Kitabı oku: «Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)»

Yazı tipi:

H. B. Cotterill

Italië in de Middeleeuwen: Gedurende duizend jaar (305-1313)


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400484

Inhoudsopgave

Voorrede.

Voorrede van den Schrijver

Kaarten.

Platen.

Illustraties in den tekst.

Eerste Deel.

Historisch Overzicht.

305–476.

Hoofdstuk I.

Waarom het Keizerrijk gevallen is.

Hoofdstuk II.

De Barbaren.

Hoofdstuk III.

Christendom en Heidendom.

Hoofdstuk IV.

Theodosius de Katholieke.

Hoofdstuk V.

Stilicho, Alarik en Placidia.

395–450

Hoofdstuk VI.

Attila de Hun.

Hoofdstuk VII.

Van Gaiserik tot Odovacar.

Het Einde van Romulus Augustulus.

Tweede Deel.

Historisch Overzicht.

476–568.

I. Odovacar’s regeering (476–’93) .

II. De Heerschappij der Oost-Goten (493–535) .

III. De Gotische oorlog. (535–’53) .

IV. De Byzantijnsche Overheersching.

Hoofdstuk I.

Theoderik.

Hoofdstuk II.

De schrijvers.

Hoofdstuk III.

St. Benedictus.

Hoofdstuk IV.

Justinianus.

Derde Deel.

Historisch Overzicht.

568–800.

Hoofdstuk I.

Gregorius de Groote.

Hoofdstuk II.

Bouwkunst en Mozaïekwerk.

300–800.

Basilieken.

Byzantijnsche Bouwkunst.

Mozaïek.

Romeinsch-Longobardische Bouwkunst (Vroeg-Romaansch)

Hoofdstuk III.

Venetië en andere steden.

Hoofdstuk IV.

Karel de Groote te Rome.

De Basiliek van St. Pieter.

De Donaties.

Aanteekening over de Byzantijnsche keizers

800–1453.

Vierde Deel

Historisch Overzicht

800–1190.

(1) De Karolingers (800–888) .

(2) Zoogenaamde Italiaansche Koningen en Keizers (888–962) .

(3) De Saksische Keizers (962–1024) .

(4) De Frankische Keizers (1024–1125) .

(5) Keizers der Hohenstaufen.

Hoofdstuk I.

De Donkere eeuwen.

De Reliquieën-Manie.

“Pausin Johanna”.

Een Lijk gedagvaard voor een Synode .

Het lot van den tegenpaus Johannes XVI .

Hoofdstuk II.

De Noormannen.

Hoofdstuk III.

De opkomst der republieken.

tot c. 1200.

Venetië (800–1200) .

Milaan.

Florence (tot 1200)

Hoofdstuk IV.

Romaansche bouwkunst .

800–1200.

Lombardije en Emilia.

Toskane.

Midden- en Zuid-Italië.

Sicilië.

1050–1200.

Vijfde Deel

Historisch Overzicht

1190–1313.

(1) Hendrik VI.

(2) Paus Innocentius III.

(3) Frederik II.

(4) Manfred en Karel van Anjou.

(5) Konradijn en Karel van Anjou.

(6) Karel van Anjou en de Siciliaansche Vesper.

(7) Van den Siciliaanschen Vesper tot den vrede van Caltabellotta.

(8) Rome van 1285 tot 1303. Bonifacius VIII.

(9) Hendrik VII van Luxemburg.

Aanteekening over Dante en Hendrik VII.

Hoofdstuk I.

Godsdienstige stroomingen.

c. 1200–1300.

Hoofdstuk II.

De republieken en “Signorie”

tot c. 1320.

Florence (c. 1200–1320) .

Milaan en andere steden (c. 1200–1320) .

Genua en Venetië (c. 1200–1320) .

Hoofdstuk III.

Kunst.

(c. 1200–c. 1320) .

(1) Mozaïeken.

(2) Bouwkunst.

(3) Beeldhouwkunst.

(4) Schilderkunst.

Index.


Dante

Italië in de Middeleeuwen

Gedurende duizend jaar (305–1313)

Een kort historisch overzicht met hoofdstukken over belangrijke gebeurtenissen en personen in verband met godsdienst, kunst en litteratuur

Door H. B. Cotterill M.A.

Bewerkt door Dr P. A. van der Laan

Met een voorrede van Prof. Jhr Dr J. Six

Zutphen—W. J. Thieme & Cie

Voorrede.

Inhoudsopgave

Niet als krijgslieden plachten de Nederlanders naar Italië te trekken. Geen Gothen, geen Longobarden of Vandalen kwamen uit de lage landen aan de zee. Aan de oorlogen van Guelfen en Ghibellijnen hebben zij geen aandeel van beteekenis gehad. Wanneer de legende de Mariakerk te Utrecht laat bouwen als boete voor een kerk te Milaan verwoest, noemt zij een Duitschen Keizer als stichter, geen Nederlander.

Als pelgrims uit het heilige land kwamen zij de Brenner over naar Venetië. Als Roomvaarders bezochten zij Italië voor hun zieleheil. De “Anima”, thans de Duitsche kerk te Rome, is een Nederlandsche stichting.

Ook als kooplieden onderhielden zij goede betrekkingen. De Heeren van Arkel hadden hun fortuin belegd in een bank te Genua. Het meesterwerk van Hugo van der Goes werd door een Italiaansch koopman uit Brugge te Florence gewijd. Een altaarstuk van Memling met soortgelijke bestemming kwam slechts door zeeroof bij de Hanze terecht. Ook bezit Brugge van oudsher een vroeg werk van Michelangelo. Mogen soms Nederlandsche kunstenaars hun eigen aard verloochend hebben onder te sterken Italiaanschen invloed, de van Eycken waarschijnlijk en velen na hen, van Rogier van der Weijden tot Terborgh, hebben in het zuiden alleen hun blik verruimd.

Dat is echter in later dagen dan waarvan Cotterill in dit boek verhaalt. Onze gedachten gaan zoo zelden terug tot de tijden dat Karel de Groote nu voor den Falkhof te Nijmegen zijn paarden zag weiden, om dan weer te Rome als beschermer van het heilige Romeinsche rijk op te treden of dat Frans van Assisi een innige vroomheid predikte, in zijn land aanleiding tot nieuwe wonderen van kunst, in het noorden de bron van die gemoedsstemming, waaruit de hervorming te voorschijn kwam.

Toch is het ook voor ons van belang in dit overzicht van duizend jaren die smeltkroes der volkeren te aanschouwen door de oogen van een man van kennis en smaak en zoo uit het ondergaande Romeinsche rijk het nieuwe Italië te zien herboren worden, niet als een eenheid, eer als een strijd van allen tegen allen, waaruit de republieken te voorschijn kwamen, een vruchtbaren bodem voor kunst en wetenschap.

Wie Dante lezen wil en verstaan zal het niet berouwen in ons vlot geschreven werk, in het begin vooral soms een wat zwaar te verteren hoofdstuk doorworsteld te hebben, noodig voor een beter begrip van wat volgt.

Goed gekozen afbeeldingen roepen de herinneringen op voor wie Italië reeds bezocht, of helpen hen, die dat geluk nog misten aan eenig aanschouwen.

J. Six.

Indien door het lezen van dit werk de studie van het gedicht, dat het bewonderend nageslacht den eeretitel goddelijk heeft gegeven, in breeder kring wordt ter hand genomen, zal ik mijn moeite ruimschoots beloond achten.

Wat mij betreft,

poscia di dí in dí l’amo piu forte.

De Vertaler.

Voorrede van den Schrijver

Inhoudsopgave

Reeds ten tijde van Cicero en Varro”, zegt Gibbon, “waren de Romeinsche augures ervan overtuigd, dat de twaalf gieren, die Romulus had gezien, de twaalf eeuwen voorstelden, die door het noodlot voor het bestaan van zijn stad waren vastgesteld”. Deze voorspelling, zoo lezen wij bij de schrijvers van dien tijd, b.v. bij den dichter Claudianus, vervulde den geest der menschen met somberen angst, toen de twaalfde eeuw van Rome’s bestaan ten einde spoedde en “zelfs het nageslacht moet met eenige verbazing erkennen, dat de verklaring van een toevallige of verdichte gebeurtenis inderdaad bevestigd is door den val van het West-Romeinsche Keizerrijk.” Het overgeleverde jaar van de stichting van Rome is 753 v. Chr. en als wij nu aannemen, dat het Keizerrijk eindigde met de inneming van de stad door den Vandaal Gaiserik en den dood van Valentinianus III, den laatsten Keizer van de dynastie van Theodosius den Groote, welke gebeurtenissen beide plaats vonden in 455 n. Chr., dan is de vervulling van de profetie werkelijk verrassend. En ons geloof aan oude voorspellingen behoeft niet geschokt te worden, indien wij ons gedrongen voelen den eindelijken val van het Keizerrijk ongeveer éen en twintig jaren later te plaatsen, in welke periode niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aanvaardden: ten eerste de moordenaar van Valentinianus, daarna de beschermeling van den Koning der West-Goten te Arles, dan vijf marionetten van den veldheer der barbaren, Ricimer, vervolgens een weinig bekende ambtenaar van het hof, gekozen door een voornaam Bourgondiër, en de negende, een zoon van een Pannonisch soldaat uit Attila’s leger, de “onschadelijke jongeling”, zooals Gibbon hem noemt, die de prachtig klinkende namen van Romulus Augustus (uit medelijden of om hem te bespotten verkleind tot Momullus Augustulus) had geërfd of aangenomen, en die in 476 door den barbaar Odovacar werd onttroond en met beleedigende edelmoedigheid verlof kreeg zich terug te trekken naar een ruime en weelderige gevangenis, de villa, die Marius had laten bouwen en Lucullus had versierd, op de hoogten, waarvan men een uitzicht heeft op de golven van Napels en Baiae.

Dit jaar, 476, wordt algemeen aangenomen als de grens, die het einde aangeeft van de geschiedenis van het oude Rome en het begin van de Italiaansche geschiedenis. Toch zijn sommige schrijvers van meening, dat het “Romeinsche Keizerrijk” onder de Keizers van het Oosten nog voortduurde, ja zelfs nog ongeveer duizend jaar, tot de verovering van Constantinopel door de Turken, in ieder geval nog meer dan driehonderd jaar, totdat het in de macht geraakte van een vrouw, die onmenschelijke ellendelinge, de vrome Irene. Deze gebeurtenis gaf, volgens die schrijvers, den Romeinen het recht de keizerlijke waardigheid door de pauselijke zalving te doen herleven in den persoon van Karel den Groote. Dit herleefde Keizerrijk, dat bleef bestaan tot den dood van Hendrik VII in 1313, toen elk werkelijk verband met Italië verdween, of zelfs, volgens sommige, voortduurde totdat Frans II in 1806 afstand deed van de regeering, was natuurlijk een fictie; maar het geloof aan het zoogenaamde “Heilige Roomsche Rijk” was een feit, dat op de middeleeuwsche geschiedenis van grooten invloed is geweest en door den geschiedschrijver niet kan worden geloochend. Maar welke bewijsgronden ook kunnen aangevoerd worden om deze verschillende opvattingen te steunen, het is eenvoudiger en het ligt meer in de rede aan te nemen, dat het oude Romeinsche Keizerrijk, d.w.z. het uitgestrekte Imperium, waarvan Rome zelf de metropolis was, indien het niet eindigde, toen Constantijn si fece Greco en den keizerlijken zetel van Rome naar Byzantium bracht, of toen de laatste Keizer uit de dynastie van Theodosius te Rome werd vermoord, kort voor de aankomst van den Vandaal Gaiserik, toch te gronde ging, toen in 476 de barbaar Odovacar den jeugdigen Keizer Romulus Augustulus onttroonde en, zoo al niet den titel, dan toch de bevoegheden van een Koning van Italië aanvaardde.

Derhalve kunnen wij aannemen, dat de geschiedenis van het middeleeuwsche Italië begint met het jaar 476. Na dat jaar stond Italië slechts tijdelijk en niet rechtstreeks in verband met het Oostelijke Keizerrijk, dat sommigen het latere Romeinsche Keizerrijk willen noemen, maar dat volgens mij, omdat “Constantinopolitaansch” een lang woord is, beter “Byzantijnsch” genoemd kan worden, vooral ook daar dit woord Oostersch genoeg klinkt, om een geschikte term te zijn in kwesties over kunst en geschiedenis.

Het is waar, dat gedurende een zekere periode dit Byzantijnsche Keizerrijk zijn heerschappij over Rome, dat door den Byzantijnschen Keizer beschouwd werd als een provincie-stad van zijn Italiaansche diocese, en over bijna het geheele schiereiland herstelde, en dat het zijn souvereiniteit in eenige belangrijke Italiaansche steden en landstreken eeuwen lang bewaarde, vooral in het Exarchaat en de zuidelijke marina, zoodat zoo nu en dan de aanwezigheid van de Byzantijnen in Italië ten zeerste onze aandacht zal vragen. Het is ook waar, dat de Byzantijnsche Keizers aanspraak maakten op den titel “Imperator Romanus”1, en dikwijls als zoodanig werden erkend. Bovendien moet men toegeven, dat de geschiedenis van het zoogenaamde Oostelijke Keizerrijk in later tijd, met zijn Grieksche, Syrische, Armenische, Macedonische, Latijnsche, Vlaamsche en Fransche monarchen en dynastiën en met zijn rijke en weelderige uitloopers, bekend als de “Keizerrijken” van Nicaea en Trebizonde, buitengewoon schilderachtig en belangwekkend is.

Evenwel, daar ons onderwerp Italië en niet Byzantium is, zal het beter zijn aan te nemen, dat het werkelijke Romeinsche Keizerrijk eindigde met de onttroning van den laatsten opvolger van Augustus te Rome in 476 en na dat jaar onze aandacht voornamelijk tot Italië te bepalen, terwijl wij slechts nu en dan een blik naar de andere zijde van de Adriatische Zee zullen werpen.

Maar, ofschoon men kan zeggen, dat de geschiedenis van Italië in de middeleeuwen met dat jaar begint, scheen het mij toch raadzaam terug te gaan tot den tijd van Constantijn, om zekere religieuze, staatkundige, artistieke en litteraire eigenaardigheden in haar oorsprong na te speuren, als ook om in staat te zijn uitvoeriger de invallen der barbaren te behandelen. Wanneer dit gebeurd is, blijft de nog moeilijker taak over aan te toonen, hoe, te midden van al die verschillende elementen en krachten, de nieuwe bezieling begon te werken, die, na zoovele eeuwen, in onze dagen eindelijk een Italiaansche natie deed ontstaan. Mijn onderwerp, dat zich uitstrekt tot de eerste dageraad van de nieuwe kunst en litteratuur, beslaat een tijdvak van duizend jaar en het zou een zeer vervelend en nutteloos werk zijn, als ik trachtte mijn bladzijden te vullen met een opsomming van de ontelbare personen, die in een zoo snelle opvolging, in zoo ingewikkelde en vlug veranderende groepen, over het steeds afwisselende tooneel van tien eeuwen voorbijtrekken. Zelfs bij het uitvoerige en heldere verhaal van Gibbon moet de lezer, die geen overvloed van tijd en zeldzame volharding bezit, er dikwijls aan wanhopen zijn weg te vinden in het labyrint van barbaarsche invallen en godsdiensttwisten of in het drama van het Keizerrijk, een drama, dat zoo gecompliceerd is, dat bij meer dan een gelegenheid er niet minder dan zes Keizers tegelijk op de planken verschijnen.

Met het oog op de beperkte ruimte en zulk een overweldigenden menigte van bijzonderheden, moet hij, die iets beters wil geven dan een droge opsomming van namen en gebeurtenissen, een methode vinden, die hem in staat stelt in een samenhangend verhaal de belangrijke historische feiten mede te deelen en die hem toch ook gelegenheid biedt andere belangwekkende dingen op een minder stijve en statistiek-achtige wijze te behandelen, en met vrije hand, om zoo te zeggen, de kale historische omtrekken in te vullen.

De wijze, waarop ik te werk ben gegaan, is de volgende: aan elk van de vijf deelen, waarin mijn onderwerp verdeeld is, heb ik een kort overzicht van de staatkundige gebeurtenissen dier periode laten voorafgaan. Deze overzichten zullen het den lezer mogelijk maken den inhoud van die hoofdstukken te omlijsten (of misschien moet ik zeggen, chronologisch te rangschikken), waarin ik met vrije hand zekere belangrijke episodes en personen heb geschetst, terwijl ik mij moeite heb gegeven, door aanhalingen en beschrijvingen de locale kleur zooveel mogelijk tot haar recht te laten komen.

Aldus kon ik vermijden, dat mijn verhaal onderbroken werd door verhandelingen over kunst en literatuur, en heb ik, wat over deze onderwerpen mij belangrijk toescheen, verplaatst naar de bijgevoegde hoofdstukken.

Een volledige lijst van de talrijke schrijvers over de geschiedenis, kunst en literatuur van Italië in het tijdvak, dat hier behandeld wordt, zou meer ruimte eischen, dan ik kan missen en indien ook de titels van hun werken werden opgenoemd, zou een groot aantal bladzijden noodig zijn. Ik zal dus slechts eenige oude en moderne bekenden vermelden, aan wie ik bijzonderen dank verschuldigd ben.

Balzani (Cronache it. del Med. Evo); Boëthius (De Cons. Phil.); Bryce; Cappelletti; Cassiodorus (en Jordanes; ook zijn brieven, uitgegeven door Hodgkin); Compagni (Dino); Crowe en Cavalcaselle; Engel et Serrure (Numismatique du Moyen Age); Eusebius; Ferrero; Gaspary (Scuola Poet. Sicil.); Gibbon; Gregorovius (Gesch. Stadt Rom); Gregorius de Groote; Hodgkin (Italy and her Invaders); T. G. Jackson (Romanesque Architecture); Jordanes (Hist. Goth.); Kugler; Liber Pontificalis (ed. Duchesne); Machiavelli (Istorie Fior.); Mothes (Baukunst d. Mittelalters); Muratori; Paulus Diaconus (Hist. Lomb.); Priscus; Ricci (vooral over Ravenna); Rivoira (Orig. dell’ Arch. Lomb.); Rotari (Editto); St. Augustinus (De Civ. Dei); Sismondi; Symonds; Villani (Giov); Wroth (Brit. Mus. Catal. Goth. and Lomb. Coins); Pasquale Villari (Invas. barbar. en L’Italia da Carlo Magno alla Morte di Arrigo VII).

Misschien is het wel goed hier bij te voegen, dat ik mij er van bewust ben, dat niemand over dergelijke onderwerpen als middeleeuwsche architectuur een meening of opvatting kan verkondigen, zonder zich aan een fucilata van verschillende kanten bloot te stellen.

1 Maar de Karolinger Lodewijk II had het recht aan zijn kant, toen hij, in antwoord op een hooghartig schrijven van den Byzantijnschen Keizer Basilius, verklaarde dat de “Keizers” van het Oosten geen Imperatores Romanorum waren.

Lijst en verklaringen der illustraties.

Inhoudsopgave

Kaarten.

Inhoudsopgave


Bladz.
De vier praefecturae van het Romeinsche Keizerrijk ten tijde van Constantijn I 1
Italië ten tijde van Odovacar 107
Zuid-West-Europa ten tijde van Theoderik 142
De heerschappij van de Longobarden 182
Het rijk van Karel den Groote 213
Italië ten tijde van Dante 454

Platen.

Inhoudsopgave


Plaat
1. Dante Titelplaat
Bronzen borstbeeld. Napels, Museo Nazionale. Het gezicht is misschien genomen naar het Bargello-masker, dat, naar men zegt, na zijn dood is gemaakt. In ieder geval is het een mooi stuk werk en geeft het in overeenstemming met onze verwachting een zeer bevredigende voorstelling van het uiterlijk van den dichter der Divina Commedia. Het herstelde Bargello-fresco, dat oorspronkelijk misschien door Giotto is gemaakt, geeft eerder den minnaar van Beatrice en den schrijver van de Vita Nuova weer.
2. Slag bij de Saxa Rubra 8
Gedeelte van den Triumfboog van Constantijn, Rome. Het groteske en ruwe relief in het midden, dat van 312 ongeveer dateert, stelt den slag van de Saxa Rubra, bij den Pons Milvius voor, waar Maxentius verdronk. Zie blz. 3 en 35. De reliefs daarboven, die veel fraaier zijn, dagteekenen uit den tijd van Trajanus en de Antonini. Zie blz. 230. In een Stanza van het Vaticaan is een beroemd fresco, dat hetzelfde voorstelt, geteekend door Raffael en geschilderd door Giulio Romano.
3. Borstbeelden van Constantijn den Groote en Julianus 16
Uffizi, Florence, en Museum van het Capitool, Rome. Wat Constantijn’s krullen en opschik betreft, zie blz. 45 n. Of het borstbeeld van Julianus echt is, wordt betwijfeld, daar de inscriptie middeleeuwsch is.
4. S. Paolo fuori le mura, Rome 24
Gesticht in 388 door Theodosius en Valentinianus II. Zie blz. 52 en onder Kerken in den Index. Afgebrand in 1823, behalve het koor en de apsis. De reconstructie (1824–54) volgens het oude plan is zeer indrukwekkend en het meer moderne karakter van sommige veranderingen verhindert niet, dat het gebouw een van de meest grootsche nog bestaande basilieken is.
5. S. Maria Maggiore, Rome 32
Zie Index onder Kerken.
6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan 40
Met de zoogenaamde tombe van Stilicho. Daar hij te Ravenna (zie blz. 70) gedood is, zal hij waarschijnlijk niet hier begraven zijn. De sarcophaag dagteekent van 500 ongeveer. De oude Longobardische kansel werd omstreeks 1100 verwijderd gedurende een herstelling, en later in Romaanschen stijl weder opgericht, omstreeks 1200. Sommige van de grillige reliefs dateeren misschien van 800, of zelfs van 500.
7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna 48
Zie blz. 79, 231, 241. De sarcophaag in het midden is die van de keizerin. Die aan den rechter- en aan de linkerkant (deze laatste is onzichtbaar) zijn, naar men vooronderstelt, de tomben van haar echtgenoot, Constantius III en haar zoon, Valentinianus III.
8. Paus Leo en Attila 56
Fresco, geschilderd door Raffael, in een van de Stanze van het Vaticaan. Zie blz. 90. Raffael brengt het tooneel over naar de nabijheid van Rome (Colosseum op den achtergrond) en geeft Leo I de gelaatstrekken van Leo X (vgl. plaat 29). Wat het voorkomen van Attila betreft, zie blz. 84. Opmerking verdient, dat de H. Petrus en de H. Paulus alleen door de Hunnen gezien worden. In de St. Pieter, boven het altaar van Leo I, is een theatraal relief van Algardi (c. 1650), dat hetzelfde tooneel voorstelt.
9. Munten; van Constantijn I tot Justinianus (c. 306–565) 64
Zie aanteekeningen, blz. 103–05.
10. Doopvont van de orthodoxen, Ravenna 72
Zie blz. 80, 241. De koepel, evenals die van de S. Vitale, is samengesteld uit buizen van terra-cotta. Zie blz. 237.
11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna 80
Zie blz. 148–49.
12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna 88
Zie beschrijvingen op blz. 151–53, 241.
13. S. Pietro in Ciel D’oro, Pavia 96
Zie onder Kerken in den Index. De kerk was oorspronkelijk (als zij nog niet ouder was) Longobardisch, misschien gesticht door Agilulf, c. 604; maar zij is in Romaanschen stijl herbouwd. Het grootste gedeelte van het portaal dagteekent van 950 tot 1000. Voor de tombe van Boëthius zie blz. 157 en voor die van den H. Augustinus zie de beschrijving van plaat 52 (1). Koningen van Italië (zie verklaring van plaat 19) werden soms gekroond te Pavia, de oude hoofdstad der Longobarden, in de S. Pietro of anders in de S. Michele, die toen de kathedraal was.
14. Boëthius 104
Zie blz. 155–59. Het schilderij, een fantasie of misschien gemaakt naar een oud portret, is een werk van Giovanni Santi, den vader van Raffael. Het bevindt zich in de Barberini-galerij, te Rome.
15. Monasterio del Sacro Speco, Subiaco 112
Zie blz. 166. De kerk en het klooster, en ook de Abdij-kerk van Monte Cassino en Collemaggio te Aquila (plaat 49) hebben naar men zegt, zeer geleden door de geweldige aardbeving van den 13en Januari, 1915.
16. S. Vitale, Ravenna 120
Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 23.
17. Mozaïeken van Justinianus en Theodora, Ravenna 128
Zie blz. 179, 242.
18. S. Apollinare in Classe, Ravenna 136
Zie onder Kerken in den Index. Voor de mozaïeken, zie blz. 242
19. (I). De IJzeren Kroon 144
Deze kroon wordt bewaard in de schatkamer van de kathedraal te Monza (zie blz. 226 n.). Met deze kroon werden, naar men zegt, de Longobardische koningen gekroond, te Pavia, hun hoofdstad, of te Milaan (b.v. Agilulf) of misschien te Monza. De Frankische en Duitsche monarchen tot Hendrik II (1002), schijnen als koningen van Italië gewoonlijk te Pavia, maar later ook te Milaan, gekroond te zijn. De “Italiaansche” koning Berengarius II (c. 950) werd te Pavia gekroond. Frederik Barbarossa, die met Milaan in oorlog was, werd te Monza, of misschien te Pavia, welke stad zijn partij koos, c. 1155 gekroond. Sinds dien tijd is de IJzeren Kroon te Monza bewaard. Karel V kroonde zichzelf met deze kroon te Bologna in 1530 en Napoleon werd er in 1805 mede gekroond (te Milaan). In 1859 werd zij door de Oostenrijkers medegenomen, maar in 1866 teruggegeven. Misschien was het oorspronkelijk een eenvoudige ijzeren kroon of was alleen de binnenste ring van ijzer (dien men op de plaat kan zien); volgens de overlevering was deze ring gemaakt van een der spijkers van het Kruis, die door Helena uit Jeruzalem waren gebracht (zie blz. 37, noot 3). Het gouden, met juweelen bezette, uitwendige dagteekent misschien van het jaar 1100 ongeveer. Het is een eenvoudiger en waarschijnlijk een later werk dan de kroon, die er onder is afgebeeld. Muratori verwerpt de legende van den spijker. Bonincontro, een kroniekschrijver van Monza uit de veertiende eeuw, vermeldt de legende niet, ofschoon hij over de ijzeren kroon spreekt en ons vertelt, dat ijzer een sterk en koninklijk metaal is. Er waren, naar men meende, talrijke spijkers van het Kruis (zie blz. 37). Het verhaal zal, wanneer het zijn oorsprong er niet aan te danken heeft, toch zeer zeker bevestigd zijn door het feit, dat Matteo Villani (c. 1350) deze kroon de Sda Corona noemde, hetgeen verkeerdelijk werd uitgelegd als Sancta Corona, terwijl het beteekent Seconda Corona; de eerste kroon was de zilveren te Aken en de derde de gouden te Rome.
(II). De zoogenaamde Kroon van Karel den Groote 144
Deze prachtige kroon, versierd met een kruis en een boogvormigen diadeem, wordt bewaard in de keizerlijke schatkamer te Weenen, (in den “Hofburg”). Over den tijd, wanneer zij is gemaakt, bestaat groot verschil van meening. Sommigen, zooals Bock, met wien ik het eens ben, zijn overtuigd, dat de kroon zelf een vroeg Italiaansch werk is en dat de diadeem met den naam Koenraad (Chuonradus) een bijvoegsel van later tijd is. Wanneer dit zoo is, bestaat de mogelijkheid, dat dit werkelijk de kroon is, die door Leo III gebruikt werd om Karel den Groote te kronen. Maar sommige Duitschers, zooals v. Falke, die een fraai geïllustreerde monografie over dit onderwerp heeft geschreven, verzekeren, dat de beide deelen zonder twijfel in Duitschland zijn gemaakt en zij houden vol, dat het geheel onmogelijk iets anders kan zijn dan een werk uit de elfde eeuw en dus een keizerlijke diadeem moet zijn, die bepaaldelijk (te Mainz?) vervaardigd is voor de kroning van Koenraad II en zijn gemalin Gisela in het jaar 1027 (zie blz. 310). Er bestaat ook een verzameling van prachtige broches, loovertjes, oorringen, halskettingen enz., die gevonden zijn bij het graven in een straat te Mainz, niet zoo heel lang geleden; deze voorwerpen lijken in bewerking zeer op de boogvormige kroon en kunnen wel door Gisela bij de kroning gedragen zijn. Zij was een zeer energieke en eerzuchtige vrouw. Door haar moeder stamde zij van Karel den Groote af, en nadat zij tweemaal getrouwd was geweest, trad zij in het huwelijk met Koenraad, toen deze nog slechts een Graaf was. Zij rustte niet, voordat zij bereikt had, dat hij en zij zelf met den keizerlijken diadeem te Rome gekroond waren, bij welke gelegenheid er veel bloed werd vergoten door de twisten tusschen de Duitschers en de Romeinen, zooals zoo dikwijls gebeurde, en ook door den naijver tusschen de aartsbisschoppen van Ravenna en Milaan. De boogvormige diadeem heeft, in parels, het opschrift: Chuonradus Dei gratia Imperator Augustus. De kroon zelf bestaat uit edelgesteenten, gouddraadwerk en parels; er zijn drie afbeeldingen in email op, die het volgende voorstellen: (1) Christus, tusschen de twee aartsengelen, als Koning der Koningen. (2) David als de Koning van den Manlijken Moed. (3) Salomo, als de Koning der Rechtvaardigheid en Wijsheid. (4) Hiskia, als de Koning der Vroomheid.
20. Theodelinda’s Kip en Kuikens, Monza 152
Zie aanteekening op blz. 226. Misschien stellen zij het Longobardische koninkrijk en zijn zeven provincies voor. Zij zijn van verguld zilver. De koperen plaat, waarop zij staan, is modern.
21. (I) S. Maria in Cosmedin, Rome 160
Dicht bij den Tiber en den ronden Tempel, die vroeger de Tempel van Vesta heette. Gebouwd c. 775. Niet groot, maar inwendig zeer mooi door haar verhoudingen. De klokketoren (uit de achtste eeuw) is een goed voorbeeld van een Romeinschen campanile. Zie den Index onder Campanile.
(II) De Phocas-zuil, Rome 160
22. S. Clemente, Rome 168
De boven-kerk. Zie onder Kerken in den Index.
23. S. Vitale, Ravenna 176
Zie onder Kerken in den Index. Vgl. plaat 16.
24. Mozaïeken in de S. Pudenziana en S. Prassede, Rome 184
Zie de beschrijving op blz. 239 en blz. 487. De twee heiligen waren dochters van Pudens, die te Rome de gastheer van den Heiligen Petrus was, en de eerstgenoemde kerk is, naar men vertelt, gebouwd op de plaats van het huis, waar de apostel verblijf hield. Men ziet op het onderste gedeelte van de plaat, dat Paus Paschalis (817–824), die een model van zijn kerk in de hand draagt, een vierkanten nimbus heeft, een aanduiding, dat hij nog in leven was, toen het mozaïek werd gemaakt. Opmerking verdient ook de phoenix op den palmboom met een stralen-nimbus.
25. S. Pietro, Toscanella 192
Zie blz. 249 en onder Kerken in den Index.
26. S. Maria Maggiore, Toscanella 200
Zie blz. 250 en onder Kerken in den Index.
27. Kathedraal en S. Fosca, Torcello 208
Zie blz. 251 en onder Kerken in den Index. Wat den marmeren zetel op den voorgrond betreft (“de stoel van Attila”) zie blz. 254 n. noot.
28. Kathedraal van Grado 216
Zie blz. 89 en 253. Grado en Aquileia, beide oude Italiaansche steden, die in nauw verband staan met de geschiedenis van Italië, zijn meer dan een eeuw geleden in de macht van Oostenrijk gekomen. In 568, toen de Longobarden over de Venetiaansche Alpen kwamen, vluchtten de burgers van Aquileia (dat na de verwoesting door Attila in 452 weder opgebouwd was) voor de tweede maal naar Grado. De Patriarch, Paulinus, had alle reliquieën en schatten van de kerken van Aquileia meegenomen, en zijn opvolger, Elias, verwierf den titel van Patriarch van Grado. De Patriarch Elias (c. 578) bouwde de tegenwoordige Kathedraal van Grado, zonder twijfel op de plaats van een oudere kerk, terwijl hij als voorbeeld de basilieken van S. Apollinare te Ravenna nam. De zuilen en de mozaïekvloer zijn blijkbaar van de oude kerk (Byzantijnsch-Oost-Gotisch). Belangwekkend is de kansel met merkwaardige reliëfs (Oost-Gotisch? Lombardisch ?) van de evangelische dieren en een Venetiaanschen (Byzantijnschen) troonhemel. Opmerking verdient de zilveren pala (schopvormig schilderstuk) en de (dertiende-eeuwsche?) fresco’s in de apsis. Aan de kerk is een oud baptisterium gebouwd, dat steenen luiken heeft, evenals te Torcello. De kerk is dikwijls hersteld en waarschijnlijk zal men onder het pleister van het triforium wel mozaïeken of fresco’s kunnen vinden. In deze kerk wordt de oude middeleeuwsche liturgie van het patriarchaat van Grado gezongen, de Cantus patriarchinus.
29. De schenking van Constantijn aan Silvester 224
In de Stanze van het Vaticaan. Geschilderd door Raffaello da Colle, en waarschijnlijk ontworpen door Raffael. Silvester heeft de gelaatstrekken van Clemens VII. Als toeschouwers zijn geschilderd Raffael’s vriend Castiglione en zijn leerling Giulio Romano. De behandeling heeft plaats in de oude basiliek van St. Pieter.
30. S. Miniato, Florence 232
Zie blz. 399 en Index.
31. Tombe van Beatrice, moeder van Gravin Mathilda, Campo Santo, Pisa 240
In de eerste plaats is deze graftombe merkwaardig in verband met de beroemde Gravin Mathilde, wier moeder, Beatrice, de gemalin was van Bonifacius, den Markies van Toskane (blz. 311, 315, 385; de voorganger van Bonifacius was de Markies of Markgraaf, Ugo, die door Dante il gran barone wordt genoemd en wiens graftombe wel bekend is bij de bezoekers van de Florentijnsche abdij en wiens moeder, Willa, de oprichtster is van de oorspronkelijke abdij). Bonifacius stierf in 1052 en Beatrice, die met Godfried van Lotharingen was gehuwd, werd gevangen genomen door Hendrik en met haar dochter Mathilde naar Duitschland gevoerd; maar zij werden in 1056 in vrijheid gesteld en Beatrice stierf, zoo op de tombe staat, eerst in 1076, een jaar voor de gebeurtenis te Canossa; Mathilde volgde haar op. Sommigen nemen aan, dat haar lichaam eerst in 1116 in deze oude (laat-Romeinsche) sarcophaag werd geplaatst. De hexameter beteekent: “Ofschoon ik een zondares was, heette ik toch Vrouwe Beatrix.” Men verwacht tevergeefs, dat de volgende woorden een pentameter zullen vormen, b.v. In tumulo jaceo quae comitissa fui. Het beteekent: “In een tombe geplaatst lig ik hier, die een gravin was”. De pentameter is misschien bedorven door een ongeletterden steenhouwer om een rijm te maken. Hij had het ook moeten veranderen in “In tumulum missa” .... Wat betreft het verband van dit relief met Niccolò, zie men blz. 497.
32. Ingang van het Baptisterium, Volterra 248
Het achtzijdige Baptisterium dagteekent oorspronkelijk misschien uit de zevende eeuw. Het eenvoudig versierde portaal met zijn mooie verhoudingen is een goed voorbeeld van Toskaansch-Romaansche bouworde, onafhankelijk van den Pisaanschen stijl; ook de rijkere façades van de kerken te Toscanella zijn goede voorbeelden daarvan (plaat 25 en 26).
33. Cappella Palatina, Palermo 256
“Kapel van het Paleis”, gebouwd aan het koninklijk paleis van de Noormannen te Palermo. Het is de stijl der Noormannen, waarbij men den Saraceenschen invloed zeer goed kan herkennen. Gebouwd in 1130 ongeveer door Koning Roger. De muren, bogen en apsis zijn rijk versierd met prachtige mozaïeken uit de Siciliaansche school der Noormannen (zie blz. 402 en 403). Merkwaardig zijn de flauw gespitste bogen, die (evenals te Monreale) eenigen Arabischen invloed vertoonen. Zie plaat 43.
34. Roger van Sicilië, door Christus gekroond 264
Mozaïek in La Martorana, Palermo. Zie blz. 362 en 405.
35. Graftombe van Koning Roger 272
In de Kathedraal van Palermo. In de andere porfieren sarcophagen zijn neergelegd Frederik II (plaat 47), zijn vader, Hendrik VI, zijn moeder, de Keizerin Constantia (de dochter van Roger) en in een oude Romeinsche sarcophaag ligt de gemalin van Frederik, Constantia van Arragon. Ongeveer 1780 werden deze sarcophagen uit een zijkapel gehaald, en, nadat zij waren geopend en onderzocht, onder deze baldachini geplaatst.
36. Kathedraal te Palermo 280
Oorspronkelijk gebouwd door Aartsbisschop Offamilio (Walter of a Mill), in de plaats van een oude kerk, die in een moskee was veranderd. De zuid-zijde van de kathedraal en de oostzijde dateeren voornamelijk uit 1170–1200 en vertoonen vele merkwaardige aanwijzingen van Saraceenschen invloed. (De gevel boven het prachtige portaal aan de zuid-zijde is er in de vijftiende eeuw bijgevoegd en de minder fraaie koepel dagteekent van 1800). De west-zijde is uit later tijd (c. 1350); zij is door een boog, die de straat overspant, verbonden aan een grooten, ouden klokketoren, waarvan het bovenste gedeelte hersteld is.
37. S. Marco, Venetië 288
Zie onder Kerken in den Index.
38. Baptisterium, Florence 296
Zie blz. 69.
39. Kathedraal te Ferrara 304
Dit is een goed voorbeeld van den overgang van de Romaansche tot de Gotische bouworde. Het beneden-gedeelte dagteekent uit 1130 ongeveer, en niet alleen de onderste arcade en de deuren, maar ook de voornaamste eigenschappen van het geheele gebouw zijn Romaansch. Toch kan men een Gotischen invloed zeer duidelijk aanwijzen en het geheel voldoet niet, ofschoon het gebouw indrukwekkend is. Het vooruitspringende portaal is er later bijgevoegd, en is gedeeltelijk Romaansch van stijl, met leeuwen, en gedeeltelijk Venetiaansch-Gotisch.
40. Baptisterium, Kathedraal en Klokketoren te Pisa 312
Zie blz. 397–98 en onder Kerken in den Index.
41. Kathedraal S. Martino, Lucca 320
Zie blz. 249 en 398. Wat betreft het ruiterstandbeeld van den H. Martinus, een werk van Guidetto, en de Afneming van het Kruis van Pisani zie men blz. 495 en 499. De klokketoren is een mooi voorbeeld van een Lombardischen campanile. Opmerking verdienen de uitgetande Ghibellijnsche tinnen (merli). Zie plaat 64.
42. La Collegiata, S. Gimignano 328
Zie blz. 400. Vgl. ook plaat 54. De kerk is rijk versierd met fresco’s van Benozzo Gozzoli, een leerling van Fra Angelico, Ghirlandajo, en anderen, en bevat een altaar, dat gewijd is aan S. Fina, de beschermheilige van de stad, en gemaakt door Benedotto da Maiano.
43. Kathedraal van Monreale, bij Palermo 336
Gebouwd door Willem den Goede, c. 1175–89. De prachtige torens en andere eigenaardigheden schijnen op den invloed van den bouwstijl der Noordelijke, misschien Engelsche Noormannen te wijzen. Zie blz. 402. De mooie lijnen van de flauw gespitste bogen geven wellicht een aanduiding van Saraceenschen invloed. Schitterende mozaïeken bedekken de muren en de apsis. Zie blz. 405–06.
44. Kathedraal te Cefalu 344
Wat de overeenkomst tusschen deze kerk en de St. Etienne te Caen betreft, zie blz. 402 noot. Voor de prachtige mozaïeken zie blz. 405; opmerking verdienen de anti-pauselijke kanteelen van den toren.
45. Munten. Van Heraclius tot Hendrik vii (c. 650–1313) 352
Zie aanteekeningen, blz. 407–09.
46. Castel del Monte 360
In Apulië, ongeveer 24 K.M. landwaarts van Trani, dat aan de kust van de Adriatische zee ligt. Gebouwd door Frederik II en veel door hem gebruikt om te jagen. Men vertelt, dat hij in dit kasteel zijn boek over de valkenjacht heeft geschreven, waarvan het handschrift zich in het Vaticaan bevindt. Hij stierf op een ander Apulisch kasteel, van Fiorentino, dicht bij Lucera.
47. Graftombe van Frederik ii, Kathedraal te Palermo 368
Zie aanteekening bij plaat 35. Toen de sarcophaag werd geopend, vond men het lijk van den Keizer, gewikkeld in Saraceensche gewaden; op zijn hoofd was een kroon; zijn schepter en een zwaard lagen naast hem.
48. Karel van Anjou, Rome 376
In het Museum van het Capitool, (op een ongunstige plaats, wat de belichting betreft.) Waarschijnlijk opgericht door de Romeinen na de afschuwelijke terechtstelling van den jeugdigen Konradijn in 1268, toen Karel, die hier gekleed ia in een Romeinsche toga, en schepter en kroon draagt, herkozen werd als Senator van Rome. Het gezicht is terugstootend door de ruwe en wreede trekken; de neus is “zeer groot”, zooals Gregorovius opmerkt, zeer terecht, want ook Dante, die Karel van Anjou in het Anti-purgatorium (in plaats van de hel, waar hij toch zeker had moeten zijn) ontmoet, maakt melding van zijn maschio naso en noemt hem nasuto (Purgatorio VII, 113). Deze gelaatstrekken kan Dante juist bij dit standbeeld hebben opgemerkt, toen hij in 1300 en 1301 te Rome was; en misschien heeft ook Giovanni Villani dit in Dante’s gezelschap gezien, want hij beschrijft Karel als iemand “met een wreed uiterlijk, een olijfkleurig gezicht en een grooten neus”. Zie blz 435 noot. Den grooten neus kan men ook zien op de munten van Karel. Zie plaat 45, munt 10 (blz. 408), waar het gezicht een sterke gelijkenis vertoont met dit standbeeld.
49. S. Maria di Collemaggio, Aquila 384
Aquila ligt in de Abruzzen. Deze kerk verdient onze aandacht in verband met de geschiedenis van den ongelukkigen kluizenaar, Paus Celestinus V, wiens graftombe men hier kan zien, en ook fresco’s, die zijn lotgevallen voorstellen en geschilderd zijn door een leerling van Rubens. Zie blz. 440 noot. De architectuur is ook zeer merkwaardig, daar het een voorbeeld is van den zuidelijken, waarschijnlijk twaalfde-eeuwsche, Lombardisch-Romaanschen bouwstijl, met prachtige roosvensters, maar met een voorgevel van ingelegd marmer, die een duidelijke aanwijzing is van Saraceenschen invloed. De kerk heeft erg geleden door de verschrikkelijke aardbeving van Januari, 1915. Men zegt, dat zij nu zeer gevaarlijk is en men is bezig haar te steunen, om te voorkomen, dat zij instort.
50. (I). Bonifacius, die het jubileum van 1300 afkondigt 392
Een fragment van een fresco van Giotto, aan een pilaar van het schip in de Basiliek van het Lateraan, te Rome. Het bewijst, dat Giotto nog kort voor het jaar 1300 te Rome was. (Zie blz. 488). Het bewijst ook, dat in dezen tijd Bonifacius de tweede kroon, die men bij het standbeeld kan zien (en ook zichtbaar is bij de figuur in de Grotte van de St. Pieter), niet had aangenomen. De oorspronkelijke hoofdbedekking van den Paus (tiara) was een kegelvormige muts van goudlaken, waarschijnlijk een navolging van de Phrygische κυρβασία, of van de apices der Romeinsche priesters. De eerste kroon werd misschien aangenomen door Bisschop Silvester op grond van de schenking van Constantijn den Groote. (In de onechte “Donatie” wordt het woord frigium, d. i. Phrygische muts, gebruikt). Waarom Bonifacius de tweede kroon heeft aanvaard, weet men niet; maar ik vermoed, dat het de souvereiniteit over Sicilië en Apulië waarnaar hij streefde, (zie blz. 442) moest aanduiden. De derde kroon van den “driedubbelen tyran”, zooals Milton hem noemt, werd, naar men weet, door Paus Urbanus V (die Avignon trachtte te verlaten) aangenomen; waarom hij dit gedaan heeft, is onbekend.
(II) Het standbeeld van Bonifacius VIII 392
Vroeger versierde het den voorgevel, maar nu staat het in den Duomo te Florence, waar het langs een grooten pilaar toornig schijnt te kijken naar het portret van Dante, die geschilderd is te midden van tooneelen uit de Inferno, waartoe hij zijn grooten vijand veroordeelde.
51. Tombe van Hendrik van Luxemburg 400
In den Campo Santo, te Pisa. Vervaardigd door een beeldhouwer van Siena, c. 1315.
52. (I) Tombe van den H. Augustinus 408
In de S. Pietro in Ciel d’oro, te Pavia. Zie plaat 13 en blz. 204 en 248. Het lichaam werd gered uit de handen der Saracenen, en van Sardinië door Liutprand, c. 723, meegenomen; het werd geplaatst in de oude Longobardische kerk, die door Agilulf gebouwd is. De tegenwoordige tombe, kwistig versierd met reliëfs en beeldjes, werd ongeveer 1370 vervaardigd. Toen de kerk een tijdlang als pakhuis is gebruikt (1844–75), werd de tombe naar de kathedraal gebracht en het gebeente werd gelegd in een glazen kist.
(II) Tombe van den H. Dominicus 408
In de S. Domenico, Bologna. Vasari zegt; dat het een vroeg werk (1231!) van Niccolò Pisano is, en voltooid door zijn leerling, Fra Guglielmo; maar waarschijnlijk is het in zijn geheel uitgevoerd door dien leerling, omstreeks 1267. Daar hij geen loon had ontvangen, stal de broeder, naar men vertelt, een rib van den heilige. Een van de engelen wordt gehouden voor een vroeg werk van Michelangelo.
53. Assisi 416
Klooster en boven-kerk (c. 1250) van de westzijde gezien. Het klooster is geseculariseerd.
54. S. Gimignano 424
55. S. Zeno (Maggiore), Verona 432
Een prachtige Romaansche basiliek uit de elfde eeuw (het koor is van 1260 ongeveer). Het gebouw met den toren en de uitgetande tinnen (de Ghibellijnsche merli) werd soms, naar men vertelt, door de Keizers als verblijf gebruikt, wanneer zij Italië bezochten.
56. De Paleizen Loredan en Farsetti, Venetië. 440
Beide in Venetiaansch-Romaanschen stijl van ongeveer 1150 en buitengewoon mooi door hun verhoudingen. Het Loredan (aan de linkerzijde) noemt Ruskin het prachtigste van alle paleizen aan het groote kanaal.
57. (1) Mozaïek in de S. Maria in Trastevere 448
Voor het bovenste gedeelte (ongeveer 1140) zie men blz. 488 en voor het algemeen karakter van dergelijke mozaïeken blz. 239–40.
(2) La Navicella 448
In het voorportaal van de St. Pieter, te Rome. Geschilderd door Giotto, of naar zijn ontwerp, misschien door Cavallini. Zie blz. 488. Het bovenste gedeelte in het bijzonder heeft belangrijke veranderingen ondergaan om het voor zijn tegenwoordige plaats in orde te maken. Het was oorspronkelijk in het atrium van de oude basiliek.
58. Kansel in La Trinità della Cava, bij Salerno 456
Zoowel de kansel als de spiraal-zuil voor de Paaschkaars zijn zeer fraaie voorbeelden van Zuid-Italiaansch “Cosmati” werk (c. 1250). Zie blz. 489.
59. Cosmati-tombe in S. Maria sopra Minerva, Rome 464
Zie blz. 489.
60. S. Croce, Florence 472
Zie blz. 492–93.
61. De kansel van het Baptisterium, Pisa 480
Een werk van Niccolò Pisano. Zie blz. 496–99.
62. De kansel te Ravello 488
Zie blz. 498–99. Ravello ligt niet ver van Amalfi.
63. De kansel te Siena 496
Zie blz. 499.
64. Palazzo pubblico, Siena 498
Een van de mooiste Italiaansch-Gotische paleizen. Zie blz. 494. De klokketoren, ongeveer 100 meter hoog, heet La Torre del Mangio en werd c. 1330–40 gebouwd; het paleis zelf werd tusschen 1289 en 1305 opgericht. Siena werd Welfsch in 1270 (zie blz. 477); derhalve hebben wij hier de vierkante Welfsche tinnen, welke men moet onderscheiden van de uitgetande Ghibellijnsche tinnen (merli) op de platen 41 en 55. Bij den Florentijnschen Palazzo Vecchio heeft het hoofdgebouw (c. 1300) de vierkante, en de toren (c. 1460) de uitgetande tinnen.
65. Kathedraal te Siena 500
Zie blz. 492.

Illustraties in den tekst.

Inhoudsopgave

 Bladz.

 Kasteel van Theoderik te Verona (zegel) 150

 Classe, Ravenna (Mozaïek) 152

 Theoderik’s paleis te Ravenna (Mozaïek) 152

 Leo’s Triclinium-mozaïek 216

 Relief boven het portaal van de Kathedraal te Monza 227

 Zuilen en kapiteelen in de S. Costanza fuori, Rome 233

 Kapiteelen in de S. Vitale 238

 Lombardisch werk in de basiliek van S. Abbondio, bij Como 249

 Kapiteel in de S. Pietro, Toscanella 250

 Kapiteel in de S. Ambrogio, Milaan 250

 De oude basiliek van St. Pieter te Rome 261

 Trappen van het Presbyterium en “Confessio” in de S. Giorgo te Valabro 266

 “Confessio” in het Oratorium van de catacombe van S. Alessandro, te Rome 266

 Munt van Michael Palaeologus 274

 Hij knielt voor Christus en wordt gesteund door den Aartsengel Michael. Op de keerzijde ziet men de Heilige Maagd, omgeven door de muren van Constantinopel. Pachymerus, een geschiedschrijver uit dien tijd, zegt, dat Michael Palaeologus valsche gouden munten liet slaan om in de groote aanvraag te voorzien, en dat deze munten op de keerzijde “een beeld van de stad” vertoonden.

 Venetiaansche Munt van c. 860 374

 Daar Venetië in dien tijd bijna onafhankelijk is, staat op deze munten “God beware het Romeinsche Keizerrijk” en “God beware Venetië” in plaats van den naam van den Keizer. Het gebouw is de “Karolingische Tempel”, die men dikwijls op munten van dit tijdperk vindt. Na 1100 worden alle aanduidingen over het Keizerrijk weggelaten, en na 1155 wordt op de grossi en matapans de naam van den Doge gezet. Giovanni Dandolo liet het eerst gouden dukaten en zecchinen slaan, ongeveer 1285. Zie plaat 45, munt 14 (blz. 409).

 Florentijnsche Munt van c. 1200 388

 Zilveren grosso. Hetzelfde type werd gebruikt voor den gouden florijn. Zie plaat 45, munt 16 (blz. 409).

 Munt van de zonen van Ugolino, c. 1290 476

 Ugolino was bailli in Sardinië, waar zijn zonen, Guelfo en Lotto deze gouden munten lieten slaan met het wapen van de familie (Gherardesca).

 Munt van Milaan, c. 1260 480

 Type van den Milaneeschen gouden florijn, met S. Ambrosius en de twee Milaneesche heiligen, Protasius en Gervasius. Waarschijnlijk heeft een van den Torriani of Visconti dezen laten slaan.

1 Thou nameles column with the buried base, Byron, Childe Harold’s Pilgrimage IV, 110, 2.


De vier Praefecturae van het Romeinsche Keizerrijk

ten tijde van Constantinus I

De diocesen van de Praefectura waren: Praefectura Galliarum: Britannia, Galliae, Viennensis. Praefectura Italiae: Italia, Hispania, Africa. (Spanje wordt soms bij de Praefectura van de Galliae genomen). Praefectura Illyrici: Thracia en geheel Griekenland, Moesiae, Pannoniae. Praefectura Orientis: Asia, Pontus, het Oosten, Egypte. (Asia is Asia Minor en het Oosten is Syrië, Palestina, enz.).

Eerste Deel.
Historisch Overzicht.
305–476.

Inhoudsopgave

In 305 deed Diocletianus afstand van de regeering en dwong Maximianus, een Pannonisch soldaat, dien hij twintig jaar tevoren had gekozen tot Keizerlijk collega (d. w. z. tot “Augustus”) om hetzelfde te doen. Daarna liet hij het Keizerrijk over aan Constantius Chlorus en Galerius, die tot dusverre slechts “Caesars” d.w.z. troonopvolgers waren geweest. Als nieuwe Caesars werden gekozen Severus en Maximinus.

Constantius had vroeger Helena, die misschien van Britsche afkomst was getrouwd; bij haar had hij een zoon, den lateren Constantijn den Groote. Toen hij tot Caesar werd gekozen (293) was hij gedwongen Helena te verstooten en Theodora te huwen, de dochter van Keizer Maximianus; en de jonge Constantijn, die zich waarschijnlijk beleedigd voelde, had er de voorkeur aan gegeven in het verre Oosten als soldaat te dienen in plaats van te blijven bij zijn vader, die het opperbevel voerde in Gallië en Brittannië. Maar vijftien maanden na zijn verkiezing als Keizer over het Westen stierf Constantius te York en zijn zoon Constantijn, die haastig van Nicomedia (in Bithynië) was gekomen om zich bij zijn vader te voegen op diens expeditie tegen de Caledoniers, werd door het leger te York begroet als Augustus en Imperator.

Galerius had zich voorgesteld, dat hij bij den dood van Constantius alleen keizer worden zou, maar toen Constantijn hem bericht zond van zijn benoeming was hij verplicht zijn woede te verkroppen en morrend stond hij hem den titel van Caesar toe, terwijl hij Severus bevorderde tot de waardigheid van Augustus en hem de provincie Italië toekende.

Maar Maxentius, de zoon van den ouden Maximianus (die zich na zijn abdicatie in onmachtigen wrok heeft teruggetrokken) verwekt nu een opstand in Rome en Severus vlucht naar Ravenna, waar hij capituleert en gedwongen wordt zelfmoord te plegen. De oude Maximianus bezoekt Constantijn in Gallië om met hem te onderhandelen en neemt zijn dochter Fausta mede, die Constantijn te Arles trouwt. Krachtens zijn vroegere keizerlijke waardigheid bekleedt Maximianus daarna Constantijn met het purper en bekrachtigt aldus zijn verkiezing door het leger. Dadelijk dringt de Oostelijke Augustus, Galerius, toen hij den dood van Severus had vernomen, Italië binnen, doch moet terugtrekken. Dan benoemt hij Licinius als Augustus voor de Illyrische provincie. Daarna vraagt de overgebleven “Caesar” Maximinus den keizertitel voor Egypte en Syrië, die hem met tegenzin wordt toegekend, terwijl te Rome Maxentius zichzelf tot Keizer van Italië proclameert en zijn vader, den oude Maximianus, overhaalt wederom het purper aan te nemen. Derhalve hebben wij niet minder dan zes Keizers tegelijk—een merkwaardig verwarden toestand!

Maxentius en zijn vader krijgen twist. De praetorianen verklaren zich voor den jongste en Maximianus trekt terug naar Illyricum; vandaar door Galerius verdreven gaat hij weer naar Arles in Zuid-Gallië en staat het purper af aan zijn schoonzoon Constantijn. Maar terwijl Constantijn op een expeditie is in het Rijnland, overvalt den ouden man een onbedwingbare aandrift om de schatkist te Arles te bemachtigen en een aantal soldaten over te halen hem nog eens tot Keizer uit te roepen. Constantijn komt met zijn vloot opzetten, de Saône en de Rhône af, en Maximianus vlucht naar Marseille in de hoop door de Romeinsche vloot van zijn zoon Maxentius ontzet te worden; maar de burgers laten hem in den steek en hij wordt door Constantijn ter dood gebracht, terwijl Fausta haar natuurlijk gevoel opoffert aan haar huwelijksche plichten en blijkbaar de terechtstelling van haar vader goedkeurt.

Galerius stierf kort daarna (311) in zijn paleis te Nicomedia, door wurmen opgevreten, naar men zegt. Hij schijnt een trotsch, maar flink en ondernemend karakter gehad te hebben, en zijn regeering werd bekend door vele werken van algemeen nut b.v. de draineering van een uitgestrekt moeras tusschen de Drave en den Donau.

Nu zijn er nog slechts vier keizers over: Maximinus in Azië en Egypte, Licinius in Oost-Europa, Constantijn in het Westen, terwijl Maxentius Italië en Noord-Afrika tyranniseert. Maar Italië en Noord-Afrika waren te klein voor de eerzucht van Maxentius. Hij toont openlijk zijn bedoeling om het gebied van Constantijn binnen te dringen, wiens keizerlijke titels op zijn bevel worden uitgekrast en wiens standbeelden hij smadelijk laat omverwerpen. Daarop marcheert Constantijn, na de helft van zijn leger aan den Rijn gelaten te hebben, met ongeveer 40.000 man zuidwaarts tegen 200.000 op, trekt de Mont-Cenis over, neemt Susa, Turijn, Milaan en Verona, en met de snelheid van een adelaar, zooals de groote Caesar zelf, is hij weldra bij Rome, waar in den slag bij Saxa Rubra (de roode rotsen, bij den Pons Milvius) Maxentius wordt verslagen en in den Tiber verdrinkt (312).

In 313 bevestigde Constantijn’s “Edict van Milaan” den zoogenaamden “Kerkvrede” en de erkenning, ten minste in het westelijke Keizerrijk, van het Christendom als een wettigen godsdienst—misschien als den Staatsgodsdienst, ofschoon Constantijn zelf een heiden bleef, of ongedoopt, tot kort voor zijn dood. In hetzelfde jaar begint Maximinus (Nicomedia) een oorlog met Licinius (Byzantium en Illyricum), maar wordt verslagen en vlucht naar Tarsus, waar hij sterft. Derhalve zijn er nu slechts twee Keizers, Constantijn en Licinius, die gedurende tien jaar (314–324) het Romeinsche Keizerrijk verdeeld houden. Zij twisten en verzoenen zich en twisten dan weer. Constantijn neemt Byzantium, en ofschoon hij op verzoek van zijn eigen zuster beloofd had het leven van haar gemaal te sparen, liet hij kort daarna zijn schoonbroeder Licinius ter dood brengen, nadat hij hem gedwongen had voor zijn voeten te knielen en hem met beleedigend medelijden had doen opstaan. Aldus werd de Romeinsche wereld ten slotte wederom voor eenigen tijd onder één Keizer vereenigd.

In de volgende zes jaar bewerkt Constantijn het overbrengen van den zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat hij van nieuwe muren en publieke gebouwen voorziet. In 330 wordt het aan hem gewijd met zijn nieuwen naam Constantinopolis. Het was in deze periode—een jaar na de inneming van Byzantium en den moord op Licinius—dat hij het beroemde Concilie te Nicaea in Bithynië bijeenriep, waar de Niceensche geloofsbelijdenis werd vastgesteld en de leerstellingen van Arius werden veroordeeld. (Constantinus werd, ofschoon legende en kunst vertellen, dat hij door bisschop Silvester te Rome in 324 werd gedoopt, pas op zijn sterfbed door een Ariaansch bisschop gedoopt.) Niet lang nadat hij aldus den eersten steen had gelegd van de orthodoxie, liet hij zijn oudsten zoon Crispus en zijn eigen vrouw Fausta (men denke aan Hippolytus en Don Carlos!) en zijn neef, den jongen Licinius ter dood brengen. Tegen het einde van zijn regeering leidt Constantijn een veldtocht tegen de Goten, die nu de Scythische bewoners van Midden-Europa, in dien tijd Sarmaten geheeten, over den Donau beginnen te drijven. Hij verslaat de Goten in een grooten veldslag, maar de Sarmaten (voorvaders van de Bulgaren) worden ten slotte ten Zuiden van den Donau gedrongen en 300.000 krijgen land in Thracië, Macedonië en Italië.

In 337 sterft Constantijn de Groote in zijn paleis bij Nicomedia (Bithynië) en het Keizerrijk wordt verdeeld onder zijn drie zonen, een en twintig, twintig en zeventien jaar oud, Constantinus II, Constantius II en Constans. De eerste van deze (Keizer van Gallië, Brittannië en Spanje) wordt gedood, toen hij Italië, de provincie van zijn broeder Constans binnendrong; Constans wordt vermoord door een usurpator, Magnentius.

Toen werd Constantinus, die een dozijn neven en ooms uit den weg had laten ruimen, alleen Keizer. Hij valt Magnentius aan en verslaat hem bij Mursa aan de Drave en jaagt hem voort van de eene plaats naar de andere. Eindelijk wordt de usurpator ingehaald bij Lyon en stoot zich in zijn zwaard.

Constantius, wiens hof (te Constantinopel en later te Milaan) wordt geregeerd door ambtenaren van het paleis, vooral door een eunuch, Eusebius, vermeerdert zijn familiemoorden door Gallus, zijn neef, uit den weg te ruimen, die met zijn zuster Constantina, een menschelijke furie, was gehuwd en dien hij als “Caesar” voor de provincie van het verre Oosten had aangesteld.

De broeder van Gallus, de toekomstige Keizer Julianus (van wien nog vele geschriften over zijn) vertelt ons de schandelijke geschiedenis van deze tragische gebeurtenis. Ook hij was door Constantius gevangen gezet en redde ternauwernood het leven door de gunst van de Keizerin, de schoone en beminnelijke Eusebia. Hij werd verbannen naar Athene, maar door den invloed van Eusebia teruggeroepen naar Milaan, trouwde met Helena, een andere zuster van Constantius, en ontving den titel van “Caesar” en het bestuur over het Westen. Hoe er twist ontstond, hoe Julianus door zijn soldaten tot Augustus werd uitgeroepen, hoe Constantius kwam aanstormen van het verre Oosten om den usurpator te straffen, hoe hij bij Tarsus stierf, zal later uitvoeriger verteld worden, wanneer het karakter en de regeering van den Afvalligen Keizer zal worden behandeld.

Julianus regeerde slechts twintig maanden en was nog geen 32 jaar, toen hij stierf. Hij bezweek aan een pijlwond in Perzië ten Oosten van den Tigris, niet ver van de plaats waar nu Bagdad staat, toen zijn leger (zooals vroeger in die streken het leger van de 10.000 Grieken) groot gevaar liep vernietigd te worden. Het wordt meer door de staatsmans- dan veldheerskunst van Jovianus gered, een officier van de Lijfgarde, die (nadat Sallustius, de edele Prefect van de Oostelijke provincies, voor de eer heeft bedankt) tot Keizer wordt uitgeroepen door de troepen en een vernederenden vrede aanneemt van den Perzischen Koning Sapor, wien hij vijf provincies en verscheidene steden afstaat. Nadat het Keizerlijke leger vele manschappen in de rivieren en de woestijn van Mesopotamië heeft verloren, bereikt het Antiochië, waar, zooals overal op zijn terugtocht, groote verontwaardiging wordt opgewekt door den afstand van de Oostelijke provincies. (Op de munten van Jovianus ziet men hem met lauwerkransen, gevleugelde Victoriae en gevangenen aan zijn voeten!)

Gedurende zijn verblijf van zes weken te Antiochië en zijn geforceerden marsch door Klein-Azië naar Constantinopel verspreidt Jovianus proclamaties, die verdraagzaamheid aanraden jegens het paganisme, maar het Christendom herstellen en ook den “Kerkvrede”, terwijl hij tevens den ouden Athanasius wederom op den patriarchalen troon van Alexandria plaatst—een poging tot pacificatie die hem enthusiaste toejuichingen bezorgt van de katholieke hierarchie, maar weldra gevolgd wordt door nog meer verbitterde, broedermoordende twisten tusschen de Christelijke sekten. Te Tarsus wordt het lijk van keizer Julianus verbrand. Vandaar trekt Jovianus verder met de Christelijke vaan (het Labarum) aan het hoofd van zijn leger; maar voordat hij Nicaea bereikt, sterft hij plotseling—vergiftigd, misschien door paddestoelen of door den damp van houtskool of van een pas gepleisterde kamer.

In plaats van Jovianus wordt (nadat de prefect Sallustius nog eens voor de eer bedankt had) Valentinianus gekozen, een flink officier van Pannonische afkomst. Na zijn benoeming roept men van alle kanten dat hij een collega moet kiezen. Hij belooft niets, maar een maand later, na zijn aankomst te Constantinopel, vereert hij zijn broeder Valens, die beschreven wordt als een zwakzinnige, dikke, gebrekkige man, met den titel van Augustus. Derhalve wordt het Keizerrijk wederom verdeeld (364); Valens wordt het Oosten toegewezen, van den Donau tot Perzië; hij resideert voornamelijk te Antiochië; Valentinianus behoudt Illyricum, Italië, Noord-Gallië en de andere westelijke provinciën en kiest Milaan als zijn keizerlijke residentie.

In 365 en 366 heeft plaats de aanslag van Procopius, een bloedverwant van Julianus en een heiden, die zich meester wil maken van het Oostelijke Keizerrijk. Hij neemt Constantinopel, wordt door de troepen in Thracië en aan den Donau erkend en zijn generaals onderwerpen Bithynië. De bange Valens, die nu te Caesarea is, wil afstand doen, maar zijn ministers staan het niet toe. De bejaarde Sallustius wordt wederom tot prefect van het Oosten gekozen en Procopius vlucht, nadat hij bij Thyatira verslagen is, naar de Phrygische bergen, maar wordt verraden en onthoofd. De laffe en zwakke Valens wordt dus hersteld op den troon van het Oostelijke Keizerrijk. Hij wijdt zijn grootste werkkracht aan het vervolgen van “Athanasische Katholieken” (hij was zelf een Ariaan, gedoopt door den Ariaanschen patriarch van Constantinopel). De oude Athanasius vlucht, misschien voor den vijfden keer, uit Alexandrië; maar het volk grijpt naar de wapenen en hersteld zijn patriarch, die kort daarna sterft (373).

Valentinianus, lang en koninklijk van gestalte, verwierf eerst eerbied en genegenheid en schijnt nuttige wetten te hebben gemaakt (een van dezen beperkte de legaten aan de Kerk, die nu aan weelde begon toe te geven). Hij schijnt ook in verscheidene steden Akademies te hebben gesticht, zooals eeuwen geleden in Athene bestonden. Maar hij regeerde nog niet lang of hij werd de slaaf van een onbedwingbare wreedheid, die vele duizenden slachtoffers eischte, vooral in Rome en Antiochië; de vonnissen waren meestal gebaseerd op beschuldiging van tooverkunst. (Men zegt dat hij twee woeste berinnen hield, Innocentia en Mica Aurea om de veroordeelden voor zijn oogen te verscheuren.) Zijn cholerisch temperament was de onmiddellijke oorzaak van zijn dood, want toen in 375 gezanten van de Quaden, een barbaarsche volkstam, bij hem in zijn paleis te Trier kwamen, voer hij zoo heftig tegen hen uit, dat hij een aderbreuk kreeg.

Valentinianus I werd opgevolgd door zijn zoon Gratianus dien hij als kind van negen jaar tot Augustus had benoemd en die nu zestien jaar telde. Maar een deel van het leger was op de hand van zijn half-broeder Valentinianus, een baby van vier jaar, en Gratianus neemt hem goedig als collega aan, onder regentschap van de moeder van het kind, Justina; hij geeft hem de provincie Italië en wijst hem Milaan als residentie aan.

Omstreeks dezen tijd had de zwakzinnige Oostelijke Keizer, Valens, de oom van de jeugdige bestuurders van het Westen, een groote menigte West-Goten, die over den Donau waren gedreven door de Hunnen, toegestaan zich te vestigen in Moesië en Thracië. Deze West-Goten, door een afschuwelijken hongersnood geteisterd en ellendig behandeld door de keizerlijke ambtenaren, stonden op en begonnen het land te verwoesten; Valens valt hen aan. Niet ver van Hadrianopolis wordt slag geleverd en ongeveer 40.000 man worden neergehouwen, een ramp te vergelijken met die van Cannae. Valens verdween in het felst van den strijd en is nooit meer gezien. Het gerucht liep, dat een hut waarin hij met zijn gevolg was gevlucht, door de Goten in brand was gestoken en dat allen in de vlammen waren omgekomen. Gratianus (378) kiest nu tot Keizer van het Oosten den generaal Theodosius, van Spaansche afkomst. Hij zelf, een vriendelijke en sportlievende jongeling van negentien jaar, die opgegroeid was onder den zachten invloed van den dichter Ausonius, wekte de verachting van zijn soldaten op door zijn tijd te gebruiken met jagen op zijn uitgestrekte jachterreinen in Gallië, in Scythisch kostuum, omgeven door Scythische meisjes en gunstelingen. Weldra wordt er een opstand in Brittannië verwekt door Maximus, een Romeinschen balling, die een edelvrouw van Carnarvon had gehuwd. Met een groot leger (later sprak men van de emigratie van een belangrijk deel der Britsche natie, zegt Gibbon) valt hij Gratianus aan, die naar Lyon vlucht, waar hij wordt gevangen genomen en gedood (383). Maximus proclameert zichzelf tot Augustus. Gedurende vier jaar is hij de facto Keizer van het Westen ten noorden van de Alpen en als zoodanig door Theodosius erkend; maar weldra dringt hij Italië binnen, en verjaagt Justina met haar zoon, Valentinianus II, nu een jongen van vijftien jaar, van Milaan naar Aquileia, en van Aquileia naar Constantinopel.


2. Slag bij de Saxa Rubra, Triomfboog van Constantijn.

Theodosius, de keizer van het Oosten, ontvangt de vluchtelingen, en wordt verliefd op Galla, de zuster van den jongen keizer van het Westen. Nadat hij haar getrouwd heeft, voert hij oorlog tegen Maximus, dien hij verslaat en doodt, herstelt Valentinianus II op zijn troon (388) en brengt drie jaren in Rome en Milaan door. Gedurende dit verblijf te Milaan werd Theodosius, die als vurig katholiek en verdelger van het Arianisme in de bijzondere gunst stond van St. Ambrosius, naar men zegt door den aartsbisschop uit de kathedraal van Milaan geweerd, totdat hij openlijk boete had gedaan voor het bloedbad van de argelooze burgers van Thessalonica, dat hij bij een oploop had geduld.

Ongeveer twee jaren later (392), niet lang na Theodosius’ terugkeer te Constantinopel, werd de jonge Valentinianus vermoord te Vienne in Gallië, waarschijnlijk door een Frankisch generaal, Arbogast. Zoo bleef Theodosius als eenige wettig keizer over. Arbogast trad op als dictator en koos als keizer van het Westen een rhetor, Eugenius. Het duurde twee jaren, voordat Theodosius tegen dezen tweeden usurpator een veldtocht waagde, dien hij met groote inspanningen gevaar versloeg bij den Frigidus (Koude rivier), bij Aquileia. Arbogast stortte zich in zijn zwaard en Theodosius, bevrijd van alle mededingers was nu, zoowel in werkelijkheid als in naam, de opperheerscher van het Romeinsche Keizerrijk.

Maar zijn leven wordt bedreigd door waterzucht, veroorzaakt door zijn weelderige levenswijs; hij benoemt dus twee opvolgers, den eerste in het Oosten, den tweede in het Westen, roept den jongste, Honorius, een jongen van tien jaar, naar Milaan (395) om den schepter over het Westen uit zijn stervende handen te ontvangen en vertrouwt de voogdij over den jongen toe aan den bevelhebber van zijn leger, Stilicho. Het Oostelijke Rijk werd toegewezen aan Arcadius, een zwakken jongeling van achttien jaar, kwaadaardig en hebzuchtig van karakter, en als zijn regent werd door Theodosius gekozen de eerste minister van Staat, Rufinus, een hatelijke Galliër van obscure afkomst. Deze verdeeling van het Rijk blijft bestaan, met uitzondering van twee jaren na den dood van Honorius. Voortaan zal dus Italië voornamelijk onze aandacht vragen.

Honorius, die achtentwintig jaar regeerde, stond intellectueel zoo laag, werd beheerscht door zoo teugellooze hartstochten en onnatuurlijke neigingen, dat men hem met recht van krankzinnigheid kan verdenken. Toch vonden er gedurende zijn regeering gebeurtenissen plaats, die hoogst belangrijk waren voor de toekomst van Italië.

De hoofdrol in het nu volgende drama speelt Stilicho, de reeds genoemde Vandaal, eerst voogd en later schoonvader van Honorius, in de litteratuur bekend als de held in de gedichten van Claudianus, den laatste van de klassieke Latijnsche dichters. In 395 gelukt het hem zijn mededinger Rufinus te laten vermoorden door Gotische soldaten en gedurende ongeveer dertien jaar is hij inderdaad de heerscher over beide Keizerrijken.

In 402, nadat hij Honorius, die in grooten angst Milaan had verlaten bij het binnendringen van de West-Goten onder Alarik en de Vandalen onder Radegast, had bevrijd, overreedde Stilicho hem om den zetel van de regeering over te brengen naar Ravenna; die stad bleef voor vele jaren de hoofdstad van Italië.

Stilicho verslaat Alarik bij Turijn en daarna bij Verona; ten slotte (405) neemt hij Radegast gevangen en doodt hem; deze was met een geweldig leger van Vandalen en andere barbaren uit Rhaetia gekomen en belegerde Florence. Maar om deze indringers het hoofd te bieden trekt Stilicho legioenen van den Rijn weg, waardoor hij in Gallië een stortvloed van woeste Vandalen en andere Germaansche stammen binnen laat, die zeventien provincies verwoesten. Ook aan Brittannië onttrekt hij troepen en weldra komt de Romeinsche heerschappij hier tot een einde, zoodat de Britten, aldus overgelaten aan de plunderingen van de Picten en Scoten, de “Engelsche” zeeroovers te hulp roepen—welke hulp ongeveer veertig jaar later kwam met Hengist en Horsa!

In 407, een van de laatste jaren van de Romeinsche occupatie, wordt een gewoon soldaat, Constantijn, door de soldateska in Brittannië tot de waardigheid van Keizer verheven en gedurende eenigen tijd joeg hij Honorius schrik aan door zijn veroveringen uit te breiden over Gallië en Spanje, van den muur van Antoninus tot de zuilen van Hercules.

De populariteit en de invloed van Stilicho lijdt door deze gebeurtenissen. Hij wordt aangeklaagd van verraad en in 408 te Ravenna, waar hij in een kerk gevlucht was, vermoord, misschien op bevel van Honorius. De dood van Stilicho opent de sluizen voor de West-Goten. Dertig duizend Goten, tot nog toe in dienst van Stilicho en het Keizerrijk, voegen zich bij Alarik, die, nadat hij de haven van Ostia heeft genomen, driemaal Rome heeft geblokkeerd en door hongersnood tot afschuwelijke daden heeft gebracht, Rome binnentrekt in 410—de eerste keer, dat de stad werd betreden door een buitenlandschen vijand sinds de inneming door de Galliërs in 390 vóór Christus. Alarik bleef slechts drie of misschien zes dagen in Rome, waar blijkbaar minder gemoord en geplunderd is, dan men had verwacht. Daarna marcheerde hij Zuidwaarts, misschien met de bedoeling Sicilië aan te vallen, maar stierf te Cosenza en werd, naar men zegt, onder het water van de Busento begraven; de bedding werd eenigen tijd verlegd om een graf en een monument te bouwen.

De terugtocht van de West-Goten uit Italië onder Athaulf (Adolf), de stichting van hun rijk in Zuid-Gallië, en de merkwaardige lotgevallen van de prinses Galla Placidia, die Alarik in Rome gevangen nam, zullen in het vijfde hoofdstuk uitvoeriger beschreven worden.

In dit verband is het voldoende te zeggen dat deze dochter van Keizer Theodosius den Groote naar Gallië werd gevoerd door Athaulf, die kort na zijn huwelijk met haar stierf. Zij wordt door haar halfbroeder Honorius vrijgekocht voor 600.000 maat koren en op haar terugkeer naar Italië trouwt zij met Constantius, die den titel Augustus van Honorius ontvangt, maar reeds in 421 sterft. Daarna geraakt zij in twist met Honorius en loopt weg met haar zoon, die nauwelijks vier jaar oud is, naar Constantinopel. Daar was nu Theodosius II, haar neef, Keizer. Hij was Arcadius opgevolgd, toen hij een kind van zeven jaar was, en was tot nog toe onder het regentschap van zijn zuster Pulcheria geweest, die nog langen tijd, zelfs gedurende zijn geheele regeering (vooral nadat zijn gemalin Eudocia zich naar Palestina had teruggetrokken) in waarheid de heerscheres van het Oostelijk Rijk was, en na zijn dood in 450 als Keizerin werd erkend, maar gedwongen werd of verlof kreeg tot Keizerlijk gemaal een handigen oud-soldaat en senator, Marcianus te nemen.

Doch om terug te keeren tot Placidia en haar zoontje: zij worden vriendelijk opgenomen door Pulcheria en Theodosius en een paar maanden later, na den dood van Honorius, wordt de titel “Augustus van het Westen” gegeven aan den jongen Valentinianus, die nu ongeveer zes jaar is, en onder regentschap van zijn moeder staat. Het geheele Romeinsche Rijk bevindt zich nu feitelijk onder het bestuur van twee vrouwen, van welke de eene (Placidia) ongeveer vijftien jaar (425-’40) en de andere (Pulcheria) ongeveer veertig jaar de teugels van het bewind in handen houdt.

De lange regeering van Valentinianus III (425-’55) is bekend door twee zeer belangrijke invallen—van de Hunnen en van de Vandalen.

Aan zijn hof, of liever aan dat van zijn moeder Placidia, te Ravenna, heeft de rivaliteit van twee aanzienlijke generaals, Aëtius en Bonifacius, grooten invloed op den loop der gebeurtenissen.

Bonifacius, een trouwe steun van Placidia in de dagen van haar ballingschap, had het bestuur over de provincie Afrika gekregen, waar hij een groot vriend was geworden van St. Augustinus. Aëtius had een usurpator, die door Theodosius te Ravenna overwonnen was, gesteund en zelfs een groot leger van Hunnen opgeroepen om den opstand kracht bij te zetten, doch hij was verstandig genoeg om de gunst van Placidia te zoeken, wier voornaamste raadsman hij werd aan het hof te Ravenna. Door de kuiperijen van Aëtius werd Bonifacius teruggeroepen van zijn commando in Afrika; maar hij gehoorzaamde niet en men zegt dat hij in een opwelling van verontwaardiging de Vandalen naar Afrika riep. In 429 stak hun koning Gaiserik (Genserik) van Spanje over met een groot leger en trots den wanhopigen tegenstand van Bonifacius, die te laat berouw had van zijn dwaling (als hij die ooit heeft begaan) verwoesten zij het gansche land en nemen Hippo na een lange belegering in, gedurende welke St. Augustinus, die met Bonifacius in de belegerde stad was, stierf. Bonifacius ontsnapt en keert terug naar Ravenna, waar hij duelleert (of misschien een slag levert) met Aëtius en aan zijn wonden sterft (432). Aëtius wordt daarna—volgens sommigen—door Placidia tot rebel verklaard; hij vlucht naar zijn vrienden, de Hunnen, en voert wederom een geweldig leger van deze barbaren naar Ravenna om schrik aan te jagen. Onderwijl verwoesten Gaiserik en zijn Vandalen Afrika te vuur en te zwaard. In 439 nemen zij Carthago en kort daarna vallen zij Sicilië aan en plunderen het; Placidia wordt gedwongen een verdrag te teekenen, waarbij zij hun de veroverde provincies afstaat en zich aldus een tijdperk van vrede verzekert. In 450 sterft Placidia, die sinds tien jaar van haar regentschap afstand had gedaan, te Rome, ofschoon haar graftombe te Ravenna is.

De periode 450–452 is gedenkwaardig wegens den schrik, door Attila den Hun, den geesel Gods veroorzaakt, die als een bliksemstraal neerschiet op het Westelijke Rijk, maar verslagen wordt of ten minste beteugeld door Aëtius en zijn bondgenooten, de West-Goten, in den grooten slag bij Châlons—een slag, die over het lot van Europa besliste en verdient vermeld te worden naast den slag bij Salamis, Himera of Tours. Toen stort Attila zich, razend, op Italië en verovert vele steden, waaronder Padua en Aquileia. (De vluchtelingen van deze en andere plaatsen vestigen zich te Grado, op de lagunen en de lidi, waar Venetië later verrijst). Aan den zuidelijken oever van den Lacus Benácus (Lago di Garda) ontmoet Attila nu een gezantschap van Rome, aan welks hoofd Paus Leo de Groote staat. Wat er gezegd is of wat er gebeurde om zulk een wonder te veroorzaken, is onbekend, maar het staat vast, dat na dit onderhoud de woeste Hunnenkoning met zijn leger wegtrok; en kort daarna sterft hij plotseling—misschien aan haemorrhagie.

Valentinianus III had Aëtius zijn dochter beloofd, maar na Attila’s dood krijgt hij meer zelfvertrouwen en toen Aëtius te zeer op zijn belofte aandrong, vermoordt hij hem in een vlaag van woede.

Het volgend jaar (455) wordt Valentinianus zelf, terwijl hij de athletische spelen te Rome bijwoonde, door twee soldaten gedood, uit wraak over den moord op Aëtius, of, misschien om een andere reden, zooals wij zullen zien. Dus is de dynastie van Theodosius uitgeroeid (want Pulcheria was twee jaar tevoren te Constantinopel gestorven) en wij kunnen dit jaar 455, dat verwoesting en ellende over Rome bracht, terecht beschouwen als het einde van het West- d.w.z. van het oude-Romeinsche Rijk; want, ofschoon in de volgende een en twintig jaren niet minder dan negen zoogenaamde Keizers verrezen en vielen in Rome, zijn deze slechts schimmen in de groote processie van Augusteïsche monarchen—poppen van barbaarsche vorsten of generaals.

De moord op Valentinianus was misschien een wraakneming, niet alleen voor den dood van Aëtius, maar ook voor een beleediging, die de Keizer de vrouw van een Romeinsch senator, Petronius Maximus had aangedaan. Hoe dat ook zij, Maximus werd nu benoemd tot Keizer, en hij tracht de jonge weduwe van den vermoorden Valentinianus te dwingen met hem te trouwen, wat een zonderlinge methode schijnt om de beleediging, zijn eigen vrouw aangedaan, te wreken. Maar Eudoxia, dochter van den vroegeren Keizer Theodosius II, verontwaardigd over het voorstel van den moordenaar van haar gemaal roept den Koning der Vandalen naar Rome. Doch misschien had zij nauwelijks tijd om dat te doen—want haar gemaal was gedood in het begin van 455 en in Juni waren Gaiserik en zijn Vandalen bij den mond van den Tiber. Eenige dagen later trekken zij Rome binnen, waar de nieuwe Keizer gesteenigd en gedood wordt bij een oploop, toen hij trachtte uit de stad te vluchten; een Bourgondisch soldaat eischte de eer van de eerste wond op. De plundering van Rome zal later beschreven worden; hier is het voldoende er bij te voegen, dat, toen Gaiserik naar Sicilië en Afrika terugkeerde, hij met den ontzaglijken buit (waaronder de schatten van den tempel van Jeruzalem) ook als gevangene de Keizerin meevoerde, die, naar men zegt, hem naar Italië had geroepen, alsmede haar twee dochters, van welke er een (Eudocia) met zijn zoon, de Vandalen-Koning Hunnerik trouwde.

Rome is gedurende eenige maanden verlamd door deze ramp. Ten slotte nam de Koning der West-Goten, Theoderik II, wiens vader was gesneuveld in den slag bij Châlons, het op zich in de vergadering te Arles van de hoofden der Romeinen en Goten van Gallië, den aanvoerder van het leger in Gallië, Avitus, geboortig uit Auvergne, als Keizer te kiezen. De senaat en het volk van Italië, ofschoon onwillig, nemen hem aan en zijn verkiezing wordt bekrachtigd door den Keizer van het Oosten, Marcianus.

Maar de regeering van Avitus duurde kort. Zijn voornaamste bevelhebber, Ricimer, een barbaar—zijn moeder was een West-Gotische prinses en zijn vader was van Sueefschen adel—brengt de Vandalen een verpletterende nederlaag toe bij Corsica en na aldus populariteit verworven te hebben, neemt hij de teugels van het bewind in handen en speelt in de volgende zestien jaar de rol van Keizer-fabrikant. Eerst zet hij Avitus af, die bij zijn poging tot ontvluchten te Placentia wordt gegrepen en een lot ondergaat, dat later verscheidene andere grooten overkwam: hij wordt gedwongen de tonsuur aan te nemen en er wordt een bisschop van hem gemaakt! Na een interregnum kiest Ricimer tot Keizer Marjorianus, een dapper en energiek soldaat; maar zijn vloot van 300 schepen wordt door Gaiserik bij de kust van Spanje vernield—en op zijn terugkeer wordt hij door soldaten van Ricimer gedood—of hij doet afstand en sterft.

Daarop volgt een andere pop, Libius Severus, gedurende wiens regeering (461–65), Ricimer de leiding heeft. Maar wegens de groote machtsuitbreiding van de Vandalen ter zee wordt Ricimer genoodzaakt, na den dood van Severus en een interregnum van achttien maanden, de hulp in te roepen van den Keizer van het Oosten, Leo I, “den Thraciër”, ook de marionet van een barbaarsch generaal, Aspar, die te Constantinopel dezelfde rol speelt als Ricimer. Leo stelt Anthemius voor, die door Ricimer wordt geaccepteerd en hij neemt Anthemius’ dochter tot gemalin (467). Een groote expeditie van meer dan 1000 schepen wordt nu door Leo en Anthemius uitgezonden om de Vandalen te verpletteren, maar deze mislukt en Gaiserik wordt almachtig in de Middellandsche Zee, bezet Sardinië en Sicilië en plundert ongehinderd de kusten van Italië. Anthemius was al te populair geworden. Ricimer verzamelt dus een geweldige macht, belegert en plundert Rome, vermoordt zijn schoonvader en kiest tot Keizer een Romeinsch edelman, Olybrius, die Placidia had getrouwd, de vroeger vermelde dochter van Valentinianus. Een paar weken na den moord op Anthemius sterft de Keizer-fabrikant aan haemorrhagie en twee maanden later sterft Olybrius (472).

Na den dood van Ricimer neemt zijn neef Gundobald, een Bourgondisch vorst, zijn plaats in en laat te Ravenna als Keizer een kapitein van de Garde van het Keizerlijke Huis (Comes Domesticorum) uitroepen, Glycerius. Maar de Keizerin Verina te Constantinopel, steeds geneigd om zich overal in te mengen, trekt voordeel van de ziekte van haar gemaal, Leo den Thraciër, en benoemt tot Keizer van het Westen een van haar verwanten, Julius Nepos. Als deze in Italië komt, trekt Gundobald zich terug naar Bourgondië en Glycerius, die uit Rome is gevlucht, stemt erin toe als bisschop van Salona in Dalmatië gewijd te worden; voor een onttroonden Keizer was het in deze tijden een geluk, wanneer hij tonsuur of een bisschopswijding mocht kiezen in plaats van het uitsnijden van zijn tong of het uitbranden van zijn oogen door middel van een bekken roodgloeiend metaal (een procédé, dat men in het Italiaansch abbacinamento noemt).

Maar nu breekt onder de Gotische troepen in Rome muiterij uit. Aangevoerd door hun generaal, Orestes, trekken zij tegen Ravenna op. Nepos vlucht en bereikt Salona, waar hij zijn vroegeren mededinger, den ex-Keizer-Bisschop Glycerius ontmoet. Hier aanvaardt hij het bestuur over Dalmatië en regeert nog jaren lang, door het hof van Constantinopel als Keizer erkend.

Orestes, de derde van deze “Keizer-makers”, was waarschijnlijk een Romeinsch patriciër, ofschoon hij in Illyrië geboren was. Hij had in het leger van Attila gediend en was door dezen als gezant naar Constantinopel gezonden, misschien met Edeco, den vader van Odovacar. Hij zelf was een Romein, gehuwd met een vrouw van Romeinschen adel en daarom waagde hij waarschijnlijk, wat zelfs Ricimer niet zou gewaagd hebben—hij proclameerde zijn eigen zoon tot Keizer. De naam van den jongeling verbindt de namen van den eersten Koning en den eersten Keizer van Rome. Hij is algemeen bekend als Romulus Augustulus, ofschoon het kleineerende of geaffecteerde diminutief niet op zijn munten voorkomt.

Men zou verwachten dat het Romeinsche bloed en de Romeinsche sympathiën van den jongen Keizer en van Orestes zelf hun regeering sterk zou maken. Maar juist dit feit schijnt hun val veroorzaakt te hebben. Stilicho en de andere barbaren waren ten val gebracht door den haat van de Romeinen, d.w.z. van de oorspronkelijke Italianen; Orestes valt, omdat hij den eisch van zijn barbaarsche troepen, geweldig door hun aantal en invloed, niet inwilligt. Hun eisch was dat een derde van het land aan hen zou gegeven worden—dit beteekende, dat voortaan een uitgestrekt deel van Italië door barbaren zou worden bewoond.


3. Constantijn de Groote.


Julianus.

Hierop breekt muiterij uit onder aanvoering van Odovacar (Odoacer); deze was een officier van de Herulische troepen en waarschijnlijk de zoon van Edeco, die, zooals gezegd is, door Attila als gezant naar het Byzantijnsche hof van Theodosius II was gezonden. Orestes vlucht naar Ticinum (Pavia), dat genomen en geplunderd wordt. Hij ontsnapt naar Placentia (Piacenza), maar wordt ingehaald en gedood.

Het leven van Augustulus, die een schuilplaats in Ravenna had gezocht, wordt door Odovacar gespaard. Wat met hem gebeurde is reeds verhaald in de voorrede en een meer volledige beschrijving van de plaats waar hij als gevangene vertoefde, zal elders gevonden worden. Den val van Augustulus in 476 kan men beschouwen als het einde van het West-Romeinsche Keizerrijk, d.w.z. het oude Imperium Romanum.

Hoofdstuk I.
Waarom het Keizerrijk gevallen is.

Inhoudsopgave

Het onderwerp van dit werk wordt in vijf deelen gesplitst. Het eerste loopt tot den val van het West-Romeinsche Rijk tot het jaar 479 waarin Romulus Augustulus onttroond werd en de titel Imperator Romanus, die met eenige onderbreking en dikwijls zonder eenige wettige aanspraak door ongeveer zeventig opvolgers van den grooten Augustus is gevoerd, uit Italië verdween; de talrijke usurpatoren laten we hier buiten beschouwing.

Maar wanneer wij spreken over den val van het West-Romeinsche Rijk, moet in herinnering gebracht worden, dat in het jaar 467 het Westersche Rijk, dat in den tijd van Constantijn de halve Romeinsche wereld omvatte—n.l. de zes uitgestrekte “diocesen” Brittania, de twee Galliae, Hispania, Italia en Noord-West-Afrika—niet meer bestond. Brittannië was in de macht van de Picten, Scoten en Angelsaksen, de vijftien provincies van Gallië waren verdeeld in onafhankelijke koninkrijken van Franken, West-Goten, Bourgondiërs en Alemannen, Spanje werd bestuurd door West-Goten en Sueven, Afrika, Sicilië en Sardinië waren in de macht van den Vandaal Gaiserik. Toen dus Odovacar Augustulus onttroonde bestond het Westersche Rijk slechts uit Italië met de provincies Noricum en Rhaetia in het noorden; hierbij mogen wij misschien voegen die streek van Dalmatië, aan de Oost-kust van de Adriatische Zee, waarheen een verdreven Romeinsche Keizer, Nepos, zich had teruggetrokken en waar hij in zijn klein imperium in imperio gesteund werd door de regeerende macht te Constantinopel, Keizerin Verina.

De onttroning van Augustulus mag dus beschouwd worden als de vernietiging van den naam van datgene, dat in werkelijkheid niet meer bestond—het machtige Keizerrijk, waar Rome het centrum van was en dat in de dagen van Trajanus (c. 100) zich uitstrekte van de Kaspische zee tot den Atlantischen oceaan, van de Libysche woestijn tot de hooglanden van Caledonië en ook nog een groote provincie omvatte, Dacië, aan de andere zijde van den Donau, ofschoon Augustus, een eeuw vroeger, wijselijk die rivier als de noord-oostelijke grens van het Imperium Romanum had aangenomen.

En van die kant kwamen de moeilijkheden. Trajanus’ annexatie van Dacië (de streek tusschen de Theiss en de Pruth) schiep een kunstmatige grens van groote uitgestrektheid, die onverdedigbaar bleek tegen de ontelbare horden van barbaren, voortdurend opgedrongen naar het Westen en het Zuiden door nieuwe golven van vijandelijke volkeren uit het verre Oosten. Keizer Aurelianus (c. 272) vond het noodig die provincie aan de West-Goten over te geven op voorwaarde dat zij den Donau niet zouden oversteken. Aldus kocht hij een precairen wapenstilstand van ongeveer honderd jaar, onderbroken door ettelijke veldtochten in den tijd van Constantijn, die eens de barbaren een verpletterende nederlaag en een verlies van 100.000 man, naar men zegt, toebracht. Omstreeks 370 werden deze Dacische West-Goten (zie p. 7) door de naderende Hunnen over den Donau gedreven en kregen toestemming zich in Thracië te vestigen; maar kort daarna stonden zij op en versloegen het keizerlijke leger in een grooten slag bij Hadrianopolis, in welken slag de Keizer, Valens, verdween.

Dit was het begin van die invallen der barbaren, die de onmiddellijke oorzaak waren van den val van Rome en die zulk een belangrijke rol spelen in de vroegste geschiedenis van middeleeuwsch Italië. In een ander hoofdstuk zal over den oorsprong en het karakter van deze noordelijke en oostelijke stammen gesproken worden. Hier zal gewezen worden op zekere eigenaardigheden van het latere Romeinsche Keizerrijk, welke zijn ontbinding schijnen verhaast te hebben.

Een wereldrijk, zooals de droom van Alexander was en zooals Rome eenmaal scheen te zullen verwezenlijken, zal altijd een gebouw zijn, veroordeeld om in te storten onder zijn eigen overweldigende massa. Het is waar, dat de Romeinen, als wij Germanië uitzonderen, feitelijk de heerschers der aarde waren—terrarum domini—gedurende ongeveer vijf eeuwen, van de verwoesting van Carthago in 146 v. Chr. tot den slag bij Hadrianopolis in 378 n. Chr.; maar hoe lang is het Colosseum blijven staan na den val van Rome?

De droom van een permanente wereld-heerschappij kan misschien eens verwerkelijkt worden in den vorm van een federatie van de groote mogendheden en een parlement der Menschheid, maar vrijheid en zelfbestuur gepaard met vrijwillige onderwerping aan een centrale regeering in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang moeten ongetwijfeld de essentieele eigenschappen zijn van elk dergelijk systeem; en die eigenschappen waren klaarblijkelijk afwezig in het Romeinsche Keizerrijk. Het geheele stelsel, opgebouwd uit vele en verschillende rassen, werd slechts bijeengehouden door het militaire en administratieve gezag van een enkele stad en bestond voornamelijk ten behoeve van die eene stad, in wier schatkamers voortdurend van alle streken van de bekende wereld schattingen en belastingen en oorlogsbuit stroomden. Hierheen voerden Rome’s zegevierende generaals uit drie wereldeelen hun ontelbare gevangenen om hun triumf op te luisteren en de staatskas of de beurzen van hun overwinnaars te vullen met de opbrengst van hun losprijs of verkoop als slaven; want het sociale systeem van het Romeinsche Keizerrijk was voornamelijk gebouwd op de gevaarlijke basis van slavernij1. Gibbon verzekert dat in den tijd van Keizer Claudius de bevolking van het Keizerrijk steeg tot ongeveer 120 millioen, van welke ongeveer zestig millioen slaven waren; en tijdens de regeering van Diocletianus stamde, volgens Bryce, twee derde van de geheele bevolking van het rijk van slaven af.

De buit en schattingen van vreemde landen en de aanvoer van ontelbare slaven droeg meer en meer bij tot het verdwijnen van den middenstand en terwijl de Romeinsche en provinciale ambtenaren, de groot-grondbezitters, en zij, die de legers aanwierven, zich aldus verrijkten, ontstond er een enorme massa van slaven op de uitgestrekte landgoederen in Italië en een straatarm gepeupel in de stad, dat steeds afhankelijker werd van de rijkere klasse, steeds hopeloozer verstrikt in de klauwen van woekeraars, steeds heftiger begeerend op te staan tegen hun onderdrukkers, die maar al te goed wisten hoe zij hen rustig konden houden door rijkelijke brooduitdeelingen en circus-spelen. Aan het hoofd van dit sociale systeem stond een monarch, bekleed met bijna absolute macht, omringd door een dichte phalanx van grondbezitters en ambtenaren, en in het bezit van een groot leger, dat hem onmiddellijk ten dienste stond.

En de aard van dit leger bracht nog een ander gevaar voor het Keizerrijk mee. In den tijd van de oude monarchie en de oude republiek vormde de geheele manlijke bevolking den “exercitus” en bijna iedere volwassen burger was soldaat. Ook later, toen bij Cannae werd gestreden en Carthago werd verwoest, en ook in de dagen van Caesar, was het leger uitsluitend gevormd uit Romeinsche burgers—van Rome zelf of haar bondgenooten—uit burgers, die Italiaanschen grond bezaten en bebouwden, die deel uitmaakten van de groote vergaderingen, die wetten gaven aan de Romeinsche wereld en die van hun ploeg of werkplaats konden worden geroepen om voor Rome te sterven of haar leger ter overwinning te voeren.

Toen de grenzen van het rijk zich uitbreidden, werd het steeds moeilijker recruten te vinden. Door Marius werd de heffe van het Romeinsche volk en van de bondgenooten als huurlingen geworven; door Marcus Aurelius werd het privilege om te dienen uitgebreid tot de vrije bevolking van de gansche Romeinsche wereld; weldra werden slaven toegelaten, en ten slotte barbaren en deze vormden binnenkort het grootste gedeelte van de staande legers, die Rome moest onderhouden, en op welke zij moest vertrouwen om haar gezag in de afgelegen provincies van drie werelddeelen te handhaven.

Om deze groote legers soldij te betalen stegen voortdurend de belastingen, totdat de druk bijna ondragelijk werd en het eenige bedrijf van de regeering was geld af te persen.

Ten slotte, een van de voornaamste oorzaken, die bijdroeg tot de ontbinding van het Keizerrijk, was de wonderbaarlijke groei en eindelijke triomf van het Christendom, welks diep-wortelende en levenskrachtige beginselen niet alleen het paganisme als erkenden godsdienst omverwierpen, maar ook de grondvesten, waarop het gansche sociale systeem, men zou kunnen zeggen, de geheele materieele en intellectueele beschaving van de Romeinsche wereld gebouwd was. In zijn omvangrijk werk “de Civitate Dei” gaf St. Augustinus zonder twijfel de gevoelens van de Christenen weer, toen hij met ontzag sprak over de plundering van Rome door Alarik als een uiting van Gods wraak op de heidenen, die nog steeds op hun godenbeelden vertrouwden. En hij sprak niet alleen met ontzag, doch bijna met verrukking; en inderdaad was, zooals in de dagen van Noach, een zondvloed zeer gewenscht. Niet alleen hingen zoowel de boeren als de hooggeboren senatoren hardnekkig aan het oude bijgeloof en de oude vereering van i dei falsi e bugiardi nog lang na Julianus den Afvallige en zelfs ten tijde van St. Benedictus, maar het zedelijk en godsdienstig gevoel was gedaald, ondanks het voorbeeld van menig edel karakter en de welgemeende, maar slecht gerichte pogingen van het Stoïcisme, zelfs het Stoïcisme van Epictetus en Marcus Aurelius, tot een peil, dat slechts kon verhoogd worden door die nieuwe orde van zaken, die niet alleen door Joodsche profeten, maar misschien zelfs door de Sibylle en Vergilius was voorspeld (Ecloga IV. 5.) En ongetwijfeld verlangden velen, met Vergilius, zelfs al voorzagen zij niet vaag de komst van een nieuwe eeuw, naar een beteren toestand der dingen. Dit kan men duidelijk bemerken bij Tacitus, die in zijn Germania met geestdrift de edele trekken in het karakter der Germanen beschrijft en een voorgevoel schijnt te hebben van den komenden val van het Imperium.

En hoe verschrikkelijk de rampen door de invallen over Italië gebracht, ook waren, sommige van de barbaarsche indringers waren toch van edele en krachtige afkomst en ofschoon zij waarschijnlijk op de toekomstige Italianen niet zoo grooten invloed hebben gehad, als weleens is aangenomen, daar zij meestal uit een aantal krijgers en ambtenaren bestonden, klein in vergelijking van de inlandsche bevolking, brachten zij toch nieuw bloed en nieuwe energie, en legden de grondvesten van een nieuwe orde der dingen, de fundamenten van de sociale, artistieke, intellectueele en religieuze beschaving van modern Europa, terwijl het Oost-Romeinsche Rijk, ofschoon zijn bestaan nog ongeveer duizend jaar duurde, steeds meer degenereerde en eindelijk een prooi van de Turken werd.

Het is waar, dat, voor deze nieuwe orde der dingen van kracht werd, Italië donkere tijden moest doormaken, in vergelijking van welke de tijd van Hadrianus en de Antonini, zelfs de tijd van Juvenalis, verlicht en humaan was; en het is waar, dat de strijd tusschen de verschillende sekten van den nieuwen godsdienst in hevigheid en venijnigheid alles van dien aard uit klassieke tijden overtrof en dat de vervolgingen van Christenen door Christenen afschuwelijker bleken dan het lijden van alle martelaren van Nero tot Diocletianus. Maar misschien is het voor het bereiken van een hooger trap van evolutie altijd noodzakelijk tijdelijk weder tot een lager af te dalen.

1 In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op de doorwrochte studie van E. Meyer (Kleine Schriften) Die Sklaverei im Altertum. (Vertaler).

Hoofdstuk II.
De Barbaren.

Inhoudsopgave

De indringers van Italië zijn vele geweest. In dit werk zullen wij, naast minder belangrijke stammen, ontmoeten Goten, Hunnen, Vandalen, Lombarden, Franken, Saracenen, Noormannen, Franschen, Spanjaarden en bovendien de Byzantijnen van het Oost-Romeinsche rijk en de Germanen van het Heilige Roomsche Rijk. In het eerste deel zullen wij ons beperken tot de eerste drie van deze overweldigers en in dit hoofdstuk zullen eenige inlichtingen over hen gegeven worden.

In de vroegste tijden werd Midden-Europa bezet door Arische stammen, die waarschijnlijk van het oosten kwamen, uit het noorden van Indië en uit landen aan de andere zijde van de Wolga en den Oeral. Ongeveer 1500 jaar v. chr. stroomden de Achaeërs van het noorden Griekenland binnen. Zij werden gevolgd door de Doriërs, een ander Arisch volk uit Midden-Europa en ongeveer drie eeuwen later vernemen wij dat geheel Asia Minor overweldigd wordt door Kimmeriers, een volk van Oostersche afkomst, die hun naam hebben gegeven aan de Krim en misschien tot dezelfden stam behoorden als de Kelten of Galliërs, die Rome in 390 v. Chr. innamen en die reeds vroeg het noorden van Italië bezetten (Gallia Cisalpina of Togata). Deze Kelten of Galliërs waren ook nauw verwant aan de Kimbren, wier ontzaglijke horden Gallië en Spanje in het begin van de tweede eeuw v. Chr. overstroomden en eindelijk door Marius in den grooten slag bij Vercelli werden verslagen (101 v. Chr.). Met de Kimbren waren de Teutonen verbonden, een Germaansch volk, dat eveneens door Marius werd overwonnen bij Aquae Sextiae (Aix) in Gallië. Het zuiden van Gallië werd toen Romeinsche provincie (vandaar de naam Provence) en Julius Caesar onderwierp het overige Gallië, dat te zamen met Brittannië een van de uitgestrekte praefecturae vormde van het latere Romeinsche Keizerrijk.


4. S. Paola fuori le mura, Rome.

Caesar versloeg ook de Germanen onder Ariovistus en joeg hem over den Rijn; maar hij onthield zich wijselijk van een poging om Germanië te veroveren en nam den Rijn als oostelijke grens van het Romeinsche gebied aan. Drusus, de stiefzoon van Augustus, voerde oorlog in het midden van Germanië en bereikte zelfs de Elbe; maar ongeveer achttien jaar later (9 n. Chr.) werd een Romeinsch leger van drie legioenen onder Varus vernietigd door de Germanen onder Arminius (Hermann, leger-man) in den slag van het Teutoburgerwoud en ofschoon een andere keizerlijke prins, Germanicus, erin slaagde het Romeinsche gezag te herstellen door het grootste gedeelte van het gebied weer te veroveren, werd hij teruggeroepen door de afgunst van zijn oom Tiberius, en er werd geen verdere poging gewaagd om Germanië bij het keizerrijk in te lijven. Behalve de tijdelijke annexatie van Dacië werd de politiek van Augustus na de nederlaag van Varus voortgezet door zijn opvolgers en de natuurlijke grenzen, de Rijn en de Donau, versterkt door uitstekende vestingen1, bleken een ondoordringbaar bolwerk te zijn gedurende ongeveer 250 jaar,—totdat die noodlottige toestemming om den Donau over te steken aan geweldige massa’s van West-Goten werd gegeven, welke leidde tot de ramp bij Hadrianopolis in 378.

Toen deze ramp vroeger werd vermeld (p. 7), hebben wij verteld dat de Goten over den Donau werden gedreven door de naderende benden van Hunnen. Nu zullen wij in het kort behandelen, wie die Goten waren, hoe zij en de Vandalen en verscheidene andere volkeren, die zich in Midden-Europa hadden gevestigd, zuidwaarts en westwaarts werden gejaagd door de woeste horden van dit Tartaarsche ras, de Hunnen, en tegen de grenzen van het Westelijke Keizerrijk gedrongen werden—een verschuiving van zulk een omvang en met zoo ingrijpende gevolgen, dat zij bekend is als “die Völkerwanderung”. Daarna zullen wij nauwkeuriger de drie groote barbaren-invallen in Italië beschouwen, die het gevolg waren van deze verschuiving—den inval van de West-Goten onder Alarik, van de Hunnen zelf onder Attila, en van Gaiserik en zijn Vandalen (uit Afrika).

De Goten waren een Germaansche stam, die, naar men aanneemt, in Midden-Europa is gekomen van Skandinavië2, waar de naam Gotland nog bestaat. Als dit zoo is, en als het waar is, dat ieder volk, hetwelk een taal spreekt behoorende tot de groote Arische familie oorspronkelijk kwam van de streken aan de andere zijde van de Kaspische Zee, moet hieruit volgen dat de stamvaders van de Goten in oude tijden hun weg gebaand hebben door Rusland naar Skandinavië. Maar, hoe dat ook zij, ten tijde van de Antonini, wanneer wij het eerst betrouwbare berichten over hen hooren, zijn zij in de streek van de Vistula (Weichsel) en ongeveer zeventig jaar later (c. 250) zien wij dat zij zijn verhuisd naar het land van de Borysthenes (Dnjepr) en de noord-westkust van den Pontus Euxinus en dat zij zoo hinderlijk zijn voor het Romeinsche Dacië, dat Keizer Decius een veldtocht tegen hen onderneemt, en, tegelijk met zijn zoon, verslagen wordt.

In dezen tijd bestond de Gotische natie uit Oost-Goten, West-Goten en die Gepiden,3 die later de streken van Dacië en Pannonië zullen bezetten, wanneer deze zijn verlaten door de Goten, die verder trekken. De West-Goten kwamen natuurlijk het eerst in botsing met de Romeinen in Dacië. Na de nederlaag en den dood van Decius werd een vastberaden aanval tegen deze West-Goten gedaan door Keizer Claudius II, wiens “litera laureata” aan den Romeinsche Senaat berichtte, dat hij 320.000 van hen had verslagen en 2000 van hun schepen had vernield; hij ontving van den Senaat den titel Goticus; maar toch vond zijn opvolger, Aurelianus het twee jaar later (272) noodzakelijk de provincie aan de barbaren over te geven, die daar een zeer merkwaardig rijk grondvestten—een complex van de drie groote Gotische Koninkrijken. In het noorden (Hongarije) waren de Gepiden, in het oosten (Moldavië en Bess-Arabië) de Oost-Goten, en in zuidelijk Dacië (Roemenië) de West-Goten.

De Oost-Goten, die machtig werden en een soort van Pan-Gotische suprematie uitoefenden onder hun beroemden Koning Hermanric,4 bleven lang heidenen, daar zij evenmin als de Gepiden in Noord-Dacië beïnvloed werden door de Romeinsche beschaving; maar de West-Goten, die in nauwer aanraking kwamen met de Romeinen, werden snel geromaniseerd en bekeerd tot het Christendom—van dit feit zijn de bewijzen nog over, want de tegenwoordige Roemeniërs zijn voor een groot gedeelte afstammelingen van de West-Goten, die achterbleven in Dacië (c. 378), toen velen van hen den Donau overtrokken, met Alarik Italië binnendrongen en gedeeltelijk in Gallië aankwamen; en deze tegenwoordige Roemeniërs hebben, trots alle Turksche onderdrukking, hoewel aan alle kanten door Magyaren en Slaven ingesloten, tot heden veel van den Romeinschen aard in hun taal, litteratuur, gewoonten en sympathiën bewaard.

Grooten invloed op deze West-Goten heeft de zendeling Ulfilas (Vulfila)—de Apostel van de Goten—uitgeoefend. Hijzelf was van Gotische afkomst, maar hij ontving een Grieksche en Romeinsche opvoeding te Constantinopel en wijdde het overige van zijn leven (van c. 335 tot 380) aan het bekeeren van zijn landgenooten en het vertalen van den Bijbel in het Gotisch. Ongeveer 177 pagina’s van een prachtig vijftiende-eeuwsch handschrift van zijn vertaling kan men nog in Upsala zien. Het is geschreven met zilveren en gouden letters op purperkleurig perkament en bevat meer dan de helft van de Evangeliën. Andere Gotische manuscripten geven vertalingen van de brieven van Paulus en het Oude Testament, waarschijnlijk ook zijn werk.5

Voor deze vertaling gebruikte hij gedeeltelijk letters van eigen vinding, deels Grieksche en Latijnsche, en deels Runen-schrift. Dit schrift had reeds vele eeuwen bij de Goten bestaan, waarschijnlijk ingevoerd in de Noordelijke landen door kooplieden van de Grieksche koloniën aan den Pontus Euxinus, of door Phoenicische zeelieden, of was misschien door de voorvaderen van deze Noordelijke Arische volkeren van hun oorspronkelijke woonplaatsen uit het verre Oosten hierheen gebracht.

Toen Ulfilas nog als jongeling zijn opvoeding genoot te Constantinopel, was hij zonder twijfel onder den persoonlijken invloed gekomen van Arius, wiens leerstellingen krachtig werden begunstigd door Constantijn in de laatste jaren van zijn regeering. Vandaar, dat door het onderwijs van den Apostel der Goten en andere zendelingen alle barbaarsche volkeren van Midden-Europa, behalve de Franken eerst bekeerd werden tot het Arianisme, en dat eerst veel later het Katholicisme de overhand kreeg. Maar wat men moge denken van de verdiensten van Ulfilas als Christelijk zendeling en verbreider van de kennis van den Bijbel, men kan niet twijfelen over de waarde van zijn werk, van litterair standpunt beschouwd.

Wij moeten nu van de Goten overgaan tot een andere natie, wellicht ook van Germaanschen, maar waarschijnlijk van Slavischen oorsprong, de Vandalen. Gedurende het bestaan van het groote Gotische rijk (van c. 250 tot 400) schijnen zij in de bovenlanden van de Elbe en de Oder geleefd te hebben, in welke streken hun afstammelingen (de Wenden) en overblijfselen van hun taal (het Wendisch) misschien nog bestaan.

Bij de komst van de Hunnen (die, zooals wij hebben gezien geheel midden-Europa in hevige beroering brachten, daar zij de Goten dwongen het Romeinsche Rijk binnen te dringen en waarschijnlijk ook de Angel-Saksen Brittannië te overvallen) schijnen de Vandalen te zijn gevlucht naar het huidige Saksen en Silezië en met de Sueven (Zwaben), Alanen en Bourgondiërs zich te hebben vereenigd met Alarik en zijn West-Goten bij zijn eersten, niet gelukkigen inval in Italië. Hier werd, bij Florence, de aanvoerder van dit vereenigd leger, Radegast, gevangen genomen en gedood door den Romeinschen veldheer Stilicho (405). Evenwel achtte Stilicho, zooals wij zagen, het noodzakelijk de Romeinsche legioenen niet alleen van Brittannië, maar ook van het Rijnland weg te halen, en de groote horden van heidensche6 Vandalen en hun bondgenooten, uit Italië verdreven, trokken den Rijn over (406) en verwoestten (volgens Gibbon) het grootste gedeelte van de zeventien provinciën van Gallië. Vele bloeiende steden werden geplunderd, duizenden van Christenen in de Kerken vermoord, het rijke en uitgestrekte land, ongeveer tot den Oceaan en de Pyreneën, was overgeleverd aan de barbaren, die een verwarde massa voor zich uit dreven, bisschoppen, senatoren, vrouwen, beladen met den buit van hun eigen huizen en altaren.

Uit deze streken werden de Vandalen en de Sueven niet lang daarna verdreven door de West-Goten, die, na Rome in 410 geplunderd te hebben, naar het Zuiden van Gallië marcheerden en een groot Koninkrijk stichtten, waarvan Arles en Toulouse de hoofdsteden werden. De Vandalen7 bleven een tijdlang in Spanje gevestigd, waarheen zij gedreven waren (Vandalusia of Andalusia is een herinnering aan hun verblijf), totdat de West-Goten hen over de Pyreneën volgden en gedurende eenige jaren verontrustten (c. 412–420). Daarna schijnt het dat zij gereorganiseerd zijn door den beroemden Gaiserik, die, misschien uitgenoodigd door den Romeinschen veldheer Bonifacius, met zijn geheele volk naar Afrika overstak. Vandaar, wellicht aangespoord door Keizerin Eudoxia, zeilde Gaiserik, die een machtige vloot had gebouwd, naar Zuid-Italië en plunderde Rome (455). Maar in een ander hoofdstuk zal de geschiedenis van de Vandalen in Afrika en in Rome uitvoerig behandeld worden.

Nu zullen wij over de Hunnen spreken, wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Hun invallen in Gallië en Italië onder Attila zullen later beschreven worden. Hier zullen wij hun geschiedenis nagaan, van de oudste tijden tot 445, toen Attila, de “Geesel Gods”, het gezag in handen kreeg.

Behalve de Basken en een paar andere bestanddeelen, de overblijfselen der Saracenen-heerschappij en de Joden, bestaat de bevolking van Europa uit twee groote families. Tot de Arische (of Indo-Germaansche) behooren de Kelten, Grieken, Romeinen, Germanen en de Slavische rassen. Tot de Toeraansche (of Mongoolsche) familie behooren de Turken, Hongaren (Magyaren8), Finnen, Bulgaren; deze laatsten zijn Slavische Sarmaten of Scythen, die van de Mongolen afstamden en volgens de beschrijving van den grooten geneesheer Hippocrates in uiterlijk en gewoonten op de Hunnen geleken.

De volgende tabel geeft de afstamming van de Hunnen en hun verhouding tot de andere volkeren aan:9


Volgens oude Chineesche berichten waren de “Hiong-nu”, de Hunnen, een groot en woelig volk, dat in Midden-Azië reeds 2000 jaar vóór onze jaartelling bestond. De groote Muur werd gebouwd om hen buiten China te houden. Later, na vele ernstige botsingen, versloegen de Chineezen hen (c. 90 n. Chr.) en velen van hen verhuisden naar het Westen. Gedurende ongeveer driehonderd jaar leefden zij tusschen den Oeral en de Wolga, waarschijnlijk tegengehouden door de Alanen van den Don, een Turksch ras, waarover reeds gesproken is. Deze overwonnen zij eindelijk en marcheerden met hen weder westwaarts. De schrik, die de nadering van deze Aziatische woestelingen veroorzaakte, wordt levendig weergegeven in de verhalen van Jordanes, die hen vergelijkt met beesten, die op hun achterpooten loopen en met de leelijke, houten beelden op bruggen. Volkeren, zegt hij, die zij in een eerlijk gevecht nooit zouden overwonnen hebben, vluchtten uit afschuw. “Zij zijn woester dan de woestheid zelf. Zij kruiden hun spijzen niet en kooken evenmin, maar eten rauw vleesch, nadat zij er een tijd onder hun zadel op gereden hebben; want zij zijn altijd te paard. Zij zijn klein, vlug en sterk. Hun gezichten—ofschoon men nauwelijks van menschelijke gezichten kan spreken—zijn vormlooze stukken vleesch, met twee zwarte, fonkelende punten in plaats van oogen. Zij hebben bijna geen baard, want zij krabben de gezichten van hun kinderen open met messen om hen aan wonden te gewennen, voordat zij de moedermelk proeven en platten hun neuzen af om hen tegenover den vijand des te verschrikkelijker te maken. Zij leiden hun afstamming af van de booze geesten en de heksen die door de Goten uit de bosschen zijn gedreven; zij zijn geboren om de Goten te overweldigen. Diezelfde booze geesten wezen hun den weg om de Goten aan te vallen; en dat geschiedde aldus. Eenige Hunnen, die aan het jagen waren, ontmoetten een hert, dat omkeerde en hen scheen uit te noodigen om te volgen. Dat deden zij en toen het hert, vooruit gaande, hun gewezen had, hoe zij het Maeotische moeras (de zee van Azof) moesten overtrekken, verdween het plotseling—een duidelijk bewijs, dat het zeker een van de booze geesten was, die den Goten vijandig waren.”

De stoot van de ontelbare benden Hunnen was onweerstaanbaar. De oude Koning Hermanrik werd gedood—of doodde zichzelf—en zijn krijgers werden ingedeeld in het leger van de Hunnen. Daarna werd den Dnjestr overgetrokken en werden de West-Goten aangevallen. Sommigen ontsnapten Noordwaarts naar de Karpathen; anderen vluchtten naar het Zuiden, waar zij zulk een paniek onder hun stamverwanten in Beneden-Dacië verwekten, dat een geweldige menigte, misschien een millioen, waaronder 200.000 gewapenden onder hun aanvoerder of “rechter”, Fritigern, troepsgewijze, uitermate verschrikt, den Donau overstak. De Romeinen—d. i. de militaire macht van het Oostelijke Keizerrijk—trachtten tevergeefs den stroom te stuiten en daar zij het zelfs onmogelijk achtten hen te tellen en te ontwapenen, stonden zij den West-Goten toe zich te vestigen in Moesië en Thracië. Een vreeselijke hongersnood brak uit, waarmee de Romeinsche ambtenaren hun voordeel deden. Zij kochten van de hongerlijdende vluchtelingen niet alleen kostbare voorwerpen, maar ook duizenden van slaven, voor verrot of walgelijk voedsel, zooals vleesch van honden, reptielen en ziek vee. Wanhopig, begonnen de West-Goten, ondanks de waarschuwingen van Fritigern, het land te plunderen en weldra vond er een treffen plaats tusschen de barbaren en de keizerlijke troepen, terwijl hun aanvoerders een feestmaaltijd hielden—zooals in het Nibelungenlied de mannen van Gunther en Attila beginnen te twisten—, hetgeen met een vreeselijke ramp eindigde. Daarop volgt, zooals wij zagen, de groote slag bij Hadrianopolis. De Keizer, Valens, verdwijnt en onder het Keizerlijk leger wordt een geweldig bloedbad aangericht (378).

Doch om nu tot de Hunnen terug te keeren—zij schijnen in Noord-Dacië gevonden te hebben, wat zij behoefden, want in de volgende vijftig jaar ongeveer bleven zij daar, ofschoon zij echter misschien verschillende volkeren van Germanië, de Saksen en de Franken hebben geplunderd, geannexeerd of Noord- en Westwaarts hebben gedreven. Met het Oost-Romeinsche Rijk onderhielden zij vriendschappelijke betrekkingen. Hunsche soldaten vochten soms mede als bondgenooten van de Keizerlijke legioenen en zij gebruikten de gelegenheid om de Romeinsche wapenen te leeren kennen en in hun eigen leger in te voeren, ook de tucht, de krijgstactiek en ongetwijfeld ook Romeinsche officieren.

De plotselinge en dreigende uitbreiding van het rijk der Hunnen, toen Attila, in 445, aan het hoofd kwam te staan, zal beschreven worden in een volgend hoofdstuk, wanneer zijn inval in Gallië en Italië ter sprake komt.

1 Een van de meest interessante forten lag bij Kaiseraugst (Colonia Augusta) bijna 20 K.M. stroomopwaarts van Basel, gebouwd in 27 v. Chr. Het was voorzien van een ruim en stevig theater, dat onlangs volledig is uitgegraven en gerestaureerd.

2 De Noordsche Mythologie van het Walhalla is zeker veel bekender in haar Skandinavischen dan in haar Germaanschen vorm en schijnt te wijzen op Skandinavië als haar oorsprong. Maar dit moet men misschien toeschrijven aan het feit dat het heidendom veel langer in Skandinavië heeft bestaan en zich ontwikkeld heeft in een prachtige litteratuur, de Edda’s.

3 Jordanes (zie Index) verzekert, dat Gepidae beteekent “treuzelaars” en dat het schip, hetwelk dit deel van het volk over de Oostzee bracht, “achteraan kwam”.

4 Hermanric = Leger-man-vorst. Het woord ric, rik, rick dat men vind in Alaric, Theodoric etc. beteekent “rijk, machtig”. Het woord Recke (een vorst of held, tegenwoordig beteekent het reus) in het Nibelungenlied hangt daar blijkbaar mee samen en misschien ook het Latijnsche rex.

5 Men zegt dat hij de boeken van Samuel en de Koningen niet wilde vertalen, uit vrees, dat zij tot den oorlog zouden opwekken. Daar hij tot 380 leefde, was hij waarschijnlijk onder de vluchtelingen, die den Donau overstaken in 378.

6 Toen Radegast op een van zijn veldtochten Rome bijna bereikt had, beloofde hij de Romeinsche senatoren aan eenige Noordsche Goden te zullen offeren—aan Thor en Wodan misschien.

7 De Sueven stichtten een Koninkrijk in het tegenwoordige Portugal.

8 De huidige Hongaren, die ten onrechte hun afkomst van de Hunnen afleiden, zijn Magyaren, die c. 900 n. Chr. de oudere bewoners van Hongarije, waarschijnlijk Avaren, verjoegen. De naam Hungaar of Ongar, door de Slaven aan de nieuwaangekomenen gegeven, heeft waarschijnlijk niets te maken met “Hun”, maar beteekent Ugraan of Ograan.

9 “Tartaar” is een incorrecte vorm voor “Tatar” ontstaan uit het woord Tartarus (Hel).

Hoofdstuk III.
Christendom en Heidendom.

Inhoudsopgave

De periode, die ons voornamelijk zal bezighouden in de twee volgende hoofdstukken strekt zich uit van de officieele erkenning van het Christendom door Constantijn—de zoogenaamde Kerkvrede—tot de vernietiging van het heidendom in het Keizerrijk, die wij ongeveer op het einde van de regeering van Theodosius I (395) of het begin van de vijfde eeuw kunnen stellen; want dan is het paganisme verdwenen, ofschoon er zelfs te Rome nog overblijfselen worden gevonden in de dagen van Alarik en St. Augustinus en op meer afgelegen plaatsen nog veel later, zooals te Cassino, waar St. Benedictus ongeveer 529 een tempel liet omverhalen, waarin het “bedrogen en slechtgezinde” landvolk (zooals Dante hen noemt) nog offerde aan den zonnegod Apollo of zulk een “daemon”. Een doorloopend verslag van de historische feiten van deze periode, van Constantinus tot Honorius, is al gegeven in het Overzicht, zoodat het niet meer noodig is de gevolgen daarvan te verklaren, wanneer wij trachten in het kort den merkwaardigen en snellen groei van het Christendom tot zijn volledige overwinning op het Heidendom te beschrijven.


5. S. Maria Maggiore, Rome.

Onder Nero (54), Domitianus (81), Decius (250) en andere Keizers, zelfs onder Trajanus en Marcus Aurelius hadden de Christenen door vele en afschuwelijke vervolgingen geleden. In 303, onder Diocletianus, had de hevigste plaats gehad, door toedoen van den “Caesar” Galerius—vooral in het Oosten, waar deze Galerius het bestuur had; maar zelfs in Gallië en Brittannië waren afgrijselijke dingen gebeurd, want zelfs de zachtzinnige Constantius Chlorus, de vader van Constantijn den Groote was, ofschoon hij deed wat kon om het lijden van de vervolgden te verzachten, gedwongen het hardvochtige Keizerlijke edict af te kondigen en uit te voeren.

Wat Diocletianus betreft, hij schijnt meer zwak dan wreed te zijn geweest. Blijkbaar heeft hij met grooten onwil aan den drang van Galerius toegegeven. Zijn neigingen waren gericht op een philosophisch en eenvoudig leven, als wij mogen oordeelen naar het feit, dat, toen hij op het hoogtepunt van zijn macht (zooals Karel V) vrijwillig afstand deed van de regeering en zich terugtrok op zijn villa bij Salona in Dalmatië, zijn eenige eerzucht schijnt geweest te zijn groenten te kweeken, die een eersten prijs verdienden. Toen hij door den heerschzuchtigen Maximianus werd aangezet om het Keizerlijk purper en den diadeem weer aan te nemen, antwoordde hij, naar men vertelt: “Gij zoudt niet zoo spreken, als gij mijn prachtige boonen en koolen hadt gezien”. En toch is dit de man, wiens naam—zooals die van Nero of Philips van Spanje—in ons gewoonlijk niets anders dan een gevoel van afgrijzen verwekt.

De geschiedenis van Constantijn’s verhouding tot het Christendom, zooals die verteld wordt door zijn tijdgenoot, den Bisschop Eusebius van Caesarea, den vader van de Kerkgeschiedenis, en zooals die weer verhaald wordt door latere schrijvers, is zulk een weefsel van legende en waarheid, dat het moeilijk is de feiten van verzinsels te scheiden.

Eerst een korte mededeeling over zijn moeder, Helena, St. Helena Van Engeland, zooals zij dikwijls wordt genoemd. Zij deelt met St. Albanus, volgens sommige schrijvers, de eer een van de inlandsche Heiligen der vroeg-Engelsche Kerk te zijn, vóór de komst van heidensche “Engelschen” en ongeveer drie eeuwen voor de komst van den jongeren St. Augustinus. Sommige verzekeren ook dat zij haar doorluchtigen zoon bekeerde en dat derhalve de roem van de vestiging van het Christendom in het Keizerrijk oorspronkelijk een Engelsche vrouw toekomt. Maar Eusebius, onze voornaamste berichtgever, vertelt ons, dat zij zelf later bekeerd werd door Constantijn. Haar afkomst is ook onzeker. Sommigen zeggen dat zij in Bithynië (in Klein-Azië) was geboren, anderen, dat zij de dochter was van den legendarischen Koning Coel (“de oude Koning Cole” van de balladen?) en geboren was in zijn stad, Colchester; men heeft ook vermoed, dat Constantius, toen hij in het leger van Maximianus diende in de jaren, die aan de dramatische overweldiging van Brittannië door Carausius voorafgaan, Helena te Colchester of te York (want ook die stad wordt als haar geboorteplaats genoemd) ontmoet heeft. Maar als dit zoo was, zou Helena c. 272 haar gemaal naar het Oostelijke Rijk gevolgd zijn; het schijnt toch wel vast te staan dat Constantijn in dit jaar te Naissus, in Moesië—en niet in Brittannië geboren is.

Voordat Constantius naar Brittannië terugkeerde (273), bekleed met de macht van een “Caesar”, was Helena reeds verstooten (p.1). Gedurende de jaren van haar vernedering leefde zij waarschijnlijk in het Oosten, evenals haar zoon Constantijn; maar toen hij tot opvolger door zijn vader was benoemd en door zijn troepen tot Keizer was uitgeroepen (305) in plaats van den zoon van haar hooggeboren mededingster Theodora, moet zij wederom in aanzien zijn gekomen. Ongeveer 326, kort na de stichting van Nieuw-Rome (Constantinopel) was zij in Jeruzalem, waar zij volgens de overlevering het Heilige Graf ontdekte onder een tempel van Venus, die door Hadrianus gebouwd was; en zij richtte (of bewoog Constantijn dit te doen) op de plaats van den afgebroken tempel een kerk op, die misschien gedeeltelijk nog bestaat en het oudste voorbeeld1 is van een belangrijk gebouw voor den Christelijken godsdienst, na de Kerk van de Geboorte te Bethlehem. Bovendien zou Helena op den Calvarie-berg het aldaar begraven Ware Kruis hebben gevonden. De drie kruisen werden allen gevonden, naar men zegt, en ook het oorspronkelijke opschrift; maar, omdat dit afzonderlijk lag, moest men op een andere wijze ontdekken, aan welk van de drie kruisen de Verlosser had geleden. Een stervende vrouw werd er bij gebracht en herstelde door de aanraking van de ware reliquie. Ofschoon de ontdekking van het Kruis als feit werd aangenomen, zoowel door de Kerk van het Oosten als door die van het Westen, vermeldt de gelijktijdige kerkelijke kroniekschrijver Eusebius het niet en evenmin staat het in het dagboek van een Gallischen pelgrim, die zeven jaar na Helena’s bezoek, te Jeruzalem was.

De bekeering van Constantijn wordt door kerkelijke schrijvers dikwijls toegeschreven aan een visioen van het Kruis2, dat hij zag boven de middagzon,—sommigen zeggen bij Andernach, anderen bij Verona of elders—toen hij van het Rijnland naar Rome trok om Maxentius aan te vallen. Eusebius verzekert, dat Constantijn hem met een plechtigen eed verklaarde, dat dit visioen door hem en het geheele leger gezien was, en vertelde hoe in den daaropvolgenden nacht Christus zelf hem was verschenen en hem, terwijl Hij op een kruis wees, verzocht dat op de schilden van zijn soldaten te griffen en als zijn veldteeken te gebruiken. Aldus ontstond, naar men zegt, de beroemde standaard, waaraan de raadselachtige naam van labărum werd gegeven. Het bestond uit een zijden vlag, waarop de beeltenis van den keizer geborduurd was; daarboven was een gouden kroon of kring, waarin het mystieke monogram stond—een kruis en een soort haak, die misschien de twee eerste letters van den naam Christus (de Grieksche letters Χ en Ρ) voorstellen.

Ongeveer drie jaar na den slag bij de Roode Rotsen, dicht bij Rome, waar Maxentius bij zijn poging om over den Pons Milvius te vluchten verdronk, richtte Constantijn een triomfboog op, die men nog te Rome kan zien, waarop die slag zeer onartistiek gebeeldhouwd is.3 Op dezen boog is ook een inscriptie, die in eenigzins duistere woorden de overwinning schijnt toe te schrijven aan de inspiratie van het Goddelijke Wezen (Instinctu Divinitatis). Wanneer deze woorden er niet later bijgevoegd zijn, schijnen zij de bewering te bevestigen, dat hij zijn overwinning dankte aan de gunst van den God der Christenen, die hem het kruis als zijn veldteeken had gegeven en hem door een bovennatuurlijk visioen had verzekerd, dat hij met dat teeken zou overwinnen.4

Maar het is moeilijk te zeggen of Constantijn in dezen tijd—of zelfs wel ooit—oprecht de Christelijke leer als de eenige ware heeft aangenomen en openlijk afgekondigd. Dat hij de eischen van de Katholieke Orthodoxie niet heeft ingewilligd is zeker. Het verhaal dat hij en zijn zoon Crispus gedoopt zijn door Bisschop Silvester in de Lateraan-kerk voor hun veldtocht (in 323) tegen Licinius en de inneming van Constantinopel—deze doop is het onderwerp van een der fresco’s van het Vatikaan—is niet geloofwaardig; het ontstond zonder twijfel tegelijkertijd met het nog beroemder verhaal van Constantijn’s bekende gift aan Silvester, waarover men meer zal hooren, als wij den tijd van Karel den Groote behandelen. Bovendien schijnt het vast te staan dat hij op het einde van zijn leven Arius zelf in het oog loopend begunstigde en dat hij den doop ontving op zijn sterfbed, uit de handen van een Ariaansch prelaat, Eusebius van Nicomedia, die verbannen was, toen het Concilie van Nicaea het Arianisme veroordeelde, maar was teruggeroepen en door den Keizer was gerehabiliteerd. Te midden van zoovele tegenstrijdige verhalen is het onmogelijk de waarheid te vinden. Er wordt ook verteld dat Constantijn zijn Christelijke onderdanen zeer gunstig gestemd was; dat hij de kruisiging uit eerbied voor Christus afschafte; dat hij kort na zijn overwinning op Maxentius het beroemde Edict van Milaan uitvaardigde, waarbij de Christelijke leer als Staatsgodsdienst werd erkend; dat hij ijverig deelnam aan de kerkelijke discussies en zelfs preekte over de meest diepzinnige theologische onderwerpen5; dat hij af liet kondigen, dat noch zijn persoon noch zijn beeld ooit in tempels mocht worden vereerd; dat hij medailles, schilderijen en munten (waarvan eenige over zijn) liet maken, die hem, met den Christelijken standaard, in een devote en smeekende houding voor symbolen van den Christelijken godsdienst, voorstellen; dat hij menig heidensch Romeinsch senator beleedigde door te weigeren aan een processie ter eere van Jupiter Capitolinus deel te nemen; dat hij het Concilie bijeen riep, hetwelk onzen godsdienst omschreef; dat ten slotte zijn standbeeld in Rome hem voorstelt met een kruis in de hand, waaraan hij, volgens de inscriptie, zijn overwinningen dankte.

Aan den anderen kant wordt verzekerd dat hij, waarschijnlijk tot op hoogen leeftijd, een ijverig vereerder was van den zonnegod—van Apollo, of van Mithras6; dat men hem op munten met deze heidensche goden ziet afgebeeld; dat hij de apotheosis van zijn vader Constantius afkondigde en hem aldus onder de Olympische godheden plaatste; dat hij heidensche elementen in het nieuwe godsdienstige systeem bracht, daar hij den Dag des Heeren gelijk stelde met hetgeen hij in zijn Edict noemt “den ouden en eerbiedwaardigen dag van de Zon” en dat hij voor het Westersche Christendom het feest van Christus’ geboorte vaststelde op den tijd van de nieuwe geboorte van de zon, dadelijk na den winter-zonnestilstand7. Eindelijk kan nog een merkwaardig bewijs van zijn vreemde, onpartijdige onverschilligheid worden aangehaald: op een hooge zuil (waarvan nog een gedeelte te Constantinopel bestaat) was een bronzen beeld gezet, sommigen zeggen een werk van Phidias zelf, dat van Athene was gehaald. Dit beeld, dat Helios voorstelde met een stralenkrans (zooals de zonnegod van Rhodus op de munten heeft) nam Constantijn aan als een beeltenis van hem zelf in de dubbele hoedanigheid van zonnegod en Christus, terwijl hij de oorspronkelijke zonnestralen misschien liet vervangen door spijkers van het Kruis.8

Wij kunnen dergelijke daden misschien toeschrijven aan politieke beweegredenen, of verdraagzaamheid, of een merkwaardige vereeniging van ijver voor de uiterlijke vormen van paganisme en Christendom, maar het is moeilijk te gelooven, dat Constantijn gedreven werd door een meer edele leerstelling van beide eerediensten. Wij kunnen slechts afschuw gevoelen voor een man, die te midden van al zijn godsdienstig vertoon, na zijn politieke mededinger en diens familie gedood te hebben, de terechtstelling van zijn eigen zoon en vrouw bewerkte (zie p. 4) en dat nog wel op blijkbaar ongegronde beschuldigingen.

In het jaar 325, dat tusschen deze beide bloedige daden van Constantijn ligt, leidde hij het groote Concilie te Nicaea in Bithynie, om de actueele kwesties te beslechten, die gerezen waren tusschen de volgelingen van Arius, een priester van Alexandrië, en hen, die met Athanasius aan het hoofd, den lateren bisschop van Alexandrië, onder den naam van Katholieken er aanspraak op maakten de eenige, algemeene Christelijke Kerk te vertegenwoordigen.

Constantijn nam het besluit van Nicaea—de veroordeeling van het Arianisme—aan en onderteekende het. Maar deze ketterij had toch gedurende vele jaren in Constantinopel en het grootste gedeelte van het Oostelijk Rijk de overhand, daar zij zelfs door de Synode van Jeruzalem werd aangenomen, en ook door de Goten en Vandalen in het Westen en in Afrika; en, zooals wij reeds gezien hebben, Constantijn zelf bleef maar een tijdelijk aanhanger van het Katholicisme en werd ten slotte door een Ariaansch bisschop gedoopt.

Het geschilpunt te bespreken, dat de Arianen en de Katholieken zoo ontvlamde en dat gedurende vijf eeuwen (tot de komst van de Franken) zulk een bitteren en ellendigen strijd en schisma in de Kerk verwekte, ligt buiten het bestek van dit werk. Men weet, dat het bestond in de verschillende opvattingen van de natuur van Christus, met het oog op Zijn identiteit met den Eersten Persoon van de Drieëenheid en Zijn bestaan als de Logos sinds alle eeuwigheid, en dat de Athanasische Leer het Katholieke geloof, in zijn geheelen omvang, aanneemt. Bovendien was er een gematigde partij van semi-Arianen, die, terwijl zij de homo-ousia (de wezensgelijkheid) van den Zoon en den Vader verwierpen, de homoi-ousia (de gelijkvormigheid) aannamen—het onderscheid tusschen beide termen kunnen wij aan theologen overlaten; wij zullen slechts de juiste opmerking van Gibbon aanhalen, dat “woorden, die het dichtst bij elkaar komen, dikwijls de grootste tegenstelling aangeven”. Misschien zullen de meesten van ons het ook wel met hem eens zijn, wanneer hij zegt, dat, zoodra de Christenen vrij waren geworden van externe vervolging9, zij elkaar begonnen te vervolgen, daar zij heftiger begeerden het wezen van hun Stichter te onderzoeken dan Zijn wetten in praktijk te brengen.

De priester van Alexandrië, wiens leer in den tijd van ongeveer zes jaar (319–325) in zulk een wijden kring was aangenomen door geesten, die de leer van de Drie in Eén niet konden bevatten—dezelfde geesten, die later bij den beeldenstorm de subtiele onderscheiding niet konden begrijpen tusschen vereering van beelden en afgodendienst—werd tengevolge van het Niceensche besluit geëxcommuniceerd en verbannen, tegelijk met vele Ariaansche prelaten; en alle Ariaansche geschriften werden veroordeeld om door het vuur te worden vernietigd.

Maar, gelijk wij hebben gezien, zoowel Arius als zijn volgelingen, zooals Bisschop Eusebius van Nicomedia, werden weldra teruggeroepen en in de laatste jaren van Constantijn schijnt hij aan het keizerlijk hof bijzondere gunst genoten te hebben. In 336, het laatste jaar van Constantijn’s regeering, zou Arius toegelaten worden tot het avondmaal in de Kathedraal van Constantinopel, maar op den voor die plechtigheid vastgestelden dag stierf hij plotseling, een voorval, dat zijn tegenstanders herinnerde aan het lot van Judas, maar misschien door vergift was veroorzaakt.

Athanasius overleefde zijn grooten mededinger 37 jaar. Hij zag vier keizers na Constantijn den troon van het Oosten bestijgen. Vier keer werd hij uit Alexandrië verdreven door zijn godsdienstige tegenstanders. Hij werd afgezet door Constantius en na zijn herstelling door Constans werd hij weder afgezet door Julianus en gerehabiliteerd door zijn beschermheer en bewonderaar Jovianus10, en toen misschien nog eens verbannen door Valens. Maar hij overleefde al deze gevaren, éen of tweemaal misschien geholpen door een wonderbaarlijke verdwijning en op bovennatuurlijke wijze gevoerd naar de woestijnen van opper-Egypte, toen hij bijna werd gevangen genomen. Hij stierf rustig, tachtig jaar oud, te Alexandrië, waar hij gedurende 46 jaar met eenige onderbreking patriarch was geweest.

Deze twisten tusschen Trinitariers en Arianen mogen, zoo schijnt het, met Italië in geenerlei betrekking staan, wij zullen toch weldra zien, hoe zij leidden tot dat conflict tusschen de burgerlijke en kerkelijke machten11, tusschen keizers en pausen, hetwelk zulk een belangrijke rol speelt in de geschiedenis van Italië; en voordat wij het onderwerp loslaten, zal het nuttig zijn te verhalen hoe in het Westelijk Rijk ten slotte het schisma is geheeld.


6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan. Met de zgn. Graftombe van Stilicho.

Wij hebben al gezien, dat de Goten en Vandalen en andere barbaren bekeerd werden door Ariaansche zendelingen. De groote koninkrijken van de West-Goten in Gallië en Spanje, van den Vandaal Gaiserik in Afrika en van de Oost-Goten onder Theoderik in Italië waren alle broeinesten van Ariaansche ketterij12, tot de vernietiging van de twee laatste rijken in 534 en 553. Ongeveer dertig jaar later verwerpt de koninklijke erfgenaam van den troon der West-Goten het Arianisme, staat tegen zijn vader op en wordt terechtgesteld. (Later werd hij gecanoniseerd als St. Hermenegild.) Zijn broeder bestijgt den troon en brengt het geheele volk er toe het Katholicisme te omhelzen. Daarna, ongeveer 603, onder invloed van koningin Theodelinda, die zelf daartoe was overgehaald door Paus Gregorius den Groote, werden de Lombarden, die tot dusverre Arianen waren, orthodoxe Katholieken. Ondertusschen zijn de West-Goten en andere bewoners van Gallië door de Franken bekeerd tot het Trinitarische geloof en kort voor het aftreden van Pepijn en Karel den Groote is het Arianisme in Italië uitgeroeid.

Maar, nadat wij nu eenigszins zijn afgedwaald om het einde van dezen twist te bereiken—de heftigste van de velen13, die den vrede van de Kerk verstoord en haar bestaan in gevaar hebben gebracht—laten wij nu terugkeeren tot ons onderwerp, den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand, het Heidendom, welks vernietiging lang voor de algeheele verdwijning van het Arianisme bereikt is.14

Doch eerst een paar woorden over een vorm van paganisme, die misschien een gevaarlijker, en zeker een sluwer vijand bleek te zijn dan het grove bijgeloof van de menigte of de meesleepende pracht van het heidensch ritueel.

Sommige van de diepzinniger leerstellingen van het Athanasische Christendom, zooals die, welke betrekking hebben op de Drieëenheid en den Logos, hebben een merkwaardige verwantschap met de leer van oud-Grieksche philosophen—Pythagoras en Plato b.v.—hetzij, omdat gelijke gedachtenvormen voortspruiten uit de diepere instinkten en overtuigingen van de menschelijke natuur, hetzij, omdat de Christelijke theologen vormen overnamen, die een duidelijke weergave waren van hun Godsbegrip. De geboorteplaats van het Neoplatonisme was Alexandrië, de stad van Athanasius en Arius. Een eeuw voor hen legde Plotinus de grondslagen voor dit systeem van denken, dat door hem en zijn beroemden leerling Porphyrius op een onderbouw van Platonische en Pythagoreïsche beginselen was opgetrokken om een philosophische theorie te vormen, die de Kerk vijandig was. Door hen en andere leeraren van dezelfde school werd het Neoplatonisme naar Rome en Athene gebracht, waar het snel wortel schoot en een ernstig gevaar werd voor het Christendom. Theodosius verbrandde in het openbaar Porphyrius’ bekende verhandeling tegen den Christelijken Godsdienst; maar de verderfelijke leer groeide voort, totdat in 529 Justinianus haar uitroeide door de scholen van Grieksche philosophie op te heffen. Neoplatonisme, zooals het door Plotinus wordt geleerd, ontleent, ofschoon hij die verkeerd heeft begrepen15, de fantastische beschrijving van het menschelijke lichaam als de gevangenis van de ziel aan Plato’s Phaedo. De verachting en afschuw, die deze valsche Platonisten voelden voor hetgeen St. Franciscus zoo hartelijk “broeder ezel” heeft genoemd, hadden zonder twijfel, onder invloed van een op oostersche wijze overprikkelden toestand, het krankzinnige Egyptische en Aziatische ascetisme ten gevolge—een resultaat, veel verderfelijker dan eenig ander, dat bereikt werd door de bittere vijandschap van hen, die, zooals Julianus Apostata, openlijk het Christendom aanvielen of zelfs van die latere Neoplatonisten, die een nieuw Evangelie verkondigden, terwijl zij Pythagoras zelf als den Antichrist voorstelden.

Er is al vroeger verteld (p. 5), hoe Julianus op den troon kwam. Daar zijn korte regeering van ongeveer achttien maanden belangrijk is door zijn poging om het Heidendom te herstellen, zullen wij die in het kort bespreken, terwijl wij de veel langer regeering van den zwakken, onbetrouwbaren en onmenschelijken Constantius overslaan, daar deze slechts weinig invloed had op den gang der gebeurtenissen, behalve voor zooverre hij zijn vader’s voorbeeld volgt in kerkelijke aangelegenheden en zich voor het Arianisme verklaart, Athanasius te Alexandrië vervolgt, en een anderen paus te Rome kiest, waardoor hij den eerste van die Romeinsche opstanden verwekt, die later zoo herhaaldelijk voorkomen.

Men zal zich herinneren, dat Julianus gevangen werd gezet en naar Athene verbannen door zijn neef Constantius. Hier bracht hij zes maanden door met philosophische studie, waarschijnlijk onder leiding van Neoplatonisten16. Ofschoon hij reeds in 351 te Ephesus als jongeling in het geheim was ingewijd in de mysteriën van de oude Chthonische of Orphische leer, heeft Julianus waarschijnlijk eerst te Athene, ongeveer 25 jaar oud, beslist het Christelijk geloof afgezworen. Hierin was hij opgevoed door Eusebius, dien bekenden bisschop, dien wij reeds ontmoet hebben aan het bed van den stervenden Constantijn. Eusebius bezielde zijn jeugdigen leerling met zooveel ijver, dat hij, naar men zegt, gewoon was de oefeningen te leiden in de Kathedraal van Nicomedia.

Dramatische gebeurtenissen leidden tot zijn troonbestijging. Na zijn terugroeping naar Milaan, zijn huwelijk met de zuster van Constantius en zijn benoeming tot Caesar van de praefecturae van Gallië en Brittannië—gebeurtenissen die hijzelf met humor vertelt, terwijl hij zijn verlegenheid beschrijft bij de plotselinge metamorphose17—ontwikkelt hij groote kracht en talent als veldheer. Hij verslaat de Alemannen bij Straatsburg en stuurt hun koning naar Constantius. Hij onderwerpt de Franken aan den beneden-Rijn, steekt daarna de rivier over bij Mainz en verwoest het land der barbaren. Hij bouwt zeven steden tusschen Mainz en de Noord-Zee weder op en vestigt zich te Parijs, zijn residentie, “het dierbare Lutetia”, dat toen een versterkte plaats was op het Seine-eiland, met houten bruggen verbonden aan den Campus Martius, het paleis, theater en de baden (nu het Museum de Cluny) aan den zuidelijken oever van de rivier (het tegenwoordige “Quartier Latin”).

Plotseling, als een donderslag bij helderen hemel, komt een order van Constantius (die door zijn hofbeambten—meest eunuchen—werd getiranniseerd) dat het meerendeel van de Gallische legioenen dadelijk naar Perzië moet marcheeren! De troepen belegeren terstond hun generaal in zijn palatium onder luid geschreeuw van “Julianus Augustus”, heffen hem op een schild en roepen hem tot keizer uit. Hij protesteert; maar het noodlottige woord is uitgesproken en de soldaten houden vol. Derhalve zendt hij een bericht naar Constantius, die nu te Antiochia is en vraagt nederig om bekrachtiging van den titel. Maar Constantius, woedend, eischt onderwerping. Daarop vaardigt Julianus de beroemde proclamatie uit, waarbij hij zijn lot aan de “onsterfelijke goden” toevertrouwt, terwijl hij aldus den band met den Keizer en het Christendom breekt, verzamelt een groot leger te Basel, zendt troepen langs verschillende wegen naar Italië, rukt ondertusschen zelf met 3000 man dwars door het Marciaansche (Zwarte) Woud, bereikt den Donau, komt in elf dagen, op een flottille, die hij had bemachtigd, te Sirmium en dringt Illyrië binnen.

Constantius rukt op van Antiochia, om den usurpator op te jagen, ut venaticiam praedam; maar te Tarsus sterft hij aan een koortsaanval en Julianus trekt Constantinopel binnen, waar het keizerlijk leger zich vóór hem verklaart, ofschoon de eunuchen een tegen-candidaat hadden gesteld. Hij gaat dadelijk aan het werk om het hof te redden “uit de kaken van een veel-koppige Hydra”, om zijn eigen uitdrukking te gebruiken en jaagt een menigte satellieten, spionnen, aanklagers, eunuchen en andere ministers van weelde en misdaad weg. Gedurende de weinige maanden van zijn verblijf in de hoofdstad legt hij een grooten ijver aan den dag om den ouden godsdienst te herstellen en, terwijl hij een philosophische verdraagzaamheid afkondigt en soms de andere godsdiensten begunstigt, is hij een heftige vijand18 van bijzondere aanspraken van het Christendom en bij uitstek streng tegen Athanasius als den leider van hetgeen hij beschouwt als de meest exclusieve en onverdraagzame van alle sekten. Hij beveelt den herbouw en de heropening van alle heidensche tempels; hij roept alle verbannen Ariaansche prelaten terug; hij vernietigt het labărum en het Kruis; hij stelt de colleges van augures en flamines weer in, en is als Pontifex Maximus voorzitter bij de heidensche ceremoniën; hij geeft enorme sommen uit aan offers voor de heidensche goden, maar schrijft tevens een brief aan het Joodsche volk, waarin hij hen verzekert hun “Groote Godheid” te eerbiedigen en hen te willen beschermen tegen de Galileërs “die den éénen waren God hebben verzaakt”, hij onderneemt het zelfs den Tempel op den berg Moriah te herbouwen, met de bedoeling Salomo zelf te overtreffen, niet alleen door de pracht van het bouwwerk, maar ook in het getal van de offerdieren bij de inwijding—in Salomo’s geval was dit 22.000 ossen en 120.000 schapen! Maar toen de grond uitgegraven werd om de nieuwe fundamenten van den Tempel te leggen, zegt men, dat een geweldige ontploffing en aardbeving zulk een schrik verwekten dat het werk werd opgegeven.

In hoeverre Julianus gesteund werd door het ware paganisme of den tijdelijken afval van zijn onderdanen, is lastig na te gaan, want het is even gevaarlijk de vleiende verhalen van zijn vriend en aanbidder Libanius, den Griekschen redenaar en schrijver (den leeraar van St. Basilius en St. Chrysostomus) te vertrouwen, als de vijandige getuigenis van Gregorius van Nazianzus en andere kerkelijke kroniekschrijvers. Men moet den geestdrift van Julianus voor den ouden godendienst vooral toeschrijven aan zijn vurige liefde voor oude kunst, litteratuur en philosophie en aan zijn afkeer om zich te onderwerpen aan de aanmatigende dogmata van een priesterschap, dat de wijsheid van Socrates en de kunst van Homerus met gelijke verachting beschouwde. Maar—zoo zwak is de menschelijke natuur—hijzelf, een leerling van Plato, een geleerde, een begaafd redenaar, een uitstekend schrijver van beide klassieke talen, een voorbeeld van gematigdheid en kuischheid19, werd de prooi van het grofste en belachelijkste bijgeloof. Hij werd vereerd, zooals hij geloofde, door de intieme vriendschap en duidelijke aanwezigheid van de goden zelf; hij raadpleegde hen door middel van voorspellingen en orakels en herkende hun wil in de wonderen, en hun stem in de voorteekens.

Zijn enthusiasme voor de oude helden bracht Julianus er toe Alexander den Groote na te volgen, zooals hij ook reeds beproefd had de daden van Caesar in Gallië na te volgen20. Sinds den tijd van Keizer Alexander Severus (c. 226) had Perzië onder haar koningen uit de Sassaniden-dynastie den Romeinen steeds grooten last veroorzaakt. De tegenwoordige monarch, Sapor (Shapur) II, was de negende van die groote dynastie. Hij had reeds langer dan een halve eeuw geregeerd21 en bleef in leven tot het vierde jaar van Theodosius’ regeering, zoodat hij zes Keizers op den troon van het Oosten zag opvolgen. Hij had Constantius en de keizerlijke troepen uit Mesopotamië verdreven en dreigde hen uit Azië te jagen. De veldtocht van Julianus tegen Sapor, waar uitgebreide toebereidselen voor waren gemaakt, eindigde, zooals wij zagen, met zijn dood, en bijna met de vernietiging van zijn leger. Hoe Jovianus er in slaagde het overschot te redden door een roemloozen en ellendigen terugtocht, hoe hij gedurende zijn korte regeering de luide toejuichingen verwierf van al zijn Christelijke onderdanen door de herstelling van hun godsdienst, en de dankbaarheid van de anti-Aranen door Athanasius weder op den patriarchalen troon van Alexandrië te plaatsen, is vroeger verteld (p. 5).

Gedurende de regeering van Valentinianus en Valens, die reeds verteld is in het Historisch overzicht, was wellicht de belangrijkste gebeurtenis de bekeering van de West-Goten, of het begin daarvan, door Ulfilas († 381), ofschoon de Trinitariërs dit waarschijnlijk beschouwden als een Pyrrhus-overwinning van het Christendom. Valentinianus schijnt verdraagzaam, of misschien onverschillig geweest te zijn in doctrinaire aangelegenheden en eerbied te hebben verworven wegens zijn manlijk en gematigd karakter. In zijn latere jaren echter kreeg zijn cholerische aanleg de overhand en veranderde hem in een woedenden tyran, wiens slachtoffers bij duizenden werden terechtgesteld, beschuldigd van verraad en hekserij.22

De hysterische angst, verwekt door het geloof aan hekserij, had ook op den zwakzinnigen Valens een dergelijke uitwerking. Van de verst verwijderde deelen van Azië werden jong en oud gesleept voor den rechterstoel van Antiochia, waar de keizer gewoon was te resideeren. Zoo talrijk waren de gevangenen, dat de keizerlijke troepen nauwelijks voldoende waren om hen te bewaken en in afgelegen provinciën de vluchtelingen de bevolking in getal overtroffen.

Maar Valens bepaalde zich niet tot zulke wreedheden. Drie jaar na zijn troonbestijging was hij gedoopt door den Ariaanschen Patriarch van Constantinopel. De keizerlijke neophiet ontwikkelde zich weldra tot een blinden ijveraar en een wreeden vervolger van “Athanasische ketters” zooals hij hen noemde en het Oostelijke Rijk was weldra in gisting en oproer. Dit duurde zoo lang, totdat Aartsbisschop Basilius te Caesarea—eens de mede-student van Julianus te Athene, later beroemd als kluizenaar en stichter van de eenige monniken-orde van de Oostersche Kerk—den keizer trotseerde, zooals later St. Ambrosius te Milaan Theodosius trotseerde en met hetzelfde gunstige gevolg; want, naar men vertelt, geraakte Valens zoo onder den indruk, dat hij bezwijmde in tegenwoordigheid van allen, toen hij van het altaar werd teruggestooten, en dat hij boete deed voor zijn wreedheden door Basilius een groot landgoed te schenken om daar een hospitaal te stichten. Valens verdween, zooals reeds verhaald is, in den grooten slag bij Hadrianopolis in 378.

In het Westen was Valentinianus opgevolgd door zijn zoon Gratianus, (vgl. p. 7) een vriendelijken en sport-lievenden jongeling van 16 jaar, die als collega zijn vierjarigen stief-broeder aannam, Valentinianus II, terwijl hij het kind en zijn moeder Justina de praefectura Italië toewees en de beide Galliae voor zich hield. Hij was nog een jonge man van 24 jaar, toen hij door den usurpator Maximus te Lyon werd gedood en had blijkbaar meer belangstelling in zijn herten- en berenparken dan in Kettersche spitsvondigheden, zoodat tijdens zijn regeering van acht jaar de Gallische Kerk vrij is gebleven van twisten, ofschoon zij een werkzaam aandeel nam in het vernietigen van de heidensche reliquieën. Te Rome bovendien schijnt Gratianus met Justina en haar zoon veel bij te hebben gedragen tot het uitroeien van het paganisme, want wij vernemen dat hij het oude college der Vestaalsche Maagden en Augures heeft afgeschaft en de beelden der goden heeft vernietigd.23

Toen Valens verdwenen was, koos Gratianus tot Augustus van het Oostelijk Rijk een dapperen soldaat van Spaansche afkomst, Theodosius, die in het keizerlijk leger in Brittannië had gediend en Hertog van Moesia was geworden. De vader van Theodosius was, na schitterende veldtochten in Brittannië en Afrika, te Carthago terechtgesteld, blijkbaar krachtens een beuzelachtige beschuldiging van verraad. Wegens de ongenade en den dood van den ouden Theodosius had de zoon zich teruggetrokken op zijn landgoed in Spanje, om zich, zooals Xenophon of Cincinnatus, te wijden aan de verbetering van zijn landerijen. Vandaar werd hij na vier maanden geroepen om de plaats in te nemen, die door Valens’ dood open was gevallen.

Gedurende zeventien jaar (378–395) was Theodosius eigenlijk de heerscher, niet alleen in het Oosten, maar als beschermer van den jongen Valentinianus en zijn moeder en als overwinnaar van Maximus en Arbogast, ook in Italië en het verre Westen, ofschoon hij slechts in het laatste jaar van zijn regeering onbetwist alleenheerscher was. (Zie Historisch Overzicht p. 8).


7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna.

In deze zeventien jaar (het onderwerp van het volgende hoofdstuk) stierf het heidendom snel uit en ofschoon wij later nog eenige merkwaardige overblijfselen ontmoeten, mogen wij toch aannemen dat op het einde van Theodosius’ regeering of het einde van de 4e eeuw, de oude godsdienst in het Keizerrijk verdwenen was en de Trinitariaansche of Athanasische Kerk—vooral de zoogenaamde Katholieke Kerk in Italië—een waardige en invloedrijke positie tegenover de burgerlijke macht had verworven.

1 Sommigen denken dat dit de ronde Kerk van de Opstanding is, die in 1808 bijna geheel afgebrand is. Anderen gelooven, dat de “Dom van de Rots” (Moskee van Omar), die naar men zegt op de plaats van Salomo’s tempel staat, oorspronkelijk de Constantijnsche Kerk van het Heilige Graf is; maar het tegenwoordige gebouw dateert van de 7e eeuw en is waarschijnlijk van Mohammedaanschen oorsprong, en staat op de rots, van welke Mohammed naar den hemel opsteeg. Men kan het herkennen op Raffael’s Sposalizio en andere schilderijen.

2 Door sommigen verklaard als een phenomeen van zonnestralen. Misschien was ook het labărum-monogram oorspronkelijk een zonne-symbool, b.v.

3 Zie Plaat 2 en de verklaring.

4 Het labărum, het Kruis en het monogram vindt men op de munten van de Christelijke Keizers en soms ook de bekende woorden In hoc signo vinces of vincas.

5 In één van zijn Orationes ad Sanctos beroept hij zich op de 4e Ecloga van Vergilius, waar de heidensche dichter blijkbaar een profetie geeft van den komenden Messias. Het is zeer wel mogelijk dat Vergilius de Sibyllijnsche Boeken heeft ingezien, waarvan er 2000 werden verbrand door Augustus en die wellicht o.a. uittreksels van Joodsche profetiën bevatten. St. Augustinus en anderen van de eerste Christelijke schrijvers halen de Sibyllae met eerbied aan. In de Italiaansche kunst worden zij dikwijls afgebeeld met de Joodsche profeten of met engelen, zooals in de Sixtijnsche Kapel en op een fresco van Raffael in S. Maria della Pace te Rome.

6 Gedurende vele eeuwen werd de eeredienst van den zonne-god verward met dien van Jehovah en van Christus, vgl. Grieksch: Helios met het Joodsche El, Elias etc. Zelfs tegenwoordig verwart de Grieksche eilander Helios met Elias. In Ierland moest St. Patrick preeken tegen zonne-vereering.

7 Op de munten van Constantijn wordt de zon genoemd “den onoverwonnen bondgenoot” een uitdrukking van den cultus van Mithras, den zonnegod, en een toespeling op den jaarlijkschen terugkeer van de kracht van de zon na den zonnestilstand.

8 Deze groote spijkers, die voor de kruisiging gebruikt waren, had volgens de overlevering Helena gevonden. Constantijn zou er een voor een gebit van zijn krijgsros gebruikt hebben; doch dit lijkt ongelooflijk.

9 Merkwaardig is de heftigheid, waarmee de interne twisten weer losbreken, nadat het Christendom door Jovianus hersteld is.

10 Jovianus vereerde Athanasius bijna als een god.

11 Men moet hierbij opmerken, dat door de stichting van Constantinopel, waar Constantijn veertien belangrijke kerken oprichtte en zijn nieuwe gebouwen versierde met vele oude kunstwerken van Griekenland, Rome zich niet alleen ontzet voelde uit haar positie als politieke metropolis, maar ook, als de zetel van de opvolgers van den Heiligen Petrus, gekrenkt was door het mededingende patriarchaat en nog meer door de poging van Constantijn om zichzelf Hoofd van de Kerk te maken.

12 De vervolging van de “Katholieken” door Gaiserik en zijn opvolgers was verschrikkelijk. De naam “Katholiek” waarop de Trinitariers aanspraak maakten, is pas gerechtvaardigd na het verdwijnen van het Arianisme.

13 Al de ketterijen, waartegen de Athanasische orthodoxie heeft gestreden, hier op te noemen is onmogelijk. Alexandrië was voortdurend het strijdperk van bloedige conflicten. Men denke aan Hypatia en haar moordenaar, den patriarch Cyrillus.

14 In het voorbijgaan moet opgemerkt worden dat niet eerder dan in de 10e of 11e eeuw de Götterdämmerung nacht is geworden en de Olympische Goden naar de duistere onderwereld zijn afgedaald. Toen eerst breide het Christendom zich uit over zulke landen als Bulgarije, Hongarije, Saksen, Denemarken, Skandinavië en Rusland. Iersch en Britsch—en zelfs Anglikaansch—Christendom bestond reeds veel vroeger.

15 Plotinus wilde niet dat men een afbeelding van hem zou maken, daar deze de herinnering aan zijn betreurenswaardig lichaam zou bestendigen en vermeed elke vermelding van den dag of plaats zijner geboorte, als dingen die te duister en ellendig waren om aan te denken.

16 Mede-studenten van Julianus te Athene waren St. Basilius en de geleerde, welsprekende Gregorius van Nazianzus (in Cappadocië), later patriarch van Constantinopel, wiens vernietigend verslag van Julianus’ karakter zeker moet worden toegeschreven aan den afval des keizers.

17 De ceremonie van het afscheren van den philosophen-baard en het verwisselen van het Socratische kleed met de militaire en koninklijke uitrusting amuseerde een paar dagen lang het wufte hof.

18 Fragmenten van Julianus’ Verhandeling tegen de Christenen, opgesteld tijdens zijn toebereidselen voor den Perzischen oorlog, zijn nog over.

19 De prachtige en verwijfde Aziatische kleederdracht, de krullen en het blanketsel, de sieraden aan hals en arm, dat alles, zoo belachelijk bij Constantijn, werd door den philosoof Julianus verworpen. Men zegt, dat hij gewoonlijk op den grond sliep, zelfs in het prachtige paleis te Constantinopel. Zijn afkeer om het zich gemakkelijk te maken, leidde dikwijls tot het niet in acht nemen van de voorschriften der reinheid. In zijn Misopogon (de baard-hater d.i. de philosophen-hater, een satire tegen het volk van Antiochia dat zijn gewoonten en slordig uiterlijk had bespot) spreekt hij met genoegen en trots over zijn lange nagels en zijn zwarte handen en zijn ruigen “dichtbevolkten” baard.

20 In zijn brieven aan den Senaat volgt hij Caesar’s stijl na en Libanius zegt dat hij, zooals Caesar, een verhaal heeft geschreven van zijn Gallische oorlogen. Zijn meeste werken zijn in ’t Grieksch. Onze kennis van zijn Gallische en Perzische veldtochten danken wij voornamelijk aan het Latijnsche werk van Ammianus.

21 Hij was reeds een gekroonde Koning voor zijn geboorte, daar de Magiërs den kroon plaatsten op het lichaam van zijn moeder.

22 Bijgeloovige vrees voor hekserij en magische boeken schijnt in dezen tijd de Romeinsche wereld te vervullen. Hieraan is het verdwijnen van menig philosophisch werk te wijten.

23 Hij verwekt eerst opschudding door het ambt van Pontifex te weigeren. Zijn ijver om tempels en beelden af te breken werd waarschijnlijk aangevuurd door de Gallische heiligen, Hilarius van Poitiers en Martinus van Tours.

Hoofdstuk IV.
Theodosius de Katholieke.

Inhoudsopgave

De eerste plicht van den nieuwen Keizer in het Oosten was de nederlaag van Hadrianopolis te wreken. Voordat hij van Thessalonica, waar hij het Keizerlijk leger weer samengesteld had, tegen de West-Goten optrok, onderging Theodosius den ritus van den doop en las het volgende edict voor1, in naam, naar men zegt, van de drie Keizers, Gratianus, Valentinianus en hemzelf: “Het behaagt Ons, dat al onze onderdanen den godsdienst, die den Romeinen door den H. Petrus geleerd is, aanhangen. Volgens de leer van de Apostelen en de Evangeliën moeten wij gelooven in de eene Godheid van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, gelijk van majesteit in de Heilige Drieëenheid. Wij willen dat de aanhangers van deze leer Katholieke Christenen heeten en brandmerken alle anderen met den schandelijken naam van ketters en verklaren dat hun vergaderplaatsen niet langer den naam van Kerken zullen dragen.” Laten wij letten op de aanmatiging van de drie wereldlijke heerschers van het Romeinsche Rijk, dat zij niet alleen het recht hadden om de Christelijke leer op te dringen, maar ook om hun eigen uitleg te geven aan de leerstellingen der Apostelen. Niet minder dan 15 strenge edicten van dien aard, gericht tegen de ketters, werden door Theodosius uitgevaardigd en overtreding werd bedreigd met zware straffen, soms met de doodstraf. Het ambt van Geloofs-Inquisiteur, een terecht zoo verafschuwde naam, werd het eerst tijdens zijn regeering ingesteld.

De veldtocht tegen de West-Goten, die een grooten slag vermeden, eindigde in een verdrag, waarbij den barbaren toegestaan werd zich ten zuiden van den Donau te vestigen als bondgenooten (foederati) van het Keizerrijk, op voorwaarde dat zij, zoo noodig, een contingent van 40.000 man zouden opbrengen. Ongeveer twintig jaar later betreurde de laatste van de Romeinsche dichters, Claudianus, het bestaan van dat groote staande leger als een gevaar voor het Keizerrijk; en terecht, want slechts zes jaar daarna namen deze West-Goten Rome in.

In het volgend jaar (383) werd Gratianus te Lyon gedood, waarheen hij van Parijs was gevlucht—verraden door zijn eigen legioenen en gevangen door de ruiterij van den overweldiger Maximus, die van Brittannië een zoo groot getal volgelingen had overgevoerd, dat dit feit later werd vermeld als “de verhuizing van een belangrijk deel van de Britsche natie.” In verband met deze exodus moet hier vermeld worden de legende van St. Ursula, de prinses van Brittannië en haar elf duizend Britsche maagden, die, naar men zegt, als pelgrim langs den Rijn over de Alpen naar Rome zijn getrokken en op haar terugkeer zijn vermoord door de Hunnen of Friezen bij Keulen, waar haar schedels nog te zien zijn. Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat de oorsprong van deze legende was het lot van een transport van Britsche vrouwen, misschien onder leiding van een edelvrouwe, die bestemd waren als echtgenooten voor een deel der honderd duizend volgelingen van Maximus, die door ongunstigen wind den Rijn ingedreven en in handen gevallen waren van Salische Franken of woeste Friezen, die ongeveer vier eeuwen later den grooten Engelsche zendeling St. Bonifacius hebben gedood.

Wanneer Maximus tevreden was geweest met zijn veroverd keizerrijk van Brittannië, Gallië en Spanje, zou hij nu misschien bekend zijn als een van de gelukkigste keizers van het Westen, want hij regeerde over een groot rijk en bezat een machtig leger, voornamelijk gelicht uit de krijgshaftige Germaansche stammen. Bovendien werd hij door Theodosius erkend, die het verstandig vond zijn aanspraken op de landen ten noorden en ten westen van Italië in te willigen. Toch viel hij Italië aan, niet alleen gedreven door een onverzadelijke eerzucht, maar ook door de hoop, of de zekerheid, dat de Katholieke meerderheid onder de Italianen met vreugde zich zou losrukken van de regeering van den jongen Valentinianus—of liever van zijn moeder Justina, die sterk gehecht was aan de Ariaansche ketterij ondanks de welsprekendheid en de wonderen van St. Ambrosius, den Bisschop van Milaan. Nadat hij troepen had vooruitgestuurd onder voorwendsel die aan Valentinianus te leenen, bezette de usurpator de Alpenpassen en verscheen weldra voor Milaan met een groot leger.

Bij zijn nadering vluchtte Justina met haar zoon—nu vijftien jaar oud—en liet St. Ambrosius2 achter om den vijand het hoofd te bieden. De vluchtelingen bereikten Aquileia, doch, omdat zij zich daar niet veilig gevoelden, gingen zij te scheep, voeren om Griekenland en bereikten na een moeilijke reis Thessalonica. Hier werden zij bezocht en verwelkomd door Theodosius; maar de rijke hulpbronnen van Maximus deden hem aarzelen dadelijk toe te geven aan de smeekbeden van Justina. Doch weldra verdween deze aarzeling van Theodosius door den invloed van de bekoorlijke dochter van Justina, de prinses Galla, die reeds beroemd was om haar jeugdige schoonheid en nog beroemder zou worden als moeder van Galla Placidia. Theodosius was weduwnaar en besloot de jonge, bekoorlijke prinses te huwen; na de bruiloft brak hij op met een leger, waarin sterke contingenten waren van West-Goten, Hunnen en Oostersche volkeren.

Hij vond Maximus met zijn Gallische en Germaansche strijdkrachten aan de overkant van de Sau en door een stoutmoedigen aanval wierp zijn ruiterij, na de rivier te zijn overgezwommen, den vijand op de vlucht. Maximus vluchtte naar Aquileia, de stad nabij de Adriatische kust, die zoo beroemd is als het tooneel van zoovele botsingen, en bij de aankomst van Theodosius, die van de Juliaansche Alpen neerstreek als een adelaar op een gewonden haas, werd de usurpator van zijn troon gesleept, ruw van zijn purper en keizerlijke sieraden beroofd, en als een misdadiger naar de legerplaats en in de tegenwoordigheid van Theodosius gebracht. De keizer vertoonde eenige neiging om den tyran van het Westen te vergeven; maar die zwakke opwelling week voor zijn gevoel van rechtvaardigheid en de herinnering aan Gratianus, en hij gaf zijn slachtoffer aan de soldaten over, die hem wegsleepten en dadelijk het hoofd van het lichaam scheidden.

Na deze overwinning bleef Theodosius gedurende meer dan twee jaren (388–391) in Italië; hij was feitelijk de alleenheerscher over het Westen en het Oosten, ofschoon hij de regeering van Valentinianus en Justina erkende, die evenwel kort na haar terugkeer in Italië stierf. Van Milaan uit bezochten de beide keizers in het voorjaar 389 Rome, waar zij een roemrijke inkomst hielden en naar men gelooft, op de plaats van een door Constantijn gebouwde kerk, de fundamenten legden van de S. Paolo fuori le mura3, de grootste van de oude basilieken te Rome, welke in 1823 is afgebrand.

In 390 vinden wij Theodosius weder in Milaan en toen had die dramatische gebeurtenis plaats, welke wij verbinden aan de welbekende basiliek van S. Ambrogio.

Ongeveer drie jaren te voren was er te Antiochia een oproer uitgebroken tegen den katholieken eeredienst en de belastingen. Het gepeupel had de standbeelden van den keizer en zijn zonen omvergeworpen en hoonend door de straten gesleept. Verschrikkelijk was de wraak van Theodosius. De stad werd vernederd en gestraft; een groot aantal gevangenen wachtte pijniging en dood. Maar een smeekschrift werd naar Constantinopel gestuurd en—deels door den invloed van St. Chrysostomus, die ons een levendige beschrijving heeft gegeven van deze dagen en wiens wondere welsprekendheid zijn wanhopige medeburgers steunde—werd het bevel voor de executie uitgesteld tot het antwoord was gekomen; en het antwoord was een algemeene vergiffenis.

Maar Theodosius vergat het oproer van Antiochia niet en toen in 390 in Thessalonica, het welvarende militaire centrum van Macedonië, een tumult voorviel, waren de gevolgen veel ernstiger. De ongeregeldheden waren veroorzaakt door de gevangenneming van een wagenmenner, die bij het publiek zeer in de gunst stond. Er ontstond een botsing tusschen de bevolking en het gezag; ambtenaren werden gedood en hun lijken geschonden. Bij deze gelegenheid verwierp Theodosius elk beroep op genade. Hij beraamde een laffe en onrechtvaardige wraakneming. De inwoners van Thessalonica werden in den waan gebracht, dat hij vergiffenis had geschonken, werden uit naam van den Keizer uitgenoodigd voor de spelen in den Circus, waar zij door gewapenden werden aangevallen en zonder onderscheid vermoord; 7000, andere zeggen 15000, kwamen om. Het misdadige van deze bijna ongeloofelijke wreedheid wordt nog verzwaard door het feit dat Theodosius bijzonder was gesteld op Thessalonica en haar bisschop, die hem daar, waarschijnlijk in de tegenwoordigheid van vele van die burgers, had gedoopt.

St. Ambrosius is reeds genoemd; hij is bij velen bekend als de geestelijke vader van den oudsten St. Augustinus, als de schrijver van het Te Deum (misschien), van Latijnsche hymnen en als de uitvinder van het Ambrosiaansche muzikale ritueel en dat systeem van beurtzangen, waarop het gezang in de Anglikaansche Kerk is gebaseerd4. Maar allen die Milaan kennen5, denken, wanneer zij den naam van St. Ambrosius hooren, aan de basiliek van S. Ambrogio en haar oude deuren van cypressen-hout, ofschoon het, helaas, onzeker is of wij nog ook maar de fragmenten bezitten van die deuren, die voor Theodosius den Groote werden gesloten.

Ambrosius was de zoon van een Gallisch prefect van edele Romeinsche afkomst. Hij was geboren te Trier in 340 en werd magistraat van een district, dat Liguria en Milaan omvatte, in welke stad hij zoo populair was, dat hij bij den dood van den bisschop (374) door de geheele bevolking tot diens opvolger werd gekozen en tot zijn eigen verbazing en die van de wereld plotseling van magistraat veranderd werd in een aartsbisschop, voordat hij het sacrament van den doop had ontvangen. En de keuze van het volk was wel gerechtvaardigd, want er is in de annalen van de Middeleeuwsche Kerk geen persoon, die ons sympathieker is. Het is waar, dat de meesten van ons de verhalen van zijn droom ter zijde zullen leggen en ook van zijn ontdekking van de heilige geraamten, die door hun wonderbare hulp hem beveiligden tegen den toorn van Justina, zelfs al heeft men ons de beenderen van Gervasius en Protasius in de crypte van S. Ambrogio laten zien. Maar ieder zal ontroerd worden door zijn moed en edele drijfveeren. Door zijn toedoen trad de Christelijke Kerk het eerst op om de zaak van rechtvaardigheid en menschelijkheid te verdedigen tegen de door de wet beschermde tyrannie van de burgerlijke macht. Zijn rustige, uitdagende houding tegen Theodosius is een culminatie-punt van den zuiver Christelijken invloed. Als de Kerk zulk een invloed tot haar eenig ideaal had gekozen!

Bij verschillende gelegenheden had Ambrosius zijn moed reeds getoond. Eens, toen Justina geëischt had, dat eenige Kerken te Milaan aan de Arianen zouden worden afgestaan en haar Gotische soldaten had gestuurd om een van die Kerken te bezetten, trad hij hen in den weg en verschrikte hen zoo met zijn banbliksems, dat de regentes het verstandiger vond haar eisch in te trekken.

Toen Ambrosius hoorde van het bloedbad te Thessalonica trok hij zich eerst op het land terug en ontweek Theodosius. Maar begrijpend dat langer zwijgen laf was, stuurde hij hem een schrijven, waarin hij, ook uit naam van andere bisschoppen, zijn afschuw uitdrukte over de wreedaardige daad en erbij voegde, dat zulk een bloedschuld tot gebeden en boete dwong en hij geen altaar mocht naderen, en dat hijzelf door een visioen gewaarschuwd was den dienst van het Avondmaal niet waar te nemen in tegenwoordigheid van iemand, wiens handen waren bezoedeld met het onschuldige bloed van duizenden6.

Modern scepticisme ziet in dezen brief den oorsprong van een schilderachtige fictie, n.l. de overlevering, dat de Keizer, toen hij met zijn gevolg den ingang van de kathedraal naderde, de groote houten deuren snel zag sluiten, of dat hij Ambrosius zelf vóór het portaal vond om nog eens het Godshuis met banbliksems tegen bezoedeling te beschermen7. Bovendien zegt de overlevering, dat, toen Rufinus, de bekende minister van Theodosius, gestuurd was om te zeggen, dat zijn meester de macht had om den ingang van de Kerk te forceeren, de Heilige onversaagd antwoordde: “Dan zal hij over mijn lijk moeten gaan.”

Hetzij wij deze dramatische geschiedenis moeten gelooven of niet, het schijnt niet te betwijfelen, dat Theodosius, onder den indruk van den moed van Ambrosius en waarschijnlijk ook door het bewustzijn van de onmenschelijke daad, waartoe hij door zijn hartstocht was gedreven, openlijk boete heeft gedaan in de kathedraal en als boeteling gekleed zich op de knieën heeft geworpen en de woorden van den Psalmist heeft herhaald: “Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.” Wanneer wij aan dit tooneel denken en ons het edict herinneren, dat Theodosius een paar jaar tevoren had uitgevaardigd, waarin hij zich, alsof hij zoowel de wereldlijke als ook geestelijke heerscher was, het recht aanmatigde het Romeinsche Keizerrijk een geloof voor te schrijven en het wezen van de Drieëenheid te bepalen, worden wij er ons van bewust dat een nieuwe en reeds invloedrijke macht is ontstaan, die zich met ongeloofelijke snelheid heeft uitgebreid, sinds den dag waarop Constantijn de zwakke en vervolgde Kerk het eerst steun beloofde. En wanneer wij verder denken, aan Keizer Hendrik te Canossa, of aan Frederik Barbarossa, geknield in het portaal van S. Marco te Venetië, hoe levendig doet ons dat dan het verschil beseffen tusschen de drijfveeren en idealen van St. Ambrosius en die van Hildebrand of Paus Alexander!

In het volgend jaar (391) keerde Theodosius naar Constantinopel terug en ging in triomf de Gouden Poort door, die in zijne afwezigheid was opgericht om zijn overwinning over Maximus te herdenken. Deze poort werd later in het bijzonder gebruikt voor den plechtigen intocht van de Keizers. Zij bestaat nog en heeft eenige zeer fraaie zuilen; maar zij is dichtgemetseld. Een overlevering handhaaft zich onder de Turken, dat door deze poort eens een Christelijk overwinnaar zal komen!

In 392 vond men Valentinianus gewurgd in zijn slaapkamer te Vienne. Deze daad was ongetwijfeld bedreven of beraamd door Arbogast, een heidenschen Frank, die tot bevelhebber der Keizerlijke legioenen in Gallië geklommen was en zulk een onbeschaamde houding had aangenomen, dat de jonge Keizer een paar dagen voor zijn dood, een soldaat het zwaard had ontrukt en met moeite was verhinderd den trouweloozen bevelhebber te doorboren. Arbogast, die het niet waagde het purper aan te nemen, proclameerde als Keizer van het Westen een rhetor, Eugenius, zijn vroegeren secretaris.

Valentinianus’ zuster, Galla, die Theodosius had gehuwd en zeer liefhad, spoorde haar echtgenoot dringend aan den moord op haar broeder te wreken. Maar Arbogast had een groot leger en in naam van zijn keizerlijke pop had hij zich meester gemaakt van Rome en het Westelijke Keizerrijk. Daarom was het noodzakelijk voor Theodosius een grootere macht te verzamelen, voordat hij weder een veldtocht naar Italië waagde. Doch eerst wilde de vrome Keizer den Hemel over zijn tocht om raad vragen. Daar het Christendom de orakels van Dodona en Delphi tot zwijgen had gebracht, raadpleegde hij een Egyptischen monnik, die, naar men meende, de gave van mirakels en de wetenschap van de toekomst bezat. Eutropius, een van de eunuchen-gunstelingen van het hof te Constantinopel, scheepte zich voor Alexandrië in, vanwaar hij den Nijl opzeilde tot de stad Lycopolis, in de afgelegen provincie Thebaïs. In de buurt van die stad, op den top van een hoogen berg had de heilige Johannes met eigen hand een nederige hut gebouwd, waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond, zonder de deur te openen, zonder het gezicht van een vrouw te zien, zonder eenig voedsel, dat met vuur of menschelijke kunst bereid was. Vijf dagen van de week bracht hij in gebed en overpeinzing door, maar op Zaterdag en Zondag opende hij een klein venster en gaf audientie aan de menigte smeekelingen, die uit alle oorden van de Christelijke wereld toestroomden. Het gezantschap van Theodosius naderde het venster met eerbiedige schreden, stelde zijn vragen betreffende den uitslag van den burgeroorlog en kwam weldra terug met een gunstig orakel, hetwelk den moed van den Keizer aanwakkerde door de verzekering van een bloedige, doch stellige overwinning. De vervulling van die voorspelling werd bevorderd door alle middelen, die menschelijk beleid kon verschaffen.


8. Paus Leo en Attilla.

Voordat deze toebereidselen waren geëindigd, werd Theodosius getroffen door het verlies van zijn jonge en bekoorlijke vrouw, die stierf bij de geboorte van haar eenig kind, Galla Placidia. Doch hij gaf zijn plan niet op en den 6en September 394 ontmoetten de legers elkander bij de rivier de Frigidus, niet ver van Aquileia. Twee dagen lang woedde de slag. Tienduizend van de Gotische hulptroepen8 van Theodosius kwamen om bij de bestorming van de wallen van den vijand; maar eindelijk, geholpen door een geweldigen storm uit het Noorden en door de desertie van sommige Gallische troepen van Arbogast, dreef het Oostelijke leger den vijand op de vlucht. Eugenius werd gevangen genomen en onthoofd. Nadat Arbogast verscheidene dagen in de bosschen had gezworven en de onmogelijkheid om te ontvluchten had ingezien, stortte hij zich in zijn zwaard. Hoe Theodosius vier maanden later te Milaan sterft, terwijl hij het Rijk aan zijn twee zonen, Honorius en Arcadius nalaat, is reeds verhaald (p. 8). Men vertelt, dat hij prachtige Circus-spelen had voorbereid om Honorius, die toen ongeveer tien jaar oud was, openlijk te verwelkomen, dat hij zelfs ’s morgens bij de uitvoering aanwezig was, maar ’s middags niet langer kon blijven en den volgenden nacht stierf.

Het karakter van Theodosius kan men, zoo lijkt het, gemakkelijk uit deze daden leeren kennen; maar wij zijn er niet zeker van, dat deze daden altijd nauwkeurig zijn overgeleverd en altijd door de tijdgenooten onpartijdig zijn beschreven. Aan den eenen kant hebben wij zijn vereerders, den Christelijken, Latijnschen dichter Prudentius en de Katholieke of Trinitarische Vaders, b.v. Gregorius van Nazianzus († 379), Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus, en aan den anderen kant den belangrijksten kroniekschrijver van deze periode, den heidenschen Zosimus, een partijdig en kwaadaardig schrijver, die elke daad van deze regeering in een verkeerd licht stelt. Maar zelfs Zosimus is zoo genadig toe te geven dat Theodosius een van de grootsten van de Romeinsche vorsten was, en trots den afschuw, dien wij gevoelen door het bloedbad te Thessalonica, niet ongelijk aan de verbazing en afschuw, die de Christen-vervolgingen door Marcus Aurelius bij ons opwekken, moeten wij toch in zijn karakter, naast vreemd bijgeloof en woeste hartstocht, veel erkennen, dat edel en bewonderenswaardig was. Het geeft echter meer voldoening feiten te constateeren, dan te trachten karakters te analyseeren en drijfveeren te verklaren. Daarom zullen wij hier nog slechts een paar feiten bijvoegen, die samenhangen met de uitbreiding van het Christendom tijdens zijn regeering en de eindelijke uitroeiïng van het paganisme.

Onder de ontelbare incidenten, die den geschiedschrijver van deze periode ten dienste staan, is hetgeen gebeurd is met een standbeeld van Victoria, dat Caesar van Tarentum meebracht en te Rome in het senaatsgebouw oprichtte, bijzonder geschikt om de godsdienstige bewegingen aan te geven; dit beeld was een groote figuur met uitgespreide vleugels en een lauwerkrans in de uitgestrekte hand. Bij het altaar, dat voor deze Victoria stond, legden de senatoren den eed van trouw aan den staat af en daarop werd wijn en wierook geofferd voor den aanvang der beraadslagingen in den Senaat. Het beeld en tevens het altaar schijnen verwijderd te zijn door Constantius en misschien naar Constantinopel gestuurd. Door Julianus is het altaar er weder geplaatst en door Gratianus weder verwijderd, en weder opgesteld door Eugenius (c. 393), die misschien een heiden was, of door Arbogast, die zeker een heiden was, en nog eens verwijderd door Theodosius, kort voor zijn dood, of door Honorius. Zoo kunnen wij gedurende ongeveer een halve eeuw de afwisselende krijgskans van Christendom en Heidendom nagaan. Vier keer werden er deputaties gezonden door de aanhangers van den ouden godsdienst om van verschillende keizers weder de plaatsing van het altaar te vragen. Een interessant verslag van een dezer bezoeken aan het keizerlijk hof bestaat nog, geschreven door Symmachus, een Romein van edele afkomst, zeer gezien om zijn welsprekendheid en de ambten die hij had bekleed, pontifex, augur, proconsul van Afrika en prefect van Rome. Dit gezantschap werd gezonden naar het hof van Theodosius en Valentinianus te Milaan, en de rhetoriek van Symmachus (die Rome in zijn redevoering tegenover de twee Keizers haar eigen zaak liet verdedigen) werd overbluft door de welsprekendheid en het sarcasme van St. Ambrosius, die, zooals wij uit zijn verslag zien, de idee bespotte, dat de Romeinsche overwinningen te danken waren aan de Olympische Goden en vroeg of Jupiter nog steeds sprak bij monde van de ganzen die het capitool hadden gered.

Maar de overwinning van Ambrosius en het Christendom bij deze gelegenheid vernietigde het Heidendom toch volstrekt niet. Hoe langzaam en moeilijk het uitgeroeid is, blijkt duidelijk. Ondanks de strenge wetten van Theodosius, die de misdaad van offeren en voorspellen uit de ingewanden met doodstraf of verlies van goederen bedreigden, ondanks de onbarmhartigste verwoesting en onteigening van tempels, werden de heidensche ceremonies, zoo veranderd, dat de wet er geen vat op had, toch jarenlang voortgezet, werden de heidensche priesterambten toch door de edelste families bekleed en hield de vereering van den zonnegod Mithras en de Magna Mater, Cybele, en andere vreemde godheden stand.

Er wordt verhaald, dat Theodosius, toen hij eens te Rome was, plechtig aan den Senaat de vraag voorlegde, of Christus dan wel Jupiter als God der Romeinen moest aangenomen worden, en dat bij een regelmatige stemming Jupiter door een zeer groote meerderheid veroordeeld werd. Maar zonder twijfel—als het verhaal waar is—had de aanwezigheid van den Keizer invloed op dezen omkeer van geloof, want het is een feit, dat de heidenen, niettegenstaande hun gelegenheid genoeg gegeven werd, geen lust hadden in het martelaarschap; zij onthielden zich van het ritueel, hetwelk zij zelf in de angstwekkende tegenwoordigheid van hun Keizer hadden veroordeeld—of, hetgeen waarschijnlijker is, zij verrichtten het in het geheim.

Laten wij nu zien hoe de tempels verdwenen en de Kerken toenamen. Tijdens de regeering van Gratianus (c. 380) bestonden er in Rome 424 tempels van de oude goden, terwijl er, volgens de Notita Urbis, een beschrijving van Rome uit dien tijd, geen Christelijke Kerk was, die onder de gebouwen van de stad verdiende genoemd te worden. En ofschoon er zeker eenige Christelijke Kerken waren, en sommige van niet geringe afmeting9, geven deze woorden toch een waar beeld van haar betrekkelijke onbeduidendheid.

Op het einde van de regeering van Theodosius is de toestand zeer veranderd. Theodosius was een Spanjaard, en in Spanje was het orthodoxe Christendom bijna zonder inspanning machtig geworden en keek met gelijke minachting neer op de toenmalige onmacht en den vroegeren roem van het paganisme. En wanneer wij vragen hoe het mogelijk was, dat de Romeinen zelf zoo onbarmhartig de prachtige monumenten van hun voorouders konden vernielen, kunnen wij een voldoende verklaring vinden in de gevaarlijke aanmoediging, die zulke herinneringen aan het heidensche Keizerrijk gaven en in de mogelijkheid van een tweeden keizerlijken afvallige, maar vooral ook in de angst en afschuw, waarmee de meeste Christenen van dezen tijd, en ook van later tijd, de heidensche tempels beschouwden als plaatsen, die door kwaadaardige demonen10 werden bezocht en de beelden als gevaarlijke fetischen. Inderdaad was het geloof in het werkelijke bestaan van de oude goden sterker bij den gewonen Christen van den vroegsten tijd, dan bij de heidenen zelf.

Deze verwoesting van de oude tempels en beelden, waartegen Libanius, de geleerde meester van Chrysostomus, tevergeefs protesteerde in zijn vurige rede Pro Templis, werd niet beperkt tot Rome. De vele monumenten van klassieke oudheid11, die Constantinopel versierden, waren uit Griekenland en Rome gestolen. Dit was erg genoeg, maar bovendien werden er ontelbare prachtige gebouwen en kunstwerken vernield door monniken en andere fanatieken, die werden opgewekt en gesteund door de edicten van Theodosius en door de gevolmachtigden, die hij naar verre provinciën stuurde om zijn edicten uit te voeren. Het verwoestingswerk12 begon, naar het schijnt in Syrië, waar een zekere bisschop Marcellus, na met geweldige inspanning den grooten tempel van Zeus te Apamea afgebroken te hebben, vergezeld van een bende fanatieken andere steden aanviel met hetzelfde doel, totdat hij door de woedende inwoners werd gegrepen en levend verbrand. In Gallië leidde (c. 370) de bisschop van Tours, de beroemde St. Martinus, aan wien ongeveer 160 Engelsche Kerken gewijd zijn, groote benden monniken en andere zeloten van de eene plaats naar de andere, terwijl hij alle overblijfselen van heidensche architectuur en kunst vernielde, niettegenstaande de oude goden zich in vijandige demonen-gestalten vertoonden. In Alexandrië, na een bloedig gevecht tusschen Heidenen en Christenen, plunderde de patriarch, de bekende Theophilus, den reusachtigen tempel van Serapis, die beschouwd werd als het voornaamste steunpunt van het Egyptische paganisme, en verwoestte dezen—het is mogelijk dat één van de twee Alexandrijnsche bibliotheken met het Serapeum vernietigd is13.

Wanneer wij spreken over deze verre streken van het Keizerrijk, waar de oude goden—Olympische, Oostersche en Noorsche—verdwenen voor den nieuwen godsdienst, kunnen wij ook de oudste Christelijke Kerken in Brittannië en Ierland vermelden. In Brittannië werd het Christendom het eerst ingevoerd door de Romeinen, maar natuurlijk niet door de pauselijke Roomsche Kerk. Van deze periode is zeer weinig bekend, en wij moeten ons tevreden stellen, met de legende omtrent St. Albanus en St. Helena, tenzij iemand de oude fabels van Jozef van Arimathea ernstig wil opnemen. Maar het is zeker, dat reeds in zeer vroege tijden groote monnikenorden bestonden in verschillende centra, waarvan Avalon (het tegenwoordige Glastonbury in Somerset) en Bangor (aan de Dee) de meest bekende zijn14.

Niet lang nadat Stilicho de Romeinsche legioenen van Brittannië had weggetrokken (c. 405), werd het Christendom bijna geheel uitgeroeid door de Angelsaksen, en de Iersche Kerk werd voor ongeveer 150 jaar van het Christendom afgesneden door een wig van woest paganisme. Wij zullen laten zien hoe deze Angelsaksen bekeerd werden door den jongsten St. Augustinus (c. 600), den zendeling die door Gregorius den Groote gezonden was. De overblijfselen van de oude Britsche Kerk hielden nog stand tegen de pauselijke suprematie, die door Augustinus werd afgekondigd; en de overlevering beschuldigt den Heilige (ten onrechte, naar wij hopen, daar Augustinus in 604 stierf) het afschuwelijke bloedbad te hebben veroorzaakt van de monniken te Bangor, toen de Britten verslagen werden door de Saksen bij Chester in 607. De buitengewone zendings-ijver, zoowel van de oude Iersche als ook van de jongere Angelsaksische Kerk, zal in latere jaren besproken worden, wanneer wij de dagen van de Lombardische koningen en van Karel den Groote bereiken.

Dat verheven en eenvoudige voorschriften en leerstellingen in den loop der tijden op grove wijze belachelijk worden gemaakt, schijnt aan onverbeterlijke neigingen in de menschelijke natuur te moeten worden toegeschreven en wanneer ten opzichte van het Christendom zulke gevolgen bijzonder pijnlijk en verwonderlijk zijn, moeten wij trachten troost te vinden in de woorden—misschien van Gregorius den Groote—corruptio optimi pessima of, zooals Shakespeare zegt: “Als lelies verrotten, rieken zij veel onaangenamer dan onkruid.” Het ligt ver buiten ons doel de evolutie van den Middeleeuwschen godsdienst15 in Italië in bijzonderheden na te gaan, maar wij zullen trachten eenige belangwekkende religieuze verschijnselen uit deze periode aan te wijzen, die van grooten invloed zijn geweest op de Italiaansche kunst en geschiedenis. Van deze merkwaardige verschijnselen kies ik er twee uit, nl. de bijgeloovige vereering van “reliquieën” en de bijna ongeloofelijke geestdrift, opgewekt door de asceten en anachoreten.

Eerbied voor reliquieën van hetgeen vroeger groot en schoon was, is natuurlijk een bewonderenswaardig gevoel, geheel verschillend van antiquarisch enthusiasme. Maar de middeleeuwsche vereering voor de zgn. heilige reliquieën was gebaseerd op een bijgeloovig vertrouwen in de wonderlijke eigenschappen van zulke reliquieën en sloot een fetisch-aanbidding in, die even plomp was als de oude godsdienst16.

Zonder twijfel bestonden er eenige echte reliquieën, maar de aanvraag werd zoo belangrijk, dat ontelbare nieuwe ontdekkingen werden gedaan, dikwijls (zooals wij bij St. Ambrosius reeds hebben opgemerkt) door middel van droomen en visioenen; en de voorraad groeide daardoor geweldig. Het Ware Kruis, door Helena op den Calvarieberg gevonden, verschafte, naar men zeide, genoeg hout om een oorlogsschip te bouwen—een feit dat leidde tot de legende van zijn zichzelf vernieuwende krachten. Verbazingwekkende verhalen werden verspreid van de mirakels door beenderen, haar, bloeddruppels en heilige olie veroorzaakt. Alle steden verlangden de een of andere reliquie te bezitten. Geen kerk werd gebouwd, voordat men een heilig voorwerp17 machtig was geworden.

Den oorsprong van de groote ascetische beweging moet men zoeken in het verre Oosten, waar de Indische fakir en de Thibetaansche monnik en andere dergelijke lusus naturae sinds onheuglijke tijden schijnen bestaan te hebben; of misschien is het juister te zeggen, dat de neiging tot dergelijke afwijkingen, welke latent schijnt in het Oostersche karakter, zulke gevolgen voortbracht als de Joodsche anachoreten, de Essaeërs en de Egyptische Therapeuten, die vele jaren voor de Christelijke monnikenorden bestonden, en dat de beweging onder de Christenen van Egypte en Syrië ten deele althans moet toegeschreven worden aan het Neoplatonisme (vgl. p. 41).

Ongeveer in het jaar, waarin Constantijn het purper aannam (305), trok een geestdriftig, geloovig jongeling in Egypte, bekend als Antonius van de Thebaïs, zich in de woestijn terug. Zijn voorbeeld werd weldra nagevolgd en vele duizenden fanatieken, die zichzelf woestijn-menschen (heremieten) of afgescheidenen (anachoreten) noemden, begonnen de zandige en rotsachtige wildernissen van het Nijlland te bevolken, totdat hun aantal de bevolking van alle steden van Egypte evenaarde. Het is onnoodig de bekende, afschuwelijke krankzinnigheden van het anachoretisme te beschrijven en het is overbodig zich te verwonderen over deze monsterachtige voortwoekering, die zelfs het bestaan van de Christelijke religie bedreigde. Het systeem van afzondering bleek op den duur onmogelijk. De cel van elken welbekenden kluizenaar werd omringd door de hutten van zijn vereerders; een “eenzame” van Gaza, Hilarion, had, naar men verhaalt, een gevolg van drie duizend menschen; en weldra vond een anachoreet, Pachomius, het meer in overeenstemming met de voorschriften van het Evangelie ongeveer veertien honderd kameraden (“coenobiten”, samenwoners) om zich te verzamelen, waarvan hij een monniken-huishouding maakte, natuurlijk geen monniken-orde, zooals Benedictus later stichtte. Kloosters verrezen nu in groote getale en wel over de geheele Christelijke wereld, van de woestijnen van Syrië, Egypte en Ethiopië18 tot de wildernissen in Gallië en Brittannië, waar het leven van eenzame afzondering moeilijk na te volgen was door het klimaat, en een beschaafder vorm van ascetisme trad blijvend op.

Antonius had de vriendschap van Athanasius verworven, (die later zijn leven beschreef) en ongeveer 340 stelde de Alexandrijnsche patriarch aan den Paus in het Vaticaan eenige van Antonius’ leerlingen voor. Het vreemde en woeste uiterlijk van deze “Egyptenaren” wekte in Rome eerst afschuw, toen verachting, daarna geestdriftige navolging. Senatoren en edele matronen wedijverden met elkaar om hun schitterende paleizen en villa’s in kloosters te veranderen en de Kerk werd er zich weldra van bewust dat zij deze nieuwe beweging moest erkennen en begunstigen. In het Oosten was St. Basilius, die zelf vroeger kluizenaar was geweest, een ijverig stichter van godsdienstige huizen; St. Martinus van Tours, of misschien zijn beschermheer St. Hilarius van Poitiers was de stichter van de oudste kloosters in Gallië; en in Brittannië waren in de vijfde eeuw, zoo niet vroeger, groote kloosters te Avalon en Bangor.

Wij zijn ver van Italië afgedwaald; maar een duidelijke voorstelling van de geweldige kracht van sommige dezer godsdienstige stroomingen zal het ons misschien mogelijk maken onze piccioletta barca in juiste richting te sturen.

1 Misschien in de ronde koepelkerk van St. George, de oudste wellicht van alle bestaande prae-Byzantijnsche Kerken, dateerend van 400 of iets vroeger.

2 St. Augustinus, die nu 33 jaar oud was, en onlangs door St. Ambrosius was bekeerd, werd juist in dit jaar 387 door hem in Milaan gedoopt.

3 Zie Plaat 4 en verklaring.

4 Het Ambrosiaansche gezang wordt nog gehandhaafd in de Kerk van Milaan.

5 Of slechts Van Dijk’s schilderij in de “National Gallery” te Londen, of Rubens’ prachtig schilderij te Weenen.

6 Deze brief bestaat nog (Ep. Ambr. 951). Wij zouden wenschen dat hij bij deze gelegenheid het buiten een visioen had kunnen stellen.

7 Dit gebeurde waarschijnlijk in het prachtige atrium, dat nog voor een gedeelte bestaat, voor de portico van de boetelingen. Anderen verplaatsen de handeling naar de oude Basilica Porziana (S. Vittore).

8 Dit leger, gedeeltelijk aangevoerd door den beroemden Stilicho, was bij deze gelegenheid zeer versterkt met West-Goten en Oosterlingen, die met wederzijdsche verbazing naar elkander keken.

9 B.v. de oorspronkelijke gebouwen van het Lateraan (S. Giovanni in Fonte, waar Constantijn, naar men geloofde, gedoopt was door Silvester); de oude basiliek van S. Pietro in Vaticano (waar Karel de Groote werd gekroond in 800) gebouwd op de plaats van den grooten circus, waar men zegt dat Petrus gekruisigd is; de basiliek van S. Paolo fuori le mura, gebouwd op de plek, waar Paulus misschien geleden heeft, nabij de Via Appia; S. Croce in Gerusalemne, naar men zeide gebouwd door Helena om het ware kruis te bewaren, dat zij te Jeruzalem had gevonden (het opschrift bestaat nog onder de vele reliquieën in deze Kerk). Van zeer vroegen datum is S. Maria Antiqua, oorspronkelijk de bibliotheek in het paleis van Augustus, en onlangs opgegraven.

10 Dit verklaart waarschijnlijk het feit, dat, ofschoon vele Kerken gebouwd zijn op de plaatsen van afgebroken tempels, in Rome slechts weinige tempels (vele in Syrië en andere provinciën) in Kerken zijn veranderd. Het Pantheon, nu het eenige ongeschonden oude gebouw in Rome, stond jarenlang ongebruikt. Het werd door Phocas aan den Paus gegeven en aan alle Heiligen gewijd in 609 onder den naam van S. Maria ad Martyres.

11 Een van de meest belangrijke van deze was, en is nog, het voetstuk van den drievoet, die door de Grieken na den slag bij Plataeae te Delphi is gewijd. De Athene Parthenos van Phidias werd ook hierheen gebracht. Het is vernield door de Kruisvaarders in 1204, die erger barbaren bleken te zijn dan de Vandalen of de Hunnen.

12 De algemeene opinie, die aan de vroege Kerk de roekelooze verwoesting van oude monumenten toeschrijft, is allerminst gerechtvaardigd. De meeste van de tempels waren nog lang in gebruik na de erkenning van het Christendom, en toen zij ten slotte werden gesloten, zijn zij nog lang onderhouden op kosten van een Christelijke Kerk. Gregorovius evenwel, een gezaghebbend schrijver, geeft, wanneer hij over Gregorius den Groote spreekt, den Christelijken fanatieken de meeste schuld.

13 Waarschijnlijk was geen van beiden de oorspronkelijk bibliotheek van de Ptolemaeën. Eén werd er door de Arabieren in 651 verbrand.

14 Van Brittannië kwam St. Patrick, aan wien de bekeering van Ierland gewoonlijk wordt toegeschreven. Hij was in Noord-Brittannië geboren, gevangen genomen door Iersche zeeroovers, en zes jaar slaaf in Ierland; hij ontsnapte naar Gallië, waar hij blijkbaar bij St. Martinus van Tours was, en keerde (c. 432) over Brittannië naar Ierland terug. Men moet opmerken, dat noch de oude Iersche noch de Britsche Kerk gevestigd is door de pauselijke Roomsche Kerk. Waarschijnlijk bestond het christendom in Ierland reeds vóór St. Patrick.

15 In het voorbijgaan kan gewezen worden op een herleving van het oude bijgeloof, zooals b.v. het zgn. kleed van den Heiligen Johannes, dat buiten de deur van het Lateraan werd geschud om in tijden van droogte regen te brengen—misschien met hetzelfde succes, dat de lapis manalis van het oude Rome had, of de tegenwoordige regendokter in Afrika bereikt.

16 Ook in praehistorische Kretische graven zijn zulke fetischen gevonden, die wijzen op een geloof in wonder-genezingen, zooals modellen van handen, voeten enz.—blijkbaar dankoffers, zooals men nu nog in de Roomsch-Katholieke Kerken kan zien. In de Grieksche geschiedenis vinden wij veel van dien aard, in verband met de Orphische en andere mysteriën.

17 Ongeveer 750, zegt Gregorovius, brachten lange reeksen van wagens voortdurend van de Campagna en de Catacomben geweldige massa’s schedels en skeletten naar Rome, die de Pausen sorteerden, etiquetteerden en voor uitvoer verkochten. De plundering van graftomben en het in stukken deelen van geraamten echter voor export en verkoop aan pelgrims was nog weinig en vogue in Rome vóór de 8e eeuw. De oudste Kerken werden gebouwd over de tomben van martelaren en men droeg er groote zorg voor het graf niet te schenden, dat dikwijls zichtbaar was door een traliewerk in het altaar—het “venster van de belijdenis.” Zakdoeken etc. die men met de graftomben in aanraking bracht, verkregen de wonderkracht van echte reliquieën. Zij werden “brandea” genoemd en uitgevoerd.

In het grootste werk over de oude Christelijke Kerk, de Civitate Dei, verzekert St. Augustinus, dat ontelbare mirakels tot stand kwamen door zulke “brandea” van de tombe van St. Stephanus, wiens lijk bij Jeruzalem was ontdekt (in een visioen). In zijn eigen diocese hadden volgens zijn verklaring meer dan zeventig mirakels plaats op die wijze, waaronder drie verrijzenissen uit den dood; ook de handel in heilige olie (van de lampen, die vóór de tomben der Heiligen brandden) was zeer groot. Meer dan zeventig fleschjes (ampullae) van wonderdadige olie werden door Theodelinda voor haar Monza-Kathedraal gekocht en eenige zijn er nog van over.

18 Abyssinische kloosters staan nog onder wetten, die zeer veel gelijken op die van Pachomius en Antonius.

Hoofdstuk V.
Stilicho, Alarik en Placidia.
395–450

Inhoudsopgave

Wij hebben gezien, dat Theodosius de Groote zijn rijk verdeelde tusschen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius, die 18 en 10 jaar oud waren, en dat hij Rufinus en Stilicho als hun voogden aanstelde. De eerste had in Constantinopel het bestuur over de keizerlijke financiën en trad op als voogd van Arcadius, terwijl Stilicho de zorg had over den jongen Honorius, magister utriusque militiae (commandant van de ruiterij en het voetvolk) was en zijn hoofdkwartier te Rome had. De haat, die het afpersen der belastingen opwekte aan den eenen kant, en aan den anderen kant de voordeelen, die een populair aanvoerder van de Keizerlijke troepen verwierf, hadden ten gevolge, dat de strijd tusschen de twee regenten eindigde met den moord op Rufinus door Stilicho’s Gotische troepen.

In dit hoofdstuk zullen wij, na een paar bijzonderheden over Stilicho en zijn merkwaardigen levensloop (394–408), eenige van de vele schilderachtige incidenten vertellen, die samenhangen met den inval van Alarik en de lotgevallen van Galla Placidia.

Men zal zich herinneren, dat groote massa’s West-Goten toestemming hadden gekregen zich te vestigen ten Zuiden van den Donau en wij hebben meermalen vernomen, dat zij de keizerlijke troepen met flinke contingenten steunden. De Gotische soldaat, die Rufinus in tegenwoordigheid van den Keizer Arcadius vermoordde, had, toen hij zijn slachtoffer neerstiet, uitgeroepen: “Met dit zwaard treft Stilicho u!”—beteekenisvolle woorden, want het Gotische zwaard was het, dat nu over het lot van het Keizerrijk zou beslissen. Weldra kregen deze Gotische troepen, wier aanvoerder, Gainas, zeer verknocht was aan Stilicho, in Constantinopel de macht in handen; maar ten slotte werden zij, nadat, gedeeltelijk door toedoen van St. Chrysostomus, die natuurlijk als patriarch deze onbeschaamde Ariaansche barbaren vijandig gezind was, een oproer was uitgebroken, uit de stad gedreven. Gainas werd gedood door de Hunnen, toen hij den Donau wilde oversteken, maar zijn mannen voegden zich bij hun landgenooten, de West-Goten van Thracië en Moesië.

Deze West-Goten begonnen nu erg lastig te worden. Gedurende de laatste vijf jaar (sinds 395 ongeveer) regeerde Alarik over hen, van wien wij reeds hebben gehoord in den slag bij den Frigidus, waar hij als jonge man voor Theodosius streed tegen Arbogast. De sluwe Rufinus had getracht de gevaarlijke horden van Alarik op te zetten tegen Stilicho en het Westersche Rijk, om hen van de hoofdstad van het Oosten af te houden. Stilicho, die zelf een Vandaal was, had hen tegen Rufinus gebruikt; maar daarna had hij zich tegenover hen gesteld en Alarik verslagen in den Peloponnesus, toen deze Griekenland binnendrong1.

Geprikkeld door zulk een onverstandige behandeling, besloten de West-Goten wederom Zuidwaarts te trekken en een inval te ondernemen in Italië. Wat het eigenlijke plan van Alarik was, is onzeker. Hij had, evenals later Odovacar en Theoderik, een bijgeloovigen eerbied voor het Keizerrijk en waarschijnlijk kwam het plan om zich meester te maken van het Keizerlijke gezag nooit bij hem op. Zijn voornaamste taak was blijkbaar een nieuw land te zoeken voor de opgewonden benden, die heftig om plundering en buit schreeuwden. Ook werd Alarik (als wij een overlevering mogen gelooven, die de dichter Claudianus mededeelt) naar Rome gedreven door een stem, die hem plechtig beloofde, dat hij eens de Eeuwige Stad zou bereiken: “Penetrabis ad Urbem!” Maar eerst vond hij nog eens zijn meester in Stilicho.

Na Alarik verslagen te hebben in Griekenland (396), had Stilicho zich verder onderscheiden door een oproer in Afrika te dempen, dat was opgewekt door een Moorsch opperhoofd, Gildo. Stilicho, ofschoon een Vandaal, was gehuwd met een nicht en aangenomen dochter van den grooten Theodosius, de Spaansche Serena, wier schoonheid en deugden door Claudianus zijn bezongen. Ongeveer 399 werd hun dochter Maria uitgehuwelijkt aan haar half-idioten neef, den Keizer Honorius, en Stilicho werd aldus steeds machtiger.

Zijn schitterende verdediging van Italië tegen de West-Goten onder Alarik en tegen de geweldige horden van Rhaetische barbaren onder den woesten Wodan-vereerder Radegast, die hij bij Fiesole gevangen nam en doodde, is reeds verhaald (p. 9). Hier zullen wij nog slechts een paar gebeurtenissen mededeelen, die van hooger belang waren dan oorlog en politiek.

Toen Stilicho en Honorius Rome in triomf binnentrokken (404) na de nederlagen der Goten bij Turijn en Verona, werd er in het Colosseum een groot gladiatorenspel gegeven—want zelfs nu nog, een eeuw na den zoogenaamden Vrede van de Kerk, werden, ondanks het protest van edeler naturen (zooals de dichter Prudentius), ondanks het gedeeltelijke verbod van sommige Keizers, zulke wreedheden toch waanzinnig toegejuicht in een stad, die zich het centrum van de Christelijke wereld noemde, ofschoon zij in Constantinopel2 waren afgeschaft of nooit bekend waren geweest en Theodosius zelfs in 394 reeds zulke onschuldige vermakelijkheden als de Olympische spelen had verboden.

Als wij den schrijver Theodoretus mogen gelooven, was dit het laatste gladiatorenspel, dat in het Keizerrijk gehouden werd. Een monnik van het Oosten had de geheele reis naar Rome gemaakt om door een moedige daad te protesteeren tegen die ruwe vertooningen, en onder de oogen van de vele duizenden van toeschouwers, die de rijen van het Colosseum vulden, stormde hij de arena in en scheidde de strijdenden. Met een gebrul van verontwaardiging eischte het geheele amphitheater zijn dood—en hij zakt ineen, overweldigd door een stortvloed van werptuigen. Zijn schitterende heldendaad had de toeschouwers zoo diep ontroerd, dat hun woede plaats maakte voor bewondering en eerbied; en Honorius vaardigde een proclamatie uit, waarbij voor altijd deze gevechten van menschen tegen menschen werden afgeschaft3. De monnik, Telemachus, is heilig verklaard, maar hij heeft geen hem toekomende erkenning in de kunst of op andere wijze ontvangen. Misschien is dit zoo, omdat de gebeurtenis niet volkomen vast staat—ofschoon de geschiedenis van menigen populairen Heilige minder betrouwbaar is—of anders omdat hij slechts stierf voor de menschelijkheid, en niet voor een theologisch dogma.

De veldtochten van Stilicho zijn het onderwerp van Claudiamus’ “serviele muze”, zooals Gibbon misschien ten onrechte zegt. Claudianus schreef in het Grieksch (hij was in Alexandrië geboren) en in het Latijn, maar behalve door een paar Grieksche epigrammen, is hij beroemd door zijn Latijnsche gedichten, vooral om de keurige hexameters waarin hij zijn Gotische Oorlog heeft geschreven, dien hij Getische Oorlog noemt; want evenals de latere schrijvers Cassiodorus en Jordanes, meende hij, dat de Goten dezelfde waren als de Getae (de Thraciërs of Daciërs van den klassieken tijd). Claudianus’ gedichten doen denken aan de schitterende kleuren van de latere Venetiaansche schilders of van Rubens. Hij is tot op zekere hoogte vrij van de gezwollenheid van Lucanus, met wiens Pharsalia wij natuurlijk gaarne zijn Getische Oorlog vergelijken en als wij bedenken, dat het Latijn niet de moedertaal van Claudianus was, staan wij verbaasd over de wondere ongedwongenheid en kracht van zijn stijl en de vlucht van zijn verbeelding, waardoor hij soms Vergilius en Lucretius evenaart.

Een zeer belangwekkende episode in de veldtochten van Stilicho is het ontzet van Florence, toen het door Radegast werd belegerd in 405, want het is misschien de vroegste gewichtige gebeurtenis, (waarvan wij ten minste een volledig verslag bezitten), die samenhangt met middeleeuwsch Florence—als wij Florence van het jaar 405 reeds als middeleeuwsch kunnen beschouwen.

Florence werd waarschijnlijk gesticht door de Etrusci van Faesulae (Fiesole); overblijfselen van de geweldige Etruscische muren bestaan nog. In klassieken tijd was het een Romeinsche militaire kolonie en misschien later door Caesar uitgebreid en meer versterkt. Toen dit in het begin van de vijfde eeuw plaats vond, schijnt het vierkant geweest te zijn, zooals de meeste Romeinsche castra en bezat het een citadel, forum, amphitheater en tempels—waarvan er éen gewijd was aan de drie goden, Jupiter, Juno en Minerva en een andere aan Mars4, beschermgod van de stad; dit laatste gebouw was misschien datgene, wat Dante later il bel San Giovanni noemt en wat nu de Battisterio is. Daar deze belegering noch bij Machiavelli noch in de gewone beschrijvingen van Florence staat, lijkt het wel dienstig hier te vertellen, wat Gibbon zegt: “De belegering van Florence door Radegast is een van de vroegste gebeurtenissen in de geschiedenis van de beroemde republiek. De stad werd hevig beproefd en de wanhopige burgers hielden slechts vol onder invloed van St. Ambrosius, die in een droom (hij was ongeveer acht jaar tevoren gestorven) hun een spoedige redding beloofde. Plotseling zagen zij van hun wallen de vaandels van Stilicho, die weldra de barbaarsche belegeraars, die gelegerd waren op den “drogen en steenachtigen rug” van Faesulae (zooals Orosius5 zegt), insloot. De methode om den vijand met sterke verschansingen te omringen, die Stilicho twee keer tegen den Goten-koning had toegepast, werd op grooter schaal herhaald, en de ingesloten menigte van menschen en paarden werd langzamerhand, meer door den honger dan het zwaard, vernietigd. Hulptroepen en levensmiddelen werden binnen de muren van Florence gebracht en de uitgehongerde benden van Radegast werden op hun beurt belegerd. De trotsche koning van zoovele krijgshaftige stammen moest vertrouwen op de voorwaarden eener capitulatie of op de genade van Stilicho. Maar de dood van den aanvoerder, die smadelijk werd onthoofd, onteerde den triomf van Rome en het Christendom. De uitgehongerde Germanen werden als slaven verkocht; Stilicho berichtte den Senaat en den keizer zijn overwinning en ontving voor den tweeden keer den roemrijken titel van Bevrijder van Italië.”

De oorzaken van den val van Stilicho waren vele. Jaren geleden hadden zijn vijanden de beschuldiging verspreid, dat hij na de nederlaag van Alarik diens ontvluchting had begunstigd, zoowel in Griekenland als in Italië en dat hij hem zelfs als stadhouder van Illyrië had willen erkennen; en de beschuldiging was des te moeilijker te weerleggen, daar hijzelf een barbaar van geboorte en derhalve verdacht en gehaat was bij het Romeinsche gedeelte van het leger, en ook in Rome bij den hoogen zoowel als bij den lagen stand. Ook Honorius begon hem te verdenken en daar hij nogal kinderlijk was, luisterde hij des te eerder naar het gerucht, dat de almachtige generaal zijn zoon Eucherius—die zich een bloedverwant noemde van den grooten Theodosius—op den troon van het Westen of van het Oosten wilde plaatsen6. Een andere beschuldiging was gegrond op het onweerlegbare, doch misschien noodzakelijke, feit dat Keizerlijke troepen uit Brittannië en Gallië waren weggehaald, waardoor groote woeste horden den Rijn waren overgetrokken, en te midden van de paniek een gevaarlijke “tyran”, Constantinus, in Brittannië opgestaan was en zich meester gemaakt had van Gallië en Spanje.

Al deze beschuldigingen werden aangewakkerd door den mededinger van Stilicho, een officier van de Keizerlijke garde, Olympius, die een ernstige muiterij verwekte onder de troepen te Pavia. De stad werd geplunderd, de vrienden van Stilicho vermoord en Honorius, hoewel aanwezig, deed geen poging om hen te redden. Toen Stilicho, die te Bologna was, dat vernam, trok hij haastig naar Ravenna en zocht bescherming in een Kerk—waarschijnlijk de Kathedraal, de Basilica Ursiana7, waarvan de oude klokketoren nog over is. Een troep soldaten—door Olympius, of misschien door Honorius zelf gezonden—verscheen weldra aan de deur van de Kerk. De bisschop werd door valsche beloften overgehaald Stilicho aan te sporen zich over te geven. Maar nauwelijks had Stilicho den drempel overschreden, of hij werd gevat; hij weerhield zijn vrienden, die hem wilden bevrijden en boog zijn nek voor de zwaarden van zijn moordenaars. In de basilica van S. Ambrogio in Milaan is een sarcophaag, die gedurende vele eeuwen de tombe van Stilicho heette—maar moderne geleerden zeggen ons dat zij uit de zesde eeuw is (zie plaat 6).

Na den dood van Stilicho vond er een moorddadige vervolging van zijn aanhangers plaats. Zijn zoon Eucherius trachtte te ontsnappen, maar werd gevangen genomen en gedood. Thermantia werd van haar man gescheiden. Serena, als nicht van Honorius, kreeg genade, maar voor korten tijd, zooals wij zullen zien. Claudianus schreef een tijdlang erbarmelijke (misschien ironische) gedichten, die zijn vroegere beleedigende politieke epigrammen herriepen. Wij hooren niets meer van hem; zijn lot is onbekend.

Honorius bemerkte weldra, dat hij door den moord op Stilicho als het ware zijn eigen rechterhand had afgehakt. Omringd door zijn onbekwame en bange satellieten, sloot hij zich in Ravenna op, een stad, die door haar moerassen en haven zoo dikwijls in de dagen van barbaarsche invallen een veilige verdediging aan de landzijde en een gemakkelijke ontsnapping naar de zee aanbood. Hier hield de zwakzinnige en kwaadaardige jongeling, nu 23 jaar oud, zich bezig met zijn hoenderhof, terwijl Alarik Rome belegerde. Toen de Koning der West-Goten gezanten stuurde (de Paus was onder hen) om vrede voor te stellen op de zeer redelijke voorwaarden, dat Noricum aan de West-Goten zou worden afgestaan, verwierp hij dat met gemelijke minachting; en toen het bericht kwam dat Rome door Alarik genomen was, zegt men, dat hij heeft uitgeroepen: “Onmogelijk! Een oogenblik geleden heb ik haar met eigen hand gevoerd”—want voor hem was het eenige Rome, dat belangrijk was, een van zijn hennen, aan wie hij dien naam had gegeven.

Een tragische gebeurtenis, die plaats greep, toen Alarik Rome de eerste maal belegerde, was de vermoording van Serena door de Romeinen; zij was de weduwe van Stilicho, de nicht en schoonmoeder van Honorius. Zij werd, evenals haar gemaal, beschuldigd Alarik begunstigd te hebben. Sommigen schreven haar dood toe aan den invloed van haar nicht, de steeds jeugdige Galla Placidia.

Toen Honorius de voorwaarden van Alarik verwierp en de belegering van Rome8 werd hernieuwd (409), werd het lijden van het volk verschrikkelijk. De verhalen brengen ons de belegering van Jeruzalem en Numantia in herinnering, zooals Josephus en Livius die vertellen of de niet minder afschuwelijke feiten uit den Oost-Gotischen oorlog, dien Procopius beschrijft. Mannen en vrouwen werden in het geheim vermoord en verslonden; zelfs moeders doodden en aten haar kinderen. Tot wanhoop gedreven dreigden de Romeinen een uitval te doen en masse en hun belegeraars te overweldigen; maar toen Alarik dit hoorde, lachte hij luid en riep uit: “Hoe dichter het koren, des te gemakkelijk het maaien.” En toen zij, de waarheid van zijn sarcasme inziende, de voorwaarden van den overwinnaar verlangden te weten, vroeg hij al het goud en zilver, al de roerende goederen van waarde en alle vreemde slaven in de stad. “Wat wilt gij ons dan laten, o Koning?” riepen de gezanten uit. “Uw leven”, was het antwoord. Maar Alarik’s blaffen was erger dan zijn bijten. Hij nam een redelijker brandschatting aan en een tijdlang was er nu wapenstilstand.


10. Doopvont van de Orthodoxen, Ravenna.

In de tusschenruimten, die er ontstonden door zijn drie belegeringen, oefende Alarik geen geringen invloed uit op den politieken toestand van Rome. Zijn geweldige oorlogsschatting had de plundering van oude tempels en andere oude gebouwen ten gevolge, zoodat de haat van de nog steeds talrijke heidenen9 tegen de Christenen heviger werd. Door deze godsdienstige veete, als ook door den strijd van de Arianen tegen de Katholieken slaagde Alarik, die door het bezit van de haven van Ostia de Romeinen geheel in zijn macht had, er in, Attalus, den Prefect van Rome tot Keizer te laten kiezen. Onder wilde, geestdriftige toejuichingen van het Romeinsche plebs mochten Gotische troepen de stad binnengaan en den nieuwen Keizer naar het paleis op den Palatinus geleiden. Geheel Italië, behalve Ravenna, en Bologna, scheen zijn nieuwen vorst toe te juichen. Alarik vergezelde hem bijna tot de poorten van Ravenna en Honorius bood zijn mededinger de helft van het Westersche Rijk aan, hetgeen Attalus minachtend verwierp, terwijl hij van zijn kant Honorius aanbood de rest van zijn leven in ballingschap door te brengen op een afgelegen eiland. Maar de omstandigheden veranderden; hulptroepen uit Afrika verschenen in de haven van Ravenna, en Attalus viel plotseling in ongenade bij Alarik, die hem op het plein van Rimini, voor het geheele leger, zijn keizerlijke insignes afnam; deze zond hij naar Honorius en bood hem wederom vredesvoorwaarden aan. Doch Honorius weigerde nog eens en de Gotische koning keerde naar Rome terug, vast besloten de beleediging met de plundering van de stad te wreken.

Maar toen Alarik en zijn West-Goten eindelijk Rome binnentraden (410), bleef hij slechts enkele dagen in de stad en toonde veel meer genade en lankmoedigheid dan men verwacht zou hebben. De Christelijke kerken, zooals de oude Vatikaan-basiliek van S. Pietro en de schitterende, kort geleden gebouwde basiliek van S. Paolo werden geëerbiedigd. Zonder twijfel werd er veel gemoord en geplunderd en werden er vele burgers tot slaaf gemaakt; maar de schade die deze barbaren aanrichtten aan de gebouwen en kunstwerken was vergelijkenderwijze minder dan die, welke de Fransche en Venetiaansche Kruisvaarders10 te Konstantinopel in 1204 veroorzaakten, of in Rome zelf de Spaansche Katholieken en de Duitsche Lutheranen van den Connétable van Bourbon in 1527.

De geschiedenis van den dood en begrafenis van Alarik is bekend—maar waarom hij zoo plotseling van Rome wegtrok, met welke bedoeling hij een vloot verzamelde, of hij een aanval tegen Sicilië of Afrika beraamde, en waar hij woonplaatsen voor zijn Goten hoopte te vinden, die hij nog steeds zocht en die zij eindelijk in Gallië vonden—zijn vragen, die onmogelijk met eenige zekerheid kunnen beantwoord worden. Welke ook zijn plannen waren, zij zijn verijdeld door zijn plotselingen dood. Het woeste karakter der barbaren kwam tot uiting bij de begrafenis van hun held. Een menigte gevangenen werd gedwongen de bedding van den Busentinus, een kleine rivier bij Consentia in Calabrië te verleggen. Het koninklijk graf, versierd met den schitterenden buit van Rome, werd gebouwd in de oude bedding; het water hernam weder zijn natuurlijken loop en de geheime plek, waar het stoffelijk overschot van Alarik was neergelegd, werd voor eeuwig verborgen door de onmenschelijke slachting van de gevangenen, die gebruikt waren om het werk uit te voeren.

Athaulf of Adolf, de broeder van Alarik’s gemalin, nam het legercommando over. Omtrent de beweegredenen, die hem van vijandelijkheden tegen Honorius en Italië weerhielden, wordt ons een belangwekkende beschouwing gegeven door den vriend van St. Augustinus, den geschiedschrijver Orosius, die op een bezoek bij St. Hieronymus in Palestina een pelgrim ontmoette, een wapenbroeder van den barbaren-hoofdman. Eerst was Athaulf van plan geweest zich tot Augustus op te werpen en een “Gotia” (een Gotisch Keizerrijk) te stichten in de plaats van de “Romania”. Maar hij had de overtuiging gekregen dat de Goten zoo wild en onhandelbaar waren, dat zij niet op een blijvende staat konden hopen, tenzij een die gebaseerd was op en onderworpen aan wetten van het Romeinsche Keizerrijk. Hij schijnt geen hoop gekoesterd te hebben, zooals Theoderik dit later tevergeefs trachtte te verwezenlijken, dat een nieuwe staat zou kunnen worden opgebouwd uit barbaarsche en Romeinsche elementen. Misschien hebben ook persoonlijke motieven er hem toe gebracht een Romeinsche politiek te volgen, want een van zijn Romeinsche gevangenen had hem bekoord, de half-zuster van Honorius, de jeugdige Galla Placidia, die—matre pulchra filia pulchrior—de schoonheid van haar moeder Galla en haar grootmoeder Justina had geërfd. Honorius wilde in het huwelijk van een Keizerlijke prinses en een barbaar niet toestemmen, maar daar hij door den “tyran” Constantinus en een usurpator, die Spanje overweldigd had, juist zeer in het nauw werd gebracht, was hij blij Italië van de West-Goten te kunnen bevrijden. Athaulf en zijn leger konden dus ongehinderd Italië doortrekken en Gallië binnenrukken, op voorwaarde, dat zij Honorius zouden helpen de Westelijke provinciën te heroveren. Ondertusschen was er, ofschoon de overweldiger van Spanje (die weder Maximus heette) verpletterd was en Constantinus door een dapper veldheer van Honorius, Constantius, te Arles gevangen genomen en naar Ravenna gestuurd was, een derde usurpator opgestaan. Deze werd aangevallen en gedood door Athaulf; zijn hoofd werd naar Honorius gezonden, die het naar Carthago doorstuurde om aan die eenigszins ontrouwe stad te toonen, welk lot opstandelingen konden verwachten. Maar ondanks dit bloedige geschenk weigerde Honorius steeds het huwelijk te bekrachtigen en beloofde een groote hoeveelheid graan aan de Goten, die gebrek leden, te zenden, wanneer Athaulf van de schoone Placidia afzag. Dit aanbod evenwel werd afgeslagen en Athaulf besloot door te tasten. Hij maakte zich meester van Narbonne, Toulouse en Bordeaux en trachtte zelfs Marseille te nemen, dat door de keizerlijke troepen onder Bonifacius verdedigd werd. Daarna vierde hij zijn bruiloft met Galla Placidia, die Honorius’ meening in deze zaak volstrekt niet deelde, te Narbonne. De bruiloft, zegt Villari, werd gevierd met echt Romeinsche plechtigheid. De barbaar Athaulf droeg een Romeinsche tunica. Voor de bruid, die een prachtig Romeinsch gewaad droeg, knielden vijftig jongelingen ieder met twee gouden bekkens, een met goudstukken, het ander met juweelen en andere kostbare voorwerpen gevuld—afkomstig van de plundering van Rome. Om de plechtigheid te verhoogen werden Latijnsche verzen voorgedragen—terwijl de11 indrukwekkendheid werd vergroot door het feit, dat deze huwelijkszang werd gedeclameerd door Attalus, den “schijn-keizer”, dien Alarik gekozen en kort daarna afgezet had.

Kort na de bruiloft, die in Januari 414 gehouden werd, voerde Athaulf sterke afdeelingen van zijn Goten over de Pyrenaeën om een inval te doen in het gebied van de Vandalen, Sueven en Alanen, die (vgl. hfdst. II) het grootste gedeelte van Spanje hadden bezet en door hun verwoestingen afschuwelijken hongersnood en pest hadden verwekt. Te Barcelona werd Athaulf vermoord. Zijn opvolger, Singerik, die de Romeinen haatte, behandelde Galla Placidia schandelijk, en liet haar te voet met een troep gevangenen marcheeren; men zeide, dat hij de kinderen van Athaulf, die deze van een vorige vrouw had, liet slachten. Maar na zeven dagen werd ook hij vermoord, en zijn opvolger, de dappere en energieke Wallia verstond zich met Honorius om geheel Spanje voor het Keizerrijk te heroveren—een belofte die hij vervulde, voordat hij de Pyrenaeën weer overtrok; hij stichtte (c. 420) het groote West-Gotische koninkrijk, welks hoofdstad Tolosa (Toulouse) werd.

Maar wij moeten terugkeeren tot Placidia, wier lotgevallen ons weer naar Italië zullen voeren. Het verdrag van Wallia met Honorius (c. 416) sloot de bevrijding van de prinses in, die, door den dood van Athaulf, als een weduwe van 29 jaar was achtergelaten. Nogmaals bood Honorius een groote hoeveelheid graan voor zijn zuster; of misschien ried Wallia wegens den hongersnood Honorius deze vorm van losprijs aan. Zeshonderd duizend maten werden als een behoorlijke vergoeding aangenomen en Placidia keerde naar Ravenna terug. Hier bemerkte zij, dat Honorius en zijn ministers het plan hadden gevormd haar uit te huwen aan Constantius, den generaal, wiens krijgsdaden in Gallië zoo even zijn verteld. Hij was een ruwe soldaat, blijkbaar zonder de natuurlijke beschaving van den barbaar Athaulf en de prinses schijnt hem met tegenzin te hebben aangenomen. Maar het huwelijk bleek niet ongelukkig. Constantius kreeg den titel van Augustus. Twee kinderen werden geboren—Honoria en Valentinianus—de eerste later beroemd om haar romantische verhouding tot Attila, de laatste de toekomstige Keizer Valentinianus II. Maar in 421 stierf Constantius en kort daarna vond Galla Placidia het hof te Ravenna ondragelijk wegens de dwaasheden van den zwakzinnigen Honorius. Derhalve ging zij met haar kinderen naar Constantinopel.

Te Constantinopel regeerde nu Theodosius II, die in 408 zijn vader Arcadius, den broeder van Honorius, was opgevolgd. Theodosius had als kind van zeven jaar den troon bestegen. Hij had nu den leeftijd, maar zijn zuster Pulcheria was regentes en daar zij (zooals in het Historisch Overzicht verhaald is) een verstandig en flink karakter had, bleef zij feitelijk het hoofd van het Oost-Romeinsche Keizerrijk gedurende zijn geheele regeering en nog langer.

De Augusta van het Westen met haar twee kinderen werd goed ontvangen door haar neef en nicht, Theodosius en Pulcheria, ofschoon zij blijkbaar haar titel niet wenschten te erkennen, daar het Byzantijnsche hof noch den barbaar Athaulf noch den ruw-gemanierden soldaat Constantius als een geschikten gemaal voor een lid van de Theodosische familie had willen aannemen. Toen derhalve eenige maanden later het bericht kwam, dat Honorius was gestorven, en dat een usurpator gesteund werd door den machtigen invloed en de Hunnen-huurlingen van Aëtius, een van de voornaamste generaals van het Westelijke leger, terwijl de andere, Bonifacius—die in Afrika was—de opvolging van het kind van Placidia begunstigde, was het natuurlijk dat Pulcheria en Theodosius, ofschoon zij troepen stuurden om den overweldiger te onderwerpen en zich dus openlijk voor Placidia en Valentinianus verklaarden, zich voorloopig als alleenheerschers van het hereenigde Romeinsche Keizerrijk beschouwden. Maar weldra kwam het bericht, dat de usurpator was gevangen genomen en te Aquileia onthoofd. Toen Theodosius dit vernam, woonde hij juist een uitvoering in het Hippodroom te Constantinopel bij. Hij liet dadelijk de wedrennen ophouden, en leidde onder het zingen van een toepasselijken psalm het volk van het Hippodroom naar de Kerk, waar hij het overige van den dag in dankbare devotie doorbracht. Hetzij hij door eigen onverschilligheid, hetzij door de verstandige en edele Pulcheria er toe bewogen werd, het is aangenaam te kunnen vermelden, dat Theodosius geen voordeel trok van den toestand, maar den kleinen Valentinianus, nu een kind van zes jaar, als Keizer van het Westen onder het regentschap van zijn moeder liet uitroepen.

Valentinianus III regeerde dertig jaar (425–455). In al dien tijd heeft hij bijna niets verricht, dat hem tot eer strekt, en misschien had slechts één daad van hem—de moord op Aëtius—eenige historische beteekenis. Maar groote en belangrijke gebeurtenissen vonden plaats. Wij zullen in de twee volgende hoofdstukken den levensloop van Attila (445–452) en de verovering van Noord-Afrika, Sicilië en Rome (445) door Gaiserik beschrijven. In dit hoofdstuk zullen wij de lotgevallen van Galla Placidia tot haar dood in 450 verhalen.

Juist gedurende de helft van de regeering van haar zoon nam Galla Placidia het regentschap waar. Toen hij ouder was geworden, schijnt zij nog wel invloed uitgeoefend te hebben, ofschoon zij zich van daadwerkelijke inmenging in de regeering onthield. Zij vertoefde meest te Ravenna, doch bezocht Rome niet zelden; tijdens een verblijf aldaar stierf zij.

Aëtius en Bonifacius, de twee bevelhebbers van het leger in het Westen, waren beroemd om hun bekwaamheid in den oorlog en hun dapperheid, waardoor zij den titel van “de laatsten der Romeinen” verworven hebben. Wij hebben gezien (p. 11), hoe Aëtius een usurpator begunstigde en zelfs met 60.000 Hunnen steunde, en hoe, vreemd genoeg, toen hij de andere partij koos en zijn Hunnen afdankte, Galla Placidia hem met open armen ontving en als raadsman en bevelhebber van haar eigen leger aannam, terwijl zijn mededinger, Bonifacius, die zich dadelijk voor Placidia en Valentinianus had verklaard, zoo onrechtvaardig door haar werd behandeld, dat hij Gaiserik en zijn Vandalen uitnoodigde over te steken van Spanje en zich meester te maken van de diocese Afrika. Toen de Vandalen kwamen en Bonifacius, die te laat berouw had, inzag, dat hij den geweldigen stroom van Barbaren niet kon stremmen, keerde hij naar Ravenna terug en duelleerde met Aëtius, die haastig van Gallië was gekomen om hem te ontmoeten. Het schijnt dat hij Aëtius in dit duel overwon; maar hij werd zelf gewond en stierf kort daarna (432).

Placidia verklaarde Aëtius tot opstandeling en hij trok zich een tijdlang terug naar de legerplaats van Rugilas, den Koning van de Hunnen in Pannonië. Daarna verscheen hij weer voor Ravenna met een groot leger van Hunnen, en Placidia was genoodzaakt zichzelf, haar zoon en het Westersche Rijk aan den onbeschaamden onderdaan over te leveren; zoo vertelt Gibbon, maar volgens anderen werd Aëtius, omdat hij toch de eenige bekwame veldheer was, door de eenigszins wispelturige Placidia, als haar magister equitum peditumque wederom vriendelijk ontvangen. Hoe dat ook zij, hij schijnt de titels van Dux en Patricius te hebben gekregen en meer dan twintig jaar (432–454) de eigenlijke heerscher van het Westersche Rijk te zijn geweest—of liever, van hetgeen overbleef van het Westersche Rijk, want Brittannië was verloren, Zuid-Gallië vormde het onafhankelijk koninkrijk van de West-Goten, die feitelijk bijna geheel Spanje beheerschten, terwijl Noord-Afrika en Sicilië in de macht van Gaiserik, den Vandaal, waren.

Het was in deze jaren, dat Aëtius de hulp van de Hunnen onder Attila tegen de Bourgondiërs aannam. Het lijkt eenigszins verrassend, dat de opperbevelhebber van het Westersche Keizerrijk hulp heeft willen vragen van een woest heidensch volk, waarvan zoowel Romeinen als Germanen een afschuw hadden, maar Aëtius was persoonlijk met verscheidene Koningen der Hunnen bevriend, en zijn zoon, Carpilio, was gedeeltelijk opgevoed in de legerplaats der Hunnen. Bovendien hadden de Bourgondiërs het Aëtius zeer lastig gemaakt; zij kwamen (c. 353) van de streken aan de Elbe en nadat zij deel hadden genomen aan Radegast’s ongelukkigen inval in Italië (405), hadden zij in 437 Worms aan den Rijn tot hun hoofdstad gemaakt. Aëtius heeft hen verslagen met de hulp van Atilla’s Hunnen en 20.000, waaronder hun Koning, Gundikar, gedood; de overlevenden dwong hij zich te vestigen in het land, dat later het hertogdom Bourgogne heette. Deze slachting is ongetwijfeld het historische feit, dat de grond is van de prachtig dramatische, maar gruwelijke geschiedenis van het “Einde der Nibelungen” verhaald in het Nibelungenlied. In het voorbijgaan kunnen wij opmerken, dat de dichter het tooneel van het bloedbad heeft overgebracht van Bourgondië naar de feestzaal van Attila’s paleis, den Etzelnburg aan den Donau en ten onrechte den grooten Oost-Gotischen Koning Theoderik van Verona (“Dietrich von Bern”) laat optreden, die na Attila’s dood is geboren, in plaats van een anderen Theoderik, een Koning der West-Goten, die waarschijnlijk bij deze gelegenheid Aëtius heeft geholpen. De schitterende overwinning van Aëtius op zijn ouden vriend Attila (ongeveer veertien jaar later) zal in het volgend hoofdstuk beschreven worden.

Een jaar voor dezen slag op de Catalaunische vlakte, waar Attila’s overwinningen werden gestuit, stierf Galla Placidia. Zij had voor zichzelf te Ravenna een mausoleum gebouwd en haar lijk werd van Rome daarheen gebracht. Het mausoleum bestaat nog en is een van de schoonste en prachtigste gebouwen van dien tijd. Het is kruisvormig; de koepel is van binnen rijk versierd met schitterend mozaïek en gouden sterren op een donkerblauwen achtergrond—het doet door de kleine afmetingen en heldere kleuren denken aan een colibri met uitgespreide vleugels. Er zijn drie groote marmeren sarcophagen, zonder naam en zonder inhoud, behalve een paar afgebrokkelde beenderen (zie pl. 7 en verklaring). Men gelooft dat het de tomben zijn van Placidia, van haar gemaal Constantius III en van Valentinianus III, haar zoon. Die van Placidia was blijkbaar versierd met kostbare steenen en aan den voorkant bedekt met zilveren platen, zooals de schitterende pala12 van het hoogaltaar in de St. Markus te Venetië; maar Benedictijner monniken, die de graven beroofden om kloosters te bouwen, wedijverden met Lombardische barbaren in het plunderen van het mausoleum. De overlevering13 verzekerde, dat het lijk van de Keizerin in de sarcophaag was geplaatst, gehuld in haar Keizerlijk gewaad en gezeten op een troon; en de overlevering schijnt gelijk te hebben gehad, want in de veertiende eeuw werd er een opening gemaakt, waardoor men een vorstelijk gekleede mummie kon zien, die op een stoel van cypressenhout zat—Galla Placidia zelf of een beeld, dat daar geplaatst was door de kerkelijke autoriteiten om als reliquie te dienen. In 1577 trachtten eenige kinderen de sarcophaag te verlichten door er een kaars in te brengen, doch staken het gewaad in brand en de geheele zittende gedaante brandde af, behalve een paar beenderen, die, volgens een schrijver uit dien tijd, bewezen, dat het lichaam reusachtig moest geweest zijn—een raadselachtige mededeeling!


11. Mausoleum van Theoderik, Ravenna.

Ravenna staat in zulk een nauw verband met Galla Placidia, dat wij een paar woorden over die stad willen zeggen. Van het oude Etruscische en Romeinsche Ravenna, dat door Augustus een grootere haven kreeg, ruim genoeg voor 250 oorlogsgaleien, de Portus Classis, is bijna niets meer over. De oude haven is verdwenen, want de zee is een heel eind teruggegaan. De eenzame basiliek van S. Apollinare in Classe fuori (ongeveer een eeuw na Placidia’s dood gebouwd) geeft waarschijnlijk de plek aan, waar deze discipel van den H. Petrus werd vermoord, buiten de poort bij de haven; maar nu is het ruim drie K.M. van de zee af. Niet ver daarvan verwijderd is het groote dennebosch (Pineta), bekend door Dante en Byron; men weet, dat het in de dagen van Odovacar bestond en waarschijnlijk ook in den tijd van Placidia.

Galla Placidia bouwde talrijke Kerken in Ravenna, die nu bijna alle gerestaureerd en onkenbaar gemaakt zijn. De groote Kathedraal van Bisschop Ursus, waarvan de klokketoren nog bestaat, werd kort voor haar geboorte begonnen. Zeker was er ook reeds een Kerk gewijd aan St. Apollinaris, den vriend van den H. Petrus, want hij was de martelaar en beschermheer van Ravenna. Het oude Baptisterium was nog een Romeinsch bad, daar het door den Aartsbisschop Neon eerst in 450, toen Placidia stierf, werd gewijd. Zij bouwde misschien ook S. Giovanni Battista, S. Teodoro (later Spirito Santo), S. Agata en S. Croce (naast haar mausoleum) en liet zeker de S. Giovanni Evangelista bouwen—d. w. z. de oorspronkelijke basiliek, op wier fundamenten nu de prachtige Romaansche campanile van de 11e en een Kerk van de 18e eeuw staan. Deze basiliek richtte zij op ter vervulling van een gelofte, die zij had afgelegd op haar reis van Constantinopel naar Ravenna, toen zij door een storm was overvallen. “Ik zal u” riep zij uit, “een tempel van schitterend marmer stichten op het strand, waar het schip veilig zal aanlanden.” Daarop verscheen haar de Heilige Johannes in een verblindende gestalte, zette zich op den boeg van het schip en, zijn armen uitstrekkend bracht hij de woedende golven tot bedaren.

1 Bij dezen inval nam Alarik Athene in, maar plunderde het niet, ofschoon hij waarschijnlijk den beroemden tempel te Eleusis in brand stak.

2 Constantijn vaardigde in het jaar van het Concilie te Nicaea een edict uit, waarin hij deze schouwspelen afkeurde, in “vredestijd”. Ook dit is een bewijs van een groote verandering in zijn gevoelens, want voordat hij het Christendom aannam, had hij in de arena te Trèves (Trier) zooveel gevangen barbaren laten optreden, dat zij door hun aantal den razenden wilden beesten te talrijk waren. Cicero vertelt ons, dat zulke vertooningen in zijn dagen zelfs sommigen menschen wreed en onmenschelijk leken, maar hij verdedigt het, zooals velen tegenwoordig den oorlog verdedigen, als een uitstekende school voor tucht en dapperheid.

3 Gevechten tusschen wilde beesten duurden nog voort, maar schijnen afgeschaft te zijn door den “barbaar” Theoderik en andere Gotische, Lombardische en Frankische veroveraars, die daarvoor tournooien in de plaats hebben gesteld. In ’t Oosten werden wilde-beesten-gevechten door een Concilie in het jaar 700 ongeveer verboden. Stierengevechten zijn de meest weerzinwekkende en verachtelijke overblijfselen van zulke wreedheden.

4 Dante, Inf. XIII. 143, Par. XVI. 47.

5 De Spanjaard Orosius (schrijver van zeven boeken ter verdediging van het Christendom) en zijn vriend St. Augustinus schreven, toen zij in Afrika waren, een verslag van deze belegering (de civitate Dei V. 23.).

6 Arcadius, de Keizer van het Oosten, stierf in Mei 408 en Stilicho in Augustus. Maria was gestorven en Stilicho had zijn tweede dochter, Thermantia aan Honorius uitgehuwelijkt.

7 Gebouwd door Bisschop Ursus vóór 396; afgebroken c. 1734 om den tegenwoordigen Duomo te bouwen. Dicht bij den campanile staat het beroemde Baptisterium van de Orthodoxen, dat in Stilicho’s dagen waarschijnlijk nog een Romeinsch bad was. (Zie pl. 10 en Verklaring).

8 Voor Rome uit dien tijd zie Gibbon (c. XXXI) of Gregorivius’ uitvoerig werk over Rome in de Middeleeuwen. De bevolking was toen misschien 2.000.000 en de exodus was geweldig. St. Hieronymus zegt, dat men in het Oosten overal vluchtelingen uit Rome zag.

9 Rome schijnt een ernstig beroep te hebben gedaan op de oude goden om haar te helpen tegen den Christelijken barbaar Alarik. Zosimus “de kwaadaardige heidensche historieschrijver” zegt dat zelfs de Paus den Etruscischen toovenaars toestond hun kunsten te beproeven, om (zooals Numa) den bliksem van den hemel te lokken en tegen de vijanden te richten—misschien een vooruitloopen op de artillerie.

10 De Oostersche cultuur van de XIe en XIIe eeuw stond hooger dan de Westersche en misschien kunnen de Mohammedanen in hun kronieken de kruistochten met evenveel recht barbaarsche invallen noemen, als de Westersche volken de invallen der Turken [Vertaler].

11 Men is geneigd hier tusschen te voegen “belachelijke”. Het is beter den armen Attalus in een noot af te maken. Hij werd òf door Athaulf teruggestuurd, òf bij zijn poging om te ontsnappen, op zee overvallen door de vloot van Honorius, die hem in triomf, op een kar gebonden, ten toon stelde, daarna twee van zijn rechtervingers liet afhakken en hem naar een van de Liparische eilanden zond.

12 Pala = schop; het woord wordt ook gebruikt voor een schopvormig (schilder)stuk.

13 Een dergelijk verhaal bestaat ook over de tombe van Karel den Groote te Aken.

Hoofdstuk VI.
Attila de Hun.

Inhoudsopgave

Hetgeen over de oudste geschiedenis van de Hunnen bekend is, hebben wij reeds in het kort verhaald. Nu moeten de gebeurtenissen beschreven worden van de jaren, waarin zij de schrik van Europa waren, aangevoerd door Attila, den “Geesel Gods”1, den verwoester, wiens strijders een spoor nalieten, waar geen gras meer groeide, den moordenaar, die in den diepsten poel van de helsche rivier van kokend bloed zich wringt, want aldus heeft de verbeelding van volkeren en dichters hem geschilderd2.

Attila en Bleda, neven van Rugilas, den vriend van Aëtius, waren hem als koningen van de Hunnen opgevolgd. Na ongeveer twaalf jaar (c. 445) werd Bleda onttroond en vermoord—waarschijnlijk door zijn broeder, die door zijn woeste onderdanen met bijgeloovigen eerbied werd gevreesd, Attila, onoverwinnelijk door het bezit van een oud zwaard, dat gevonden was door een schaapherder en beschouwd werd als het zwaard van den oorlogsgod der Hunnen (die door de Latijnsche schrijvers Mars genoemd wordt). Als alleenheerscher der Hunnen breidde hij snel zijn koninkrijk uit, dat de naburige Gepiden, Alanen en Sueven reeds in zich opgenomen had, evenals de Oost-Goten; nu strekte zich het veroverde gebied reeds uit van Skandinavië tot Perzië of misschien tot de grenzen van China. Zelfs in de jaren, toen Attila het koningschap met Bleda deelde, was zijn stijgende macht reeds een dreigend spook voor het Keizerrijk. In het Westen had hij Aëtius tegen de Bourgondiërs geholpen; maar het Keizerrijk zelf was hij uiterst vijandig gezind, terwijl hij volstrekt niet dien eerbied kende, dien Alarik en Theoderik de Groote voor het Keizerrijk hebben gevoeld. Hij had een groot gedeelte van het keizerlijk gebied in het Oosten afgeloopen, had vele Romeinsche gevangenen als slaven in verschillende landen achtergelaten, en had deserteurs van zijn eigen leger, die hij had gevangen genomen, op Romeinsch gebied gekruisigd. Hij had zoowel naar Valentinianus III te Ravenna als naar Theodosius te Constantinopel onbeschaamde boodschappen gestuurd3 en een gezantschap van den Keizer van het Oosten naar het kamp van de Hunnen, had slechts ten gevolge gehad, dat er door Attila tweemaal zooveel schatting werd geëischt, als er tot nog toe was betaald.

In 447 naderde Attila tot de muren van Constantinopel, en eischte een driedubbele schatting, die door Theodosius betaald werd. En Attila’s eischen beperkten zich niet tot zulk een belasting. Een merkwaardige roman is gevlochten tusschen deze daden van woestheid en bloeddorst. Men zal zich herinneren dat Galla Placidia twee kinderen had, Honoria en Valentinianus. De dochter was, op haar manier, even onnoozel en onhandelbaar als de zoon, misschien bedorven, maar van nature ook sentimenteel en niet in evenwicht. Te Ravenna was de jonge Augusta (dezen hoogen titel had zij reeds jong gekregen) in moeilijkheden geraakt, toen zij ongeveer zestien jaar was. Zij was toen (c. 434) door haar moeder naar Constantinopel gestuurd, waar zij ongeveer veertien jaar doorbracht in het vervelende gezelschap van de zusters van Theodosius en haar uitverkoren maagden, wier voortdurend bidden, vasten en waken zij met tegenzin navolgde; want het Byzantijnsche hof was ongeveer een klooster geworden, waar de vrouwen, die geen manlijke bezoekers behalve priesters en bisschoppen toelieten, hun tijd verdeelden tusschen borduren en godsdienstige oefeningen, en de Keizer zelf—een traag, besluiteloos, aesthetisch voelend en eenigszins fanatiek4 mensch—een leven leidde van een quasi-artistieken, sportlievenden, streng-orthodoxen, bekrompen man. Jagen was het eenige, wat hem naar buiten kon lokken; maar hij was bijna voortdurend, soms ook ’s nachts, bezig met schilderen en houtsnijden, en de keurige wijze, waarop hij godsdienstige boeken overschreef, verschafte den Keizer den titel van “Calligraaf”. Zoo werd de tijd, dien hij won door zijn keizerlijke plichten te verwaarloozen, verbruikt met ijdele vermaken en nuttelooze liefhebberijen.

Honoria werd door deze omgeving zoo geprikkeld, dat zij door middel van een vertrouwden bode een ring naar Attila stuurde (c. 488) en hem verzocht haar op te eischen en bij zijn vrouwen5 te voegen. Eerst wees hij haar verzoek met minachting af, maar na eenig nadenken leek het hem een goed voorwendsel om mèt de keizerlijke Augusta tevens een belangrijk deel van het Keizerrijk als bruidschat te vragen. En dit voorwendsel bevrijdde hem van de moeite om een ander te zoeken, toen hij niet alleen tot een inval in het Oostelijke Rijk maar ook in Italië besloot.

In verband met deze escapade van Honoria zal de volgende beschrijving van Attila’s persoon en karakter belangwekkend zijn. Het is vertaald uit het Latijn van Jordanes, die een compendium van de verloren Gotische Geschiedenis van Cassiodorus schreef en Cassiodorus kreeg waarschijnlijk zijn gegevens van Priscus, die den Hunnen-koning bezocht en een verslag maakte van zijn bezoek. “Attila” zegt Jordanes, “was een man geboren om landen te verwoesten en schrik te verspreiden over de wereld; hij veroorzaakte een paniek door het ontzagwekkende gerucht, dat voor hem uitging. Hij schreed met trotschen stap, rondkijkend naar alle kanten, alsof hij zijn hoogmoed en macht door de bewegingen van zijn lichaam wilde toonen; hij was een minnaar van den oorlog, maar gematigd in zijn levenswijs; buitengewoon streng in de vergadering, vriendelijk voor smeekelingen, voor altijd de beschermer van hem, aan wien hij eenmaal zijn vertrouwen had geschonken, kort van gestalte, met breeden borst, groot hoofd, kleine oogen, een dunnen baard met grijze haren er tusschen, stompen neus, bleeke gelaatskleur—alle kenmerken van zijn ras.”

Van de vele gezantschappen, die tusschen Attila en Theodosius gewisseld zijn, is er een van buitengewoon belang voor ons, omdat wij een volledig verslag van dit bezoek der Romeinen aan de residentie van den Hunnen-koning hebben; in het Nibelungenlied heet deze Etzelnburg d.w.z. burcht van Attila, die misschien ergens tusschen den Donau en de Theiss lag. Attila had twee gezanten naar Constantinopel gezonden, Edeco en Orestes (zie p.p. 15 en 16) om vluchtelingen op te eischen, en door den tolk6 werd hun uit naam van een ambtenaar van het hof een plan voorgelegd om Attila te vermoorden. Zij namen het voorstel aan en ontvingen een zware beurs met goud, maar besloten den aanslag aan hun koning mede te deelen. Op hun terugkeer vergezelde hen, maar natuurlijk onbekend met het complot, Maximinus, een aanzienlijke hoveling, en zijn vriend Priscus, wiens dagboek, hoewel fragmentarisch, nog over is. Zij vonden de streek in het Noorden overal verwoest door Attila’s invallen. Sardica (Sofia) en Naissus (Nissa, geboorteplaats van Constantijn den Groote) waren geslecht en verlaten; slechts een troep zieke menschen kroop tusschen de ruïnes rond. Zij trokken de heuvelige streken van het tegenwoordige Servië door en vonden overal het stoffelijk overschot van menschen; zij staken den Donau over in kano’s van uitgeholde boomen en bereikten de legerplaats van Attila.

Maar Attila was woedend omdat hij slechts zeventien deserteurs terugzag. Hij eischte, dat het gezantschap verder noordwaarts zou gaan—ongeveer 375 K.M.—naar zijn vesting en zijn paleis. Derhalve volgden zij de gidsen en bereikten het eindelijk, na lange omwegen, door eindelooze bosschen en over ontelbare rivieren. Attila’s paleis was van hout opgetrokken en omringd door torens en palissaden, binnen welke zijn talrijke vrouwen haar afzonderlijke woningen hadden. Het eenige steenen gebouw in het kamp was een badhuis, gebouwd door een Romeinsch architect. De gezanten werden ontvangen in de feestzaal van het paleis. Attila en zijn zoon zaten met twee voorname barbaren op een verhooging, terwijl de gasten aan kleine tafels zaten—de keizerlijke gezanten hadden in rangorde voor de officieele personen der Goten en andere barbaren moeten wijken. Wijn werd aan allen in gouden bekers aangeboden en verschillende spijzen op zilveren schalen, maar op de koninklijke tafel stonden slechts houten bekers en borden, en alleen vleesch werd opgediend, want “Attila proefde nooit de weelde van brood” (Gibbon). Hij versierde zijn wapens en tuig van zijn paard ook niet met kostbaar metaal of edelgesteenten, zooals zijn voorname krijgers; hij onderscheidde zich met trots van de anderen door de kleeding en de gewoonten van zijn nomaden-voorvaderen. Toen het verraderlijk plan tegen zijn leven onthuld werd, gedroeg hij zich waardig en edelmoedig; hij nam de verzekering van de keizerlijke gezanten, dat zij geheel onschuldig waren, aan, en zond hen ongedeerd terug. Ja zelfs, toen Theodosius andere gezanten zond om Attila’s toorn af te wenden, drong deze er niet langer op aan de schuldige hovelingen te straffen. Integendeel, hij liet zelfs Romeinsche gevangen vrij en stond grondgebied ten zuiden van den Donau af.

In 450, het jaar waarin Galla Placidia stierf, werd Theodosius van zijn paard geworpen en gedood. Marcianus, die hem als gemaal van Pulcheria opvolgde, had een geheel ander karakter. Een van zijn eerste daden was, met goedvinden van Pulcheria, den hoveling Chrysaphios, die het complot tegen Attila had gesmeed, ter dood te brengen. Maar deze daad van gerechtigheid, waarvan misschien de oorzaak te vinden is in het edelmoedig gedrag van den koning, beteekende allerminst een laffe onderwerping; want toen Attila weder schatting eischte, was dit volgens Priscus Marcianus’ antwoord: “Als hij zich rustig hield, zou hij hem rijkelijk beschenken, maar als hij met oorlog dreigde, zou hij hem met mannen en wapenen weerstaan.”

Attila dreigde, hoogmoedig en onbeschaamd—maar aarzelde; en terwijl hij aarzelde, of hij Constantinopel of Ravenna zou aanvallen, bereikten hem berichten van het verre Westen en het Noorden, die zijn richting bepaalden.

Een nieuwe barbaarsche macht was opgetreden—die van de Franken, een lang, vlasblond, blauwoogig ras, dat zich had gevestigd aan den Beneden-Rijn, de Maas, en in het land van de Belgae. Na den dood van hun koning Clodion kregen zijn twee zonen twist. De een riep Attila te hulp; de ander Meroveus (misschien Merowig, die zijn naam gaf aan de Merovingers) zocht hulp bij Aëtius. Attila besloot de gelegenheid aan te grijpen om een inval in Gallië te doen. Mogelijk rekende hij ook op de medewerking van de West-Goten, wier koninkrijk in Zuid-Gallië en Spanje bestuurd werd door Theoderik (wellicht den zoon van Alarik). Maar de West-Goten waren in dien tijd hevig verbitterd op Gaiserik, den koning der Vandalen in Afrika, die de bruid van zijn zoon, Theoderik’s dochter, naar Toulouse terug had gestuurd met afgesneden neus en ooren; hij had haar beschuldigd hem te willen vergiftigen. Theoderik hoopte daarom de hulp van Aëtius te verwerven tegen den Vandalen-koning; deze wendde zich natuurlijk tot Attila en vroeg hem Theoderik en Aëtius aan te vallen, terwijl hij hem beloofde troepen in Zuid-Gallië aan land te zetten. Attila met zijn Hunnen en Oost-Goten vereenigden zich dus met de Franken aan den Neckar, en vertrouwend op de medewerking van de Vandalen, trok hij den Rijn over bij Speyer en verwoestte de Gallische provincies. Metz en Reims werden geplunderd. Troyes werd door zijn bisschop, St. Lupus, gered, die een dergelijke vreemden invloed op Attila schijnt uitgeoefend te hebben als later Paus Leo7. De Heilige Genoveva trad ter bescherming van Parijs (Lutetia) op, zooals later Jeanne d’Arc voor Orléans zou optreden en keerde den stroom van barbaren. Orléans werd belegerd, en de muren stortten reeds voor den stormram in, toen als antwoord, naar men zegt, op de gebeden van den bisschop Anianus, het vereenigde leger van Aëtius en Theoderik opdaagde.

Attila trok terug tot dicht bij Troyes en daar, op de Catalaunische vlakten (bij Châlons) tusschen de Seine en de Marne, werd een slag geleverd, die waarschijnlijk geheel West-Europa redde van een Hunnen-overheersching en van de omverwerping, misschien van de vernietiging van Romeinsche beschaving en Christendom. De slag is beschreven door Jordanes in zijn uittreksel van de Gotische Geschiedenis van Cassiodorus (c. 500) en Cassiodorus had zonder twijfel veteranen gesproken, die aan de eene of aan de andere zijde gestreden hadden. “De slag was zoo woest, zoo uitgestrekt, zoo bloedig, zoo hardnekkig, dat men uit de geheele oudheid iets dergelijks niet kon aanhalen.”


12. S. Apollinare Nuovo, Ravenna.

Het aantal dooden, zegt deze schrijver, was 162.000, ongerekend 15.000 Franken en Gepiden die bij een voorafgaande ontmoeting waren gesneuveld. Dit getal is misschien overdreven, doch het staat vast, dat de strijd lang en bloedig was. Men vertelt, dat Attila een brandstapel van houten zadels en andere stukken der uitrustingen had opgericht met de bedoeling om zich (en waarschijnlijk anderen) als een brandoffer aan de goden te offeren in geval van een nederlaag—zooals de Carthager Hamilcar negen eeuwen vroeger bij Himera had gedaan; maar Attila’s nederlaag was geen vernietiging. Aan beide kanten waren zware verliezen geleden en de koning der West-Goten, Theoderik, was gedood door een werpspies. Attila was dus in staat zijn troepen weer veilig over den Rijn te voeren, want Aëtius (die hierom later van verraad werd beschuldigd) deinsde er voor terug om “den gewonden leeuw in zijn leger” aan te vallen, zooals Jordanes het uitdrukt.

Men kan zich de woede en verbittering van Attila voorstellen. Nog eens zendt hij een dringend verzoek om de hand en bruidschat van Honoria. Hij verzamelt een nog grooter leger en in het volgende voorjaar (452) slaat hij als een orkaan op Italië neer. Zijn doel was zonder twijfel Rome, maar eerst wilde hij zijn Hunnen beloonen en de nederlaag wreken door de verwoesting en plundering van Noord-Italië. Aquileia, dat nu de rijkste en meest bevolkte stad van de Adriatische kust was geworden, werd drie maanden lang belegerd en met allerlei belegeringswerktuigen bestookt. Maar alle pogingen waren vruchteloos en reeds was hij besloten de onderneming op te geven, toen hij bij zijn ommegang van de muren opmerkte, dat de ooievaars met hun jongen de stad verlieten (waarschijnlijk vóor den gewonen tijd), waaruit hij opmaakte, dat er geen voedsel meer te krijgen was. Derhalve werd het beleg voortgezet en weldra werd Aquileia stormenderhand genomen en geslecht, zoodat nog geen eeuw later, in de dagen van Jordanes, nauwelijks een spoor van de stad over was. Later werd zij herbouwd en de zetel van een machtig anti-pauselijk patriarchaat. Maar nadat Attila de stad verwoest had, vluchtten alle inwoners naar Grado (het strand), of naar die laguneneilanden, die later een federatie vormden en eerst tribunen en daarna een Doge (Dux) kozen; de plaats van zijn paleis was de Rialto (Rivo alto of diepe stroom) van Venetië.

Van Aquileia gingen de Hunnen naar het Westen; Altina en Padua werden plat gebrand. Verona, Vicenza, Bergamo werden geplunderd. Toen schijnt Attila zijn strijdkrachten verzameld te hebben bij den Lacus Benacus (Lago di Garda) met de bedoeling de Apennijnen over te trekken en Rome aan te vallen.

De zwakke en lafhartige Valentinianus was van Ravenna naar Rome gevlucht; maar ook te Rome heerschte een paniek, want er was geen leger, sterk genoeg om Attila te weerstaan en Aëtius had bericht gestuurd, dat zijn bondgenooten, de West-Goten, en zijn Gallische troepen weigerden op te trekken om Italië te ontzetten. Men besloot derhalve een gezantschap te zenden om den toorn van den Hunnenkoning te bezweren en zonder twijfel ook om hem een groote som geld aan te bieden—waarschijnlijk in den verzoenenden vorm van den zoo dikwijls gevraagden bruidschat van Honoria of beter gezegd een douceur, want zij was reeds ten huwelijk gegeven aan een obscuren man, voordat zij in een gevangenis werd opgesloten om daar gedurende haar verdere leven haar dwaasheden te betreuren.

Als voornaamste gezant werd Avienus gekozen, een senator van hoogen stand; de Bisschop van Rome, Leo I, (de Groote), vergezelde het gezantschap, dat in 452 de Apennijnen overtrok. Zij vonden Attila en zijn geweldig leger in een kamp dicht bij de plaats waar de Mincio uit den Lago di Garda stroomt—nu ligt daar Peschiera—niet ver van Sirmio, waar eens de villa van Catullus stond, en eveneens niet ver van het land, heilig aan allen, die Vergilius liefhebben, waar de heuvels langzaam afloopen naar Mantua en “de breede Mincius langzaam zijn bochten maakt en zijn oevers met zacht riet omzoomt.” (Georg. III. 14).

Wat bij de onderhandeling gebeurde, staat niet vast, maar zeker is het, dat daarna, tot verbazing van gansch Europa, Attila den marsch tegen Rome afgelastte en zijn leger over de Alpen wegvoerde naar Pannonië. Katholieke overlevering schrijft dit wonder toe aan den invloed, dien Leo, als het Hoofd van de Kerk en de stadhouder van God, op den barbaar uitoefende; en het geval van St. Lupus te Troyes wordt aangehaald om het geloof te versterken, dat een bovennatuurlijke kracht werkzaam was, ofschoon nu misschien de verschijning van de in de lucht zwevende apostelen, waarover een latere legende spreekt en die zoo indrukwekkend door Raffael is geschilderd, weinig geloof zal vinden8. Misschien kan Attila’s handelwijze ook zonder de hulp van het bovennatuurlijke verklaard worden. Aëtius bezat een krachtig leger en Attila was wellicht bevreesd voor een hinderlaag, als hij verder zuidwaarts trok. Bovendien zweefde het lot van Alarik, die zoo plotseling na de plundering van Rome gestorven was, zonder twijfel als een onheilspellend spook voor de bijgeloovige verbeelding van den Hun en wij kunnen zeker aannemen, dat Leo niet heeft getracht dit spook te verbannen. Tenslotte zal de machtige invloed van goud, of zijns gelijke, veel bijgedragen hebben tot Attila’s besluit. Toch valt het tegelijkertijd niet te ontkennen, dat de invloed van een sterk karakter, nog vergroot door een hecht geloof in de rechtvaardigheid van een zaak en den steun van God, soms het wonderdadige nabij komt; en zulk een karakter had Paus Leo de Groote—oprecht, krachtig, standvastig, onwrikbaar overtuigd van de bovennatuurlijke kracht van de Kerk en haar goddelijke stichting door den Heiligen Petrus en Paulus, die hij gewoon was den Romulus en Remus van het Christelijke Rome te noemen. Die eigenschappen treden in zijn geschriften te voorschijn; hij vermijdt alle diepzinnige, theologische vraagstukken, alles is eenvoudig, helder, nauwkeurig. Hij spreekt bijna nergens over de heiligen of over Maria, maar zeer vaak over Jezus Christus. De algemeene, geestelijke heerschappij van de Romeinsche Kerk was het eenige onderwerp, waarop al zijn gedachten en handelingen betrekking hadden; maar het wereldlijke gezag liet hij over aan wereldlijke macht.

Het lot van Alarik had Attila misschien afgeschrikt van de plundering van Rome. Doch dit redde hem niet van een dergelijk einde. Kort na zijn onderhandeling met de Romeinsche gezanten stierf hij plotseling (waar en wanneer is onzeker, doch waarschijnlijk in het volgend jaar (453) in Pannonië of te Etzelnburg) ’s nachts aan een aderbreuk na het feestmaal ter eere van zijn bruiloft met Idlico, de laatste van zijn talrijke vrouwen. Een vaag en waarschijnlijk ongegrond verhaal schreef aan Idlico de misdaad of de eer toe de rol van een Judith te hebben gespeeld.

Het lijk van Attila werd plechtig ten toon gesteld in het midden van de vlakte onder een zijden baldakijn, en uitgelezene escadrons van de Hunnen, rondrijdende met gelijkmatige zwenkingen, zongen een lijkzang ter eere van den held. Het stoffelijk overschot werd in drie kisten gesloten, van goud, zilver en ijzer, en in den nacht begraven; de buit van volkeren werd in zijn graf geworpen; de gevangenen, die den grond hadden uitgegraven, werden meedoogenloos geslacht.

Na den dood van Attila schijnt het Hunnenrijk snel verbrokkeld te zijn. Voordat veertig jaren waren verloopen, maakten de Oost-Goten onder Theoderik zich meester van Italië en de naam der Hunnen wordt zelden meer gehoord.

De overlevering vertelt, dat Leo bij zijn terugkeer uit dankbaarheid jegens den grooten Apostel het bronzen standbeeld van den Heiligen Petrus oprichtte, misschien het beeld van Jupiter Capitolinus veranderd volgens de gelaatstrekken van den Heilige. Dit zittende beeld, welks groote teen afgesleten is door de kussen9 van millioenen menschen, werd omstreeks 1610 van het afgebroken klooster van S. Martino naar de St. Pieter gebracht. Sommigen gelooven dat het uit de 13e eeuw is, een tijd waarin de navolging van klassieke werken begon; maar ofschoon het misschien geen copie van den Jupiter Capitolinus is, die waarschijnlijk vernield of weggesleept is door Gaiserik, kan het toch wel dateeren uit de dagen van het vroege Keizerrijk; want het is zeker geen Byzantijnsch werk.

In het jaar na Attila’s dood (454) bezocht Aëtius Rome en werd door Valentinianus gedood (zie p. 12). De vermoording van Valentinianus zelf, die plaats vond in het volgend jaar en dadelijk gevolgd werd door de plundering van Rome door Gaiserik, kan beschouwd worden als het feitelijke einde van het West-Romeinsche Rijk. Maar gedurende de twintig volgende jaren werd de titel van Augustus door de machtige bevelhebbers van het Romeinsche leger geschonken aan hun protégés; sommige van deze bevelhebbers waren van zuiver barbaarsche afkomst. De voornaamste gebeurtenissen van deze periode zijn reeds vermeld. Derhalve zullen wij, na een korten terugblik op het rijk van Gaiserik in Afrika, dat bijna ter zelfder tijd bestond als Attila’s heerschappij in Midden-Europa, eenigszins uitvoeriger de inneming van Rome door de Vandalen beschrijven en dan overgaan tot Romulus Augustulus en Odovacar.

1 Zooals men weet, wordt de titel “roede van den toorn Gods” door den profeet Jesaja aan den Assyrischen koning gegeven. [Vertaler]

2 Quell’ Attila che fu flagello in terra (Dante, Inf. XII 134). Het epitheton flagellum Dei vindt men niet bij Schrijvers uit dien tijd. De tegenwoordige Hongaren, die ten onrechte zich afstammelingen van de Hunnen noemen, verzekeren, volgens Gibbon, dat de titel aan Attila door een kluizenaar in Gallië gegeven werd en dat hij dien aannam.

3 Attila’s gezanten moesten de volgende formule gebruiken: “mijn heer en uw heer, beveelt u....”, en hij noemde Theodosius eens een ondeugenden slaaf, die tegen zijn meester een complot smeedde. Men vertelt, dat Attila te Milaan een schilderij zag, waarop Hunnen en Scythen knielden voor een Keizer, en daarop den schilder beval de houdingen te verwisselen.

4 Aan hem kunnen wij de verwoesting van vele Grieksche tempels wijten, b.v. die te Olympia. Zijn gemalin Eudocia was reeds verbannen naar Palestina.

5 In het Nibelungenlied en het Waltarilied (bekend bij de lezers van Scheffel’s Ekkehard) heeft Attila of Etzel éen vrouw, Helche. Na haar dood dingt hij naar de hand van Chriemhilde, de Bourgondische prinses, die naar Etzelnburg gaat om hem te huwen.

6 De Hunnen hadden een minachting voor het Grieksch en gebruiken liever Gotisch of Latijn, waar hun eigen taal niet begrepen werd. Latijn was de officieele taal in het grootste deel van het Oostersch Keizerrijk.

7 Men zegt dat Attila eens de opmerking maakte: “Ik weet hoe ik menschen kan overwinnen, maar een wolf en een leeuw wisten, hoe zij den overwinnaar moesten overwinnen”.

8 Zie Plaat 8 en verklaring der illustraties.

9 Cicero (in Verrem IV. 94) vertelt iets dergelijks van een bronzen beeld van Hercules te Agrigentum.

Hoofdstuk VII.
Van Gaiserik tot Odovacar.

Inhoudsopgave

In het jaar 429 staken de Vandalen onder hun koning Gaiserik1, misschien op uitnoodiging van den Romeinschen stadhouder Bonifacius, den grooten mededinger van Aëtius, van Spanje over naar Afrika. De inval in de rijke en vruchtbare provincies van Noord-Afrika behoefde eigenlijk nauwelijks te worden aangemoedigd door een verrader. In Spanje waren de Vandalen hevig aangevallen door de West-Goten, wier koning Wallia het grootste deel van het land had onderworpen, maar Gaiserik of Genserik, die, zooals de beroemde Spartaansche koning Agesilaus, klein en kreupel was (door een val van zijn paard) schijnt hun leger gereorganiseerd en zelfs een veldtocht ondernomen te hebben (428) tegen de Sueven in het tegenwoordige Noord-Portugal. In het volgend jaar landt hij op de kust van Afrika met een groote strijdmacht en een menigte vrouwen en kinderen—te zamen misschien 80.000. Deze landing is levendig, misschien met te groote fantasie, door Gibbon beschreven. “De Mooren, die langzamerhand de kust en het kamp van de Vandalen durfden naderen, moeten wel met schrik en verbazing de kleeding, de wapenen, de krijgshaftige houding en de tucht van de onbekende vreemdelingen, die hun land hadden betreden, aanschouwd hebben; en de schoone gelaatskleur van de blauwoogige Germaansche krijgers vormden een merkwaardige tegenstelling met hun zwarte of olijfkleurige tint, veroorzaakt door de nabijheid van de heete zone. Nadat de eerste moeilijkheden, ontstaan door de wederzijdsche onbekendheid met elkanders taal, uit den weg waren geruimd, sloten de Mooren een verbond met de vijanden van Rome, en benden van naakte wilden stormden uit de wouden en de dalen van het Atlas-gebergte om zich te wreken op de beschaafde tyrannen, die hen de heerschappij over hun vaderland ontrukt hadden.”

Afgrijselijke verhalen worden opgedischt over de verwoestingen en wreedheden van de Vandalen in Afrika gedurende de tien jaren, die verliepen voordat Gaiserik de geheele streek van Noord-West-Afrika had veroverd en zijn macht geconcentreerd had in Carthago, vanwaar hij met zijn sterke vloot het Westen van de Middellandsche Zee schoon veegde en de Balearen, Corsica, Sardinië en eindelijk ook Sicilië bemachtigde. Vandalisme is synoniem geworden met barbarisme en wreedheid, maar het is zeer wel mogelijk dat het verhaal over den ketterschen Gaiserik en zijn Vandalen door een vriend en biograaf van St. Augustinus overdreven is, vooral ook door de latere schrijvers. Het is nauwelijks te gelooven, dat indringers, die zich in een land willen vestigen, wijngaarden en vruchtboomen zouden verbranden en uitroeien, en de verhalen, dat zij lijken van geslachte gevangenen ophoopten om de muren van een belegerde stad te beklimmen of dat zij die lieten rotten om pest te verwekken, schijnen eenigszins fantastisch2.

Indien Bonifacius werkelijk de Vandalen heeft aangespoord naar Afrika over te steken, moet hij dat gedaan hebben in een vlaag van woede of moet hij zich leelijk misrekend hebben, want een jaar later zien wij hem wanhopig tegen hen strijden. Toen hij verslagen was, trok hij terug naar de zeevesting Hippo, bekend als de stad van St. Augustinus. Hier werd hij door de Vandalen belegerd. In de derde maand van de belegering stierf St. Augustinus (28 Augustus 430), 76 jaar oud. Na veertien maanden begonnen de belegeraars meer gebrek aan voedsel te krijgen dan de belegerden, die vrijen toegang tot de zee hadden. Ook werden er troepen gestuurd van Constantinopel, onder bevel van Aspar, die met Bonifacius de Vandalen aanviel. Maar zij werden met zwaar verlies teruggeslagen. Daarop scheepten zij al hun troepen in en zeilden weg, Aspar naar Constantinopel en Bonifacius naar Ravenna, waar hij tot onze verbazing zeer vriendelijk door Galla Placidia ontvangen werd en zelfs geëerd werd met medailles, waarop hij was afgebeeld op een zegekar met een palmtak in de eene, en een geesel in de andere hand. Maar kort daarna stierf hij aan een wond, die hij in een duel met Aëtius ontvangen had. De inwoners van Hippo werden door de Vandalen deels vermoord, deels tot slaaf gemaakt en de stad werd verbrand.

Wat Gaiserik weerhield om Carthago aan te vallen, is niet duidelijk. Misschien stelt men zich de uitgestrektheid van die Afrikaansche provincies niet goed voor en evenmin het kleine aantal Vandalen in verhouding tot de overwonnen, doch nog vijandige bevolking. Bovendien was Carthago, herrezen op de oude puinhoopen, die Scipio ongeveer zes eeuwen vroeger had achtergelaten, weder de eerste stad geworden van Noord-Afrika (het werd “Rome” genoemd), en ofschoon van de reusachtige Byrsa en de overige versterkingen van de oude Phoenicische stad slechts enkele twijfelachtige overblijfselen nog bestaan, is het toch niet onwaarschijnlijk dat er in Gaiserik’s tijd nog genoeg over was om te maken, dat de plaats3 lastig genomen kon worden, ondanks de verwijfdheid van haar bewoners, die volgens de schrijvers ronddartelden in een poel van weelde, goddeloosheid en misdaad. Daarom wilde Gaiserick voor zijn krijgers eerst een staat opbouwen.

In dit verband is het van belang te weten, dat de politiek der Vandalen eenigszins socialistisch schijnt geweest te zijn. Het regeerende ras matigde zich natuurlijk een feudale heerschappij aan over het onderworpen volk en was zelf vrij van belasting, maar de arbeiders van de inlandsche bevolking werden bevoorrecht boven hen, die zich van werken onthielden. Van de vermogende edelen, geestelijken en rijke grondbezitters werden velen zwaar belast, zelfs verbannen, terwijl landbouw, nijverheid en handel werden aangemoedigd door gedeeltelijke ontheffing van belasting.

In de laatste jaren van deze periode van rust leefden de Vandalen in vrede met het Keizerrijk, want drie jaren na de plundering van Hippo was er een verdrag geteekend. Doch dit duurde kort en in 439 viel Carthago. Daarna veroverde Gaiserik’s vloot alle eilanden in het Westelijk deel van de Middellandsche zee; Sicilië werd verwoest, de Vandalen landden zelfs op de kusten van Italië. In 442 sloot Valentinianus III, die zich vrij begon te maken van het regentschap van zijn moeder Placidia, een vernederend verdrag met den Vandalen-koning; hij erkende hem als heerscher over al het gebied, dat hij had veroverd, en niet alleen als bondgenoot, gelijk zoo dikwijls het geval was geweest, wanneer het Romeinsche Rijk een barbaar als koning erkend had, maar als absoluut en onafhankelijk monarch. Zoo was nu het Westelijke Rijk beroofd van het grootste deel van zijn Afrikaansch gebied, van alle Westelijke eilanden (ook Sicilië), van bijna geheel Spanje en Zuid-Gallië, en van Brittannië, terwijl Attila reeds meester was in Dacië, en Moesië, Pannonië, Noricum, Rhaetië en een groot deel van Illyrië en Thracië verwoestte.


13. S. Pietro in Ciel d’oro, Pavia.

Gedurende de volgende dertien jaren, de laatste van Valentinianus’ regeering, schijnt Gaiserik zich tamelijk rustig gehouden te hebben. Hij was bezig zijn rijk te versterken en wachtte een gelegenheid af om zijn veroverd gebied ook buiten Afrika te vergrooten, terwijl zijn vloot de zee schoon veegde en zijn leger steeds verder doordrong in de richting van Tripolis en de Groote Syrte.

In 455, het 27e van de 49 jaar zijner regeering, verzamelde Gaiserik een vloot (wellicht uitgenoodigd door keizerin Eudoxia) en zette een troep van zijn Vandalen en Mooren bij den mond van den Tiber aan land4. Rome was zonder verdediging. Er waren geen georganiseerde strijdkrachten en de geheele stad was in rep en roer. Toen Maximus, de opvolger van den vermoorden Valentinianus, trachtte te vluchten, werd hij gedood door het gepeupel; zijn lichaam werd in stukken gerukt en in den Tiber geworpen; en toen drie dagen later de Vandalen en hun Afrikaansche hulptroepen de poorten naderden, vonden zij geen wanhopige bevolking, die besloten was haar haardsteden te verdedigen, en evenmin een phalanx van geoefende soldaten, maar een aantal ongewapende priesters aangevoerd door een eerwaardigen bisschop—denzelfden Leo, die drie jaren tevoren den woesten Attila getrotseerd had bij den oever van den Lacus Benacus. Men zegt dat Gaiserik eerbiedig heeft geluisterd naar de waardige, onbeschroomde en welsprekende taal van Leo en beloofd heeft de gebouwen van Rome te ontzien en de Romeinen, wanneer zij geen weerstand boden, te sparen. Maar zulk een wonder als in het geval van Attila gebeurde niet; geen bovennatuurlijke invloed bewerkte, dat Gaiserik zijn Vandalen naar hun schepen terugriep en naar Sicilië of Carthago voer; hij gaf toestemming om te plunderen en in de volgende veertien dagen werden alle vervoerbare schatten van Rome naar de schepen gesleept, die aan den mond van den Tiber lagen.

De Vandalen schijnen slechts weinig in Rome vernield te hebben, maar bij de algemeene plundering zijn ook vele beroemde Grieksche en Romeinsche kunstwerken verdwenen, die tegelijk met een geweldige massa kostbare voorwerpen, juweelen, gouden, zilveren en bronzen versierselen, geborduurde kleederen naar Carthago zijn vervoerd. Veel van dezen buit ging naar Constantinopel, toen zeventig jaar later Justianus’ veldheer Belisarius, Carthago innam, en de vernietiging daarvan moet men niet aan de Vandalen, maar aan de Fransche, Vlaamsche en Venetiaansche kruisvaarders toeschrijven, die Constantinopel in 1204 plunderden. Misschien ontging de buit van den Joodschen tempel—hetgeen velen wellicht het belangrijkste van de schatten zullen vinden—dit lot. Ongeveer 400 jaar geleden had Titus dezen buit uit Jeruzalem gebracht en afbeeldingen ervan kan men nog op zijn triomfboog te Rome zien. De zeven-armige gouden kandelaar, de gouden tafel om de brooden op te leggen, de zilveren trompetten en de talrijke gewijde gouden vazen waren (volgens Josephus) in den Tempel van den Vrede te Rome geplaatst en de Groote Voorhang van den Tempel en de heilige Boeken van de Wet werden bewaard in het Paleis van de Caesars. Een overlevering verzekert, dat deze schatten in den Tiber werden geworpen, toen Maxentius bij den Pons Milvius verdronk. Waarschijnlijker is evenwel dat zij naar Carthago zijn vervoerd en dat sommige ervan door Belisarius naar Constantinopel werden gebracht. Hunne merkwaardige lotgevallen waren daar nog niet ten einde, als wij Procopius mogen gelooven, die verzekert, dat Justinianus door godsdienstige bezwaren gedreven, de “utensilia (huisraad) van den Joodschen tempel” naar Jeruzalem terugzond, waar zij in de schatkamer van een Christelijke Kerk werden gezet. Als dit waar is, moeten wij vreezen, dat zij later in handen van de Saracenen zijn gevallen en nu in de een of andere ver afgelegen Arabische of Syrische moskee zijn. Niet minder belangrijk is het feit, dat de Vandalen ook naar Carthago de helft—zoo niet het geheel—van het zoogenaamde gouden dak van den Jupiter-tempel op het Capitool medenamen, dat gemaakt was van vergulde bronzen pannen, en zonder twijfel ook de vergulde beelden en quadrigae—welke beelden Domitianus, naar men zegt, ongeveer dertig millioen gulden gekost hadden.

Onder de duizenden Romeinsche gevangenen, die meest als slaven werden verkocht, waren drie bijzonder belangrijke. “De keizerin Eudoxia”, zegt Gibbon, “ging haar vriend en bevrijder te gemoet, doch betreurde weldra haar onvoorzichtigheid. Zij werd op ruwe wijze van haar juweelen beroofd en met haar twee dochters, de eenige overgebleven afstammelingen van den Grooten Theodosius, gedwongen den trotschen Vandaal te volgen.”

Men zal zich herinneren, dat de oudste van deze dochters, Eudocia, met Hunnerik trouwde, die zijn vader Gaiserik in 477 opvolgde—want de kleine kreupele stichter van het Vandalen-Rijk regeerde ongeveer zestig jaar. De Keizerin zelf met haar jongste dochter, Placidia, werd ten slotte (c. 463) naar Constantinopel gestuurd, waar de Keizer van het Oosten haar vriendelijk ontving—een bewijs, dat men niet geloofde, of niet wist, dat zij Gaiserik naar Rome had geroepen. Een tweede bewijs zou kunnen zijn het feit, dat haar dochter Placidia de gemalin was van Olybrius, die later (472) een paar weken Romeinsch Keizer was.

Een jaar na de inneming van Rome leed de vloot der Vandalen een verpletterende nederlaag bij Sardinië tegen de Romeinsche onder Ricimer, maar die ramp schijnt Gaiserik niet zeer getroffen te hebben, want ongeveer twaalf jaar later (468) richtte een groote vloot, die was uitgerust door de beide Keizerrijken, weinig tegen hem uit en vele van de 1113 schepen, waaruit de Keizerlijke vloot bestond, werden vernield door Gaiserik’s branders. De zoon van Gaiserik, Hunnerik, die met Eudocia was gehuwd, handhaafde de heerschappij van zijn vader te land en ter zee en is bekend om zijn hevige vervolging van de Katholieken—of misschien van de geestelijken van beide partijen, want hij liet den Ariaanschen patriarch van Carthago op het forum aldaar verbranden. Zooals later verteld zal worden, eindigde het rijk van Gaiserik in 533, toen een opvolger van Hunnerik, Gelimer, overwonnen werd door Belisarius, Justinianus’ veldheer, die Carthago in zulk een snel tempo innam, dat hij bij de inneming in staat was aan een maaltijd deel te nemen, die bereid was voor den Koning der Vandalen.

Het volgende verhaal is belangwekkend in verband met de inneming van Rome door Gaiserik. Er is een kerk te Rome, die druk bezocht wordt wegens het prachtige standbeeld van Mozes—een van de figuren van het reusachtige monument van Paus Julius II, dat Michelangelo nooit heeft kunnen voltooien en wat hij gewoon was “de tragedie van mijn leven” te noemen. Deze kerk heet thans S. Pietro ad Vincula. Zij was gebouwd door Keizerin Eudoxia en heette oorspronkelijk Basilica Eudoxiana. Haar tweede naam heeft op de volgende legende betrekking. “Eudocia, de moeder van Keizerin Eudoxia” zegt Gregorovius in die Geschichte der Stadt Rom, “bracht uit Jeruzalem den ketting van den Heiligen Petrus (zie Handelingen XII); de eene helft hiervan zond zij naar Constantinopel, de andere helft naar haar dochter in Rome. Daar was reeds de ketting, waarmede de apostel geboeid was, voor hij gemarteld, werd en toen Paus Leo (dezelfde, die Attila en Gaiserik trotseerde) de twee kettingen dicht bij elkander hield, haakten zij zichzelf zoo vast ineen, dat zij een enkele ketting vormden van 38 schakels. Dit mirakel bewoog Eudoxia, die toen de gemalin van Valentinianus III was, om deze kerk te bouwen, waar de kettingen5 nog steeds bewaard en vereerd worden.”

De plundering van Rome door Gaiserik’s opvolgers, zegt Gregorovius, schijnt het spreekwoordelijke gebruik van “Vandalisme” wel te rechtvaardigen, want een groot aantal burgers werden totaal geruïneerd en duizenden tot slaaf gemaakt. Maar bijna alle schrijvers getuigen, dat Gaiserik niet zulk een “Vandaal” is geweest. Hij hield zijn woord ten opzichte van de vernieling van kerken, paleizen en oude monumenten.

Het Einde van Romulus Augustulus.

Inhoudsopgave

In de periode van 455 tot de onttroning van Romulus Augustulus zijn er weinige gebeurtenissen van eenig belang, behalve Ricimer’s reeds vermelde overwinning op de vloot der Vandalen en zijn plundering van Rome—de derde keer, dat het geplunderd werd in ongeveer zestig jaar. De kronieken uit dien tijd bestaan bijna geheel uit voortdurende onlusten, oproeren, onttroningen en verkiezingen; de keizerlijke poppen van de militaire dictatoren Ricimer, Gundobald en Orestes volgden elkaar, met kleine tusschenruimten, zoo snel op, dat in twintig jaar niet minder dan negen zoogenaamde Keizers het purper aannamen. Het korte verslag in het Historisch Overzicht zal dus wel voldoende zijn, en wij zullen hier slechts een levendige beschrijving van den onttroonden Keizer uit Gibbon bijvoegen en iets over het vroegere leven van Odovacar.

“Na den dood van Valentinianus waren in twintig jaren achtereenvolgens negen Keizers verdwenen, en de zoon van Orestes, een jongeling, slechts om zijn schoonheid beroemd, zou allerminst recht hebben op de belangstelling van de nakomelingschap, indien niet zijn regeering, die gekenmerkt werd door de vernietiging van het West-Romeinsche Keizerrijk, een merkwaardig tijdperk afsloot in de wereldgeschiedenis. De zoon van Orestes nam de namen van Romulus en Augustus aan, en maakte die te schande. Het leven van dezen ongevaarlijken jongeling werd gespaard door de edelmoedige genade van Odoacer, die hem met zijn geheele familie uit zijn Keizerlijk paleis wegzond, een jaarlijksch inkomen van 6000 goudstukken voor hem vaststelde en hem het kasteel van Lucullus in Campanië als verbanningsoord aanwees.

De heerlijke kust van de golf van Napels was vroeger bezaaid met villa’s en Sulla prees den meesterblik van zijn tegenstander Marius, die zich had gevestigd op het hooge voorgebergte van Misenum, dat aan alle kanten de zee en het land overziet, zoover als de horizont reikt. De villa van Marius was na een paar jaren door Lucullus gekocht en de prijs was van f 30.000 gestegen tot meer dan f 960.000. Het werd door den nieuwen bezitter met Grieksche en Aziatische kunstwerken versierd, en de huizen en parken van Lucullus verwierven een eervolle plaats op de lijst van de Keizerlijke paleizen. Toen de Vandalen voor de kusten gevaarlijk werden, werd de Lucullische villa langzamerhand een sterke vesting, het afgelegen toevluchtsoord van den laatsten Keizer van het Westen. Ongeveer twintig jaar na die groote omwenteling werd het in een kerk en een klooster veranderd om de beenderen van den Heiligen Severinus te ontvangen. Zij rustten veilig tusschen de gebroken trofeeën van de overwinningen op de Cimbren en Armeniërs, tot het begin van de tiende eeuw, toen de versterkingen, die een gevaarlijk steunpunt konden geven aan de Saracenen, werden afgebroken door het volk van Napels.” (Gibbon c. XXXVI.)

Sommigen gelooven dat deze villa van Lucullus in Pizzofalcone stond, wat nu een hoog gedeelte van Napels is. Maar op Kaap Misenum, die de Baai van Pozzuoli (Puteoli) vormt, kan men nog overblijfselen van een groote villa zien—zonder twijfel de villa van Lucullus, waar Keizer Tiberius werd gesmoord, en waarschijnlijk ook die, waar Romulus Augustulus stierf.

Van Odovacar’s jeugd worden eenige bijzonderheden gegeven door Gibbon, Villari en anderen—uit Jordanes en verschillende oude schrijvers, o.a. een leerling en biograaf van den Heiligen Severinus. De vader van Odovacar en van zijn broeder Onulf was waarschijnlijk de Scirische of Herulische hoofdman Edeco, die door Attila gezonden was naar Constantinopel als gezant met Orestes, den vader van Romulus Augustulus. Na den dood van Attila, toen de Hunnen zich verspreidden, leidde de jonge Odovacar een zwervend leven en is misschien de zeeroover geweest van denzelfden naam, die een vloot van Saksische piraten op de noordelijke zeeën aanvoerde. In ieder geval, het tooneel van zijn vroegere avonturen schijnt het noorden geweest te zijn, want wij vernemen, dat hij ongeveer 460 Noricum (Styria, Salzburg enz.) doortrekt aan het hoofd van een bende barbaarsche soldaten, die in Italië dienst wilden zoeken onder Ricimer. Noricum was nog niet hersteld van de verwoestingen van Attila en verkeerde in een toestand van anarchie. De eenige erkende autoriteit was de Heilige Severinus, de kluizenaar, die van zijn cel uit de orde in het land bewaard schijnt te hebben. De Heilige werd opgezocht door Odovacar, die het lot, dat hem in Italië wachtte, wilde leeren kennen. Toen de slanke, jonge krijgsman bukte om de lage deur door te gaan, werd hij door den Heilige met deze woorden begroet: “Vade ad Italiam. Vade, vilissimis nunc pellibus coopertus, sed multis cito plurima largiturus, Ga naar Italië! Ga! Ofschoon gij nu in dit ruwe gewaad gekleed zijt, zult gij weldra aan velen rijkdommen verschaffen.” Niet lang daarna streed Odovacar in Ricimer’s leger onder de muren van Rome en schijnt tot hoogen rang geklommen te zijn; hij was ook populair geworden, want in 475 kozen zijn soldaten hem plechtig tot hun Koning door hem op een schild omhoog te heffen (zooals zoo dikwijls gebeurde, wanneer het leger een nieuwen keizer koos). Als Koning van barbaarsche krijgers wierp hij zichzelf op tot heerscher over Italië. Hij matigde zich dus niet de keizerlijke waardigheid en titel aan, maar schafte die af.

Aanteekeningen bij de munten6

Inhoudsopgave

Plaat 9.

Van c. 306 tot c. 565


9. Munten: van Constantijn I tot Justinianus c. 306–565.

1. Constantijn I. 2. Constantius II. 3. Julianus (Apostata). 4. Jovianus. 5. Valentinianus I. 6. Valens. 7. Gratianus. 8. Valentinianus II. 9. Theodosius de Groote. 10. Honorius en Arcadius. 11. Galla Placidia. 12. Valentinianus III. 13. Theodosius II. 14. Pulcheria. 15. Romulus Augustus (-ulus). Het woord Conob of Comob, dat dikwijls op middeleeuwsche munten voorkomt, beteekent Comitis Obryziacus, d.w.z. de Munt van den Graaf. Deze Graaf, Comes sacrarum largitionum was zoo ongeveer de Minister van Financiën.

16. Voorzijde van een bronzen munt van 22 nummi. Beeltenis van een krijgsman met borstharnas en krijgsmantel, geleund op een speer; misschien Gaiserik zelf. Oudere munten van Gaiserik hebben (zooals dikwijls bij de barbaarsche heerschers het geval is) den beeldenaar van den overleden of nog regeerenden Keizer, b.v. Honorius en Valentinianus (zie no. 22). Geen der munten, die men aan Gaiserik toeschrijft, dragen zijn naam. Hetgeen op sommige koperen munten vroeger werd aangezien voor “Genserik”, leest men nu als “Mense Aug.” (in de maand Augustus). Het woord Karthago en de paardekop, het oude symbool van Carthago, bewijzen dat de munt werd geslagen na de inneming van Carthago in 439. De oudste kroniekschrijvers spellen zijn naam “Gaiserik”, Procopius schrijft “Gizerichus”.

17. Zilver. Keerzijde: Odovacar, zonder baard, doch met knevel; borstharnas en krijgsmantel. Lees: Flod[ov]ac, d. i. Flavius Odovacar; Flavius is de familienaam van Vespasianus, later aangenomen als koninklijke titel door Constantius I en sommige van zijn opvolgers, en ook door de koningen der Longobarden. Voorzijde: zijn monogram met een krans en er onder RV (Ravenna). Hij sloeg eerst munten met zijn eigen naam, nadat hij zijn residentie te Ravenna gevestigd had.


14. Boëthius.

Naar het schilderij van Giovanni Santi.

18. Goud. Voorzijde van een munt van 3 solidi (ongeveer 210 gram) bij Sinigallia in 1894 gevonden. Vóór deze vondst bestond er geen munt met Theoderik’s beeldenaar. Gewoonlijk zetten dergelijke vorsten hun naam of beeltenis niet op gouden munten; dit werd beschouwd als een voorrecht van de Keizers. Het is een bijzonder kostbaar overblijfsel van Romeinsch-Gotische kunst, dat, zooals men nog aan de keerzijde kan zien, door een ouden bezitter als broche is gebruikt. Op deze munt staat: Rex theodericus pius princ[eps] i[nvictus?] s[emper?]. Omgeven door deze woorden, houdt Theoderik een globe in de hand, waarop een Godin der overwinning staat met krans en palmtak. De bezitter van deze munt is de heer F. Gnecchi, Milaan.

19. Brons. Athalarik in wapenrusting, met speer en ovaal schild. Lees: DN (Dominus of Dominus noster) Atalaricus. In de tusschenruimten SC (Senatusconsulto) en X (10 nummi). Waarschijnlijk uitgegeven door Athalarik’s moeder, Amalasuntha. De voorzijde vertoont een mooi borstbeeld van “Rome”—misschien een bevestiging van de mededeeling dat de koningin-moeder de schoone kunsten in Rome aanmoedigde.

20. Brons. Lees: dn. Theodahatus rex. Een keurig gemodeleerde beeltenis. De nauwsluitende kroon is merkwaardig en ook het met juweelen versierde gewaad. Het gezicht stemt overeen met onze voorstelling van zijn karakter en is een type (misschien Vandaalsch), geheel verschillend van Theoderik. Cassiodorus vertelt ons dat Theodahad bevolen had zijn beeldenaar op zijn munten te slaan, “als een herinnering aan onze regeering voor toekomstige eeuwen”. Waarschijnlijk te Rome gemunt, na zijn breuk met Justinianus (535–36).

21. Brons. Beeldenaar van Baduela (of Baduila), d. i. Totila. Lees: ... Duela rex; op de keerzijde: dn. Baduela (of -ila) rex. Geslagen na 549 te Rome (of Pavia?).

22. Zilver. Lees: dn. Theia rex. De voorzijde vertoont den naam en beeldenaar van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius († 518), ofschoon deze munt natuurlijk van 552–53 is. Hetzelfde beeld werd dikwijls nog lang na den dood van een Keizer gebruikt.

23. Brons. Lees: dn. Justinianus ppvag (waarschijnlijk verkeerd voor ppaug d. i. Pius Princeps Augustus). Een van de vele bestaande beeltenissen van Justinianus. Waarschijnlijk uitgegeven door Theodahad of Witigis (Vitiges). Gemunt te Rome c. 536–38. Na 540 (toen Belisarius Ravenna innam) werden er Keizerlijke Byzantijnsche munten van Justinianus geslagen in Italië, doch waarschijnlijk niet eerder dan na Theia’s dood en den val van het Gotische Rijk (c. 553–55).


Italië ten tijde van Odovacar (476–493)

1 Zie voor dezen naam de aanteekening bij munt 16, Plaat 9.

2 Toch vertelt de schrijver dat hem iets dergelijks in Midden-Afrika is overkomen. De inboorlingen belegerden de versterkte plaats, waar hij zich bevond en vergiftigden de rivier, die de plaats van water voorzag, door de lijken van geslachte gevangenen erin te werpen.

3 De nieuwe stad (Colonia Carthago), door Julius Caesar en Augustus gebouwd, stond niet, zooals sommigen meenen, op een afstand van de oude plaats (b.v. waar nu Tunis ligt), want de nog bestaande Romeinsche overblijfselen, het amphitheater, de groote Thermae, de circus, en de reservoirs, die gevuld werden door de reusachtige aquaeduct, die het water van de 90 K.M. verwijderde heuvels bracht, lagen allen binnen de oude muren, aan den voet van de acropolis en bij de haven. Dit Romeinsche Carthago, dat ongeveer een eeuw de hoofdstad van het Vandalenrijk was, wordt door verschillende oude schrijvers beschreven, die de prachtige gebouwen en de schitterende circus-spelen roemen en ook een nieuwe groote haven, vlg. de Appendix over Carthago in Cotterill’s editie van het eerste boek der Aeneis (Blackie and Son).

Wat de aquaeduct betreft, ieder zwemmer zal met belangstelling de krachtproef lezen van Spendius en Mâtho in Flaubert’s Salammbô. [Vertaler.]

4 Daar Valentinianus in het begin van 455 gedood was en Gaiserik in Juni 455 bij Ostia landde, betwijfelde de groote Italiaansche historicus en archaeoloog Muratori (c. 1700) dit. Maar Gibbon herinnert ons aan de vijgen die Cato in de senaat op den grond wierp, terwijl hij uitriep: “Deze werden slechts drie dagen geleden te Carthago geplukt.” Bovendien had Gaiserik zonder twijfel reeds strijdkrachten op Sicilië gereed.

5 Vijlsel van de kettingen werd door de Pausen gebruikt als een zeer kostbaar geschenk.

6 Verdere bijzonderheden over deze munten vindt men in de uitstekende catalogue of the Goths and Lombards van het Britsch Museum, door Mr. Wroth samengesteld en in het standaardwerk van Engel et Serrure Numismatique du moyen âge, Vgl. de aanteekeningen bij plaat 45 van de munten.

Tweede Deel.

Inhoudsopgave

Historisch Overzicht.
476–568.

Inhoudsopgave

De geschiedenis van de drie eeuwen (476–800), die verliepen tusschen de vernietiging van het Keizerlijk gezag in Italië en het herstel daarvan in den persoon van Karel den Groote kan men in twee perioden verdeelen, van welke de eene ongeveer een eeuw (476–568) en de tweede iets langer dan twee eeuwen (568–800) is. De eerste periode vormt nu het onderwerp van ons verhaal. In dit tijdperk hebben wij eerst, ongeveer 16½ jaar, de regeering van Odovacar, Ottowacker of Odoacer, die wij beter den naam van zijn munten (Odovac of Odovacar) kunnen geven dan den Latijnschen vorm “Odoacer”; daarna komt de heerschappij der Oost-Goten (493–535), waaronder de belangrijke regeeringen vallen van Theoderik den Groote, zijn zoon Athalarik (onder het regentschap van zijn moeder Amalasuntha) en Theodatus of Theodahad; daarna de “Gotische oorlog” met de lange veldtochten van Belisarius en Narses, waarvan het einde de nederlaag en dood is van de koningin der Oost-Goten, Totila (Baduela) en Theia (553), en dan, gedurende vijftien jaar (553–568) de vestiging van de Byzantijnsche heerschappij in Italië, dat een tijdlang een diocese wordt van den Oost-Romeinschen Keizer, Justinianus.

De tweede periode, die wij in het derde deel zullen behandelen, begint met de Longobarden-heerschappij van twee eeuwen (568–774), een lange reeks jaren, die, behalve door enkele zeer belangwekkende persoonlijkheden en eenige vraagstukken over architectuur, bijna even somber is als de tijd die volgde op den inval der Doriërs in Griekenland. Ten slotte krijgen wij het verzoek om hulp van den Paus aan den Koning der Franken, gevolgd door de tusschenkomst en de heerschappij van de Franken en het zoogenaamde herstel van het West-Romeinsche Keizerrijk door de daad van Paus Leo III, die een gouden kroon op het hoofd van den Franken-koning, Karel den Groote, zette, toen deze, zonder iets te vermoeden (volgens sommigen) oprees van zijn gebeden voor de graftombe van den Heiligen Petrus te Rome.

I. Odovacar’s regeering (476–’93).

Inhoudsopgave

Het verhaal werd afgebroken bij de onttroning van Romulus Augustulus door Odovacar en op het einde van eerste Deel werd een schets gegeven van het latere leven van den onttroonden Keizer en ook een beschrijving van het vroegere leven van den barbaren-koning, die gedurende meer dan zestien jaar (hij stierf 15 Augustus 493) op den troon zetelde, ofschoon hij den titel of den diadeem van de Romeinsche Keizers niet aannam.

In Ravenna had de jeugdige Romulus Augustulus geresideerd en daar was hij gevangen genomen; daar vestigde ook Odovacar den zetel van zijn regeering. Het rijk, waar zijn regeering werd erkend, omvatte geheel Italië ten zuiden van de Alpen, en Rhaetia tusschen de Alpen en Donau. Het grootste deel van Sicilië werd na den dood van Gaiserik (477) ook aan hem onderdanig: maar de Vandalen behielden Lilybaeum en andere gedeelten van het eiland, evenals Sardinië en Corsica, terwijl aan gene zijde van de West-Alpen de Bourgondische Koningen de streek van de Rhône en Saône bezaten, de West-Goten geheel Spanje en het Zuiden van Gallië in hun macht hadden, en verder noordwaarts de Alemannen en Franken heerschten.

Zoodra Odovacar zich sterk genoeg voelde, zond hij een gezantschap naar den Keizer van het Oosten om zijn positie te bepalen en erkenning te eischen. Dit gezantschap was gemachtigd te verklaren namens den Romeinschen Senaat en en den vroegeren Keizer, Romulus Augustulus (wiens handteekening Odovacar zich blijkbaar had verschaft), dat het Romeinsche, of liever het Italiaansche volk besloten had, dat één Keizer voldoende was voor beide deelen van het Keizerrijk; en uit naam van Odovacar overhandigden zij Zeno de keizerlijke insignia—de ornamenta Palatii—den purperen mantel, den diadeem, de globe en schepter, met het verzoek, dat de Keizer den bestuurder van Italië den titel van Patricius zou willen verleenen.

Zeno antwoordde, dat zijn voorgangers, Leo I en de Keizerin Verina, twee Keizers voor de Romeinen hadden gekozen; den eene, Athemius hadden zij gedood, den andere, Nepos, verbannen; maar Nepos leefde nog en bestuurde zijn provincie Dalmatië. Derhalve moesten zij zich tot hem wenden met hun verzoek. Zeno schreef persoonlijk aan Odovacar en noemde hem “Patricius”.1

Men zal zich herinneren dat de val van Orestes, den vader van Romulus Augustulus, voornamelijk moet toegeschreven worden aan het feit, dat hij zijn soldaten geweigerd had een derde deel van het land van Italië te geven. Odovacar had den steun van het leger verworven door de belofte dit verzoek om land toe te staan, en nu moest hij dat doen. De bijzonderheden van dezen zeer belangrijken maatregel zijn niet nauwkeurig bekend, maar men kan met zekerheid aannemen, dat vele groot-grondbezitters verdreven en geruïneerd zijn en dat uitgestrekte, vruchtbare landen verdeeld zijn onder veteranen, die den grond gingen bebouwen. In andere gevallen stelden de nieuwe bezitters zich er mede tevreden als landheeren op te treden en de oude bezitters als pachters te gebruiken, terwijl zij waarschijnlijk den toestand der slaven verbeterden, die zij, volgens de feudale gewoonte in het Noorden, als leenmannen aannamen. Odovacar had, evenals Alarik en Athaulf en de groote Theoderik, diepen eerbied voor de staatsregeling van het Keizerrijk en was, naar het schijnt voor de uitvoering der wetten en het innen der belastingen geheel en al afhankelijk van de oude keizerlijke ambtenaren.

In 480 werd Nepos, die nog steeds erkend werd door het Oostelijke Keizerrijk, door zijn comites palatii (ambtenaren van het paleis) te Salona gedood. Odovacar werd aldus bevrijd van den eenigen mededinger, die aanspraak maakte op den troon van Italië. Hij had te Ravenna, dat nog steeds een prachtige haven bezat, een sterke vloot verzameld, om tegen de zeeroovers der Vandalen op te treden en om Sicilië te veroveren. Na den dood van Nepos stak hij de Adriatische zee over en annexeerde Dalmatië. Dit was natuurlijk een daad van openlijke vijandschap tegen Zeno en een schending van de integriteit van het Oost-Romeinsche Rijk; maar Zeno was niet in staat het te vergelden, daar hij werd bezig gehouden door gevaarlijke godsdienstige woelingen, die in het oosten, dat broeinest van sophistische leerstellingen, waren ontstaan; de patriarch van Alexandria was door fanatieken gedood. Deze conflicten in Constantinopel hadden een ernstig karakter aangenomen door Zeno’s welgemeende poging om de verbitterde tegenstanders te verzoenen—de Monophysieten (die verzekerden dat de menschelijke en goddelijke natuur van Christus in één vereenigd waren) en de zgn. orthodoxe partij. Gesteund door den patriarch Acacius had hij een brief uitgegeven, die bekend is onder den naam Henotikon (d.i. een poging tot verzoening), maar deze werd, zooals het met dergelijke pogingen meestal gaat, ontvangen met den heftigsten tegenstand, vooral van den kant van den Paus en de Katholieken te Rome, en een tijdlang verergerde dit slechts den ellendigen twist, totdat de zgn. orthodoxe partij de overwinning behaalde.2


15. Monastero del Sacro Speco, Subiaco.

Ofschoon Odovacar een Ariaan was, stond hij in dezen twist aan den kant van Paus Simplicius; maar toen de Paus in 483 stierf, beschouwde hij het terecht als zijn taak de onlusten, die gewoonlijk bij de verkiezing van een Paus plaats vonden, te voorkomen; hij liet door den Prefect het college der kiezers (toen nog niet beperkt tot de Kardinalen) bijeenroepen, en verklaarde, dat geen verkiezing van kracht zou zijn zonder zijn sanctie; en het was zijn candidaat, Felix II, die gekozen werd. Deze inmenging in Kerkelijke aangelegenheden wordt door sommige schrijvers met droefheid en verontwaardiging vermeld. Wel hadden de Keizers van het Oosten zich soms, niet alleen bij de verkiezing van prelaten, maar ook in het omschrijven en verspreiden van leerstukken gezag aangematigd; en te Rome had Honorius zelfs tusschen twee Pausen een beslissing genomen. Maar Odovacar was een barbaar en een Ariaan en zijn krachtige en voorspoedige politiek wordt gebrandmerkt als het begin van de lange en rampzalige veeten tusschen de wereldlijke aanspraken van de Kerk en de wettige macht van de Staat, terwijl Odovacar toch, wanneer hij op waardige wijze was opgetreden, geweldige slachtingen en wederzijdsche verbittering had kunnen voorkomen en den naam van het Christendom vrij had kunnen houden van de smetten, die de godsdienstige vervolgingen en de oorlogen, gevoerd in naam van het Evangelie des vredes, er op geworpen hebben.

De waarheid is, dat op de ruïnen van het Keizerlijke Rome onder den naam van Pauselijk gezag een nieuwe politieke macht oprees—in naam geestelijk, maar inderdaad wereldlijk van aard en in haar idealen—die, daar zij als bondgenoot het godsdienstige en zedelijke gevoel van den mensch opeischte en gewapend was met alle wapenen, die het bijgeloof verschaft, in staat was zich eeuwen lang tegen het hoogste burgerlijke gezag staande te houden. Hierin verschilt het Christendom geheel en al van den Islam, waar dadelijk het hoogste geestelijke en het hoogste burgerlijke gezag in één persoon werden vereenigd; want, welke andere slechte gevolgen een dergelijk systeem ook had, op deze wijze kon een zuiver geestelijke invloed nooit ontaarden in een staatkundige instelling, wier hoofddoel was het verwerven van wereldlijke macht en die aldus in botsing kwam met het wettige, burgerlijke gezag.

Ondanks Odovacar’s verstandige regeering, ondanks zijn pogingen om de nadeelen van het groot-grondbezit (latifundia), waaraan Plinius de Oudere den ondergang van Italië toeschrijft, te verhelpen, schijnt de toestand in vele streken van zijn koninkrijk droevig geweest te zijn. Zoo lezen wij in een brief van Paus Gelasius (492) dat in Toscane en Aemilia en de andere provincies “nauwelijks één menschelijk wezen bestaat”—hominum prope nullus exsistit. In Rome was ook de werkende klasse—de stadswerklieden en de scholae van schilders, bouwlieden, geneesheeren enz.—in een toestand van armoede en verwaarloozing gekomen, waaruit zij later met moeite voor korten tijd door Theoderik werd opgeheven.

Ongeveer 486 gebeurde, hetgeen blijkbaar de onmiddellijke oorzaak werd van Odovacar’s nederlaag. In Noricum was de heilige kluizenaar Severinus (p. 102) gestorven en het land was weder tot anarchie vervallen. De woeste Germaansche volksstam van de Rugiërs, die in het tegenwoordige Moravië en Zuid-Bohemen woonde, greep, waarschijnlijk aangespoord door Zeno, de gelegenheid aan om Zuidwaarts op te rukken en het land te plunderen en te verwoesten. Odovacar trok de Alpen over met een groot leger van barbaren en Italianen, versloeg de Rugiërs in Noricum, achtervolgde hen over den Donau en nam hun koning gevangen. Maar de zoon van den koning ontsnapte en vluchtte naar de Oost-Goten, die toen in de streek tusschen Noricum en Dacië gevestigd waren, het land van de Save en de Drave, dat zich noordwaarts tot den Donau uitstrekt. De hoofdman van deze Oost-Goten was Theoderik de Amaler, een man van ongeveer 32 jaar. Zeno, die Odovacar wilde onderwerpen en de onbeschaamdheid van de Pausen beteugelen, zette Theoderik aan tot een inval in Italië. De smeekbeden van den jongen vorst der Rugiërs deden Theoderik besluiten Odovacar aan te vallen.

Dit deed hij, zooals het heette, volgens opdracht van den Keizer in het Oosten. Hij had den titel “Patricius”3 verworven en had onder zijn bevel een keizerlijk generaal (magister militum) en andere Keizerlijke ambtenaren (comites, comtes, counts, graven). Zijn doel, dat hij niet verborgen hield, was den usurpator of “tyran” aan te vallen en Italië voor het Keizerrijk te heroveren.

Gedurende den herfst, winter, en lente van 488-’89 trokken geweldige benden van verschillende volkstammen, doch voornamelijk van Oost-Goten, te zamen waarschijnlijk 200.000, met ongeveer 50.000 krijgslieden, onder aanvoering van Theoderik de Alpen over; zij begonnen hun marsch bij Aemona (Laibach) en namen denzelfden weg als Theodosius, Alarik en Attila hadden genomen. Aan de rivier de Sontius (Isonzo) bij Aquileia en daarna aan de Athesis (Adige) bij Verona werd slag geleverd; Odovacar werd gedwongen terug te trekken, doch ook de Goten leden zware verliezen, en Theoderik trok, in plaats van zuidwaarts over de Apennijnen, naar Milaan en sloeg zijn kamp op bij Ticinum (Pavia). Toen haastte Odovacar zich (volgens sommige schrijvers) naar Rome, maar vond de poorten gesloten. Hetzij dit gebeurde of niet, zeker is het, dat na de veldslagen in Noord-Italië de Romeinsche Senaat en de geestelijken voorstellen deden aan Theoderik, want Odovacar had in de laatste jaren groote verbittering verwekt door de Kerken te plunderen om zijn troepen te betalen. Sommige schrijvers spreken ook van het overloopen van Tufa, Odovacar’s magister militum, naar Theoderik; maar het schijnt, dat Tufa dit slechts geveinsd heeft en erin geslaagd is een aantal Goten van Theoderik naar Odovacar’s kamp te brengen. In ieder geval zien wij dat Odovacar zich krachtig staande houdt in Noord-Italië—hij bezet Milaan en met hulp van Bourgondiërs, die hij heeft ontboden, dwingt hij Theoderik binnen de muren van Ticinum te blijven, waar de geweldige massa’s menschen veel te lijden hebben van gebrek aan ruimte en voedsel.

Maar in deze moeilijke omstandigheden (490) kwamen de West-Goten uit Gallië hun stamgenooten te hulp en Odovacar leed bij de Adda een verpletterende nederlaag. Hij trok terug naar Ravenna, dat weldra door Theoderik van de landzijde belegerd werd. Maar de haven gaf vrijen toegang tot de zee, daar de Goten geen vloot hadden, en wegens de moerassen en sterke wallen kon Ravenna niet gemakkelijk bestormd worden. En aldus werd Theoderik, ofschoon hij overal elders in Italië als heer werd erkend, drie jaar lang getrotseerd4 door de stad, die later de hoofdstad van zijn koninkrijk werd en nog steeds zoo nauw aan zijn naam verbonden is.

Eindelijk, in het begin van 493 werd Odovacar gedwongen te capituleeren, want de Goten hadden zich meester gemaakt van de zeevesting Rimini en genoeg schepen verzameld om Ravenna ook te blokkeeren. Wij weten niet veel van deze capitulatie, behalve dat Odovacar’s leven gewaarborgd werd. Toch werd deze voorwaarde geschonden, want ongeveer drie weken later noodigde Theoderik zijn gevangene uit tot een feestmaal in het Paleis van den Raad, dat volgens een ouden schrijver in het Zuid-Oostelijke deel van Ravenna was (waarschijnlijk het gebouw, dat nu nog het Paleis van Theoderik genoemd wordt) en liet hem bij zijn aankomst dooden; of misschien volvoerde hij de bloedige en verraderlijke daad zelf; éen kroniekschrijver toch verzekert dit, en geeft bovendien de dramatische bijzonderheid, dat Theoderik, toen zijn zwaard het lichaam van zijn slachtoffer van de hals tot de lendenen in tweeën kliefde, zich omkeerde en grijnslachend mompelde: “Het ellendige creatuur schijnt geen beenderen te hebben.”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
819 s. 100 illüstrasyon
ISBN:
4064066400484
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar