Kitabı oku: «Thomas More: Een treurspel in verzen»
Henriette Roland Holst-Van der Schalk
Thomas More: Een treurspel in verzen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401955
Inhoudsopgave
EERSTE BEDRIJF
TWEEDE BEDRIJF
DERDE BEDRIJF
VIERDE BEDRIJF
HISTORISCHE AANTEEKENING OVER THOMAS MORE
EERSTE BEDRIJF
Inhoudsopgave
Het terras van More’s paviljoen te Chelsea.
More, Grynæus, Margreet, Dance, Mercy, later William en vrouw Else.
GRYNÆUS Heer Thomas, nauw terug van overzee
drijft mij een drang dit liefgeworden huis
dat ik zoo vaak droombetrad, na een dag
van lang verlangen, weder te betreden
wakend, en mij in werk’lijkheid te laven
aan uw oneind’ge heuschheid, aan dit leven
van scherts-doorweven ernst, geluk’ge arbeid
waar droombegooch’ling mij hongrig naar liet.
MORE Gij zijt mij welkom als weleer, Grynæus,
en gelijk mij ben ’k zeker al de mijnen.
Vindt g’ ons in andren staat weer naar de wereld
dan g’ ons verliet,—pronk en praal zijn gevloden,
maar blijheid zingt naar d’ ouden trant door ’t huis.
(tot Margreet) Niet waar, mijn lust?
MARGREET Het is een heerlijk leven
dat wij nu leiden: ik voor mij begeer
geen ander, ook het oude niet terug.
GRYNÆUS Margreet, hoezeer gelijk hebt ge!—Ge weet
ik ging, om in Italië mij te laven
aan de eedle bron, die daar rijk’lijk welt:
de kennis der latijnsche en grieksche spraken,
waaruit het schoon en diepzinnig gelaat
ons tegenlacht van de wijsheid der ouden.
Aan menig hof wijlde ik waar een grootmoedig vorst
wedijv’rend met de vorsten zijn geburen
een schaar van uitgelezen geesten hield
verzaâmd; hun roem verhoogde zijnen luister
meer dan het stoutst wapenfeit. O hoe klein
maakte mij hun diepwort’lende geleerdheid:
ik kroop weg onder haar machtigen boom!
Ja en ook vrouwen vond ik, stralender
van vernuft dan de kostbare gesteenten
die heerlijk flonkerde’ om hun zwanenhals.
Veel leerde ik van hen, veel heb ik genoten:
parelend schenkt daarginds, uit gulle tuiten
het leven gulpen van genot.... ik wijlde
gaarn’ in ’t gezegend land!
Maar nergens vond ik, gelijk onder u,
den stroom vernuft beglansd door ’t milde schijnsel
van teederheid van hart, en nergens vond
ik den boom weten als bij u geworteld
in diepen levensernst. En vraagt ge mij
wat m’ ontbrak in het schitterend Italië:
ik vond geen mensch, bij wien ’k gansch mensch kon wezen;
een man gelijk uw vader vond ik niet.
DANCE Die is ook niet te vinde’ op ’t wereldrond.
MORE (Schertsend tot zijn dochters)
Ei hoor, wat hoofsche wendingen zijn tong
in ’t zuidland leerde, om een oud man te loven.
GRYNÆUS Heer Thomas, niet uitheemsche hoofsche zede,
mijn hart leerde aan mijn tong uw lof. Vergun
nu allereerst dat ik u overbreng
minnigen groet van veel vereerde mannen
uit de landen die ik bezocht.
Niet vele hunner hoorden ooit uw stem
als ik haar hoor, en zage’ uw aangezicht
als ik het zie zich tot hen overbuigen,
maar alle kennen u en hebbe’ u lief.
Een broeder rekenen de oud’ren u,
de jongeren een wijzer vriend;
en om met die u ’t waardst is te beginnen:
Erasmus zendt u teed’ren broedergroet.
MORE Hoe vaart mijn lieve vriend?
GRYNÆUS Gelijk hij plag;
wel hebben ziekte en ouderdom hem bij
de hand gevat, en onbarmhartig sleuren
zij hem tusschen zich in omlaag naar ’t graf:
zijn uitgebloeide lijf ontkomt hun niet.
Maar over den geest hebben zij geen macht!
die stuurt de felle straal van wetenschap
en ’t kleurig vonkensproeisel van vernuft
uit als weleer, lustig en onverzwakt.
O een feest is het te zien hoe zijn spot
slingert den brand in die damme’, opgehoopt
door d’ eeuwen: domheid, onverstand, vooroordeel,
bijgeloof, en ze opgaan doet in asch.
MORE Jammer maar dat uit die asch tot nieuw leven
de domheid weer herrijst....
Ja bleef alles wat Erasmus versloeg
met geestespijle’, ook dood, ja dan... Ge vondt hem
in Freiburg? Hij mijdt Bazel nog?
GRYNÆUSHelaas....
o vergun dat ik gelijk vroeger spreke
tot u vrij-uit, heer Thomas.... ik kan niet
’t verschelen tusschen ons wegdekken met
glad mozaïek van levenlooze woorden....
Ge weet hoe ik hem hooghield, hoe vereerde....
ons geslacht vond, opgroeiend, voor zich uit
het spoor van zijne glanzende gevechten
tegen ’t bederf der kerk, en volgde het.
En waar ’t ophield, gingen wij verder, met
Luther, met Melanchton, met Zwingli, verder
tot de klare onherroepelijke daad.
Zij is zijn werk, zijn werk is de hervorming;
hij leerde ons niets schuwen, niets ontzien.
O zeg niet neen; gij kunt het niet bestrijden:
wij ketters zijn de zonen van zijn geest.
Waarom verloochent hij ons dan? Waarom
vlood hij uit Bazel; verbrak, een oud man,
en ziek’lijk, langgewende levensplooi;
verliet verknochte vrienden, de stad waar
een elk vol liefde en eerbied aan hem hing,
elk kind hem groette met vertrouwelijk ontzag?
Ziet: gij hebt u tege’over ons gesteld
en stut de oude kerk met uw vermaardheid;
het doet ons leed, ’t verdriet ons: ’t grieft ons niet.
Maar grievend is zijn dubbelzinnigheid,
zijn angstig poge’ een evenwicht te vinden
tusschen twee machten die elkaar bespringen
als vuur en water.... Reeds gaat tusschen ons
als een gangbare munt dit bitter oordeel:
Erasmus denkt gelijk met de hervormden
maar durft niet doen gelijk hij denkt.... Vergeef
zoo ik u krenkte.... ’k had dit best verzwegen...
gij kent mijn heete gallisch bloed....
MORE Niet krenkte,
bedroefde wel. Het smart mij diep, mijn zoon,
u weer te vinden nog verstrikt in ’t net
van ketterij.... Maar eigen wil vermag
niet meer ons te brenge’ aan den voet der waarheid
dan de magneet het schip stuurt door zijn kracht.
God zette u vrij. Ik wil door ’t welkom zoet
van samenzijn te lang ontbeerd, niet mengen
de gal, die twistgesprek altoos ontdruipt.
Maar van Erasmus moet ik een woord spreken,
dat ge uw onrecht ziet. Niet vrees houdt hem
van de hervormden ver, maar zijn geweten.
Hij wil één kerk, vernieuwd aan hoofd en leden,
geen breuk, geen scheuring in de christenheid.
Hij heeft geleefd om haar dreige’ af te wenden;
gestreden, om de kerk te zuiv’ren. Dat
hij faalde is niet zijn schuld, maar schuld zou ’t wezen
zoo hij zijn welgewogen wil verliet
en zich meesleepen liet om te verzamen
met hen wier doen hij niet goedkeuren kan.
Hem rest niet anders in zijn oude dagen
dan partij te maken voor zich alleen.
Denk welk een moed het vergt om dit te doen,
tot mikpunt, dag aan dag, te dienen voor de
pijlen, gedoopt in ’t gif van hoon en laster
die spijtigheid afschiet op u! Veel lichter
ware ’t, te neigen naar één zij, te geven
gewonnen zich, aan wie zoo zoetjes vleien
„kom bij ons”, te schuilen in de bescherming
van bondgenootschap—maar het mag niet zijn.
Zoo leeft hij dan vereenzaamd, fel bestookt
van beide zijden, vogelvrij, maar ook
vrij van inwendig wrijten, ’t deel van wien
samengaat met zoodaan’gen, wier weg hij
niet gansch kan loven.—Ziet hem nu uw denken
in milder licht?
GRYNÆUS In mij strijden ’t oude met
het nieuw gezicht en maken mij verward.
Maar ook uw rede knoopt vast om mijn denken
een band dien ik zelf niet losmaken kan.
Gij looft Erasmus, dat hij tusschen beide
partijen staan blijft.... en gij koost partij....
MORE Wij zijn gevormd uit and’re stof.... en leven
drong ons op andre banen. Niet aan elk
stelt het de groote vraag op d’ eigen wijze,
niet voor elk blinkt in zijner lijnen wirwar
dezelfde als die der plicht. Had Erasmus
gestaan voor mijne keus, ik meen hij had ge-
kozen als ik.... maar dit zijn ijdle woorden....
Wist hij toen ge hem ’t laatst bezocht, dat ik
des konings dienst verlaten had? Sprak hij
met u daarover?
GRYNÆUS Toen ik hem verliet
had nog de tijding Freiburg niet bereikt;
wel het gerucht dat ge in de zaak van ’s konings
huw’lijk den vorst weerstreefdet. Toen Erasmus
dat vernam, pelde zijn scherpzinnigheid
dra het gevolg uit den bolster der oorzaak:
hij voorzag uw besluit.
MORE En keurde ’t goed?
GRYNÆUS Hij sprak er van, behoedzaam,
afwegende het voor en tegen, zóó
dat ik nauw merken kon, naar welke zij de
schaal van zijn oordeel overwoog. Hij loofde uw
onbuigzaam wezen met zinrijke en
hartgrond’ge woorden, makend mij den prijzer
haast even lief als den gepreez’ne. Maar
dan weer sprak hij van de noodzaak’lijkheid
voor wie in ’s levens raderwerk wil wezen
een wiel, om het beweeg van zijnen wil
zóó te reeg’len dat geen geduchter rad’ren
hem brijz’len, botsend tegen hem. Hij roemde
uw taak: de plecht der koninklijke macht
richten naar wat’ren van vrede; de scherpe
haken der heerschzucht met de wol omwinden
van matiging.... en zoo, veel kwaad voorkomen
dat anders vast geschiedde. „Laat,” sprak hij,
„More in de zaak van ’s konings huw’lijk niet
te vast zich klampen aan zijn meening.... Moge
zij juist zijn, hij moet tot het uiterste
niet gaan; hij is verplicht te denken aan de
gevolgen van zijn daad: valt hij, zoo worden
wij humanisten alle ontkrachtigd, onze
invloed krijgt in alle landen een knak.
Men moet ook wete’ iets toe te geven: laat hij
ditmaal doen ’s konings wil.... een andermaal
kan hij met te meer klem de teugels korten
en vindt volgzamen zin.”....
MORE Onnoozel kind....
En dat zegt mijn scherpzinnige Erasmus!
Hij weet niet dat wie achter koningsluimen
aandraaft, te land komt in den diepen kuil
der machteloosheid, en daar liggen blijft:
’k herken in den raad zijn plooibaar gemoed
dat tot het laatst beproeft vreê te bewaren,
te verzoenen wat onverzoenlijk is.
Hij meester in den woordenstrijd, schuwt strijd
die uitgaat boven het gewar van woorden
tot naakte klippen van de daad.—Mijn vriend,
ge draagt zijn meening met veel warmte voor:
ge deelt haar wel?
GRYNÆUS ’t Past mij niet, uit te spreken
wat ik zou voelen als een oordeel over
een, dien ik boven alle menschen eer.
Maar ik erken, dit weegt voor mij wel zwaar:
—heeft zeker ook u zwaar gewogen, Morus—
wij humanisten reek’nen ’t onze taak
om het heil dat nu opborrelt uit klare
en lang-gestremde wellen, te doen stroomen
over de wijde levensvelden, zoo
die voorbereidend eens een oogst te dragen
van menschlijk-milde, broederlijke zeden
nietwaar? Maar wij kunnen die welle’ alleen
heenleiden waar ze ’t menschezijn bevruchten,
door de rotssteen der vorstelijke macht.
Door dat graniet moeten wij een weg banen
onzen droom naar het land der daad. Daarom
is het veel waard, meen ik, eens konings vriend
en zijn raadsman te wezen; het te blijven
ook offers waard.... het moeten gronden zijn
stijgend uit de diepten van het geweten
die ons loslaten doen, als onze harten
eenmaal vastgrepe’ eens konings hart....
MORE Geef mij
uw hand, Grynæus: ’k denk als gij. Uit diepten
van het geweten kwam de stem die ik
volgde, toen ik mij van den koning wendde.
Hij zette zijn voet op donkere paden;
ik kon hem niet weerhouden: hem verzellen
wilde ik niet.—
En zoo vindt g’ons terug, aan wereldsch goed
verarmd, van menigeen verlaten die
onzen voorspoed omzwerfde als de vlinder
kleurige kelk tot hem de bui verjaagt;
en vindt ons vergenoegd en vredig levend
voor elkaar, de zoetste gaven des levens
genietend met een onbekommerd hart.
Zoo dienaren ontbreken, onze handen
bezorgen fluks het werk en geen lakeien
reppe’ als onze voeten zich vóór ’t bevel.
Kauwend roemen wij ’t zwarte brood, dat maakt
de tanden blink-wit en geurig den adem—
nietwaar kinderen? Ik voor mij betreur
niets van het oude zorgbezwaarde leven,
en de lang ontbeerde lucht der vrijheid
adem ik in verrukt.
MARGREET Wij voele’ ons één in liefde en alle dingen
zijn tusschen ons gemeen: ik bid tot God
niet anders, dan dat hij het late blijven
gelijk het is.
MERCY Neen, niet betreur ik weelde
of pronk, maar dat men menig arme nu
wegsturen moet, die gewend was te vinden
zijn nooddruft hier....
DANCE En menig trouw dienaar
wiens goed’ge kop sinds onze prille jaren
ons toelachte op de trappen van het huis,
verdwenen is.... de arme nar!
MORE Hij vond
een goeden meester, kind.
DIENAAR (treedt binnen) Heer Thomas, de
bisschoppen van Winchester, Bath en Kent
verzoeke’ een onderhoud. Zij hebben, zeggen
ze, u hun bezoek gemeld.
MORE Zeg dat ik kom.
(tot de vrouwen) Houdt vast den lieven gast, dat ’k hem weervinde;
(tot Grynæus) ik moet nog veel vernemen. (Af.)
MERCY (verschrikt) Wat beteekent
dit hoog bezoek?
DANCE Bisschoppe’ en groote heeren
sleten den drempel van ons huis niet af
in ’t laatste jaar.... hunne voetstappen wekken
in onze harten vrees....
GRYNÆUS Wat scheelt u Dance?
Vrees waarvoor? Wat verschrikt u? een oud vriend
moet alles weten....
MARGREET Ge zult alles hooren,
Simon, maar zeg mij eerst: hoe dunkt u vader?
Vindt ge hem anders, dan hij placht te zijn?
GRYNÆUS Hij is nog milder, maar iets minder blij.
’t Is of zijn oude speelschheid breekt door waas
van weemoed heen, als zon door fijne nevel....
’k zag om zijn mondhoeken een trek gegroefd
die daar niet was, toen ’k hem, nu voor twee jaren
verliet in de beslom’ring van het ambt....
Maar zijn voorhoofd is even klaar.... nooit zag ik
zulk een milden glans over een gelaat
als heldert soms over uws vaders aan-
gezicht, Margreet.... ’t zweemt naar de gulden klaarte
die d’oude heilgen in Italie dragen
op ’t blank gemaald gelaat.... maar toch weer anders:
niet hemelsch, van boven-af neergezegen;
—neen aardsch, van binnen-uit....
MARGREET (nadenkend) Het is het hart
dat uit zijn wezen straalt, Grynæus; ’t wijd-
open meegevoel voor het lot der menschen
geeft hem die milde glans. Maar wat mij maakt
bezorgd, ’t zijn d’ enk’le nieuwe groeven niet
door kommers hand onbarmhartig gesneden
langs ’t liefst gelaat.... Er is iets anders, er
is een verand’ring, zoo fijn, in zijn wezen,
dat woorden haar niet vatten kunnen, toch
zoo klaar, dat ik niet twijfel.... In de dagen
dat hij het kanseliersschap neerlei, kwam
ze over hem.... eerst een gespannen droefheid
die zijn trekken verhardde.... en toen.... dit.
Het groeide door zijn ernst.... meest door zijn glimlach,
zooals door ’t klare goud van najaarsdagen
langzaam de ijlheid van den winter groeit.
Och, d’ oude schalksche glimlach, als bedauwd
van levenslust, speelt om zijn lip niet meer;
een andre nam zijn plaats, onstof’lijker....
het is of hij de poort des levens achter
zich sloot, en ons toelacht van gene zijde,
niet meer bewogen als een sterveling....
Ik ben zoo bang, Grynæus....
GRYNÆUS Maar waarvoor
Margreet? uw vader trad uit ’s konings dienst....
hij is toch veilig?
DANCE Och vriend, laat ons de
zwaarte een weinig uitstorten, die ons drukt....
Wij kunnen het zoo schaars.... Wij willen vader
niet kwellen met onze bezorgdheid, binden
ons voor hem een blijmoedig masker voor....
dat is hem ’t liefst.... Moeder is krank: het treuren
over het oude verstoort haar gemoed;
zij wrokt dat vader liet tusschen zijn vingers
rijkdom en aanzien glippen, of het waren
kralen van glas.... zijn hooge zin blijft haar
gesloten.... u heugt hoe zij placht te wezen
niet waar?
GRYNÆUSJa, ge zijt niet haar kind’ren.... vaak
heb ik gepeinsd, hoe uw eigene moeder
geweest moet zijn.... Maar verhaal mij nu waarvoor
ge zijt bevreesd.
DANCE Vader is in gevaar.
De nieuwe koningin vergeeft hem niet
dat hij haar huw’lijk dwarsboomde en den koning
afried van haar.... Zij is trotsch en wraakzuchtig:
Hendrik volgt haar wil, als het schip het roer.
GRYNÆUS Maar hoe dwarsboomde uw vader haar huwelijk?
’k meende dat hij terugtrad uit het ambt
om t’ ontgaan een openlijk zich verklaren
tegen zijn vorst en toch zichzelf te blijven
getrouw.
MARGREET Zoo is ’t ook, Simon, maar de koning
hoopte met hulp van mannen van gezag
’t nietig verklaren van zijn eerste huw’lijk
t’ omgeven met een valsche glimp van godlijk
en menschlijk recht. En bove’ alle andre namen,
was vaders naam hem waard, om ’t dubb’le stralen
van zijn groot wete’ en zijn onkreukbaarheid.
O vriend, wat laffe kruipers zijn de meeste
menschen, zijn al die hooggeleerde raadsliên
waartoe mijn jeugd zoo schuchter opzag.—Hebt ge ’t
niet gehoord: negen universiteiten
van Eng’land, Frankrijk, Italië verklaarden
de scheiding geldig naar kerkelijk recht....
De vreemden gaven ’t laf getuigenis
voor goud—de pen waarmee mijn landsliên schreven
was gedoopt in de witte verf der vrees.
O ’k heb een harde les
geleerd: ik leerde menschen te verachten
die ’k had vereerd.... Zij, die achtbaren, wijzen,
wier taak het was, met kennis’ vlammend zwaard
den driesten aanrander van heil’ge wetten
terug te drijven, braken ’t zwaard aan stukken
toen hij ’t beval....
GRYNÆUS Ja, de meeste geleerden
deugen voor mart’laar niet, dat ’s vast. Maar uw
vader, Margreet?
MARGREET De koning gaf hem last
de goudgekochte en afgeperste adviezen
voor te lezen aan ’t parlement, om zoo
de meening te doen sijp’len in de harten
als druppels gift „Morus is voor den koning”
en de kiemen van ’t verzet te ontkrachten
dat opkwam hier en daar.
Dat waren donk’re dagen, vriend! ’k zag vader
nooit, gelijk toen, met zich zelven in strijd.
De wolk tusschen zijn brauwen trok niet op;
zijn strakke, naar binnen gekeerde blik
scheen geen onzer te zien. ’t Huis was verduisterd.
Maar op een morgen kwam hij thuis met d’ oude
teedere schalkschheid trillend om zijn mond,
streelde ons en kuste ons, en vertelde ons schertsend
„gij zijt niet meer de kind’ren van mijnheer den
rijkskanselier, maar die van mijnheer More.”
Dien eigen avond riep hij ons bijeen
hier op ’t terras, en met eenvoud’ge woorden
sprak hij ons toe, vroeg onze steun en hulp,
vermaande ons zacht tot moed en eendracht, beurde
ons hart zóó op, toonde ons ’t stroef gelaat
van armoe, nu nabij, zoo schoon-eerwaardig,
dat wij in liefde ontbrandden tot haar.
Wij weenden zoete tranen. Sinds dat uur
hebben onze vijf gezinnen geleefd
als één gezin, en niemand onzer heeft meer
iets zijn eigen genoemd....
GRYNÆUS Ik moet veel hooren
van deze zachte zede die u bindt,
maar laat mij eerst al uw zorgen meedragen:
wat wil de koning meer, dan dat uw vader
niet openlijk tegen hem staat?
DANCE De koning
zou zich hiermee misschien tevreden geven,
maar Anna nooit.... Zij gunt dit vredig leven
aan vader niet,
zij wil hem vernederen en vernielen....
ik zie haar haat loere’ uit de schaduw-nissen
van het paleis, omspinnen onze woning
met boos beraad.... In net van donk’re logens
wordt vader ingesponnen; schandelijke
verzinsels trekt men samen om zijn hoofd.
Hem, die ieder geschenk met zachten drang
weder toeschoof den schenker, dat geen spatsel
zou ’t kleed zijner onkreukbaarheid bevlekken,
beschuldigt men....
GRYNÆUS Van omgekocht te wezen?
Hem, Thomas More? Geen mensch die het gelooft.
Is dat uw zorg, Margreet?
MARGREET O was het dat alleenig!
Laster in alle soorten draagt men aan!—
Wie is als hij verdraagzaam? Leerde hij ons
dit denken niet: ’t recht geloof is genade,
geen verdienste, geen vrucht van eigen wil;
ketters moet men beklagen, men moet trachten
ze te genezen van hun slecht geloof
door voorbeeld en betoog; ze te vervolgen
is ijdel—en behaagt niet God. Nu heet het
dat vader ketters aan den lijve strafte om