Kitabı oku: «Noli me tangere: Filippijnsche roman»
José Rizal
Noli me tangere: Filippijnsche roman

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066302047
Inhoudsopgave
van Dr. José Rizal. Voor het Soerabajasch Handelsblad vertaald door Dr. A. A. Fokker.
Druk van het Soerabajasch Handelsblad , Soerabaja 1912.
I.
Een avond-partijtje.
II.
Crisóstomo Ibarra.
III.
Het feestmaal.
IV.
Ketter en opstandeling.
V.
Een ster in den duisteren nacht.
VI.
Capitán Tiago.
VII.
Idylle op een plat dak.
VIII.
Herinneringen.
IX .
Locale aangelegenheden.
X.
Het dorp.
XI.
De grootmachtigen.
XII.
Allerheiligen.
XIII.
Voorteekenen van storm.
XIV.
Tasio de gek of de wijsgeer.
XV.
De kosters.
XVI.
Sisa.
XVII.
Basilio .
XVIII .
Zieltjes in nood.
XIX.
Avonturen van een schoolmeester.
XX .
De vergadering van den gemeenteraad.
XXI .
Geschiedenis eener moeder.
XXII.
Licht en schaduw.
XXIII .
De vischvangst.
XXIV .
Bij den filosoof.
XXV .
De vooravond van ’t feest.
XXVI .
In den avond.
XXVII .
Brieven over het feest.
XXVIII .
De Morgen.
XXIX .
In de kerk.
XXX .
De Preek.
XXXI .
’t Hijsch-toestel.
XXXII .
Vrije gedachten.
XXXIII .
De maaltijd .
XXXIV .
’t Eerste wolkje.
XXXV .
Zijne Excellentie.
XXXVI .
De processie.
XXXVII .
Doña Consolación .
XXXVIII .
Recht en Macht.
XXXIX .
Twee bezoeken.
XL .
Dokter De Espadaña en zijn vrouw.
XLI .
Plannen .
XLII .
Gewetensonderzoek.
XLIII .
De vervolgden.
XLIV .
De hanenvechtplaats.
XLV .
De twee dames.
XLVI .
Het Raadsel.
XLVII .
De stem der vervolgden.
XLVIII .
De familie van Elias.
XLIX .
Veranderingen.
L .
De kaart der dooden en de schimmen.
LI .
Il buon di si conosce da mattina.
LII .
LIII .
De slag.
LIV .
Wat men zegt en wat men gelooft.
LV .
“Vae Victis!”
LVI .
De gevloekte.
LVII .
Vaderland en belangen.
LVIII .
Maria Clara gaat trouwen.
LIX .
De jacht op ’t meer.
LX .
Padre Dámaso verklaart zich.
LXI .
De “Heilige Nacht.”
Nawoord.
van
Dr. José Rizal.
Voor het Soerabajasch Handelsblad vertaald door
Dr. A. A. Fokker.
Druk van het Soerabajasch Handelsblad, Soerabaja 1912.
Inhoudsopgave
I.
Een avond-partijtje.
Inhoudsopgave
In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos, meer bekend onder den naam “Capitán Tiago” een avond-partijtje, dat hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis, evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld.
Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude vriendschapsbanden, of zich te verontschuldigen, voor ’t geval dit beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen.
Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de Calle de Anloague, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we ’t zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet, dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich daar God of “de Natuur” gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook van ons gouvernement veel werken aangenomen.
Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier, door sommigen “ria de Binondo” genoemd, welk water, evenals alle rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool, wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst, over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere voor ’t overige deel des jaars onbegaanbaar is.
Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze gestadige “status quo” profiteeren, om daar in ’t water te springen, tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen in ’t rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang dezer eeuw.
Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier en daar belegd met een kleedje, leidt van de “zagnan” of voorhal, bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren en fantastische teekeningen.
Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest, het licht of ’t veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt, en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk; want wij stervelingen in ’t algemeen zijn als de schildpadden: we worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan de schildpadden.
Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek, dat men daar “caïda” noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In ’t midden schijnt een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, den tafelschuimer toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje, de eenvoudige “dalaga” te bedreigen met twee doodvervelende uren in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende godsdienstige onderwerpen als “het Vagevuur” of “de Hel”, “het Laatste Oordeel,” “de Dood der Rechtvaardigen”, die “des Zondaars”, en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen ziet... Het onderschrift luidt: “Onze Lieve vrouw van Vrede en goede reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares, bezocht de vrome en beroemde Capitana Inés gedurende haar ziekte”1. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt, bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat erin zit. Bij ’t aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze of gene, dat de leepe heer des huizes heel goed den aard kende van het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode, groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten, opgeblazen opgezette visschen, die men “botete’s” noemt, en meer zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes, schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren.
Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast, die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het portret schijnt zoo te zeggen:
“H’m, h’m! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig ik ben!”
De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou hij hun zeggen.
De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche, half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele lettergrepen, als geruchten die men ’s nachts in een huis hoort, gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of maken de vrouwen hierop juist een uitzondering?
De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago, een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en “boejo” (sirih) aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen, en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze ijlings heen, onder het mompelen van:
“Jezus! wacht maar, rakkers!”
En ze verscheen niet meer.
Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven.
Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan ’t praten, maar op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd opkeken en soms met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen daarentegen, beiden in ’t wit, liepen met de armen op den rug en zonder een woord te spreken, met groote stappen van ’t eene uiteinde der zaal naar ’t andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en Engelsche biscuits zag staan.
De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen: hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een der “frailes”, een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn2 het waagden in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet hem een figuur slaan als de visscher, die alen met strikken wilde vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen.
De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden, scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie monniken, waarover Heine spreekt in zijn “Goden in ballingschap”, die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs, hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit, en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde, die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta op de kermissen van Quiapo.3
Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch scheen kortelings in ’t land aangekomen te zijn; met deze voerde de Franciskaan een levendige woordenwisseling.
“U zult ’t zelf wel zien”, zeide de monnik, “wanneer u maar eens een paar maanden langer in ’t land bent, zult u ’t wel met mij eens zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in de Filippijnen te wezen.”
“Maar...”
“Ik bijvoorbeeld,” ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om den ander niet aan ’t woord te laten, “ik die al drie-en-twintig jaren pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu ’s na. Nauwelijks was ik hier in ’t land, of ik werd geplaatst op een dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat, drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst, dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor, al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden, en met muziek uitgeleide deden...”
“Maar dat bewijst toch alleen...”
“Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde, bleef korter, en toen die heenging kreeg hij nog meer uitgeleide, meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger.”
“Maar u zult mij veroorloven...”
“Ik zal u meer zeggen: in ’t dorp San Diego ben ik twintig jaren geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit” (hier scheen hij te ontstemmen). “Twintig jaren—dat zal niemand me tegenspreken—zijn meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging, waar een ander de schoen wrong, wie ’t hof maakte aan dit of dat meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader van ’t kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af, en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago, onze gastheer ’t maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu ’s, hoe die inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl ik er twintig jaren geweest was!”
“Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van ’t tabaks-monopolie,” antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry inschonk.
Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een oogenblik het jong mensch van ’t hoofd tot de voeten opnemen.
“Hoe zoo? Hoe is dat nu?” riep hij daarna met de grootste verwondering, “is ’t mogelijk, dat u dat niet inziet: ’t is zoo klaar als de dag? Ziet u dan niet, m’n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst, dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?”
Ditmaal was ’t de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof hij Fray Dámaso in ’t gelijk stelde of ’t niet met hem eens was. De dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren.
“Meent u?” kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek.
“Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan ’t Evangelie! De inlander is zoo lui!”
“Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val,” zeide het jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend, “u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de inlanders, als iets ingeborens, of is ’t eigenlijk zoo, dat—zooals een buitenlandsch reiziger opmerkte—wij met die luiheid onze eigen luiheid verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij sprak van andere koloniën, waar de bewoners van ’t zelfde ras zijn....”
“Och kom! Jaloezie! Vraag ’t maar ’s aan meneer Laruja, die ’t land ook kent. Vraag hem maar ’s of de domheid en luiheid van de inlanders ergens haar wedergade vinden!”
“Werkelijk,” antwoordde het kleine kereltje, dat bedoeld was: “nergens ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens ter wereld!”
“Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!”
“Geen onbeschofter ook!”
De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken.
“Heeren,” zeide hij zacht, “ik geloof dat wij aan huis zijn bij een inlander. De jonge dames...”
“Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel ‘tinola’ gegeten heeft.”
“Is dat wat u ‘tinola’ noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?”
“Och wat lotus of loterij!” antwoordde Fray Dámaso lachend, “u slaat de plank mis. Tinola is een goelái van kip en kalebas. Hoe lang bent u hier?”
“Vier dagen,” bracht de jonge man eenigszins geraakt uit.
“Komt u als ambtenaar?”
“Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren kennen.”
“M’n lieve man, wat bent u een witte raaf!” riep Fray Dámaso uit, terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. “Voor eigen rekening gekomen en dan voor zulke dwaasheden!
“Wat ’n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je kop hebt ...”
“U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso,” viel plotseling de dominikaan in, “dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?”
Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield op met lachen.
“Nee!” gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van zijn stoel vallen.
De dominikaan ging nog onverschilliger voort:
“’t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft.
“Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het voor ’t heil van de gemeente... voor mijn eigen heil.”
Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar ademend riep hij uit:
“Er is godsdienst of die is er niet, dat wil zeggen: òf de pastoors zijn vrij òf ze zijn ’t niet! Het land gaat te gronde, ’t is naar de maan!”
En weer sloeg hij met zijn vuist.
De heele zaal wendde zich verrast naar het groepje; de dominikaan hief het hoofd op om onder zijn bril door naar hem te kijken. De twee vreemdelingen, die heen-en-weer wandelden, stonden even stil, keken elkaar aan, toonden elkaar even hun snijtanden en zetten onmiddellijk hun wandeling weer voort.
“Hij is uit zijn hum, omdat u hem geen ‘reverencia’ genoemd heeft!” mompelde meneer Laruja in ’t oor van ’t blonde jongmensch.
“Wat wil uwe reverentie toch zeggen? Wat scheelt u?” vroegen de dominikaan en de luitenant elk op zijn eigen toon.
“Daardoor krijgen we al die rampen! Het bestuur steunt de ketters tegen de bedienaren van ’t heilige woord!” ging de Franciskaner voort en balde zijn stoere knuisten.
“Wat bedoelt u toch?” vroeg de wenkbrauw-fronsende luitenant nogmaals, terwijl hij zich half oprichtte.
“Wat ik bedoel?” herhaalde Fray Dámaso, zijn stem nog verheffend en de luitenant recht in de oogen ziende: “Ik bedoel al wat ik wil! Ik, ik wil zeggen, dat wanneer een pastoor het lijk van een ketter uit zijn kerkhof wegdoet niemand, zelfs de koning niet, het recht heeft zich ermee te bemoeien en nog veel minder er straf voor op te leggen. Dus een generaaltje, zoo’n generaaltje van niks...”
“Pater, Zijn Excellentie is hier plaatsvervanger van den Koning als beschermer van de Kerk!” riep de krijgsman opstaande.
“Och wat Excellentie of plaatsvervanger!” antwoordde de Franciskaner, die ook opstond. “In vroeger tijd zouden ze ’m wel eruit gezet hebben, zooals dat gebeurd is met dien goddeloozen gouverneur Bustamante. Dat waren nog ’s tijden van goed geloof!”
“Ik moet u zeggen, dat ik niet kan toestaan... Zijn Excellentie vertegenwoordigt hier Zijne Majesteit!”
“Och wat Majesteit... larie! Voor ons is er geen anderen koning dan de wettige....”
“Halt!” riep de luitenant dreigend en alsof hij zich tot zijn soldaten richtte, “u trekt alles in wat u gezegd heeft, of ik geef er morgen kennis van aan den gouverneur...”
“Ga nu op ’t oogenblik maar dadelijk!” antwoordde Fray Dámaso sarkastisch, met gebalde vuisten op hem toetredend. “Meent u soms dat ik, omdat ik geestelijke kleeding draag, geen man ben...? Zal ik u soms mijn rijtuig leenen?!”
De oneenigheid kreeg een grappige wending, doch gelukkig kwam de dominikaan tusschenbeide.
“Heeren!” zeide hij op een toon van gezag en met die neusstem, welke zoo fraai klinkt bij monniken: “we moeten hier de dingen niet verwarren en ook geen beleedigingen zoeken, waar er geen zijn. We moeten bij Fray Dámaso de woorden van den man wel onderscheiden van die van den priester. Deze laatste als zoodanig—per se—kunnen nooit kwetsen, want ze komen voort uit de volstrekte waarheid. In die van den mensch moeten we nóg een onderscheid maken: de woorden die hij zegt ab irato, die hij zegt ex ore, maar niet in corde, en die hij zegt in corde. Deze laatste zijn de eenige die kwetsen kunnen en dan nog naar gelang of ze om de een of andere beweegreden reeds van te voren in den geest bestonden—in mente—of dat ze alleen maar per accidens, in ’t vuur van ’t gesprek geuit worden, of dat er...”
“Nu dan, ik weet ‘per accidens’ en uit mezelf, hoe de zaak in elkaar zit, pater Sibyla!” viel de militair in, die in de war raakte van al die onderscheidingen en bang begon te worden, dat hij ten slotte de schuldige zou blijken. “Ik weet hoe ’t gegaan is en nu mag u straks weer distincties maken. Gedurende de afwezigheid van Fray Dámaso in San Diego, liet de coadjutor het lijk begraven van een heel waardig man... ja, meneer, een heel waardig man. Ik ben verscheidene malen met hem in aanraking geweest en heb ook wel bij hem gelogeerd. Dat hij nooit gebiecht heeft!... nu wat zou dat? Ik ga ook niet naar de biecht. Maar te zeggen dat hij zich van kant gemaakt heeft is een leugen, pure laster. Een man als hij, die een zoon heeft, waar hij zijn heele liefde en hoop op heeft, een man die op God vertrouwt, die zijn plichten kent tegenover de maatschappij, een rechtschapen en eerlijk man, die maakt zich niet van kant. Dat zeg ik en wat ik verder denk verzwijg ik, maar daar mag uwe reverentie me dankbaar voor wezen.”
En den Franciskaan zijn rug toedraaiend, vervolgde hij: “Nu goed, deze pastoor heeft toen bij in ’t dorp terugkwam eerst den armen coadjutor mishandeld, en toen het lijk laten opgraven om het uit het kerkhof weg te laten brengen ergens anders heen, weet ik waar. Het dorp San Diego is zoo laf geweest om er heelemaal niet tegenop te komen. ’t Is waar, dat maar heel weinigen ervan hoorden: de overledene had geen enkel familielid en zijn eenige zoon is in Europa. Maar de gouverneur is er achter gekomen en, omdat die een man is van een edel hart, heeft hij om straf voor hem gevraagd..... en pater Dámaso kreeg overplaatsing naar een beter dorp. Dat is de heele zaak. Uwe reverentie kan nu weer distincties maken.”
En dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich van ’t groepje. Fray Sibyla verontschuldigde zich dadelijk dat hij zulk een teer punt had aangeroerd.
Allengs keerde de bedaardheid in ’t gezelschap weder. Men praatte opgewekt, ook over den afwezigen gastheer, over wien aardigheden ten beste werden gegeven, iets waar uit zeker weinig waardeering voor dezen sprak.
1 Een dergelijk schilderij bestaat in ’t klooster van Antipolo. Noot van de Berlijnsche uitgave.
2 Monniken, volgers van den heiligen Dominicus, stichter der Dominikaner-orde, 13e eeuw.
3 Mendieta, zeer bekend personage te Manila, portier van den burgemeester, ondernemer van kinder-tooneelvertooningen, directeur van een poppen-theater enz. Quiapo, dorpje in de omstreken van Manila.
II.
Crisóstomo Ibarra.
Inhoudsopgave
’t Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens aller aandacht bij ’t binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla; ’t was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten, die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso als versteend deden staan: ’t waren eenvoudig het origineel van het portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch, dat streng in de rouw gekleed was.
“Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!” was het eerste wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij de geestelijken de hand kuste, waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem.
“Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van mijn overleden vriend!” ging Capitán Tiago voort. “Deze heer is pas uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen.”
Bij ’t klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman toe en nam hem van ’t hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte, zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een verblijf in de koude landen.
“Wel!” riep hij met blijde verrassing uit, “de pastoor van mijn dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!”
Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde zich niet.
“Neem me niet kwalijk, ik heb me zeker vergist!” hervatte Ibarra eenigszins verlegen.
“Je hebt je niet vergist!” kon ten slotte de ander met veranderde stem antwoorden. “Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest.”
Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had, keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem gade te slaan.
“Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?”
De jongeman boog.
Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht in de oogen.
“Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!” riep de krijgsman met beverige stem uit.
“Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de Filippijnen was.”
“Mijnheer!” antwoordde Ibarra ontroerd, “de lof die u over mijn vader uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon, nog niet ken.”
De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich half om en verwijderde zich snel.
De jongeman zag zich alleen in ’t midden van de zaal; de heer des huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en natuurlijke gratie tot het groepje:
“Mag ik zoo vrij zijn”, zei hij, “maar over de voorschriften van een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten, ‘zijn vrouwen.’”
Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die, toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden.
“Heeren!” zeide hij, “ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan Crisóstomo Ibarra y Magsalin!”
Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was: hij zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep.
Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten knoopen aan zijn hemd.
“Meneer Ibarra, ik wou ’s graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in in mijn huis is: ik hoop, dat u me de eer ’s zal aandoen. Kom morgen bij ons eten.”
Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán Tinong glimlachte en wreef zich in de handen.
Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San Diego....
Een knecht van ’t café “la Campana” kwam zeggen dat het eten klaar was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden.
III.
Het feestmaal.
Inhoudsopgave
Fray Sibyla scheen zeer voldaan; hij schreed rustig voort en op zijn samengedrukte en fijne lippen was geen minachting meer te lezen; zelfs verwaardigde hij zich met de manke doctor De Espadaña te praten, die met monosyllaben antwoordde, want hij stotterde een beetje. De Franciskaan was in een vreeselijk humeur: hij schopte tegen de stoelen die hem hinderden op zijn weg, en zelfs gaf hij een stoot met zijn elleboog tegen een “kadet.” De luitenant was hoog-ernstig. De anderen praatten druk en prezen de prachtige tafel. Doña Victorina trok echter verachtelijk haar neus op, doch onmiddellijk daarop keerde ze zich woest om, als een slang waarop getrapt wordt: inderdaad had de luitenant op den sleep van haar japon zijn voet gezet.
“Maar heeft u dan geen oogen?” zeide ze.
“Jawel, mevrouw, en een paar betere dan de uwe; maar ik keek even naar uw lokken,” antwoordde de weinig galante krijgsman en verwijderde zich.
Als bij instinkt richtten zich de twee monniken naar het hoofd-eind van de tafel, wellicht uit gewoonte en zooals te verwachten was gebeurde er wat placht te geschieden bij mededingers naar een professoraat: ze hemelen de verdiensten en de meerderwaardigheid van den tegenstander op, maar geven dadelijk daarop juist het tegenovergestelde te kennen en mopperen om ’t hardst als ze niet benoemd worden.
“Ga vóór, Fray Dámaso!”
“Aan u, Fray Sibyla!”
“U bent een oude vriend van den huize... biechtvader van wijlen mevrouw... leeftijd, waardigheid en zieleherderschap...”
“Niet zoo heel oud, hoor! En dan... u bent de pastoor van de wijk hier!” antwoordde Fray Dámaso half vriendelijk en zonder den stoel los te laten.
“Nu, als u ’t beveelt, gehoorzaam ik!” besloot pater Sibyla, en maakte zich gereed om neer te zitten.
“Ik beveel niets!” protesteerde de Franciskaan, “ik niet, hoor!”
Fray Sibyla ging al zitten zonder acht te slaan op het protest, toen zijn blikken die van den luitenant ontmoetten. De hoogste officier is volgens de opvatting der geestelijken op de Filippijnen veel lager dan de leekebroeder-kok. Doch Fray Sibyla was een zeer beleefd man en antwoordde:
“Mijnheer de luitenant, hier zijn we in de wereld, niet in de kerk: deze plaats komt u toe.”
Maar, te oordeelen naar den toon waarop hij sprak, kwam de plaats hem ook in de wereld toe. De luitenant, hetzij om zich geen moeite te geven of om niet tusschen twee “frailes” te zitten, weigerde vrij droogjes.
Niemand van de kandidaten had aan den huisheer gedacht. Ibarra zag hem met voldoening en een glimlach op de lippen naar het tooneeltje kijken.
“Hoe zoo, don Santiago, gaat u niet tusschen ons in zitten?” Maar al de plaatsen waren reeds bezet: Lucullus at niet bij Lucullus aan huis.
“Hou u bedaard, niet opstaan!” zeide Capitán Tiago en legde zijn hand op den schouder van het jongemensch. “Dit feest geef ik juist om onze Lieve Vrouw te danken voor uw behouden aankomst. Hé, laten ze de ‘tinola’ brengen. Ik heb ‘tinola’ laten maken; die zult u wel in lang niet gegeten hebben?”
Men bracht een grooten dampenden schotel. De dominikaan prevelde het “benedicite”, waarop bijna niemand kon antwoorden en begon den inhoud te verdeelen. Doch door onoplettendheid of iets anders trof Padre Dámaso den schotel, toen er alleen nog maar tusschen veel “laboe” en bouillon een kaal kippenhalsje en een vleugelstukje in dreven; anderen aten pootjes en borst, vooral Ibarra had de lekkere beetjes. De Franciskaan zag alles, kauwde wat op de “laboe”, nam een beetje bouillon, liet toen met gedruisch zijn lepel vallen en schoof daarna woest zijn bord van zich af. De dominikaan was geheel verdiept in een gesprek met den blonden jongeman.
“Hoe lang bent u van ’t land weg geweest?” vroeg Laruja aan Ibarra.
“Bijna zeven jaar.”
“Wel, wel, dan zult u alles vergeten zijn!”
“Integendeel. En al scheen mijn land mij vergeten te hebben, ik heb er altijd aan gedacht.”
“Wat wilt u daarmee zeggen?”
“Ik woû zeggen dat ik een jaar lang geen tijding van huis gehad heb. En zoo ben ik hier als een vreemdeling, die niet eens weet wanneer of hoe zijn vader gestorven is.”
“Och!” riep de luitenant uit.
“En waar was u dan, dat u geen telegram gezonden heeft?” vroeg Doña Victorina. “Toen wij trouwden hebben we een telegram naar Spanje gezonden.”
“Mevrouw, de laatste twee jaren ben ik in Noord-Europa geweest: in Duitschland en in Russisch-Polen.”
Doctor De Espadaña, die tot nog toe niets had durven zeggen, achtte het gepast iets in ’t midden te brengen:
“Ik heb ... heb in Sp.... Spanje een Pool gekend, van War .... war ... Warschau. Hij heette Stad ... Stadnitzki, als ik me wel herinner. Heeft u hem misschien ge... ge... gezien?” vroeg hij schuchter en bijna blozend.
“’t Is best mogelijk”, antwoordde Ibarra vriendelijk, “maar op ’t oogenblik herinner ik ’t me niet.”
“Nu, u kó ... kon hem niet met een ander verwa-wa-warren,” hervatte de dokter met meer zelfvertrouwen, “hij was goudblond en spr.... sprak hee.... hee-heel slecht Spaansch.”
“Dat zijn wel duidelijke kenteekenen, maar ongelukkigerwijze heb ik daar geen woord Spaansch gesproken, behalve aan een paar konsulaten.”
“En hoe heeft u dat geleverd?” vroeg Doña Victorina verbaasd.
“Ik sprak de taal van ’t land, mevrouw.”
“Spreekt u ook Engelsch?” vroeg de dominikaan, die in Hongkong geweest was en het “Pidgin English” goed sprak, die verbastering van Shakespeare’s taal door de zonen van ’t Hemelsche Rijk.
“Ik ben een jaar in Engeland geweest onder menschen die enkel Engelsch spraken”.
“En welk land bevalt u in Europa het best?” vroeg hem het blonde jongmensch.
“Na Spanje, mijn vaderland, ieder vrij land van Europa”.
“En zeg me nu ’s, u die zooveel gereisd heeft: wat lijkt u wel ’t merkwaardigste dat u gezien heeft?” vroeg Laruja.
Ibarra scheen even te denken.
“Merkwaardig in welk opzicht?”
“Bijvoorbeeld ... ten opzichte van ’t leven van de volken, hun maatschappelijk, staatkundig, godsdienstig leven, in ’t algemeen, hoofdzakelijk alles bijeengenomen...”
Ibarra dacht een heele poos na.
“Ronduit gezegd, bevalt me alles in die landen, afgezien van de nationale trots van elk... Voordat ik een land bezocht, trachtte ik de geschiedenis ervan te bestudeeren, zijn Exodus om zoo te zeggen, en dan vond ik daarna alles natuurlijk. Ik heb altijd gezien dat de welvaart of de ellende van de volken in rechte rede staan tot hun vrijheden of vooroordeelen, en bijgevolg tot de opofferingen of de zelfzucht van de voorouders”.
“En heeft u dat alleen maar gezien?” vroeg de Franciskaan met een spotlach. Van ’t begin van den maaltijd af had hij geen enkel woord gesproken, wellicht in beslag genomen door het eten. “Om zoo iets onbeteekenends te weten te komen hoefde u uw geld niet te vermorsen; dat weet hier iedere schooljongen.”
Ibarra wist niet wat hij zeggen zou; de overigen keken elkaar verbaasd aan en vreesden een uitbarsting. “Het maal loopt op zijn eind en zijn eerwaarde is al verzadigd,” wilde het jongmensch opmerken, maar hij hield zich in en zeide slechts:
“Heeren, u moet zich niet verwonderen over de familiariteit waarmee onze vroegere pastoor mij behandelt. Zoo ging hij met me om toen ik nog een kind was, want voor zijn weleerwaarde gaan de jaren tevergeefs voorbij. Maar ik ben er hem erkentelijk voor, omdat hij me die dagen van weleer zoo levendig vóór den geest brengt: toen kwam de weleerwaarde dikwijls bij ons thuis, en at ook aan mijns vaders tafel.”
De dominikaan keek steelsgewijze naar den Franciskaan; deze zat te beven. Ibarra stond op en vervolgde:
“U zult me veroorloven dat ik heenga, want omdat ik pas aangekomen ben en morgen weer op reis moet, heb ik nog een boel zaken af te doen.”
Een glas wijn opnemende, riep hij: “Nu, mijnheeren, op Spanje en de Filippijnen.” En hij dronk het glas leeg, dat hij te voren niet aangeraakt had. De oude luitenant volgde hem na, zonder een woord.
Capitán Tiago wilde Ibarra niet laten gaan: Maria Clara zou komen, Isabel was haar gaan halen en de nieuwe pastoor van zijn dorp zou komen, o, een heilig man.
Ibarra beloofde den volgenden morgen, even vóór zijn vertrek, aan te zullen komen. Hij moest vandaag een heel dringend bezoek brengen.
Toen hij weg was luchtte de Franciskaan zijn ergernis:
“Heeft u ’t gezien?” zei hij tot het blonde jongmensch en schermde daarbij met zijn dessert-mesje: “Da’s nu alleen trots! Ze kunnen niet velen dat de pastoor ze terecht wijst! Ze denken dat ze al heel wat zijn! Dat komt er nou van als de jongelui naar Europa gezonden worden: het gouvernement moest het verbieden.”
“En de luitenant,” zei Doña Victorina, den Franciskaan bijvallende, “die heeft den heelen avond een boos gezicht gezet. ’t Is maar goed dat hij weg is. Zoo oud en dan nog luitenant!”
De dame kon de toespeling op haar krullen en de vertrapte strook van haar onderrok niet vergeten.
IV.
Ketter en opstandeling.
Inhoudsopgave
Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en ademde op.
Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-“kalessen” kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het Binondo-plein—Binondo is een voorstad—en keek overal om zich heen, alsof hij iets herkennen wilde.
Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd, met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat; ’t waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had, net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.
Niemand had het ding weer recht gebogen!
“’t Gaat langzaam hier!” mompelde hij, en volgde de Calle de la Sacristia.1
De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: “Sórbetee”; de “huepes” of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.
“’t Is wonderlijk!” riep hij uit, “dat is dezelfde Chinees van zeven jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!
“Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!”
Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la Sacristia nog los.
Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.
“Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!” zeide hij.
“Neem me niet kwalijk, maar ’t komt me voor dat u veel van mijn vader gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe ’t toch met hem gegaan is?” vroeg Ibarra hem aanziende.
“Hoe zoo, weet u dat dan niet?” vroeg de ander.
“Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû ’t me eerst morgen zeggen. Weet u ’t misschien?”
“Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven.”
De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.
“In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?” vroeg hij.
“Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!” ging de krijgsman eenigszins verwonderd voort.
“Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet u wie mijn vader was? Bent u wel...?” vroeg de jonge man, den officier bij den arm vattend.
“Ik geloof, dat ik me niet vergis: ’t was don Rafael Ibarra.”
“Jawel, don Rafael Ibarra!” riep de jongeman zwakjes.
“Och, ik dacht dat u ’t wist!” mompelde de militair op medelijdenden toon, toen hij zag wat er in Ibarra’s ziel omging. “Ik veronderstelde, dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk man zijn zonder ’s in de gevangenis gezeten te hebben!”
“Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt”, hervatte Ibarra met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. “Kan u me ook zeggen waarom hij in de gevangenis was?”
De oude man scheen zich te bedenken.
“’t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw familie-aangelegenheden gesteld hebben.”
“In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou ’t erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij zond me zijn zegen!”
“Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven: ’t zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben.”
“Om welke reden was mijn vader gevangen?”
“Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar de kazerne; ik zal ’t u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm.”
Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij daarvan inspiratie.
“Zooals u zeer goed weet”, begon hij, “was uw vader de rijkste man in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was, waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden, die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen, het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens, het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier komt het uitvaagsel van ’t moederland en als er nog ’s een goede komt, dan bederft hij gauw hier in ’t land. Nu dan, uw vader had onder de pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden.”
Hier zweeg hij even.
“Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.
“Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd: ‘Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van God,’ zeide hij; ‘voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin als om aalmoezen aan de kerk.’ En hij gaf me dit voorbeeld: ‘Als ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog ’t minst noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten snotteren? En ’t leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen, dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van ’t gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog: Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?’
“Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte toespelingen op hem van den kansel en ’t was wel een wonder dat hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen.”
De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.
“Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid mocht wijden van wege ons ‘prestige’ als blanken, kreeg hij van ik weet niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden: hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter, dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels, die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had hij zelfs hoogloopende standjes gehad.
“’t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de jongens na te loopen, die onder ’t wegloopen hem toeriepen, ‘ba, be, bi, bo, bu.’ Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op ’t hoofd, zoodat hij neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen verhieven zich al zijn verborgen vijanden. ’t Regende van lasterlijke aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een ‘alcalde’, die zich op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd was op de Correo de Ultrámar en op de kranten van Madrid, dat hij u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het feit dat hij een inlandsche ‘Camisa’ [soort lange kabaai2] droeg, terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als ’t een ander man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in ’t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche bloed bruist, onmogelijk een ‘filibustero’ kon wezen. Tevergeefs stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van ‘Chiflado’ (niet recht wijs).”
De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:
“Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar deze weigerde zich met de zaak in te laten. ‘Ik zou ze verliezen’, zei hij mij. ‘Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.
“‘Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar, iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel wat kan uitwerken.’ Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.
“Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en onbekend. ’t Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes, die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.
“Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere, die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem, dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt; ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij betrekkingen onderhield met de struikroovers (toelisan’s), om te maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets van begreep. De ‘alcalde’ moest er zijn baantje bij laten. Er kwam een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede trekpaarden.
“Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van ’t gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien, pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg, waaraan alleen ’t graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen, toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds genoeg om hem te zien sterven.”
De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en hem de hand toestekende, zeide hij:
“M’n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is.”
Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.
Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf een teeken aan den koetsier.
“Hôtel de Lala!” zeide hij nauw hoorbaar.
“Die komt zeker uit het cachot,” dacht de koetsier, terwijl hij een zweepslag aan de paarden gaf.
1 “Calle” (spr. kaljee) is straat in ’t Spaansch.
2 Een soort bloes.—J.H.
V.
Een ster in den duisteren nacht.
Inhoudsopgave
Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in een leuningstoel neervallen, om door ’t open raam te turen naar de wijde ruimte daar voor hem.
In ’t huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen; als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden van ’t levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.
Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal, een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!
De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure.
De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds, wellicht vermoeid van de reis.
Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil naar de liefelijke verschijning had gekeken—het jonge meisje, dat het middelpunt had uitgemaakt van ’t feest aan den overkant—zonder aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan, naar de zee die nog lag te slapen.
VI.
Capitán Tiago.
Inhoudsopgave
Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte, licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars, van ’t bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond, klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn bolte. Zijn kleine oogen—die echter niet schuin stonden—veranderden nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en “boejo” (sirih)—waarvan de “sepah”, samengedrukt binnenin zijn wang, de regelmaat van zijn trekken verstoorde—dan zouden we zeggen, dat hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd had tegen twee “duro’s” ’t stuk.
Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van Binondo, en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in Pampanga en in de Laguna de Bay bezat, vooral in ’t dorp San Diego waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. San Diego was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde “Gallera”—strijdperk voor hanen—en de herinneringen die hij ervan bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.
Capitán Tiago had veel eigen huizen in Santo Cristo, in de Anloague- en in de Rosario-straat. De opiumpacht was in zijn handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten der gevangenen van Bilibid, en voor “zacate”—een paardenvoeder uit verschillende grassoorten bestaande—aan veel voorname huizen van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar ’t gold te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen en ’t publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.
Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden God te zijn, als men ’t goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood: hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken, arme luitjes die voor éen “peso” bereid zijn, om zestien “mysteriën” af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in ’t Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij ’t meeste beloofde en tegenover wie hij ’t meest zijn beloften nakwam, was de Heilige Maagd van Antipolo, onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen—’t is waar, dat hij ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve Vrouw van Antipolo grooter macht en baat toe dan aan al de andere Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden gordijn, leidt naar een kapelletje of “oratorio”, dat in geen enkel Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar, puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt te treffen—zoo zou men zeggen—veeleer dan de gestaarte en gehoornde duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet te dicht bij die kris van den heilige Michaël.
Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest deelnam aan de bedevaart naar Antipolo: dan bekostigde hij twee dankmissen van de vele, die de “novenario’s” vormden en de andere dagen vulden, waarop er geen novenario’s waren. Daarna nam hij een bad in de beroemde batis of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten, sinigang van dalag met bladeren van alibambang1 en andere min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets meer dan vierhonderd peso’s, maar dat was nog goedkoop als men naging, hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in den verderen loop van ’t jaar, dank zij die missen, zou maken.
Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in ’t dorp San Diego zond hij aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg, maakte hij zijn winkansen op. ’t Is algemeen bekend dat Capitán maar zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten, of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of ’t kwam omdat er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten, of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam, enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om hem vaster in ’t geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan ’t hemelsche Hof.
Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn “modus vivendi”, was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan ’t alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van ’t jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij, die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen- of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in ’t kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.
Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien “rokken”, evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de hoed in den gemeenteraad, in Malakanjang en in de kazerne; de hooge hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies, in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok zweette Capitán Tiago door ’t gezwaai met zijn stok met het kwastje, beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam, onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen, scheefgetrokken door zijn manier van loopen.—Op hem waren de beide zaligsprekingen—christelijk en profaan—van toepassing: “zalig zijn de armen van geest” en “zalig zijn de bezitters.” De onvromen hielden hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende, en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och, de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige nipah-huisjes en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden, vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen: ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust: ’t was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen had kunnen verwerven.
Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte, evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten goede kwam aan het publiek.
Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan ’t bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels, glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was, was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van ’t vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of, nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze ooit heilig verklaard werd—wat haar vereerders vast geloofden—dan was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden, mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.
Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld, maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van “de logica” zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz, dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker, koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van ’t dorp.
Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen, gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso hem aanraadde naar Obando te gaan; daar danste hij ’t feest van San Pascual Bailón en vroeg om een zoon. ’t Is bekend dat er te Obando een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze lieve Vrouw van Salambau, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach, ’t ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen, toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven ze haar de namen Maria Clara ter eere van de Maagd van Salambau en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel, de pater vereerende oude, die wij in ’t begin van ons verhaal hebben ontmoet. Ze woonde het grootste deel van ’t jaar te San Diego om het gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden, die de trek van Capitán Tiago’s vaderschap herkenden in Maria Clara’s kleine en welgevormde ooren.
Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat2 uit het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.
Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar, wanneer ze haar bij de processies in ’t wit kleedden, haar weelderige lokkentooi doorstrengeld met tjempaka’s en leliën, met twee zilveren en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk, ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan te schaffen.
In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar vrouw, gelijk de bloemknop, die ’s nachts nog gesloten den volgenden ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van Binondo naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra, die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de “waakzuster”, bracht ze zeven jaar van haar leven door.
Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende omstandigheden verkeerden.
1 Sinigang is onze pindang (visch-soep); dalag (ophiocephalus) groeit in de rivieren, meeren en moerassen en vindt men in den regentijd op de rijstvelden en ondergeloopen landen; alibambang is de bauhinia malabarica Roxb.
2 De “Biblia” (bijbel) van Torres Amat, aartsbisschop van Tarrogona.
VII.
Idylle op een plat dak.
Inhoudsopgave
Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan; deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende het Heilige Offer het “Anker der Redding” te lezen.
Nauw was de priester van ’t altaar verdwenen of het jonge meisje gaf haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig hield, niet minder dan een non. Morrend en onder ’t slaan van kruisjes stond de goede oude op.
“Och, de goede God zal ’t wel vergeven. Hij zal ’t hart van de jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante,” had de ander tot haar gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte moederlijk-bedoelde verwijten.
Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van ’t afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en door te lezen.
Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den boezem van ’t meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in ’t rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze “hem” ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....
“Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft,” zei Capitán Tiago. “Je moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht noodig. Wat dunkt je, Malabón....of San Diego?”
Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje en kon ze niet antwoorden.
“Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen,” ging Capitán Tiago voort, zonder ’t hoofd op te heffen, “je gaat er daarna niet meer heen.”
Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.
“En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar Malabón.... je peetvader is niet meer in San Diego. De pastoor, dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe pastoor dien we daar nu hebben. ’t Is een heilige.”
“San Diego staat haar beter aan, neef!” merkte tante Isabel op. “Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst.”
Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een rijtuig stilstaan, en werd bleek.
“O ja, dat is waar!” antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend, hervatte hij:
“Don Crisóstomo!”
Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging haar door ’t lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten, onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg, om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het gedruisch van een deur die gesloten werd.
Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die ’t dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door ’t sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed, haar armen om den hals van ’t oudje en overstelpte haar met kussen.
“Maar, dwaas kind, wat scheelt je?” kon de oude ten slotte uitbrengen, terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.
Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen arm.
“Kom, maak je klaar, gauw!” voegde de oude op hartelijken toon eraan toe, “terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet op je wachten.”
De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich op in haar kamer.
Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze overal heen keek, behalve naar de menschen.
Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering vond geen woorden.
En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van ’t “engelen haar”? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in ’t geheim van den duisteren nacht, in ’t mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde, eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij, want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!
Maar nu gij niet wilt, zal ik ’t zelf toch maar probeeren.
De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog de bladeren en bloemen der klimplanten—daarom huiverde het “engelen haar”—de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche lampen. Het geplas van een “sagoean” (roei-riem uit één stuk hout) in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren over de Binondo-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat de tante mompelde:
“Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in ’t oog gehouden”, zeide zij.
In ’t eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk als honig voor de lieden van ’t land, maar lach- of ergernis-wekkend voor vreemdelingen.
“Heb je altijd aan me gedacht?” vraagt zij jaloersch. “Heb je me op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel mooie vrouwen!”....
Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.
“Zou ik je kunnen vergeten?” antwoordt hij, terwijl hij verrukt in haar donkere pupillen staart. “Kon ik ooit een heilige belofte schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me zoo alleen zag schreien bij ’t lijk van mijn moeder en je naar mij toekwam, je hand op mijn schouder lei—je hand, die je me al een heelen tijd niet toeliet vast te houden—en dat je toen tegen me zei: ‘Gij hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad’... en dat je toen samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een dochter. Buiten regende en donderde het, maar ’t was me of ik muziek hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O, als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in ’t verre Europa mijn fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland, mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van ’t Filippijnsche land, ’t heerlijke land, dat de deugden van ’t Spaansche moederland vereenigt met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was ’t of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in ’t zonnig Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven, daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde...”
“Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila en Antipolo—jouw land,” antwoordde zij glimlachend; “maar van ’t oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar ’t klooster ging, heb ik altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik vond het toen vreeselijk, maar later in ’t klooster lachte ik erom en verlangde er naar, dat ik weer ’s zoo ruzie met je kon hebben... om dan daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de ‘gogo’—een soort ‘merang’—waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie begreep. ‘Och, domme jongen,’ antwoordde je moeder toen, ‘je zult merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.’ Ik begon te lachen, jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen naar ’t dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die, om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes.”
Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige blaadjes ingepakt waren.
“Jouw salie-blaadjes!” antwoordde hij op haar blik.
“Dat ’s alles wat je me ooit gegeven hebt.”
Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.
“Afblijven!” riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.
“Niet aankomen: dat ’s een afscheidsbrief.”
“Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?”
“Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?”
“En wat had ik je daarin te vertellen?”
“O, ’n boel fopperij!” antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. “Stil! ik zal je den brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan, om je te sparen.”
En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken, dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:
“Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje,” en ze doorliep eenige regels met de oogen. “Mijn vader staat erop, dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.—“Je bent nu een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van ’t leven leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter Baltasar spreekt: “Opgegroeid in ’t water, verwelken haar bladeren, zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van hitte doet haar verdorren.” Wel, kijk, je bent bijna een jonge man, en je schreit nog!”—Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder leggend, zeide hij me met bevende stem: “Denk je, dat jij alleen kunt liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en ’t niet naar vindt van je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid, al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je, voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, ’t mijne gaat verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de koude erin. En toch schrei je, en kun je ’t heden niet opofferen voor een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!”—Mijn vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën, omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid was te vertrekken.”
Ibarra’s ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman was bleek, en stapte van ’t eene uiteinde van het platte dak naar ’t andere.
“Wat scheel je? wat is er?” vroeg zij hem.
“Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu dadelijk naar ’t dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen.”
Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:
“Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg die bloemen op ’t graf van je vader!”
Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het bidkapelletje opsloot.
“Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!” zeide Capitán Tiago, terwijl Ibarra in ’t rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de richting van het San Gabriël-plein.
En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:
“Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede Reis, want er zijn een boel toelisan’s (roovers). ’t Is beter nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een bom duiten te moeten uitgeven als losgeld.”
VIII.
Herinneringen.
Inhoudsopgave
Ibarra’s rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht ondanks zichzelf glimlachen.
De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht, de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes met eetwaren, de hôtels, “de restaurants”, de winkels, tot zelfs de zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels, die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort te slepen, alles, ’t gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon, een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten in zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen.
De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte, de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; ’t regende een dag en er ontstond een moeras, dat ’s avonds de rijtuiglantaarns weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun geborduurde muiltjes laten steken!
Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht de koude van ’t ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis, aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider, voor wien ’t wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen kon mishandelen.
Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam, of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg het in zijn salákot,1 de overigen keken met een zonderlinge blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij nog het gedruisch dat ze maakten bij ’t stukslaan van steenen, om de kuilen op straat aan te vullen en ’t vroolijk tingelen der zware voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn, zonder smart, zonder ongeduld, zooals ’t eigenaardig karakter der inboorlingen meebrengt.—“Vandaag jij, morgen wij,” zeiden ze zeker bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen, de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van.
De goede eerwaardige Puente de Barcas, die echt-Filippijnsche brug, die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen der Pasig-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield.
De amandel-boomen der Plaza de San Gabriel waren niet grooter geworden, ze bleven achterlijk in hun groei.
De Escolta-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met steunbeelden de plaats in van haar oude camarines—de lage gebouwtjes met de Chineesche winkels erin. De Puente de España, een nieuwe brug, trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het eiland Isla del Romero begint, brachten hem de frissche ochtenden in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een banca—een klein nauw schuitje—om naar de baden van Ulf Ulf te gaan.
Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen—ernstig en met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en beide dochters aankwam.
Bij ’t afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in, koersnemende naar de wandelplaats de la Sabana. Links klonk uit de sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk maakte. Het levendige gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters, die er zoo vaak opstootjes maken!
De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek een anderen kant uit—’t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts, en daar zag hij ’t oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen van haar grootmoeder.
Hij zag in de verte de zee, en dacht aan ’t verre Europa met de geestelijk-ontwikkelde volkeren, die ’t stoffelijke niet veroordeelen en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten voorstaan, dat ze ’t geestelijke vereeren!...
De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats de la Luneta2, trok thans zijn aandacht.
Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had, die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar ’t waren geen ijdele napraterijen, ’t waren overtuigingen die niet verbleekten in ’t licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: “Vergeet niet, dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, alleen de moedigen die erven”, had hij vermaand. “Ik heb getracht je bij te brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je gaat naar zeer rijke landen.” En hij voegde er toen lachend aan toe: “Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt.” Die man was daar gestorven.
Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf:
“Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee, wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet, nee!”
Zijn aandacht werd niet getrokken door la Ermita—de kluizenarij—die fenix van “nipah”, welke zich uit zijn as verheft in den vorm van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar Malate, noch naar de cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de vogelnestjes door iedere huisvader voor zich.
Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken door een of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger in ’t mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen weg, waar de felle tropische zon blaakte. ’t Weemoedig, eentonig gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt het snerpend geknars van ’t droge wiel met de ontzaggelijke as aan ’t zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers van een “paragos”, de Filippijnsche slede, die met horten en stooten voortschuift over ’t stof of de modderpoelen van den weg. Op de velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers, die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen troepjes merries...
Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over ’t hobbelig terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde snel omlaag.
1 “Toedoeng” zeggen wij in N.-I.
2 Hier werd de schrijver gefusilleerd.
IX.
Locale aangelegenheden.
Inhoudsopgave
Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre Dámaso, die zich naar ’t huis begaf waar hij juist vandaan kwam.
“Waar gaan jullie heen?” vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante Isabel, die op ’t punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand op de wangen van het meisje.
“Naar ’t klooster om mijn goed te halen,” antwoordde ze.
“Aha, aha! We zullen ’s zien wie verder komt, we zullen ’s zien”... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte hij zich naar de trap en ging naar boven.
“Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?” zeide tante Isabel. “Kom, stap in, Maria, ’t wordt zoo laat.”
Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen, doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen, want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze bijna een knieval moest doen om die te kussen.
“Santiago!” was ’t eerste wat hij zeide, “we moeten over heel belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan.”
Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de deur achter zich dicht.
Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na de mis gelezen te hebben, naar ’t klooster van zijn orde gegaan dat gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings “de Isabel II” of “de Mojallones” heette, al naar de koninklijke familie die te Madrid zetelde.
Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur.
“Binnen!” zuchtte een stem.
“God geve uwe reverentie weer gezondheid!” was de groet van den jongen dominikaan bij ’t binnenkomen.
In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel en uitgemergeld als een heilige van Ribera’s penseel. Zijn oogen lagen diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden.
Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder ’t eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij ’t hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten.
“Ach!” zuchtte de oude man, “de doktoren raden me een operatie aan, Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando! ”
Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in ’t gelaat.
“En wat heeft uwe reverentie besloten?” vroeg hij.
“Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel, maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij, hoe is ’t met jou, wat heb je voor nieuws?”
“Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had.”
“O, en hoe is ’t daarmee?”
“Poeh!” antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat minachtend af, “ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad.”
“Denk je dat?”
“Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen.”
“Nu al? En hoe was dat?”
Fray Sibyla verhaalde in ’t kort wat er tusschen Padre Dámaso en Crisóstomo Ibarra voorgevallen was.
“Bovendien”, voegde hij er ten slotte aan toe “’t jonge mensch gaat trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin misschien te verspelen.”
De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd.
“Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo’n vrouw en zulk een schoonvader zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet, des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!”
Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan.
“Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk,” voegde hij er met moeite ademend aan toe. “Ik heb liever aanvallen dan dat zotte aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...’t Is waar, dat ze betaald worden.”
“Denkt uwe reverentie dat?”...
De grijsaard keek hem droevig aan.
“Hoû dat maar voor zeker!” bracht hij met moeite uit. “Onze macht duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen.”
“En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms...”
“Dat zal ’t niet doen!”
“En toch, als ’t eens, belust op wat wij binnenhalen mocht toegeven aan zijn begeerte... als er ’s een durf-al was, een vermeteling...”
“Oh, dan staat het ellendig met hem!”
Beiden zwegen een poos.
“Bovendien,” ging de zieke voort, “wij hebben noodig, dat ze ons aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. ’t Geld komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens niet meer in onze macht.”
“Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen...”
“Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En ’t ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld: dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: Quos vult perdere Jupiter, dementat prius.1 Laten we daarom ons gewicht niet te zwaar maken: ’t volk mort al. Ik denk er zoo over als jij: laten de anderen daar ginds hun eigen zaken regelen, laten wij het prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!”
“Dus uwe reverentie gelooft, dat de ‘canon’ of grondlasten?...”
“Laten we toch niet meer over geld spreken!” viel de zieke met een zekeren afkeer in, “je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan Padre Dámaso...”
“Jawel, vader” antwoordde Fray Sibyla lachend, “maar van morgen zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar ’t hoofd gestegen was en dat Padre Dámaso in ’t zelfde geval verkeerde als hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij, ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel: ik ben geen overbrenger en ben ’t ook nooit geweest; daarom draag ik ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag.”
Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray Sibyla heen.
Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar Malacanan—het paleis van den gouverneur—geweest was, had deze toch van de zaak gehoord.
“Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen,” had hij lachend tot een zijner adjudanten gezegd, die hem ’t geval had medegedeeld. “Ik wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben er ook achter, dat de ‘provincial’ zich niet om mijn orders bekommerd heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien ‘fraile’: ze hebben hem een veel beter dorp gegeven. Och, ‘monnikerijen’ (frailadas) zeggen we in Spanje!”
Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer.
“O! als dit volk niet zoo aarts-dom was,” zuchtte hij, “zou ik die eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot, en laten we doen wat iedereen doet.”
Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso, of beter gezegd die van dezen met hem.
“Dus je bent nu gewaarschuwd!” zeide de Franciskaner bij ’t afscheid. “Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw op haar peet!”
Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis te beveiligen.
“We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!” mompelde hij.
1 Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig.
X.
Het dorp.
Inhoudsopgave
Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp San Diego te midden van bouwlanden en sawah’s. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten.
Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden van die opeenhooping van daken van nipah, pannen, zink en “cabonegro” (idjoek),1 gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een boom—de fijnbebladerde asem—, de met vruchten beladen klapperboom, een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in ’t zandig bed verspreid haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend onvast, verbinden de beide oevers. En zijn ’t ook slechte bruggen, ’t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om ’t evenwicht op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, die bevend voortstapt en zijn stok in ’t water laat vallen.
Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt, dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas, gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen, en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het loof van de gastvrije boomen.
Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde over, maar ’t waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde en bekende, schijnt het volgende te wezen:
Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er ’s nachts herten en wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem reeds voor “betooverd,” toen een walgelijke lucht, die zich uit het naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok; ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding aan den tak van een baliti-boom hangen. In levenden lijve boezemde hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had, verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de baliti was er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder, die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen, beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.
Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar ’t scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila, bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.
Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden: de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe’s, papaja’s, djamblang’s enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze “de ouwe! de ouwe!”, smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch waren—sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel enkelen lachend.
1 Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (Arenga pinnata Mer.).—J.H.
XI.
De grootmachtigen.
Inhoudsopgave
Wie waren de overheids-personen van ’t dorp?
Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in ’t dorp nooit zijn partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen men hem zag wankelen.—Zou ’t dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij ’t een half uur later in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden hem achter zijn rug “Koster” Tiago.
Dan misschien het dorps-hoofd?
Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had, alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere, hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had hem vijf duizend peso’s gekost en heel wat vernederingen. En naar ze hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop.
Wie dan?
Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de Paus en het Vatikaan; de onderluitenant—alférez—van de guardia civil de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in ’t andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort, want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.
Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger, den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid, bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco), tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men aan ieders hals vier of vijf “scapalieren” en om ieders middel een koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het verkoopen—door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen—van al de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den duivel te keeren.
Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling van zijn plichten: volgens den alférez al te nauwgezet. Wanneer hij aan ’t preeken was—daar hield hij veel van—werden de deuren der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden, in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.
De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke tevens, was, zooals we gezegd hebben, de alférez. De eenige, want de vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch, toen die ’t gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer na negen dagen in vrijheid gesteld.
Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme onvoorzichtige duivels, en de alférez verdiende zijn lot. Zijn vrouw, een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De alférez wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn vrouw af te rammelen.
Hij en zij sloegen—alsof ’t maar een grapje was—elkaar bont en blauw, en schonken de buren gratis-voorstellingen.
Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi, lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte dan weer witjes en bad nog meer.
Om hem te “pesten” verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw, het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en een slakot—toedoeng—van nipah op het hoofd, rondkuierend in de late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij zag, dat de alférez de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd, het beeld van den Heilige Geest “Och, toe, schei uit!” mompelde. De alférez was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen, die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij ’t geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in den tuin van den alférez, terwijl hij een onderwerp overpeinsde voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze elkaar daarna tegenkwamen.
Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak aan ’t venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan, de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.
Dit zijn de grootmachtigen van ’t dorp San Diego.
XII.
Allerheiligen.
Inhoudsopgave
Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half van riet en staken, schijnt het af te scheiden van ’t verblijf der menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken.
In ’t midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken Inri ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van ’t kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt.
Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold, ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet, ontstaan door aardbevingen, aan ’t oog onttrekkend.
De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende vrouw te zeggen:
“Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?”
Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig—hij gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre takken—de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer.
“Zeg ’s!” zegt de rooker in Tagaalsch, “zou ’t niet beter zijn, dat we op een andere plek gingen graven?
“Hier is ’t nog zoo nieuw.”
“’t Eene graf is al even versch als ’t ander.”
“Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog bloederig... brr! En die haren?”
“Och, wat ben jij jufferachtig!” verweet hem de ander, “’t lijkt wel of je griffier van ’t gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk dat twintig dagen oud was, had opgegraven—’s nachts, in ’t donker, bij regen, mijn lantaren ging uit....”
De ander huiverde.
“De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en als jij hem dan dragen moest.. nou, en ’t regende en we waren beiden druipnat, en..,”
“Brrr! En waarom heb je ’m opgegraven?”
De doodgraver keek hem met verwondering aan.
“Waarom? Weet ik het? Ze hadden ’t me gezegd!”
“Wie had het je gezegd?”
De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot voeten aan.
“Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed: de groote pastoor had het me bevolen.”
“Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?” vroeg de “jufferachtige” wederom.
“Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een ‘mensch’ was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd, dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt....”
“Nee, nee! Ik graaf niet meer!” viel de ander in, vol ontzetting zijn schop loslatend en uit de groeve wegspringend. “Ik heb daar een doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet van slapen kan.”
De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg.
Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder elkaar en alsof ze ’t niet eens konden worden, gingen ze vaneen en een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen, die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der gebeden ruischten door de lucht.
Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe.
“Zeg ’s!” zeide hij. Deze hief het hoofd op.
“Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het vleesch van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar had, onder die blaren, aan den voet van ’t kruis?”
De doodgraver haalde de schouders op.
“Hier!” vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, “ik heb niets meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt.”
De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het knekelhuis, en zei:
“Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik ’t niet.”
“Zal ik je ’s wat zeggen?” ging de oude voort, “zoodra ze me betalen wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. ’t Was de schedel van mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt...”
“Is hij daar niet? dan weet ik ’t niet! Maar, als je wilt, kan ik je wel een ander geven.”
“Je bent al net als het graf dat je graaft!” voegde de oude man hem zenuwachtig toe, “je kent de waarde niet van wat je verloren laat gaan. Voor wie is dat graf?”
“Weet ik ’t? voor een dooie!” antwoordde de ander humeurig.
“Als het graf, net als het graf!” herhaalde de oude en lachte droogjes, “je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar, graven maar!”
En hij wendde zich om en ging naar den uitgang.
De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn salákot, en begon die te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem heen gebeurde.
XIII.
Voorteekenen van storm.
Inhoudsopgave
Op ’t oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in ’t zweet.
Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar het kerkhof.
“Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen terugkomen!” zeide de oude man schuchter. “Capitán Tiago zei dat hij wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis neergezet, dat ik zelf gesneden heb.”
Ibarra antwoordde niet.
“Daar achter dat groote kruis, heer!” ging de knecht voort, wijzende naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan.
Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na.
De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel stond bedremmeld en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag nergens een kruis.
“Is ’t hier?” mompelde hij bij zich zelf. “Nee, ’t is daar ginds, maar de aarde is er omgewoeld!”
Ibarra keek hem angstig aan.
“Jawel!” ging hij voort, “ik herinner me, dat er een steen naast was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf ’s vragen, wat er met het kruis gedaan is.”
Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg, en daarna groette door zijn “salákot” aftenemen.
“Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?” vroeg de bediende.
De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na.
“Een groot kruis?”
“Jawel, groot,” bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde.
“Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?” vroeg de doodgraver verder.
“Ja zeker, juist, juist!” en de knecht teekende op den grond een bizantijnsch kruis.
“En waren er bloemen op ’t graf gestrooid?”
“Oleanders, tjempaka’s en viooltjes!”
“Ja zeker!” hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar.
“Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is.”
De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend:
“Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!”
“Verbrand! En waarom heb je ’t verbrand?”
“Omdat de groote pastoor het me gezegd had.”
“Wie is dat, de groote pastoor?” vroeg Ibarra.
“Wie? Die erop-in ranselt, pater ‘Stok’”.
Ibarra streek de hand langs ’t voorhoofd.
“Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat moet u zich toch herinneren.”
De doodgraver glimlachte.
“De dooie is er niet meer in!” antwoordde hij bedaard.
“Wat zegt u?”
“’t Is nog al duidelijk!” voegde de man er op gekscheerenden toon aan toe, “ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven.”
“Ben je gek?” vroeg de knecht hem. “’t Is toch nog geen jaar dat we ’m begraven hebben.”
“Nou ja: ’t is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven heb. De ‘groote pastoor’ woû ’t hebben, om hem naar ’t Chineesche kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en ’t dien nacht regende...”
De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra’s houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde hem door elkaar.
“En dat heb je gedaan?” vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon.
“Word maar niet boos, heer,” gaf de ander verbleekend en bevend terug, “ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf: ’t is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb ’m toen maar in ’t water gegooid!”
Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was.
“Je bent een ellendeling, niets meer!” zeide hij, en, als een gek over beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten.
De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde:
“Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje nog bij inschieten.”
Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde hem schreiend.
De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den hemel naar ’t oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa’s der boomen, en deed de rietvelden kreunen.
Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich naar den buitenkant, naar ’t oude huis dat hij nu sinds jaren niet betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open, de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken; de duiven fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning, die midden in den tuin stond.
Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in ’t oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de vijand van de alférez. De wind boog de breede randen van zijn hoed om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken bamboe-stok met ivoren handvat. ’t Was de eerste maal dat Ibarra en hij elkaar zagen.
Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken.
De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe, hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en vroeg bijna onverstaanbaar:
“Wat heb je met mijn vader gedaan?”
Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich op ’t gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden: hij voelde zich als verlamd.
“Wat heb je met mijn vader gedaan?” herhaalde de ander met gesmoorde stem.
De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte, bracht er met moeite uit:
“U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!”
“Niets?” hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat hij hem op zijn knieën deed vallen.
“Nee, ik verzeker ’t u! Dat was mijn voorganger, “t was Padre Dámaso...”
“O!” riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor ’t voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig naar zijn huis.
De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke opstaan.
XIV.
Tasio de gek of de wijsgeer.
Inhoudsopgave
De oude zonderling van ’t kerkhof doolde afgetrokken door de straten.
’t Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek aan middelen of bekwaamheid: ’t was juist omdat zijn moeder rijk was, en men algemeen zeide dat hij “aanleg” had. De goede vrouw vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten: daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen ’t jaar, zocht hij een troost in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo’n liefde voor boeken, dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was.
De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio, en onopgevoeden—de meerderheid—Tasio de gek, om zijn zonderlinge denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang.
Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht, de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend.
Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek.
Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met kwast, als teeken van zijn waardigheid.
“U schijnt vroolijk te wezen?” vroeg deze in de landstaal.
“Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop.”
“Zoo! En waarop hoopt u dan?”
“De storm!”
“De storm! U wilt zeker gaan baden?” vroeg de “gobernadorcillo” op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den ouden man.
“Baden... ’t zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils aanloopt,” antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek daarbij zijn toespreker in ’t gelaat, “maar ik hoop op iets beters.”
“Wat dan?”
“Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te verbranden!” gaf de wijsgeer ernstig terug.
“U moest maar ineens de zondvloed vragen!”
“We verdienen ’m allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo, heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe ‘Capitán’ voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij onweer. En zeg me nu ’s: hoe kwam het, dat in ’70, toen de bliksem in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en ’t altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?”
Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. “Jezus Maria en Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!” mompelde de “gobernadorcillo”, die bleek werd en een kruis sloeg.
Tasio schoot in een schaterlach.
“Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!” zeide hij in ’t Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk.
De kosters waren binnen bezig een “túmulus” op te richten met kaarsen en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar, bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden geschilderd.
“Is het voor de zielen of voor de kaarsen?” vroeg hij. En twee knapen ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen, zonder het antwoord der kosters af te wachten.
“Gaan jullie met me mee, jongens?” vroeg hij hun.
“Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt: een pastoor ’t lusten.”
XV.
De kosters.
Inhoudsopgave
Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij vroeg hen wanneer zij naar huis gingen.
“De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!” antwoordde ’t oudste ventje. “Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan moeder geven.”
“Zoo! En waar gaan jullie heen?”
“Naar den toren, om te luiden voor de zielen.”
“Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken zoolang ’t onweert.”
Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op te gaan naar het koor.
Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde:
“Nou zou ’t me spijten, als het insloeg.”
En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant van ’t dorp.
“Zeg, komt u eerst even binnen!” riep een stem uit een venster hem in ’t Spaansch toe.
De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte.
“Wat leest u daar?” vroeg Tasio en wees op het boek dat de man in zijn hand hield.
“’t Is iets nieuws—mooi boek: ‘De kwellingen der zaligen in ’t Vagevuur!’” was het vroolijk bescheid.
“Man! man! man!” riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij het huis binnenging. “De schrijver moet wel een knap man wezen.”
Bij ’t opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij Teodora Vina. Don Filipo was de “teniënte mayor” of onder-burgemeester en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn.
“Heeft u op ’t kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet, die pas uit Europa terug is?”
“Ja, ik heb ’m gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte.”
“Ze zeggen dat hij ’t graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag moet wel vreeselijk geweest zijn.”
De “wijsgeer” haalde de schouders op.
“Stelt u geen belang in zijn ongeluk?” vroeg de jonge huisvrouw.
“Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn gegaan. Ik was ’t die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden.”
“En?”
“U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van ’t erfelijk koningschap. Door ’t beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben.”
“Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik ’t u gisteren aangeraden heb?” vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen.
“Nee!” antwoordde de oude man lachend.
“Hoe jammer!” riep ze met oprechte spijt, “ze zeggen dat tot morgen tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere dagen van ’t jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei.”
“Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben, waar we van moeten profiteeren?”
“Maar Doray!” viel Don Filipo in, “je weet toch wel dat Don Anastasio niet aan ’t vagevuur gelooft.”
De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo kwam ’t gesprek op ’t vagevuur en de filosoof vertelde hoe ’t geloof daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de verdoemenis geloofde. ’t Einde van zijn redeneering was dat hij niet kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen van een oogenblik.
Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar, en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning.
De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; ’t was of God met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en ’t eeuwige gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en, voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als een klagelijk gekreun door de lucht.
Op de tweede verdieping van den toren bevonden zich de twee knapen, die we terloops pratende met den filosoof hebben gezien. De jongste, die groote zwarte oogen en een schuchter gelaat had trachtte zich tegen het lichaam van zijn broer aan te dringen. Deze leek veel op hem, alleen was zijn blik dieper en de uitdrukking van zijn gezicht vastberadener. Beiden waren armelijk gekleed, en hun plunje vertoonde overal lappen en stoppen. Gezeten op een stuk hout, hield elk van hen een touw in de hand, waarvan het andere uiteinde zich hoog boven hen in de duisternis der derde verdieping verloor. De wind dreef den regen in hun gezicht, en deed de vlam flikkeren van een eindje kaars, dat daar op een grooten steen stond, die op Goeden Vrijdag in ’t koor heen-en-weer gerold werd, om den donder na te bootsen.
“Trek toch aan ’t touw, Crispin!” zeide de oudste tot zijn broertje.
Deze ging er weer aan hangen, en boven hoorde men een zwakke klaagtoon, die onmiddellijk door een donderslag, door duizend echo’s herhaald, overstemd werd.
“Och! als we nu toch maar thuis waren bij moeder!” zuchtte de kleine, zijn broer aanziende. “Daar zou ik niet bang zijn.”
De oudste antwoordde niet: hij keek naar ’t afdruipen van de was aan de kaars, en scheen in gedachten.
“Thuis zegt niemand me dat ik steel!” hervatte Crispin; “moeder zou ’t niet toelaten! Als ze eens wist dat ze me hier ranselen...”
De oudste wendde de oogen van de vlam af, richtte het hoofd op, beet met kracht in het dikke touw en trok er geweldig aan, zoodat het welluidend gonsde.
“Moeten we altijd zoo blijven voortleven, broer?” ging Crispin voort. “Ik wou dat ik morgen thuis ziek werd, ik woû dat ik heel lang ziek lag, dan zou moeder me oppassen en hoefde ik niet meer naar ’t klooster terug! Dan zouden ze me geen dief meer noemen en me evenmin meer ranselen! En jij moest ook maar ziek worden, zeg.”
“Nee!” antwoordde de oudste, “we zouden allemaal doodgaan, moeder van verdriet, en wij van den honger.”
Crispin zeide niets terug.
“Hoeveel verdien jij deze maand?” vroeg hij na een oogenblik.
“Twee peso’s: ze hebben me twee boeten gegeven.”
“Betaal wat ze zeggen dat ik gestolen heb, dan zullen ze ons niet meer voor dieven uitschelden. Betaal het maar, broer!”
“Ben je gek, Crispin? Moeder zou niets te eten hebben. De eerste koster zegt dat je twee ‘onza’s’ gestolen hebt, en twee onza’s zijn twee-en-dertig peso’s.”
De kleine telde op zijn vingers, tot dat hij aan twee-en-dertig kwam.
“Zes handen en twee vingers! En iedere vinger een peso,” mompelde hij daarop peinzend. “En iedere peso... hoeveel ‘cuarto’s’ is dat?”
“Honderd zestig.”
“Honderd zestig cuarto’s? Honderd zestig maal een cuarto. Och hemeltje! En hoeveel is honderd zestig?”
“Twee en dertig handen,” antwoordde de oudste. Crispin zat een oogenblik naar zijn handjes te staren.
“Twee en dertig handen!” herhaalde hij, “zes handen en twee vingers, en iedere vinger twee-en-dertig handen... en dan iedere vinger een cuarto... Och lieve tijd, wat ’n cuarto’s! Je zou ze in drie dagen niet kunnen tellen... En daar kon je pantoffels voor koopen voor je voeten, en een hoed voor je hoofd, als de zon warm schijnt, en een groote parapluie voor als ’t regent en eten, en kleêren voor jou en voor moeder en...”
Crispin verzonk in gedachten.
“Nu spijt het me dat ik niet gestolen heb!”
“Crispin!” vermaande hem zijn broer.
“Word maar niet boos! De pastoor heeft gezegd dat hij me dood zou ranselen met een stok, als ’t geld niet voor den dag komt. Als ik het gestolen had, zou ik ’t nu voor den dag kunnen brengen...en als ik dood ging zouden jij en moeder ten minste kleêren hebben! Had ik ’t maar gestolen!”
De oudste zweeg en trok aan het koord. Daarop antwoordde hij zuchtend:
“Waar ik bang voor ben, is dat moeder een hevig standje zal geven, als ze ’t hoort!”
“Geloof je dat?” vroeg de kleine verwonderd. “Je moet haar zeggen dat ze mij al veel geslagen hebben, ik zal haar mijn striemen laten zien en mijn kapotte zak: ik heb maar een cuarto gehad, die ze me voor mijn paschen gegeven hadden en de pastoor heeft me die gisteren afgenomen. Ik had nog nooit zoo’n mooie cuarto gezien. Moeder zal ’t niet willen gelooven, ze zal ’t niet gelooven!”
“Als de pastoor het zegt...”
Crispin begon te schreien, en stamelde onder het snikken door:
“Ga jij dan alleen weg, ik wil niet weggaan. Zeg aan moeder dat ik ziek ben. Ik wil niet weggaan.”
“Crispin huil nu maar niet. De oude Tasio heeft gezegd dat we van avond lekker zullen eten.”
Crispin hief het hoofd op en keek zijn broer aan.
“Lekker eten! Ik heb nog heelemaal niet gegeten: ze willen me geen eten geven zoolang dat geld nog niet terecht is... Maar als moeder ’t gelooft? Jij moet haar zeggen, dat de eerste koster liegt, en de pastoor die hem gelooft ook, dat ze allemaal liegen; dat ze zeggen dat we dieven zijn, omdat onze vader zich slecht gedraagt en...”
Doch er kwam een hoofd voor den dag uit de holte van het trapje dat naar de eerste verdieping voerde, en dit hoofd deed als dat van Meduza de woorden op de lippen van den knaap bevriezen. Het was een langgerekte magere kop met lange zwarte haren. Een blauwe bril verborg het eene blinde oog.
Het was de hoofd-koster die zoo zonder gedruisch, onverwachts placht te verschijnen.
De twee broertjes werden ijskoud.
“Jij, Basilio, krijgt een boete van twee realen, omdat je niet in de maat luidt!” zeide hij met een spelonkstem, alsof hij zijn stembanden kwijt was. “En jij, Crispin, jij moet van nacht hier blijven, totdat wat je gestolen hebt, terecht is.”
Crispin keek naar zijn broer, alsof hij om bescherming vroeg.
“We hebben vrij-af gekregen...moeder wacht ons om acht uur thuis”, stamelde Basilio schuchter.
“Nou mag jij ook niet om acht uur weg! Tot tien uur!”
“Maar, meneer, om negen uur mag je niet meer op straat, en ons huis is zoo ver.”
“Zoo, woû jij me de wet stellen?” vroeg de man toornig. En Crispin bij een arm vattende trachtte hij hem weg te slepen.
“Meneer! ’t Is al een week dat we moeder niet gezien hebben!” smeekte Basilio, zijn broertje vastgrijpende, als wilde hij hem verdedigen.
De hoofdkoster gaf hem een tik zoodat hij losliet en trok Crispin mee. Deze begon te schreien en liet zich op den grond vallen, terwijl hij tot zijn broêr zeide:
“Ga niet van me weg. Ze zullen me doodmaken!” Maar de koster lette er niet op, sleepte hem de trap af en verdween in de duisternis.
Basilio bleef achter zonder een woord te kunnen uitbrengen. Hij hoorde de stooten die het lichaam van zijn broertje tegen de treden der trap deed, dan een kreet, verscheidene klappen met de vlakke hand en daarna verstomden die hartverscheurende geluiden allengs.
De knaap stond ademloos met gebalde vuisten en wijd opengesperde oogen te luisteren.
“Wanneer zal ik een veld kunnen beploegen?” mompelde hij binnensmonds, en ging haastig naar beneden.
Toen hij aan ’t koor gekomen was, luisterde hij nog eens aandachtig: de stem van zijn broertje verwijderde zich snel, en de kreet: “moeder! broer!” stierf geheel weg, toen er een deur dicht ging. Bevend, bedekt met zweet, bleef hij een oogenblik stilstaan. Hij beet op zijn vuist, om een kreet te versmoren, die uit zijn hart opdrong, en liet zijn blikken dwalen door de halve duisternis der kerk. Daar ginds brandde zwakjes de olielamp. In ’t midden stond de katafalk. De deuren waren alle gesloten, en aan de vensters zaten tralies.
Opeens liep hij het trapje op, ging de tweede verdieping over, waar het kaarsje brandde, en klom naar de derde. Hij maakte de touwen los, die aan de klepels vastzaten, en ging daarna weer naar beneden. Hij was bleek, maar zijn oogen glansden en niet van de tranen.
De regen begon intusschen op te houden en de hemel werd allengs helderder.
Basilio knoopte de touwen aaneen, bond een uiteinde aan een kant van de balustrade, en zonder eraan te denken het licht uit te doen, liet hij zich midden in de duisternis neerglijden.
Eenige oogenblikken later hoorde men op een der straten van het dorp geluid van stemmen, en klonken er twee schoten. Doch niemand maakte zich ongerust, en alles keerde weer tot de vorige rust terug.
XVI.
Sisa.
Inhoudsopgave
De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met “requiem’s” en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te lezen en daarna de “aflaat” van de afgestorvenen koopen, die zooveel zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk niet zoo veel-eischend als de menschlijke.
Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht heeft hij wel weinig gebeden opgezegd, maar toch veel in stilte gebeden met smart in ’t hart en tranen in de oogen. Hij weet niet van de “novenen”, kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de “oremus”, die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn lippen kunnen “groetenissen” uitspreken, maar zijn geest schreeuwt klachten uit en beschuldigingen...
De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen: ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar ouders en van haar overleden echtgenoot. “Een peso,” denkt ze, “een peso is een week verzorging voor mijn kinderen, een week van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden...” “Maar ’t hellevuur moet gebluscht worden” zegt de stem die ze heeft hooren preeken; “ge moet u opofferen, ’t moet! De kerk redt voor u de geliefde zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die koopen en in plaats van ’s nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw dochter—wel wat zou ’t, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!”
Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de “sahig,”1 waarop de schamele mat gespreid is, en de “palapoe”,2 waaraan de hangmat is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben.
De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de “tokèq”—tjakón zegt men in de Filippijnen—, niet meer bevreesd voor ’t water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch bestaan ze!
Ginds, ver van ’t dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin, vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven, terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen, en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en gevreesd werd, gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder, onmenschelijker en bedillender.
Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen, doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan door te zetten. Haar man zeide weer niets.
Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar haard van ruwe hoekige steenen. Op een “toengko” of drievoet stond een potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde sardijnen, van die welke men drie voor twee “cuarto’s” kan koopen.
Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht aan ’t aardige raadsel van den pot en ’t vuur, dat Crispin haar eens opgegeven had. De knaap had gezegd:
Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá,
Nang mahaó i koemará-karà3.
Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de Tagalen noemen kajoemanging kaligatan, dit wil zeggen bruin, maar van een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes.
Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen haar werk af was, had ze ’t naar den klant gebracht, doch deze had haar alleen beloofd te betalen.
Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze wist dat die ’t lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de arme knapen.
Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa zeide niets, al was ’t haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten.
Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan.
“Wil je ze niet zien?” vroeg ze angstig. “De oude Tasio heeft me gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en.., misschien brengt Basilio zijn loon thuis.”
Bij ’t hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik, maar zijn goede genius zegevierde.
“In dat geval moet je een ‘peso’ voor me bewaren?” zeide hij, en stapte op.
Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen.
“Ze zullen wel goeden eetlust hebben!” dacht ze, “de weg is lang en een hongerige maag heeft geen oogen.”
Aandachtig luisterde ze naar ’t geringste geluid van voetstappen: krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, licht en ongelijk, dan van Crispin, dacht ze.
De kalao (toekang) had in ’t bosch al twee- of drie maal zijn kreet doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen nog maar niet.
Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en wanneer haar kinderen haar “koendiman” (antwoord me) hoorden zingen, schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem, en kwamen de tonen traag voor den dag.
Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen van de breede bladeren der pisang-boomen.
Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte akelig.
Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding bevolkt de lucht met spoken.
Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen Crispin. En haar gedachten dwaalden af van ’t gebed, om alleen aan hen te denken: aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten, in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote, peinzende oogen, en glimlachte.
“Moeder, doe open! Doe open, moeder!” zeide de stem van Basilio van buiten.
Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween.
1 bamboe-vloer.
2 dak-rib.
3 De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik later weerklonk het “kikiriki.”
XVII.
Basilio.
Inhoudsopgave
’t Leven is een droom.
Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen zijner moeder vallen.
Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde schreien, ’t was haar onmogelijk.
Doch op ’t gezicht van ’t bloed, dat het voorhoofd van haar jongen bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar hart gebroken ware:
“Mijn kinderen!”
“Wees niet bang, moeder!” antwoordde Basilio, “Crispin is in ’t klooster gebleven.”
“In ’t klooster? Is hij in ’t klooster gebleven? Leeft hij?”
De knaap sloeg zijn oogen naar haar op.
“O!” riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd met kussen overdekkend. “Crispin leeft! je hebt hem in ’t klooster achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je gevallen?”
En ze sloeg hem nauwkeurig gade.
“De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In ’t dorp riepen de soldaten me ‘werda’ toe. Ik zette het op een loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo gedaan hebben, die nog ziek is.”
“Mijn God, mijn God!” mompelde de moeder huiverend, “ge hebt hem gered!”
En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze:
“Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m’n jongen doodgemaakt hebben! Die lui van de guardia civil denken ook niet aan de moeders!”
“Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben.”
“Waarom is Crispin achtergebleven?” vroeg Sisa, nadat ze haar zoon verbonden had.
Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet van de kwellingen die men zijn broertje aandeed.
Moeder en kind mengden hun tranen.
“Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!” mompelde Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de tienhoy—het lampje—waarvan de olie opraakte.
Zoo bleven ze een poos zwijgen.
“Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen.”
“Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water.”
“Jawel,” hervatte de moeder, “ik wist wel dat je niet hield van gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je vader is er geweest, arme jongen!”
“Is vader er geweest?” vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen:
“Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen.”
“O!” viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen.
“Jongen!” vermaande zij.
“Wees niet boos, moeder!” antwoordde hij ernstig, “is het niet beter zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets gezegd.”
Sisa zuchtte.
“Eet je heelemaal niets? Laten we dan naar bed gaan, want het is al laat.”
Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze niet uit zouden gaan.
Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder, die geknield bad.
Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van ’t klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen.
Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht of naar een schuilplaats uitkeek.
De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt, schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig staat zijn broertje op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer, schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en laat een vochtig spoor achter...
De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug.
“Wat scheelt je? waarom huil je?”
“Ik heb gedroomd!... Och God!” riep Basilio uit en richtte zich op, gutsend van ’t zweet, “’t was een droom, zeg, moeder, het was maar een droom. Niets meer dan een droom!”
“Wat heb je gedroomd?”
De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.
“Een droom, een droom!” herhaalde Basilio zacht.
“Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!” zeide zijn moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.
“Nu dan,” zeide deze zacht, “ik droomde dat we aren gingen lezen... op een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van ’t andere herinner ik me niets meer!”
Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.
“Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt,” zeide Basilio, na eenige oogenblikken van stilte.
“Wat voor plan?” vroeg zij.
Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen: ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.
“Ik wil geen koster meer worden!”
“Hoe zoo?”
“Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis; die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor ’t ook niet; wat zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder, de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt weg aan boeten. Iedereen klaagt over ’t zelfde. Ik word herder, en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er goed op passen en ’t vetmesten, net als onze hen. In ’t bosch zal ik vruchten plukken, en ze dan in ’t dorp verkoopen tegelijk met groenten uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen, en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft, zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?”
“Och wat zou ik ervan denken? Stellig!” antwoordde Sisa, haar zoon omhelzend.
Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in ’t geheel geen rekening hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.
Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.
Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten djamboe’s, klèngkèng’s en andere vruchten in het bosch. Ze liepen van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en ’t zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe, de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te luiden. Aan ’t touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.
Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen had, sliep niet.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.