Kitabı oku: «Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'»
Jules Verne
Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers'

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066340278
Inhoudsopgave
I.
Aan de oevers van de Oranjerivier.
II.
Officieele voorstelling.
III.
Het vervoer.
IV.
Iets over den meter.
V.
Een Hottentotsch dorp.
VI.
Verdere kennismaking.
VII.
Eene basis.
VIII.
De vierentwintigste meridiaan.
IX.
Een kraal.
X.
De snelle strooming.
XI.
Nikolaas Palander teruggevonden.
XII.
Een station naar den smaak van John Murray.
XIII.
Door het vuur.
XIV.
Eene oorlogsverklaring.
XV.
Één graad meer.
XVI.
Verschillende voorvallen.
XVII.
De verdelgers.
XVIII.
De woestijn.
XIX.
Meten of sterven.
XX.
Acht dagen op den top van den Scorzef.
XXI.
Het licht verschijnt.
XXII.
Palanders woede.
XXIII.
De waterval van de Zambese.
De Blokkadebrekers.
De Dolfijn.
De Dolfijn op reis.
In zee.
Streken van Crockston.
Het kanaal van Sullivan.
Een generaal der geconfedereerden.
De vlucht.
Tusschen twee vuren.
Sint Mungo.
I.
Aan de oevers van de Oranjerivier.
Inhoudsopgave
Den 27sten Februari 1854 lagen twee mannen aan den voet van een ontzaglijken treurwilg met elkander te praten en keken van tijd tot tijd met de grootste oplettendheid naar den stroom. Deze rivier, door de Hollanders Groote Rivier, door de Hottentotten Gariep genaamd, kan wedijveren met de drie groote slagaderen van Afrika, namelijk den Nijl, den Niger en den Zambese; evenals deze treedt zij buiten hare oevers en heeft snelle stroomingen en watervallen. Eenige reizigers, wier namen langs een gedeelte van den stroom wel bekend zijn, als Thompson, Alexander, Burchell hebben als om strijd de helderheid van het water en de schoonheid van de oevers geprezen.
Op deze plaats leverde de Oranjerivier, die zich met een bocht naar de bergen van den hertog van York wendde, een verheven schouwspel op. Onbeklimbare rotsen, indrukwekkende gevaarten van steenen en van door ouderdom versteende boomen, diepe holen, ondoordringbare wouden, die de bijl van den volkplanter nog niet geschonden had, dat alles te zamen aan de achterzijde omlijst door de Gariep-bergen, vormde een landschap van onbegrijpelijke pracht. Daar stortte het water van de rivier plotseling van eene hoogte van vier honderd voet naar beneden, nadat de stroom eerst door eene te nauwe bedding had moeten dringen, en dan eensklaps geen grond meer onder zich had. Stroomopwaarts van den val was het slechts een geborrel van de wateroppervlakte, die hier en daar gebroken werd door eenige met groen omkranste rotspunten. Stroomafwaarts was slechts een woeste kolk van onstuimige golven te zien, waarboven zich een dikke nevel van vochtige dampen verhief, en waarin al de kleuren van den regenboog zich afspiegelden. Uit dezen afgrond hoorde men een oorverdoovend geklater, dat door de echo’s in de vallei duizendvoudig weerkaatst werd.
Een van de beide mannen, die zeker door het toeval eener ontdekkingsreis in dit gedeelte van zuidelijk Afrika bij elkander waren gebracht, lette ter nauwernood op de schoonheid, welke de natuur voor zijn oog ontrolde. Deze onverschillige reiziger was een Boschjesman, een jager, een schoon type van dat krachtige menschenras met levendige oogen en snelle gebaren, dat een zwervend leven in de bosschen leidt. De naam van Boschjesmannen wordt gegeven aan de zwervende stammen, die door de ten noordwesten van de Kaapkolonie gelegene landstreek rondtrekken. Geen enkele stam van deze Boschjesmannen heeft eene vaste woonplaats. Zij brengen hun leven door met rond te zwerven door de landstreek, gelegen tusschen de Oranjerivier en de Westersche bergen, met pachthoeven te plunderen en den oogst te verwoesten van die heerschzuchtige kolonisten, die hen terug hebben gedrongen naar de onvruchtbare streken van het binnenland, waar meer steenen dan planten gevonden worden.
Deze Boschjesman was ongeveer veertig jaar oud, groot van gestalte, en bezat blijkbaar groote spierkracht. Zelfs als hij op den grond lag, toonde zijne houding krachtige werkzaamheid; de gepastheid, gemakkelijkheid en vrijheid van beweging waren die van een krachtig man, eene soort van persoonlijkheid gevormd als de helden der Canadasche prairiën, maar misschien met minder kalmte dan de geliefkoosde jagersfiguren van Fennimore Cooper. Dit kon men zien aan het vluchtig rood, dat zijne kaken kleurde, als het snelle kloppen van zijn hart hem een blos op het aangezicht joeg. De Boschjesman was geen wilde meer zooals zijne stamgenooten, de vroegere Saqua’s. Uit een Engelschen vader en eene Hottentotsche moeder geboren, had deze mesties door zijn omgang met vreemdelingen meer gewonnen dan verloren, en sprak vaardig Engelsch. Zijn half Hottentotsche, half Europeesche kleeding bestond uit een rood flanellen hemd, een overrok en broek van eene antilopenhuid en beenstukken, die van de huid eener wilde kat gemaakt waren. Om zijn hals hing een kleine zak, waarin een mes, eene pijp en tabak geborgen waren. Hij had een soort van kalotje van schapenvel op zijn hoofd. Eene breede riem van onbereid leder diende hem tot gordel. Om zijne bloote armen had hij ivoren ringen, welke zeer kunstig vervaardigd waren. Om zijne schouders hing een mantel van tijgervel gemaakt, welke tot aan zijne knieën reikte. Een hond van inlandsch ras sliep naast hem. De Boschjesman deed snelle halen aan een beenen pijpje, en gaf ondubbelzinnige blijken van ongeduld.
»Kom, wees bedaard, Mokum,” zeide de ander. »Ge zijt waarachtig de ongeduldigste mensch van de wereld als ge niet op jacht zijt! Maar begrijp toch, mijn wakkere reiskameraad, dat wij er niets aan kunnen veranderen. Zij, die we wachten, zullen vroeg of laat wel komen, en als het van daag niet is, zal ’t morgen wel zijn!”
De makker van den Boschjesman was een jonkman van vijf- of zesentwintig jaar, die een scherp kontrast met den jager vormde. Zijn bedaard karakter was in al zijne handelingen zichtbaar. Wat zijn afkomst betreft, daaromtrent zou niemand eenigen twijfel gekoesterd hebben: het was een Engelschman. Zijne al te »burgerlijke” kleeding bewees dat reizen hem vreemd was; hij zag er uit als een beambte, die in eene vreemde streek verdwaald was, en onwillekeurig zou men gekeken hebben of hij geen pen achter het oor had, evenals kassiers, kommiezen, rekenaars en andere verscheidenheden van het uitgebreide ras der bureaukraten.
Deze jonkman was dan ook geen reiziger, maar een bekend geleerde, William Emery, een sterrekundige, die geplaatst was aan de sterrewacht in de Kaapstad, eene zeer nuttige instelling, die sedert lang reeds gewichtige diensten aan de wetenschap bewezen had.
Deze geleerde, die zich een weinig vreemd gevoelde te midden van deze woeste streek van zuidelijk Afrika, op eenige honderden mijlen van de Kaapstad, bedwong slechts met moeite het natuurlijke ongeduld van zijn makker.
»Mijnheer Emery,” antwoordde de jager in goed Engelsch, »we zijn nu reeds acht dagen op deze plek aan de Oranjerivier bij den waterval van Morgheda; dit is iets wat in jaren niet gebeurd is met eenig lid van mijn stam, om acht dagen op dezelfde plaats te blijven! U vergeet dat we zwervers zijn, en dat ons de voeten beginnen te jeuken als we zóólang stil moeten blijven.”
»Zij, die we wachten, vriend Mokum,” hernam de astronoom, »komen uit Engeland; we mogen hun dus wel acht dagen uitstel geven. Men moet denken aan den langen duur der reis, aan het oponthoud, dat zij met hunne stoomboot bij het opwaartsstoomen van deze rivier kunnen ondervinden, in één woord aan de duizenderlei moeielijkheden, die aan eene dergelijke onderneming verbonden zijn. Men heeft ons gezegd alles voor een onderzoekingstocht in zuidelijk Afrika gereed te maken, en als dit in orde was, hier aan den waterval van Morgheda mijn ambtgenoot, den kolonel Everest van de sterrewacht te Cambridge, op te wachten. Hier zijn we aan den waterval, op de aangewezen plek, en we wachten. Wat wilt ge meer, wakkere Boschjesman?”
De jager wilde zonder twijfel nog meer, want hij greep telkens koortsachtig naar den haan van zijne buks, een juistheidswapen, waarmede men met een puntkogel op acht tot negenhonderd meter afstand een wilde kat of een antilope kon neêrschieten. Men ziet dat de Boschjesman den boog en de vergiftige pijlen van zijne landslieden had laten varen om Europeesche wapens te gebruiken.
»Maar hebt ge u niet vergist, mijnheer Emery,” hernam Mokum. »Heeft men u den waterval van Morgheda tegen het einde van de maand Januari wel als verzamelplaats opgegeven?”
»Welzeker, mijn vriend,” antwoordde William Emery, »en hier is de brief van den heer Airy, den directeur van het observatorium te Greenwich, welke u zal bewijzen, dat ik mij niet bedrogen heb.”
De Boschjesman nam den brief, dien zijn reisgezel hem aanbood. Hij draaide dien om en om als iemand die in de schrijfkunst al heel weinig ervaren is; daarop gaf hij dien aan Emery terug en zeide: »Herhaal me nog maar eens wat dit bekrabbelde stukje papier ons vertelt.”
De jonge geleerde, die een onuitputtelijk geduld bezat, begon voor de twintigste maal het verhaal weder dat hij reeds zoo dikwijls aan den jager gedaan had. In de laatste dagen van het vorige jaar had William Emery een brief ontvangen, die hem de spoedige komst meldde van kolonel Everest en van eene wetenschappelijke internationale commissie, die naar zuidelijk Afrika bestemd was. Welke waren de plannen van deze commissie, waarom ging zij naar het uiteinde van het Afrikaansche vasteland? Emery kon het niet zeggen, daar de brief van den heer Airy op dat punt het stilzwijgen bewaarde. Volgens de ontvangen opgaven had hij zich gehaast om te Lattakou, een van de noordelijkste stations in het land der Hottentotten, wagens, levensmiddelen, in één woord al wat er tot onderhoud van een karavaan van Boschjesmannen noodig was, bijeen te brengen. Daarna bood hij het bevel over den tocht aan den inlandschen jager Mokum aan, dien hij bij geruchte kende, die Anderson vergezeld had op zijne jachten in westelijk Afrika, en Livingstone bij zijn eersten tocht naar het meer Ngami en naar den waterval van den Zambese.
Toen dit alles in orde was, kwam men overeen dat de Boschjesman die de streek uitstekend kende, William Emery naar de oevers van de Oranjerivier en naar den waterval van Morgheda, de aangewezen plaats, zoude geleiden. Daar moesten zij de wetenschappelijke commissie afwachten. Deze commissie had zich ingescheept op het fregat Augusta van de Britsche marine, en zou naar de monding der Oranjerivier op Afrika’s westkust op de hoogte van kaap Volpas gaan, om van daar de rivier tot aan den waterval op te stoomen. William Emery en Mokum waren derhalve met een wagen gekomen, welken zij in de vallei gelaten hadden, en die dienen moest om de reizigers en hunne goederen naar Lattakou te brengen, als zij niet liever langs de Oranjerivier en hare zijtakken naar die plaats wilden reizen, na eerst door een omweg van eenige mijlen hunne goederen aan de andere zijde van den waterval te hebben laten brengen.

Mokum en zijn reismakker hielden het oog op het watervlak gericht. (Blz. 4.)
Toen dit verhaal geëindigd en ditmaal goed in het geheugen van den Boschjesman geprent was, ging deze naar den rand van den afgrond, waarin het schuimende rivierwater zich met groot geweld nederstort; de astronoom volgde hem; daar kon men van eene vooruitstekende punt den loop der Oranjerivier beneden den waterval tot op een afstand van verscheidene mijlen afzien. Gedurende eenige minuten beschouwden Mokum en zijn reismakker zeer nauwkeurig het watervlak, dat op een vierde mijl beneden den waterval weder tot kalmte was gekomen. Geen enkel voorwerp, geen schip of boot deed het water rimpelen. Het was toen drie uren. De maand Januari komt hier overeen met de maand Juli in noordelijker streken, en de zon, die op den 29sten parallel hier bijna loodrechte stralen werpt, gaf eene warmte van 105° F. in de schaduw. Zonder een westenwindje dat de warmte eenigszins matigde, zou deze temperatuur onuitstaanbaar zijn geweest voor iedereen, behalve voor een Boschjesman. Evenwel leed de jeugdige geleerde, die een droog gestel had en zeer mager was, er niet al te zeer door. Bovendien beschutte het dicht gebladerte der boomen, die over den afgrond hingen, hem voor de onmiddellijke hitte der zonnestralen. Geen vogel verlevendigde deze eenzaamheid op het warmste gedeelte van den dag. Geen viervoetig dier verliet zijne frissche schuilplaats onder de struiken of waagde zich op de open plaatsen van het bosch. Op deze eenzame plek zou men geen geluid gehoord hebben, als de waterval de lucht niet met zijn geraas vervuld had.
Na tien minuten te hebben uitgekeken, keerde Mokum zich naar William Emery en stampte ongeduldig met den voet op den grond: zijne scherpziende oogen hadden niets ontdekt.
»En als ze niet komen?” vroeg de Boschjesman.
»Zij zullen komen, wakkere jager,” antwoordde William Emery. »Het zijn mannen, die hun woord houden, en ze zullen nauwkeurig zijn, zooals het sterrekundigen betaamt. Bovendien wat verwijt ge hen? De brief kondigt hun komst aan tegen het einde van Januari. We hebben van daag den 27sten, ze hebben dus nog recht op vier dagen, vóórdat ze den waterval bereiken.”
»En zoo ze na verloop van die vier dagen niet verschenen zijn?” vroeg de Boschjesman.
»Welnu! dan zullen we gelegenheid hebben om ons geduld te oefenen, want we zullen hen wachten tot op het oogenblik waarop het mij deugdelijk bewezen is dat ze niet meer komen!”
»Bij god Kô!” riep de Boschjesman met luider stem, »gij zijt er juist de man naar om te wachten totdat de Gariep haar onstuimige wateren niet meer in dezen afgrond doet vallen!”
»Neen, jager, neen,” antwoordde William Emery, altijd bedaard. »Het verstand moet al onze daden besturen; en wat zegt nu ons verstand? Indien de kolonel Everest en zijne makkers door eene moeilijke reis afgemat, en misschien gebrek hebbende aan het noodige, verdwaald waren in deze eenzame streek en ons op de afgesproken plaats niet vonden, dan zouden we in alle opzichten te laken zijn. Als er een ongeluk gebeurde, zou met recht alle verantwoording op ons vallen. Wij moeten dus op onzen post blijven, zoolang onze plicht ons dit voorschrijft. Bovendien hebben we hier aan niets gebrek. Onze wagen wacht ons in de vallei en biedt ons eene veilige wijkplaats voor den nacht aan; we hebben overvloed van levensmiddelen; de natuur is hier prachtig en der bewondering wel waardig! Het is voor mij een onbekend genot om eenige dagen in deze prachtige wouden, aan de oevers van deze onvergelijkelijk schoone rivier door te brengen! Wat u aangaat, Mokum, wat kunt ge meer verlangen? Viervoetig en gevederd wild is in overvloed in deze wouden voorhanden, en uw geweer verschaft ons elken dag ons wildbraad. Jaag dus maar, wakkere jager, en maak uw tijd kort door op herten en buffels te schieten. Komaan, mijn dappere Boschjesman, ga uw gang maar; in dien tijd zal ik hier op de talmers wachten, en uwe voeten zullen dan ten minste geen gevaar loopen hier vast te wortelen!”
De jager begreep dat de raad van den sterrekundige goed was. Hij besloot dus om gedurende eenige uren het struikgewas en de kreupelbossen in den omtrek af te jagen. Leeuwen, hyena’s of luipaarden zouden een Nimrod zooals hij was, niet in verlegenheid brengen, gewoon als hij was aan het jagen in de Afrikaansche wouden. Hij floot zijn hond Top, een soort van hyenahond uit de woestijn Kalahari, afstammende van het ras dat de Balaba’s eertijds voor de drijfjacht africhtten. Het slimme dier dat even ongeduldig als zijn meester scheen te zijn, sprong op, en gaf door een vroolijk geblaf zijne vreugde te kennen over het voornemen van den Boschjesman. De jager was met zijn hond weldra in het dichtste van het bosch achter den waterval verdwenen.
Toen William Emery alléén was, strekte hij zich aan den voet van den wilg uit, en hopende in te kunnen slapen door den invloed der warmte, overdacht hij zijn tegenwoordigen toestand. Hij lag daar ver van alle bewoonde streken bij den stroom der Oranjerivier, die nog zoo weinig bekend was. Hij wachtte Europeanen, landgenooten, die hun land verlieten om de gevaren van een verren tocht te gemoet te gaan. Maar wat was dan het doel van den tocht? Welk wetenschappelijk raadsel wilde men in de woestijnen van zuidelijk Afrika zoeken op te lossen? Welke waarnemingen wilde men op de hoogte van 30° Z. B. beproeven? Dit was het juist wat de brief van den heer Airy, directeur van het observatorium te Greenwich, niet vermeldde. Aan Emery vroeg men hulp als aan een geleerde, die reeds gewend was aan het zuidelijk klimaat, en omdat men waarschijnlijk een wetenschappelijken arbeid op het oog had, was zijne medewerking voor zijne ambtgenooten uit het Vereenigde koninkrijk van hooge waarde.
Terwijl de jonge astronoom over al die zaken lag na te denken, en zich zelven honderden vragen deed, waarop hij het antwoord moest schuldig blijven, voelde hij dat zijne oogleden zwaar werden, en viel hij in diepen slaap. Toen hij ontwaakte was de zon reeds verdwenen achter de westelijke heuvels, welker rand zich scherp afteekenden tegen den als in vuur staanden gezichteinder. Zijne maag waarschuwde hem dat de tijd voor het avondmaal naderde; het was toch zes uren ’s avonds, en het oogenblik brak aan, waarop men den wagen in de vallei weder moest opzoeken. Juist op dat oogenblik knalde er een schot in een boschje van bloeiende heesters, dat ter hoogte van twaalf tot vijftien voet aan de rechterhand de helling der heuvels bedekte. Bijna op hetzelfde oogenblik verschenen de Boschjesman en Top aan den rand van het bosch. Mokum sleepte een stuk wild mede, dat hij juist neêrgeschoten had.
»Kom proviandmeester,” riep Emery. »Wat brengt ge voor ons souper mede?”
»Een springbok, mijnheer William,” antwoordde de jager, en wierp een dier voor den grond, welks horens als die eener lier gebogen waren.
Het was een soort van antilope, evenwel meer onder den naam van springbok bekend, dien men veel in allerlei streken van zuidelijk Afrika aantreft. Het zijn bevallige dieren met kaneelkleurigen rug, van boven bedekt met zijdeachtig haar van schitterend witte kleur en met kastanjebruine ronde vlekken op den buik. Het vleesch, dat uitmuntend is om te eten, werd voor het avondmaal bestemd.
De jager en de astronoom staken een stok door de samengebonden pooten van het dier en laadden het op hunne schouders; zij verlieten den waterval en kwamen een halfuur daarna aan hun kamp in de vallei, waar de wagen door twee Boschjesmannen bewaakt werd.
II.
Officieele voorstelling.
Inhoudsopgave
Gedurende 28, 29 en 30 Januari verlieten Emery en Mokum de plaats der samenkomst niet. Terwijl de Boschjesman als een hartstochtelijk jager onverschillig wild en wilde dieren vervolgde door al de bij den waterval gelegen bosschen, bleef de astronoom den loop der rivier waarnemen. De grootsche en woeste natuur bracht hem in verrukking en overstelpte zijn ziel met nieuwe aandoeningen. Hij, de man van cijfers, de geleerde, die steeds over zijne registers gebogen zat, nacht en dag het oog voor den kijker had, die den doorgang der hemellichamen door den meridiaan waarnam, of de eklipsen der sterren berekende, ademde nu met volle teugen de versche lucht in bijna ontoegankelijke wouden in, welke zich uitstrekten langs de helling der heuvels en op de woeste bergtoppen, die door de opstijgende waterkolommen van den waterval van Morgheda met een vochtig stof bedekt werden. Het was een waar genot voor hem om door te dringen in al het dichterlijke van deze uitgestrekte voor den mensch bijna onbekende eenzaamheid, en er zijn door wiskundige berekeningen vermoeiden geest op te frisschen. Hij doodde op die wijze de verveling van het wachten, en verkwikte zich naar geest en lichaam. De nieuwheid van zijn toestand verklaarde zijn onverstoorbaar geduld, dat de Boschjesman niet deelde. Daarom had ook de jager altijd dezelfde klachten, de geleerde dezelfde kalme antwoorden, waardoor de zenuwachtige Mokum evenwel in ’t geheel niet kalmer werd.

»Er is daar een geraas ....” (Blz. 12.)
Eindelijk kwam de 31ste Januari, de laatste dag van het in den brief van den heer Airy bepaalde tijdstip. Als de aangekondigde geleerden dien dag niet verschenen, zou William Emery verplicht zijn een besluit te nemen, iets wat hem in groote verlegenheid bracht. Het uitblijven kon wel eeuwig duren, en moest men dan eeuwig blijven wachten?
»Mijnheer William,” zeide de jager, »waarom zouden we de vreemdelingen niet te gemoet gaan? We kunnen hen niet misloopen. Er is slechts één weg langs de rivier, en indien zij die opkomen, zooals uw stukje papier vertelt, dan zullen we ze ongetwijfeld ontmoeten.”
»Ge hebt daar een uitmuntend denkbeeld, Mokum,” antwoordde de sterrekundige. »Laten we stroomafwaarts beneden den waterval eens op verkenning uitgaan. We kunnen altijd door de valleien aan de zuidzijde naar ons kamp terug keeren. Maar zeg me eens, brave Boschjesman, kent ge den loop der Oranjerivier over een groote uitgestrektheid?”
»Ja, mijnheer,” antwoordde de jager, »ik ben haar tweemalen opgevaren van kaap Volpas, tot aan haar samenvloeiing met de Hart aan de grenzen der Transvaalrepubliek.”
»En is die stroom overal bevaarbaar, behalve bij dezen waterval?”
»Het is zooals u zegt, mijnheer,” hervatte de Boschjesman. »Ik moet er evenwel bijvoegen dat de Oranjerivier op het einde van het drooge jaargetijde tot op vijf of zes mijlen van haar monding bijna geheel zonder water is. Dan wordt er een bank gevormd, waarop de uit het westen komende golven met geweld breken.”
»Dat doet er weinig toe,” antwoordde de astronoom, »omdat op het oogenblik dat onze Europeanen de monding der rivier bereikten, deze bevaarbaar was. Er bestaat dus geen reden voor hun uitblijven, en derhalve .... zullen ze komen.”
De Boschjesman antwoordde niet: hij legde zijn geweer over den schouder, floot Top en ging zijn makker voor op het smalle voetpad, dat vierhonderd voet lager weder bij de rivier beneden den waterval uitkwam. Het was toen negen uren in den morgen. De twee landonderzoekers (men zou hun inderdaad dien naam wel kunnen geven) gingen langs den linkeroever stroomafwaarts. De weg was ver van effen of gemakkelijk zooals op een dijk of langs een jaagpad. De steile oevers van de rivier vol struikgewas, verdwenen onder eene menigte planten van verschillenden aard. Slingers van de draadvormige Cynanchum, reeds door Burchell vermeld, waren kruiselings van boom tot boom gespannen en sloten somwijlen het pad der reizigers als met een groen net af. Ook was het mes van den Boschjesman voortdurend werkzaam. Hij sneed onmeedoogend die hinderlijke guirlandes door. William Emery ademde met volle teugen de heerlijke geuren van het woud in, waaronder vooral kamfergeur merkbaar was, die uit de ontelbare bloemen der diosmeeën, opsteeg. Gelukkig konden de jager en zijn makker spoediger naar het westen komen door eenige open plekken in het bosch, en langs gedeelten van den naakten en steilen oever, waarlangs het vischrijke water kalm heenstroomde. Om elf uur des morgens hadden zij een afstand van ongeveer vier kilometers afgelegd.
De wind was west; zij woei dus naar den kant van den waterval, welks geraas op dien afstand niet gehoord kon worden. Het geraas daarentegen dat stroomafwaarts gehoord werd, was zeer duidelijk. William Emery en de jager bleven op deze plek halt houden; zij zagen den loop der rivier, die zich twee of drie mijlen ver in eene rechte lijn voor hen uitstrekte. De stroom was nauw ingesloten tusschen steile, twee honderd voet hooge krijtrotsen.
»Laat ons hier wachten,” zeide de astronoom, »en uitrusten. Ik heb uwe jagersbeenen niet, Mokum, en ik ben meer gewoon om in den sterrenhemel rond te wandelen dan op de wegen hier op aarde. Laten we dus hier uitrusten; van hier kunnen we twee of drie kilometers van de rivier afzien en zoodra de stoomboot zich slechts aan gindsche bocht vertoont, moeten we haar zien.”
De jonge astronoom vleide zich neder aan den voet van een reusachtige euphorbia, waarvan de top zich veertig voet hoog verhief. Van daar kon hij ver over de rivier zien. De jager, die aan zitten weinig gewoon was, bleef op den oever heen en weer loopen, terwijl Top geheele vluchten wilde vogels opjoeg, die de opmerkzaamheid van zijn meester niet eens tot zich trokken.
De Boschjesman en zijn makker waren hier nauwelijks een half uur, toen William Emery zag dat Mokum, die een honderdtal schreden van hem afstond, meer bijzondere teekenen van opmerkzaamheid begon te geven. Had de Boschjesman eindelijk de zoo ongeduldig verwachte boot gezien?
De astronoom verliet zijne rustplaats in het mos, en ging naar den oever, waar de jager stond; binnen weinige oogenblikken was hij bij hem.
»Ziet gij iets Mokum?” vroeg hij aan den Boschjesman.
»Niets, ik zie niets, mijnheer William,” antwoordde de jager, »maar daar alle geluiden in de natuur mij zeer gewoon zijn, schijnt het mij nu toe dat ik stroomafwaarts een ongewoon gebrom hoor.”
Toen de Boschjesman dit gezegd had, wenkte hij zijn makker om stil te zijn, legde zich met het oor op den grond, en luisterde met de uiterste opmerkzaamheid. Na verloop van eenige minuten richtte hij zich op, schudde het hoofd en zeide: »Ik zal mij bedrogen hebben. Het geraas dat ik meende te hooren is misschien niets anders dan het ruischen van den wind door het gebladerte, of het kabbelen van het water over de steenen in de rivier. En toch....”
De jager luisterde nog eens met groote opmerkzaamheid, maar hij hoorde niets.
»Mokum,” zeide Emery, »als het geraas, dat ge meendet te hooren door de stoomsloep wordt veroorzaakt, zult ge ’t beter hooren als ge u tot op het watervlak kondt bukken. Het water brengt de geluiden met meer juistheid over dan de lucht.”
»U hebt gelijk, mijnheer William,” antwoordde de jager »en meer dan eens heb ik op die wijze een nijlpaard in het water betrapt.”
De Boschjesman daalde nu van den steilen oever naar beneden, terwijl hij zich aan slinger- en grasplanten vastklampte. Toen hij bij het water was, liep hij tot aan de knieën er in, en bukte zich met het oor tot aan het watervlak.
»Ja!” riep hij na eenige oogenblikken, »ja! ik had me niet bedrogen. Eenige kilometers stroomafwaarts is er een geraas alsof het water met geweld geslagen wordt. Het is een eentonig en aanhoudend geklots dat ik beneden op den stroom hoor.”
»Het geraas van een schroef?” antwoordde de astronoom.
»Waarschijnlijk, mijnheer Emery. Zij, die we wachten zijn niet ver meer verwijderd.”
William Emery, die wist welke fijne zintuigen de jager had, hetzij hij hoorde, zag of rook, twijfelde geen oogenblik aan de bewering van zijn makker. Deze kwam weder op den oever, en beiden besloten om op deze plek te wachten, omdat men van daar den stroom der Oranjerivier gemakkelijk kon overzien.
Er ging een half uur voorbij, waaraan Emery, niettegenstaande zijne natuurlijke bedaardheid, meende dat geen einde zou komen. Hoe dikwijls meende hij den vagen omtrek van een vaartuig te zien, maar zijn gezicht bedroog hem telkens. Eindelijk deed een uitroep van den Boschjesman hem het hart sneller kloppen.
»Rook!” riep Mokum.
Toen William Emery in de door den jager aangeduide richting keek, zag hij niet zonder inspanning een licht rookwolkje, dat aan de bocht van de rivier zichtbaar werd. Men kon niet meer twijfelen.
De boot naderde snel. Weldra kon William den schoorsteen zien, waaruit een wolk van zwarten rook, vermengd met witachtige dampen, opsteeg. De bemanning stookte zeker de vuren flink op om de snelheid te vermeerderen en op den bepaalden dag de aangeduide plaats te bereiken. De boot was nog ongeveer zeven kilometers van den waterval van Morgheda af.
Het was toen twaalf uren. Daar de plek niet geschikt was voor eene landing, besloot de astronoom weder naar den waterval terug te keeren. Hij deelde zijn voornemen aan den jager mede, die slechts antwoordde door den reeds vroeger op den linkeroever der rivier bewandelden weg weder in te slaan. William Emery volgde zijn metgezel, en zich eene laatste maal bij eene bocht der rivier omkeerende, zag hij de Britsche vlag, die achter van het vaartuig woei.

De astronoom en zijn ambtgenoot groetten elkander. (Blz. 14.)
Spoedig waren zij weder bij den waterval, en om één uur hielden de Boschjesman en de astronoom op ¼ kilometer afstands halt. Daar vormde de oever door eene halfcirkelvormige bocht een inham, waar de stoomboot gemakkelijk kon aanleggen, want het water was tot vlak aan den oever diep genoeg. De boot moest niet ver meer af zijn en zij had zeker op de twee voetgangers gewonnen, hoe snel deze ook geloopen hadden. Men kon haar nog niet zien, want de vorm der oevers, waarop hooge over het water hangende boomen stonden, belette ver te zien. Maar men hoorde zooal niet het gesis van den stoom, toch het doordringend fluiten van de machine, dat boven het onophoudelijk geraas van den waterval uitstak. Dit fluiten hield aan; de bemanning wilde op die manier haar tegenwoordigheid in dezen omtrek doen opmerken; het was eene waarschuwing.
De jager beantwoordde deze door zijn geweer af te schieten, welks losbarsting door de echo der oevers en bosschen honderdvoudig weerkaatst werd. Eindelijk verscheen de boot; William en de Boschjesman werden spoedig door de bemanning bemerkt. Op een teeken van den astronoom zwenkte de boot en kwam aan den oever aanleggen. Een kabel werd uitgeworpen; de Boschjesman ving dien op, en wond hem om een afgebroken boomstam. Aanstonds sprong een man van hooge gestalte op den oever, en kwam naar den astronoom toe, terwijl zijne reisgezellen op hunne beurt landden.
William Emery trad aanstonds op dien man toe, en vroeg »kolonel Everest?”
»Mijnheer William Emery?” antwoordde de kolonel.
De astronoom en zijn ambtgenoot van het observatorium van Cambridge namen de hoeden af en gaven elkander de hand.
»Mijne heeren,” zei daarop de kolonel Everest, »mag ik u mijnheer William Emery voorstellen, van het observatorium in de Kaapstad, die ons tot aan den waterval van Morgheda wel te gemoet is willen komen?”
Vier heeren, die bij kolonel Everest stonden, groetten achtereenvolgens den astronoom, die hen terug groette; daarop stelde de kolonel ze met vólkomen Britsche bedaardheid voor.
»Mijnheer John Murray van Devonshire, uw landgenoot, mijnheer Emery; mijnheer Mathieu Strux van het observatorium van de Pulkowa, mijnheer Nikolaas Palander van het observatorium van Helsingfors, en mijnheer Michel Zorn, van de sterrewacht van Kiew, drie geleerde Russen, die in onze internationale commissie de regeering van den Czaar vertegenwoordigen.”
III.
Het vervoer.
Inhoudsopgave
Toen men aan elkander was voorgesteld, bood William Emery zijne diensten aan de nieuw aangekomenen aan. In zijne hoedanigheid van eenvoudig astronoom aan de sterrewacht aan de Kaap, was hij eigenlijk ondergeschikt aan kolonel Everest, afgevaardigde van de Engelsche regeering, die met Mathieu Strux het voorzitterschap van de wetenschappelijke commissie deelde. Hij kende hem bovendien als een uitstekend geleerde, die beroemd geworden was door het oplossen van enkele nevelvlekken en door de berekening van het verduisteren van sterren. Deze sterrekundige, die ongeveer vijftig jaar telde, was een koel en afgemeten man, die een leven leidde dat van uur tot uur wiskunstig geregeld was. Niets overkwam hem onverwacht. Zijne nauwkeurigheid in alle dingen evenaarde die waarmede de hemellichamen door den meridiaan gaan. Men kon zeggen dat al zijne levensdaden volgens den chronometer geregeld waren. William Emery wist dit; daarom had hij er nimmer aan getwijfeld dat de wetenschappelijke commissie op den bepaalden dag zou komen. De jonge astronoom wachtte nu dat de kolonel zich zou verklaren ten opzichte van de zending, die hij in zuidelijk Afrika kwam vervullen; maar de kolonel Everest zweeg en William Emery meende dat hij hem hierover niet mocht ondervragen. Het was waarschijnlijk dat naar des kolonels meening het uur waarop hij spreken moest nog niet geslagen was.
William Emery kende evenzeer bij name John Murray, een rijk geleerde, mededinger van James Ross en lord Elgin en die zonder officiëelen titel zijn vaderland door zijn sterrekundigen arbeid eer aandeed. De wetenschap was hem zeer aanzienlijke geldelijke offers verschuldigd; hij had 20000 pond sterling uitgegeven voor de vervaardiging van een reusachtigen spiegelteleskoop, welke met dien van Parson-town kon wedijveren, en waarmede de elementen van een aantal dubbelsterren bepaald waren. Het was een man van hoogstens veertig jaar; hij had het voorkomen van een groot heer, maar zijn onverschillig uiterlijk verraadde geenszins zijn karakter.
Wat de drie Russen aangaat, de heeren Strux, Palander en Zorn, hunne namen waren voor Emery niet nieuw; maar de jonge astronoom kende hen niet persoonlijk. Nikolaas Palander en Michel Zorn toonden zekeren eerbied voor Mathieu Strux, een eerbied, dien zijne betrekking, bij gebreke zelfs van alle verdienste, overigens volkomen rechtvaardigde.
De eenige opmerking, die William Emery maakte, was dat de geleerde Engelschen en Russen in gelijken getale waren, drie van elke natie. Zelfs de bemanning der stoomboot, Queen and Tzar genaamd, bestond uit tien man, waarvan er vijf uit Engeland en vijf uit Rusland geboortig waren.
»Mijnheer Emery,” zeide de kolonel, zoodra men aan elkander was voorgesteld, »nu kennen wij elkander even goed alsof wij samen de reis van Londen naar kaap Volpas gemaakt hadden. Bovendien heb ik voor u een bijzondere achting, welke men u wel verschuldigd is wegens den astronomischen arbeid, die u, hoe jong ook nog, een billijken roem heeft bezorgd. Op mijn verzoek heeft het Engelsche gouvernement u aangewezen om deel te nemen aan het werk, dat wij in zuidelijk Afrika zullen beproeven.”
William Emery boog alsof hij wilde danken, en dacht dat men hem nu eindelijk de beweegreden zoude mededeelen, welk eene wetenschappelijke commissie zelfs naar het zuidelijk halfrond voerde, maar kolonel Everest verklaarde zich daaromtrent niet duidelijker.
»Mijnheer Emery,” hernam de kolonel, »ik wilde u vragen of ge met uwe toebereidselen geheel gereed zijt?”
»Geheel kolonel,” antwoordde de astronoom. »Volgens de opgaven in den brief van mijnheer Airy, heb ik een maand geleden de Kaapstad verlaten, en mij naar het station Lattakou begeven. Daar heb ik al het noodige voor een onderzoekingstocht in de binnenlanden van Afrika bijeengebracht, namelijk levensmiddelen, wagens, paarden en Boschjesmannen. Een geleide van honderd goed gewapende en geoefende mannen, wacht u te Lattakou, en dit zal aangevoerd worden door een behendig en beroemd jager, dien ik u wenschte voor te stellen, namelijk den Boschjesman Mokum.”
»De Boschjesman Mokum!” riep de kolonel Everest uit, als men althans van den kalmen toon, waarop hij dit zeide, zoo spreken mag, »de Boschjesman Mokum! Maar die naam is mij zeer goed bekend.”
»Het is de naam van een behendig en onversaagd Afrikaan,” voegde John Murray er bij, terwijl hij zich naar den jager wendde, die door deze Europeanen, met hun voornaam uiterlijk, in het geheel niet uit het veld geslagen werd.
»De jager Mokum,” zeide William Emery, terwijl hij zijn makker voorstelde.
»Uw naam is in het Britsche koninkrijk zeer goed bekend, Boschjesman,” antwoordde de kolonel. »Ge zijt de vriend van Anderson en de gids van den beroemden David Livingstone geweest, in wiens vriendschap ik eene eer stel. Engeland dankt u door mijn mond, en ik wensch er mijnheer Emery geluk mede, dat hij u als aanvoerder van onze karavaan gekozen heeft. Een jager zooals gij moet een liefhebber zijn van schoone wapenen. Wij hebben daarvan een vrij volledige verzameling, en ik wenschte u te verzoeken om daaruit datgene te kiezen wat u aanstaat; wij weten dat zulk een wapen dan in goede handen is.”

»De jager Mokum,” zeide William Emery. (Blz. 16.)
Een glimlach van zelfvoldoening vertoonde zich op het gelaat van den Boschjesman. De waardeering zijner verdiensten in Engeland trof hem zonder twijfel, maar zeker minder dan de aanbieding van den kolonel. Hij dankte dus in goed gekozen bewoordingen, en hield zich ter zijde, terwijl het gesprek tusschen William Emery en de Europeanen werd voortgezet.
De jonge astronoom deelde verder de bijzonderheden mede van ’t geen door hem was gereed gemaakt; kolonel Everest scheen daarover zeer tevreden. Het kwam er dus maar op aan ten spoedigste de stad Lattakou te bereiken, want het vertrek van de karavaan moest in de eerste dagen van Maart na het regenseizoen plaats hebben.
»Beslis nu maar kolonel,” zeide William Emery, »op welke wijze u die stad wilt bereiken.”
»Over de Oranjerivier, en een van hare zijtakken, de Kuruman, die langs Lattakou stroomt.”
»Zeer goed,” antwoordde de astronoom, »maar hoe uitstekend uw stoomboot ook zij, hoe snel zij ook kunne vooruitkomen, toch zou zij niet tegen den waterval van Morgheda opstoomen!”
»We zullen dien omgaan, mijnheer Emery,” antwoordde de kolonel. »Na een vervoer van enkele kilometers zullen we de vaart boven den waterval weder kunnen hervatten, en als ik mij niet bedrieg dan is van daar tot Lattakou de stroom goed bevaarbaar voor een vaartuig dat weinig diepgang heeft.”
»Zonder twijfel kolonel,” antwoordde de astronoom, »maar die stoomboot is zóó zwaar, dat....”
»Mijnheer Emery,” hernam kolonel Everest, »deze boot is een meesterstuk uit de werkplaatsen van Leard en Cie te Liverpool. Men kan haar stuksgewijze uit elkander nemen, en met het uiterste gemak weder in elkander zetten. Een sleutel en eenige schroefbouten zijn voldoende voor een man of wat, die hiermede belast worden. Hebt ge een wagen medegebracht?”
»Ja, kolonel,” antwoordde Emery. »Ons kamp is slechts op een mijl hier van daan.”
»Welnu, dan verzoek ik den Boschjesman den wagen hierheen te laten brengen. Men zal er de stukken der stoomboot en de machine, die ook uit elkander genomen kan worden, op laden, en op die wijze zullen we stroomopwaarts dáár de Oranjerivier weder bereiken, waar zij wederom bevaarbaar wordt.”
De bevelen van kolonel Everest werden uitgevoerd. De Boschjesman verdween weldra in het kreupelhout, nadat hij beloofd had binnen een uur terug te zullen zijn. Gedurende zijne afwezigheid werd de stoomboot schielijk ontladen. Nu was de lading niet aanzienlijk: kisten met natuurkundige instrumenten, eene vrij groote verzameling geweren uit de fabriek van Purdey Moore te Edinburgh, eenige flesschen brandewijn, vaatjes gedroogd vleesch, kistjes met patronen, reistasschen, die slechts het hoogst noodige bevatten, tentzeilen en alles wat daarbij noodig was, een sloep van gutta percha, die zorgvuldig was samengepakt, en niet meer plaats besloeg dan een goed in elkander geriemde reisdeken, eenige legeringbehoeften, enz. en eindelijk een soort van waaiervormige mitrailleuse, een wapen dat nog verre van volmaakt was, maar toch de nadering der stoomboot zeer gevaarlijk maken moest voor elk soort van vijand.
Al deze voorwerpen werden op de landingsplaats nedergelegd. De machine van acht paardekracht van 210 kg. was in drie deelen afgedeeld: de ketel met de stookplaats, de machine zelve, die door middel van een eenvoudigen sleutel van den ketel kon worden losgeschroefd, en de schroef die aan den achtersteven bevestigd was. Toen deze deelen, het een na het ander waren weggenomen, was de boot geheel ledig. Deze werd, behalve de ruimte voor de machine en den voorraad, verdeeld in twee afdeelingen, waarvan de voorste voor de bemanning, de achterste voor den kolonel en zijne reisgezellen bestemd was. In een oogwenk verdwenen de tusschenschotten, koffers en bedden werden weggenomen, en de stoomboot was toen niet meer dan een eenvoudige romp.
Deze romp, die 35 voet lang was, bestond uit drie deelen, evenals de Mâ-Robert, waarvan Livingstone zich bij zijne eerste reis op de Zambese bediende. Hij was van gegalvaniseerd ijzer gemaakt, en dus tegelijk licht en sterk. De platen waren met schroefbouten op een geraamte van hetzelfde metaal vastgeschroefd, waardoor zij vast op elkander zaten en dus de romp goed dicht was.
William Emery was verbaasd over het eenvoudige van het werk, en de snelheid, waarmede het geschiedde. De wagen was nog geen uur geleden met den jager en zijne twee Boschjesmannen aangekomen toen de stoomboot reeds ter oplading gereed lag.
Deze wagen van de eenvoudigste soort, rustte op vier massieve raderen, die twee aan twee op twintig voet afstand van elkander stonden. Het was vanwege zijne lengte eene ware Amerikaansche kar. Dit zware voertuig waarvan de assen kraakten, en de stootplank wel een voet buiten de raderen uitstak, werd door zes tamme buffels getrokken, die twee aan twee aan elkander gekoppeld en zeer gevoelig waren voor de zweep van den voerman. Men had niets minder dan zulke zwaren dieren noodig om het voertuig in beweging te brengen, als het met zijn volle vracht beladen was. Niettegenstaande de behendigheid van den voerman moest het meer dan eens in den modder blijven steken.
De bemanning van de Queen and Tzar belaadde den wagen zóó, dat deze aan alle kanten in evenwicht was. Men kent de spreekwoordelijke behendigheid van zeelieden. Het laden van dien wagen was voor die flinke mannen slechts eene kleinigheid. De groote stukken der stoomboot lagen onmiddellijk boven de assen op het sterkste gedeelte van den wagen. Daar tusschen vonden kisten, koffers, vaatjes, lichtere of meer breekbare stukken gemakkelijk plaats. Wat de reizigers zelve betrof, een tocht van vier kilometers was voor hen slechts eene wandeling.
Om drie uren des namiddags was het opladen geheel afgeloopen en gaf kolonel Everest het teeken om te vertrekken. Zijne makkers en hij maakten onder geleide van Emery de voorhoede uit. De Boschjesmannen, de bemanning der boot en de geleiders van den wagen volgden wat langzamer.
De tocht had zonder inspanning plaats. De zachte helling, die naar het hooger gedeelte van den stroom der Oranjerivier leidde, maakte den weg gemakkelijk, hoewel veel langer. Het was eene gelukkige omstandigheid voor den zwaar beladen wagen, die, hoewel wat langzamer des te zekerder het doel zou bereiken.
Wat de leden der wetenschappelijke commissie betreft, deze beklommen gemakkelijk de andere zijde des heuvels. Zij voerden een algemeen gesprek, maar er was in het geheel geen sprake van het doel der onderneming. Deze Europeanen bewonderden zeer de grootsche landschappen, die zich voor hun oog ontrolden. Deze trotsche natuur, zoo schoon in hare woestheid, bekoorde hen, zooals zij den jongen astronoom reeds vroeger bekoord had. Hunne reis had hen nog niet zoodanig verwend dat zij blind waren voor de natuurlijke schoonheid van deze Afrikaansche wereld. Zij bewonderden, maar met eene weinig merkbare bewondering, zooals Engelschen gewoonlijk doen omdat zij alles haten wat onbehoorlijk schijnt. De waterval werd eenigermate, maar op fatsoenlijke wijze door hen geprezen, slechts even misschien, doch merkbaar genoeg. Het »nil admirari” scheen nog niet geheel hunne zinspreuk te zijn.
Bovendien meende William Emery zijne gasten in zuidelijk Afrika naar behooren te moeten ontvangen; hij was t’ huis, en evenals zekere al te opgetogen menschen, schonk hij hun geene enkele bijzonderheid van zijn Afrikaansch park.
Tegen half vier was men aan de andere zijde van den waterval gekomen. Toen de Europeesche reizigers op het plateau waren aangekomen, zagen zij het bovenste gedeelte van den stroom zich voor hunne blikken ontrollen. Zij vleiden zich aan den oever neder en wachtten de komst van den wagen af. Tegen vijf uren verscheen het voertuig op den top des heuvels. De reis was gelukkig volbracht. Kolonel Everest liet dadelijk alles ontladen terwijl hij bepaalde dat men den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag zou vertrekken.

Al deze voorwerpen werden op de landingsplaats nedergelegd. (Blz. 19.)
De geheele nacht werd voor verschillende werkzaamheden gebruikt. In minder dan een uur was de romp van de boot weder in elkander; de machine voor de schroef werd weder op hare plaats vastgemaakt, de metalen schotten tusschen de verschillende afdeelingen van het vaartuig werden in elkander geschroefd, het ruim in orde gebracht en alle bagage weder ingescheept. Dit alles geschiedde naar de gegeven bevelen, en was een goed bewijs voor de geschiktheid der bemanning van de Queen and Tzar. De Engelsche en Russische matrozen waren uitgezochte mannen op wie men gerust rekenen kon.
Den volgenden dag, 1 Febr., was de stoomboot bij het aanbreken van den dag gereed om de reizigers te ontvangen. Reeds kronkelde de zwarte rook uit den schoorsteen, en de machinist vermeerderde zooveel mogelijk de drukking. Het was eene machine van hooge drukking zonder condensie, zoodat zij bij elken zuigerslag stoom liet ontsnappen evenals zulks bij locomotieven het geval is. Wat den ketel aangaat, deze was van goed geplaatste fornuizen voorzien, waardoor een zoo groot mogelijk oppervlak des ketels aan de hitte was blootgesteld. Door deze inrichting had men in een half uur stoom genoeg. Men had een goeden voorraad ebbenhout en pokhout ingeladen, omdat dit overvloedig in den omtrek groeide, en stookte de vuren met dit kostbare hout zoo hard mogelijk op.
Om zes uren ’s morgens gaf de kolonel het teeken tot het vertrek. Passagiers en bemanning scheepten zich in; de jager, die op de rivier bekend was, volgde hen aan boord en liet aan de twee Boschjesmannen de zorg over om den wagen naar Lattakou terug te brengen.
Op het oogenblik dat men de kabels losmaakte, zeide kolonel Everest tegen den astronoom:
»Zeg eens, mijnheer Emery, u weet toch wat we hier komen doen?”
»Niet het minste, kolonel.”
»Het is toch zeer eenvoudig, mijnheer Emery, we komen een gedeelte van een meridiaan in zuidelijk Afrika meten.”
IV.
Iets over den meter.
Inhoudsopgave
Men mag veilig aannemen, dat het denkbeeld aan eene algemeen gebruikelijke en onveranderlijke maat, waartoe de natuur zelve den juisten grondslag moest geven, reeds van de oudste tijden af den menschelijken geest heeft bezig gehouden. Het kwam er inderdaad hierbij op aan, dat deze maat altijd nauwkeurig moest teruggevonden kunnen worden, van welke veranderingen of geweldige schokken de aarde ook het tooneel geweest was. De ouden dachten zeker wel zóó, maar zij hadden geene vaste stelregels of werktuigen om met vrij voldoende zekerheid zulk een arbeid uit te voeren.
Het beste middel toch om eene onveranderlijke maat te krijgen, was, om die in overeenstemming te brengen met den aardbol, welks omtrek als onveranderlijk kan beschouwd worden, en bij gevolg om dezen geheelen omtrek of een gedeelte er van met wiskundige zekerheid te meten.
De ouden hadden reeds beproefd om deze maat te bepalen. Volgens sommige geleerden van zijn tijd, beschouwde Aristoteles de stadie of Egyptische elleboog uit den tijd van Sesostris, als het honderdduizendste gedeelte van den afstand tusschen de pool en den evenaar. Eratosthenes berekende in den tijd der Ptolemaeën vrij nauwkeurig de lengte van den graad langs den Nijl tusschen Syene en Alexandrië. Maar Posidonius en Ptolemaeus konden met geene genoegzame nauwkeurigheid de landmeetkundige berekeningen van diezelfde soort, welke zij ondernamen, ten einde brengen. Met hunne opvolgers ging het niet beter.
Het was Picard, die in Frankrijk het allereerst een regelmatig stelsel trachtte in te voeren om den graad te meten, en toen hij in 1669 de lengte van een boog aan den hemel en een op aarde tusschen Parijs en Amiens bepaalde, gaf hij op dat hij eene lengte van 57060 vademen voor een graad gevonden had.
De meting van Picard werd tot Duinkerken en zelfs tot Collioure voortgezet door Dominico Cassini en Lahire in de jaren 1683 tot 1718. In 1739 werd zij door Francesco Cassini en Lacaille tusschen Duinkerken en Perpignan nagerekend. Eindelijk werd de meting van dat gedeelte van dien meridiaan door Michain tot Barcelona in Spanje voortgezet. Toen Michain overleden was (hij stierf ten gevolge van de afmatting door zulk een werk veroorzaakt) werd de meting van den Franschen meridiaan eerst in 1807 door Arago en Biot hervat. Deze twee geleerden zetten de meting voort tot op de Balearische eilanden. De boog strekte zich toen uit van Duinkerken naar Formentera; deze werd middendoor gesneden door de 45ste parallel N. B., die op gelijken afstand van de pool en van den evenaar verwijderd was; en daarom was het om de lengte van een kwart meridiaan te berekenen, niet noodig om de afplatting der aarde in rekening te brengen. Deze berekening gaf 57025 vademen voor de gemiddelde lengte van »een graad” in Frankrijk.
Men ziet dat het tot nog toe meestal Fransche geleerden waren, die zich met deze moeilijke berekeningen hadden bezig gehouden.1 Het was de Constituante, die in 1790 op voorstel van Talleyrand een besluit uitvaardigde waardoor het aan de Academie van wetenschappen werd opgedragen om een onveranderlijk model voor alle maten en gewichten uit te denken. Korten tijd daarop brachten Borda, Lagrange, Laplace, Monge en Condorcet een verslag uit waarbij zij als gewone eenheid van maat voorstelden het tien millioenste deel van het vierde deel van den meridiaan, en als eenheid van gewicht voor alle lichamen het gewicht van zuiver gedistilleerd water, terwijl het tientallig stelsel aangenomen werd om alle maten met elkander in overeenstemming te brengen.
Later werden deze bepalingen van de lengte van een graad op verschillende plaatsen der aarde gemaakt, want daar de aardbol geen spheroïde maar een ellipsoïde was, moesten veelvuldige berekeningen en opmetingen de hoegrootheid van de afplatting aan de polen leeren kennen.
In 1736 maten Maupertuis, Clairaut, Camus, Lemonnier, Outhier en de Zweed Celsius een noordelijken boog in Lapland en vonden 57419 vademen voor de lengte van een graad. In 1745 vonden La Condamine, Bouguer en Godin met medewerking van de Spaansche geleerden Juan en Antonio Ulloa in Peru 56737 vademen voor de lengte van den graad. In 1752 berekende Lacaille de lengte van een graad aan de kaap de Goede Hoop op 57037 vademen. In 1754 vonden de paters Maire en Boscowitch 56973 vademen voor de lengte van een boog tusschen Rome en Rimini. In 1762 en 1763 schatte Beccaria den Pimonteeschen graad op 57468 vademen. In 1768 vonden de sterrekundigen Mason en Dixon in Noord-Amerika op de grenzen van Maryland en Pennsylvanië dat de Amerikaansche graad eene lengte had van 56888 vademen.
In de 19de eeuw werden verschillende bogen gemeten in Bengalen, in Oost-Indië, in Piémont, in Finland, in Kurland, in Hannover, in Oost-Pruisen, in Denemarken, enz.; maar de Engelschen en Russen hielden zich minder ijverig dan andere volken met deze moeielijke berekeningen bezig en de voornaamste geodesische opmeting, die zij bewerkstelligden, had in 1784 plaats onder leiding van den generaal-majoor Roy, die het doel had om de Fransche en Engelsche maten met elkander overeen te brengen. Uit al deze bovenvermelde opmetingen kon men reeds opmaken dat de graad gemiddeld geschat kon worden op 57000 vademen, d. i. 25 kilometer, en als men dit vermenigvuldigde met 360, dan verkreeg men voor den omtrek der aarde eene lengte van 9000 kilometer.
Doch de boven opgegeven cijfers doen zien dat de maten van verschillende gradenbogen op onderscheidene plaatsen op aarde niet met elkander overeen kwamen. Niettemin leidde men uit dit gemiddelde van 57000 vademen, welke men als de lengte van een graad aannam, de waarde van een meter af, en men nam daarvoor het tien millioenste deel van een meridiaan, dat overeen kwam met drie voet elf millimeter en 296/1000 van een millimeter.

De kolonel Everest. (Blz. 26.)
In wezenlijkheid is dit cijfer niet volkomen juist. Nieuwe berekeningen, waarbij men de afplatting aan de polen namelijk 1/299, en niet 1/334, zooals men vroeger meende, in aanmerking nam, geven niet meer 10 millioen meters voor de maat van een vierde gedeelte eens meridiaans, maar wel 10.000.856 meters. Dit verschil van 856 meters is op zulk eene lengte weinig merkbaar; evenwel moet men wiskundig sprekende erkennen, dat de meter, zooals hij aangenomen is, niet juist het tien millioenste deel van een vierde deel eens meridiaans is. Er is eene fout van minstens 2/10000 van een millimeter.
De aldus bepaalde meter werd evenwel niet door alle beschaafde volken aangenomen. België, Spanje, Piémont, Griekenland, Nederland, de oude Spaansche koloniën, de republieken Ecuador, Nieuw-Grenada, Costarica, enz. namen die maat bijna onmiddellijk aan; maar niettegenstaande de voorkeur, die het metrieke stelsel boven alle andere stelsels verdient, heeft Engeland tot nu toe altijd geweigerd het aan te nemen.
Misschien zou dit stelsel, zonder de staatkundige verwikkelingen van het laatst der 18de eeuw, door de bevolking van het vereenigde koninkrijk zijn aangenomen. Toen de Constituante den 8sten Mei 1790 daartoe het besluit nam, werden de Engelsche geleerden van de Royal Society uitgenoodigd om zich bij de Franschen aan te sluiten. Om de juiste maat van den meter te hebben, moest men bepalen of deze tot grondslag zou hebben de lengte van een eenvoudigen secondeslinger, of dat men als eenheid van lengtemaat een deel van een der groote cirkels zou aannemen. Doch de tijdsomstandigheden verhinderden de voorgenomen vereeniging.
Het was eerst in het jaar 1854 dat Engeland, het voordeel van het metrieke stelsel sedert lang inziende, en bovendien bemerkende dat geleerden en handelaars genootschappen vormden om het ingang te doen vinden, besloot om het aan te nemen.
Maar de Engelsche regeering wilde dit besluit geheim houden tot op het oogenblik dat de nieuwe opmetingen, die men ondernomen had, de lengte van den graad beter zouden doen bepalen. Evenwel meende de Britsche regeering in dat opzicht zich te moeten verstaan met de Russische, die er ook wel toe overhelde om het metrieke stelsel aan te nemen.
Eene commissie van drie Engelsche en drie Russische sterrekundigen werd dus gekozen uit de uitstekendste leden van wetenschappelijke genootschappen. Men heeft gezien dat het voor Engeland waren: kolonel Everest, en de heeren John Murray en William Emery, en voor Rusland de heeren Mathieu Strux, Nikolaas Palander en Michel Zorn.
Deze internationale commissie vergaderde te Londen en besliste dat men eerst een deel van den meridiaan in het zuidelijk halfrond zou meten. Als dit geschied was, zou men hetzelfde in het noordelijk halfrond doen, en uit deze twee opmetingen hoopte men de juiste maat te vinden, die aan alle voorwaarden zou voldoen.
Nu had men nog te kiezen tusschen de verschillende Engelsche bezittingen in het zuidelijk halfrond, nm. de Kaapkolonie, Australië en Nieuw-Zeeland. Nieuw-Zeeland en Australië, die juist aan de andere zijde der aarde als Europa lagen, brachten de commissie in de noodzakelijkheid om eene lange reis te doen. Bovendien konden de Maori’s en de Nieuw-Hollanders, die altijd in oorlog zijn met de indringers, de voorgenomen opmeting zeer bemoeilijken. De Kaapkolonie daarentegen bood wezenlijke voordeelen aan: 1o was zij onder denzelfden meridiaan gelegen als zekere deelen van Europeesch Rusland, en na een boog van den meridiaan in zuidelijk Afrika gemeten te hebben kon men er een op denzelfden meridiaan meten in het gebied van den tsaar, en tevens de opmeting geheim houden; 2o was de reis naar de Engelsche bezittingen in het zuiden van Afrika betrekkelijk kort, en eindelijk 3o zouden de Engelsche en Russische geleerden daar eene uitstekende gelegenheid vinden om den arbeid van den Franschen sterrekundige Lacaille na te gaan, door op dezelfde plaats als hij te werken, en te onderzoeken of hij gelijk had gehad met het cijfer van 57037 vademen op te geven voor de maat van een graad op den meridiaan aan de Kaap de Goede Hoop.
Er werd derhalve beslist dat de geodesische arbeid aan de Kaap ondernomen zou worden. De beide regeeringen keurden de beslissing der Engelsch-Russische commissie goed. Een belangrijk krediet werd geopend. Alle instrumenten, die voor de opmeting noodig waren, werden in dubbelen getale vervaardigd. William Emery werd uitgenoodigd om toebereidselen te maken voor een tocht in de binnenlanden van zuidelijk Afrika. Het fregat Augusta van de koninklijke marine, ontving bevel om de leden der commissie en hun gevolg naar de monding der Oranjerivier over te brengen.
Men mag er wel bijvoegen dat er behalve een wetenschappelijk doel, ook nationale eigenliefde mede gemoeid was, waardoor deze voor een gemeenschappelijken arbeid vereenigde geleerden werden aangevuurd. Het was er inderdaad om te doen om Frankrijk in zijne berekeningen te overtreffen, om den arbeid der beroemdste Fransche sterrekundigen in juistheid te verbeteren, en dat nog wel te midden van eene woeste en bijna onbekende landstreek. Ook waren de leden der Engelsch-Russische commissie besloten om alles, zelfs hun leven op te offeren, ten einde een doel te bereiken dat heilzaam voor de wetenschap en te gelijkertijd roemvol voor hun land zijn zou.
En ziedaar waarom in de laatste dagen van Januari 1854 William Emery zich bij den waterval van Morgheda aan den oever der Oranjerivier bevond.
1 Met geen enkel woord maakt Verne melding van onzen Snellius, die reeds in 1617 den boog bepaalde van den meridiaan over Leiden tusschen de parallelcirkels van Alkmaar en Bergen op Zoom.
V.
Een Hottentotsch dorp.
Inhoudsopgave
De reis op het bovendeel der rivier werd spoedig afgelegd. Evenwel werd het jaargetijde regenachtig; maar de reizigers, die ’t in de kajuit der boot vrij gemakkelijk hadden ingericht, hadden niets te lijden van de stortregens, die in dezen tijd van het jaar hier gewoon waren. De Queen and Tzar vorderde snel. Men ontmoette geen snelle stroomingen of ondiepten, en de stroom was over het algemeen niet sterk genoeg om den gang der boot te vertragen.
De oevers der Oranjerivier boden altijd hetzelfde verrukkelijke schouwspel aan. Bosschen van verschillende boomsoorten volgden elkander op, en een wereld van vogels fladderde daarin rond. Hier en daar stonden groepen boomen van het geslacht der zilverboomen, en vooral de »wagenboom” met roodachtig gemarmerd hout, die er wonderlijk uitzag met zijne donkerblauwachtige bladeren en groote gele bloemen; verder de »zwartebast” met zwarte schors, de »karree” met zijne donkerkleurige altijd groene bladeren. Het kreupelhout strekte zich eenige kilometers ver van de oevers der rivier uit, en overal was deze met treurwilgen langs de kanten bezet. Hier en daar deden zich plotseling uitgestrekte naakte velden aan het oog voor. Het waren groote vlakten met een onnoemelijk aantal kolokwintstruiken begroeid; daar tusschen stond de honigvoortbrengende plant proteus, waaruit geheele zwermen kleine vogels met zacht gekweel opvlogen, die door de kolonisten suikervogels genoemd worden.
De vogelwereld bood groote verscheidenheid aan. De Boschjesman deed ze opmerken aan John Murray, die een groot liefhebber was van allerlei wild. Ook ontstond er een soort van vertrouwelijkheid tusschen den Engelschen jager en Mokum, die volgens de belofte van kolonel Everest van zijn reismakker eene uitmuntende, verdragende buks ten geschenke ontvangen had. Het is onnoodig om de tevredenheid van den Boschjesman te schetsen, nu hij zich in het bezit zag van zulk een prachtig wapen. De twee jagers begrepen elkander goed. Al was hij een uitstekend geleerde, toch ging John Murray voor een van de beste jagers van het oude Caledonië door. Hij hoorde met belangstelling, met een soort van afgunst de verhalen van den Boschjesman aan. Zijne oogen schoten vlammen als de jager hem onder de boomen eenige wilde dieren aanwees, hier giraffen in troepen van vijftien tot twintig, daar buffels van zes voet hoog en den kop met een paar zwarte horens voorzien, wat verder wilde gnoes met een paardestaart, elders troepen caäma’s, eene soort van groote damherten met schitterende oogen en een paar horens, die een dreigenden hoek met elkander maakten, en overal, zoowel in het dichtste woud, als op de kale vlakten die oneindige verscheidenheid van antilopen, die in zuidelijk Afrika zoo talrijk gevonden worden, de bastaardgems, de gemsbok, de gazelle, de springbok, enz. Was daar dus niet overvloedig gelegenheid om een jager te doen watertanden, en konden de vossenjachten in de Schotsche vlakten wel vergeleken worden met de jachten van een Cumming, een Anderson en een Baldwin?

Een vrij knap man. (Blz. 33.)
Men moet zeggen dat de reismakkers van Murray vrij wat minder zich getroffen gevoelden door het gezicht van die prachtige stukken wild. Emery beschouwde zijne ambtgenooten met groote opmerkzaamheid, en trachtte hun karakter onder hun onverschillig uiterlijk te raden. Kolonel Everest en Strux, die ongeveer even oud waren, waren even terughoudend, voorzichtig en vormelijk. Zij spraken met eene afgemeten langzaamheid en elken morgen zou men gezegd hebben, dat zij elkander vóór den vorigen avond nog nimmer ontmoet hadden. Men behoefde de hoop niet te koesteren, dat er tusschen deze twee voorname personen ooit eenige vertrouwelijkheid ontstaan zou. Twee tegen elkander geschoven ijsschotsen eindigen met zich te vereenigen doch niet alzoo twee geleerden, wanneer zij beiden eene hooge wetenschappelijke betrekking bekleeden.
Nikolaas Palander was vijfenvijftig jaren en één van die mannen, die nooit jong zijn geweest, en nooit oud worden. De sterrekundige van Helsingfors was altijd verdiept in zijne berekeningen; hij kon een uitstekend werktuig zijn, maar het was dan ook niet anders dan een werktuig, eene soort van rekentafel of algemeen rekenwerktuig. Rekenaar van de Engelsch-Russische commissie, was deze geleerde een van die wondermenschen, die uit het hoofd met vijf cijfers vermenigvuldigen, eene soort van vijftigjarigen Mondeux.
Michel Zorn had door zijn leeftijd, zijn opgewonden karakter en zijn goed humeur meer overeenkomst met William Emery. Zijne beminnelijke hoedanigheden beletten hem niet een sterrekundige van groote verdiensten te zijn, die zich reeds op jeugdigen leeftijd beroemd had gemaakt. De door hem en onder zijn toezicht op het observatorium van Kiew gedane ontdekkingen omtrent de nevelvlek van Andromeda hadden in het geleerde Europa heel wat beweging veroorzaakt. Aan zijne onwedersprekelijke verdiensten paarde hij groote nederigheid, en hield zich bij iedere gelegenheid op den achtergrond.
William Emery en Michel Zorn moesten vrienden worden; zij waren verbonden door denzelfden smaak en dezelfde neigingen. Zij spraken veel met elkander. Gedurende dien tijd namen de kolonel en Mathieu Strux elkander zeer bedaard op. Palander trok uit het hoofd vierkants-wortels, zonder dat hij acht gaf op de verrukkelijke plekken langs de oevers, en John Murray en de Boschjesman vormden plannen om eene vreeselijke slachting onder het wild aan te richten.
De reis op den bovenstroom der Oranjerivier kenmerkte zich door geen enkel voorval. Soms schenen de steile rotsoevers, die den bochtigen stroom insloten, elken uitgang af te sluiten. Dan weder maakten met boomen begroeide eilandjes, die als ’t ware midden in den stroom geworpen waren, het onzeker, welken weg men volgen moest; doch de Boschjesman aarzelde nimmer, en de Queen and Tzar koos den besten weg, of stoomde zonder dralen uit den cirkel van rotsen, die haar omringden. De stuurman behoefde geen enkel oogenblik berouw te gevoelen dat hij de aanwijzingen van Mokum gevolgd had.
In vier dagen legde het stoomschip de twee honderd veertig kilometers af, die de watervallen van Morgheda nog scheidden van de Kuruman, een van de zijtakken, die langs de stad Lattakou stroomt; dit was juist de plaats waar de commissie zich moest heen begeven. De stroom vormde dertig kilometers boven den waterval een elleboog, en eene andere richting aannemende, als die van het oosten naar het westen, begrensde hij, in zuidwestelijke richting stroomende, de scherpe punt, die het grondgebied der Kaapkolonie ten noorden vormt. Van dit punt richtte de rivier zich noordoostwaarts en verloor zich drie honderd kilometers verder in de boschrijke streken der Transvaal-republiek.
Het was den 5en Februari, des morgens nog zeer vroeg en onder een slagregen, dat de Queen and Tzar Klaarwater, een Hottentotsch dorp bereikte, dicht bij de plek waar de Kuruman in de Oranjerivier valt. Kolonel Everest wilde geen oogenblik verliezen, en liet dus spoedig de weinige hutten van Boschjesmannen, die het dorp vormden, achter zich, terwijl de boot door de werking der schroef tegen den stroom van den nieuwen zijtak opstoomde. Deze zijtak stroomde, zooals de reizigers opmerkten, zeer snel door eene bijzonderheid, welke hem eigen was. De Kuruman toch, die aan haren oorsprong zeer breed is, wordt smaller naarmate de stroom vordert omdat het water door de zonnehitte verdampt. Maar in dit jaargetijde was zij zeer gezwollen, diep en snelstroomend door aanhoudende regens en door het water van een zijtak, de Moschona. De vuren werden dus aangestookt, en de boot stoomde met eene drie kilometersvaart de Kuruman op.
Gedurende dezen tocht maakte de Boschjesman den heer Murray opmerkzaam op een vrij groot aantal nijlpaarden. Die groote dikhuidige dieren, die door de Hollanders aan de Kaap »zeekoeien” genoemd worden, zijn dik en log, acht tot tien voet lang en weinig geneigd om iemand aan te vallen. Zij werden verschrikt door het snuiven der boot en het slaan van de schroef; zij dachten zeker een nieuw soort van monster te zien, dat zij moesten wantrouwen, en inderdaad maakten de wapens aan boord de nadering zeer moeielijk. John Murray had zijne ontplofbare kogels gaarne op die vleeschklompen beproefd, doch de Boschjesman verzekerde hem dat er in de noordelijke stroomen geen gebrek aan nijlpaarden zijn zou, en John Murray besloot dus om gunstiger gelegenheid af te wachten.
De honderd vijftig kilometers, die den mond der Kuruman van Lattakou scheidden, werden in vijftig uren afgelegd. Den 7den Februari bereikte men om drie uren des namiddags deze plaats. Toen de boot aan den oever was vastgemaakt, kwam een man van vijftig jaar met een deftig, doch goedig uiterlijk aan boord en stak William Emery de hand toe. De astronoom stelde den nieuw aangekomene aan zijne reismakkers voor en zeide: »De eerwaarde Thomas Dale van het zendelinggenootschap te Londen, en directeur van het station van Lattakou.”
De Europeanen groetten den eerwaarden Thomas Dale, die hen welkom heette, en deze stelde zich geheel ter hunner beschikking.
De stad Lattakou of liever het gehucht van dien naam, vormt in het noorden het meest van de Kaapstad verwijderde station van zendelingen. Zij wordt in oud en nieuw Lattakou verdeeld. Het oude Lattakou, dat nu bijna geheel verlaten is, en waar de Queen and Tzar aankwam, telde in het begin van deze eeuw nog twaalfduizend inwoners, die sedert dien tijd naar het noordoosten getrokken zijn. Toen de stad zeer in verval raakte, werd zij door Lattakou vervangen, dat in eene vlakte, die vroeger met acacia’s bedekt was, niet ver daarvandaan gebouwd werd. Dit nieuwe Lattakou, waarheen de Europeanen zich onder geleide van den zendeling begaven, bevatte een veertigtal groepen huizen, en telde ongeveer vijf of zes duizend inwoners, die tot den grooten stam der Betchuanen behoorden.
In dit dorp hield dokter David Livingstone in 1840 gedurende drie maanden zijn verblijf, voordat hij de reis naar de Zambese ondernam, eene reis, die den beroemden reiziger noodzaakte geheel midden-Afrika door te trekken van de baai van Loanda in Congo, tot aan de haven van Kilimane op de kust van Mozambique.
Te nieuw-Lattakou aangekomen, overhandigde kolonel Everest aan den directeur van de missie een brief van dokter Livingstone, die de Engelsch-Russische commissie aan zijne vrienden in zuidelijk Afrika aanbeval. Thomas Dale las dien brief met bijzonder genoegen, daarop gaf hij dien aan kolonel Everest terug, zeggende dat hij hem op zijne reis mogelijk van nut kon zijn, daar de naam van David Livingstone in dit gedeelte van Afrika bekend en geëerd was.

De Europeanen namen afscheid. (Blz. 34.)
De leden der commissie werden in het huis der zendelingen ingekwartierd; ’t was een groot gebouw, dat op eene hoogte opgericht, en door eene ondoordringbare haag als door een vestingmuur omgeven was. De Europeanen waren in dit gebouw gemakkelijker gehuisvest dan zij het bij de Betchuanen zouden geweest zijn. Niet, omdat de woningen van dit volk niet zindelijk zijn; integendeel, want de vloer is gemaakt van zeer vaste klei, waarop geen stofje te zien is; het dak is met lang stroo bedekt en ondoordringbaar voor den regen; maar toch zijn deze huizen slechts hutten, waartoe een rond gat, dat nauwelijks groot genoeg is om een mensch door te laten, toegang verschaft. In die hutten leven allen gemeenschappelijk onder elkander en men kan niet zeggen dat die samenleving met de Betchuanen tot de aangenaamste behoort. Het hoofd van den stam, die te Lattakou woonde, zekere Moulibahan, meende dat hij zijne opwachting bij de Europeanen maken moest. Moulibahan was een vrij knap man zonder de dikke lippen of den platten neus van het negerras; hij had een rond gelaat, dat niet, zooals bij de Hottentotten, van onderen smal toeliep. Hij droeg een mantel van huiden, welke zeer kunstig aan elkander waren genaaid, en een voorschoot, dat de inlanders »Pukoje” noemen; verder een lederen muts en sandalen van buffelleder. Aan zijne armen had hij ivoren ringen; in zijne ooren bengelden vier centimeters lange koperen staafjes als oorbellen, die tevens tot amuletten moesten dienen. Boven van zijn muts hing een antilopenstaart. Zijn jachtstok was bovenaan met een bos zwarte struisvederen versierd. Men kon de natuurlijke kleur der huid van dezen Betchuanen-hoofdman niet zien onder de dikke laag oker, waarmede hij van het hoofd tot de voeten bedekt was. Eenige onuitwischbare inkervingen in de dij duidden het aantal vijanden aan, die Moulibahan gedood had.
Dit stamhoofd, dat minst genomen even deftig was als Mathieu Strux zelf, naderde de Europeanen en nam hen één voor één bij den neus. De Russen lieten dit ernstig toe; de Engelschen stribbelden een weinig tegen, en toch was het volgens Afrikaansche zeden eene plechtige verbintenis om de plichten der gastvrijheid jegens de Europeanen in acht te nemen. Toen de plechtigheid was afgeloopen ging Moulibahan zonder een woord te spreken heen.
»En nu wij genaturaliseerd zijn als Betchuanen,” zeide kolonel Everest, »kunnen wij ons zonder een dag of een uur te verliezen met ons werk bezighouden.”
Geen enkel uur ging verloren, en toch was de commissie niet vóór de eerste dagen van Maart tot het vertrek gereed, zooveel zorg en omslag vereischt het gereedmaken van zulk eene onderneming. Het was bovendien de door kolonel Everest aangewezen dag. Op dat tijdstip namelijk eindigde het regenseizoen, en het water dat in de uithollingen van den grond hier en daar was blijven staan, zou eene kostbare hulpbron worden voor de woestijnreizigers.
Het vertrek werd op 2 Maart vastgesteld. Dien dag was de geheele karavaan onder bevel van Mokum tot het vertrek gereed. De Europeanen namen afscheid van de zendelingen van Lattakou, en verlieten ten zeven ure ’s morgens het plaatsje.
»Waar gaan we heen, kolonel?” vroeg William Emery op het oogenblik dat de karavaan de laatste hut van het stadje achter zich liet.
»Recht voor ons uit, mijnheer Emery,” antwoordde de kolonel, »tot op het oogenblik dat we een geschikte plaats hebben gevonden om een basis te meten!”
Om acht uren had de karavaan de lage en met kleine heesters bedekte heuvels achter zich, welke Lattakou omringen, en de woestijn lag met al hare gevaren, vermoeienissen en onvoorziene gebeurtenissen voor hen.
VI.
Verdere kennismaking.
Inhoudsopgave
Het onder bevel van den Boschjesman staande geleide telde honderd man; het waren allen Boschjesmannen, werkzame, bedaarde, vreedzame mannen, die groote lichamelijke vermoeienissen konden uitstaan. Voordat er zendelingen in het land waren haakten de Boschjesmannen, die als leugenaars en als weinig gastvrij bekend stonden, naar roof en moord, en maakten meestal van den nacht gebruik om hunne vijanden te vermoorden. De zendelingen hebben wel hunne barbaarsche zeden aanmerkelijk beschaafd, doch die inboorlingen maken zich nog altijd meer of min schuldig aan het plunderen van woningen en het rooven van vee.
Tien wagens, gelijk aan het voertuig, dat de Boschjesman naar den waterval van Morgheda gebracht had, vormden het rollend materieel van den tocht. Twee van die wagens, een soort van beweegbare huizen, waren gemakkelijk ingericht en dienden den Europeanen tot verblijf als zij halt hielden. Zij werden dus gevolgd door een houten huis, van droge planken getimmerd, met ondoordringbaar zeildoek bedekt, en van verschillende bedden en toiletbenoodigdheden voorzien. Als men halt hield was dit tijd gewonnen, omdat men de tenten geheel opgeslagen met zich voerde.
Een van de wagens was bestemd voor kolonel Everest en zijne beide landgenooten. De andere werd door de Russen bewoond. Twee andere wagens, die volgens hetzelfde model ingericht waren, behoorden, de ééne aan de vijf Engelschen, de andere aan de vijf Russen die samen de bemanning van de Queen and Tzar uitmaakten.
Het spreekt van zelf, dat de romp en de machine der stoomboot stuksgewijze uit elkander genomen en op een der wagens geladen werden om de reizigers door de Afrikaansche woestijn te volgen. Meren zijn talrijk in het binnenland; misschien werden er eenigen gevonden op den weg, dien de wetenschappelijke commissie zou volgen en dan zou het kleine vaartuig groote diensten kunnen bewijzen. De andere wagens waren beladen met de instrumenten, levensmiddelen, koffers, wapens, kruit en lood, toestellen voor de voorgenomen driehoeksmeting, zooals draagbare pylonen, signaalpaaltjes, lantaarns, de noodige schragen om eene basis te meten, en eindelijk alles wat voor de honderd man van het geleide bestemd was. De levensmiddelen voor de Boschjesmannen bestonden voornamelijk uit vleesch van antilopen, buffels of olifanten, dat in lange repen gesneden, en in de zon of boven een half smeulend vuur gedroogd was om het maanden lang te kunnen bewaren. Deze wijze van toebereiding wint het gebruik van zout uit en is in zwang in die streken, waar deze nuttige stof ontbreekt. Wat het brood aangaat, de Boschjesmannen rekenden er op dit door vruchten of wortels, door aardnoten, door de knollen van zekere soort van vezelbloemen, zooals de inlandsche vijg, door kastanjes, of door de pit van eene soort van palmboom, welke den naam van »kafferbrood” draagt te vervangen. Dit voedsel uit het plantenrijk kon gedurende de reis telkens ververscht worden. Wat het dierlijk voedsel betreft, dit zou bezorgd worden door de jagers der bende, die met bewonderenswaardige behendigheid hunne bogen van aloëhout en hunne lansen hanteerden, en de bosschen en vlakten af zouden loopen om de karavaan van wild te voorzien. Zes ossen uit het Kaapland, hoog op de pooten, met breede schoften en lange horens waren met een tuig van buffelleder voor elken wagen gespannen. Zoo voortgetrokken, behoefde men met deze zware wagens, lompe staaltjes van oorspronkelijke wagenmakerskunst, niet bang te zijn voor hellingen of kuilen; zij bewogen zich niet snel maar zeker op hunne zware raderen.
Wat de paarden aangaat, dit waren kleine zwarte of grijze dieren van Spaansch ras, die uit Zuid-Amerika in het Kaapland werden ingevoerd; zij worden om hun moed en zachtzinnigheid hoog geschat. Onder dien troep vond men ook een half dozijn tamme quagga’s, eene soort van ezels met dunne pooten en ronde vormen, wier gebalk aan het blaffen van een hond deed denken. Die quagga’s moesten bij kleine tochten dienen, die voor geodesische opnamen noodig zouden zijn, en de instrumenten en benoodigdheden daarheen brengen, waar zware wagens niet konden komen.
Bij uitzondering bereed de Boschjesman met eene bewonderenswaardige bevalligheid en behendigheid een prachtig dier, dat de bewondering van een kenner als John Murray opwekte. Het was een zebra met eene onvergelijkelijk schoone, bruin gestreepte huid. Dit dier was tot aan de schoft vier voet hoog en mat zeven voet van den kop tot den staart. Schuw en schichtig van aard, zou het geen ander dan Mokum op zijn rug geduld hebben, daar deze hem voor eigen gebruik getemd en afgericht had.
Eenige honden van een half wild ras, soms oneigenaardig aangeduid met den naam van jachthyena’s, liepen langs de karavaan op en neêr. Zij herinnerden door vorm en lange ooren aan den Europeeschen brak.

Dan waren zij vrij. (Blz. 39.)
Zóó was de karavaan samengesteld, die zich in de Afrikaansche woestijn ging wagen. De ossen liepen bedaard voort, aangezet door den stok van hunne geleiders, die hen in de zijde stieten, en ’t was een merkwaardig schouwspel als men dezen troep langs de heuvels zich zag voortbewegen. Waar ging de tocht na het verlaten van Lattakou heen?
»Wij gaan recht voor ons uit,” had kolonel Everest gezegd.
De kolonel en Mathieu Strux toch konden op dit oogenblik nog geene bepaalde richting volgen. Wat zij zochten voordat zij hunne werkzaamheden begonnen, was eene uitgestrekte effene vlakte, om er een basis te stellen van den eerste der driehoeken, welker net zuidelijk Afrika over eene uitgestrektheid van verscheidene graden bedekken zou.
Kolonel Everest legde den Boschjesman de zaak uit. Met de zekerheid van een geleerde, wien zulk eene wetenschappelijke taal gewoon is, sprak de kolonel tegen den jager van driehoeken, aanliggende hoeken, basis, meting van den meridiaan, zeniths afstanden, enz. De Boschjesman liet hem eenige oogenblikken voortspreken, daarop viel hij hem met eene beweging van ongeduld in de rede en antwoordde: »Kolonel, ik begrijp niets van uwe hoeken, basis, of meridianen; ik vat zelfs in het geheel niet wat gij hier in die Afrikaansche woestijn komt uitvoeren. Maar dat zijn mijne zaken niet. Wat vraagt u van mij? eene schoone uitgestrekte, effene en regelmatige vlakte? Welnu, die zal ik u opzoeken.”
En op bevel van Mokum trok de karavaan, die reeds over de heuvels van Lattakou heen was, naar het zuidwesten. Deze richting bracht haar een weinig meer naar den zuidkant van het stadje, dat is naar dat gedeelte van de vlakte, hetwelk door de Kuruman bespoeld wordt. De Boschjesman hoopte in den omtrek dezer rivier eene vlakte te vinden, die voor het doel van den kolonel geschikt was.
Sedert dien dag bleef de jager gewoonlijk aan het hoofd der karavaan. John Murray, die een goed paard bereed, bleef aan zijne zijde en van tijd tot tijd verkondigde een geweerschot aan zijne ambtgenooten dat Murray kennis maakte met het Afrikaansche wild. De kolonel liet zich, in gedachten verdiept, geheel aan den gang van zijn paard over, en dacht aan de toekomst van zulk een tocht, die te midden van deze wilde streken waarlijk moeilijk genoeg worden kon. Mathieu Strux was naarmate de toestand van het terrein zulks toeliet, dan eens te paard, dan weder in een wagen, en opende niet dikwijls den mond tot spreken. Wat Nikolaas Palander aangaat, deze reed zoo slecht mogelijk te paard, en ging daarom meestal te voet of zat in den wagen, waar hij dan in de meest afgetrokken berekeningen der hoogere meetkunde verdiept was.
Al hadden William Emery en Michel Zorn des nachts ieder een afzonderlijken wagen tot verblijf, zoo waren zij des daags toch altijd samen. Deze beide jonge mannen voelden zich dagelijks meer en meer tot elkander aangetrokken door eene vriendschap, welke door de lotgevallen der reis nog toe moest nemen. Van de eene halte naar de andere reden zij samen onder drukke gesprekken. Soms verwijderden zij zich ter zijde van de karavaan, dan reden zij haar eenige kilometers vooruit als de vlakte zich zoo ver het oog reikte voor hen uitstrekte. Dan waren zij vrij en als het ware verloren te midden van die woeste natuur. Dan spraken zij over allerlei, behalve over de wetenschap! Dan vergaten zij cijfers en stellingen, berekeningen en waarnemingen! Het waren geen sterrekundigen meer, geen waarnemers van het hemelgewelf, maar twee scholieren, die aan de schooltucht ontsnapt en gelukkig waren om door dichte bosschen te trekken, om in die oneindige vlakte rond te draven en om de versche lucht, welke met allerhande geuren bezwangerd was, met volle teugen in te ademen! Zij lachten, ja zij lachten als eenvoudige stervelingen, en niet als deftige mannen, die gewoonlijk in gezelschap zijn met kometen en andere dwaalsterren. Al mochten zij om de wetenschap niet lachen, dan glimlachten zij toch dikwijls bij de gedachte aan die deftige geleerden, die op deze aarde niet te huis behoorden. Overigens was hierin volstrekt geene boosaardigheid gelegen. Het waren twee uitstekende, openhartige, beminnelijke, getrouwe karakters, geheel het tegenbeeld van hunne chefs, den kolonel Everest en Mathieu Strux, twee stijve, koude menschen. En juist waren deze twee geleerden dikwijls het onderwerp van hunne gesprekken. William Emery leerde hen door zijn vriend Michel Zorn kennen.
»Ja,” zeide Zorn, »ik heb ze gedurende onze reis aan boord van de Augusta goed gadegeslagen, en ongelukkig ben ik gedwongen te bekennen, dat die twee mannen ijverzuchtig op elkander zijn. Al schijnt kolonel Everest onzen tocht aan te voeren, waarde William, zoo is Mathieu Strux toch zijn gelijke. De Russische regeering heeft zijn standpunt juist afgebakend. Onze beide aanvoerders geven elkaar in heerschzucht niets toe. Bovendien, ik herhaal het u, bestaat er tusschen hen die afgunst van geleerden, welke met recht voor de hevigste der jalouzieën gehouden wordt.”
»En deze heeft toch het minste reden van bestaan,” antwoordde William Emery, »want alles bepaalt zich tot het veld van ontdekkingen, en ieder onzer geniet voordeel van het werk van allen. Maar zijn uwe opmerkingen juist, en ik heb reden om te gelooven dat zij het zijn, waarde Zorn, dan is dat een noodlottige omstandigheid voor onze onderneming. Er moet toch een volmaakte overeenstemming heerschen om zulk een moeielijk werk te doen gelukken.”
»Zonder twijfel,” antwoordde Michel Zorn, »en ik vrees maar al te zeer dat deze overeenstemming niet bestaat. Oordeel eens over onze teleurstelling als elk onderdeel van de bewerking, de keuze der basis, de wijze van berekening, het plaatsen der bakens, het nazien der cijfers telkens een nieuwen twist in het leven roept! Bedrieg ik me niet, dan zijn er eene menigte haarkloverijen te voorzien, bij het vergelijken van onze dubbele registers en het opteekenen van onze waarnemingen, die ons in staat hebben gesteld om zelfs een vierhonderd duizendste van een vadem (2/100 millimeter) in rekening te brengen.”
»Ge doet mij ontstellen, mijn vriend,” antwoordde Emery. »Het zou inderdaad treurig zijn als men zich zóóver gewaagd had, en dan nog schipbreuk leed, omdat men bij zulk eene onderneming niet eendrachtig handelde. God verhoede dat uwe vrees bewaarheid worde!”
»Ik wensch het zeer, William,” antwoordde de jonge Russische astronoom, »maar nog eens, bij den overtocht was ik getuige van zekere gesprekken over wetenschappelijke stelsels, die een onverzettelijke stijfhoofdigheid bij den kolonel en zijn tegenstander aanduidden. Ik begreep dat een ellendige ijverzucht er de oorzaak van was.”
»Maar die beide heeren verlaten elkander niet,” merkte Emery op. »Men kan den een niet zonder den ander aantreffen; zij zijn onafscheidelijk, zelfs nog onafscheidelijker dan wij.”
»Ja,” antwoordde Michel Zorn, »den ganschen dag verlaten ze elkaar niet, maar ze wisselen geen tien woorden en bewaken en bespieden elkander. Zoo het den een niet gelukt den ander geheel weg te cijferen, dan beginnen we ons werk onder waarlijk bedroevende omstandigheden.”
»En als het aan u stond,” vroeg William met zekere aarzeling, »onder wien van de beide geleerden zoudt gij dan wenschen......?”
»Waarde William,” antwoordde Zorn met groote openhartigheid, »ik zou van ganscher harte hem als meester erkennen, die zich als zoodanig wist te doen gelden. In deze wetenschappelijke onderneming heb ik geen vooroordeel of nationale eigenliefde. Mathieu Strux en kolonel Everest zijn twee merkwaardige menschen. Zij wegen tegen elkander op. Engeland en Rusland moeten beiden voordeel hebben bij den goeden uitslag van hun arbeid. Het komt er dus weinig op aan of die arbeid door een Engelschman of een Rus wordt beheerd. Denkt ge er zoo ook niet over?”
»Zeker, vriend Zorn,” hernam Emery. »Laten we ons derhalve niet laten afleiden door dwaze vooroordeelen, en wenden we, voor zoover wij kunnen, onze krachten aan tot het algemeene welzijn. Misschien zal het ons mogelijk zijn om die slagen af te wenden, die de beide tegenstanders elkander, figuurlijk gesproken, zullen toebrengen. Bovendien is uw landgenoot, Nikolaas Palander....,”
»Hij,” antwoordde Zorn lachende, »hij zal niets zien, hooren, of begrijpen. Al zou hij voor den keizer van Abyssinië rekenen, ’t is hem hetzelfde als hij maar rekenen kan. Hij is noch Engelschman, noch Rus, noch Chinees! Het is zelfs geen bewoner van dit ondermaansche; het is Nikolaas Palander, daarmee is alles gezegd!”

»De gevraagde vlakte, kolonel.” (Blz. 43.)
»Ditzelfde kan ik van mijn landgenoot John Murray niet zeggen,” antwoordde Emery. »Hij is bovenal Engelschman, maar ’t is ook een hartstochtelijk jager, en hij zou liever het spoor van een giraffe of zelfs van een olifant volgen, dan zich in een twistgesprek over wetenschappelijke methoden mengen. Wij moeten dus slechts op ons zelve rekenen, waarde Zorn, om botsingen tusschen onze aanvoerders te voorkomen. Wij behoeven elkaar niet te verzekeren, dat, wat er ook gebeure, wij altijd openhartig en trouw ééne lijn zullen trekken.”
»Altijd, wat er ook voorvalle!” antwoordde Zorn, zijn’ vriend William de hand toestekende.
Ondertusschen ging de karavaan, door den Boschjesman geleid, naar het zuidwesten. Den 4en Maart des middags bereikte zij den onderrand van die lange begroeide heuvelreeks, welke zij sedert het verlaten van Lattakou volgde. De jager had zich niet bedrogen, hij geleidde de karavaan naar eene vlakte, maar deze was voor de triangulatie nog niet geschikt, omdat het terrein een weinig golfde. Men trok dus nogmaals vooruit. Mokum plaatste zich weêr aan het hoofd, terwijl John Murray, William Emery en Michel Zorn de voorhoede vormden.
Tegen het einde van den dag bereikte de karavaan een van die halten, welke door zwervende herders of boeren bewoond worden, en waar deze wegens de vette weilanden voor eenige maanden hun verblijf opslaan. Kolonel Everest en zijne makkers werden gastvrij ontvangen door een der kolonisten, een Hollander en hoofd van een talrijk huisgezin, die voor zijne bewezen diensten niets tot schadeloosstelling wilde aannemen. Deze boer was een van die moedige, ingetogen en werkzame menschen, wier klein kapitaal verstandig aangewend tot het fokken van koeien, ossen en geiten spoedig tot een groot vermogen aangroeit. Als de weide schraal wordt, zoekt de boer, evenals in ouden tijd de aartsvaders, een nieuwe bron van bestaan, dat is vetter weilanden op, en vestigt zich voor eenigen tijd in voordeeliger streken.
Deze boer wees den kolonel eene uitgestrekte vlakte aan, die op een afstand van vijftien kilometers gevonden werd, en volkomen geschikt moest zijn voor geodesische opmetingen.
Den volgenden dag, 5 Maart, vertrok de karavaan bij het aanbreken van den dag; men trok den geheelen morgen voort; geen enkel voorval zou het eentonige van dezen tocht hebben afgewisseld, als John Murray op 1200 meters afstand geen zonderling dier had neêrgeschoten, dat een koeiensnuit, een langen witten staart, en zeer scherpe horens op den kop had. Het was een gnoe, een wilde stier, die bij zijn val een dof gesteun liet hooren. De Boschjesman was verbaasd, dat hij, niettegenstaande den grooten afstand, het dier zoo juist zag treffen en neêrvallen. Het dier was ongeveer vijf voet hoog en verschafte den kok eene groote hoeveelheid uitmuntend vleesch, zoodat de gnoe’s aan de jagers der karavaan vooral werden aanbevolen. Tegen den middag bereikte men de plaats, die de boer had aangeduid; het was eene in het noorden onbegrensde weide, waarvan de grond overal even vlak was. Men kon zich geen gunstiger terrein voor het meten eener basis denken. Nadat de Boschjesman de streek beschouwd had, naderde hij den kolonel, en zeide: »De gevraagde vlakte, kolonel.”
VII.
Eene basis.
Inhoudsopgave
De door de commissie te verrichten arbeid was, zooals men weet, eene driehoeksmeting, waardoor men een boog van den meridiaan kon berekenen. Het rechtstreeksch meten toch van een of meer graden door middel van metalen linialen, die met de uiteinden aan elkander geplaatst moeten worden, zou een geheel ondoenlijk werk zijn met het oog op wiskundige juistheid. Bovendien zou geen terrein ergens ter wereld over eene uitgestrektheid van eenige honderden kilometers vlak genoeg zijn om voor het verrichten van zulk een nauwkeurigen arbeid te kunnen dienen. Gelukkig kan men juister te werk gaan, door het terrein, waarover de meridiaan heen loopt in een zeker aantal driehoeken te verdeelen, welker berekening betrekkelijk gemakkelijk is. Deze driehoeken verkrijgt men, als men met zeer nauwkeurige instrumenten, met den theodoliet of cirkel van Borda het oog richt op natuurlijke of kunstmatige vaste punten, b. v. torens, hooge huizen, lantaarns, palen of dergelijke. Elk vast punt stelt het hoekpunt van een driehoek voor, welks hoeken door bovengenoemde instrumenten met mathematische juistheid gemeten worden.
Ieder waarnemer kan met volkomen juistheid de plaats van zulk een vast punt (bij dag een toren, bij nacht een brandende lantaarn) aanwijzen, wanneer hij er slechts het oog op richt door den kijker, welks veld door middel van een van fijne draadjes vervaardigd netje in kleine ruitjes is afgedeeld. Zóó verkrijgt men driehoeken, welker zijden dikwijls verscheidene kilometers lang zijn. Op die wijze heeft Arago de kust van Valencia in Spanje met de Balearische eilanden verbonden door een ontzettend grooten driehoek, van welken eene der zijden 160 kilometers lang was.
Volgens de grondbeginselen der meetkunde is een driehoek geheel bekend, wanneer men daarvan slechts eene zijde en twee hoeken kent, want men kan daaruit onmiddellijk de grootte van den derden hoek, en de lengte der beide andere zijden bepalen. Als men dus voor basis van een nieuwen driehoek ééne zijde van dezen reeds bekenden driehoek neemt en men meet de aan die basis liggende hoeken, dan zal men op die wijze nieuwe driehoeken bepalen, welke driehoeksmeting kan worden voortgezet over de geheele lengte van den te meten meridiaanboog. Op die wijze verkrijgt men derhalve de lengte van alle rechte lijnen, die in dit net van driehoeken begrepen zijn, en door eenige trigonometrische berekeningen kan men dan gemakkelijk de lengte bepalen van den meridiaanboog, die dit net tusschen twee eindstations doorsnijdt.
Zooeven werd gezegd dat een driehoek volkomen bekend is, wanneer men eene zijde en twee hoeken kent; die hoeken kan men nauwkeurig met den theodoliet meten. Doch de eerste zijde (de basis van het geheele stelsel) moet eerst met buitengewone nauwkeurigheid op den grond zelven gemeten worden, en dit is de moeilijkste arbeid van de geheele bewerking.
Toen Delambre en Méchain in Frankrijk den meridiaan van Duinkerken naar Barcelona maten, namen zij als basis eene rechte lijn op den weg van Melun naar Lieusaint, departement Seine-et-Marne. Deze basis was 12150 M. lang en men had niet minder dan vijfenveertig dagen noodig om haar te meten. Welke maatregelen deze geleerden namen om eene wiskunstige nauwkeurigheid te verkrijgen, zal men zien uit de opmeting van kolonel Everest en van Mathieu Strux, die op dezelfde wijze te werk gingen als de beide Fransche sterrekundigen. Men zal zien tot hoeverre die nauwkeurigheid wel gaan moest.
Den 5en Maart begonnen de eerste werkzaamheden, tot groote verbazing der Boschjesmannen, die er niets van begrepen. Mokum dacht, toen hij die geleerden den grond zag meten met linialen van zes voet, die men met de uiteinden tegen elkander legde, dat het eene aardigheid was; hij had in allen gevalle zijn plicht vervuld; men had hem eene effene vlakte gevraagd en deze had hij verschaft.
De plek was inderdaad goed gekozen voor het meten van eene basis. De vlakte, die met kort droog gras bedekt was, strekte zich zoover het oog reikte waterpas uit. Zeker waren de opmeters op den weg van Melun niet zoo gelukkig geweest. Achter hen vertoonde zich eene rij heuvels, die de zuidgrens van de woestijn Kalahari vormden; noordwaarts had men de oneindige vlakte; in het oosten eindigden zacht glooiend de heuvels, die het plateau van Lattakou vormden. In het westen werd de vlakte lager en eenigszins moerassig, omdat de grond daar doorweekt werd door het stilstaand water, dat er uit zijtakjes van de Kuruman overliep.
»Mij dunkt, kolonel,” zeide Mathieu Strux, nadat hij de grasvlakte overzien had, »dat als we onze basis bepaald hebben, we hier het uiteinde van onzen meridiaan kunnen vaststellen.”

Zij gingen op den grond liggen. (Blz. 48.)
»Dat zou ik ook denken, mijnheer Strux,” antwoordde de kolonel, »als we de juiste lengte van dit punt bepaald hebben. Men moet toch, als men dezen boog op de kaart brengt, zeker zijn dat we bij het meten daarvan op geene onoverkomelijke zwarigheden stuiten, die de geodesische opname geheel konden verhinderen.”
»Ik geloof het niet,” zeide de Russische astronoom.
»Dat zullen wij zien,” was het antwoord. »Laat ons hier eerst eene basis meten, omdat de plek daarvoor zeer geschikt is, dan kunnen wij beslissen of wij die als grondslag zullen nemen voor onze triangulatie.”
Toen dit bepaald was, werd er besloten om zonder verwijl met het meten der basis te beginnen. Die arbeid zou lang duren, want de leden der Engelsch-Russische commissie wilden hunne taak met de uiterste nauwkeurigheid volbrengen. Men moest in juistheid de geodesische metingen overtreffen, die in Frankrijk op de basis van Melun gedaan waren, metingen, welke toch zóó nauwkeurig waren geweest dat eene nieuwe basis, die later bij Perpignan aan het zuidelijk uiteinde der triangulatie gemeten werd om de berekening van al de driehoeken na te gaan, op een afstand van 700 K. M. slechts een verschil aantoonde van elf centimeters tusschen de rechtstreeks verkregene en de berekende meting.
Er werd bevel gegeven om een kamp op te slaan en een soort van dorp van Boschjesmannen of kraal verrees in de vlakte. De wagens werden als wezenlijke huizen neêrgezet, en het kamp werd in een Engelsch en een Russisch kwartier verdeeld, waar boven de vlaggen der beide natiën wapperden. In het midden was een gemeenschappelijk plein; buiten de rij wagens graasden de paarden en buffels onder toezicht hunner geleiders, en ’s nachts liet men ze binnen de omheining drijven, om ze te beveiligen tegen de aanvallen der wilde dieren, die in de binnenlanden van zuidelijk Afrika in grooten getale gevonden worden.
Mokum nam op zich om door geregelde jachtpartijen in het levensonderhoud der karavaan te voorzien. John Murray, wiens tegenwoordigheid voor het meten der basis niet strikt noodzakelijk was, nam de zorg voor den leeftocht mede op zich. Het kwam er namelijk op aan om het ingemaakte vleesch te sparen, en der karavaan dagelijks eene proviand van versch wild te bezorgen. Dank zij de behendigheid van Mokum, die, door zijne makkers geholpen, geregeld ter jacht toog, ontbrak het nimmer aan wild. Vlakte en heuvels werden in een omtrek van verscheidene kilometers rondom de legerplaats afgejaagd en weêrklonken elk oogenblik van het knallen der geweerschoten.
Den 6en Maart begon de geodesische arbeid. De beide jongste geleerden werden met de voorloopige werkzaamheden belast.
»Komaan kameraad,” zei Michel Zorn opgeruimd tot zijn vriend Emery, »moge de God der nauwkeurigheid ons nu te hulp komen!”
Het eerste werk bestond daarin dat men op het meest platte en effen gedeelte van het terrein een rechte lijn moest trekken. De toestand en de vorm van den grond maakten het noodzakelijk deze lijn van het zuidoosten naar het noordwesten te trekken. Men verkreeg de rechte richting door paaltjes op korten afstand van elkander in den grond te slaan, die als bakenstokken moesten dienen. Michel Zorn ging met een kijker, waarop eene maat was aangegeven, na of zij goed stonden en zag dat zij nauwkeurig waren ingeslagen, bijaldien een der vertikale draadjes van de op het glas aangebrachte ruitvormige maat de elkander bedekkende paaltjes als ’t ware in twee gelijke deelen sneed.
Deze rechte richting werd op die wijze over eene lengte van ongeveer negen kilometers voortgezet, omdat de sterrekundigen aan hunne basis die lengte wilden geven. Elk paaltje was op den top voorzien van een vizier, dat het plaatsen van de metalen linialen gemakkelijker moest maken. Om dit werk met nauwkeurigheid uit te voeren waren eenige dagen noodig. De twee jongelieden volbrachten het met nauwgezette juistheid. Nu moest men de linialen met de einden tegen elkander aanleggen, dat diende om de basis van den eersten driehoek op te meten; dit werk schijnt misschien zeer eenvoudig, maar vereischt integendeel oneindig veel voorzorgen, want daarvan hangt voor een groot deel den goeden uitslag der triangulatie af.
Ziehier welke voorzorgen men nam om de bedoelde linialen te plaatsen, waarvan hieronder eene beschrijving zal gegeven worden. In den morgen van den 10en Maart werden er blokjes hout op den grond gelegd in de richting, die reeds bepaald was. Deze blokjes, ten getale van twaalf, rustten met het onderste gedeelte op drie ijzeren schroefjes, welke slechts een schroefdraad van enkele centimeters lengte hadden, waardoor zij verhinderd werden om te verloopen en door de sterke wrijving in denzelfden onveranderlijken toestand moesten blijven. Op die blokjes legde men wederom kleine stukjes hout, die de linialen moesten dragen en ze in kleine vorkjes vasthouden. Deze vorkjes bepaalden de richting zonder de uitzetting van het metaal te beletten, die volgens de luchtgesteldheid afwisselde, en bij de bewerking in rekening moest gebracht worden. Toen de twaalf blokken vastgemaakt en de stukjes hout er opgelegd waren, namen de kolonel en Mathieu Strux zelve het zoo fijne werk op zich om de linialen te plaatsen, waarbij zij evenwel door de beide jongelieden werden bijgestaan. Wat Nikolaas Palander aangaat, deze stond met het potlood in de hand gereed om op een dubbel register de cijfers op te teekenen, die hem zouden worden opgegeven.
De linialen waren zes in getal en van eene lengte, welke te voren met eene volkomen juistheid bepaald was. Zij waren met den ouden Franschen vadem vergeleken, omdat deze bij geodesische opmetingen algemeen was aangenomen.
De linialen waren twee vademen lang, zes millimeters breed en één millimeter dik. Om ze te vervaardigen had men gebruik gemaakt van platina, een metaal dat onder gewone omstandigheden aan de lucht blootgesteld niet verandert, en bij koude noch warmte roest. Maar die platina-linialen konden door den invloed der temperatuur uitzetten of inkrimpen, en dit moest men in rekening brengen. Men had derhalve verzonnen om elke liniaal van haar eigen thermometer te voorzien; bij het maken van deze metalen thermometers ging men uit van het beginsel dat de metalen door warmte zich ongelijkmatig uitzetten; daarom was elke liniaal nog met eene tweede van koper bedekt, die echter iets korter was. Aan het einde van de koperen liniaal was een nonius bevestigd om de betrekkelijke verlenging van deze liniaal nauwkeurig aan te wijzen, waaruit men de volstrekte verlenging der platina-liniaal berekenen kon. Bovendien waren de afwijkingen van den nonius zóó berekend, dat men eene uitzetting, hoe gering ook, van de platina-liniaal aanstonds kon uitcijferen. Men begrijpt dus met welk eene nauwkeurigheid men kon werken. Bovendien was de nonius voorzien van een mikroskoop waarmede men 4/100,000 van een vadem in rekening kon brengen.
Derhalve werden de linialen zoodanig op de houtblokjes gelegd dat de einden wel dicht bij elkander lagen, doch elkaâr niet aanraakten omdat men een stootje, hoe gering ook, vermijden moest. Kolonel Everest en Mathieu Strux plaatsten zelve de eerste liniaal op de blokjes in de richting der basis. Honderd vademen verder ongeveer had men op het eerste paaltje een vizier geplaatst, en daar de linialen aan de beide uiteinden voorzien waren van twee vertikale ijzeren puntjes was het gemakkelijk om ze in de juiste richting te leggen. Emery en Zorn gingen daarom achter het eerste paaltje op den grond liggen om te zien of de ijzeren puntjes wel in het midden van het vizier zichtbaar waren. Toen dit het geval was, kon men verzekerd zijn dat de liniaal in eene goede richting lag.
»En nu,” zeide de kolonel, »moeten wij zeer nauwkeurig bepalen van welk punt onze arbeid een aanvang neemt, door een paslood rakelings tegen het eene uiteinde der eerste liniaal te hangen. Geen berg zal aantrekkingskracht op het paslood uitoefenen, zooals geschiedde toen de nabijheid der Alpen de berekening der gemeten lengte tusschen Andrate en Mendovi in der tijd onzeker maakte. Hier zal het uiteinde van ons paslood op den grond juist het begin van de basis aanduiden.”
»Goed,” antwoordde Mathieu Strux, »mits wij de halve dikte van den draad bij het aanrakingspunt in rekening brengen.”
»Dat spreekt van zelf,” zeide de kolonel.
Toen het aanvangspunt aldus zeer nauwkeurig bepaald was, ging men verder. Maar het was niet genoeg dat de liniaal juist evenwijdig met de basis werd gelegd, men moest ook hare helling ten opzichte van den gezichteinder in rekening brengen.

Die jongelieden observeerden met groote juistheid. (Blz. 54.)
»Wij zullen toch wel niet zoo aanmatigend zijn om te denken,” merkte de kolonel op, »dat wij deze liniaal in eene volmaakt horizontale richting hebben geplaatst?”
»Neen,” antwoordde Mathieu Strux, »wij kunnen volstaan door met een waterpas den hoek te berekenen, dien zij met den gezichteinder maakt, en op die wijze zal ’t ons mogelijk zijn uit de gemeten lengte de ware lengte te berekenen.”
Toen de beide geleerden het eens waren, deed men deze waarneming door middel van een waterpas, dat bijzonder voor dit doel vervaardigd was en bestond uit eene alidade (vizierliniaal), die zich boven aan een houten winkelhaak om een scharnier bewegen kon. Een nonius toonde de helling aan door middel van de overeenkomst van zijne verdeeling met die van eene vaste liniaal, waarop een boog van tien graden bevestigd was, in afstanden van vijf minuten verdeeld.
Het waterpasinstrument werd op de liniaal vastgehecht en de berekening gemaakt. Op het oogenblik dat Nikolaas Palander deze volgens de opname der beide geleerden op zijn register zou opteekenen, wilde Mathieu Strux nog ten overvloede dat het waterpasinstrument zou worden omgekeerd, opdat men het verschil van de beide gradenbogen zou kunnen aflezen. Dit verschil was het dubbele van de gezochte helling en op deze wijze was de nauwkeurigheid van het werk nagerekend en bewezen. Sedert dien tijd werd bij al dergelijke berekeningen de raad van den Russischen astronoom gevolgd.
Op dit oogenblik waren twee belangrijke zaken bepaald, namelijk de richting der liniaal ten opzichte van de basis, en de hoek, welken zij met den gezichteinder maakte. De verkregen cijfers werden in twee verschillende registers opgeschreven en op zijde door al de leden der Engelsch-Russische commissie geteekend.
Nu bleven er nog twee niet minder belangrijke waarnemingen op te teekenen om den arbeid met betrekking tot de eerste liniaal te voltooien, eerstens de thermometrische afwijking, en vervolgens de nauwkeurige berekening van de door haar gemeten lengte.
Wat de thermometrische afwijking betreft, deze werd gemakkelijk aangewezen door het vergelijken van het verschil in lengte tusschen de linialen van platina en koper. Mikroskopische waarnemingen, beurtelings door Mathieu Strux en den kolonel gedaan, wezen het juiste cijfer aan van de afwijking der platina-liniaal, eene afwijking, die op het dubbele register werd geboekt om haar later tot eene temperatuur van 16° C. te herleiden. Toen Nikolaas Palander de cijfers had opgeschreven, werden zij onmiddellijk door allen vergeleken.
Toen moest men de wezenlijk gemeten lengte opteekenen. Om hiertoe te geraken was het noodzakelijk om de tweede liniaal aan het uiteinde van de eerste op de blokjes te plaatsen, met dien verstande evenwel dat er eene kleine ruimte tusschen de beide uiteinden overbleef. Deze tweede liniaal werd op dezelfde wijze als de eerste neêrgelegd, nadat men eerst zeer nauwkeurig had nagegaan of de vier ijzeren puntjes wel allen in het midden van het vizier zichtbaar waren. Nu behoefde men alleen nog maar de ruimte tusschen de beide linialen te weten. Aan het uiteinde der eerste en op dat gedeelte, hetwelk door de koperen liniaal niet bedekt werd, bewoog zich een zeer klein tongetje van platina tusschen twee spijltjes. De kolonel gaf aan dit tongetje een stootje, zóó dat het de tweede liniaal aanraakte; aangezien het in tienduizendste deelen van een vadem verdeeld was, en een nonius op de spijltjes aangebracht en van een mikroskoop voorzien honderdduizendsten van een vadem aanwees, kon men met wiskunstige zekerheid de tusschenruimte berekenen, die met opzet tusschen de beide linialen was opengelaten. Aanstonds werd het cijfer op het dubbel register overgebracht en nagerekend.
Op raad van Zorn nam men bovendien eene andere voorzorg om nog nauwkeuriger berekening te verkrijgen. De koperen liniaal bedekte die van platina; het kon dus gebeuren dat door den invloed der zonnestralen, het daarvoor beschutte platina langzamer verwarmd werd dan het koper. Om dit verschil in thermometrische afwijkingen te voorkomen, bedekte men de linialen met een klein dakje van eenige centimeters hoog, zoodat het de waarnemingen niet kon hinderen. Bovendien, wanneer des avonds en des morgens de zonnestralen in schuine richting vielen en onder het dakje door de linialen konden beschijnen, spande men een stuk doek aan de zijde, waar de zon stond, om op die wijze ook dan de werking der zonnestralen te vernietigen.
Met zooveel geduld en zooveel nauwkeurigheid werd dit werk gedurende meer dan eene maand voortgezet. Toen de vier linialen achtereenvolgens gesteld en nagegaan waren met het oog op de richting, de helling, de uitzetting en de juiste lengte, begon men dien arbeid op dezelfde regelmatige wijze van voren af aan door paaltjes, blokjes en de eerste liniaal achter de vierde liniaal op te stellen en neêr te leggen. Dit werk kostte veel tijd niettegenstaande de handigheid der arbeiders. Zij konden niet meer dan 220 tot 230 vademen daags meten, en zelfs moest men nog den arbeid staken als het weder ongunstig was en het bij voorbeeld sterk woei, waardoor de werktuigen niet meer onbeweeglijk stonden.
Als de avond begon te vallen, ongeveer drie kwartier vóór dat de duisternis belette van den nonius af te lezen, staakten de geleerden hun arbeid en namen de volgende voorzorgsmaatregelen om den volgenden morgen weder te kunnen beginnen. De eerste liniaal, die met No. 1 was gemerkt, werd voorloopig nedergelegd, en men teekende op den grond de plaats aan waar zij met het uiteinde lag; daar maakte men dan een gaatje, waarin een paaltje werd geslagen, waarop men een looden plaatje had vastgemaakt. Dan legde men de eerste liniaal weder in de bepaalde richting, na de helling, de thermometrische afwijkingen en de richting te hebben waargenomen; men teekende de verlenging op, die men door de liniaal No. 4 had gemeten; daarna maakte men door middel van een looden draadje, dat rakelings tegen het uiteinde van de eerste liniaal hing, een teeken op de looden plaat van het paaltje. Op dat punt werden zeer nauwkeurig twee lijnen getrokken, welke elkander onder rechte hoeken sneden, de eene evenwijdig met de loodlijn. Daarna werd de looden plaat met een houten dakje overdekt, het gat toegemaakt en de paal tot den volgenden morgen onder gegraven. Op die wijze kon eenig ongeval de werktuigen ’s nachts verstoren, zonder dat het noodig was om het geheele werk van voren af aan te beginnen.
Den volgenden dag werd de plaat bloot gemaakt, en men plaatste de eerste liniaal weder in dezelfde richting als den vorigen dag door middel van den looden draad, waarvan het uiteinde juist vallen moest op het puntje waar de beide op de plaat getrokken lijnen elkander sneden.
Zoodanig was de arbeid, die gedurende achtendertig dagen op deze zoo gunstig gelegen vlakte verricht werd. Al de cijfers werden in de dubbele registers geboekt, nagezien, vergeleken, en door alle leden der commissie goedgekeurd. Tusschen den kolonel en zijn Russischen ambtgenoot had er weinig verschil plaats. Eenige cijfers die men van den nonius aflas, en die zelfs 4/100,000 van een vadem aanwezen, gaven soms aanleiding tot eene wisseling van beleefde doch scherpe bewoordingen; maar wanneer de meerderheid geroepen werd om uitspraak te doen, dan gold dit als wet, en alles moest daarvoor buigen.
Een enkel punt wekte bij de beide tegenstanders meer dan levendige woorden op, waardoor de tusschenkomst van John Murray noodzakelijk werd. Het was de vraag welke lengte men aan de basis van den eersten driehoek geven zou. Zeker is het, dat, hoe langer deze basis zijn zou, de tophoek van den eersten driehoek gemakkelijker te meten zou zijn, omdat hij minder scherp was.
Echter kon die basis niet oneindig lang zijn. Kolonel Everest stelde eene basis van 6000 vademen voor, omdat dit bijna de lengte was van de basis op den weg van Melun. Mathieu Strux wilde die maat tot op 10000 vademen verlengen, omdat het terrein er zoo geschikt voor was. Kolonel Everest was op dit punt onhandelbaar; Mathieu Strux scheen vast besloten te hebben niet toe te geven. Na meer of minder goede bewijsgronden kwam het tot persoonlijkheden. Een oogenblik zelfs scheen de nationale eer in het spel te komen. Het waren niet meer twee geleerden, maar een Engelschman en een Rus, die tegenover elkander stonden. Gelukkig eindigde die twist door het slechte weer, dat eenige dagen duurde; men werd kalmer en er werd besloten, dat er eene basis van ongeveer achtduizend vademen zou gemeten worden, waardoor het verschil gedeeld werd.

Nu maten de astronomen den hoek. (Blz. 56.)
Om kort te gaan, de arbeid werd met eene uiterste nauwkeurigheid tot een goed einde gebracht. De wiskundige juistheid moest later worden nagegaan als men aan het noordelijk uiteinde van den meridiaan eene nieuwe basis meten ging.
De onmiddellijk gemeten basis gaf als resultaat 8037.75 vademen, en daarop zou nu de gansche rij driehoeken steunen, welker net zuidelijk Afrika over een lengte van verscheidene graden moest bedekken.
VIII.
De vierentwintigste meridiaan.
Inhoudsopgave
Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den 6den Maart begonnen, was het den 13den April geëindigd. Zonder een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog, en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden het gemeten deel van den meridiaan lang was. Sedert den 14den April werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats te bepalen. Toen het meten van de basis geëindigd was, hadden William Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan, dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.
Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen, waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Men begrijpt toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56′.
Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen, moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet op hinderpalen stuiten.
Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan 25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25sten meridiaan trok in 1849 Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet; het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden, zooals Boschjesmannen en Bakalahari’s. Doch gedurende het grootste gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa’s stilstaand water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.
Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden meten zou.
Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden, waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen te verbinden?
Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was de 24ste ten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal, en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn wilde verbinden.
Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op den 24sten meridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok, het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.
Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische commissie bezat vier cirkels van Borda (repetitiecirkel); twee moesten voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen stand geplaatst waren, kon men door middel van kunstmatige horizons zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte, welke gelijk was aan de breedte van elk station.

Groote vuren bleven den ganschen nacht branden. (Blz. 58.)
Den 14den April begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van de basis met denzelfden boom maakte.
In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van instrumenten, trokken met de waarnemers mede.
Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.
Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansonia of baobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.
Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen, terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.
Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena’s en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had, door van het eerste naar het tweede station over te gaan.
IX.
Een kraal.
Inhoudsopgave
Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief, het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende eene maand zonder verhindering voort. Den 15den Mei waren de astronomen een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.
Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel, ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden, doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.
Nu de waarnemers den 15den Mei, zooals reeds gezegd is, zich op een graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaan bevonden, waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35 kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.
De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal woningen, die vele honderden inwoners bevatten.
De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde, ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten, zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.
Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten; omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten beschermd tegen de wilde dieren.
Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig, toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de karavaan konden er overvloedig voedsel vinden, zonder de kraalbewoners eenig nadeel toe te brengen.

Het was een woud van hooge acacia’s. (Blz. 63.)
Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman op de gewone wijze ingericht. De wagens werden in een kring geplaatst en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.
De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast elkander onder voortdurende gesprekken.
»Ik hoop, vriend Mokum,” zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn wil ik.....”
»Eén uur!” antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af, dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen, hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren, allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd niet verloren te hebben.”
»Zeer goed, mijn vriend,” antwoordde John Murray, »ik zal zooveel geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!”
»Daar denk ik wel aan,” antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is goed voor zulke haastige jagers.”
»Antilope of gazelle!” riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?” De jager keek zijn makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen op spottenden toon: »Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen; ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns of een paar olifanten hadt geschoten?”....
»Jager,” antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan, vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!”
De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden, welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa’s met groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen, welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was een woud van hooge acacia’s, dat zich over eene uitgebreidheid van verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander, zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en daar waren er open plekken in ’t midden van het woud, waar de jagers telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.
Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was: te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft, deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht, doch een haastige tocht door het bosch.
Tegen tien uren ’s avonds moest men er aan denken om naar de legerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten te vergeefs rond.
»Ik heb hem toch geraakt!” riep John Murray.
»Maar al te goed!” antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn als men er een stukje van terug vond!”
En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman, die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.
Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden: »Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!”

Dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde. (Blz. 68.)
Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van de legerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin, en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopen dan zijne vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.
Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming, Baldwin, en andere reizigers, en ’t is dan ook een van de schoonste voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.
Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.
»Mijnheer,” zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag op deze plek op de loer wilt gaan liggen, dan zou ik u aanraden uwe buks niet te vergeten.”
»Waarom zegt ge dit, Mokum?” vroeg John Murray.
»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?”
»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem in omtrek!”
»Dat bewijst alleen,” antwoordde de Boschjesman, »dat het dier, dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is.”
»Een olifant!” riep Murray uit.
»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen mannetje.”
»Morgen dus, Boschjesman.”
»Morgen, mijnheer.”
De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen, die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige Mathieu Strux, die op het punt van dieren slechts den Grooten Beer, den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.
Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.
Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu, is die naar uw zin?”
John knikte toestemmend.
»Welaan dan,” voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest van den troep scheiden.”
Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras; hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op, om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.
Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan het woordje »blijf!” en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch om het mannetje den terugtocht af te snijden. Overigens trachtte het prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende op hem aan.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.