

En van speren galmt het land rondom

En er schreeuwt ginds een trompet,

En de dapp’re ligt in zijn bloed, geveld,

Want de Wilde Jager is langs gesneld.

De Wilde Jager (Mevr. Hemans).

Verder dacht men dat wanneer iemand zoo oneerbiedig was dat hij in scherts mee deed aan het wild hallo, hij direct zou worden gegrepen en met de verdwijnende schare meegevoerd, terwijl diegenen die aan het hallo deelnamen met onvoorwaardelijk goed geloof, beloond zouden worden met het plotselinge geschenk van een paardepoot, van boven hun toegeworpen, en dat deze, als zij hem zorgvuldig bewaarden tot den volgenden morgen, veranderd zou worden in een klomp goud.

Zelfs na de invoering van het Christendom was het onontwikkelde Noorsche volk nog bang voor den opkomenden storm en beweerde dat het de Wilde Jacht was die voortjoeg door de lucht.

“Hem schrikt gerucht,

Want boven hem is Gabriels hondenstoet,

Die met hun slechten heer steeds jagen moet

Het vliedend hert in hooge streek der lucht”.

Sonnet (Wordsworth).

Soms liet zij een kleinen zwarten hond achter, die hinkend en jankend op een nabijzijnden haard, een heel jaar lang bewaard en zorgvuldig opgepast moest worden, indien hij niet kon worden uitgedreven of weggeschrikt. Het gewone voorschrift was, precies als voor de onttoovering van vondelingen, bier te brouwen in eierschalen, en men meende dat dit bedrijf den spookhond zulk een schrik zou aanjagen, dat hij zou wegvluchten met zijn staart tusschen de beenen, uitroepend, dat, ofschoon zoo oud als het Bohemer bosch, hij nooit eerder zoo iets doms gezien had.

Ik ben oud

Als ’t Bohemer woud,

En heb van mijn leven

Zulk gebrouw niet gezien.

Oud gezegde.

Het voorwerp van deze schimmenjacht was zeer afwisselend, en was òf een denkbeeldig wild zwijn òf wild paard, meisjes met blanke borsten die gevangen werden en weggevoerd slechts eens in de zeven jaren, of de boschnimfen, mosmeisjes genoemd, van wie men dacht dat zij de herfstbladen voorstelden, van de boomen afgescheurd en weggewaaid door den winterstorm.

In de middeleeuwen, toen het geloof in de oude heidensche godheden ten deele vergeten was, was de aanvoerder van de Wilde Jacht niet langer Odin, maar Karel de Groote, Frederik Barbarossa, koning Arthur, of deze of gene Sabbatschender, zooals de Heer van Rodenstein of Hans von Hackelberg, die, tot straf voor zijn zonden, veroordeeld was voor goed te jagen door de lucht.

Men meende, dat, daar de winden het hevigst bliezen in herfst en winter, Odin het liefst in dat seizoen op jacht ging, vooral in den tijd tusschen Kerstmis en Driekoningen, en de boeren zorgden er altijd voor de laatste schoof of maat graan op de velden achter te laten als voedsel voor zijn ros.

Deze jacht was natuurlijk onder verschillende namen bekend in de onderscheiden landen van Noordelijk Europa; maar daar de verhalen, er van verteld, overal gelijk zijn, hadden zij blijkbaar hun oorsprong in hetzelfde oude heidensche geloof, en tot dezen dag denken onontwikkelde menschen met een noorsche fantasie, dat het gehuil van een hond in een stormachtigen nacht een onbedriegelijk voorteeken is van dood.

En ijlen zal de sombre jacht

Tot tijd volend is in zijn duur,

Des daags in holle aardeschacht,

Komt zij er uit in ’t nachtlijk uur,

Dit zijn de horen, hond en paard

Die ’s avonds soms verneemt de boer,

Dan slaat hij ’t kruis, door vrees vervaard,

Als hij bemerkt het wild rumoer.

De wakk’re priester treurt dan stil

Om ’s menschen trots en ’s menschen wee,

Als bij zijn nachtmis dringt een gil,

De helsche roep van “holla hé”.

Sir Walter Scott.

De Wilde Jacht, of de Razende Schaar van Duitschland, heette in Engeland Herlathing, naar den mythischen koning Herla, den vermeenden aanvoerder; in noordelijk Frankrijk droeg zij den naam van Mesnée d’Hellequin, naar Hell, de godin van den dood; en in de middeleeuwen was zij bekend als Cains Jacht of Herodes’ Jacht. Deze laatste namen kreeg zij, omdat men geloofde dat de aanvoerders geen rust konden vinden wegens de schandelijke moorden op Abel, op Johannes den Dooper en op de Heilige Onschuldigen.

In midden-Frankrijk heet de Wilde Jager, dien wij in andere landen al hebben leeren kennen als Odin, Karel den Groote, Barbarossa, Rodenstein, von Hackelberg, Koning Arthur, Hel, een van de Zweedsche koningen, Gabriel, Cain of Herodes, ook wel de Groote Jager van Fontainebleau (le Grand Veneur de Fontainebleau), en men beweert dat men den avond van den moord op Hendrik IV en ook precies voor het uitbreken van de groote Fransche Omwenteling, zijn geschreeuw duidelijk kon hooren toen hij ijlde door de lucht.

Algemeen geloofde men onder de Noorsche volken dat de ziel ontsnapte uit het lichaam in de gedaante van een muis, die uit den mond van een lijk kroop en wegliep, en die ook zou kruipen in en uit de monden van menschen die in somnambule-toestand verkeerden. Terwijl de ziel afwezig was, kon geen poging of middel den patiënt tot het leven terugroepen; maar zoodra zij weerom was, kwam de bezieldheid terug.

De Rattenvanger.

Inhoudsopgave

Daar Odin de aanvoerder was van al de schimmen, werd hij in de middeleeuwen vereenzelvigd met den Rattenvanger van Hamelin. Volgens middeleeuwsche legenden werd Hamelin zoo door ratten gekweld dat het leven ondragelijk werd, en een groote belooning werd aangeboden aan dengene, die de stad van deze knagers bevrijden zou. Een fluitspeler, in veelkleurige kleederen, wilde het werk op zich nemen, en toen men de voorwaarden had vastgesteld, begon hij door de straten te spelen zóó, dat al de ratten uit haar gaten werden gelokt totdat zij een aaneengesloten stoet vormden. Er was iets in de melodie dat haar dwong mee te gaan, totdat eindelijk de rivier de Weser bereikt was en allen in haar wateren verdronken.

En eer de fluit drie tonen deed gaan

Scheen ’t of een leger kwam murmelend aan;

En het murmelen werd tot een dof gerommel,

En het rommelen werd tot een luider brommen,

En uit ieder huis kwamen ratten in drommen.

Groote, kleine, lenige, vleezige,

Bruine en zwarte, dikke en pezige,

Grijze, halfgele, deftige, vlugge,

Vaders, moeders, oomes en neven,

Snorren gepunt, staarten boven de ruggen,

Familiën in massa, hoe groot is om ’t even,

Broeder en zuster, heer en mevrouw,

Volgden den vreemden Pijper getrouw,

Van straat tot straat blies hij doordringend,

En stap voor stap volgden zij springend,

Tot zij kwamen aan de rivier de Weser,

Waar allen in vielen en verdronken.

Robert Browning.

Toen de ratten allen dood waren en er geen kans was dat zij zouden terugkeeren om hen te plagen, weigerden de menschen van Hamelin de belooning te betalen, en zij zeiden dat de fluitspeler maar zien moest wat hij kon. Hij hield hen bij hun woord, en eenige oogenblikken later klonken de vreemde melodieën van de tooverfluit opnieuw, en dezen keer waren het de kinderen die in troepen uit de huizen kwamen en vroolijk den fluitspeler volgden.

Toen kon men ontwaren de woelige maren

Van vroolijke scharen in hevig misbaren,

Van voetjes die trappen en klompjes die stappen,

Van handjes die klappen en mondjes die snappen,

En als vogels op zaad, dat de hong’rigen happen,

Renden aan al de kinderen, meisjes en knapen,

Met wangetjes rood en goud haar om de slapen,

En tanden en oogjes tot schitt’ren geschapen,

Tripp’lend en hipp’lend in vroolijken stoet,

Den wonderen speelman gevolgd op den voet,

Robert Browning.

De burgers waren niet bij machte het treurspel te voorkomen, en toen zij als door tooverkracht verlamd stonden, voerde de speelman de kinderen uit de stad naar den Koppelberg, een heuvel aan de grenzen van de stad, die miraculeus openging om den stoet te ontvangen en zich niet eerder weer sloot dan toen het laatste kind buiten het gezicht was. Deze legende deed blijkbaar de zegswijze ontstaan “den speelman betalen”. Sedert heeft men in Hamelin de kinderen nooit teruggezien, en tot herinnering aan dit algemeene onheil zijn sedert alle officieele besluiten gedateerd zoovele jaren na het bezoek van den Rattenvanger.

Zij maakten een wet dat juristen nimmer

Moesten meenen hun stukken goed gesteld,

Als na den dag van de maand en het jaar

Niet stond te lezen, duid’lijk en klaar;

“En zoo lang na dat wat gebeurd is daar,

Op twee en twintig Juli, net geteld,

Van dertien honderd en zes en zeventig”;

Om het feit te houden voortdurend levendig,

En de plek, waar de kinderen het laatst men zag,

Noemden zij de Rattenvangerstraat sinds dien dag,

En als iemand er voortaan blies op een fluit

Ging hij ongetwijfeld zijn baantje uit.

Robert Browning.

In deze mythe is Odin de speelman, de schrille tonen van de fluit zijn zinnebeelden van den fluitenden wind, de ratten vertegenwoordigen de zielen van de dooden, die hem vroolijk volgen, en de holle berg waarin hij de kinderen voert, verbeeldt het graf.

Bisschop Hatto.

Inhoudsopgave

Een andere Germaansche legende, die harer oorsprong dankt aan dit geloof, is het verhaal van Bisschop Hatto, den ongelukkigen prelaat, die, geërgerd door het gezucht der armen tijdens een hongersnood, hen allen levend verbrand had in een verlaten schuur, evenals de ratten, waarop zij, volgens zijn zeggen geleken en hun niets had willen meedeelen van het kostelijke graan dat hij voor zich zelf had vergaard.

“O Zie, ’t is een heerlijk vreugdevuur” zei

De bisschop, “het land heeft verplichting aan mij,

Want ik heb het gered, in dagen van nood,

Van ratten die enkel verteren het brood.”

Robert Southey.

Kort nadat deze verschrikkelijke misdaad was bedreven, berichtten de hoorigen van den bisschop de komst van een groote menigte ratten. Deze waren, naar het schijnt, de zielen van de vermoorde boeren, die de gedaante van de ratten hadden aangenomen, waarmede de bisschop hen vergeleken had. Zijn pogingen tot ontvluchten waren vergeefsch, en de ratten vervolgden hem zelfs tot midden in den Rijn, naar een steenen toren waarin hij trachtte te ontkomen aan hun tanden. Zij zwommen naar den toren, knaagden zich een weg door de steenen muren, stortten zich er van alle kanten tegelijk binnen, vonden den bisschop en verslonden hem levend.

En in door de vensters en in door de poort,

En dwars door den vloer gaat het stormende voort,

En af van den zolder, geen muur die ze stoort,

Van rechts en van links, van zuid en van noord,

Van binnen en buiten, van hier en van daar,

Dringt af op de bisschop de ijlende schaar,

Gewet zijn hun tanden vooraf aan het steen,

Zij bijten den kerkvorst tot diep op het been,

Zij rukten zijn vleesch van het lichaam hem af,

Want dit was hun taak: hem te brengen zijn straf.

Robert Southey.

Men meent dat de roode gloed van den zonsondergang, boven den muizentoren bij Bingen aan den Rijn de spiegeling is van het helsche vuur waarin de slechte bisschop langzaam wordt geroosterd als straf voor zijn gruwelijke misdaad.


De Rattenvanger van Hameln

H. Kaulbach.

Irmin.

Inhoudsopgave

In sommige streken van Duitschland hield men Odin voor denzelfden als den Saksischen god Irmin, wiens beeld, de Irminzuil, bij Paderborn, door Karel den Groote in 772 werd vernield. Men vertelde dat Irmin een grooten koperen wagen had waarop hij door de lucht reed langs het pad dat wij kennen als den Melkweg, maar dat de oude Germanen aanduidden als Irmins weg. De wagen, welks geratel soms voor menschenooren verneembaar was als donder, verliet nooit de lucht, waar men hem nog kan zien in het sterrenbeeld van den Grooten Beer, in het Noorden ook bekend als Odins of Karels wagen.

“De Wagen, die rijdt door de hemel

Immer zijn cirk’lenden weg, en blijft in de buurt van Orion,

Eenige ster aan de lucht die nooit zich baadt in de golven.

Homerus Ilias.

Mimirs bron.

Inhoudsopgave

Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, “de fontein van alle wetenschap en wijsheid”, in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven.

De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;

Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.

Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;

Hij gaf ’t aan Mimir, in zijn bron, te pand,

Dat hij er hale water, ’t welk geneest,

Dit oog tot sterking, ied’ren nieuwen dag.

Oehlenschläger.

Toen Odin diep dronk uit Mimirs bron, verkreeg hij de kennis, die hij verlangde, en hij beklaagde zich nooit over het offer dat hij had gebracht, maar tot verdere herinnering aan dien dag brak hij een tak van den heiligen boom Yggdrasil, die de bron overschaduwde, en vormde er van zijn geliefde speer Gungnir.

Een moedig god

Ging om een teug naar de bron,

Waar hij liet in ruiling

Gaarne het licht van een oog.

Van d’ Yggdrasil

Rukt’ eer hij ging Wotan een tak

En hij spleet het hout

Met heftige kracht van den stam.

Godenschemering, Wagner.

Maar ofschoon Odin nu alwijs was, was hij bedroefd en gedrukt, want hij had een blik gekregen in de toekomst en had de vergankelijke natuur van alle dingen bemerkt, en zelfs het lot der goden, die allen tot ondergang waren gedoemd. Deze wetenschap deed hem zóó aan, dat hij naderhand er steeds melancholiek en peinzend uitzag.

Om de waarde van de wijsheid, die hij dus had gekregen, te beproeven, ging Odin den geleerdste van al de reuzen, Vafthrudnir, bezoeken, en begon met hem een spiegelgevecht in scherpzinnigheid, waarbij de inzet niet minder was dan het hoofd van den verliezer.

Odin spoedde zich en ging

Tot een kamp in wetenschap

Met den Jute, wijs en sterk;

Naar Vafthrudnirs hooge hal

Kwam de groote runenvorst.

Vafthrudnirs-mal.

Odin en Vafthrudnir.

Inhoudsopgave

Bij deze gelegenheid had Odin zich vermomd als een zwerver, op raad van Frigga, en toen hem zijn naam werd gevraagd, zij hij dat die naam Gangrad was. De strijd begon onmiddellijk, want Vafthrudnir vroeg zijn gast naar de paarden die Dag en Nacht door de lucht trokken, naar de rivier Ifing die Jötun-heim van Asgard scheidde, en ook naar Vigrid, het veld waar het laatste gevecht moest worden geleverd.

Al deze vragen werden nauwkeurig beantwoord door Odin, die, toen Vafthrudnir klaar was, op zijn beurt begon te vragen, en even uitvoerige antwoorden kreeg aangaande den oorsprong van hemel en aarde, de schepping van de goden, hun strijd met de Vana’s, de bezigheden van de helden in Valhalla, de plichten van de Nornen, en de heerschers die de Aesir moesten vervangen als dezen waren ondergegaan met de wereld die zij hadden geschapen. Maar toen ten slotte Odin zich bij den reus boog en zacht de woorden vroeg die Alvader fluisterde tot zijn dooden zoon Balder, als hij lag op zijn brandstapel, herkende Vafthrudnir plotseling zijn goddelijken bezoeker. Hij deinsde teleurgesteld terug en zei dat alleen Odin die vraag kon beantwoorden, en dat het hem nu volkomen duidelijk was dat hij dwaaslijk een strijd had aangegaan in scherpzinnigheid en wetenschap met den koning der goden, en ten volle de boete verdiende omdat hij verloren had, n.l. het verlies van zijn hoofd.

Niet de mensch van sterflijk ras

Weet het woord, door u gesproken,

Tot uw zoon in ouden tijd.

Ik hoor den tred van dood die komt;

Hij rukt der runen wijsheid weg,

En ’t weten van der goden worden

Uit d’ ongelukkige ziel die streed

Met Odin zelf den geesteskamp,

Met hem die wijs is boven elk;

De prijs was ’t leven, en gij wont.

Vafthrudnirs-mal.

Zooals het met vele Noorsche mythen het geval is, die vaak fragmentair en duister zijn, eindigt deze hier, en geen der dichters vertelt ons of Odin werkelijk zijn tegenstander versloeg, noch ook wat het antwoord was op zijn laatste vraag; maar mythologen hebben het vermoeden gewaagd dat het woord, door Odin in Balders oor gefluisterd om hem over zijn ontijdigen dood te troosten “opstanding” moet zijn geweest.

Vinding van de Runen.

Inhoudsopgave

Behalve god der wijsheid was Odin god en uitvinder van de runen, het oudste alphabet in gebruik bij de noordelijke natiën, welke karakters, die geheimenis beteekenen, eerst voor waarzegging werden gebruikt, ofschoon zij later dienden voor inschriften en documenten. Evenals men de wijsheid slechts kon verkrijgen ten koste van offers, vertelt Odin zelf dat hij negen dagen en nachten hing aan den heiligen boom Yggdrasil, starende in de onmetelijke diepten van Niflheim, verzonken in diepe gedachten, en door eigen speer gewond, eer hij de kennis kreeg die hij zocht.

Ik weet dat ik hing

Aan een zwiependen tak

Negen nachten lang,

Door een speer verwond,

En aan Odin gewijd,

Ik zelf aan mij zelven;

Aan dien boom

Waarvan niemand weet

Waar zijn wortel is.

Odins Runenzang.

Toen hij deze wetenschap volledig meester was, sneed Odin tooverrunen op zijn speer Gungnir, op de tanden van zijn paard Sleipnir, op de klauwen van den beer, en op tallooze andere bezielde en onbezielde dingen. En omdat hij dus had gehangen over den afgrond een zoo langen tijd, beschouwde men hem later altijd als den beschermgod van allen die veroordeeld waren om opgehangen te worden of die door den strop omkwamen.

Nadat hij de gave der wijsheid en der runen verkregen had, die hem heerschappij gaf over alle dingen, wilde Odin ook de gave der welsprekendheid en der poëzie, die hij verwierf op een wijze waarvan wij zullen vertellen in een volgend hoofdstuk.

Geirrod en Agnar.

Inhoudsopgave

Odin, zooals reeds is gezegd, stelde veel belang in de zaken der menschen, en men vertelt dat hij in het bijzonder gaarne zorgde voor de aardige zoontjes van Koning Hrauding, Geirrod en Agnar, toen zij respectievelijk ongeveer acht en tien jaar oud waren. Op zekeren dag gingen deze kleine jongens visschen, en plotseling kwam een storm op, die hun boot in zee dreef, totdat zij tenslotte op een eiland strandden, waar een schijnbaar oud paar woonde, dat in werkelijkheid Odin en Frigga waren, dus vermomd. Zij hadden deze gedaanten aangenomen om toe te geven aan een plotselinge begeerte om bij hun beschermelingen dicht in de buurt zijn. De kinderen werden hartelijk verwelkomd en vriendelijk bejegend; Odin koos Geirrod tot zijn gunsteling en leerde hem de wapenen gebruiken, terwijl Frigga den kleinen Agnar vertroetelde en verwende. De jongens bleven op het eiland met hun vriendelijke beschermers gedurende het lange koude winterseizoen; maar toen de lente kwam en de luchten blauw waren, en de zee kalm, scheepten zij zich in op een boot waarvoor Odin zorgde, en vertrokken naar hun vaderland. Begunstigd door zachte koelten werden zij spoedig daarheen gedreven; maar toen de boot het strand naderde sprong Geirrod er vlug uit en stiet ze ver weg in het water, terwijl hij zijn broeder verwenschte in de macht van den boozen geest. Op datzelfde oogenblik draaide de wind en Agnar werd inderdaad weggevoerd, terwijl zijn broeder zich naar zijns vaders paleis spoedde met een leugenachtig verhaal over hetgeen met zijn broer gebeurd was. Hij werd met vreugde ontvangen als een uit den doode herrezene, en te zijner tijd volgde hij zijn vader op den troon op.

Jaren gingen voorbij, waarin de aandacht van Odin door andere gewichtige overwegingen werd bezig gehouden, toen op zekeren dag, terwijl het goddelijk paar zat op den troon Hlidskialf, Odin zich plotseling het winterverblijf op het onbewoond eiland herinnerde, en hij zijn vrouw zeide, dat zij moest zien hoe machtig zijn pleegkind was geworden, en haar beschimpte omdat haar gunsteling Agnar een reuzin had gehuwd en arm was gebleven en niet vooruit was gekomen. Frigga antwoordde kalm dat het beter was arm te zijn dan hardvochtig, en beschuldigde Geirrod van gebrek aan gastvrijheid—een van de ergste zonden in de oogen van een Noorman. Zij ging zelfs zoo ver te beweren dat hij trots al zijn rijkdom zijn gasten dikwijls slecht behandelde.

Toen Odin deze beschuldiging hoorde verklaarde hij dat hij de valschheid der aantijging zou bewijzen door de vermomming van een Zwerver aan te nemen en Geirrods edelmoedigheid op de proef te stellen. Gewikkeld in zijn wolkkleurig kleed, met slappen hoed en pelgrimsstaf,—

Zwerver noemt mij de wereld.

Ver zijn mijn voeten gegaan;

Op der aarde rug

Toog ik eindeloos ver.

Wagner.

vertrok Odin onmiddellijk langs een omweg, terwijl Frigga, om hem na te gaan, dadelijk een snellen bode zond ten einde Geirrod te waarschuwen voor een man in een wijden mantel en met breedgeranden hoed, daar deze een booze toovenaar was die hem kwaad zou doen.

Toen Odin zich dus voor het paleis van den koning vertoonde werd hij voor Geirrod gesleept en ruw ondervraagd. Hij gaf als zijn naam op Grimnir, maar weigerde te zeggen vanwaar hij kwam of wat hij wilde, zoodat daar deze geslotenheid de achterdocht versterkte die Geirrod was bijgebracht, hij zijn wreeden zin vrij spel liet en beval dat de vreemdeling zou worden gebonden tusschen twee vuren, op zulk een wijze dat de vlammen om hem heenspeelden zonder hem heelemaal te raken, en hij bleef in dien toestand acht dagen en acht nachten, in standvastig zwijgen, zonder voedsel. Nu was Agnar heimelijk teruggekeerd naar het paleis van zijn broeder, waar hij een dienstbare betrekking had gekregen en op zekeren dag, toen alles stil was, bood hij den ongelukkigen gevangene een beker ale. Maar nu wilde Odin niets te drinken hebben, het ergste van alles wat de god had uit te staan.

Op het einde van den achtsten dag, terwijl Geirrod, op zijn troon gezeten, op de marteling van zijn gevangene staarde, begon Odin te zingen—eerst zacht, dan luider en luider totdat de hal weergalmde van zijn jubelende tonen—een profetie dat de koning die zoo lang de gunst van den god genoten had, weldra zou omkomen door zijn eigen zwaard.

Gevallen door ’t zwaard

Heeft Ygy u dan;

Uw leven is ten eind:

Boos op u zijn de Dîsir;

Odin zult ge nu zien:

Kom naderbij als ge kunt.

Saemunds Edda.

Toen de laatste tonen wegstierven vielen de ketenen van zijn handen, vlammen flikkerden en gingen uit, en Odin stond midden in de hal, niet langer in menschelijke gedaante maar in al de macht en schoonheid van een god.

Toen Geirrod de onheilspellende profetie hoorde trok hij haastig zijn zwaard, met het plan den onbeschaamden zanger neer te slaan; maar toen hij de plotselinge gedaanteverwisseling zag, deinsde hij bevreesd terug, struikelde, viel op het scherpe lemmet en kwam om, zooals Odin juist had voorspeld. Toen wendde Odin zich tot Agnar (die, volgens sommige verhalen ’s konings zoon en niet zijn broeder was, want deze oude geschiedenissen zijn soms wonderlijk verward) en liet hem den troon bestijgen tot loon voor zijn menschlievend gedrag, en beloofde hem verder te beloonen voor de teug ale die juist van pas kwam, hem te zegenen met allerlei voorspoed.

Bij een andere gelegenheid ging Odin naar de aarde en was zoo lang afwezig dat de goden begonnen te denken dat zij hem in Asgard niet weer zouden terugzien. Dit gaf zijn broeders Vili en Ve, die enkele mythologen als andere verpersoonlijkingen van hem zelf beschouwen, den moed zich zijn macht en zijn troon toe te eigenen, en zelfs, zooals men zegt, zijn vrouw Frigga te huwen.

Wees nu stil maar, Frigg!

Gij zijt Fiorgyns dochter

En waart op mannen steeds verzot,

Daar Ve en Villi, naar men zegt,

Gij, Vidrir’s vrouw, hebt

Allebei omarmd.

Saemunds Edda.

Mei-dag feesten.

Inhoudsopgave

Maar toen Odin terugkeerde verdwenen de geweldenaren voor goed; en ter herinnering aan het verdwijnen van den valschen Odin, die zeven maanden had geregeerd en enkel ellende in de wereld had gebracht en aan de wederkomst van den goeden god, vierden de heidensche Noormannen vroeger jaarlijksche feesten, die lang bleven bestaan als Mei-dag feesten. Tot in heel laten tijd was er dien dag steeds een groote optocht in Zweden, bekend als de Meirit, waarin een met bloemen bedekte Meikoning (Odin) den in bont gehulden Winter (zijn valschen dubbelganger) met bloesems wierp, totdat hij hem op de vlucht dreef. In Engeland werd ook de eerste Mei gevierd als een feestelijke gelegenheid waarbij Meiboomdansen, Meikoningen, Maid Marian en Jack in the Green een grooten rol speelden.

Als verpersoonlijking van den hemel was Odin natuurlijk de minnaar en echtgenoot van de aarde, en daar de aarde hun drieërlei aanblik vertoonde, stelden de Noren hem als polygaam voor en kenden hem verschillende vrouwen toe. De eerste onder deze was Jörd (Erda), de primitieve aarde, dochter van Nacht of van de godin Fiorgyn. Zij schonk hem zijn beroemden zoon Thor, den god van den donder. De tweede en voornaamste vrouw was Frigga, een verpersoonlijking van de beschaafde wereld. Zij schonk hem Balder den lieflijken lentegod, Hermod, en, volgens sommigen, Tyr. De derde vrouw was Rinda, een personifieering van de harde en bevroren aarde, die met tegenzin toegeeft aan zijn warme omhelzing, maar eindelijk het leven schenkt aan Vali, zinnebeeld van den plantengroei.

Ook heet het dat Odin Saga of Laga heeft gehuwd, de godin der geschiedenis (vandaar het engelsche werkwoord “to say”), en dat hij haar dagelijks bezocht heeft in de kristallen hal Sokvabek, onder een koele, altijd vloeiende rivier, om haar wateren te drinken en naar hare liederen over oude tijden en verdwenen geslachten te luisteren.

Sokvabek heet de vierde woning,

Over haar vloeien koele golven;

Odin drinkt er blij met Saga

Elken dag uit gouden kroes.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Zijn andere vrouwen waren Grid, de moeder van Vidar; Gunlod, de moeder van Bragi; Skadi; en de negen reuzinnen die tegelijk Heimdall baarden—allen spelen een meer of minder belangrijke rol in de verschillende mythen van het Noorden.

De historische Odin.

Inhoudsopgave

Behalve dezen ouden Odin was er een meer moderne, half-historische personage die denzelfden naam droeg, aan wien al die deugden, macht en avonturen van zijn voorganger zijn toegekend. Hij was het opperhoofd der Aesir, bewoners van Klein Azië, die, sterk door de Romeinen onderdrukt en met uitroeiing of slavernij bedreigd, hun geboorteland ongeveer 70 v. Chr. verlieten en naar Europa verhuisden. Men zegt dat deze Odin Rusland, Duitschland, Denemarken, Noorwegen en Zweden heeft veroverd en een zoon heeft achtergelaten op den troon van elk overwonnen land. Ook bouwde hij de stad Odensö. Hij werd verwelkomd in Zweden door Gylfi, den koning, die hem een deel van de streek gaf, en hem toestond de stad Sigtuna te stichten, waar hij een tempel bouwde en een nieuwe godsvereering invoerde. Verder vertelt de overlevering dat, toen zijn einde naderde, deze mythische Odin zijn volgelingen verzamelde, zich voor aller oogen negenmaal met zijn speer in de borst sneed,—een ceremonie die men “het kerven van Geir-wonden” noemde—en hun vertelde dat hij terug ging naar zijn land Asgard, zijn oud verblijf, waar hij hun komst zou afwachten, opdat zij met hem zouden deelnemen aan een leven van feestvieren, drinken en vechten.


Odin

B. E. Fogelberg.

Volgens een ander verhaal reisde Gylfi, toen hij van de macht der Aesir, de bewoners van Asgard, had gehoord, en daar hij zich wilde overtuigen of deze berichten waar waren, naar het Zuiden. Te zijner tijd kwam hij aan Odin’s paleis, waar hij werd verwacht, en waar hij misleid werd door het visioen van Har, Iafn-har en Thridi, drie godheden, die boven elkander troonden. De poortwachter Gangler beantwoordde al zijn vragen en gaf hem een lange uiteenzetting van de Noorsche mythologie, die in de Jongere Edda wordt meegedeeld, en dan, na zijn onderricht te hebben geëindigd, verdween hij plotseling met het paleis onder een oorverdoovend geraas.

Volgens andere heel oude gedichten werden Odin’s zonen, Weldegg, Beldegg, Sigi, Skiold, Seaming en Yngvi, koningen van Oost-Saksen, West-Saksen, Franconia, Denemarken, Noorwegen en Zweden, en van dezen stammen de Saksers, Hengist en Horso, en de koninklijke familiën van de Noordelijke landen af. Nog een andere overlevering verhaalt dat Odin en Frigga zeven zonen hadden, die de Anglo-Saksische heptarchie stichtten. In verloop van tijd werd deze geheimzinnige koning verward met den Odin wiens eeredienst hij invoerde, en al zijn daden werden toegekend aan den god.

Odin werd vereerd in tallooze tempels, maar vooral in het groote heiligdom te Upsala, waar de plechtigste feesten werden gevierd en waar offers werden gebracht. Het offer was meestal een paard, maar in tijden van nijpenden nood bracht men menschenoffers, ja zelfs werd eens de koning geofferd om een hongersnood af te wenden.

Upsala’s tempel waar men schouwt

Valhalla’s hal op aard als beeld herbouwd.

Viking verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

De eerste dronk bij ieder feest hier werd op hem ingesteld, en behalve den eersten Mei, was hem één dag in elke week gewijd, en van zijn Saksischen naam Woden, heette deze Woden’s-dag, vanwaar het Hollandsche woord “Woensdag” afkomt. Het volk had de gewoonte in zijn heiligdom bijeen te komen bij feestelijke gelegenheden, de zangen der skalden te hooren, die voor hun spel beloond werden met gouden braceletten of armbanden, die aan hun einden opkrulden en “Odin’s slangen” heetten.

Er zijn slechts weinige overblijfselen van oude Noorsche kunst, en ofschoon ruwe beelden van Odin eens zeer algemeen waren, zijn allen verdwenen, daar zij van hout waren gemaakt—een vergankelijke stof, die onder de handen van de zendelingen, en vooral van Olaf den Heiligen, den noordelijken beeldstormer, spoedig tot asch waren verteerd.

Daar in den tempel stond in hout

Het beeld van Odin, fier en stout.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Men veronderstelt dat Odin zijn volk een wetboek heeft gegeven waarnaar zij hun gedrag hebben te richten, in een gedicht, Hávamál, of het Hooglied, dat een deel van de Edda uitmaakt. In dit lied leerde hij de zwakheid van den mensch, de noodzakelijkheid van moed, matigheid, onafhankelijkheid en oprechtheid, eerbied voor den ouderdom, gastvrijheid, ontferming en tevredenheid, en gaf voorschriften voor het begraven der dooden.

Te huis laat een mensch zijn blijde

En jegens een gast milddadig;

Een wijs gedrag moet hij hebben,

Een goed geheugen, een vlotte taal;

Als hij veel kennis verlangt,

Dan spreke hij van het goede veel.

Hávamál.


Frigga spint de wolken

J. C. Dollman.

Hoofdstuk III: Frigga.

Inhoudsopgave

De koningin van de goden.

Inhoudsopgave

Frigga, of Frigg, dochter van Fiorgyn en zuster van Jörd, volgens sommige mythologen, wordt door anderen als een dochter van Jörd en Odin beschouwd, met wien zij later huwde. Dit huwelijk veroorzaakte zoo algemeene vreugde in Asgard, waar de godin zeer bemind was, dat het naderhand steeds gewoonte was den trouwdag te vieren met feest en gezang, en daar de godin als beschermvrouw van het huwelijk gold, werd op bruiloften altijd op haar gedronken, evenals op Odin en Thor.

Frigga was de godin van de atmosfeer, of liever van de wolken, en werd als zoodanig voorgesteld in sneeuwwitte of donkere kleeren, in overeenstemming met haar ietwat veranderlijken aard. Zij was de koningin der goden, en zij alleen had het voorrecht te mogen zitten op den troon Hlidskialf, naast haar verheven echtgenoot. Vanhier kon zij ook de geheele wereld overzien en waarnemen wat gebeurde, en, zoo geloofden onze voorouders, zij bezat kennis aangaande de toekomst, die echter niemand van haar te weten kon komen, waardoor zij bewees dat Noorsche vrouwen een geheim ongeschonden konden bewaren.

De goden zijn mijn kroost,

En al wat komen moet, ik weet het, maar

Besluit het in mij, zeg het niemand ooit.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Zij werd gewoonlijk voorgesteld als een slanke, schoone en statige vrouw, gekroond met reigerveeren, het symbool van zwijgen en vergeten, en gedost in zuiver wit gewaad, om het middel vastgehouden door een gouden gordel, waarvan een bos sleutels afhing, het attribuut van de Noorsche huismoeder, als wier bijzondere beschermvrouw zij gold. Ofschoon zij dikwijls naast haren echtgenoot verscheen, gaf Frigga er de voorkeur aan in haar eigen paleis te blijven, dat Fensalir heette, de hal der nevelen of de zee, waar zij ijverig bezig was met haar wiel of spinrokken en waar zij gouden draden spon of lange webben van kleurige wolken weefde.

Om dit werk goed te doen gebruikte zij een bewonderenswaardig met juweelen bezet spinnewiel of rokken, dat ’s nachts aan den hemel stond te schitteren als een sterrenbeeld, in het Noorden bekend als Frigga’s spinnewiel, terwijl de bewoners van het Zuiden dezelfde sterren den Gordel van Orion noemden.

In haar hal Fensalir noodigde de bevallige godin gehuwde mannen en vrouwen die op aarde een deugdzaam leven hadden geleid, zoodat zij elkanders gezelschap ook na den dood konden genieten, en nooit weer tot scheiden werden opgeroepen.

Daar in de pas staat Fensalir, het huis

Van Frea, godenmoeder, zeer geëerd,

Met open poorten, vensters hel verlicht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Frigga werd daarom beschouwd als de godin van huwelijks- en moederliefde, en werd in het bijzonder gehuldigd door liefhebbende echtgenooten en teedere ouders. Maar deze hooge plicht nam niet al hare gedachten in beslag, want wij hooren dat zij zeer verzot was op kleeding, en, als zij voor de vergaderde goden verscheen, was haar dos rijk en voegzaam, en hare juweelen waren gekozen met veel smaak.

Het gestolen goud.

Inhoudsopgave

Frigga’s liefde tot opschik bracht haar eens droevig van het spoor, want daar zij een nieuw versiersel wilde hebben, ontvreemdde zij heimelijk een stuk goud van een standbeeld dat haren echtgenoot voorstelde, en dat juist in zijn tempel was gezet. Het gestolen metaal werd aan de dwergen toevertrouwd, met opdracht een prachtigen halsketting voor haar gebruik te maken. Toen deze af was, was hij zoo schitterend dat hij sterk hare bekoorlijkheid verhoogde, en ook Odin’s liefde jegens haar deed toenemen. Maar toen hij den diefstal van het goud ontdekte, riep hij vertoornd de dwergen en beval hen te zeggen wie zijn standbeeld had durven aanraken. Daar zij de koningin der goden niet wilden verraden, bleven de dwergen hardnekkig zwijgen, en toen Odin zag dat hij geen woord uit hen krijgen kon, beval Odin dat het beeld boven de tempelpoort zou worden gezet en ging aan het uitdenken van runen, die het vermogen tot spreken zouden geven zoodat het den dief zou kunnen aanwijzen. Toen Frigga dit hoorde beefde zij van angst, en smeekte haar gunstelinge en dienstmaagd, Fulla, een middel te verzinnen om haar voor Alvader’s boosheid te beschermen. Fulla die altijd bereid was om hare meesteres te dienen, vertrok onmiddellijk en kwam weldra terug, vergezeld door een afschuwelijken dwerg, die beloofde te zullen voorkomen dat het beeld zou spreken als Frigga slechts vriendelijk tegen hem zou glimlachen. Toen dit was toegestaan haastte zich de dwerg naar den tempel en deed een diepen slaap neerdalen op de wachten, en toen zij dus in onbewusten toestand verkeerden, haalde hij het beeld van zijn voetstuk neer en brak het in stukken, zoodat het nooit Frigga’s diefstal verraden kon, trots al de pogingen van Odin om het te laten spreken.

Toen Odin ’s morgens daarop deze schennis ontdekte, was hij werkelijk zeer boos; zóó boos dat hij Asgard verliet en geheel en al verdween, met zich nemend al de zegeningen die hij tot nu toe steeds op goden en menschen had doen neerdalen. Volgens sommigen trokken zijn broeders, zooals wij reeds gezien hebben, partij van zijn afwezigheid om zijn gedaante aan te nemen en beslag te leggen op zijn troon en zijn vrouw; maar ofschoon zij volkomen op hem geleken konden zij de verloren zegeningen niet teruggeven, en stonden de IJsreuzen of Jötuns toe de aarde te overvallen en ze in hun koude boeien vast te binden. Deze boosaardige reuzen knepen de bladeren en knoppen totdat ze geheel verdorden, stroopten de boomen kaal, wikkelden de aarde in een wit laken en hulden ze in ondoordringbare nevelen.

Maar aan het einde van zeven vervelende maanden gaf de ware Odin toe en kwam terug en toen hij al het kwaad zag dat gedaan was, joeg hij de overweldigers weg, dwong de vorstreuzen de aarde los te laten en haar uit haar ijsboeien te bevrijden en deed weer al zijn zegeningen op haar neerdalen, terwijl hij ze blij maakte met het licht van zijn glimlach.

Odin verschalkt.

Inhoudsopgave

Zooals wij reeds zagen was Odin, ofschoon de god van verstand en wijsheid, geen partuur voor zijn vrouw Frigga, die als vrouw op een of andere manier steeds haar zin wist te krijgen. Eens zat het verheven paar op Hlidskialf en keek met belangstelling naar de Winilers en Vandalen, die zich tot een gevecht toerustten, dat beslissen zou welk volk van nu af aan de oppermacht zou hebben. Odin zag met voldoening op de Vandalen neer, die luid tot hem baden om de overwinning; maar Frigga lette op de bewegingen der Winilers met meer belangstelling, omdat zij haar hulp hadden ingeroepen. Zoo wendde zij zich tot Odin en vroeg hem met nadruk wie hij den volgenden dag zou begunstigen; hij, op haar vraag niet willende antwoorden, verklaarde dat hij niet wilde beslissen, daar het bedtijd was, maar dat hij de zege zou geven aan hen op wie zijn oogen het eerst ’s ochtends zouden rusten.

Dit antwoord was sluw berekend, want Odin wist dat zijn bed zóó stond dat hij bij zijn ontwaken de Vandalen zou zien, en was van plan vandaar te kijken, in plaats van te wachten totdat hij zijn troon beklommen had. Maar, ofschoon zoo sluw overlegd, werd dit plan verijdeld door Frigga, die, zijn opzet radend, wachtte totdat hij in diepen slaap was, en toen stil zijn bed omdraaide zoodat hij haar gunstelingen zou zien. Toen boodschapte zij den Winilers dat zij hunne vrouwen hun wapenrustingen zouden aandoen en haar als de dageraad aanbrak in krijgsdos zouden uitsturen, hare lange haren zorgvuldig over wangen en boezem gekamd.

Neemt al uw vrouwen mee,

Jongen en ouden:

Over uw enkels

Trek aan het wit strijdkleed;

Over uw boezem

Snoer vaster het harnas;

Over uw lippen

Vlecht tressen tot knevels,

Zoo houdt u vorst Odin

Voor baardige krijgers,

Als van ’t grauwe zeestrand

Gij groet hem te morgen.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Deze bevelen werden uitgevoerd met angstvallige nauwkeurigheid, en toen Odin den volgenden morgen wakker werd viel zijn eerste blik op de gewapende schaar en hij riep in verwondering uit, “Wat Langbaarden zijn dit?” (In het Duitsch was het oude woord voor lange baarden Longobarden, met welken naam men de Lombarden placht aan te duiden). Toen Frigga dezen uitroep hoorde, dien zij had voorzien, riep zij onmiddellijk in triomf uit, dat Alvader hun een nieuwen naam had gegeven, en dat hij dus door zijn eer gehouden was het oud Noorsch gebruik te volgen en hun ook een doopgeschenk te geven.

De naam die gij schonkt hun

Eert hen en u zelven,

Goed is hij en passend.

Geef hun de zegepraal,

Die ’t eerst u begroetten;

Geef hun de zegepraal,

Vriend van mijn ziel.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Toen Odin zag dat hij zoo handig misleid was, talmde hij niet, en ter herinnering aan de overwinning die zijn gunst hun schonk behielden de Winilers den naam, hun door den koning der goden gegeven, die voortaan met bijzondere zorg over hen waakte, en hun vele zegeningen gaf, onder andere een woonplaats in het zonnige Zuiden, in de vruchtbare vlakten van Lombardije.

Fulla.

Inhoudsopgave

Frigga had, tot haren specialen dienst, een aantal schoone meisjes, onder welke Fulla, (Volla), hare zuster, volgens sommige bronnen, aan wie zij haar juweelkistje toevertrouwde. Fulla had steeds het toezicht over het toilet van hare meesteres, had het voorrecht haar hare gouden schoenen te mogen aandoen, vergezelde haar overal heen, was haar vertrouwde, en gaf haar dikwijls raad hoe zij het best de stervelingen kon helpen die haar hulp afsmeekten. Fulla was inderdaad zeer schoon, en haar lange gouden haar, dat zij los had hangen over hare schouders, had zij enkel met een gouden ring of doek opgebonden. Zooals heur haar het gouden graan voorstelde, zoo beteekende de ring den band om de schoof. Fulla was ook bekend als Abundia of Abundantia, in sommige deelen van Duitschland, waar zij beschouwd werd als het symbool van de vruchtbaarheid der aarde.

Hlin, Frigga’s tweede dienstbode, was de godin der vertroosting, uitgezonden om de tranen van weenenden weg te kussen en balsem te gieten in harten die door smart waren verscheurd. Zij luisterde ook met altijd geopende ooren naar de gebeden der stervelingen, bracht die gebeden naar hare meesteres, en ried haar soms hoe er het best op te antwoorden en den verlangden steun te schenken.

Gna.

Inhoudsopgave

Gna was Frigga’s snelle bodinne. Op haar paard Hofvarpnir (hoefwerper) gezeten, reed zij met verwonderlijke snelheid door vuur en lucht, over land en zee, en werd daarom beschouwd als de verpersoonlijking van den verfrisschenden wind. Zoo àf en aan vliegend zag Gna alles wat op aarde gebeurde en vertelde haar meesteres alles wat zij wist. Bij zekere gelegenheid, toen zij over Hunaland ging, zag zij koning Rerir, een rechtstreekschen afstammeling van Odin, bedroefd aan het strand zittend, er over klagend dat hij geen kinderen had. De godin van den hemel, die ook de godin was van de geboorte, nam, toen zij dit hoorde, een appel (het symbool van de vruchtbaarheid) uit haar eigen voorraad, gaf dien aan Gna, en, beval haar hem aan den koning te brengen. Met de snelheid van het element dat zij personifieerde schoot Gna weg, en toen zij over Rerir’s hoofd kwam, liet zij haar appel in zijn schoot vallen met een stralenden glimlach.

“Wie vliegt daar op, jagend zoo snel als wind?”

Zij antwoordt als in vaart ver uit de lucht:

“Ik vlieg noch jaag, ik storm, geen die mij bindt,

Hoefwerper snel, door wolk en mist gevlucht.”

Asgard en de goden (Wagner-Macdowall).

De koning dacht een oogenblik na over de beteekenis van deze plotselinge verschijning en van dit geschenk, en snelde toen naar huis, terwijl zijn hart van verwachting klopte, en gaf den appel aan zijn vrouw te eten. Tot zijn groote vreugde schonk zij hem, toen haar tijd was gekomen, een zoon, Volsung, den grooten Noorschen held, die zoo beroemd werd dat hij zijn naam gaf aan zijn geheele ras.

Lofn, Vjofn en Syn.

Inhoudsopgave

Behalve de drie bovengenoemd had Frigga nog andere dienaressen in haar gevolg. Zoo was er de teedere en bevallige maagd Lofn (hoop of liefde), die tot taak had alle hinderpalen van het pad van minnenden weg te nemen.

Mijn lelie slank van haar zadel tillend

Voerde ik toen heen door den tempel, willend

Naar het altaar toe; in den priesterkring,

Zwoer zij Lofn’s eed zonder aarzeling.

Viking-vertellingen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Vjofn’s taak was harde harten tot liefde te neigen, vrede en eendracht onder de menschen te handhaven, en twistende echtgenooten te verzoenen. Syn (waarheid) bewaakte de deur van Frigga’s paleis en wilde haar niet openen voor hen die er niet in mochten. Als zij eenmaal de deur gesloten had voor een gewaanden indringer kon geen praten haar besluit veranderen. Zij had daarom het praesidium van alle rechtbanken en verhooren, en wanneer iets niet werd goedgekeurd was de gewone formule dat Syn er tegen was.

Gefjon.

Inhoudsopgave

Gefjon was ook een van de meisjes in Frigga’s paleis, en aan haar werden toevertrouwd al degenen die ongehuwd stierven, die zij ontving en voor eeuwig gelukkig maakte. Volgens sommige bronnen bleef Gefjon zelf niet maagd maar huwde een van de reuzen, bij wien zij vier zonen had. Deze zelfde overlevering vertelt verder dat Odin haar uitzond om Gylfi, koning van Zweden, te bezoeken, en wat land te vragen dat zij haar eigen zou mogen noemen. De koning, die haar verzoek aardig vond, beloofde haar zooveel land als zij in één dag en één nacht kon omploegen. Gefjon, niet verlegen, veranderde haar vier zonen in ossen, spande hen voor een ploeg, en begon een vore te trekken zoo breed en diep dat de koning en zijn hovelingen verbaasd waren. Maar Gefjon vervolgde haar werk zonder eenige vermoeidheid te toonen, en toen zij een groot stuk land had rondgeploegd, scheurde zij het met kracht weg en deed het hare ossen in zee trekken, waar zij het bevestigde en het Seeland noemde.

Gefjon nam van Gylfi,

Rijk aan schatten, ’t land dat

Z’ aan het Deensche hechtte.

Vierkoppig met acht oogen

Wijl ’t zweet in stralen gutste,

Trokken d’ ossen ’t stuk weg

Dat vormde ’t lieflijk eiland.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Wat de holte betreft die zij achterliet, deze werd snel gevuld met water en vormde een meer, dat eerst Logrum (de zee) werd genoemd, maar nu bekend is als Mälar, waarvan elke inkeping overeenkomt met de landtongen van Seeland. Gefjon huwde toen Skiold, een van Odins zonen, en werd de stammoeder van het Deensch vorstengeslacht der Skioldungs, die in de stad Hleidra of Lethra woonden, door hen gesticht, en welke de voornaamste offerplaats van de heidensche Denen werd.

Eira, Vara, Vör en Snotra.

Inhoudsopgave

Eira, ook Frigga’s dienstbare, werd beschouwd als een heel handige dokteres. Zij verzamelde over de heele aarde kruiden om wonden en ziekten te genezen, en het was haar taak de wetenschap aan vrouwen te leeren, die alleen het vak onder de oude Noorsche natiën mochten uitoefenen.

Gaapt een wond, Eira verbindt ze.

Valhalla (J. C. Jones).

Vara hoorde alle eeden en strafte meineedigen, terwijl zij diegenen beloonde die trouw hun woord hielden. Dan waren er verder nog Vör (geloof), die alles wist wat er in de wereld gebeurde, en Snotra, godin der deugd, die alle wetenschap meester was.

Met zulk een schitterenden stoet dienstbaren werd Frigga natuurlijk beschouwd als een machtige godin; maar in spijt van de voorname plaats, die zij in den Noorschen godsdienst innam, had zij geen specialen tempel of bijzonder heiligdom, en werd zij zelden aangebeden dan in verbinding met Odin.

Holda.

Inhoudsopgave

Terwijl Frigga onder dezen naam niet in Zuid-Duitschland bekend was, werden daar andere godinnen vereerd, wier attributen zoo op de hare geleken, dat zij blijkbaar dezelfde waren, ofschoon zij zeer verschillende namen droegen in de verschillende gewesten. Onder dezen was de schoone godin Holda (Hulda of Frau Holla) die goedgunstig vele rijke gaven schonk. Daar zij over het weer gezag voerde, zeide men, wanneer de sneeuwvlokken vielen, dat Frau Holle haar bed schudde, en als het regende, dat zij hare kleeren wiesch; ook duidde men vaak de witte wolken als haar linnen aan dat zij te bleeken had gelegd. Als lange grijze wolkenflarden door de lucht dreven, zeide men dat zij aan het weven was, want men hield haar ook voor een ijverige weefster, spinster en huishoudster. Men vertelt dat zij het vlas aan de menschen gaf en hen het leerde gebruiken, en in Tyrol verhaalt men de volgende geschiedenis aangaande de wijze waarop zij dat onwaardeerbare geschenk gaf.

De ontdekking van het vlas.

Inhoudsopgave

Er was eens een boer die dagelijks zijn vrouw en kinderen in het dal achterliet om zijn schapen op den berg te laten weiden, en als hij zijn kudde hoedde die op de berghelling graasde, had hij vaak gelegenheid den kruisboog te gebruiken en een gems te vellen, wier vleesch zijn provisiekast voor vele dagen kon vullen.

Toen hij eens een mooi dier vervolgde, zag hij het verdwijnen achter een rotsblok, en toen hij aan de plek kwam, was hij verbaasd een doorgang te zien in den belendenden gletscher, want in de opwinding van de vervolging was hij hooger en hooger geklommen totdat hij nu op den top van den berg was, waar de eeuwige sneeuw fonkelde.

De schaapherder ging moedig door de open deur en bevond zich weldra in een wondervol met juweelen bezet gewelf, behangen met druipsteen; in het midden er van stond een schoone vrouw, gehuld in zilveren kleederen en omringd door een schare lieflijke meisjes die met Alpenrozen waren gekroond. In zijn verbazing zonk de schaapherder op de knieën en als in een droom hoorde hij de koninklijke gestalte in het midden zeggen dat hij uitkiezen mocht wat hij wilde en het mocht meenemen. Ofschoon verblind door den glans van de kostbare steenen rondom hem, keerden de oogen van den herder gedurig terug tot een kleinen bouquet blauwe bloemen die de bevallige verschijning in hare hand hield, en hij stamelde nu bedeesd een verzoek dat hij dien zou mogen hebben. Van vreugde glimlachend gaf Holda, want zij was het, ze hem, zeggende dat hij verstandig had gekozen en zoo lang zou leven als de bloemen niet uitvielen en verwelkten. Toen gaf zij den herder een hoeveelheid zaad dat hij op het land moest zaaien en liet hem vertrekken, en terwijl de donder ratelde en de aarde schudde, bevond zich de arme man weer buiten op de berghelling, en keerde langzaam tot zijn vrouw terug, aan wien hij zijn avontuur vertelde en de lieflijke blauwe bloemen liet zien en de hoeveelheid zaad.

De vrouw maakte er haren man een bitter verwijt van, dat hij niet een van de kostbare steenen meebracht die hij zoo warm beschreef, in plaats van de bloesems en het zaad; niettemin ging de man het laatste zaaien en hij bespeurde tot zijn verbazing dat de hoeveelheid genoeg zaad leverde voor verscheiden bunders.

Weldra kwamen de kleine groene spruiten op, en in een maannacht, toen de boer er naar keek, zooals hij gewoon was,—want hij voelde zich op vreemde wijze aangetrokken tot het veld dat hij had bezaaid en toefde er dikwijls, benieuwd welk soort van koren er zou opwassen,—zag hij een nevelige gestalte over het veld zweven, met de handen als tot zegenen uitgestrekt. Eindelijk droeg het land bloesems, en tallooze witte bloempjes openden hare kelken voor de gouden zon. Toen de bloemen verdord waren en het zaad was rijp geworden, kwam Holda nog eens terug om den boer en zijn vrouw te leeren hoe zij het vlas—want dit was het—moesten oogsten, en er linnen uit moesten spinnen, en dit weven en bleeken. Daar de menschen in de omgeving gaarne zoowel linnen als lijnzaad kochten, werden de boer en zijn vrouw spoedig inderdaad zeer rijk, en terwijl hij ploegde, zaaide en oogstte, spon, weefde en bleekte zij het linnen. De man leefde tot op hoogen ouderdom en zag zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen rondom hem opgroeien. Gedurende al dien tijd was zijn zorgvuldig bewaarde bouquet even frisch gebleven als toen hij dien voor het eerst naar huis bracht, maar op zekeren dag zag hij dat gedurende den nacht de bloemen verwelkt waren en stierven.


Tannhäuser en Vrouw Venus

J. Wagrez.

Wetende wat dit beteekende, en dat hij ook moest sterven, klom de boer nog eens den berg op naar den gletscher, en vond den doorgang weer dien hij dikwijls te vergeefs had gezocht. Hij trad het ijsportaal binnen en men heeft nooit meer van hem gehoord noch hem gezien, want, zoo zegt de legende, de godin nam hem onder haar hoede en liet hem wonen in haar gewelf, waar elke wensch, dien hij koesterde, werd ingewilligd.

Tannhäuser.

Inhoudsopgave

Overeenkomstig de middeleeuwsche traditie woonde Holda in een gewelf in den Hörselberg, in Thuringia, waar zij bekend stond als Frau Venus, en beschouwd werd als een toovenares die stervelingen in haar gebied lokte, waar zij hen voor goed gevangen hield, en hun zinnen in allerlei zinlijke genietingen dompelde. De beroemdste van haar slachtoffers was Tannhäuser, die, nadat hij een tijd onder haar toovermacht had geleefd, tot andere gevoelens kwam, wat haar macht over zijn geest brak en hem bezorgd maakte over zijn ziel. Hij ontsnapte haar macht en haastte zich naar Rome om zijn zonden te belijden en absolutie te zoeken. Maar toen de Paus hoorde van zijn omgang met een van de heidensche godinnen van wie de priesters leerden dat zij niet anders dan demonen waren, verklaarde hij dat de ridder niet eer op vergiffenis kon hopen voordat zijn staf knoppen en bloesems kon dragen.

“Hebt gij gelegen in des Duivels net?

Hebt gij uw ziel verpand aan haar verderf?

Hebt gij gehoord de Tooveren der Hel,

En vloek gedronken uit haar kroes die rookt?

Zoo weet dat eer uit den verdorden staf

Dien ’k in mijn hand houd, groen gebladert’ spruit

Dan aan het vuur, ontstoken in de hel,

Ontbloeit de bloem des heils.”

Tannhäuser (Owen Meredith).

Door deze uitspraak diep verslagen vlood Tannhäuser weg en, in weerwil van de beden van zijn trouwen vriend Eckhardt, duurde het niet lang of hij keerde naar den Hörselberg terug, waar hij in het gewelf verdween. Juist was hij weg, of de boden van den Paus kwamen zeggen dat hij vergiffenis had gekregen, want de dorre staf was wonderdadig ontbloeid, aldus bewijzend aan een ieder, dat er geen zonde zoo erg was of zij kon vergeven worden, mits het berouw oprecht was.

Bemodderd tot de heupen, nat van zweet,

Vloog aan een bode, en in zijn hand hij droeg

Een dorren staf, ontbloeid tot blad en knop.

Hem volgd’ een menigte van oud en jong

Zingend een lied waarbij de leeuwrik zwijgt,

“Een wonder, o een wonder bij den Paus!

Eere zij God die maakt het dorre groen!”

Toen sprong de bode toe en vroeg, waar was

De ridder Tannhäuser.

Tannhäuser (Owen Meredith).

Holda was ook de eigenares van een tooverfontein, die Quickborn heette en de beroemde fontein der jeugd evenaarde, en van een wagen waarin zij van plaats tot plaats reed als zij haar gebied inspecteerde. Toen dit voertuig op zekeren keer beschadigd was, liet zij het een wagenmaker herstellen, en toen hij klaar was gaf zij hem eenige spaanders als loon. De man was boos over zulk een schrale betaling en nam slechts eenige er van; maar tot zijn verbazing zag hij deze den volgenden morgen in goud veranderd.

Fricka, uw vrouw—

Zij stuurt hierheen haar rammenspan

Hoor! hoe zij zwaait

De gouden zweep;

De dieren blaten

Steeds maar door;

Haar wielen raatlen voort,

Toorn licht op uit haar blik.

Wagner.


Eastre

Jacques Reich.

Eástre, de godin van de Lente.

Inhoudsopgave

De Saksische godin Eástre, of Ostara, godin van de lente, wier naam voortleefde in het Engelsche woord voor Paschen, Eáster, is ook dezelfde als Frigga want zij wordt eveneens beschouwd als de godin der aarde, of liever van de opstanding der natuur na den langen dood van den winter. Deze bevallige godin was zóó innig geliefd bij de oude Teutonen, dat zelfs, nadat het Christendom ingevoerd was, zij een zóó vriendelijke herinnering aan haar behielden, dat zij haar niet wilden verlaagd hebben tot den rang van een demon, zooals vele der andere goden, en haren naam overbrachten op hun groot Christelijk feest. Het was lang gebruik geweest dezen dag te vieren door het uitwisselen van geschenken in gekleurde eieren, want het ei is het zinnebeeld van het beginnende leven; dus hielden zich de eerste Christenen aan dezen regel, zeiden echter dat het ei ook de Opstanding verbeeldt. In verschillende deelen van Duitschland kan men nog steenen altaren zien, die als Eáster-steenen bekend staan, omdat zij waren gewijd aan de schoone godin Ostara. Zij werden met bloemen bekranst door de jonge menschen, die er vroolijk omheen dansten bij het licht van groote vreugdevuren,—een soort volksspelen die stand hielden tot het midden der negentiende eeuw, in weerwil van de verboden der priesters en de edicten, telkens er tegen uitgevaardigd.

Bertha, de Witte Vrouw.

Inhoudsopgave

In andere streken van Duitschland is Frigga, Holda of Ostara bekend onder den naam Brechta, Bertha, of de Witte Vrouw. Het meest bekend is zij zoo in Thüringen, waar zij, naar men meende, in een hollen berg woonde en de wacht hield over de Heimchen, zielen van ongeboren kinderen, en van hen die ongedoopt stierven. Hier behoedde Bertha den landbouw en zorgde voor de planten, die haar kindertroepje nauwgezet begoot, want men dacht dat elke kleine tot dat doel een kruikje bij zich had. Zoolang de godin geëerbiedigd werd en men haar verblijf niet verontrustte, bleef zij waar zij was; maar de overlevering vertelt dat zij eens het land verliet met haar kinderstoet en haar ploeg meesleepte en zich elders vestigde om met haar hulpvaardige diensten voort te gaan. Bertha is de legendaire stammoeder van verschillende edele geslachten, en vooral vereenzelvigd met de ijverige koningin van denzelfden naam, de mythische moeder van Karel den Groote, wiens naam spreekwoordelijk is geworden, want als men het in Frankrijk en Duitschland heeft over de Gouden Eeuw zegt men gewoonlijk: “in de dagen toen Bertha spon.”

Daar men meende dat deze Bertha een heel langen en platten voet heeft gekregen, doordat zij voortdurend de trede van haar wiel drukte, wordt zij dikwijls in de middeleeuwsche kunst voorgesteld als een vrouw met een krommen voet, en is daarom bekend als la reine pédauque.

Als stammoeder van het keizerlijke huis van Duitschland heet de Witte Vrouw in het paleis te verschijnen voor een sterfgeval of onheil in de familie, en dit bijgeloof leeft nog zóó in Duitschland, dat de kranten in 1884 het officieele bericht behelsden van een schildwacht, die beweerde dat hij haar hem snel had zien voorbijgaan in een van de gangen van het paleis.


Huldra’s Nimfen

B. E. Ward.

Daar Bertha beroemd was wegens haar spinnen, werd zij natuurlijk beschouwd als de bijzondere beschermster van dien tak van vrouwelijke nijverheid, en men zeide dat zij door de straten van ieder dorp zwierf, als de avond viel, gedurende de twaalf nachten tusschen Kerstmis en 6 Januari, terwijl zij in elk venster gluurde om het spinnen van het gezin na te gaan.

De meisjes, wier werk goed was verricht, werden beloond met een geschenk van een harer gouden draden of een spinnewiel vol extra fijn vlas; maar waar zij een zorgelooze spinster vond, werd haar wiel gebroken, haar vlas bezoedeld, en als zij verzuimd had de godin te eeren door veel van den koek te eten, die in dien tijd van het jaar gebakken werd, werd zij streng gestraft.

In Mecklenburg is dezelfde godin bekend als Frau Gode, of Wode, de vrouwlijke vorm van Wuotan of Odin, en haar verschijning wordt steeds beschouwd als de voorbode van grooten voorspoed. Ook zal zij een groote jageres zijn en de Wilde Jacht leiden, gezeten op een wit paard, terwijl hare gezellen zijn veranderd in honden en allerlei soorten wilde dieren.

In Holland heette zij Vrouw Elde, en naar haar heet de Melkweg in Holland Vrouw-eldenstraat; terwijl in sommige streken van Noord-Duitschland zij Nerthus (moeder Aarde) heette. Haar heilige wagen werd bewaard op een eiland, waarschijnlijk Rügen, waar de priesters hem zorgvuldig bewaakten totdat zij verscheen om een jaarlijksche reis te doen door haar gebied om het land te zegenen. De godin hield haar gelaat dan verborgen door een zwaren sluier en zat zoo in dezen wagen die door twee koeien werd getrokken, en zij werd eerbiedig door hare priesters vergezeld. Als zij passeerde, huldigde het volk haar door allen twist te staken en hun wapens neer te leggen. Zij trokken hun feestkleederen aan en hervatten geen strijd voordat de godin weer teruggekeerd was naar haar heiligdom. Dan werden kar en godin beiden gebaad in een geheimzinnig meer (de Schwartze See in Rügen), die de slaven verzwolg welke bij het baden hadden geholpen, en opnieuw begonnen de priesters hun wacht over het heiligdom en het bosch van Nerthus of Hlodyn, om haar volgende verschijning te verbeiden.

In Scandinavia heette deze godin ook Huldra en beroemde zich op een schaar woudnimfen, die haar vergezelden en die soms de menschen opzochten om met hen te dansen op de dorpsweide. Men kon ze echter altijd herkennen aan het tipje van een koestaart, die onder haar sneeuwwitte kleeren uithing. Dit Huldra-volk beschermde in het bijzonder het vee aan de berghellingen, en men beweerde dat zij soms den eenzamen zwerver verrasten door de wonderbare schoonheid van de melodieën die zij zongen om de uren van hun arbeid te korten.

Hoofdstuk IV: Thor.

Inhoudsopgave

De Donderaar.

Inhoudsopgave

Volgens sommige mythologen is Thor, of Donar de zoon van Jörd (Erda) en van Odin, maar anderen zeggen dat zijn moeder Frigga was, de koningin der goden. Dit kind was zeer opmerkelijk groot en sterk, en heel spoedig na zijn geboorte verbaasde hij de verzamelde goden spelenderwijs op te tillen en weg te smijten tien groote balen berenhuiden. Ofschoon doorgaans goed gehumeurd, kon Thor soms in vreeselijke woede geraken, en daar hij dan heel gevaarlijk was, zond zijn moeder, die hem niet kon beteugelen, hem van huis, en vertrouwde hem toe aan de zorg van Vingnir (den gevleugelde), en van Hlora (hitte). Deze pleegouders, die men ook beschouwde als de verpersoonlijking van het bliksemgeflits, slaagden er weldra in, den lastigen pupil te bedwingen, en brachten hem zóó verstandig groot, dat de goden een zeer dankbare herinnering bewaarden aan hun vriendelijke hulp. Toen Thor tot het besef kwam wat hij hun verschuldigd was, nam hij de namen Vingthor en Hlorridi aan, waaronder hij ook bekend is.

Schreeuw dan, Vingi-Thor, maar wild

Als de maliënkolder schudt en danst het deukig oorlogschild,

Sigurd de Volsung (William Morris).

Toen hij volgroeid was en de jaren des onderscheids had bereikt, werd Thor tot Asgard toegelaten onder de andere goden, waar hij een van de twaalf zetels in de groote oordeelshal bezette. Hij kreeg ook de streken Thrud-vang of Thrud-heim, waar hij een wonderbaar paleis bouwde, Bilskirnir (bliksem) geheeten, het grootste in heel Asgard. Het had vijfhonderd veertig hallen, ten dienste van de lijfeigenen, die na hun dood werden welkom geheeten in zijn huis, waar zij op dezelfde manier werden bejegend als hun meesters in het Valhalla, want Thor was de beschermgod van de boeren en de lagere standen.

Vijfhonderd hallen

En veertig nog,

Dunkt mij, houdt

Bilskirnir omvat.

Geen huis met dak

Is er gelijk

Aan dat van mijn Zoon.

Saemunds Edda.

Daar hij de god van den donder was, mocht Thor nooit alleen gaan over de wonderbare brug Bifröst, opdat hij ze niet zou in brand steken door de hitte van zijn aanwezigheid; en als hij zijn medegoden wenschte te ontmoeten bij de Urdar-fontein, onder de schaduw van den heiligen boom Yggdrasil, moest hij zijn weg daarheen te voet afleggen, wadend door de rivieren Kormt en Ormt, en de twee stroomen Kerlaug, naar de verzamelplaats.

Thor, die geëerd werd als de hoogste god in Noorwegen, was de tweede in de trilogie van al de andere landen, en werd “de oude Thor” genoemd, omdat, zooals sommige mythologen gelooven, hij tot een oudere dynastie van goden behoorde en niet wegens zijn feitelijken ouderdom, want hij werd voorgesteld en beschreven als een man in zijn jeugd, slank en welgevormd, met gespierde ledematen, en borstelig rood haar, waaruit, als hij toornig was, vonken in stroomen te voorschijn schoten.

Eerst Thor, wiens oog nederstaart,

Momp’lend zacht in zijn rossen baard

(Zijn oog fonkel’ naar bliksemaard)

Komt, terwijl dond’rend hij ment

Zijn kar, aangerend,

Bij zijn wilden mokerslag

Schudt hemel en aard’ van ontzag

Wolken scheuren wijl siddert de aard.

Valhalla (J. C. Jones).

De noordelijke rassen versierden hem verder met een kroon, en op elke punt daarvan was een schitterende ster of een steeds brandende vlam, zoodat zijn hoofd altijd omringd was door een krans van vuur, zijn eigen element.

Thors hamer.

Inhoudsopgave

Thor was de fiere bezitter van een hamer die Miölnir (de verbrijzelaar) heette en dien hij naar zijn vijanden wierp, de vorstreuzen, met vernielende kracht, en die de wonderbare eigenschap bezat dat hij steeds in zijn hand terugkeerde, hoe ver hij hem ook wierp.

Ik ben de Dond’rer!

Hier in mijn noorden,

Mijn vastheid en sterkte,

Heersch ik voor eeuwig.

Hier tusschen gletschers

Regeer ik de volken,

Dit is mijn hamer,

Miölnir de sterke;

Reuzen noch toovenaars

Bieden hem weerstand.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Daar deze groote hamer, het beeld van de bliksems, doorgaans rood-heet was, had de god een ijzeren handschoen, Iarn-greiper geheeten, waarmee hij hem stijf kon vasthouden. Hij kon Miölnir ver wegwerpen, en zijn kracht, die altijd aanzienlijk was, werd verdubbeld als hij zijn toovergordel droeg, Megin-giörd genoemd.

Dit is mijn gordel.

Als ik hem draag

Is m’n kracht verdubbeld.

Sage van koning Olaf (Longfellow).


Thor

B. E. Fogelberg.

Thors hamer werd zóó heilig geacht door het oude Noorsche volk, dat zij gewoon waren het teeken van den hamer te maken, evenals de Christenen hen later het teeken van het kruis leerden maken om alle verkeerde invloeden af te wenden en zegeningen te verwerven. Hetzelfde teeken werd ook gemaakt over het pasgeboren kind, wanneer water over zijn hoofd werd gegoten en het een naam kreeg. De hamer werd gebruikt om grenspalen in te slaan, en men hield het voor heiligschennis ze te verzetten; verder, om den dorpel van een nieuw huis te zegenen, een huwelijk plechtig in te wijden, en ten slotte speelde hij een rol in de heiliging van den brandstapel waarop de lichamen van helden, tegelijk met hun wapenen en paarden, en soms met hun vrouwen en onderhoorigen, werden verbrand.

In Zweden dacht men dat Thor, evenals Odin, een breedgeranden hoed droeg, en daarom heeten de stormwolken in dat land Thors hoed, een naam dien men ook aan een van de belangrijkste bergen in Noorwegen heeft gegeven. Het gerommel en gerol van den donder hield men voor het rijden van zijn wagen, want hij was de eenige onder de goden die nooit op een paard zat, maar die liep, of reed in een koperen kar, getrokken door twee geiten, Tanngniostr (tandenkraker) en Tanngrisnr (tandenknarser), van wier tanden en hoeven voortdurend vonken uitgingen.

Toen kwaamt gij eerst, o machtige krijgsman Thor!

Hamer op schouder, rijdend in uw kar,

Sturend de geiten aan haar zilveren toom.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Wanneer de god dus van plaats tot plaats reed, werd hij Aku-thor genoemd, of Thor de wagenman, en in Zuid-Duitschland beweerde het volk, denkend dat een koperen wagen alleen niet al het leven kon maken dat zij hoorden, dat die wagen met koperen ketels beladen was, die ratelden en kletterden, en daarom noemde het hem dikwijls, met oneerbiedige gemeenzaamheid, den ketelverkooper.

Thors familie.

Inhoudsopgave

Thor was tweemaal getrouwd; eerst met de reuzin Iarnsaxa (ijzeren steen) die hem twee zonen schonk, Magni (kracht) en Modi (moed), beiden bestemd hun vader en de godenschemering te overleven en te heerschen over de nieuwe wereld die als een phoenix uit de asch van de eerste zou verrijzen. Zijn tweede vrouw was Sif, de goudharige, die hem ook twee kinderen schonk Lorride, en een dochter, Trud, een jonge reuzin, beroemd wegens hun moed en kracht. Overeenkomstig het bekende feit dat tegenstellingen elkander zoeken, werd Trud gevrijd door den dwerg Alvis, wien zij vrij goed gezind was; en op zekeren avond, toen deze aanbidder, die als dwerg het daglicht niet kon verdragen, in Asgard kwam om hare hand te vragen, weigerden de vergaderde goden hun toestemming niet. Zij hadden echter nauwelijks hun goedkeuring te kennen gegeven, toen Thor, die afwezig was geweest, plotseling verscheen en met een blik van verachting op den nietigen minnaar verklaarde dat deze moest toonen dat zijn wetenschap zijn dwergachtigheid goed maakte eer hij zijn bruid winnen kon.

Ten einde Alvi’s geestvermogens op de proef te stellen ondervroeg Thor hem dan in de taal der goden, Vanas, elven en dwergen, slim zijn onderzoek voortzettend tot zonsopgang, toen de eerste lichtstraal, op den ongelukkigen dwerg neergestreken, hem deed versteenen. Daar stond hij, een blijvend voorbeeld van de macht van den god, dat alle andere dwergen tot waarschuwing kon strekken, als zij de proef durfden nemen.

Nooit in menschen boezem

Vond ik zooveel woorden

Uit den ouden tijd.

U met vlotte slimheid

Heb ik nu bedrogen

Op den grond staat ge; dwerg

Door den dag overrompeld,

Klaar zonlicht vult de hal.

Saemunds Edda.

Sif, de goudharige.

Inhoudsopgave

Sif, Thors vrouw, was zeer trotsch op een prachtig hoofd met lang gouden haar, dat haar van het hoofd tot de voeten als een schitterende sluier bedekte; en daar zij ook het symbool van de aarde was, zeide men dat heur haar het lange gras voorstelde, of het gouden graan, dat de noordelijke oogstvelden bedekte. Thor was zeer trotsch op het mooie haar van zijn vrouw; verbeeld u dus zijn teleurstelling, toen hij op zekeren morgen wakker werd en haar geschoren zag en even kaal en ontsierd als de aarde wanneer het koren in de schuur gebracht is en enkel de stoppels resten! In zijn toorn sprong Thor op en bezwoer dat hij hem zou straffen die hem deze beleediging had aangedaan; onmiddellijk en terecht vermoedde hij dat dit Loki zou wezen, de aartsschurk die altijd er op uit was om een booze daad te verrichten. Thor nam zijn hamer en ging Loki zoeken, die den vertoornden god trachtte te ontwijken door van gedaante te veranderen maar dit hielp niets, Thor kreeg hem spoedig in zijn macht en greep hem met niet veel omslag bij den hals en worgde hem bijna eer hij toegaf aan zijn smeekende gebaren en zijn machtige vuist losliet. Toen hij adem kon krijgen smeekte Loki om vergiffenis, maar al zijn woorden waren vergeefsch, totdat hij beloofde Sif een nieuw hoofd met haar te zullen bezorgen, even mooi als het vorige, en even welig van groei.

Vandaar zal ik brengen nieuw gouden haar

Voor Sif, eer de dag vergleed,

Dat zij lijkt een veld in het vroege jaar

Met zijn bloesembestikte kleed.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Toen liet Thor den verrader gaan; dus kroop Loki vlug in het hart der aarde waar Svart-alfa-heim lag, om den dwerg Dvalin te smeeken niet alleen het kostbare haar in orde te brengen, maar ook een geschenk voor Odin en Freya, wier boosheid hij wilde bedwingen.

Zijn verzoek werd goedgunstig ingewilligd en de dwerg maakte de speer Gungnir, die nooit zijn doel miste, en het schip Skidbladnir, dat, altijd voortgestuurd door gunstige winden, zoowel door de lucht als door het water kon varen, en dat verder de wonderbare eigenschap bezat, dat, ofschoon het al de goden en al hun paarden kon bevatten, het kon worden opgenomen in de kleinste ruimte en in den zak kon worden gestoken. Ten slotte spon hij den fijnsten gouden draad, waaruit hij het haar vervaardigde dat Sif noodig had, en hij zeide, dat, zoodra het haar hoofd aanraakte, het er vast zou groeien en als haar eigen haar zou worden.

Nu schijnen zij dood, doch zij raken haar hoofd

En elk haar voelt het leefsap weer gaan,

Door slechtheid noch kunst wordt ooit Sif meer beroofd

Van de lokken die prachtig heur staan.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Loki was zóó ingenomen met deze proeven van de kunst der dwergen, dat hij den zoon van Ivald den handigsten der smeden noemde. Deze woorden werden opgevangen door Brock, een anderen dwerg, die uitriep dat zijn broeder Sindri drie voorwerpen kon maken die de andere, nu in Loki’s handen, te boven gingen, niet slechts in innerlijke waarde maar ook in tooverkracht. Loki daagde onmiddellijk den dwerg uit, zijn kunstvaardigheid te toonen, zijn hoofd verweddend tegen dat van Brock na afloop van de onderneming.


Sif en Thor

J. C. Dollman.

Toen Sindri de weddenschap hoorde nam hij Brocks aanbod om den blaasbalg te blazen aan, waarschuwde hem echter dat hij steeds moest doorwerken en geen oogenblik vertragen als hij wilde dat hij zou slagen, daarop wierp hij wat goud in het vuur en ging de gunst verzoeken van de verborgen machten. Tijdens zijn afwezigheid hanteerde Brock ijverig den blaasbalg, terwijl Loki, in de hoop hem te doen ophouden, zich in een paardenvlieg veranderde en hem hevig in de hand stak. Trots de pijn bleef de dwerg blazen, en toen Sindri terugkeerde trok hij uit het vuur een enorm wild zwijn, Gullin-bursti geheeten, wegens zijn gouden borstels, dat de kracht had licht te verspreiden als het door de lucht schoot, want het kon door de lucht vliegen met verwonderlijke snelheid.

Toen kwam uit het vuur, ongeloofelijk schier,

Gullinbörst, het goudharig wild zwijn,

Dat zou worden de bode des zonnegods,

Vast het eerste dat ooit er zou zijn.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Toen dit eerste stuk werk klaar was, wierp Sindri nog wat meer goud op het vuur, en zette zijn broeder weer aan het blazen, terwijl hij weer op weg ging om tooverhulp te zoeken. Dezen keer stak Loki, nog als paardenvlieg vermomd, den dwerg in zijn wang; maar in weerwil van de pijn werkte Brock door, en toen Sindri terugkeerde, trok hij triomfantelijk uit de vlammen den tooverring Draupnir, het zinnebeeld van vruchtbaarheid, waarvan elken negenden nacht acht gelijke ringen afvielen.

Zij werkten en smeedden met wonder talent

Tot de wondere kracht hij ontving,

Dat er afvielen iederen negenden nacht

Acht stuks van d’ oorspronk’lijken ring.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Nu werd een brok ijzer in de vlammen geworpen, en met vernieuwde oplettendheid dat hun welslagen niet door gebrek aan zorg zou bedorven worden, ging Sindri weg en liet Brock als te voren den blaasbalg hanteeren. Loki was nu in wanhoop en bereidde zich voor tot een laatste poging. Nu, nog in de gedaante van een paardenvlieg, stak hij den dwerg boven het oog, totdat het bloed in zulk een stroom begon te vloeien, dat het hem belette te zien wat hij deed. Snel hief Brock zijn hand op, een seconde maar, en wischte den bloedstroom weg; maar hoe kort de stoornis ook was, zij bewerkte onherstelbaar letsel, en toen Sindri zijn werk uit het vuur trok, uitte hij een kreet van teleurstelling want de hamer, dien hij had gemaakt, was te kort van handvat.

En de dwerg hief uit pijn zijn hand op naar ’t oog,

Voor het ijzer gesmeed was dit keer,

En hij merkte: het heft was een duim slechts te kort,

Maar verand’ren kon hij ’t niet meer.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Trots de mislukking was Brock er zeker van dat hij de weddingschap zou winnen, en hij aarzelde niet naar de goden in Asgard te gaan, waar hij Odin den ring Draupnir gaf, Frey het wild zwijn Gullin-Bursti, en Thor den hamer Miölnir, welks macht niemand kon weerstaan.

Loki gaf op zijn beurt de speer Gungnir aan Odin, het schip Skidbladnir aan Frey, en het gouden haar aan Thor; maar ofschoon dit laatste onmiddellijk ging groeien op Sif’s hoofd en men eenstemmig verklaarde dat het schooner was dan hare eigen lokken ooit geweest waren, beslisten de goden dat Brock de weddingschap had gewonnen op grond dat de hamer Miölnir, in Thors handen, onschatbaar zou blijken tegen de vorstreuzen op den laatsten dag.

En aan hun hoofd kwam Thor,

Beurend zijn hamer, dien de reuzen kenden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Om zijn hoofd te redden, vluchtte Loki hals over kop, maar werd ingehaald door Thor die hem terugbracht en aan Brock gaf, met de woorden echter, dat, ofschoon Loki’s hoofd hem rechtens toekwam, hij zijn hals niet moest aanraken. Dus in zijn volledige wraakoefening belemmerd, besloot de dwerg Loki te straffen door zijn lippen samen te naaien, en daar zijn zwaard ze niet kon doorboren, leende hij tot dit doel zijns broeders els. Loki echter, na een poosje den spot der goden stilzwijgend verdragen te hebben, deed zijn best den draad door te krijgen en was spoedig weer even spraakzaam als ooit.

In weerwil van zijn geweldigen hamer werd Thor niet gevreesd als de booze god van den storm, die vredige woningen vernielde en den oogst vernietigde door plotselinge hagelslagen en wolkbreuken. De Noormannen geloofden dat hij dien enkel blies tegen ijsreuzen en rotsmuren, deze laatste vergruizend om de aarde vruchtbaar te maken en te zorgen dat zij een rijken oogst zou schenken aan de landbouwers.

In Duitschland, waar de oostelijke stormen altijd koud en verwoestend zijn, terwijl de westelijke warme regens en zacht weer brengen, geloofde men dat Thor altijd van het Westen naar het Oosten reisde om de booze geesten te bestrijden die het land gaarne zouden hebben gewikkeld in ondoordringbare nevelsluiers en ze in ijsboeien hebben vastgelegd.

Thors Reis naar Jötun-heim.

Inhoudsopgave

Daar de reuzen van Jötun-heim voortdurend koude winden zonden om de teedere knoppen te kwetsen en den groei der bloemen te belemmeren, besloot Thor nog eens op het pad te gaan en hen tot beterschap te dwingen. Vergezeld door Loki ging hij uit in zijn wagen, en na een geheelen dag te hebben gereden kwamen de goden bij het vallen van den avond aan de grenzen van de wereld der reuzen, waar zij in een boerenhut, die zij ontdekten, besloten te toeven om er te rusten en zich te verfrisschen.

Hun gastheer was gastvrij maar heel arm, en Thor, ziende dat hij ternauwernood het noodige voedsel zou kunnen verschaffen om zijn geenszins kleinen eetlust te bevredigen, slachtte zijn beide geiten, die hij kookte en toebereidde, waarna hij zijn gastheer en diens familie uitnoodigde vrijelijk mee te eten van de dus verstrekte spijs, terwijl hij hen echter waarschuwde al de beenderen, zonder ze te breken, in de huiden van de geiten te werpen die hij op den vloer had uitgespreid.

De boer en zijn gezin aten met graagte, maar zijn zoon Thialfi, aangemoedigd door den boozen Loki, waagde een van de beenderen te breken en het merg uit te zuigen, denkende dat zijn ongehoorzaamheid niet zou worden ontdekt. Den volgenden morgen echter sloeg Thor, die tot zijn vertrek gereed was, de geitenhuiden met zijn hamer Miölnir, en onmiddellijk sprongen de geiten even levend als te voren op, behalve dat een wat lam scheen. Bespeurend dat men zijn geboden niet gehoorzaamd had, wilde Thor in zijn boosheid de heele familie vermoorden. De schuldige bekende echter en de boer bood aan, om het verlies goed te maken, den toornigen god niet alleen zijn zoon Thialfi, maar ook zijn dochter Roskva te geven, om hem voor goed te dienen.

Thor droeg den man op goed te zorgen voor de geiten die hij daarachter liet totdat hij terugkwam, en beval de jonge boeren hem te vergezellen; daarop ging hij met Loki te voet verder, en, na den geheel en dag gezworven te hebben, bereikte hij bij het vallen van den avond een koud en kaal land, dat in bijna ondoordringbaren nevel was gehuld. Na eenigen tijd te hebben gezocht zag Thor door den mist de vage omtrekken van wat uitzag als een vreemd gevormd huis. Het open portaal daarvan was zóó ruim en hoog dat het den geheelen eenen kant van het huis scheen te beslaan. Toen zij er binnentraden en er vuur nog licht vonden, wierpen Thor en zijn makkers zich moe op den vloer om te slapen, maar werden spoedig ontrust door een eigenaardig gedruisch, en een langdurig beven van den grond onder hen. Vreezend dat het geheele dak gedurende deze aardbeving zou neervallen, vluchtten Thor en zijn makkers in een vleugel van het gebouw, waar zij weldra in diepen slaap vielen. Toen de dag aanbrak, gingen de god en zijn makkers naar buiten, maar zij waren nauwelijks op weg of zij zagen dat een reus lag te slapen en ontdekten dat de eigenaardige geluiden, die hun rust hadden gestoord, teweeggebracht werden door zijn gesnork. Op dat oogenblik werd de reus wakker, stond op, rekte zich uit, keek rond naar zijn eigendom dat hij kwijt was, en nam een seconde later het ding op dat Thor en zijn gezellen in het donker ten onrechte voor een huis hadden gehouden. Toen bespeurden zij met verbazing dat dit niets anders was dan een groote handschoen en dat de vleugel waarin zij allen hadden geslapen de afgezonderde plaats was voor den grooten duim van den reus! Vernemend dat Thor en zijn makkers op weg waren naar Utgard, zooals het gebied der reuzen ook heette, stelde Skrymir, de reus, voor hun gids te zijn; en na den geheelen dag met hen te hebben gewandeld, bracht hij hen, toen de avond viel, op een plaats, waar hij hen voorstelde te rusten. Maar eer hij ging liggen bood hij hun de proviand in zijn knapzak aan. Maar trots hun ingespannen poging konden noch Thor noch zijn makkers de knoopen losmaken die Skrymir had gelegd.

Skrymir riemen

Schenen te hard

Toen gij het voedsel niet krijgen kondet,

Toen gij, gezond, van honger stierft.

Saemunds Edda.

Utgard-Loki.

Inhoudsopgave

Boos over zijn gesnork, dat hem wakker hield, deelde Thor hem driemaal geweldige slagen toe met zijn hamer. Deze slagen, echter, in plaats van het monster te vernietigen, hadden niet meer uitwerking op den slapende dan wanneer een stukje boomschors of een takje van een vogelnest boven op zijn gezicht was gevallen. Vroeg in den morgen verliet Skrymir Thor en zijn makkers, en wees hun den kortsten weg naar Utgard-Loki’s kasteel, dat van groote ijsblokken gebouwd was, met hooge schitterende ijskegels als pilaren. De goden slopen tusschen de sluitboomen van de groote poort door en gingen moedig naar den koning der reuzen, Utgard-Loki, die hen herkende en dadelijk beweerde heel verwonderd te zijn over hun kleine gestalte, en den wensch uitdrukte te zien wat zij wel konden, daar hij dikwijls hun wakkerheid had hooren roemen.

Loki, die langer had gevast dan hij wenschte, zei onmiddellijk dat hij bereid was met wien dan ook een wedstrijd te houden in het eten. Dus liet de koning een grooten houten trog vol vleesch in de hal brengen, en zette Loki aan den eenen kant en zijn kok Logi aan den anderen, en beval hun te laten zien wie het zou winnen. Ofschoon Loki wonderen deed en weldra het midden van den trog bereikte, bespeurde hij dat, terwijl hij zelf de beenderen had schoongekluifd, zijn tegenpartij die beenderen had verslonden mét den trog.

Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei dat zij blijkbaar in het eten niet heel sterk waren, en dit prikkelde Thor zoo, dat hij verklaarde dat, indien Loki niet kon eten als de gulzige kok, hij stellig het grootste vat in huis zou kunnen leegdrinken, zoo onleschbaar was zijn dorst. Onmiddellijk werd een horen binnengebracht, en Utgard-Loki zeide dat goede drinkers dien in een teug leegden, matig dorstige personen in twee teugen en kleine drinkers in drie. Thor zette nu zijn lippen aan den rand, maar ofschoon hij een zóó diepe teug nam dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan den rand toen hij zijn hoofd ophief. Een tweede en derde poging om dezen horen te ledigen bleek al even weinig succes te hebben. Thialfi stelde toen een wedloop voor, maar een jonge kerel, Hugi geheeten, die het tegen hem opnam, kwam hem weldra voorbij, ofschoon Thialfi heel vlug liep.

Thor stelde vervolgens voor zijn kracht te toonen door gewichten op te tillen, en werd uitgedaagd de kat van den reus op te nemen. Hij nam een kans te baat om zijn gordel Megin-giörd, die zijn kracht in hooge mate vermeerderde, vast te maken en trok toen en deed zijn best, maar kon enkel een harer poten van den vloer oplichten.

Sterk is Thor, buiten kijf, als Megin-garder

Hij dicht sluit om zijn rotsge lend’nen heen.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Een laatste poging van zijn kant om te worstelen met Udgard-Loki’s oude voedster Elli, de eenige partij die men een zoo nietigen kerel waardig keurde, eindigde even ongelukkig, en toen de goden bekenden, dat zij verslagen waren, werden zij gastvrij onthaald. Den volgenden morgen werden zij begeleid tot de grenzen van Utgard, waar de reus hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij nooit meer hem zouden uitdagen, daar hij genoodzaakt was geweest toovermacht tegen hen te gebruiken. Hij vertelde toen dat hij de reus Skrymir was, en dat, had hij de voorzorg niet genomen een berg te zetten tusschen zijn hoofd en Thors slagen, terwijl hij schijnbaar lag te slapen, hij gedood zou zijn, evenals diepe kloven in de berghelling, waarop hij wees, getuigden van de kracht van den God. Verder deelde hij mede dat Loki’s tegenpartij Logi was (wild vuur); dat Thialfi een wedloop had gehouden met Hugi (gedachte), den allersnelsten looper; dat Thors drinkhoren was verbonden met den oceaan, waar zijn diepe teug een aanmerkelijke ebbe had veroorzaakt, dat de kat in werkelijkheid de verschrikkelijke Midgardslang was die de wereld omgordt, welke Thor bijna uit de zee had getrokken; en dat Elli, zijn voedster, de ouderdom was die niemand kon weerstaan. Toen hij deze woorden geëindigd had en hen had gewaarschuwd nooit weer terug te keeren, of hij zou zich zelf verdedigen door gelijke toovenarijen, verdween Utgard-Loki, en ofschoon Thor vertoornd zijn hamer zwaaide en zijn kasteel had willen verbrijzelen, omhulde dit een nevel zoo dicht dat het niet zichtbaar was, en de dondergod was genoodzaakt terug te keeren naar Trud-vang zonder dat hij zijn bedoelde heilzame les aan het geslacht der reuzen gegeven had.

En zwaar gewapend ging

Wel dikwijls Thor den weg naar Jötun-heim

Maar trots zijn gordel, trots zijn stalen mantel

Zit steeds nog Udgard-Loki op zijn troon,

Kwaad, zelf en kracht, gaat voor geen kracht op zij.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Thor en Hrungnir.

Inhoudsopgave

Odin zelf ijlde eens door de lucht op z’n achtpootig paard Sleipnir, toen hij de aandacht trok van den reus Hrungnir die een wedloop voorstelde, zeggende dat Gullfaxi zijn paard Sleipnir in snelheid evenaarde. In de hitte van den strijd merkte Hrungnir de richting niet waarin zij gingen, totdat, in de ijdele verwachting dat hij Odin zou inhalen, hij zijn paard voortdreef tot de poorten van het Valhalla. Toen hij ontdekte waar hij was, werd de reus bleek van angst, want hij wist dat hij zijn leven op het spel had gezet door zich in de burcht van de goden, zijn erfvijanden, te wagen.


Thor en de Berg

J. C. Dollman.

De Aesir echter stonden te hoog om zelfs bij een vijand van tegenspoed te profiteeren, en in plaats van hem kwaad te doen, noodigden zij hem in hun eethallen, waar hij flink begon te drinken van de hemelsche mee die voor hem werd neergezet. Hij werd al spoedig zóó opgewonden dat hij zich op zijn macht begon te beroepen en verklaarde dat hij eens zou komen en Asgard in bezit nemen, dat hij met de goden samen vernielen zou, behalve Freya en Sif, naar wie hij met bewonderenden blik keek.

De goden die wisten dat hij niet toerekenbaar was, lieten hem ongehinderd doorpraten, maar Thor, die toen juist van een zijner reizen thuis kwam en die zijn dreigement hoorde, dat hij de beminde Sif zou weghalen, werd vreeselijk woedend. Hij zwaaide razend zijn hamer met het doel den grootspreker te vernietigen. Dit wilden de goden echter niet toestaan en wierpen zich snel tusschen den toornigen Thor en zijn gast, terwijl zij Thor smeekten de heilige rechten der gastvrijheid te eeren, en hun vreedzame plaats niet te ontheiligen door het vergieten van bloed.

Thor werd ten slotte er toe gebracht zijn toorn te breidelen, maar hij vroeg dat Hrungnir tijd en plaats zou aangeven voor een “holmgang” zooals een noorsch tweegevecht gewoonlijk werd genoemd. Dus uitgedaagd beloofde Hrungnir Thor te zullen treffen te Griottunagard, de grenzen van zijn gebied, drie dagen later, en vertrok wat ontnuchterd door den schrik, dien hij had gekregen. Toen zijn medereuzen hoorden hoe onnadenkend hij was geweest, scholden zij hem erg uit; maar zij overlegden samen hoe het beste te maken van den leelijken toestand. Hrungnir vertelde hun dat hij het voorrecht mocht hebben vergezeld te zijn door een krijger met wien Thialfi zou vechten, en daarom gingen zij een wezen maken uit klei, negen mijlen lang en naar evenredigheid breed, dat zij Mokerkialfi (nevelwader) noemden. Daar zij geen menschelijk hart konden vinden dat groot genoeg was om het in de borst van dit monster te steken, namen zij dat van een merrie, dat echter van vrees sidderde en beefde. De dag van het tweegevecht kwam. Hrungnir en zijn krijger wachtten op het terrein de aankomst van hun respectieve partijen. De reus had niet alleen een steenen hart en schedel, maar ook een schild en knots van dezelfde stof, en hield zich daarom bijna voor onoverwinlijk. Thialfi kwam voor zijn meester en kort daarop was er een heftig gedruisch en geschud waardoor de reus merkte dat zijn vijand door den grond zou komen en hem van onder aanvallen. Hij volgde dus een wenk van Thialfi en stond op zijn schild.

Een oogenblik later zag hij echter zijn vergissing, want, terwijl Thialfi Mokerkialfi aanviel met een spade, kwam Thor plotseling op het tooneel en wierp zijn hamer vlak naar het hoofd van zijn tegenpartij. Hrungnir hield, om den slag af te weren, zijn steenen knots, die in stukken over de aarde vloog en oorzaak werd van al de keiën welke men er later zou vinden, en een stuk drong diep in Thors voorhoofd. Toen de god bewusteloos ter aarde viel, kraakte zijn hamer tegen het hoofd van Hrungnir, die dood naast hem neerviel, in dier voege dat een zijner zware beenen over den god kwam te liggen.

Gij doet mij denken nu

Hoe ik met Hrungnir vocht,

Dien stoutmoedigen Jötun,

Wiens hoofd was gansch van steen;

Toch deed ik hem vallen

En voor mij tuim’len.

Saemunds Edda.

Thialfi die intusschen had afgerekend met den grooten reus van klei met zijn laf merriehart, ijlde nu zijn meester te hulp, maar zijn pogingen waren vruchteloos, en ook konden de andere goden, die hij snel te hulp riep, het belemmerende been niet oplichten. Toen zij daar stonden, zich hulpeloos verbazend wat zij verder zouden doen, kwam Thors zoontje, Magni, aan. Volgens verschillende berichten was hij toen slechts drie dagen of drie jaar oud, maar hij greep snel den voet van den reus, en, zonder dat iemand hem hielp, bevrijdde hij zijn vader, zeggend dat indien men hem slechts eerder had geroepen hij met beiden, reus en krijger, zou hebben afgerekend. Deze openbaring van kracht verbaasde de goden zeer, en deed hun de waarheid merken van de verschillende voorspellingen, die alle verklaarden dat hun afstammelingen machtiger zouden zijn dan zij, hen zouden overleven en op hun beurt over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde zouden regeeren.

Om zijn zoon te beloonen voor zijn tijdige hulp gaf Thor hem het ros Gullfaxi (goud-manig), dat hem krachtens recht van buitmaking toekwam, en Magni reed voortaan steeds op dit wonderbare paard, dat bijna den beroemden Sleipnir evenaarde in snelheid en weerstandsvermogen.

Groa, de toovenares.

Inhoudsopgave

Na een vergeefsch pogen om den steensplinter uit zijn voorhoofd te verwijderen, keerde Thor bedroefd naar Thrud-vang terug, waar Sifs liefderijke pogingen even weinig succes hadden. Zij besloot dus om Groa (groenmaakster) te zenden, een toovenares, beroemd om hare bedrevenheid in de geneeskunst en om de kracht harer tooverformulen en bezweringen. Groa verklaarde zich dadelijk bereid alles wat in haar vermogen was te doen om den god te helpen, die zoo vaak haar terwille was geweest, en begon plechtig voor te dragen machtige runen, onder welker invloed Thor den steen losser en losser voelde worden. Zijn vreugde bij het uitzicht op een spoedige verlossing deed Thor wenschen de toovenares direct te beloonen, en wetend dat niets grooter genot kon geven aan een moeder dan het uitzicht een langverloren kind terug te zien, ging hij haar vertellen dat hij pas den Elivagar of ijsstroom had overgestoken, om haar zoontje Orvandil (zaad) uit de wreede macht der reuzen te bevrijden, en dat hij er in geslaagd was hem in een mandje mee te voeren. Maar daar de kleine ondeugd volhield een van zijn bloote teenen door een gat in de mand te steken, was deze bevroren, en Thor brak hem toevallig af en wierp hem in de lucht, waar hij als een ster zou schijnen, in het Noorden als “Orvandils Teen” bekend.

Verheugd bij dit nieuws hield de profetes met hare bezweringen op om haar blijdschap uit te drukken, maar daar zij juist vergeten was waar zij was gebleven, kon zij haar betoovering niet voortzetten en de keisteen bleef in Thors voorhoofd zitten waar hij nimmer kon worden uitgehaald.

Daar Thors hamer hem altijd zulke goede diensten bewees werd deze het meest van alles wat hij had geprezen, en groot was zijn teleurstelling toen hij op zekeren morgen wakker werd en de hamer weg bleek. Zijn kreet van toorn en teleurstelling riep Loki weldra aan zijn zijde en hem vertrouwde Thor het geheim van zijn verlies toe, zeggende dat als de reuzen er achter kwamen zij weldra Asgard zouden trachten te bestormen en de goden te vernielen.

Toornig werd Thor, ontwaakt nu weer,

En vond zijn trouwe knots niet meer,

Hij fronsde ’t hoofd, hij streek zijn baard,

Toen keek rondom de zoon der aard,

En daar hij sprak dit woord vóór al:

“Nu luister wat ’k u zeggen zal,

Wat god noch mensch weet, leer ik u:

Weg is mijn knots, wat moet ik nu?”

Thryms Quida.

Thor en Thrym.

Inhoudsopgave

Loki zeide dat hij zijn best zou doen om den dief te ontdekken en den hamer terug te vinden, als Freya hem haar valkenveeren wilde leenen, en hij haastte zich onmiddellijk naar Folkvang om ze te vragen. Zijn reis had succes, en in de gestalte van een vogel vloog hij toen over de rivier Ifing en over de kale uitgestrektheid van Jötun-heim, waar hij vermoedde dat de dief zich ophield. Daar zag hij Thrym, heer der vorstreuzen en god van den verwoestenden donder, alleen aan een heuvelhelling zitten. Hem listig uitvragend, kwam hij spoedig te weten dat Thrym den hamer had gestolen en hem diep onder den grond begraven had. Bovendien merkte hij dat er weinig kans was hem terug te krijgen tenzij Freya hem gebracht werd als een vogel uitgedost.

Ik houd des Dond’rers knots bewaard

Acht meters diep beneden d’ aard;

Geen is er die mij hem zal ontstelen

Als hij Freya niet brengt om mijn bed te deelen.

Thryms Quida.

Verontwaardigd over de laatdunkendheid van den reus, keerde Loki terug naar Thrud-vang, maar Thor meende dat het goed zou zijn Freya op te zoeken en te trachten haar over te halen dat zij zich zou opofferen ten algemeenen nutte. Maar toen de Aesir de godin der schoonheid vertelde wat hij van haar wilde, werd zij zóó woedend dat haar halsketting barstte. Zij zeide hem dat zij nooit haren geliefden echtgenoot zou verlaten voor welken god ook, veel minder een afschuwelijken reus huwen en in Jötun-heim wonen, waar alles uiterst somber was, en waar zij spoedig zou sterven aan heimwee naar de groene velden en de bloemrijke weiden, waarin zij zoo gaarne rondzwierf. Ziende dat verdere overreding vruchteloos zou zijn, keerden Loki en Thor huiswaarts en overlegden er een ander plan om den hamer terug te krijgen. Op Heimdall’s raad, die echter slechts met grooten tegenzin werd aangenomen, leende Thor de kleeren van Freya en haar halsketting, trok deze aan en wikkelde zich in een dichten sluier. Nadat Loki zich als een kamenier had vermomd, steeg hij met hem in den wagen, met geiten bespannen, en het vreemd uitgedoste paar vertrok naar Jötun-heim, waar zij de respectieve rollen zouden spelen van de godin der schoonheid en hare dienstbare.

Naar huis gedreven

Werden de geiten,

Gespannen voor de kar;

Vlug moest het gaan—

De bergen dreunden,

De aarde stond in vlam;

Odins zoon

Reed naar Jötun-heim.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thrym heette zijn gasten welkom aan de deur van het paleis, zeer verheugd bij de gedachte, dat hij weldra in het volle bezit zou zijn van de godin der schoonheid, naar wie hij lang te vergeefs had gezucht. Hij voerde hen vlug naar de eetzaal, waar Thor, de uitverkoren bruid, zich onderscheidde door een os op te eten, acht groote zalmen, en al de koeken en zoetigheden die voor de vrouwen bestemd waren, terwijl hij deze verschillende gerechten wegspoelde met den inhoud van twee vaten mee. De reus-bruidegom sloeg deze gastronomische daden gade met verwondering, waarop Loki, om hem gerust te stellen, vertrouwelijk fluisterde dat de bruid zóó verliefd op hem was, dat zij in meer dan acht dagen niet in staat was geweest een bete te nuttigen. Thrym trachtte toen de bruid te kussen, maar week terug, ontsteld door het vuur van haar blik, dien Loki uitlegde als een brandenden liefdeblik. Op de zuster van den reus, die om de gewone geschenken vroeg, werd niet eens gelet; daarom fluisterde Loki den verbaasden Thrym weer toe dat liefde de menschen afgetrokken maakt. Opgewonden door hartstocht en mee, die ook hij in groote hoeveelheden had gedronken, beval de bruidegom zijn dienaren nu den heiligen hamer te brengen ten einde het huwelijk in te zegenen, en zoodra hij er was legde hij hem in den vermeenden schoot van Freya. Dadelijk greep een sterke hand het korte handvat, en weldra werden de reus, zijn zuster, en al de genoodigde gasten verslagen door den vreeslijken Thor.

“Haal nu den hamer, breng hem der maagd

En leg hem neer op den schoot der vrouw”,

De Dond’rer lacht, stil verblijd,

Toen de hamer werd op zijn schoot geleid,

Eerst bracht hij Thrym, den koning, om,

En verder al de reuzen rondom.

Thryms Quida.

Een rookende puinhoop achterlatend reden de goden toen snel naar Asgard terug, waar de geleende kleederen aan Freya werden teruggegeven, zeer tot verlichting van Thor, en de Aesir zich verheugde over de ontdekking van den kostbaren hamer. Toen later Odin keek naar dien kant van Jötun-heim van zijn troon Hlidskialf, zag hij de ruïnen bedekt met teedere groene spruiten, want Thor had, na zijn vijand overwonnen te hebben, zijn land in bezit genomen, dat voortaan niet langer kaal en woest zou blijven maar in overvloed vrucht voortbrengen zou.

Thor en Geirrod.

Inhoudsopgave

Loki leende eens Freya’s valkengewaad en vloog uit op zoek van avonturen naar een anderen kant van Jötun-heim, waar hij ging zitten boven op den gevel van Geirrods huis. Hij trok al spoedig de aandacht van dezen reus, die een van zijn knechten beval den vogel te vangen. Loki had vermaak in de onhandige pogingen van den man om hem te pakken en vloog van plaats tot plaats, zich enkel bewegend juist wanneer de reus op het punt was hem te grijpen, toen hij zich vergiste in den afstand en hij plotseling merkte dat hij gevangen was.

Aangetrokken door de schitterende oogen van den vogel keek Geirrod er oplettend naar en besloot dat het een god was in vermomming, en toen hij zag dat hij hem niet tot spreken kon dwingen, sloot hij hem in een kooi, waar hij hem drie heele maanden hield zonder spijs of drank. Ten slotte door honger en dorst genoopt vertelde Loki wie hij was en herkreeg zijn vrijheid door te beloven dat hij Thor zou overhalen Geirrod te bezoeken zonder zijn hamer, gordel of magischen handschoen. Loki vloog toen naar Asgard terug en zei Thor dat hij koninklijk was onthaald en dat zijn gastheer een sterk verlangen had te kennen gegeven om den machtigen dondergod te zien, van wien hij zulke wonderbare verhalen gehoord had. Gevleid door deze listige woorden stemde Thor toe in een vriendschappelijken tocht naar Jötun-heim, en de twee goden vertrokken, de drie wapenen thuis latend. Zij waren nog niet ver gekomen, toen zij het huis bereikten van Grid, een van Odins vele vrouwen. Toen zij zag dat Thor ongewapend was, waarschuwde zij hem zich in acht te nemen voor verraad en leende hem haar eigen gordel, staf en handschoen. Korten tijd daarna verlieten Thor en Loki haar en kwamen aan de rivier Veimer, die de Donderaar, het waden gewoon, wilde doorloopen, terwijl hij Loki en Thialfi zich liet vasthouden aan zijn gordel.


Geirrod neemt Loki gevangen

Patten Wilson.

Maar midden in den stroom greep hem een plotselinge wolkbreuk en vloed; de wateren begonnen te rijzen en te bruischen, en, ofschoon Thor stevig op zijn staf leunde, werd hij bijna weggezweept door de kracht van den woedenden stroom.

Was niet, Veimer,

Nu ’k doorwaden u wil

Naar des reuzen land!

Weet als gij wast,

Wast mijn godensterkte

Hoog als de hemelen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thor bespeurde nu dat stroomop Geirrods dochter Gialp zich bevond, en terecht vermoedend dat zij den storm veroorzaakte, nam hij een zwaren kei en gooide haar daarmee, mompelend dat de beste plaats om een rivier af te dammen bij haar bron was. Het werptuig had de bedoelde uitwerking, want de reuzen vluchtten, de wateren vielen, en Thor, uitgeput maar gered, trok zich op den anderen oever aan een kleinen struik op, den bergesch of sorbe. Deze staat sedert bekend als “Thors redding” en verborgen machten worden er aan toegeschreven. Na een poos rusten hervatten Thor en zijn makkers hun reis; maar toen zij aan Geirrods huis kwamen was de god zóó uitgeput dat hij moe neerviel op den eenigen stoel die er was. Maar tot zijn verbazing voelde hij hem onder zich oprijzen, en, vreezende dat hij tegen de balken zou verpletterd worden, stiet hij den geleenden staf tegen den zolder en drukte den stoel met alle macht naar beneden. Toen volgden een geweldig gekraak, plotselinge kreten en zuchten van pijn; en toen Thor aan het onderzoeken ging, bleek het dat de dochters van den reus, Gialp en Greip, onder zijn stoel waren geslopen om hem verraderlijk te vermoorden, en dat zij een verdiend loon hadden gekregen en beiden verpletterd waren.

Eens gebruikte ik

Mijn asa-macht

In het reuzenland,

Toen Gialp en Greip

Mij naar boven tilden.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Geirrod verscheen nu en daagde Thor uit tot een proeve van kracht en handigheid, maar zonder te wachten op een van te voren afgesproken teeken wierp hij hem met een rood-gloeiende wig. Thor, vlug van oogen en een ervaren opvanger, ving het werptuig op met den ijzeren handschoen van de reuzin en sloeg het terug naar zijn tegenpartij. Zóó groot was de kracht van den god, dat het ding niet alleen heenging door den pilaar waarachter de reus gevlucht was, maar door hem zelf heen en door den muur van het huis, en diep in den grond buiten, zich begroef.

Thor ging toen naar het lijk van den reus, dat op den slag van zijn wapen versteend was, en zette het op een zichtbare plaats, als een herinnering aan zijn kracht en aan de overwinning, die hij behaald had op zijn verschrikkelijke vijanden, de bergreuzen.

De vereering van Thor.

Inhoudsopgave

Thors naam is gegeven aan vele plaatsen die hij dikwijls bezocht, zooals de voornaamste haven van de Faroe-eilanden, en aan geslachten die beweren van hem af te stammen. Hij komt nog voor in namen als Thunderhill in Surrey, en in de geslachtsnamen Thorburn en Thorwaldsen, maar is het duidelijkst in den naam van een der dagen van de week, Thors dag of Thursday (Donderdag).

Over heel d’ aard

Is het nog Thors dag.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thor werd beschouwd als een buitengewoon goede god, en daarom werd hij in zoo breeden kring gehuldigd en rezen tempels hem ter eere op in Moeri, Hlader, Godey, Gothland, Upsala en op andere plaatsen, waar het volk nooit verzuimde hem te smeeken op Yuldag, zijn hoofdfeest, om een gunstig jaar. Men was gewoon dien dag een groot blok van een eik, den hem geheiligden boom, te branden, als een zinnebeeld van de warmte en het licht van den zomer, die zouden verdrijven de duisternis en de koude van den winter.

Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefkoosde kleur, die als het zinnebeeld van de liefde gold, en om dezelfde reden waren verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rooden steen voorzien.

Thors tempels en beelden waren, evenals die van Wodan, uit hout gemaakt, en het meerendeel er van werd vernield gedurende de regeering van koning Olaf den Heilige. Volgens oude kronieken dwong deze vorst zijn onderdanen met geweld Christen te worden. Hij was vooral boos op de bewoners van een zekere provincie, omdat zij een ruw beeld van Thor dienden, dat zij met gouden versierselen bedekten, en waarvoor zij iederen avond voedsel neerzetten, bewerend dat de god het opat, daar er den volgenden morgen geen spoor meer van over was.

Toen de bevolking werd aangezegd in 1030, dat zij dit beeld moest verloochenen ten gunste van den waren god, beloofde zij dit te zullen doen als den volgenden dag de lucht bewolkt was; maar toen na een heelen nacht, dien Olaf in vurig gebed had doorgebracht, er een bewolkte dag volgde, zeide het obstinate volk nog niet overtuigd te zijn van Gods macht, en enkel te zullen gelooven als de zon den volgenden dag scheen.

Opnieuw bracht Olaf den nacht biddend door, maar, toen de morgen daagde, was tot zijn groote spijt de lucht bewolkt. Niettemin verzamelde hij het volk bij Thors standbeeld, en na heimelijk zijn eersten dienstman te hebben opgedragen het beeld met zijn strijdbijl te verbrijzelen als het volk een oogenblik de oogen afwendde, begon hij het toe te spreken. Plotseling, toen allen aan het luisteren waren, wees Olaf naar den horizon, waar de zon langzaam door de wolken brak, en riep uit “Zie onzen God!” Het heele volk keerde zich om, om te zien wat hij bedoelde en de dienstman benutte deze gelegenheid om het beeld aan te vallen, dat gemakkelijk voor zijn slagen bezweek, en een menigte muizen en ander ongedierte kwamen haastig uit zijn inwendige, dat hol was, te voorschijn. Toen de menschen zagen dat het voedsel, door hen geplaatst voor hun god, was verslonden door schadelijke dieren alleen, hielden zij op Thor te vereeren, en namen voor goed het geloof aan, dat koning Olaf hun zoo lang en te vergeefs had willen opdringen.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ekim 2024
Hacim:
468 s. 65 illüstrasyon
ISBN:
4064066313692
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar