Kitabı oku: «Geertje»
Johan de Meester
Geertje

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404567
Inhoudsopgave
EERSTE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
TWEEDE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII
IX.
X.
XI.
DERDE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
VIERDE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIJFDE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.

GEERTJE
DOOR
JOHAN DE MEESTER
TWEEDE DRUK
UITGAVE VAN C. A. J. VAN DISHOECK
TE BUSSUM, IN HET JAAR 1911.
[Inhoud]
N.V. Boekdr. v/h L. v. Nifterik Hzn., Leiden.
[Inhoud]
Augustine Hermine Obreen, mijne Vrouw, wijd ik dit boek van liefdesverlangen. [1]
EERSTE BOEK.
Inhoudsopgave
[3]
[Inhoud]
I.
Inhoudsopgave
Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem:
—Geer,.… kom je?
En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep:
—Geer! kom nou toch kind.…
—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu.
Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest ’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd [4]haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àlles gedaan was.…
Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje!
Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:
—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.…
Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.…
En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.
Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.
Het eten stond er al. [5]
—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.
Toen alle drie zaten, bad hij:
—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!
Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze [6]was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel.
—Och kind, hikte Groo’moe.
—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen.
Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.
—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.…
Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.
Zij spraken weinig. [7]
—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof.
—Zoo? Nu gauw dan.
Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.
—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va.
Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.
—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij.
—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.
In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde koffer na.
Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.
—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va.
Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.
Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje.
—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?
—Ja Groo’moe.
Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven.
—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen.
—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust.
Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.
—.… Nou Groo’moe.…
—Nou kind…!
’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen. [8]
—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.
—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem.
—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.
Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.
—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag.
Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen.
Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze.
Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje er voor.…
—Kom nu! riep Groo’va.
En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.
Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat.
Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar [9]voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar taai, Geer!
En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te groeten.
Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje.
—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.
—Maar, Lina! Dank je wel hoor!
Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte.
—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.…
—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.
—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, hen achterop.
—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat?
—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ doar nog wat an doon?
—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet.
Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, aldoor voor hen uit.
Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman.
—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij.
—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.
Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven. [10]
—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je.
—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je.
Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.
Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze oplettend in de hand houden.
—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden.
—Doe dat Groo’va, zei Geertje.
Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.
—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij was bleek.
—Derde vrouwen, Conducteur.
—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest geopend.
Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te zeggen.
—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!
In de coupé zat eene juffrouw.
—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog. [11]
Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij achter hen.
—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij.
Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag.
Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: de belichaamde vermaning.
Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden de menschen [12]niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het „weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te [13]gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had ’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met ’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens ’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.… [14]
Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, dat ze de tijd had.
Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!
Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen doen—wat jij, Conducteur?.…
De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.
Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.…
Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe. [15]
Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.
—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.
En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.
—Hebt u het hier nu niet goed bij me?
—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend. [16]
[Inhoud]
II.
Inhoudsopgave
Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .…
Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was ’t leed van Meester. [17]
Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.
Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij een feestzang had gedicht:
Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,
Van ’t Lindenhout ter eer.…
op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:
O Joh.
O Joh.
O Joh. van ’t Lindenhout.…
op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak.
Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig!
Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.… [18]
En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die niet te best ging.
Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag.
Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering.
—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat?
—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen.
’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:
—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar niet veel over naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.…
Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.
—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch [19]niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld niet!
—Och, wie zait dat nau! suste Tante.
—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.…
Toen, zachter wat, als een bekentenis:
—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.…
Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een vage wrevel, als over een teleurstelling.
’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, dat [20]was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.…
Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier.
Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording van bevrijding, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, en aan de meeste menschen in ’t dorp.
Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het een andere tijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens naar [21]het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven, De Pastorie te Mastland, dat Geertje eens had te leen gehad.…
Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.…
Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was een andere dan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al de blijmoedigheid weg was, waar de oude mevrouw van sprak.
In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje’s [22]moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.
Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.…
—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.
—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.…
Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.
Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een buurvrouw—[23]„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.
Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.
De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar.
—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd.
—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me.
De bult en Tante bleken gemeenzaam.
—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?
Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er man om te schrijven.
—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos om worde.
—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school de [24]kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden.
—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.
—Nou, da’j berichte stuur an de krante.
—En he’t-ie dáármee z’en brood?
Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien ’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat wou geven.…
—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!
—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
—Hoe verschieten?
—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze.
—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid.
—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen [25]ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas!
—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd.
Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar drift.
Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:
—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.
—Ik? wat heb ik d’er mee te make!
—Nau.… ’et is toch jou geld ook.
Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.…
Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was af:—Leest u ’em maar ’es.
—Kind, wat mot ik je brief leize!
—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet!
En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof dat er volk is”.… Weg was zij.
Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante hem had gelezen. [26]
[Inhoud]
III.
Inhoudsopgave
Oom zei nog diezelfde avond:
—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is ’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’en denker as hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam.
—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording, [27]als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’en afval, én hoe de zaak verloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.…
—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld!
—O! ja.…
—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?
—Nee.
—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an [28]advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, da’ Groo’va wat zel geve?…
—Oom, weet ik dat nou!
Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn.
—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, da’ zuilie komme te sterreve… vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.…
Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote man, [29]die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.
—Wou u soms dat ik d’er om vroeg?
—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.
—Nou.…
Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va eens tot mekaar kon brengen!
Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve lach.…
—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.
—Da’ me verhuisd benne? zeker wel!
—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld voor wou geve?.…
—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend.
—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar [30]he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make.
—Ja. Nee! zei Geer en knikte.
Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken, [31]allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—„we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.…
Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel… tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.
—Jasses!
—Eèè!
En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:—„No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?”
—Dag Gerrit.
—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.
Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs [32]colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje.
—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.
Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:
—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf doen.…
Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.
In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.
Toen vroeg Gerrit haar opeens:
—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens?
Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad.
—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag.
Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.
—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?
Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis.
—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.
Tante lachte, Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:
—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.…
—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.
—Bravo! riep Maandag.
—En leve de glaze!
Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water. [33]
—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t?
En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo’va lezende vóór het naar bed gaan.… Toch.… Niet terug.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?.…
—Geer, wa’ be’ jij stil venavond!
—Geer denkt over d’er zonde na!
—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.
Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen.
—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!
—Ja práát jij is mit er, Maandag!
Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.
Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte [34]lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.
Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.…
Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten ’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis ’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.…
Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten… O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest.…
Huiverig dook zij diep weg in de deken. [35]
[Inhoud]
IV.
Inhoudsopgave
De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge [36]openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.
—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier!
—Maar u hadt toch zelf geschreve.…
—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.…
Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje [37]nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, ’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot ’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.…
Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de [38]overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.…
Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken. [39]
[Inhoud]
V.
Inhoudsopgave
—Ja gut nou vin ik et wel.…
—Nou dag!
—Dag Oom.
En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was [40]Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, ja, daar was het huis: Haring, Stok- en Zoutevisch.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.…
—Goejenavond juffrouw.
—Dag.… juffrouw.
—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.
—O! ja.… Ja, Mien is achter.
Zij door. O daar was Mien al.
—Dag Mien.
—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin.
Daar zat ze weer.
—Bei je weer is hier?
—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.…
—Ja!.…
De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken.
—Wat ’en mense in de winkel!
—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?
—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.…
—Wàt ze’ je! [41]
—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.…
—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’?
—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel van.
—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan motte weze in ’en christelijk gezin.…
—Ja, nou dat meende-n-ik ook.
—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, met plezier.
—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed?
—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.…
—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.
—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.…
—Och ja gut, maar je begrijpt.… [42]
—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders wel veranderd.…
—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.…
—Hoe, ’en betrekking?
—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.…
—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!
—Geertje vroeg offe wij niks wisse.…
—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?
—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.
—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ bezonder.…
—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s?
—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in zoo’n stad?.…
—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.…
—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden in de tijd.…
—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.…
—Hei je al is in de Kerkbode gekeke?
—In wat?
—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.… [43]
—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!?
—Hier is-t-ie, zei Mien.
—Mag ik daar is in kijke?
Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.…
De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.
En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.… [44]
[Inhoud]
VI.
Inhoudsopgave
Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen.
’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.
Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:
—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.…
Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van ’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen het dan [45]toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, met z’en zuster:—Mien d’er leventje lag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat ze der uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d’er naaimenschen.…
—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante.
—Met zu’k prachtig weer, zei Oom.
Bij Tivoli bleven ze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.
—Wiwwe daar v’en avent is heen?
—Hai je de cente?
Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!… [46]
Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.
—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in.
—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.
En even later, met waardigheid:
—Hier!
Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:
„Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.”
Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.
Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.
—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.
Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.
—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op [47]de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid.
—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom.
De meid beloonde:
—Ja, menéér Naikerk.…
—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje.
Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.
—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.
En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.
—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op…
Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.…
—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.…
Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.
—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was.
—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.… [48]
—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.
—Nee Oom! erkende Geertje.
Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! ’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet.…?
—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.
—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.…
—Nou? wàt meneer Heins?
—O, me man sprak geen kwaad van u!
—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.…
—Och jawèl Oom!
—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie!
—Maar met kleur d’er op!
—Ja, mit kleur.
Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.
Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.
—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.
Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins: [49]
—Zuwwe de kinders niet is zien?
Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:
—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.
—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek.
—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.
—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.
Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.
—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.
Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver.
—Kijk is hier, voor ieder een.…
Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.
—Nou? zei Oom.
—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader.
’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst:
—’k Hep feell mooier boekies.…
—Hahaha!
Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.
—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak.…
En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog [50]Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.
—Wel jou.…!
’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:
—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge.…
—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.
Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:
—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.
En zonder plichtpleging liep ze hen na.
—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s ’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.…
Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.…
Nu dorst Oom zich dan toch haasten:
—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.
En daarbij keek Oom meneer aan.
Die, met iets als weifeling:
—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme!
—Hahaha!
Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:
—Nou, ik wil wel. [51]
Juffrouw Heins werd nu zeer strak.
En al spoedig zei Oom:
—Vrouw, wille we-n-es.
Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water!
—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer.
Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast.
—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.
En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen.… [52]
[Inhoud]
VII.
Inhoudsopgave
Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.
—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.
Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… ’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.…
’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.
Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.…
En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en „meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang. [53]
TWEEDE BOEK.
Inhoudsopgave
[55]
[Inhoud]
I.
Inhoudsopgave
Twee uur al wel was Geertje bezig, zonder op- of omzien bezig met het aan kant brengen van de wasch. Nu ze het gas moest aansteken, bleef ze even tegen het kozijn van het open deurvenster leunen, vóór het in de schemer dofwitte vlaggewemel van de op het plat te drogen gehangen nieuwe wasch, waar boven uit één reep metaalde van de groenblauwe Junilucht. Het was een zware werkdag geweest; Juffrouw ziek, de kinderen lastig, telkens drukte van beneden, en nu nog die groote wasch, die door de Juffrouw d’er ziekte was blijven liggen:—Geertje voelde zich wat moe, maar het was hier héérlijk staan; als ze maar naar het plat toe kon, fleurde ze weer da’lijk op. ’t Was er zoo vrij in die zalige hoogte, alles zoo open en toch zoo steedsch, met vlak vóór je de groote toren, beneden-om je het vage geroes, of het alles heel ver weg kwam, van het gewoel op de Markt en de Hoogstraat, en nòg dieper het stille water. Hè, het ging haar aan het hart, dat het plat nu vol met goed hing en ze zoo moeilijk daar onder door kon! Toch had ze straks er naar verlangd, dat ze aan de klisgoed-rijen geen open plekje meer zou zien, want Sophie was weer zóó uit ’er hum geweest, aldoor ’t gemopper van die meid, met kleine hatelijkheden tegen haar, terwijl zij toch haar best dee’ om van haar kant vriendelijk te zijn. Vooral een dag dat de Juffrouw op bed lei, zette die Sophie een gezicht—net of Geer het helpen kon!.… O, wat was ’t hier zálig staan, zelfs bij het weeë kloorgewasem.… Ze kreeg lust om er even door te piepen naar het hek! Even [56]in de diepte te kijken.… Vóór het hek voelde ze altijd zoo, hóéveel beter het hier toch was dan in die nare kluis bij Oom. ’t Was precies het tegendeel. Daar leefde je gedrongen in de laagte, met aldoor gestommel om en boven je; en hier in de hoogte open, net of je de lucht in stapte.… Maar ze moest voort maken.… Hé, daar was iemand.…
—Dag Geertje.
O, meneer Maandag.
—Dag Meneer.
—Hains kom dalek bauve, hai zai ’k zou m’ar is kaike wat jai wel fer bezonders uithaalde.… Hoe gaat et no’ maid?
—Wel best Meneer, vriendelijkte Geer, het gas aanstekend.
—Haij geen spait dat dominee Gobius niks fer je het gefonde?
—Och!.… ’k Heb ’t hier best na me zin.
—Ja da wik werachtig wel gelaufe. Goed koshuisj, wat! Enne.… (zachter na een oogwenk naar de deur) ke’ je ’t finde mit jeffro’ Hains?
Geertje glimlachte. Knikte: jawel.
Maandag bedacht nu weer iets belangrijks: hij begon te schuddebollen, net of-ie zóó de woorden er makkelijker uit zou doen vallen, ’t doopvont van de schou’ers draaide langzaam langs de stoelleuning; wàt ’en blok toch, die korte romp; Geertje dacht aan de zware ruggen, waar ook een klein kopje nu en dan zoo dwaas uit kwam bengelen, van de schildpadden op Groeneveld.…
—Hai je (nu kwam het) de feeks al hier gehad?
—Wie!
—De feeks! de jeffro’ d’er móeder. Je weet tuch dat d’ar de sente fendaan komme. Hains had niks, ’en gewone werkman, die ’s middegs op ’et Haagsche Veer z’en borrel kwam kaupe; no’ istie petroon van z’en frauwsmoeders sente. M’ar ’en waif die moer! Ze komp haas’ naejt, m’ar as ze komp dan dreunt et huisj.…
Geertje had die moeder nog niet gezien. Toen Oom haar verleje Zondag thuisbracht, waren ze over het Haagsche Veer [57]gegaan en had ie haar de herberg gewezen, die de ou’e juffrouw Meggers heel alleen bestuurde; maar ’en klein ding zoo, ’en deur en twee raampjes, geel geverfd, overal sjèlezieën, da’ je niks naar binne kon zien; maar ’en drankzwalm was uit het huis geslagen en in de stilte van het grachtje was even ’en heetheesch rumoer van stemgewar langs Geer gegaan.—„Ze komp de straat niet op,” had Oom van Juffrouw Meggers gezeid. Meer wist Geer niet.
—Hains het ’en pracht van ’en saak, zei meneer Maandag, daar Geertje bleef zwijgen.
—Meneer werkt ook as ’en paard!
—Hains? O, ’en reus van ’en kerel. Nee got, ferdiene doet ie et. M’ar et is tuch een bofkont auk! Sie je, je te kunne bewege.…
Als wou hij de gedachte illustreeren met een voorbeeld van moeielijk lichaamsbewegen, draaide de bult weer op z’en stoel, zette de rondende borstkas nog meer uit, en liet, terwijl ie Geertje aankeek, uit die omvangrijke diepte een zucht naar boven en ’t kopje uit werken, ’t leek wel ’en zuchtje van eigenwaarde.… Geertje voelde diep medelij. Ze wist hoe kommerlijk Maandag het had. Meneer had er juist gisteravond van verteld. Hij scheen veel van Maandag te houden. Vriendelijk had hij over hem gesproken, en verhaald, hoe Maandag tobben moest om voor zich en zijn ziekelijke zuster, ’en weduw met twee kinderen, de kost te verdienen. Ook van de krant had meneer gesproken. Dat Oom en meneer Maandag het geld wel nooit zou’en vinden, dat hij zelf het nu nog ’es perbeeren zou, maar dat het een gewaagde onderneming was, die hij eigenlijk liever niet begon. ’t Zou alleen wezen om Maandag te helpen. „En je Oom”, had hij daar nog achterna gezegd.
Terwijl ze haar laatste rol maakte, dacht Geertje àl over Maandag na, die verdiept was geraakt in het Nieuwsblad. Meneer Heins had ook verteld van wat Maandag had te lijden om zijn misvormdheid, vroeger op school, en nu van de vrouwen op de vischmarkt, als hij daar berichten kwam halen. En [58]dat ie zich zoo dapper d’er doorsloeg. Van Oom had meneer maar weinig gezegd. Even zoo iets, met een lachje, dat Oom nu nog al wat scheen te verdienen met het aanbrengen van advertenties, te minste dat ie daar veel voor op straat liep.… Wat was een man als Oom ook een vriend voor een werker als meneer Heins! Altijd bezig, meneer; altijd, met eten en zoo, op zich laten wachten: nou liet ie weer meneer Maandag wachten, en toch was ’t lang over negenen.… O maar hoor, daar kwam ie nou toch.…
—Zóó! da’s dàt!.… Wa’s dàt nou! Laat Geertje je op ’en droogie zitte!.… Zeg’ es, breng jij es as de d.…eksel wat bier! Pils! We hebbe lekkere Pils, Maandagje!
Geertje af, om het bier te krijgen. In haar gedachten kwam die avond bij Oom, toen Maandag en Gerrit Holkers gekomen waren en Oom voor zestien centen jenever was gaan poffen. O, ze voelde soms felle hekel aan Oom, dat hij zich zóó naar benee had gewerkt. Groo’va’s zoon zóó aan lager wal.… Maar nu ze zag wat er hier in huis omging, hoe duur een beetje welvaart was in een groote stad, nu begreep ze haast niet dat Oom het nog rooide. Je kòn ’t niet met een dorp vergelijken. Groo’va wàs wat in het dorp, nou ja, het was ook maar een dorp! Wat gaf Groo’va uit in een jaar! Nee, zij moest nìet grootsch willen wezen. Blij was ze, dat ze hier in dit huis, waar alles zooveel grooter ging, heel als gelijke wier’ behandeld. Vooral Meneer was zoo vriendelijk. De Juffrouw, nou ja, die bromde nog al. Maar dat dee’ ze wel tegen d’er eigen man. Veel last had zij, Geertje, toch niet van d’er. O, ze was zoo in d’er schik, dat Groo’va niet op de betrekking had tegen gehad. Dàt had ze toch veel aan Oom te danken, die zoo’n deftige brief had geschreven over „een van zijn vertrouwdste vrienden, die hier een groote drukkerij voor den handel had.” Jammer alleen, dat Juffrouw Koenders en Mien zoo onaangenaam waren geweest, maar dat zou ook wel weer terechtkomen. Hè, en dan hier in dit huis, ’t was toch nog wat anders a’s de heele dag tusschen [59]zoute visch. Och, wat ’en kleine bedompte winkel, ’t leek wel haast ’en kelderwoning, en die donkere achterkamer, waar ’en lange man als meneer Heins zeker met het hoofd tegen de zolder zou stooten.…
—Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas pilsener had ingeschonken.
—Dank u.
—Wat dank u? Bei jij mal! Gauw ’en glas! En ’en stoel d’er bij. Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!
Geer liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe—en het bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo’n goddelijke avond!
—Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor ’n uurtje, maar toe’ sliep ze.
Nee’, gut, Geer was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee had gebracht. Maar ze zou da’lijk even gaan.…
—Och nee’, drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. ’t Is toch al zoo ongezellig!
Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers met maar ’en enkel mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d’er keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.… Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond: zoo iemand die òp scheen te gaan in z’en zaken! Maar hij zat blijkbaar graag wat te praten. Nu weer, wat zàt ie met ’en sjeu aan Maandag te vertellen van de drukkerij! Geertje hoorde het zonder te luisteren. Ja, ze was wel drommels moe. ’t Was tè druk met ééne meid en ’en werkvrouw twee keer in de week alleen voor beneje. En dan ’en meid as die slons van ’en Sefie! Hoe de boel had kunnen loopen, vroeger zonder juffrouw, toen de kinders nog kleiner waren, Geertje begreep d’er geen sikkepit van—maar daardoor had Sefie ook juist zoo’n praats gekregen. [60]
—Zeg, Geer, slaap ie?
—De maid d’er auge falle dich, se mot na bed!
Och wel nee, ze was in ’t geheel niet weggeweest, ze had de heeren best hooren praten. Maar ’t was ook zoo warm al, buiten.
—Bier?—Ja, even halen.
Zoodra ze de deur geopend had, hoorde ze kindergeschrei van boven neerdrenzen. Gut, Truusje wakker! IJlings het bier gegeven.… Naar boven.
Op de trap, Sophie kwaadaardig:
—O, ’k wo’ nè’s kaike-n-of je d’er niks van haurde, binne.
En toen Geer langs de kamer van meneer en de juffrouw kwam, deze, die natuurlijk weer alles merkte, met d’er lieve-lijderesse-stemmetje van de hoofdpijndagen:
—Bé jij dar Geertje, Truusje huyllt al ’en paus, ’t wicht.
Stik, dacht Geertje, en schoot in haar kamertje, waar ook Koos en Truusje sliepen. Muf was het in het lage vertrekje; de juffrouw wou de deur nooit open hebben, „omdat Truusje dan ging hoesten”. ’t Druilerig nachtlichtje scheen de kamer nog warmer te maken. In de slaperig doffe lichtschijn brandden Truusje’s groote oogen Geertje tegen. Zij schrok er van, het kind had gehuild en toch stonden die oogen groot-open en brandden. Gloeiende handjes en droogwarme wangen. Eerst zei ze niets, bleef verwijtend starzitten. Toen:
—Ik ben zoo misseluk!
Wat kon dat op eenmaal wezen! ’t Kind had koorts. En zoo op eens! Krek toch d’er pa z’en oogen, zelfs nu. Ja, ze had koorts.
—Truusje ’en beetje melkje hebbe?
—Water!
Ja, ze zou er maar iets geven.
—’k Heb zoo’n buikpijn, schreide ze nu.
Buikpijn? gut, dan toch geen water.
—Water! dwong ze.
Geertje gaf ’t maar; heftig slokkend dronk Truus ’t kopje, half vol, leeg.
—Wee je nou weer zoet gaan legge? [61]
—Wrijve, ’k heb zoo’n buikpijn.…
—Mot j’ook op ’t potje, eve op et potje perbeere.…
—Nee, griende ze, loom met moeër stem, ’t hoofdje, met aldoor open oogen, als was ’t haar te zwaar, gezakt in ’t kussen.
—Wrijve.…
—Ja, ja.…
Zacht wreef Geertje over ’t buikje. Even een vertrekking om het mondje, als had de enkele aanraking pijn gedaan, toen al gauw een uitdrukking van zich-laten-doen, als gaf het wrijven wat ontspanning. De oogen vielen wel eens toe. Toch bleef ’t hoofdje branderig, hoogrood van kleur, en ’t mondje droog.
Geertje begon nu nog zachter te wrijven, in de hoop dat het kind zou inslapen. Werkelijk bleven de oogjes nu toe. Maar daar kwam opeens de kraakstem van de Juffrouw, gedempt wel, maar toch luid genoeg om Truus wakker te maken:
—Geertje!
Geertje verroerde niet.
Maar toen weer net zoo, dwingerig het eentonig roepen:
—Geertje!
Ja dan moést ze maar even gaan. Deur aan laten staan. ’t Kind blééf stil liggen. Gauw weg schieten—naar de Juffrouw. Die niet verschrikt maken.…
—Wat haif’ Truus?
—’En beetje buikpijn, ’k zat er te wrijven.
—Gaif ’er fenkel, ze hait ’et wel meer.
—Venkel?
—Ja, ’t sta’t hier in de kas’. Hier ’s de sleutel.… Nee, da’r bauve op ’t plankie.…
Juffrouw zat overeind in bed. Nou, die zag er ook niet ziek uit, nu ze maar weer bedrillen kon.
—Hier ’s nug suijker.… Soo.… No’ water.…
—Maar as ze nou slaapt?
—Ja je mot sien.… Ma’r ’k zau ’t er tuch ma’r gaive.… Kau netuurlijk en fenkel verwarmt.…
Truusje sliep. Geer liet de venkel rustig staan. Veel te [62]blij dat het kind weer sliep! Maar wat ’en zware ademhaling! Als dàt geen koorts was!.… Jee, als ze is ziek werd.…
Nu gauw even naar beneden. Deur maar toe, voor ’t stilhouden, zacht.…
In ’t open deurraam stond Meneer.
—Truusje he’t koorts, zei Geertje bedrukt.
—Koor’s? Truus? Hoe weet jij dat?
—Nou d’er ademhaling is zoo zwaar en d’er heele lijfje brandt. Ze klaagt over pijn in ’t buikje.
—O, dat heef ze vaak gehad. Daarom heeft ze nog geen koor’s! Je mot je niet zoo gáuw ongerust make.…
Hij zei het zoo vriendelijk, hartelijk. Dankbaar keek Geertje naar hem op, zooals hij daar nu, nog grooter, stond op het drempeltje van het deurraam, ’t hoofd licht scheef omdat hij een sigaar rookte, ’t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de zomerhemel. Ja, Truus had zijn stèrke oogen—maar ze hadden nu een starre hardheid gehad.… ’t Kind had zeker, zéker koorts.…
—Was me vrouw wakker?
—Ja, meneer.
—Nou eet jij dan gauw. Dan ga ik effe bove kijke.…
—Nee gut ik eet niks meer.
—Kom! Maak je je nou benauwd?
—Nee maar ik heb geen trek.
—Nà, ga dan maar naar je bed. Ik zal me zelf wel hellepe.… Wou me vrouw nog wat?
—’k Heb ’t er niet gevraagd.
—Ik breng wel ’en paar beschuitjes mee. Ga jij nou naar bove, want je ziet ’er bleek van.…
Dankbaar glimlachend, gelukkig, wenschte Geertje wel te rusten. [63]
[Inhoud]
II.
Inhoudsopgave
—Op het groene boerenland,
In het frissche water,
Ploeteren aardige gansjes rond.…
—Och nee, dàt niet!
—Nou, wat dan!.… Wacht, di’s zoo aardig:
Als het muisjen in zijn huisjen,
Oef, zoo snel als de wind,
Kruipt het voetje van mijn poetje
In het sokje.…
Nijdige slag uit het kinderbed middenop ’t kartonnen boek, dat kreukend ombuigt.
—Da’ boek niet!
—Zoo, nou, as jij dan maar zegt welk boek wel.
—Van Juffrouw Onschuld.
—Kind! alweer van Juffrouw Onschuld, dat he’k van morge pas geleze!
—Och jawel!!
—Nou bedaar! Mij is ’t goed hoor.… „Juffrouw Onschuld, zoo hadden Eveline’s broers haar genoemd, omdat ze altijd, voor al wat ze verkeerd deed, een excuus had in te brengen. Brak ze een glas, of een kopje.…”
Langzaam las Geertje, en vond dat ze ’t erg vervelend dee’, maar was al blij dat Truus tevreden lag te luisteren. [64]’t Krieuwde om ’er neus, in ’er bovenlip, telkens dat holle gevoel aan ’er gehemelte, dat ze gapen mòest; toch las ze àl voort aan het zeurig verhaaltje, Truus heimelijk bewonderend, dat die zoo zoet bleef onder de dekens. De vorige dagen, met die vreeselijke hitte, was ’t hier in ’t kamertje nog beter uit te houden geweest dan nu. Alles toe, het raam èn de deur! ’t was guur opeens weer buiten, dat had ze straks op het plat gevoeld, maar dat nu de deur toe moest omdat Truus ’en beetje overeind zat!.… Hè gut, ze kon het gapen niet laten. Als ze ’n oogenblikkie ophield met lezen, zou ze zóó indommelen.… „Zoodra Eveline alleen was, begon ze een deuntje te huilen, minder nog om ’t gemis van het rijtoertje, dan wel om dat ze zoo onrechtvaardig werd behandeld”.… Hè, wat ’en vervelend verhaal, en dat die Truus dat nou zoo mooi vond! Je kon’ d’er toch bij kindere heelemaal niet op an.… Ja, ’t kon er niks schelen; as de Juffrouw bove kwam, moch’ die best zien dat ze zat te stikke: ’t kraagje van d’er blouse los, dat was teminste iets minder benauwd.… „Eveline droogde dus haar tranen, en begon ditmaal in ernst te studeeren. Eerst elke maat langzaam, tien keer achtereen.… Daarna de heele studie.… wat vlugger, in het vereischte tempo.…”
—„Mejuffrouw G. Hendriks.” Eén brief! Asjeblief!
—Gut! Meneer!.…
—Zit Geer je prettig voor te leze, Troelala?.…
Da’s ’en leve’tje, hé?.… Zeg, ’t is hier benauwd! Jij heb et ook warm!.… O got, dóe maar niet! ’k weet toch wel da’j ’en mooie hals heb.… Krijgt Troelala ’et niet te warm?.… Laat teminste de deur wat ope.… Zoo.…
—As de Juffrouw dat maar goed vindt!
—Och jullie heb’ et hier veel te benauwd.… Zeg is, wat krij’ je daar voor ’en brief! Hei je femilie in Amerika?
—Van ’en kennis.…
—O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!.… Dàg!.… Dag Truuzepop! [65]
Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou ’en brief van Willem? En dat Meneer dat net moest zien! Hoe kwam Willem an d’er adres! Ja, netuurlijk van Jan, en van thuis. Maar wat hattie te schrijven! Ook ’en taaie.… Hè God, dat Meneer.…
—Wat? Ja ’en brief uit ’en ander land. Kijk wat ’en malle pos’zegel. Wee jij die hebbe.… of wiwwe n’em voor Koos beware.… Jij.… Nou daar hei je-n-et heele adres.
Grootje, kijk toch us, wat ’en epistel! Ja, dat kon ze niet leze, rare name.… „Lieve waarde Vriendin”.… Netjes schrijftie. „Gij zult zeker reeds lang eenige tijding van mij hebben verwacht”.… Gut nee, heelemaal niet.…
—Hè? Ja maar Geer moet nou eve leze.… Wee je nou eerst Vergeetmenietje nog us ankleeje?.… Nou já maar, affijn, vooruit dan maar. Wegloope zal die brief niet.… Weet je nog waar we ware gebleve?
Weer dwong Geertje haar mond tot hardop lezen. Slaap had ze, net het tegendeel van lust om geluid met ’er droge tong te maken, maar anders kreeg je-n-en huilpartij, Truusje was toch al zoo zoet vandaag!.… Hè, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid had „van ’en kennis”. O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe kwàm ze ’t te zegge.… Ze wist het niet.… Laa’s kijke.… O ja! toen.… Meneer keek zoo plaag’rig. Eerst al, met dat geplaag om ’er boordje.… Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende in Amerika.… Ja, daarom had ze gezeid „van ’en kennis”. Net zoo ommers as et wàs.… Maar ze zàg dat Meneer et raar von’. Altijd, dan werde z’en ooge wat ànders.… Och maar malligheid! ’t zou um ’en zorg zijn, of zij ’en kennis in Amerika had.… Hè nee, ze had et gezeid om te plage.… Waarom had hij ook geplaagd met ’er boordje.…
—Wàt! Verveelt et je nou al weer.… Wee je dan nou de pop is hebbe.… Dan ga ik effe naar beneje.…
—Hè nee.… [66]
—.…Kijke of je arreroet klaar is!.…
.… Wacht, ze zou de deur maar toedoen, Truus mocht is te veel overend komme. Hè, je bekwam al, hier op de trap. Dat de Juffrouw dàt niet wou geloove, dat ’et slecht voor ’et kind moest weze, altijd die stiklucht in ’t kamertje. Maar efijn! nog enkele daagies.… O heerejee, alweer es ruzie.…
—Wa’ bliksem! Als ik in me vrije middag in m’en-eigen huis nie’ met halters mag werke! Wat gaat et goddome ’n ander an!
—Ze lachen om je, man!
—Wie lacht d’er om! Die halleve hoere daar van Stevens, ja da’ zal me zorg weze!
—No’ ga je gang, as jai mit gemeine waurde begin.…
—O, dat is nou omdat Geertje d’er bijstaat. Och gut, sjeneere me woorde je? Waar bemoei je je dan ook mee.… O zoo, nou gaat ze weg!
Geertje schaamde zich dat ze er was! Wáár stond de zak met de arrowroot? Weg nou—niet met Meneer in de kamer.…
—Zoek je wat?
—Och, de arreroet.… Sefie heeft ze zeker nog in de keuken.…
—Nee, loop jij nou óók niet weg. Zeg nou, vin’ jij d’ar nou wat an, da’k op Zondag hier op ’et plat wat met m’en halters klungel?
Geertje lachte. Goeie Meneer! Net ’en groote jongen soms!
—Nou en nou hadt je me vrouw motte hoore.… Is d’er geen arraroet? Moedertje! Net zoo’n klein moedertje bei je voor Truus. Nou maar ze houdt ook veel van je.… Hei je zóó’n haast!.… Eerst effe vertelle: hoe was ’t met die meneer in Amerika!
—Och!.… plaag.…
God, haast tegen de Juffrouw! Gelukkig nog net op tijd de kamer uit. [67]
—Ik kan de arreroet niet vinde.…
—Die heb ik tuch! kwam nijdig Sophie.
Vriendelijk altijd Sefie.
—Wa’rum most u se-n-in de kamer soeke?
—Daar hoort ze toch!
—En u wist da’k ze had.
—Nee, dat wist ’k natuurlijk niet. Anders zou ’k niet zoo stom zijn geweest om voor niks de heele kast door te zoeke.
Zoo, nou jij! dacht Geertje. Maar de meid zweeg. Lamme tang! Nou was waarachtig het water haast koud! Niet laten merke! Dood kalm ’et stel ansteke.…
—Heb u it stel naudig?
—Ja, et water in de ketel is koud.
Doodkalm.… Nee, niet naar binne.… Liever eve maar naar Truus.… Hè, wat ’en hèl was dat toch hier in huis, altijd die ruzies van man en vrouw.… Ze begreep niks van de Juffrouw. Waarom had ze Meneer getrouwd, as ze niet zóóveel van ’em kon verdrage. Nooit kon Meneer wat doen in huis, of de Juffrouw had wat te zegge! Wat kon dat nou schele, dat werke met halters, Zondags! Laatst had ’er de heele Zondag over wel ’en wasch gehange!.… Zij zou ’t juist leuk vinde, as ze de Juffrouw was, dat gewerk van d’er man met halters. Wat ’en mooie vent was ’t toch—zooas ie daar stond in z’en overhemd! Heelemaal zoo’n heer in z’en doen. En zoo krachtig en gezond.… Misschien was z’en vrouw daar wel jaloersch van.… Hij altijd met z’en komplimentjes. Laa’st had ie dat ook al gezeid van „klein moedertje”. Heerejee, as de Juffrouw et hoorde! Nou et mocht weze zooas et was—maar zij had liever een vader zooas Meneer was, as ’en moeder as de Juffrouw. Laa’st, toen Truusje zoo dóódziek was—kon je wat an de Juffrouw merke? Maar Meneer, die eene middag, toe’ met de hooge koor’s, toe’ de dokter bang was voor buikvliesontsteking, wel, de man had geen brok kenne eten. En ’s aven’s, toen ie met háár, Geertje, voor ’t bed sting.… in z’en ontroering [68]had ie, bij ’t angstig luistere naar ’t kind d’er ademhaling, z’en hand op Geer d’er schou’er geleid.… Jessis, dat ze dat straks zoo gezeid had van die brief van Willem.… Wacht, netuurlijk, Truus an ’t huile! ’t Bakkesje had et kind van ’er vader, maar dat da’lik sjagrijnige, nou! dat had ze van iemand anders!.…
Eerst toen Truusje ’s avonds sliep, en nadat Geertje Koos had gehaald bij de buren, waar-ie, om de rust in huis, de niet-schooldag was wezen spelen, vond zij gelegenheid, bij het oogenbederf van het nachtlichtje de brief van Willem te lezen. Vluchtig las ze de groote vellen van het glanzerig, kreukeldun mailpapier—wat ze niet dadelijk begreep, sloeg ze nú maar over. Willem vertelde veel van een preek, die een Hollandsche dominee in ’en stad in de buurt had gehouden. En van z’en eigen bijbellezingen. En ook van ’en soort jongelingsvereeniging, die hij bezig was te stichten.… dat is te zeggen: niet voor jongelingen alleen, meisjes zouden ook lid kunnen worden.… „Gezellig voor ’em,” meesmuilde het in Geertje’s gedachten. Verder schreef hij over haar. Of ’t haar niet vaak bang te moede werd in een groote stad als Rotterdam. En of zij wel steeds haar eenig vertrouwen bleef stellen op den Heer. Want de Psalmist heeft het gezegd: „De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God.” En: „Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne rechterhand is, zal ik niet wankelen”.…
Nou doe-ie net as Groo’va, dacht Geertje. Want er kwamen nog meer teksten. Willem had dat van Groo’va geleerd, om altoos te bidden met teksten en teksten in zijn brieven te zetten.…
En meteen bedacht zij, dat ze vooral naar huis moest schrijven.
Zij las de brief niet heelemaal uit. Zij vond ’em zoo lang en zoo vervelend, en dan bij dat tranerig druillicht.… Truus [69]mocht ook eens wakker worden van het gekreuk van het papier: ze meende haar al te zien bewegen.
Gut ja, ze moest noodig naar huis schrijven. Verleje week ook al enkel een briefkaart. Maar ze had ook geen tijd gehad.—Grootou’ers wisten dat Truusje ziek was. In drie weken was ze niet naar de kerk geweest: de Zondag vóórdat Truusje ziek werd, toevallig ook niet.… Nou maar, ze had nou iets goeds om te schrijven; dat ze een brief had gekregen van Willem; het zou Groo’va wel plezier doen.… Nee’, daar kon ze toch niks van zetten. Want als Groo’va Jan Heukelman sprak, dan was het natuurlijk: „Geertje schreef, dat ze een brief had gehad van Willem”—en de Heukelman’s aan het denken, dat ze blij was met de brief.…
Even een oog nog over de bedjes, en, toen, met ’er schrijfmap, weg.
Beneden zaten ze op het plat—Meneer en de Juffrouw en meneer Maandag. Geertje dronk de avond in. Maar ze moest haar brief gaan schrijven. Of ze ’t gas aansteken mocht. Nou al? Gut, en dan de mugge.…
—Kom d’er ’en beetje bij zitte.…
Ja, maar d’er brief!.… Nou—dan zou ze nòg maar weer ’en briefkaart sturen, en nog maar nìet zetten, dat Truusje zoo goed als beter was. Zij kon het toch niet helpen, dat de Juffrouw zoo bang was voor de muggen in de kamer! En het schemeren was zóó heerlijk! Uit de stad kwam een vaag rumoer, als kon je hier de menschen in de Hoogstraat hooren schuifelen en gekheid maken.… Geer had er graag ’es éven gekeken.… maar nee’, toen ze eenmaal zat, ’t was hier juist zoo knus en gezellig, lekkertjes kalm met rumoer in de verte.…
—Gek hè, de heele dag zoo guur en da’me nou nog hier kunne zitte.
—Ja, m’ar, je sit hier beschut.…
—Me man klaagt altoos over die mure.… [70]
—Ja netuurlijk! ’t plat zou prettiger zijn, as je niet an beijeskante zukke hooge huize had.
—Och! jai heb’ altaid wat.…
—Zoo, heb ik altijd wat, nou maar, ik heb te minste.…
—Haij al gehaurd, Hains, van die frau’ fan During? viel meneer Maandag handig in.
—Nee, welke During?
—Nou fan ’t Westplain, fan During en Rietmaker.… je ken um wel, soo’n lange, hai sit in de Raad.… s’en frau’ is dur op eens fan deur, mit ’en dokter uyt de Haag.…
—Wat zè’j daar! riep de Juffrouw. Ze kende de mevrouw wel niet, maar ’en mevrouw van ’t Westplein d’er van dèur mit ’en àndere man?.… Ja, Maandag wist het zeker, vertelde bijzonderheden—: meneer bleef met twee kinders achter.…
—Se waren ’en jaar of vier getrouwd.…
Wat en schande! ’en Dame van ’t Westplein! Twee kindertjes achter te laten.…
—Als ze toch niet hiel van d’er man, plaagde Meneer.
—Dan laup’ ’en fesoendelukke frouw nùg niet fan d’er kindere weg!
Nee, dat vond meneer Maandag ook; zooals de wetgeving nu was geregeld, bleef die moeilijkheid met de kinders altoos de treurige kant van de zaak. Maar anders, ’t moest ’en huwelijk zijn geweest van hond en kat. Zij ’en prachtige jonge vrouw en hij ’en vervelende uitgedroogde cententeller, indertijd an mekaar gekoppeld, omdat hij zoo rijk was.
—Sau gaat et in de deftige wereld.…
—Daar niet allainig, snibbigde de Juffrouw.
Maandag, alsof hij haar niet begreep:
—Um et geld alles opgeofferd! Nau kump sau’n mensch in Scheveninge, d’ar in die drukte van niksdoenerai, same de see in en ’s avens meziek…. Sie, dàn gebeurt ’er gemeinigheid—dan vin’ ìk et nog ma’r beter, da’ se d’er kurresjeus van deur gaan.…
—Foei Maandag, hoe kai je ’t segge. [71]
Juffrouw zei dat nog vriendelijk. Meneer Maandag mocht een potje breken. Maar Geertje zag toch, zoo donker als ’t was, duidelijk op het bleek groezelgezicht hoe hij haar ergerde.
—Och mensch, je begraip me verkeird! Ik fin et niet goed wat die mense gedaan hebbe. Al wat ik seg is: de schuld lig niet bai dien enkelen man en frauw, m’ar de heile inrichtink van de maatschappai is slech. De liefde sie je, da’s Moeder Netuur, da’s et alderma’iste watter is in ’t lefe, da keu je niet ruggelementeere bai de wet.
—Vrije liefde! lachte meneer Heins.
—Seker! en met zware langzaamheid wendde de bultenaar zich links. Fraie liefde. Maar niet as ’en grapje. As et haugste netuurgebod.… O, we ben d’er niet an toe! Da’ weet ik net sau goed as jai. M’ar ik weit auk, dat et samenlefe fan man en frau sonder liefde-n-en schande is—en die wordt no’ bai de wet bestendigd.
—Mot jai niet is bauve kaike? zei de Juffrouw tegen Geertje.
O gunst, ze had het vergeten! IJlings weg!.… ’t Was rustig boven.… Even viel ze er neer op ’en stoel. Vreemde dingen zei meneer Maandag. En dat hij daar hier van sprak. Dat hij dòrst.… O, ze wou het verder hooren. Gauw naar benee.… Maar teleurstelling. Juffrouw bezig ’t gas aan te steken. Ook de heeren opgestaan.
—Kum, ’t is me taid, zei meneer Maandag.
—Vent, drink nog ’en glaasje bier.
Nee’, ’et was te laat geworden. Even een praatje nog. Toen ging Maandag.
—Hè, die bult mit s’en onwaise praatjes, nijdigde de Juffrouw, terwijl Meneer meneer Maandag uitliet.
En toen Meneer terug was:
—Seg as Maandag weir fan die gemeine praat verkaup’, gaan ik de kamer uyt.
—Ja maar we zatte nou op et plat!
Khm, Geertje kuchte een lach weg.
—No’ m’ar je weit et nau. [72]
—God mensch, d’ar kan ik toch niks an doen. Wa’ kan mijn de liefde van Maandag schele. Laat de stakker denke wat ie wil. Maar dat zei je mit m’en eens zijn—as je-n-’en leve heb as hij, mit ’en zuster waar je de kost voor verdien, die je koejeneert, en die mit god weet hoeveel manne he’t gehokt, dan is t’er toch ’en dosis moed noodig om zóó over de liefde te prate.…
—Ja, schai no’ m’ar uit. Begin jai no’ auk niet nug us.…
Geertje was aan haar briefkaart begonnen. Eerst het adres—dan kon dat drogen. Wat zou ze schrijven? Ze wist het niet. Bijna had ze lust, te zetten, dat Truusje nog niets beter was.… Nee, niet liegen; alleen, dat ze nog geen tijd had om langer te schrijven. Ja, en dat ze het wèl maakte. En.…? nee, niks van de brief van Willem.…
—Geertje, ’en glas?
Toen ze opkeek, om te antwoorden, zag ze de Juffrouw neeschudden tegen Meneer.…
—Nee, dank u.
Graag had ze toch ’en glas pils gehad. Maar de Juffrouw nam zelf ook niet. Hoe kreeg ze nu d’er briefkaart weg? Straks Sefie, wanneer die thuis kwam? Kan je begrijpen! Zelf! Flink vragen!
.… Ja, de Juffrouw vond het goed.
—Kaik dan nuch is an Truus d’er bedje!
Net of zij dat niet zou doen! Zij had het kind toch opgepast!
’t Vliegboodschapje, de nauwe straatjes door, naar de Post; nog wat redderinkjes thuis; dan, gelukkig vrij vroeg, want ze was moe—naar bed. Maar toen ze lag, kon ze niet slapen. ’t Was of al het beddegoed tegen d’er lijf aan pikkelde. O, die benauwde lucht in de kamer.… Akelig toch, die ruzies hier in huis. Wat had het anders prettig kunnen zijn, van avond weer, daar op het plat. Maar telkens die heftige woorden tusschen Meneer en de Juffrouw. En daarbij nu dat akelige verhaal van [73]meneer Maandag. Goeie man—maar als Groo’va hem gehoord had!.… O, maar zij, ze hoorde zóó iemand heel wat liever als die vervelende zeur van ’en Willem. Als Groo’va dáárom d’er adres had gegeven! Ze zou niet antwoorden. Dank je lekker, Amerika, wie-wist wat dat an port kostte, ’en brief daar heen.… Lam, dat Meneer ’em net gezien had! Hè, hàd ze dat toch niet gezeid van die „kennis”. Mooie kennis! Meneer vroeg telkens met wie ze kermishou’en zou—als Meneer deze „kennis” kende!.… Meneer altijd met z’en plagerijen. Nou weer met dat losse boordje. Maar aardig toch ook, zooals hij het op prijs stelde, wat ze voor Truusje had gedaan. „Lief moedertje”. En de Juffrouw die d’er strakjes vroeg, of ze wel, voordat ze uitging, nog is naar Truusje kijken zou.…
Woelende, vond ze toch eind’lijk de slaap. Maar de onrust duurde voort. Ze ontwaakte na een afschuùwlijke droom: Groo’va, die, vóór de klas, ruzie had met meneer Maandag, en Juffrouw Heins, die haar, Geertje, niet los wou laten, om meneer Maandag te zeggen dat ie Groo’va niet beleedigen mocht.… Daarna sliep ze rustiger. [74]
[Inhoud]
III.
Inhoudsopgave
—Dàg!.…
.… Gut Meneer Maandag! Nee’ maar, da’s ook! Erreg vriendelijk van d’er, wat! Heusch héélemaal niet gezien.…
—Kinders en klaine mense as main kaik jullie aufer ’t haufd.…
—Hè wat flauw! Nee, maar ’t is altoos zoo druk, hier bij de brug. En nou met de kermis en die krame daar ginder.… Past u òp!!.… Hè! die tram hier.…
—W’ar gaa’j hein?
—Naar Oom en Tante. Kermis houe!.… Toe, gaat u mee!
—Ik mee? Maid bai’j dol!
—Hè toe nau! Poffertjes ete op et Hofplein. Ik trakteer!.… U mag d’er wat bij drinken ook!
—Seg us, hai jai d’en honderdduysunt getrokke!
—’k Heb vijf en twintig gulde gekrege van Meneer.
—Faif.…?.…
—Ja ziet u, d’er was eerst geen loon bepaald, maar Meneer wil me honderd gulden in ’t jaar geve, en nou voor deze tijd, ’t is wel geen drie maande, geeft-ie me toch vijf en twintig gulde, meteen voor me kermis en omdat ’k Truus heb opgepast.
—No’ ma’r, je heb se ferdiend, maid!
—’k Had er heelemaal niet op gerekend! Daarom heb ik d’er un riksdaalder afgenome, die mag van avond op.… Toe, ga nou mee!.…
—’k Laup ’en aindje mit je mee.… [75]
Zoo?! daar ging Mien, gearmd met Arie!
Wat! wou Mien d’er niet kenne! Ze hàdde mekaar toch angekeke.… Nou! ook al goed.…
Maandag niks van late merke. Leuk, as Maandag mee wou gaan.
—Weet Aum en Tante da’j komp?
—Zeker! Ze zulle blij zijn dat u meekomt!
—Nai ma’r Geer, da’ gaat niet!
Kom!.… Geer hoorde in z’en stem, dat ie d’er wel lust in had. Nou, en nòu had ie toch niks meer te doen!
Niks meer zegge.… hij liep zoet mee.…
Lieve hemeltje, wat ’en mensche.… Naar voor zoo’n man, tèlkens van die lui, die um ankeke met van die ooge van: wat hei jij ’en bult! O! wat had ze n’en medelij met um! Vooral nou ze wist, dat-ie thuis zoo’n ongelukkig leve had. Oom had toch wel gelijk gehad: hij was ’en heel bijzonder mensch. Zooas ie bevoorbeeld over ’et huwelijk en de liefde kon prate! Geer voelde, ’t was gek! maar as meneer Maandag over iets ernstigs, zoo ie’s van ’t leve sprak, dan voelde ze altijd net etzelfde prettige tevrejene, wat ze vroeger had as dominee Wevers heel bijzònder mooi had gepreekt. En dat nou van zoo’n onkerksche man! Ja, Groo’va moest et es wete!.… Maar wat ie bevoorbeeld Woensdagavond nog tege d’er gezeid had, terwijl Meneer Heins de winkel was weze sluite en zij beiden, alleen, ’t wéér hadde over de ruzies, altoos in huis, tusschen Meneer en de Juffrouw:—Zie je, Geer—had ie gezeid: zij vònd dat iets om nooit te vergete—je mot et no’ nie’ sau freeseluk finde hier fan Hains en de Jeffrauw’; jai doet, of ’en huweluk as dit iets ungewauns sau wese. Ik keir et um. As twee mense same lefe, en ze hauwe feil fan mekaar, dan is det et mauiste dat d’er op de wereld wese kan, m’ar juis’ d’arom is et seldsaam, mo’j d’er dankbaar en behoedzaam ’en kruysie bai sette.…
—Dan—had-ie even later gezeid—wordt ook pas et moederschap echt maui, onvergelaikelek maui. Jij ben sau [76]orthedoks opgevoed, da’j misschìen ’en diepe minachtink heb faur de Raumsche. Niks as jesuieten en mense n’es Alva! Maar weit je well, dat de fereiring fan de Heilige Maagd, det wil segge: fan et Moederschap as ’en goddelek ding, dat de pertestante d’ar iets heil mauis mee misse in der gelauf?.…
Vreemd was het Geer, zulk redeneeren van zoo’n man, net of het geloof iets was, dat de menschen maar schikten en kozen net as ze wou’en. Maar toch.… wat dacht Meneer Maandag ’en móóie dingen, in weerwil van zijn ongeloof.… Want dat van het Moederschap.… Geer herinnerde zich heel goed, hoe Groo’va kon uitvaren tegen de menschvereering van de Roomschen in de Heilige Maagd.… maar ze had ’es ’en prentje gezien van Maria met het Kind, en toen was ze blij geweest, dat Maria een stralenkrans had om ’et hoofd, zóó lief had ze Maria gevonde.…
—Seg maid, wat baij still!
—’k Dacht an wat u Woensdag zei van de Heilige Maagd.
—An wat!?
—Weet u nie’ meer? van het Moederschap bij de Roomsche.…
—Heire Jesis! Denk ie da’r no’ an! En we gane broedertjes ete.…
Toen—Geer vóelde de stem-verandering:
—Denk ie wel us graag aufer sukke dinge?
Geer zàg dat hij naar haar keek. Zij waren nu bij de Delftsche Poort. Iets minder menschengedrang dan aldoor op ’t Coolsingel. Zij keek hem even aan, en knikte. Ze vond het prettig, dat hij nu wist, hoe graag zij nadacht over de dingen.
—Sau! No’!.… bromde hij. Maar precies hoe wist ze niet, het was haar, of ze in het malle kleine hoofdje een aanzwelling zag van voldoening; of het stiller lag op het doopvont van de schouders, zwaarder woog, of het aan de nek verbreedde, of de mond een toetje maakte.… En nu had ze innige schik!
—Nou gaat u ook mee poffers ete?!.…
—Hèhèhè! [77]
Hij lachte, dat de meisjes van twee achter mekaar aansjokkende kermisparen allebei naar hem, en toen naar Geertje keken.
Maar zij voelde in zijn lach, dat hij blij was en begreep, hoe ze zoo opeens had kunnen zeggen: nóu gaat u ook mee. En toen ze boven op de Schiebrug, onder vóór zich tusschen de boomen, ’t gekrioel rondom de kramen hadden, keek zij hem weer even aan, en lachte hij nog weer eens net zoo—dat ’en straatjongen ’t hem nadee’.
Oom en Tante wachtten al. Maar Gerrit Holkers zat er bij! Tante bleek hem gevraagd te hebben. Geer kon tegeswoordig niet meer vriendelijk tegen hem wezen. Ze had ’em altijd zoo’n zeeschip gevonden, zoo pedant en zwaaropdehandsch. Maar tegeswoordig wou die d’er nog kemiek bij wezen ook.
—Zou ’k de winkel dan nou maar sluite? zei Oom met ’en gewicht, of wie-weet-hoeveel klante d’er vanavond door verstoken zou’en blijven van papier en pennen. Niemand antwoordde.
—M’ak no’ tuch fort, riep Tante, toen Oom voor treuzelde. En Geer had opeens het gevoel, of ze allemaal naar de trein moesten, en hier alles zoo kaal was en arm, omdat ze het huis verlaten gingen.…
Net had oom de voordeur gesloten, en gingen ze, zij met Tante en de mannen d’er achter, toen van de overzij van de Schie het getoet klonk, dat er brand was.
—Effe haure, zei meneer Maandag. Bij al het rumoer van overal en het heesche gedreun van twee draaiorgels, kon niemand de agent verstaan. Maar in de Zomerhofstraat liep er ook een. Vrij ver af. Geer verstond niks, hoewel ze ervoor waren blijven staan. Maar meneer Maandag keek Oom aan, deze scheen hem te begrijpen.… Toen de agent nog eens had geroepen, zei meneer Maandag:—’k Glauf verâchtig.… En ja! daar opééns hadt je een agent vlak voor hen: Tè—tè.… Hè, Geer vond het zoo’n afschuwelijk geluid.… die branden hier in Rotterdam!.…—„Nadorststraat!”.… Ja waarlijk, ’t was in Maandag z’en straat.… [78]
—No’ m’ar, wie sait no’ dat et bai jau is!
Nee’—Maandag moest er toch heen. Gauw nam hij afscheid, trippelde weg.
—Waarom is ie toch zoo bang! vroeg Geertje.
—Da’ begraip ik bes’, zeide Tante. ’t Kan tuch wese, dat et bai hum is.…
—Nou, dan is z’en zuster d’er toch!
—Nee, zei Oom met een smal lachje, die is d’er misschien juust niet. Saterdag van de kermis, dan blijft Bet niet in huis!.…
—En de kinders dan?
—O, die slape.…
Geertje voelde zich koud in het gezicht worden. Zooals meneer Maandag daar weg draafde, zoo gauw als ie kon de hooge brug op, met z’en kleine beenen! Gauw—de brand moest eens bij hem zijn—naar z’en hooge bovenwoning, waar Piet en Miet liggen, zonder Moeder. En die moeder is zijn zuster—en hij houdt van de Maagd Maria.…
Er was iets weg van de pret voor Geertje. Maandag d’er niet bij, en Gerrit wel. En die vervelende grappen van Gerrit! Had ze nóu maar.… nee’ maar, dat had toch niet gekund, dat zij uitging met ’en knecht uit de winkel van Van Dam. Toch was Kees wel een leuke jongen, en wel drie keer had ie ’et haar gevraagd, hoe lang geleje al, toe’ die’ middag, toe’ zij zelf eve’ arreroet was komme hale voor Truus. Toen al had-ie d’er van gesproke. Nee maar, et ging niet, ’en vreemde jongen. Al deje ze dat hier in Rotterdam, Groo’va zou het nooit goed gevonde hebbe. Hè maar die Gerrit!
—Nee ik geef je géén arm!
—Wat! Geen arm! Dan ga ’k me’ ’n ander!
—Doe dat!
—Gut allemachtig wat finnig! Hadt jai misschien mi’ ’n ander gewild?
—Ik ga met Oom.…
Oom liep evenmin gearmd, zelfs niet eens náást Tante. [79]Lachende haakte ze zich aan Oom. Maar nu maakte Gerrit spektakel. Hij kon toch niet met z’en zus op de hort gaan!.… Hihò, hihò.… Op eens, als iets dat je in de keel grijpt, drong nu een gedrang naar haar op, even leek ’t dreigend, toen als een lolletje, maar dat ruw op haar los kwam varen.…—Kom! hoorde ze Oom, haastig in het rumoer; en dankbaar, plotseling toch wèl angstig, drukte ze zich vast aan hem.… Hihò, hihò.… schokte het nu achter en om haar; ze voelde de ademtochten der schreeuwers in haar nek; ellebogen stootten, drukten; als door een dansende muur werd zij voortgedreven; daar brak de muur en was het of de stukken dreigend tegen haar in vielen; overal waren donkere rompen, overal bezeten koppen, deinende met telkens horten, ongevoelig voor de schokken, zweetende, stinkende schreeuwerskoppen, logge lijven buigend drijvend.… Nu was zij midden in een keten, tegen haar aan een dom mannegezicht, oogen die wezenloos langs haar keken, terwijl de mond-alleen woest leefde.… Hihò, hihò.… Jakkes, nu een hand in ’er haar.… Gut, wat wàs dat.… o ke’fetti.… Hihò, ’en arm had ’er vast om het middel.… Néé!.… Lòs.… Maar nu een ander an d’er arm .… Malle Oom om mee te springe.… Gut! waar waren Tante, Gerrit.… Lòs!.… Nee, ’t ging niet.… Hihò, hó; nu was het of ze opgetild werd; ze voelde d’er voeten de grond niet meer raken, hobbelend glijende voer ze voort, meegerukt in de plots’linge ren der zinloos mekaar overschreeuwende jongens, voort onder boomen, door walm van kramen, tusschen de laaiende lichten in: ros de koppen, misvormd van het schreeuwen.… Voort.… Waar was Oom?!.… O Groote God! Los!.…
Hè! eindelijk was ze uit de benauwing.
Waar was Oom?!.… O daar gelukkig!
—Nou, da’ was ’en lolletje, hé?
—Waar ben we hier?
—Op et Couwenburgsch-eiland.
—Waar zou Tante zijn?
—Ja, da’ wee ’k niet. La’ me maar ’en eind teruggaan.… [80]
.…—Kijk!
Daar stonden Tante en Gerrit voor een kraam. Jeetje, wat ’en booze gezichten!
O, kreeg Oom ’et, haar was ’t goed. Ja, dat zeidie wel. Hùn schuld! God, as Tante bazigde! Wat! zij nou een arm an Gerrit?.… Nou vooruit, wat kon ’t haar schelen.
—Maar zou we hier nou m’ar nie’ ingaan?
Prettig denkbeeld weer van Oom! Wat ’en mooie, groote kraam! Al dat koper, en die spiegels, en de kamertjes zoo netjes.… Wat? geen plaa’s?? Hèjakkes toch.…
En nou die?.… Was lang zoo mooi niet.
—As de broedertjes d’er m’ar smake.…
Nou ja, maar.… Affijn, vooruit.
Hè, die Gerrit, wat ’en jong toch, waarom niet in dat kamertje?.… Hier kon ’t ook.…
Nee! zij tracteerde!
—Straks mag u!
—En wanneer mag ik?
—Jij, je heb geen cent op zak!
—O, ik dach’ da’ je meinde jau ’en kusje gaife.…
Hè, dat Tante daar om lachte.
—Wat duurt dat lang, hè?
—We hebbe toch geen haas’!.…
Hihò, hihò.… de vloer, de wanden schudderden! Wat ’en mense!.… Nergens plaa’s. Dan moch’en zullie nog van geluk spreke.… O, daar ware de broedertjes ook.
Hè, zoo was et toch wel aardig. Kijk Oom ete! Hè ja, knu’s. Jammer alleen van Maandag.
—Zou meneer Maandag ons nog zoeke?
—Maandag? en die is naar huis!
—Nou ja, maar.…
Geertje zag ’em zitten thuis. Ze kende de woning alleen van buiten en de kinderen had ze nooit gezien. Maar ze stelde zich hem voor, wakende bij twee armoedige bedjes, aan ’en tafel [81]met ’en heele boel boeken, net als Groo’va placht te hebben:—bij die troost z’en zuster wachtend.
—No’, wa’ nau? vroeg Gerrit.
Hij was het eerst door de poffers heen geweest en nou hadden ook Oom en Geertje ze-n-op: Gerrit werd ongeduldig. Oom stemde toe: je kos hier niet de ganschen avend blijve zitte!
—Neem u nog ’en bordje, Oom, zei Geertje.
—Nee meid, zoo is ’t wel geweest, hoor.
—Hai jai ook sau’n drauge mond? komiekte Gerrit.
Gut, daar had Geertje niet aan gedacht! Ze hadde d’er wat bij moete drinke! Maar kòn je hier wat te drinke krijge?
—Nee, m’ar da’ doen we-n-auk nie’ hier!
—’t Is wel geweest, herhaalde Oom.
—M’ar maid, mo’ jai da’ no’ allem’al betale? verduidelijkte Tante, toen Geertje d’er rijksdaalder liet blinken.
Ja natuurlijk!.… O geen sprake van.…
Na een:—„No’, bedankt dan” van Tante, stonden zij op.
Buiten hoste men in de motregen.
—God wa’n mense!
—We moste n’ar den Doel kunne, deed Gerrit groot.
—Betaal jai den intree? schampscheutte Tante.
—Och maar Geer mot de kermis toch zien! redde Oom. En hij nam de arm van Geertje.
—Verdomme nai! haastte zich Gerrit en drong Oom weg.
Maar nu had Oom weer een ander idee:
—Zouwwe niet éérst ’en spatje neme?
—Sau’n klain tikkertje? viel Gerrit grappig doend bij.
De vrouwen werden meegetroggeld. Tante wou niks hebben. Ook Geertje bedankte. Maar hop! Oom en Gerrit wisten d’er weg mee.
—No’! No’ vooruit mit de gait!
Hihò, hihò!.… Hè, daar hadt je weer zoo’n sliert.… Geertje vond de menschen ruw.
—We hadde naar den Doel motte gaan, parmantigde Gerrit. [82]
Geertje dacht nu ook aan den intree.
—Wat wei je fa’ m’en hebbe faur je kermis? vroeg hij even later.
—Ik? van jou?
—Ja netuurlik. ’k Mot je wat gaife—’en gedachtenissie. ’t Is de eerste keer da me same-n-uitgaan.
En de laatste, wenschten Geertje’s gedachten.
Geertje wist niet, wat ze daar op zou antwoorden. Gerrit dee warempel net, of-ie met ’en vreemd meisje uit was, dat-ie het hof moest maken! Wat ’en vervelend gezicht had-ie toch, vooral zoo as nou, as ie aardig wou weze!
Bij de kramen begon ie weer.
—Wa’ za’k fer je kaupe?
—Och jonge kle’s niet!
—Kle’sse? a’k je-n-’en kedautje wil gaife? Ik kraig tuch auk well wat van jau?
—Kan je begrijpe.…
—Kan je begraipe? Da’ ze’ we n’es zien!
En hij pakte ’er om ’er middel.
—Zèg!.… Mo’k weer mit Oom gaan loope?
—Hè Geer wa’ bai je ferfelend.
—Jij ben vervelend.…
Hihò, hihò, joelden paren langs hen heen.
—Hihò!.…
Rukkend, onredzaam, trok Gerrit haar mee in de hos. Kramen, nu, aan bei’e kanten. Eindeloos.… Het leek een straat! Geer dacht aan de vijf, zes kramen, op de kermis bij hun thuis.… En zoo lekker loopen was het—groote steenen, als in de keuken op Groeneveld.… Gut!.…
—Nee toe, laat nou is kijke.…
Kijk is, wàt ’en schilderijen! En maar twee gulde vijf en veertig. Ook niet duur, in zoo’n gouwe lijst! En daar—wat ’en kraam met speelgoed!
—Sa’k f’or jau ’en rammelaar kaupe? [83]
—Och jonge loop!
—Nau ko’mee!
Weer moest ze voort, glij’end haast, zóó trok hij haar, nu zijn arm door de hare gestoken, haastig tusschen het drukke menschengeschuifel heen, schuin naar de overkant, vóór een koekkraam.
Zóó’n groote kraam had ze nooit gezien. En zoo keurig, met al die vakken!
—Wee je no’ sau’n koek fan me?
—Gee’ me dan ’en zakkie moppe.…
Lekker waren ze, de moppen. Loopende snoepte Geertje er uit, bood er Gerrit een, hoorde zich nageroepen door jongens zonder meisjes, die vroegen of zijlie niks kregen.…
Gerrit, haar vroolijk ziende:
—No’ hier h’en!
’t Was opeens een stratenkruising, brekend de knusse nauwe gezelligheid-van-licht in de kramenlaan met een armoejige, holle wijdte van duister, waar Geertje zich in voelde dringen, door een driftige drang van Gerrit z’en lijf, een schielijk vàst sturen aan ’er arm.…
—Jonge, waar wee’j nou heen!
—Toe Geer, la’k je no’ is pakke!
—Zeg!.…
Met één ruk was ze los.
Wat ’en lamme jonge toch! Net zoo een as thuis die jonge van Zwartjes, die wou ook altijd iedereen zoene. Voor twee jaar, met de kermis, toen zij nog zoo het land had gehad, omdat ze ’s avonds niet meer uit mocht, van Groo’va, had ie Lina Wijers geplaagd—Lina, van wie zij jaloersch was geweest, omdat die wel naar de kermis mocht, en die ze later had uitgelachen.…
—Seg kom no’.…
—Och la’ me los!
„Tsa!”—„Soen et of!” riepen jongens langs hen heen.
—M’ar wat wau je dan! Ga mee! [84]
—Waar zijn Oom en Tante gebleve?!
Geertje schrikte. Zij waren hen kwijt! Hemel, hoe vonden ze die nou terug! En anders.… wat te doen.…?
Tusschen de kramen terug.… Jawel! Menschen genoeg, maar niet Oom en Tante. Jakkes, wat ’en nare avond.…
—Uch da’s niks, we finde ze well!
—Ja, maar ik ga niet verder mee!
—Wa’s dat nau? Nie’ mee! Motte we hier dan blaive?.… Kom! we gane fóór bai Bierman sitte, da’s aufer de kermis, d’ar motte se langs.
—Hoe over de kermis? we zijn op de kermis.
—Maid bai je mal, di’s de kermis niet, di’ sain m’ar sewat krame.… De kermis is op de Beestemart.…
—Daar hei je Tante!
—Ja we’rachtig! Zie je no’? Wat he’k gesaid!
—Waar was u zoo lang gebleve!
—Uch je Aum most bai Frikkers in.
—Nee, we kwamme dinges tege.… Henze, van de stoomtram.… die ha’k in zóó lang niet gezien.…
—Ja ma’r hai zai nie da me de kroeg in moste.…
—Och mens, la na je kijke, je heb toch zelf ook meegeproefd.…
„O me lieve swartkop, foel er is.…”
„Hihò! hihò!.…”
—Bij mekaar blijve! gilde Geertje.
Weer had ze die nare gewaarwording van te worden meegesleept als een stokje in de beek op Groeneveld; dat je mensch voor mensch op je aankomen ziet maar de sliert als een ding je meetrekt.… Doch nu drong zij zich tùsschen de menschen, langs de menschen glipte zij heen, altoos aan ’er arm Gerrit, die nu haar moest volgen; tot zij, plotseling tòch een heel eind, nèt-anders dan ze wou, gedrongen, radeloos al, Tante zag, Tante’s arm te pakken kreeg, die Oom hield.… Toen liet ook zij zich veilig gaan. „Hihò! hihò!” lachende dee’ ze mee met de schreeuwers. Er waren nu [85]nergens kramen meer, en de menschen hosten maar door. ’t Was als wier’ je voortgedreven, maar, opeens, dan hokte ’t weer, dan had er een voor of opzij wat verloren, of d’er hadden ’er ruzie, of d’er bleven er staan, zonder dat iemand wist waarom. Voort ging ’t dan weer, met een liedje, Geertje kende wijs noch woorden, eerst zongen jongens achter wat anders, maar toen begonnen d’er voor met dit.… nu dee’en allen hieraan mee.… en verder stoven ze, zeilende voort, zonder hossen.… Gut, wat nòu.…
’t Was plotseling een kring van weerstand, waar zij in gedrongen stonden, menschen die schreeuwend de weg versperden, die niet drongen, ook niet weken, die slechts schreeuwende versperden. Even dreigementen, vloeken.… Toen, eensklaps, als bij afspraak, gehihò van allen samen, één vlijtig stampgespring aldoor op dezelfde plek, mèt een zachtjes àlmaar dringen, dringen dichter op elkander, èn een sneller hihò roepen en een sneller voetenstampen.… even, dan, gegil, gegiegel.… en de troep wàs al uiteen, stukken sliert zochten elkander, maar de meeste menschen weken, paarsgewijs, in groep, terzijde, rustig uiteengaande, naar de trottoirs, zich verspreidend als na een kerkgang.
Geertje had Tante niet losgelaten. Bij het vlakkend kleurlicht van een apotheek vonden zij Oom en Gerrit terug: Oom had weer een kennis ontmoet, die nu meeliep, naar de kermis, tot waar, aan het eind van de wijde straat, het vele licht was en ’t volle rumoer.
—Daar hei je de kermis, Geer! zei Oom, wijzend welwillend met wijde armzwaai naar al het wondergedruisch daar vóór haar; doch meteen maakten zijn hoofd en oogen tegen de vreemde meneer die mee was geloopen een beweging naar de andere kant; Geertje hoorde de meneer: „Ja, netuurluk” zeggen, en zag Oom een trap opgaan, toen de meneer, toen Tante.…
—Di’s Bierman, zei Gerrit, inlichtend en noodend, als moest het ook haar een pretje wezen, nog weer een herberg binnen te gaan. [86]
—La’ me los! weerde ze bits af, toen hij haar het trapje wilde opduwen.
Aardig zitten was het er wel. D’er gingen net menschen weg uit de, hoog boven de straat staande, veranda, toen zij binnenkwamen; en hoewel er dadelijk andere uit de zaal op het vrijrakend tafeltje toeschoten, wist Oom met een grap het voor hen te krijgen.
—Hèhèhè, he’k et handig gedaan, of niet!
De meneer zei, dat Oom een goochemerd was.
Toen bestelde Oom met veel hard praten te drinken.
—Ma’k toch nie’ sau’n opstand, verweet Tante.
Maar Oom vroeg of je dan op de kermis niet us ’en lolletje hebben mocht, en dronk eerst het bier van Tante en toen zijn eigen glas leeg.
In de zaal dreunde telkens de vervaarlijke muziek van een reuze-orgel met trom en bekkenslag, en Geertje moest aldoor lachen om het kabaal, dat een troep jongens bij het buffet maakten, die er stonden te schreeuwen en te springen en net dee’en of ze de glazen wegnemen wou’en van de groote presenteerbladen der knechts. Dan weer boog ze voorover om naar de straat te kijken, en kreeg bij die beweging, na de warmte van de zaal, de koelte van de avond in ’t gezicht. En als een tocht ook leken in ’t ongezellige duister der straat de breede slierten menschen te naderen en voorbij te gaan; Geertje huiverde ervan, wanneer ze de Hugo-de-Groot-straat inkeek, al die dreigend naar voren komende jongens en mannen, dronken of dronkendoende, met de mal-gillende meiden, schuddend of log-hangend aan vrijers arm. Bij het weinige licht van de lantarens zag zij de rijen al in de verte, vooruitkomend als een troep soldaten, in hetzelfde breede gelid waarin ze vroeger thuis het voetvolk uit de stad, dat een wandeling dee’, zag aanmarcheeren: bang dat ze haar onderstboven zouden loopen, daar ze de gansche straatweg innamen van berm tot berm. Keek ze even later [87]weer de straat in, dan was zoo een rij nog maar weinig gevorderd, plotseling zag ze de menschen stilstaan en begonnen zij te springen, en er waren er die afdreven naar een van de vele kroegjes aan de overkant, voor welke hekken waren geplaatst met boompjes-in-potten en banken dat je buiten kon zitten; de anderen kwamen ten leste weer voort, naderden, nu geweldig schreeuwend, de mannen de koppen achterover om het geschreeuw de lucht in te gooien, vadsig bewegend, enkel kracht gevend aan hun geschreeuw; de vrouwen, als hangende tusschen de mannen, maar voorovergebogen de mannen vóórtduwend naar de kermis.
Geertje kon zich haast niet voorstellen, dat zij straks in zoo’n troep had meegesprongen—deden de menschen nu niet ruwer? even dacht zij aan thuis, aan Groo’va.… Maar net waren Oom en die meneer Bloem aan het ruzieën, wie er nú een glas mocht geven.… Schuw keek ze naar Oom z’en glas, ’t hoeveelste was dit al, ze wist niet; Oom begon zoo raar te doen, had zoo’n kleur, toch was ’t niet warm hier.… Dàn was ze toch veel liever op straat, waarom hier zitte? daar was pas de kermis, ’en plein zóó groot, had Gerrit gezeid, het plein van de veemarkt; en zij zaten hier te suffen, Oom al hàlf dronken; àl die menschen gingen voorbij; aardig die menigte bij het plein, als zwarte spoken waren de menschen vóór ’t rosse licht, net als ze eens de mannen gezien had voor de ovens in die fabriek te Deventer, waar ze met Groo’va heen was geweest.… Ze dee’en wel naar, die dronken mannen, maar d’er waren ook vroolijke paren, blij en netjes de kermis opgaand, om wat te zìen.… Prettig zoo.… Zij met Gerrit opgescheept, vervelende jongen, leelijke jongen.… Wàs ze nou is netjes uit mit ’en fesoendeleke jongen—Groo’va had et nooit wille hebbe.… wàt kon d’er zondigs in zijn, beter dan hier zóó! ’t liefst, ja ’t liefst een flinke, groote.… nee, niet as Kees van Van Dam, ook niet as Willem Heukelman! stel je voor! Willem.… ’en flink opgeschoten jongen, met ’en regelmatig [88]gezicht.… hòe precies.… nou ja, hoe zou ze zich dàt nou voorstelle.… ’en jongen, die ’en beetje aardig was, niet vervelend kemiek as Gerrit, maar vroolijk en plezierig.… O, om óók zóó’s ie’s te hebbe.… da’je je jong voelt, dat je lacht.…
Hè? wàt zei Oom? nog meer bier? zij?.… „Nee dank u”.… D’er was nog wat in d’er glas, maar ’es leeg drinke.… Jakkes, ze vond dit bier bitter en drabbig, zoo slijmerig, net of et glas niet schoon was geweest.… ’t was toch ook te koud voor bier, koud kreeg ze ’t hier, in de hooge, open veranda, met die tocht telkens. O, dat mal wille doen van Gerrit; nou zat ie weer, de eenige op de veranda, mee te zinge met de jongens van binne.… Tante was een gesprek begonne met een juffrouw die zij niet kende, over boter en margarine: dat zij toch altoos boter verkoos.… jawel, zoo ie’s kei je gemakkelijk zegge tegen ’en juffrouw die niet weet wie je ben, vooral op ’en avond dat Oom groot doet:—want netuurlek wou Oom het bier betale, die meneer Bloem zat wel op te snij’e van de rondjes die-ie laa’st had verlore bij het biljart, bij wist-Geer-wat-voor gelegenheid, maar ondertusschen liet ie zich nou trakteere.…
—Eeeeh!.… Geer moest er van gapen.
—Eeeeh!.… Gerrit dee et er na.—Jij breng ’en mensch an ’t gape.…
—Zoo.
—Ferfeell je je hier?
—Och vervele.…
—Jan, hei! Jan! haur dan tuch!.… Geer wau graag de kermis up.
—’t Is hier toch ook kermis, zei meneer Bloem.
Natuurlijk, as je je laat trakteere, dacht Geertje, maar ze zei enkel, sip:
—Ja, je zie hier wat!
Tante brak ’t gesprek met de onbekende juffrouw af; met een wenk naar Oom z’en glas, gaf ze Geertje toe, dat ze nou toch is verder moste gaan. En ten leste ging men. [89]
Toen stond Geertje in Wonderland. Gerrit had gezeid, dat de kermis op een plein was: ze stond in een breeë straat vol menschen, met wonderpaleizen aan beije kanten.
Ware dàt nou kermistente!? Huize ware ’t, hooge huize; schilderije, zoo groot as ze nooit nog gezien had; buite op de mure, schilderije met leeuwe en mense, één met twee tijgers die ’en meisje anvalle; en wat ’en verlichting! ’en rand van lich’jes bove langs et heele gebouw en ’en prachtige zon in et midde, boven den intree; ’en veranda, met trappe naar straat aan beijes kante; op de veranda een groot orgel, en achter ’en tafeltje ’en juffrouw met ringe in d’er oore, zoo groot as armbande. Achter de juffrouw rooie gordijne.… Jee! en nou, wa’ ’n gekke vent! Joepte-n-ineens door et gordijn heen, stond nou maar naar de mense te buige, en zoo mal gekleed, ’t leek wel: já, z’en heele gezicht had-ie beschilderd!.… Heerejeetje! zag je dat! Sprong opeens de hoogte-n-in, draaide rond, zoo, in de lucht, kwam gewoon op z’en beene neer, en nou an et kushandjes geve. Wat ’en leuke vent was dàt!.… Kijk et loope, mense naar binne!.… O, an de juffrouw mos’ je betale.…
—Zou dat duur zijn? vroeg ze aan Gerrit.
—Och bai’j mal, da’r ha’j nau niks!
En met plompe ruwheid trok hij haar mee.
Hè, ze had zoo’n hekel an die jonge! Waarom daar nou nog niet us gekeke? Wáár ware.…!? O, Tante liep vlak achter d’er. Oom maar altoos mit meneer Bloem. Jakkes, dat gedrang van die jonges! Trapte’ telke’s op d’er rok.
Héérejee, wat was dàt nou weer. ’En vent me’ ’n trompet voor z’en mond sprak de mense toe. Maar zij kon d’er niks van verstaan. Ook weer zoo’n vent met ’en beschilderd gezicht, maar nou heelegaar in et zwart gekleed. Kijk toch us wat ’en zwavelstokjes van beene. Zes muzekante op de veranda.… En daar.… Wáre-n-et meisjes?
Geertje voelde zich wegzinken van verbazing. Dáár, vlak [90]vóór d’er, zag ze ’n meisje, en et kon d’er zuster zijn, zóó sprekend leek et meisje op d’er, ook d’er haarwrong had ze nèt as zij, alleen had het meisje ponnie en ’t haar bij ’et oor gekruld.
En het meisje had ’en bloote hals, bloote arme, en geen rokke.
Geertje voelde zich verlegen worden voor het meisje, dat zoo op haar leek. Ze dacht aan thuis, aan Groo’va, aan diens aanstoot aan de kermis dáár: draaimolen, koekkramen, speelgoedskraam! Ze herinnerde zich vrouw Huzekamp, hoe die met ’er kinders in de draaimolen ging, verleje jaar, en toen haar had toegeroepen:—Geertjen, moj’ d’er nou ook nie’s in? hoe Groo’va boos had opgekeken. Ze herinnerde zich, ze zag het alles, opeens, tegelijk, even d’oogen af van ’t meisje .… En toen keek ze weer naar ’t meisje, dat daar stil en zedig stond, zoo iets vriendelijks in de oogen, net zoo als zij ook graag keek.…
—Geer! die meid lijkt op jou!
In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots’ling heen door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom’s stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, en was haar nog onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak. ’t Was haar, of een geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Ze wist niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over die familie van d’er, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; weg wou ze van zulke liederlijkheid; en het wàs toch de familie.…
Toen hoorde ze Gerrit zeggen:
—Geer! haur je niet, wat aum sait! Haije-n-in sussie hier?
En toen kon ze, wist ze niet meer. Ze rukte zich los van [91]Gerrit z’en arm, wendende had ze een menschenmuur vóór zich, ze zag gezichten, die naar haar keken, oogen spotten, monden spraken, ze voelde een manshand die naar haar greep; máár nu had ze ook het gewone bewustzijn van als ze zich ergens door moest slaan: ze voelde zich een kalm gezicht zetten, ze hoorde zich tegen een ou’we juffrouw zeggen: „Och mag ’k asjeblief d’er eve’tjes door?” Toen nog door een rijtje menschen, en vrij, onbekeken was ze, in ’t gedrang. Mèt viel zwaar de vraag op haar, waar ze nu zou blijven.… Ze zou maar zien.… Naar huis, et Hang.… En hoe moest ze dan nou loope.… Wacht, ja, die kant, daar ware ze van daan gekomme.…
Weer drong ze voort, en juist zag ze de veranda van ’t café, waar ze straks gezeten had, toen een hand viel op haar schouder en Oom naast haar was.
Wat of dat nou voor manieren waren. Om haar waren ze naar de kermis gegaan. En nou liep ze zoo maar v’ort. Om niks! Om niks! Tante was er heel ontsteld van. Geer kon toch zóó raar soms doen.
Oom redeneerde, of ie nog niks gedronken had, zoo flink. „Prate kan-ie nog in z’en graf,” dacht Geertje. En je hadt ’em maar effe an te zien, om te weten, hoe laat het was.
Toch liet ze zich gewillig meevoeren. Ze vond nu zelf ook, dat ze mal had gedaan. Wat kon haar dat meisje schelen!
Toen ze bij de tent kwamen, stonden er nog veel meer menschen voor. En, even kreeg Geertje toch een schok, toen ze dit zag: het meisje zat daar, op die hooge schouwplaats, op de schouders van het andere meisje, en op haar schouders zat een jongetje, en.… o giet! Geertje greep Oom vast van de schrik; net toen zij hen zag, boog die lijn van menschen voorover.… ’t jongetje was van het meisje gevallen, ’t meisje van het andere meisje, maar hupp’lend wierpen alle drie kushandjes toe aan de menigte.
—Hoe is ’t go’s mogelik, hé? hoorde ze een juffrouw tegen d’er man zeggen, en zoo vroeg zij ook. [92]
Met geduldig dringen, zij dicht tegen Oom, die met iedereen malligheid maakte, doch eens bijna ruzie kreeg met een marinier; kwamen zij eindelijk bij Tante en Gerrit, die niet van de plaats geweken waren. Meneer Bloem was verdwenen.
Geertje had nog willen zeggen, dat ze niet meer met Gerrit wou loopen; maar Tante keek toch al weinig vriend’lijk; ze durfde niet. Ook Gerrit mopperde van: „jai ben un faine,” en nog zoo iets van: „o krai ’k weir ’en arm?” Maar hij trok met haar vooruit, Oom en Tante volgden. De muzikanten vóór de tent hadden geweld gemaakt, nu begon de dikke man door de lange trompet te praten, en Geertje verstond duidelijk, dat je voor drie stuivers binne kon. Juist verdwenen de meisjes door een gordijn, even voelde ze een dràng, om te vragen, of zij voor allen mocht betalen. Doch wat zou’en ze dan denke? nee, ze dorst het niet vragen—lijzig trok haar Gerrit voort.
Nu drentelden zij lange tijd tusschen de menigte en de tenten. Geertje vond de dingen nu niet zoo wonderlijk meer. Zij zag dat de huizen van planken ruw ineengezet waren. Toch bleef veel haar wel verbazen. Waar toch al dat licht vandaan kwam? Al dat gas, ze hield van gas, ze vond het prettig, thuis het gas aan te steken; Groo’va had er vroeger ’es uitgelegd wat gas was; telkens als nu in de huiskamer bij Meneer het licht met een plof ontbrandde, vond ze dit belangwekkend. Maar hoe kwamen al die enkele-weken’s-tenten aan zoo’n prachtige verlichting? Eén licht straalde koninklijk. Het overstraalde heel de weg. Geertje dacht aan de Ster van Bethlehem: zóó schitterde dat eene licht, hoog van een dak, uit de verte haar tegen. Ook genoot zij van de spiegels. Overal dat weerkaatste geflonker, die zilverige, diep-makende glansen: soms net selons, zóó ’an straat.
Gerrit hield haar staande in een leege hoek, bij een rare machine. Een vieze magere jongen, met z’en haar mal langs z’en ooren gestreken, net of ie ’en meisje was, sloeg zoo [93]hard as tie kon met een groote hamer op ’en ding in de laagte, en dan vloog d’er langs ’en paal ’en poppetje op.
—Da ’s no’ de kop van Jut, grinnikte Gerrit. Wi’j ook is?
En toen Geertje niet antwoordde:
—Wil ik et us doen?
De vieze jongen bood Gerrit de hamer al aan.
—Jai, zei Gerrit tegen Oom.
Maar Oom zei, dat Gerrit het doen moest, en nu tartte ook Geertje hem. Hij nam de hamer, en vertrok al van te voren zijn pafferig gezicht zóó raar, dat Geertje lachend naar Oom keek en Tante. Toen schoot z’en logge lijf plotseling tot een dreiging aan; zijn dofgrijze appels van oogen wilden uit de kassen vallen; zijn mond was een halve boog geworden, spannende tusschen de kwalzakken van wangen; in zijn zondagsche zwarte jas, met één knoop op de borst gesloten, plooiden hachelijke rimpels bij die onberekende stand der armen; het slipje van zijn das glipte achter uit de kraag; en meteen zakten de armen, ketste de hamer langs het ijzer van het blok, sprong de pop op.… lang zoo hoog niet as straks bij de vieze jonge, zag Geertje direct.
—Da’ ken beter, spotte Oom.
De vieze jongen had, toen de slag viel, niet eens naar de paal gekeken. Maar de hamer oprapend, die Gerrit had laten vallen, wou hij die aan deze geven.
—Doe jai ’t is, hijgde Gerrit tegen zijn zwager.
—Nee, ik dank!
—Nau, wet kle’s je dan! kwam nu Tante voor haar broer op.
Er waren menschen om hen heen komen staan.
—Asjeblief! drong de vieze jongen aan.
Maar Gerrit wou niet meer. Hij had moeite om z’en manchet, die uitgeschoten was van onder de mouw, over de zweeterige pols te krijgen. Toen de manchet naar binnen was gewerkt, opende hij zijn jas, omdat zijn zuster hem attent gemaakt had op het slipje van zijn dasje; en nu bleek [94]z’en horloge buiten het vest aan de ketting te bungelen, en zonder glas.
—Daar! riep Geertje dadelijk.
Het glas lag vóór hem op de grond.
—Waar? kribbigde Gerrit, nijdig van zenuwen, en trapte meteen het glas stuk.
—Nog twee keer, kwam de jongen met de hamer.
Oom fluisterde Gerrit wat in, deze raakte erger ontsteld; toen betaalde Oom de vieze jongen; en een andere jongen kwam; ’en malle sladood met bloote armen, heelemaal in nauwsluitend, vuilwit pakje, met een breeë rooie gordel; die nam de hamer, en nu viel er een slag: ’t poppetje vlóóg de hoogte in, daar dee et kets! een percussie ging af.… Geertje keek er met belangstelling naar: dat zoo’n pierlala nog zóó hard slaan kon. Toen ze zich omkeerde, stond ze in een dichte kring van menschen en waren Oom en Tante en Gerrit daar al door heen. Haastig drong ze zich dus voort. Oom en Gerrit hadden twist. Gerrit vond dat Oom de jongen niet had hoeven te betalen, omdat deze een stuiver vroeg en Gerrit toch maar eens had geslagen. Oom hield vol, dat het tegenwoordig overal een stuiver de drie keer was.
—Nai, ’en sent de keer.
—Vroeger ja, ma’r nou nie’ meer. De draaimolens ben ommers ook opgeslage.…
—Wa’s dat voor spul! riep Geertje verbaasd.
Vóór de groote tent, op de veranda of hoe dat heette, zag ze een groote kist van glas, waar ’en vrouw in lag: ze wist niet, ’t moest ’en pop zijn, ’t leek ’en lijk, maar ze zàg: de vrouw bewoog, d’er borst ging op en neer.… Andre kisten zag ze nog.…
—Da’s ’en wassebeeldespul, zei Oom onverschillig.
—Hè, la’ we dat es gaan zien! Wat kost et? Ik zal betale!.…
Oom en Tante schenen er geen lust in te hebben. Tante vond ’et geldvermorse en dat Geer niet mòch’ betale. Oom [95]lachte raar en zei, dat-ie niet wist of Groo’va ’t goed zou vinden, dat Geertje zukke dinge zag. Maar toen zei Gerrit, die d’er wel graag in wou, iets tegen Oom dat Geertje niet verstond. En men ging het trapje op. Geertje duwde Oom haar beursje in de hand. Oom zei nog:—Nee, da’ wi’k niet, maar betaalde uit het beursje.
Toen Geertje vóór een glazen kist stond, maakte ze zich los van Gerrit, die met zijn hand haar bovenarm omklemde.—Vóór haar sliep een heel mooi meisje, ’t lag op hemelsblauw satijn; ’t hoofd, door dik blond haar omlijst, rustte tegen de recht naar boven gestoken, bloote rechterbovenarm; mat lag de benedenarm met de hand boven langs het hoofd neer. Ook de borst was bloot—en je zag de ademhaling—zacht geregeld rees en daalde de rosebleeke meisjesborst.… Toen Geertje plotseling ook de oogen làngzaam hàlf zag opengaan en làngzaam weer dicht, schrikte ze. Ze voelde ’er eigen ademhaling, keek weer naar de borst van ’t meisje, wilde wachten tot de oogen nog-eens zouden opengaan. Om haar drongen telkens menschen, hè, ze had hier graag gestaan, terwijl het stil was—zij alleen.…
—„De Schoone Slaapster”, hoorde ze een juffrouw naast zich lezen.
O! was dat.… Ze zàg het bosch.… In dat mooie groote boek, dat ze hadden op Groeneveld.… Schoone Slaapster, die gewekt moet.…
—Sjeg, di ’s mooi! hoorde ze Gerrit.
Hè, wat was ze nog graag blijven staan. Gerrit trok ’er aan ’er mouw.…
—La’ toch los!
—No’, kaik no’ us.…
Hè ja, dat was óók erg mooi. Een vreeselijk rijk gekleede dame, donker, in wit-goud kestuum, met ’en adder an d’er borst.
—Cleopatra, lichtte Oom in.
—Hoe hait ze die sllang mak gekreige? vroeg Tante. [96]
—Nai, ze laat d’er door um baite, zei Gerrit.
—’En Grieksche prinses, wist Oom.
—’En Egyptische! verbeterde Gerrit.
Geertje vond de Schoone Slaapster toch nog mooier. Geen van de beelden ontroerde haar zoo. Telkens keek ze weer naar het midden van de zaal, waar de Schoone Slaapster lag—aldoor drongen er de menschen—zij verlangde ernaar terug, terwijl Gerrit haar voorttrok, de wanden langs. En toen zag ze nare dingen. Eerst al, vreemd, ’en stuk van ’en onderlijf, en knieën, en voeten, en allerlei handen. Toen ’en vrouweborst die zwoor, en ’en hals met niks as wonde, toen gezichte, griezelig—toen.… echchut, ze wist eerst niet.… kindjes, héél klein, kindjes in flesschen.… Hè, ze wier zoo zenuwachtig.… Tante scheen ’t nie’ naar te vinde, anders zou ze niet zóó lang staan.…
—Ben die ook van was? vroeg ze onwillekeurig aan Gerrit.
Hàhá! dat vond Gerrit lollig.
—Dachie dat ut laikies ware!… Seg, Jan!
En Oom moest et ook nog hoore. Hè, zoo’n nare jonge.… ’t Kòn toch zijn.… ’t Was griezelig!
Nu waren ze bij een gordijn, waar een man van ’t spel bij stond. Geertje zag Oom en Gerrit smoezen, Tante knikte boos van nee’.…
—Nou! dat hemme gehad, zei Oom en keerde zich naar de uitgang.
—Effe nog daar zien, vleide Geertje naar de Schoone Slaapster.
Gerrit volgde. Ze was liever alleen gegaan. Even nog.… De menschen drongen.… Dan maar weg.
Toen Oom en Tante hen zagen terugkomen, verlieten ze de tent. Bij ’t gordijn van de uitgang hield Gerrit haar tegen. Wijzende naar het gordijn waar de man bij stond:
—As me no’ alleinig ware, je Tante wau nau nie’, dan ginge me d’ar is in. [97]
En toen Geertje door wou loopen:
—Aj dat siet!.… dan glauf je nie meer da’ de kindertjes uijt de kaul komme.
Driftig greep Geertje ’t gordijn van de uitgang, en de ruimte, ’t buitene voelend, schaamde ze zich voor de menschen beneden, die de tent niet binnen gingen, haar er zagen uitkomen. Toen dacht ze weer aan de Schoone Slaapster. Vond de avond frisch geworden. En zag met verbazing, weerzin, Tante lachen om drie sletten, die gemeen gillend voorbij slierden, zonder jongens. Véél gemeenheid vond ze nu. Jongens: bengels, vijftien jaar, stoeiend met heel-jonge meisjes, die ze gemeen beetpakten. Ruw geschreeuw. Veel dronken menschen. En maar weinig vroolijkheid. Dacht toen aan dat beestenspel, hè ja, dàt had ze graag gezien.…
Gerrit wou nu naar „Ksefleere”. Oom begreep hem, Tante ook. Geertje „zou wel zien wat et was.”
—Uch da’s ’en draimaule, lichtte Tante in.
Hè, nee’, dan wou Geertje niet. Ging Tante d’er in? Zie je: was ’t om háár? Nou maar, zij wou d’er niet in. Bijna had ze gezeid, dat Groo’va et niet goed vond.… Nou ja, wat Oom nou vertelde van ’en nieuwerwetsche, maar ze wóu niet in zoo’n ding met Gerrit.…
—Dan gaan we Kretjenni haure!
—Liedjes! verduidelijkte Oom voor Geertje.
Hè ja, dat vond zij prettig. Maar toen ze vóór de tent waren, waar Gerrit graag had heengewild, begon die weer.
—Jo’, et ìs Ksefleer geen eins, troostte zijn zuster hem.
Meteen scheidde een troep hossers Geertje en Gerrit van Tante en Oom.
Ruw haar om het middel pakkend, smeekte Gerrit heesch:
—Gga no’ mai, seg Geer! Jesis maid, et is zoo lollig. Je draait-er, da’j dronke wor.… Toe, ga mai! Samen op ’en kannepee, jai be main op schaut!
Toen Geertje, nu tusschen Oom en Tante, zich toch had [98]laten bedillen om wel mee naar Chrétienni te gaan, wist ze eerst niet wat er gebeurde. Had ze daarnet ruzie gehad? Ja, met Gerrit, ba, die jongen! Was het koud? Ze had het koud, zat toch binnen, in een tent, maar hier, achter, was-tie ope, kwam de tocht, en ook weer regen.… Hè, ze rilde of ze ziek was.… Toch was ’t hier wel prettig zitte, ’t was opeens zoo kalm, ná buite, al die akelige herrie, en toe’ dat gedoe met Gerrit. Hè, je rustte-n-us wat uit, al dat lamme dringe buite, en dan die gemeene jonges.… Hier was ’t netjes. Maar wel koud. Jammer dat ze niet vroeger gekomme ware. Nou zatte ze zoo achteran. Wat hadde ze de heele avond gedaan? O ja, de Schoone Slaapster.… Ware ze maar naar die tent gegaan, met dat meisje.… Leek dat meisje heusch zoo op d’er? Gut, as zij zoo us most loope, in zóó’n kleeding, dat de mense d’er zoo zagge.… Nou, en hier dìe juffrouw dan, wat ’en kleeding om voor ’en heele zaal mit mense te staan zinge. Haast zoo bloot as de Schoone Slaapster!.… Stel je voor, dat dàt ’en meisje was, us geen pop.… Hoe zou’e ze dat zoo hebbe kunne make? Zou dat zoo gepertreteerd zijn? Dat ’en meisje zoo zou legge.… Nou maar kijk die juffrouw dáár dan, zoo te springe en te buige.… Zou dat een geméén-mensch zijn? Anders ko’ je zoo toch niet doen.… Och maar al dat kermisvolk.… Groo’va had toch wel gelijk dan.… O maar kijk nou, die meheer! In de rok! Zong van de Boere.… Dàt was nou toch heel fe’soenlijk. O, dàt zou Kris.… hoe hiette-n-ie, waar Oom van sprak.…
—Tante, is dat nou die man?
Jakkes, wat was dat nou weer! Tante nijdig tegen Oom. O jé, Oom wou wéér bestelle.…
—Tante!
—Wat kind?
—Is dat nou.… hoe heet-ie.… Kris.…
—Kris de slager, grappigde Gerrit.
—Kris?
—Och ja waar Oom van sprak.… [99]
—Kretjenni.… nee, die is hier niet.
—Oom he ’t weer verkeird gezoch.…
—Nou, is ’t hier dan ook niet goed?
Tiepies toch, zullie op de kermis. Alles verkeerd! En Tante boos, omdat Oom wéér bier besteld had. Heere, wa’ ’n gezellige pan! Hè, dìe mense dáár was gezellig. Tien.… twaalf.… vijftien mense bij mekaar. Dìe twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van ’et meisje. ’t Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue’.… Knappe jonge, d’er gelant, flink.… gut, op wìe leek nou die jonge? Zoo ie’s bekends had ie in z’en gezicht.… Toch niet thuisbrenge.… Kijk ze nou.… Hè, zoo was et heerlek same.… Aardig mensch, die moeder ook.… Dat, de vader, ja netuurluk.… Ook fe’soenlek.… Kijk Oom daar us bij.… Gut, op wie leek nou die jonge.… Hè, hoor Oom en Tante nou.… Kibb’le om ’en glaasje bier.… Maar Oom dronk te veel, ja zeker.… Wat zat Gerrit mal te kijke.… O, hij keek naar de zangeres.… ’En gemééne jonge was et.… Kijk ’um klappe!.… Kijk dat mensch nou kushandjes geve.… Vreeselik, zoo’n leve toch.… Jakkes, nou ginge die mense al weg.… Wat keek die jonge verliefd z’en meisje an.… Knàppe jonge.… Op wie leek-ie?… Leegte, nou die mense weg.… Zou ’t al laat zijn.… O, vervélend, héél d’en avend… Hè! zoo-as dat meisje uitgaan.… netjes, met moeder, en je gelant.… Ochut, et was hier koud, en dat akelige bier.…
Geertje voelde zich als-ziek. Soms net of ze spugen moest. Die drie malle mannen.—Och jawel, zij vond die ook wel aardig.—„Ja!… ja!…” Ze lachte méé. Maar o, lam voelde ze zich.… Huilen wou ze.… Het was zóó naar, de heele boel. Hè! as ’t prettig was geweest, zooas bij die mense straks—zij as dat meisje.…
Eerst toen de tent haast heel’gaar leeg was, gingen zij. Gerrit sprak van broedertjes eten, Oom van zuurtjes. Tante snibbigde tegen „al dat geld uitgeven”. Geertje liep er ongelukkig [100]bij. De kermis had nu groote gaten van leegte en donkerte. Al de spullen waren uit. Ook de tent waar ze de meisjes-in-jongens-kleeren had gezien, stond stomdonker. Geertje keek rond, of het meisje er misschien net uitkwam—ze had ’er graag us gewoon gezien, om te kijken òf ze leek.
Toen kwam er een lang gekibbel tusschen Oom en Tante. Oom wou wéér bij Bierman in.… [101]
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.