Kitabı oku: «Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'»

Yazı tipi:

Jules Verne

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty'


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311247

Inhoudsopgave

Wonderreizen.

Jules Verne.

Wonderlijke Avonturen van een Chinees.

Gevolgd door

Muiterij aan boord der “Bounty”.

Rotterdam.—Jac s . G. Robbers.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

XVII.

XVIII.

XIX.

XX.

XXI.

XXII.

MUITERIJ AAN BOORD DER “BOUNTY.”

I.

II

De verlatenen.

III.

De oproerlingen.

Wonderreizen.

Inhoudsopgave

Jules Verne.

Inhoudsopgave

Wonderlijke Avonturen van een Chinees.

Inhoudsopgave

Gevolgd door

Inhoudsopgave

Muiterij aan boord der “Bounty”.

Inhoudsopgave


Rotterdam.—Jacs. G. Robbers.

Inhoudsopgave

Gedrukt bij G. J. Thieme te Arnhem.

I.

Inhoudsopgave

Men maakt kennis met de personen èn wat hun karakter èn wat hunne nationaliteit aangaat.

»Je zult me moeten toestemmen dat het leven zijn genoeglijke zijde heeft!” riep een der gasten, zoo gemakkelijk mogelijk in zijn zetel met marmeren rugleuning uitgestrekt, terwijl hij op een gekonfijten wortel van een waterlelie knabbelde.

»Maar zijn slechte ook!” antwoordde een ander, tusschen een paar hoestbuien in, terwijl hij gevaar liep van te stikken in een graatje van een haaivin, dat hij pas in den mond had gestoken.

»Laat ons de zaak van een wijsgeerig standpunt beschouwen!” sprak daarop een derde, die iets ouder was en op wiens neus een bril met groote glazen in houtjes gevat, prijkte. »Heden loopt men gevaar te stikken en morgen vindt alles even gemakkelijk zijn weg als de teugjes van dezen geurigen nectar! Zoo is het leven!”

En nadat hij dit had gezegd leegde onze epicurist, zoo kalm mogelijk, zijn glas met een zacht verwarmden wijn, waarvan de heerlijke geur uit een zilveren ketel opsteeg.

»Wat mij betreft,” hernam de vierde dischgenoot, »het leven schijnt me zeer aannemelijk toe zoo lang men niets te doen heeft en zoolang men de middelen bezit om niets te doen.”

»Mis!” antwoordde de vijfde. »Het geluk is gelegen in studie en bezigheid. Alleen door te trachten zich de meest mogelijke kundigheden te verschaffen, kan men gelukkig worden!”...

»Om dan ten slotte nog te bespeuren dat men niets weet!”

»Is dat niet het begin van alle wijsheid?”

»En waar is het einde er van?”

»De wijsheid heeft geen einde!” antwoordde de gebrilde. »Gezond verstand is alles wat men wenschen kan!”

Nu wendde zich de eerste spreker tot den gastheer, die de eereplaats, dat wil zeggen, de slechtste plaats—zoo wil het nu eenmaal de etiquette—aan tafel had ingenomen. Min of meer verstrooid had hij zonder iets te zeggen deze redeneering inter pocula aangehoord.

»Komaan! hoe denkt onze gastheer over deze quaestie? Acht hij het leven de moeite waard of niet? Is hij voor of tegen?”

De gastheer beet op onverschillige wijze eenige meloenpitten stuk; hij stak met een air van minachting de lippen vooruit als iemand wien niets belang inboezemt en alles wat men hoorde was:

»Poeh!”

Dat is bij uitnemendheid het woord der onverschilligen. Het hoort in alle talen te huis en het moest in alle woordenboeken gevonden worden. Ieder verstaat het.

De vijf gasten trachtten ieder voor zich hunne stelling te verdedigen en drongen nader bij den gastheer aan om zijne meening te doen kennen. Hij poogde zich er eerst van af te maken, maar moest eindigen met te zeggen hoe hij er over dacht. Volgens hem was het leven noch goed noch slecht. Het was naar zijn oordeel een »uitvinding,” die niet veel beteekende en over ’t geheel weinig verkwikkelijks had!

»Daar heb je onzen vriend!”

»Hoe is het mogelijk, dat hij zich aldus uitlaat, iemand die nog nooit den minsten tegenspoed heeft gehad!”

»En nog zoo jong!”

»Jong en gezond!”

»Gezond en rijk!”

»Zeer rijk!”

»Meer dan dat!”

»Misschien te rijk!”

Het was een kruisvuur van opmerkingen, maar zij vermochten zelfs geen glimlach te brengen op het onbeweeglijke gelaat van den gastheer. Hij had zich vergenoegd met even de schouders op te trekken als iemand die nooit, zelfs geen uur lang, zijn eigen levensboek had bestudeerd, die er zelfs de eerste bladzijden niet van had opengesneden!

En toch, die onverschillige telde ten hoogste een en dertig jaar, hij was zeer gezond, had veel geld, was goed ontwikkeld, geestig, kortom hij bezat alles, wat aan zoovelen ontbreekt, om zich onder de gelukkigste menschen ter wereld te rekenen! Waarom behoorde hij er niet toe?

Waarom?

De ernstige stem van den philosoof deed zich nogmaals hooren en hij sprak op een toon, welke aan dien van den aanvoerder van het koor der ouden herinnerde.

»Beste vriend, dat ge u hier beneden niet gelukkig gevoelt, is alleen daaraan te wijten, dat je geluk tot nog toe negatief is geweest. Het is met het geluk gesteld als met de gezondheid; om ze te genieten, moet men er nu en dan van beroofd worden. Je bent nooit ziek geweest.... met andere woorden, je bent nooit ongelukkig geweest! Dit ontbreekt aan je leven. Niemand kan het geluk waardeeren, als hem nooit een ongeluk heeft getroffen, al ware dit slechts één oogenblik het geval geweest!”

En na deze wijsgeerige opmerking zette de philosoof zijn glas met heerlijke champagne aan de lippen:

»Ik wensch onzen gastheer een weinig schaduw op zijn levensbaan toe!” sprak hij, en ledigde het glas in een teug.

De gastheer knikte en verzonk weder in zijn gewone apathie.

Waar werd dit gesprek gehouden? In een of ander restaurant te Parijs, Londen, Weenen of Petersburg? Waren de zes gasten in de oude of de nieuwe wereld? Wie waren het, die aan het dessert in de meest kalme gemoedsstemming, zonder dronken te zijn, over zulke zaken spraken?

In geen geval waren het Franschen, want zij lieten de politiek rusten!

De zes heeren zaten aan tafel in een middelmatig groot salon, dat zeer weelderig gemeubeld was. Door het netwerk der blauwe of oranjekleurige glasruiten vielen op dit uur de stralen der ondergaande zon. Daar buiten speelde de avondwind met de guirlandes van natuurlijke of nagemaakte bloemen, die tusschen de vensters hingen en waar eenige veelkleurige lampions reeds hun bleek licht met dat van den wegstervenden dag begonnen te mengen. Boven de vensters zag men kunstig uitgesneden arabesken en rijk beeldhouwwerk, dat hemelsche of aardsche schoonheden voorstelde en dieren of planten, die alleen in het rijk der fantasie thuis behoorden.

Langs de wanden der zaal, die met zijden kleeden behangen waren, prijkten groote spiegels met dubbele, schuin geslepen randen. Aan de zoldering hield een »punka” door de onophoudelijke beweging der fijn beschilderde linnen vleugels of wieken de atmosfeer der zaal heerlijk koel.

De tafel was een groot vierkant van fraai zwart verlakt. Er lag geen tafellaken op en de oppervlakte kaatste de vele stukken zilver en porcelein terug als helder kristal. Er waren evenmin servetten, doch vierkante stukjes zacht papier, met allerlei zinnebeelden versierd, lagen in voldoende hoeveelheid onder het bereik van elk der aanzittenden. Om de tafel stonden stoelen met marmeren ruggen, in die luchtstreek verre te verkiezen boven de bekleede rugleuningen van een modern ameublement.

Wat de bediening aangaat, deze geschiedde door zeer lieve jonge meisjes wier zwarte haren met leliën en goudsbloemen doorvlochten en wier armen met gouden of gitten braceletten waren versierd. Vroolijk en glimlachend bedienden zij met één hand, terwijl zij in de andere zeer bevallig een waaier droegen, om den luchtstroom, die door de punka aan het plafond ontstaan was, nog wat aan te wakkeren voor den persoon dien zij bedienden.

De maaltijd had niets te wenschen overgelaten. Wat was er dan ook beters te bedenken dan deze zindelijke en tevens wetenschappelijke keuken? De kok, wetende dat hij met kenners te doen had, had zichzelf overtroffen bij het bereiden der honderd en vijftig gerechten waaruit het menu van dit diner bestond.

Eerst, als het ware tot inleiding, waren suikergebakjes voorgediend en kaviaar, gebraden sprinkhanen, gedroogde vruchten en oesters van Ning-Po. Daarop volgden, kort na elkander, gebakken eenden-, duiven- en kievitseieren, zwaluwnestjes met geklutste eieren, fricassées van »gingseng,” gekonfijte kieuwen van steur, walvischzenuw met zoete saus, zoetwater-kikvorschen, ragout van kreeften, musschen-magen en schapen-oogen met uien gestoofd, bamboespruitjes met jus, een gesuikerde sla van jonge radijsjes, ananas van Singapore, suikeramandelen, amandelen in het zout, saprijke mango, witte vruchten van »long-yen,” enz.” terwijl waterkastanjes en gekonfijte oranje-appelen uit Canton het laatste gerecht vormden van een maal dat drie uur duurde en dat rijkelijk met bier, champagne en chao-chigne-wijn besproeid was, terwijl de onvermijdelijke rijst, die de gasten met kleine stokjes aan den mond brachten, het plichtmatig als dessert bekroonde.

Toen kwam het oogenblik dat de jeugdige dienaressen binnenkwamen, niet met de gekleurde kommen die in Europa een welriekende vloeistof bevatten en waarin men even de vingers doopt, doch met in warm water gedoopte servetten, waarmede ieder der gasten met zichtbaar welbehagen zijn gelaat afveegde.

Het was slechts een pauze onder den maaltijd, een uur van far niente dat door muziek aangevuld zou worden.

Daar kwam reeds een aantal zangeressen en muzikanten het salon binnen. De zangeressen waren jong en bevallig, eenvoudig en zedig gekleed. Maar welke muziek en welke methode! Gemauw en gekakel, zonder maat en zonder harmonie, die zich uitte in vele doordringende hooge tonen die het gehoor bijna verscheurden! Wat de instrumenten betreft, violen waarvan de snaren zich verwarden in het haar van den strijkstok, gitaren met slangenvel belegd, krijschende clarinetten, harmonica’s die veel op kleine piano’s geleken, en het geluid dat dit orkest voortbracht, was geheel in overeenstemming met het gezang dat met groot geraas begeleid werd.

De directeur had, toen hij binnenkwam, aan den gastheer het programma van zijn repertoire aangeboden. Deze gaf hem met een gebaar te kennen, dat hij de keus der stukken aan hemzelf overliet en daarop speelden de muzikanten het Bouquet van tien bloemen, een stuk dat zeer in de mode was en waarmede de groote wereld dweepte.

De zangeressen en de muziek, vooraf goed betaald, verwijderden zich daarop, niet zonder levendig toegejuicht te zijn en zeker dat men ook in de naburige zalen hulde aan hare talenten zou brengen.


»Beste vriend,” zei hij. Bladz. 2.

Nu verlieten de zes heeren hunne zetels, maar alleen om van de eene tafel naar eene andere over te gaan, hetgeen niet zonder tal van plichtplegingen en ceremoniën van allerlei aard geschiedde.

Op deze tweede tafel vond ieder een kopje met deksel, prijkende met het afbeeldsel van Bôdhidharama, den beroemden boudhistenmonnik, op zijn traditioneel vlot staande. Ieder kreeg voorts een schepje thee, dat hij liet trekken in het kokende water, ’t welk de kopjes bevatte, en dat hij bijna terstond daarop, zonder suiker, opdronk.

Welk een thee! Men behoefde niet bang te zijn dat de firma Gibb-Gibb en Co., die haar geleverd had, ze vervalscht zou hebben met vreemde bladeren, of dat zij reeds éen keer afgetrokken geweest was en dus eigenlijk nog slechts dienen kon bij het schuieren van tapijten, of dat een knoeier ze geel gekleurd had met curcuma of groen met Pruisisch blauw. Dit was onvervalschte keizersthee! Het waren de kostbare blaadjes, welke op de bloem zelf gelijken, die blaadjes van den eersten oogst in Maart, die zoo zelden geplukt worden, omdat de dood van den boom er op volgt, die blaadjes welke alleen door kinderhanden, en dan nog slechts met handschoenen aan, geoogst worden!

Een Europeaan zou geen lof genoeg over gehad hebben voor dezen godendrank, dien de zes heeren met kleine teugjes genoten, zonder echter andere teekenen van goedkeuring te geven,—als kenners die er aan gewoon zijn. Zij behoefden dan ook de heerlijkheid van dit kostbare vocht niet meer te leeren waardeeren. Tot den gegoeden stand behoorende, rijk gekleed met den »han-chaol”, een licht hemd, den »ma-coual”, een kort overkleed, den »haol”, een lang kleed dat op zijde wordt dichtgeknoopt; met fijne kousen en gele pantoffels aan de voeten, met een wijden broek van zijde, die door een sjerp met kwasten om het midden bevestigd was, terwijl een fijn geborduurde lap de borst bedekte en een waaier aan hun ceintuur hing,—waren de zes personen die te zamen het middagmaal gebruikten allen zoons van dat land waar de thee eens per jaar zijn geurigen oogst oplevert. De maaltijd, waarop zwaluwnestjes, wormachtige straaldieren, walvischzenuw, haaienvinnen geprijkt hadden, was smakelijk door hen verorberd, zooals de keurig toebereide spijzen verdienden, maar het menu, dat een Europeaan zou verbaasd hebben doen staan, was voor hen niets bijzonders.

Maar wat ook hen verbaasde, dat was de mededeeling die de gastheer hun deed op het oogenblik dat zij de tafel zouden verlaten. Zij vernamen toen eerst waarom hij hen juist heden bij zich had genoodigd.

De kopjes waren weder gevuld. Toen hij op het punt stond het zijne voor de laatste maal te ledigen, sprak de gastheer met dezelfde onverschilligheid die wij reeds vroeger bij hem opmerkten en terwijl zijne dogen in de ruimten staarden:

»Vrienden, hoort mij zonder lachen aan. Mijn lot is beslist. Ik zal een nieuw element in mijn bestaan brengen, waardoor de eentonigheid er misschien wat uit zal verdwijnen! Zal het goed of slecht afloopen? de toekomst zal het leeren. Deze maaltijd, waaraan ik u noodigde, is het afscheidsmaal van mijn jongeheeren-leven. Over veertien dagen ben ik gehuwd, en...”

»Je zult de gelukkigste aller stervelingen worden”, riep de optimist uit. »Zie slechts, alle voorteekens zijn u gunstig.”

En werkelijk, bij het bleeke schijnsel der lampions zag men op de arabesken buiten de vensters eksters rondhuppelen en dreven de kleine blaadjes der thee rechtop in de kopjes. Dat waren gelukkige voorteekens, waartegen niemand iets kon inbrengen!

Men wenschte dan ook den gastheer van alle kanten geluk, doch hij bleef daar zoo koel mogelijk onder. En, daar hij den naam niet genoemd had van haar die hij als het »nieuwe element” in zijn bestaan uitgekozen had, was ook niemand onbescheiden genoeg er naar te vragen.

De philosoof had evenwel zijn stem niet gemengd in het koor van hen, die den gastheer geluk wenschten met zijn aanstaand huwelijk. Met de armen over elkander, de oogen half gesloten en een ironisch lachje om de lippen, scheen noch de houding der gasten, noch die van den gastheer hem volkomen te bevredigen.

Laatstgemelde stond daarna op, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met een stem, waaruit minder onverschilligheid sprak dan gewoonlijk:

»Ben ik dan te oud om te trouwen?”

»Wel neen.”

»Te jong?”

»Ook niet.”

»Vindt je dat ik ongelijk heb?”

»’t Kan zijn!”

»Zij, die ik gekozen heb en die je wel kent, bezit alles wat noodig is om mij gelukkig te maken.”

»Dat weet ik.”

»Welnu dan?”

»Je zelf hebt niet alles wat noodig is om het te zijn! Zich alleen te vervelen in de wereld is erg genoeg, maar zich samen te vervelen is nog erger!”

»Zal ik dan nooit gelukkig worden?”

»Nooit zoolang je geen kennis hebt gemaakt met het ongeluk.”

»Het ongeluk kan mij niet bereiken!”

»Zooveel te erger, dan is je kwaal ongeneeslijk!”

»O die philosofen!” riep daarop de jongste der gasten uit. »Men moest eigenlijk niet naar ze luisteren. ’t Zijn theorieën-fabrikanten. Ze hebben ze van allerlei aard, maar in ’t gebruik voldoen ze slecht. Trouw maar, mijn vriend, trouw maar; ik deed het zelf ook, als ik geen gelofte gedaan had om het nooit te doen! Trouw maar en, zooals onze dichters zeggen, mogen de beide feniksen u altijd verschijnen in innige vereeniging. Vrienden, ik drink op het geluk van onzen gastheer!”

»En ik,” antwoordde de philosoof, »ik drink op de tusschenkomst van een of andere beschermende godheid, die, om hem gelukkig te maken, hem eerst eens door de school van het ongeluk voert!”

Op deze wel wat zonderlingen toost stonden de aanzittenden op, brachten de vuisten bij elkander zooals boksers dat in het vuur van den strijd zouden doen, en na ze eenige malen met gebogen hoofd omhoog en omlaag gebracht te hebben, namen zij afscheid van elkander.

Aan de beschrijving van het salon waarin het diner gegeven werd, aan het niet-alledaagsche menu waaruit het bestond, aan de kleeding der gasten, aan hunne uitdrukkingen, misschien ook aan het vreemde hunner theorieën, heeft de lezer reeds opgemerkt dat wij hier met Chineezen te doen hebben; niet met die zonen van het Hemelsche rijk die uit het lakwerk schijnen ontsnapt of van een porceleinen vaas afgestapt te zijn, maar van die moderne bewoners van het Hemelsche Rijk, die reeds »geëuropaniseerd” zijn door hunne studiën, hunne reizen en door de andere wijzen waarop zij met de beschaafde volken van het westen in aanraking gekomen zijn.

Het was dan ook in het salon van een der bloemenschepen op de Paarlen-rivier te Canton, dat de rijke Kin-Fo, vergezeld van zijn onafscheidelijken gezel Wang, den philosoof, een feestmaal gegeven had aan de vier beste vrienden zijner jeugd: Pao Shen, een mandarijn vierde klasse met den blauwen knoop; Yin Pang, een rijk zijdehandelaar uit de Apothekersstraat; Tim, den onverbeterlijke bon-vivant, en Houal, den letterkundige.

Het maal werd gegeven op den 27n dag der 4e maan, gedurende de eerste der vijf »Waken”, waarin de uren van den Chineeschen nacht zoo dichterlijk verdeeld worden.

II.

Inhoudsopgave

Waarin Kin-Fo en de philosoof Wang nog wat duidelijker worden geschetst.

Dat Kin-Fo het afscheidsdiner aan zijne vrienden te Kanton had gegeven, vond zijn reden in de omstandigheid dat hij in deze hoofdstad van de provincie Kouang-Tong een deel van zijne jongelingsjaren had doorgebracht. Van de vele vrienden, die een rijk en mild persoon altijd bezit, waren de vier die aan het feest op het bloemenschip hadden deelgenomen, de eenige die hem uit dit tijdperk van zijn leven waren overgebleven. Te vergeefs had hij getracht de overige, die naar alle vier hoeken van den wind waren verstoven, bijeen te verzamelen.


Kin-Fo.

Kin-Fo woonde te Shang-Haï en hij had eenige dagen te Kanton vertoefd, eigenlijk alleen om zich eens op een andere plaats te vervelen. Maar dienzelfden avond moest hij weer vertrekken met de stoomboot die de verschillende hoofdpunten der kust aandoet, en kalm naar zijne huisgoden terugkeeren.

Wang had Kin-Fo vergezeld, omdat de philosoof zijn leerling nooit verliet, wien de lessen dientengevolge niet ontbraken. Om de waarheid te zeggen sloeg deze er in het geheel geen acht op. ’t Was boter aan de galg; maar de »theorieën-fabrikant”—zooals onze bon-vivant Tim hem genoemd had—hield niet op met steeds wijze spreuken en deugdelijke grondbeginselen te verkondigen.

Kin-Fo was de type van de Chineezen uit het noorden, waarvan het ras dreigt te verdwijnen en die zich nooit met de Tartaren hebben vereenigd. Men ontmoet ze niet in de zuidelijke provinciën, waar de hoogere en lagere klassen zich nauw met het Mantsjoerisch ras hebben vermengd. Kin-Fo had, noch van vaders- noch van moederszijde, wier familiën zich, sedert de overheersching hadden afgezonderd, een droppel Tartaarsch bloed in de aderen. Groot, goed gebouwd, meer blank dan geel, de wenkbrauwen in de rechte lijn, de oogen horizontaal en zich nauwelijks naar de slapen verheffende, rechte neus en goed rondgevormd gelaat, zou hij zelfs onder de schoonste exemplaren van de bevolking van het westen gerangschikt zijn geworden.

En waarlijk, dat Kin-Fo Chinees was, toonde alleen zijn zorgvuldig geschoren schedel, zijn voorhoofd en nek zonder één haartje, zijn prachtige staart die, hoog aan den schedel beginnende, als een zwarte slang over zijn rug kronkelde. Hij was keurig op zijn persoon, droeg een fijnen knevel, die een halven cirkel rondom zijn bovenlip vormde en een sik die volkomen op een point-d’orgue bij muziekschrift geleek. Zijne met de meeste zorg onderhouden nagels waren meer dan een centimeter lang en toonden dat hij tot die lieden behoorde welke niet behoeven te werken om den kost te verdienen. Ook voegde zijn nonchalante gang, zijne hooghartige houding nog iets bij het »comme il faut” dat uit geheel zijn voorkomen sprak.

Bovendien was Kin-Fo te Peking geboren, een voorrecht waarop de Chineezen zeer trotsch zijn. Hij kon met recht zeggen: »Ik kom van de Hoogte!”

Zijn vader Tchoung-Héou woonde te Peking, toen Kin-Fo geboren werd en eerst toen de knaap zes jaar was, trok zijn vader naar Shang-Haï.

Deze waardige Chinees, uit een der eerste familiën uit ’t noorden van ’t rijk gesproten, bezat, evenals vele zijne landgenooten, een bijzonderen aanleg voor den handel. Gedurende de eerste jaren van zijn loopbaan was alles, wat het dicht bevolkte rijke grondgebied opleverde: papier van Swatow, zijden stoffen van Sou-Tchéou, kandij van Formosa, thee van Hankow en Foochow, ijzer van Honan, rood of geel koper uit de provincie Yunanne, alles was voor hem een voorwerp van handel. De eigenlijke zetel van zijn zaak, zijn »hong”, was te Shang-Haï, maar hij had ook kantoren te Nan-King, te Tien-Tsin, te Macao, te Hong-Kong. Hij was druk betrokken in het verkeer met Europa en het waren Engelsche booten, die zijne koopwaren vervoerden, het was de telegrafische kabel, die hem den koers der zijde te Lyon en van het opium te Calcutta bracht. Hij maakte gretig gebruik van de elementen van den vooruitgang, stoom en electriciteit, in tegenstelling met de meeste Chineezen, die te veel onder den invloed zijn van mandarijnen en van de regeering, wier invloed door de vorderingen van den vooruitgang langzamerhand vermindert.

Kortom, Tchoung Héou ging met zooveel beleid te werk, zoowel bij zijn handel in het binnenland als bij zijne betrekking met Portugeesche, Fransche, Engelsche of Amerikaansche huizen te Shang-Haï, Macao en Hong-Kong, dat hij op ’t oogenblik, toen Kin-Fo ter wereld kwam, reeds over een vermogen van viermaal honderd duizend dollars kon beschikken.

Gedurende de jaren, die na de geboorte van Kin-Fo verliepen, namen de winsten in de zaak van Tchoung Héou nog steeds toe, dank zij een nieuwe soort van handel, dien men »den koelie-handel met de Nieuwe wereld” zou kunnen noemen.

Het is bekend, dat er overbevolking in China bestaat en het aantal bewoners niet in verhouding is tot de uitgestrektheid van het groote gebied, dat de dichterlijke namen draagt van het Hemelsche Rijk, Rijk van het Midden en Bloemenrijk. Het telt niet minder dan drie honderd zestig millioen bewoners. Dit is bijna het derde gedeelte van de bevolking der geheele aarde. Nu eet een arme Chinees wel niet veel, maar hij eet toch, en China is niet in staat, niettegenstaande zijn rijkdom aan rijstvelden en zijn gierstcultuur, allen te voeden. Van daar een te-veel, dat niets liever verlangt dan te ontwijken door de gaten, die de Fransche en Engelsche kanonnen gemaakt hebben in de werkelijke en figuurlijke muren, die het Hemelsche Rijk afsluiten.

’t Is naar Noord-Amerika en vooral naar Californië dat het te-veel zich gericht heeft. Maar dat is met zulk een geweldigen aandrang geschied, dat het congres der Vereenigde Staten zich verplicht heeft gezien om maatregelen te nemen tegen dezen inval, vrij onheusch »de gele pest” geheeten. Men begrijpt dat vijftig millioen Chineesche landverhuizers in China nauwelijks gemist zouden worden, terwijl zij in Amerika konden leiden tot totale verdringing van het Angel-Saksische door het Mongoolsche ras.

Hoe dit zij, de landverhuizing had op groote schaal plaats. Deze koelies, die het leven hielden bij een handvol rijst, een kop thee en een pijp tabak, en die voor alle werk geschikt waren, deden in Salt-Lake, Virginië en Oregon, maar vooral in Californië de werkloonen geducht dalen.

Er vormden zich maatschappijen om deze goedkoope landverhuizers over te brengen. Vijf werden er gevonden in het Hemelsche Rijk, waar zij in vijf verschillende gewesten werkzaam waren, en een zesde was gevestigd te San-Francisco. De eerste zonden de handelswaar uit, de laatste ontving haar. Een daaraan verbonden agentschap, dat van Ting-Tong, zorgde voor den terugtocht.

Dit laatste eischt eenige toelichting.

De Chineezen hebben er niets tegen om hun vaderland te verlaten en fortuin te gaan zoeken bij de »Melikanen,” zooals zij de bewoners der Vereenigde Staten betitelen, maar slechts op één voorwaarde, namelijk dat hun lijk in hun geboorteland ter ruste zal worden gebracht. Dat is eene der voornaamste voorwaarden van het contract, eene clausule sine qua non, die de maatschappijen tegenover de landverhuizers op zich moeten nemen en waarvan zij niet mogen afwijken.

Het agentschap van Ting-Tong, anders gezegd dat der Dooden, beschikt over bijzondere fondsen en is belast met het bevrachten der »lijkenschepen”, die steeds met volle lading van San-Francisco naar Shang-Haï, Hong-Kong of Tien-Tsin terugkeeren. Nieuwe handel, nieuwe bron van voordeelen.

De bekwame en ondernemende Tchoung Héou had hierop gelet. Toen hij stierf, in 1866, was hij directeur der Compagnie van Kouang-Than, in de provincie van dien naam, en onder-directeur van het Doodenfonds te San-Francisco.

Op dien dag erfde Kin-Fo, die nu vader noch moeder meer had, een fortuin, dat gelijk stond met twintig millioen gulden en geplaatst was in actiën van de Centrale Californische Bank; hij was zoo verstandig zich er niet van te ontdoen.

Bij zijns vaders dood zou onze jeugdige negentienjarige erfgenaam zich geheel alleen op de aarde bevonden hebben als hij Wang niet gehad had, den onafscheidelijken Wang, die voor hem leidsman en vriend te gelijk was.

Wie was die Wang? Sedert zeventien jaar maakte hij deel uit van het gezin te Shang-Haï. Hij had bij den vader gewoond voor hij bij den zoon kwam. Maar van waar kwam hij? Hoe kwam hij dus aan de familie gehecht? Ziedaar vrij duistere vragen waarop Tchoung Héou en Kin-Fo alleen konden antwoorden.


Wang.

En als zij dit voegzaam geoordeeld hadden—’t geen niet waarschijnlijk was—zou men ’t volgende vernomen hebben:

’t Is iedereen bekend dat China bij uitnemendheid het rijk is, waar opstanden vele jaren kunnen duren en honderd duizenden menschen op de been kunnen brengen. In de zeventiende eeuw heerschte de beroemde dynastie van Ming, van Chineeschen oorsprong, sedert driehonderd jaren over China. Het hoofd dier dynastie gevoelde zich echter in 1644 te zwak tegenover de opstandelingen die zijn hoofdstad bedreigden en riep de hulp in van een Tartaarsch vorst.

Die vorst liet zich niet lang bidden, kwam, joeg de rebellen uit elkander, nam de gelegenheid waar om hem die zijne hulp had ingeroepen van den troon te stooten en liet zijn eigen zoon Chun-Tché tot keizer uitroepen.

Van dit tijdperk af, nam de Tartaarsche heerschappij de plaats in der Chineesche, en de troon werd bekleed door Mantjoerijsche keizers.

Allengs vermengden zich, vooral in de lagere klassen, de rassen met elkander; maar bij de rijkere familiën in het noorden bleef de afscheiding tusschen Chineezen en Tartaren bestaan. Ook nu nog is het type van elkander onderscheiden, vooral in de noordelijke provinciën van het rijk. Daar zijn de »onverzoenlijken” gevestigd, zij die aan de onttroonde dynastie getrouw blijven.

De vader van Kin-Fo behoorde tot deze laatsten en hij verloochende de traditiën niet van zijn geslacht, dat geweigerd had vrede te sluiten met de Tartaren. Als er, zelfs driehonderd jaar na de onttroning, een opstand was uitgebarsten tegen de vreemde overheersching, zou hij gereed geweest zijn.

Dat zijn zoon Kin-Fo geheel en al zijne staatkundige overtuiging deelde, behoeft niet gezegd.

In 1860 regeerde keizer S’ Hiène-Fong, die den oorlog aan Frankrijk en Engeland verklaarde—den oorlog geëindigd met het tractaat van Peking, 25 Oct. van dat jaar gesloten.

Maar reeds voor dat tijdstip werd de regeerende dynastie door een geweldigen opstand bedreigd. De Tchang-Mao of Taï-ping, de »oproerlingen met de lange haren” hadden zich in 1853 van Nan-King en in 1855 van Shang-Haï meester gemaakt. Na den dood van S’ Hiène-Fong had zijn jeugdige zoon al zijne krachten noodig om de Taï-ping te verdrijven. Zonder den onderkoning Li, zonder vorst Kong en vooral zonder den Engelschen kolonel Gordon zou hij er waarschijnlijk niet in geslaagd zijn zijn troon te behouden.

De Taï-ping, de verklaarde vijanden van de Tartaren, goed ten opstand toegerust, wilden de dynastie der Tsing vervangen door die van de Wang. Zij vormden vier verschillende benden; de eerste, die met den zwarten standaard, had ten last gekregen te dooden; de tweede, met den rooden standaard, te branden; de derde, met den gelen standaard, te plunderen; de vierde, met den witten standaard, was belast om de drie anderen van voedsel enz. te voorzien.

Er hadden gewichtige militaire bewegingen in Kian-Sou plaats. Twee plaatsen, op vijf mijlen afstands van Shang-Haï, Sou-Tchéou en Kia-Hing, vielen in de macht der opstandelingen en werden niet zonder moeite door de keizerlijke troepen hernomen. Shang-Haï was sterk bedreigd en werd zelfs den 18n Augustus 1860 aangetast, op ’t zelfde oogenblik dat de generaals Grant en Montauban, de hoofden van het Anglo-Frankische leger, de forten van Peï-Ho bombardeerden.

Tchoung Héou, de vader van Kin-Fo, bewoonde toen eene plaats dicht bij Shang-Haï, niet ver verwijderd van de prachtige brug die de Chineesche ingenieurs over de rivier van Sou-Tchéou hebben gelegd. Hij sloeg den opstand der Taï-ping met zeker welgevallen gade, wijl hij hoofdzakelijk tegen de Tartaarsche dynastie gericht was.

Eens nu, in den avond van den 18n Augustus, gebeurde het, nadat de opstandelingen voor Shang-Haï waren afgeslagen, dat de deur van de woning van Tchoung Héou plotseling geopend werd.

Een vluchteling, die er in geslaagd was zijne vervolgers van het spoor te brengen, wierp zich aan de voeten van Tchoung Héou. De ongelukkige had geen wapen meer om zich te verdedigen. Als hij, bij wien hij eene schuilplaats kwam vragen, hem aan de keizerlijke troepen wilde overleveren, was hij verloren.

De vader van Kin-Fo was er de man niet naar om een Taï-ping, die een schuilplaats had gezocht in zijn huis, te verraden.

Hij sloot de deur en zeide:

»Ik wil niet weten, ik zal nimmer weten wie je bent, wat je gedaan hebt of van waar je komt. Je bent mijn gast, en, daarom alleen, bij mij in veiligheid.”

De vluchteling wilde spreken om zijne dankbaarheid te uiten.... Hij had er de kracht niet toe.

»Je naam?” vroeg Tchoung Héou.

»Wang.”

Op deze wijze was Wang gered door de edelmoedigheid van Tchoung Héou—eene edelmoedigheid die den laatste het leven zou gekost hebben als men vermoed had dat hij een opstandeling beschermde. Maar Tchoung Héou was een van die ouderwetsche mannen, wien een gast heilig is.

Eenige jaren later werd de opstand geheel onderdrukt. In 1864 nam keizer Taï-ping, in Nan-King belegerd, vergif in, om niet in de handen der keizerlijken te vallen.

Wang was sedert dien dag in het huis van zijn weldoener gebleven. Nooit behoefde hij inlichtingen omtrent zijn verleden te geven. Niemand ondervroeg hem daaromtrent. Misschien vreesde men te veel te vernemen! De wreedheden, door de opstandelingen begaan, moesten, naar men zeide, verschrikkelijk zijn geweest. Onder welke banier zou Wang gediend hebben, onder de gele, de roode, de zwarte of de witte? Het was maar beter de zaak te laten rusten; men behield dan althans nog de illusie dat hij waarschijnlijk behoord had tot de proviandeerende colonne.

Wang had niets tegen deze schikking van het lot, en bleef in de gastvrije woning. Na den dood van Tchoung Héou hield Kin-Fo hem bij zich, wijl hij zijn aangenaam gezelschap te veel op prijs stelde om hem te kunnen missen.

En, waarlijk, wie zou op het tijdstip, waarop deze geschiedenis een aanvang neemt, ooit een vroegeren Taï-ping, een moordenaar, plunderaar of brandstichter—wat men maar wil—herkend hebben in den 55jarigen philosoof, dien gebrilden zedemeester, dien Chineeschen Chinees met den traditioneelen knevel en de aan de slapen iets naar boven gerichte oogen? Met zijn lang kleed van weinig in ’t oog loopende kleur, zijn wegens een begin van gezetheid iets naar boven geschoven gordel, zijn hoofdtooi geheel volgens ’t keizerlijk voorschrift, d. w. z. een hoed van bont, welks rand is omgebogen langs een kalotje, waaronder kwastjes van roode strikken voor den dag kwamen, had Wang geheel en al het voorkomen van een eerzaam professor in de wijsbegeerte, van een van die geleerden, welke de tachtig duizend letters van het Chineesche schrift met ’t meeste gemak gebruiken, van een kenner van het Mandarijnen schrift, van een van die, welke het recht hebben onder de groote poort van Peking door te gaan, een voorrecht alleen den zonen des hemels gegeven.

’t Is ook mogelijk dat de opstandeling, een verleden vol verschrikking vergetende, met het voorbeeld van den braven Tchoung Héou zijn voordeel had gedaan en zich allengs aan de bespiegelende wijsbegeerte had gewijd.

Hoe dit zij, op denzelfden avond van het feestmaal bevonden zich Kin-Fo en Wang, de onafscheidelijke gezellen, op de kade, om zich naar de stoomboot te begeven, die hen in snelle vaart naar Shang-Haï moest terugvoeren.

Kin-Fo liep zwijgend, zelfs min of meer in nadenken verzonken, voort. Wang keek links en rechts, philosofeerde over de maan en de sterren, ging glimlachend onder de poort der »Eeuwige Reinheid” door, die hij niet te hoog voor zichzelf vond, passeerde daarop de poort der »Eeuwige Vreugde” en zag ten slotte hoe de torens van de pagode der »Vijfhonderd Godheden” zich in de schaduw des nachts verloren.

De stoomboot Perma lag gereed om te vertrekken. Kin-Fo en Wang begaven zich naar de beide hutten die men voor hen open gehouden had. De krachtige stroom van de Parelrivier, die dagelijks tegelijk met het slijk van den oever, de lijken van de ter dood verwezenen met zich voert, versnelde den gang der boot nog. Het vaartuig bewoog zich als een pijl langs de ruïnes, hier en daar overgebleven van de verwoesting, door de Fransche kanonnen aangericht, langs den tempel met negen verdiepingen van Haf-Way, voorbij de landtong Jardyne nabij Whampoa, waar de grootste vaartuigen hunne ligplaats hebben, en tusschen de eilandjes en het bamboezen paalwerk door, dat aan weerskanten der oevers gevonden wordt.


De beide vrienden flaneerden langs de kade. Bladz. 22.

In den nacht werden de vijfhonderd kilometers, dat wil zeggen, de drie honderd vijf en zestig »lis” die Canton van de monding der rivier scheiden, afgelegd.

Bij het opgaan der zon passeerde de Perma den »Tijgermuil” en vervolgens de beide hoofden van den inham. De Victoria-Peak op ’t eiland Hong-Kong, ter hoogte van achttienhonderd vijf en twintig voet, verscheen één oogenblik door den morgennevel, en na een zeer voorspoedigen overtocht voeren Kin-Fo en Wang de gele wateren van de Blauwe rivier weder op en zetten voet aan wal te Shang-Haï op het kustland van de provincie Kiang-Nan.

III.

Inhoudsopgave

Waarin de lezer, zonder zich te vermoeien, een blik kan werpen op de stad Shang-Haï.

Een Chineesch spreekwoord zegt:

»Als de sabels verroest zijn en de spaden glinsteren,

Als de trappen der tempels afgesleten worden door de voeten der geloovigen en er gras groeit op de binnenplaats der gerechtshoven,

Als de gevangenissen ledig en de graanzolders vol zijn,

Als de dokters loopen en de bakkers rijden,

Dan wordt het rijk goed bestuurd.”

Het spreekwoord is hier een waar woord en kon zeer goed op al de staten der oude en der nieuwe wereld toegepast worden. Maar, is er één land waar men nog ver van dezen idealen toestand af is, dan is het juist het Hemelsche rijk. Daar juist glinsteren de sabels terwijl de spaden roesten, daar is weinig plaats in de gevangenissen en veel ruimte op de graanzolders. De bakkers hebben er minder te doen dan de dokters, en lokken de pagoden ook vele geloovigen tot zich, de gerechtshoven hebben waarlijk niet te klagen over gebrek aan beschuldigden of aan pleiters!

Overigens is het geen wonder dat de administratie te wenschen overlaat in een rijk van honderd en tachtigduizend vierkante mijlen, dat van het noorden naar het zuiden meer dan achthonderd uur gaans en van het westen naar het oosten er ruim negenhonderd lang is, dat achttien uitgestrekte provinciën telt, zonder de schatplichtige landen te rekenen als Mongolië, Mantchourije, Thibet, Tonking, Corea, de Liou-Tchou eilanden etc. Mogen de Chineezen zelve dit al niet gereedelijk erkennen, onder de vreemdelingen is er niemand die het betwijfelt. Misschien de Keizer alleen, opgesloten in zijn paleis, buiten welks poorten hij slechts hoogst zelden komt, beschermd door de muren van een driedubbele stad, die Zoon des Hemels, de vader en de moeder zijner onderdanen, die wetten geeft of vernietigt naar zijn welgevallen, die het recht van leven en dood heeft over allen en wien door zijne geboorte alle inkomsten van het rijk rechtmatig toekomen;—deze souverein, voor wien alles in het stof buigt, is zeker overtuigd dat er in zijn rijk niets is wat iets te wenschen zou kunnen overlaten. Het zou dan ook niemand geraden zijn, hem te willen overtuigen, dat hij zich bedroog. Een Zoon des Hemels bedriegt zich nooit.

Was Kin-Fo misschien van oordeel dat eene Europeesche regeeringsvorm boven den Chineeschen te verkiezen is? Men zou bijna geneigd zijn het te gelooven. Hij woonde bijvoorbeeld niet in Shang-Haï, maar buiten, op een gedeelte der Engelsche concessie, die de onafhankelijkheid, waarin zij zich eenigermate verheugen mag, op zeer hoogen prijs stelt.

Shang-Haï, de eigenlijke stad, ligt op den linkeroever van het riviertje Houan-Pou, die met de Wousung vereenigd in de Yang-Tsze-Kiang of Blauwe rivier valt en ten slotte in de Gele zee uitloopt.

Het is een ovaal, dat van het noorden naar het zuiden loopt, omringd door hooge muren met vijf poorten, die toegang tot de voorsteden geven. Een verward net van met tegels bestrate steegjes, die zelfs met geen mechanisch reinigingstoestel schoon te maken zouden zijn; sombere winkels zonder eenige uitstalling waarin de winkeliers, naakt tot den gordel, rondscharrelen; geen rijtuigen, geen draagstoelen, ter nauwernood nu en dan een ruiter; eenige nationale tempels of vreemde kapellen; voor eenige wandeling een »theetuin” en een moerassig exercitieveld waaruit allerlei ongezonde dampen opstijgen; en op de straten en in de huizen eene bevolking van tweemaal honderdduizend inwoners, ziedaar de stad die als woonplaats weinig aanlokkelijks heeft, maar die evenwel uit een handelsoogpunt van groot belang is.

Daar toch mochten, na het tractaat van Nan-King, de vreemdelingen voor het eerst hunne kantoren openen. Het was de groote deur van China, die voor den Europeeschen handel opengezet werd. Ook heeft de regeering buiten Shang-Haï en zijne voorsteden, tegen eene jaarlijksche uitkeering bij concessie, drie groote stukken grond afgestaan aan de Franschen, de Engelschen en de Amerikanen, die er ten getale van omstreeks tweeduizend wonen.

Van de Fransche concessie—het aan de vreemdelingen uit Frankrijk afgestane terrein—is weinig te zeggen. Het is de minst belangrijke. Zij grenst ongeveer aan de noordelijke zijde der stad en strekt zich uit tot de beek van Yang-King-Pang, die haar van het Engelsche grondgebied scheidt. Daar verheffen zich de kerken der Lazaristen en der Jezuïeten, die ook op vier mijlen afstand van Shang-Haï het seminarie Tiskavé opgericht hebben, waar zij Chineesche kweekelingen vormen. Maar deze kleine kolonie haalt niet bij de beide anderen. Van de tien handelshuizen die er in 1861 opgericht werden zijn er nog slechts drie over, en zelfs het wisselkantoor is thans op de Engelsche concessie gevestigd.

Het buiten Shang-Haï aan de Amerikanen afgestane gebied is van de Engelsche concessie door den Sou-Tchéou-Creek afgescheiden, en over deze rivier ligt een houten brug. Op de Amerikaansche concessie ligt het Astor-Hotel en de Zendingskerk; daar bevinden zich ook de dokken, ten gebruike der Europeesche schepen.

Van de drie concessies is echter ontegenzeglijk de Engelsche de bloeiendste. Prachtige gebouwen op de kaden, huizen met veranda’s en tuinen, paleizen van handelsvorsten, de Oriental Bank, de »hong” van de beroemde firma Dent, de kantoren van Jardyne, Russel en andere groete kooplieden, de Engelsche club, de schouwburg, het cricketveld, het park, de renbaan, de bibliotheek, ziedaar wat er onder anderen te vinden is in deze rijke schepping der Angelsaksers, die terecht op den naam van model-kolonie boogt.

Daarom zal het ook niemand verwonderen dat op dit bevoorrecht gebied, onder bescherming van een vrijzinnigen regeeringsvorm, een Chineesche stad verrezen is van een geheel bijzonder karakter, zooals er nergens anders een te vinden is.

De vreemdeling, die langs de schilderachtige Blauwe rivier dit plekje naderde, zag er dan ook vier vlaggen wapperen. Nevens de Fransche, de Engelsche en de Amerikaansche kleuren, woei er ook de Chineesche vlag, het gele St. Andries-kruis op een groen veld.

Wat de omstreken van Shang-Haï aangaat, deze zijn vlak land, zonder boomen, doorsneden door smalle steenen wegen en in rechte hoeken zich kruisende voetpaden, met regenputten voorzien en »arroyo’s” die onmetelijke rijstvelden met hun water besproeien, waardoor kanalen loopen, bedekt met jonken die te midden der velden hunne vrachten vervoeren, evenals de tjalken door de Hollandsche weilanden; het was eene uitgestrekte schilderij, zeer groen van toon, waaraan alleen de lijst ontbrak.

De Perma was bij haar aankomst aan de kade van de binnenhaven van Shang-Haï komen te liggen, voor de oostelijke voorstad. Daar stapten Wang en Kin-Fo dien middag aan wal.


De sien-cheng keerde de kaart om. Bladz. 23.

Zoowel op de kaden als op de rivier heerschte eene onbeschrijfelijke drukte. Honderden jonken, bloemenschepen, sampans, een soort van gondels met wrikriemen bestuurd, gigs en andere bootjes van allerlei grootte, vormde eene drijvende stad, waar eene bevolking woonde, die men minstens op veertigduizend zielen schatten kan,—eene bevolking die tot den minderen stand behoort en waarvan de rijksten zich zelfs niet tot den rang der geletterden of mandarijnen kunnen verheffen.

De beide vrienden flaneerden langs de kade te midden der gemengde schare, kooplieden van allerlei aard, venters van noten, oranjeappelen of pompoenen, zeelieden van allerlei natiën, waarzeggers, Chineesche en Mongoolsche priesters, Roomsch-Katholieke priesters in Chineesche kleederdracht en met staart en waaier, inlandsche soldaten, »tipaos”, plaatselijke politie-agenten en »compradores”, een soort van commissionairs, die de zaken der Europeesche kooplieden behartigen.

Kin-Fo met den waaier in de hand, liet zijn onverschilligen blik over de menigte dwalen en stelde volstrekt geen belang in hetgeen er om hem heen voorviel. Noch de metaalklank der Mexicaansche piasters, noch die der zilveren taëls of der koperen sapeken,1 die gedurig uit de handen der koopers naar die der verkoopers overgingen, konden zijne gedachten afleiden. Hij bezat genoeg om de geheele voorstad te koopen en contant te betalen.

Wang had zijne groote gele parapluie opgezet, die met zwarte monsters prijkte, en terwijl hij als een echte Chinees steeds rondkeek, zocht hij overal naar voorwerpen, die hem aanleiding tot opmerkingen konden geven.

Voorbij de Oostpoort gaande viel zijn blik bij toeval op een dozijn kooien van bamboes, waarin de akelige hoofden van een gelijk aantal misdadigers te zien waren, eerst den vorigen avond ter dood gebracht.

»Misschien was er wel iets beters te doen”, zeide hij, »dan hoofden af te hakken. ’t Was wel zoo wijs ze met nuttige kennis te vullen.”

Kin-Fo hoorde ongetwijfeld deze opmerking van Wang niet, anders zou die hem uit den mond van een ex-Taï-ping zeker wel verwonderd hebben.

Beiden gingen voort langs de kaai en volgden de muren der Chineesche stad.

Aan het einde der voorstad waar de Fransche concessie begint, werd de aandacht der menigte getrokken door een inboorling in een lang blauw kleed, die met een kleinen stok op een grooten buffelhoorn sloeg.

»Een sieng cheng”, sprak de wijsgeer.

»Waar raakt ons dat?” antwoordde Kin-Fo.

»Laat u eens waarzeggen”, hernam Wang. »Als men gaat trouwen is dat wel eens aardig.”

Kin-Fo wilde, zonder hierop te letten, verder gaan, doch Wang hield hem tegen.

De »sien-cheng” is een soort van populair profeet, die voor een paar sapeken de toekomst voorspelt. Al wat hij voor zijn beroep noodig heeft is een kooi met een kleinen vogel, die aan een der knoopen van zijn kleed hangt, en een spel van vier-en-zestig kaarten waarop afbeeldingen van goden, menschen en dieren voorkomen. Alle Chineezen zijn min of meer bijgeloovig en dus vinden ook de voorspellingen van den sien-cheng veel aftrek, ofschoon deze zelf natuurlijk wel weet hoe het daarmede gesteld is.

Op een teeken van Wang spreidde hij een wolligen doek op den grond uit, plaatste er de kooi op, nam zijne kaarten, schudde ze door en legde ze zoo op den doek dat de plaatjes niet te zien waren. De deur der kooi werd toen geopend, de kleine vogel wipte er uit, zocht schijnbaar tusschen de kaarten en pikte er vervolgens een op, die hij aan den waarzegger bracht, ontving een paar rijstkorrels tot belooning en verdween toen weder in zijn kooi.

De sien-cheng keerde de kaart om. Er stond een afbeeldsel van een man op en een spreuk in Kunarunaschrift, de Mandarijnentaal van het noorden, die de officieele taal der geleerden is.

Toen keerde de waarzegger zich tot Kin-Fo en voorspelde hem, wat zijne collega’s over de geheele wereld altijd aan hunne klanten voorspellen, zonder dat zij gevaar loopen zich te vergissen, namelijk dat hij, na door eenigen geheimzinnigen tegenspoed getroffen te zijn, duizenden jaren gelukkig zou leven.

»Eén slechts”, antwoordde Kin-Fo, »éen slechts en ik schenk u gaarne de rest.”

Daarop wierp hij hem een zilveren taël toe, waarop de profeet aanviel als een hond op een lekker been. Zulke belooningen kreeg hij niet dikwijls.

Wang en zijn leerling richtten toen hunne schreden naar de Fransche nederzetting, de eerste peinzend over deze voorspelling, die zoo volkomen strookte met zijne eigene theorieën ten opzichte van het geluk, de tweede wel overtuigd dat er voor hem geen tegenspoed zijn kon.

Zij gingen het Fransche consulaat voorbij, over het brugje dat de Fransche concessie met het Engelsche verbindt, staken deze laatste nederzetting dwars over en bereikten zoo de kade van de Europeesche haven.

Het sloeg juist twaalf uur. De drukte die des ochtends buitengewoon groot geweest was, hield als met een tooverslag op. De handelsdag was om zoo te zeggen afgeloopen en op de beweging volgde de kalmte, zelfs in het Engelsche gedeelte der stad, dat zich in dit opzicht naar de gebruiken des lands voegde.

Op dit oogenblik kwamen eenige vreemde schepen de haven binnen, de meeste onder de vlag van het Vereenigde Koningrijk. Negen van de tien waren, helaas, met opium bevracht. Deze verstompende zelfstandigheid, dit vergift waarmede Engeland China overlaadt, wordt ingevoerd tot eene jaarlijksche waarde van meer dan honderdveertig millioen gulden en levert driehonderd pct. winst op. Te vergeefs heeft de Chineesche regeering den invoer van opium in het Hemelsche Rijk willen beletten. De oorlog van 1841 en het verdrag van Nan-King hebben het land voor de Engelsche koopwaar geopend en den handelsvorsten vrij spel gegeven. Overigens moeten wij er bijvoegen dat, al bedreigt de regeering van Peking ieder Chinees die opium verkoopt zelfs met den dood, het gezag zich ook wel laat vinden, als men slechts den rechten toon weet aan te slaan. Men meent zelfs te kunnen verzekeren, dat de mandarijn, die gouverneur van Shang-Haï is, jaarlijks een millioen verdient alleen door somtijds niet te nauwkeurig toe te zien op de handelingen zijner ondergeschikten.

Het spreekt van zelf dat Kin-Fo noch Wang opium gebruikten; dit vergif toch verwoest het geheele organisme en heeft onvermijdelijk een vroegen dood ten gevolge.

Ook was er nooit een ons opium over den drempel gekomen der rijke woning waar de twee vrienden binnenstapten, juist een uur nadat zij op de kade van Shang-Haï geland waren.

Wang had—vreemd genoeg uit den mond van een ex-Taï-ping!—eerst nog de opmerking gemaakt:

»Misschien kon er wel iets beters gedaan worden dan een zelfstandigheid in te voeren die een geheel volk verstompt! Handel is goed, maar wijsbegeerte is beter! Laat ons de wijsbegeerte beoefenen en daarin ons geluk zoeken!”

1 Een piaster is ƒ2.50, een taël ƒ3.50 à ƒ4, terwijl vier sapeken ongeveer met een cent gelijk staan.

IV.

Inhoudsopgave

Waarin Kin-Fo een gewichtigen brief ontvangt, die al acht dagen eerder had moeten bezorgd worden.

Een yamen bestaat uit een aantal verschillende gebouwen langs evenwijdige lijnen gerangschikt en die door een andere lijn van kiosken en paviljoenen loodrecht gesneden wordt. Meestal wordt de yamen bewoond door mandarijnen van hoogen rang en behoort dan den keizer toe: maar ook den rijken bewoners van het Hemelsche Rijk is het vergund yamens in eigendom te bezitten, zoodat dan ook de vermogende Kin-Fo een dezer weelderige hotels bewoonde.


Eerbiedig gevolgd door het bedienend personeel. Bladz. 27.

Wang en zijn kweekeling bleven bij de hoofdpoort in de uitgestrekte omheining, die de verschillende gebouwen van de yamen, hare tuinen en binnenplaatsen omgaf, staan.

Ware zij, inplaats van de woning van een eenvoudigen particulier, die van een mandarijn-magistraat geweest, dan zou onder de fraai uitgesneden en beschilderde luifel der poort dadelijk een groote trom in ’t oog gevallen zijn. Op die trom zouden dan dag en nacht diegenen zijner onderhoorigen hebben komen slaan, die recht hadden willen inroepen. Maar inplaats van die »klachtentrom”, versierden groote porceleinen pullen den ingang der yamen, en bevatten koude thee, die door de zorg van den hofmeester steeds vernieuwd werd. Deze pullen stonden ter beschikking van de voorbijgangers, eene edelmoedigheid, die Kin-Fo eer aandeed. Ook was hij zeer gezien, zooals men zeide, bij »zijne buren uit het Oosten en het Westen.”

Nauwelijks had de meester zich vertoond of al de huisvrienden snelden naar de poort om hem te ontvangen. Al de lieden die tot eene deftige Chineesche huishouding behooren, als kamerdienaars, voetknechten, portiers, het personeel der draagstoelen, palfreniers, koetsiers, bedienden, nachtwakers, koks, stonden in gelid geschaard onder de bevelen van den hofmeester. Behalve deze waren er nog een tiental koelies, die, voor het ruwe werk bij de maand gehuurd, zich wat achteraf hielden.

De hofmeester verwelkomde den heer des huizes. Deze maakte nauwlijks eene beweging met de hand en schreed snel voorbij.

»Soun?” zei hij alleen.

»Soun!” antwoordde Wang glimlachend. »Als Soun er was, zou ’t Soun niet meer zijn!”

»Waar is Soun?” zei Kin-Fo nogmaals.

De hofmeester moest bekennen, dat hij, noch iemand wist waar Soun was.

Nu was Soun niets meer of minder dan de eerste kamerdienaar, speciaal aan den persoon van Kin-Fo verbonden en die volstrekt niet door hem gemist kon worden.

Soun was dus zeker een voortreffelijke bediende? Neen, ’t was onmogelijk slechter zijn dienst te verrichten. Hij was verstrooid, onsamenhangend, onhandig in zijn doen en spreken, een echte lekkerbek, een beetje bang van aard, een ware tochtscherm-Chinees, maar getrouw overigens en de eenige die bij zekere gelegenheden eenigen invloed op zijn meester had. Kin-Fo kon zich twintig maal op een dag boos maken op Soun en zoo hij hem slechts tien maal strafte, dan was het eene overwinning behaald op zijne gewone lichtgeraaktheid. Men ziet, die Soun was een hygieenische bediende.

En had Soun nu iets gedaan dat niet in den haak was, dan voorkwam hij zijn meester en vroeg, evenals de meeste Chineesche bedienden, uit eigen beweging om gestraft te worden, ’t geen hem dan ook niet bespaard werd, want als hagel vielen de rottingslagen dan op zijne schouders, waarover Soun zich evenwel niet veel bekreunde. Doch, waarover hij zich oneindig veel gevoeliger betoonde, dat waren de telkens herhaalde verkortingen, die Kin-Fo den gevlochten staart die hem op den rug hing, liet ondergaan, zoodra er sprake was van de een of andere ernstige overtreding.

Niemand zal wel onbekend zijn met het groote gewicht dat de Chinees aan dit zonderlinge aanhangsel hecht. De eerste straf die den misdadiger wordt opgelegd, is het verlies van zijn staart! ’t Is een schande voor zijn gansche leven! De ongelukkige knecht vreesde dan ook niets zoo zeer dan veroordeeld te worden er een stukje van te verliezen. Voor vier jaren nog toen Soun in dienst bij Kin-Fo trad, had zijn staart—een der schoonste van het Hemelsche Rijk,—eene lengte van een meter vijf en twintig, terwijl er thans, helaas! niets meer van overbleef dan zeven en vijftig centimeters.

Ging dat zoo voort, dan was Soun binnen twee jaar heelemaal kaal!

Wang en Kin-Fo gingen daarop, eerbiedig gevolgd door het bedienend personeel, den tuin door, welks boomen meerendeels in aarden potten geplant, en op verrassende, maar betreurenswaardige wijze besnoeid, allerlei fantastische diergestalten te zien gaven. Vervolgens liepen zij het bassin langs, dat met goudvisschen en roodvisschen gevuld was en welks helder water bijna verborgen was onder de groote bleekroode bloemen van de nelumbo, de schoonste waterlelie uit het Bloemenrijk. Zij bogen het hoofd, toen zij een soort van hieroglyphisch viervoetig dier voorbij kwamen, dat in harde kleuren op een daar aanwezigen muur was geschilderd en een soort van symbolisch fresco scheen te zijn, en naderden daarop de deur der voornaamste woning van de yamen.

Het was een gebouw met eene verdieping, geplaatst op een terras, ’t welk men langs een marmeren trap van zes treden bereikte. Er waren bij wijze van luifels schermen van bamboes voor de deuren en vensters aangebracht, waardoor de reeds buitengewone hitte dragelijk werd gemaakt en de koelte in ’t gebouw behouden. Het platte dak vormde een contrast met de fantastische bedekking der paviljoens, die hier en daar in de yamen verspreid lagen en welks kanteelen, veelkleurige pannen en in fijne arabesken uitgesneden steenen een aangenamen aanblik opleverden.

Binnen gekomen bespeurde men, behalve de vertrekken in ’t bijzonder bestemd voor Wang en Kin-Fo, niets anders dan salons, omgeven door kabinetjes, welke afgescheiden waren door doorschijnende voorhangsels, waarop guirlandes van bloemen waren aangebracht, of wel plaatjes met zedekundige spreuken, waarop de bewoners van het Hemelsche rijk niet zuinig zijn. Overal stonden zonderling versierde zetels van marmer, porcelein of hout, en bovendien een dozijn kussens wier mollige zachtheid meer tot zitten uitlokte dan de hardere zetels; overal hingen lampen of wel lantaarns van verschillenden vorm met zacht gekleurde glazen en versierd met eikels of wel met franjes en kwastjes als aan het dekkleed van een Spaansch muildier gevonden worden; overal vond men ook kleine thee-tafeltjes, »tcha-ki” geheeten, die in een Chineesch huishouden niet mogen ontbreken. Men vond er voorts allerlei ciseleer-werk van ivoor of schildpad, bronzen voorwerpen in niello-werk, wierookschaaltjes, verlakte voorwerpen met gouddraad en relief versierd, andere van melkwit of smaragd groen nephriet, ronde of prisma-vormige vaasjes van de dynastie der Mings en der Tsings, nog zeldzamer porceleinen beeldjes van de dynastie der Yens, kopjes met doorschijnend rose en geel gekleurd email bedekt, van welke bewerking het geheim verloren is gegaan; te veel om op te noemen. Deze weelderig ingerichte woning bood alles aan wat Chineesche fantasie, gepaard aan Europeesch confort, kon verschaffen.

Kin-Fo was dan ook—ieder zeide het en zijn smaak bewees het—een man van den vooruitgang. Iedere nieuwere uitvinding van het westen was hij bereid over te nemen. Hij behoorde tot die—nog te zeldzame—categorie van zonen van het Hemelsche rijk, die dwepen met de physische en chemische onderzoekingen.

Hij was dan ook niet een der barbaren die de eerste telegraafdraden doorsneden, welke de firma Reynoldt tot Wousung wenschte te doen loopen om spoedig de aankomst te vernemen van de Engelsche of Amerikaansche mail, en hij moest evenmin gerekend worden onder die achterlijke mandarijnen welke weigerden om den onderzeeschen kabel van Shang-Haï naar Hong-Kong op het grondgebied der laatstgenoemde eilanden te bevestigen, en de telegrafisten dwongen dien op een schip dat op stroom lag, vast te maken.

Neen, Kin-Fo behoorde tot die Chineezen welke het met genoegen hadden gezien dat de regeering, onder toezicht van Fransche ingenieurs, arsenalen en werven te Fou-Chao had gesticht. Ook had hij, en dit uit een zuiver nationaal oogpunt, aandeelen in de Chineesche stoombooten die den dienst verrichten tusschen Tien-Sin en Shang-Haï en was hij betrokken bij de snelvarende vaartuigen die op den tocht van Singapore drie of vier dagen op de Engelsche mail winnen.

De vorderingen der wetenschap waren zelfs tot in zijne huiselijke omgeving toegepast. De verschillende gebouwen van zijn yamen waren door telefoons verbonden en electrische schellen vond men er in onderscheiden kamers. In het koude seizoen legde hij vuur aan en verwarmde zich, vrij wat verstandiger dan zijne landgenooten die onder hunne vier- of vijfdubbele kleeding voor hunnen ledigen haard bevroren. Zijn huis was met gas verlicht evenals dat van den inspecteur-generaal der douanen te Peking, evenals dat van den schatrijken Yang, bijna uitsluitend eigenaar van de banken van leening in het Hemelsche Rijk! Eindelijk, het verouderde gebruik van het schrift in zijne intieme correspondentie moede, had de vooruitstrevende Kin-Fo—men zal het weldra zien—de phonograaf in gebruik genomen, nauwelijks door Edison tot zijn laatsten graad van volkomenheid gebracht.


Met eene snelle beweging van zijne scherpe schaar.... Bladz. 31.

Men bespeurt uit een en ander dat de leerling van den philosoof Wang, zoowel wat het materieele leven betreft, als wat aangaat zucht naar kennis en wetenschap, alles bezat wat noodig was om gelukkig te wezen! En toch was hij het niet! Hij had Soun om zijne dagelijksche apathie te verdrijven, en zelfs Soun was niet voldoende om hem gelukkig te maken!

’t Viel niet te loochenen dat Soun, die nooit daar was waar hij wezen moest, zich ook thans nergens liet zien. Hij had zich zeker een of ander zwaar vergrijp te verwijten, eenige onhandigheid, in ’t afzijn van zijn meester gegaan, en al vreesde hij niet voor zijn rug en schouders, die aan de rotting gewend waren, alles leidde er toe om te doen gelooven dat hij thans bevreesd was voor zijn staart.

»Soun!” riep Kin-Fo, de vestibule binnentredende, waarop de salons ter rechter- en linkerzijde uitkwamen, op een toon van kwalijk bedwongen ongeduld.

»Soun!” herhaalde Wang, wiens goede raadgevingen en vermaningen altijd zonder invloed op den voor verbetering onvatbaren knecht waren geweest.

»Zoek Soun op en breng hem hier!” zeide Kin-Fo tot den hofmeester, die iedereen in ’t werk stelde om den niettevinden bediende te zoeken.

Wang en Kin-Fo bleven alleen.

»Ons verstand zegt ons,” sprak de philosoof, »dat een reiziger, te huis teruggekeerd, eenige rust moet nemen.”

»Laat ons dan verstandig zijn!” was het eenvoudig antwoord van den leerling van Wang.

En na den philosoof de hand gedrukt te hebben, begaf hij zich naar zijn vertrek, terwijl Wang zijne kamer binnentrad.

Toen Kin-Fo alleen was, strekte hij zich op een van die zachte, mollige divans van Europeesch maaksel uit, van welks bewerking een Chineesch kamerbehanger of tapijtwerker geen denkbeeld heeft. Daar ging hij liggen droomen. Dacht hij aan zijn huwelijk met het beminnelijke en lieve meisje dat spoedig zijne levensgezellin zou zijn? Ja, en dat was niet te verwonderen als men bedenkt, dat hij haar den volgenden dag weder zou ontmoeten. Het bevallige wezen woonde niet te Shang-Haï, maar te Peking, en Kin-Fo overlegde bij zichzelf of het niet passend zou zijn haar tegelijk met het bericht van zijn terugkeer te Shang-Haï, te doen weten, dat hij spoedig in de hoofdstad van het Hemelsche rijk zou verschijnen. Het zou zelfs niet ongepast zijn eene zekere begeerte, eene lichte opwelling van ongeduld om haar weer te zien aan den dag te leggen. Ja zeker, hij hield werkelijk veel van haar! Wang had het hem volgens de meest onomstootelijke regels der logica aangetoond, en dit nieuwe element in zijn bestaan zou hem misschien kunnen helpen bij het zoeken naar het onbekende.... dat is te zeggen het geluk.... die.... dat.... waarvan....

Kin-Fo droomde met gesloten oogen en hij zou geheel en al ingeslapen zijn als hij niet eene zekere kriebeling in zijn rechterhand gevoeld had.

Zijne vingers sloten zich instinctmatig en omklemden een cylindervormig, knoestig voorwerp, van betamelijke dikte, dat zij meer gewend waren te hanteeren.

Kin-Fo vergiste zich niet, het was een rotting dien men hem in de rechterhand had gestoken; op hetzelfde oogenblik hoorde men, op bedeesden toon, de volgende woorden:

»Als het mijnheer behaagt!”

Kin-Fo stond overeind en zwaaide, wat zeer natuurlijk was, den straffenden rotting heen en weer.

Soun stond voor hem, half gebogen, in de houding van een patiënt die eene bewerking moet ondergaan. Met de eene hand leunde hij op het tapijt van de kamer, in de andere hield hij een brief.

»Zoo, ben je daar eindelijk,” zei Kin-Fo.

»Ai ai ya!” antwoordde Soun. »Ik had gedacht dat mijnheer eerst de derde wake zou terugkeeren! Als het mijnheer behaagt!”

Kin-Fo gooide den rotting tegen den grond en Soun, hoe geel hij ook was, verbleekte!

»Als je me zonder eenige verontschuldiging je rug aanbiedt,” sprak de meester, »dan heb je zeker wel wat meer verdiend! Wat is er gebeurd?”

»Deze brief!...”

»Spreek op!” riep Kin-Fo en greep den brief dien Soun hem aanbood.

»Ik ben zoo onhandig geweest te vergeten hem u ter hand te stellen vóór uw vertrek naar Canton!”

»Acht dagen te laat, schurk!”

»Het is mijn schuld, mijnheer!”

»Kom hier!”

»Ik ben gelijk aan een arme krab zonder pooten, die niet vooruit kan komen! Ai ai ya”

Dat was een wanhoopskreet. Kin-Fo had Soun bij zijn staart gegrepen en met eene snelle beweging van zijne scherpe schaar had hij er het uiterste einde afgenomen.

De arme krab scheen weder spoedig zijne pooten terug te krijgen, want hij was eensklaps opgevlogen, niet zonder eerst van het tapijt het stukje van zijn kostbaar aanhangsel opgeraapt te hebben.

De staart van Soun was van zeven en vijftig tot vier en vijftig centimeter teruggebracht.

Kin-Fo had zich na de strafoefening, die hij Soun had doen ondergaan, weder op zijn divan neergevleid en bekeek doodkalm den brief, die voor acht dagen was gekomen. Het hinderde hem minder dat de brief te laat in zijne handen was gekomen, dan wel dat Soun zich weder aan onachtzaamheid had schuldig gemaakt. Wat voor belang kon een brief hem inboezemen? Een brief kon alleen welkom zijn als hij hem eene ontroering bezorgde. Hij, Kin-Fo ontroerd!

Hij bekeek den brief toch, maar verstrooid.

De enveloppe van stevig linnen was aan de voor- en achterzijde van wijn- en chocolaad-kleurige postzegels voorzien. Onder het beeld—een manshoofd—bespeurde men de cijfers van twee en van »zes centen.”

De brief kwam dus uit Amerika.

»Wat nu!” dacht Kin-Fo de schouders ophalende, »een brief van mijn correspondent te San Francisco!”

En hij wierp den brief in een hoek van den divan.

Wat kan zijn correspondent hem voor gewichtigs hebben mee te deelen? Dat de stukken, die bijna geheel zijn fortuin uitmaakten, rustig sliepen in de kassen van de Centrale Californische bank, dat zijne actiën vijftien of twintig pct. waren gerezen, dat de dividenden die van het vorige jaar overschreden, enz. Eenige duizenden dollars meer of minder maakten hem koud noch warm.

Toch nam Kin-Fo na eenige minuten den brief weer op en scheurde er werktuiglijk de enveloppe af; maar in plaats van hem te lezen keek hij naar de onderteekening.

»Hij is van mijn correspondent,” zei hij, »het kan alleen over zaken zijn! Die kunnen tot morgen wachten!”

En weder zou Kin-Fo den brief weggeworpen hebben als zijn oog niet toevallig was blijven rusten op een woord onder aan de tweede pagina, dat eenige malen onderschrapt was. Het was het woord PASSIEF, waarop de correspondent te San-Francisco de aandacht van zijn cliënt te Shang-Haï had willen vestigen.

Kin-Fo nam daarop den brief en las dien van het begin tot het einde niet zonder eenige nieuwsgierigheid, iets wat van hem bepaald te verwonderen was.

Zijne wenkbrauwen fronsten zich één oogenblik; maar een soort van minachtenden glimlach plooide zijne lippen toen hij de lezing ten einde had gebracht.

Kin-Fo stond op, deed eenige stappen door zijn kamer en greep de spreekbuis, die hem in staat stelde zich met Wang te onderhouden zonder zich te vermoeien. Hij bracht zelfs het uiteinde aan zijn mond, om het waarschuwende fluitje te doen hooren, maar toen bedacht hij zich, liet de buis vallen en strekte zich opnieuw op zijn divan uit.


»Er is er geen, er valt niets te kijken,” antwoordde juffrouw Nan. Bladz. 39.

»Poeh!” was al wat hij zeide, en zijne geheele persoonlijkheid sprak uit dat woord.

»En zij!” mompelde hij. “Het gaat haar eigenlijk meer aan dan mij.”

Hij ging naar eene kleine verlakte tafel, waarop een keurig bewerkt, langwerpig doosje stond. Maar toen hij op het punt stond het te openen, trok hij zijne hand terug.

»Wat zeide ze in haar laatsten brief?” mompelde hij.

En in plaats van het deksel der doos te openen, drukte hij op een veer aan een der zijden.

Terstond hoorde men het geluid eener zachte stem:

»Mijn lieve oudste broeder, ben ik u niet als de Meihoua-bloem in de eerste maan, als de abrikozen-bloesem in de tweede, als de bloem der perzik in de derde! Mijn hart van juweel, ik zend u duizend, tienduizend groeten!”...

Het was eene jeugdige vrouwenstem, wier teedere woorden door den phonograaf herhaald werden.

»Arme kleine jongste zuster!” zeide Kin-Fo.

Daarna opende hij het doosje, nam er de papierstrook met streepjes en deukjes uit, die het geluid der afwezige stem weergegeven had, en plaatste er een ander stuk geprepareerd papier in.

De phonograaf was reeds zoo volmaakt dat men slechts hardop behoefde te spreken om indrukken in het vlies te maken, terwijl de rol, die door een horloge-veer in beweging gebracht werd, de woorden op het geprepareerde papier aan het toestel aanteekende.

Kin-Fo sprak ongeveer eene minuut. Aan zijne stem, kalm als altijd, kon men niet hooren onder welken indruk, van vreugde of van droefheid, hij zijne gedachten in woorden bracht.

Drie of vier zinnen, meer niet, ziedaar alles wat Kin-Fo sprak. Daarop deed hij den phonograaf stilstaan en nam er het papier uit, waarop de naald, door het vlies in beweging gebracht, eenige strepen en indrukken had gemaakt die de gesproken woorden konden weergeven. Hij sloot dit papier in eene enveloppe die hij verzegelde en waarop hij van rechts naar links het volgende adres schreef:


Mevrouw Lé-ou. Avenue Cha-Coua.
Peking.

Een druk op den knop der electrische schel deed spoedig den dienstbode verschijnen, die met de zorg voor de correspondentie belast was, en terstond werd de brief naar het postkantoor gebracht.

Een uur later lag Kin-Fo gerust te slapen met zijn »tchou-fou-jen” in zijne armen, een soort van kussen van gevlochten bamboes, dat in de Chineesche bedden eene gematigde temperatuur onderhoudt, volstrekt niet te versmaden in die warme streken.

V.

Inhoudsopgave

Waarin Lé-ou een brief ontvangt, dien ze veel liever niet zou gekregen hebben.

»Heb je nog geen brief voor mij?”

»Wel neen, mevrouw!”

»Wat valt de tijd mij van daag lang, moedertje!” Dit zeide de bekoorlijke Lé-ou dien dag reeds voor den tienden keer in het boudoir van hare in de avenue Cha-Coua te Peking gelegen woning. Het »moedertje” dat haar antwoordde en waaraan zij dien naam gaf overeenkomstig het Chineesche gebruik waar het dienstboden van zekeren leeftijd geldt, was de knorrige en onaangename juffrouw Nan.

Lé-ou was op achttienjarigen leeftijd gehuwd met een letterkundige van den eersten rang, die aan het beroemde Sse-Khou-Tsuane-Chou medewerkte1. Deze geleerde heer was meer dan dubbel zoo oud als zij en stierf drie jaar na de voltrekking van het huwelijk.

De jonge weduwe stond dus, nog geen een-en-twintig jaar oud, alleen op de wereld. Kin-Fo zag haar op een reis die hem omstreeks dezen tijd te Peking bracht. Wang kende haar van vroeger en had de aandacht van zijn onverschilligen leerling op deze bekoorlijke verschijning gevestigd. Toen was langzamerhand bij Kin-Fo het denkbeeld gerijpt om eene afwisseling in zijne tot nog toe gevolgde levenswijze te brengen door een huwelijk aan te gaan met de schoone weduwe en Lé-ou was niet onverschillig voor het voorstel dat haar gedaan werd. En thans zou het huwelijk, zeer tot genoegen van Wang, gesloten worden, zoodra Kin-Fo, na te Shang-Haï de noodige beschikkingen gemaakt te hebben, te Peking teruggekeerd was.

In den regel hertrouwen weduwen niet in het Hemelsche rijk. Niet dat zij daar zelf iets tegen zouden hebben—evenmin als hare lotgenooten in westersche landen—maar omdat niemand haar vraagt. Als Kin-Fo eene uitzondering maakte op dezen regel, dan bewees dit alleen dat Kin-Fo een zonderling was. Lé-ou zou door haar tweede huwelijk wel het recht verbeuren om onder de »paé-lous” door te gaan, de eerebogen die de Keizer somtijds doet oprichten voor vrouwen die zich onderscheiden hebben door getrouwheid aan haren overleden gemaal; zooals bijvoorbeeld de weduwe Soung, die het graf van haren echtgenoot niet wilde verlaten, de weduwe Koung Kiang, die zich een arm afhakte, de schoone weduwe Yen-Tchiang, die haar gelaat verminkte ten teeken van rouw. Maar Lé-ou was twintig jaar en niet zoo eerzuchtig. Zij zou dus weder dat leven van gehoorzaamheid gaan leiden, dat de vrouw in eene Chineesche huishouding beschoren is, niet meer over dingen spreken die buiten het huis voorvallen, de voorschriften van het boek Le-nun over de huiselijke deugden, en van het boek Nei-tse-pien over de plichten van het huwelijk opvolgen en weder die achting genieten, welke men in de hoogere Chineesche kringen voor de vrouwen koestert; want daar is de vrouw volstrekt geen slavin, zooals men gewoonlijk gelooft. Lé-ou was dus zeer ingenomen met het denkbeeld; zij was verstandig en goed onderwezen, zij wist welke plaats haar wachtte in het huis van den schatrijken maar zich steeds vervelenden Kin-Fo en voelde zich tot hem aangetrokken, ook door het denkbeeld dat zij hem zou kunnen bewijzen dat men op de wereld wel degelijk gelukkig kan zijn.

De geleerde had zijne jonge weduwe goed verzorgd achtergelaten, doch meer ook niet. Haar woning in de avenue Cha-Coua was dus zeer gewoon. De onhebbelijke Nan was de eenige dienstbode die zij hield, doch Lé-ou was aan hare slechte manieren gewend en stoorde er zich niet aan, ofschoon als regel de Chineesche dienstboden niet met de gebreken van Nan behept zijn.


Lé-ou hoorde: »Liefste jongste zuster.” Bladz. 40.

De schoone Lé-ou vertoefde bij voorkeur in haar boudoir, dat zeer eenvoudig gemeubeld was, als men de kostbare geschenken uitzondert, die Kin-Fo haar in de beide laatste maanden had gezonden. Aan den muur hingen eenige schilderijen, waaronder een meesterstuk van den ouden schilder Huan-Tse Nen2, dat de aandacht van kenners zou getrokken hebben, te midden van ettelijke echt chineesche aquarellen met groene paarden, violetkleurige honden en blauwe boomen van den een of anderen modernen kladschilder. Op eene verlakte tafel lagen, als groote kapellen met uitgespreide vleugels, de waaiers, die afkomstig waren van de beroemde school van Swatow. Porceleinen hangers prijkten met elegante festoenen van kunstbloemen, die zoo keurig gemaakt worden uit het merg der »Arabia papyritera” van het eiland Formosa en die in frischheid wedijverden met de witte waterleliën, de gele goudsbloemen en de roode Japansche lelies, die in fraai gesneden houten bakken stonden. Over het geheel wierp de zon, door de gevlochten bamboezen jalousieën voor de vensters, die als een zeef de grove stralen er buiten sloten, slechts een getemperd licht. De eigenaardige pronk van het boudoir werd voltooid door een prachtig vuurscherm, kunstig samengesteld uit sperwerveeren, die zoo geschikt waren dat de vlekken eene groote pioenroos vormden—zooals men weet het zinnebeeld der schoonheid in het Hemelsche Rijk;—door twee volières in den vorm van pagoden, waarin de veelkleurige vogels van het oosten hetzelfde verrassende effect deden als de gekleurde glaasjes in een kaleidoscoop;—door eenige aeolische »tié-maols”, waarvan de glazen balletjes door hunne onderlinge aanraking, als zij door den wind bewogen werden, steeds afwisselende harmonische accoorden aangaven;—kortom door allerlei kostbare kleinigheden, waaraan eene vriendelijke gedachte aan den afwezigen vriend verbonden was, die sedert eenigen tijd Shang-Haï als het ware geplunderd had om de jonge vrouw verrassingen te kunnen bezorgen.

»Nog geen brief, Nan?”

»Wel neen, mevrouw, nog niet!”

’t Was een schoone vrouw, die jonge Lé-ou, zelfs voor oogen die aan Europeesche schoonheden gewoon zijn. Haar teint was niet geel maar blank, hare oogen liepen bij de slapen slechts nauw merkbaar iets naar de hoogte, in hare zwarte haren waren met groene gitten eenige perzikkenbloesems vastgestoken, hare tanden waren klein en blank, hare wenkbrauwen slechts even met wat Oost-Indischen inkt aangestreken. Zij gebruikte geen blanketsel of poudre-de-riz voor hare wangen of karmijn voor haar bovenlip of een der andere kunstmiddelen bij Chineesche schoonen in gebruik en waarvoor het keizerlijke hof jaarlijks alleen tien millioen sapeken uitgeeft. De jonge vrouw kon die kunstmiddelen ontberen. Zij verliet hare woning in Cha-Coua slechts hoogst zelden en had dus dat masker niet noodig waar de andere vrouwen niet buiten kunnen, zoodra zij zich in het openbaar vertoonen.

Wat het toilet van Lé-ou betreft, men kan zich niets eenvoudigers of eleganters voorstellen. Een lang overkleed met vier openingen met breed galon geboord; daaronder een geplooide rok; op haar borst de vierkante borstlap, omzet met soutache, waardoor zich gouddraad slingerde; een wijde pantalon om de enkels sluitende en daar nog iets van de nankin zijden kousjes zichtbaar latende, terwijl hare voeten in fraaie pantoffels staken. Meer had de jeugdige weduwe niet noodig om zeer bekoorlijk te zijn; alleen moet er nog bijgevoegd worden, dat hare handen fijn en blank waren en dat zij hare lange rose nagels beschermde door platte zilveren ringen, welke zij om de vingertoppen droeg en die zeer fijn bewerkt waren.

En hare voeten? Wel, hare voeten waren klein, doch niet als een gevolg van die barbaarsche gewoonte om ze te verminken, eene gewoonte die meer en meer verloren gaat, maar omdat de natuur ze haar klein geschonken had. Het bedoelde gebruik is omstreeks zeven eeuwen geleden in zwang gekomen en dankt waarschijnlijk zijn ontstaan aan eene prinses die zelve een lichaamsgebrek had. De eenvoudigste bewerking is, dat op zeer jeugdigen leeftijd de teenen onder den bal der voet vastgebonden worden, terwijl de hiel vrij blijft; zoodoende wordt de voet een soort van kegel en het loopen zeer bemoeilijkt. Gelukkig gaat dit meer en meer uit de mode sedert den inval der Tartaren en van de tien Chineesche vrouwen zijn er tegenwoordig geen drie meer, die tengevolge van de in hare jeugd ondergane bewerking thans aan de voeten verminkt zijn.

»Er moet van daag een brief komen!” herhaalde Lé-ou. »Ga nog eens kijken, moedertje!”

»Er is er geen, er valt niets te kijken!” antwoordde juffrouw Nan zeer oneerbiedig, terwijl zij brommende de kamer uitging.

Lé-ou wilde nu door aan het werk te gaan haren gedachten een anderen loop geven. Zij waren echter weer dadelijk met Kin-Fo vervuld, want het werk dat zij opnam bestond uit een paar voor hem bestemde pantoffels, die in China altijd door de vrouw des huizes gemaakt worden. Zij stond weder op, nam een paar meloenpitten uit een bonbondoosje, kraakte die tusschen hare fijne tanden en nam een boek, de Nushun, een boek vol goede lessen waarvan elke brave vrouw hare dagelijksche lectuur behoort te maken.

»Even als de lente het beste jaargetijde is voor den veldarbeid, is de ochtendstond het beste gedeelte van den dag.

Sta vroeg op en geef niet toe aan de verlokkingen van den slaap.

Zie uwe moerbeziënboomen na en uw vlas.

Spin uwe zijde en uw katoen.

De deugd der vrouw bestaat in arbeidzaamheid en zuinigheid.

De buren zullen u prijzen....”

Het boek viel weder dicht. Lé-ou dacht zelfs niet aan hetgeen zij las.

»Waar is hij?” vroeg zij zichzelve af. »Hij is zeker naar Canton gegaan! Is hij al uit Shang-Haï terug? Wanneer komt hij te Peking aan? Heeft hij eene goede reis gehad? Moge de godin Koanine hem nabij zijn!”

Aldus peinsde de jeugdige weduwe in haar onrust. Vervolgens dwaalden hare oogen naar een tafelkleed, zeer kunstig samengesteld uit duizenden kleine stukjes, een soort van mozaïek van doek naar Portugeeschen trant bewerkt, een eend met hare jongen voorstellende als het zinnebeeld der trouw. Daarna trad zij op een der bloembakjes toe en plukte er in het wilde een bloem uit.

»Ach!” sprak zij, »’t is geen bloem van den groenen wilg, het zinnebeeld der lente en der vreugde! ’t Is een goudsbloem, het beeld van den herfst en de droefheid.”

Zij wilde zich verzetten tegen den angst die zich thans meer en meer van haar meester maakte. Daar was haar luit; hare vingers gleden over de snaren, hare stem neuriede de eerste woorden van het lied der »Ineen gesloten handen”, maar zij kon niet voortgaan.

»Vroeger kwamen zijn brieven altijd geregeld,” dacht zij, »en toch was ik toen reeds ongeduldig! Hoe verslond ik ze altijd met de oogen! Of in plaats van zijn schrift ontving ik zijn eigen stem, die mij door het instrument daar ginds overgebracht werd!”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
15 ocak 2025
Hacim:
303 s. 56 illüstrasyon
ISBN:
4064066311247
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar