Kitabı oku: «De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis»
Johan Winkler
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066314521
Inhoudsopgave
Voorbericht.
Inleiding.
Indeeling.
I.
Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen.
Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande.
B. De patronymika, die nieue taalformen vertoonen.
II.
Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong.
A. Geslachtsnamen van volkenkundigen aard, en die aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend zijn.
B. Geslachtsnamen, ontleend aan algemeene aardrijkskundige namen.
III.
Geslachtsnamen van allerlei oorsprong.
A. Geslachtsnamen aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend.
B. Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.
C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.
D. Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.
E. Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.
F. Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.
G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.
H. Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.
I. Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.
J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.
K. Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.
L. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen, kerkheiligen, godsdiensten, enz.
M. Geslachtsnamen ontleend aan de namen van denkbeelden zaken, eigenschappen, enz.
N. Zonderlinge geslachtsnamen.
O. Imperativische geslachtsnamen.
IV.
Geslachtsnamen volgens hunne aardrijkskundige verdeeling.
A. De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.
B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.
C. Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken vertoonen.
D. Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche grenzen inheemsch.
E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten.
F. Vreemde geslachtsnamen in de Nederlanden.
G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen.
H. Tot besluit.
Volledige titels der werken die in dit boek aangehaald worden.
Register
Der geslachtsnamen die in dit werk vermeld worden.
Uitgestorvene geslachtsnamen
Hoogduitsche geslachtsnamen
Engelsche geslachtsnamen
Fransche geslachtsnamen
Drukfeilen.
Voorbericht.
Inhoudsopgave
In dit boekwerk bied ik mynen land- en volksgenooten de vrucht aan van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschiedkundig gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de beteekenis der hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen.
Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden, als waar mede het geschreven is! Maar dit is naueliks te denken. Immers byzonder veel genoegen verschafte my het opstellen van dit namenboek. Allerlei verrassende, ten deele ook belangryke uitkomsten verkreeg ik, vooral op taalkundig gebied, by myne navorschingen in deze zake. En dies leverde my mijn arbeid zoo veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat ik in 1873 schreef by ’t voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch en friesch Dialecticon. Te weten deze woorden: »de arbeid, aan mijn boek besteed, was my zoo aangenaam »(en leerrijk)”, dat, waneer door een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond na dat ik de laatste letter er van op het papier zette, was vernietigd of verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn werk beloond zoude gerekend hebben, door het genot dat ik er door gesmaakt had.”
De Nederlanders in ’t algemeen hebben tot nog toe, in wetenschappeliken zin, weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen geschonken. Immers meen ik dit te mogen afleiden uit de omstandigheid dat zy er zoo weinig over geschreven hebben. Alles wat er tot nog toe hier te lande over dit onderwerp in het licht kwam, bestaat uit eenige weinige, veelal kleine en min belangryke opstellen, verspreid in verschillende tijdschriften van deze eeu. Het belangrijkste daar van, wat de nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen aangaat, is zekerlik de »Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen”, van Mr. L. Ph. C. van den Bergh. Ook mag ik, met de noodige bescheidenheid, daartoe tellen de opstellen over de friesche geslachtsnamen die, voor en na, van myne eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De vrije Fries en De Navorscher.
Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- en geschiedkundig onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als men in aanmerking neemt aan den eenen kant de zeer byzondere en eigenaardige belangrijkheid der nederlandsche maagschapsnamen in taal- en geschiedkundig opzicht, en aan de andere zyde waarneemt dat onze hoogduitsche stamverwanten reeds zoo veel belangrijks en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen in verschillende, meestendeels wetenschappelike werken, aan het licht gebracht hebben.
Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon voelde ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onderwerp myne onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat ik toen zoo bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig-nederlandsch onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven vond, noopte my tot jaren lang voortgezet verzamelen van boustoffen en gegevens, eer ik daar aan denken kon, mijn onderwerp nader uit te werken. In der daad, gedurende verscheidene jaren heb ik een goed deel myner anders ledige uren besteed aan het samenbrengen en ordenen van alles wat ik noodig had tot het schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite en veel arbeid, mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door geworden en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds meermalen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking my te verheugen en te roemen, voor dit geslachtsnamenboek stond ik aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het werk is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Opsettelik heb ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis genomen van het gene door onze hoogduitsche stamverwanten geschreven is over hunne geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo nau aan de onzen verwant zijn. Zelfs het werk van Pott,1 dat zeker te recht by onze oostelike buren als een standaard-werk over dit onderwerp beschoud wordt, en heb ik met opset nooit geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien.2 Men moge meenen dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden en zuiver nederlandsch, overdreven is en slechts tot schade voor de volledigheid van dezen arbeid kon gedyen! Wel! ik heb nu toch de voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen landsgenooten, mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. En hier in verblijd ik my.
Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit het Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel als uit Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Limburg zoo wel als uit Zeeland en Gelderland de namen by elkanderen gebracht. En ik heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. Maar omdat ik mijn leven lang nooit ergens elders gewoond heb als in Friesland en Holland, zoo zijn my natuurlik de friesche en hollandsche namen bekender en eigener als die uit andere gewesten. Intusschen, het ontbreekt my in geen der andere oorden, in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland, aan vrienden en bekenden die my geerne de behulpsame hand boden, door my adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten, enz. uit hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild floeiende bronnen ter verzameling van byzondere namen.
Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den opmerksamen lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschreven is, eeniger mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling van de hedendaagsche hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan ook geen Hollander. Een Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed Nederlander. Waarom zoude ik dan my zelven dwingen om myne gedachten, gelijk zy in friesche bewoordingen, en vooral in friesche formen, in mijn friesch brein ontstaan, kunstmatig om te zetten in schoolsch-hollandsche woorden en formen? Zoo doende zoude ik zelve mijn eigen werk bederven, mijn stijl gekunsteld, stijf, gewrongen, onnatuurlik, leelik maken. En zoo dwaas ben ik niet. Ook in deze zake geldt my »Vryheid, blyheid.” En al is dan myne taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch schoolmeesters-hollandsch,—goed-nederlandsch, zuiver dietsch is zy zeker. Zy is louter. Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon, dat ik herhaalde malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met het anders al te vaak voorkomende woord vadersnaam), is alles zuiver nederlandsch. En dat kan men van de meeste werken der hedendaagsche Hollanders niet getuigen. Ach neen!
Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen waar mede hollandsche geleerden, zeer verdienstelike en hoog geleerde mannen, maar wier opvatting van taal niet de myne is, ons aller algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters klinken. Toch is myne kettery niet al te bar, zoud’ ik meenen. De man, die onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen oorsprong, moet my gelijk geven als ik b. v. aleen (al en een), waneer (wan en eer), Engelland (het land der Engelen of Angelen), enz. schryve, in stede van alleen (al en leen?), wanneer (wan en neer?), Engeland (’t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik in Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou en de woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in schoolschen waan bevangen, aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel voorbeeld te noemen: in het gebruik van het woordje dan, in plaats van als, na den vergelykenden trap der byvoegelike naamwoorden. Waar de doode regel van den schoolmeester in strijd is met den regel dien de levende spreektaal volgt, daar geldt voor my slechts de laatste. Hier en daar, waar het pas gaf en het my zoo vryelik behaagde, heb ik ook gebruik gemaakt van ’t oude loochenwoordeken en, dat wel door onze hedendaagsche taaldwingelanden verworpen is, maar dat in den volksmond, vooral in onze zuidelike gewesten, en ook hier en daar in Holland, nog leeft, en dat door de beste vlaamsche schryvers nog wel gebezigd wordt, terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal verleent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden, waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan, en juist zoo als op dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt of uit de pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my, naar eigen welbehagen, en in spijt van wien er zich aan moge ergeren.
Dat ik eene, zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet verwachten. Menig man zal, om menige redenen, in arren moede dit geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak dat vele lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk van hunne namen. O! bewijs dien ryken en verwaanden opkomeling niet dat zijn geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen oorsprong is! Toon dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn maagschapsnaam, die nu in spelling een weinig anders is als de gelijkluidende naam van zynen burgerliken buurman, met dien naam oorspronkelik geheel en al eenzelvig is. Immers en zal hy u geen dank wyten. Maar zoo hy u al niet met hoon en smaad overlaadt, zal hy, in het beste geval, uit der hoogte en met voorname minachting op uw werk en misschien op u-zelven nederzien. En dan nog, hoe vele lieden—ja immers een zeer groot gedeelte der menschen, is aangaande zynen geslachtsnaam wat oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen bevangen! Vooroordeelen, die in den regel reeds als erfdeel hunner voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om verre te werpen, zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden niet van hunnen ydelen waan! Gy en zoudt daar geen eere mee behalen. En dank even min. O! ik heb dit herhaaldelik ondervonden.
Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de nederlandsche letterwereld in.
Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my, by de samenstelling er van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid heb ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namenboek (even als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude wezen voor den eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb ik getracht het niet geheel verwerpelik te doen zijn voor den geleerde, voor den taalkundige en den geschiedvorscher in d’ eerste plaats. Ook zal de man, die zich met de geschiedenis en het wezen der beschaving van ons volk inlaat, en die geerne d’ uitingen van ons volksleven gadeslaat, dit boek, zoo ik hope, niet zonder eenige voldoening ter zyde leggen.
Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn op het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen, eenvoudig, sliucht end riucht.
Moge men het, in dezen zin, welwillend aanveerden!
Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van
Haarlem,
Midzomer, 1885.
Johan Winkler
1 A. F. Pott, Die Personennamen, insbesondere die Familiennamen und ihre Entstehungsarten auch unter Berücksichtigung der Ortsnamen. Leipzig, 1853.
2 Zelfs de aanhaling van Pott’s werk in de noot op bl. 22 van dit boek, heb ik niet uit eigen aanschouing; zy is overgenomen uit Taylor’s Words and Places, bl. 125.
Inleiding.
Inhoudsopgave
§ 1. De eerste menschen, of liever zy, wier namen het eerst in onze geschiedboeken vermeld worden, hadden, ieder voor zich, maar éénen enkelen naam. By alle volken der oudheid, by Joden, Egyptenaars, Grieken, Romeinen, by allen, van welken stam ook, was dit oorspronkelik het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor eenen enkelen persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroeger de menschen leefden, wier namen ons bewaard gebleven zijn, hoe eenvoudiger hunne namen waren. Later kwamen ook samengestelde namen in gebruik, en nog later namen de menschen, de machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen aan. Van die twee namen was echter slechts één de eigenlike naam, die uitsluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam was gewoonlik een patronymikon of vadersnaam, soms ook oorspronkelik een by- of toenaam van den man zelven of ook wel van zynen vader; in het laatste geval gold die naam dan voor al de kinderen van eenen en den zelfden vader. Deze tweede namen werden in verloop van tijd ook wel erfelik; zy gingen niet alleen van den vader op den zoon, maar ook wel op de kleinzonen over, en op de volgende nakomelingschap. Dit was de oorsprong van de geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene en de zelfde maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen, volkomen in den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd aan dat woord hechten, hadden de ouden niet. Deze zaak was by hen niet, of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen en afleggen van namen, vooral van by- en toenamen, die de plaats vervulden der hedendaagsche geslachtsnamen, gingen de oude volken zeer willekeurig te werk. En onze eigene voorouders vóór 1811, toen de wetgeving op den burgerliken stand, en daar mede op de geslachtsnamen, geregeld werd, deden niet anders.
Juist zóó als by de volken der oudheid, is ook de geschiedenis der persoonsnamen, en der daaruit ontstane geslachtsnamen by onze eigene voorouders, by de Germanen in ’t algemeen. De oudsten onzer voorouders, ’t zy ze van frieschen of van saksischen stam waren, ’t zy ze deel uitmaakten van de talryke kleine stammen—Batauers, Kaninefaten, Maresaten, Sicambriers, Taxandriers, Morinen, Menapiers, waar van er velen later zich onder den naam van Franken vereenigden—zy allen droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te eenvoudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo, Edo, Fritho, Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren, by honderden in getale, by de verschillende volken van germaanschen bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden in gebruik gebleven; by de Friesen vooral is dit met betrekkelik velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, by toenemende volkrijkheid, waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den zelfden stam, soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus verre elk op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen Gero en Hart b.v. maakte men Gerhart (Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en Win formde men Athalwin (Alewijn), en Thiudo (Tiede) en Rik voegde men samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige of andere wetten gebonden, behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstammen Gang en Olf of Wolf zoo wel Gangolf maken als Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hartger; beide formen komen voor. Men had dus tamelik vry spel, en vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen by honderden telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon men honderd-duizenden van nieue namen formen. By duizenden zijn deze samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden; by honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch.
Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. Integendeel! zy hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren het allen eenvoudige woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De namen werden toen nog door het volk verstaan; het waren zinryke namen, en als zoodanig verstond men ze. En wijl alle Germanen oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal gesproken hadden—hoe wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en woordenschat by de verschillende stammen—zoo verstonden ook allen deze namen, en gingen die namen, zonder bezwaar, van den eenen volksstam tot den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer deze, by het andere meer gene namen in gebruik, en kon men dus daar uit, met eenige zekerheid, afleiden, tot welk volk, tot welken stam, tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. Maar overigens hadden de namen weinig kenmerken waar uit men weten kon, van welk volk of welke maagschap de dragers dier namen deel uitmaakten. Er waren geene algemeene namen, aan al de leden van een enkel geslacht eigen, en waaraan men elkanderen kennen en herkennen kon. In deze leemte, welke zich, by de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds drukker wordende verkeer der menschen onderling, hoe langer hoe meer deed gevoelen—in deze leemte werd voorzien door den kinderen samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of moeder, zoo deze namen enkelvoudige naamstammen waren, of ook deelen van de namen der ouders, zoo dezen reeds samengestelde namen voerden, in voorkwamen. Heette de vader b. v. Bruno en de moeder Hildigunda, dan kregen de zonen dezer echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun, Brunolf, de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gundtruda. Deze samengestelde namen waar de namen of naamstammen van vader en moeder in voorkwamen, waren eene eerste, zwakke poging om algemeene namen te formen, die aan alle leden van een gezin iets eigens gaven, waar door zy zich van anderen onderscheidden, en als kinderen van één paar ouders, of als afstammelingen van eenen enkelen stamvader, aan anderen kenbaar waren. Later bereikte men hierin beter doel, door ware patronymika te formen; te weten, door den uitgang ing, op zich zelven een oude naamstam, te voegen achter den naam van den vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athalbercht heette, den naam droeg van Athal, dan noemde deze jongeling zich Athalbercht Athaling, dat is Athalbercht zoon van Athal, ter onderscheiding van anderen die ook wel Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal waren. (Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal Albert Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen in gebruik gekomen waren, was er eenen grooten stap voorwaarts gedaan, ter verkryging van geslachtsnamen. Immers niet aleen Athalbercht voegde dat patronymikon Athaling achter zynen eigenen naam, maar ook zyne broeders Athalgar (Alger), Athalwin (Alewijn) en Athalhart (Allart) deden eveneens, wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen waren. En zoo hadden zy, alle vier gebroeders, in dien gemeenschappeliken vadersnaam eenen band die hen verbond, en waren ze ook aan geheel vreemden, als broeders, als zonen van éénen zelfden vader kenbaar. Deze patronymika, als oorsprong van duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts- en plaatsnamen, zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger behandeld en verklaard.
Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, waren deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle gebruik, en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu kwamen er ook andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding van personen. Dit waren soms bynamen, afgeleid van de eene of andere persoonlike eigenschap van de dragers dier namen, of ontleend aan plaatsnamen, of aan andere byzondere zaken. En het bleek soms, dat deze namen zoo vast verbonden waren aan de personen die ze droegen, dat zy ook op de zoons van die personen overgingen, en later op de kleinzoons; met andere woorden dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze om vadersnamen of patronymika te formen, in zwang; eene andere wyze dan de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing achter den vaders naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uitsluitend in dien form, was het woordje ing in onze taal als ’t ware versleten geraakt. Het had by het volk zyne beteekenis verloren; men verstond het niet meer. De namen die op ing uitgingen, en die er nu eenmaal waren, bleven wel voor en na in gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een jongeling die Wolther heette, en zijn vader droeg den naam van Bruno, dan noemde hy zich nu niet meer, naar oude zede, Wolther Bruning, maar Wolther Bruyns soen, Wouter, de zoon van Bruin,—wat overigens geheel op ’t zelfde uitkomt.
§ 2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne vaste, vaak afgezonderd liggende woonsteden te verlaten, en door andere gouen te trekken, door verre landen te zwerven. Zy kwamen, zoodoende, veelvuldig met andere, tot dus verre hen geheel onbekende menschen in aanraking en verkeer. Zy kregen hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by- of toenamen, ter onderscheiding van de gelijknamige personen, die zy in andere plaatsen gezeten vonden, en die dikwijls in hun gezelschap naar het Heilige-land trokken. Immers vroeger, op de eenzame hoeve, mocht één enkele naam, Hugbrecht b. v., voldoende geweest zijn voor éénen enkelen man,—vroeger, in het kleine dorp waar maar twee mannen waren die Hugbrecht heetten, mocht het voldoende geweest zijn, zoo men dien eenen man Hugbrecht Woltering noemde, naar zynen vader Wolter, en den anderen man Hugbrecht Bernding, naar zynen vader Bernd (Bernhart)—thans, onder die duizenden kruisvaarders, onder dat groote getal tochtgenooten, waar mede zy gezamentlik naar ’t Heilige-land trokken, waren er zoo velen die Hubrecht heetten! Maar er waren slechts weinigen, soms was er ook niemand by de schare, die wist dat de vader van den eenen Hubert den naam had gedragen van Walther, die van den anderen den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een Woltrink, de andere een Bernharding was. De noodzakelikheid drong dus spoedig om die verschillende Hugberts van elkanderen te onderscheiden. En daarop wist het redzame volk wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had, noemde men Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met de scherpte van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem weldra, eerst spottender wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. De vierde eindelik had zich in zyne woonplaats Keulen by ’t heir der kruisvaarders gevoegd; dies noemde men hem Hubert de Ceulenaere. En die bynamen bleven in gebruik zoo lang de kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de personen hechten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren terug gekeerd, en gingen ook later wel op hunne kinderen over.
Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike bloei der steden, met het ontstaan van den derden stand, die der vrye poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het ontstaan van by- en toenamen, eerlang ook van vaste geslachtsnamen. In die steden vestigden zich velen van het platte land, die tot dus verre slechts eenen enkelen naam, hoogsten nog een patronymikon daarenboven gevoerd hadden. Vreemdelingen, van heinde en verre soms samengevloeid, of door het grillige noodlot her- en derwaarts verdreven, woonden eerlang als burgers naast elkanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar kende men elkanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel minder elkanders maagschap, dus evenmin elkanders vadersnamen. Zoo was men genoodzaakt elkanderen nieue toenamen te geven, ter onderscheiding van gelijknamige personen. De poorters der steden oefenden veelal het eene of andere handwerk uit, of dreven de eene of andere koopmanschap. Niets lei dus nader voor de hand, om twee mannen die beiden Godefert heetten, maar waar van de eene kleêrmaker was en de andere in kruideryen handelde, te onderscheiden als Godfried de Crudenier en Govaert Snider, Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate snider, sceppere of schreuder—in Friesland nog heden ten dagen skroar—de gewone benaming was voor kleêrmaker, in de gouspraak der landstreek waarin de stad gelegen was. Ook noemde men den lieden wel naar hun handwerkstuich, of naar hunne koopwaar. Den Govert die kleêrmaker was, noemde men dus ook wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier was, wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene Govert echter duidelik merken, door zynen tongval, dat hy een Fries was, spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert de Friese genoemd; en vertelde de andere dikwijls van Gent of van Groningen, als deze of gene plaats zyne geboorteplaats was, aanstonds had de volksmond hem Govaert van Ghent of Godefried van Groeninghe gedoopt. Breidde de stad zich uit, nam het getal harer huizen voortdurend toe, dan moesten ook die huizen een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen, ter onderscheiding. Gevelsteenen en gevelteekens, en uithangborden, met afbeeldingen, spreuken en namen, voorzagen in die behoefte. En de namen der huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die huizen woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar »Daniel in den Leeuwenkuil” in den gevel stond—Govert in den Leeuwenkuil—eerlang ook enkel Govert Leeuwenkuil—zoo noemde hem de openbare volksstem; terwijl de andere Govert, aan wiens huis geschreven stond: »dit es yn den Wulff”, dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf.
Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachtsnamen geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men in dit boek zoeken en vinden—soort by soort.
§ 3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, waren in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit in beschaving, in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel en nyverheid; ook in talrijkheid van welvarende steden. Daar deed zich dus de behoefte aan by- en toenamen, eerlang ook aan vaste geslachtsnamen veel eerder gelden, veel dringender gevoelen dan in de veel minder bevolkte en toen nog zoo afgelegene noordelike gouen, waar ook handel, nyverheid en verkeer veel minder tierden. Van daar dat in de middeleeuen de geslachtsnamen veel eerder en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen dan in Holland, in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die tyden bewaard gebleven, blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden in die dagen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen, althans zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike lieden waren, maar eenvoudige burgers en boeren, slechts eenen enkelen naam droegen, hunnen doopnaam; soms ter onderscheiding daarenboven nog eenen persoonliken, niet algemeen voor hunne verwanten geldigen by- of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden, dan kwam daar een eenvoudig patronymikon voor in de plaats; b. v. Heinrik Allaertssoen. De burgers van Brugge en Gent hadden in de 14de en 15de eeu reeds voor verre weg het grootste gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden er, over ’t algemeen, nog geen in de eerste helft der zestiende eeu, en zeer velen, de kleine en geringe lieden, hadden er nog geen in de 17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders, wat het voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen de geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja, in vele afgelegene gewesten en gouen, vooral in Friesland, Groningerland en Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een geslachtsnaam hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de instelling en wettelike regeling van den zoogenoemden burgerliken stand, niet genoodzaakt, ja gedwongen geworden, vaste geslachtsnamen aan te nemen, menigeen in onze noordelikste en noordoostelikste gewesten zoude nog heden geenen anderen naam voeren, dan zynen eigenen vóórnaam, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, als een patronymikon, daar achter gevoegd.
Indeeling.
Inhoudsopgave
Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten:
I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan mansvóórnamen. Het zijn de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van § 4 tot § 66.
II. De maagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met andere woorden: die ontleend zijn aan de namen van volken en volksstammen, landen en gewesten, eilanden en gouen, steden en dorpen, rivieren, enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden welke als plaatsnamen dienst doen. Van § 66 tot § 108.
III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot de beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het zijn de namen van allerlei oorsprong. Van § 108 tot § 151.
IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud uit het oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne verhouding tegen over elkanderen, enz. Van § 151 tot en met § 168.
Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk weêr in verschillende onder-afdeelingen gesplitst, die met de letters van het a-b-c aangeduid zijn.
Hoofd-afdeeling I vervalt nader in
A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande. Van § 7 tot § 32.
B. Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van § 32 tot § 66.
Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-afdeelingen
A. Waarin de maagschapsnamen behandeld worden die van volkenkundigen aard zijn, of wel ontleend aan byzondere aardrijkskundige namen. Van § 66 tot § 94. En
B. Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt, van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong. Van § 94 tot § 108.
Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn de volgenden:
A. Geslachtsnamen, aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend. Van § 108 tot § 124.
B. Geslachtsnamen, ontleend aan persoonlike eigenschappen, zoowel lichamelike als geestelike. Van § 124 tot § 128.
C. Geslachtsnamen, van huisnamen, gevelteekens, uithangborden, enz. afgeleid. Van § 128 tot § 131.
D. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van dieren. Van § 131 tot § 135.
E. Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van § 135 tot § 137.
F. Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. § 137.
G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz. § 138.
H. Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend. § 139.
I. Geslachtsnamen, aan spyzen, dranken, en kleedingstukken ontleend. Van § 140 tot § 142.
J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen. § 142 en § 143.
K. Geslachtsnamen, ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen. § 144.
L. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen, kerkheiligen, godsdiensten, enz. § 145.
M. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van denkbeelden, zaken, eigenschappen, zoo goede als kwade. § 146.
N. Zonderlinge geslachtsnamen. Van § 147 tot § 150.
O. Imperativische geslachtsnamen. § 150.
Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder-afdeelingen:
A. De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. § 151.
B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten. Van § 152 tot § 156.
C. Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken vertoonen. § 156 en § 157.
D. Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche grenzen inheemsch. Van § 158 tot § 162.
E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten. § 162 en § 163.
F. Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van § 164 tot § 167.
G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen. § 167. Eindelik
H. Een paragraaf (§ 168) »Tot besluit”.
I.
Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen.
Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
Inhoudsopgave
§ 4. Zoodra zich by de menschen van ’t eene of andere land de behoefte had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by den eigenen naam, ter onderscheiding van gelijknamige personen, ontstonden die toenamen, welke afgeleid zijn van den naam des vaders van den betrokkenen persoon. Als er b. v. in eene en de zelfde plaats twee mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar waar van de eene een zoon was van zekeren Willem, de andere van zekeren Frederik, dan lag er wel niets naders voor de hand, dan dat men den eenen Hendrik, zoon van Willem of Willems-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik of Frederiks-zoon noemde.
Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen, ter onderlinge onderscheiding, toenamen te geven, afgeleid van de namen hunner vaders, is zeer algemeen onder de meeste volken der aarde verspreid geweest. Zy was dit reeds in vroege tyden; de geschiedenis weet daarvan talryke voorbeelden aan te wyzen, by Joden, Persen, Grieken, enz. De bekende namen van Gyges Dascili, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi, Xantippus Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. kunnen als voorbeelden dienen. Vooral by de Israëliten werd, duidelikheidshalve, en meest als de naam geschreven werd in geslachtsregisters, de vadersnaam, als toenaam, gevoegd achter den naam van iederen man. De bybelboeken geven daar van talryke voorbeelden aan; o. a. het eerste hoofdstuk van ’t boek Numeri. En de Romeinen, uit den tijd toen zy reeds aanmerkelik in beschaving en ontwikkeling waren vooruit gegaan, droegen niet aleen wel tweederlei soort van geslachtsnamen, maar zy voerden buitendien nog dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval daar by. Zoo is ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer anderen. En ook nog later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naamsforming by sommige volken in stand gebleven, vooral in het oosten. Joden en Arabieren aldaar noemen zich in dezer voege: Jehuda ben Halevi (Juda, zoon van Levi, of van den priester), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman ibn Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, enz. Grieken, Bulgaren, Bosniaken en andere christelike volken, die tot voor korten tijd nog onder turksche heerschappy stonden, of ten deele ook nog heden staan, hebben mede dit oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het dragen van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios Michaëlopoulos (Georg of Joris, zoon van Michiel), Dimitri Rafaëlovich (Demetrius, zoon van Rafaël), Spiridion Daniëlowitz, enz. zijn namen, met den vadersnaam als toenaam, van mannen uit die landen. Onder de Russen heerscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak der geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon is van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van Jan, of Paulus Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, wiens vader Paul heet, noemt zich, omgekeerd, Iwan Paulowitz. Maar wy kunnen ook by onze eigene germaansche stamverwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen ook in de skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet vast geregeld was, volgden Zweden, Noren, Denen en IJslanders eveneens dit gebruik, en zelfs heden is het nog veelvuldig by de Skandinaviers in zwang. Heet de vader Sven, de zoon Harald noemt zich Harald Svensen; draagt de vader van Axel den naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt Axel Thorbrandson geheeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson, den zweedschen, in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, en wel Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svensdotter (Sven’s dochter); toeval was het dat zyne beide grootvaders, naar luid der patronymika zyner ouders, Sven heetten. En zelfs onder de hedendaagsche Friesen in Nederland en Duitschland, ofschoon dan in ’t begin dezer eeu reeds het dragen van vaste geslachtsnamen onder hen aan eene vaste regeling werd onderworpen, is dit aloude en waardige gebruik, van gepasten kinderliken eerbied voor den vader getuigende, nog steeds in stand gebleven. Vooral ten platten lande in de friesche gewesten is dit het geval. Daar heeten de mannen nog steeds Frank Eabes, Sybren Hoites, Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje (of Wibrichje) Teakes, Baukje Tjaards, enz. Althans zóó, en nooit anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, Wybrechtje en Baukje in ’t dageliksche leven genoemd, naar de namen hunner vaders Eabe, Hoite en Sjoerd, Walle, Teake en Tjaard. En dit niettegenstaande deze lieden vaste geslachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren Ruurda, Auke Rommertsma, en als Sytske Abbinga, Wybrechtje Hoitema, Baukje Heidstra in de boeken van den burgerliken stand ingeschreven staan. Vraagt men den Friesen ten platten lande, hoe deze of gene man heet, gewoonlik zal men u den vóórnaam van dien man noemen, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil men weten hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen, dan moet men niet vragen: hoe heet hy? (ho hjit er?) maar: hoe schrijft hy zich? (ho skriuwt er him?) Dan zal men u antwoorden: Remmerda, Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook § 37.
En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Friesland, het gewest tusschen Fli en Lauers, heerscht nog deze zede; zy is eveneens nog inheemsch, zy het dan ook in eenigszins mindere mate, in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd-friesche bevolking hebben, vooral ook in Groningerland, Oost-Friesland en in ’t eigenlik gezegde Noord-Holland, benoorden ’t Y. In laatstgenoemd gewest, vooral ook aan de Zaan en in Drechterland en West-Friesland, is by eenige oud-ingezetene geslachten de oud-nederlandsche zede bewaard gebleven om zoo wel de zonen als de dochteren des huizes met het patronymikon in vollen form te noemen; b. v. Dirk Evertszoon Fok en Maartje Folkertsdochter Dijk; Albert Leendertszoon Vlak en Guurtje Wybrandsdochter Sloot.—En ook in andere nederlandsche gewesten wordt de geijkte geslachtsnaam in ’t dageliksche leven weinig of niet gebruikt, b. v. in sommige saksische gouen, als in de graafschap Zutfen en in Twente, waar de naam van huis of hoeve veelal by den bewoner of eigenaar daarvan in de plaats treedt van den eigenen geslachtsnaam. Zie § 9.
En juist zoo als de Friesen nog heden doen, zoo gingen ook de oude Nederlanders in ’t algemeen te werk, eer de vaste geslachtsnamen in gebruik waren gekomen. Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In ’t dageliksche leven, door ’t vele gebruiken, sleet dit woord zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen, Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den tweeden naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan.
Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche geslachtsnamen oorsprong gegeven.
§ 5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form om van mansvóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders, toenamen voor de kinders af te leiden, bestond hierin, dat men den lettergreep ing achter den oorspronkeliken mansnaam plaatste. Hugo, de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling, dat is: Hugo, zoon van Barthold; en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette, noemde zich Bartel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van den mansnaam Bruno, de toenaam Bruning; van Nolt, een afgesleten form van den vollen naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz.
Zulke toenamen, op ing eindigende, zijn later ook in grooten getale, tot vaste geslachtsnamen geworden.
§ 6. De namen (toenamen, geslachtsnamen), die door het eene of het andere achtervoegsel, het zy door zoon of ing, van mansvóórnamen afgeleid zijn, noemt men, met een grieksch woord, patronymika, vadersnamen. Reeds de oude Grieken zelven gebruikten dit zelfde woord in dezen zelfden zin. Zoo droegen by hen b. v. Hippias en Hipparchus, zonen van Pisistratus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam, in ’t enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon, even als de namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, oorspronkelik toenamen, thans geslachtsnamen, nederlandsche patronymika zijn van den mansvóórnaam Bruno, Bruin.
De nederlandsche patronymika laten zich gevoegelik verdeelen in twee groepen; te weten: in die, welke op ing uitgaan, en in die, welke op zoon (son, sen, se) eindigen, of die ook slechts eenen eenvoudigen tweeden-naamvals-uitgang vertoonen.
A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande.
Inhoudsopgave
§ 7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers ung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel van L. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, in A. De Jager’s Archief voor Nederlandsche taalkunde (Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, dat ing achter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit ing dan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert Benning; dat is: Wolfert, zoon van Benno.
Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, op ing uitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.
In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischen Travellersung b. v. lezen we:
»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.
Dat is: Fin, de zoon van Folkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van Elisa, Elising genoemd, en draagt de zoon van zekeren Godvulf den toenaam van Godvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de Friesen Hengist en Horsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:
»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.”
Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, Hengist en Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wichtgils was de zoon van Witta, Witta de zoon van Wecta, Wecta de zoon van Wodan.
Eindelik nog in de Saxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:
»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.”
Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In zynen Althochdeutscher Sprachschatz noemt Graff eene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, op ing uitgaande patronymika op; b. v. Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamen Anno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (Wibeke, Wibe in verkleinform; zie Wiebeking op bl. 28 en 29), Puzo.
Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegsel ing van mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren de Thuringen of Thuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als de Silingen by de Wandalen; Thuringen en Silingen heetten zoo naar hunne stamvaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder nog de Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heette Arding; dat van de Avaren Iring, dat van de Warinen Billing, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik of Merou, Karel en Kapet.
§ 8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maar oorspronkelik en eigenlik komen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heet Anso, en zyne zonen heeten Benno en Immo; dan dragen beide die zonen het patronymikon Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en Immo Ansing, dat is: Benno, de zoon van Anso, en Immo, de zoon van Anso. Benno Ansing krijgt later eenen zoon, dien hy Benhart noemt, en Immo Ansing wordt eveneens vader van eenen zoon, die door hem Imhart genoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, die Benhart, de zoon van Benno, het patronymikon Benning voeren, en niet het patronymikon Ansing, ’t welk zijn vader Benno voerde naar den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. En eveneens Imhart, de zoon van Immo Ansing, moest zich Imhart Imming noemen, naar zynen vadersnaam Immo, en niet Imhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.
Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen, door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wy Harle willen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15de eeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik van Haio Harles (dat is Haio, zoon van Harle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze Fries Harle werd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoon Sîgbern (Sybren in ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikon Harlinga of Harling voerde, van den naam zijns vaders Harlo ontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. En Sîgbern Harlinga’s broeders en zusters, die natuurliker wyze allen ook Harlinga heetten, allen ook Harlingen, dat is: kinderen van Harle waren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen, Sîgbern Harlinga’s kinderen, en de kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al die Harlinga’s of Harlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oude Harlo zich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eer Harlo zich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik ga to den Harlingen; naar de Harlingen of Harlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken: to ’n Harlingen, to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meer verstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik ga to den Harlingen, of ik woon to (den) Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heet Harlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aan Van Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaam Harlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.
Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstel Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ook Taylor’s Words and places.
Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegsel ing; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als in geslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1
§ 9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen door ing achter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woord zoon achter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika met ing te formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.
Het gebruik om patronymika met ing te formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.
Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortom plaatsen, met die oospronkelike patronymika, met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt by Racer, Overijsselsche gedenkstukken VII, 52–73, vinden wy onder anderen de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamen Rotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: het smedink’sche erve, de wesseling’sche hoeve, het temming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien ouden Rutger, van dien eersten Wessel, dat die Rotgerinks en die Wesselings eens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. een Immink op de erve Lenderink, en een Wolterink op de erve Elekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest. Herbert Folkring b.v. die op de erve Smedink kwam wonen, werd weldra door zyne nieue buren Herbert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente, in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid. Geert was de zoon van eenen man, die Albert heette, en die Albert de Jager genoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaam de Jager reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden. Geert, de zoon van Albert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boeren Poppink uitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaars steeds het erve Poppink genoemd werd, naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijl Geert Albertsz. de Jager nu ’t erve Poppink in eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oude Poppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaam de Jager raakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts als Geert Poppink bekend, ofschoon hy eigenlik geen Poppink was, en geen recht op dien naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink genoemd werd, heette Harmen. Deze Harmen kreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onze Harmen Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik, en noemde zich Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigendom had bewoond. Het nageslacht van Herman Poppink behield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.
In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Poppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.
Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v. Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op de zelfde wyze als in ’t voorbeeld van Geert de Jager-Poppink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.
Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v. Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v. Eizenga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga, Kammenga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) Buttingha, Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Finia, enz.
§ 10. De form ing, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v. Benning, Hilverding, Otting, patronymika van de mansnamen Benno (in Friesland Binne), Hilwarth en Otto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck; van daar de westvlaamsche patronymika Gellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelike ing in hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh, inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, als ig en ik voor.
By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, die ing en ink by de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge en Poppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen is inga de zuiverste en oorspronkelikste form, even als ing by d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens dit inga; namelik enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hayunga), enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Hania), enz.
Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.
§ 11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken form ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden is deze ingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika op ing er ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byform ink vertoonen.
Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden: Alting, Benning, Damming.2 Zy zijn afgeleid van de mansnamen Alte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon van Alto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, die Alte heet; de Benno’s echter, vooral ook in den gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam Damme is geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen Alting, Benning en Damming treft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn: Althing, Alting, Althes en Alts; in Friesland Alta, † Aldinga, † Aldesna, Altena (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie § 46), † Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland Damminga en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend: Alting, een gehucht by Beilen in Drente; Altikon, saamgetrokken uit Altinkhoven, een dorp in Zwitserland; Bennekom, dat is oorspronkelik Benninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorp Bingum, dat is Binningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland, en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland; Bennebroek, dorp in Kennemerland; Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamen Van Bennekom en Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim, Dammo’s woonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.
De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namen Fokke, Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, Onno, Poppe, Renso of Rinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te weten Eelking van Eelke, Eelco, oorspronkelik Ele (Edele, Athal), en Wiebeking van Wibeke, oorspronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. Dat Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en dat Nolting van den verkorten naamform Nolt, voluit Arnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamen Groening, Huising, Uiling en Veering zou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo en Faro, die men allen in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vinden kan. Gruno of Grono komt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, en Huso evenmin; maar Ulo is in de verkleinformen Uulke, Uultje (Uilke, Ulco, Uiltje) en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, en Fere (de friesche form van Faro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising, Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ook Grüning) Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje. Groningen, de bekende stad; Groeningen, dorp in Noord-Brabant; Grons, sate by Burgwert in Friesland; Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg; Gröningen, vlek in Zwaben en Gröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. Van Huso: Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in Friesland Huisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder: Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinform Huyskes, † Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp in Groningerland, en Huysinghe een dorp in Zuid-Brabant. Van Ulo: Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland Uhlen. Uilsmahorn is eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland, Ulbargen een dorp by Aurich in Oost-Friesland, Uhlebüll een gehucht by Niebüll in Noord-Friesland, Uhlentrup (dat is Ulendorp) een dorp by Beckum in Munsterland, Uhlingen een dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, en Ulgeweer (Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, Fere: behalve Veering nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, Veersma en Veersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaam Feringen is de geslachtsnaam Feringer afgeleid; eindelik nog Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaam Fere kan echter ook eene samentrekking zijn van Feder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaam Federinga het patronymikon is. Van dezen vollen form Federinga zou dan Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen.
De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Teding van is afgeleid, is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. Met Teding zijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen: Tedinga, Thedinga, † Thedema en Tedema. Van Tedinga zijn de geslachtsnamen † Theenga en, in den tweeden naamval, Teengs weêr versletene formen, even als Thema van Thedema. Thedinga was de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de 16de eeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven. Thedinga-klooster namelik heette oorspronkelik en eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken Groninger, Hatebrand geheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heette Theda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abt Theda: »(he) heft dorch syne vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen, getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; want de abt Sibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3 De naam Thedinga-monniken wil dus zeggen: monniken van Theda, en het patronymikon Thedinga is hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie § 45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaam Tede (Thedo) en van ’t patronymikon Teding afgeleid, zijn: Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe; Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen; Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Thedema- of Thema-burcht te Noordwolde, en Thema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland); Tedema-state te Roden in Drente; eindelik nog Dedesdorf, oudtijds Thedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).
Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikon Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan den hedendaagschen plaatsnaam Leffrynchoucke (Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.
Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch naslaan, waar we eenen Alting reeds in ’t jaar 793 vinden, eenen Husinc ook reeds in de 8ste eeu, eenen Benning in de 9de eeu, en eenen Imminc en Ulinc vóór het jaar 1100. Wibichinc (Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).
Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.
§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh.4 Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein, Tabe en Sinne zijn tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch te vinden.
Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam van D. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk: Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook als Buddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5 Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaam Buddingh een oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Budde, Butte, Botte. Buddingh is dus de weêrga van † Buttinghe en van Bottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, met Bottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.
§ 13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge uit; b. v. bloedinge, waarschouinge, bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang der geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, op inge eindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch: Alinge, Buninge, Dillinge.6 Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamen Ale, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille (Wiltje, Wilke of Wilco). Maar ook by Buninge, Dillinge, Hachtinge, Santinge en de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp van Förstemann’s Namenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.
By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot den byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamen Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santinge bestaan ook Buyning en Buininga; Ebbink en Ebbinga; Epping (ook in Engeland), Eppink en Eppinga; Eeling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink, Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon van Buno, van Ebbe, van Eppe, van Ele, van Hidde, van Sante.
Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfden naam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volle inga er achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, als Hesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam als Hesseling boekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfden Hessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.
Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens als Folkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr als Folkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Bellingawolda en Eppingaweer; de andere Appingedam, Mensingeweer, Bellingewolde en Eppingeweer, of ook wel Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel by eene enkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.
Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds nu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachten Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waninge oorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachten Buininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. Of ook als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentsche Eppinge’s en de zutfensche Eppink’s en de friesche Eppinga’s en de engelsche Epping’s van vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaam Eppo droegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.
§ 14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgang ing vertoonen (opening en öffnung, bevryding en befreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden op ing uitgaan, soms op ung. Een paar van die geslachtsnamen, op ung eindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v. Amelung, Hartung (nevens het inheemsche Harting) en Weidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius behoort oorspronkelik tot deze groep.
Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk veranderd is. My zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting en Hartung); Wallenk (naast Wallink) en Wittenck (naast het uitgestorvene Wittinga). Ook komt deze verbasterde form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen Gussenklo (welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk’lo geboekstaafd wordt) en Pippenghegen.—Gussenklo beteekent: eikenbosch van Gussink, van den nakomeling des mans, die Gusse (Gosse? Guse?) heette. En Pippenghegen beduidt: de hege of haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, van Pipping, van den afstammeling des mans die den naam van Pippo droeg. Dit woord hege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaam Berghege en tevens in Heeger, dat is: Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehringhaus, het huis der Eringen.
§ 15. Naast den oorspronkeliken form ing, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. Dit ink is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze op ink eindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulke ink-namen als toenamen in gebruik; Hugo Radinck b. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7 Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaam Rado afgeleid, komt, als Ratink geschreven, reeds in 709 voor, zooals Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeldt, ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaam Radink.8 Over het geheel genomen zijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.
Ofschoon deze inknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als in onze saksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitgang ink gewoonlik inck geschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende: Arink, Beernink, Bennink.9 Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by Dirckinck, van Dirck, Diederik.—Beernink is eene samentrekking van Bernharding, uit den mansvóórnaam Bernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land als Berend, Beern uitgesproken.—Lamrinck (met Lamring en Lammerding) is oorspronkelik Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerink is versleten van Reinmering, van den mansvóórnaam Reimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerink komt van den mansvóórnaam Sieger, Siegher, Sîgher, Zeger, dat is gezeid Victor, de overwinnaar.—Volmerinck van Folmer, Fulmar.—Wolberink van Wolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke (Sicco), Teie (Teye), waar de patronymika Benninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen. Tenckinck komt van Tenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform van Tenno, welke mansvóórnaam, volgens Förstemann’s naamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is van Tanno. Van dit Tanno is weêr de friesche geslachtsnaam Tanninga afgeleid, die meest in versletenen form als Tania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht als Tanjé voorkomt. Even als Tenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en Tilekink niet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel van Eveke, Duike, Ike, Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formen Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.
De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamen Johanninck en Teuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten van Johan, Johannes en van Teun, Teunis, Antonius. Van Johannes zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingh en Janninga ontleend, met den samengestelden naam Johanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook § 58.
§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink.10 Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf (Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink’s, Rörink’s en Rörik’s (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam Brenninkmeyer.—De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroink eindelik komt van den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika † Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.
Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksische inknamen behooren. Namelik: Gyseweenink en Janweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudig Weenink; zy zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders uit de maagschap Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der twee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten einde Harbert en Bartha Weenink van den eenen broeder te onderkennen van Harbert en Bartha Weenink van den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink en Bartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van die Harbrechts en Bartjes over, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.
Ten slotte nog een paar incknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen: Cnapelinck ook Cnapelynck (en, in den tweeden naamval Cnapelincx, Cnapelinckx), Gebberlinck, Ghellinck en Ghellynck, Plettinck, Slabbinck en Vlietinck. Ghellinck is afgeleid van den mansvóórnaam Gelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaam Gellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. in Gellekom of Gellicum (Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamen Terlinck en Teirlinck zijn mogelik slechts het woord teerling (cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namen Cnapelinck, Plettinck en Vlietinck is de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, van Wassenbergh, Leendertz en Brons geene mansnamen Knapele, Plet of Vliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaam Vliet droeg; hy heette Vliet Kluizenaar11. Förstemann vermeldt eenen oud-germaanschen mansnaam Flidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstam Flid, Vliet, waarvan het patronymikon Vlietinck, begrepen.
§ 17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den form ynck vertoonen. Deze schrijfwyze der i als y berust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen deze yncknamen in geen enkel opzicht van de inck-, ink- en inknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van: Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren. Belle (Belke), Bulle (Boele), Halle, Kempe (Kempo, Kampo) en Wyte (Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft. Ghellynek is op de vorige bladz. reeds verklaard. Hebbelynck en Gyselynck zijn ontleend aan Hebbele en Gisele, dat weêr verkleinformen (Hebbelyn en Giselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamen Hebbe of Habbo en Gijs (Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.
Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaam Bellynck hebben wy den frieschen maagschapsnaam Bellinga. Even zoo Bullinga nevens Bullynck; Gelkinga (afgeleid van Gelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform van Gelle) by Ghellynck; Hallinga naast Hallynck, Kempinga naast Kempynck. En nevens Wytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geen Witinga, maar toch wel een Wytema en Witema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met † Hwytnyngha in het Oud-friesch, en Whiting in ’t Engelsch.
Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaam Hwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling als Witteninga zoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland de i van den uitgang ing, in dit geval inga, ook wel als eene y geschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Beninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften als Benyngha en Benynghe, als Hummyngha en Idsyngha voor.—
De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen op ing en ink uitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woord eng of enk, dat volgens Van Dale’s Nieuw Woordenboek der nederlandsche taal beteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheid den Engh en de ridderhofstad den Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesate Enghuizen in de geldersche gemeente Hummelo,—het gehucht Westeneng in de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v. Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar deze eng- en enknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juist te dezer plaatse d’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgang ing of ink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordje eng of enk. De verwisseling van d’ onvolkomene e vóór n met d’ onvolkomene i vóór n (b. v. brengen en bringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woord eng met den uitgang ing in het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, de ing- en ink-namen van d’ eng- en enk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandsche volk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.
§ 18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgang ing nog het aanhangsel son, sen of eene enkele s vertoonen. Die s is hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie § 4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgang ing niet meer kende, dien uitgang niet meer verstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heette Leendert en droeg den toenaam van Hemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvader Hemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader van Leendert hadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving van Leendert Hemming, die eveneens Leendert heetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaam Leendert genoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaam Hemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naam Hemming, en raakte zijn voornaam Leendert haast geheel vergeten. Hemming’s zoon Rutger die in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonder zoon daar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’s zoon Rutger noemde zich dien ten gevolge dan ook niet Rutger Leenderts zoon, of Rutger Leendertssen, of Rutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maar Rutger Hemming’s son (zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was, ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen van Rutger Hemmingson (de twee letters s van Hemmings son, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eene s samen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd dat Hemmingson een vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van dit son of zoon er achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikon Alink, de toenaam Alinks (voluit des Alinks zoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wil Hemmingson zeggen: zoon van den zoon van Hemme; en Alinks, zoon van den zoon van Ale. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist dat Hemming en Alink reeds zoon van Hemme, zoon van Ale beteekenden; toen men de kracht van dat ing niet meer gevoelde.
Hemme en Ale, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.
Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn: Beerlings, Bennigsen (oorspronkelik Benningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13 Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn: Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor: Boie, Benne enz. Eldert is ook nog bekend. En Thiadbern, waar Tjaberings van afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men in Förstemann’s Namenbuch nasporen.
§ 19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eene x. Zoo schreven zy b. v. de woorden: des konings brug, des koninks brugge, als sconincx brugghe; monniks-kleêren als munnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schreven Feddrixma en Haaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter als Feddriksma en Haaksbergen spellen. In sommige eigennamen bleef die x tot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaam Blinxma, dat is Blink-sma, en beteekent: zoon van Blinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaam Blin, die by Förstemann als Blion, Bliun voorkomt. Verder in de friesche plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meer Bokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook als Dijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinks boekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn op ink (inck, ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eene x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx, Daggelinckx,14 enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx verschilt slechts in spelling van het noordnederlandsche Bruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik van Dure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immers Thuro was een gothische bevelhebber—, en ook het land Thüringen in Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam. Tuerle, de naamsform die aan het patronymikon Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamen Duursma, Duursema, During en Duurs, nevens Dürigen en Von Düringsfeldt in Duitschland. Verder in Duurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland). Düringen is de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinform Duurke (het zelfde als Tuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam Duurkens, en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken. Hellynckx en Hellinckx hebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamen Hellinga en Hellenga. Verder in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in den samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaam Hello, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan Hellema en Helma, Hellen en Helles; aan Hellum, een dorp in Fivelgo, en aan Helwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aan Hellingen, een dorp in Luxemburg; aan Hellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aan Hellinghill in Northumberland (Engelland); aan Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. In Snellinx en in ’t eveneens voorkomende Snellings vinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaam Snello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, en, in verkleinform, aan Sneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem (dat is eene samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp by Hasslach in Baden. Eenen tegenhanger van den vlaamschen geslachtsnaam Surinx vinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaam Suringa. Verder in Sühring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche Surink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versletene Sury en Surie. In den samengestelden geslachtsnaam Suringbroek komt dit patronymikon almede voor. En Süren en Suersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaam Suur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch), Zuidinga (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaam Sudhar vind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen; Laureins Zuerinc was een poorter van Brugge, ten jare 132015.
In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekere Jan Geylincx burger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.
§ 20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woorden groot of klein, oud of nieu. B. v. de geslachtsnamen Grootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling, Nyemanting, ook wel, en beter, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Manting geschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boer Gerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvader Eite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erve Eitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boer Gerlof Eitinge had twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oude Gerlof nog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoeven Eitinge naast elkanderen; beiden ook door eenen Eitinge bewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naam Groot-Eitinge noemde, en aan het andere den naam Klein-Eitinge gaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reeds Eitingen waren, maar nu Albert Gerlofs Groot-Eitinge en Meindert Gerlofs Klein-Eitinge genoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hem Garrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naam Bekkink dragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erve Bekkink, en werd ook door eenen Bekkink bewoond. Maar ter onderscheiding noemde men het eene erve Oud-Bekkink, het andere Nieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.
Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegsels oud en nieu, groot en klein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v. Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-Hemminga en Ny-Hemminga, enz. Maar zulke plaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáár nooit als toenamen van personen in gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.
De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen: Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16 De formen old en ny in deze namen, in plaats van oud en nieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, by Ool-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woord old, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie § 156.
Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namen Olde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huising zoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen. Huising van Huso is op bl. 29 en 30 reeds besproken. Bronninge en Hoving komen van Bronno en Hove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamen Bronninga, Hovinga en Hovenga ontleend zijn, met Bronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, Brontsema en Brons, Hoving en Hofma.
Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevens Olden- en Nyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-Wening en Olden-Waving de geslachtsnamen Banning, Manting, Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weêr nevens Ool-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-Starink en Klein-Ubbink de enkelvoudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, Starink en Ubbink.
Dubbelink, in Friesland als Dubblinga voorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam is Dietbolt in oud-saksischen, Thiebald of Thiebaut in oud-frankischen form; voluit Theodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk tot Dubbelt, Dubbel, Dobbel geworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den form Dubbelt, als mansnaam voor. Dubbelink (ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelike Theodbalding.
§ 21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met een voorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangsel achter gevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestal huis of hof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt dan Meininghuis genoemd of Rogerinkhof, naar de geslachten Meining of Rogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu dit Meininghuis of dit Rogerinkhof later in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechts Evert Janszoon heette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werd hy weldra Evert Jansen Meininghuis of Evert Jansz. Rogerinkhof genoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.
Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechts middellik aan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.
Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v. Ellinghaus (als Van Ellinckhuyzen in Nederland voorkomende), Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland: Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen: Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17 Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naam Gussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat het Gussenk-lo is (Gussink-loo ware nog beter), en niet iets anders, b. v. Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.
§ 22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy: Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchovius is verlatynscht van Grevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. Over Hachtingius zie men bl. 34; over Hallungius bl. 36 en 42. Hundlingius heeft den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hunt, Hont tot oorsprong, en wel in verkleinform als Hundle, Hondelyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachtsnamen Hondelink, Hündling en Hondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaam Hunt in zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamen Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in Holland, Hunting in Friesland en Engelland, met Hunding en Huntington eveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechts Hondeghem (Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen; Hunting, een dorp in Lotharingen; Huntingdon in Engelland; Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.
§ 23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonlooze e eindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge, ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch als inga. En deze a is ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.
De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche op a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemde landstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.
Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28), Botte, Gau (meest in verkleinform als Gauke, Gouke voorkomende), Ubbo of Obbe, enz.
Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komen of slechts in zeer versletenen form voor, of ze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa, Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa20. Eckringa is voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mansnaam Ekhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringa is oorspronkelik Fulkhardinga, van Fulkhart, Folkert.—Kleveringa en Cleveringa is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naam Cleffo, Claffo en van den naamstam Hart. Even als Fulkhart (Folkert) van Fulco (Folke) en Hart; Ekhart (Ekkert) van Ekke, Ecco en Hart; Rikhart (Richard, Rykaert) van Rico of Rijk en Hart. Hoe oud die naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in Förstemann’s Namenbuch opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers Claffo, zoo heette de zesde, en Cleph (’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leert Förstemann te zoeken in het oud-hoogduitsche woord klaphôn, in het oud-noordsche woord klappa, waar het begrip van slaan, stooten in ligt opgesloten, en waar ook het woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woord kleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen form Klevering en Clevering, benevens het nog meer samengetrokkene Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van één en den zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den form Clavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkomstig, en van den verkleinform Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaam Kleffens (dat is waarschijnlik eene samentrekking van Kleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslacht Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen, aan den mansnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland); Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, en Kleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.
Dat de geslachtsnaam Vitringa het patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letter v, waarmede deze naam begint. Die v is, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eene f, waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; nederlandsch vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. Maar zoo wy Vitringa al tot Fitringa maken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelike v met eene w, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naam Witringa tot Vitringa heeft verlatynscht. Die germaansche w immers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eene v verwisseld. En Witringa is, door vergelyking met Eckringa van Ekkehart en Folkringa van Fulkhart (zie bl. 54) te verklaren als Withardinga, het patronymikon van Withart, of als Witheringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon van Wither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.
By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoorden kruis, musch en plant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. Over Musschenga en Muischenga hebben de heer P. Leendertz Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijs ik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—Dat Plantinga en Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfde Kruse en Plant ten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijn Kruizenga, slechts in spelling van Kruisinga verschillende, even als Kruisink en Kruissink. De naam Kruisinga wordt in de friesche streken van ons land natuurlik als Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische als Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche u. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga voorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) † Cruisema (het huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland), Kruysse en Cruyce.—Behalve Plantinga, Plantenga en Van Plantinga zijn my nog bekend de geslachtsnamen Plantema, Planting, Planten, Plantinus († Plantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaam Plant moeten afstammen.
§ 24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitgang ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgang inga wel als enga geschreven. Maar terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden form enga uitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken form inga eindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulke enganamen noemen wy de volgenden: Boyenga (vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamen die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan Boie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette (komt meest in verkleinform voor als Jetse, eigenlik Jet-tse, friesch ts, tz = k), Libbe, Minne, Namme (ook meest in verkleinform als Nammele), Offe of Uffo en Wale.—Veenenga komt, met de geslachtsnamen Veninga, † Venia, Veenje, Feninga (de beste form), Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaam Fene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in Förstemann’s Namenbuch vermeld.—Grimmenga komt van den mansvóórnaam Grim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Grimminghe is een dorp in Oost-Vlaanderen; Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, en Grimsthorpe in Lincolnshire, Engelland.—Ruidenga is denkelik eene verhollandsching van Ruudinga, en dit weêr eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Ruurd (Ruwart), waarin de Friesen de tweede letter r niet uitspreken.
§ 25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel met inga als met enga; b. v. Bottinga en Bottenga, Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fellenga, Havinga en Havenga, Kempinga en Kempenga, Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan ook slechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.
§ 26. Andere byformen van ’t oorspronkelike inga komen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze als ingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten by Van Buttingha, Van Cammingha en Van Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetsel van by zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelike inga een enkele maal in unga overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen met de uitgangen ingh, inge, inghe en ung by andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetsel van by zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud als plaatsnamen, als namen van staten en saten, en er dan van voor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naar Hottinga”, of »ik woon op Wallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne” (gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar dan Hottinga-state, Wallinga-sate en Wetsinga-sate onder. En op die wyze kunnen ook de friesche geslachtsnamen met van er voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geen Hottinga’s of Wallinga’s zijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika met van er voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v. Van Cammingha, Van Eysinga, daar is dit van een byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past van voor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschen plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen: Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtollige van, als geslachtsnamen voor: Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaam Eise vooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: † Eyssema, Eizema en Eisma, Eissen en Eises, met het verlatynschte Eyssonius. En de plaatsnamen Eisink, een gehucht by Haren in Groningerland; Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland; Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.
§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en eene i verloren gegaan, by Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink, Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen—zie bl. 28 en 44); Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere form hier van).22 Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend, die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga, niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23 In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924 Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is; te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de woonplaats der Bauinga’s, der Bauingen of Bavingen, der zonen en afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der 16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue (Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: † Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland; Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschte Bavius.
De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan is Tjeenk niet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen. Tjeenk is dan naar myne meening, eene samentrekking van Tjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form van Tjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaam Thiad, die door de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naam Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd), die door de Friesen ook zonder r, als Tjaad wordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaam Tjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachtsnaam Tjaden (een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikon Thiadinga, Tjadinga als toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkende a als uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerst Tjading, dan Tjäding, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den saksischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk te verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!
De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Swyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonen zwyn, varken, noemden. Swine is de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Swind, Suint, welke naam vlugheid beduidt. Ons hedendaagsch woord gezwind stamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even als Swyn, Swîn, voor Swind, zoo zeggen de Friesen ook wîn voor wind, fine voor vinden, Hînljippen, voor Hindeloopen, enz.
De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen met y schrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep der yncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluit Hoiynck geschreven worden.
Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam als Hoijnck, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika Hoying en Hooying, Hooyenga en Hoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik met Hoynck geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsof oy, oi een tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stroink, Schaink en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by dit Hoi en Stro (zie ook bl. 40) niet aan de woorden hooi en stroo te denken hebbe, kan men in § 168 nalezen. Ook spa van Spaink komt niet van het woord spa, spade, maar van den mansvóórnaam Spade, die in Förstemann’s Namenbuch als Spatto vermeld is. Over Skade, de mansvóórnaam die aan Schaink ten grondslag ligt, zie men § 28.
Of de friesche geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, dat Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga ware, even als Hillega en Mennega (zie bl. 61) oorspronkelik en voluit Hillinga en Menninga zijn. Te meer nog, wijl Sonningha de naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslacht Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van den frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Sonnedorp (Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaanderen); St. Nicolaasga = St. Nicolaas’dorp; Oudega = Ouddorp, enz.
Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam (Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13de eeu als Canga, Kanga werd geschreven.25 Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam als Kamga boekstaaft26.
§ 28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie § 13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamen Haange, Luinge (men spreekt natuurlik Luunge, ook wel Luunje), Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen dien byzonderen form. Haange is eene samentrekking van den vollen form Haninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Hano, die by Förstemann vermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaam Haning, en aan de friesche geslachtsnamen Hanema en Hania eveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamen Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luinge is samengetrokken van Ludinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Lude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en Luinge is volkomen het zelfde als het friesche † Ludinga en † Lunia—zie § 29. Luinge en Lunia worden dan ook beiden wel als Luunje uitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht † Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even als Luding en Ludink.—Schaange is voluit Schadinge, van den frieschen mansnaam Scato. De geslachtsnaam Schaink (Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naam Schaange.—Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in § 31 gehandeld worden.—Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes, en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, by Förstemann als Stad voorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehucht Steginga of Steggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ook Steenga of Steenge wordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaam Hofsteenge is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijke hofstede woonde”, gelijk Leendertz (Navorscher, dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.
§ 29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sinia b. v., Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide, versletene formen van de patronymika, op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en voluit Bothinga, Bottinga; Sinia is eigenlik Sininga; Tania is Tanninga, enz.
Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia, van Sininga tot Sinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eene n de g voorafgaat, en daar door de letterverbinding ng geboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eene g beginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eene j. Zoo is het nederlandsche woord geven, hoogduitsch geben, engelsch to give, deensch give, zweedsch gifva, in het Friesch jaen, Oud-friesch jeva; zoo is het nederlandsche gave, gift, in het Friesch jefthe; het nederl. gister, hoogduitsch gestern, is in ’t Fr. jister of jüster, en ’t nederl. garen, hoogd. garn, in ’t Fr. jern (men spreekt uit als jen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat de g ook tot j verzacht heeft, in yesterday en yarn. In den hedendaagschen naam van het dorp Dongjum by Franeker, oudtijds Dodinga-heim of de woonplaats der Dodinga’s, der Dodingen, der nakomelingschap van Dodo of Doede—heeft, in de schrijftaal, de oorspronkelike g van het patronymikon Dodinga eene j naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g volkomen door j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam als Donjum, Doinjum of Dünjum uit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorp Dedgum (Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaam Deddo), die steeds als Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam Pingjum (Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam Pinne, Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uitspreken. De hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds voluit, als Aninghem (Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang van inga tot ia, van Sininga tot Sinia aan te toonen, levert het woord penning(a) op, dat in het Friesch als penje, peinje (pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woord penning in het hedendaagsche Hoogduitsch eene n verloren, en is tot pfennig versleten, even als b. v. de geslachtsnaam Huding tot Hudig (zie bl. 61).
Maar bewyzen te over, dat de friesche g wel als j wordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe, dan luidt b. v. Sininga als Sininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang van Sininja tot Sinia waarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelike Bottinga, door d’ uitspraak Bottinja tot Botnia of Bothnia, en Tanninga, door Tanninja, tot Tania.
Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op ia eindigende, ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht † Gratinga, Grætinga of Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaande Grettinga-state te Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurt Gratinga- of Grettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft, in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia genoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namen Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en Wyngia en Wynia elkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslacht Burmania in eene oorkonde van den jare 1300,27 als Burmanninga vermeld wordt.28
In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia (mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namen Sinia (– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule (mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus); en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje, Synje, – ⏑); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia, maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt uit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’t Oorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het jaar 1562, als Doenye.—Hania staat in het laatstgenoemde stuk als Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.—† Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.—Unia eindelik, in een geschrift van 154729, als Oenye.
Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namen Sinia, Tania, Runia wel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen, sliucht end riucht, blyven voor en na Siinje, Tanje, Rûnje uitspreken.
Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen op ia, het eerst zóó geschreven hebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechts Fiinje spraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje schreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika op ia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform op ja en je eindigende. Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats van Rinia, Sinia, Brunia, Fenia. En Fynje, verbasterd van Finia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken Feinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friesche Fininga = Finia tot een hollandsch Fijnje = Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaam Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanjé te maken. Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam van Tanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie § 165.
Door hunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale geslachtsnamen die op ia eindigen, van hoogen ouderdom. En zeer oud zijn zy in der daad. De Bothnia’s, de Burmania’s, de Donia’s, de Unia’s behooren tot de oudste friesche geslachten, of liever en beter gezeid: hunne namen behooren tot de eersten, tot de oudsten, die in de friesche geschiedenis genoemd worden.
In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en je eindigende, als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts in Friesland, en wel meest tusschen Fli en Lauers, dat is in de nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter waren deze versletene patronymika ook wel in andere friesche gewesten in gebruik; b. v. † Mormannia, tusschen Lauers en Eems (Groningerland); † Boycmonia, Onnia of Onja, † Tongia, tusschen Eems en Weser (Oost-Friesland), enz. Ja, ook by de Friesen aan de Weser, by de Rustringer-, Ostringer-, Wranger- en Stedinger-Friesen waren ze in zwang. En nog heden ten dage treft men onder hunne afstammelingen, de Friesen in Jeverland, Butjadingerland (Oldenburg), enz. geslachtsnamen aan als Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, ook, in den tweeden naamval als Bunnies en Bunjes (tevens ook de volle form Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel dat deze namen slechts verbasteringen zijn van de volle formen Dorria of Dorringa, Hammia of Hamminga, enz. En in der daad komen deze volle formen Hamminga, Hemminga en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten dage als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming en Hammink, Hemming en Hemmink, Dorring, Henning en Hobbing in andere nederlandsche gewesten. En allen zijn dit echte patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen afgeleid.
Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan de Weser deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug; b. v. in Jelliestede, dat is: Jellia-stede, de stede of woonplaats der Jellinga’s, der Jellingen, der afstammelingen van zekeren ouden Fries Jelle. Eene sate by ’t dorp Grootkerk (Hohenkirchen) in Wrangerland (Oldenburg) heet alzoo.
Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende, zijn de volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De oorspronkelike, volle formen der patronymika, die ook grootendeels, zoo niet allen, eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan, zijn er by gevoegd tot vergelyking: Bothnia (Bottinga); Brunia en Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burmania en Burmanje (Burmanninga)30 enz. Al deze patronymika zijn ook weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend, waarvan eenigen nog heden by de Friesen als zoodanig in gebruik zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van Gruno, zie men bl. 29. Over Tania, Tanninga, van Tanno, bl. 39. Over Venia en Veenje, Feninga, van Fene, bl. 57 en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65.
Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als Frieske en Vrieske, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook thans nog wel in gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan nog meest in Friesland. Förstemann vermeldt hem reeds in zijn Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en Leendertz eveneens in hunne lijsten van friesche en nederlandsche personennamen. Behalve Frisia zijn van dezen mansvóórnaam nog de volgende patronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, †Friesma, Vriesema, Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en Frese, benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het patronymikon Fresen is.
Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patronymikon van den mansvóórnaam Sine, welke, in dien form en ook als Siene en Syno nog heden in Friesland in gebruik is. Waarschijnlik vertegenwoordigt deze naam Sine de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche uitspraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De friesche mansvóórnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong zy, ligt nog ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sienema, Sienes, Synen en Zijnen, allen patronymika in verschillende tweede-naamvalsformen, en allen nog heden ten dage voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam is slechts eene verhollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen form Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En waarschijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Synghem (Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.—Over den hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia zal in § 31 nader worden gehandeld.
Buiten Friesland, in Holland en andere nederlandsche gewesten komen eenige geslachtsnamen voor, die ik anders niet weet te verklaren dan door aan te nemen dat het zulke versletene patronymika zijn. Zy zijn dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche geslachten, die hun vaderland met der woon verlaten hebben. Deze namen zijn Balje, Havie, Pierie, Schaalje en Schaly, Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo als men ziet, vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel versletene friesche ia- en ie- en jenamen. Balje zal dan zijn Ballia, Ballinga, het patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo, Balle, die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen † Ballama en † Ballema, Balma, Balsma en Bals, en aan de plaatsnamen Ballum, een dorp op ’t eiland Ameland, en Ballingham, in Hereford, Engelland. De in spelling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Baljé (een tegenhanger van den op bl. 69 en 70 vermelden maagschapsnaam Tanjé) is oorspronkelik eveneens dit patronymikon Balje, Ballia, Ballinga.—Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen form Havinga voor.—Pierie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa, het patronymikon van den mansvóórnaam Pier, die in Friesland en ook wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samentrekking van Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Piersma en Piers in Friesland, aan Aupiers (zie § 61 en § 156) in Brabant, en aan Pierson elders voorkomende.—Surie en Sury zijn op bl. 48 reeds verklaard.—Schoonie is eene verbastering van Schonia of Schoninga; deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de friesche gewesten voor. De mansvóórnaam die aan dit patronymikon ten grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, die door Förstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd komt deze naam, althans in de Nederlanden, nog slechts in den vroueliken form, als Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze naam niet zeer verbreid geweest te zijn. My zijn althans, behalve Schoninga en Schoonie, geene andere hedendaagsche geslachtsnamen voorgekomen, die tot dezen mansnaam terug gebracht kunnen worden, dan Schöningh, oorspronkelik een westfaalsche geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd is, en den vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Skunia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, wil ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachtsnaam is als zoodanig onder de hedendaagsche Friesen uitgestorven. Maar hy leeft toch nog in den naam van het gehucht Skunia-bûren, by Mirns in Gaasterland. Men verhollandscht dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.
Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), het patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Scal, die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was, gelijk uit de naamlijsten van Brons en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam Schaallema (Schalema, of Skalama ware beter spelling) vinden we dezen ouden mansvóórnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik in Scheelings.
§ 30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik en oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche gewesten, en tevens in andere germaansche landen (Engelland en Duitschland), komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner aantal, die dit gemeenschappelike vertoonen, dat zy op y uitgaan. Maar ook overigens vertoonen deze namen veel gelijkformigheid, zoodat men ze tot eene groep kan samenvoegen. Die gelijkformigheid blijkt vooral uit de omstandigheid dat men deze uitgang y slechts in ing (ink, inga, ynck) behoeft om te zetten, om ware patronymika, echt-germaansche vadersnamen van oud-duitsche mansvóórnamen afgeleid, te verkrygen. Naar myne meening zijn deze ynamen dan ook anders niet als versletene ware patronymika, en wel van byzonder-frankischen form, even als de ia en jenamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voorkomen er van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, gereedelik verklaard worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederlandschen volks van frankischen oorsprong is, zoo moeten de ynamen wel degelik tot de nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. Zie hier eenigen van deze namen tot voorbeeld. De patronymikale geslachtsnamen waar mede zy overeenkomen, heb ik er achtergevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga in Friesland, Bonning in Engelland); Borry († Bornia = Borringa in Friesland)31. Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen, komt de stelling my niet te gewaagd voor, dat ook deze geslachtsnamen tot de versletene patronymika behooren, al hoe vreemd, hoe ongermaansch hun voorkomen thans ook zy. Trouens, de sprong van ’t oorspronkelike Borring tot Borry is niet grooter dan van Borringa tot Bornia, dan van Bruninga tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansche Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen dat de geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle patronymika die als toenamen gedragen werden door de germaansche Franken, Burgundiers, enz. welke een deel van het hedendaagsche Frankrijk bevolkt hebben, en er zelfs hunne namen nog aan lieten (Frankrijk, Bourgondie). In allen gevalle, al vertoonen deze namen nu een vreemd, een romaansch voorkomen, zy zijn toch zuiver germaansch van oorsprong.
§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika, dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn, wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager, meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven, niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester, Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong, als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker, bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge, Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf.32 Dezen laatsten geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden, naar dien Grawo in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch als zoodanig vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd, zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma, Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik ook nog ’S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch woonde in den jare 1640 te Groningen.33 Neirinckx en Neyrinckx en Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche geslachtsnaam De Naeyer.—Rigterink is van richter, rechter; Ridderink, van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper; Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting zijn afgeleid van het woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte, van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz.34 Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.
Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen van het woord smid, en beteekenen dus: zoon van den smid. De i van het nederlandsche woord smid gaat, by samenstellingen en in den meervoudsform, in eene e over: smedery, smeden. Zoo is ook het patronymikon van smid Smeding en niet Smidding. Het woord smid op zich zelven luidt trouens ook in menige vlaamsche en brabantsche gouspraak als smet; van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelike Nederlanden. Afgaande op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen Smid, Smit, Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz, Smith, Smithson, enz. by Nederlanders, Duitschers en Engelschen, zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menigvuldigst naar hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds het geval, ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als smid aan, en wordt hy, vooral in dorpen en kleine steden, steeds zóó genoemd, zoodat menigeen die dageliks met den smid omgaat, ’s mans eigen naam niet kent. Van daar dat ook het woord smid, smith zelf by de oude Germanen wel als een mansvóórnaam gebruikt werd. In Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vinden wy eenen man vermeld die in de 9de eeu leefde, en Smido heette. Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen, die van het woord smid, of van den mansvóórnaam Smido geformd zijn. In alle formen komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en Smedinga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding en Schmedding, die beiden aan hoogduitschen infloed deze byzondere schrijfwyze danken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men in Holland het werkwoord smeden ook als smeeën (sme-je) uit. Eindelik ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche taal het werkwoord smeien bestaat tegenover het nederlandsche werkwoord smeden, zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam Smeyenga, nevens het oorspronkelike Smedinga. Uit dezen vollen form verfloeid en samengetrokken zijn de friesche geslachtsnamen † Smenga en Smynga, op de wyze als in § 27 is vermeld, en Sminia en Van Sminia, op de manier als in § 29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink, even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink en Smidink samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naamvalsform daar van; zie § 18. Het woord of de naam smid, smede is in verkleinform smedeke; van daar de geslachtsnaam Smeeking, die uit Smedeking, het patronymikon van Smedeke is samengetrokken. Pseudo-patronymika, eveneens hedendaagsche geslachtsnamen, van smede zijn nog: Smeda, Schmeda en Smedema, drie friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. Al deze geslachtsnamen zijn in de noordelike en oostelike gewesten van Nederland inheemsch; tevens in de aangrenzende noord-westelike gouen van Duitschland. Ook de geslachtsnaam Goldschmeding, van hoogduitschen oorsprong, komt in Nederland (te Amsterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid, goudsmit, en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik het woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend.
Dat zulke vadersnamen, van beroepsnamen geformd, zeer oud zijn, blijkt uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin de twentsche erven Smedinc en Spelemanninc worden opgenoemd. Is het patronymikon Smedinc, van smid, tot in onzen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven, de vadersnaam Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant in nieuerwetsch hollandsch), schijnt uitgestorven te zijn. Een geslachtsnaam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen.
Of de patronymikale geslachtsnamen Boerink, Boering, (met Buerinck, Buringh, Buringa en Buiringa, en Burring in Engelland), ook tot deze groep behooren, moet ik in het midden laten. Zy kunnen immers zoo wel tot den mansvóórnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht, als tot het woord boer, als naam van een bedrijf.
Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form, en van beroepsnamen afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in een opstel Eenige nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXIX, bl. 207.
B. De patronymika, die nieue taalformen vertoonen.
Inhoudsopgave
§ 32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangsel ing (ink, inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, op s en en, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woord zoon, meestal verkort als son, sen, soms ook tot eene enkele s of z versleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkele a, op ma en na, op sma, sema, sna, sena uit. Bruining, Bruinink, Bruininga b. v. zijn oude patronymika; Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, † Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.
Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannen als toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter Brechta werd Brechtje Albertsdochter genoemd. De toenaam, het patronymikon Albertszoon, spoedig door het vele gebruik tot Albertsen versleten, of tot Alberts ingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik Albertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.
De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging van ing, ink, inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. De beteekenis van dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Men verstond niet meer wat zulke namen als Huging, Ernestink, Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.
Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin. Jan Smit b.v., die een zoon is van Hendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten, Jan Hendriksz. Smit, of Jan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.
§ 33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woord zoon daar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijn Egbertszoon en Jacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaam Moederzoon eveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In § 60 zal deze byzondere naam nader besproken worden.
Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus, maar als zone, zoone, sone, soone, soen, soon gespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden op zoon uitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woord zoon nog in zulke oude spellingen vertoonen: Baertsoen, van den mansvóórnaam Baart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone (over den mansnaam Bette zie men § 59); Boecksoone en Boucksoone. De mansvóórnaam Boek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik de oud-germaansche, in Förstemann’s Namenbuch vermelde naam Bucco, die als Bokke (waar van de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke vinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamen Boeckx in Vlaanderen, Boekema, † Boekma en Boeken in Friesland, allen ook patronymikale formen. Bucing en Bocing kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35 voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.
Claeissone komt van Claei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland, Clausson in Neder-Duitschland, Nicholson in Engelland. Florizoone, van Floris, heeft eene s verloren, even als Florison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam. Huyssoone en Huyssoon, van den mansnaam Huso (zie bl. 29 en 30). Jansone en Janssone, van Jan, zijn duidelik genoeg. Liefsoons en Lievesoons stammen van den mansvóórnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegde s, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon van Lieven.—Mabesoone weet ik niet te verklaren, even min als Tierssoone en Tryssesoone.—Moyersoen is een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemde Moederzoon.—Verheyllesone eindelik is een byzonder metronymikon en wordt in § 60 nader besproken.
Het woord zoon, soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken, Erikson, Björnson aan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaam voor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen: Derkson, Hanson, Jansson met Janson en Johansson,36 enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspronkelike naam waar Derkson van is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form van Dirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier (waar van Pierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van Pieter, Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon van Hemmo. Eerst toen men het patronymikon Hemming niet meer verstond, kon men er toe komen om er nog een son achter te voegen. De mansvóórnaam Tammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaam Tamson ten grondslag, even als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson ten grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaam Nato, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook als Natto voorkomt, zijn ook de geslachtsnamen Nettinga, † Nettema, Nettes en Netten, met Nettekoven ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.
Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder den afwykenden form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamen Heylesonne, Leenesonne, Meiresonne.
Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. En met deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v. Abrahamson, Davidson, Benjaminson, Levison met Levisson, Salomonson, enz. Eenige namen op sohn uitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v. Behrensohn, Elsensohn, Levyssohn en Leefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.
Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgang son by eenige nederlandsche geslachtsnamen tot zon geworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz. Gerben, de naam die aan Gerbenzon ten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Gerbens en Gerbensma.—Gosenzon beteekent: zoon van Gosen, van Gosewyn of Godeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswin immers beteekent Gods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Gozens, Gosens, Goossen, Goossens afgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling als Broekson dient geschreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamen Brouckx, Broecx en Broeckx voor, even als in de friesche gouen Broekema, Broeksma, Broeksema en Broekens, allen (zoon) van Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke een oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.
In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woord zoon als zeun, seun of seune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Goudeseune, Janseune en Janszeune, en Lyseseune. De mansvóórnaam Goude, die aan Goudeseune oorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam als Goue, die, meestal in den verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in volle gebruik is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen Dola-Goutum, meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne-Goutum. De geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede-naamval van Goue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. Over Lyse, de stamnaam van Lyseseune, zie men nader § 59.
§ 34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegsel zoon, soon nog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik tot zen, sen, se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formen son, zon, soone, enz. uitgaan.
Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelike soon of zoon tot sen of zen is verbasterd: Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en Klaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, van Freerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.
By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform op s, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegsel sen of zen behouden gebleven, terwijl die s in andere namen niet meer geschreven wordt. By Harmszen en Janssen (Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; by Jansen (Jan-sen) en Pietersen (Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmeê de lettergreep sen, zen begint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.
By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form op es, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachter volgt dan nog het tot sen versletene woord zoon. Die namen zijn Gerdessen en Hugessen.—Gerd (Gert, saamgetrokken van Gerhart), in ouden tweeden-naamvalsform Gerdes, met sen, zoon daarachter, maakt Gerdessen. Even zoo Hugo, Huge, in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.
De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtollige s, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens, Diercksens en Dierckxsens, Janssens, Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckxsens is ook buitendien nog een monster van wanspelling.
My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen, wijl het aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en Lampsins zijn deze namen. Bruinssins beteekent: zoon van den zoon van Bruno.—Lampsins komt van den mansvóórnaam Lampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen van Wassenbergh en Leendertz nog voorkomt, en ook, als Lampo, in Förstemann’s Namenbuch vermeld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen Lamping, Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.
§ 35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren heeft en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders, laten geerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-n achter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelike Michielszoon, Michielszen, weldra Michielsze of Michielse geworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangsel se achter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is van sen, zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-n achter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, die bepaaldelik in de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaam Jarich ontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden Fries Jarich. Echt friesche tegenhangers van dezen geslachtsnaam Jarigse zijn de geslachtsnamen † Jariga en Jarichsma met Jarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Japik heden ten dage een meest friesche verbastering is van den naam Jacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichter Gysbert Japicx denkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naam Jacob in den form Japik en Jappick voor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekeren Joos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam ’S Jacob.
Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se: Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.
Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen, welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v. Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38
De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namen op se, wijl hy eigenlik als Kruisse (Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den form Kruysse als geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamen Kroese en Kroeze slechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschen kan aan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten: kroes, krullend; zie § 126. Waarschijnlik is de geslachtsnaam Bource ook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling van Boerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even als Boeren, Boers en Boersma, van den mansvóórnaam Boere; zie bl. 79.
§ 36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog meer verkort, dan tot zen, sen of se; het is samengekrompen tot eene enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beiden Jan De Boer heeten, maar de een is een zoon van Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik—dan noemt de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenliken geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van Jan Willemsz. en Jan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.
Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren: Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39 Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en Hilbert (Hildbrecht), de wortels van Baltensz en Hilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel van Duivensz, met den mansvóórnaam Duif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden”, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet” te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif ’s mans vóórnaam; Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaam Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaam Dubi, die in Förstemann’s Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz stammen ook de geslachtsnamen Duyfs en Duyvis van den mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpen Duveneck by Hoya in Hanover, Duvenstedt by Hamburg, en Düverodt by Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.
Een groot gedeelte van de geslachtsnamen op sz uitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede (Edo), Gelf of Gerlif, Halbe, Ige (Ygo), Lolke (verkleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne, Oeble (Oebele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als Oomke, Omke, Umke, Umco voor—van daar de geslachtsnaam Oomkens), Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe (is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika, Seba, Seeba en te Amsterdam verhollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of Sybo, Sikke of Sicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.
De geslachtsnaam Amesz is het patronymikon van den ouden, by Förstemann als Amo, by Leendertz als Ame vermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam † Amama een friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne (zie bl. 28) en Lelsz van Lelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel door Förstemann, als door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp Lellens in Fivelgo (Groningen), met Lellingen, een dorp in Luxemburg, en Lelm (Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.
Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den tweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41 van de mansvóórnamen Arend, Barend en Leendert, die welbekend, en Baart, Kloot, Feite, Loot en Reit, die minder bekend zijn. Baart, Baert, ook Beert, is eene verbastering van Barend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben, getuigen, nevens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Klootsema, ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, in versletenen form, Kloos en Klosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamen Clotinck en Cloetingh, en den naam van het dorp Kloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form, Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, Lude, Luite. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring van den geslachtsnaam Lootz, met Loots—dit kan ook een beroepsnaam ijn, loods—, Looten, Loten, Lotinga en Lootsma.—Feite en Reit, van Feitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en van Reitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, Reidsma en Reits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.
§ 37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegsel zoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg. Commer, Kommer is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders zijn beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam Koenraad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en Coops, is eene verbastering van Jacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamen Kopinga, Copinga en Koopsma oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den form Sibout meest in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamen Sybouts in het eerste, Sibolts in het laatstgenoemde gewest voor.
Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamen ontleend zijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, tot vaste toenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn: Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43 De mansnaam Arkenbout is nog als Archimbald in Engelland in gebruik. Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon) Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamen Van Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), en Blommerde, beiden patronymika; buitendien nog Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam, van Bloem en Hart, even als Evert, Everhart van Ever en Hart; Rykert, Richard, van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel van dezen naam Bloem was oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland, Bloomington in Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nog Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met Blom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdat Wassenbergh, Leendertz en Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet in hunne lijsten opgenomen hebben, en Förstemann slechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.
De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven. Gerolt (Gerholt, Gerout) b. v. aan † Gerrolluma, † Gerroltsma, † Van Gerolsma, † Gralda, † Graalda, † Grolda, † Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden form Greult is deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. Van Helmer (Helimar) komt † Helmersma, Helmering en Helmar. Van Remmer (Reginmar) komt Remmersma, Remmersna, Remmers. Van Wigmar, als Wiemer by de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalve Wyemars en Wiemers nog Wiemerink.
In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daar algemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot het platte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstra b. v. en Auke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts als Sybren Veldstra en Auke Sikkema vermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts als Sibren Tjeerds of Auke Sjoerds bekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamen Veldstra en Sikkema zijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden; Boeles, Bokkes, Binkes.44 De wortels dezer geslachtsnamen Boele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen: Boelema, Boelma en Boelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, Boelsen en Boelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams: Boeltjes, Boeltjens en Boelken. Van Fedde komen Feddinga, Feddema, Fedden en Feddens. Van Rinke, verkleinform van Rinne, Renno, komen Rinkema, Rinken en Rinkens, † Rinnema, Renninghoff, Renning in Engelland, Renkema en Renken, Rentjema, Rintjema, en Rintjes.
§ 38. De oude Nederlanders schreven veelal eene x in plaats van eene ks; zy spelden de woorden bliksem, fluks, hoekske als blixem, flux, hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In § 19 zijn reeds eenigen van die namen (op incx uitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eene k tot eindletter hebben; b. v. Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben die k nog vóór de x behouden; by anderen is die letter volkomen in de x versmolten. Als voorbeelden noemen we: Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar van Bakx en Bax tweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die in Förstemann’s Namenbuch als Bacco vermeld wordt, en waar de geslachtsnamen Baksma, Bakkes en Bakken, en, middellik, Bakhuizen en Van Bakkum ook van afkomstig zijn. Boeckx is op bl. 81 en 82 besproken. Derx is Derks, van Derk, de saksische form van Dirk; zie bl. 83. Farx is Farks, van Farke, een verkleinform van den ouden mansnaam Farre, Fare, Faro, die door Förstemann en Leendertz vermeld wordt. De friesche patronymika Faringa en † Farnia zijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelsche Farringdon en Farrington; en misschien ook wel Vaartjes, van den verkleinform. Hake, Haco is de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel door Förstemann als door Leendertz in hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaam Haex (Haeks) van afgeleid is, met Haakma, Haaksma en Haaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr met x in plaats van ks geschreven. Marx eindelik is de tweede-naamval van den mansnaam Marco, Marke, Mark (niet te verwarren met Marco, Marc, verkortingen van den bybelschen naam Marcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den form Marks komt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaam Mark, Merk nog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aan Markens, Merks, Merkens, enz.
Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaam Wincqz. In eenvoudiger spelling is deze naam Winks, een tweede-naamval van den mansnaam Winke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Winne, Wyne of Win, Wyn, ’t welk vriend beteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woord win of wyn samengesteld; b. v. Alewijn (Adelwin), Boudewijn (Boldwin, Bolduin), Liefwijn (zie bl. 82 en 88), Harrewijn, Oortwijn, enz. Als Winne en Wyne, Wynke en Winke zijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Winsma, Wynsma, Wyninga, Winia (zie § 29), Wynen, Wijnne, Wijnkes en Wienken. Misschien ook aan Windsma; zie bl. 63.
§ 39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet op es of eene enkele s, maar op is eindigen; b. v. Avis, Duyvis. Uitsluitend aan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyze is in plaats van es achter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden” kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand als Hemka Reenkys zoen vermeld; dat is Hemka, Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komt Jarich Joenkis zoen voor; dat is: Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht weg Jarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld: Bauke Sickis—in plaats van Sickes, zoon van Sikke—46, Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou van Sjoerd Buikes (zoon)—47, Jan Nannis48, Jan Mennis49, Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld, Take Sapis.51
Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen op is en isz heden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.
De geslachtsnamen op is en isz, my bekend, zijn de volgenden: Alvis, Arisz, Avis.52 Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaam Ave wordt door Leendertz vermeld. In verkleinform, als Aafje of Aafke is hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naam Duif, waarvan Duyvis een nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; over Fene, de stamnaam van Veenis, bl. 58. Jonxis komt van Jonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamen Jonks, en † Joenkema oorsprong gaf, en zekerlik één is met den frieschen mansvóórnaam Jonge. Zoo dat ook de geslachtsnamen Jongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonks enz. met Jonxis uit den zelfden wortel voortspruiten. Gale, tegenwoordig in Friesland ook als Geale voorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, met Galis, nog de geslachtsnamen Galama en Galema, Galen en Gales, en, van den verkleinform, Gaaljema afgeleid zijn.
Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgang is in plaats van es, ook in eenige met sen (zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamen Alberdissen (Alberdes zoon, Alberts zoon), Breunissen (van Bruno? of van Bronno?), Domissen (als tegenhanger van Domis en Dommisse, dat de n verloren heeft, (van den ouden mansnaam Domme; zie § 46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in § 34 zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika op is, als b. v. Bruinssins tot Bruinssens, Gerdessen tot Gerdes.
§ 40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten op s en op en: Dirks huis en Dirken huis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form op en verworpen, en dien op s behouden. Heden ten dage is de genitivus op en geheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog van Dirken wægen, Gijsen skoit, Louen seun en Krijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechts Dirks wagen, Gijsbrechts schuit of Gijs z’n schuit, Laurens’ zoon of Lou z’n zoon en Krijns dochter of de dochter van Quirinus kent.
Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo op en. Zulke namen en toenamen als Marten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoon en Harm Foppen seun kan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woord zoon sleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over: Marten Huyghen, Govert Thysen of Thyssen (zóó geschreven om den scherpen klank der s af te beelden, om te verhoeden dat men Thyzen zou lezen), Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam. Laurens, de zoon van Joost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam als Laurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen op s. Dat komt omdat reeds sedert de 16de eeu de schrijftaal den form op s begunstigde boven dien op en, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. van Dirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan) Dirken genoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel als Dirks of Dirksz hebben neêrgesteld, wijl de mode dat eischte.
Zie hier eenigen van die geslachtsnamen op en, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders. Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen in oud-hollandsche afkortingen: Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo), Joris en Goris (oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaam Georgius, George), Joost, Kerst (Kerstiaan, Christiaan), Luik (Lucas), Nolt (Arnold), Onno, Otto, Rijk, Thijs (Mattheus). Kees is de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaam Cornelis. De patronymika Keessen, Krelissen, Nelissen, Knelisse en Cornelissen stammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaam Wyn, waarvan Wynen en Wijnne zie men bl. 97. Aan den geslachtsnaam Alderden ligt de volle oud-nederlandsche mansnaam Aldert, in Friesland meest Allert, ook Allart, voluit Adelhart, ten grondslag. De geslachtsnamen Aldringa en Van Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, Allertsma en Allersma, Alers, Alerding, Alring, met Aldring en Aldrington in Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamen Aldrington in Sussex, Engelland; Aldringa-burcht te Bedum in Hunsego, Groningerland; Audrehem, dat is Alderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats van Aldert, in Artesie, Frankrijk; Aldersbach by Vilshofen in Beieren; Allersma-heert te Godlinse in Fivelgo, Groningerland; en Alerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.
De geslachtsnaam Alderden komt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nog meer was, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. Behalve Alderden bestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamen Lubberden (van Lubbert, Ludbert, Ludbrecht), Syberden (van Sybert, Sîgbrecht), Jooren (van Jore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten wordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Joors (aan de Zaan) en Jorink (in Twente), en aan den plaatsnaam Jorum (Jora-heim, woonplaats van Jore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaam Kommerden (zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevens Blommerde (van Bloemhart, zie bl. 93 en 94) en Remmerde (van Remmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.
By alle geslachtsnamen, patronymika op en, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen: Binken, Blanken en Blenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamen Binke, verkleinform van Binne, Benno (zie bl. 28), Foppe (waarvan ook de geslachtsnamen Foppema, Fopma, Foppes, Foppens), Hedde (waarvan Heddinga, Heddema, Heddes, en Hedding in Engelland), Heere of Hero, Luit, (in verkleinform Luutzen) Makke, Okke of Occo, Poppe, Rense of Renso of Rinse, Sine (zie bl. 72), Temme of Tammo, Uneke of Unico, ook Oenke, Oentsen, alles verkleinformen van Uno, Oene; Warre en Wobbe, in verkleinform Wobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika. Blank, Blanco, waarvan Blanken en Blenken, even als Blanksma en Blanks, is een oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamen Coelen, Koelinga, Coelingh, Colinck en Koelinck, met Koolsma en Coolsma, Coolen en Coole, met Coles in Engelland (Coleshill heet eene stad in Warwickshire, Engelland; en Koolskamp is een dorp in West-Vlaanderen); met Kooltjes, van den verkleinform, misschien ook met Kool en Cool, wyzen duidelik op eenen mansvóórnaam Koele of Kole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet. Hubben (de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaam Hubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaam Hobbe is in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Hobbing, Hobbema, Hobma, Hobbes en Hobbie (zie bl. 70) alle in friesche gouen; Hobbes en Hobson komen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaam Pollen, zoo mede aan Pollema en Polsma met Polsius in Friesland, Polling in Drente, aan Pols en Pollsen, waarschijnlik ook aan Pol (in Friesland), en aan de plaatsnamen Polleben, dorp by Eisleben in Saksen; Polling, dorp by Weilheim in Beieren; Pollhorn by Rendsburg in Holstein, moet een mansvóórnaam Pol of Polle ten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamen Pelle en Palle, waarvan Pelsma, Pels, Pellens en middellik Van Pellecom, met Palma, Palsma en Pals. Het patronymikon Snellen eindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaam Snel, door Leendertz en Brons vermeld, en welke naam, volgens Förstemann, als Snello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamen Snellens en Snellings, met Sneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkele Snel, en de plaatsnamen Snelleghem (Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen, Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden en Schnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af van Snello, dat is gezeid: de snelle, de vlugge.
By eenige geslachtsnamen, patronymika op en, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamen Dyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, Vinken en Vossen meervoudsformen te zien van de woorden, dijk, roos, staal, ster, struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijn zy dit laatste in der daad. Over de namen Fene en Fere, waar van Veenen en Veeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan. Dike, waar Dyken van komt, met Dykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, Dykens en Dijksen, ook met Diekenga en Dikena in Oost-Friesland, en met † Dicing dat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking van Dideke, dat weêr een verkleinform is van Dide.—Roozen, met Roosen, misschien ook met Rose en Roos, stamt van den oud-nederlandschen, door Leendertz vermelden mansnaam Roos, die ook door Förstemann als oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaam Roos oudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijn Rosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozenga in onze friesche gouen, Rösing in Oost-Friesland, Roosens, Rooses en Reusens in Vlaanderen; en van de verkleinformen: Roosjen in Friesland, Roosjes en Roskes in Holland en Brabant, Röskens in Oost-Friesland.
Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en alle geslachtsnamen die er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden dat Stale of Stalle, Sterre of Stere of Star, Struuk, Finke (verkleinform van Finne) en Fosse allen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.
Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Franken en Sassen, met Franke en Sasse in versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men § 69 nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamen Thoden, Tholen, Tjaden en Uden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy men Tholen misschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika op en, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamen Thode of Tode, Thole of Tole, Thiad of Thiado, (door de Friesen als Tjaad uitgesproken, zie bl. 62) en Udo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor als Udeke (Udico), Oedke, in middeleeusch friesch Oedtse (k = ts), tegenwoordig meest Oetse, Oetzen en Oeds gespeld. Van Thole hebben wy nog de geslachtsnamen Tholema, Tholing, Tolings, Tolens en misschien ook Tool. Van Thiado, Tjaad kwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamen Thiadama en Tyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. En Udo, Oeds heeft oorsprong gegeven aan Oedsma en Oetsma, Oetzes en Oetzen, Udinga, Udema, Udens en Udink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinform Oetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook wel Oetgen schreef, en in Brabant als Oetken; van daar de geslachtsnamen Oetjes, Oetjen en Oetgens en Oetkens. Te Amsterdam is een Oetgenspad, en Oetingen (patronymikon van Udo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.
§ 41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-n achter de woorden niet uit; in § 35 is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonlooze e eindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen op en uitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen op en, als de namen op se (Pieterse) staan tot de namen op sen (Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-n tot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy: Bane en Baane, Boone, Faasse, Huighe, Koene en Kuene, Koppe, Louwe, Nolte en Steene. Over Faasse en Nolte (Faassen en Nolten) zie men bl. 88 en bl. 101. Huige en Huighe komen van Hugo; zie bl. 100. Koene (Koenen komt ook voor) is het versletene patronymikon van Koen, de gewone verkorting van Koenraad; dit Koen (Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden. Kuene (en Kuenen, dat ook voorkomt, benevens Kühnen, Kühne en Kühn op hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam. Koppe en Koppen komen van Kop, een der talryke volkseigene verkortingen van Jacob; zie bl. 93; zoo ook Louwe van Lou, eene hollandsche verkorting van Laurens.—Bane en Baane, Boone en Steene, met de volle formen Banen, Boonen, Steenen en Steinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn. Bane is tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. Behalve Bane, Baane en Banen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamen Banema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, en Bahntje in verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaam Bono, Bone is tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam. Leendertz heeft hem nog in zyne naamlijst als Boontje, in den verkleinform. De geslachtsnamen Boning (in Engelland), Boninga (in Groningerland), Böning (in Duitschland), Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamen Boninghall, in Salopshire, Engelland; Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk); Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.
De mansnaam Steen, ook Stein, Stien en in Skandinavie Sten, is geenszins zoo zeldzaam als Bane en Bone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: † Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, Steensen en Steenis; zie bl. 98.
§ 42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform op en minstens even oud als die op s, zoo hy niet ouder is. Maar de form op en is uitgestorven, terwijl die op s behouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form op en niet meer verstond; dat het de beteekenis niet meer kende van patronymika of toenamen als Huigen en Joosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, op s uitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen die Pieter Joosten heette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heette Klaas—niet Klaas Pieterszoon of Klaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maar Klaas Joostenszoon of Klaas Joostens. En dit Joostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen op ings, inkx, die in § 18 en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.
De geslachtsnamen op ens zijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen: Bertens, Dierkens, Eppens.55 Behalve de algemeen nederlandsche mansvóórnamen Bert, Dierk (Dirk, van Diederik saamgetrokken), Hugo en Rijk, van Bertens, Dierkens, Huigens en Rykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen, Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeue of meest Lieue (Lieuwe), Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe (Tjebbe), Tonco, Ubbo, Uilke (zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden: Eppinga (Epping in Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud), Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, Ubbinga en Uilkema.
Deze geslachtsnamen op ens zijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooals Martens en Feltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn op s, en dus tot de groep behooren die in § 37 behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit op en. Marten en Felten zijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namen Martinus en Valentinus.
En evenmin moeten de geslachtsnamen op ens verwisseld worden met anderen die ook den uitgang ens vertoonen, maar die toch tot de groep der eenvoudige genitiven op s behooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (ken en tjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eene n daarachter, in de noordelike zonder die n (als ke en tje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus, en en s, ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn: Arekens, Bollekens, Boomkens.56 Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinform op en (Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen als Bantjes, Brantjes, Buyskes,57 ontleend aan verkleinformen op tje en ke, zonder slot-n.
Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren. Arekens is het patronymikon van Areken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden mansvóórnaam Are. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Arema in Friesland en Arink te Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aan Aringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man die Are heette. Arekens echter zou ook kunnen komen van Areken, Aarnken, verkleinform van Aarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaam Arend. Arnken komt ook als geslachtsnaam voor. Kannekens komt van Kanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamen Kanninga en Cannenga; Cankena (eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland; Canning en Cannington in Engelland. En uit de plaatsnamen Cantrup (d. i. Kandorp), dorp by Bassum in Hanover; Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk; Caneghem (Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen; Canum (Kanna-heim) en Canhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjens komt met Zoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht als Sonius, met Sönnichsen (van den verkleinform Sönnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma, Sonnema, † Sonningha, misschien ook met Sonnega (zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Friesland; Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland; Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen; Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen, hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaam Sonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten form Zone draagt. Maatjes is een patronymikon van Maatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaam Mate, door Förstemann als Mato vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Maats, Maetens in Vlaanderen, Matena (een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. Over Bollekens zie men bl. 27, over Schellekens en Scheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; over Vennekens, van Venneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; over Bantjes van Bantje, Banne, bl. 51, enz. Brantjes is van Brant, een welbekende mansnaam, en Haantje, Lolke, Mintje, Onneke (Onno), Rinke (Rinne), Solke (Solco), Waalke zijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.
Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangsel ke, ken of tje, tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel als gen. Woorden als huysgen, kintgen, poertgen voor het hedendaagsche huisje, kindje, poortje treft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak deze g (gie), ook wel ch (chie, chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men van borregie, poregie voor bordje, poortje, te Zwolle van lämmechie, in Drente van lammechien voor lammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen met g, gen. Namen als Barentgen, Marytgen treft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen als Alechien, Alechina; Lubbegien, Lubbechina (oorspronkelik Lubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.
Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. in Bontgens, Fortgens, Heyntgens en Heintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens, allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen. Bontgens (Bontjes komt ook voor) is van Bonne; zie bl. 57 en 58. Heyntgens komt van Heintje, van Hein, Hendrik.—Lutgens, met Lutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaams Lute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog als Luut, Luit, in verkleinform Luutzen, Luitsen, in volle gebruik is. Over Wintgens van Wintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, als Bürsgen (Bürsgens in Nederland), Pörtgen, Röndgen, Wirtgen (Wiertjens in Nederland), enz.
§ 43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie § 23. Zy hebben deze eigene nieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.
De byzonder friesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.
By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:
1º. Namen die op eene enkele a eindigen (Gerbranda).
2º. Namen die op ma uitgaan (Abbema). De namen op na (Ukena) formen hier van eene bygroep.
3º. Namen, waar van de laatste lettergreep sma is (Geertsma). Hiervan formen de namen op sema (Geertsema), op sna (Snelgersna) en sena (Sierksena) bygroepen.
§ 44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eene a, of door verwisseling der toonlooze e, op het einde van eenig woord, met a. B. v. het woord campa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamval campa, van het gevecht; tunge, tong, wordt in den genitivus tunga, van de tonge; en are, oor, wordt ara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16de en 17de eeu, die forming op a by gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in het Register van den aanbreng van ’t jaar 1511 en in de Oorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemd Jarich Focka zoen, dat is: Jarich Fokke’s zoon, of Jarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. Dit Focka is hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezen Jarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v. Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) van Boue en Beike.
Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen op ing, op s, op en, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook op de zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikon Homma, gelijk Renick Homma zoen bovengenoemd droeg naar den naam zijns vaders Homme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ook Hommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al mede Homminga en Hommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.
De geslachtsnamen op eene enkele a uitgaande, behooren, met die op inga eindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.
In § 91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eene a, van plaatsnamen geformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze van mansvóórnamen afgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld: Alberda, Algra, Andla.58 De oorsprong der namen Alberda (met Albarda), Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda (met Reenalda, Renalda, en zelfs verbasterd Ringnalda en Ringenalda) en Wynalda, van de mansvóórnamen Albert, Bernard, Bruno, Menald (Meinout, Meginhold, Meginhalt), Reinald (Reinout, Reginald, Raginholt) en Wynald (Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn. Andla en Andela, Gosliga (met Van Gosliga, Goslinga en Van Goslinga), Idsarda (met Idzarda en Idserda), Jilderda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda en Tjarda zijn patronymika van de mansvóórnamen Andle, Goslig (Goslich, Gosling), Idsart of Idsert (Edsart), Jildert, Ruurd, Sjoerd en Tjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn. Hameka, met Hammeka, komt van Hameke of Hamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden naam Hamo, die als Hamme by de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamen Hamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, † Hammama, Hamje (zie bl. 70) en Hammes met Hamkema oorsprong gaf. Algra en Algera zijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland als Alger nog gebruikeliken mansvóórnaam Algar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaam Algersma is afgeleid. Popta met Van Popta en Pupts zijn afgeleid van den mansvóórnaam Popt, door Brons als een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaam Pop, Poppe (Popke) te beschouen is. Rembada is een versleten form van Rembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud = kâ’d; wrald, wereld = wra’d); en Rembald (Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaam Rippert, die aan de geslachtsnamen Ripperda en Rypperda ten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17de eeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. Over Tjaard zie men bl. 62.
Sjoerda en Sjoorda zijn vadersnamen van den mansnaam Sjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam is Sigurd (Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitsche Siegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in de Nederlanden als Sîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuert werd uitgesproken, en waar de geslachtsnamen Sieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van afkomstig zijn. De zachte friesche g van den oud-frieschen form dezes naams Sigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eene j: Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spelling Sjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden als Siud, Siut, zonder r, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam de r niet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy van Hette maakten Hector, van Tjaard Tarquinius, van Tjibbe Tiberius, toen verformden zy Sjoerd tot het barbaarsche Suffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. Nevens Sjoerda en Sjoorda zijn van den mansnaam Sjoerd nog afgeleid de geslachtsnamen Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma (in oude oorkonden als Siurdisma geschreven), Sjoerds (deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, de d verloren en is tot Sjoers geworden), Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland. Sjoerda-staten eindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.
De mansvóórnaam Sjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamen Sjaarda, Sjarda en † Sjaardema ten grondslag ligt, moet met Sjoerd niet verward worden. Sjaard immers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, van Sighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam is zegaart of overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naam Victor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den form Siegart voor, waarvan Segaar en Siggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woord cigaar is by de verklaring dezer namen niet te denken.
Wiard is een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenals Wierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naam Wîghart (Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamen Wiarda, die over geheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is, Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naam Wiard als Weiert; vandaar de geslachtsnamen Wyerda en Weyerda. De naam van het oud-friesche dorp Wiarden in Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaam Wiard is afgeleid, wordt in de wandeling ook als Weierden, Weieren, Wei’rn uitgesproken.
Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Jorna en Jurna ten grondslag ligt, zoomede aan † Jornsma en misschien ook aan Jörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het is Jorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Eburwin, die als Eberwein in Duitschland, en als Everwijn in Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is. Eburwin of Evorwin, Ivor(w)in, I(v)orin, Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorp Jorwert (waarvan de maagschapsnaam Jorwerda—zie § 91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaam Jorrit (waarvan de patronymikale geslachtsnamen Jorritsma en Jurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaam Jorrit is de zelfde naam als Eberhart, Everhart, Everaart in andere germaansche talen. Jorrit is eigenlik voluit Jorhart, volkomen zoo als Gerrit eigenlik voluit Gerhart is. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaam Jorwert als Everwert of ook Everwirth geboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stad York, in het Latyn Eboracum, schreven de oude Engelschen Eurewic (Evrewic),59 de Angel-Saksen Eforvic, dat is I(v)or(r)ic of York. De friesche plaatsnaam Jorwert en de engelsche plaatsnaam York moeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven worden Everwert en Everwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlanders aldus; Kiliaan b. v. heeft: »Eberwijck of Jork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamen Jorna en Jorritsma zijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaam Everwijnse (zie bl. 89), als Everijnsz dat ik elders vond, en als Everaarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.
Aangaande het verschil tusschen Jorna en Jurna, Jorritsma en Jurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men § 78, by de namen Van Borkum en Van Burkom.
§ 45. De friesche patronymikale geslachtsnamen op ma eindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechsel ma; b. v. Gercama, bestaat uit Gerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaam Gerke (een verkleinform van den ouden naamstam Ger, Gero), en uit ma. En dit achtervoechsel ma beteekent eenvoudig man. Dus Gercama is letterlik man (zoon, hoorige) van Gerke of van den kleinen Gero; Lycklama is man van Lykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaam Nicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam van Likelsgea of St. Liklesgea aan het dorp St. Nicolaasga (ga of gea is dorp in het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.
Het woord man of ma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die op ma eindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel van zoon als van kleinzoon en nakomeling, ook van neef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog van hoorige, volgeling, dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate. De oude Gerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezen clan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zich Gercama of Gercamannen, mannen van Gerke.
Het woord man vinden wy in het Oud-friesch gewoonlik als mon, soms ook als man, en als men of mena in het meervoud, ook als mona in den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-n als ma luidde, leert ons het woordje men, dat in ’t Oud-friesch als ma, later ook als me voorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v. me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordje men (ma, me) is anders niet als het woord man in meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat door men beheerscht wordt; ma scoene sizze, en niet ma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordje men beheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen: men zou zeggen, en niet men zouden zeggen.
Maar genoeg! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam Frouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en 14de eeu voor als Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men § 60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Sirikesmona, Brongersma als Brungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle form mona ook, door verfloeiing der klanken, in mena over. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam der Luidera-mena in Garreweer (Fivelgo). Luidera-mena, dat is letterlik: de Luidera-mannen, de mannen van Luider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen op mona, mena, ma eindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13de en 14de eeu, nog ten vollen bewust. Sicco Siccama b. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluit Siccamona geweest was, dat hy dus de Sicco of Sikke was der Sicca-mannen, der mannen van Sicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechsel mona, mena, ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy Mariëngaarde door Æ. W. Wybrands uitgegeven, op ’t jaar 1224, de Blondera-viri genoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, de Sembranda-viri, de Ummegga-viri (Umminga-mannen), de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri, als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13de eeu te Uithuizen (Groningerland) de Aybadamani (Aybada-mannen, mannen van Aybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum de Dincinga-manni, de Obeka-manni en de Onninga-manni, en dat er te Oldesyl eene area Aylbadis-mannorum was. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen de Beninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers de Ludigmannen (Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen aanzienlike geslachten waren.60 (Jellaman, nog heden als geslachtsnaam Jellema bestaande, is man van Jelle, en Jelle is een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).
Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen op ma eindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform op a (zie bl. 112). Dit zijn b. v. Dykama (zie bl. 104), Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namen Ekema en Eekma naast Ekama; Galema naast Galama; Gerkema naast Gercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaam Ekama, den mansvóórnaam Eke, ook als Eco voorkomende. Dit Eke, Eco is anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam of kosename in gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaam Eelke of Eelco. De vrouelike form van Eelke is Eelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ook Eeke (Eke) en, weêr verkleind, Eekje genoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen form Eelke is ook de meer hollandsche form Eeltje als mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichter Eeltje Hiddes Halbertsma b. v. heette alzoo. Eelke en Eeltje nu zijn verkleinformen van Ele, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. En Ele is eene samentrekking van Edele, een naam die in haren oudsten form als Adel, Athal onder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daad de edele (man), de adellike beteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen Ekama met Ekema, Ecoma en Eekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorvene Adelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon van Athal.
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonlooze e is overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld: Attema, Aukema, Balkema,61 enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamen Benno en Otto zijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en Ottema. Ook de mansvóórnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lycklama (zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolai en vele anderen, volkomen het zelfde beteekenen. Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.
Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon op ma eindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eene e gevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. By Beintema, Gjaltema en Klasema, afgeleid van Beint, Gjalt en Klaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamen Frankema en Joostema, van de mansvóórnamen Frank en Joost.
De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eene a op ’t einde werden geschreven (Humma of Homma, Hetta, Saka, tegenwoordig Homme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eene o als sluitletter geboekstaafd; b. v. Eelke = Eelco, Otte = Otto, Rinse = Renso, Harke = Harco. De o is in deze namen van jongere dagteekening dan de a, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelike a tot eene toonlooze e verfloeide. Deze o is althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen, dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze met o weêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonlooze e. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen die o reeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonlooze e, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslacht Albertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam tot Alberthoma verfraaiden. Albert Albertema (dat is: Albert Albertszoon) schreef zynen naam, als dominus: Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!
By eenige ma-namen is die o tot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. by Deroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, Tacoma en Takoma, enz.
Velen van deze ma-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevens Ekema met Ekama en Ecoma ook de geslachtsnaam Eekma; naast Abbema, Bokkema, Bottema, Eikema en Hobbema komen ook Abma, Bokma, Botma, Eickma en Hobma voor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. Namelik man of zoon van Eke (zie bl. 120), Abbe, Bokke, Botte, Eike en Hobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.
§ 46. Nevens de ma-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die op na uitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met de ma-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat de na-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen de ma-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her de geslachtsnamen Attena, Habbena, Sydsena, Ottena enz. nevens Attema, Habbema, Sytsema en Ottema in Friesland tusschen Fli en Lauers.
Den oorsprong, in taalkundigen zin, dezer na-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgang na kan evenzeer als ma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgang mona (zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaam Frouwana zoo wel uit den ouden vollen form Frouwa-mona ontstaan zijn, als de groningsch-friesche naam Frouwama. Het hedendaagsche verschil tusschen m en n kan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgang na kan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform op en, welke in § 40 besproken is. De omstandigheid dat deze oud-friesche na-form in geschriften uit de 15de en 16de eeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform op en, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15de en 16de eeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze als Ayolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze als Ayolt Wyben geschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelik Ayolt, (zoon) van Wibe of Wybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens als Thiark Jellena, dan eens als Tjarck Jellen vermeld. En een derde nu eens als Sibad Atsena, dan eens als Sybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15de eeu levende, wordt in oude oorkonden nu eens Marten Sitzena, dan weêr Martinus Sytzen genoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af als Fokke Uken en Focke Ukena. En geen wonder! In die dagen verstonden en gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnen toen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15de en 16de eeusche Friesen was het even duidelik of zy Marten Sytsena zeiden en schreven, of Merten Sytsema of Maerten Sitzen of Sytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten: Marten, zoon van Sytse, of Marten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v. Epena, Epen, Epema en Epesz, van den frieschen mansvóórnaam Epe afgeleid, en allen (zoon) van Epo beteekenende.
Komen de na-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen de na-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter der na-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat der ma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend dan Altena, Bultena, Domna,62 enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid. Domna b. v. van Domme of Dome, een mansnaam die in de lijsten van Leendertz nog vermeld wordt, en eveneens in Förstemann’s Namenbuch. De geslachtsnamen Dommisse (zie bl. 99) en † Doma zijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam. Doma-sate is nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaam Domme door niemand in Friesland meer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaam Domme of Dome heeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoord dom, maar is oorspronkelik ons woord doem (nog in verdoemen over), Oud-hoogduitsch tuom, Oud-noorsch tôm, en judicium, oordeel, beteekenende. Zie Förstemann’s Namenbuch op den naam Dom.
De namen Bultena en Altena dienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschap De Bult by Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en dat Bultena wel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaam Bult. Deze oude naam is, met Bultet, een byform van den mansvóórnaam Bulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamen Bultema en Bultsma in Friesland, en Bultynck in Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehucht Bultinge by Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehucht Bulthusen by Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).
Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaam Altena aan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre als Alte een oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaam Altena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, als al te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaam Denkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken; denk na! Niet te min is Denkna eenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Denke Dank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamen Danklef, Dankwart (Tanquart) en Dankret (Tancred). En zoo heeft men ook dien naam Altena gegeven aan huizen en plaatsen, die al te na by iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dus al te na daar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stad Altona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum, Altena heet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehucht Altena by Idsegahuizen, met het voormalige blokhuis Altena vlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteel Altena vlak buiten de Schoolpoort te Delft; met Altona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), met Altona by Sengwarden in Jeverland, met Altona by Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslacht Altena in Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikon Altena.
§ 47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die op sma of sema, sna of sena eindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geen afzonderlike groep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van de ma- en na-namen. Want oorspronkelik behoort de s van sma en sna niet tot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvende ma (ema) en na (ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechsel ma en na, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamen Halbertsma en Geertsema b. v. bestaan niet uit de lettergrepen Halbert en sma, Geert en sema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uit Halberts en ma, uit Geertse (omzetting van Geertes) en ma. En die s, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechsel ma, is werkelik niets meer of minder dan de s, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt. Halbertsma wil dus eenvoudig zeggen: de ma of man, dat is: de zoon of de volgeling van Halbert, van den stamvader die Halbert heet; dus Halberts man. En Geertsema is Geertes man, de zoon van Geert.
Uit een taalkundig oogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgang ma), als saksische of frankische (de s in den tweeden-naamval). Het patronymikon op ma van de mansvóórnamen Halbrecht en Gerhart zoude in zuiver oud-frieschen form Halbertama en Gertama moeten zijn. De sma- (en sema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. De sma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkele a, op inga, ma en na uitgaan. In de 13de eeu mogen er reeds hier en daar enkelen van deze sma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudste sma-namen, my bekend, is die van het geslacht der Bolesmona dat in de 13de eeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was. Bolesmona, Boles mona, dat is: de Boles mannen, de mannen van Bole, en Bole (Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naam Bolesmona treedt later als Bolesma en Bolsma voor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook de Sirikesmona en de Brungersmona vermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen van Sirik, Sierk en van Brungar, Bronger beteekenende, komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamen Sierksma en Brongersma voor.
De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, als Bolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen op sma eindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263 den hedendaagschen geslachtsnaam Sjuksma als Siukisma geschreven. (Aangaande dit byzonder-friesche is in plaats van es, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die op is uitgaan, en die in § 39 behandeld zijn). De man die in dat stuk Benka Siukisma genoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664 voor als Beenka Siukesma, en in eene andere van 144265 als Beenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaam Siuk (Sjoek), als Sjuksma gespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechsel sma uit esma en isma aantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen kan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.
§ 48. De sma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door de sema-namen vervangen. De sma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelike sma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgang sma te voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in § 64 en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld. Van het groote getal oorbeeldige sma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen: Albertsma, Arendsma, Barendsma,66 enz. Van dezen namen zijn Albertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsma met de verwante formen Meinderdsma, Meindersma, Mindertsma en Mindersma, Pietersma met Petersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, van Albert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert (Meinart, Meginhart), Pieter en Peter, Siger of Zeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamen Dure (zie bl. 46 en 47), Gelder, Hoite, Jorrit (zie bl. 116), Nammen, Riemer (Redmar), Sierd (Siard, Sîghart), Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer (Thiadmar), Wiger en Wierd (Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aan Duursma, Geldersma, Hoitsma, enz. Nevens Arendsma komen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formen Aartsma en Arensma (oudtijds ook † Aarnsma) voor; nevens Brandsma nog Brantsma en Bransma; verder Folkersma en Volkersma nevens Folkertsma; Lammersma nevens Lammertsma; Siersma en Wiersma nevens Sierdsma en Wierdsma (oudtijds ook † Syardsma en † Wyardsma); Wiegersma, Wygersma en Wiggersma nevens Wigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaam Gelder, waar Geldersma van afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaam Geldra; over Sierd zie men bl. 115; en over Steen bl. 106. Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Tiemersma en Tymersma ten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken form Thiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfden naam stammen ook de geslachtsnamen † Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ook Diemer en Diemers met Dethmers (van Dietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamen Tjamsweer (samengetrokken uit Tiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam; Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland); Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds als Tiedmarum (dat is, Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmars woonplaats) geschreven werd; Timertsma-state te Idaart, enz.
Een byzondere friesche geslachtsnaam is Leefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaam Levi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-friesche sma-namen opgemaakt. Dat men van Levi en sma niet Levisma gemaakt heeft, is niet vreemd. De form Levisma druischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de form Leefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men de f niet te scherp uitspreekt, maar ongeveer Leevsma zeit. Buitendien wordt de vóórnaam Levi by de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort als Leev, Leef uitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, als Löv, Löw, en zelfs als Löb. Onze nederlandsche form Leip (ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte form Leef maakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaam Leefmans. Leefsma is de friesche wederga van de geslachtsnamen Levyssohn en De Levie (de = van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by de sma-namen te bepalen: Abelsma, Jacobsma, Simonsma (met Siemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor, omdat Abel, Jacob en Simon mansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijl Levi tot de Israëliten beperkt is.67
Sommige sma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon, naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaam Van Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen dat Reesema een patronymikon op ma (en niet op sma) ware van den oud-germaanschen mansnaam Rese, die in de naamlijst van Brons voorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaam Reesink van afgeleid is. Maar Reesema werd in de vorige eeu nog Reersema geschreven, dat eene samentrekking is van Redersma. Reer, Reder, Redert is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten form Redart, Redhart is. In de 15de eeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form als Redartsma. Toen was Redart Redartsma deken van Oldehove te Leeuwarden.68 In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook als Redertsma, Redersma en Reedersma voor. Rethardisna is een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook tot Reersna verloopen is, even als Redartsma tot Reersema en Reesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Reterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamen Rederstall, een dorp in Ditmarschen; Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren; Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen; Reersum (dat is Rethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.
Bergsma, Brugsma, Hamersma en Wakkersma zijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woorden berg, brug, hamer en wakker zoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslacht Bergsma voert zelfs een varken, friesch baerch, barg, als sprekend wapen. In Kiliaan’s Woordenboek komt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aan Bargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag. Berg of Barg is eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaam Bercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (Adelbrecht of Albert, Harbrecht of Herbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn: Bergema, Bergen, Bergs en Bargen; misschien ook Bergman, Bergmans, Barchmans.—Bergsma en Bargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen als Albregt en Albracht, Hermans en Harms, Gerritsen en Garritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.
Brugsma is een versletene vadersnaam van den mansvóórnaam Brucht, die, ook als Brugt, zelfs als Brug geschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, als Bruchtert of Burgert (Burghart, Borchart) enz. Met Brugsma komen nog de geslachtsnamen Brugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts en Brugs, waarschijnlik ook Burga, en de plaatsnaam Burchsum (Burch’s heim, Bruchts woonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaam Burcht.
De geslachtsnamen Hamersma en Hammersma, met Hamringa, Hameringa, † Hammerga en Hammers, en de plaatsnaam Hammerum (Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, door Förstemann ook vermelden mansvóórnaam Hamar (Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is als hamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aan Thor’s hamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens: Ger, Geer (Gerhart, Gerolf) = speer; Bronno = schild, harnas; Brant (Hildubrant, Hadubrant, Adelbrant) = zwaard, enz.
Wakkersma eindelik, met Wakkers en misschien Wakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaam Wakker, by Förstemann als Vacar, Wacchar, voorkomende.
§ 49. Tusschen de geslachtsnamen die op sma en die op sema eindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak. Sma komt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor, sema in Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v. Geertsma in d’ eene, Geertsema in d’ andere gou. En zoo is ’t ook met Bonsma en Bonsema, met Boersma en Boersema, Bylsma en Bylsema, Duursma en Duursema, Hansma en Hansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval op is of es. Van den mansvóórnaam Geert b. v. maakten zy in den tweeden-naamval Geertis of Geertes. Kwam daar nu het oude woord ma achter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaam Geertisma of Geertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14de en 15de eeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form; Aylufsisma (later Alofsma), Juwisma (Jouwsma), Jarichisma (Jarichsma), Siukesma (Sjoeksma), Siwrdesma (Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16de en 17de eeu in. Zy verloren hunne toonlooze i of e, en werden Alofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonlooze e in deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formen Jeltisma, Geertesma zelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen van Jeltesma tot Jeltsema, van Geertesma tot Geertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak men es als se uit. De oorspronkelike formen Geertesma en Hoekesma werden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken tot Geertsma en Hoeksma, by de oosterlauersche tot Geertsema en Hoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.
Eenige weinige sma-namen, allen in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch, hebben deze samentrekking van isma of esma tot sma niet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v. Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, Sibesma met Siebesma en Sybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamen Age, Auke, Minne of Menno, Pebe of Pibo en Sibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nu Aagsma, Auksma, Minsma, Peepsma en Sypsma luiden.
De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden der sema-namen gelden: Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar van Ilpsema is de oorsprong my duister. Franssema is van Frans afgeleid, dat weêr eene verkorting is van den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaam Frank ligt er aan ten grondslag. Roelfsema is duidelik genoeg, en stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van den bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is Klootsema reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen mansvóórnaam Aue, die hedendaags meest in verkleinform als Auke in gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen † Auwema en Auwen oorsprong gaf. Bansema komt met de maagschapsnamen Banning, Olden-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden mansvóórnaam Banno.—Brondsema en Brontsema, met Bruntink, Brunten en Brunt, stammen af van Bront of Brunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eener t, van den naamstam Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende, althans van 1850–1870, die Bronno Brons heet), stammen de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema, Bronsema en Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brunnico, dat is Bronno in verkleinform.—Jelte, Tiete en Weite, waarvan Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsema eindelik en Luursema zijn met de geslachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lührs en Luyrink afgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waar Luurt en Luur afgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luursema zijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachten Luyrtsma in Friesland bewesten Lauers, Lyursna in Friesland beoosten Eems.
Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds de s als beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door de z vervangt, is by eenigen van de sema-namen die uitgang in zema veranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn: Gerzema (de goede form Gersema komt ook voor), Hoekzema (nevens Hoeksema), Roelfzema (naast Roelfsema), Rinzema, Schultzema, Wiertzema en Zetzema. En by sommige sma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, op k eindigt, is de s van sma met die k tot eene x versmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namen Blinxma (zie bl. 46), Boxma, Haaxma (zie Haex op bl. 96), Harinxma en Van Harinxma (de zuivere form Haringsma komt ook voor), Looxma, Sixma (Siksma en zelfs Sixsma bestaan ook), enz.
Eenige geslachtsnamen zijn slechts sema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot de ma-namen (zie § 45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven op se eindigt; b. v. Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamen Haitsema, Reitsema, Ritsema en Sytsema van afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet in Hait en sema, maar in Haitse en ma, Reitse en ma, enz. Haitse, Reitse, Ritse en Sytse zijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, als Haitsma, Reitsma, Ritsma en Sytsma voor.
De geslachtsnamen die op sna en sena eindigen († Edzardsna, † Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke op na uitgaan (zie § 46), als de sma en sema-namen staan tot die welke ma tot uitgang hebben. Deze sna- en sena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen in De vrije Fries, deelen XIII en XIV.
§ 50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetsel van voor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past dit van volstrekt niet vóór deze namen. Van past slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen met van er voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door er van of von voor te zetten.70 Die zoo deden, hebben niet bedacht dat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen, de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v. Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woorden state en sate wel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon op Abbinga”, en »ik kom van Allinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen met van er voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v. Van Baarda en Van Bloemersma eigenlik in de plaats staan voor Van Baarda-state en Van Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts in dat geval. Anders zijn namen als Van Hottinga en Van Buma in het Friesch even dwaas, als b. v. Van Jansen en Van Pietersen in het Hollandsch wezen zouden, als Von Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzer in het Hoogduitsch zijn. Zie ook § 26.
Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v. Olferda-state), dien alouden naam met van er voor, als Van Olferda voor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslacht Olferda nog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zich Van Olferda(-state), omdat hy op Olferda(-state) woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naam zonder van, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form met van eenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met dit van voorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is dit van een byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16de of 17de eeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor, zonder van, ’t welk er ook niet by behoort. Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmania zijn in de middeleeuen slechts als Cammingha, Bothnia, Burmania bekend.
Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechsel van: Van Goslinga en Van Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema (zie bl. 132), Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zonder van: Goslinga met Gosliga; Haga met Ter Haagha71; Eisinga en Eizenga; Hettinga en Hettenga, Hania en Hanje; Abbema en Abma; Ietsma en Ytsma.
Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonk b. v. en Cranendoncq, Derx en Derks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding; Kamminga b. v. en Kammenga, Raadersma en Radersma, Attama en Attema.
Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmelden en vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v. Scheltinga en Van Scheltinga, Van Eysinga en Van Eisenga (zie bl. 26 en 60), Van Harinxma en Haringsma, Van Heemstra en Heemstra, Van Cammingha, Kamminga en Cammenga, Aylva en Aleva, Buwalda en Buwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.
§ 51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »de Jan, de Piet en de Klaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet: der Wilhelm, der Joseph, die Maria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, als Swolfs, Smertens, dat is: des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoord des (tweede-naamval van de) is by deze namen tot s (’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v. ’s Heeren goedheid; ’s prinsen beleid; ’s mans berou; voluit: des Heeren goedheid, of de goedheid van den Heer; het beleid van den prins; het berou van den man. Zoo ook Swolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man die Wolf heet.
Behalven Swolfs en Smertens zijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend: Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook als Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is ’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon van Maas. En Maas is eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaam Thomas.—Speters en Spiers, met de verwante en versletene formen Speers, Spies, Spees, Speessen, is ’s Piers, des Piers zoon, de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemans komt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Tilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en als Tilmans, Tielmans als geslachtsnaam voorkomt.—Stielen en Stieltjes komen eveneens van Tiel en Tieltje, dat is: Tyl, Tilo, welke naam als Tijl, en, in verkleinform, als Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekent Stieltjes: zoon van den kleinen Tyl.—Stiemens eindelik staat in de plaats van ’S Tiemens, des Tiemens zoon; en Tiemen, Tymen, Tieman, Timan (niet te verwisselen met den griekschen mansnaam Timon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelik Tiedman, Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemens af.
De oud-germaansche naam Godfried, vernederlandscht tot Godefert, Godevaert, Govert, Govaert (waarvan de geslachtsnamen Govaerts, Goevaert en Govertz) is de naam waar aan de geslachtsnaam Schoevaerts ontleend is. Deze zelfde naam komt ook als Schovaers, Schoovaert en Schoevaart voor. Schoevaerts is eene wanspelling voor Sgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is: des Goevaerts zoon, de zoon van Goevaert of Godfried. Wijl overigens de letterverbinding sg in het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taal niet voorkomt, zoo kwam men er toe om Sgoevaerts als Schoevaerts te schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval de sch als sg wordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging van sg door sch komt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaam Keerschieter, die oorspronkelik Keersgieter was, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naam Keersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in § 165). Zoo zag ik den naam der stad ’s Gravenhage en dien van het dorp ’s Gravezande wel geschreven als Schravenhage en Schravezande, en de geslachtsnaam ’S Grauwen komt ook als Schrauwen voor; zie § 64. In den geslachtsnaam Schoevers vinden wy ’t oorspronkelike Schoevaerts, ’s Goevaerts nog meer verbasterd.
Deze geslachtsnamen met voorgevoegde s, afgesleten uit des, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.
Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar de s van des niet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam ’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naam Jacob zelve hier niet verbogen is. Ware het ’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Deze s, van des versleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in § 64 te vinden zijn.
§ 52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegde s, formen die geslachtsnamen welke met ser en tser beginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woord her, (h)er, heer daarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen. Serroelofs b. v. is: Sherroelofs, ’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog: de zoon van Heer Roelof; immers het woord her, heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet: des heeren Roelofs). De h van her is weggesleten, door den infloed der scherpe s die voorafgaat, en die de h, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak de h als beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.
De geslachtsnamen met ser beginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in de Annales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekeren Karstiaen ser Boidekins soene vermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286. Karstiaen ser Boidekins soene, dat is: Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaam Christianus) de zoon van heer Boidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaam Bode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamen Botinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.
Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep: Serarents, (Serarens, Serraris).72 De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen, Arent, Bruno, Jacob, Lip (Philippus), Neel (Cornelis), Pieter, Rein (Regino, Ragin), Sander (Alexander), Simoen (oud-vlaamsche form van Simon), Staas (Eustatius), Steven, Vrank (beter Frank) (zie bl. 135) en Wouter zijn algemeen bekend. Serdobbels is, gelijk het eveneens voorkomende enkele Dobbels, van den mansvóórnaam Dobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haam Dibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51. Seroyen, ook nog meer samengetrokken als Sroyen voorkomende, beteekent: zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing van Ode, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamen Sergeys, Sergeyssens en Sergeysels is waarschijnlik de mansvóórnaam Geys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaam Serruis, welke naam ook als Serruys, Seruis en Serruus voorkomt, is nog minder zeker. Ruisch is wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15de en 16de eeu te Amsterdam in gebruik was.73 Maar dat Serruis van dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, de sch op ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen. Ruisch kon in hunnen mond dus moeielik tot Ruis (Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaam Serruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Huso, Huis, die in den vlaamschen mond de h verloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naam Huso zie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naam Serruis in het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woord seruis of loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woord céruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstof loodwit aan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kan Serruis als naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen. Weiten, de mansnaam waar Serweytens van afgeleid is, komt nog heden wel in Vlaanderen voor, even als in den form Weite, Weit in Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamen Weytingh (zie bl. 32), Weitema, Weitsema (zie bl. 135), Weits en Weitz afgeleid zijn, met de plaatsnamen Weyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen en Weitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.
Een paar van deze geslachtsnamen hebben de s op ’t einde verloren, en komen nu als Serdobbel en Serwouter voor. Zoo ook Serbrock, van den mansvóórnaam Brokke afgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaam Serbrock blijkt my overtuigend dat een mansvóórnaam Brokke of Brok eertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamen Brockema en Broksma, Brox en Broks, zoo mede uit de plaatsnamen Broxeele (dat is Brok’s zele, Broks zaal of halle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, en Brockum (Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.
Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eene t vóór de s van ser gevoegd. Het zijn Tserclaes, Tserstevens en Tservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde letter t is niet het voorzetsel te, en even min het lidwoord het, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als ’T Serclaes of T’ Serclaes, ’T Serstevens en T’ Servrancx schryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar deze t is anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelike d van des. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, de e uit dit verbogene lidwoord verdween, en de d derhalven onmiddellik voor de s kwam te staan, moest deze letter noodzakelik tot t verscherpt worden. Tser en tseren, in plaats van des heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v. Lekenspiegel II, 1, 70:
»Men weet dat ter waerheden,
Dat Maria, na ende vore,
Quam van tser Davids ore.”
En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):
»Omme te hebbene tseren hulde.”74
Dat overigens dit voorvoechsel ser by patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van ’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfde ser als sir voorkomt. De namen toch van de gehuchten Sirhelsdorp by Kloetinge op Zuid-Beveland, en van Sirpoppekerke by West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik ’s Heer-Els-dorp en ’s Heer-Poppen-kerke.
Met dezen form sir in bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaam Sirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamen Sirejacobs en Sirejacob voor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechsel sir, ser aangezien te hebben voor den ouden franschen titel sire, messire. De oud-vlaamsche naam Sirjacobs is ook verfranscht tot Sirjacques en Sirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.
§ 53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegde ser in de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijn met het woord heer of her samengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn † Heriwesma, † Herjuwsma en † Heer-Alma uit onze friesche gewesten, en Hereygens en Herreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nog Herrijgers en Herroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.
De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld: Heerjousma b. v. en Heerywesma; ook Her-Alma. Het zijn patronymika van Heer-Jou, Heer-Ivo en Heer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform als Jouke voorkomende, Iwe of Ivo en Alle zijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.
De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekeren Heer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslacht Heriwesma niet af. Heer Ivo Johannis was de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16de eeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van ’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuis Hero-Ivo-straatje, als of de naam van zekeren Hero Ivo afkomstig ware (Hero is een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken van Serivestraatsje, met voorgevoegde s. Ook al een bewijs dat het voorvoechsel ser in de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van ’s her, des heeren.
De patronymika Hereygens, Herrijgers, Herroelen en Herreilers beteekenen: zoon van Heer-Eige, zoon van Heer-Roel (Roelof) en zoon van Heer Eiler. De mansvóórnaam Eige of Eigen is de oud-germaansche, door Förstemann vermelde naam Eigen, Agino, Agin. En Rijger, beter Reiger (zie ook § 134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Reingar, Regingar, Ragingar. De naam Eiler is ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan is Agilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaam Eilers is er mede van afgeleid.
§ 54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetsel van, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan: Van Alewijn, Van Ditmar, Van Frank, Van Walraven en Van Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen.
Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland. Benjamin b. v. die een zoon is van Aron Mendes Chumaceiro, noemt zich Benjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is van Josef Vaz Dias, noemt zich Aron van Josef Vaz Dias, en Esther de dochter van Jacob Lopes Quiros wordt genoemd: Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymika Jan De Groot Corneliszoon b. v. of Sjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.
§ 55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v. Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namen Redding en Jansen gevoegd.
Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn: Antonides, Hermanides en Harmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides, allen van bekende mansnamen, van Antonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulus enz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn: Gatsonides, Hajonides, Mensonides, Nolledes, Oneides en Ynsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamen Gatse, Haio, Menso, Nolle, Oene (Uno) en Ynse. De geslachtsnaam Hilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaam Hilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En dit Hilarius is op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaam Hile, Hyle, Hille, ook in verkleinform als Hylke, Hylco, en voor vrouen als Hylkje, Hielkje (Hike in de wandeling) en Hiltje (Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamen Hielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega (zie bl. 61), Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, Hillen en Hillenius, Hillens en Hillekens af, met vele plaatsnamen. Misschien ook Hiel; zie § 139.
Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikon Hajonides in eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaande De Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.
§ 56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamen Adriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend. Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaam Winoldi ten grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamen Wynalda en Wynolds, met den plaatsnaam Winaldum (Winalda-heim, woonplaats van Winald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaam Allebrandi ook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten van Albrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamen Albranda en Albrands en in † Ailbrandesna (zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamen Albrandeweer (verkeerdelik meestal Olbrandeweer geschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland; Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; en Albringsweer (voluit Albrandingsweer), ook Albrandswehr, een gehucht by Emden.
»Maar Allebrandi is een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaam Allebrandi is in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ook Garibaldi en Giraldi italiaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch: Garbald, Gerbout, en Gerald, Gerhold, Gerout.
De geslachtsnaam Gualtherie behoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door de ie op het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkele i zoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze. Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is een would-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaam Walther, Wolter, Wouter, die in het Fransch als Gauthier luidt.
Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijk Wybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendom zijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen: Gerbrandy, Idsardi (van Idsard, Idsert), Ypey (van Ipe, Ype, verlatynscht tot Ipeus), Ysbrandi (van Ysbrand).76
De geslachtsnaam Aeneæ houd ik voor een patronymikon, in latynschen form, van Aenea, oorspronkelik Ane, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamen Aninga, Anema, en, in verkleinform, Aantjes, met de plaatsnamen Anjum (oudtijds, en voluit, Aninga-hem, heim of woonplaats der Aningen, der nakomelingen van Ane), een dorp in Dongeradeel (Friesland); Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.
Odolphi eindelik is afgeleid van Odolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen form Alef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: † Aylva en Aleva (beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), † Aylufsisma en † Alofsma, † Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis (zie bl. 98), Alfs, Oleffs en Olfen. Buitendien nog Aalvink (samengetrokken uit Alofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger van Roelvink, op bl. 40 behandeld.
§ 57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgang ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynsche namen, want die ius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in § 22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van: Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77 Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgang ius er slechts achter weg te nemen. De formen Arntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen, Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het versletene Tiele), Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor. Arntzen is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon van Arnt, Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon van Jan.—Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein (Hendrik); Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); Nolt (Arnold) en Tiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen. Bol, Bolle, door Förstemann als Bollo vermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aan Bols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aan Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aan Bolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aan Bollington.—Mette is de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst van Brons als een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamen Metten en Mettenius ten grondslag ligt. By Förstemann komt deze zelfde naam als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: † Mettinga, Mettens, Mets en Metz (kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn), Metting, Mettjes, † Metsema, Metzen en Metskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en Stratenus, met Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, door Förstemann aangetoonde mansvóórnaam Strato aan ten grondslag ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt men dezen naam, Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorp Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaam Van Stratum.
§ 58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantal en de onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen, van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naam Johannes afgeleid zijn.
De naam van den apostel Johannes, tevens die van Johannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden. Johannes is een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hun John, de Skandinaviers hun Jon en Jens, de Duitschers hun Johann en Hans, de Franschen hun Jean, de Spanjaarden hun Juan, d’ Italianen hun Giovanni, de Russen hun Ivan, Polen, Czechen en andere Slaven hun Jan, Janko; de Nederlanders eindelik hun Johannes, Joannes (vooral in de roomsch-katholyke gewesten), Joan (meer in vorige eeuen, vooral in de 17de), Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed, Jan (overal in Nederland zeer algemeen), Hans (meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden), Janke, Jancko (als verkleinform in Friesland verouderd), Jentje (ook in Friesland, en in het geslacht Wybrandi weêr verlatynscht tot Gentius voorkomende), Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formen Johanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijn weêr allerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden: Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78 Enkelen van deze namen zijn my slechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al de Jansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen de Jansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland is Jansen een der algemeenste namen. En Strackerjan vermeld in zijn werk Die Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn die Jansen, Janssen of Janszen heeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche form Jan van den mansnaam Johannes over geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.
§ 59. Al de geslachtsnamen, van § 7 af in dit werk behandeld en vermeld, zijn patronymika, vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, de moedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen der moeders van de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus een vrouenvóórnaam.
Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.
In De Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings heeten moest, naar z’n vader Tjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenooten Seerp Grietjes genoemd, omdat-i onder den plak zucht van Griet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkel Seerp Grietjes of Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde, tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”
De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop, in De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heer Winkler meent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, Pietjens en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maar Tjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vader Tjalling is kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moeder Grietje is blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. van Klaas van Niesje, Aart van Naatje.”
Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd: Betse-Rinse-Piet, dat is: Pieter, zoon van Rins (Rins, Rinske is een bekende friesche vrouenaam), dochter van Betje (zie Friesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken een Symen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat is Symen (oorspronkelik Sîgman, niet Simon), zoon van Dirk, zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis), zoon van Neeltje (Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206.
Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, en Merret Lorens Petersen Hahn genoemd werd. Dat is: Merret, de dochter van Lorens, die een zoon was van Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heette Moiken Manne Jens Eben, dat is: Moiken, de dochter van Manne, de zoon van Jens, de zoon van Ebe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.
In het Ostfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum, de volgende regels:
Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s Johann und Geertrud’s Klaas sind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.
Verder nog schrijft Leendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven: Hughe Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrou Heilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland uitgegeven; en van eenen ouden dichter Clays ver Brechten sone gewaagt Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”
Ik kan hier nog byvoegen den naam van Johannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79 Swane, in verkleinform Swaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die als Swaantje, Zwaantje nog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.
Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldt van den Bergh.80 Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K., Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is: Pieter, zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon van Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier boven); Hallink, zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaam Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijl Lieve een vrouenaam was, even als Lieven een mansnaam.
Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend: Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede plaats: Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken.
Aagtjes is: de zoon van Aagtje, ook als Aagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam Agatha.—Agneessens beteekent: zoon van Agnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, met Maeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike (Maey, Maeyken), en dit zijn, met Mary en Maryke (Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Maria.—Grietens en Grietjens, Magdaleens en Willemijns, van Griete, Grietje, verkorting van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en Trienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van Trijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaam Catharina. En Truyens komt van Trui, eene volkseigene afkorting van Geertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. Thans zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande; Grietjes en Truitjes nog meer, ook in de steden. De namen Agatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, Catharina en Geertruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.
Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, Leentjes en Pietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje is wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik. Duifje, Duveke is een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt. Leentje (Magdalena of Helena) en Pietje (Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, van Ave (waar van de geslachtsnaam Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duyvis, zie bl. 90), van Leen, Leendert; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zoo kunnen de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika.
»Maar Betjes en Elskens ook?” zal allicht gevraagd worden. »Betje en Elsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd. Betje kan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaam Bette. Deze naam Bette levert met den mansvóórnaam Botte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet. Bette en Botte zijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; de e en de o zijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer, Helmer en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en Jotte, en de woorden therp en thorp (in Kollumerland), del en dol, (visch-) net en not, gers en gors (te Molkwerum), bern en born of ben en bon (te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinform Betse (eigenlik Bettse, Bet-tse == Betke, friesch ts == k) komt de mansnaam Bette nog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamen Betting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, Betz en Bets zijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland); Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland; Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.
Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam Elske, Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van Else, als een patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz gevonden wordt. Van dezen mansvóórnaam Else zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Elsing en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, Elzenga en Elsen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens; Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland; Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen; Elsom (Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen; Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz.
Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen. Leenesonne kan zoo wel de zoon van Leen (Magdalena, Helena), als van Leen (Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel: zoon van Lyse, Lijsje, Lize (Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Lis, door Förstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten van Leendertz en Brons gevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v. Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen dat Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaansche Lis, Lise met de oud-hebreeusche namen Elisa en Elias natuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamen Liezinga en Lyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneens Lysen. En tevens de plaatsnamen Liesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn; Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.
De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van Lysebeth en Van Lysebetten vertoonen weêr eenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamen Van Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs versleten als Van Geetruyen voor.
Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aan spotterny. My zijn slechts bekend: Cathelijn (Cathelyne, Catheline is een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form van Catharina), Henriette, Leysbeth (Elisabeth), Naatje (de gewone hollandsche verkorting en verkleinform van Anna of Wilhelmina, of van eenigen anderen op na eindigenden vrouenaam), Salomé, Sophie, Suzanne, Susanna, Susan en Soesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaam Xantippe voorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.
§ 60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woord vrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in de Annales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd: Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordje ver maakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen, Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke met her samengesteld, en in § 52 en 53 beschreven zijn.
Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune en met den afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, de zoon van Vrou-Aagt, van de vrou die Agatha heet. Vreven, en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking van Vereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’s zoon, de zoon van vrou Eva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik. Vertruyen is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, Truda (Gertruda) heet. Vergrietens is: zoon van Vrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesone is: zoon van Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. Heile, (in verkleinform ook Heilke en Heiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en Verjutten beiden beteekenen: zoon van Vrou-Johanna. Immers Jans, Jansje is nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemde koseform van Johanna in gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naam Johanna in het dageliksche leven tot Jutte.
Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke heet. En Aleke (Aaltje) is een verkleinform van Ale, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is van A(de)la, Adela, Athala, (ook Edele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graaf Karel de Goede; zy was eene dochter van koning Knut van Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen form Adèle de eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formen Aaltje en Aaltien nog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.
In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ik Bouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.
De friesche taal kent de letter v niet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woord vrou in het Friesch als frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitsche frau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene form fer voor, in plaats van ver, als elders in de Nederlanden. Dit fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam † Ferhildema (Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) van Fer-Hilda, van vrou Hilde), een echt metronymikon. Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel fer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naam Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis, Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke (Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.
In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit ver == vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot de moedersnamen rekenen. Veranneman toch beteekent niet de zoon van Vrou-Anna, maar de man, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstman dier vroue. Zie § 45.
Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, Vrouwes en Wyvekens vermeld worden. Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formen Moyersoen en Moeyersoon voorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval als Moyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woord metronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woord patronymikon kan beschoud worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens, bl. 404. Meyskens, de zoon van een meysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. Maar Nonnekens en Nonkes behoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamen Munniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, Muynckx en Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maar Nonnekens en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono. Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen † Nonninga, versleten tot † Nonia (zie § 29), en † Noneka van den verkleinform Noneke (even als Nonnekens en Nonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikon Nuninga komt nog heden in Groningerland voor, in spelling tot Nuinenga verhollandscht. Eindelik nog Noninckx en Noeninckx, Nüninghoff en Nunninghaven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), en Nünningen is een dorp by Fallingborstel in Hanover.
De geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe (afgesletene form van Vrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voord vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaam Frau, Vrou. Het woord vrou heeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woord frauja heer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan als frou (domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men in Förstemann’s Namenbuch vinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe, met † Froukana, † Frouwama en † Fraukema (van den verkleinform Frauke), en Froma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Froma-sate vinden.
Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woord wijf, in verkleinform wyveke, wijfke, wijfje (dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaam Mannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, verkleinform van Wiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. Volgens Leendertz’s naamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook als Wyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden form Wyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekens is zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.
De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdeeling. De beteekenis er van, zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt, Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam als Der Weduwé—eenigszins verfranscht.
Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook als Van der Kinderen en Der Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam, Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die ’T Kint genoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zich Jan of Piet Des Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen, de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon by de kinderen. Heet die knecht Pieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneens Pieter heet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hem Pieter der kinderen te heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam.
Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, is Witvrouwen. De afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en Wittevrouw komen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een ware moedersnaam beschouen, maar, even als Der Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namen Der Weduwe, Der Kinderen en Witvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.
§ 61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.
De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.
Aertgeerts, de zoon van Aert-Geert, van Arend-Geraart.—Hansates, de zoon van Hans-Ate.—Hans is de algemeen bekende inkrimping van Johannes, en Ate is een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik. De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met Atinga en Atema en † Aatsma, en de plaatsnamen Ateburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), en Atens (Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaam Ate.
Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop Meluszoen.”81 Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius zijn er van afgeleid.—Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).
Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes-Segher.—Seger is een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook als Sieger, Siger, in Holland als Zeger nog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamen Siegerink, Sigersma en Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, met † Sigera afgeleid, en de plaatsnamen Sigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en een gehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verder Zegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen; Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.
Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes. Want Kort, met Koort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Koenraad. Behalven Koenraads en Conradi zijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van: Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ook Kuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders de tweeklank oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon zy van Kort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”
De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene nadere verklaring. Perclaes is: Peter-Klaas; Per, Peer, Peerken is in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform van Petrus.—Woutermaartens eindelik en Wautermaertens (deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.
De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon van den langen Wouter; Langejan is duidelik genoeg. Ook Jongejan en Jongejans; Oudejan, Ouwejan en Oudejans, met Oljans, in versletenen saksischen form; Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, Ouweneel en Oldeneel (Neel is eene verkorting van Cornelis82; Jongepier en Aupiers (Pier is eene vlaamsche en friesche verkorting van Pieter, Petrus; Aupiers beteekent: zoon van den ouden Pieter, in brabantsche gouspraak: van den ouen Pier, van den Au-Pier.) Verder Roodhans en Roothans, dat is: de roode Hans. Echter komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam (zie § 132), en Roothans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is de bekende volkseigene verkorting van Cornelis), Kleynhens en Cleynhens (Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen als verkorting van Leendert), Sterkendries, Langendries en Langhendries (Dries als verkorting van Andries), eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein; de schoone Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schönhain, die geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Nevejans, (zoon) van Neef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ook Schonejans, Schoonjans, Schonians en het half verfranschte Schoonéans aan, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als met Grotjohan, Grootjan en Grootjans.—Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is het patronymikon van Henne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naam Grootjan vindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam Groshans en in den oorspronkelik franschen maagschapsnaam Grosjean, even als Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam voor. Wilderjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, en doet door die r ook aan hoogduitschen infloed denken; terwijl Heetjans my tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoord heet = warm gedacht worden? of aan heeth, heede, heide? Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlik Tijs (Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroeseklaas is de kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene padde pogge; zie § 133. Appeljan is oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan die appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had. Timmerhans en Timmerjans zijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan, die timmerlieden waren, en dies Timmer-Hans en Timmer-Jan werden genoemd. Schipperheyn is oorspronkelik de bynaam van eenen schipper die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam als Schipperein voorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, de h verloren.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.