Kitabı oku: «De onderaardsche reis van Klaas Klim»

Yazı tipi:

Ludvig Holberg

De onderaardsche reis van Klaas Klim

Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400729

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK.

Inleiding, en begin deezer Reize.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Nederdaling op de Planeet Nazar.

DERDE HOOFDSTUK.

Beschrijving van de Stad Keba.

VIERDE HOOFDSTUK.

Van het Paleis des Vorsts van Potu.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Van den aart des Landschaps Potu; en van den inborst der Natie.

ZESDE HOOFDSTUK.

Van den Godsdienst des volks van Potu.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Van de Staatkunde.

AGTSTE HOOFDSTUK.

Van de Hooge School.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Reize van KLIM om de Planeet Nazar.

TIENDE HOOFDSTUK.

Reize naar 't Firmament

ELFDE HOOFDSTUK.

Togt naar vreemde Landen.

TWAALFDE HOOFDSTUK

Komst op den Kust van Quama.

DERTIENDE HOOFDSTUK,

Oorsprong der Vijfde Monarchy.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Onderaardsch Monarch.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK,

Droevige Uitgang deezer Geschiedenis.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchy.

Nu volgt het Bijvoegsel van ABELINUS.


INHOUD DER HOOFDSTUKKEN.


EERSTE HOOFDSTUK. Inleiding, en begin deezer Reize. TWEEDE HOOFDSTUK. Nederdaling op de Planeet Nazar. DERDE HOOFDSTUK. Beschrijving van de Stadt Keba. VIERDE HOOFDSTUK. Van het Paleis des Vorsts van Potu. VIJFDE HOOFDSTUK. Van den aart des Landschaps Potu, en van den inborst der Natie. ZESDE HOOFDSTUK. Van den Godsdienst des Volks van Potu. ZEVENDE HOOFDSTUK. Van deszelfs Staatkunde. AGTSTE HOOFDSTUK. Van de Hooge schoole aldaar. NEGENDE HOOFDSTUK. Reis van KLIM om de Planeet Nazar. TIENDE HOOFDSTUK. Reis naar 't Firmament. ELFDE HOOFDSTUK. Togt naar vreemde Landen. TWAALFDE HOOFDSTUK. Komst op den Kust van Quama. DERTIENDE HOOFDSTUK. Oorsprong der Vijfde Monarchij. VEERTIENDE HOOFDSTUK. KLIM Onderaardsch Monarch. VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Droevige uitgang deezer Geschiedenis. ZESTIENDE HOOFDSTUK. Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchij. Bijvoegsel van ABELINUS.

DE ONDERAARDSCHE REIS VAN KLAAS KLIM.

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK.
Inleiding, en begin deezer Reize.

Inhoudsopgave

Na dat ik in het Jaar 1664. op de hooge school te Koppenhagen een dubbel Examen ondergaan, en aldaar met goedkeuring van de Philosophische Faculteit had bekomen het zoogenaamde Loffelijke caracter, maakte ik mij gereed om weder naar mijn Vaderland te keeren, en begaf mij op een schip dat zeilreê lag naar Bergen in Noorwegen, pronkende met de heerlijke Testimonia van de welgemelde Faculteit; dog met eenen ledigen buidel. Mijn noodlot was gemeen met dat der overige Noorweegsche Studenten, die doorgaans van de Markt der Geleerdheid t'huis komen met eene schrale beurs. Dewijl wij eenen goeden wind hadden, zeilden wij, na eene voorspoedige reize van zes dagen, de haven van Bergen in. Dus wel geleerder, maar niet rijker, t'huis komende, bleef eenigen tijd mijne goede Vrienden, wier hulp mij ondersteunde, op den hals hangen; leidende juist voor 't overige geen lui of ledig leven. Want zijnde nu gewijd en overgegeven aan de Natuurkunde, ondernam ik die wetenschap door waarnemingen op te helderen, en de natuur en ingewanden des Aardkloots en der Bergen te onderzoeken; doorkruipende ten dien einde de allerafgelegenste oorden van ons Gewest. Geene rots was zoo steil, welke ik niet tragtte te beklimmen, nog geen afgrond zoo diep of zo afschuwelijk, waarin ik niet zogt neder te daalen, om aldaar te doorsnuffelen of ik ook iets mogte ontdekken, waardig het onderzoek eens Natuurkundigen. Want daar zijn in ons Vaderland zeer vele zaken, die wij nooit gezien, of van welke wij nooit gehoord hebben; en indien ze in Frankrijk, Italië, Duitschland, of in eenig ander Gewest, vrugtbaar in, en pochende op zijne zeldzaamheden, gevonden wierden; wij zouden daar van gehoord, geleezen en die bezigtigt hebben. 't Gene mij onder dezelve 't aanmerkenswaardigste voorkwam, was eene Spelonk met eene wijde en steile openinge boven op eenen Berg, welken de inlanders Flöien heeten. En wijl de opening van die Spelonk een zagt en gantsch geen onaangenaam windje bij poozen uitgeeft, zoo egter, dat zij als door geduurige snikken, nu haaren mond schijnt te openen, dan wederom dien te sluiten; dagten de Geleerde Bergenaars, en vooral de vermaarde Abelinus en de Conrector der Schoolen aldaar, de Groote Eduard, dat heldere licht beide in de Sterre- en Natuurkunde, dat dit eene zaak was waardig het onderzoek en de naspeuringen der Wijsgeeren; en hadden zelfs meenigmaal hunne Landsluiden, vermits zij zelve door hunne hooge jaaren daar in belet wierden, aangespoort, om de natuur en eigenschap deezer Spelonk wat nader te onderzoeken: voornamentlijk nadien dezelve, als op gezette tijden, en even als een mensch, die zijn adem haalt, den ingehaalden wind met geweld wederom uitgaf.

Ik dan, zoo door hunne redenen, als uit mijnen eigen aart, aangespoord, ondernam in deezen afgrond neder te daalen, en gaf mijn Voornemen aan eenige mijner Vrienden te kennen. Dog mijne onderneming mishaagde hen ten hoogsten, en zij kreeten die uit voor den toeleg van een uitzinnig en wanhoopig mensch. Dog alle die vermaningen konden mijne driften niet vertraagen, veel min afwenden, en 't geen de vuurigheid in mijn ontsteken brein hadt moeten uitblussen, diende niet anders, dan om dezelve nog des te meer te doen blaken; aangezien de brandende drift die ik had, om zaken in de Natuur te ontdekken, mij aanzettede, om alle gevaren te ondergaan: waar bij nog kwam, dat de schrale beurs de sporen gaf aan een paard dat van zelf op den loop was. 't Hammetje was tot mijnent gekloven; en langer in mijn Vaderland, alwaar mij alle hoop van voort te komen was afgesneden, van eens anders brokken te leeven, was eene zaak, daar ik tegen op zag: ik scheen tot den bedelzak voor altoos verwezen, en de weg tot eerampten en goederen gesloten, ten ware ik door 't een of 't ander heldenstuk beroemd wierd. Met een vast voornemen dan, en voorzien van al wat tot den aanslag noodig was, stapte ik, op eenen donderdag, met schoon en helder weêr, ter stad uit, in 't krieken van den dag, op dat ik, mijn werk verrigt hebbende, nog voor den donker, weder zoude konnen binnen de poort komen: want weinig wetende wat mij over 't hoofd hing, kon ik niet voorzien dat ik als een andere Phaëton nederwaards te tuimelen, en, na lang dwalens door de lugtstreeken, als in eene andere Waereld geschopt, niet dan na een tienjaarig omzwerven weder mijn Vaderland en Vrienden stont te zien.

't Was dan in 't jaar '665. dat ik deezen togt ondernam: geduurende 't Burgermeesterschap van Johan Munte en Laurens Severini: Raden zijnde: Christiern Bartholdi en Laurens Scandius. Op mijne reize wierd ik verzelt door vier, die daar toe gehuurd waren, en die de touwen en haaken, welke mij in 't afklimmen noodig waren, mede droegen. Wij namen den weg regt toe op Sandwijk, alwaar men gevoeglijkst den berg opklimt: boven op den top des bergs geklautert, en ter plaatze gekomen zijnde alwaar dat noodschikkelijk hol was, zaten wij, vermoeid zijnde van de ongemakkelijke reis, wat ter neder, en namen het ontbijt. Toen begon mij 't hart, als door een voorspook van het aanstaande ongeluk voor de eerste maal beklemt te worden. Keerende mij derhalven naar mijne Makkers, vraagde ik hen, of 'er iemand lust hadt, om op deezen togt de eerste te wezen? Dog wijl niemand daar op antwoordde, voelde ik mijne verflaauwde drift op nieuw, ontbranden: ik gebood hen het touw om mijn lijf te binden, en dus reisvaerdig staande, beval ik mijne ziel aan God. Staande nu gereed om neder te daalen in de Spelonk, onderrigtte ik mijne makkers, wat zij vervolgens hadden te doen: namentlijk dat zij het touw maar hadden te laaten schieten, tot dat zij mij zouden hooren roepen, op welk teeken zij het touw moesten, ophouden, en, ingevalle ik bleef roepen, mij schielijk uit het hol ophaalen. Ik hield in mijne regterhand eenen haak, welken ik noodig had, om, zoo 'er in 't nederdaalen eenige beletzelen zig opdeeden, die uit den weg te ruimen, en mijn lichaam vlak in 't midden des hols te houden. Maar naauwelijks was ik tien of twaalf ellen nederwaards gedaalt, of het touw brak aan stukken. Dat ongeluk vernam ik door het daarop volgende geschreeuw en gehuil der huurlingen; dog 't geen welhaast verdween: want ik viel met eene ongelooflijke snelheid in die diepte, en even als een andere Pluto: alleen met dat onderscheid, dat mijn haak mij voor een scepter diende. Ik tuimelde dan nederwaarts, en de gespleten aarde baande mij den weg ten afgrond.

Omtrent den tijd van een kwartier-uurs, voor zoo veel ik in die gemoedsgesteltheid kon gissen, had ik mij bevonden in een dikke duisternisse en in eenen gestadigen nagt, wanneer eindelijk een flaauw licht, niet ongelijk aan 't eerste schemerlicht des dags, begon te flikkeren, waar op terstont een heldere en klaare lucht doorbrak. Ik beeldde mij dan dwaaslijk in, dat ik, of door de wederstuiting der onderaardsche licht-deelen, of door de kragt eens tegenwinds te rug was gekaatst, en dat die Spelonk mij met verdubbeling haarer ademhaaling als weder op den Aardbodem hadt uitgespogen. Dog zoo wel de Zon welke ik toen zag, als de Lugthemel en de overige Gesternten waren in mijne oogen onbekende Verschijnselen, aangezien de gene welke ik thans beschouwde, kleinder waren, dan die zig aan ons uitspansel vertoonen. Ik stelde derhalven vast, of dat het gantsche stelsel van dien nieuwen hemel bloote harssenschimmen waren, veroorzaakt door de zwijmeling mijns hoofds, of ik waande bereids dood te zijn, en tot de verblijfplaatzen der gelukzaligen overgedraagen te worden. Maar korts daar na ziende mij zelven voorzien met eenen haak, en dat mij de lange slenter van het touw nasleepte belachte ik dat laatste gevoelen; al te wel bewust zijnde dat men op de reize naar 't Paradijs geenen haak nog touw noodig heeft, en dat de hemellingen geen behagen konnen scheppen in eenen opschik, waarmede ik, naar het voorbeeld der Reuzen, kon schijnen den hemel te bestormen, en de goden van daar te willen verdrijven. Eindelijk, na ernstige overweginge, viel ik in dat begrip, dat ik in den onderaardschen hemel was overgevoerd, en dat niet dan al te waar waren de gissingen der gener die stellen, dat de Aardkloot hol is, en dat 'er onder deszelfs korst eene andere Waereld, kleinder dan de onze, en een andere Hemel, door eene Zonne, Sterren en mindere Planeten onderscheiden, gevonden worden. En de uitkomst deedt zien, dat ik den spijker op 't hooft had geslagen.

De geweldige aandrang, waar mede ik naar beneden wierd gevoert, hadt nu al eenigen tijd geduurt, wanneer ik eindelijk bespeurde dat die allengskens verflaauwde, naar mate dat ik eene Planeet, ofte wel eenig ander hemelsch lichaam 't geen ik in 't nederdaalen ontmoette, nader kwam. Die zelve Planeet begon allengskens zoo groot te worden, dat ik eindelijk door eenen dikken dampkring, waarmede zij omringd was, in dezelve bergen, dalen en zeeën zonder moeite konde onderkennen.

Gelijk de Zee-meeuw langs de baaren

De steile rots en 't bogtig strand

Gestadig om en om gaat waaren,

En leeft in zee en op het land;

Zoo zweefd' ik tusschen aard' en hemel,

En zag zelfs 't onderaardsch gewemel.

Toen bespeurde ik ook, niet alleen dat ik was hangende en als zwemmende in de lugt, maar ook dat de beweging van mijn lichaam, die tot nog toe regt nedergaande was geweest, begon krings-gewijs te worden. Hier over reezen mij de hairen te berge, vreezende dat ik in eene Planeet ofte eenen wagter van eene daar aan nabuurige Planeet zoude worden hervormt, om tot in alle eeuwigheid in eenen geduurigen kring te worden omgevoert. Maar toen ik bedagt, dat mijne agtbaarheid door zoodanige gedaantverandering niets stont te verliezen, en dat dat hemelsch lichaam, of deszelfs wagter ten minsten in gelijke waardigheid zoude staan met die van eenen bedel-student in de Wijsgeerte, schepte ik weder moed: vooral, wijl ik mij zelven door de hulp van een gezuiverder en hemelscher lugt, waar in ik was zweevende, nog door dorst nog door honger gepraamd vond. Toen ik mij egter te binnen bragt, dat 'er brood in mijnen zak was (de Bergenaars noemen het Bolken, dat doorgaans langwerpig en van eene ei-ronde figuure is) nam ik voor, dat uit mijnen zak te nemen, en te onderstaan, of 't mij ook in dien toestand van zaken nog smaken zoude. Maar straks bij de eerste beete ondervindende dat alle aardsch voedzel mij eene walging veroorzaakte, wierp ik dat weg, als eene zake die nu nergens toe nut was. Dog 't weggeworpen brood bleef, ô wonder! niet alleen in de lugt hangen; maar begon eenen kleinen kring rondsom mij te maken. Zedert dien tijd begon ik te verstaan de waaragtige wetten der beweeging, waar door alle zaken in evenwigt gesteld zijnde overslaan tot eene krings-beweging. Dit bragt te weeg, dat, daar ik mij zelven nog onlangs had aangemerkt als de speelpop der Luk-Godin, ik thans begon te zwellen van hoogmoed, ziende mij zelven aan niet alleen als eene gemeene Dwaalsterre, maar wel als zodanig eene, die gestadig omringd was van haaren wagter, dermaten, dat ik onder de grootste Sterren of ten minsten onder de Planeten van den eersten rang konde worden gerekent. En om mijne zwakheid niet te verzwijgen, ik wierd bevangen van zoodanig eenen hoogmoed, dat, bijaldien ik alle de Burgermeesters en Raden van Bergen te gelijk was tegen gekomen, ik ze over schouder aangezien, voor verzeltjes gerekent, en niet waardig zoude hebben geoordeelt, dat ik ze gegroet, of mijnen haak voor hen zoude hebben laaten zakken.

In dien toestant bleef ik bijna drie volle dagen. Want aangezien ik omtrent de Planeet die mij de naaste was zonder ophouden zweefde, kon ik de dagen uit de nagten niet onderkennen, ziende de onderaardsche Zonne nu eens op dan weder ondergaan, en buiten mijn gezigt verdwijnen, schoon ik nooit nagt, zo als die bij ons is, gewaar wierd. Want met het ondergaan der Zonne, vertoonde zig aller wegen het heldere en purperverwig uitspansel, niet ongelijk aan 't schijnsel der Maan, 't geen ik oordeelde de binnen-zijde der korst of des halfronds van den onderaardschen Aardbodem te zijn, welke dat licht van de onderaardsche Zon, geplaatst in 't middel-punt deezer Waereld, ontleende. Deeze veronderstelling maakte ik mij, als een man die niet geheel en al onbedreven was in de kennisse van de Natuur-kunde der hemelsche lichamen. Dog terwijl ik dagt, dat ik met dat geluk nabij den staat der goden was, en mij zelven beschouwde als een nieuw Gesternte, dat met deszelfs wagter, waar mede het omringd wierd, nu eerlang van de Sterrekijkers der naaste Planeet op de naamrolle der Sterren stondt te worden gestelt; zie daar! een nieuw gevleugeld wangedrogt, dat nu eens mijne regter-, dan mijne linkerzijde, dan wederom mijn hoofd dreigde. Met den eersten opslag dagt ik niets anders, of het was een uit de twaalf onderaardsche Hemelteekenen, wenschende daarom, zoo anders mijne gissing waar was, dat het de Maagd mogte weezen, aangezien alleen dit teeken (te weten de Maagd) uit het gantsch zamenstelsel der twaalf teekenen in die eenzaamheid, eenige hulp en troost aan mij konde toebrengen. Dog toen mij dat lichaam wat nader bij kwam, bevondt ik dat het een vervaarlijk groote Griffioen was. Toen wierd ik met zoodanig eene vreeze bevangen, dat ik, vergetende mij zelf en mijne gesternde waardigheid waar toe ik onlangs was overgebragt; mijn Academisch Testimonie 't welk ik bij geval in mijnen zak had, daar uit haalde, om het mijnen vijand voorde neus te leggen, en hem te toonen, dat ik mijne Academische Examens had ondergaan; dat ik een Student, en wel een Baccalaureus was, die, wat voor eene buitenpartij mij ook mogte bejegenen en aandoen, het regt had, deszelfs geregts-dwang als onbehoorlijk te verwerpen. Dog die eerste drift wat verkoeld zijnde, en na dat ik tot mij zelven was gekomen, belachte ik mijne dwaasheid. Nu stondt het nog te bezien met wat oogmerk mij die Griffioen verzelde: of hij vijand was, of vriend; dan of hij enkel en alleen vermaak scheppende in de ongewoonheid der zake, nader komende alleenlijk zijn oog wilde verlustigen. Want het gezigt van een menschelijk lichaam in de lugt rondom draaijende, en in de regterhand eenen haak houdende, en eenen langen slenter van een touw als eenen staart agternaslepende, was een verschijnsel, 't geen ieder onvernuftig dier tot deszelfs beschouwinge konde aanlokken: ja die ongewoone figuur, welke ik toen vertoonde, heeft, zoo als ik naderhand vernam, gelegenheid gegeven aan de bewoonders van den Aardbol, rondsom welken ik zweefde, tot verscheide redeneringen en gissingen. Want de Wijsgeeren en Wis-konstenaars meenden dat ik eene staartsterre was, en namen het stuk touws voor den staart. Ook ontbraken 'er geene, die oordeelden dat met een zoo ongewoon hemelschijnsel eene aanstaande plage, 't zij Pest, Hongersnood, of eenige andere aanmerkelijke veranderinge gedreigt wierdt. Eenige gingen nog verder, en teekenden mijn lichaam, zoodanig als zij 't van verre hadden beschouwd, zeer naauwkeurig uit: invoegen ik al beschreven, omschreven, uitgeschildert en in 't koper gesneden was, eer ik nog eenen voet op dien aardbol gezet had. Dat alles heb ik niet zonder lachen en vermaak konnen aanhooren, zoo haast als ik, in deeze Waereld overgebragt, de onderaardsche taal geleert had.

Dog staat te letten, dat 'er ook onverwagt opkomende Sterren zijn, bij de onderaardlingen Sciscisi, dat is gehairde, geheeten, welke van hen beschreven worden schrikkelijk te zijn door haar bloedig hair, en op de borstelige kruin als een soort van lang hooft hair te hebben: in voegen haar de maane op de wijs van eenen langen baard overeind staat. Hiervan daan worden ze aldaar niet minder dan in onze Waereld onder de hemelsche wonderteekenen gerekent.


Dog, om 't weder op te vatten daar wij 't gelaten hebben, de Griffioen was mij nu zoo na gekomen dat hij mij al bereids met het slaan zijner wieken begon te raken en eindelijk verscheide neepen met zijnen bek in mijn been begon te geven. Dit was de reden, dat ik dat strijdbaar dier gewapenderhand begon te bespringen; en nemende mijnen haak met beide mijne handen, bedwong ik mijns vijands stoutheid, noodzakende hem ettelijke maalen te wijken; en eindelijk, toen hij voortging met mij te sarren, na een en andermaal te vergeefs op hem gestooten te hebben, dreef ik den vogel met zoodanig een geweld den haak tusschen beide de wieken, dat ik 'er hem niet weder konde uittrekken. De vogel, zig gewond voelende; maakte een afgrijsselijk gedruis, en stortte van boven neder op den Aard-bol: en ik, die nu al verdriet begon te krijgen in mijnen gesternden staat en nieuwe waardigheid, welke ik, gelijk het doorgaans gaat, had gezien te weezen bloot gestelt aan menigerlei gevallen en gevaaren

Wierd weggesleept: en 't was des Vogels welbehagen

Mij tot aan 't Sterr'-gewelf in zijnen vlugt te dragen:

En na dees verre reis rukt hij mij naar een grond,

Waar van men nooit iets las, en dien nooit iemand vondt,

Niet anders was mijn val, als die, wanneer een Sterre

Schijnt uit het Hemel-dak te tuimelen van verre,

En neêr te storten op ons Aardrijk: daar verschiet

Een' Sterre, zegt het volk; maar 't weet de reden niet.

En aldus wierdt de kringswijze beweging, hier boven gemeld, in eene regtstandige beweginge verandert.

Aldus dan met eenen grooten aandrang voortgesleept en door de ontmoetende deeltjes van een verdikter lugt, welkers gehuil mij de ooren deedt tuiten, als gestadig voortgezweept wordende, viel ik eindelijk zagtjes, en zonder mij te bezeeren, op dien Aardbol neder te gelijk met den vogel; dog die eerlang aan zijne wonde kwam te sterven. Het was nagt toen ik op deese Planeet kwam, 't geen ik alleenlijk konde afnemen uit de afweezigheid der Zonne; dog geenszins uit de duisternisse, vermits het aldaar nog zoo licht was, dat ik mijn Academisch Testimonie duidelijk kon zien te leezen. Dit nagt-licht komt voort uit het uitspansel of de binnenwaardsche korst der Aarde, welkers halfrond een schijnsel van zig geeft, even als de Maan bij ons doet: zulks, zo 't alleenlijk op 't licht aankomt, 'er alhier weinig onderscheid is tusschen dag en nagt, als alleenlijk dit, dat de Zon afwezig is, en dat door deszelfs afwezen, de nagten kouder zijn.

TWEEDE HOOFDSTUK.
Nederdaling op de Planeet Nazar.

Inhoudsopgave

Wanneer ik nu, deeze hemelsche Schipvaart aldus afgelegd hebbende, behouden en onbezeert op dien Aardbol was neergedaald (want de vaart welke de Griffioen in 't begin maakte, begon met het afnemen zijner kragten allengskens te minderen) lei ik eenen tijd lang als onbeweeglijk, afwagtende wat mij, als 't dag geworden was, zoude mogen bejegenen. Toen bevond ik dat de voorige zwakheden mij weder bijkwamen, en dat ik zoo wel slaap als spijze nodig had; invoegen 't mij begon te spijten dat ik het brood hadde weggeworpen. Een diepe slaap dan begon mij, door verscheidene angstvalligheden en kwellingen afgemat zijnde, te bekruipen. Nu had ik, naar gissinge, twee uurtjes leggen ronken, wanneer een afschuwelijk geloei, dat lang mijn rust gestoort hadt, eindelijk mij geheel en al den slaap verdreef. Veele wonderlijke gezigten hadden mij bereids, terwijl ik nog sliep, in de zinnen leggen maalen. Mij dagt ik was in Noorwegen wedergekeerd, en verhaalde aldaar aan mijne landslieden 't geene mij bejegent was. Ik beelde mij in, dat ik in de kerk te Fanoe niet wijd van de Stad af was, en dat ik aldaar den Diaken Niclaas Andriesz hoorende zingen, het gehuil zijner stemme, gantsch onaangenaam en als naar gewoonte, in mijne ooren klonk: waarom ik wakker wordende geloofde, dat het gebalk van dien kaerel mij in mijnen slaap gestoort hadt. Maar toen ik niet wijd van mij af eenen Bul zag staan, bevroedde ik wel, dat deszelfs gebulk mijne rust had afgebroken. Slaande daarom al bevende mijne oogen rondom, zag ik met het opgaan der Zonne allerwegen grazige velden en vrugtbaare akkers. Daar deeden zig ook boomen op; maar, wonderlijk gezigt! zij waren beweegbaar, hoe zeer het ook zulk een stil weêr was, dat zelfs het allerligtste veêrtje zig niet verroerde. Wanneer nu de loeijende Bul regt toe op mij aankwam, zogt ik, al bevende, naar een goed heenkomen; en ziende in die bevreestheid eenen boom, niet verre van mij afstaande, trachtte ik daar op te klauteren. Maar toen ik daar mede bezig was, begon hij een fijn stemmetje van zig te geven, dog scherp, en even zodanig als dat van een gramstoorig wijf, en terstond daar op kreeg ik al met eenen uit der lengte zulk eene oorvijg, dat ik in zwijm rakende op mijn neus viel. Door deezen klap als door eenen donderslag getroffen, en door vrees eenen tijd lang beteutert leggende, hoorde ik allerwegen gebons en geraas, even gelijk men doorgaans hoort in de Vleeschhal, of op de Beursen der kooplieden, wanneer 't aldaar op zijn drukste is. Na dat ik mijne oogen geopent had, zag ik dat het gansche bosch rondom mij leevendig, en het veld met groote en kleine boomen beslagen was, daar men 'er even te vooren slegts zes of zeven hadt konnen tellen. Het is bijna onmogelijk uit te drukken, hoedanig alle deeze dingen mij de harssenen ontstelden, en hoe zeer ik door alle deeze guichelarijen als in de ziel beroerd wierd. Nu dagt ik, wakker zijnde, te droomen: dan, dat ik van de spooken geplaagd, en door Heintje Pik bezeten wierd: dan wederom beeldde ik mij nog iets wanschikkelijkers in. Dog ik had den tijd niet om alle deeze konst werktuigen en derzelver oorzaken te onderzoeken: want een andere boom terstont toevliegende, stak eenen tak uit, welkers uiterste met zes botten, als met zo veele vingers was voorzien. Hier mede greep hij mij, ligtte mij op van de aarde, en voerde mij, die niets deed dan schreeuwen, van daar weg, onder 't gezelschap van een onnoemelijk getal boomen van allerlei soort en grootte, die een geluit en gegons uitgaven, dat wel naar eene taal geleek, dog die egter vreemd was voor mijne ooren; zoo dat ik daar van niets anders dan de woorden Pikel Emi, vermits dezelve dikwils herhaald wierden, hebbe konnen onthouden. Eerlang hoorde ik dat die woorden zeggen wilden: een Aap van eene ongewoone figuur: want uit de gedaante en opschik van mijn lichaam gisten zij dat ik een Aap was, schoon in 't soort een weinig verschillende van de Meerkatten welke in dit Land vallen. Andere hielden mij voor eenen inwoonder van het Firmament, welken zij dagten dat de Vogel door de lugt aldaar gebragt hadt; 't geen eertijds door de Jaarboeken van dien Aardbol bevestigt wierdt meer geschied te zijn. Dog alle die dingen vernam ik niet, dan eenige maanden daarna; en na dat ik de onderaardsche taal was magtig geworden: want in dezen tegenwoordigen toestand van zaaken had ik door vrees en gemoeds-onsteltenis mij zelf vergeten, geen bezef konnende maaken, wat ik van die levende en sprekende boomen had te denken, nog waar toe deeze omgang, die traag met eenen langzaamen tred voortging, dienen mogte: want die boom, op welken ik voor den Stier vlugtende had willen klimmen, was de huisvrouw van den Richter der Stad, die mede in de naaste Stad Richter was, en de waardigheid der beledigde persoon verzwaarde de misdaad: want het scheen dat ik, niet een slegt vrouwspersoon of van 't geringste slag, maar eene Matroone van den eersten rang opentlijk had willen zoeken tot mijne Devotie te krijgen. Dit was een ongemeen en afgrijselijk schouwspel voor zulk eene zedige en eerbare Natie. Eindelijk kwamen wij in de Stad werwaards ik gevangen gebragt wierd. Dezelve pronkte niet minder door pragtige gebouwen dan door de sierlijke orde en evenredigheid der wijken, buurten en straaten. De huizen waren zoo hoog en aanzienlijk dat ze naar toorens geleeken. De straaten waren vol wandelende boomen, welke door 't laten zakken haarer takken zig in 't ontmoeten onderling begroeteden, en hoe lager zij hunne takken lieten vallen, hoe grooter bewijs zulks was van eerbied en onderwerpinge: invoegen dat een eike-boom ter zelver tijd komende uit een aanzienlijk huis, op deszelfs gezigt, alle overige boomen hunne meeste takken hangen latende, agter uit gingen: waar uit men konde opmaken, dat die eik wat meer dan gemeen was. En 't leet niet lang of ik vernam dat hij de Richter der Stad was, en wel die zelve, wiens huisvrouw voorgaf door mij beledigt te zijn. Terstont wierd ik naar boven in dezes Richters huis gebragt, alwaar van stonden aan de deur wierd agter mij gesloten en gegrendelt, waarom ik mij zelven begon aan te merken, als verwezen tot het rasphuis. 't Geen deeze vreeze kragtig in mij vermeerderde was, dat 'er drie wagters als op schildwagt voor de deure wierden geplaatst, elk gewapent met zes bijlen, naar 't getal haarer takken: want zo veele takken al zij hadden, waren zoo veele armen, en zoo veele botten, zoo veele vingers. Ik bemerkte dat boven op de stammen hoofden stonden, niet ongelijk aan die der menschen, en in plaats van wortels zag ik twee voeten die zeer kort waren, waar door het komt, dat de Inwoonders deezer Planeet kroopen als slakken; zulks dat indien ik niet geboeid was geweest, het mij ligt zoude hebben gevallen hen te ontsnappen, mits ik, vlugger ter been zijnde, hen scheen te vliegen.

Een Portuaansch Inwoner

Om mijn verhaal kort te maaken: ik kon nu klaar bespeuren dat de boomen de Inwoonders deezes Aardbols waren, en dat dezelve waren begaaft met redelijk verstant: en ik verwonderde mij over de verscheidenheid, waar mede zig de Natuur in 't formeeren der bezielde wezens schijnt te verlustigen. Deeze boomen komen in grootte geenszins bij de onze, aangezien de meeste de gemeene lengte van een mensch niet overtreffen, en eenige nog zelfs daar onder waren; men zou die genomen hebben voor bloemen of planten, en ik zag dezelve aan voor kinderen. Wonderlijk is 't, in hoedanigen doolhof van gedagten mij die verschijnzelen vervoerden, hoe veele zugtingen zij mij gekost, en hoedanig verlangen naar mijn lieve Vaderland zij in mij hebben doen opkomen. Want alhoewel mij die boomen gezellig scheenen, 't geluk hadden, om zig van eene taal te bedienen, en met een soort van reden begaafd te zijn, zoo dat ze eenigermaten onder de redelijke Schepzelen konden worden gerekent; egter twijfelde ik, of zij met menschen konden worden gelijk gestelt, en ik kon niet zien dat de geregtigheid, de goedertierenheid, en andere zedelijke deugden onder hen gevonden wierden. Door deeze onrustige gedagten geslingert wordende, voelde ik dat mijne ingewanden beefden; en uit de bronnen mijner oogen vloten als rivieren van traanen over mijn aangezigt. Dog terwijl ik aldus mij overgaf aan de droefheid, en toen ik als een wijf stont te huilebalken, traden mijne wagters in mijne kamer, welke ik, uit hoofde der bijlen die zij droegen, niet anders dan voor beulen konde aanzien. Deeze vooruitgaande wierd ik de Stad door naar een voornaam huisgebragt, staande in 't midden der Stad. Ik beeldde mij zelf toenter tijd in, dat ik Dictator geworden was, en hoger gezag had dan een Burgermeester van Rome: aangezien 'er slegts twaalf bondelbijlen voor de Burgermeesters wierden gedragen, daar ik 'er met agttien omringd was. Aan de poort van het gebouw, werwaards ik gebragt wierd, stond het stantbeeld der Justitie uitgehouwen in de gedaante eenes booms, houdende met een haarer takken eene Weegschaal. Het beeld zelf geleek eene Maagd, stuurs van aanzien, scherp van gezigt, aanzienlijk, niet door eene lafhartige of wreede, maar door eene zekere ontzachelijke somberheid. Dit deedt mij klaar zien, dat hier de Raadsvergadering gehouden wierdt. Gebragt zijnde op het Raad huis zelf, welkers vloeren met ingeleide marmersteen pronkten, zag ik aldaar eenen verhevenen boom in een verguld gestoelte als op den Richterstoel, met twaalf bejaarde bijgevoegde Raadsheeren, die in eene welgeschikte orde en in even zoo veele gestoeltens aan de regter- en slinker-hand des Presidents geplaatst waren. De President zelf was een Palmboom boom van een middelmatige hoogte, welken de verscheidenheid zijner bladeren, die met allerlei kleuren geverft waren, boven de andere Richters aanzienlijk maakte. Aan beide zijne zijden stonden Deurwaarders, wel tot vierentwintig in getal, welke ieder gewaapent waren met zes bijlen. Een schouwspel, dat schrikkelijk in mijne oogen was, mits ik uit deezen gewapenden toestel deeze Natie voor bloeddorstig hield. De Raadsheeren op mijne inkomste opstaande, verheften hunne takken hemelwaards, welke Godsdienstige daad verrigt hebbende, gingen zij wederom zitten. Na dat zij alle nedergezeten waren, wierd ik in 't midden tusschen twee boomen voor de balie gebragt, welkers stammen met schapenvagten rondom bekleed waren. Ik zag ze aan voor Advocaten; en zij waren 't ook inderdaad. Alvorens zij hunne pleidooien begonnen, wierdt des Presidents hooft met verscheide zwarte deekens bewonden. Daarop begon de aanlegger eene beknopte redenvoering te doen, welke hij tot drie maalen toe herhaalde, en wierd met gelijke kortheid door den verweerder beantwoordt. Op hunne pleidooijen volgde een stilzwijgen van een halfuur. Toen stont de President, na dat hem het deksel van 't hoofd was afgenomen, op, en andermaal zijne takken hemel waards heffende, sprak hij eerbiediglijk eenige woorden, welke ik oordeelde mijn vonnis te behelzen: want niet zoo haast hieldt hij op van spreeken, of ik wierd weder te rug gebragt naar mijn oude rasphuis, zulks ik mij niet anders voorspelde, dan eerlang uit deeze bewaarplaats aan de geesselpaal te zullen worden gezet. Aldaar alleen gelaten, na dat ik mij al het voorgevallene had te binnen gebragt, belachte ik de dwaasheid dezer Natie: want het scheen mij toe, dat zij veel eer een tooneelspel hadden gespeelt, dan Justitie geoeffent, en alles 't geen ik had gezien, aangaande hunne gebaarden, opschik, wijze van procedeeren enz, geleek eerder naar openbaare spelen of klugten van Tooneelspeelders, dan naar staatige Gerichtsplaatzen. Toen was het ook dat ik het geluk onzer Waereld, en de voortreffelijkheid der Europische Natie boven dat van alle andere Volkeren roemde. Maar schoon ik de domheid en dwaasheid deezer onderaardsche Natie veroordeelde, moest ik egter al met een bekennen, dat zij te onderscheiden waren van het onvernuftige Vee: want de schoonheid hunner Stad, de evenredigheid der gebouwen, en veele andere zaken gaven klaar te kennen, dat deeze boomen niet ontbloot waren van redelijk verstand, en niet geheel en al onbedreven in konsten en wetenschappen, vooral der konstwerktuigen. Dog ik was van gedagten, dat in dit land alle deugd en voortreffelijkheid ophielden.

Terwijl ik aldus bij mij zelf sprak, kwam 'er een boom met een Lancet in de hand, welke mij mijne borst ontblootende, en mijnen eenen arm opgestroopt hebbende, volmaaktelijk naar de konst aderliet. Na dat hij daar uit zo veel bloed getrokken hadt, als 'er scheen vereischt te worden, leide hij, met geen minder handigheid, het verband. Dus zijn werk gedaan, en 't bloed naauwkeurig bekeeken hebbende, vertrok hij, zonder een woord te spreeken, als opgetogen in verwondering. Alle deeze dingen versterkten mij in 't gevoelen 't geen ik wegens de dwaasheid deezes Volks had opgevat. Dog zoo haast was ik de onderaardsche taal niet magtig, en alles mij nader beduid geworden, of de veragting veranderde in verwondering. De manier van procedeeren welke ik onbedagtelijk veragt had, wierdt mij aldus uitgelegt: uit de gedaante van mijn lichaam hadden zij mij aangezien voor een inwoonder des Firmaments. Ik was hen voorgekomen als zulk een die eene eerlijke Matroone van den eersten rang had willen geweld aandoen. Over deeze misdaad was ik als schuldig naar de Vierschaar gesleept. De eene Advocaat had mijne misdaad zeer verzwaard, en daar over straffe gevordert ingevolge de wet: dog de ander had juist wel de straf niet verbeden; maar aangeraden dezelve uit te stellen, tot dat het bekend was geworden, wie, hoedanig, en waar van daan ik was; en of ik een beest of redelijk schepzel was. Verders vernam ik dat het opsteeken der takken een gewoonlijk Godsdienstig bedrijf was, eer men tot beslissing eener zaak, overging. De Advocaten waren met schapen-vagten bekleed, op dat zij gedagtig zouden zijn der onnozelheid en der opregtigheid in 't bedienen van hun beroep. En inderdaad zijn ze alle vroome en opregte luiden: waar uit het blijkt, dat 'er in eenen welgestelden Staat vroome en eerlijke Advocaten konnen zijn. Tegen de gene die haaren pligt niet betragten, zijn zoodanige strenge wetten afgekondigt, dat 'er voor vitteren en bedrog geen dekmantel te vinden is, dat 'er geen afbidden van trouwloosheid, geen berging voor de lastertaal, geen huisvesting voor oneerbiedig spreeken, nog geen uitvlugt voor loopjes meer is overgebleven. De woorden driewerf te herhaalen plagt te geschieden om de traagheid in 't bevatten, waar in de Inwoonders deezes Aardskloots van alle andere Volkeren worden onderscheiden: want maar weinige was het gegeven te verstaan 't geen zij ter loops geleezen hadden, of te begrijpen 't geen zij maar eens gehoord hadden. De gene die aanstonts een ding begreepen, wierden gehouden ontbloot te wezen van gezond oordeel, en daarom wierden dezelve zeer zelden toegelaten tot hooge en gewigtige bedieningen: aangezien men aldaar op de proef hadt ondervonden, dat de Staat in gevaar was geweest onder 't bestier der gene, die van een zeer vaardig begrip waren, en die gemeenlijk schrandere geesten genoemt worden: maar dat de langzaame van begrip, en die, bij veragtinge, domkoppen worden geheeten, weder te regt gebragt hadden, 't geen de eerstgemelde hadden in de war gesmeten. Alle deeze dingen waren mij zo veele wonderspreuken, dog na ernstig onderzoek, scheenen ze mij zoo vreemd niet. Maar allermeest was ik verwondert over de voorvallen van die de Presidents plaats bekleedde: (want men moet weten dat die eene Maagd was, gebooren in die Stad, en van den Souverain aangesteld tot Kaki of Oppersten Richter in de Stad:) want bij dit volk word geen onderscheid altoos van kunne gemaakt in 't uitdeelen der eerampten, maar eene verkiezing gedaan zijnde, worden de zaken, rakende het Gemeenebest, den waardigsten toebetrouwd. Om nu naar behooren van eens ieders bekwaamheden en gaven te oordeelen, zijn 'er kweek-schoolen aangelegt, welker Opzienders of Bestierders genoemd worden Karatti: ('t woord wil eigentlijk te kennen geven Onderzoekers of Naspeurders). Deezer werk is, de bekwaamheid en kragten van een iegelijk te onderzoeken, den aart en inborst der jeugd in den grond in te zien, en na gedaan onderzoek aan den Souverain jaarlijks op te leveren eene naam-lijst der gene, die tot Staats-ampten konnen worden toegelaten; en daar bij te kennen te geven in welke zaken een iegelijk het Vaderland meest ten nutte kan verstrekken. Deeze naamrolle der Candidaten ontvangen hebbende, beveelt de Souverain dezelve te boek te stellen; op dat hij in zijn geheugen en als voor zijne oogen mag houden de gene welke hij met de openstaande bedieningen staat te bekleeden. De bovengemelde Maagd hadt vier jaren van te vooren van de Karatti een schoone Attestatie gekregen, en daar op was zij van den Souverain aangesteld tot Presidente van den Raad deezer Stad, waar in zij gebooren was, Deeze gewoonte wordt heilig en onschendbaar bij de Potuaners onderhouden: vermits zij vaststellen, dat niemant de toestand der plaatze beter bekend is, dan de gene die aldaar gebooren en opgevoed zijn. Palmka (dus wierdt de Maagd geheeten) hadt met den allerhoogsten lof, geduurende den tijd van drie jaaren, deezen post bekleet, en wierde gehouden voor den schrandersten boom der gantsche Stad: want de langzaamheid van haar begrip was zoo groot, dat zij eene zaak, zoo die niet drie- of vier-malen herhaalt wierdt, kwalijk konde begrijpen. Dog 't geen zij eens begreep, verstont zij in den grond, en loste alle geschilstukken met zoo veel oordeel op, dat haare uitspraken als zoo veele Godspraken wierden gehouden.

Zij wist waarin de grond der zaken was gelegen,

En in de weegschaal van de billijkheid te wegen

Het weiflend regts-geding: zij wist het heilig regt

Te schiften van 't bedrog aan schijndeugd vastgehegt.

Geen zeldzaam toeval kon haar doorzigt ooit verduisteren,

Mits Themis zelv' altoos kwam haar verstant opluisteren.

Hierbij kwam het toe, dat zij in den tijd van vier jaaren geen vonnis heeft uitgesproken dat niet door het hoogde Potuaansche Gerichtshof bevestigd, en met loftuigingen is vereerd geworden. Derhalven kwam die inzetting ten voordeele van de vrouwelijke sexe, welke ik in 't begin veroordeelt hadt, mij niet ongerijmt voor, na dat ik de zaak naauwkeuriger had ingezien. Ik dagt bij mij zelf, wat zoude 't al zijn zoo de Vrouw van onsen Bergschen Richter in plaats van haaren Man eens in de regtbank zat? En wat zou men al zeggen, zoo de dogter van onzen Advocaat Severini, eene Maagd versiert met welspreekendheid en andere voortreffelijke gemoedsgaven, in plaats van haaren dommen Vader de Gerichtszaken in de Vierschaar bepleitte? Onze regtsgeleerdheid zou daar door weinig nadeel lijden, en mogelijk zou 't regt zoo dikwils niet gebogen worden. Voorts dagt ik, dat, vermits in de Europische Gerichtshovende zaken zoo schielijk beslist worden, zoo de schielijk en onbedagtzame vonnissen tot een rijper onderzoek wierden gebragt, dezelve niet weinig berispinge zouden onderhevig wezen. Maar om voort te gaan met mijn verder verhaal: de reden van de aderlatinge zeide men mij deeze te wezen. Wanneer iemand van misdaad overtuigd is, wordt hij, in plaats van eene geesselinge, verminking der leden, of den dood te ondergaan, verwezen tot eene aderlatinge, op dat het kome te blijken of de misdaad aan kwaadaartigheid, of aan bedorven bloed en sappen moet worden toegeschreven; en of hij door zodanig eene kuur kan worden verbeterd: invoegen deeze regtbanken meer verbetering dan straffe beöogen. Egter behelsde deeze verbetering eenigzins eene straffe, nademaal het eenigermaate eene schandvlekke veroorzaakte door vonnis van den Richter deeze operatie te moeten ondergaan. Zoo iemant zig ten tweedenmaale misging, wierdt hij de Stad onwaardig geoordeelt, en naar het Firmament, waar naar toe zij alle zonder onderscheid verwezen wierden, in ballingschap verzonden. Dog van die verbanning, en van de natuur derzelve zullen wij straks breeder spreeken. En aangaande dat die Chirurgijn, die mij eene ader geopent hadt, op 't gezigt van mijn bloed als verstomt was geworden; daar van was dit de oorzaak: dat namentlijk de inwoonders deezes Aardbols in plaats van bloed, een helder en wit vogt hebben, dat door hunne aders vloeit, en 't welk hoe witter het is, hoe het ook des te grooter teeken van deugtzaamheid te kennen geeft.

Dit alles vernam ik ten vollen, na dat ik de onderaardsche taale was magtig geworden, waar door ik een gunstiger gevoelen voor deze Natie begon op te vatten, welke ik al te roekeloos had veroordeelt. Dog hoe zeer ik deeze boomen voor dom en zot in den eersten opslag had gehouden; had ik egter terstont daar na bespeurt, dat zij niet van alle menschelijkheid waren ontbloot, en dat vervolgens mijn leven geen gevaar liep: in welke hoop ik ook bevestigd wierd, toen ik zag dat mij tweemaalen daags spijs gebragt wierdt, die gemeenlijk bestont in vrugten, groente en peulvruchten:—aangaande de drank die bestont in een klaar vogt, 't aangenaamste en smaakelijkste dat men bedenken kon.

De Richter in wiens bewaringe ik was, liet den Vorst of Landheer, zig in eene nabijgelegen Stad onthoudende, van stonden aan weten, dat hem bij geval in handen was gekomen zeeker redelijk Dier, maar van eene ongewoone gedaante. De Vorst bewogen door die nieuwigheid, beval mij in de taal te onderwijzen, en dat ik daar na zoude worden gezonden naar zijn Hof. Hierom wierdt mij een taalmeester verzorgt, onder wiens onderwijs ik in een halfjaar tijds zo verre vorderde, dat ik met de inwoonders gemakkelijk genoeg konde praten. Na dat ik in de onderaardsche taal mijnen eersten leertijd hadt doorgebragt, kwam 'er een nieuw bevel van 't Hof nopende mijn verder onderwijs, en ik wierd belast in de eerste beginzelen van 't kweekschool mij te laten onderwijzen, ten einde dat de Karatti of Onderzoekers mijn verstand zouden beproeven, en naspeuren in wat soort van wetenschap ik de meeste hoop van mij gaf. Dit alles volbragten zij zeer zorgvuldiglijk: maar terwijl ik in deeze loopbaan liep, wierdt 'er geen mindere zorg voor mijn lichaam dan voor mijn verstand gedragen; en zij waren wel voornamentlijk daar op uit, dat ik, zoo veel immer mogelijk was, mogte worden gevormt tot het fatsoen van eenen boom, ten welken einde eenige geleende takken aan mijn lijf geschikt wierden.

Terwijl dit voorviel, onderhieldt mij mijn huiswaard 's avonds zoo dra als ik, schoon laat, uit het kweekschool kwam, met verscheide praatjes en vraagen. Hij hoorde mij met een overgroot genoegen van al 't geene mij in deeze onderaardsche Reize ontmoet was, redenkavelen; dog niet weinig verwondert was hij over mijne beschrijving van onzen Aardkloot, en over den onmetelijken Lugt-hemel onderscheiden door oneindige Sterren, waar meede dezelve omringd was. Dit alles hoorde hij gretig en met oplettendheid aan; dog hij wierdt eenigzins beschaamd op 't hooren van dat gene 't welk ik hem verhaalde van de boomen onzes Aardkloots, welke onbezield en onbeweeglijk met hunne wortels vast in den grond staan; en eindelijk zag hij mij niet zonder verontwaardiging aan, wanneer ik hem betuigde, dat onze boomen uitgehouwen zijnde, dienden om de kachel te slooken en de pot te kooken. Dog na eene ernstige overweginge, bedaarde eindelijk zijne gramschap, en stekende vijf takken op naar den hemel (want zoo veele hadt hij 'er) verwonderde hij zig over de wijsheid van den Schepper, welkers redenen menigvuldig en verborgen zijn; luisterende voor het overige naarstig toe naar mijne verdere vertellingen. Zijne huisvrouw die tot nog toe van mijne tegenwoordigheid eenen afkeer hadt gehad, vermits zij gehoord hadt, dat de oorzaak, waarom ik voor de regtbank was gebragt geweest, waaragtig was, en dat ik door de gedaante van eenen boom, welke wij in onze waereld plegen te beklimmen, bedrogen was geweest; maakte, haare agterdogt afgelegt hebbende, met mij peis. Maar ik, om niet in 't begin van eene getroffen verzoeninge het versche litteeken wederom op te krabben, wilde niet, dan in 't bijwezen van haaren man en op zijn bevel, met haar aan het praaten komen.

DERDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van de Stad Keba.

Inhoudsopgave

Terwijl ik nog in mijne leerjaaren was, leidde mijn huiswaard mij nu en dan eens door de Stad, om mij te doen zien al 't geen daar in fraai en 't meest aanmerkelijk was. Wij wandelden zonder eenig beletzel, en 't geen mij 't wonderlijkste van allen voorkwam, zonder eenigen toeloop der inwoonders; geheel anders als bij ons geschiedt, alwaar de menschen als met geheele troepen komen toevliegen, om te bezien al 't geen ongewoon is, en hunne nieuwsgierige oogen te verlustigen; daar integendeel de bewoonders deezer Planeet zig weinig laten gelegen leggen aan nieuwe snufjes, en alleenlijk ernstige zaaken betrachten. Deeze Stad wordt Keba geheeten en is de tweede in rang van het Potuaansche Prinsdom. Deszelfs inwoonders zijn zoo deftig en schrander, dat men alle de burgers zoude groeten voor Raadsheeren. De ouderdom wordt aldaar boven maate in aanzien gehouden: want nergens bewijst men den bejaarden lieden zoo veel eers, en nergens wordt de grijsheid met meer agtinge bejegent: want men heeft 'er niet alleen ontzach voor hunne woorden, maar zelfs voor hunne wenken. Ik verwonderde mij dat een volk zoo zedig en deftig, zig met spiegelgevegten, comedien en schouwspelen konde ophouden, aangezien die dingen daar zoo weinig overeenkomst mede hebben; 't welk mijn huiswaard bemerkende, zeide: door dit geheele Vorstendom is juk en ernst beurtelings onze bezigheid.

Saturnus zelf hoe stuursch en wreed hij is van aart,

Word door den zagten luim weer van Jupijn bedaart.

Onder andere loffelijke inzettingen deezes Vorstendoms was, dat de eerlijke vermaken, dienende om den geest te verlevendigen, en dien bekwaam te maken tot ernstige en moeijelijke bezigheden, wierden toegelaten; aangezien zij vastelijk gelooven, dat de kwade luim en de zwaarmoedige gesteltheden, de bronnen van zo veele beroerten, opschuddingen en verkeerde raadgevingen, daar door uit den weg geruimt worden. Hier door is 't, dat zij hunne gewigtigste bezigheden met spel en boert mengen; parende egter zodanig de staatigheid met de vriendelijkheid, dat deeze niet overslaat tot dartelheid, nog gene tot droefheid. Maar niet zonder verontwaardiging bemerkte ik, dat onder de schouw- en tooneelspelen ook wierden gerekent disputeerkonstoefeningen: aangezien 'er op zekere vastgestelde tijden in 't jaar weddenschappen geschiedden, en onder eene vastgestelde belooning voor den overwinnaar, twistredenaars, even als koppels van kampvegters, tegens elkaêr gesteld wierden, bijna op dezelve voorwaarden, als bij ons de kampgevegten der haanen of andere feller dieren geschieden. Dit is de oorzaak, dat gegoede lieden twistredenaars onderhouden, even als bij ons de jagthonden worden onderhouden, en dezelve onderrigten in de Dialectica of konst van Zintwisten; ten einde zij bekwamer en grooter snappers mogen worden, tegen dat de tijd van 't jaar, tot kakelen bestemd, aannadert. Hier door hadt zeeker rijk burger, Henochi geheeten, in den tijd van drie Jaaren groote rijkdommen, en wel tot 4000. Ricatu toe, gewonnen uit den veroverden buit van een eenigen twistredenaar, welken hij ten dien einde onderhield; en het was al meer dan eens geschied, dat hem voor den zelven zeer groote sommen gelds waren aangeboden geworden van de gene die met diergelijke oefeningen gewoon waren winst te doen; dog hij wilde voor als nog dien schat, waar uit hij jaarlijks zoo veele inkomsten trok, niet verkoopen. Met eene verwonderlijke vaardigheid van tonge wist die kakelaar de redenen te ontzenuwen, te bekragtigen en te verdraaijen, zijnde een meester in verstrikkende kwinkslagen, en in de loopjes der Dialectica of Redeneerkonst: daarenboven was hij zo afgeregt op de konsttreken van door distingueeren, subsumeeren, en limiteeren, alle zijne tegenpartijders uit te strijken, dat hij ze op zijn gemak den mond konde stoppen. Meer dan eenmaal ben ik bij schouwspelen van die natuur, niet zonder de uiterste smerte, tegenwoordig geweest: want ik hield het voor onbetamelijk en verfoeijelijk zoodanige heerlijke oefeningen, welke onze schoolen zulken luister bijzetten, tot tooneelspelen te maken: en wanneer ik mij te binnen bragt, dat ik driemaalen, met de grootste toejuichinge in 't openbaar gedisputeert, en daar door mijne Promotie bekomen had; kon ik naauwelijks mij van traanen onthouden. Voor de rest mishaagde mij de manier van disputeeren niet minder, dan de daad zelve: want daar wierden zeekere aanhitzers gehuurd, welke zij daar Cabalcos heeten, die, wanneer zij zien dat de drift der Redentwisters begint te verkoelen, dezelve met een soort van prikkelen in de zijden steeken, om ze weder vuurig te maken, en ze de afnemende kragten te doen hervatten. Andere dingen, en welke ik grootelijks in zulk een geslepen volk veroordeelde, laat ik daar, want ik schaame het mij dezelve te melden. Behalven deeze Redentwisters, welke de Onderaardlingen spottender wijze Mashakos, dat is gezegt Krakkeelers, noemen, waren 'er ook andere gevegten van viervoetige zoo wilde als tamme beesten, en van roofvogels, welke men voor een stuk gelds, dat daar toe slont, zien kon. Ik vraagde mijnen huiswaard, hoe 't mogelijk was, dat een volk van zoo veel oordeel zulke voortreffelijke oefeningen, waar door men een talent van welsprekendheid krijgt, de waarheid, ontdekt, en het verstand gescherpt wordt, naar de schouwspelen verwees. Hij gaf mij ten antwoord, dat zoodanige kampgevegten eertijds in de Barbaarsche Eeuwen zeer in agtinge waren geweest; dog dat, vermits zij eindelijk door de ondervindinge hadden geleert, dat de waarheid door redetwisten meer uitgedooft, de jeugd dartel gemaakt wierdt beroerten ontstonden en de allernuttigste studien als 't ware boeijen wierden aangeklonken, zij die oefeningen van de Academien tot de schouwspelen hadden overgebragt; en dat ook de uitkomst geleert hadt, dat de leerlingen door stilzwijgen, leezen, en overdenken, veel eerder tot het Meesterschap geraakten. Met welk antwoord, hoe zeer ook het zelve schijn van waarheid hadt, ik geen genoegen nam. In deeze Stad was eene Academie of Hoogeschool, alwaar de vrije konsten naar behooren en met zeer veel deftigheid geleerd wierden. Ik wierd van mijnen huiswaard in de gehoorzaal deezer school ingeleid op eenen plegtigen dag, en op welken een Madic of Leeraar in de Philosophie verkooren wierdt. Dat geschiedde zonder eenige plegtigheid, behalven alleen dat de aanstaande Leeraar eene zeer geleerde en sierlijke redenvoeringe deedt over een geschilstuk in de Natuurkunde; waar na hij van de Bestierders der schoole op de naamrolle der gene, welken het vergunt wordt opentlijk te leeraren, wierdt aangetekent. Toen mijn huiswaard mij vraagde, hoe mij die plegtigheid hadt aangedaan, gaf ik hem ten antwoord, dat mij dezelve al te droog en te mager bij onze Promotien was voorgekomen. Vervolgens deed ik hem verslag op wat wijze bij ons Meesters en Leeraars worden gemaakt, te weten: na voorgaande proefstukken te hebben gegeven van Disputatien. Hij hierop zijn hoofd met rimpels trekkende, vraagde mij naar den aart en nature van die Disputatien, en waar in dezelve van die der Onderaardlingen verschilden. Ik zeide hem, dat ze doorgaans waren over zeer geleerde en wetenswaardige zaaken: vooral aangaande de gewoonten, taalen, en kleedingen van twee oude Volkeren, die eertijds in Europa 't meest gebloeit hebben; betuigende hem, dat ik met drie geleerde Disputatien gehandelt had over derzelver wijze van schoeijen. Naauwlijks hadt hij dit gehoord, of hij barstte zodanig uit in lachen, dat 'er het gantsche huis van klonk. Zijn wijf, door dat geluid gaande gemaakt, kwam, schielijk toegeloopen, vraagende naar de oorzaak van dat gelach. Dog ik was hier door zoodanig gestoord, dat ik mij niet verwaardigde te antwoorden: want het scheen mij onbehoorlijk, dat zulke deftige en ernstige zaken, oorzaak tot lachen en spotten gaven. Dog zij eindelijk van haaren man vernomen hebbende wat van de zaak was, begon niet minder in lachen uit te barsten. Dit geval eerlang door de gantsche Stad verspreit zijnde, gaf aanleidinge tot geduurige spotternijen: zoodanig dat de vrouw van zekeren Raadsheer, die uit haar zelven goed lachs was, door dit verhaal zoo zeer wierd aangezet, dat zij door gestadig lachen bijna haaren reuzel scheurde. En vermits zij niet heel lang daar na, de koorts gekregen hebbende, kwam te overlijden, geloofde men, dat zij door dat onmatig lachen, waar in het al veel op de long was aangekomen, eene ziekte, die haar ook doodelijk was geweest, gekregen hadt. Het bleek egter niet klaar, waar aan zij gestorven was; en men verspreidde maar iets diergelijks onder den duim. Voor het overige was zij eene goedaartige vrouw, en de beste huismoeder van de waereld: want zij hadt zeven takken, dat voor die Sexe al iets zeldzaams is; waaromme ook allen boomen van fatzoen haar dood zeer ter harte ging. Zij wierdt bij nagt begraven buiten de muuren der Stad, in dezelve kleederen, welke zij aan hadt ten tijde haares overlijdens: want binnen de Stad te begraven is bij eene wet verboden, vermits zij vaststellen dat de lugt door de uitwaasseming der doode lichamen wordt aangesteken. Voorts legt 'er een verbod tegen het begraven der lijken met groot gevolg, of pragtige lijkstaatie; aangezien dezelve welhaast staan te worden tot voedsel voor de wormen. Alle welke dingen mij als zeer voorzigtige inzettingen voorkwamen. Egter worden 'er doorgaans Lijk en Lof redenen gedaan: dog welke enkel en alleen bestaan in vermaningen om wel te leeven; en door welke den toehoorderen de sterflijkheid wordt afgeschetst. Die het opzigt over de zeden hebben, zijn genoodzaakt zig daar bij te laten vinden, om agt te slaan of de Lijk-redenaars de geheugenisse der overledenen meer of min dan naar behooren prijzen. Daar van daan is het, dat de Redenaars der Onderaardlingen zoo spaarzaam zijn in 't geven van loftuigingen, vermits 'er eene straf gestelt is op het geven van grooter lof, dan iemant toekomt. Niet lang daarna wanneer ik bij eene diergelijke Lijkreden tegenwoordig geweest was, vraagde ik mijnen huiswaard naar den staat en waardigheid des overledenen, wiens uitvaart geviert was. Hij antwoordde, dat hij was geweest een boer, dien de dood overvallen hadt, zoo als hij onder weg was naar de Stad. Toen begon ik, die nog zoo onlangs door de Onderaardlingen was uitgelachen, op mijne beurt mede te schateren van lachen, kaatsende hen de pijlen, die zij op die van Europa hadden geschoten, thans rijkelijk weder toe. Waarom dog worden, zeide ik, de Ossen en Bullen, der boeren makkers en spitsbroeders, niet mede met eene Lijk-reden vereert: vermits zij met de Landlieden in gelijke bediening? zijnde, ook dezelve stoffe tot Lijkredenen redenen komen uit te leveren? Dog mijn huiswaard geboodt mij mijn lachen in te houden, zeggende, dat de Akkerlieden daar te Lande uittermate geagt wierden, om de voortreffelijkheid huns beroeps, en dat generlei soort van levenswijze aldaar boven den Landbouw geschat wierdt; waar door het toekomt, dat een eerlijke boer, en die op zijne zaken wel agt sloeg, voor een verzorger en handhaver der Stad wierdt gehouden. Ten dien opzigte is 't ook aldaar eene gewoonte, dat de Landlieden, wanneer zij in de Palmboom maand, met een groot getal van wagens, geladen met koren, naar de Stad trokken, buiten de poort door de Magistraat wierden te gemoet gegaan, en met trompetten-geschal en 't geklank van musiekinstrumenten, zegepralender wijze, binnen de Stad ingehaald. Ik stond versteld op het gehoor daar van, mij te binnen brengende den staat onzer Landlieden, zugtende onder eene harde slavernij, en welker beroep wij meenen veragtelijk te zijn en verre beneden andere konsten, welke niet dan voor de wellust dienstig zijn, gelijk als die der koks, pasteibakkers, parfumeerders, dansmeesters, enz. Mijnen huiswaard gaf ik dat eenigen tijd daar na wel te kennen, dog onder belofte van stilzwijgen, vreezende dat de Onderaardlingen een al te slegt gevoelen mogten opvatten van de menschen. Hij, stilzwijgen belooft hebbende, bragt mij naar de gehoorzaal, alwaar de Lijk-reden stont te geschieden. Ik moet bekennen niets zakelijker, waaragtiger, en 't geen meer van allerlei vleijerij ontdaan was, ooit gehoord te hebben: en deeze uitvaartsviering scheen mij een model te wezen, naar 't welk alle diergelijke redenvoeringen behoorden geschikt te wezen. Eerst gaf de Redenaar op een ontwerp der deugden van den overledenen: daar na telde hij op deszelfs zwakheden en gebreken, met vermaninge aan de Toehoorders, dat zij zig daar van hadden te wagten. Zoo als wij uit de gehoorzaal traden, kwam ons een misdadige te gemoet, verzelt van drie wagters. Dees hadt onlangs de straf aan den arm (dus noemen ze de aderlating) bij vonnis van den Richter ondergaan, en wierdt thans naar het publyke dolhuis gebragt. Toen ik vraagde wat de reden was van zijn vonnis, wierdt mij geantwoort, dat hij in 't openbaar gedisputeert hadt over de eigenschappen en het wezen Gods; 't geen daar te lande verboden is, alwaar alle zulke neus-wijze zintwistingen voor zoo roekeloos en dwaas worden gehouden, dat zij in schepzelen van eenen bedaarden geest niet wel vallen konnen. Daarom is aldaar de gewoonte, deeze scherpzinnige Redeneerders, na dat men ze heeft adergelaten, als narren in 't publyke dolhuis te brengen, tot dat ze ophouden te kolderen. Toen zeide ik in mij zelv': "Ach hoe zoude 't onze Godgeleerden hier vergaan! welke men alle dag hoort twisten over de hoedanigheden en eigenschappen der Godheid, over de natuur der Geesten, en over meer andere diergelijke verborgenheden. Wat lot was onze Overnatuurkundigen hier beschooren, die, trots zijnde op hunne hoogdravende geleertheid, meenen dat zij wijzer zijn dan 't gemeen, ja gelooven dat zij 't naast aan de Goden komen. Zekerlijk in plaats van Lauwer kransen of Doctorale Mutsen, waar mede zij in ons Land worden opgepronkt, zouden zij zig den weg baanen naar 't dolhuis, of zij zouden schrap staan, om in 't gasthuis te geraken."

Dit en andere zaken, die mij scheenen tegen de gezonde reden aan te loopen, merkte ik naauwkeurig op, geduurende den tijd van mijn leerlingschap. Eindelijk kwam de tijd, door 's Vorsten bevel bepaald, waarop ik, uit het school naar 't Hof, met een Testimonie, moest vertrekken. Ik lei mij niet anders toe dan op heerlijke loftuigingen en goedkeuringe, steunende eensdeels op mijne eigene bekwaamheden, vermits ik de Onderaardsche taale binnen zulken korten tijd, buiten verwagtinge, geleert had, anderdeels op de gunst mijnes huiswaards, en der Opzigteren alom beroemde regtvaardigheid. Eindelijk kreeg ik mijn Testimonie, 't welk ik van blijdschap al beevende opende, begeerig zijnde mijnen lof daar in te leezen, en daar uit af te neemen hoedanig mijn nootlot stont te wezen. Dog 't leezen daar van, maakte mij gram en wanhopig. De Brieven van voorschrijving waren van den volgenden inhoud.

"Niet willende in gebreke blijven om uwer. Doorlugtigheids bevel op te volgen, zenden wij uwe Doorlugtigheid hier nevens toe het schepsel dat onlangs tot ons uit een andere waereld is overgebragt, en zig zelven een mensch noemt; na dat wij het zelve, met alle zorgen naarstigheid, in ons School hebben doen onderwijzen. Deszelfs aart en inborst naauwkeurig nagespeurt, en deszelfs zeden onderzogt hebbende, hebben wij hetzelve van een redelijk goed begrip en van een zeer vaardige bevattinge gevonden; dog van zulk een verkeerd oordeel, dat, vermits deszelfs verstand al te vlug is, het naauwlijks onder de redelijke schepzelen gerekent, laat staan tot eenige bediening van gewigt, behoort toegelaten te worden. Vermits het egter door de gezwindheid zijner voeten ons alle te boven gaat, zal het zeer bekwaam wezen om de bedieninge van Postlooper van 't Hof met lof te komen bekleeden.—Gegeven in 't Kweekschool te Keba, in de Doorn-maand."

Uwer Doorlugtigheids gehoorzaamste dienaars Nehek, Jochtan, Rapafi, Chilac.

Hier over liep ik al huilende naar mijnen huiswaard, hem op 't nederigste biddende, dat het hem behagen mogte, zijn gezag aan te wenden om een gunstiger Testimonie van de Karatti te verkrijgen, en dat hij aan dezelve wilde vertoonen mijn Academisch Testimonie, waarin ik voor een verstandig man, en daar niets op te zeggen viel, vermeld stond. Dog hij voerde mij te gemoet, dat dat Testimonie in onze waereld zijn waardij kon hebben, alwaar men mogelijk meer zag op de schaduwe dan op het lichaam, meer op de bast dan op het pit; dog dat het hier, alwaar men de zaken in haar binnenste beschouwde, van geen waardij altoos was: voorts vermaande hij mij mijn noodlot met gedult te draagen, vooral, wijl het Testimonie nog vernietigd nog verandert konde worden: aangezien 'er hier geen zwaarder misdaad was, dan de loftuigingen van onverdiende bekwaamheden. Willende egter eene pleister op de wonde leggen,

Zeid' hij, om mijne smert een luttel te verzagten,

En 't meerendeel mijns druks mij, weinig te doen agten;

O Zoon! hoe dus beleest? een' edelaarte ziel

Staat pal in tegenspoet, ofschoon de hemel viel.

Ei! 'k bid u, stoor u, niet aan 't geen u doet verbaazen,

En daar uw' dwaaze drift u slaaflijk op doet aazen:

Wat magt wat immermeer geborgen voor de Nijt?

Zeg wat haar felle klaauw niet wreed aan flarden rijt?

Men zoud' een' gantsche lijst, was 't nood, u konnen geven

Van Amptenaars van Staat, die jammerlijk om 't leven

Gebragt zijn: en 't gaat vast, me naar te hoogen staat

Staag reikhalst, en door 't goud zijn hart vermeest'ren laat,

Die wordt als hemelwaards en uit 't gezigt verheven,

Om door te laager val rampzaliglijk te sneeven.

Hier voegde hij bij, dat niets diergelijks, in eenen' laagen of middelmatigen staat te vreezen stont. Wat nu aanbelangde het Testimonie der Karatti dat deet zien, dat zij zeer doorzigtige en tegelijk zeer regtvaardige Richters zijn, die nog door geschenken omgekogt, nog door dreigementen afgeschrikt konnen worden, om een hair breet van de billijkheid af te gaan, waarom 'er ook in die zaak geen plaats tot kwaad vermoeden overig wierdt gelaten. Eindelijk beleedt hij gantsch openhartig, dat hem al van over lang gebleeken was, dat ik niet veel verstands had, en dat hij terstont uit mijne sterke memorie en snedigheid van begrip hadt konnen afnemen, dat ik wel hout, maar geen goed timmerhout was, en derhalven, om het weinig oordeels dat ik bezat, niet bekwaam was tot een gewigtig ampt: zeggende, dat hij uit de verhaalen en beschrijving van de Europische Natie geleerd hadt, dat ik,

Gebooren in het Land der Narren,

Den invloed had der kwaade Starren.

Betuigende voorts met overvloed van woorden zijne genegenheid 't mijwaarts; mij radende, dat ik zonder uitstel mij vaardig zoude maken tot de reize. Ik volgde den raad der zes schranderen mans, vooral wijl de nood zulks vereischte, en het mij als eene roekelooze zaake voorkwam, om mij tegens 't bevel van den Vorst te verzetten.

Ik begaf mij dan op weg in 't gezelschap van eenige boomjes, die te gelijk met mij uit het Kweekschool gezonden, ten zelven einde naar de Koninglijke Stad wierden gevoert. Onze Leidsman was een bejaard man uit het getal der Karatti of Bestierders, welke, door ouderdom verzwakt geworden, en niet wel ter been zijnde, op eenen Stier reedt: want op eenen wagen te rijden is daar de manier niet, en dat voorregt hebben alleen de stokoude Grijsaarts, of de gene die ziek zijn, hoe zeer ook bij ons de bewoonders dezer Planeet, om hunnen traagen en moeijelijken gang, daar in meer te verontschuldigen zouden zijn. Het staat mij nog zeer wel voor, dat, wanneer ik hen eens eene beschrijving onzer rijtuigen had opgegeven, namentlijk onzer paarden, onzer viergespannen en koetsen, waarin wij, als gepakt zijnde, door de Stad worden gevoert, de Onderaardlingen op 't hooren van mijn verhaal grimlachten, en vooral toen zij hoorden dat zelfs gebuuren de een den anderen mee plegen te bezoeken, dan in eene koets of karosse zittende, en voortgetrokken wordende door twee sterke viervoetige Dieren. Vermits deeze met reden begaafde boomen zeer traag van gang zijn, waren wij genoodzaakt drie dagen op deeze reize onder weg te zijn, schoon Keba van de hoofdstad naauwlijks vier uuren aflegt: want zoo ik alleen geweest was, had ik op eenen dag die reize afgelegt. Het gaf mij een zonderling vermaak dat ik vrij wat beter ter been was dan de Onderaardlingen; dog 't smertte mij al met een, dat ik om die uitnemendheid mijns lichaams tot een slegte en veragte bedieninge verbannen zoude zijn. Ik wenschte wel, zeide ik, dat ik dat zelve gebrek aan mijne voeten had, 't geen de Onderaardlingen hebben: nadien ik alleen daar door zoude bevrijd zijn van de slaafagtige en geringe bedieninge, daar men mij nu toe geschikt heeft; 't welk onze Leidsman hoorende, mij toebeet: ten ware de Natuur met deeze uitnemendheid des lichaams eenigermate hadt willen goedmaken 't gebrek in uwe ziele, wij alle zouden u daar voor houden, dat gij onnuttelijk de aarde vervulde: want om de vlugheid uwes verstands ziet gij alleen de schil der noot en niet het pit en kern: en vermits gij slegts twee takken hebt, zijt gij in allerlei slag van handwerk verre beneden de Onderaardlingen. Wanneer ik dit alles hoorde, dankte ik God over de gezwindheid mijner voeten, ziende dat ik, zonder die bekwaamheid, naauwlijks onder de redelijke Schepzelen zoude mogen gestelt worden.

Op reis zijnde zag ik, niet zonder verwonderinge, dat de inwoonders zoodanig oplettend omtrent hun werk zijn, dat niemant ophoudt met arbeiden op het zien der voorbijgangers, of zig verwaardigt zijn gezigt daar naar te slaan, alschoon daar omtrent iets ongewoons te zien mogt wezen. Dog de dag ten einde, en 't werk gedaan zijnde, geven zij zig over aan spelen en allerhande uitspanningen, met oogluikinge van de hooge Regeering, welke die uitspanningen aanmerkende als zoo veele steunzels voor lichaam en geest, oordeelt, dat de Schepzelen daar door niet minder dan door spijs en drank gevoed worden. Om deeze en andere redenen heb ik deeze reis met groot genoegen afgelegt. De gedaante der Landstreek is, geheel en al aangenaam, verbeeld in een ronden schouwburg, en wel in zoodanig eenen als de Natuur alleen kan te voorschijn brengen. Overal daar de Natuur wat schaars was geweest, was de konst der inwoonders toegeschoten, om 't gebrek te vervullen, en dezelve waren, door de belooningen van de Magistraat daarop gestelt, geslepen op het boeren-werk, en op de Landbouwerij; dog al wie aan zijn Land de hand niet hieldt, wierd van zijn burgerregt verstooten, en in eene boete verwezen. Wij trokken verscheide aanzienelijke Gehugten door, welke, vermits ze zoo kort op malkanderen komen, het gezigt van eene doorgaans bebouwde en aaneengevoegde Stad opgeven, en wijd en zijds een onafgebroken gezigt uitleveren. Maar wij wierden egter eenigermate gekweld van een soort van Bosch-aapen, die hier en daar op de wegen warende, mij, welken zij om de gelijkheid van gedaante geloofden van hun gedagt te zijn, niet weinig met gestadige aanvallen plaagden. Dit maakte dat ik mijnen toorn en verontwaardiging niet konde bedwingen, vooral toen ik bespeurde, dat deeze vertooning aan de boomen stoffe verschafte tot lachen: want men moet weten dat ik ten Hove gevoerd wierd, op bevel van den Vorst, met het zelve gewaad, waar mede ik op die Planeet was overgebragt, te weten: houdende mijnen haak in de regterhand, op dat hij daar uit zoude zien, hoedanig de opschik onzer waereld was, en in hoedanige toerustinge ik aldaar eerst was aangeland. En die haak kwam mij toen zeer wel te stade, als waar mede ik de Aapen, die met geheele troepen op mij afkwamen, van mij trachtte af te weeren, schoon te vergeefsch: want in de plaats der gevlugtte, kwamen steeds meer andere toeschieten, zoo dat ik ieder oogenblik eenen tred moest houden, als of ik op den vijand los ging.

VIERDE HOOFDSTUK.
Van het Paleis des Vorsts van Potu.

Inhoudsopgave

Nu kwamen wij aan de koninglijke Stad Potu Deeze is eene pragtige en aanzienlijke Stad. De gebouwen zijn aldaar breeder en grooter dan te Keba, en de straaten ruimer en gemakkelijker. De allereerste markt daar wij bij kwamen, was opgepropt met een groot getal van kooplieden, en rondom bezet met winkels van konstenaars en handwerkslieden. Op 't midden der markt zag ik met verwondering eenen misdadiger staan met een strop om den hals, omringt van een grooten kring der deftigste boomen, dat een soort van raadsvergadering uitleverde. Toen ik vraagde, wat 'er te doen was, en om welke misdaad hij verdient hadt opgehangen te worden, daar 'er in dat land geen misdaad met den dood gestraft werdt; kreeg ik ten antwoord, dat de misdadige was een uitvinder (project-maker) die aangeraden hadt, eene oude gewoonte af te schaffen; en dat de omstanders Regtsgeleerden en Raadsheeren waren, die de nieuwe uitvinding naar gewoonte zouden onderzoeken, invoegen dat, zoo dezelve wel in orde gebragt, en voor het Gemeenebest heilzaam bevonden wierdt, de misdadige niet alleen ontslagen, maar zelfs beloond stont te worden; dog bij aldien ze schadelijk voor den Staat, of de uitvinder, in 't afschaffen van die wet zijn eigen voordeel te hebben bedoelt, bevonden wierdt, hij alsdan den hals, als een verstoorder der gemeene rust, door den strop stont te worden gebroken. Zijnde dit de reden, waarom 'er weinige gevonden worden, die dat gevaar willen ondergaan, of 't afschaffen eener wet durven aanraaden, ten ware de zaak zoo billijk en baarblijkelijk was, dat men aan eenen goeden uitslag niet konde twijfelen. Zoo zeer zijn de Onderaardlingen van bevattinge, dat de oude wetten blijven, en de instellingen der voorouderen moeten onderhouden worden; want zij gelooven, dat de Staat geschud wordt, wanneer de wetten op iemants goeddunken verandert, of afgeschaft worden. Ten zeide ik in mij zelv': O! wat zoude 't hier slegt staan met de uitvinders bij ons, die, onder schijn van algemeen nut, dagelijks nieuwe wetten smeden, dienstig, niet voor het Gemeenebest, maar wel voor bijzondere eigenbaat!

Wij wierden eindelijk gebragt in een zeer groot huis, de gewoonlijke intrek der gene die uit alle de kweek-schoolen des gantschen Vorstendoms worden verzonden. Uit dat zelve huis worden ze gebragt om voor den Vorst gesteld te worden. Onze Leidsman of de Katatti beval ons, dat wij ons gereed zouden houden, terwijl hij heen ging om den Vorst van onze aankomst te verwittigen. Zoo dra was hij niet uitgegaan, wanneer wij een zeer groot geroep als dat van eene zegepraal hoorden; en 't leedt niet lang, of het geschal der trompetten en 't geraas der trommels klonk allerwegen. Door dit gerugt genoopt, en voor de deur gegaan zijnde, zagen wij eenen boom aankomen, verzeld van eenen heerlijken stoet, en met een bloemkransje om het hoofd, en straks wierden wij gewaar, dat het die zelve burger was, dien wij op de markt hadden zien staan met den drop om den hals. De reden der zegepraal was 't goedkeuren der wet, welke hij, met gevaar zijns levens, hadt aangeraden. Dog wat redenen hij tot afschaffing der oude wet mag hebben bijgebragt, kon ik niet vernemen, en heb 'er nooit konnen agter komen, door de diepe stilzwijgendheid der inwoonderen, waar door het geschiedt dat de allergeringste zaak, het Gemeenebest belangende, of in den Raad verhandelt wordende, nooit het gemeen ter ooren komt; geheel anders dan bij ons pleeg te geschieden, alwaar de Raads besluiten en Resolutien van Staat daags daarna, op de gemeene wegen en in de gaarkeukens, verhandelt en bedilt worden. Na een uur vertoevens kwam de Karatti wederom, en beval ons alle hem te volgen. Wij volgden onzen Leidsman op zijn bevel. Onder weg ontmoetten wij overal hoorntjes, die van allerlei raare en gedenkwaardige zaaken, gedrukte boekjes te koop veilden. In die rommelzoô van boekjes ontdekte ik een werkje welks tytel was: Van het nieuw en ongewoon hemelsteeken, of vliegenden Draak, die in 't voorleden jaar zig vertoont heeft. Ik zag mij zelv', zoodanig ik was, toen ik met mijnen haak en den slenter van het touw rondom de Planeet wierdt gewentelt, in koper gesneden. Op dat gezigt kon ik mij naauwlijks bedwingen van lachen, en zei stilletjes in mij zelv':

O! welk een vreemd gezigt! een tronie zoo verwildert,

Is waardig door Apell' te worden uitgeschildert!

Hebbende niet te min het boekje gekogt voor drie Kilac, makende omtrent twee schellingen van ons geld uit, bedwong ik mijn lachen: vervolgende stillekens mijnen weg naar 't Paleis, een gebouw dat aanzienlijker is om deszelfs konst en nettigheid, dan door deszelfs kostelijkheid.

Geen voorhof pronkte alhier van koninglijke pragt,

Nog glinsterend' marmer, daar de schilderkunst in wragt

Verscheidenheid van kleur en verw'...?

Ik zag 'er maar weinige hovelingen of deurwaarders, want de spaarzaamheid der Vorsten hadt allen overvloed afgesneden. Ook heeft men hier niet noodig zoo veele dienaars, als 'er wel aan de Hoven bij ons vereischt worden, want zoo veele takken als deeze boomen hadden, waren zoo veele handen: zoo dat de handwerken en huislijke bezigheden drie- of vier-maalen rasser alhier verrigt worden.

Het was juist op de maaltijd, toen wij 's Vorsten Paleis intraden; en vermits zijne Doorlugtigheid, alvorens dezelve aan tafel ging, met mij afzonderlijk wilde spreken, wierd ik alleen in de eetzaal binnen gelaten. Dees Vorst bezat eene wonderlijke goedertierenheid en te gelijk deftigheid. Zoo groot was zijne standvastigheid, dat de deftigheid van zijn gelaat en wezen door geene de minste gestoordheid kon verdonkert worden. Op 't gezigt van den Vorst viel ik terstond op mijne knieën. Dog bij die aanbidding stonden de omstanders als verdomt; en wanneer ik de reden van mijn vallen op de knieën den Vorst te kennen gegeven had, beval hij mij op te staan: zeggende dat zoodanig eene eerbewijzing niemand dan de Godheid toekwam: voegende vervolgens daarbij, dat men aldaar alleenlijk door gehoorzaamheid, arbeid en vlijt, 's Vorsten gunst konde gewinnen. Na dat ik opgestaan was, wierden mij verscheidene vragen gedaan. En wel voor eerst

Door welken weg ik daar te lande was gekomen?

Om welke reden ik die reis had ondernomen?

In welken oord ik 't licht eerst zag: hoe 'k wierd geheeten?

Waarop ik antwoord gaf: zoo gij mijn' naam wilt weten.

Die heeft niet veel om 't lijf, KLAAS KLIM word' ik genoemd,

En Berg' in Noorwege is (onnoodig hier geroemt)

Mijn Vaderland: 'k ben in een grooter Waerelddeel

Geboren, dan Gij Vorst, O! dat scheelt al te veel!

Mijn' reis aangaande, daar valt vrij wat van te zeggen:

Ik liet daar toe geen schip, dat bruist door zee, aanleggen:

Ook reisde ik niet te land, maar door het starrendak

Nam 'k herwaards mijnen koers, en kwam 'er met gemak.

Vervolgens ondervraagde hij mij over de dingen die mij op mijne reize bejegent waren, en te gelijk over de wetten en de zeeden onzer waereld.

Toen ging ik op eene zielroerende wijze ontvouwen de deugden der menschen, derzelver aart en inborst, de wijze van leven in de Steden, en andere zaken, waarop het menschdom meerendeels zijnen roem pleeg te dragen. Dog hij nam mijn verhaal geheel koeltjes op, en op verscheide zaken, welke mijns oordeels grootelijks in hem verwondering hadden moeten verwekken, begon hij te geeuwen. Toen zeide ik in mij zelv': wat zijn ook de smaaken en verkiezingen der menschen verscheiden! daar wij de meeste aandoeninge van hebben, daar trekken deeze de neus van op. Dog 't geen ik in den Vorst 't ergst van allen in de ooren hoorde klinken, was, 't geen ik hem verhaalde van de manier van procedeeren, van de welsprekendheid onzer Advocaten, en van de vaardigheid onzer Regters in 't vonnis uit te spreeken. Ik trachtte hem dat wat nader te ontvouwen; dog hij mij in de reden vallende, wendde het over een' anderen boeg, en begon eindelijk te vernemen naar onzen Godsdienst en de plegtigheden daar omtrent. Daar op leide ik hem kortelijk uit alle de Artikelen van 't Geloof, op welker meldinge hij eenigermate rimpels uit zijn voorhoofd trok: betuigende, dat hij gaerne elk van die zoude onderteekenen: zig alleenlijk verwonderende dat een Volk van zoo weinig oordeel, zulke gezonde gevoelers hadt van God en Godsdienst. Maar straks, toen hij hoorde, dat de Christenen in ontelbaare Secten verdeeld waren, en om die oneenigheid onderling het harnas aanschooten, zeide hij: "Bij ons zijn 'er ook verscheide gevoelens over de zaken die den Godsdienst betreffen; dog de een vervolgt daarom den anderen niet: aangezien alle vervolgingen over zaken, rakende alleen de leere of dwaalingen, en spruitende alleenlijk voort uit de verscheide bevattingen, niet dan uit hoogmoed voortkomen, vermits de een dwaaslijk meent dat hij meer doorzigt bezit dan de ander; welke hoogmoed aan God, die ons de verdraagzaamheid en nederigheid beveelt, niet welbehaaglijk kan wezen. Een iegelijk", zeide hij, "die ter goeder trouw en in opregtigheid des harten van een aangenomen gevoelen in 't stuk der leere is afwijkende, laten wij zijn oordeel vrij, zoo hij maar in de practijk, die eigenlijk den dienst Gods betreft, toestemt: en hierin volgen wij de voetstappen onzer voorzaten na, die 't voor eene onmenschlijkheid hielden, het verstand der stervelingen de boeijen aan te doen, en over de conscientien te heerschen. Deezen regel bevelen wij ook in 't burgerlijke zeer zorgvuldig te volgen: invoegen dat zoo de gevoelens der onderdaanen, rakende de form onzer lichaamen, de manier van leven, de huishouding, en wat diergelijken meer is, verscheiden zijn, en egter dezelve mij voor wettigen Vorst, welken zij gehoorzaamheid schuldig zijn, erkennen; ik ze alle mee malkanderen voor goede onderdaanen houde."

Hier op antwoordde ik: Allerdoorlugtigste Vorst, dat wordt bij ons voor Syncretismus[1] uitgekreten en ten uitersten van onze Godgeleerden veroordeelt. Meer liet hij mij niet toe te spreeken, maar ging gramstoorig weg: bevelende mij te blijven tot dat hij zijn middagmaal gehouden hadt.

Aan de tafel zat de Vorst met zijne doorlugtige Gemalin, als mede de Prins zijn Zoon met den Groot-cancelier of Kadoki. Die zelve Kadoki was om zijne beleeftheid en bekende voorzigtigheid zeer onder de Potuanen gezien. Geduurende twintig jaaren agter een, hadt hij nooit zijn gevoelen in den Raad gezegt, of 't was van alle anderen toegestemd geworden: ook hadt hij niets in den Staat vastgestelt, 't geen niet onwrikbaar was staande gebleven; en zijne woorden waren als zoo veele zetregels. Dog hij was te gelijk van zulk eene langzaame bevattinge, dat hij, om het allergeringste Placcaat op te stellen, den tijd van veertien dagen pleeg noodig te hebben: invoegen dat zoo hij op onzen Aardbol was overgebragt geweest, alwaar alle vertoef met den naam van luiheid en traagheid gedoopt wordt, hij daar zoude doorgaan voor een man van weinig bekwaamheid om zaken van gewigt waar te nemen. Maar om dat hij al 't gene hij bevattede in den grond verstont, en niets besloot, dan na een voorgaand en ernstig onderzoek, kon hij gezegt worden meer te hebben uitgevoert, dan tien zulke die de zaken ras en schielijk ten uitvoer brengen, en door de bank schrandere verstanden genoemt worden; wier verrigtingen menigmaal verbetert en verandert worden, ja niet zelden eene netter beschaavinge moeten ondergaan: zoo, dat bij 't uitgaan hunner bedieninge bevonden wordt, dat zij niets onbezogt gelaten, maar ook teffens niets voltooit hebben; dierhalven onder de zinspreuken aan dat Hof deeze zeer aanmerklijk is, te weten: dat de gene die met al te groote vlugheid hun ampt bedienen, vergeleken kunnen worden bij de ledige straatslijpers, welke nu eens voortgaande, dan weder te rug tredende, op denzelven weg blijven hangen, en schoon gestadig in beweging zijnde, egter niets vorderen.

Na dat het geheele Doorlugtige Huis was gaan aanzitten, tradt 'er eene dienstmaagd binnen die agt takken hadt, en met dezelve even zoo veele schotelen en assietten droeg; invoegen dat in eenen oogenblik de geheele tafel van geregten voorzien was. Aanstonts wierdt zij gevolgt van eenen anderen boom, dragende agt flessen, gevult met most van allerlei soorten van wijn, of andere vogten. Dees boom hadt negen takken, om welke redenen hij zeer bekwaam geoordeelt wierdt tot allerlei huiswerk. Dus wierdt alleen van twee bedienden zeer gevoeglijk verrigt al 't gunt aan de Aardsche Hoven kwalijk van eenen geheelen troep van dienaars wordt te wege gebragt. Met dezelve vaardigheid daar zij mede opgebragt waren, wierden de geregten ook wederom afgenomen. Het middagmaal was sober, doch teffens zinnelijk. Onder alle de opgedischte geregten hadt de Vorst slegts van een, 't geen 't meest naar zijnen mond was, gegeten; geheel anders dan onze Grooten, die 't daar voor houden, dat 'er niet wel opgeschaft is, tenzij de afgedragen geregten door grootere en betere worden vervangen. Over de maaltijd hadden ze verscheide discourssen over de deugden en ondeugden, als mede over zaken van Staat; zoo, dat het vermaak als met de letter oeffeningen gesaust wierdt. Ook maakten ze geduurig gewag van mij, welken zij geloofden om de vlugheid mijns begrips nooit goed timmerhout te zullen wezen.

Na dat de honger door het eeten was verdreven,

Wierdt tot het wegdoen van de tafel last gegeven.

En toen was het, dat men mij belastte mijn Testimonie voor den dag te haalen. De Vorst dat gelezen hebbende, sloeg zijne oogen op mijne voeten: zeggende, dat de Karatti regt hadden geoordeelt, en dat het ook zoo moest geschieden. Door dat antwoord als door eenen donderslag opgewekt, eischte ik niet zonder overvloedige traanen te storten, herzieninge van 't gewijsde, vermits ik, mijne bekwaamheden en gaven des geests een weinig nader onderzogt zijnde, eenige verzagtinge in mijn vonnis verhoopte. De Vorst, gelijk hij een goedertieren en regtvaardig Heer was, over dit moeilijk en ongewoon verzoek niet gram wordende, lei den tegenwoordig zijnde Karatti op, mijne zaake op nieuw en naauwkeuriger te onderzoeken. Geduurende die beproevinge hieldt hij zig wat aan eenen kant, om ook de overige Testimonia te leezen. De Vorst weggegaan zijnde, stelden de Karatti nieuwe vragen vóór om die te beantwoorden. Ik antwoordde daarop met mijne gewoonlijke schielijkheid: waar over hij, zig verwonderende, zeide: Gij begrijpt de zaake wel zeer gaauw; maar gij treedt geenszins tot in het binnenste derzelve; want Uwe antwoorden geven klaarlijk te kennen, dat het geschilstuk veel eer vaardig bevat, dan wel en grondig begreepen is. Na dat hij de proef genomen hadt, tradt hij in de eetzaal van den Vorst, en keerde straks wederom met een vonnis van deezen inhoud: Dat ik zeer kwalijk en onvoorzigtiglijk had gedaan, met het oordeel der Karatti in twijfel te trekken, en dat ik deswegen waardig was te draagen de straffe, bij 't derde kleine Artikel van 't vierde grooter Artikel der wet, tegen de roekelooze Betigters vastgestelt; (door grootere en kleindere Artikels, anders gezegt Skibal en Kibal verstaan zij Boeken en Hoofdstukken) en dat ik vervolgens verdient had, dat mij op beide mijne takken of armen een ader geopent wierdt, volgens het oude gebruik; en in het openbaare rasphuis vastgezet te worden. De woorden der wet in het 3. Hoofdstuk van het IV. Boek van de valsche Betigting zijn deeze: Spik. Anri. Flak. Skak. Mak. Tabu. Mihalatti. Silak. Dog dat, schoon de zin klaar en duidelijk was, en dat de straffe, bij de wet vastgesteld, geen uitzondering konde lijden; egter zijne Doorlugtigheid besloten hadt, dat deeze zwaare overtreding, zoo uit hoofde dat de misslag was begaan uit eene al te groote vlugheid van geest, als uit onkunde der wet, mij te vergeven was, aangezien de misdaad, begaan door eenen vreemdeling en uitlande, zonder de wet geweld aan te doen, eenigzins konde worden kwijtgescholden. Einde dat hij, om daar mede te meer gunst en genegenheid 't mijwaarts te betoonen, mij hadt beschonken met eene plaatse onder de gewoonlijke Hof-postloopers, met welke gunst ik genoegen behoorde te nemen.

Dat vonnis uitgesproken zijnde, wierdt de Kina of Secretaris ontboden, die mij met de overige onlangs aangekomen Candidaten zoude stellen op de lijst der gene die gevordert stonden te worden. Die Secretaris was een man schoon van gedaante, hebbende elf armen, waarom hij ook elf brieven te gelijk met hetzelve gemak, waarmede wij 'er eenen schrijven, konde ontwerpen; dog hij was van een middelmatig verstand, om welke reden hij ook niet hooger gevordert, maar in die bediening, welke hij bijna dertig jaren bekleed hadt, oud en grijs stont te worden. Dees was de man, met welken ik naderhand zeer gemeenzaam omging, en welken ik het meest had te ontzien, vermits hij de eerste ontwerpen der Placcaaten of Brieven opstelde, welke ik als Postlooper door de Provinciën stond om te brengen. Menigmaalen stond ik versteld, over de handigheid waarmede hij zijne bedieninge waarnam, vermits hij niet zelden elf voorschriften op eenen en denzelven tijd schreef, en op dezelve te gelijk ook zoo veele zegels drukte. Hier van daan is het, dat onder de voordeeligste zaaken in de familien gerekent worden, de kinderen die gebooren worden mee veele takken; en dat de kraamvrouwen, na dat zij gelukkig verlost zijn, aan haare buuren plegen bekend te maken, met hoe veele takken de kinderen ter waereld zijn gekomen. Men zeide aldaar dat de Vader van onzen Secretaris twaalf takken gehad hadt; en zijn geheele geslagt is boven alle andere vermaard door de meerderheid van takken. Na dat ik, onder de gewoonlijke Postloopers des Vorsts aangenomen was, ging ik naar bed. Dog hoe vermoeid ik ook wezen mogt, moest ik egter, niet konnende rusten, het meerendeel van den nagt, alle moeite doen tot slaapen: want geduuriglijk kwam mij in de gedagten die verachte bediening, waar toe ik verwezen was, en 't scheen mij gantsch onbetamelijk en schandelijk te zijn, dat een Proponent en Baccalaureus in de grooter Waereld, voor een slegt en veracht Postlooper zoude speelen in de onderaardsche. Met deeze droevige gedagten bragt ik een goed deel van den nagt zonder slaapen door; en in deezen drift las en herlas ik mijn Academisch Testimonie geen ik had mede genomen, (want ik heb reeds boven gezegt, dat nagt en dag hier weinig verschillen.) Eindelijk afgemat zijnde door deeze muizennesten en kommer, bekroop mij een diepe slaap. Terwijl ik lag te rusten, waarden mij verscheide droomen in den geest. Mij dagt, dat ik in mijn Vaderland wedergekeert zijnde, aan mijne Landslieden al wat mij op de Onderaardsche reize ontmoet was, tot het allergeringste toe, verhaalde: straks daarop mij de lugt-schipvaart verbeeldende, dagt mij, dat ik met den wreeden Griffioen te doen had, die mij zoo veel spel maakte, dat, terwijl ik mij tegen hem verweerde, alle slaap van mijne oogen week. Maar wakker wordende, zag ik, niet zonder schrik, eenen Aap van eene ongemeene grootte, die door de deur mijner slaapkamer, welke door onagtzaamheid niet wel gesloten was, ingekomen, en in mijn slaapvertrek gesloopen was, voor mij staan. Dat onverwagt verschijnzel joeg mij zodanigen schrik op 't lijf, dat ik met een groot geroep, waar van de kamer weergalmde, om hulp schreeuwde. Eenige boomen, die op de kamers naast aan mijn vertrek sliepen, op dit geroep wakker geworden zijnde, traden binnen, schooten mij, die reeds met den Aap aan 't worstelen was, te hulp, en stootten dat leelijk gedierte buiten de deur. Het leedt niet lang, of het kwam mij ter ooren, dat deeze klugt aan den Vorst veel stoffe tot lachen hadt verschaft. Dog op dat dat zelve geval niet weer mogt voorkomen, beval hij terstont mij op de Onderaardsche wijze te kleeden en met takken toe te takelen.—De Europische kleederen, welke ik tot nog toe gedraagen had, en die mij waren ontnomen, waren in 't Kabinet of de Rariteit kamer van den Vorst, om de ongewoonheid der zaake, opgehangen, met dit opschrift: OPSCHIK VAN EEN BOVENAARDSCH SCHEPSEL. Toen dagt ik bij mij zelv': bijaldien de Bergsche snijder Jan Andriesz, die deeze kleederen 't fatsoen heeft gegeven, eens te weten kwam dat zijn handwerk onder de Onderaardsche rariteiten bewaart wierdt, zonder twijfel zoude hij van hoogmoed opzwellen, en na deezen naauwlijks voor de Burgermeesters of Kapiteins van de Stad willen zwigten.

Na dit voorval bragt ik het overige van den nagt door, zonder een oog te konnen toedoen, tot dat de Zon opging. Toen ik opstond wierdt mij mijne acte gebragt, waar bij mij gegeven wierdt de bedieninge van Post looper. Van stonden aan kreeg ik oneindig werk, en was als een geduurig beweegrad, brengende Placcaaten en Brieven over, zoo naar de groote als kleine Steden. Op deeze mijne togten den aart deezes volks wat naauwkeuriger onderzogt hebbende, ontdekte ik in de meeste eene verwonderlijke heuschheid en eene zeldzaame wijsheid. Alleen de inwoonders van Maholki, die alle Doornboomen zijn, kwamen mij voor niet zeer geslepen of beschaafd te wezen: want iedere Provincie heeft haare bijzondere boomen of inwoonders, 't geen zeer klaar blijkt in de Boeren of Landlieden, die alle inboorlingen zijn: want in de groote Steden, vooral in de Stad daar zig de Vorst ophoudt, was een mengelmoes van allerhande boomen. Het gevoelen dat ik van 't verstand der inwoonders deezes Vorstendoms opgevat had, nam toe, naar mate dat ik gelegenheid kreeg om hunne bekwaamheden wat dieper in te zien. De wetten en inzettingen, welke ik het meeste veroordeelt had, begon ik hooglijk te prijzen om derzelver billijkheid en regtvaardigheid: zoo was de verachting in verwonderinge verkeert! 't Zoude mij niet moeilijk vallen, een geheele lijst op te geven van zaaken en gewoonten, die mij, wanneer ik ze terloops beschouwde, dwaas, maar als ik ze nader inzag, verstandig en voorzigtig voorkwamen. Uit een oneindig getal van voorbeelden zal ik alleenlijk dit bijbrengen, 't welk den aart deezes volks zeer duidelijk uitdrukt. Toen eens een Student in de Litterature stont naar het Rectorschap van zekere School, wierdt zijn verzoek ondersteunt met deeze aanprijzing, te weten: de Burgerij der Stad Nahami getuigde, dat hij, geduurende den tijd van vier jaaren, met een dertele en ontrouwe vrouw gerust en stil hadt geleeft, en een gewillige hoorndrager was. Deeze Attestatie was bijna met deeze of diergelijke woorden opgesteld:

"Nademaal de zeer geleerde en eerwaardige Heer Jocthan Hu van zijne Gebuuren verzogt heeft eene Attestatie, nopende zijn leven en gedrag, zoo verklaaren wij burgers, wonende in de wijk of in den oort der Stad Posko, dat dezelve geheele vier jaaren agter een mee zijne huisvrouwe, die eene ligtekooi is, zonder eenig huiskrakeel, in den egt geleeft heeft: dat hij zijne hoornen geduldig heeft gedragen en met zodanige gematigdheid die ziels-smerte geleden heeft, dat wij hem oordeelen te zullen wezen een waardig Rector der openstaande School, zoo anderszins zijne studien met zijn gedrag overeenkomstig zijn."

"Gegeven op den tienden dag der Palmboommaand, in het jaar drie duizend, na den grooten Zundvloed."

Bij deeze aanprijzing was gevoegd eene verklaaring; van de Karatti van het Kweekschool, aangaande deszelfs studien en geleerdheid, 't geen meer scheen ter zake te zullen doen: want wat aanbelangde de verdiensten van dien gehoornden Schoolvos boven die andere leeraars, daarvan kon ik niet wel begrip vormen. Maar van die klugtige Attestatie was dit de regte zin: Onder de deugden welke eenen leeraar 't meest aangenaam maken, is de gematigdheid: want, tenzij zulk een Jobs lijdzaamheid bezitte, zal hij met den gantschen opschik zijner geleerdheid weinig bekwaamheid hebben om 't Schoolmeesters ampt waar te nemen, 't geen zonder strengheid en oploopenheid moet worden bedient, op dat, door zijne ontijdige tugtigingen, de gemoederen der jeugd niet verbitterd worden. Nu gelijk 'er kwalijk een voorbeeld van grooter gematigdheid kan worden gegeven dan van die, waar mede de aanstaande Rector zoo een aanmerklijk huis-kruis verdragen hadt, zoo trokken ook des Verzoekers gebuuren niet lang in twijfel, dat zij op deeze drangreden moesten aandringen, om daar mede aan te toonen, wat men van eenen Schoolmeester, die boven andere met deeze deugd pronkte, te wagten hadt. Men zegt dat de Vorst over die ongewoone aanprijzing boven mate in lachen uitbarstte; dog wijl hij dezelve niet geheel en al ongerijmd bevondt, begiftigde hij den Verzoeker met het openstaande Rectorschap: en het is zeker dat dezelve dat ampt met zoo veel snedigheid heeft bedient, en de leerlingen door verdraagzaamheid en goedertierenheid zoo zeer aan zig heeft verbonden, dat zij hem eerder voor eenen Vader, dan voor eenen Schoolmeester hielden, en zoodanige liefde voor de letter-oeffeningen, onder zulk eenen zagtzinnigen en gematigden bestierder, kreegen, dat 'er tegenwoordig weinige Schoolen in 't geheele Vorstendom zijn, waar uit zulke vermaarde, geleerde, en wel opgevoedde boomen jaarlijks te voorschijn komen.

Vermits ik nu, geduurende den tijd van vier jaaren dat ik het ampt van Post looper bediende, gelegenheid had, zoo om den aart deezes lands, als om den inborst, zeden, staatkunde, Godsdienst, wetten en letteroeffeningen deezes volks na te speuren; hoop ik de Leezers niet onaangenaam te zullen wezen, als ik al het geen wijd en zijd in dit werk gevonden wordt, hier als in eenen bondel betrekke.

[1] Mengelmoes van gevoelens.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ekim 2024
Hacim:
322 s. 5 illüstrasyon
ISBN:
4064066400729
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar