Kitabı oku: «Dokter Helmond en zijn vrouw»

Yazı tipi:

Jacobus Jan Cremer

Dokter Helmond en zijn vrouw


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311315

Inhoudsopgave

Door J. J. Cremer

Achtste Druk A. W. Sijthoff’s Uitgeversmij—Leiden.

Jacob Jan Cremer.

1 September 1827–5 Juni 1880.

I.

II.

III.

EERSTE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER EN VEERTIGTSE HOOFDSTUK .

NASCHRIFT.

Door
J. J. Cremer
Achtste Druk
A. W. Sijthoff’s Uitgeversmij—Leiden.
Jacob Jan Cremer.
1 September 1827–5 Juni 1880.

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Toen Cremer nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.

Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij Nederlandsche voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad Cremer voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.

Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen boer uit het “Pauweveerke” in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Romeo en Julia doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman Dorus Giesels met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm—dit alles maakte Cremer tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.

I.

Inhoudsopgave

Cremer, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra—hij schreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850—met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is Cremer de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.

Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der “Betuwsche Novellen” mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, Meeuwsen en diens zoon Gijs, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van Meeuwsen, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: “Slechte woar veur ’t geld!”—de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: “Waarheen?”—grinnekend antwoordt:—“Ik? Noar de Karmis, is ’t niet, voader?”—zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het “veul te vrindelijk” is—de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon—als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot: “Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?” en Gijs antwoordt: “Mag dat voader?”—de verlegenheid van denzelfden Gijs, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord “Ezel!” toesnauwt—al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan Cremers arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.

De “Betuwsche novellen” leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. “Deine Meu” “Oan ’t kleine revierke”, “’t Pauweveerke”, “’t Kriekende Kriekske”, “Kruuzemuntje”—vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht—blijven de immer groenende twijgen aan Cremers lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van “de(n) Nederlandsche(n) Spectator” een geleerde strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en roman. Bakhuizen van den Brink, die in Cremers “Oan ’t kleine revierke” bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze1.

Allerliefst is de vertelling van “Kruuzemuntje.” Dit aardig boerenkind wordt door Bol, den veldwachter—den slimmerik, die een beetje te veel “klaart en rooje-jenevert” zegt de Burgemeester—beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en Arie, Kruuzemuntjes vader, heeft leeren kennen.

Naast Cremers dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. Cremer heeft evenals Charles Dickens door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. Dickens tuchtigde in “Nickleby” den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in “Nelly” (“Old Curiosity Shop”) en “Hard Times” het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in “Chuzzlewit” de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in “Dombey” den geldtrots; in “Copperfield” de juridische knoeierijen van Doctors Commons; in “Bleak House” de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in “Little Dorrit” den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.

Zoo strafte Cremer in zijne “Betuwsche novellen” de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn “Wouter Linge”. Cremer heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van Anna Linge en Willem is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las Cremers “Wouter Linge” en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.

In “Fabriekskinderen” onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland—de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; “van ouwers”—als Juffrouw Baks zegt—“die zuipen en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen.” Met dit voortreffelijk kunstwerk had Cremer veel geluk. De wet Van Houten zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.

In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven, streeft hij naar een dergelijk doel. “Anna Rooze” is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, “Hanna de Freule” behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, “Tooneelspelers” hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.

II.

Inhoudsopgave

Het verdienstelijke, het ongemeene in Cremer is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. Cremer heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.

Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.

Onder de beste reken ik het volgende.

In de eerste plaats geef ik den aanhef van “Wiege-Mie”, een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:

“Hei je ’t neis uut ’t darp al geheurd?” vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. “Hei je ’t al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?”

“Wàt zei je!” riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. “Is manke Heintje dood? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje,—da’s nou krek zes moanden loater! Jong, jong, ’t is veur Wiege-Mie ’en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da’s alles, en ik geleuf niet, dat ze ’t nog al te best duut.—Nou, stil, bloagen!” vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; “Moeder kan niet alles tegeliek! Hè’k nou ooit van m’n lêven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in ’t darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken, da’k m’n iegen woorden niet heuren kan!”

Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.

Men bad.—Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: “Ik dank u, goede en groote God, amen!”

Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in “Fabriekskinderen” den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:

—“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtkens van Sanders lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.—“Ik? wel nee!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende, “maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”—“Jawel” zegt Sander.—“Waarom?”—“Om ditte!”—zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. “Hadtje dit nooit geproefd?”—Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: “Dat kun je begrijpen.”—”’k Dacht eerst, dat het mosterd was,” zegt hij iets later.—“Mosterd?”—“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags, als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”—“Niets anders?”—“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da’s gallig voor de kinders, zeit moeder.”—“Beesten!” roept Willem.—Neen, Sander, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:—“En hoe heet je vader?”—“Dat weet ik niet,” is het antwoord.—“Maar, jij, hoe heet jij?”—”Sander Zwarte.”—“En wat doet je vader?”—“Hè, hè,” grinnikt de jongen: “moeder zeit zuipen.”—“Maar wat is hij dan van zijn ambacht?”—“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.—“Waar verdient hij zijn centen mee?”—“Dat doen wellui.”—“En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?”—“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”

In de geheele letterkundige werkzaamheid van Cremer is geen knapper, geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever, teederder, roerender.

Zoo bijvoorbeeld, in “Anna Rooze”, als hij de geschiedenis der Veluwsche boerendeerne, Hanneke Schoffels, verhaalt. Hanneke wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze, na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar stoel neerknielt en bidt:

“O Lieve Heere Jezus! wa’k oe verzuuken mag, loat ’t niet uutkommen, nee! Voader zal mi’en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van ’t loon uutlegge veur den arme, vier duite wêks, of ook wel ’n stuuver. O Lieve Heere Jezus, ik was een kiende en....”

En ze was verleid door een Veluwschen schelm.

Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht luid schreiend “noar moeders huus toe.” Daar valt een aandoenlijk tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige liefde voor haar kind niet.

Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur van ’t domineeshuis naar moeder joeg.—“Zie je dan niet Berend”—zegt de moeder—“dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is—kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. ’k Zeg, loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as’ steen.... Hier, goat er zitten; hier op mien stoel.”—Berend stelt zich in den weg. Hevig: “Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?”—“Man, wês toch wiezer, altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da’s nommer een....”

Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige woord:—”Oe kiend is dood van de kolde, da’s nommer een.”—Het is mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde, en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen naam van Cremer in de toekomst zullen handhaven.

Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit Cremers novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in “Anna Rooze”—de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert—alles voortreffelijk werk, evenals de teekening van de fabriek in “Hanna de freule”, als Hein Pronk, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.

III.

Inhoudsopgave

Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van Cremer zich onderscheidt, wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan behoort men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Nederlandsche dorpsnovellist.

Cremer was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw zoo hartelijk geliefde stof—de dorpsvertelling. In 1844 had onze Van Koetsveld met zijne “Schetsen uit de Pastory te Mastland” het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven gewonnen. En zelfs Van Koetsveld was niet de allereerste, zijn boek verscheen eenige jaren na de “Camera Obscura”, waarin reeds “’s Winters buiten”, “Gerrit Witse” met het dorp Van Claartje Donze, en de “Nederlandsche Karakterschetsen” met “Teun, de(n) jager” voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men in de “Vaderlandsche Letteroefeningen”: “Leven en wandelingen van Meester Maarten Vroeg”, in 1826 te Haarlem in twee deelen uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus met Jacob Vosmaer en Van Koetsveld. Want er is ook eene oudere, die in de 17de eeuw onder den titel van “Arcadia’s” zeer veel werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals Cremer die schreef, stamt eensdeels van J. H. Voss (“Luize”, 1784) en van Goethe (“Hermann und Dorothea”, 1796), anderdeels van Sir Walter Scott, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling, na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte tafereelen uit het high-life der groote hoofdsteden van Europa.

Naast Walter Scott komt aan Duitschland de eer toe de moderne dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende Zwitsersche paedagoog Pestalozzi begon met eene schildering van het boerenleven in zijn “Lienhard und Gertrud” (1781), een boek, bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals Zschokkes “Oswald, oder das Goldmacherdorf” (1817), dat evenwel lager staat omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert Bitzius zijn “Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des Jeremias Gotthelf” die alom grooten opgang maakte en den schrijver zelfs als “den Shakspere van het dorpsleven” deed prijzen. Eenige jaren later kwam Gotthelf met zijn “Uli der Knecht”—Bitzius had zich den naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen—welk boek aan een Nederlandschen dorpspredikant Van Schaik, de gelegenheid gaf (1852), om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis “Geert” uit saam te stellen.

Na Gotthelf oogste Berthold Auerbach de schoonste lauweren met zijne dorpsschetsen uit het Zwabische leven, Immermann met zijne Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan Fritz Reuter, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in zwang, zoodat Klaas Groth de dichter van het Ditmarsche volksleven, Moritz Jókai de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren, Sacher-Masoch de geschiedschrijver der Karpatische bergbevolking werd. Russische boeren werden door Tourguénief en Tolstoi behandeld, voor Elzas-Lotharingen traden Erckmann-Chatrian, voor de Vlaamsche dorpen Hendrik Conscience, Sleeckx en de gezusters Loveling op.

Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen. ’t Eerst kwam Friedrich Gerstäcker, om weldra overtroffen te worden door zijn geheimzinnigen landsman, Charles Sealsfield, die eigenlijk Karl Postl heette, en sedert 1834 met zijne “Trans-Atlantische Reise-Skizzen” een grooten naam maakte. Gerstäcker gaf den indruk van oppervlakkige stofferij, Sealsfield schilderde de wording van een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot Fennimore Cooper, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche dichters betraden het Amerikaansch terrein. Gabriel Ferry schilderde met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een gebied ook betreden door den Ierschen Kapitein Mayne Reid, die zich berucht maakte door de vermetelheid zijner “onjuistheden.” Gustave Aimard werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, Xavier Marmier schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl Jules Verne een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.

De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat Sealsfield voor Texas gedaan had, deed Bret Harte voor Californië en Mark Twain voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De Nederlandsche dominee Van Schaik—reeds genoemd als kopiïst van Gotthelf—poogde later een West-Indischen roman te schrijven.

Het onbetwistbaar meesterschap van Multatuli in zijn éénigen kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van Ritter, Van Hoëvell, Van Rees, Groneman, Perelaer, mevrouw Frank en Annie Foore stelden Van Schaik in de schaduw. Maar meer nog werd hij overtroffen, toen Cremer zijne Over-Betuwsche en Veluwsche schetsen begon te schrijven. Cremer maakte een school van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden: Van Duinen (Thineus), met Groningsche, Lesturgeon met Drentsche, Beunke met Zeeuwsche, Heeren met Overijselsche, Hollidee met Noord-Brabantsche en Seipgens met Limburgsche zedenschilderingen.

Cremer werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat Fritz Reuter voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. Cremer neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde van het volksleven het eerst hebben beschreven. Moritz Jókai deed voor het Magyaarsche landleven, Auerbach voor de Schwartzwälder boeren, Gotthelf voor de Zwitsersche, wat Cremer voor onze goedhartige naïeve Betuwers deed. En daarom bekleedt Cremer een geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken, dat Cremer zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft toegelegd in afwijking van de breede epische manier door Reuter en Auerbach gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat men tevens erkenne, hoe beider wijze van opvatting en schildering hare eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe Cremer daarom aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Nederlandsche volk.

Dr. JAN TEN BRINK.

1 Het eerst medegedeeld door A.L.H. Ising, in “de(n) Nederlandsche(n) Spectator” van 1880, n°. 24.

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.
EERSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.

En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult, staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.

Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,—maar immers een meidoorn heeft geen ooren.

“Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan elkaar verbonden!”

“Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een aardigheid, mij je wijfje zult noemen.—Mijn beste August!”

Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een gelukkig bruidspaar.

“Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva.”

“Ja August, altijd!”

“Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde ons tot elkander bracht.”

“O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met het oog op fortuin of stand.”

“Verachtelijk?—Niet altijd. ’t Is dikwijls noodig dat het verstand de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede eenig vermogen bezit.”

Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:

“Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen.”

“Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?”

“En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien.”

“Het vrouwtje zal met hem deelen ’tgeen hij bezit, en méér zal ze niet verlangen.”

“Nee zeker niet.”—Hem schalks in de oogen ziende: “Maar we zullen het toch zoo kwaad niet hebben, is ’t wel mijn beste?”

“Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn.”

“Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten, als mijnheer en mevrouw Helmond Van Romphuizen—ja, waarom niet Van Romphuizen—daar komen we immers vandaan?—o, als ik dááraan denk dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Parijs, ’t was altijd mijn illusie: ’t is m’n idole!—Och, je bent toch een beste man. Ja zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen. ’t Is overheerlijk!”

“Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van ’t reizen zal toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu mijn zin hebben gevolgd!”

“We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren.—Maar zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had ik het óók goedgevonden, heusch....”

“Wij zullen altijd hetzelfde willen, niewaar mijn wijfje?”

“Ja zeker August.”

“En bij verschil van meening....?”

“Och, die zal er niet zijn.—Nee zeker niet!”

“Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de heerlijke bruidsdagen.”

“Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het iets belangrijks gold.”—Met een blosje: “We waren het immers wel eens dat we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen, volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het groote huis op de markt, daar heb ik toch in ’t geheel niet meer over gesproken, is ’t wel lieve? Maar à propos, ben je ’t niet met me eens dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar....”

“Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe.”

“Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen, dat is toch wat al te min.—Zeg, zul jij in ’t voorbijgaan dus even aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? ’t Kost drie gulden meer, maar ’t is toch wat erg kleingeestig om bij zulk een eenige gelegenheid op een driegulden te zien.”

“Och ja, wat dàt betreft; ’t is mij om ’t even.—Je pa zal het toch niet kwalijk nemen?”

“Wel nee August, als wij het betalen; guns nee.—Och, je bent toch de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je voor me inschikken.”

“’t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje—vrouwtje op morgen hé?—dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en, als er verschil van meening mocht komen, dat dàn het gezond verstand steeds in kalmte zal uitspraak doen?”

“Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August.—Maar waarlijk je bent me haast te ernstig vandaag.”

“Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor ’t laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom.”

“Ja, ’t is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De generaal is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd.—Zoo’n laatste middag en avond!”

“Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk niet meer gevoelen zooals minnende harten het doen; maar zijn stelregel: ’t bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur dat ons voor altijd verbinden zal”—hij klemt haar vaster aan zijn borst—“die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog sterker maken.—Lieve Eva!”

“Mijn August!”

“Goed kind, dus vaarwel voor ’t laatst, voor ’t laatst als het voorwerp mijner wenschen.... voor ’t laatst als Eva Armelo.”—Terwijl hij haar met gevoel in de schoone oogen ziet: “Eva, hier onder den meidoorn heb ik je ’t eerst gezien. Weet je ’t nog? je zat aan den anderen kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu....”

“Mijn lieve dokter!”

“Genezen ja, Goddank, geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij altijd heilig zal blijven, laten we hier voor ’t oog eener scheppende Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waarin we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva, wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn totdat de dood....”

“O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste oogenblik afaan.”—Eva’s schoone oogen blijven met zulk een innige teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen was het oogenblik van scheiden daar.

August heeft, alvorens hij het verdere gedeelte van den laatsten bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, ’t geen niet vreemd is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een collega moet overlaten.

“Eva, mijn wijfje, tot morgen!”

“Tot morgen August, mijn beste man! Wacht,”—en terwijl zij met haar fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt, steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: “Hier August, neem nog een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen gezien, ja, misschien wel beluisterd.”

“Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel goeds hebben gehoord.—Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren, dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feestbouquet. Tot morgen mijn lieve vrouwtje, tot morgen!”

“Tot morgen elf uur August; vaarwel!”

Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:

“August, ’t is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij ’t inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie ’t graag voor niemendal zou doen—zoo’n goeje jongen! Als ik hem in de laatste dagen gezien had, dan zou ik ’t hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg jij nu dat we ’t orgel erbij krijgen. ’t Is zonder orgel niemendal plechtig en zoo ijselijk commun. Zulje, beste August?”

“Dus het karpet en ’t orgel?”

“Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar ’t Deventer tapijt, en dan aan Donerie vragen of ie ons—voor de staatsie—beorgelen wil. Bonjour!”

Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door een der stilste straatjes van Romphuizen zijn weg kiest naar een drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken.—Nu verdwijnt hij om den hoek—en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.

“Baas Krul, is menheer Donerie thuis?”

De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den dokter bedenkelijk aan:

“Dat zou ’k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren dokter. Als ik ’em hoor op z’n porteviano, dan weet ik wel dat ie thuis-is, maar anders.....”

Tot een jongen die aan ’t zagen was en nu den dokter staat aan te gapen:

“Gijs, is mijnheer Donerie boven?”

“Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was.”

“Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem wel hooren. ’t Is mooi als ie d’r op slaat, dokter, en ’t verameseert een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld.”

“’k Zal maar eens oploopen baas Krul.”

“Als menheer zoo vrijpostig wil wezen.”

Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het huis. In ’t midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer, die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het: binnen! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van Donerie binnen.

“Bent u ziek menheer Donerie?” zegt Helmond met belangstelling: “Ik had er niets van gehoord.”

“Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;” antwoordt de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte krulharen strijkt.

“Hebt u dokter Biermans al gehad menheer Donerie?”

“Nee dokter, pardon; ’t heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar minuten zal ik bij u zijn.”

“Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen. ’t Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst.—Nee nee, blijf rustig.—Zie, ik zit hier al.—U weet waarschijnlijk menheer Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal stappen.”

Mijnheer Donerie wist het.

“Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening naar verkiezing àl of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn.”

Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:

“De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun lof behoeven te zijn.”

Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.

—Teleurstelling! ja!....

Helmond vervolgt:

“Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u, inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben, zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega Biermans hebt geraadpleegd—tenzij ge u al eerder beter gevoelt.”

“Mijnheer Helmond, ik zou gaarne....”

“Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan ’t verzoek van een oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm—kalm—Wij zullen ons ’t genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van harte beterschap menheer Donerie, adieu!”

“Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in mijn plaats te spelen?”

“Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden ons zeker wat al te veel aandoen!”

“Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik....”

“Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!”

Helmond heeft den jonkman bij ’t opstaan even de hand gedrukt, en—denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.

Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar dikke tranen wellen er op in zijn schoone—nu eenigszins fletsstaande oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle, springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd eenige malen in het frissche water, en gaat eindelijk met haastigen tred het portaaltje over naar de voorkamer.—In weinige oogenblikken heeft Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is, en dat men niet onaangemeld zal binnentreden, toch wordt de kamerdeur van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de valgordijn naar beneden.—En nu—nu is hij dan zeker dat niemand hem bespieden of overvallen zal.

Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken en diepweemoedigen blik.

—Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden dat je me ook nú nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze, die zonnige dagen, die uren vol zaligheid!—Je zat toen naast me—jij op het ronde stoeltje midden voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood in de hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig zoover als jij had gebracht, en onder mijne leiding!—Een dweper of droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn’s “Lieder ohne Worte” door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt, dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel drong als een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst; en—blijde was ik dan, Eva, dat je mij niet kondt aanzien, omdat ik mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of een droomer was ik toch niet!—Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals en afdalend op den witten boezelaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog om op het muziekblad iets aan te wijzen of duidelijk te maken, dan, lief meisje, dan doortintelde somwijlen een ongekende verrukking mijn borst, want, onwillekeurig had dan mijn wang de trilling van die zwarte lokken gevoeld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder noodzaak op een point d’orgue gewezen, alleen om nogmaals.... O, toen ben ik van mij zelven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet ik niet.—Maar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd niet reeds genoeg?—Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en gevoelig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheid dat dat engelachtige wezen....?

Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor de oogen gedrukt. Hoe meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zielewensch een onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblik nabij komt, waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een ander zal verbinden—hoe zwarter ook zijn eigen toekomst hem voor den geest treedt, hoe zwakker de anders zoo kloeke zes en twintigjarige jonkman zich gevoelt, en in oogenblikken als deze zich verwijt dat zijn wijsheid een dwaasheid geweest is.

Ja, Eva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar ouderlijke woning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek bij een tante in den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen en ontwikkelen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in den Haag blijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om haar later nog eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.

Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die ze liefhad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur—zoo noemde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens—ze heeft hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een handdruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkomst moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken—waarop ze aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Herman zijn liefste élève niet vergeten hebben. Voor dringende zaken is hij gedurende haar afwezigheid eenige malen naar Neerlands residentie gereisd, en heeft dan telkens bij Eva’s tante een bezoek gebracht teneinde “het nichtje eens ’t een en ander van haar familie en vrienden te vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten.”

Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen, eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige, ’t welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor dit leven met hem te deelen.

Ja, ’t heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren strijd gekost.

In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonheid heeft hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartij. Een paar freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst leerden kennen, en haar—vooral om haar lieve stem zeer en amitié namen, hadden haar nu op een muziekpartij genoodigd, met beleefd verzoek: wat muziek te willen meebrengen.

Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligen muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waarvoor men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen, en over jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en—zij moest het eerlijk zeggen—allerinnemendst en niemendal trotsch was.

Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor tante’s woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, trad de bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij juffrouw “Van Armelo” beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebben hem te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer gaarne de eer gegeven om juffrouw “Van Armelo” in persoon te komen afhalen.

En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jong vriend van haar papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze vroeger wel eens duo’s heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.

Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft Donerie bij de oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermoeden is er opgerezen in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... die jonker, dat rijtuig!

Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning van den baron Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even te spreken gevraagd.—Goddank, zij was er! Met vragenden blik is ze hem in het spreekkamertje genaderd. O, ’t was wel zeer vriendelijk van mijnheer Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; maar waarlijk, zij had niets bijzonders aan familie of bekenden te zeggen. Hoe gaarne zou zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ook van de partij had kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée.—Men was enorm lief voor haar. De gastheer heeft haar bij ’t binnenkomen een mooi bouquet gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem—o magnifique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen.—Mijnheer Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu, adieu!—Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen—neen! nu minder dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn werkkring en Eva’s geboorteplaats vertrokken.

Twee maanden later—’t was in de eerste stormdagen van Maart, toen is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.

Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard Lasure met eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men vreesde dat het op een tering zou uitloopen. De middelen van dokter Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop aan, dat men den jongen dokter zou consulteeren; dokter Helmond was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor professor in de wieg was gelegd.—Dokter Biermans vond het zeer goed dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.

’t Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva, die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet behoefde te komen. ’t Was haar inderdaad onverschillig of zij beter werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden.... na dien slag, na dat ontwaken uit den zoetsten droom.

Toch waren de menschen heel lief voor haar. Die Donerie, wat was hij goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die “dood-oude schetsen” van A. V. H.—Alle pracht werken van Doré en zoo vele anderen had ze ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Die naam wilde haar echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.

Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als in den beginne. Op zekeren avond dat Donerie weer een bezoek aan “haar ouders” bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over Donerie’s lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine, die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.

In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond inweerwil van Biermans’ bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging hem boven de vriendschap van den ouden plattelandsheelmeester.

En Helmond is gekomen.

En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.

En morgen!....

—En morgen!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden kon. O, had ik haar reeds vroeg, zeer vroeg een blik gegund in mijn hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij ’t nader aanschouwen of ’t grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had ik.... Zwijg dan dwaas! uw verstand moest immers de overwinning behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon met u niet gelukkig zijn.... of althans op den duur niet gelukkig wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....

Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. ’t Is eindelijk alsof het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.

—Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;—Hoe zou ze mij nog straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen had. Neen Eva, kleine lieve Eva—mijn Eva van vijftien jaren—zóó hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.—Goddank! ik ben ziek; dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn kunst. Begrijpen, ha!

—Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een ander.—Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor ’t oog van God en je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!—-Maar, zij was immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.—Zie, haar naam staat daar—en onder den uwe.—O God! ben ik dan schuldig als ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen, ik kan het niet verscheuren, ik kan het niet wegdoen. Mijn God, wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....

TWEEDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht, en aan koster Bik inplaats van het oude roode karpet, het nieuwe Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste doctorale visite zal hij bij “den majoor” brengen, want de majoor, ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal voor het beraamde reisplan kon worden.

De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen, in een voltaire bij het venster.

“Phu majoor, wat een hitte!” zegt Helmond bij ’t binnenkomen, en blijft op den drempel staan.

“Er in of er uit dokter, als je blieft!” roept de man met den sjaal: “je zet me op een tocht wie de drommel!”

“Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er buiten als het u om ’t even is.”

“Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen zetten! Kom dokter, maak geen gekheid.—Herein als je blieft?”

Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het venster ’t welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer—ook ten gevolge van den walm der steenkolen—zeer onaangenaam en ongezond.

—Het consult is afgeloopen.—Met weinige woorden herinnert Helmond nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo hoopt te worden.

“Te henker ja, daar heb ik met m’n zieke karkas niet aan gedacht. Ei ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! ’s-Lands wijs, ’s-lands eer! Wel ja, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie vrouw, waarachtig!”

“Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote veertien dagen vanhuis denk te gaan.”

“Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer de dokter? Weet je wel dat ik d...... hard ziek ben geweest?”

“Jawel, u is zeer, zeer....”

“Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald.”

“Tenminste....”

“Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij ’t heengaan zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald.”

“Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor, dat ik gerust....”

“Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan den zwier gaan, dààr is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht instorten door kou vatten, door open ramen—ik zou dat raam nu maar dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in ’t kikkerland en niet in Oost-Indië... als je blieft....!”

“Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond voor, tenzij u excesses mocht doen die....”

“Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik, dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik hier.... zieje hier zoo’n pijn, zoo’n bijzondere drukking, en ik kan je zeggen dat me ’t klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en...”

“Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de ziekte die gelukkig aan ’t wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen, die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en.....”

“Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas in den steek laat? Nee, ik ben in ’t geheel niet beter. Van nacht bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen had: ’t nachtlicht was uitgegaan; ’t was zoo donker als in de hel, en ’k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag...”

“Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen ’t licht weer aangestoken?”

“Natuurlijk!”

“En ’t ging toen beter nietwaar?”

“Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wàt je me nu ook vertellen moogt, ik heb m’n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik m’n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst zou iemand...”

“U bent toch niet bang majoor?”

“Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje, in één woord....”

“Hoor eens majoor! met ’t oog op morgen moet ik mijn bezoek wat bekorten. U weet het: ’t is in dezen tijd een bijna algemeene gewoonte dat jonggetrouwden op reis gaan.”

“Juist, maar een dokter...”

“Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk—en voor korten tijd—aan een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik, dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van een vrij ernstige ziekte herstellende is.”

“Zoodat ik dokter Helmond nog op den koop toe zou moeten bedanken voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudt het op je geweten hebben; ja waarachtig!” Hij slaat met de vuist op de tafel.

“Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig maakt. U hebt me dikwijls gezegd—misschien zonder er veel bij te denken—dat u “aan een beroerte zoudt heengaan.” Maar zóóveel is zeker, dat ik u—behalve een matig leven enzoovoorts enzoovoorts, ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders....”

“Wat! denkt jij òòk dat ik aanleg voor een be.... be.... roerte heb?—Ik!? Je hebt er altijd om gelachen....”

“In de sociëteit majoor.”

“Ja juist in de sociëteit.”

“Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn: Kom majoor, ù een beroerte! je wordt honderd jaar oud.”

“Maar zou je dan waarachtig denken dat ik....”

“Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd: jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan zal ik.... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu—nù moet ik weer met zekerheid bepalen dat u aan een beroerte....”

“Neen, ben je gek, dat moet je niet met zekerheid bepalen, ik wilde....”

“Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn.”

“Zoo.... is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking hè? Kan die niet van invloed wezen op die ber....—Nee, in allen ernst dokter, is daar met zekerheid iets van te zeggen? Zie, een beroerte vind ik nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang voor nommer één ben, God beware! maar....”

“Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor ’t meerendeel onzen laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter vertoont, zou het een schermen in ’t blinde zijn om hem te willen bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de wapenen te kunnen hanteeren, hij moet geduld leeren oefenen en zelfbeheersching; terwijl hij alle vrees voor den dood—een ding, waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal—met kracht als lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!”

Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.

De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een vloek als tusschenwerpsel:

“Wát! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?”

Helmond omziende:

“De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust om nu al naar den dood te verlangen. Ik herhaal dat onthouding en kalmte hem ’t meest geraden zijn.”

“Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den d.... niet denken....”

Maar dokter Helmond is al vertrokken.

De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan den vertrekkenden dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.

Helmond komt niet terug.

Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.

“Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie hier komt.”

“Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is....”

“Roep ’em zeg ik je; ik moet ’em nog spreken.”

Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid—een heldere deern van vijf en twintig à dertig jaren:

“Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was.”

Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.

Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hem vrij knaphandig uit een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend; straks heeft ze gezegd, dat ze “verachtig naar beneden moest, want dat anders de juffer ’t in de mot zou krijgen;” en toen met een bijzondere vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: “Ei, ik zie wel dat je aan de beterhand bent, maar nou mot ik naar beneden. Atjuus!”

Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde om er, alvorens naar den generaal te gaan, nog ’t een en ander—ook voor zijn patiënten—te bezorgen, toen kwam hem bij ’t omslaan van den hoek der Groote Kerk, een “jongmensch” van omstreeks veertig jaren met zeer magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende zijn gansche, tamelijk radvloeiende en schelluidende toespraak, op ’t innigst er mee aan ’t karnen bleef.

“Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten. ’t Doet me almachtig veel genoegen dat je ’t zoo treft. Ja niewaar, je treft het bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje—je bruidje wil ik zeggen, en de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? Be sure dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje, van een bruidje wil ik zeggen; reëel ’t is een engel! Morgen, enfin, hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik je benijen. Ook in de kerk hé? ’t Zal zeker vol zijn. Algemeene belangstelling; je hoort van niets anders.—’s-Middags op reis niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote klok hangen. Nou, van harte—van harte hoorje, als je, soms iets hebt, in je absentie.... van harte hoorje, van harte!”

“Dankje Kippelaan, ’k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid ten volle overtuigd;” zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de dansende klem zoekt los te werken: “Je neemt me niet kwalijk, maar ik heb nog zaken, en dus....” Wuivend met de bevrijde hand: “Tot weerziens, adieu!”

“Och-kom, is die haast zoo groot?” herneemt Kippelaan terwijl hij met een snelle beweging Helmond in den weg treedt: “Vijf minuutjes? toe, vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij m’n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait d’amour. Parfait d’amour hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?”

“Nee Kippelaan; waarlijk....”

“Allemaal gekheid, dát kun je niet weigeren: Parfait d’amour!? Op de liefste!? Op morgen?” Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem een paar schreden met hem voort te gaan.

“Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d’amour te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit....”

“C’est vrai! c’est juste! Maar in m’n keldertje heb ik ook delicieuze pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos ’t gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....?—Jawel, já wel je moet nu even mee binnen.”

“Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen halfzes op De Zonsberg met ’t eten. Je zult dus begrijpen....”

“Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes maar. Je kunt dan, en passant, m’n nieuwe causeuse eens zien. ’k Geef je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief parole d’h....”

Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig: “Die kom ik later eens kijken;” en gaat dan zoo snel mogelijk naar den kant zijner woning.

Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de hand drukken, en—daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:

—”....en Gods allerbesten zegen, hoorje.... en dat je die prachtige engel in alle opzichten.... en gelukkige reis hoor! Maar als je morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in De Keizer van Marokko, dat is afzetterij.—St.-Lucas!—Ik zie je er al met je beien; delicieuze tafel.—’k Neem ’t je niets kwalijk dat je me niet op de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal, hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in De Gouden Arend, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in de kerk.... ’k Zal je een oogknipje geven.—Zeg, tóch een klein dropje....? Eén heel klein droppeltje pomerans?”

Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.

Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning, gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.

Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in ’t midden en een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhoutkleurige verf der voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk, glimmen dat het een lust is. ’t Ligt daar heel aardig dat kleine huis. Een zeer smal tuintje—of liever een paar smalle bloemperken met een klinkerpaadje in ’t midden, scheidt het van den wal, die de geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door fiksche ijpe en lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes in den wal naar beneden moet. ’t Huis ligt van den wal gezien wel een weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie uitzicht op De Zonsberg en de bosschen van Hoenderveld, ’tgeen men ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.

Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer gewenschte. Zijn woning is de laatste van een—althans voor het stadje—vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten, zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine steden nog altijd gebruik is—zijn eigen apotheek houdt. Nevens die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet, komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. ’t Is aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan, zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.

Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.

“Is er niets geweest Thomas?” zegt Helmond tot een jonkman met blonde haren, die achter de toonbank aan ’t vouwen van poeders is.

“Nee dokter, niemendal;” zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds blik zoekt te ontwijken.

“Niemand voor de apotheek Thomas?”

“Nee dokter, geen mensch....”

“’t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri....”

“Hé.... o ja, jawel dokter,” aarzelt Thomas en bukt zich om iets op te rapen dat er niet ligt: “ja ziet u, ik heb bij vergissing....”

“Kun jij je vergissen Thomas?”

Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:

“Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen.”

“Zij is toch niet ongesteld?”

“Nee dokter, Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen morgen was zij bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer dagen een beetje van haar stuk.—Ja, eigenlijk van haar stuk,” herhaalt de jongen terwijl hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen en hem stilzwijgend heeft toegereikt: “Och ja dokter, ’t kan moe zoo ineens overvallen dat ze.... geen woord meer....” Thomas draait zich plotseling om; kijkt naar de medicijnflesschen, en potten omhoog; pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te kunnen vinden wat hij hebben moet.

Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:

“Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega Biermans hier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen hem zijn.”

“Alles wat ú verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk.....”

“Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor ’t overige soms ’t een of ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd—ik bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is terstond aan een der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet dan in werkelijk hoogen nood zult doen.”

“Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed gaan. Ik.... ke....”

“Was er nog iets?”

“Nee dokter, nee; maar....”

“Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!”

“Nee dokter, toch niet, ’t was alleen....”

Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn provisor te zien.

Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en flesschen.

“En wát was er dan Thom?”

Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:

“Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we...”

“Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen, ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken.—Kom, ik wil haar maar aanstonds opzoeken.”

Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden, gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het eind van die korte gang op een deur.

Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binnenknip op de straatdeur heeft gedaan.

Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te gemoet gaat.

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden, en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

“Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn geluk. Stil moedertje, stil!”

“Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je brave moeder zich in mijn geluk verheugt.”

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt ze op bewogen toon:

“Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weet ik zeker; maar.... er zijn oogenblikken....”

“Geef je moeder een glas water Thomas.—Ziezoo, drink maar eens ferm mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? ’t Is alles uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt, heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroepen zoo keurig als alles door mevrouw werd in orde gebracht? Zij verbeeldde zich dat ze verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor de glazen en alles geheel in orde zouden vinden.”

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit de oogen, en zegt zacht op bewogen toon:

“Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar....”

“Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang.”

“Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken bedroefden te hebben getroost en welgedaan.”

“Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij ’t best elkaar stilzwijgend de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg voor de toekomst.”

“O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter te Romphuizen kwaamt, toen was het uw liefde die.....”

“Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel.....”

“Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar moedertjelief: je woudt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft laten blijven, niewaar?”

“Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter je zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo’n goed examen als apotheker kondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen....”

“Zoo’n pruik als Biermans bijvoorbeeld!” valt Thomas uit: “zoo’n schrok, die....”

“Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch, raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of—vergun mij het woord—zijn het telkens weer keukenbezwaren, laat dan mijn verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons blijft op den ouden voet—uitgezonderd die kleine menage-verandering, zooals ze u is voorgesteld.”

“Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter,” herneemt mevrouw Van Hake: “juist wat u met zooveel goedheid mijn woon- en keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in het achterhuis niet van zoo heel veel belang voor u—daargelaten het geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest.”

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

“Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke bemoeiingen, niewaar?”

“Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste opwogen tegen alles, alles wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan, is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misschien nog een enkele maal zoo vriendelijk wezen om de oudere in jaren over ’t een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn.”

“Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn dienst geweest!” zegt Helmond half verdrietig: “en, als dat ooit door iemand als zoodanig is beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd, maar ik acht u te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan: Toen ik indertijd aan oom Van Barneveld mijn wensch te kennen gaf, dat ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat denkbeeld zoo aardig dat hij ’t huis voor mij kocht. De beleefdheid komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie voor mijn eigendomsrecht. U hebt recht. Zie, dat is nommer één!”

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt half glimlachend het hoofd.

“Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal.”

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofdquaestie wordt.

“Prompt,” vervolgt Helmond: “wat ik daarvoor al genoot aan zorge en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele hulp van Thomas, ’t geen hoe langer hoe meer van beteekenis wordt, zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal volhouden.”

“Dokter,” valt Thomas in: “er is misschien in ’t heele land geen provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God hoort het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken, ziedaar, ik zou....”

“Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek je in allen geval voor je beurt,” zegt Helmond en klopt Thom op den schouder: “ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere de volkomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting beter dan aan mij zelven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig gulden—indien ik dáár nog van spreken moet—heb ik dan bovendien, bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mijn vrouwtje een lief en moederlijk gezelschap, en voor mij zelven de zekerheid dat zij, wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en, wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér dan genoeg! Al wat ik daar ’t laatst in rekening durfde brengen is een “naar ons toe rekenen” geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u hier blijft op den voet zooals ik ’t u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van uw recht, en handelt geheel naar den wensch van mijn braven oom, die mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor aan mijne—ja ik mag het zeggen, ook aan Eva’s liefde, te gelooven, en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken.”

“Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt, ja.... maar.... Ach, men kan niet alles zoo uitspreken.”

“Geen maren meer goede mevrouw; ’t zal misschien noodig zijn dat ik u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging.”

Moeder en zoon hebben onder Helmonds laatste woorden teekenen van ja en neen gewisseld.

“Jawel moelief, jawel!—Niet....? Dan zal ik het zeggen.”

“Nee Thomas, nee!”

“Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er maar over dat ú wel in alles en alles—ziet u.... maar....”

“Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken....”

“Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik.... wilde zeggen....”

“Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat de tusschen ons bepaalde overeenkomst door haar minder wenschelijk wordt gekeurd.”

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

“Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste....”

“’t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen, mij gezegd dat ze u zoo heel lief vond—ja het moet er nu uit—en dat ze hoopte recht veel van u te leeren. Bovendien waren het haar eigen woorden: ’t Is zoo’n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen.”—Is er nu meer noodig om u gerust te stellen en te doen gelooven dat de nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen, terwijl uw inwoning—ik herhaal het alweer—toch steeds als een recht door u moet beschouwd worden?”

Ofschoon aangenaam door Helmonds woorden getroffen, zoo is de doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet de oprechtheid van Eva’s karakter, dan toch haar goed doorzicht in verdenking werd gebracht, ’tgeen den man die haar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeerzeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in ’t reine te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

“Ja dokter,” valt hij uit: “’t is waar, juffrouw Armelo was ook heel vriendelijk en niemendal grootsch; maar....”

“Dacht je dat ze grootsch was Thomas?”

“Foei Thom, hoe kun je zoo raar spreken.”

“Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij het niemendal is;” herneemt Thomas een weinig verlegen: “Maar weet u waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken, je tobt er over. Jawel! Zie dokter....”

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede en vervolgt:

“Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond, dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u hier was, toen zei ze—zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen, en, met al mijn “recht”, hen niet weinig in den weg staan. Dokter weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden, indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn.”

“Is dat nu alles, lieve mevrouw?”

“Och ja dokter, het was kinderachtig misschien.”

“Is er niemendal méér Thomas?”

“Nee—niewaar moe?—Moe was eigenlijk bang dat we u toch te veel zouden zijn.”

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

“Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze—in een tijd dat men schier geheel illusie is—zich nog meer illusies schept. Toen mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om mijn aardig bouwmeestertje lachen. ’t Zou een mooie pijpenla worden die prachtige suite! Maar ik liet haar ’t genot van haar bouwkundige opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht als aan haar schertsend woord om in onzen voortuin een goudvisch-vijver te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien zelfs—zooals dat laatste—gekscherend gezegd. Zij was het volkomen met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben; dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen.”

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om den hals en fluistert:

“Zie moedertjelief, ik wist het wel!” En dan zachter, op geheimzinnigen toon: “Nu maar doen hê?”

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met een aanduiding van het genoemde voorwerp:

“Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van Hake’s weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde, beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk: “Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap,” zult lezen, lees er dan bij ’tgeen Thomas zelf er onder graveerde: “Van zijn weduwe en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen menschenvriend.”

“Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw waardigen echtgenoot! het stuk dat ge vol weemoed wel eens uw afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik....?”

“Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben opgewekt.—Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk, waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar hij in die vier laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood, niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch—zooals hij op zijn sterfbed zeide—die ongetwijfeld als een trooster zou komen in onze droefenis.”

“Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u ’t mij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja, welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor je beste moeder.... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor jou, maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven.”

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen had gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Nadat Helmond nog ’t een en ander met het oog op morgen en de aanstaande reis heeft in orde gebracht, verlaat hij omstreeks vijf uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op De Zonsberg te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug overgegaan—welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsche poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween—ternauwernood betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen, en bemerkt terstond dat het de tilbury van De Zonsberg is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer militairement met de zweep salueert, zegt hij:

“Ik zal maar eventjes keeren menheer;” door welk wenden Helmond nu beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de De Zonsberg aanvaardt, zegt Willem:

“Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven op den wal bij dokter vóór te zijn.”

“’t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen, en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa mooi opgesierd.”

“Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden.”

“’t Is een lief en hartelijk meisje.”

“Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den aard slaat.”

“Hoe meen je?”

“Ik meen vanwegens d’r.... postuur zal ik maar zeggen.—Als je de juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze een militairekind was. D’r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw.”

“Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk voorkomen; ’t staat me zoo flauw voor den geest.”

“Jawel precies dokter. Mevrouw’s portret dat boven ’t schrijfbureau van den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. ’t Was een braaf en zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk dat ze niet lang onder z’n kommando zou dienen. ’t Was jammer, een groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d’r langer plezier van zal hebben.”

“Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem.”

“God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig zal zijn.” Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

“Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u—met verlof—kunnen benijen dokter.”

“Ei zoo Willem?”

“Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m’n hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch—toch wou ik dat ik van morgen afaan, voor een dag of wat in menheer z’n plaats was.”

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen bruidegom om de lippen speelde.

“En waarom benij je me Willem?”

“Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw naar Parijs gaan;” zegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

“Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn.”

“Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal zien, waar ik om zoo te spreken m’n laatste eindje leven voor zou overhebben.”

“Je bedoelt....?”

“Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er anders willen zien dan de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge mevrouw die plek met je eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien; op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dát vergeet je je leven niet!—Komaan Zampa, het hek in.”

“Als oom er nog eens naar toe ging Willem.”

“’t Zal niet gebeuren menheer.—Ho Zampa!—Voorzichtig dokter.—Hoe laat verkiest u dat ik weer vóór kom?”

“Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?”

“De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen.”

“Dan om negen uur Willem.”

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

’t Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van den straatweg ziet men langs den oprit—die om het breede middelgazon naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solide gebouwde, zeer deftige en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel behagen heeft.

Een deftig stadshuis zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voorgevel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen der vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn ligging geniet, dankt het bovenal aan ’tgeen van de straatwegzijde verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw—naar het zuiden gekeerd—staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf zijn naam schonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men—behalve de bloemen aan zijn voet—het groen van heesters en boomtoppen die oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersch landschap: ’twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze Rijn—nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde huis met zijn fraai uitgebouwde serre aan de zuidzijde—zooals het daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt—een recht vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zou dan aan wal willen stappen om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare beek over blanke kiezels murmelt men zou de meestal steile paden van den fiks begroeiden Zonsberg willen beklimmen, om eindelijk in dat hooggelegen landhuis—als het zoo wezen mocht—een weinig te kunnen uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht, terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid van inborst verraden en reinen zin.

Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet “dat de pendule niet in de war is”. De generaal is een man van de klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie, en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent, zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar zich wachten liet maar steeds op zijn post was.

De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.

De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis versierde. Sedert de generaal eigenaar van De Zonsberg is geworden, werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.

Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan ’t eind van de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.

Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.

“Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud.—Hij heeft je immers gehaald?”

“Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam mij even buiten Romphuizen tegen.”

“Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?”

“Nee oom.”

“Dat spijt me.”

“Omdat u zelden....”

“Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt, maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat je van middag woudt komen August. Is juffrouw Armelo en de familie welvarend?”

“Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande schoonouders groeten.”

De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de beleefdheidsformule heeft gehoord.

“Wat dee jelui in de zaal Coba?”

“Pa, ik heb....”

“Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen op uw besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen, waarop de familie Armelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan.”

“Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd loopen!”

“Mijnheer, er is gediend;” zegt de huisknecht die uit de eetkamer in de gang komt en front maakt bij de deur.

“Goed Hendrik!”—In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef die hem een dankbaren blik had toegeworpen: “Toen Coba mij deed gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later dan om zes uur naar huis te gaan.—Convenieert dat de familie?”

“U bedoelt oom?”

“Zoo’n déjeuner in De Gouden Arend?” antwoordt de generaal terwijl hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.

Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:

“Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom.”

“Ah.... zoo” zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om te bidden.

Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om eventjes onder de oogwimpers door, een blik op “zijn biddende gasten” te werpen.

—’t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft gesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende houding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is.—En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen?—Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba!—En juffrouw Coba’s postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks verlaten richting tuurt—schuinsrechts op het landschapvak met een herder en herderin onder een boom,—och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo’n wurm!

De gewone diners op De Zonsberg duren niet lang; in een half uur is gewoonlijk alles—van de soep tot den podding, afgeloopen. En, wanneer Hendrik het eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, ’t welk gedurende het eten doorgaans in ’t Fransch werd gevoerd, in ’t Nederlandsch voortgezet.

“Dus zul je veertien dagen uitblijven?”

“Ja oom, ’t kan nu zeer goed geschikt worden; en voor Parijs is veertien dagen niet te veel.”

“Ah, dus moest het tóch Parijs wezen.”

“We zijn daar nu zeer op gesteld oom.”

“Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;” herneemt de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den oud-militair te herkennen.

“Ik geloof pa, dat August’s bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja, en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?”

August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot den generaal:

“Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was, werd het ook mijn wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren.”

“Welzeker August.... Wil je nog wijn?”

“Dank u oom.”

Eenige minuten later wordt er gedankt.

Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds voorhoofd heeft gedrukt.—Hendrik die inmiddels is teruggekomen, presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer het heerlijke vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter zich toe.

“’t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over je belangen te spreken,” vangt de generaal aan: “we zullen daartoe na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens even over Coba met je praten.” Naar buiten ziende en dan met merkbare zelfoverwinning:

“Ze zag in de laatste dagen naar ’t me voorkwam wat bleek.”

“Coba is niet sterk oom;” zegt Helmond en ziet den pleegvader belangstellend doch met verwondering aan.

“Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt het je dat ik je over Coba’s gezondheid spreek. Wat ik voor me zelf niet zou doen, dat doe ik voor m’n kind; en met het oog op je aanstaande reis vond ik het beter om je ’t nu maar eens te vragen.... ’t Kon dacht me geen kwaad.—Ze heeft voor een paar dagen iets gehad dat me....” de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond af en naar de zij van het raam: “dat me.... wel niet bezorgd maakt, maar.... toch ook niet beviel.—-Zie je die sleepboot wel? Kijk, vier Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop.”

“En wat was er dat Coba.... oom?”

“O ja, ’t had nu juist niet zoo heel veel te beteekenen, maar.... Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af; zitten in ’t bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen, etcetera, etcetera.”

“Zij heeft zoo’n lief karakter de goede Coba.”

“Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder ’t beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk begint te hijgen. ’k Zeg nog: wil je hier even op den kant in ’t gras gaan zitten—terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar favoriet-stukjes te zingen.—’k Zeg: Coba ben je mal, dat zingen onder ’t klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze ’t niet hoorde, luider ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker. ’t Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu, adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August, als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen, bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen, dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg.”

“Was zij buiten kennis oom?”

“Nee in ’t geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen;—ze was wel wat luchtig gekleed, zieje, en ’t is doorgaans nog geen weer voor die zomertoiletjes.—Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel, een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te snuffelen, daar staat me ’t ondeugende kind naast m’n stoel; zoent me, en zegt dat ze heelemaal weer beter is.—’t Heeft niets te beteekenen, niewaar? ’t Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder ’t klimmen; maar ik meende toch dat ik verplicht was je ’t eens te zeggen.—Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte efforts vermijden, dat is mijn opinie....?”

“Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?”

“Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!”—Weer naar buiten turend: “Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje ten gevolge van die klim- en zingpartij?”

“Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar....”

Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dan hij zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste maar had hij nu geen ooren. Immers die dokter, een deskundige, heeft erkend dat in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een erkend uitvloeisel, of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba, ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, “gezond van harte” is, werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. ’t Komt uit zooals hij vermoed—of in stilte gehoopt heeft: de overspanning van het oogenblik heeft zijn dochter die “onpasselijkheid” bezorgd, en, zullen die malle kuurtjes zich niet herhalen en alzoo het delicate gestel op den duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden te worden, en moet Coba vooral niet meer zingen. In den laatsten tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.

“Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende ik mij vis-à-vis Coba niet geheel verantwoord.—Komaan, ze zal ons met de thee wachten; maar—doe jij me nu één plezier en secondeer me als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat deugt niet—niemendal!”

Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen; haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan—al moest het ook in stilte wezen—met zorg te behandelen zoodra hij van zijn reisje zal zijn teruggekeerd.

Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen, waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt terwijl hij even bij haar stilstaat:

“Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer van die kunsten hoor!”

Terwijl Jacoba’s bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze: “Wat bedoelt u papa?”

“Wel, met dat onbesuisde zingen. Helmond geeft me volmaakt gelijk dat jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen en hooge noten in de wieg is gelegd.”

“Maar pa, dat zingen....”

“Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je kwaad. Als je zoo’n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en vooral na de les, dan kan ik ’t je aanzien dat je moe bent. Laatst nog beefde je hand toen je me ’t kopje gaf.”

“Dat was na den Erlkönig pa, en dat stuk....!”

“Ja dat is onverstandig kras, ik zeg bepaald onverstandig! Hoor eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen moet. Niewaar August?”

“Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren....”

“Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld. ’t Kwam zoo ter sprake. ’t Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als ik den Zonsberg met m’n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niet te rusten, maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet je het in ’t generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?”

“Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je niet te veel van je krachten moet vergen.”

“Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat door oefening....”

“Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig aan mijn militair herinnert, dan zou ik ’t allereerst op commando en discipline komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me doen zult, ’tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen moet, en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je? Als we dan verder goed versterken; veel de lucht genieten—liefst op de vlakte—dan twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel.”

Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.

“Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik u en August.... beloven....?” zegt ze op bewogen toon terwijl er tranen blinken in haar zachtblauwe oogen.

Van Barneveld heeft niet geantwoord.

Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was den generaal te machtig.

“Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest alleen dat het je nadeelig zal zijn.”

“Als het beter is dat ik niet zing en speel August, en vooral als ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;” zegt Jacoba terwijl ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.

“Fiks gesproken Coba!” zegt de generaal.

Weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer om in de serre een kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een “mengsel uit den medicijnwinkel” zal geven. Coba zag toch erg erg bleek, en die kippenkuren konden terugkomen.

Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en—straks is de deur weer gesloten.

“Heb je nooit pijn op de borst Coba?”

“Nee August.”

“Kun je goed ademhalen. Zóó—diep, diep ophalen? Probeer het eens flink!”

Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.

“Ja ’t is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag hier bijna aan ’t praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat de drop-en-kamille-dokter van ’t huis. Maar je zult het ondervinden dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein poosje weer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor ’t oogenblik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar ’t me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel verstandig dat je—ook om zijnentwil—een veertien dagen zijn raad wilt volgen.... Mag ik je pols eens eventjes...... Wat de muziek en ’t zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen bezwaar tegen zijn.” Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt: “Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa’s wensch te voegen en wat vacantie te nemen.”—Hij ziet Coba die zich heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen; vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:

“Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je hindert?—Heb je misschien ’t een of ander dat je droefgeestig stemt? of....”

“Ik August?—Wel nee!”

“’t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier van de huishouding je ook wat zwaar?”

“Nee August, volstrekt niet.”

“Toch komt het me voor....”

Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon dan ze gewoonlijk spreekt:

“Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst wat hard gezongen onder ’t klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt men zoo niet.—Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit, zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is....—Je wilt nog thee?—Is.... se—wat ik wou zeggen, ah—is mijnheer Donerie ernstig ongesteld? ’t Zou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek werd. ’s-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....?”

“Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk gevatte kou;” antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Donerie’s ongesteldheid informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.

“Ik begrijp niet waar pa blijft;” zegt Coba terwijl ze opstaat en met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.

“Coba! Jacoba!”

“Is er iets August?”

Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne vingertjes vattend zegt hij kalm:

“Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat verdriet of hartzeer moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou ik nu—zelf ten toppunt van geluk—mijn lieve pleegzusje met een vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft ’t welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er werkelijk iets anders is ’tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen dan muziek en zang zelfs bij ’t bergen klimmen? Coba ik heb je goed bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je ’t een of ander te onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba, dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat je hebt. Straks spreek ik met oom.—In de stemming waarin hij nu is zal hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen indien ze je hier in ’t een of ander den voet dwars durven zetten, hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind....”

“Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan, en De Zonsberg is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens inschenken? Ik moet even naar boven.”

“Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!” roept de generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: “Wat me óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan ze toonen wil gevoel van je huwelijk heeft.—’t Ligt in den aard der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we nu te observeeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. ’t Zou misschien beter zijn....”

“Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u uitrijdt, gebruiken moet.”

Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood onderdrukten glimlach: “Mijnheer Kippelaan!”

“Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik iemand bij me heb met wien ik moet spreken.... iemand die.... uit de stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen.”

Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de generaal bij zich heeft: “Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder graag eens eventjes spreken.”

“Ben je zijn dokter August?”

“Ik zou bijna zeggen: helaas ja!”

“Laat menheer binnen Hendrik.”

Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om, en dan met een buiging:

“Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet; ’t was maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest sedert ik ’t plezier had je van morgen....?”

“Neem even plaats menheer Kippelaan;” zegt Van Barneveld met een aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan heeft zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.

“Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten u nogmaals van harte, van harte....”

“Ik dank je menheer;” zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.

“Kwalijk genomen?” herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach: “Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, ’t is slecht van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me plezier. ’t Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect idee in De Gouden Arend. Uitmuntende visch! Zeker half-twee aan tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend voor de conversatie, en....”

“Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten....”

“Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats moest men over ’t algemeen minder gesloten, en meer joviaal en open zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond, weet u....” Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend: “Militairement!”

“’t Schijnt dat u de militaire usanties....”

“O zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier was—in politiek weet u; en maçon; ik was op-en-top maçon, want de maçonnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim, niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie, ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van open, rond!”

“Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed zijn mij vóór te gaan.—Wanneer het geheim is August, ga dan in de zaal.”

“Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen ’tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel voor de groote beleefdheid om mij....”

“’t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen tijd noodig hebben. ’t Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?”

“Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat ik aan mijn vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar toch—nee nee pardon generaal, pardon, voor u is ’t in ’t geheel geen geheim. Pardon!—Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik ’t plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O!—Was ijselijk amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch zeer ziek. Was fameus met je ingenomen—droppels of poeders daar wil ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte—dit was het geheim; ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een beroerte. Mijn neef de professor....”

“Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?”

“Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje, dát is wat kras, maar....”

“Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?”

“Dat juist niet; ik heb de gaaf om—ja hoe mag ik het noemen; te voelen. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de Lieder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een vers van.... enfin vind ik niet zoo mooi als een blad muziek; een quatre-mains lees ik liever dan een roman.”

“Heeft de majoor u verzocht....?”

“Pardon, ik heb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik ’t hem zeggen. Nu zei de majoor—’t was à propos van je reis: als ik hem in tijd van nood maar telegrafeeren kon. Dat was juist gezien, niewaar excellentie? Mooie uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets!—Rondeman gezegd, nu had ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hê? watblief? Van dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je heengaat: maar als de majoor....”

“Voor ’t geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk mocht zijn, heb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met Biermans schrijven of telegrafeeren.”

“Och-kom, Van Hake! zal die....!—Ah, hoe vaart u juffrouw Van Barneveld?” vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt: “Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt over ’t mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die landen kust en scheurt de dijken! ’t Heelal verdeelt in ko....”

“Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je gaarne een kop thee schenken. Vaarwel.”

Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek voldaan.—O, de ontvangst op De Zonsberg was charmant geweest. Al heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodigingen voor familiare diners of soirees gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van delicatesse geweest is. ’t Was hem in den aanvang moeielijk om die delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem, “ten sterkste animeerde” om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren voet wil zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!

En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin, kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? ’t Mocht dan bij den “burgerlijken stand” en zelfs aan den generaal bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste jaar is ingetreden, juffrouw Coba’s terughoudendheid heeft hem wel degelijk gezegd, dat ze hem—zooals iedereen—op ’t allermeest voor een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk pour la première fois! Maar, zoo ’t een en ander heeft hij toch uit haar allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij zich nooit verveelde als zij alleen was; en dat het haar pa zeker bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa geen zaken had. O, o, die invitatie!—Voor het overige is Kippelaan zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen de “toonnuanceering zijner stem”—waarover men hem dikwijls vol enthousiasme gesproken heeft—ook nu haar uitwerking heeft gehad. Toen hij van ’t geluk sprak ’twelk dokter Helmond met zijn geliefde “te gemoet ijlde”, in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van den majoor Kartenglimp of een doodelijk ziekbed, waaraan—zooals hij vernam—de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit “werelddeel” had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken en ontroeren.—O Coba mijn!—Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij ’t heengaan—geheel in gedachten—Hendrik die hem uitliet de hand schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen, zal deze dan de vervulling der planeet zijn: “De zon zal het zilver beschijnen en hetzelve aan u doen kleven.” Zij was “bleekblank als het zilver”, en de Zonsberg bescheen haar!

“Atjuus menheer Kippelaan!” zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op De Zonsberg heeft gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn, zoekt en frommelt en tuurt erin, en.... is verplicht Hendrik een gulden te geven, want “de twee kwartjes” hij vond ze niet.

Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind—eenmaal, jawel, generaals zijn ook sterfelijk—dan zouden immers de guldens voor Kippelaan zijn “wat nu het zand was aan den oever der zee; tenminste....”

Kippelaan die in ’t schemerdonker vertrok, heeft nog eens even, terzij van het huis een “blikslag” erop geworpen, want hij “kent gaarne iets aan alle kanten”.

Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.

’t Was “letterlijk niet te verstaan.”—Nu werd het luider. Stil, dat is de stem van den generaal. Hoor:

“Getrouwd.... met Chassé.—Citadel.... twee kinders.”

Kippelaan vond het indiscreet; maar hier onder den donkeren eik, wie zag hem! ’t Was aller-interessantst! aller.... aller.... interessantst! en hij luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal tot zijn pleegzoon:

“Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan August? heb ik dien andere minder liefgehad? ’t Is wreed mij aan dien knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een dwaze rederijkersmanie, zich te verslingeren aan een tooneelnimf van het laagste ressort! Had ik hem dáárvoor mijn liefde betoond, om mij.... mij....”

“Beste oom, spreek hierover niet meer;” zegt Helmond dewijl hij ziet hoe de herinnering aan ’tgeen zijn broeder deed, den ouden pleegvader beroert.

“Waarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken.”

“Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in een oogenblik van opgewondenheid....”

“Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer ik me die woorden herinner; van hem die woorden: “Man, als je één greintje eergevoel in de borst hadt....!” God in den hemel, hij tot mij! Zwijg, zwijg zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer.”

“Ja oom, ’t was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener....”

“Slecht! er is geen woord voor te vinden!”

“De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet voorspreken oom, maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als een “rot lid;” hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige begrippen verschillen wij veel, maar als u vasthoudt aan wat geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven, evenals God....”

Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt hij—aanvankelijk kalmer:

“Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig God geloof. Daar is een verdoemenis! De bokken zullen van de schapen worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen Genade!—In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader den kogel geeft; als hij opstand—insubordinatie—straft met den dood.—Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu den ellendige vervloek dien ik liefhad en wéldeed; de adder die me zeggen durfde: “man, als je één greintje eergevoel....” God in den Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets....”

Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan, en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals drinken—nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken—zeer duidelijk verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.

“Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!”

“Ha zoo, als men dat maar bedenkt.”

“Ik vraag u niets voor.... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet haten oom.”

“Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn naam wordt in dat stuk niet genoemd.”

“Maar de bedoeling ervan....?”

“Is duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van ’tgeen mij heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling zoudt verstaan en gebillijkt hebben.”

August Helmond staart op het schrift, ’twelk de oom hem straks ter onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus zou hebben gevestigd en in ’t huwelijk ging treden; ofschoon men wel eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet had. ’t Was mooi genoeg dat Helmond—die alles wat hij was en bezat aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont en van De Zonsberg bij voortduring een stroom van weldaden in het huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van ’t huwelijk afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend—het dubbele van ’t geen hij, sedert hij dokter werd, ontving—terwijl den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag van honderd gulden was verzekerd.

Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan den vroegeren huisgenoot nimmer iets zou schenken van ’tgeen den pleegvader had toebehoord.—Was hem die meerdere zekerheid voor de toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.

Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:

“Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele vrouw.”

“Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan dat voornemen varen. Je moeder heb ik—zooals je weet—zeer weinig gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je vader. Maar August, al stond daar je moeder met “dien ander” voor me, en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen: Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon des Almachtigen.”

“Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat woord.... te hard, te....”

“Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan indien men “den ander” tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan.—Ik wensch je naam onder dat schrift.—Zeer lang heb ik er tegen opgezien om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en ’tgeen ik verplicht was, maar dan zijn wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?”

“Oom!”

“Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer....”

“Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren, omdat hij eens, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dát kan ik niet!”

De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de grijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig—half met zekere verruiming uit:

“Maar wie eischt dit!? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen, onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen, naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat “de ander” ooit iets zal genieten van ’t geen ik thans het mijne noem. Zou je dan wenschen dat hij nog dieper zonk, en willen meewerken om zijn zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik aan denken zoudt.”

“Maar alles wat ik zelfs nú bezit heb ik aan u te danken....”

“Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van dit geschrift begrepen?”

“Ja, oom.... en ik vergeet het niet.”

“Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de onderteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn wil niet duidelijk gebleken was.”

Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire; neemt er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein bankpapier voor Helmond neer.

“Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening.—Wat de partij in De Gouden Arend betreft; nu daartoe besloten werd—misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks verplicht te zijn—nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar? Zorg nu verder dat ze met dit—geheel in orde komt, en zonder dat iemand anders daarvan wete.” Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.

“Oom, ik nam het voor mijne rekening, omdat mijn lieve Eva op dat déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen uw gastheer blijven.”

“Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, niewaar, dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer? Tegenover het publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan.—En dan,” vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille heeft gestoken: “En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop en Parijs nog al duur is. Ziedaar!”

Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: “Tweehonderd gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond.”

“Oom, uw goedheid....!”

“Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank meer. ’t Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij, in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een vroeger gesprek herinnert:

“Ik begrijp u oom....”

“August, ik geloof niet dat het déjeuner in De Arend zou worden gegeven als je mij geheel en al begrepen had...!”

“Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dát is ze niet.”

“Heb haar lief met wijsheid August!—Zij zag er gisteren prachtig uit.”

“Zult u mijn wijfje ook liefhebben oom? Ja, ik weet het. U zult het, evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!”

“Wie mijn zoon gelukkig maakt die heb ik lief als een kind.—Komaan, onze zitting heeft al te lang geduurd.” Hij drukt hem met warmte de hand.

VIERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Den volgenden dag was het “regen en wind.” De tuinman van De Zonsberg heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarsten plekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er “donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest.”

’sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.

’t Is acht uren in den morgen.

Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.”

“Om kwart over tienen vóór Willem.”

“Zeer wel generaal. Met de koets?”

“Nee, met de vigilante.”

“....Zeer wel generaal.—Toch ’t koperen tuig?”

“’t Zwarte regentuig Willem.”

“....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.—Nog iets van je orders generaal?”

“Je brengt me eerst met de juffrouw naar ’t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.”

“Zeer wel generaal.”

“Je rijdt dan bruid en bruidegom naar ’t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naar De Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.”

“Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?”

“Natuurlijk witte handschoenen.”

“Natuurlijk generaal.—Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan de koets en het koperen tuig?”

“De controleur gaat naar veel regen en wind.”

“Niets meer van je orders generaal?”

“Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan ’t station. Van daar kom je aan De Arend terug, en rijden we weer mee naar De Zonsberg.”

“Volgens je orders generaal.—Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!” Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.

—De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.

De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, ’t welk het voorbijjagend rijtuig van De Zonsberg doet opspatten.

“August treft het slecht Coba.”

“Droevig weer pa.”

“’t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar ’t stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag.”

“’t Stemt vroolijker papa.”

“Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.”

De wind stond op het raampje aan Coba’s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. ’t Was haar alsof ze tranen zag.

“Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?”

“Ingenomen?” zegt Coba verstrooid: “Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa.”

“Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; ’t was twee minuten over den tijd. ’t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.—Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?”

In ’t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:

“O heel wel!” en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: “Zie, de lucht is daar nog erg donker. ’t Is zóó wel treurig vandaag.”

Zeven minuten later reed de vigilante van De Zonsberg,—na den generaal en zijne dochter aan ’t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.

“Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!” zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva’s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.

“’t Is een vigilante lieve!” zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: “’t zal voor papa en mama zijn.”

“Nee beste kind, ’t is heusch van De Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.”

“Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.—Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.”

“’t Is zeker omdat ’t zoo regent;” meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva’s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.

“Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen “met de koets” trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.”—Roepend aan de openstaande gangdeur: “Pa! Pa-lief! Pa!”

Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaat naar binnen.—Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft “als een gek.” Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; ’t is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!

“Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor ’t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.”

Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze—nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was—op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem—entre nous gezegd—te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de “groote tiendaagsche ruzie” en den “vijf en twintigjarigen dienst” toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.

Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond—waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven—was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante van De Zonsberg dan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.

In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.

“O, zijn de rijtuigen daar?” zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: “Zeer goed, je zult wel wachten;” en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: “Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!” Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uit De Gouden Arend, haar op zij, en zegt:

“Menheer Siebold wilde een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s voor de partij hebben. De duiten present.”

“Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?”

“Wat is er Marie?—Watblief Herman?” vraagt Armelo in de deur.

“Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s, Kapitein?”

“O wacht, met alle....”

“God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!—Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.”

“Ik heb hier anders den sleutel;” zegt Armelo met het wapen vooruit.

“Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?”

’t Is Eva’s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.

“Wat is daar....?” vraagt Eva.

“Niets, volstrekt niets lieve engel;” zegt mevrouw Armelo op den drempel.

“Ik zag daar Herman uit De Arend ma. Is er iets.... van ’t déjeuner.... of....?”

“Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. ’t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om ’t zilver kwamen. Men durft maar alles!”

“Ik zal het vandaag wel ’t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;” zegt Helmond.

Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.

“Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!” zegt mevrouw met een zucht: “maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: een zoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?”

Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: “Wij vertrouwen u ons kind August!”—En dan: “Ha, daar is ook onze equipage!” Straks roepend in de gang: “Louise! mijn engel! ik bid je, kom!”

De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.

Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich—en nu reeds omstreeks een half uur—de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.

De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maar zou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond op De Zonsberg had ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde—ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel—had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn “belofte” geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.

Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon—die mede geenszins nieuw was—juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze—evenals zijn broekspijpen van achteren—nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.

Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de “voorname heeren” gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend—natuurlijk in zoo’n trouwkamer—zegt hij:

“Zeker pas gekomen? met de spoor?”

“Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht....”

“Ken je den oudste van die beide heeren?”

“Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?”

“Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.”

“Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?”

“Juist!”

“Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.”

“Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.”

Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.

“Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?”

“Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?”

“De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.—Fameus pleizierig; ’t zal haar goeddoen.”—Naar de deur ziende: “’t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.”

“Ik begrijp niet wat er aan hapert;” zegt Van Barneveld vrij luid: “’t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!”

“Misschien iets met de paarden;” meent dokter Wolf: “De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z’n eigen den poot moet verzwikken.”

Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.

“Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....”

De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.

De bode van ’t stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.

Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En—’t was een kloek, aristocratisch schoon paar.

De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.

Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed—een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.

Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin—dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid—die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnen kleed een weinig in orde schikt—een galant woordje toe te spreken, ’twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.

“Daar heb je ’t al!” fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: “de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; ’t is geen smaak meer.”

“Welzeker is het ton;” fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.

“Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;” zegt Armelo.

“Dat is ook méér dan schandalig!” herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: “wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeur generaal en ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.”

Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.

De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.

Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde—welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat—die buiging is een nommer op het programma, ’twelk burgemeester bij de “formeele staats-koppelarij”—zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt—gewoon is te volgen.

Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar ’t bordes en zegt—nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd—tot den koetsier van Siebold uit De Gouden Arend:

“Hoe liep het zoo laat Jozef?”

“Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.”

“Niet eerder besteld?”

“Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant van De Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.”

Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en ’t was zeker niet naar ’t behoorde, dat hij en Hendrik—zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten—bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uit De Arend—die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden—zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.

“Op zij jongens!” zegt Jut, en dan tot Willem: “Was de koets te orde?”

“Jawel.”

“Waarom nam je dan de.... vieselant....?”

“Ingevolge m’n orders!” zegt de oude snorrebaard.

Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan ’t eind zijn. Op ’t laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men ’t in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je ’t al:

“Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijls verbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.”

’t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.

Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo’s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. ’t Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!

—“Nee juffrouw Sillemond, d’r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d’r al lang geweest, want ’t is al tien minuten over den tijd. En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!—Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.—Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus....”

“Ja maar, zieje—ik, ik ben gisteren nog den heelen dag op De Zonsberg geweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij ’t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug.”

“Maar m’n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij ’t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan....”

“O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!” hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: “Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.—Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?”

Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.

Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkens richten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.

—Hoor, daar rollen de koetsen.

—Nu zullen ze komen!

—Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.

Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.

De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.

—Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.

’t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.—Maar ’t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!—Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó—zóó is ze prachtig, ja prachtig inderdaad!

Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen—mede twee aan twee—de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. ’t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva’s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.

Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.

Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.

Het pad is lang.—Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: “Van harte.... van ganscher, hoor!—Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!—Van harte, van harte!”

Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk—waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken—van het schip der kerk gescheiden.

Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk, dadelijk naar ’t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.

“Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.”

“Zoo, Janssen.... Wil jij maar....” Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.

En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.

—Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....

—Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! ’t Wordt tijd, hoog tijd. Voort!

En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkende hymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.

Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men ’t hun aanzien dat ze getroffen zijn.

Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.—Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, ’t was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken: Lieder ohne Worte!

En de hymne ruischte voort, en—het ruischen van Eva’s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbonden kostershuis begeven, om er, voor ’t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.

Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, van zijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.

Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.

Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.

“Nee lieve August, volstrekt niet;” zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals ’t haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en—ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....

“Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;” fluistert Helmond.

“Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is ’t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!”

’t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uit De Gouden Arend moest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.—Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef—het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden—den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de “liefhebbende pleegvader” geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bederven wil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.

“Oom heeft ons al op ’t stadhuis gefeliciteerd Eva;” fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.

“’t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;” herneemt Eva: “Nee, ’t is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen lomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.”

Kippelaan die—dank zij zijn straks gegeven fooi—in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:

“Tot in lengte van dagen hoorje!—Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt ’t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos amice! bekend dat ze in De Arend gemeene champagneglazen hebben. Wil je d’r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama’s kant, de Parladotti’s. M’n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?”

“Dankje Kippelaan, dankje bepaald.”

“Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal ’em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.—Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.—Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.—Met den trein van drieën, of....?”

Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken—nu van toga en bef ontdaan—de kamer ingetreden.

Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar—van dien pleegzoon in ’t bijzonder—ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. ’t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van De Zonsberg niet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva’s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in ’t nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf “den veearts” heeft gesproken, “wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlakte laarzen had gemaakt”, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan—en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag—dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva’s toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar ’tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders—anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het “ander ik” van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.

Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:

“Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.—’t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk —ja alle geluk—in waardeering bestaat. Zeer juist. De mensch mag—ik zou zelfs zeggen hij moet met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van ’tgeen hij goeds bezit en niet slechts van het betere ’twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.

“Jonge echtgenooten!” vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: “’t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie—onzen Heiland— gesproken: “De liefde zij ongeveinsd!”—Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek hier, als ’t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.—dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggen volkomen gelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dan tevredenheid. ’t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen. Onder ’t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.

“August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste—het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie—zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.—August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en—heb haar lief.”

“Oom, ik bid u,” fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.

Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan ’t hart!—Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat in deze ure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?—Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.—En Eva’s wit—witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en—of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van ’t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva’s hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:

“God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je hem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel—ziezoo....” En—de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.

Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeer zeer zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: “Dank u oom,” heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.

Zwijgend—als om den storm te doen bedaren—drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;

“Nee nee dominee, ’t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, ’t zou me knagen aan ’t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.”

De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor ’t meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de “gelijkheid der partijen” overtuigd was—“allemaal militair”—toch heeft ze, toen de rijke heer van De Zonsberg haar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in ’t oor gefluisterd:

“O ’t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?”

Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en “schoon-pleegdochter” ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!

Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.

Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: “Ja ja Marie, ik weet wel! Maar ’t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!” Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.

“Mijnheer Helmond!”—Omziende: “Watblief?—Kinderen meen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee....”

“Guns Armelo!—Hij meent de wereld;” fluistert mevrouw.

“Dat het niet goed was in de wereld;” verbetert de kapitein: “En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d’r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....”

Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, “ongewoon aan die groote dingen op de borst”, iets in ’t oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde—een spin of zoo’n ding—heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de “groote tiendaagsche ruzie” voor het jonge paar op den grond is gevallen.

Maar ’t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.

Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor ’t grootste deel verlaten omdat het—zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt—toch niemendal gaf dan een kletsnat pak.”

Behalve eenige straatjongens en meisjes—de laatsten met haar rokken over ’t hoofd—stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. ’t Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op “een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was”.—Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

“Piet, als je eens iets uitvondt;” zuchtte het meisje heel zacht.

“Ja, Marietje,” zuchtte Piet weerom: “als ik eens iets uitvond; maar wat!?” en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.

De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar—een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. ’t Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op ’t laatst, bij ’t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken. ’t Was haar kleed...—De lijkkoets?—Nu ja de trouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn “twaalf uur” als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde—na zulk een concert!—Nu is ’t alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.—Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.—Als hij opstaat dan zal dat beter worden.—Ja, zoo is het.—Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.—Nu is de secretaire geopend.

—Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.—Het binnendeurtje was al open.

—Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!—Wie lachte daar, wie?—Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.—Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg, weg er mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!—Wáár ze zijn....? Hier, dáár, hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie’s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,—ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie—als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Ofschoon het déjeuner in De Gouden Arend in vele opzichten der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl het verschil van maatschappelijke positie der gasten overvloedige stof tot karakterstudie bood;—een kwalijk verbloemde onrust van het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van den generaal, werken—misschien wel gelukkig—aanstekelijk, en, wie er van de gasten of misschien van de bedienden lust in heeft, hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó netjes als er in De Gouden Arend nooit te voren een gegeven was, doch wij—we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer slecht gemaakt had.

De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch, heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer zachtjes toegefluisterd:

“’t Is over halftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt....”

“Dan moet jij maar ’t eerst....” heeft Eva teruggefluisterd.

Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op, ’twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan ’t zusje te denken dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel anders heeft gehad.

“Jawel, daar broeit iets Louise;” zegt Thomas Van Hake, die naast Louise Armelo zit.

“Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata.”

“Ja maar, ’t is halftwee, en.... Wil je een stukje van de taart Louise?”

“Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner.” En dan eensklaps met het oog naar het midden der tafel: “Guns, zie, ze zijn al gevlogen; hun stoelen staan leeg!”

Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van De Zonsberg geladen, en voor den fellen regen door een lederen kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal, hun regenjassen aan. De oude koetsier—die “vrij wat meer parade op den bok dan op de been maakt”—zat, recht als een kaars, regen en storm te tarten, even kordaat als “de groote keizer” weleer de rampen braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit De Arend heeft, met de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik, die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt nogmaals een blik in de breede hotelgang.—Boven moeten er ramen of deuren zijn geopend, want eensklaps zuigt een geweldige tocht, zoodat een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen, en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.

Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.

In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre een kleine groep. In ’t midden ervan bevinden zich twee personen, die niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te scheuren. Uit haar midden komen ze snel naar voren, de beide personen die men zooeven ten afscheid de hand gaf.

Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt, dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.

“Helmond! Hel....mond!” roept een vrouwenstem op den natten dorpel van De Gouden Arend. De geroepene ziet om. ’t Is mevrouw Armelo die met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen, storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.

Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen, gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:

“Hadt u nog iets mevr.... mama?”

En mevrouw Armelo had nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna onhoorbaar:

“Och August, zul je bedenken dat ze mijn mijn kind is! O zul je, zeg!?”

August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk, ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond—’t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.

Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu was hij alleen—alleen met zijn wijfje!

—Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?

“Eva! mijn engelachtig vrouwtje!”

Zij antwoordt niet.

Stil, ze schreit. ’t Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel aan haar zelve overlaat.—Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts kent uit gulden dagen.

Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt, en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds er mee te bewerken dacht.

Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij, zal haar wel goeddoen.

“Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de zij waar geen wind is?”

Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:

“Och.... ’t is.... mij....”

“Zeker goed niewaar?” vult Helmond aan: “Ja ’t zal beter zijn.... Wacht!”

Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder ’t schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok, en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.

Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug; legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.

En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend snikken wordt sterker.

In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men het haar straks terdeeg kunnen aanzien; ’t publiek maakt zoo spoedig zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel; haalt haar nader tot zich, en dan;

“Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?”

Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en ’t klinkt met een nokkenden zucht:

“Och.... August!”

“’t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,—mijn eigen aangebeden vrouwtje!”

Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan, en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.

Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: “’t zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken.” En ofschoon Eva zichzelve dan ook geweld doet om dien “dwazen tranenstroom” te bedwingen—misschien dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en spoorwagen denkt—telkens overmeestert haar weer dat “onverklaarbare” ’t welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:

“Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe het.... komt.... en toch....” Eva kon niet eindigen. “En toch, ik ben zoo gelukkig;” heeft ze willen zeggen.

Maar dat geluk was immers de oorsprong dier tranen niet. Velerlei gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur als de hare een oogenblik van streek te brengen.—De zekerheid dat ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld, doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.

Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij zich geweld aandoen.—Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te schijnen wat ze niet was.—In het oog van allen die haar zagen moest ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen, waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de vreugd van dezen dag misgunde, en voor ’t meerendeel de hulde onthield, waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het zeker: ’t is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid, dat die man met zijn streng—misschien aristocratisch voorkomen, een schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. ’t Is slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar “de laffe vleierij van zulk een oud man”—in ’t geringste aangenaam was; neen, maar ’t heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken, den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op las: Wat zou in ’shemelsnaam zulk een toilet wel gekost hebben!

Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen, zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan de houterige ofschoon goedaardige Jacoba—terwijl juist twee dagen later een zuster van den generaal zou komen logeeren—dat alles, maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk, lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August—die nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.

Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva’s overvloedige tranen.

Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld, toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.

Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan “had het opgetrokken”, en de natuur was tot haar vroegere kalmte teruggekeerd.

Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied door het vriendelijk-stralende aangezicht ’twelk zooveel onstuimigs had naar boven gehaald.

“Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust; over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!”

Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren, en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:

“Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog jaloersch maken met zijn liefde voor mijn engel!”

“Die arme oom!”

“Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus.”

“Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!” fluistert Eva na een lange omhelzing: “Heb ik niet juist mijn dokter genomen omdat hij uitblonk, omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve professor!”

Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen—ze wist niet hoe het kwam—toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde hem zeggen—dat hij haar liefhad; maar.... ze weet niet wat ze geantwoord heeft.

De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Amstelstad, sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in Het Keizershof had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en bijzondere beleefdheid voor mevrouw, zeiden genoeg. Maar, de beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen hij had boven gebracht ’tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets niemendal, en hoorde de schenker na ’t verlaten der kamer nog maar alleen—dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het slot werd gedaan.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en ’s anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.

Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur aangelegd, en het raam staat er open.

Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak, en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jaren voor ’t minst; thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja, nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men erkennen—hoewel ’t hem is aan te zien dat hij ziek is geweest—dat hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft.—Kartenglimp, ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een “dikken dertiger” door; en, mogen er sommigen zijn die hem juist taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd Oostindisch hoofdofficier in ’t Moederland op zijn lauweren rust.

Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In ’t laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield, en de “Haagsche witte” zoo stijf als een hark was. Dat dit echter de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren, doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven verzekering gestreeld, en waren nu over ’t algemeen met hem ingenomen, te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en uitmuntend quadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.

’t Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat Kartenglimp—een man in de kracht van ’t leven—zich geen vrouw uit hun midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds de oogen moesten neerslaan als de majoor haar met zijn donkerbruine kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje later in de “Socie” bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor “te bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs—en voor haar geheele leven—te willen opdringen!” Kartenglimp kon zoo “onder ons, nog al aardig doorslaan.” Als de papa’s er niet bij waren, dan had hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost—enfin.... ’t Was soms fameus pikant. En—zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk: Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst ding, vooral hier in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat slechts menschelijke kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst tusschen één man en één vrouw kon hebben in ’t leven geroepen. Ja waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer verdacht, en—is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig mag heeten?—Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen, maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal; maar die ontrouw—door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen geketende als schande toegerekend—wat is die inderdaad anders dan de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie of te veel geld vertere.—’t Was alleraardigst zooals de majoor er over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!

De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had; maar—redeneerde Kartenglimp—als men die zaak toch goed bezag, dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in ’t nauw en terwijl het in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan men bovendien tegen dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige bestrijding dan onvoorzichtig wezen.

“Matig versterken,” heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in ’t vervolg menageeren; dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm houden. Welzeker!—Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar aan ’t partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen die grasgroene Romphuizers getuigen!

Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde—men zou schier zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed “de pest” is, en hij Mietje zal zeggen die karaf—althans ’s morgens—nooit meer op tafel te zetten.

Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op de been geweest om zich te kleeden en te “adoniseeren”. Daarmee gereed, heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn aderen stroomt.... alsof de raamkozijnen en behangselstrepen slangen worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend tapijt te smoren dreigt.

Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt.—Het klamme zweet breekt den majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet werkelijk.... Nee nee, een beroerte.... nee....!

Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal aan ’t bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete voor zijn onverstandig doorgebrachten morgen betaald; slaap en koud water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.

“....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren.”

“Dat beken ik je in ’t geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die beddekwast. Ik weet dat ik heel wel was, heel wél, en dan zou dat ontbijt met één glaasje port....”

“Na uw ziekte majoor!”

“Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen ben gekomen om me voor m’n tijd te laten kapot maken. Die ouwe Bierton met z’n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou ’em m’n kat niet toevertrouwen; en voor jou pillenkennis heb ik zooveel respect als voor m’n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond, en zoo uitvoerig als ’t maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek.”

“Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. U bent nu wat overspannen omdat....”

Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp heeft—zooals hij zegt—duizendmaal den dood onder de oogen gezien, maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil, en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen, vóór zijn tijd in de kist te liggen.—Bij deze woorden brak den reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.

Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar waarheid en zeer duidelijk—natuurlijk op kosten van den majoor—over te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond—ofschoon de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen—overvloedige vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij—dit moest Helmond tusschen de regels lezen—slechts ter bevrediging van den geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.

’t Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan, want de vigilante stond voor de deur. Op het oogenblik, dat zij de kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram van Van Hake overhandigd.

Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, ’t Is over zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik wachten wil? hij is aanstonds gereed.

Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens op, waarin haar huwelijk reeds vermeld stond, en sloeg bij ’t doelloos inzien ervan, telkens een zijdelingschen blik in den grooten spiegel om zich te overtuigen of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.

De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen hij eensklaps ontstelde, want, die “levendige pas getrouwde oogen” hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet.

—Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar goed stond.—Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de drukke straat.

En Helmond schreef zijn telegram:

“T. Van Hake, Romphuizen,

Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en gebruik. Nù terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.

Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch met een recept besloten, en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging gegeven.

Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet te zoeken.

Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen hun reisje over Amsterdam hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.

Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat stijf—misschien een weinig gegeneerd—en trachtte haar door velerlei verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig “op haar gemak te zetten.”

Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien ouden vriend—nota bene—over de wet op het geneeskundig staatstoezicht sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai, tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was op den eersten dag van ’t reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets zou nazien—’tgeen August hem echter mede graag geschonken had—in dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet alleen terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.

Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en gevoelig voor de allerliefste visite:

“We mogen er heusch wel trotsch op zijn,” besloot mevrouw: “want om je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen—niewaar Es—toen bedankten we voor familie en vrienden.”

Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den koetsier gelast om naar ’t hotel terug te rijden; maar nu nabij den hoek eener zijgracht, tikt hij op het voorglas, en beveelt: “Tuinstraat No. Twaalf.”

“Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan Eva.”

“Maar August, hoe kon je dat denken?”

“Nee ’t is ook waar. Ofschoon.... ’k zeg alleen, dat ik het een oogenblik dacht.”

“’t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van vrienden en familie op hun huwelijksreisje denken.”

“Ja zeker, ’t was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar ik dacht nu.... een eigen broer!”

“’t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat we vast....”

“Zeker mijn wijfje, we hebben dat vast afgesproken.”

“’t Zou hen toch ook geneeren August.”

“Juist kind; ’t kwam me nog een oogenblik voor dat ze ’t hartelijk zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar....”

“Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn armoede bezocht, en ’t minst door nieuw aangetrouwde familie.”

“Ja, ’t zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel chic gekleed. Nee nee, heel goed en lief gekleed beste kind, uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor dáár.—Dus blijf je dan zoolang in het rijtuig?”

“Niet te lang beste man.—Ha! ik kan me, in dien tijd zoo’n reistaschje koopen.”

’t Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode bot. Een terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusschen turfkarren en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende beenen erop zat, liefkoosde in ’t voorbijrijden met de versleten punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuinstraatsche, wie deze vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met een weinig vleienden grauw beantwoordde.

Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur moest hij hier terug zijn.

No. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het kelderhuis woonde een schoenlapper; op de eerste verdieping een oud heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai, en een verdieping hooger.....

“Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven,” zegt de nicht, die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft: “meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig, de trap is een beetje gesleten. Oom zou ’em opknappen, ziet uwé, maar oom is een oud mensch, en....”

Helmond is reeds naar boven gegaan.

’t Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek ’t welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hij in die kamer kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar, door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.

De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.

“Hoe gaat het Philip?” zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere de hand reikt.

“’t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en je de hand gaf.—Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar staat een stoel—als ie je niet te gemeen is.”

“Op dien toon had ik het niet verwacht Philip.”

“Dat spijt me. ’t Is me een bewijs dat je met al je menschenkennis en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is.”

“Ik kom je opzoeken als broer; mij dunkt dat ik niets beters kan doen om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?”

“Zeg eens, je noemt me goed August; maar weet je wel dat ik me zelf vervloekt laag zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?”

“Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht;—wanneer ik die had kunnen voorzien....”

“Dan zou je niet hier zijn gekomen, ’t Ware misschien beter geweest.”

“Philip, goeje kerel! wat heb ik gedaan dat je mij....”

“Wat je gedaan hebt August? Niets! waarachtig, je hebt niets niemendal gedaan!”

“Je bedoelt....?”

“Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt.”

“Zeg niet Philip, dat ik niets gedaan heb. Ben ik niet je krachtige voorspraak bij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom....”

“Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van dat meubel—gemeen hê zoo’n houten kast—daar ligt nog die prachtige brief. De slotregels waren heel mooi; ik ken ze van buiten. Hoor: “Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip, die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het gemeene....”—Genoeg! Wat je met dat laatste woord bedoelde, daar wil ik mij nu zelf geen oogenblik in verdiepen. Als ik het deed dan ging mij ’t bloed aan ’t koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde noemen August, het is de vrouw die ik liever heb dan mijn leven, en jij—je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!”

“Bij al wat heilig is Philip, dat is onwaar!”

“Zweer niet; ik heb je immers den slotregel van je mooien brief herhaald.”

“Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield, en nóg houd—je ziet het, ik ben oprecht evenals jij—nu zou je broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen dat....”

“De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan, dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer.”

“Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil verklaart veel, zoo niet alles.—Oom wierp je tegen: “Wie zijn woord houdt in een kwade zaak, is een verrader van zich zelf.” Maar genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood, iets van het zijne te doen genieten, maar....”

“Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij wel de....”

“Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd afaan onze weldoener is geweest.”

“Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht geleerd hebben, en gelukkiger zijn.”

“Je bent dus niet gelukkig Philip?”

“Wie zegt dat!”

“Niet ik. Maar je omgeving; je.... in één woord, alles doet mij vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt.—Laat mij even uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op ’t spoor van je verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je geluk te helpen bevorderen. Nee, luister nu een oogenblik! Al keur ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht je van die liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom—dewijl ik meer met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde—tegen dien eenigen broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip.”

“Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van.”

“Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip, geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot tijd metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!”

Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten broeder iets geflikkerd, ’twelk strijd verried bij het zien van dat bankbriefje van veertig gulden. ’t Is echter een schier ondeelbaar oogenblik geweest.—Terwijl August, die geen plaats had genomen, voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde ervan naast het venster:

“Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om ons te toonen dat je de vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de dochter van een gering acteur. Haar misdaad was,—stil, ik wil ervan spreken—haar misdaad was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde.—Toen ik haar trouw had beloofd, toen was ze voor ’t oog van God mijn vrouw, als moest de wet ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam van mijn broeder was, maar ’t meest—ik erken het—om mijn Virginie niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August, is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel—stil, laat mij nu óók uitspreken—na de bedreiging in den straks genoemden brief, dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te zullen ontvangen....”

“Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen van spanning niet meer in rekening brengen moet.”

“Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn; berg het gerust in je portefeuille. We spreken er nu slechts over, of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand te geven, en mijn vrouw niet compromitteer met haar aan dien broeder voor te stellen.”

“Maar Philip!”

De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de oogen en herneemt:

“Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haarlemsche krant die mijn huisbaas me leent.”

“Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je adres heb uitgevonden.”

“Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je, eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je in de stad waart. Ofschoon ik het in ’t geheel niet wenschte, zoo voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon, je verkeerd te hebben beoordeeld.”

Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de Jonge Helmond snel:

“Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar de eer geven die haar toekomt....?”

“Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!”

Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:

“Roep jij eerst de jouwe!”

“Wat! wát meen je?” zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek worden; “Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is....”

“In het hotel misschien?”

“Ja, ik denk het.—Tenminste....”

“Hoe! is die, dáár.... is dát dan je vrouw niet?” herneemt Philip met fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: “Is de mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg....?”

“Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als deze.... aan....?”

“Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn!—Nee, je roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp dat je haar met roepen kunt.”

“Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt.”

“Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch liegen niewaar? Toen ik van ’t kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel, dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie je wel!—In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer, daar zul je, door niemand gezien, aan die vrouw—ha! die gemeene vrouw! een hand willen geven! ’t Kon soms het reisgenot vergallen als je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijn vertooning van hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist dat je van nature goed waart.—Maar pijnig me nu niet langer. Doe me ’t genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats dáár, dat is de plaats van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat verkiest. Boven alles ter wereld staat zij; ze is me als een deel van m’n lichaam.—August, ga heen!”

De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat Eva—al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn—toch niet veel goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend te stemmen.

Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit bezoek—terwijl August’s jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig—zich eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:

“Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te omhelzen? Maar ook, kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn bruid was, reeds heden dwingen....”

“Nu is ’t waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken; maar ik beheersch me ter wille van de vrouw die dáár is, dáár in die kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: trappen! Versta je August: is je die vriendschap ernst, dan ben je hier onze gasten; dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die respecteere allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!”

“Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien om aanstonds.... Nee, ’t zijn geen verwijten; maar, in oprechtheid, is Virginie dan altijd, altijd zoo te respecteeren geweest als je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?”

August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te durven aanroeren.

Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij in de hand houdt, kraakt in zijn vuist.—Moest hij dát komen verwijten; hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor!—Is dan het kind te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een kostbaar kleinood ter bewaring te geven!

“Drijf en terg mij niet tot een uiterste!” snerpt Philip zijn ouderen broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft aanstaren: “Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een gemeene woning; maar zij is de onze! Die er een vinger naar mijn schat durft uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!”

“Philip bij God, ik wil vrede en liefde!”’

“Zwijg!” dondert de broeder: “zwijg of anders!”

Op hetzelfde oogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede naderbijkomt, zegt ze zacht doch met klem:

“Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... Ons kindje slaapt!”

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.

Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd “verblazen.”

Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo’n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen—ja, want daarom is het toch inderdaad geweest—alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt, een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening—ja wat méér zegt, zijn hulp en financieele ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.—Zij is niet trotsch of hoogmoedig—of het moest op haar besten dokter wezen, want haar “beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,”—maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.—Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in ’t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die—voortgekomen uit een der laagste en “meest zedelooze” standen der maatschappij,—niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.—Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.

Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en—zij meende het zeker—een dreigende vuist hield opgeheven.

’s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.

—Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.—Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, ’t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.

—Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem—bijna ten afreize gereed—met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:

“Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.” “Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;” antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.

Maar hij:

“Toch is het zoo beter lief kind.”

En Eva—of zij hem niet begreep:

“Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.”

Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.

Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,—althans zij beweert het—omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzien pour se pamer de rire.

Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:

“Hotel du Helder, Mai 18....

“Mes très-chers parents!

“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hier dol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, u hebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in: Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:

“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik er tegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—hors d’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.

“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoo gedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!

“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerd à l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.

“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch erg schriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.

“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!

Uw liefhebbende:

Eva Helmond-Armelo.”

Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van ’tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.

“....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. ’t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva’s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.—Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone—zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen—zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.

“Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars ’twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.

“Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. ’t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven—nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld—ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij ’tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op den Boulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over ’t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij ’t verdient.—De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat een geringschatting van de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.—Eva heeft u lief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.”

Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.

Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap—doch niet zonder weerzin—door hem geopend werd.

“Alweer zaken lieve?” vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.

“Ja.... kh’m.... ’t is niets.... maar....”

“God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?”

“Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. ’t Heeft niets te beteekenen. Tenminste....”

“Tenminste....?”

“Nu ja, tenminste.... ’t Is over zaken, en de zaken behoeven ’t vrouwtje niet te verontrusten.”

“Als ze dan ’t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.—Zeker weer die nare majoor?”

“Nee Eva.”

“O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder ’t hoogwijs advies van zijn wijfje.—Ben ik je lieve wijfje August?”

“Beste kind!” zegt August en hij streelt haar de wang.

—Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:

“Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel’s lied.” Zij zingt:

“Faites lui mes aveux,

“Portes mez voeux.”

“Ja, ’t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.”

“’t Is hier dunkt me altijd mooi weer.—Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier met slecht weer moet uitzien. Hê August, als jij hier eens dokter waart! hê!—Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! ’t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al ’t genot, zoo’n nare gedachte vind....? Niet?—Nou, zeg dan eens behoorlijk nee, lieve ventje.”

“Nee Eva, nee—wat dan?”

“Dat die dag alweer om is.—Van morgen schreef ik tien, en nu zijn ’t nog maar negen dagen.—Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken.”

“Ja.... welzeker, maar....”

“Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo’n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en ’t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wij verhuizen in Parijs! Aardig niewaar?”

“Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, ’t is....”

“Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.”

“Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....”

August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in ’t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:

“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.

Van Hake.”

Neen, Helmond mocht niet dralen.—Oom Van Barneveld maakte zich zeer bezorgd over Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw een flauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?

—En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met den eersten trein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.

“Eva, als we nu, op ’t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?”

Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:

“August, wat meen je?”

“Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo’n scheiding!?”

“August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.”

“Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.”

“O Goddank!” zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: “Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!—Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!”

“Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?”

Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar—na een eerste en verklaarbare ontsteltenis—zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch—angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.

Helmond ziet Eva wit worden.

Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:

“Zou ’t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!”

“Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen....”

“Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in ’t nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na.” Luide lachend: “Morgen eerst naar ’t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!”

“’t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. ’t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.”

“Maar dat zou een dol, een akelig besluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!” Bijna schreiend: “Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo’n schrikkelijk verdriet doen, zeg?”

“Wijfjelief! hou je wezenlijk van me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?”

“Ach ja August, ja! maar we gaan toch morgen nog niet!” En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeer kleine tranen.

’t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva’s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs “om zeer bijzondere redenen” op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om niet aanstonds toe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.

Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nu zelf, maar zeker in ’t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef “weer zoo eens terloops” zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben die kleine tranen geen vat op hem.

Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, ’t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.

Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.

Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor ’t overige moet zij niet vragen.—Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn. Later, als hij haar door ’t een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.

Hoe ’t zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.

De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.

Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.

Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.

“Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.”

“Maar Eva, je gelooft toch....”

“Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in ’t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!”

“Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.”

“Nee—haal me niet aan.—Zeg, gaan we morgen of blijven we hier?”

“We gaan Eva, zeker!—Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is....”

“Je plicht! jawel, plicht, basta!”

“Zou het niet jou plicht zijn Eva—nee, je bepaalde wil om aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?”

“Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het je zeggen. Voor mij is ’t echter genoeg dat Mijnheer beveelt te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over ’t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van ’t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan....”

“Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik ’t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn—och je weet dat ook wel beter—zie dan hier; mij dunkt de drie laatste woorden van Van Hake’s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.”

Terwijl Eva het tot later uitstellen met een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!

“Dankje Helmond; dankje wel. ’t Is me nu totaal onverschillig.”

“Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.”

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

“Donerie dangereusement malade!”

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan—ofschoon ze het weten kon—dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen—neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:

“Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben....”

“Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve man kent zijn plicht en ik nu den mijne!”

’s Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.

De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: “Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;” waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:

“Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!” en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: “Coquin de mari! C’est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!”

NEGENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.

—’t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij ’t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch—geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan ’t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op ’t hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.

“Ben je daar Coba?” vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein van De Zonsberg te doen.

“Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.”

“Wacht je iemand?”

“Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg.”

“Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?”

“Een paar velletjes tante.”

“Velletjes?”

“O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante.”

“Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?”

“Mij tante!?”

“Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.”

“Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.”

“Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?”

“Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.”

“Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.”

“Vindt u tante; ik ben altijd bleek, dat is mijn natuurlijke kleur.”

“Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.”

“Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.”

“Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....”

“’t Zou bespottelijk zijn tante.”

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.

“Jacoba hoor eens.”

“Riept u?”

“Ja beste kind, kom nog eens even hier.—Zou je me een groot genoegen willen doen?”

“Als ik kan, zeker!”

Mevrouw Mansburg vat Jacoba’s fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:

“Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.—Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.”

“Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in ’t verhoor genomen.”

“Heb je waarlijk waarlijk zoo heerlijk geslapen Coba?”

“Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op ’t lijf heeft gepraat.—Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en—zooals u gisteren en van morgen telkens deedt—mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.”

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in ’t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:

“Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?”

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.

“Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ik zóó liefheb als mijn besten vader.—Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!”

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op De Zonsberg logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba—nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken—een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt niets te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want—mevrouw sprak wel eens in beelden—dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.

’t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. ’t Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba’s zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn “klein bleekneusje;” en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis—en ’t was een groot mooi huis in Den Haag—naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna op De Zonsberg kwam wonen, ging Helmond—vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep—er heel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen ’s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan “zijn partijtje” moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.

Ja, Coba hield veel van broeder August.—En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba’s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. ’t Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, ’twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar—en misschien wat al te veel—met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren—voor zooverre die weigering beteekenis had,—en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva’s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den “fatsoenlijken stand” behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,—redenen die Van Barneveld kende—weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu—en zelfs in Romphuizen—er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
15 ocak 2025
Hacim:
740 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066311315
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar