Kitabı oku: «Diamantstad»

Yazı tipi:

Herman Heijermans

Diamantstad


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311018

Inhoudsopgave

Tweede Druk. Amsterdam.—S. L. van Looy. 1906.

Begeleidend Woord, Eerste Druk.

Begeleidend Woord, Tweede Druk.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII .

IX

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

Tweede Druk.
Amsterdam.—S. L. van Looy. 1906.

Inhoudsopgave

Typ. Firma Ruijgrok & Co.—Haarlem.

Begeleidend Woord, Eerste Druk.

Inhoudsopgave

Van het eerste deel van dit groote stads-verhaal verschenen fragmenten in 1898–1899. Bij het gereedschrijven in 1903 heb ik deze omgewerkt en verbeterd. Het leek onwenschelijk—immers afmattend voor den lezer—verklaringen van het bargoensch te geven.

Heijermans.

Katwijk-aan-Zee, Maart 1904.

Begeleidend Woord, Tweede Druk.

Inhoudsopgave

Schrijver van dit werk—tegenstander van Inleidingen—begeeft zich opnieuw, met weerzin, in eene verklaring.

De tijd zou er buiten kunnen, buiten moeten, als het lezend publiek van de verhouding van beoordeelden en beoordeelaars weet had.

Over Diamantstad moet heel wat betoogd zijn, zelfs proza, zelfs onwelriekends.

Zij, die het verhaal (géen roman) door de plotselinge betreding der diamantbewerkers-sfeer, in zijn boekvormpublikatie stuitten (Verg. de hierboven genoemde jaartallen) moeten, om de aandacht eener unfairheid af te leiden, ’t hardst geschetterd hebben.

Het is noch tegen dierbaren, noch tegen een bepaald geval, noch tegen den algemeenen geest-van-verwording in de letterkundige aanschouwing van dit land, dat deze inleiding gesteld wordt.

In littérairen zin van de gemoedelijkste onverschilligheid, onbereikbaar voor de gevreesden-van-vandaag, de goden met den eenen voet in de eeuwigheid, den anderen in ’n krant, meenen we dat onze période-van-zwijgen nog niet geheel is gekomen, vooreerst niet komen kan.

In de groote pers geen gastvrijheid vindend, om onze overtuiging uiteen te zetten, doodgezwegen of met ’n handigheidje terzij-geschoven, achten we het zeker nuttig vermaak de drukken en herdrukken der eigen schrifturen van een polemisch allerlei te voorzien, hetwelk hier en daar ’n lezer, niet door lieve vrienden voorgelicht, tot meditatie van ook ònze bedoelingen, kan verschalken.

De vergissing van den sociaal-demokratischen auteur in het bijzonder, is zijn geloof aan een eigen, wel-doordachte, wils-rijpe levenslijn.

’t Eerste ’t beste liberaal lidje van ’n gemeente-raad of van de Kamer—tijdgenoot, van huis-uit merkwaardiger dan ’n auteur—heeft het recht tegen onjuiste opvatting van zijn argumenten over riooleering en verlichting, in Raads- en Kamer-overzicht, protest aan te teekenen.

Een auteur, niet in deze dadelijke belangen-richting werkzaam, wordt als een onmondig beestje behandeld.

De zaak heeft hare tragische zijde—voor hen, die de schrijver meende te helpen.

Een voorbeeld uit vele:—het Spel-van-de-zee Op hoop van zegen vestigt op “zekere misstanden” de publieke aandacht, anno 1899. Bezadigd aan, na mudden vuil, kolommen laster, daagt eene gedeeltelijke kentering, eind 1906. Hulde!

Sinds 1898 worden fragmenten uit het groote-stadsverhaal Diamantstad, zonder rillerige bedoeling van epos, romantiek, literatuur gepubliceerd—’n auteur, enkel gegrepen, ontroerd door misdadige ellende, praat met zijn Gemeenschap.

De littéraire hommels snorren toe, kwijlen over een “roman”—kleeden den kouter tot over z’n navel uit—geen hand komt voor de aangeduide schande in beweging.

Vleesch-geknoei in Amerika—ah, ’n gruwel—afgehakte vingers geconserveerd—om ’t te besterven!

Maar de woning-ellende, de degeneratie-door-armoede, de heenrotting van dicht-bije medeburgers, wien interesseert dat, als ’n zin zich onkuisch voordoet, als ’n beschrijving epischer te geven is, als ’n parabool mishaagt?

Welk een minderwaardige tijd is de onze.

Jammer en smart worden tot leesbare, liefst dikke boeken, ter eere eens ijdelen schrijvers verkneed—en ’n “verhaal” dat met verbittering het gewonde leven omhoogstuwt, wordt door ’t gejenk-over-kunst den zwakbeenigen lezer tegen-gemaakt.

Waren sommige hoofdstukken van dit boek niet uitermate geschikt, om in synagogen en be-kruiste kerken van den kansel te worden gelezen—of, na het gebed in den gemeenteraad—of, bij de uitvaart van ’n armen, in zorgen gestikten jood?

Moeten we àllemaal dienen voor in kunst barstende krante-kolommen?

De levenslijn des auteurs.

Mei 1898—de schrijver van Diamantstad houdt waarlijk geen oratio pro domo, nà wat ongure aanvallen—had in het tijdschrift De Jonge Gids eene polemiek met den heer L. van Deyssel, die zich loffelijk over verschenen fragmenten had uitgelaten, plaats.

Men pleegt zelden tegen verheugende beoordeeling op te komen—de auteur-mèt-zijne-levenslijn verdedigde zich, wilde niet aanvaarden.

O.m. en ongeveer schreef hij het volgende:

WelEdgeb. Heer Van Deyssel,

In de voorlaatste aflevering van het “Tweemaandelijksch Tijdschrift”, is U zoo vriendelijk op meer dan welwillende wijze over den arbeid Diamantstad, dien ik in De Jonge Gids begonnen ben, te spreken. Het was mijn voornemen U naar aanleiding van door U gebezigde uitdrukkingen, eenige vragen te stellen. Bezigheden hebben dat tot heden belet—er was geen buitengewone spoed bij. U schrijft:

“Het feit dat dit (de gepubliceerde hoofdstukken) uitmuntende literatuur is, zou het zeer onaangenaam doen vinden als het gevaar voor ondergang van een inderdaad groot talent bleef voortduren door veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie”...

Veroorloof mij op te merken, dat het qualificeeren van de beschrijving der toestanden, der werkelijke toestanden in een stadsdeel van Amsterdam—van toestanden zoo gruwelijk en schandelijk, dat zij alle daden van wanhoop zouden rechtvaardigen—tot “uitmuntende literatuur” een lof is, die mij pijnlijk heeft aangedaan.

Het zoo formuleerend, doet U wel zeer scherp uitkomen het verschil dat er in onze aandoeningen bestaat.

Ik vermeende een déél der ellende te beschrijven—gij kijkt over die ellende heen, vermeidt U in de “uitmuntende literatuur”, op die gruwel-toestanden geinspireerd.

Ik herhaal: die woorden hebben mij gehinderd en eene gedeeltelijke ontnuchtering gegeven.

Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand tegen verdrukking, om—zoo de uiting door wat men een “kunstenaar” noemt, plaats heeft—als literatuur te worden verstikt.

Aan dat noodlot heeft U mij welwillend herinnerd.

Gij zegt dat gij het zeer onaangenaam zoudt vinden, als voor den auteur in quaestie “het gevaar voor ondergang door veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie bleef voortduren”, nadat gij even te voren volkomen terecht opmerkt, dat hij tot 1896 niets van waarde publiceerde.

De door U besprokene breekt Augustus 1896 met zijn baantje, als tooneel-recensent, in dienst der zich vermakende bourgeoisie. Van af dien datum tracht hij in de allereerste plaats voor degeen die het noodig hebben, voor zichzelf in de laatste iets te zijn. Gij let nu wel op dat hij na 1896 “literatuur” geeft, begrijpt evenwel niet de oorzaak.

Waarom zoekt gij niet de schuld van dat tot 1896 impotent zijn bij de omstandigheden?

Waarom niet ruiterlijk gezegd: “Ziet hier dan weder een auteur, die van de alles vermuffende, ideaal-looze bourgeoisie—de bourgeoisie vermoordster van alle kunst, ook van haar eigene, voor zoover het kòn vrijgekomen, tot ontwikkeling van wat goeds in hem is, geraakt.”

Ziet gij niet het sterk contrast tusschen den bourgeois-auteur, tot midden 1896 gekneveld—en den wakker geworden sociaal-demokraat, bezield door een ideaal, eene levensbeschouwing, niet meer hechtend aan “reputatie”?

Waarom in uwe vage termen gesproken?

Waarom gaat gij, die bij scherper nadenken beter kondt weten met beschouwingen voort, die niet het individu in quaestie, maar uitsluitend het economisch verband, het Stelsel dat alle productie aan eene heerschende klasse ondergeschikt maakt, raken?

Onmiddelijk na uwe meening dat Diamantstad “uitmuntende literatuur” is, vervolgt gij met de reeds genoemde bedenking, dat de auteur ook nu nog kans heeft onder te gaan door “veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie.” Ik ben dit met U eens. Maar alweder heb ik overwegingen.

Wanneer een schrijver ondergaat door “veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie”—aan wien de schuld?

Beseft gij niet, dat hier weder de omstandigheden, het worstelen van ’n individu om zich staande te houden, oorzaken zijn?

Gij en ik “leven van onze pen.” Welke is uwe belooning? “Welke de mijne? Kent gij—alleen voor u ziende de opbrengsten uwer “pennevruchten”—één oogenblik zorgeloos, frisch leven?.....”

Van dit opstel—Mei 1898—is het, in verband met het voorafgaande te missen slot, om motieven van duidelijkheid geciteerd.

De hoofdzaak bepaalt zich tot het gespatieerd deel waarin de schrijver van Diamantstad, tóén nog aan geen boekvorm denkend, de loftuiting eener “uitmuntende, literatuur” als eene beleediging verwierp.

Nutteloos.

Van 1898 tot 1904 (eerste uitgave) blijven de “werkelijke toestanden in een stadsdeel van Amsterdam, zoo gruwelijk en schandelijk, dat zij alle daden van wanhoop zouden rechtvaardigen”, ònveranderd. Geen der lettrés kreeg de branding in het hoofd mee de alarmklok te luiden—dit boek, dat zich niet tot literatuur wilde verlagen, dat eerlijk zei wat het wilde, werd door ’t gelik, ’t dekadent gewauwel, ’t gesatineerd woord-ontrafelen, aan dàt deel van het publiek, dat zich láát leiden, onttrokken.

Van 1904 tot 1906 is de ellende in de jodenbuurt Ellende—de hart-ontroerende hollandsche literatuur vadzige, zelfzuchtige, enkel om “schoonheid” blerrende Literatuur gebleven.

“Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand tegen verdrukking, om—zoo de uiting door wat men een “kunstenaar” noemt plaats heeft—als literatuur te worden verstikt”, klaagt de auteur in ’98.

Vandaag doet hij ’t met het “Begeleidend woord” nog eens over.

Over de “littéraire waarde” van Diamantstad uit de belanghebbende geen verweer. Die behoorde na de in ’98 zuiver gestelde verklaring voor ieder dènkend individu buiten debat te blijven.

Beschouwt dit boek-van-aanklacht, tot verheugenis van den verteller, als een brochure, ’n pamflet, ’n niet aan de hielen der literatuur reikende woord-verkrachting—praat er over als van derde-rangs journalistiek—maar opent de oogen voor de wanhoop in uw omgeving! Er valt te doen. Er moeten velen worden gepord. Er ontbreekt het een en ander..... ook aan de auteurs-van-vandaag, die in heengaand literatuur-geknabbel verlamlendigen, in plaats de hóógste menschelijke plicht te vervullen.

’n Plicht?....

Welk een woord!

De plicht van een gezien auteur is bezig te houden, te vermaken, te epateeren, te vogel-verschrikken-met-realisme—te dichten, ja zelfs in ’t openbaar over de aandoeningen van ’n hart te snikken—géén ellende-opstapeling, géén doel, géén maatschappelijke tendenz.

De toegejuichte plicht is ’t vertoonen van ’n pauwestaart in al z’n kleuren—géén doorzichtig “plan,” om voor Zon, Groen, Lente, Vreugde eene zotte propaganda te maken.

Wanneer zal de doorsnee-lezer begrijpen, hoe aangenaam en màkkelijk ’t is uitsluitend letterkunstig auteur te zijn?

Wanneer zal diezelfde, na de lectuur van ’n boek, dat er ’n eer en ’n hartstocht in stelt nièt in de algemeene vergissing te beschimmelen—zich op ’t pad begeven, om mee te helpen aan den hoon van stede-leven een eind te maken?

Voor slot—dan schijnt het verschil tusschen socialistisch en burgerlijk “kunstenaar” voor den zelden ingelichten lezer voldoende te dezer plaatse te zijn toegelicht—een repliek aan den heer Van Deijssel, waarin men tevens zìjn beantwoording van het stuk van daareven vindt opgenomen. Die repliek, gedateerd Juni 1898, dus steeds vóór het verschijnen van het boek, detailleert nader het streven van den auteur van Diamantstad. De hoofdlijn dier repliek, is onze zienswijze van heden—onveranderd.

WelEdelgeb. Heer!

Waar ik U in mijn vorig schrijven antwoord op eenige vragen verzocht, daar bestond vóór alles de doorzichtlijke bedoeling U opnieuw over Socialisme te doen spreken, thans evenwel niet om als resultante eene derde, vermeerderde editie Uwer filosofische en artistieke zienswijze uit te lokken, maar om Uwe redeneering aan te hooren, gebaseerd op de nuchtere feiten die ik verstrekte. Immers dacht ik, de Heer Van Deijssel is een sympathiek man, een eerlijk man, en, wat bijna meer waarde heeft, een man van onhollandsch passioneel temperament. En die man beschikt over eene mate van invloed, die ik hem benijd, omdat zoo mijn invloedssfeer ook maar een deel van de zijne was, ik daarvan met al de kracht van mijn leven gebruik zoude maken voor het welzijn der Arbeiderspartij, waartoe ik het geluk heb te behooren. Spreek tot dien sympathieke, dien eerlijke, dien warm-van-harte, zeide ik tot mij-zelf: hij heeft iets over je geschreven en dat is onjuist, of liever hij staat op een niet te verdedigen standpunt van kritiek. En wanneer je hem de klaarheid der feiten, de wezenlijkheid der dingen voorhoudt, zal hij, niet weifelend, niet schipperend, niet klein-van-uitvlucht je opmerkingen ontwijken, maar eerlijk sprekend, met kijking van kalme in kalme oogen, je toegeven dat zijne kritiek de fout had afzijdig van de innerlijke omstandigheden te staan, dat zij leed aan de vele euvelen van kritiek, die economische grondslagen verwaarloost, dat er in het algemeen, over welke zaken ook, geene andere kritiek te zeggen valt dan die op kennis van alle levensverhoudingen baseert. Langs dezen indirecten weg, meende ik, zul je Van Deijssel en dóor hem mogelijk weer anderen er toe brengen, het oude, gedeeltelijk vergane gondeltje te verlaten, om mede de riemen te hanteeren in de krachtige praam van den Arbeid, die allengs tot een slagschip, zoo onverwoestbaar als nimmer bestond, groeit. En verbeeldt u het schoone geval—in een klein land als het onze niet zoo ganschlijk ondenkbaar—dat àl-kunstenaars, àl-sterksten in ontwikkeling, gevoels-, gedachtenleven, het minachtend verdraaiden, het uit-den-aard van hun nieuw bewustzijn en hunne nieuwe sentimenten niet meer te volbrengen wisten, amusements-dienaren dezer bourgeoisie te zijn, die haar kunstenaars, haar tobbende kunstenaars als àlle voortbrengers behandelt; die in zake-van-kunst Hofjes-van-liefdadigheid sticht, fooien uitdeelt, beschermheertje speelt—in ruil evenwel (dons gratuits zonder nevenbedoeling!) voor de niet te versmaden renommée van “aan kunst te doen”, of toegelaten te worden tot den meer intiemen kring eens kunstnaars en dan verder den beschermeling in snobisme te verstikken, gelijk de beruchte Koning-der-snobs Multatuli gestikt is. Ver-beeldt u, o ver-beeldt u den droom van eene Arbeidsbeweging reeds zóó begrepen—alle niet medegaan met de Sociaal-demokratie berust op niet weten, niet begrijpen—dat het dàn beste der bourgeoisie, schouder aan schouder, rede naast rede, spier aan spier, de Arbeidspartij, haar klassestrijd, haar idealen steunde, meê-propageerde. Gelijken ons, sociaal-demokraten, thans reeds de vreugden, het leven aan de overzijde, verzengd als de wit-grijze vlakten eener woestijn, stinkend als stilstaande sloot bij de naadring van onweer, jammerlijk van aspect als de verkoolde nog zwak onderling stuttende ruïnes van huis waarin brand al het leven-bijzettende heeft verwoest, leelijk als eene straat van cementen baksteenen koopjeshuizen, eene straat zonder groen, zonder hemel, zonder horizon, zonder iets anders dan kleine, zure, benauwde burgermanszorg—, gelijken ons thans reeds de overzij-genietingen klagelijk-vervelend, de overzij-godsdiensten onwaardig, de overzij-geestdriften kippetjesdrek, de overzij-smarten (òneer, verlies-van-bezitting enz.) levend-mensch-zijn bespottend, de overzij-kunsten vergissing (niet beinspireerd op een gróót Ideaal), de overzij-wetenschap bezit van een deel der Gemeenschap. Hoeveel grooter zou dit sentiment in ons komen te staan, wanneer nog de bourgeoisie hare kunstnaars geheel zou moeten missen, zoo het verlepte op één grooten hoop bleef en het levende, het saprijke, het jeugd-krachtige, het bloesemdragende te weer liep, allen één, onverwinlijk door den granieten onderbouw eener nieuwe wetenschap, allen zeker van de toekomst, omdat die toekomst door de bemachtiging der productiemiddelen ten algemeenen welzijn, nieuw leven, andere levensvisie, andere groote in-de-maatschap-wortelende kunst brengen zal.

Evenwel dit is droom en ik had mij voorgesteld koel, feit na feit ontledend, met U te redeneeren. En zoo meen ik nu in dit wederantwoord wel te doen U op den voet te volgen, wat gij mij wel gemakkelijk maakt door uw repliek zóó volkomen sober te geven, dat gij zelfs verzuimt mijne vragen te beantwoorden. Destijds polemiseerend met Van der Goes, hebt gij verklaard dat de beste polemiek-methode die is, “welke het gevoelen des tegenstanders in zijn geheel aanvat, opdat dus de twee gevoelens met elkaar in kontakt zouden komen.” Deze methode past gij echter niet toe in het onderhavig geval. Gij beantwoordt zaken, wier beantwoording ik u niet vroeg, althans niet vooropstelde, terwijl gij het “Antwoord op zuiver maatschappelijke zaken” schuldig blijft. En juist dat had ik noodig. Want het overige brengt ons op een vrij wel onvruchtbaar terrein, òf op een terrein rijk aan meerder spitsvondige dan terzake-nuttige argumenten. Ik volg u evenwel. Gij schrijft:

“Indien uw doel met schrijven is, medelijden met ongelukkige menschen op te wekken of het verlangen te doen ontstaan naar verandering van maatschappelijke toestanden, geloof ik, dat gij een niet-doeltreffend middel hebt gekozen.

“Een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin op een visscherseiland wekt medelijden op. Een nuchtere of ook een op zekere wijze welsprekend-gevoelvolle beschrijving van mijnwerkers of fabrieksarbeiders-leven kan het verlangen naar verbetering van maatschappelijke toestanden doen ontstaan of versterken; ik ontken beslist dat geschriften, die het karakter van Diamantstad hebben, op dit gevoel werken.

“Naar mijne meening, doen zij dat evenmin als een schilderij van Jozef Israëls of een treurspel van Raine dat doet.

“De vraag naar de verwantschap in de verhouding tusschen de gewaarwordingen, die deze kunst verschaft, èn die van medelijden en verlangen naar maatschappelijke verbetering, ben ik thands niet in de gelegenheid te behandelen.”

Neen, het is niet mijn doel “medelijden met ongelukkige menschen op te wekken.” Medelijden van dien aard zal elk denkend sociaal-demokraat met innige verbetenheid verwerpen. Wij vragen geen aalmoezen, geen toegeworpen beurs, geen zoet-krauwend medelijden van de tegenpartij. Wij vinden het (burgerlijk) medelijden, dat zich in zoogenaamde goedertierendheid, barmhartigheid, bewogenheid, milddadigheid en een reeks meer dezer aandoeningen uit, die wij voor ons opdrijven—zooals de nadering van een vijandelijk leger door gedrang van benarde vluchtelingen wordt aangekondigd—wij vinden dat “medelijden met ongelukkige menschen”, hetwelk eeuwen lang als iets voornaam-christelijks heeft gegolden en menig ploertig individu eene voortreffelijke reputatie bezorgde, zóó geweldig uit den booze, dat geen onzer er aan denken zal op dat “medelijden” te spekuleeren, veel minder het “op te wekken.” Laat mij u een voorbeeld geven1. In uw opstel Gedachte, Kunst, Socialisme (1890) schrijft gij:

“Liefdadigheid is in zekeren zin tegenovergesteld aan socialisme, want de in purpere zijde gekleede edelman, die zijn goudbeurs aan een troep bedelaars toewerpt, vermeerdert daardoor nog het aspekt en het wezen van zijn hooge en ongemeenzame rijkheid en gelukkigheid, terwijl de vermeerdering van het geluk der misdeelden exceptioneel en accidenteel is, in plaats van konstant, reglementair en principiëel. De liefdadigheid vind ik dus iets uitmuntends”2.

Aan of in uwen “in purpere zijde gekleede edelman”—ze zijn er niet meer, maar wij willen ons een oogenblik zulk een bijzonder wezen fantaseeren—ontdekken wij nu niets schoons, niets dat eenige goede aandoening verwekt, niets dat prijzenswaard voorkomt. Vermeent gij nu inderdaad dat een auteur, een die het klasse-bewustzijn gevoelt, een die met een onuitroeibare minachting de bourgeoisie overkijkt, voor ùwe in purpere zijde gekleede edellieden bedoelt te schrijven, hun medelijden, d.w.z. hun liefdadigheid zal trachten te beflik-vlooien? Wanneer ik een deel der Ellende in ònmachtig beeld tracht te zetten, dan heb ik daarmede nòch de bedoeling medelijden op te wekken van ùw lieden van wie wij geen medelijden vragen, lieden waarbuiten wij het volkomen kunnen stellen, nòch den wil bij die lieden “het verlangen te doen ontstaan naar verandering van maatschappelijke toestanden.” In het algemeen heb ik, al schrijvend, geen “bedoelingen”, maar laat mij leiden door het klasse-bewustzijn en in zooverre dat tendentieus is, onderwerp ik mij onbewust. Het komt mij voor, dat elk waarachtig geloof op deze wijze terugwerken zal, terugwerken moet. En wel zeer curieus, waarlijk-opmerkelijk, noem ik uwe verklaring, dat een arbeid van dien aard u geen “medelijden” geeft—gij zeidet immers er alleen “literatuur” in te ontdekken—hetgeen u wèl overkomt bij het lezen van “een courantenbericht over een ongelukkig achtergebleven gezin op een visscherseiland, een nuchtere of welsprekend-gevoelvolle beschrijving van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven.” Welnu, als ik zulk een aandoenlijk courantenbericht of zulk eene ijselijk gevoelvolle beschrijving lees, dan zeg ik tot mijzelve—dagelijks doet zich de stof voor—: Kijk nou ’s hoe de krant weer “menschlievend” is, wat ’n lief bericht voor betalende abonnés en wat paait de redacteur z’n lezende leugenaars! Want zóó is ’t natuurlek niet gebeurd. En zóó is die beschrijving pasklaar gemaakt om geen aanstoot te geven. En wat is die boel rot, die boel van onderling-konkelende, schrijvende, lezende bourgeois, die mekaars meelijden opwekken, meelijdend die vreeselek-treurige dingen besnotteren, meelijdend d’r bol schudden, meelijdend ’n postwisseltje inzenden aan de “treurig achtergebleven weduwe met acht kinderen”, meelijdend nakletsen over eene ontzettende mijnramp, meelijdend het arbeidend proletariaat laten verrekken, om morgen en overmorgen en nog vele jaren meelijdend te blijven, tot zij mèt hun medelijden opgedoekt worden. Ik herhaal uwe verklaring curieus te vinden, acht mij gelukkig dat een stuk werkelijke Ellende niet het sóórt medelijden verwekt dat ieder ònzer verafschuwt, wel bij nadenkende partijgenooten het schóóne medelijden, dat mede-leven, mede-gevoelen, mede-in-verzet-komen, mede sterker-bewust-worden beteekent. En of er in beschrijvingen als in het bedoeld werk propagandistische kracht is, wie zal het beoordeelen? Gij noch ik. De aandoening, die men bij dèrgelijke lektuur ondergaat, is van zuiver subjectieven aard. Ik onderstel dat Dostojewsky van invloed geweest is, dat, om een populair voorbeeld te noemen, Uncle Tom’s Cabin veel heeft bereikt. Gij leest als literator, als verfijnd vakman, gij zijt door uwe verfijning van eene zoo groote wreedheid geworden, dat ik u eenigermate bij den artist moet vergelijken, die wanneer zijne vrouw sterft hare doodsangsten observeert om ze later in een stuk “literatuur” op aandoenlijke wijze weer te geven. Ik vraag u na dit voorbeeld om verschooning, als ik u gekwetst heb, maar alle uwe uitlatingen wijzen er op dat gij, gij, sympathiek, eerlijk—als literator een geraffineerd ongevoelige zijt. Ik zou u zoo nièt zien, zóó ik u—nadat gij ernstig uw tijd overkeken hadt—als man voor mij had, die met dreigende vuisten tegenover de ongerechtigheden zijner klassegenooten stelling nam.

Uwe ongelooflijke nalatigheid is deze, dat gij uwen tijd niet ernstig overkeken hebt—bijgevolg toestanden en gevolgen beoordeelt zonder gerechtigd te zijn er uwe meening over te zeggen. Gij schrijft toch onmiddellijk na het boven meegedeeld citaat:

“De zaak is, dat gij, behalve uw uitmuntende kunst, nu uw sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt en dat ik dien niet heb.

“Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit onderwerp te geven dan die reeds in sommige mijner geschriften zijn uitgesproken.”

Wat verstaat gij onder “sociaal-demokratische kijk”?

Ik zeide het straks reeds, dat het een grove vergissing is te veronderstellen, dat waar het klasse-bewustzijn, de sociaal-demokratische overtuiging een zoo integreerend levensdeel geworden zijn, zóó een met àlle voelen, zien, waarnemen, ontleden, een ànder integreerend levensdeel daarnaast zoude staan. Dit is eene vergissing zoo zonderling, dat ik haar bijna niet verklaren kan. Ik verbeeld mij, dat gij u het socialistisch sentiment voorstelt als een ding gelijkstaand met de eminente gevoelens van een liberaal, een radicaal, een katholiek, een anti-revolutionair—in verkiezingsdagen. En ’t spreekt wel van zelf, dat nòch radicalisme, nòch liberalisme, nòch katholicisme (in politieke beteekenis) éénige stuwkracht bezitten kunnen. Gij, niets afwetend van de Sociaal-demokratie doet meer dan naïf diezelfde redeneering op haar toe te passen, door als zooveel anderen te denken dat een “sociaal” eene ongeveere nuance is van een der andere burgerlijke verkiezings-titulaturen. Juist omdat gij door een in U te misprijzen laisser-aller het Socialisme niet de moeite waardt vond om er degelijke werken op na te slaan en het méér dan genoeg achtte o. m. uwe “intuïtie” in deze als basis te erkennen3, zijt gij buiten den wijsgeerigen grondslag eener reusachtige beweging gebleven en nog steeds in den waan dat een kunstenaar er een sociaal-demokratisch “aanhangsel” voor koffiehuisgesprekken, stembus-gelegenheden etc. op na kan houden, zooals hij voor de gezelligheid of “uit overtuiging” liberaal of christelijk-historisch kan zijn. Maar hebt gij dan zelfs niet gevoeld, gij schuimend-in-hartstocht in uwe jongere jaren, dat waar over de geheele wereld duizendèn individuën deze liefste hunner overtuigingen tot met den dood zouden willen beklinken, dat waar er geen land zonder martelaren van de daad of van de idee is, dat waar de bèste idealisten van een volk alleen onder socialisten te vinden zijn, dat dáár een kracht, een drift, een passie in die opwaking, in die overtuiging scholen, die zich vroeg of laat in kunstuitingen moeten openbaren? En gegeven die opwaking, dat bezielend, levensideaal-wekkend sentiment in een bepaald individu, hoe wilt gij zijn kunst van zijn beste levenssappen scheiden?

Er is meer.

Ik beweer, dat gij den “Dood van het Naturalisme” (1891), gevolgd door uwe “Levensleer” (1895)4 nooit zoudt geschreven hebben, dat de Cyclus Rougon-Macquart nooit zoude mislukt zijn, als het leidend sentiment bij U en Zola het sociaal-demokratische ware geweest. En ik vraag met alle bescheidenheid uwe aandacht voor dit beweren, daar er de stelling van zooeven in omgekeerde rede uit te bepleiten valt.

Veroorloof mij het ’t eerst over Zola te hebben. De cyclus der Rougon-Macquart is een reuzenarbeid op valsche basis, wat het wetenschappelijke aangaat en ongeveer hetzelfde wat betreft de bezielende impulsie, die den cyclus in zijn gehéél tot kunstwerk kon opvoeren. Behoeft het eerste nadere aanduiding? Is er iets respectabels, iets van langer dan mode-duur blijven staan van dien fameuzen “stamboom”, van de populaire “heriditeit”, van de “voorbeschiktheid” van het individu? Kon Zola eene menschheid-omvattenden cyclus scheppen met een wetenschappelijken ondergrond, waar de geweldige evolutie Darwin—Marx hem onbekend was en alleen een stuk Lombrosiaansch onderzoek zijne burgerlijke verbeelding hanteerde? Zien we niet in Zola en Ibsen hetzelfde verschijnsel, dezelfde misvatting: wetenschappelijk te willen voortbouwen op één schakel der Reeks, zonder kennis van de beginschakels, zonder welbegrepen doel? Dat heeft dan tengevolge, dat de wetenschappelijke hypothese uit zijn wetenschappelijk, maar vooral uit zijn sociologisch verband gerukt, een stokpaardje wordt tot de verdere ontwikkeling der theorie (zooals bij Lombroso bijv.) vooral door sociaal-wetenschappelijke onderzoekingen, het fraaie gebouwtje van den romanticus in puin werpt. Bij opmerkzame lezing van Le Docteur Pascal, waarin heel Zola’s wetenschap gelucht wordt, kan men zonder moeite constateeren, dat de “Histoire naturelle et sociale d’une famille sous le second empire” op aarzelingen berust, dat het schip met zooveel kracht van wal gestooten, aan het willoos laveeren ging, tot het ’t voorland der Moderne Sociologie aan den horizon ontdekte en al-zinkend die haven poogde te bereiken. Ik bedoel hiermede de pogingen in Pascal’s schema om eenige “erfelijk-belasten”, eenige “types criminels” (erfelijke moordzucht, drankzucht enz.) te verbeteren door hen naar een beter milieu te verplaatsen m. a. w. de pogingen, om door betere “omstandigheden” het individu aan de erfelijke belasting geheel of gedeeltelijk te ontrukken. Hier dus de inwerking der Moderne Sociologie, maar eene ònbegrepene, zich openbarend in anarchistisch streven, het zelfd systeem der kommunistische koloniën die te gronde moeten gaan door het verbroken of ontkend verband met de tegenwoordige maatschappij en de reeds bereikte economische ontwikkeling. Hadde werkelijk de cyclus Rougon-Macquart eene in dezen tijd wortelende wetenschapsbasis gehad, dan zou hij het hoogste vertegenwoordigd hebben, bereikbaar in de naturalistische kunst en had het lapmiddel “Les trois villes” achterwege kunnen blijven. Er is een even groote, misschien zwaarwegender reden wáárom Zola’s arbeid geen artistiek geheel kon zijn, waarom gij uwe “Overtuiging” (zie Levensleer) verloren hebt, waarom alle Kunst zonder sociaal-demokratische impulsie schijnleven krijgt: er is geen vrijwillige levensarbeid denkbaar zonder de groote, kalme vreugde van een Ideaal. Ik kan mij niet voorstellen welke vreugde in het algemeen die van de schrijvers dezes tijds is, veel minder hoe men eene overtuiging-uit-een-stuk voor zijn gansche leven kan bewaren, wanneer die niet tot een onverwelkbaar geloof is gegroeid. Zola had geen Horizon. Als burgerlijk wereldverbeteraar, dobberend in zijn Lombroso-hulkje, kritiseerde hij voor de vuist weg, alles in het negatieve, zonder te weten wàt de apotheose van zijn arbeid zou zijn, zonder de oorzaken van de dingen wier afzichtelijkheid hij beschreef, te kennen. Er op los slaand, alle maatschappelijke kringen “beschrijvend”, over de heele wereld mijmerend, ontging hem de groei eener nieuwe generatie, tot hij wakker-wordend over de eigen broekspijpen struikelde, zijne zekerheid verloor en U en zooveel anderen mismoedig deed uitroepen: het is met Zola gedaan, het Naturalisme is dood. Maar het Naturalisme was niet dood: het schonk aan eenige burgerlijke kunstenaars de schoonheid van een levend beginsel—het Naturalisme, de eenige tot de groote massa sprekende dàdelijke kunstvorm van een overgangstijdperk, kan eerst door eene sociaal-demokratische overtuiging, tot volrijpheid geraken. Want ook dàn eerst zal de kritiek een Gezichteinder hebben, een bewust doel, vóór alles een zoo innig sentiment, een zoo onbuigbaar Ideaal, dat geen instorting of stilstand zal kunnen plaats hebben.

Tenzij ik mij dus zeer vergis, meen ik in het bovenstaande te hebben aangetoond dat uw gezegde: “de zaak is, dat gij, behalve uw kunst, uw sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt” niet alleen volkomen onjuist is, maar dat daarenboven thàns geen kunst waarlijk-lèvend denkbaar is, zonder het sterkmakend Ideaal der sociaal-demokratie, zonder den sociaal-demokratischen “kijk”, die, permiteer mij het sektarisch geloof, de eenig zuivere, de vertrouwbare waarschuwer is, om te beletten dat men zich aan het burgerlijk-artistiek genot om van “mooie” ellende Literatuur te maken, overgeeft.

Amsterdam, Juni 1898.

Meer is over het geval niet te zeggen.

Scheveningen, October 1906.

Heijermans.

1 Ik herinner mij de antwoorden van Van der Goes in 1891 niet meer, weet dus niet of hij analoge bewijzen gaf.

2 Prozastukken, blz. 52.

3 “En voords zoû ik u vooral gaarne hooren verklaren, waarom mijn intuïtie mij niet een even groot recht van spreken zou geven als de mogelijk meerdere wetenschap en overweging van anderen hun geeft.”—Prozastukken blz. 51.

4 “Indien dus gevraagd wordt welke, na den voorbijgang der naturalistische, de overtuiging thands is, luidt het antwoord: geene”. Tot een Levensleer. Verz. Opst. blz. 325.

I.

Inhoudsopgave

Vlak bij Casino sprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in een tralieënd raster. Zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nòg woonden—nee, zóó als hij het weèr zag: massaal, zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje. Het gaf hem eene vreugde en pijn van lichte verwondring—dat dit alles zoo verweerd geleek, zoo óuder geworden, ouder zelfs dan de herinnering, die het in wazige schaduw gezet. Op zee had hij zich dikwijls de jodenbuurt gedácht, uitsluitend gedácht, en warm-lieve, zacht-glimlachende genegenheid gevoeld voor het bruin der straattintingen, zooals hij het zag, bij gedroom achter oogleden. Maar na zoo làngen tijd werd het moeilijk jongensindrukken te hervinden, scheen je jeugd als ’n koorts van onrijpe verwarring, mal en gejaagd, vèr van je leven gegleden. Tòch klukte ’t in z’n keel, traagde z’n adem, wás er ’t vreugdlijk ontmoeten van kleuren, die het verlangen naar deze straten tot zwaarmoedige draperie had gevormd, mèt de vloeiing van bruin en zwart—wit-venstertjes doorsneden—die over het plein dampte en in de Joden-Amstelstraat van gevel naar gevel, dak naar dak henen-loomde. Al-stratenschoon was hier, slinger van stegen en sloppen, huizengehuif in scheemring van luchten, daken molm en bot, wig naast wig, met bronzend-bruin in de dalen. Zóo had hij het meenen te zien, toen nog niet hij het zag.

Alleen, het was oúder geworden, vàag-ouder, als jodenvrouwke wier kruin van jaren schuilt onder zwart van bandeau. ’t Gaf hem een lichte pijn, ’t dee denken aan luidloozen dood van tierige dingen, die sterven zonder gerauwgil van angst.

In de wijdte, áchter op ’t Waterlooplein plompte het grauwe cement der Mozes-en-Aaronkerk, zwaar boven de zonnekappen van ventende joden. Perkje groen, stoffig, heet, stond in de branding der zon—vèrder waren het ouwe, gore huizen, deurtjes en ramen, droogstokken en lappen van kreukerig wit, met een enklen roodbaaien rok en wat bloempotten.

Eleazar zag niets dan het plein en de straat, de huizen daar in, die hij héérlijk vond, aanbidlijk van kleuren-versterving, indrukwekkend als schemer-neersponzing op zee. Was niet elk droomend gezwijg gódlijker klank dan het puurste geluid? O, ’t huizengedroom, vast aan ’t bewegen der lieden wier gezoem tegen de wanden ging, was sterker, smartlijker dan ’t groote-water gepeins en gewatel, dat hij nu maanden gevoeld en door-angstigd had, ’t water dat noòit rust kende....

Joodje, dat hem zag staan met het valies in de hand, riep van de stoep van Casino, wenkend met schoenborstel. Ja, hij had nog wel tijd. Blinde tante Reggie wachtte ’m eerst tegen middag—hij voelde zich vuil-stoffig van de lange reis in den trein. Zijn valies zette hij neer en joodje plots vlug van bewegen, gemeenzaam van toon daar hij jóod voor zich had, stroopte de broekspijp, schuierde snel. Eleazar keek neer op den rug, bol-gebogen, rug vervormd naar de graat nooit recht van standing geweest. Grauwe, witte haren, stug als borstel-gepluim, vlerkten onder de pet, die had een los-tarnde klep. Op de stoep van morsige steenen, lei joodje als in knieling voor hem, verachtlijk van knechtschheid, spuug sputrend op borstel—joodje gebogen, grauw-klittig van haar, slavig van lichaam, voeten uitpuilend den flarden-broek.

“....Wàrrem, mehèir....”

Het was bijna een schaamte dat hij den ander zoo lièt, wreed-gedienstig gebukt, eersten jood dien hij sprak. Maar ’t bedenken was zòtheid, prikkel van overgevoelen nu hij weer stond in de huiving der ouwe vormen, in ’t bruine, doffe getint der jodenkwartieren. En hij dacht er niet verder over, want zijn innigste aandacht dreef naar de Casino-ramen, twee, drie, vier vensters, met groepjes bezige joden. Achter dichtst-bijzijnd was stilte van kijken, hokking van lijven, buiging van koppen, oogen in lijning naar stukje papier dat op tafel lag, randen verwipt. Er waren er zes. Voorste, Pool van uitzien, hoofd groot en bleek met rood-haren baardslieren, hield loep in de langvingrige hand, die dicht bij het stukje papier rustte. Zijn oogen kleinden in kippige kijking, wat de roode wenkbrauwen stoppelde saâm. Op het ros-kroezig haar, schuin gezakt, ovaalde een zwarte fantasiehoed, vreemd bij het bleekroode hoofd, ongewoon hoed te dragen. Bruin-zijden das, hoog-in-wrong om den hals, rimpelde aan langs het dunnende kroes van den nek. Het gelaat was melk-flets en vleezig, toch met hardere puiling van jukken. Gansch onbeweeglijk, loep in de hand, ernstig-aandachtig, zat Poolsche jood, borst aangeleund tegen kant van de tafel. Op zijn schouder leunde ouwelijk joodje, diep in schaduw van kleppet, mager gezicht zwaar bestoppeld, stoppels over wangen, bovenlip, kin, stoppels grijs en gedord tot in plooien van das, die wat los hing. Mond was open in aandacht, oogen knipperden zacht. Stukje papier lei midden op tafel. Recht over het raam, héél te zien, zat een ander met koper-schimmenden baard, baard in ringvorm geknipt met slordige pieken, gekreukt door pletting van hand, die steunde het hoofd. Eleazar meende hem te herkennen, meende meèr te hebben gezien dat breed-weeke masker, mom van papperig vleesch, zoet-gedweeën trek om den mond, oogen zachtlijk-lichtschuw. Wáar had hij hem gezien? Hij kende hem, kende den grooten krachtloozen neus met de zinlijke vleugels, vooral den dunlippigen-mond omsabbeld door sigaren-gekauw in ringveld van haartjes. Het was een gezicht van gladdige goedheid, week van bloedeloos vleesch, gezicht-van-nièt-werken op lichaam doorvoed, gezicht zònder sneden van denken of zorgen of ziekte, vervet in huisleven, gezicht zonder hartstocht, gehavend alléen door sterke geslachtsdrift als bij àndere joden. In Eleazar was vaag gezoek. Nee, hij kende hem nièt. Nee.

Joodje in ijvrig gewrijf over de schoenen rustte en vroeg wat. Dommelig antwoordde Eleazar.

Over den Pool, gehurkt op de tafel, keek vièrde jood naar het papier. Die had wijdgatigen neus, zwaar van vleezige vleugels en oogen omwald. Zijn aandacht was zóo gescherpt bij ’t papier dat het neusvel berstte in bultige rimpels en de oogen knepen tot gleufjes in wimpergeplet, alsof wat hij zag vies en verwonderend was. Gezicht, rond van kwallende koonen, gladgeschoren, had blauw-paarse tinten, gittig-zwart haar dat ’t aangezichtsvel kwam doorpeepren. Gehéel onbeweeglijk, gatwerk gewipt van den stoel, om meerder te buigen naar ’t stukje papier, hurkte hij—buikje op tafel—over den kijkenden Pool.

Op zij van dien met het weeke gezicht, stonden er twee, een met vuisten op tafel gesteund, ander met handen in zakken. Niets was van hun hoofden te zien dan een fletsing van vleesch, met den rug van ’n neus en snorregestriem. Vest van den een was opengesprongen op zwelling van buik. Niet éen bewoog. ’t Papier had de aandacht. Gordijn half-neer, posten van raam en vensterbank, omlijstten in ’t zwart van de zaal de jodenkoppen, bleek in den schijn van het zonlooze licht. Zij spraken niet, gebaarden niet, waren in starre aanschouwing achter de ruiten zacht-glimmend. In het aarzlend gedonker der zaal schuchterlijk bolden de vleesch-koppen met wenkbrauw-vagen, lippengleuf, wimpers om oogen in glazerig kijken. Lichamen en hoeden diffuseerden naar het kamergrijs, hoofden-in-schijn-van-den-dag boorden naar buiten, vol-week of wit-hoekig, met de scherp-blanke randjes papier op de tafel. Bij de andere ramen was het een zelfde vreemde aan-schimming—vèrder vluchtte ’t bewegen in schaduw. Glansjes horlogeketting knipperden zoet. Gladderig puntboord streepte ontzet. Anders was niets dan het hoofden-geklit, doezel van haar, jukbeen in vleeschmom, handen geslapt in betasten. Zònlooze licht kwijnde, heesch van verleefde weerkaatsing op het plat der gezichten, op de wigging der neuzen, op de vochtig-glazene oogen, geil van begeeren naar wat lag op de tafels.

Eleazar stond in droomend verwondren om de geheimzinnigheid van elk der vensters met koppen. Stratenrumoer en de ruiten slokten geluid van daarbinnen. Hij zag de gebaren, lippen in laks en nijdig beweeg, handen geheven, oogen in vragenden trek, maar niets van hun doen kwam tot hem. Ze schenen klankloos te leven in scheemrenden nacht, wild-bleeke maskers heftig geboeid en geschokt door wonderlijk ding.

Achter de ruiten dichtst-bij, was de starre aandacht gebroken. Poolsche jood, handen in vraging gespreid, schokkelde driftig, lippengemum verschrikkend van rapheid, besnauwend den jood òver hem. Bei hunne koppen heet-overbogen tot bij het papier, knikten en gromden. Haren trilden in drift. Baard van den Pool, rood en rullig, slierde langs tafel. Dan dook zijn hoofd naar het duister der zaal, mumden de lippen langzaam en zéker-van-plet, werd drillend van schudding de ander, neus met de vleezige vleugels vóoruit, aêrengezwel aan de slapen die stonden gevierkant boven het blauw van de koonen. De loep was gezakt. Die met het weeke-gedweëe gezicht had met pincet iets getipt uit ’t papier, bekeek het met spitsende oogen tusschen wijsvinger en duim. De aandacht der andren was bij het wrokken der voorste, gebarende joden, wier kuiven haast raàkten, zóo als zij bogen over de tafel. De Pool, rood van het bukken, nekvel gepurperd door daswrong, bewoog lippen èn koonen èn oogen, kribbigde samen z’n vingers. De ander terugleunend nu, palmde de handen wijd-uit, duimen omhoog, hief ze op, wrikte ze neer, meerukkend het lijf, koonen gebobbeld door lach, mond als troebel spelonkje. Al dit leek bizar, grap van geheimnis achter het glas, dat de klanken verslorpte. Nooit was Eleazar zoo stérk onder indruk gekomen van grofheid door lichtspel tot schoonheid gebracht. Elk venster greep aan, schokte tot drooming. Elke schaduw en tinting-van-duister spreidde soepel en mild, wazig en wijd-van-vervloeien om het ontdane der hoofden, het geilen der broeiende oogen.

Schoenjoodje wreef al zijn twéeden voet—nòg stond hij weg-van-gedachten. De roode Polenkop rauwde op tegen dien met de kwallende, blauw-druilige koonen. Hoeden scheef achteruit, in volle woede van ’t luidloos gepraat, wriemden de lippen achter het glas en nu schoven ook andere hoofden méer naar het raam, zes hoofden van joden, schichtig in dagschijn, gelaatmaskers in ernstig gestaar. Die met het kurkige mom, tanig van vel, en stoppels als kwakken, duwde de anderen weg, hield weegschaaltje in hand. De weeke gedweëe met den koperen ringbaard lei op ’t ovaal wat hij had in de hand en de oogen van allen volgden het gaan van de schomlende naald. Maar dan berstte ’t gebarenleven opnieuw. Handen hoopten tezaam en het haar der hoofden verklitte. De Pool in nijdig geproest wuifde de handen afwerend, reikte de loep aan den achtersten jood, geel met zwart-klevenden snor. Zes handen leien bleek-wiegend op tafel, duimen opwaarts gekromd. Het papierbrokje in ’t midden. En wéer was de stilte van aandacht, bij het bespieden der loep.

Het licht witte kil op de hokking der hoofden, op de rompen in scheemring.

Hand van den Pool gedrukt langs de ruit, vel tegen glas, had bevende lijkkleur.

Het was schoon-geheimzinnig, diep-melankolisch, leven op vèr-liggend plan.

Maar langzaam ontzonk het bedrog dat de dingen gelogen deed zien en een overgang van stemming waarvoor geen daadlijke reden was, dreef in hem plotse, zonderling-nuchtere opletting van realiteitjes, die hem in de dronken droom-overgeving waren ontgaan, waarop hij niet had kùnnen letten, vòl als hij zich aan de schemer-vreugde gegeven had, stugheidjes die hem ruw tot het rauwe, harde der dingen brachten. Het was eene stemmings-afknapping zonder scherpe oorzaak—,waarneming mooglijk van stoffige tranen op ’t glas, het zien van vuile stompnagels, het voelen der reisvermoeidheid nù. Versterkt werd het nog door het in daglicht komen van een mageren jood, die uit vettige zak met open slijmrig-malenden mond, koek, bròkklende koek at. Doch het hevigst striemde hem de herkenning van den man met den ringbaard, den jood met het week-zinlijk gezicht en den krachtloozen neus. Hij wàs het, Druif, de onder-rabbijn, Druif, die hem in ver geleden jaren geleid had tot de barmitswe, Druif, de geduldige, achter de tefilem verhalend het doen van de Joden, hun uittocht uit Egypte, hun vrome omwalling van den berg Sinaï, Druif met vochtige oogen onder de schijning der lamp in de kleine, laag-balkige kamer—Druif, onder-rabbijn—zóo hij het was nog—sjaggerend hier mèt de andren bij ’t papieren vod met ongeslepen diamanten. Drift vlamde in Eleazar. Heet sloeg de minachting uit zijn oogen naar de ramen van het Casino ontdaan van hun schijn, hun kleuren-geneurie. Al de oude bedenkingen gromden in hem. Zoo hij straks had gekeken, was hij zwakling geweest, in blijdschap van weerzien, in extatisch houden van dingen en menschen en kleuren sinds lang niet gezien. Nu was hij zichzelf weer en stérk, sterk door zijn wil, zijn verlangen, zijn weten. Ze zouden hem hooren éens, diè daar, al moest ’t jàren duren, al zou hij er bij onder gaan, ze zouden hem hóóren, de veiligen achter de ruiten.

Neerkijkend zag hij de grauw-zilvren haren van het joodje dat den schoenborstel bespuugde, joodje op drekkige steenen, nek gebogen, rug krom van graat, lijf van rotting, ellende. De lompe ouwe schouders schokten bij het gewrijf. De knieën wiebelden mee. Warm schuierde de borstel heen en weer over het leer dat glansjes van zwart kreeg.

Rondom wigden huizen hun daken. Muur stond naast muur, goorbruin, bloedbruin, slijkzwart, doorklodderd van loodmorsig wit. Vensters kniesden er in met zwarte gordijnen en beneê suften de puien met stille bordesjes en opstaande luiken. In de flets-tragende lucht loomde de rook van Marken en Uilenburg, krimpend uit ouwe saamkwakkende huizen geschoord op elkander. Dáar was het eerwaarde, grijze huizengeleef, dat opkroop in zijn herinnering, daar schuwde schaduw van muren, waar geen licht kwam, waar eeuwige scheemring de vrouwen verlepte en klagende kindren uit dikke buiken ontving, dàar was alles vruchtbaar zonder zon—daar wist hij het massale gedommel van sloppen en binnenplaatsen, grijs van cement, grauw van ouden stervenden steen—èn het beweeg van jodinnen verdord en geel met bandeaus en mutsen met linten—èn het groezel gespeel van joggies met zeere oogen—èn het waduwen van nacht om kleine, roode, heete kamers, waar lampen hingen en lippen ademzuchtten. Er leek benauwing te hijgen in de verte en dichtbij, benauwing van héél-ouwe menschen die zwakjes luchtstootten, dor in hun stoel, benauwing van stikkende, rogglende, krimpende joden, beloerd op hun doodsbed door ’t waaiend geveer der walmende kaars. Gerucht van het plein, van de straten wijd-weg, gerucht van Breestraat, Uilenburg, Marken, heeschte aan, doezlig gereutel, gesmoord onder kreunende muren, log-bedelvende daken. Hij voelde, doorsmartte het àl, snel en zeker-van-weten—het stedengezieltoog van een oud volk dat geduld werd, zich liet dulden, te slaafsch was, t’erbarmlijk-verdorven om af te laten de geil-begeerige oogen van aardmodder, waarom hun wedgezang, hun dansrijen schaterden en waarin zij tabernakels van sittimhout met gewaden van getweernd byssusgaren gebouwd hadden. Spot, spot, spòt! Verdoemlijke nageboorte. Spot op wat Israël wàs, móest zijn als schakel in drang naar benepen gelooven, móest zijn door wormstekig, verlept testament, giftwalmen dampend als een moeras.

Joodje, klaar, hief zijn kop van diep-sneden trekken, verweerd en vuil onder de pet met de lostarnde klep. Ruw gestoppel van zweeterig haar piekte in de vettige plooien der onderkin. Het geld kringde in zijn hand, zwart van stof en schoensmeer en met lach van verwonderd bedanken, tikte hij aan.

Eleazar nam het valies, voortstapte verhit door de vleug van opstanding naar het Waterlooplein. Maar op stoep aan de overzij stond hij weèr stil, indrinkend de scheemring der huizen, het wijde gerucht van de sloppen vèr-af. De ramen van het Casino met de sjagrende joden in het zwart van de zaal, suften leefloos en kwijnend. Jodenkoppen hokten in driftig getast, toeschuivend en bukkend, adoratie van flonkerend gruis. Bij de deuren groepten mannen met das hoog om den hals en deuk-zwarte hoeden. Er liepen anderen aan, die wipten de stoep op, verdwenen in de donkerte van het huis, geslokt door de nacht-schemering der sjaggerhal, de hal met de glimmrende ramen. Het was een geloop in en uit, stommel van zwarte figuren, hoofden bleek onder hoeden, gestappel op stoep, voorbij den hurkenden schoenjood. Daaromhenen roesde ’t geraas van de brug met rijdende trams en zwaar in de wit-onbewogen lucht norschte het Toevluchtsoord zijn muren.

“Geen stad op de wereld is lièver”, peinsde Eleazar: “maar ze is oúd, oúd—er is geen groen en geen zón—menschen als wìj sterven in ’t graf van de huizen. Wie zal de reus zijn, de heffer van al de inerten? Wie zal dol en godlijk-gelukkig de tafelen breken en op de plaats van de arken, cherubim, gouden kelken en knoppen, takken van feestelijk Meigroen planten? Meiblóésems, jòdendom, chrìstendom, Meigroen—diamanten, wat is dat gèk”.... Glimlachend, den mond in glimlach, de groote grijze oogen in glimlach ging hij verder. En terwijl hij moeilijk liep door ’t valies met de zware in dorstige lezing gekreukte boeken, de beduimelde boeken met de drift van den tijd, spon hij dat uit, zuiver gevoelend dat hij ’t geloovend jodenvolk, zoo als het gedegenereerd, zonder éigen leven stierf in schulp van ouwe, triestig-droomende huizen, dit volk schim van eèns schoonen wil, nooit anders zou kunnen dan háten. Hij stak het plein over, waar koopwaren onder zonnekappen lagen, geschreeuw van venters drensde. Uit d’aangrenzende stegen, sloppen, krotten en wakken drong leven van menschen. Voeten slierden over keien, kleeren flapten in haastig bedrijf. Mee met de strooming door de Uilenburgersteeg kwam hij in de Jodenbreestraat, stoffig en vol, er dwaas over tobbend òf Druif nog onderrabbijn was, òf hij zich vergist had, òf een onderrabbijn zou durven sjaggeren.

Maar iemand lei de hand op zijn schouder.

“Bin je al àngekomme!... Je ziet ’r unbeschrieje goed uit!”....

Het was Suikerpeer, die naast tante Reggie woonde.

II.

Inhoudsopgave

Mond open, sliep zij in den leunstoel, handen verzakt naar den schoot. Het was bijna geheel scheemring. Op de morsige plaats speelden kindren wier vroolijk geraas door de kierende deur watelde. Het hoofd van de oude vrouw, weggeknikkeld in slaap, leunde achterover, halsplooien in strakheid gerekt. Eene zij van ’t gelaat was in het voorwerpen-donker der kamer, andere in den kil-doffen schijn van het binnenplaats-licht, dat den deurkier doorzeefde. Het sneed haar oud hoofd in tweeën, een bleek profiel, een schaduwglooi met den donkeren mondwreef in ’t midden. Van onder den zwarten bandeau, die slap in de haarpinnen hing, stuifde ’t haar wit en zilvrig. Zacht klukte de strot. Door den kier van de deur rapte het kindergeraas, vervreemdend in de kamerschemering, omdwalend het oude gelaat, als stermklank door wanden gefilterd. Het hoofd knipte lichtlijk, gespetter der stemmen ging als luchtig behaamren van wieglende gongen. Lang-rustig slierde een klokslinger, vallend en heffend, met kirrig, klagend gepiep.

Op de plaats waren er vier, drie joden-kindjes, een mank christen-joggie. ’t Jongste, opgeblazen, ziekelijk-geel, had groot-zwarte oogen, oogen met starre pupillen en dun, warrig haar. ’t Kind zat met de beentjes gespreid op de slijk-drabbige steenen, pompadour jurkje gedeukt, billen en lidje bloot en bemodderd door ’t vuil van de plaats. In de krom-kleine handen hield het een afgekapt blad van een bloemkool, waarvan er leien vertrapt en te stinken. De groot-zwarte oogen keken naar het gespeel der andere kinderen, de vingertjes wriemden en plukten het groen van het blad. De ànderen maakten het leven. Uit een zinken afvoerbuis, grauw beslagen, tikkelde water in een zoeten-stank walmend riool, bedekt door een klein houten luikje. Meijer van Suikerpeer bòven, had het plankje gelicht aan den roestigen ring en in den vet-modderen koek, rotting uitspoegend als opene, lang-gedekselde beerput, roerden ze met latten, ’t meisje met een kolenschop. Om het gat lagen kluiten dik-donkre pap, groen-rottende kwakken gepeuerd uit den stinkenden buik, die onder de krotten zijn darmen had. Jan, mank joggie van den schoenmaker, languit, hoofd over het gat, neus dichtgeknepen, tastte met stok naar omlaag. Het horrelvoetje stond schuin gewipt. Saartje, op handen en knieën, keek naar ’t gebagger. Van onder het groen-verschoten rokje spilden de beentjes, zwart-wollen kousjes doorbeten van groezelig vel. Meijer, de grootste, bleek kind, smal van trekjes, hurkte aan tegen den muur, hoofdje van zwart donzig haar doorlitteekend, garstig van korsten, korsten om de ooren, om de slapen, tusschen de haren, korsten geel-bruin en bloedrig.

“Ik zie d’m, gedoome”, zei Jan, pratend met brom-stem door dichtknepen neus.

“Zie je n’m?”, vroeg Meijer, overbuigend het hoofd met de korsten naar ’t gat in den grond, en Saartje opschurkend, ademde den log-zoeten stank, het bleek gezichtje met ’t kroes tot vlak bij den put.

“Waar zie je n’m dan?”

“Nou dáár. Jij ken ’m niet zien.”

“Kè-je d’r bij?”

“Hou nou effen je smoel!.... ’t Stinkt as de pest!”

“Wi-je de schop?”

“Hou nou je smóél!”

Voorzichtig tastte de lat in de modder benee. De drie gezichtjes, aandachtig, bogen bij het riool, dat z’n zwaar-zoete walmen door openen slijmstrot tegen roodzwarte huismuren hijgde.

“Hei-je n’m?”

“Denk-ie dat ’t zoo makkelek is”, neus-gromde Jan.

“Laat mijn ’t dan doen met de schop”, zei Saar, dichter toekruipend.

“Je ken d’r niet bij met de schop.... Hou nou je smoel!.... ’t Is me gòvergeefme ’n stank!.. Jessus, jessus wat ’n mietersche stank.. Allemaal stront en swijnerij.... Nòu haal ’k ’m an ...”

“As je de schop an de lat bindt”, zei Meijer, spuugend, pratend tusschen z’n vingers door: “wattè?... wattè?”

“Hij komp zoo wel.”

“’k Zie nog geen scheet!...”

“Ken die niet sinke?” vroeg Saartje, handjes in uitgebaggerde modder. Jan antwoordde niet, zacht schrapjes aaiend in den drekpoel beneden. Moos, ’t ziekelijk kind in ’t pompadour jurkje, dat tot nu toe gewriemd had aan ’t bloemkoolblad, was billen-wrijvend over de steenen gekikkerd, tusschen Saartje en Meijer. De handjes kleefden in ’t rotsel, grabden er in, besmeerden ’t jurkje, sapten het slijk in de zwarte knijpvingers. De oogen groot, vochtig, keken zonder begrijpen naar de pijp en het vierkante gat.

“Ga je weg, Moosie”—snauwde Saartje: “mot je d’r invalle!”

“Ta... Ta!... Ta!”, dwong ’t kind, de handjes strekkend naar ’t riool.

Saartje rees op dan, vatte ’m onder de armen, sleepte ’m weg naar de deur.

“Sel je nou hièr blijve sitte... Mo’k tante gaan roope... Sel je doen wa’k je seg, hè, hè?.... As je weer is durf.... hoor-ie? hoor-ie?”...

En ’t opgeblazen jongske beplukte opnieuw den stronk dien zij gaf, beentjes slijkzwart, ’t lidje bleek propje er tusschen.

Jan was nu bezig den kolenschop te binden aan den stok. Meijer hield de einden tezaam. Maar het touwtje brak af.

“’k Sel me veter geve”, zei Meijer, zoekend achter de benglende lip van z’n schoen. Saartje was vlugger, scheurde een band van haar broek bij de knie en Jan, straf knippend met d’oogen, trok tot het hield. Hoofdjes dicht op elkaar, leien ze weer over het gat, waar de stankbellen barstten als oprispende boeren. Vol en zoet, hijgend, dof-klukkend, gurgelde de stank uit de darmspleet, kruipend langs de vaal-bruine wanden die stonden gevierkant onder het plat van den hemel. Het was eene klein-zwarte binnenplaats, achter een donkre gebrokkelde poort, die naar ’n nauwe gangstraat kokerde. In die poort waren twee deuren, onzichtbaar in ’t duister, op de plaats waren er twee. Het derde huis had beneden den blinden muur van een pakhuis, er boven het druilig ge-rij van vensters met grauwe, verweerde kozijnen en ruitjes beschimmeld in stof. Als water vettig besausd, parelmoerig van glans, glimde het glas daar der opperste vensters in ’t huizenvierkant—ramen bedroomden mekander, altijd ziend een glanzend gezwijg en menschenbewegen in schaduw. De steenen koker met ’t venstergelijn, pijlerde op naar den hemel—bòven, een dorre mond die lucht zoog en licht—benèden, de plaats slijkrig en zwart met vertrapte bloemkoolstronken, een wippende handkar en een hoek nat en pekel-beslagen van mannen-gepies. De bovenste ramen van ’t huis òver den blinden muur, zilverden in avondlicht, de eenige die over daken, goten, schoorsteenen, rigglende pannen heenkeken. De andre stonden op kieren, twee met bloempotjes, en gapende droogrekken. Wit tegen het doode der muren, geheel-onbewogen, hing drogend goed, hemden slap-futloos, boezeroenen blauw-drenzig gebuild, een paars-wolle broek met luchtbillen en dijen en zakdoeken rood, wijnrood, als windlooze vanen.

Stemgeroes siepelde uit de raamkieren, uit het donker der huizen, echoode in dof gemummel, vèr-praten van saamhoopende menschen, zonder klink van heller geluid. Als een hoog-wijde schoorsteen trok de koker ’t gerucht uit de kamer-dompingen, den adem uit de monden, den opbrakenden stank uit het rioolgat naar het gebroei van den lagen stadshemel. De kinderen speelden, klein-bleek in de schaduw beneden, benepen vierkant waar geen licht ooit gevreemd had. De stem van Saartje schelde het luidst. Eén hoog, werd raam opgeschoven. Vrouw met borsten, plomp-kwallend in ’t wit van ’n jak, ’t haar wild geknoet in barstige dot, elboogde over een droogrek, keek naar beneden. De avond-grauwing van den huiskoker omlei haar hoofd, het vagend, zacht-bleekend, verteedrend de wangen, het ruwe der oogen, het snauwen der lippen. De borsten bepropten de buigende armen en plots bol van geraas schreeuwde ze:

“Doe de deksel d’r op!... Is dat me ’n pèststank... Nou dèn!... Nou dèn!”...

“’k Sou niet wete wèrom”, zei Jan voortpeurend, koppig.

“Sulleke snothannese!”, raspte de vrouw, schreeuwrig naar ’t donker der kamer:—“overal motte se met d’rlui poote ansitte”, en weer de borsten in kwallende zwelling op de armen: “doe j’m d’r op, sellemander!”

“Nou!” schreeuwde Jan terug: “d’r leit wat in.”

“Wàt leit ’r in, lamme horrelpoot!”, giftigde de vrouw.

“’n Appel van háar”, zei Meijer op Saartje wijzend.

“Mot je daarom de boel verpeste?—Doe ’m d’r òp, tòe!”

Een man wrong ’t lichaam naast de vrouw door de raamopening, bolle kop, rood en zweetend.

“Doe j’m dich!”—schreeuwde hij schor, maar Jan, koppig, wetend dat de menschen-van-boven-het-pakhuis geen deur op de plaats hadden en overhoop leien met die van benee, zei alleen maar brutaal het manshoofd besarrend: “Daar hei-je háár ook!”—en keek bot, met jongens-verachting, naar de roode, lillende koonen. Woede verpaarste ’t gezicht van den man. Met de vuisten steunend op het kozijn, in opwinding van drift, mepte hij woorden die traag uit den vet-korten nek met de bobling van onderkin kwijlden, zwaar van nadreuning in ’t murenvierkant.... “Godverdommisse mankèèè!.... Om de boel te verpeste!.... Schorremorrie!.... Groote.... leeleke smeerkanis bandiet!.... Bandiet.... Bandiet!...” Verder bracht hij ’t niet, verpaarsend, te vet van nek en onderkinnen-gedril. Maar de vrouw, dieper neerbuigend, wassig in de grauwing van den huizenkoker, mokerend met den bleeken, vleezigen arm, rauwde krijscherig in zijn plaats, rekkend elk scheldwoord dat de gulpende drens van wand naar wand rakette.... “Snothannesse!... Laa-aa-aa-zerstéééééééne!.... Doe ’t bij je moer thuis!... Om de boel te ver-pès-teèè!... Om de boel te ver-pès-tèèèè!.... Rot-sellemandèèèèèèrs!”..... Kners-galmend, lang schrapend van achterkeel-stoot, sleepte de vrouwstem, klankkotsing in zoetwalmen stank. Mét smeet ze het raam dicht, knappende klak in na-dazende stilte. Uit andere vensters werden hoofden gebogen, kort van geemlijke kijking. De kindren, even beduusd van ’t gescheld, zaten verdaan bij ’t gat. Ramen triestten in muren, het drooggoed hing willoos. Dan riep uit de poortdonkerte schoenmaker’s stem, wat ’t was. Jan, zeker door vader’s gevraag, schreeuwde beklag....

“Hij wil niet hebbe, vàder, da’k ’n appel zoek, die keerel van boven.”

“Hij heit niks te wille”, knerpte de stem uit de poort: “.... die kwartjesvinder!.... die flessetrekker!....”

Weer was rust in het vierkant. Stemmenroes mumde vèr-af door de raam-kieren. Venster keek venster aan, broos kwijnen van oogen. Gordijnen hingen tam-neer, oud-geel, met slobrige franje. Op de grauwlooden kozijnen vraten slijktranen, krimpende stralen van ’t gootwater. Suikerpeer, voor den inkijk, had groene horren, licht zeewier-groen in gladlakte randen met priemende pennen. Leefloos, vaal-wit, flarden-lichaam in stof-damp verstuipend, wendden de wanden heur scheemringen, snikkende benauwenissen naar den platten, vadzig-plettenden hemel, die als een melktroeble domper vlakte van goten naar pannen en schuchter-glanzende ramen.

De oude vrouw sliep nog, ’t hoofd in tweeën gesneden, strot zachtjes klagend in slaapzang, het leêren geplooi van den hals in wijde slurven gespannen. Het kindergeraas, heller doorschetterde den deurkier, omwaatlend het hoofd, toetrend in donkere hoeken.

“Hei-je n’m?”

“Stil nou!.... Hij glijdt ’r weer af... Nou zie ’k ’m heelemaal nie-meer.”

“Laat mijn ’t dan doen!....”

En weder, gespannen van kijken, hoofdjes over den rand, schoven de kinderen bij den put, knieën in klevende, slijmrige modder. Moos, op de knietjes gekropen, met machtloos bewegen der beentjes naar den nat-groenen hoek, waar de mannen piesten en ’t vulnis staâg rotte, had daar gevonden een leege citroenschil, verperst en grijs van weeldrige schimmel. Het ziekelijk kind, bleek-opgeblazen, met groote, idiote, glanslooze oogen, pulkte met ’t zwart wijsvingertje in de wrange bulten der schil, likte vies-smakkend, zachte kreetjes pratend, in klankengetast naar het schreeuwen van die bij ’t riool. De billetjes bewreven de donker-nattige plek, waar priklende, laffe pis-wasem jaren-lang mufte en kakkerlakken hoopten achter ’t weeke cement. In ’t een knuistje hield hij de schil, boorde het vingertje, zoog tot de vooze smaak ’t mondje vertrok en kwijl langs de kin op het pompadour jurkje glipte. Terwijl was bij de andren driftig gepraat. Tweemaal was de appel terug gegleden in ’t gat.

“Laat mijn ’t dan doen”, zei korzlig Meijer: “’t is toch hàar schop en haár appel.”

“Ja, laat hèm ’t dan doen as jij ’t niet ken, jà”, kribde Saartje: “hij heit langere arme as jìj!”....

“Denk-ie gedoome dat ’t zoo makkelek is?.... Nou zàchies.... Stoot nou niet.... Hou jij ’m teugen met je lat, Meijer, anders flikkert-ie weer weg. Houe hoor! ... Houe! ... Zachies....”

Licht klonk ’t gejuich. Bij het riool bleven ze zitten, Saartje den appel verknufflend in ’t verschoten-groen rokje, de modderpitten zorgzaam wegwrijvend. Jan keek toe met den schop in de hand, Meijer, zeker van ’t aandeel, sopte de kwakken terug in den put.

“Je ken ’m zoo bèst vrete”, zei Jan, maar Saartje, ’t hoofd met de zwarte krulletjes gebogen, spoegde witte schuim-propjes op ’t rood van den appel, wiesch ’m na met ’r hand dat ’t kringelend slijkte, droogde sekuur met ’t grijs van ’r rokje, tot de appel rooderig-glom.

“Nou krijge jullie àllemaal ’n stikkie.... eerst Jan”. De tandjes beten een hap. Jan, gulzig-bijschuivend hield de hand op, hand zwart van het slijk. Saartje gaf hem ’t stukje, dan Meijer, dan Moos, die de citroenschil had laten vallen, weer bij den put zat.

“Je proef d’r zoo niks an”, zei Meijer.

“Denk-ie dan dat ’t door de schil heengaat?” zei Jan, wijs: “as-die ’r ’n week inleit blijft-ie nòg om te vrete.”

“Nou, dat zou ìk wille zien, wat jij, Saar?” schorde Meijer.

“Ik zou d’m niemeer luste as-die d’r ’n week in gelege heit”, zei Saar, vinnig-happend, omdat de appel van haàr was.

“Nou ikke wel”, schetterde Jan: “Wij hebbe laast op de Singel gestoken, de schele en ikke—weet je wel?—met ’n stok met ’n spijker d’r in.... Jeesis-mierande wat ’n hoop leie d’r in ’t water en best hoor!”

“Legge d’r altijd zoo’n boel?”—vroeg Meijer, volgend het gaan van den uitgebeten appel in Saartjes hand.

“As d’r markt geweest is àltijd en hóópe, hoor..... O jee..... hóópe..... Je ken je d’r ziek an vrete.... Koos had ’r over de twintig.... As d’r maar zóó’n rot stukkie an is, keile z’m weg... Krijg ’k nou niks meer, zeg?”

“Je heit al zòo’n brok gehad”, zei Saar: “’k Hou zellef niks over”. Maar bij ’t zwijgend kijken der andren, beten de witte tandjes toch nog voor elk ’n hapje, bloedig van schil. Het ging van mond naar mond, ’t appel-vleesch met het spoeg van Saartje.

Jan, die nou wist dat-ie niks meer kreeg, bukte opnieuw over het open, stinkende gat, morrlend met schop in de modder die blazende bellen boerde.

“Sou-die diep sijn?” vroeg Meijer.

“Noú!.... Je sou d’r smerig in versuipe—òf-ie!”, schreeuwde Jan, modder opleeplend en prettig neerklukkend.

“As je maar swemme ken”, zei Meijer, spoegend in ’t riool.

“Swemme helpt je geen luis”, zei Jan: “hoe ken je nou swemme in swijnerij... daar suig je ommers in vast.”

“Nou dat sit nog!”

“Jò”, helderklonk-stem van Jan, brutaal van verzeekring: “ik heb is ’e meissie sien legge in de Burgwal... Nóu!... Enne de keerel die d’r na-sprong zat met z’n poote vast in de modder... Jò, modder is zoo vùil!”

Meijer spoog moeilijker spoeg-fluimpjes, mòe as-ie ’r van werd—Saartje wierp ’t klokhuis in ’t gat en de dikke logge modder droop van den kolenschop, slaagjes smakkend in het riool.

“’k Wou da’k hàd wat ’r in is gerold”, zei Jan weer.

“Noù!”, knikte Saartje: “d’r leit van alles... As se wat in de gootsteene late valle, zakt ’t ’r allemaal in.”

“Pas op!” waarschuwde Meijer.

Boven werd heet water geloosd, dat door de zinken buis snaterde en met lawaaiend geplas in het gat stortte. De witte damp sloeg om de hoofden der kindren.

“Sodejuu!”—schrikte Jan.

Meijer hield z’n hand onder de pijp om te voelen of ’t heet was.

“Jò—mot-je je poote brande!”...

“’t Is nie-eens heet... Aardappelewater... Voel maar.”

Vreemd-onnoozel werd hun gepraat bij de gaping der riool-opening, rakkerig kinder-doen, schijnbaar-volwerklijk door groote-mans-woorden. Saartje, ouwelijk-wijs, keek van Meijer naar Jan, Moosje druk staamlend perste de handen in de gebleven modderkoeken. Het licht van het brokje hemel, benêe tot scheemring geloomd, was als een wikkel van laat-killen Novemberdag, bleeken wasemschijn stollend om het wit van de hoofden, de handen, de blootwoelde beentjes van Moosje. Bij tijden, als straatgerucht ganschlijk verstoven en ’t stemgeroes in de kamers heenschrielde, brutaalde het hooge geluid van ’t manke joggie, als schettring in leeg-holle kamer, hel-schel wegklikkend langs luistrende wanden.

Jan kudderde modder, sprak daar tusschen door:

“... Mot jij niks voor je vader doen an die sweere op je kop?”

“’t Sijne geen sweere”, zei Meijer: “’t is brand.”

“Mot je met salf smeere”, verzekerde Jan, viezerig kijkend naar ’t korsten-hoofd.

“Vader seit dat ’t niks is”, zei Meijer: “me broer heit ’t en me sussie en me groote sus”...

“Met hoevele benne jullie?”, vroeg Jan.

“Met s’n sevene.”

“Benne jullie met sijn sevene? Wij met sijn viere.”

“We sijne met s’n elleve gewees”, zei Meijer: “vier sijne d’r dood en me sussie gaat oòk dood.”

“Gaat-die oòk dood?”

“Nòu hoor!”

“Wat scheelt se dan as se dood gaat?”

“Jò, weet ik ’t!”...

“Bij ons is d’r ook een gesturreve”, vertelde Jan, modderlepel stil op den rand bij het droomrig-herinnren: “Jeesis, jò, wat is dat gedoomes gek... D’r was net weer soo’n lek in de kelder... Stinke dee’t!... Stinke!... Godvergeefme wat ’n stank!... We moste ’s morges allemaal meehelpe met ’n emmer... ’t Hielp geen mieter, hoor... En soo kemiek, seg... nou maar die wàs kemiek... ’t Kissie stond op twee stoele... Heb-ie wel is ’n kissie gesien?... Heelemaal wit as van de appelesiene... nou en daar lee-die in”...

“Lee-die in ’t kissie?”

“Nou en wat!”...

“Met ’n deksel d’r op?”, vroeg Saartje.

“Wat doch-ie anders?... Kemiek, hè?”...

“Was dat je broertje Dirrek?”

“Dirrek?... Is Dirrek dan dood, stommert? ’t Was zòo’n kleine... Meijer heit ’m gesien... D’r was niks an, hoor!.... Die zei nog geen woord, net as jouw broertje Moos.... Enne kakke as die dee... godvergeefme de sonde wat kakte die!... Vader seit dat-ie an de eeuwige schijterij is gesturreve.... ’n Kissie soo groot as ’t luikie van ’t riool... Maar de lòl ’s morges met ’t water in de kelder!... We moste allemaal op bloote voete loope, seg... enne me broer die viel soo met s’n nakende kont in ’t nat... Hahaha!...”

Rinklend sloeg de kinderlach door den koker.

“Enne toen?”, vroeg Saartje.

“Nou... enne toen... Enne toen!... Verrek, seg!... ’t Is geen verhaaltje, seg!... Soo ken je blijve vrage”....

Achter piepte de deur. In het vierkant der deurposten kwam de oude vrouw, gebogen, geel, verdroogd jodenwijfje, handen in beevrig getast. De bandeau, weggezakt, dekte warm nog het zilver-krulhaar, dat slapen en voorhoofd schichtig beploos. Bruine diepsels onder-kringden de mat-grijze oogen. Er was zorgen-gevreet in ’t gelaat van neus naar mondhoeken, door ’t beenige voorhoofd, onder de wiggende jukken. Witte matinee, bij den hals vastgehouden door rood-platte broche, omkreukte het gebogene lijf tot op den zwarten rok. De eene hand sloeg om den deurpost, vingerknekels om ’t molmende hout.

“Zit je daar, Saartje?”, vroeg ze.

“Ja tante.”

“Pas je op Moosie?”...

“Ja tante.”

“Wie is ’r nog meer?”...

“Jan-van-hiernaast en Meijer.”

“O zoo... O zoo... Ken jij op de klok kijke, Meijer?”

“Ja jeffrouw”, zei Meijer, beknikkend de blinde oogen der vrouw.

“Enne hóe laat is ’t dan?”, vroeg ze, kleintjes lachend.

“Wáar mot ’k kijke?”

“Nou bij óns”, zei Saartje, meeloopend naar de holte der deur en mede opkijkend naar het kopergeglim in het donker.

“Hallef ses”, las Meijer... “net twéé minnute d’r voor.”

“Hallef zes?”, knikte de blinde: “... speule jullie maar vort”...

Zachjes inschuifden de voeten de kamer, naar de koperen kachel waar water op ruisde. Wegend nam ze den ketel in d’oude handen, bevoelend de zwaarte, liep er mee naar een kraan-dicht-bij-den-grond, bleef héel-zeker van luistren bij het geploemp van het water, tot de spetting versnerpte tot heller getok. En voorbij de tafel, ziende de schikking der dingen in ’t zwart van haar hoofd, voorbij de alkoof en de stoelen, schuifde ze terug naar de kachel, dempend het rookend gezuig in het gat door ’t herplaatsen van den ketel. Buiten hoorde ze ’t gepraat van de kindren, de brutaal-snappende stem van ’t mank joggie, het mulle hamergeklop van den schoenmaker in de poort. De kachel droog-warmde de kamer. Ze kon wel ’n luchtje scheppen, ’m wachten voor de deur. As ze ’m maar niet misliepe. Stoel, dichtst-bij, nam ze bij leuning, kniklachte vrindelijk tastend tegen de kindren.

“Geef Moosie maar hier, Saartje”, wenkte ze, tilde het kind op den schoot, wreef de koud-vochtige beentjes met ’r magere hand en zat stil, rustig, kniprend alleen met de oogleên. Jan ratelde verder, morsend, pratend met stootjes...

“.... Enne ’n smerisse!... Hóópe... Nou enne toen de brandweer an ’t spuite... Jò, wat-’n strale... Je zag niks as róok... enne-’n vlamme... godvergeefme wat-’n vlamme!... De lucht sag soo rood as.... as.... vúúrrood hoor... je kon de sterre niet sien”....

“Brandde ’t héélemaal?” vroeg Meijer, ingespannen van kijken.

“Nou!... ’t Was rood as de kachel van binnen... Je sag soo de balleke valle.”

“Steen brandt ommers niet”, zei Saartje, ongeloovig.

“Of die brandt”, schetterde Jan, opkijkend en de huizen rondom taxeerend: “’k Wou gedoome dat ’t hìer is gebeurde”...

“Nou, ikke niet”, schuwde Saartje.

“Ikke wèl”, zei Meijer, die nooit een brand had gezien en te fantaseeren begon hóé ’t kon wezen: “’k Wou dat ’r nòù brand kwam, hè? Dan ware wij d’r meteen bij, watte?... Zou jij niet wille?”

“Nou òf”, zei Jan: “nog al niet pràchtig... de vonke die valle over de hééle stad... enne dan de brandweer: tingelingeling!.... tingelingeling!... tingelingeling... Nòu!”

“En àsje verbrandt”, zei Saartje.

“Je verbrandt niet”, hel-antwoordde Jan: “ze hale je met ladders ’r uit.... enne dan mag-ie blijve kijke as je in ’t huis woont”...

“’k Wou dat ’t zòo gebeurde”, zei Meijer, kijkend de muren langs naar d’opperste ramen, die zwakjes zon-zilverden.

“Over dag is geen aarigheid”, hoofdschudde Jan.

“Waarom niet?”

“Dan zie je alleen rook.”

“Zie je overdag geen vlamme?”

“Née hoor. ’k Heb is ’n schoorsteenbrand gesien, die niks was”....

“Heit u wel is ’n brand gesien, tante?” riep Saartje.

“Ja”, knikte de blinde: “... prate jullie over wat ànders... Beschrie ’t huis niet”...

Maar de kindren fluisterden onder mekander, schrikkend door nieuw watergeraas dat in de afvoerbuis snaterde.

Stil bij den deurpost zat de oude vrouw, arm om ’t ziekelijk kind, been wiegend in sussende schokking. In de buurt luidde een klok. Luistrend keken de mat-grijze oogen naar boven, vochtloos in de benauwing der huivende muren. Naast haar hoofd, roestig, schuinhangend, was de blikken huls met de mezoezos. En op het geheven gelaat, geel en dor onder het stuiven der zilverharen, schuwde het licht, alsof het kleurloos van achter onweerskoppen hevelde. Moosje lei in slaap gedommeld.

III.

Inhoudsopgave

Zoo had Eleazar haar gevonden toen hij met Suikerpeer uit de scheemring der brokkel-poort op ’t plaatsje kwam. In de lage kamer werd het gevraag van weerszijden. Zij, wel-verlegen en angstig, zat in dubbele luistring, ongerust over Dovid en Soor die naar het station waren gegaan, misschien bleven wachten op volgenden trein. Dat zei ze telkens weer, tèlkens, met aarzlende tastende stem. Suikerpeer, druk, geluid dat uit achterkeel lodderde, lachte dan dik op, haar aanziend met bewerend gebaar, zangrig herhalend: “’t Zijne geen kindere, Reggie.. Wattè?.. Ze kòmme, ze kòmme!”.. En gevraag ging weder over de tafel van mond tot mond, zonder Eleazar eenige warmte te geven. Strak streek zijn hand over het licht-zweetend voorhoofd, bij het pogen antwoorden te zeggen in denzelfden toon van hartlijkheid, maar er waren oogenblikken van gaping in zijn geheugen, oogenblikken dat hij geen woorden hoorde, de beteekenis niet begreep, vreemd-opschrikkend de vragen liet herhalen.

“Enne hoe ben je tóén gegaan?”—, vroeg tante, hem aanziend met troebele oogen.

Hij vertelde. De eigen klanken werden hem een verwondring, grof gepraat van een vreemde, vaag, vaàg. Het deed hem pijn te spreken, daar hij zoo vol was, vol van zacht-smartlijke dingen die in zijn oogen onthutsingen schampten. “In Chicago zijne huizen.... met wel twáalef verdiepingen”, zei zijn stem en gelijk was er een flits in hem, schel zig-zaggend dat vroeger haar neus zóo-niet-geweest-was, niet zoo smal en bleek-bruin, dat het háar neus niet was, dat ze nooit zùlk een neus had gehad, dat-ie lànger was geworden, dunner, verdorder, dat ’r smartlijks was aan die verouwelijking, aan dat wegteren van een lief en geweten gelaat....—“Van wel twaalef verdiepingen, met ’n lift, waarmee je na boven ging”—...en weder in de korte halte van ademhaling, keek hij, kéek hij naar de diepsels onder haar oogen, de bruine, vale verzakkingen, die hij niet gekend had, die met den smal-mageren neus het gezicht verschraalden tot masker van overwaasd herinneren, zeer-doend, melankolie gevend als bij eerst weerzien in daglicht van zieke, die lang in bedstee-schaduwen heeft gelegen, wier oogen in ’t doode gelaat het licht niet kunnen verdragen. En al sprekend, zinnen vormend met moeilijke zoeking, werden zijn woorden van eene gevoelige zachtheid, alsof ze bevreesd waren te ruwlijk te dreunen tegen het hoofd van droge huisjestrekken, de kleine matte oogen, den weg-magerden neus. Het eigen lichaam aanvoelde hier als iets zwaars, massaals, overgezonds in gedrukte looming van ziekekamer waar goudbrons langs neêre gordijnen sproeit, adem uit koortsstrot zaagt. Suikerpeer sneed herhaaldlijk zijn zinnen af met interrupties van verbazing, vragend de aandacht van Eleazar en het gelaat van den ouwen groentenjood, geel-bol en gorig bestoppeld onder de pet van slijkerig laken, dommelde hem tot dezelfde pijn van kleine, verwarde onthutsing. Van tante Reggie keek hij naar Suikerpeer, soms sluikwijze naar Moosje, op Reggie’s schoot, en Meijer die tusschen de stangknieën van zijn vader gevangen stond. Saartje had hij zelf bij zich genomen, vleezend de groote hand om ’t beenig-dun lijfje van ’t kind. En óver het gepraat heen, dat onbewogen hem langs ging, sullend als voorzichtig burengewatel—Suikerpeer was vréemde, voorkwam intiemere doen—liet hij hun nièuwe gezichten op zich inwerken, de gezichten onherkenbaar en vreemd geworden, vreemd aan vleeschvulling, verhouding van neus tot mond, kleuring van haar. Alleen was in hen het levend der oogen gebleven en de stemmen zwaklijk-verdonkerd, geleken bekende geluiden-van-jeugd, nazweving van klanken wier eerste frissche dreun in het later geheugen een eeuwige echo bewaart. Meerder bukkend, drong hij Saartje tegen zich aan, trok het groen-verschoten jurkje glad, bewoog het groezelgezichtje naar zich toe.

“Ze lijkt op Esther”, zei hij, zacht-ernstig.

“As twee droppele water”, knikte Suikerpeer.

“Ze heit làng geleje”, verhaalde de blinde, het hoofd schuddend in moeilijk beklag: “làng, làng..... D’r was niks an te doen.... An ’n Sjabbes-avend kreeg ze overnieuw ’n benauwdheid.... Dovid heit je geschreve.... Hèit Dovid je geschreve?”...

“Ja”, zei Eleazar.

“Toen zei Dovid omdat de woning hier leeg sting dat ’t beter was te verhuize—zijne we hier gaan wone, begrijp-ie?.... Ik ken de trappe zoo niemeer af.... Enne met de kindere, begrijp-ie?”

“En zoo bin ik van beneje- bóvenbuur geworde”, vulde Suikerpeer aan.

Eleazar, denkend aan de gestorven zuster, keek naar den schoorsteenrand, waar bij pullen van glas en wit porselein een verguld portretteke stond met gitting van haar. Maànden had het geduurd, ging de blinde voort, kort na de geboorte van Moosje. Het was een sterfbed geweest in den winter zonder einde. “’s Morges was ze nog góéd”, zei de oude vrouw, vertellend wat ze met blinde oogen gezien had: “schuurde ze de vorke en lepels nog droog, zei ze teugen me: tante wat leit ’r ’n snéeuw—’t was niet van de panne af die winter—en ze zòng nog—ze zong met ’n stem om te zóéne—Dovid zat weer in verdienste en ze wou ’n sjabbeskeek voor ’m bakke. Teugen de middag most ze wat legge van moeiigheid in de bedstee met Moossie—an de avond was ze dood. Ja. Ja. God wóú ’t zoo. God wóú ’t zoo. An ’n Zondag is ze begrave. Dàt ha’k nooit gedàch da’k ’r zou overleve, da’k zou hoore hoe de kist de trap wier afgedrage.... Enne zoo God wil hoop ’k ’t nóoit weer te hoore..... Zoo God wil”.....

Ze vertelde rustig, bijna glimlachend, evenwicht van oud vrouwtje, afgestompt door zwaarte van leven. Suikerpeer gaf nog bijzonderheden. Het was ’n wónder gewees hoe gauw ’t lijk tot ontbinding was overgegaan. Sjabbesmòrrege had ’t zoo door ’t huis gestonke dat de sjabbessoep bòven zuur was geworde. Enne dat in de winter. Ja, dat wás zoo knikkelde tante Reggie, kniprend met de oogen. De kindere hadde bij Suikerpeer geslape, zij en Dovid op de grond in de sterfkamer. Enne midden in de nach had Dovid ’t raam motte open zette, zoo benauwd as ’t rook. Enne toen had-ie ook gezeid: tante wat leit ’r ’n sneeuw, had zij de tòch gevoeld.—Enne weet je nog van ’t geschárrel met de kis?—vroeg Suikerpeer, wàdde? Dadde ze de trap niet afkonne. Tot Eleazar gebarend, dikte hij aan wat gebeurd was, hoe ze getobd hadde, hoe tèllekes de kist tegen de vierde tree klemde, as-of die niet weg wóu—’n wonder, ’n wónder-voor-God!—terwijl-die toch goed na boven was gekomme. Dat kwam van ’t hout dat gezwolle was door ’t veule water van de dooie, zei hij, straf-knikkend.

Verder schemer-gegruwel wou hij vertellen, maar ze werden gestoord door Dovid en Soor, die van het station werom keerden en mooi uit d’r humeur waren, dadde ze voor niks hadde gewacht. Soortje kort-aadmig wilde Eleazar geen hand geven. Waarom-die geen teèlegram had gezonde om te waarschauwe? Hij lei opnieuw uit, dat hij in Hamburg ’n expres had getroffen, vroeger was aangekomen dan hij zelf had gedacht. Ze zaten om de morsige tafel, bruinig van zeil, en Reggie tasthandend naar de kachel, goot water op de koffie, blij dat Soortje en Dovid er waren. De avond schemerde aan, dompte de kamer in zwart en goudbruin. Op de ruitjes der hoog-gele kast glaasde gespiegel en lichtglansjes spetten van ’t glimmend koper-gerei, van de rood-koopren test en het ganneke-ijzer. Dovid het dichtst bij het raam, had bleek-witte jukken en oogen als flets-vochtge ballen. Soortje, in ’t duister, zag hij alleen als vettige vrouwvorm met op-paarsend jak en gieglende, wibblende lintenmuts.

“En vertel nou is, vertel is... Je zeit zoo niks,” zei Dovid, meer buigend naar het kamergedoezel.

“Ik heb al zooveel verteld,” ontweek hij, moe, met aanzwellingen van weeheid door den ongewoon-zoetigen stank van de kamer.

“Vertel dan overnieuw!” zei Soortje, zangerig-dringend, met toetjes-geslobber van koffie.

Tante Reggie brokte ’n stuk kiks voor de kindren, die schrokten met zuinige mondjes en er was plakkend gesmak van dikke lippen, koffie en koek. Van de plaats blies watergestort in de buis. Mompel van pratende menschen in de poort drabde aan. En hij sprak tot de hoofden, wier aangezicht bleekelijk zwol in den schijn van het ruitjesraam, nòg eens zeggend de dingskes van zijn reis, die hem zoo invielen, eerst van de lange ziekte in het gasthuis, van de zeeziekte dan, van ’n storm, van de windstilte, ’t dágen lang wachten op ’n bries, van het ongemak aan boord van ’n zeilschip, van de harde kaak en het gezouten vleesch, van den jongen die onderweg was gestorven en de begrafenis... Maar ’t was alles léég geworden, het droop van zijn lippen als een mal, mal verhaal, trits van gebeuren dat geen kleur had, daar de reis op het schip één lange melankolie, één drukkende verlatenheid van jood-van-ras bij robuste, góéiige, tabakkauwende, jenever-drinkende christen-zeebonken was geweest en hij hen, zoo zij daar hartlijk, koek-smakkend zaten, de grijze dagen van telkens-weerkeerende ziekte op de stampende, slingrende ouwe boot, waar ze ’m joodje hadden genoemd, niet kòn verhalen. Joodje, hèm. In ’t gasthuis, langzaam tot krachten komend, had-ie in diepste vreugde ’n vertaalden Spinoza gelezen, herlezen. Dikwerf was ’t boek in drooming naar de dekens gezakt, had-ie gepoogd zich dien man voor te stellen bij boerenkinkels op ’n vlegeldorpje in Holland. De handen bij ’t boek geslapt, de oogen in zoeking gesloten, had-ie zich ’n jood Spinoza ver-beeld, ’n jood met droefgeestig bewegen, ’n jood dwalend tusschen de velden, gebogen-peinzend op ’n duinkam. Die eenzame móést in die dagen groot en stil hebben geleden. Waren ’r geen kerktrappende vlegels langs de boere-kamer gegaan? Hadden ze niet met d’r stomme, groentandige smoelen gezegd: hier woont ’t joodje Spinoza? Hadden de kindren ’m niet nagejouwd als-ie langs de huisjes schuchterde? Ja, zoo wàs ’t geweest. In de achterhoeken van Holland leefde nòg niets, leefde vandaag nog ènkel stompzinnig jezus-gebral waaraan de ontwaakte jood-Jezus vreemd was. Luisterend naar z’n adem-gejaag in de stilte der zieken-zaal, had-ie dat sentimenteelig gevoeld, tot ’t boek ’m weer òp nam naar de hoogten waar voor menschdrek geen plaats was. En hersteld, komend op ’t zeilschip, was ’t góédig joodje en joodje geweest.

Sprekend met schijnbaar-opgewekte en-toen’s, saamschrapend de klein-holle evenementen der reis, om ze bezig te houden, gloeide de heete wrevel van het weken-gedùld-zijn tot zijn keel, ’t vrindlijk gedùld-zijn door den kaptein, door den hofmeester met ’t rooie-puisten-gezicht, door de beenige kerels die de zee had verdierlijkt tot uiterlijk-brave bonken, wier visie van land één groot bordeel met zuipende meiden, harmonica-gekerm, whiskey was. Het waren dagen van eenzelvige melankolie, altijd besloten in de kleine cabin—en de maaltijden—en het gebed, dat hij aanhoorde als vreemde, dat hem hinderlijk was, hinderlijk om ’t bóék, hinderlijk door den terugslag die er van uitging, terugslag van jóódje, alleen en zwijgend bij grove kerels. Van af den éérsten dag toen hij ziek in de kuil zat en het gezoek beluisterde, het gepraat in de cabin, het gevraag: “waar is ’t joodje?”—, de antwoorden: “’t joodje is”—en wèer “’t joodje is”—nog eens “de jood”—en “òns joodje”—zoo zonder ophouden—en het gezond-lallend gelach om de uitgelodderde grap van den rooie-puisten-hofmeester, dat-ie liever geen smaus met ’n hàlleve zou willen zijn—en ’t donker-grommend gebulder om de vuilheden van den stuurman die in plat-hollandsch zei dat ’n jodenlul even goed was as ’n christenlul, dat lul, lùl bleef, ook al was ’r ’n stukkie af—en ’t bordenlawaai, het stemmen-gedreun, terwijl hij in de kuil braakte, weggeleund tegen ’n tros, met grijze grauwing van dood in hoofd en over de borst en door de beenen—van af dien éérsten dag had hij zich bij hen geweten als ’n verlegen lichtschuw jogje, dwaas-verlegen—verlegenheid aangroeiend door lichamelijke zwakte—verlegenheid die ’m dreef tot tamheid en schuchter mêe-praten. Nergens had hij pijnlijker de màcht van het bruute gevoeld, den eeltigen knuist van bijbel-brabbelend christenvolk. Er was geen ontloopen mooglijk geweest, geen bedrieglijk niet-willen-zien als in steden. Daar op de volle, wijd-cirklende zee, onder de stolp van een grotesk luchthuis had hij daaglijks, uur aan uur, en zoo maánden de verlegenheid van geiriteerd dènkend joodje-van-ras tegenover groote lichamen, zware schouders, platte goedigheden, ruig psalm-gegalm tot ’n heidensch christen-godje, ondergaan. Ze noemden ’m spoedig gemeenzaam, om z’n gezwijg, om z’n zachtheid, om z’n glimlach, ’n bèst joodje, geen scheldnaam bedoelend, niet begrijpend dat ze ’m sloegen als met ’n door mestvaalten gehaalden knoet. Zoo had hij ze verlaten, vriendlijk, met een laatsten handdruk—als ’n hond die de knuisten belikt van ’n trappenden baas—voor het eerst van z’n leven gedwongen-natuurlijk ondergaande ’n tergend noodlot, den hoon van ’n ras, den onnoozelen strijd van ontaarden tegen ontaarden, van stumpers tegen stumpers, waaraan het eenvoudigst gòdsbegrip vreemd was.

Als hij tante Reggie en Soortje en Dovid en Suikerpeer had moeten verhalen van z’n reis, zou ’t zijn geworden een zacht verdrietig gespreek over dagen en nachten van ziekte en koortsing, van groote, stadige eenzaamheid. Maar omdat ze daarvan even weinig zouden begrijpen als de matrozen van z’n starren lach, práátte hij in den kamerschemer over stootinkjes-van-buiten, over zaken die ieder na lange reis vertelt, alsof het gebeùrde, ’t tot herinnering geworden leven romannetjes-beweeg, avontuurlijkheden, schrikjes, verrassingen in prettige schakel houdt. Het zou eene hàrder vernedering zijn geweest dezen in luistring gehurkte lieden, met doodenschijn van stervende huizen op ’t gelaat, ook maar één woord van de benauwende triestigheid te zeggen, die achter z’n oogleden gloeide bij het weder-doorvoelen der reis-melankolie. Ze zouden grof spreken van rissches, het àndre dat hen zelf ver-stumperde niet beseffen. En zoo weidde hij traag-sprekend uit over afzijdigs, zeide hij dof-klaaglijke dingen over den schrik van den mòrgen toen in de hangmat dichtbij de bootsjongen niet bewoog, hoe een arm af had gehangen met ’n blauw-witte lijkehand, hoe de begraafnis kort en plomp was geweest—’n stuk verteerd zeil met rijgsteken dichtgehaald en ’s middags aan tafel wat napraat met psalmen. Het bewogen gaan van z’n stem gaf licht-bruine stilte in de bronzing der kamer. De gezichten met aan-geelender weerschijn van het ruitjes-venster, magerder, trekloos, stonden een wijle stil op het peinzend geadem, alsof ’t blauw-wit lijkehandje kou om de hoofden sloeg.

Soor hoofdschudde het éerst, zei rekkend: “ogge nebbiesch... ogge nebbiesch...” en ’t rap-praten der andren heen-ruwde de stilte, terwijl ze weder bewogen en de mat-glans der koffiekommen in de handen opblankte. Dan sprak Dovid met donkere doling, opnieuw van Esther’s dood, drensde het gesprek in de scheemring over-wat-zij-nog-gezeid-had, over de familie-kwaal, over Eleazar’s bloedspuwing, tot Suikerpeer angstigde dad-’r over wat anders gesproke moch worde, dad-’t voor Eli niet plezierig most weze over niks as dood en ellende te prate, zóo as-die ’n poot over huis zette....

Saartje, op z’n schoot, was in slaap gezakt. Door het dun jurkje heen voelde z’n wijd-spreide hand het adem-geveer onder de ribjes en de krullen van ’t warrige kroes pluim-kittelden aan tegen z’n kin. Nu zelf in geluister, niet meer voorwerp van aandacht, zat sterk hij gebogen, aanhoorend de klachten van Dovid, die maanden werkloos geweest was door ziekte der oogen—twee weken verdiend had, nou weer wàchtte. Ze hadde ’m angerajen na Antwerpen te gaan, maar in Antwerpen was ’t dalles... ’t Was niks gedaan met de roosies... de boel was verpescht enne de gojjiem verpeschte de boel nog meer.... Gistere-avend was ’r ’n meetting gewees in ’t Paleis.... Dekker had gesproke.... Dekker had fijn gesproke.... ’r Ware mozies angenome.... Maar wat zou ’t géve?.... Je vrat de nagels van je vingers.... Waar geen mezomme was, kwam geen mezomme bij.... Over ’n maand ha-je de winter.... As hìj ze niet uit Ammerika had geholpe.... god weet wad-’r gebeurd was. Zoo klaagde hij voort in de scheemring, zeuring van stem met bevestigingsroepen van Soortje en Suikerpeer, zangrig gewrijf van geluid over de tafel met het kopjes-geplak.

Eleazar, de kin op het kroes van het kind, hoorde ’t aan, alsof-ie niet weg was geweest, altijd zóo had gezeten bij dezelfde menschen, bij ’t zelfd voorwerpen-geglans. Buiten was het dalende scheemring. Het cement van den blinden muur goorde toe op het raam als een grauw-wolkige mist, waarin de pijpende afvoerbuis het éenig-werklijke was. Tegen de kleine ruiten van ’t venster, zwak doorkruist; en het gespannen tullen gordijntje, rondde de rug van den pratenden slijper en de vierkanting van zijn gladgeknipt beenig hoofd bewoog in rustig geschok. Het gelaat had geen wit, geen trekken meer. De stem sprak uit het wiegend hoofd, uit den zwarten bollenden rug. De grauwingen van den huiskoker dompelden neer om zijn lichaam, om den melkschemer van het tullen gordijntje, om den beugel der stoel-leuning. Tante Reggie, recht voor de glimmen der koperen kachel, wier glanzende ballen het donker doorkolden als manen in randen van bloed, had een gelaat van nog even bevlamd donkergeel, geel van ’n foliant in scheemring—ook ’r hand, gekromd om stilliggend Moosje, scheurde het zwart zwakjens op. De andren zaten naast ’m, zag-ie niet, zag-ie alleen als-ie het hoofd afwendde naar de zij van de glazen-kast, die verlegen vlekkingen had en ’t rood gebroei van het koperen ganneke-ijzer op d’ onderste plank. Laag drukte de zoldring met plompe geel-bruine balken, op de goudsels van zwart, bruin en brons der avondscheemring. Het was het laatst gefilter van stedenlicht langs grauwe muren, dat zwaar van ingeslurpte schaduw door de stofruitjes zeefde. Van de binnenplaats, van het zwart cement, van de kalkbroksels en zaggende scheuren, dampte het aan als trage rook over daken van zwart-roode pannen, hangend met vadzige kruiping om de vormen der kamer, teer-doorbroken door ’n aangezichtsschemer, door de schamping van ’n koffiekom, door het wazig ruitengeglim der kast, door de geeling van ’t koper.

Eleazar, terugleunend, liet het over zich komen, het avondguldsel, de trage bruining, de schaduwtasting, het laatst licht der stervende huizen. Zijn bleek-witte hand strekte naar de tafel, hief de bleek-matte kom, maar er was gebeef in z’n vingers en de stank van de plaats, de zoete, rottige damp klitte slijm naar zijn keel als bij hevigen angst. Dovid in drenzend gesprek, weer geheel in de zorgen van ’t oogenblik, sprak met donker-dolende stem, twistend met Soortje en Suikerpeer.

“Drink nog e koppie, Eli”, zei Reggie, ’m niet hóorend.

“Nee,” zei hij, opstaand: “’k heb ’t wàrm”—en met ’t kind op den arm kwam hij bij den deurpost te leunen, pogend de aanzwelling van mislijke weeheid te onderdrukken, die het kamertje, de plaats, de scheemring hem gaven. Binnen werd sterker ’t gepraat. Suikerpeer in ruzie, sprak met dik stemgelodder, zangrig aanhoudend, Dovid in de rede vallend. Ze hadden het over iets—hij wist niet wat—zwaar-vermoeid, met gloeiend-puilende oogen luisterde hij naar ’t gefrommel der klanken.

“.... Emmes!... Emmes!...”

“.... Wadde wèet jij d’r van!... Wadde wèet je d’r van!”, kregel-klonk Dovid’s stem.

“’k Zal geen gezond uur meer hebbe!... Is ’t waar Soor? Is ’t waar? Hèit ’t ’m cente gekoscht?”

“’n Pietsie ’n makke! ’n Cent ’n zeer oog!”, driftig-beweerde Dovid:“’k La-me daar afstrijje wad-’k met éige ooge gezien heb!—Geen cent heit-ie d’r an betaald.... ’n Cent ’n makke! ’n Màkke!”

“Hij heit ’r an betaald bij mijn en bij jouw gezond”, slijmde Suikerpeer’s stem.

“Neèm je gelijk! Neèm je gelijk! Nòg!” zei Dovid met raspen van verveling.

“Jij praat over dinge die je nie-wéet”, slijmde de ander weer, koppig, geluid van ontstoken keel.

“Nòg, lek me de màarsch!”, snauwde Dovid.

“Lek jij mìjn de màarsch! Over wadde mot ik jóu de maarsch lekke?”—, gijnig vroeg Suikerpeer, nalachend, stem als ’n vetprop.

“Lek ’m dan dùbbeld”, droog Dovid zei en de stem van de blinde zachtjens dan suste: “Make juillie geen roezie.... Wat sjadt ’t of-die betaald heit of niet”....

Dovid hield aan, duidelijk makend wàt-ie bedoeld had, zangerig-schreeuwend als Suikerpeer ’m poogde te overpraten. Bij Eleazar was kort de luistring geweest. Nu, in de oopning der deur, keek hij naar den snauwenden bek van den huizen-koker, naar de beue gebrokte muren, de drooglatten, de kleeren, de bovenste vaag zwemmende ruiten die d’overzijdaken beloensden, naar de donkere poort. In één woning was licht al, zag hij ’t hoeken van ’n platborstige vrouw in paarsigen doek, die ’n kind kamde en telkens aandachtig den kam onder de lamp stak, zoekend met fel-turende oogen. Diep als een oude smart, wier schrijning tot-leven-gegroeid-is, voelde hij de zacht-gloeiende kropping der keel, die hem gewerd, als hij de kròt-huizen zag.

Maar de hand leunend tegen den deurpost, wreef langs de mezoesos, de blikken huls, waarin de Geboden stonden te schimlen. Glimlachend keek hij er naar, betastte het zwart-roestig ding, trok er aan. Het bengelde zacht. En aldoor glimlachend, vreemdelijk lachend tipte hij ’t los met de nagels, hield het in de hand, draaide het om en om, dat het dofjes glimmerde in de grijzing van den huiskoker, als een blik stukje speelgoed. Saartje wakker geworden zag ’t hem doen.

“O!”, zei ze, kindergeheimzinnig: “O.... oomè!....”

“Wat is ’r?”, glimlachte hij, er mee spelend, maar in plotslingen wrevel, niet meer lachend, stroef kijkend naar het muren-gewrok, liet hij het hulsje in z’n zak glijden, hield de armen om ’t kind.

“Wat zit ’r in, oomè?”, vroeg ze zachjes, wetend dat ’t niet mòcht.

“Niks”, zei hij stilletjes-lachend: “niks, kleine aap.... Morgen krijg je ’n cent.” Met ’t kind in de armen ging-ie de kamer weer in, vragend of Saartje en Moosje niet na bed mosten. Tante Reggie, knikklend, stond op, droeg slapend Moosje.

“Zal ’k licht voor u maken?”

“Wat hèllept me dat?”—, vrindelijk lachte de blinde: “dòmme jongen!.... Doe ’k ’t nie elleke avond? Waddè?”....

Soortje, Suikerpeer, Dovid waren in rammlend gesprek—hij met Saartje in de armen, tastte achter Reggie de donkre alkoof binnen.

“Wees maar nie bang”, waarschuwde de blinde: “’r is geen trap.... ’t is ’n alkoof.... As je maar niet teugen ’t petrolie-stel stoot en niet in de emmer trapt”.... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit, tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd, nam Saartje over, hielp haar aan ’t jurkje. Eleazar streek een lucifer af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep—’n schoorsteen—’n zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z’n vingers, viel neer en hij kraste ’n tweede af, angstig, snel.

“Wat dóe je toch?”—, vroeg de blinde: “maak geen brand.”

“Nee”, zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof, berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig van hout, met ’n stukkende matras en ’n voddige gestikte deken, waarvan de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen ’r als klonten aan. Anders lei niets in ’t hout-gat. Op zij schuinde de huif van een vroegeren schoorsteen met ’n roestig petroliestel en ’n tweede matras opgerold met ’n touw. De grond was van oude in zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op ’t lak dat streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken, viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee, den glimnatten muur.

“Wat doè je? Wat doe je toch?”, praatte de blinde, bezig met ’t kind: “Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif”..., lachte ze.

“Waar slaap ù?” vroeg hij, nog ’n lucifer afstrijkend.

“Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou ’t anders?”

“En Dovid?”

“Op de grond”....

“Op de grond”.... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend, daar hij ’t altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had geslapen:.... “maar die stank”—ging hij voort: “’r mot ’n riool zijn... ’t Stinkt.... ’t Stinkt.... ’k Wor ’r misselijk van”....

“Da’s de emmer, oome”, zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend, viel er in neer, siste en ’t bleef donker. Bloote voetjes betipten den grond. Het kind liep op ’m toe, nam z’n hand, zei helder: “Dag oome Eli”. Hij bukte, zoende ’r op het toegestoken mondje, haalde diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in het vocht van zijn oogen.

“Zoo—enne nou slàpe”, maande de blinde: “hoor je me, Saar-lief?”

“Ja, tante.”

Dovid kwam tastende binnen.

“Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?”

“Hier”, zei hij, hoest-schrapend.

“Gooi jij de emmer is uit, Dovid”, sprak tante Reggie: “de wagen is d’r nog niet”....

“Staat-ie ’r nog?.... Is me aàrdig vol”, schatte Dovid, de duimen om de lippen van het hengsel.

Door de opene plaatsdeur zag Eleazar ’m gaan, wijd-beensch, rug gebogen—en mislijk, ziek door het schokken van z’n maag, het weeëe-watergeloop in z’n mond, stapte hij de plaats op, de donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil, stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot ’m was gekomen. Hij bedwong ’t, speeksel spuwend tegen den grond en met vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming, leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer der muren gebroken. Naar het water was alles morrige, vijandige schaduw, grommelde ’t zwart van den avond. Het norschte zoo triestig, overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit, grom-schaduw plompend in ’t rottende water. Er liep daar een trapje met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij, beklom een leuning ’t bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers—er was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z’n keel. Het was de bitse schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods, op de verzakkende schuur, op ’t stijfdroogde goed, op de latten langs de ramen—klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen, zwart van vleermuizen-vlucht, zwart van rouwwaden in ’t donker van dooden-wagen—zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet, bijna ver-willoosd door ’t zwart, het aanzwalpen van den huizennacht, de stankingen—gister, eergister was ’t de zee nog geweest, de zéé met ’r luchtkoepel, ’r zon—liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast ’n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier, groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en wolken-gekwijn, d’oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen te breken onder ’t plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand groeiden nog boomen, gebogen naar ’t poelige water, geblaarte verwoeld als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water, groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend in heesche verstikking.

Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst, stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z’n voeten, dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,—er tusschen drollen en stronken, en ’t glimmig-hol kreng van een hond. Doch de stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed ’m zoo opnieuw denken aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in hevige schokking van ’t lijf, het hoofd tegen de planken der loods, te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.

Kreunend zag hij ’t braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door ’t gerucht, sprong te water, heen over ’t braaksel. Het leven scheen uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde ’t hoofd als een klomp met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil, het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige plank, naar ’t aangestoven zand, naar de steenen—de steenen, het braaksel dat-ie begon te ontleden—zoo precies as-ie wist wát ’r in was—jodekoek met krente en sucade—enne koffie—Niks vies—niks vies—Je wist wàt ’t was—jodekoek met krente—krente en sucade—enne koffie—Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug, den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z’n hoofd de zee-bij-avond—de zee eentonig van zang—en ’n vinnig-zwart zeiltje in de verte—en ’n violet kartelwolkje. Het gonsde in z’n ooren, de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg, léeg met zware, drukkende haren.

Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z’n zwakheid en met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken huls van tante Reggie’s deurpost, waarin de vergane Geboden. En met hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting, naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen als dobbers. Kort kringde het water, meewieglend het vuil, de hoepels, het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht, doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje te scheppen.

IV.

Inhoudsopgave

Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de fabriek ging. Uit de zijstraten snikte ’t bewegen der menschen naar ’t stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in ’t schamper-geel licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.

Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar vlammen, spetten en schichtige stralen, als-of ijskristallen en sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.

De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d’oksels, heupen vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en blies en ’r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat—’r ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik—’r ooren, garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend geflonker door ’t stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.

De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van krijterig licht, licht op de gevels, bordesjes, ruiten, kozijnen, licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen—de andere in schaduw van ’n bierbrouwerij, wier schoorsteen ’n reuzenspeer geleek rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos, vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw, wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel, versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder ’t buikige lijf van een kof, school ’n logger geduister.

Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en ’n man zat op ’n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten in wippende sloffen. Hiér deed ’t aan als de rust van ’n dorp, van ’n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven, tusschen de grachtgevels—benèe in ’t water, nog eens en nog eens. Uit ’t fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde ’n kruiwagen over een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis zwiepte.

“Is Juda an ’t werk?”—, vroeg Eleazar.

“Juda? Juda is boven”, zei de portier.

Voor ’m uit, in de lange donkere gang, gromde ’t knarsend kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er grint lei. En weer daadlijk was ’m alles bekend, de plakkaten van den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door, rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre diepte der gang kraakte ’n geul rood en vlammen uit een oven, met berstende walmen van roet—de metalen bons van een deur sloot het weer af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte tot ’n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een zaal, waar ’t geraas verwarder ravotte, stemmen in zangrig geschreeuw ’t schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar ’t oùde, oùde liedje.....: “De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me wei..... Mit de Dimantschleiperei!”...., slijpliedje dat-ie gehoord had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob ’t rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan dien tijd, nasprak-ie trapklimmend ’t vervolg-deuntje zooals-ie ’t zich herinnerde, zooals-ie ’t had gezongen en geschreeuwd:..... “De Dimantschleiper sitze-in-’n hoekie.... Trinken ’n koppie koffie, fressen ’n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... ’t Is ze zoo wei mit de Dimantschleiperei!”..... De trap krinkelde om, een-hoog, twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door ’t metalen geklik van een mortier, waarin ’n potjongen boort stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf, in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in klauwenden greep, keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en ’t suizend gestamp der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun schijven langs.

“Wèer ’n baas!”—, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en Klaroen.

“Geef je me vijf guldes méer in de week en ’n broodje met pekelvleesch?”—, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.

“Zonder pekelvleesch doet-ie ’t ook!”, lachte Klaroen, ’t gele gelaat met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.

“Ik ben niet voor baas gebore,” grunnekte Eleazar, ’t hoofd schuddend: “’k heb alles verziekt.”

“Wat zeit-ie?”

“Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!”

“Wàt heit-ie verziekt?”

“De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is ’n ziekte van belang!”—, lolde Leon, met z’n sleutel een dop aanzettend in de tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die gebogen lach-hapten.

“Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom”, gijnde Hes: “Wi-je voor van-avend ’n vrijbiljet voor de Gebochelde, Eli?”

“Hij heit jóú noodig!”, komiekte Moppes, afbuigend en ’n dop smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: “hij heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche te paard!”.....

“’k Doe ’t niet minder as met twintig molens,” lachte Eleazar, opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.

“Wat slijp-ie boort of messe?”—, schreeuwde Klaroen, en het herhalend daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit ’n dreun galmden die donkerder aandreef ’t roezend lawaai van de as en de wielen: “slijp-ie boort—bocht of messe?”

“’n Tafel op z’n togus slijpt-ie!”—, lachte Hes, neerbuigend, zwaar-schuddend van lol de poederpen in ’t schulpje duwend.

Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder van stemmen-gehos. Over ’t trapje tipte voorzichtig ’n klein-mager joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had ’n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken ’t vel doorpuntten—en onder den neus als ’t gekruip van een rups was ’t stekig gepluis van zwart-bruine haartjes. In ’t wit-wijdend licht van ’t fabrieksraam vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.

“Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!”

Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, ’n lap perrelgrijs hoog in de handklampjes.

“Meneer,” wees Hes op Eleazar: “meneer heit ’n pak òvernoodig!”

“Mènèer is betoeg!”—riep Leon: “hij koopt je heele voorraad, koopman!”....

“Wat mot-ie koschte?”—, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel in de zwarte handen.

“Driè gulde!” schreeuwde de koopman: “drie gulde omdat ’t ongeregeld is.... In de magazijne betaal je d’r zèven.”.....

“Dat làppie!.... Dat lappie! ’k Geef je ’n gùlden.”

“’n Gulde? ’n Gulde! Oj?”—, herhaalde het joodje met lijzig schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in z’n hand.

“Allemaal ordienaire lappies”, taxeerde Hes, die Juda ’n tang liet zien met het glazen geblikker van ’n brillant. Juda boog neer, keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak in verwering:

“.....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? ’k Hei-geen ééne ordinair lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos”...

“Geef ’m mijn voor ’n gulde”, smoezelde Klaroen—en in opstuivenden lach: “voor ’n goppe-jas.”

“’t Lijk wel ’n leere-lap, verdomd!”—, spotte Moppes, steen zachtjens aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.

“Kijk daar-is ’n lap”, streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf over de lap: “’n sjijne lap voor ’n broek—’n pràch van ’n lap!”.....

“Vijf-en-twintig stuivers!”—, bood Klaroen, het geel gelaat gewend naar de staal die grijs was met zwarte motjes.

“Ken ’k nie-doen”, verweerde het joodje:

“Kom nou heerè! heerè!..... D’r wordt wat verkoch! Met ’n kleine verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!”

Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak in ’t glimmend gespannen vest, waarover ’n jasje slap slierde. Het fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van ’t voorhoofd—het boord klefde in rimpels om ’t halsje van plooien.

Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend ’n café-chantant-deun. Een floot ’t mede. De ramen, hoog en door-ruit, vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood, halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het andere raam waren twee ruiten gebarsten—wijdtakkige spinwebben met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij, weggerukt naar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van ’t glas en gebroken op ’t lijf van ’n balk. En er neven, zwaar en log, van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op zuilen wier armen met ijzeren klauw in ’t hout hadden gegrepen.

Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke stem haast gedoofd door ’t wringend gesuis van het ijzer der assen en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde ’m toe, stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over ’t lawaai.

“Kom nou heerè, heerè, heerè! D’r wordt wat verkoch!”.....

“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver,” bood Klaroen, de handen gekromd om de tangen.

“Ken ’t ’r nie-voor geve”, strak zei ’t joodje, de lap overkwijnend met flauw-slappe oogen.

“Vijf-en-twintig stuiver ènne ’n stuiver ènne die àndre stuiver”, bood Klaroen, begeerig met listigen lach.

“’n Dáalder!”, schreeuwde het joodje.

“Voor zes en twintig en ’n hàlleve stuiver”, zei Klaroen nog eens in lach.

Maar Leon van achter z’n molen, riep met dik-schorre stem:

“.... Ik geef je ’n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij me vrouw!”

De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.

“Heerè! Heerè!”—, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en Klaroen hapte toe, nam de lap in z’n handen, hing haar streelend over ’t uitgeschoven laadje.

“Wat wàch je nou nog?”, gijnde Moppes: “je dag is goed!..... ’n Daalder voor ’n leere lap!”......

Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwe wachting, keek door ’t raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:

“... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!”...

“... Morrege”, zei Klaroen: “’k Heb geen klein geld”...

“... Die meneer is geen luis rijk...! ’t Is ’n flessetrekker!”—, lawaaide Hes, schurkend van pret.

“Meneer, meneer, ’k ken nog wadde verdiene messchien”, klaagde ’t joodje, benepen.

“Zel ’k-ie ’n sjekkie geve?”—, grinnekte Klaroen.

“’t Is ’n mannetje uit de kaapsche tijd!”, schreeuwde Hes weer.

“’k Ken nog wadde verdiene messchien”, hield ’t joodje zachtzinnig aan.

“Wi-je me adreskaaretje hebbe?”—, praatte Klaroen, de schijf betoetsend met het poeder-penceeltje: “...Rue de Peejee... Drie hoog!”

“Kom betaal ’m”—, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze haren wendend naar de zij van de slijpers.

“Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?”—, vroeg Klaroen.

“As ’k zóo rijk was”, flets-lachte ’t joodje.

“Wi-je morrege terugkomme?”

“Geen mieter is-die rijk”, schreeuwde Hes weer.

“Nee, nóu me cente”, zacht zei ’t joodje.

“Dan maar terug”, zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En ’t joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het trapje weer op, begon z’n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan de overzij.

Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken, vergrauwde den damp der sigaren. “Er komt onweer,” zei Juda, omziend naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.

“Onzin,” zei Moppes.

De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die ’m hield bij den kolet en in keuring bedraaide. “Gááf goed,” zei hij knikkend. Eleazar keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van facetten en de ribjes zetten kuiven van smachtend, waterig blauw als nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel, crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots overpurperd door bloedroode schijning in ’t hart. Aan de andere zijden, op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen, grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda’s vingertoppen, grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden er plomp en stevig rondom, vreemd aan ’t soepel geweef, dat zonlicht geleek, gestold, in kristallen gesmeed.

“Prachtig blauw-wit,” zeide Juda, den steen nederleggend en weer een der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken, ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.

“’k Had opgespaard,” zei deze, pratend dicht bij ’t oor van den slijper: “maar drie maande in ’t gasthuis... en ’n zuster gestorve en de kindere hier... en de reis... ’k Loop zonder ’n cent... zonder ’n cént... Heb jij geen werk?”...

“’Wou dàd-’k ’t had,” zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.

“Dovid loopt óok zonder werk... al wèken,” zorgvol Eleazar sprak. Er kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen, gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm van een chipsmaker.

“Vrijdag schei ’k zelf uit,” zei Juda: “de helft van de molens staat leeg... En ’t wordt erger.”...

“’t Kan niet erger.”...

“’t Wordt èrger,” voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan kwamen ’r streepjes in ’n steen, daar de schijf begon te steken en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z’n tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen; Leon, warm, knoopte z’n jas los, dat de bruin-gele nek en ’n stuk van z’n schouder overvleeschden het blauw van z’n jak. Boven het beenige hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes, dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot ’n deun, saamproppend de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het logge gesnor der wielen. Dat zette d’anderen aan en een oogenblik bralden ze samen, op rythmus van ’t dreunend wielengeslier. Klaroen, geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z’n tabouret, kwam Juda ’n dop toonen. ’t Was ’n steen hard als boort, in kruis geslepen, in bewerking voor achtkant. “’t Mot ’r uit!”, zei Juda: “d’r in ken ’t niet blijve.” Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde langzaam en zeker met sappig gemaal—dan weer opensplijtend z’n mond, zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden, ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

₺111,69
Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
310 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066311018
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar