Kitabı oku: «Beknopte geschiedenis van het vaderland»

Yazı tipi:

J. A. Wijnne

Beknopte geschiedenis van het vaderland


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066339920

Inhoudsopgave

§ 1.

§ 2.

§ 3.

§ 4.

§ 5.

§ 6.

§ 7.

§ 8.

§ 9.

§ 10.

§ 11.

§ 12.

§ 13.

§ 14.

§ 15.

§ 16.

§ 17.

§ 18.

§ 19.

§ 20.

§ 21.

§ 22.

§ 23.

§ 24.

§ 25.

§ 26.

§ 27.

§ 28.

§ 30.

§ 31.

§ 32.

§ 33.

§ 34.

§ 35.

§ 36.

§ 37.

§ 38.

TIJDREKENKUNDIG OVERZICHT

§ 1.

Inhoudsopgave

Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus’ geboorte en onder de heerschappij der Romeinen.

Het land, welks geschiedenis de volgende bladzijden zullen behelzen, heet Nederland. Het ligt aan den mond van den Rijn, den IJsel, de Maas en de Schelde. Behalve dat het de wateren dier stroomen op zijn bodem ontvangt, krijgt het nog die van tal van kleinere rivieren, welke op dien grond ontstaan. In ’t Noorden en Westen beukt, sedert eeuwen, de Oceaan de kusten van dit land en knabbelt er niet alleen stukken af, maar baande zich ook vaak een weg over grasveld en beemde. Eveneens hadden de rivieren eertijds nog geen dijken en stortten dikwijls met onbeteugeld geweld haar wateren over het land heen. Dit land zelf bestond grootendeels uit bosschen, heiden en moerassen.

Terecht mag zulk een land Nederland heeten. Voor een groot deel is de bodem er zeer laag, en aanzienlijke watermassa’s stroomen over zijn grond heen in zee. Maar werden hier of daar aanmerkelijke stukken lands weggespoeld, elders voerden de rivieren of de zee vruchtbaar slib aan, waardoor het mogelijk werd polders in te dijken of droog te maken. Geen wonder, dat de gedaante van dit land thans een geheel andere is dan vóór eeuwen. Onder de groote waterplassen, die voorheen in ons vaderland niet bestonden, zijn de Zuiderzee, de Dollard en de Biesbosch de voornaamste. De oorsprong der Zuiderzee—waarschijnlijk zoo genoemd, omdat zij ten Zuiden van Friesland ligt,—dagteekent van het jaar 839, toen een geweldige watervloed over de twee duizend huizen moet hebben weggespoeld. Latere overstroomingen maakten de plas steeds wijder. De Dollard (d. i. dol of onstuimig water) ontstond in 1277. De derde golf, de Biesbosch, had haar ontstaan te danken aan den St. Elizabethsvloed van den 18den November 1421. In dit water groeiden steeds een menigte biezen, die er het voorkomen aan gaven van een „bosch vol biezen”: vanhier de naam.

In weerwil van dit alles is het niet vrij van overdrijving, Nederland een land te noemen, aan de golven ontwoekerd, tenzij men niet zoozeer het oog hebbe op het droog gemaakte, als tevens op het droog gehouden land. Door verzuim en tweedracht ging veel grond verloren. Aan die oorzaken van landverlies begon eerst een einde te komen, toen, na het uitroeien der wouden, de akkerbouw vrij algemeen aanving en men, om ook wintergraan te kunnen verbouwen, meer op de dringende behoefte aan dijken en zeeweringen begon te letten, hetgeen volgens sommigen niet vóór de 13de, maar, zooals anderen willen, lang vóór de 10de eeuw plaats greep.

Er is een tijd geweest, waarin de volken ’t bearbeiden van metalen niet kenden. Dien tijd, ouder dan de geschreven geschiedenis, noemt men ’t steenen tijdperk. De weinige hunnebedden, d. i. graven of bedden van reuzen, in ons land overig, zijn uit dat tijdperk, en de getuigenissen van de oudste bewoning door geen schrijver geboekt. Men meent, dat de stammen, welke later, lang na het steenen tijdperk, maar toch in vroege eeuwen, het tegenwoordige Nederland en België bewoonden, deze landen zullen hebben verlaten, toen een groote overstrooming, de Cimbrische vloed, eenigen tijd vóór den inval der Cimbren en Teutonen in Italië, vele verwoestingen in het Noordwestelijk gedeelte van Europa, alzoo mede in deze streken, teweeg bracht. Het kan zijn. Wil men echter alleen op historische getuigenissen afgaan, dan waren de Friezen, de Bataven, de Kaninefaten, de Tubanten, de Brukteren de voornaamste van de vele volksstammen, die Nederland en België het eerst hebben bewoond. Waarom „Nederland en België?” Omdat de geschiedenis dier beide landen in de eerste vijftien eeuwen onzer jaartelling zoovele punten van aanraking heeft, dat men, sprekende over de historie van slechts één dezer landen, het andere er dikwijls niet van kan afscheiden. Daarom zij hier aangemerkt, wat vooreerst mede voor ’t vervolg geldt, dat met de uitdrukking „Nederland” of „deze landen” vaak zoowel Nederland als België wordt bedoeld.

Al die stammen, zoo even genoemd, behooren tot de volkerengroep der Germanen. Wanneer en waarom zij naar ons vaderland afzakten, dit zijn vragen, die niet nauwkeurig kunnen worden beantwoord. Waarschijnlijk waren de Friezen, ongetwijfeld het hoofdvolk, ook de oudste bewoners. De grenzen, binnen welke zij zich ophielden, waren in ’t o. de Eems, in ’t z. die arm van den Rijn, welke zich bij Katwijk in zee stortte. De woonplaats der Bataven was het eiland der Bataven, tusschen den Rijn en de Waal gelegen, d. i. een deel van het tegenwoordige Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. Tevens werd dit eiland, vermoedelijk het westelijk gedeelte, door de Kaninefaten bewoond. De Tubanten zullen zich, naar men wil, in Twente, dat aan hen zijn naam ontleent; de Brukteren, voorzoover ons vaderland betreft, ten o. van hen en ten z. van de Friezen hebben opgehouden. Over de zeden en gewoonten dezer volkeren in ’t bijzonder valt natuurlijk niets anders mede te deelen, dan wat allen Germanen gemeen is.

Al de genoemde en andere volkeren, die met hen deze landen bewoonden, geraakten in de eerste eeuw v. C. onder de heerschappij der Romeinen. Die van België werden grootendeels met geweld onderworpen, die van Nederland sloten veelal verdragen en namen alzoo, door de omstandigheden gedwongen, vrijwillig het juk op hun schouders. Van de onderwerping der Friezen heeft de stiefzoon van keizer Augustus, Drusus (zie Overzicht der Algemeene Geschiedenis, 9de druk, blz. 43), de verdienste. Dat intusschen de oude bewoners van Nederland, als bondgenooten, aan de Romeinen ondergeschikt waren, blijkt hieruit, dat zij manschappen aan de legers van dit volk en zelfs aan de lijfwacht hunner keizers leverden. Dit was dan ook de eenige voorwaarde, waardoor de onafhankelijkheid der Bataven werd beperkt, tenzij de Friezen ossenhuiden moesten opbrengen.

Twee opstanden tegen de Romeinen zijn de eenige merkwaardige gebeurtenissen uit de vroegste eeuwen van Nederlands geschiedenis, die bij de Romeinsche schrijvers staan opgeteekend. De eerste is die der Friezen, in 47 n. C. door den Romeinschen veldheer Corbŭlo beteugeld. Eenigen tijd daarna, in 69 n. C., stonden de Bataven op. De titel „broeders en vrienden van het Romeinsche volk”, hun door de machtige bondgenooten geschonken, beschutte hen niet tegen onderdrukking. Niet alleen jongelingen, maar ook ouden van dagen werden voor den krijgsdienst opgeschreven, om hen te noodzaken, zich los te koopen en op die wijze de hebzucht der Romeinsche bevelhebbers of landvoogden te voldoen. Aan ’t hoofd der Bataven, die het juk afwierpen, stelde zich iemand, wiens eigenlijke naam is verloren gegaan en die in de taal der Romeinen Claudius Civīlis heet. Met hen verbonden zich de Friezen, de Kaninefaten en andere stammen.

Zoolang de strijd tusschen Vitellius en Vespasianus, die beide naar de Romeinsche keizerskroon dongen, niet was beslist, behaalde Claudius Civīlis meer dan één zege. Maar toen in 70 n. C. Vespasianus’ veldheer Cereālis kwam opdagen, moest hij het verbond met Rome hernieuwen. Naar ’t schijnt, was de toestand der opgestane volkeren, na den strijd, even dragelijk, als hij voorheen jaren was geweest.

Men kan niet ontkennen, dat het verblijf der Romeinsche legers hier te lande sporen achtergelaten, of, met andere woorden, dat de onderwerping aan Rome gunstige gevolgen voor de bevolking dezer streken heeft gehad. Gedurende dien tijd werden hier en daar wegen aangelegd, ook een enkele dijk; elders vaarten gegraven. Zoo liet Drusus, om een waterweg naar de Noordzee te openen en de Bataven tegen overstroomingen van den Rijn te vrijwaren, de naar hem genoemde gracht graven, waardoor de Rijn nabij Doesburg met den IJsel werd vereenigd. Grootendeels uit legerplaatsen, door de Romeinen opgericht, verrezen allengs steden, als Nijmegen, Utrecht, Leiden en andere. Welken rechtstreekschen invloed echter de Romeinen op de beschaving der landzaten zelven hebben geoefend, is moeielijk te zeggen. Het best laat hij zich voorzeker nog afleiden uit de taal, d. i. uit de Nederlandsche woorden, aan het Latijn ontleend, b. v. schrijven, letter, enz.

§ 2.

Inhoudsopgave

De Franken en de Saksen in Nederland en België.—Deze landen worden een bestanddeel van het Frankische rijk.—De invoering van het leenstelsel en van den Christelijken godsdienst.—De Noormannen.

Het spreekt vanzelf, dat ons vaderland, als bestanddeel van het Romeinsche rijk of als woonplaats van stammen, die bondgenooten van de Romeinen heetten, sedert de 3de eeuw n. C. mede ten doel stond aan de menigvuldige aanvallen, door de Germanen op dit rijk gedaan. Van de groote vereenigingen, door de stammen der Germanen onder gemeenschappelijke namen aangegaan, zijn er twee, die tot deze landen in nauwe betrekking komen te staan. Het zijn die der Franken en der Saksen. Sinds het einde der 3de eeuw deden de Franken, n.l. de Saliërs, bij herhaling invallen in de Nederlanden, bleven er sinds de regeering van Julianus den afvallige, d. i. sinds 361 n. C., gevestigd en breidden zich vervolgens meer en meer naar het Zuiden, eerst tot in Noordelijk België, later tot de rivier de Somme uit. Na den dood van Clovis in 511 behoorden Nederland en België ten deele tot die streek, welke men Austrasië noemde.

Doch de Franken waren het niet alleen, die ons land bewoonden. Sedert de 5de of de 6de eeuw is de landstreek bij den IJsel het gebied niet langer van de Saliërs, maar van de Saksen een volk, dat zich over een groot deel van Noordwestelijk Duitschland uitstrekte en aan wier verbond de Tubanten en welke andere stammen Overijsel en Drente mogen hebben bewoond, zich aansloten. Het noordelijk gedeelte van ons land werd in deze eeuwen, die men het Frankische tijdvak kan heeten, steeds bewoond door de Friezen. Hun grenzen waren niet altijd dezelfde; maar het is zeker, dat er tijden zijn geweest, waarin die van de Noordzee en de Wezer tot de Schelde of de Sincfal, d. i. het Zwin (bij Sluis, in Vlaanderen), reikten. Tusschen de Friezen en de Saksen aan de ééne zijde en de Franken aan de andere ontstond van de 6de eeuw af een strijd, die eerst in de dagen van Karel den groote een einde nam.

Gedurende dat veelvuldig kampen verdwijnen de naam der Bataven en die der Kaninefaten voor goed. Sedert de 5de eeuw komen zij niet meer voor. Zoowel deze volkeren, als andere, die tot dusver afzonderlijke namen hadden gedragen, sloten zich bij de Franken aan of smolten met hen tezamen: hun naam ging in den algemeenen naam „Franken” op.

De onderwerping der Friezen aan Karel den groote dagteekent van ’t jaar 785, die der Saksen van 805. Van dien tijd af maken dus die beide volkeren, bij gevolg ook Nederland en België, een bestanddeel uit van het Frankische rijk, dat tot 843 bleef bestaan. Gelijk elders, voerden de Franken in deze streken het leenstelsel en het Christendom in. Het doopen of de bekeering der Friezen was, behalve van den Frankischen geloofsprediker Wulfran, grootendeels het werk van de Christenzendelingen, uit Engeland overgekomen, van Willebrord en Winfried, sinds zijn overgang tot het kloosterleven, alzoo reeds in zijn jongelingsjaren, doorgaans Bonifacius (d. i. die zijn taak goed volbrengt) geheeten. Willebrord werd de eerste bisschop onder de Friezen. Wulfran is de man, die door zijn onberaden ijver den koning der Friezen, Radboud, in 719 noopte, te Hoogwoude (ten n. o. van Alkmaar) zijn voet weder uit het water terug te trekken, waarin hij dien reeds had gezet, ten einde door den doop in de gemeente der Christenen te worden opgenomen. Bonifacius vond den 5den Juni 755 met drie-en-vijftig zijner leerlingen bij Dokkum den dood des martelaars.

De verdeeling dezer landen of volken in den tijd van de heerschappij der Franken is drieledig: 1o de kerkrechtelijke, uitgaande van den paus en allengs ingevoerd sedert het begin der 8ste eeuw; 2o de staatsrechtelijke, uitgaande van den keizer en in de 8ste eeuw tot stand gekomen; 3o de burgerlijke of geographische, van vroegere tijden dagteekenende en uit den boezem des volks voortgesproten. Ten aanzien van de eerste verdeeling stond het Noorden tot de Schelde en de Waal onder het bisdom Utrecht, het Oosten en het Zuiden onder Saksische en Frankische bisdommen. Staatsrechtelijk werd het land verdeeld in hertogdommen, deze weder in graafschappen, de graafschappen o. a. in schoutambten. De burgerlijke verdeeling was in volken of landen, elk land in gouwen, elke gouw in marken. Veelal stemde deze verdeeling geheel overeen met de staatsrechtelijke, zoodat een gouw gelijk stond met een graafschap, een mark met een schoutambt. Zóó gingen de aloude marken, d. i. stukken grond, die voorheen ’t gemeenschappelijk eigendom waren der markgenooten, welke waarschijnlijk van de eerste verovering of inbezitneming dagteekenden, in deze nieuwe indeeling op.

Hier volgen een paar dier gouwen, zoowel uit het land der Friezen en Saksen, als uit dat der Franken. In het tegenwoordige Groningen: Hunsingo; in het tegenwoordige Friesland: Oostergo, met de hoofdplaats Dokkum; in het tegenwoordige Holland: West-Friesland, met de hoofdplaats Medemblik; in het tegenwoordige Overijsel: Twente, met de hoofdplaats Goor; in het tegenwoordige Gelderland: de Veluwe, de Betuwe, enz.

Vraagt men naar de vruchten van de heerschappij der Franken in deze landen, hierop kan in zooverre een antwoord worden gegeven, dat men zich over ’t geheel een tamelijk goed denkbeeld van den algemeenen toestand vermag te vormen. Het land werd, onder ’t oppergezag der koningen, bestuurd door hertogen en graven. Oorspronkelijk beduidt het woord hertog aanvoerder van een leger. Maar dikwijls werd ook hij zoo genoemd, die over de krijgsbenden eener zekere landstreek het bevel voerde, weshalve die titel dan aan de landstreek werd gehecht. Zoo waren er hier te lande drie hertogen: een van Friesland, een van Saksen en een van Frankenland. Onder de hertogen stonden de graven, d. i. rechters. In den beginne werd die titel zoowel aan ambtenaren van lagen als van hoogen rang gegeven, zoodat b. v. een opzichter over wouden, dijken, wegen, enz. vaak graaf werd genoemd. Later werden die koninklijke of keizerlijke ambtenaren gewoonlijk zoo geheeten, die als rechters, doch ook als burgerlijke bestuurders en aanvoerders van ’t leger den vorst vervingen. De bank van schepenen, waarvan de graaf voorzitter was, had rechtspraak over het geheele graafschap. Onder de graven vond men schouten, die aan ’t hoofd stonden van de schoutambten. De bevolking was niet langer in den toestand van wilde horden, maar in dien eener geregelde maatschappij met vaste wetten. Zij was gesplitst in de volgende standen: vrijen, liten (lieden of hoorigen) en slaven of lijfeigenen. Dewijl de liten op de hoeven der vrijen woonden, noemde men ze hofhoorigen. Noch hun toestand, noch die der lijfeigenen was zoo onaangenaam, als die der slaven in de oudheid of die der negers in de volkplantingen der Europeanen van den nieuweren tijd. Ten bewijze dat handel en nijverheid geen geheel vreemde dingen waren, strekt, dat Dorestad, (Wijk bij) Duurstede, b. v. een aanzienlijke koopstad was. De groote wegen werden naar behooren onderhouden en met wering van knevelarij, tegen voldoening van bepaalde tollen, voor elk opengesteld.

Reeds gedurende de regeering van Karel den groote en vroeger werden deze landen door de Noormannen besprongen, doch vooral geschiedde dit onder ’t bewind van Lodewijk den vrome en na hem. Deze woeste horden, de stroomen opvarende, legden de steden, die zij op haren weg ontmoetten, zware schattingen van honderden of duizenden ponden goud of zilver op, of kenmerkten in het binnenland, zoover zij doordrongen, haren weg door roof en doodslag. Lodewijk de vrome verschafte de Noormannen een zeer gewenschte aanleiding om hun rooftochten voort te zetten. Tot hem kwamen n.l. drie dier Noordsche vorsten, Heriold, Roruk en Hemming, die uit Denemarken waren verjaagd en met behulp van Lodewijk hun gebied zochten te herwinnen. Lodewijk, die steeds voor ’t Christendom ijverde, hoopte door ’t verleenen van den gevraagden bijstand deze vorsten en misschien een aantal hunner onderdanen tot het aannemen van dien godsdienst te bewegen. Hierin slaagde hij naar wensch. De Deensche vorsten lieten zich in 826 doopen; maar het mocht den koning der Franken niet gelukken, hen in ’t bewind te herstellen. Vol blijdschap over hun bekeering, gaf Lodewijk hun daarom leenen in de Nederlanden: aan Heriold Dorestad of Duurstede en omstreken; aan Roruk Kennemerland (een deel van Noord-Holland nabij Alkmaar) en aan Hemming Zeeland. Dit bracht vele rampen over de Nederlandsche gewesten, want behalve dat de van buiten komende Noormannen hier van nu af hun heerschzucht ruimen teugel vierden, onderdrukten de in deze landen gevestigde Noormannen de landzaten van tijd tot tijd zeer. En niet vóór 885 eindigde hun heerschappij in deze streken.

Inmiddels had het Frankische rijk in 843, bij het verdrag van Verdun, opgehouden te bestaan. Hierbij verkreeg Lotharius I. o. a. het oostelijk gedeelte van Frankrijk en aangrenzende landen, gelegen in ’t z., tusschen de Rhône en de Alpen, in ’t n., zoowel ten n. van den Rijn als tusschen deze rivier en de Maas, gelijk mede tusschen de Maas en de Schelde tot de monden dezer rivieren. Lodewijk de Duitscher bekwam o. a. het land ten n. van de Alpen en ten o. van den Rijn. Karel den kale eindelijk werd o. a. het gebied ten westen van de Schelde, de Maas, de Saône en de Rhône toegewezen. Hieruit volgt, dat Lotharius I bijna geheel België en Nederland, Karel de kale Vlaanderen, Artois en een deel van Zeeland verwierf. Later, in 870 en 879, kwam het aandeel van Lotharius I aan Duitschland.

§ 3.

Inhoudsopgave

Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land.—De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun.—Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen.—Aard en uitbreiding der grafelijke macht.

Toen de Friezen zich in 785 aan Karel den groote onderwierpen, werd hun land, zooals vanzelf spreekt, geacht een bestanddeel van het rijk der Franken te zijn. Doch het leenstelsel werd bij hen zoo goed als niet ingevoerd; zij behielden hun persoonlijke vrijheid, eigendom en rechten, hoewel zij door koninklijke ambtenaren werden bestuurd. Alzoo verschilde hun toestand van dien der bewoners van de andere gedeelten dezer landen, als van Brabant, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en van een streek van Noord-Holland, n.l. Kennemerland. Hier werd de Frankische stam, vroeger of later, de overheerschende, de Friesche de onderliggende. ’t Gevolg was, dat de Friesche inwoners der laatstgenoemde landen, althans grootendeels, ophielden vrijen te zijn, en, als hoorigen of lijfeigenen, tot allerlei dienstbetooning aan de overheerschers werden verplicht. Niet alleen als volk werden zij dus vernietigd; maar zij verloren ook een groot deel hunner menschenrechten. Bij de veelvuldige verdrukking van allerlei heeren, waaraan zij ten doel hadden gestaan, had daarenboven menige vrije het als een geluk beschouwd, zich als lijfeigene te mogen verkoopen, op die wijze, met opoffering van de vrijheid, althans rust en veiligheid verwervende. Nergens intusschen was het getal lijfeigenen zoo groot als in de landen van den bisschop van Utrecht.

Na het jaar 843 kwamen de Nederlanden en België (steeds met uitzondering van Vlaanderen en van een gedeelte van Zeeland), om niet van het tijdperk van overgang te spreken, gelijk op blz. 9 werd opgemerkt, weldra tot Duitschland in die betrekking te staan, waarin zij tot dusver hadden gestaan tot het rijk der Franken. Van dien tijd af maakten zij, n.l. voor zoover zij bij het verdrag van Verdun tot het aandeel van Lotharius I hadden behoord, een bestanddeel uit van het hertogdom Lotharingen, en sedert 965, toen dit hertogdom in Opper- en Neder-Lotharingen werd verdeeld, van het laatste.

In de 9de en de 10de eeuw werden waarschijnlijk de meeste Nederlanden erfelijke leenen, dewijl dat, wat oorspronkelijk een gunst des keizers was, allengs, in weerwil van hem, als een recht werd beschouwd. Het volk en de kleinere leenmannen, die zich natuurlijk meer aan de plaatselijke overheid dan aan den veeltijds afwezigen keizer hielden, namen met deze verandering licht genoegen. Meer dan eens ontstonden er evenwel groote moeielijkheden uit de vraag, of het eene of andere gewest alleen een mannelijk of zwaardleen, of wel tegelijk een vrouwelijk of spilleleen was. Sedert de 11de eeuw kwamen allengs meerdere gouwen aan één graaf. Dit ontsproot hieruit, dat sommige gravengeslachten uitstierven of werden verdreven en de overige zich dan met hun nalatenschap verrijkten. Hierdoor kwam het, dat in de 12de eeuw bijna het geheele land tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland en den bisschop van Utrecht was verdeeld.

De verandering, die langzamerhand in het Zuiden in den staat van zaken plaats greep, was hoofdzakelijk deze, dat in plaats van het hertogdom Neder-Lotharingen, voor en na, verschillende zelfstandige staten ontstonden. De grootste dier staten was Brabant, dat ook den titel „hertogdom” behield. Verder vond men er het markgraafschap, veelal graafschap genoemd, Namen, en het graafschap Henegouwen. Ten o. van deze drie staten lag het bisdom Luik. Tusschen den Maas en den Rijn lag het graafschap, sedert de 11de eeuw hertogdom, Limburg. Maastricht was voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van Luik, voor een ander deel een op zich zelve staande rijksstad, die later door Karel V van het Duitsche rijk afgescheiden en aan Brabant toegevoegd werd. Ten z. van Limburg stiet men op het graafschap, sedert 1354 hertogdom, Luxemburg.

Antwerpen met zijn omstreken was reeds in de 10de eeuw een markgraafschap van het heilige Roomsche of Duitsche rijk en werd door den hertog van Brabant bestuurd. Mechelen was een heerlijkheid, die in 1357 aan Vlaanderen kwam. Gelijk Artois in zijn geheel, zoo was Vlaanderen grootendeels een deel van Frankrijk, Kroon-Vlaanderen geheeten. Het andere gedeelte, het Noordelijke, was een leen van Duitschland en werd Rijks-Vlaanderen genoemd. O. a. bevatte het Zeeland bewester schelde, d. i. het land ten n. van de Hont. In 1007 gaf keizer Hendrik II Rijks-Vlaanderen aan Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, in leen, die op zijn beurt het Zweedsche land wederom in achterleen gaf aan graaf Dirk III van Holland.

De staten, die in ’t Noorden verrezen en waarvan straks ter loops werd gewaagd, waren Holland, Utrecht, Gelderland. Zooals men gewoonlijk aanneemt, ontstond het graafschap Holland, waarbij dat gedeelte van Zeeland behoort, dat ten n. van de Oosterschelde ligt, in 922, doordien Karel de eenvoudige (Overzicht, 9de druk, blz. 78) aan hem, die men veelal Dirk I noemt, Egmond en omliggend land, ongeveer van Hillegom tot Alkmaar, schonk. Maar wil men op een begin van ’t graafschap Holland wijzen, dat op een vasten grondslag steunt, dan moet men gaan tot het jaar 1018, tot dien Dirk, die doorgaans dirk III heet. Tusschen de Merwede en de oude Maas lag te dier tijde een moerassig bosch, dat de bisschop van Utrecht en die van Luik gemeenschappelijk bezaten. Deze wildernis werd in het begin der 11de eeuw door graaf Dirk eigenmachtig in bezit genomen. Hij stichtte er een sterkte ter bewaking van de talrijke rivieren, welke die streek besproeien, en hief er op eigen gezag tol van de voorbijvarende schepen. Tevergeefs trachtte keizer Hendrik II dit te beletten. De sterkte, door Dirk gesticht, gaf het aanzijn aan de stad Dordrecht. Naar ’t schijnt, had de genoemde streek, wegens haar rijkdom aan bosschen den naam Holland gekregen, die, na de verovering, allengs op de meer naar ’t noorden gelegen streken overging. Vanhier, dat de graven, die voorheen „graven van Friesland” heetten, zich sinds dezen tijd „graven van Holland” begonnen te noemen. Sedert 1323 werd de graaf van Holland, gelijk beneden zal worden aangetoond, tevens graaf van Zeeland, een land, dat zijn naam wellicht hieraan ontleent, dat het deels uit zee, deels uit land bestaat (zee en land).

Gelderland bestond oudtijds uit de graafschappen Gelre of Gelder en Zutfen. De eerste, welke den titel „graaf van Gelder en Zutfen” voert, is hendrik in 1138. „Graaf van Gelder” heette hij naar zijn hoofdstad Gelre (ten n. o. van Venlo). In 1339 verhief keizer Lodewijk reinoud II of den zwarte, zoo genoemd naar de kleur van zijn hoofdhaar, tot hertog van Gelderland.

Zooals boven is vermeld, pleegt er sedert 695, toen Willebrord zijn zetel te Utrecht vestigde, van een bisdom Utrecht te worden gewaagd. Dikwerf komt het ook onder den naam het Sticht of Stift, gelijkbeteekenende met „gesticht”, voor. Hoe ver het gebied des bisschops in geestelijke of kerkelijke zaken reikte, is reeds (zie blz. 6) gezegd. Oorspronkelijk was de kerkelijke macht de eenige, die de bisschoppen hadden. Doch sedert de keizers en andere machtige mannen, van tijd tot tijd, allerlei bezittingen aan den bisschoppelijken stoel schonken, kwam hierbij allengs ook wereldlijk gezag. Als wereldlijke vorsten waren zij, gelijk de overige Nederlandsche vorsten in de Middeleeuwen, leenmannen van het Duitsche rijk. Sedert 1122 werd de bisschop door de kanoniken van de vijf kapittelkerken gekozen. De vergadering van al die kanoniken tezamen droeg den naam kapittel van Utrecht. Behalve over Utrecht strekte zich de wereldlijke macht van de bisschoppen ook uit over Overijsel, daarom Oversticht geheeten, alsmede van Groningen en Drente. Wat Overijsel betreft, dit hebben zij trapsgewijze gekregen. Weleer waren hier, zooals elders, onderscheiden graafschappen, alle aan het Duitsche rijk leenroerig. Naarmate deze landstreken, bij het uitsterven der mannelijke lijn en anderszins, aan het rijk vervielen, gaven de keizers ze aan den bisschoppelijken stoel in leen.

Nog is niet gesproken van Friesland en van eenige in de Middeleeuwen op zichzelf staande kleinere gedeelten van ons vaderland. Het eerstgenoemde land, tevens West-Friesland, een groot deel van de latere provincie Groningen en Oost-Friesland bevattende, werd sedert Karel den groote door graven beheerscht. Wat die andere deelen des lands aangaat, hiertoe behoorde o. a. de heerlijkheid Westerwolde, sinds het einde der vorige eeuw bij de provincie Groningen ingelijfd.

Na op de bestanddeelen der Nederlanden in de Middeleeuwen te hebben gelet, vestige men zijn aandacht op den aard der grafelijke macht in Holland, waarbij men zich behoort te herinneren, dat wat hier wordt aangevoerd tevens in ’t algemeen voor Gelderland, Utrecht, enz. geldt. Oorspronkelijk waren de graven (zie blz. 7) ambtenaren, d. i. dienaren, die in naam van den koning der Franken of den keizer van Duitschland de vierschaar spanden, de boeten invorderden en den heirban aanvoerden. Zij bezaten op dezen grond doorgaans vele landen, bosschen enz. in vollen eigendom. De bediening, hun opgedragen, kon worden herroepen, weshalve niet de graven naar de streek, waarover zij waren gesteld, werden genoemd, maar de graafschappen den naam droegen van hen, die ze bestuurden. Sedert de leenwet van keizer Koenraad II (Overzicht, 9de druk, blz. 79) in 1037 werden de graafschappen alom, dus ook hier te lande, erfelijk. Nu bleven de graven niet lang meer dienaren. Aangesteld door een heer, die verre was, poogden zij weldra zich van hem zoo goed als onafhankelijk te maken, zijn plaats geheel in te nemen, in ’t kort landsheeren te worden en als zoodanig te handelen. Het hun geleende gezag zochten zij tot een eigen te maken. Hiertoe behoefden zij den steun hunner onderdanen en moeten zich dien hebben weten te verschaffen. Eens landsheer geworden, gaf ook de graaf van de aanzienlijke goederen, die hij bezat of aan zich had getrokken, er vele in leen aan de vrijen en eigenerfden, hier woonachtig, natuurlijk onder voorwaarde, dat zij hem, den leenheer, getrouw zouden wezen en bijstaan tegen wien ook.

In naam van den graaf of landsheer spande in Holland de baljuw of schout, zijn ambtenaar, de vierschaar (d. i. de vier gerechtsbanken), of, met andere woorden, riep de schepenen, als bijzitters, bijeen. De schepenen wezen het vonnis, en de baljuw of schout sprak het uit. De baljuw, de plaatsvervanger van den graaf in elke gouw, stond hier aan ’t hoofd van ’t burgerlijk bestuur, was voorzitter in de gerechten, voerde de ingezetenen in oorlog aan en oefende het toezicht over wateren, wegen en dijken.

Vooral was het Floris V, die inbreuk maakte op de oude instellingen en de grafelijke macht uitbreidde. Om niet afhankelijk te zijn van den bijstand der edelen in geval van oorlog, stichtte hij steden en begunstigde ze met keuren en allerlei voorrechten. Voor den grafelijken domeingrond, waarop zij werden gebouwd, betaalden die steden een jaarlijksche som, als tot afkoop van de diensten, waartoe de bewoners van dien grond zouden gehouden geweest zijn. De gemeenten, aldus ontstaan, werden als vazallen of leenmannen aangemerkt. Alzoo de burgerijen, als krijgsmacht, aan de troepen der leenmannen kunnende tegenstellen en hun inkomsten met behulp van de jaarlijksche schattingen, hun door de steden op te brengen, vermeerderende, verzwakten de graven de heeren, zichzelven tevens versterkende. Deze gevolgen werden in nog ruimer mate zichtbaar, toen de graven, met de edelen, eveneens de steden opriepen, om ook haar over ’s lands belangen te raadplegen of haar om beden te vragen. Op die wijze veranderden de graven allengs de geheele inrichting van den staat.

De burgers dier steden wierpen hoe langer hoe meer een aanmerkelijk gewicht in de schaal. Op grond van den ouden rechtsregel, dat geen vrij man kon worden gedwongen, zonder eigen toestemming, iets van zijn eigendom af te staan, konden ook zij hun bewilliging onthouden aan de vorstelijke beden, d. i. aanzoeken om geldelijke hulp, en wel in dier voege, dat elke stad voor zich kon weigeren. En vermits in deze landen, gelijk elders, de geestelijkheid en de edelen van rechtswege bevrijd waren van alle lasten, uitgezonderd van den krijgsdienst, en zich zoolang mogelijk in ’t bezit van dit recht handhaafden, waren de graven meer en meer verplicht, zich, ten einde de noodige gelden te erlangen, tot de stedelingen te wenden. Deze gesteldheid van zaken verklaart ook het aanwezig zijn van die tallooze privilegiën hier te lande, als zoovele bolwerken, om te groote overmacht van den graaf te stuiten.

De inhoud dier stukken liep natuurlijk uiteen. Maar geen stad of gewest was er bijna, of zij kon zich beroemen op een keur, waardoor de ingezeten verzekerd was, niet buiten de grenzen van stad of gewest gedagvaard of voor een vreemden rechter gedaagd te worden (jus de non evocando). Dergelijke privilegiën bezwoer de graaf, aleer hij het bewind aanvaardde. Eerst dan legden de onderdanen den eed van trouw en gehoorzaamheid af.

Wat het binnenlandsch bewind betreft, bleef Friesland tot den tijd van Karel V op een geheel bijzonderen voet bestaan. De keizer beleende met dit land hetzij den bisschop van Utrecht, hetzij den graaf van Holland of een ander vorst. Alzoo meende zoowel de graaf van Holland als de bisschop van Utrecht een verkregen recht te hebben op de heerschappij over de Friezen, die zelven evenmin gezind waren den een als den ander te gehoorzamen. De herhaalde uitgifte van Friesland in leen toont aan, dat er, gedurende de Middeleeuwen, in dit land geen gezag bestond, gelijk aan dat van den bisschop van Utrecht, den graaf van Holland of den hertog van Gelderland. De graven of regenten, die er waren, moeten worden geacht ambtenaren van lageren rang te zijn geweest en met minder macht bekleed, dan die was, welke de zoo even genoemde landsheeren, elk binnen zijn perken, uitoefenden.

§ 4.

Inhoudsopgave

Holland onder de graven uit het Hollandsche huis.

Hetgeen op de laatstvoorgaande bladzijden omtrent het karakter en de hoedanigheid van de macht der landsheeren staat opgeteekend ziet, uit den aard der zaak, niet op één tijdstip in ’t bijzonder. Het is veeleer een doorloopende beschouwing van de ontwikkeling dier macht in den loop der tijden, welke steeds behoort te worden getoetst aan de geschiedenis der staten zelven, waartoe wij thans overgaan. ’t Eerste graaflijke stamhuis, dat in Holland regeerde en oorspronkelijk in de streken van de oude abdij van Egmond was gevestigd, was dat van Holland, naar de gewone meening, 922-1299 (zie echter blz. 11 en 12). Hier volgt de reeks der graven, uit dat huis gesproten. Zoo men met 922 begint, zijn er zestien: Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I. De plaats, waar de huldiging der graven plaats had, was Dordrecht. De eerste graven waren vaak in oorlog met de West-Friezen, met wier land zij, hoewel tegen den zin der inwoners, beweerden door den keizer te zijn beleend. In 1256 viel willem II op een veldtocht tegen hen bij Hoogwoude (ten n.o. van Alkmaar), waar hij, met zijn paard door het ijs gezakt en tevergeefs een groot losgeld biedende, door de vijanden werd afgemaakt. Eerst floris V, zijn zoon, onderwierp hen in 1282 en 1287, en tevens de Waterlanders en de Drechterlanders, zooals hij vroeger de Kennemerlanders had bedwongen.

Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van Utrecht, eensdeels wegens Friesland, anderdeels over de grensscheiding. Zoo werd Utrecht ongeveer in 1145 door dirk VI, uit wrok over het verlies van Friesland (zie blz. 15), belegerd. Toen echter bisschop Herbert, aan het hoofd zijner geestelijkheid, in plechtgewaad, met een boek in de hand uit de gewijde vest kwam, om den banvloek over den graaf uit te spreken, ontgleed het krijgszwaard aan zijn bevende handen en brak hij in aller ijl het beleg op. Dat sommige graven zich zelfs aan openlijken oorlog met den keizer durfden wagen, blijkt o. a. uit het voorbeeld van Dirk III (zie blz. 12). En dan was Holland nog, ter zake van Zeeland (zie blz. 11), in langdurigen kamp met de Vlamingen gewikkeld. Van Hollands graven namen floris III en willem I persoonlijk deel aan kruistochten, de eerste aan den derden, waarin hij wakker streed, maar in 1190 te Antiochië aan een ziekte overleed. Zijn tweede zoon Willem vocht, na den dood zijns vaders, mede voor Acre. Nadat hij vervolgens zijn broeder Dirk VII als graaf was opgevolgd, ondernam hij aan ’t hoofd van een leger Hollanders en Friezen gezamenlijk met de andere vorsten een tocht tegen Damiate (in ’t n. van Egypte, nabij een der monden van den Nijl), om vandaar Syrië en Palaestina aan te tasten. Na een langdurig beleg werd Damiate in 1219 ingenomen, doch in 1221 ook reeds weder ontruimd. Ter herdenking dezer gebeurtenis hangen er, sedert het midden der 16de eeuw, in den toren van de groote of St. Bavo’s kerk te Haarlem koperen klokjes, die zoowel elken avond geregeld als hij brand en andere gelegenheden worden geluid. Zij heeten Damiaatjes, niet omdat zij van Damiate afkomstig zijn, maar omdat zij bestemd zijn, de herinnering aan den tocht levendig te houden.

Slechts eenmaal werd, gedurende de regeering van het eerste stamhuis, als punt van geschil, de vraag opgeworpen, of Holland een zwaard- dan wel een spilleleen was. Het geschiedde in 1203, bij den dood van Dirk VII. Hij liet één dochter na, Ada geheeten. Graaf Dirk had gewenscht, dat zijn broeder, weldra graaf Willem I, als regent het bewind voor haar voerde. Maar Dirks gemalin, Adelheide, haatte Willem, en hoewel zij zich niet kon ontveinzen, dat Holland, destijds althans, als een mannelijk leen werd aangemerkt, poogde zij het graafschap voor hare dochter te behouden. Mede met het oog daarop huwde zij Ada uit aan Lodewijk, graaf van Loon (ten n. van Luik), Dit huwelijk werd voltrokken, terwijl het lichaam van Ada’s vader nog boven aarde stond, zoodat het gebruikelijke rouwmisbaar voor de blijde bruiloft moest wijken. Deze handelwijze van Adelheid maakte de verontwaardiging van vele edelen gaande, die nu partij kozen voor Willem. Zóó ontbrandde er een oorlog, waarin de fortuin Lodewijk eerst een korte poos toelachte, om hem weldra ontrouw te worden. Reeds in 1204 werd hij uit Holland verdreven en kwam er nimmer terug.

Allengs was het aanzien van het Hollandsche gravenhuis zeer gerezen. Nog hooger steeg dit, toen Willem II, de stichter van ’s Gravenhage, in 1247 tot Roomsch koning werd benoemd, een waardigheid, die hem intusschen veel strijd kostte en geen werkelijke macht schonk. Doch juist toen zijn gelukszon in Duitschland begon te rijzen en zijn uitzichten te verhelderen, viel hij, omtrent dertig jaren oud, in den kamp tegen de West-Friezen (zie blz. 16). Hij benevens Willem I en Floris V zijn het inzonderheid, aan wie de steden en vlekken hun opkomst hadden te danken.

Gelijk elders, oefenden de kruistochten ook in ons land hun invloed en brachten een geheele omkeering in de maatschappij teweeg. Ook in Nederland begon men van lieverlede de gevolgen te gevoelen van het onderlinge verkeer der natiën, dat toen opkwam. Dat men onder de banier des kruises voor een heiliger beginsel streed, dan men tot dusver had gekend, leidde tot veredeling van den woesten krijgsmansgeest en temperde de ruwheid van zeden. Ook hier werd de kring van menschelijke kennis en ervaring uitgebreid en verwekte de handel, die reeds tot eenigen bloei kwam, een hooger gevoel van zelfstandigheid. Nu de kennismaking met het Oosten en met het Byzantijnsche hof de behoefte aan meer gemak en weelde, aan pracht en vertooning had gewekt, vermenigvuldigden zich, met de vermeerdering van allerlei behoeften, eveneens de takken van nijverheid en nam de handel een hoogere vlucht. Alwie, getroffen door het gezicht van Italië’s steden, fier op eigen bestuur, naar huis terugkeerde, haakte naar ’t zelfde geluk en deed mede bij anderen de begeerte daarnaar ontbranden. De edelen, die, om de kosten der uitrusting te bestrijden, vele hunner eigendommen moesten vervreemden of hun lijfeigenen de vrijheid schenken, verloren van hun invloed en luister. Het volk werd uit de diepe vernedering der lijfeigenschap opgeheven en de grond gelegd tot het ontstaan van den derden stand, d. i. dien der poorters of burgers, en tot dien der boeren. De kruistochten bevorderden krachtig het gebruik der moedertaal en riepen rechten en vrijheden in ’t leven. Zij verbonden de drie standen nauwer en ontwikkelden ze meer en meer door ’t wijzigen hunner zeden en gewoonten.

Op den grondslag nu, ook door de kruistochten gelegd, begon voet voor voet het gebouw der burgerlijke vrijheid te verrijzen. Zooals boven werd opgemerkt, zijn de meeste steden haar oorsprong of bloei aan het straks genoemde drietal graven verschuldigd. In de keuren, aan de steden uitgereikt, werd haar vrijdom van tol geschonken; voor toezicht op wegen en vaarten gezorgd; een zekere boete op misdrijven bepaald; het recht gegeven om haar overheidspersonen of schepenen te verkiezen; vastgesteld, welk getal van manschappen, b. v. 25 tot 30, de stad in geval van oorlog moest leveren en hoe groot de som, jaarlijks te voldoen, zou zijn, b. v. van 20 tot 60 gl. (zie blz. 14). Doch Floris ging nog verder. Hij raadpleegde niet alleen de edelen, maar ook van tijd tot tijd sommige steden over ’s lands belangen.

Zóó verrees, in tegenstelling met andere landen, op Hollands bodem op vreedzame wijze tal van steden. Als regel gold het, dat elke lijfeigene of hoorige, die binnen een stad zijn toevlucht nam, vrij werd, zoo hij na jaar en dag door zijn heer niet was opgeëischt. Groot was de verandering, die reeds hierdoor de toestand van den lijfeigene of hoorige onderging. Van dit oogenblik af betaalde hij geen schot (van schieten, in den zin van bijdragen, geven) en lot (eigenlijk: stuk grond, vandaar: de schatting er voor), d. i. hoofdgeld, meer, want dit geschiedde alleen door de niet-vrijen. Hij mocht, naar welgevallen, een huwelijk aangaan, over zijn goederen beschikken, in één woord: hij kreeg persoonlijke rechten. Als burger deelde hij verder in de voorrechten, waarmede de steden langzamerhand werden begiftigd. Geen andere verplichtingen stonden hier tegenover, dan dat hij (zie boven) eens in ’t jaar met zijn medeburgers een vaste som moest opbrengen, binnen de stad blijven wonen en zich, wanneer haar eenig gevaar dreigde, gewapend naar de loopplaats begeven. De band, op die wijze bij de opkomst der steden gelegd, werd later nog nauwer toegehaald, sinds de burgers allerlei bijzondere verbintenissen onder elkander aangingen. Hiertoe behooren hoofdzakelijk de gilden, d. i. vereenigingen van lieden, die hetzelfde bedrijf of handwerk uitoefenen, met verbod aan anderen om dit te doen.

Is het vreemd, dat Floris door zijn tegenstanders der keerlen God, d. i. de afgod der stedelingen en boeren, werd genoemd? Niet alleen door rechtstreeksche begunstiging, ook door het fnuiken van den adel bevorderde hij hun belangen. Op verzoek van een paar steden en edelen uit het Sticht deed hij de heeren Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, zijn leenmannen, den oorlog aan. Die oorlog liep ten nadeele der beide heeren af. Gijsbrecht deed in 1285 afstand van een deel der goederen, die hij van den bisschop in leen had, o. a. van Muiden, welke op Floris overgingen, die hierdoor een vazal van Utrecht werd. Dezelfde bepaling werd op de heerlijkheid Woerden toegepast. Verder deden beiden afstand van hun alodiën, waar ook gelegen, ten behoeve van Floris, die ze hun als leenen teruggaf.

Meer dan genoeg had Floris gedaan, ten einde den wrok der edelen op zich te laden. Als om de maat vol te maken, voegde hij er nog bij, dat hij veertig hoorigen, die zich op de een of andere wijze jegens hem verdienstelijk moeten hebben gemaakt, van alle slaafsche diensten ontsloeg en hen vrij verklaarde. Welk een vergrijp in ’t oog der edelen! Terwijl zij vol verbittering aan de bevrediging hunner wraakzucht dachten, kregen zij onverwachts een bondgenoot in Eduard I, koning van Engeland. Hij verplaatste bij een verdrag, in 1295 met Guy van Dampierre, graaf van Vlaanderen, gesloten, den stapel der Engelsche wol van Dordrecht, waar hij sedert eenige jaren was, naar Brugge en Mechelen. Hierom sloot Floris zich in den oorlog, die in 1293 tusschen Engeland en Frankrijk losbarstte (Overzicht, 9de druk, blz. 90), sedert 1296 bij Philips IV of den schoone, koning van Frankrijk, aan. Deze verbindtenis deed Floris den dood. Eduard vond bereidvaardige dienaren in een groot aantal edelen, die hij overreedde, om Floris gevangen te nemen en naar Engeland te voeren. Zij, die hun arm inzonderheid leenden tot de uitvoering van Eduards plannen, waren Jan van Kuik (de omstreken van Grave, ten z. van Gelderland), Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden, Gerard van Velzen. Wat aller verbittering had verwekt was, dat Floris, dáár partij kiezende, waar eigen voordeel en overeenstemming van gevoelen hem riepen, lieden, op welke zij laag neerzagen, uit het stof had verheven. Velen hadden bovendien hun bijzondere grieven.

Weldra ondervond Floris, wat de vijandschap der edelen vermocht. Op den dag, waarop hij als middelaar een verzoening had teweeg gebracht van de heeren van Amstel en Woerden met de verwanten van den heer van Zuilen, een leenman van het Sticht, vielen de samengezworenen, in de nabijheid van Utrecht, op Floris aan, namen hem gevangen en voerden hem naar Muiden, om hem vandaar naar Engeland in te schepen. Intusschen kwamen de Kennemers, de Waterlanders, de West-Friezen en de Gooilanders op de been, legerden zich voor Muiden en eischten, dat men hun den graaf overleverde. In plaats van aan deze vordering gehoor te geven, zetteden de edelen Floris te paard en trachtten hem, langs een omweg vliedende, naar Brabant of Vlaanderen te vervoeren. Doch ternauwernood hadden zij een eind weegs afgelegd, of zij stieten op een schaar Gooilanders, die denzelfden eisch als kort tevoren deden. Vreezende voor de overmacht te moeten bukken, pleegden thans de edelen, Floris om hals brengende, de misdaad, die zij niet van plan waren geweest te bedrijven. Der keerlen God viel als het offer hunner wraak in 1296. Let men op de gevolgen, dan voorzeker zijn ’s graven handelingen zeer te prijzen; maar van het standpunt van ’t recht beschouwd, zijn zij van willekeur niet vrij te pleiten. Eenige van de moordenaars vielen in handen van de West-Friezen en Kennemers en werden door hen gedood; anderen werden door den scherprechter ter dood gebracht; nog anderen, met name de heeren van Amstel, Woerden en Velzen, ontvluchtten het zwaard der gerechtigheid.

In 1297 volgde Floris’ zoon jan hem op. Wolfert van Borselen (op Zuid-Beveland), heer van Veere, werd aan het hoofd der regeering geplaatst, maar in 1299, bij een oploop van ’t volk, te Delft van ’t leven beroofd. Door dit onheil van zijn leidsman verstoken, wierp Jan zich in de armen van zijn neef, Jan van Avennes (ten z. van Bergen, destijds in Henegouwen, thans in Frankrijk), graaf van Henegouwen, wien hij het bewind voor vier jaren opdroeg. Doch reeds in ’t eerste jaar van dit regentschap, nog in 1299, stierf Jan I.

§ 5.

Inhoudsopgave

Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis.

Jan van Avennes, nu jan II, alzoo in ’t bezit van drie graafschappen zijnde, liet zich, evenals zijn opvolgers, in één of meer dier graafschappen vervangen door plaatsbekleders, stad- of stedehouders genoemd. Gedurende Jans bewind barstte de zware oorlog uit tusschen Frankrijk en Vlaanderen, waarin de graaf van Holland en Henegouwen als bondgenoot van Filips den schoone optrad. Dit, gevoegd bij de ingewikkelde betrekking, die steeds tusschen Vlaanderen en Holland bestond, noopte de Vlamingen, gehoor gevende aan den aandrang der Zeeuwsche edelen, één jaar na den slag bij Kortrijk (Overzicht, 9de druk, blz. 90), in Zeeland en Holland te vallen. Zelfs drongen zij tot Haarlem door; doch hier werden zij in 1304 gestuit bij het Manpad, dat zijn naam ontleent aan het vluchten van zoovele mannen, n.l. Vlamingen. De eer dezer zege komt toe aan de dapperheid en de tegenwoordigheid van geest zoowel van Witte van Haamstede (op Schouwen), een onechten zoon van Floris V, als van Willem van Oostervant (een voormalig graafschap in Henegouwen), Jans zoon. En binnen één week werd geheel Holland, gelijk weldra ook Zeeland, van de overweldigers bevrijd. De graaf zelf was inmiddels in Henegouwen gebleven, waar hij nog in ’t zelfde jaar overleed.

Zijn opvolger was willem III, de goede (1304-1337). Naar het schijnt is hij het, die de beden in Holland en Zeeland invoerde, d. i. de bijdragen, die de graaf van tijd tot tijd vroeg, wanneer de gewone inkomsten niet toereikend waren. Verder riep hij voor ’t eerst de schepenen der steden van Holland en Zeeland op, om met de edelen over een punt, rakende de opbrengsten, te beraadslagen. Bij een dusdanige gelegenheid kwam eens de genegenheid, welke die onderdanen voor hem koesterden, op treffende wijze aan het licht. Toen Willem van Holland en Zeeland 1000 gl. vroeg, drong men hem, 10,000 gl. aan te nemen. Dit weigerde hij, zeggende, dat hij ook de 1000 gl. niet wilde, overtuigd, dat hij bij dergelijke lieden, indien het mocht worden vereischt, steeds genoeg geld zou vinden. Die gezindheid verklaart op voldoende wijze, hoe Willem zijn bijnaam verwierf. Deze bijnaam, die op de degelijkheid en de voortreffelijkheid van zijn bewind over ’t geheel ziet, werd hem, die het recht steeds onkreukbaar handhaafde, voorzeker naar verdienste toegekend. Van de gebeurtenissen, onder zijn regeering voorgevallen, is zonder twijfel de gewichtigste het verdrag, dat hij in 1323 met den graaf van Vlaanderen, Lodewijk I van Nevers (ten z.o. van Orléans), sloot. Hierbij zag Lodewijk van de leenhulde wegens Zeeland bewester Schelde (zie blz. 11) af. Keizer Lodewijk van Beieren bekrachtigde als leenheer dit verdrag. Van nu aan was de graaf van Holland tevens graaf van Zeeland. Vergrootte Willem door het eindigen van een strijd, die eeuwen lang vijandelijkheden had teweeggebracht, het aanzien en de macht van Holland, ook de luister van zijn huis steeg, toen zijn dochter Margareta met keizer Lodewijk in ’t huwelijk trad.

Aan Willems zoon, willem IV (1337-1345), gelukte het, zooals aan sommige zijner voorgangers, vasten voet in Friesland te krijgen en er eenig gezag te oefenen. Toch brak er een opstand tegen hem uit. Met een sterke vloot daarheen getogen, landde de graaf in de nabijheid van Stavoren, waar hij door de Friezen werd verslagen en zelf omkwam.

De gesneuvelde vorst liet geen kinderen na. Dus zocht elk, die tot hem in eenige betrekking stond, naar aanspraken op de graafschappen, gegrond of ongegrond. De keizer, Lodewijk van Beieren, legde de hand op alles, want Henegouwen moest, als spilleleen, aan Willems oudste zuster, Margareta, komen, terwijl Holland en Zeeland, als zwaardleen, aan het rijk vervielen. In Holland en Zeeland liepen de gevoelens zeer uiteen. De meerderheid van den adel had er niet tegen, dat de keizerin haren broeder opvolgde. Daarentegen verlangden de steden een man, een wakker vorst. Zooals elders in Europa, lag ook hier te veel brandstof opgestapeld voor een strijd tusschen de beide vijandige elementen, reeds onder Floris V ontkiemd (zie blz. 20), dan dat hij niet zou uitbarsten bij de eerste gelegenheid, welke de verdeeldheid weder in ’t leven riep. Intusschen haastte keizer Lodewijk zich, in 1346 zijn gemalin plechtig met Holland, Zeeland en Friesland te beleenen. Onverwijld vertrok zij naar haar graafschappen. Weldra had zij onder de edelen een aantal raadslieden, die haar vertrouwen bezaten. Dit verbitterde anderen, die niet tot de uitverkorenen behoorden. Gesteund door vele steden, lieten zij de machtspreuk hooren, dat Holland zich nimmer door een vrouw, als wettige vorstin, zou laten regeeren. De keizerin besloot voor den storm te wijken. Eer zij echter naar Beieren terugkeerde, noodigde zij de edelen en de steden uit, een van Lodewijks zonen als stedehouder te kiezen. De keus viel op Lodewijks tweeden zoon Willem. Hij voerde den titel verbeider. Maar ook hij vond geen genoegzamen steun en was weldra met schulden overladen. Daarom leende hij het oor aan zijn tegenstanders, die zich lieten verluiden, dat, zoodra hij in den waren zin des woords graaf was, de zaken anders zouden gaan.

Dit alles hoorde de keizerin, en het wekte in hooge mate haar bezorgdheid. Terzelfder tijd stierf haar gemaal, en de keizerskroon viel aan Karel IV, den vijand van het Beiersche huis (Overzicht, 9de druk, blz. 89), ten deel. Nu was goede raad duur. In haar verlegenheid gaf Margareta gehoor aan den wenk van eenige welmeenende lieden, die haar uit Holland schreven, dat haar niets anders overbleef, dan het graafschap voor goed aan Willem af te staan. In 1349 teekende zij dus een verklaring, waarbij zij Willem als graaf van Holland en Zeeland en als heer van Friesland erkende, onder voorwaarde, dat hij haar jaarlijks ongeveer 34,000 gl. en een zekere som op eens betaalde. Maar Willem keerde de beloofde sommen niet uit. Zoo nam in 1350 de strijd tusschen de Hoekschen en de Kabeljauwschen een aanvang. Margareta herriep haar gift en begaf zich naar Henegouwen.

Hoekschen en Kabeljauwschen waren de namen der partijen. Het is licht te begrijpen, dat een volk, in welks bedrijf de visch een groote rol speelt, die kooplieden Kabeljauwschen noemde, welke, als de van roof levende visschen, vaak rijk werden ten koste der geringere volksklasse. En waren zij gelijk aan kabeljauwen, dan konden de edelen, die de hand aan het zwaard sloegen, als wilden zij de tegenstanders, gelijk den visch met den haak of hoek, ermede doorboren, zeer goed Hoekschen worden geheeten. Een roode hoed was het kenteeken der Hoekschen, een grauwe dat der Kabeljauwschen. Verreweg het meerendeel van Hollands steden was Willems zaak, die der Kabeljauwschen, toegedaan, slechts die niet, welke den adel behoorden. In Zeeland daarentegen telde Margareta, naast vele edelen, ook een aantal steden onder hare aanhangers. De boeren stonden grootendeels de Hoekschen bij. Intusschen behoort men niet voorbij te zien, dat er, hoe scherp men ook de grenslijn tusschen de beide partijen trachtte te trekken, geen stad of streek was, waar slechts òf Hoekschen òf Kabeljauwschen de bevolking uitmaakten.

De oorlog der Hoekschen en der Kabeljauwschen kenmerkte zich hierdoor, dat toen, voor ’t eerst hier te lande, buskruit door de troepen werd gebruikt. Na vele mislukte pogingen werd eindelijk, in 1354, het geschil op afdoende wijze uit den weg geruimd. Margareta stond Willem de graafschappen Holland, Zeeland en Friesland af en behield alleen Henegouwen. Wederom beloofde Willem, dus willem V geworden, haar een jaargeld te zullen betalen. Twee jaren daarna overleed de keizerin te Quesnoi (in Henegouwen). Kort hierop bracht men ook haar zoon derwaarts, want sedert 1357 vertoonden zich bij hem sporen van krankzinnigheid.

De partijen waren in ’t leven geroepen, en al was de twist, die ze, meer dan eenig ander voorval had doen ontstaan, nog bij het leven der hoofdpersonen bijgelegd, tusschen deze partijen zelven werd de strijd, met langer of korter tusschenpoozen, ongeveer anderhalve eeuw voortgezet. Inmiddels werd Willems jongere broeder albrecht door toedoen der Hoekschen regent of ruwaard. Eerst in 1389, na den dood van Willem V, werd hij graaf (1389-1404). Met zijn zoon, Willem van Oostervant (zie blz. 22), stelde hij zich aan het hoofd van een talrijk leger, dat een krijgstocht naar Friesland ondernam. Keer op keer werden de Friezen geslagen; doch gevolgen leverden de behaalde overwinningen niet op. Tallooze sommen verslond de oorlog, en niet anders won de graaf, dan dat hij vasten voet in Stavoren had. In vele opzichten herinnerde het bewind van Albrecht aan dat van Willem den goede. Ook hij was een vorst, die aan Europa’s hoven in hoog aanzien stond. Zijn dochter Margareta huwde hij uit aan Jan zonder vrees, een zoon van Philips den stoute, hertog van Bourgondië, zijn zoon Willem aan Philips’ dochter Margareta. Deze huwelijken hadden dit gevolg, dat het Beiersche huis in nauwe betrekking kwam te staan tot het Bourgondische. Albrechts jongste zoon Jan werd bisschop van Luik. Een der merkwaardigste feiten zijner regeering, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft, is, dat te dier tijde in de meeste steden van Holland, naast schout en schepenen, als overheid, burgemeesters optraden met een raad, waarvan de leden uit de burgers werden gekozen. Albrecht overleed in 1404.

Willem VI, tot dusver Willem van Oostervant genoemd (1404-1417), had een afkeer van de Kabeljauwschen. Hij hield zich aan de gewoonte, door zijn vader ingevoerd, huurtroepen ter bezetting zijner sterkten op de been te houden en dankte ze niet weer af. De graven uit het Beiersche huis zagen zeer goed in, dat deze bezoldigde krijgslieden bruikbaarder werktuigen tot het volbrengen van hun wil waren, dan de leentroepen, weshalve zij deze hoe langer hoe meer te huis lieten. In 1417 stierf Willem VI, slechts één dochter nalatende, Jakoba van Beieren, geboren in 1401. Het zelfde jaar, waarin Jakoba haar vader ontviel, had haar reeds haren eersten gemaal, Jan van Touraine (het graafschap, waarvan Tours de hoofdstad was), den tweeden zoon van Karel VI, koning van Frankrijk, en na den dood zijns broeders dauphin, ontrukt.

Voorzoover de opvolging betreft had Willem dezen maatregel genomen. Één jaar vóór zijn dood had hij de edelen en de steden van Holland en Zeeland bijeengeroepen en uitgenoodigd hem bij eede te beloven, zijn dochter Jakoba als wettige opvolgster te zullen erkennen. Velen, maar slechts Hoekschgezinden, waren verschenen en hadden aan het verzoek voldaan. Toen nu Willem was overleden, scheen het eerst, dat zich niemand tegenover Jakoba zoude stellen. Sedert lang toch werd op de bepalingen ten aanzien van de opvolging in de leenen van het Duitsche rijk niet meer gelet en handelde men, zooals de omstandigheden het medebrachten. Jakoba legde de belofte af, steeds in gemeenschappelijk overleg te zullen regeeren met haar moeder, Margareta van Bourgondië, en met haren oom, Jan van Beieren, die sinds het dempen van een hevig oproer te Luik ook wel „Jan zonder genade” werd genoemd. Maar nog was het jaar 1417 niet ten einde, of er ontstonden geschillen tusschen Jan en Jakoba.

Zóó herleefde de burgeroorlog: de partijen stonden immers toch tegenover elkander, en de Kabeljauwschen hadden slechts op een hoofd uit het grafelijk huis gewacht. In 1418 voltrok Jakoba haar tweede huwelijk met Jan IV, hertog van Brabant en Limburg, markgraaf van Antwerpen, den stichter van de hoogeschool te Leuven. De oorlog zelf leverde voor Jakoba niets dan teleurstelling en verlies op. Door de omstandigheden gedwongen, stemde zij in een verdrag toe, dat Philips de goede, hertog van Bourgondië, een zoon van Jan zonder vrees en neef van de strijdende vorstin, in 1419 als middelaar tot stand bracht. Van dit oogenblik af gold alleen het gezag van Jakoba’s oom in Holland en Zeeland. Zijzelve vertoefde met haren gemaal in Brabant, en hoe ook de Kabeljauwsche partij, door Jan van Beieren begunstigd, hier en daar de Hoekschen onderdrukte, zij was, bij de onverschilligheid en de onbekwaamheid van Jan van Brabant, niet in staat, zich ertegen te verzetten. Welhaast leverde Jakoba’s echtgenoot een nieuw bewijs van die onverschilligheid omtrent haar belangen. In 1420 verpandde hij, tegen een groote som geld, Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Niet alleen Jakoba, ook de onderdanen zelven van den hertog, d. i. de staten van Brabant, koesterden de grootste minachting voor Jan, dien zij hierom van het bewind ontzetteden, het regentschap aan zijn broeder opdragende. Nu kon Jakoba den smaad niet langer dulden, een zoodanig man tot gemaal te hebben. Zij stak naar Engeland over, met den koning van welk land, Hendrik V, zij reeds vroeger onderhandelingen over een nieuw huwelijk had aangeknoopt, en trouwde in 1422 ten derden male met Humphrey, hertog van Glocester, Hendriks broeder. Drie jaren daarna, in 1425, overleed Jan van Beieren.

Jan van Beieren liet zijn rechten op de drie graafschappen bij testament na aan zijn neef Philips den goede van Bourgondië. Maar Holland en Zeeland verklaarden Jan van Brabant getrouw te blijven; Henegouwen huldigde den hertog van Glocester en Jakoba. Op nieuw begon alzoo de oorlog tusschen Jan van Brabant en Philips aan de ééne en Jakoba aan de andere zijde. Jakoba’s troepen gelukte het, in 1425 Schoonhoven te vermeesteren. Aan alle manschappen der bezetting werd het leven gelaten, slechts niet aan één man, Allaert Beilink, vroeger schout te Gouda, die mede had gestreden ter verdediging van het slot der stad. Op last van een Hoeksch edelman werd hij—dit is althans het waarschijnlijkste der uiteenloopende gevoelens over het lot van dezen man—levend begraven. Inmiddels verliet Humphrey, uit hoofde van geschillen in Engeland, waarin hij was betrokken, deze landen. Terzelfder tijd benoemde Jan van Brabant zijn neef tot ruwaard van Holland en Zeeland. Slechts te Schoonhoven, Gouda en Oudewater werd Jakoba als gravin erkend. Gedurende het vervolg van den strijd, die steeds slepend bleef, overleed Jan van Brabant in 1427, terwijl een geestelijk gerechtshof te Rome in 1428 de echtverbintenis met Glocester voor onwettig verklaarde. Zóó ook van dezen man verlaten, dien de in Engeland heerschende verdeeldheid tot dusver had verhinderd hier krachtdadig op te treden en die nu zonder tegenzin in de uitspraak der kerk berustte, werd Jakoba meer en meer in ’t nauw gebracht. Daar haar gezag tot de drie genoemde steden beperkt was, zag zij geen anderen uitweg dan het sluiten van een verdrag, dat in 1428 te Delft tot stand kwam. De hoofdpunten waren: Jakoba wordt erkend als gravin van Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen, Philips van Bourgondië als ruwaard en erfgenaam dezer gewesten; in die hoedanigheid zal Philips het bewind voeren, totdat Jakoba een nieuw huwelijk aangaat; Jakoba zal niet hertrouwen dan met toestemming van hare moeder, van Philips en van de drie stenden der landen, tenzij zij wil geacht worden, haar onderdanen van den eed van gehoorzaamheid te hebben ontslagen; Jakoba zal een gedeelte trekken van de inkomsten der graafschappen.

Philips benoemde tot stadhouder van Holland en Zeeland Frank van Borselen, die door de diensten, met groote kieschheid aan Jakoba bewezen, weldra zoozeer haar genegenheid verwierf, dat zij met hem in den echt trad. Frank van Borselen verloor nu het stadhouderschap, doch werd door Philips tot graaf van Oostervant verheven. Deze daad van Jakoba, als strijdende met het verdrag van Delft, had in 1433 het verlies der grafelijke waardigheid ten gevolge. Daarentegen verkreeg zij van Philips vele heerlijkheden, waarvan zij de inkomsten bleef trekken tot haren dood in 1436.

§ 6.

Inhoudsopgave

Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huis.

Jan zonder vrees werd in 1419 op de Yonnebrug gedood (Overzicht, 9de druk, blz. 91). Zijn zoon philips de goede (1433-1467) volgde hem onmiddellijk in Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois en Salins op. In 1421 kocht hij het graafschap Namen van graaf Jan III, die zich het vruchtgebruik gedurende zijn leven voorbehield en na wiens dood, in 1429, Philips het land in bezit nam. In 1430 erfde hij van een neef Brabant, Limburg en Antwerpen. In 1433 stond Jakoba hem Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland af. Eindelijk kocht hij nog het hertogdom Luxemburg en nam het in 1451 in bezit.

Philips de goede is de eerste hertog uit het huis van Bourgondië, die onder de Nederlandsche vorsten een plaats bekleedt. Langzamerhand was de omvang van het grafelijk gezag in de staten, die het tegenwoordige Nederland en België uitmaken, grooter geworden. Allengs waren vele beletselen tegen de uitbreiding van dat gezag uit den weg geruimd. Niet langer was de grond van Holland en Zeeland, om van deze maar alleen te spreken, met tal van kasteelen overdekt, waarin evenveel edelen met hun in ’t staal gedoste manschappen lagen, steeds ten aanval tegen den graaf gerust. De macht des adels was voor die van den landsheer geen struikelblok meer. Een andere was ervoor in de plaats gekomen. Als een loopend vuur was het streven der ingezetenen om zich tot gemeenten te vereenigen van den een tot den anderen staat overgegaan. Door de behoefte aan geld gedrongen, hadden de vorsten geen perken gesteld aan de begeerte der steden naar privilegiën, maar ze met ruime hand gegeven aan wie ze verlangde. Doch van lieverlede begonnen die vorsten, de gevolgen hunner milddadigheid inziende, te trachten ze op allerlei wijze te voorkomen. Zij schrikten voor den vorm van gemeenebest, die aan de gemeenten eigen was. Zij vingen aan de overeenstemming te duchten, die meer en meer ontstond tusschen de burgers en de door hen gekozen overheidspersonen. Hiertegen richtte zich dus hun streven. Niet langer riep nu de graaf, zooals weleer, het gansche lichaam der gemeene poorters bij klokkeslag op, doch alleen een zeker aantal der meest gegoeden van hen, (naar het woord vroed = wijs) doorgaans de vroedschap en rijkheid geheeten, om, na hem te hebben gehoord, zijn besluit te nemen. Alzoo werden zij, die men opriep, telken male als de vertegenwoordigers der poorters in ’t algemeen aangemerkt.

Bij de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis was evenwel het beperkte gezag nog een oorzaak van beperkte heerschzucht. Anders werd dit sedert het optreden van het Bourgondische huis, dat, zoovele staten onder zijn macht vereenigende, ze zooveel mogelijk tot één lichaam wenschte te doen samensmelten. Dit huis toonde in al zijn daden, welk zijn doelwit was, eenheid, overwicht der grafelijke macht over den adel en over de steden beide. En toen later het Oostenrijksche huis voor het Bourgondische in de plaats kwam, hield ook dit vast aan een stelsel, dat den vorst het regeeren zoo gemakkelijk maakte, en, hoewel het ook ten nutte der ingezetenen verstrekte, toch geheel in ’t belang van den landsheer was uitgedacht. De Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden werkten het doel des graven in de hand.

Ter bevordering nu van het groote doel, zoo even aangeduid, deed Philips de goede verschillende stappen. Hij is de oprichter van dien vasten raad, die het hof van Holland wordt genoemd en in 1428 tot stand kwam. Hij had zitting te ’s Gravenhage en zat in hooger beroep terecht over alle vonnissen, in burgerlijke zaken door andere rechtbanken gewezen. Het spreekt vanzelf, dat hierdoor aan de oude vierscharen veel van haar kracht werd ontnomen. De leden van ’t hof werden door den graaf aangesteld en waren dus alleen van hem afhankelijk. Een andere stap was deze. Aan vele steden van Holland vergunde Philips, op de wijze boven omschreven, vaste vroedschappen of stedelijke raden op te richten, die zichzelven mochten aanvullen. Intusschen hoede men zich, deze vroedschappen voor de „regeering” der steden te houden. Zij waren niets anders dan de vertegenwoordigers van ’t lichaam der burgerij. De regeering berustte bij schout, schepenen en burgemeesters, ’s graven ambtenaren.

Er is nog meer. In 1455 stelde Philips een hoog gerechtshof in, dat hij den naam geheime of groote raad gaf, waarop alle inwoners zijner gewesten zich, bij rechtsgeschillen, in appèl konden beroepen. De geheime raad hield zijn zittingen in de plaats, waar de vorst vertoefde, en kreeg later een vasten zetel.

Philips de goede is ook de eerste graaf, die een paar malen een vergadering der Algemeene Staten bijeenriep. Reeds is in dit werk gewag gemaakt van het raadplegen der edelen, of der steden, of der edelen en steden tezamengenomen door de graven. Dergelijke bijeenkomsten, die voor ieder gewest in ’t bijzonder werden gehouden, noemde men sedert Albrechts tijd dagvaarten, later staten, vermits de edelen en de steden, waaruit zij bestonden, de staten, d. i. standen des lands, vertegenwoordigden. Voor ’t eerst komt die naam, wat Holland betreft, in 1428 voor. Het getal der steden, die doorgaans opkwamen, was zes, n.l. Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. Voorzitter dier staten was aldáár hij, die het ambt van ’s lands advocaat bekleedde. In Zeeland bestond het lichaam der staten uit drie leden, n.l. uit den abt van Middelburg, de edelen en vijf steden. In plaats nu van, gelijk tot dusver, de staten van elke provincie in ’t bijzonder, riep Philips eenige keeren die van alle gewesten gezamenlijk ter vergadering op, hierdoor den grond leggende tot het latere lichaam der Staten-Generaal. Zeer bekend is b. v. de vergadering der Algemeene Staten, die den 25sten April 1465 te Brussel plaats had.

De jaren van Philips’ regeering zijn een van de merkwaardigste tijdperken der geschiedenis, zoowel wat zijn eigen daden betreft, als ten opzichte van de wereldgeschiedenis in ’t algemeen. Tot die daden des vorsten behoort nog de instelling in 1430 van de orde van het gulden vlies. Het doel der instelling was, de edelen, wier ridderlijke dapperheid hij hoog waardeerde, ter bescherming van de kerk, nader onder elkander en aan zijn persoon te verbinden. Hijzelf was er het hoofd van. Geen der leden kon voor een andere rechtbank, dan voor die der orde, worden gedaagd. Het zinnebeeld der orde was het „lam Gods”, dat de ridders aan een keten om den hals droegen.

Merkwaardig is de tijd van Philips’ regeering. Immers in die jaren vallen de verovering van Constantinopel door de Turken, de invoering der vuurwapens bij de legers, waardoor aan het overwicht der edelen weder een gevoelige schok werd toegebracht, en de uitvinding der boekdrukkunst. De eer dezer uitvinding komt òf aan Laurens Janszoon Coster van Haarlem, òf, wat met meer recht schijnt te worden beweerd, aan Johan Guttenberg toe, die ongeveer 1455 te Maints leefde. De Nederlandsche gewesten dreven veel handel; hun zeevaart was belangrijk. Vlaanderen en Brabant waren beroemd door hun lakenfabrieken. De zetel van den handel in hout, vee, paarden en koren met de Oostzee en het Noorden van Europa was in Holland. Vele steden waren leden van het hanzeverbond. Een andere en rijke tak van bestaan was de haringvisscherij, die evenwel haar toppunt nog niet had bereikt. Willem Beukelszoon van Biervliet (in Staats-Vlaanderen), overleden in 1397, had het kaken en zouten van dien visch, die eertijds alleen versch werd gegeten, uitgevonden. De schepen, waarmede men ter haringvangst voer, heetten en heeten nog buizen. Aan ’s volks tevredenheid over dien bloei is Philips’ bijnaam toe te schrijven. Het volk noemde den vorst „den goede”, die hun, in plaats van de lange regeeringloosheid en den burgeroorlog, wederom de weldaden van den vrede, de veiligheid en het recht deed kennen. Op die wijze betoonde het zijn dankbaarheid aan Philips, die, zijn eigen belang met dat zijner staten vereenzelvigende, de goede dagen van Willem III deed terugkeeren. Intusschen valt het niet te ontkennen, dat die bijnaam hem geenszins wegens overgroote goedheid van aard toekomt, daar menige harde daad tegen hem getuigt.

Philips liet, bij zijn dood in 1467, een welvoorziene schatkist aan zijn zoon, karel den stoute (1467-1477), na. Deze graaf nam, met het oog op het stelsel van zijn huis, twee gewichtige maatregelen. Vooreerst vestigde hij in 1474 den grooten raad te Mechelen (zooals hij van nu af doorgaans heet). Verder richtte hij in 1471, op het voorbeeld van Karel VII, koning van Frankrijk (Overzicht, 9de druk, blz. 91), een staand leger ruiterij op. Tot de vermeerdering der erflanden van zijn huis legde hij den grond door in 1471 een verdrag te sluiten met Arnoud van Egmond, hertog van Gelderland. Bij dit verdrag verpandde Arnoud hem zijn hertogdom voor een som van 300,000 gl., hem tevens tot erfgenaam benoemende. Maar de Gelderschen wilden Karel niet tot hertog hebben. Zóó brak er een oorlog uit, die meer dan een halve eeuw duurde. Gedurende zijn gansche regeering was er één hoofddenkbeeld, dat Karel beheerschte: de hoed, dien hij als hertog droeg, moest met een koningskroon worden verwisseld; de landen, die tusschen de Middellandsche Zee en de Noordzee, tusschen Frankrijk en Duitschland lagen, moesten onder zijn schepter worden vereenigd. Toen zijn plan om in overleg met keizer Frederik III dit doel te bereiken was mislukt, doordien de keizer in 1473 de stad Trier, waar men ter beraadslaging was bijeengekomen, snel weder verliet, besloot hij met geweld op te treden. Maar hij sneuvelde in 1477 bij Nancy (aan de Moezel, ten z. van Metz) in een slag tegen Réné, hertog van Lotharingen.

Zonder één zijner ontwerpen verwezenlijkt te zien, scheidde Karel uit het leven, al zijn landen in een ongelukkigen toestand aan zijn dochter maria (1477-1482) nalatende. Lodewijk XI verklaarde al wat leen was der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondië werd vermeesterd, Artois en Picardië, zelfs Franche-Comté, aangetast, Vlaanderen bedreigd. In de Nederlanden zelven wilde men vóór alles waarborgen voor ’t behoud der nationaliteit tegen Fransche overheersching, vóór alles herstel der geschonden privilegiën. Het gevolg was het groot-privilegie, dat Holland en Zeeland bedongen, aleer zij zich tot eenige opoffering ten behoeve van Maria verplichtten. In dit stuk stond de gravin een deel harer macht aan de staten af. Soortgelijke handvesten, als het groot-privilegie, werden ook aan andere gewesten, inzonderheid aan Vlaanderen, toegestaan. Terstond trad Maximiliaan, een zoon van Frederik III, die nog in 1477 Maria’s echtgenoot werd, tegen Lodewijk XI in het strijdperk. Doch eerst in 1493 gaf de koning van Frankrijk Franche-Comté en Artois, op eenige steden na, terug. Zich gedurende den strijd tegen Frankrijk van den bijstand zijner onderdanen willende verzekeren, sloot Maximiliaan zich nauwer bij de Kabeljauwschen aan. In 1482 overleed Maria, en Maximiliaan aanvaardde de voogdij voor zijn minderjarigen zoon Philips II of den schoone.

§ 7.

Inhoudsopgave

Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche huis.

De tijd van ’t regentschap was zeer onstuimig en baarde Maximiliaan vele zorgen. In 1488 stonden de bewoners van Gent en Brugge op, rekenschap eischende van de opgebrachte gelden. Maximiliaan zelf, op dat tijdstip te Brugge vertoevende, werd met vele heeren van zijn gevolg gevangen genomen en in de woning van een bijzonder persoon in hechtenis gehouden. Sommige dier heeren werden gepijnigd, andere gedood, en Maximiliaan eerst na maanden ontslagen. Andere moeielijkheden had hij in Holland te bestrijden. De gunsten, door hem aan de Kabeljauwschen bewezen, riepen de partijschappen weder in ’t leven. Onder de veelvuldige voorvallen van den vernieuwden strijd blijft bovenal de belegering van den toren te Barneveld (op de Veluwe) in 1482 in aller herinnering leven, niet zoozeer uit hoofde van het gewicht der zaak zelve, als wel om de wreedheid der Hoekschen en de zelfopoffering van den held van ’t verhaal, Jan van Schaffelaar, die erbij omkwam. In 1492 eindigde zoowel het oproer van het kaas- en broodvolk, d. i. van hen, die, wegens den druk der belastingen, in Noord-Holland waren opgestaan, als de strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen. De zege viel de laatstgenoemde partij ten deel.

In 1493 werd Maximiliaan koning van Duitschland. In ’t volgende jaar aanvaardde philips II, de schoone (1494-1506)—aldus om zijn lichamelijke schoonheid geheeten—het hertogelijk, grafelijk en heerlijk bewind over de verschillende Zuid- en Noord-Nederlandsche staten. Zijn eerste daad, als vorst dier landen, was gericht tegen het groot-privilegie. Bij zijn huldiging verklaarde hij de privilegiën, geschonken na den dood van Karel den stoute, met goedvinden der staten zelven, plotseling vernietigd. In 1496 trouwde Philips met Johanna, tweede dochter van Ferdinand II den katholieke, koning van Arragon, en van Isabella, koningin van Castilië. Dit huwelijk opende hem het uitzicht, eens den Spaanschen troon te zullen beklimmen. In 1504 ging hij naar Spanje, omdat Isabella was overleden en de krankzinnigheid zijner gemalin haar belette, de kroon van Castilië te dragen. Weldra aanvaardde hij het bewind over dit rijk; maar nog in ’t zelfde jaar, 1506, stierf hij plotseling. Alzoo moest Maximiliaan voor de tweede maal het regentschap over de Nederlandsche staten op zich nemen. Hij, voor wien Maximiliaan de teugels der regeering in handen nam, was de zoon van Philips en van Johanna, Karel, in 1500 te Gent geboren.

In 1515 aanvaardde Karel, die in Duitschland de vijfde, in Spanje de eerste, in Holland en elders de tweede, enz. vorst van dien naam is en steeds karel V wordt genoemd, het bewind over de Nederlandsche staten. Weldra zag hij het aantal der landen, waarover hij den schepter voerde, toenemen. In 1516 volgde hij zijn grootvader Ferdinand in Arragon op en werd aldus koning van geheel Spanje. In 1519 werd hij keizer van Duitschland. Wat de Nederlanden betreft, in 1515 verkocht George van Saksen, een zoon van Albrecht (zie blz. 41), hem zijn rechten op Friesland voor 350,000 gl., terwijl de Friezen zelven hem in 1524 als heer erkenden. In 1528 stond de bisschop van Utrecht, Hendrik van Beieren, hem de wereldlijke macht af over Utrecht en Overijsel. In 1536 erkende Groningen Karel als heer des lands en stond Karel van Gelder hem de heerschappij over Drente af. De laatste der Nederlandsche staten, waarmede dit voorbeeld werd gevolgd, was Gelderland, dat Willem van Gulik en Kleef, een neef en opvolger van Karel van Gelder, door wapengeweld gedwongen, in 1543 aan Karel V moest afstaan. Zoo werd eerst Karel heer van de zeventien gewesten. Het waren vier hertogdommen: Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelder; zeven graafschappen: Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutfen; het markgraafschap Antwerpen; vijf heerlijkheden: Friesland, Mechelen, Utrecht, Overijsel, Groningen met de Ommelanden.

§ 8.

Inhoudsopgave

Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen.

Thans moet, ten opzichte van Gelderland, Utrecht en de overige gewesten, eenigszins in bijzonderheden worden aangetoond, wat boven (blz. 13 vlg.) in algemeene trekken is ternedergesteld. Met de samensmelting van verschillende kleine heerschappijen tot één samenhangend geheel ging het ook hier langzaam. Buiten de streken, die hij reeds bezat, trok de graaf van Gelderland allengs verschillende alodiën van edelen aan zich, om ze als leenen weder te geven. Gelijk de macht van den graaf van Holland, groeide die van den graaf van Gelderland met de jaren aan: de afhankelijkheid van den keizer werd steeds minder. Had de graaf zich reeds in de 13de eeuw eenige rechten der kroon toegeëigend, het volle gezag als landsheer verwierf hij in al zijn uitgestrektheid in 1339. Toen immers benoemde Lodewijk van Beieren reinald II of den zwarte (zie blz. 12) tot hertog, destijds een zeldzame verheffing. Insgelijks nam de macht des graven tegenover de edelen voortdurend toe. Van onafhankelijke en met hem gelijkstaande edelen werden zij langzamerhand zijn leenmannen, traden in zijn dienst en stonden hem bij het beheer des lands ter zijde. Later moesten zij een gelijke mate rechten, als zij genoten, zien toekennen aan de steden, sinds zij als gemeenten optraden. Invloed op den gang der zaken, in den eigenlijken zin, oefenden de steden, vereenigd met de edelen, eerst sedert 1418, toen zij met hen een verbond sloten, ten einde bij ’s lands hachelijken toestand maatregelen van voorziening te nemen. Van nu af waren ridderschap en steden tot één lichaam van landsstenden—de naam staten kwam eerst in 1477 in zwang—samengegroeid. Op eigen gezag bijeenkomsten houdende, verwierven en behielden alzoo de staten van Gelderland een voorrecht, dat elders de landsheer zich placht voor te behouden. Inzonderheid woog de stem der hoofdsteden zwaar.

Dit waren Nijmegen, Roermond, Zutfen en Arnhem, hoofdsteden der vier eveneens genoemde kwartieren, waarin Gelderland was verdeeld. Ieder kwartier had zijn bijzonderen landdag en werd in vele opzichten als een afzonderlijke staat aangemerkt. Maar een enkele maal werd er een vergadering van de staten der vier kwartieren gehouden. Die staten werden vertegenwoordigd door de bannerheeren, de ridderschap of edelen en de steden. De bannerheeren, die alle in het graafschap Zutfen woonden, droegen dien naam, dewijl zij of hun voorvaderen van den keizer het recht hadden verworven, onder hun eigen banier te dienen.

De stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd, zijn Gelder, Gulik en Egmond. Een der graven van het eerste huis is Reinald II de zwarte, die in 1339 de hertogelijke waardigheid verwierf. Na zijn dood in 1343 volgde zijn oudste zoon reinald III hem op. Welhaast geraakte hij in geschil met zijn jongeren broeder Eduard, die een deel eischte van de goederen, door hun vader nagelaten. Te dier tijd bestond er tevens vijandschap tusschen twee machtige geslachten, dat van Bronkhorst (tusschen Zutfen en Doesburg) en dat van de Eese of van Hekeren. De heeren van het laatstgenoemde geslacht droegen hun naam naar de ridderhofstede de Eese (bij de Berkel, ten w. van Lochem) of naar een andere aanzienlijke bezitting, wellicht naar Heker (nabij Doesburg gelegen).

De geschillen tusschen deze beide huizen ontaardden allengs in partijschappen, die der Hekerens en der Bronkhorsten, waarin ook de steden deelden, vooral sedert Reinald de zijde der eersten koos, waarop de Bronkhorsten zich bij Eduard aansloten. De strijd werd met wisselende kans gevoerd tot 1361, toen Eduard den slag bij Tiel won en zijn broeder gevangen nam. Nu eischte Eduard de waardigheid van hertog voor zich. Reinald, aan die vordering voldoende, deed afstand van zijn titel en rechten ten behoeve van Eduard. Tien jaren lang regeerde eduard als hertog. Toen werd Reinald III weder op den hertogelijken zetel geplaatst. Bij zijn langdurige gevangenschap, in de laatste jaren op het huis Nijenbeek (tusschen Deventer en Zutfen, ten o. van Apeldoorn), werd hij, naar de overlevering luidt, zoo dik, dat hij zonder slot of grendel kon worden bewaard en men, bij zijn bevrijding, den muur van zijn vertrek moest doorbreken, om hem er uit te krijgen. Niet bestand tegen de veranderde levenswijze, welke de plotselinge omkeering in ’s hertogen lot medebracht, stierf hij nog in ’t zelfde jaar kinderloos.

In 1372 kwam het huis Gulik in ’t bezit der heerschappij. De eerste hertog hieruit was willem I, later tevens hertog van Gulik; de laatste zijn broeder reinald IV. Evenals zijn broeder liet hij, bij zijn dood in 1423, geen wettig kroost na. Het vooruitzicht op dit kinderloos overlijden, gevoegd bij de uitputting des lands, gaf aanleiding tot de bijeenkomst der landsstenden in 1418, waarvan boven is gewaagd. Weldra erkenden zij in 1423 arnold, een zusters kleinzoon van Reinald IV, uit het huis Egmond (nabij Alkmaar), als hertog van Gelderland. Nog niet lang had hij de teugels van ’t bewind in handen, of zijn onderdanen brachten allerlei grieven tegen hem in. Zij betroffen de nuttelooze oorlogen, door hem gevoerd, en de zware kosten zijner hofhouding. Groot was de last der schulden, waaronder de hertog steeds dieper gebukt ging. Ten laatste stelde ’s hertogs zoon, adolf, gesteund door ’s hertogen gemalin, Katharina van Kleef, zich aan ’t hoofd der misnoegden. Den 9den Januari 1465 liet hij, te midden van den nacht, gedurende den fellen winter van dat jaar, zijn vader van het slot te Grave oplichten, naar Buren (ten n.w. van Tiel) overbrengen en dáár nauw bewaken. Terstond hierop matigde hij zich den titel en de rechten van hertog aan.

Niet lang duurde het, of Karel de stoute wierp zich als middelaar tusschen vader en zoon op. Hij liet Adolf in 1471 gevangen zetten en nam Gelder en Zutfen voor 300,000 gl. van Arnold in pand, die kort hierop, in 1473, stierf. De Gelderschen beschouwden deze verpanding van den beginne aan als onrechtmatig en krachteloos. Daarom gaf die verpanding het sein tot een oorlog van de Gelderschen tegen het huis van Bourgondië en dat van Oostenrijk, die, met korte tusschenpoozen, gedurende meer dan een halve eeuw werd gevoerd. Het begin van den oorlog was gunstig voor Karel. Reeds op ’t einde van 1473 was hij meester van het hertogdom. Zwaar drukte de last der Bourgondische heerschappij op de Gelderschen. De stenden verloren het recht, zichzelven ter dagvaart te beschrijven. In 1477 gaf ook aan Gelderland de val van Karel den stoute eenige verademing. Doch ook Adolf stierf in ’t zelfde jaar.

In 1492 plaatste Adolfs zoon karel zich aan ’t hoofd der Gelderschen, ten einde den kamp tegen het Oostenrijksche huis te hervatten. De fortuin was hem, hoewel niet in den aanvang, gunstig. In 1513 had hij schier zijn gansche hertogdom heroverd. Doch nieuwe moeilijkheden baarde hem de komst aan ’t bewind van Karel V. Overal, waar Karel zijn heerschappij trachtte te vestigen, niet alleen in Engeland, maar ook in Utrecht, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel stiet hij op den hertog van Gelder (zie beneden blz. 41, 42). Karel van Gelder vond een krachtigen steun in Maarten van Rossum (ten o. van Zalt-Bommel, nabij de Waal), een veldheer, die tot zinspreuk had, „branden en blaken is het sieraad van den oorlog.” Hem was het niet te wijten, dat zijn heer meer en meer in ’t nauw werd gebracht door Karel V. Trapsgewijze moest de hertog van Gelderland voor den keizer wijken. Toen hij in 1538 stierf, kon hij vooruitzien, dat zijn opvolger, Willem van Gulik en Kleef, binnen kort zou worden gedrongen, Gelderland aan Karel V af te staan. Dit geschiedde in 1543.

§ 9.

Inhoudsopgave

Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen.

De vroomheid der vorsten en heeren, die zich in de Middeleeuwen niet zelden openbaarde in ’t schenken van goederen of gronden aan kerken, kloosters, abdijen, enz., kwam vooral, gelijk boven (zie blz. 12) is opgemerkt, te goede aan het bisdom Utrecht. Langzamerhand groeide de omvang van het Sticht en daarmede de wereldlijke macht van den bisschop aan. Die wereldlijke macht des bisschops werd zeer beperkt door de kanoniken der vijf kapittels, van welke boven (zie blz. 12) is gesproken. Zonder de toestemming dier kanoniken mocht de bisschop geen gebied van ’t Sticht vervreemden, noch oorlog voeren of vrede sluiten, gelijk hij ook in het kerkelijke aan hun gevoelen gebonden was. Sedert hij in zijn oorlogen hoe langer hoe meer den bijstand der edelen en steden behoefde, begonnen ook zij invloed op ’s lands regeering te krijgen. Zoo werd de grond gelegd tot de vergadering der staten van Utrecht, die sinds het laatst der 15de eeuw werden beschreven. Het eerste lid dier staten waren de geëligeerden, d. i. zij, die uit de vijf kapittels werden gekozen; het tweede de edelen, die ridderhofsteden bezaten; het derde de stad Utrecht, en wellicht mede de kleinere steden.

De naam Overijsel kwam eerst in de laatste helft der 15de eeuw op. Vóór dien tijd werd dit gewest niet als één staat aangemerkt, maar als een aantal van elkander onafhankelijke heerlijkheden. Reeds vroeg, immers sedert de 14de eeuw, werd de macht van den bisschop beperkt door den landdag, d. i. door de ridders en de groote steden Deventer, Kampen en Zwol. In Drente oefende de kastelein (kasteelman) of burggraaf van Koevorden, in naam van den bisschop, het oppergezag. Hetgeen elders dagvaart of vergadering der staten werd genoemd heette hier de landdag. Op dien landdag verschenen de ridders, die elk een der achttien havezaten (kasteelen) moesten bezitten, en de eigenerfden.

Groot was de macht, die de bisschop hier te lande in de Middeleeuwen bezat. Hij had de geestelijke rechtspraak en kon boetedoeningen van vernederenden aard opleggen. De streek lands, waarover hij wereldlijk gezag had, was veel grooter dan het graafschap Holland of Gelderland. Maar dewijl het bisdom gelegen was tusschen Holland en Gelderland (zie ook boven blz. 16), was de bisschop onophoudelijk in geschillen gewikkeld met een dezer staten. Dit verzwakte zijn macht zoozeer, dat hendrik van beieren zich verplicht zag, zijn wereldlijke macht over Utrecht in 1528 aan Karel V af te staan. In ’t zelfde jaar erkenden de staten van Overijsel Karel V als heer. De bisschop hechtte zijn zegel aan deze overdracht van het Oversticht. Eveneens kwam Drente in 1536 aan Karel V.

Boven (zie blz. 15, 16) is den lezer medegedeeld, dat de koningen van Duitschland Friesland nu eens aan den graaf van Holland, dan weder aan den bisschop van Utrecht of den hertog van Gelderland schonken. Maar de Friezen bekommerden zich, gelijk wij nu en dan gelegenheid hadden te bespeuren, weinig om dit weggeven van hun land. Moesten de West-Friezen zich aan Floris V onderwerpen, de overigen schikten zich slechts tijdelijk in dit lot en wierpen het juk van den graaf van Holland af, zoodra hij met het meerendeel zijner troepen uit hun land was geweken. Twee eeuwen lang sproten voor de Friezen vele onheilen voort uit de geschillen der Schieringers en Vetkoopers. Zij namen tegen het einde der 13de eeuw een begin. De Vetkoopers (d. i. handelaars in vette waren) ontleenden, naar men wil, hun naam hieraan, dat zij, de beste weilanden bezittende, den grootsten handel dreven in vette koeien, terwijl de Schieringers, waarschijnlijk (van schier, kaal) aldus werden genoemd uit hoofde van hun armoede en hun berooiden toestand, die zoo schril afstaken bij den rijkdom en de overdaad der Vetkoopers. Eindeloos waren hun verdeeldheden, en slechts dan, wanneer er gevaar van buiten dreigde, stonden zij als één man pal tegenover de vijand. Met de verwoestingen van den burgeroorlog paarden zich die van de overstroomingen. Het is schier ongelooflijk, hoevele watervloeden in de Friesche gedenkschriften zijn geboekt.

Door zoo velerlei onheilen overmand, moesten ook de Friezen ten laatste voor vreemd geweld bukken. Maximiliaans krijgsoverste, Albrecht, regeerend hertog van Saksen-Meiszen, was in 1498 zijn schuldeischer voor groote geldsommen wegens achterstallige soldij van ’t krijgsvolk. Hij verpandde hem alzoo Friesland voor 300,000 gl. en bevestigde hem in het erfpotestaatschap over dat land, hem door de Schieringers aangeboden. Hij mocht dan zien, hoe hij het vermeesterde. Albrecht slaagde in die taak. Hij stierf in 1500. Spoedig werden de Friezen zijn zonen, Hendrik en George, die elkander in ’t bestuur opvolgden, moede en riepen in 1509 Karel, hertog van Gelderland, in het land. Daarom sloot George in 1515 een overeenkomst met Karel V, van wiens voorzaat zijn vader Friesland in pand had gekregen, waarbij hij hem dit land voor 350,000 gl. overgaf. Zoo stond ook hier Karel V tegenover Karel van Egmond. Groote diensten bewees den hertog van Gelderland de onversaagde Friesche zeeroover Groote Pier, die, sedert de Saksische krijgslieden zijn huis te Kimswerd (ten z. van Harlingen) in de asch hadden gelegd, zonder mededoogen elken buitenlandschen bespringer van zijn land in zee wierp, om „hem de voeten te spoelen.” Eerst in 1524 kon Karel V zich „heer van Friesland” noemen.

Groningen was bestemd om in het lot van Friesland te deelen. Hoe langer hoe minder gold in dit gewest, als ’t verst verwijderd zijnde van zijn zetel, het gezag van den bisschop van Utrecht. Eensdeels door den strijd hierover, anderdeels door dien met de Ommelanden en vermits de verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers ook hier haar werking deden gevoelen, verzwakte Groningens kracht. Dus kon Albrecht van Saksen-Meiszen, in 1499 door Maximiliaan tot heer van dit gewest benoemd, een poging wagen om het te vermeesteren. Doch de heerschappij der Saksen was hier van even korten duur als die van Karel van Egmond, die er eveneens zijn gezag trachtte te vestigen. Eindelijk ziende, dat ook Karel van Egmond hen niet op voldoende wijze tegen Karel V konde beschermen, boden de Groningers dezen vorst in 1536 de opperheerschappij aan. Karel V nam het aanbod aan.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet, gelijk elders, op een vertegenwoordiging der standen, maar van landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. Deze algemeene landdag besliste over ’s lands hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter, hoedanige Friesland zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren, dat geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere gedeelte van Friesland. Aan het hoofd der gemeenten in Friesland stonden grietmannen, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord, dat „aanklagen, in rechten vervolgen” beteekent.

De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 13) is tot 1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Sedert 1594 merkten de Staten-Generaal zich als leenheeren van Westerwolde aan. De stad Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795. De eigenerfden en andere afgevaardigden uit die drie kwartieren stelden de vergadering der staten samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die, krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten landdage verschenen.

§ 10.

Inhoudsopgave

De Nederlanden onder het bewind van Karel V.

Zóó waren dan de zeventien onder één heerschappij, die van karel V (1543-1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige bevolking. Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die het bestaan der Nederlanders verzekerden, daarbij landbouw en veeteelt. Vooral was de groote visscherij, de haringvangst, vermaard, een ware goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. Er waren jaren, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Geen volk wist den haring zoo goed te bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest gewild was. De haring werd (zie blz. 32) òf als pekelharing, òf, gerookt zijnde, als bokking gegeten. Van groot gewicht was mede de walvischvangst, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend octrooi of vergunning gaven aan de Noordsche compagnie. Ten behoeve dezer visscherij werden in die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die, met het oog op het doel, de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden.

Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee; de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid, die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen noopte zich er metterwoon te vestigen. Sedert het einde der 15de eeuw was Antwerpen de hoofdzetel van den handel. Er waren meer dan 1000 vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, elken dag tweemaal gehouden, telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Den handel op de Oostzee, in hout en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken en de korenmarkt van Europa genoemd. Nog is niet gewezen op de vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voordeelen opleverde, en geen gewag gemaakt van de velerlei fabrieken, waarmede de nijvere en dichte bevolking zich bezig hield.

Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch ontbrak het niet aan de beginselen. Reeds had Jakob van Maerlant zijn spiegel Historiael in ’t licht gegeven. Wat de fraaie letteren in engeren zin aangaat, van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In de 12de eeuw kwam de Nederlandsche taal uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de Middeleeuwen het Vlaamsch. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen oorspronkelijke gedichten. Aan Frankrijk ontleend is het vermaarde gedicht Reinaert de vos, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en als voortreffelijker wordt aangemerkt, dan het oorspronkelijke Fransche stuk. Tegen het einde der Middeleeuwen namen, naarmate de opkomst der poorters den invloed der edelen deed afnemen, de tooneeldichten op het gebied der letterkunde de voornaamste plaats in. Het waren de vele Rederijkerskamers, met het Bourgondische huis (zie blz. 30 vlg.) opgekomen, welke aan die gedichten het aanzijn gaven.

Om die bloeiende zeventien landen was nu de band der eenheid geslingerd. Maar het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karel V was het het streven, de staatseenheid der zeventien te bevorderen. Te dien einde bedong hij in 1548, bij het verdrag van Augsburg, ten behoeve van het Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten geheel onafhankelijk van Duitschland zijn, doch onder de hoede van dit rijk staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. In de wijze, waarop Karel de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel der eenheid op te merken: één landvoogdes met drie raden, haar toegevoegd. Landvoogdes of gouvernante, zooals men destijds zeide, was sedert 1530 ’s keizers zuster Maria, koningin-weduwe van Hongarije. De drie raden, die hij in 1531 in ’t leven riep, waren de raad van state, de geheime raad en de raad van financiën, van welke de eerste slechts werd geraadpleegd, maar de beide andere uitvoerende macht hadden. Ook stond met Karels hoofdoogmerk in verband het bij herhaling bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan vijftig maal plaats had.

Karel V is een der grootste figuren op het tooneel der wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet dáár worden gezocht. Zijn geschiedenis is, voor een deel, die der Nederlanden gedurende de jaren zijner regeering. Onder de bijzondere gebeurtenissen, alhier in dien tijd voorgevallen, is een der merkwaardigste het dempen van het oproer te Gent, een der machtigste steden van Europa. Karel vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl., als derde deel eener som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde. Vreeselijk was de wraak, die op het hoofd der Gentenaars neerkwam. Karel trok in 1540 in persoon naar de stad en velde het vonnis.

Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa’s geschiedenis is er bovenal, die mede op Nederland in ’t bijzonder betrekking heeft. Toen in Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven, werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een krachtige boom. De ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de kennis, welke de meesten hunner van ’t Evangelie hadden, uiterst gering was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken was gewoon geworden. Men denke aan Wessel Gansfort, geboren te Groningen; aan Rudolf Agricŏla, aan Gerrit Gerritsz, meer bekend onder den naam Desiderius Erasmus, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf.

Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe begrippen, die dáár zoo welig wortel schoten Bovendien bevorderde de handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de kennis van de leer der hervorming. Doch meer dan Luthers of Zwingli’s stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van het land. Een groot aantal van de eerste predikers van den hervormden godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam, door de Zuidelijke Nederlanden heen, uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel in een vruchtbaren bodem en schoot wortel.

Bij alle hervormingen treft men veelal een partij aan, die zich aan overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep, waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf is geschied, de Doopsgezinden niet te worden verward. Vaak worden de laatsten ook Mennonieten genoemd, naar Menno Simons, die, tot 1536 Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in Friesland, Ubbo Philips geheeten. In ’t genoemde jaar ging hij tot een der talrijke en onderlinge zeer uiteenloopende vereenigingen der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de buitensporigheden der Wederdoopers.

Maar Karel V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij achtereenvolgens tegen haar uit, het eene harder dan het andere. In 1522 werden er inquisiteurs, bij verzachting „geestelijke rechters” geheeten, benoemd. Was de inrichting dier inquisitie, in wreedheid en ergerlijke wijze van rechtspleging, in ’t geheel niet gelijk aan de Spaansche, zij werkte, naar de opvatting der landzaten, veel te krachtig. Dit moet waar zijn, wanneer er—gelijk te boek staat—onder Karels regeering 50,000 menschen om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Intusschen is het zeker, dat, hoevele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk werd.

Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Karels regeering. Het is niet de eenige. Op velerlei wijze werd het handvest „de non evocando” geschonden, doordat men de staten buiten hun gewest riep en, b. v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten gegeven. Vaak verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden, doch meestal zonder vrucht. Want Karels grondbeginsel was, dat het grootste voorrecht van een volk was, geen voorrechten te bezitten. Ook aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet en, wat het ergste is, bij weigering werd vaak dwang gebezigd. „Hier,” zegt een Venetiaansch gezant, „waren de eigenlijke schatten van den koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië.”

Wil men echter billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de Nederlanden gedurende het bewind van Karel V tot een trap van aanzien stegen, gelijk zij dien nimmer hadden gekend, en dat de vorst den grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende administratie. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Daarom, dewijl hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend, toen Karel afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips opdroeg.

Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karel opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende, ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen over. De afstand en de overdracht hadden den 25sten October 1555 te Brussel in een luisterrijke vergadering plaats. Ook Maria (zie blz. 45) legde haar waardigheid neder. In ’t volgende jaar ging Karel onder zeil naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in ’t n.o. van Estremadūra) overleed. Karel liet maar één zoon na, Philips II (III in Holland en andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard geworden. De dochter was Margareta, de zoon Don Jan van Oostenrijk. Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer vertrouwde, dan Willem van Oranje, hoe jong deze prins destijds ook was (zie beneden, blz. 49).

§ 11.

Inhoudsopgave

De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva.

Karels opvolger philips II (1555-1581), gelijk hij doorgaans wordt genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn vader hem hierheen ontboden, om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor te stellen. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Karels plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering teweeg. Philips was geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer van het land en van den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was. Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil; hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van ’t koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan den grondregel van al zijn zeggen en doen getrouw. Die blinde en bijgeloovige gehechtheid aan de kerk herschiep hem in een dwingeland.

Tot 1559 bleef Philips in de Nederlanden. Toen ging hij. Doch aleer hij vertrok, regelde hij het bestuur dezer landen. Margareta van Parma (zie blz. 48) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese, hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde (zie blz. 45) regeeringslichamen stonden haar ter zijde. President van den raad van financiën, was Karel, baron van Barlaimont (in ’t n. van Frankrijk, nabij Avennes), van den geheimen raad Viglius of Wigele van Aytta van Zuichem (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst en een groot rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: Antonius Perenot, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, Lamoraal, graaf van Egmond, later ook de Montmorency, graaf van Hoorne (ten n. van Loon, zie blz. 17). Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten waren o. a.: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois; Johan van Ligne, graaf van Aremberg (ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de baron van Barlaimont van Namen. Elke stadhouder was tevens bevelhebber der krijgsmacht van zijn gewest.

Een enkel woord over Willem van Oranje, weldra den hoofdpersoon van den tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw twee liniën. De oudste bleef in Duitschland. De jongste is die van Nassau-Dillenburg. Deze tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden. Willem, de grondlegger der onafhankelijkheid van Nederland, was een zoon van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, geboren in 1533. Rijk was zijn vader, althans in kinderen. Hij had vijf zonen: Willem, Jan den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Talrijk waren de bezittingen van zijn zoon Willem op Nederlandschen bodem. Bovendien erfde hij van zijn neef Réné het prinsdom Oranje.

Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comté geboren, dat een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van Karel den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een vreemdeling kon men hem eigenlijk moeilijk laten doorgaan. Was hij het, dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden van den raad van state. Weldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht, alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de natie wilde opdringen.

Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den geest des tijds te letten, schreef hij een gestrenge uitvoering der plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Spanjaarden wederkeerig van elkander hadden, was het verlies van den hoogen rang, dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de voortdurende aanwezigheid van 3 à 4000 man vreemde troepen, die, zooals het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Bovenal vreesde men de verwezenlijking van een van Philips’ geliefkoosde plannen, van dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen aartsbisschoppelijke stoel geweest, doordien het geringe en onregelmatig verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Het ligt voor de hand, dat hieruit groote ongelegenheden ontstonden. De overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed begeerende, duizenden door den wereldlijken armen liet ombrengen. Wellicht—meende Philips—kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.

In 1559 vaardigde paus Paulus IV de bul, houdende de bepalingen omtrent de bisdommen, uit. De zaak zelve begon evenwel niet vóór 1561 werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer zij werden bezet. In ’t geheel werden er 18 bisschopszetels opgericht, n.l. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die streek, waarin zijn hoofdkerk lag,) en 15 bisdommen. Perenot of Granvelle, tevens tot kardinaal benoemd, werd aartsbisschop van Mechelen. Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden, waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling deelden, dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden. Thans weet men zeker, dat deze meening onjuist was. Maar ook andere bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen den bisschop. Hij was de ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde wel van hem worden ontslagen. Zoo kwam in 1564 tot Granvelle een bevel van Philips, om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk voldeed.

Na Granvelle’s vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in den raad van state. Wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565 naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging teweeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips’ voorschriften bleven dezelfde. Langzamerhand ging intusschen de geest van tegenstand van de eerste edelen op die van den tweeden rang over, om later door het volk te worden gedeeld. Zoo ontstond in 1565 het compromissum (gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan ’t hoofd waarvan Lodewijk van Nassau, Willems broeder, stond met Hendrik van Brederode, een onstuimig man, die een woest leven leidde en slechts naar opwellingen, niet naar beginselen handelde. Het doel was, de invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en Calvinisten, maar ook Roomsch-katholieken traden toe.

Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den 5den April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht, ten getale van drie of vier honderd, de landvoogdes een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten. Naar alle waarschijnlijkheid deed het woord van Barlaimont (zie blz. 49), toen tot de landvoogdes gericht, hun den naam geuzen (gueux, bedelaars) geven. Niet zonder grond—men kan het niet verbloemen—werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar al te zeer. Zelven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij beloofde, een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige moderatie of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die evenwel zoo weinig in ’t oog viel, dat het volk ze weldra moorderatie noemde. Terwijl Jan van Glimes, markies van Bergen (d. i. Bergen op Zoom), en Hoorne’s broeder, Floris van Montmorency, baron van Montigny, nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken van ’t Evangelie in ’t open veld, niet meer des nachts, maar bij helder daglicht alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden de predikatiën, hagepreeken genoemd, bij.

Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1566 de kortstondige razernij, bekend onder den naam van beeldenstorm. Zooals men het veelal heeft opgevat, was hij een uitbarsting van de dweepzucht der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, doch aan plotseling opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Vele kerken van Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden erdoor verwoest en van al haar schatten beroofd. Philips ontstak, op het hooren der mare, zoozeer in drift, dat hij een duren eed zwoer, het misdrijf niet ongewroken te zullen laten. Het drietal Oranje, Egmond en Hoorne, baatte het niet, gelijk weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in deze moeielijke dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
15 ocak 2025
Hacim:
361 s. 2 illüstrasyon
ISBN:
4064066339920
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar