Kitabı oku: «Kabouters in het Bosch»
Kees Valkenstein
Kabouters in het Bosch

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401863
Inhoudsopgave
Het sprookje van de twee Kabouters.
De Avonturen van Kobold en Gnoom op Sinterklaasavond.
Koning Droom.
De Kabouters en de City-bag.
Schipper Troll.
Het sprookje van de twee Kabouters.
Inhoudsopgave
In 'n bosch zaten twee kabouters op 'n bemoste kei. Boven hun hoofd hield het eene kaboutertje 'n groote parasol, die van 'n paddestoel gemaakt was. Kabouters zijn knappe werklui.
"Waar peins je toch over?" vroeg Kobold.
"Ik?" zei Gnoom; "och, over 'n heele boel dingen. 't Is tegenwoordig 'n slechte tijd voor kabouters, hèèl slecht. 'n Paar duizend jaar geleden was 't plezierig in de wereld. Overal groote bosschen en weinig menschen. In die bosschen was 't heerlijk om te leven voor kabouters en de menschen waren vriendelijk. Je durfde je nog eens te vertoonen aan de lui en met genoegen hielp je hen 's nachts 'n handje aan 't werk dat ze den vorigen dag niet af konden krijgen."
"Da's waar," zei Kobold. 
"Kom daar nu eens om," ging Gnoom voort; "bosschen? Allemaal omgehakt. 't Is 'n toer nu nog 'n plekje te vinden, dat je 'n ordentelijk bosch kunt noemen."
"En dan moet je asjeblieft die nare spoorwegen niet vergeten," zuchtte Kobold. "Middenin den nacht vliegen die akelig groote monsters van locomotieven daarover heen met 'n gebrom en gefluit... ik beef van schrik, als ik er aan denk."
"Ik beef nog veel erger, als ik aan de menschen denk," zei Gnoom. "Die zijn slecht, door en door slecht."
"Da's niet waar," meende Kobold. "D'r zijn goeie menschen ook."
"Die mag je dan wel met 'n glimwormpje gaan zoeken," spotte Gnoom. "Ken je den jongen van den boschwachter? Die is slecht hè? Vogels vangen, dieren mishandelen, dat is z'n lust en z'n leven. Mooi hè? En zoo zijn ze nou allemaal."
"'t Is niet waar," zei Kobold. "Heb jij dien jongen z'n zusje wel eens gezien? 't Is 'n klein ding van 'n jaar of zes."
"Noem je dat 'n klein ding?" vroeg Gnoom verbaasd. "Ze is grooter dan wij."
"Ja, bij ons vergeleken!" lachte Kobold. "Maar wij zijn ook zulke kleine kereltjes. Je moet haar eens zien als ze naast haar vader loopt. Precies 'n poppetje. Wou je dàt kind soms ook slecht noemen? Ze doet nog geen vlindertje kwaad."
"Ik zal je maar gelijk geven," zei Gnoom, "maar ik denk er het mijne van.... Sst!... Hoor je dat?..."
"Wat zou 't wezen?" fluisterde Kobold, benauwd.
"De jongen van den boschwachter," zei Gnoom met 'n bibberend stemmetje. "Hoor hem eens schreeuwen! Hij heeft zeker weer 'n vogeltje te pakken. Kijk eens tusschen de boomen door! Daar komt hij aan.... Hij slaat met 'n stok..." 
"Ik ga heen," zei Kobold. "Ga je mee? Ik kruip in m'n holletje."
"Ik ook," zei Gnoom.
Weg waren de kabouters. 't Volgende oogenblik sprong 'n wild konijntje uit het kreupelhout, achtervolgd door 'n grooten jongen, die telkens met 'n knuppel naar 't kleine diertje sloeg. Gelukkig was het kabouterholletje vlak bij.
"Da's jammer," mompelde de jongen, toen hij 't diertje in het hol zag verdwijnen. Hij porde nog 'n paar keer met z'n stok in het gat, doch dat gaf niemendal. 't Konijntje was ver genoeg buiten z'n bereik. "Dood gaat ie toch," bromde hij, "ik heb hem 'n paar keer goed geraakt. Ik zal nog maar eens gaan zoeken, misschien vind ik nog wel 'n paar andere." 
De jongen ging heen, en toen 't heel doodstil was kwamen de twee kabouters met verschrikte gezichten weer te voorschijn. Samen droegen ze 't konijntje, dat wel dood scheen, en legden het voorzichtig op 't donkergroene mos.
"Hier kunnen we zien," zei Kobold, "in 't hol is 't zoo donker. Precies zooals ik dacht: 't Konijntje is dood. Wat 'n barbaar van 'n jongen! Zoo'n beul!"
"'t Is niet dood!" riep Gnoom. "Kijk maar, z'n buikje gaat op en neer."
"Je hebt warempel gelijk," zei Kobold blij. "Hadden we maar wat voor den stakker, 'n beetje water of zoo iets. Zou 't beter worden?"
"Ik weet het niet," sprak Gnoom. "Maar 't beest is er slecht aan toe. Ik weet kruiden te staan, waar 'n ziek mensch van beter wordt. Zouden die voor 'n konijntje ook goed zijn?"
"Misschien wel," antwoordde Kobold. "We kunnen 't probeeren. Maar..."
Verder kwam Kobold niet, want de twee kabouters hoorden geritsel in de struiken. Ze dachten dat de booze jongen terug gekomen was en namen allebei tegelijk de vlucht. Het konijntje bleef liggen.
"Je hebt het konijntje vergeten," schreeuwde Kobold, toen ze in het hol waren.
"'t Is jouw schuld," snauwde Gnoom. "Had het in het hol gelaten, zooals ik je ried. Je bent altijd even eigenwijs."
"En jij bent 'n lafaard," brulde Kobold. "We hadden bij 't konijntje moeten blijven om het te beschermen. Jij ging 't eerst op de vlucht."
"Neen, jij?"
De kabouters zaten in 'n hoekje tegenover elkaar met hun oogen dicht en de handen voor hun ooren. 
"Nu zal hij het doodslaan," zei Kobold bibberend.
"Doodtrappen," zei Gnoom.
"Ik ga er naar toe," zei Kobold.
"Ik ga mee," zei Gnoom.
Kobold nam 'n groot mes, dat wel 'n vinger lang was en Gnoom balde de vuisten. Moedig stapten ze voort naar den ingang van het hol. Toen Kobold naar buiten keek, wierp hij het vreeselijke mes op den grond.
"Wat doe je nou?" vroeg Gnoom. "Durf je dien jongen zóó aan?"
"'t Is het zusje," zei Kobold, "Kijk maar. Ze heeft het konijntje van den grond opgetild. Och, och, ze doet het in haar schortje. Ik krijg er warempel de tranen van in de oogen."
"Wat zou ze er mee willen doen?" vroeg Gnoom. "Toch niet mee naar huis nemen? Dan krijgt die valsche jongen het toch nog te pakken."
"Kom, we gaan het vragen," zei Kobold. "Voor 't zusje ben ik heelemaal niet bang."
"Vooruit dan maar!" riep Gnoom.
"Dag Boschwachterskind," zei Kobold met z'n fijn kaboutertjesstemmetje.
't Meisje riep: "Hè!" want ze schrok 'n beetje. Kaboutertjes hebben zachte schoentjes en je kunt ze niet hooren loopen. Maar de schrik was gauw voorbij, want Kobold en Gnoom lachten erg vriendelijk. 't Meisje begon ook te lachen.
"Wat 'n aardige kleine mannetjes," zei ze. "Waar komen jullie vandaan?"
"Uit dat holletje onder dien dikken boom," antwoordde Gnoom. "Daar wonen we. We zijn kabouters."
"Wonen jullie in 'n holletje?" vroeg 't meisje. "Da's aardig. 'k Heb 'n konijntje. Maar 't is erg ziek, geloof ik."
"Mag ik eens kijken?" vroeg Kobold. "O jawel, kijk maar. 't Heeft z'n oogjes dicht, zie je wel?" 
"Wou je dat arme dier meenemen naar huis?" vroeg Gnoom.
"Ja," zei 't kind. "Ik zal het in 'n hokje zetten bij de andere konijntjes. Vader heeft er 'n heele boel. Witte en zwarte en bonte en bruine, maar geen een grijsje. Dit is 'n grijsje, zie je wel?"
"Maar 't is erg ziek," zei Kobold. "'t Zal dood gaan in het hokje."
"En 't hoort niet in 'n hokje," zei Gnoom. "Wilde konijntjes wonen net als wij in 'n holletje. Geef 't maar aan ons, dan mag 't bij ons wonen."
't Meisje keek eens naar 't konijntje. "'t is zoo'n lieverd," zei ze. "Zou 't echt doodgaan in 'n hokje?" 
"Vast," zei Kobold.
"Secuur", zei Gnoom.
"Hier heb je 't dan," zei 't kind. "Maar goed er voor zorgen hoor! En mag ik dan morgen eens komen zien?"
"Natuurlijk," riepen de twee kaboutertjes te gelijk.
Nu namen ze voorzichtig het konijntje van 't meisje aan. Maar 't was te zwaar voor één kaboutertje en daarom droegen ze het met hun beiden. Toen ze er mee wegstapten zeiden ze heel vriendelijk: "Dag Boschwachterskind."
"Dag kaboutertjes."
De kabouters droegen het konijntje voorzichtig het hol binnen en maakten daar voor het arme dier 'n zacht leger van mos. Toen gingen ze samen de kruiden zoeken, waar zieke menschen van genezen. Doch het konijntje wilde er niet van eten. 't Snuffelde er niet eens aan met z'n kleine neusje.
"Toe beestje," zei Gnoom, "proef er eens van. 't Is echt goed voor je." En Kobold zei: "Hij is tè ziek."
Het konijntje bleef den heelen dag stil liggen. Alleen z'n neusje trilde. De kabouters waren even stil, ieder in z'n hoekje en ze keken maar aldoor naar het gewonde beestje, eventjes zichtbaar bij 'n heel dun straaltje licht, dat door 'n gaatje in den grond, vlak boven het hoofd van Kobold, in het hol drong. Dat gaatje was zeker door 'n muis gemaakt. Maar de zon ging onder en nam het lichtstraaltje mee. De kabouters konden niet meer zien.
"Och, och," zuchtte Gnoom, na 'n poosje, "wat duurt zoo'n nacht lang."
"De zon is nog geen uur onder," prevelde Kobold. "Ga maar wat slapen."
"Slapen, terwijl die stumper daar pijn lijdt? Kun jij dat?" vroeg Gnoom. En 'n oogenblikje later riep hij verschrikt: "Kobold, Kobold, gauw, kom eens hier."
"Wat is er?"
"Kom hier. Waar is je hand.... Voel eens..."
"Z'n neusje is stil," zei Gnoom zacht. "En z'n hartje je klopt niet meer."
"Dood!"
Ze gingen nu beiden weer in hun hoekje zitten en zeiden den heelen langen nacht niets meer. Maar slapen deden ze niet. De een dacht aanhoudend aan den wreeden jongen en de ander aan het medelijdende meisje. En allebei waren ze erg bedroefd.
Den volgenden morgen, heel vroeg, hoorden ze 'n zacht stemmetje, dat riep: "Kaboutertjes!" en 'n oogenblik later weer "Kaboutertjes!"
"Daar is Boschwachterskind," zei Kobold. "Gnoom! hoor je niet. Boschwachterskind is er."
"'k Hoor het wel," zei Gnoom. "Ga jij maar."
"Toe Gnoom, ga jij," vleide Kobold. "Ik vind het zoo'n nare boodschap."
"Ik ook," antwoordde Gnoom. "Hoor, ze roept alweer. Laten we dan samen maar gaan."
"O, wat ben jullie langslapers," zei 't meisje, toen ze de kabouters zag.
"We hebben niet geslapen," zei Kobold.
"Niet geslapen?" vroeg 't kind verwonderd. "Slapen kaboutertjes niet?"
"Anders wel," zei Gnoom. "Maar 't konijntje..."
"Is 't beter?"
Kobold schudde van neen en Gnoom begon weer: "'t Konijntje is..."
't Kleine meisje zette 'n paar groote oogen op, want ze zag nu pas dat de kaboutertjes zoo'n treurig gezicht zetten. Toen vroeg ze: "Is het dood?"
"Ja," zei Gnoom, "we konden er niets aan doen."
"'t Wou geen kruiden innemen," zei Kobold.
"Die leelijke jongen had het te hard geraakt," zei Gnoom. "'t Kòn niet meer eten."
Boschwachterskind kreeg 'n kleur, toen ze hoorde, dat 'n jongen het konijntje kwaad had gedaan, want ze begreep wel, dat haar ondeugende broertje bedoeld werd. Opeens liep ze hard weg.
Gnoom keek haar verschrikt na en Kobold was vreeselijk boos op hem.
"Wat ben je toch dom," riep hij. "Was 't al niet erg genoeg, dat het konijntje dood is? En nu ga jij het verdriet nog grooter maken, door te zeggen, dat haar broertje 't gedaan heeft."
"Ik kon 't niet helpen," snikte Gnoom. "'t was er uit voor ik er aan dacht. Maar ik zal 't weer goed maken."
"Zoo," bromde Kobold, "kan jij dan maken, dat ze vandaag gèèn verdriet heeft over dat wreede de broertje?"
"Neen," zei Gnoom, "dat kan ik niet en dat spijt me erg. Maar ik kan haar wat moois geven. Ik weet echt wat moois. Je zult het zien. Dan maak ik het toch weer 'n beetje goed."
Kobold gaf geen antwoord en wandelde het bosch in. Gnoom wachtte nog even om Kobold na te kijken. Toen stapte hij het hol binnen, waar het doode konijntje lag.
