Kitabı oku: «Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag»
Multatuli
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066400576
Inhoudsopgave
Minnebrieven
Eerste geschiedenis van Gezag.
Tweede geschiedenis van Gezag.
Derde geschiedenis van Gezag.
Vierde geschiedenis van Gezag.
Vyfde geschiedenis van Gezag.
Zesde geschiedenis van Gezag.
Zevende geschiedenis van Gezag.
Achtste geschiedenis van Gezag.
Negende geschiedenis van Gezag.
Eerste Sprookje.
Tweede Sprookje.
Derde Sprookje.
Eerste bewys dat de Javaan mishandeld wordt.
Tweede bewys dat de Javaan mishandeld wordt.
Derde bewys dat de Javaan mishandeld wordt.
OVER VRYEN-ARBEID IN NEDERLANDSCH INDIE.
AAN DEN UITGEVER.
NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.
INDRUKKEN VAN DEN DAG.
AAN DE STEMGERECHTIGEN IN HET KIESDISTRIKT TIEL.
Minnebrieven
Inhoudsopgave
Aan den Heer ......Doctor in de letteren.
Waarde Heer!
Ik noem u “Waarde Heer” omdat ge een zonderling mensch zyt. De reden dat ik u dit bundeltje opdraag, ligt in het gevoel myner verplichting u ten-toon te stellen, wat ik dan ook doe door de verklaring dat ik u hoogacht.
Hoe, gy zyt maar der Letteren Doctor ... ge bezit niet den minsten kruidenierswinkel ... nooit waart ge minister of tabakskontraktant ... en ge verstout u wèl te doen?
Dat roept om wraak!
In naam der geschonden rechten van al wat ryk en machtig is en gedreven door een onoverwinnelyke jalousie le metier, straf ik u voor die uitmiddelpuntigheid, door deze openlyke betuiging myner symphathie.
Maar ... koop nu ’n revolver, schaf en trek u ’n wambuis aan, van staaldraad, want denk er aan:
“Charitas odium parit!”
Amsterdam, 8 Juni 1861.
Multatuli.
Z’n rok was kaal, maar dit scheen hy niet te weten. Wie denkt aan eigen rok, by zooveel ellende van anderen?
Zoo zeggen de boeken.
Maar in de wereld is ’t zoo niet. Waarachtig, het is zoo niet! Er bestaan inderdaad menschen, die ’n hevigen tegenzin hebben in kale rokken, als ze niet hangen om de schouders van ’n ander. Geen rampen zyn lichter te dragen, dan de rampen van ’n buurman. Alleen brand en pokken maken een uitzondering: die dingen slaan soms over!
Ik had wel lust ’n boek te schryven over al de leugens die men in boeken vindt. Maar ten-eerste zou ’t wat lang duren vóór ik klaar was, en ten-tweede zou dan ’n ander, om myn ongelyk te bewyzen, weer zeggen, dat het bewys myner stelling in m’n eigen boek lag ... juist als ’t zekeren Kretenser ging, die beweerde, dat alle Kretensers leugenaars waren.
Ook zou ’t jammer zyn, het publiek in den waan te brengen dat alles wat men schryft, onwaar is. Och, laten wy het kaf sparen om ’t koren!
Z’n rok dan was kaal, en hy klopte aan de deur...
Hy had al vaak geklopt aan andere deuren, maar altyd zonder baat! Zou ’t nu lukken, nu?
Daar binnen zat iemand te schryven, die haastig “ja” riep, als waren ze nog te-veel, de twee letters, die wat wegstalen van z’n indrukken.
Hierop volgde een gesprek, dat niemand begrypen zal. Toch zal ik ’t u mededeelen. Misschien begrypt men ’t later.
De man in de kamer zei eenvoudig, dat hy geen geld had, en dat hy verliefd was.
Was de bezoeker een schuldeischer?
Ditmaal niet, en wel by uitzondering.
—Ik kan waarachtig niet helpen! Geld heb ik niet, en geen tyd ook. Ik schryf aan Fancy, en dus ...
—Fancy?
—Fancy of fancy ... fancy van de varkens in de Tijdspiegel ... Fancy of Fancy, al naar ge wilt. ’t Is iemand die ik liefheb ... ze ligt in ’n koffer te Laeken ... ik kan haar niet hier laten komen ... dan wordt ze betast door de douanen ... dit duld ik niet ... want ge begrypt dat ze schuw is. En halen kan ik haar ook niet, omdat ik geen geld heb voor de reis. Maar hier woont ze op de Leliegracht, geloof ik ... Zie eens, ze heeft my ’n langen brief geschreven. Ik moet haar antwoorden. Ze vraagt of ze my mag liefhebben? Wel zeker! Mag ze niet? Tine zegt dat het heel goed is. En gy?
Wat de aangesprokene dacht? Wèl, hy dacht dat de man in de kamer gek was.
En dat dachten veel menschen.
Maar vóór de bezoeker z’n onbeleefde meening uitte, kwam hy terug op de reden zyner komst.
—Er moet hulp zyn, vóór elf Juni. Die man is radeloos ... hy heeft aan alles gebrek. Z’n vrouw en kinderen....
—Kinderen ook? Kinderen? O, dat is hard! Eene vrouw is niets. Maar ... kinderen, zegt ge? Ja, dat is verschrikkelyk!
En de man in de kamer stond op, en demonstreerde met veel vuur, dat ’n vrouw “niets” was.
—Een kind is wreed, m’nheer! O, ik ken de barbaars....
Ik weet waarachtig niet hoe ik ’t woord spellen moet, dat hy uitsprak zonder den minsten c. h.
... o, ik ken de barbaarsheid, waarmee ’n kind vraagt: “maar, vader, waarom zyt gy ook niet ryk, als oom, die draaibanken koopt voor zyn kinderen?” “Hoe moet men doen, vader, om ’n koets te hebben, als de Duchesse de Brabant?” “Vader! is het kindje dat zy gister op den schoot had, zoeter dan Nonni?” “Mogen wy nooit uitryden met onze mama, zoo als dàt kindje?” “Zou dat meisjen alle dagen vleesch eten, vader, even als de kinderen by oom?” “Wat hebt ge toch gedaan, vader, dat men ons zoo arm laat blyven?” Ziet ge! dat wondt! Want aan ’n kind kan men zoo alles niet uitleggen: cet âge est sans pitié! Ja zelfs er is veel, dat men niet kan uitleggen, aan groote menschen die veelal kind blyven op dat punt ... zoodra hun belang ’t niet begrypen meebrengt.
Maar ... ’n vrouw! O, dàt steunt! dàt verheft, dàt adelt! Hebt gy een vrouw?
—Neen, maar....
—Nu, dan kunt ge ’t niet weten! Anders ... foei, m’nheer, zeg dat die man lydt om z’n kinderen, maar haal niet de vrouw daarby, als ware ook zy ’n lastpost op de begrooting zyner ellende!
Helpt ze hem niet? Troost ze hem niet? Zou hy sterker wezen zonder haar?
Wat drommel, waarom trouwde ze ’m dan? Ze moet toch eens “ja” gezegd hebben, toen hy haar vraagde of ze lief en leed met hem deelen woû?
O, die vervloekte tweede en derde ban der schuttery! Ja, ja, ik weet het wel: officieël zelfs is de vrouw ’n certificaat van onbruikbaarheid? ’t Land is in nood ... voorwaarts! ... Hoe noemen ze ’t ook, als alles naar de grens loopt? Alles? Wel neen, de man, die ’n vrouw heeft, blyft thuis voorloopig! De vrouw staat op het lystje van vrystellende ziekten ... tusschen kanker en impotentie zeker! De man is onbekwaam tot heldenmoed en geweerpoetsen ... tot nader order! Tot nader order, als de jongens òp zyn, de jongens, die vóorgaan!
Dat was anders in Troje ... zie maar dat afscheid van Hektor en Andromache ... ’t hoeveelsche boek weet ik niet. De kleine jongen wordt bang voor Hektors pluim ... maar Hektor gaat!
—’t Staat in ’t zesde boek, zei de bezoeker die doctor in de Letteren was:
Ὥς εἰπὼυ οὖ παιδὸς ὀρέξατο Φαίδιμος Ἕκτωρ. άψ δ′ πάίς......
—Goed, maar Hektor gaat ...
—Ja, maar Andromache wilde dat hy niet zou gaan.
—Dat was infaam van Andromache! En als ’t my gebeurd was ... maar zóó-iets gebeurt my niet! Zie hier ...
Hy toonde z’n bezoeker een brief ... een brief van zyn Andromache! Zoo-iets droomde Homerus niet. Ja, daar stond het:
Ik ben woedend! Men durft zulke voorstellen doen aan U! En men spekuleert op ’t gebrek-lyden onzer kinderen? Ik verbied u, aan my, aan ons, te denken. Liever bedel ik myn brood van deur tot deur, dan gevoed te worden tot zulken prys! Weiger, weiger ruw en barsch, zóó dat men ’t nooit meer vraagt! Zeg dat ik u verachten zou, als ge uit nood, en om onzent-wille, uwe denkbeelden, uw styl, uw ziel verkocht, Vraag geld, leen—’t komt er niet op aan van wien, honderdvoud zult ge ’t weer geven—maar buig niet onder de eischen van hen, die u willen misbruiken voor hun doel. En kunt ge ons niet langer voeden, Max, dan sterven wy .. maar nog is er geen nood! Ik heb nog voor drie dagen ...
—Myn God, van wie is die brief? vraagde de bezoeker.
—Wel, van Tine! Begrypt ge dàt niet? Wie anders zou zóo schryven? Zie eens, hoe slordig. Ze schryft niet altyd zoo slordig, maar ze was driftig toen ze dàt schreef ...
—Wat had men u voorgesteld?
—Den heer Duymaer van Twist te sparen, die in de Tweede-Kamer meespreekt over vryen arbeid, en den heer Rochussen aantevallen. Ik toon u den brief niet waarin dat staat: hoe schandelyk ook van inhoud—dàt noemen ze politiek!—die brief was geschreven met zekere vertrouwelykheid ...
—Door den heer v. H.?
—Neen! Zelfs ben ik overtuigd, dat deze niet bekend was met den vryen arbeid, dien men my wilde opleggen voor wat loon. En wélk loon? ’t Loon dat de apen in Artis krygen ... voor den kost! En die hoeven daarvoor geen leugens te schryven: gelukkige apen! Ze hebben alles te danken aan hun staart. Zonder dat ding zou men ze ook dwingen tot vryen arbeid ...
Maar ziet ge wel, m’nheer, dat een vrouw niets is? Niets by de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, ja alles, zoodra er spraak is van hulp en steun? Ik zou volstrekt geen pleizier hebben in gebrek-lyden, als ik m’n vrouw niet had ...
De bezoeker vond dit een vreemd pleizier, al was er dan ook ’n vrouw by.
—O, ge weet niet hoe ’n vrouw lief heeft ... ge kunt niet begrypen, met hoe groote woekerwinst zy den man de indrukken weergeeft, die hy neerschreef in haar ziel!... Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele mannen daarin niets wisten neer te schryven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is ... baring, zonder bevruchting?
Ja, ja, er is iets schoons in die tweeslachtigheid van de liefde! Stof en ziel! ... Ziel, zeg ik by wyze van spreken ... alles zal wel stof wezen, goed! Ik bedoel dan met dat woord die werking der stof, welke door velen voor onstoffelyk wordt aangezien, uit hoogmoed of ter bekorting ... weet ik het? Over woorden stryd ik niet. Welnu, zie eens hoe heerlyk symmetrisch de lieve Natuur alles gemaakt heeft. Liefde is neiging tot geven en uitstorten aan den eenen kant, tot ontvangen aan de andere zyde! De grove uitlegging—neen, ook die zaak is niet grof! Ze maken haar grof, zy die alles scheppen of omscheppen naar hun beeld!—die uitlegging spaar ik u, om nu alleen acht te geven op de andere. Liefde is drang tot geven en ontvangen ... tot bevruchten en baren. Wat ik weet—o, ’t is bitter weinig, kan ik dat helpen,—wat ik weet, begryp, gevoel, droom ... zie dat alles geef ik háár!
—Aan uw vrouw?
—Wel neen, aan Fancy, ... dat is m’n vrouw!
—Juist! Weinigen begrypen wat liefde is. Ik geef haar m’n ziel, onverdeeld, zonder de minste terughouding. Ik plant m’n denkbeelden in haar gemoed, en als dan ’t oogenblik der voldragenheid gekomen is, dan legt ze my het reuzekind in de armen ...
De bezoeker dacht met medelyden aan het reuzekind, behebt met zulke ouders, en hy nam zich voor, te vertrekken terstond na het Q. E. D. van de bedreigde demonstratie, dat een vrouw “niets” was.
—Ja, als de tyd dààr is, vind ik ’n boomstam, waar ik ’n zaadje uitstrooide. Er vloeit ’n stroom, waar ik ’n drup gaf. En, waar ik ’n steentje neerlegde, vind ik ’n rots weer.
Schooner, krachtiger, edeler, geheel volwassen, vind ik dan de denkbeelden terug, die ik toevertrouwde aan den vruchtbaren bodem van haar hart. Ik vraag, als Haydn, by het ondergaan zyner schepping, toen men zyn “Schepping” uitvoerde: Myn god, heb ik dat gemaakt? Begrypt ge dit?
—Neen, zeide de bezoeker.
—Welnu—want de man in de kamer had “ja” verstaan, omdat hy luisterde naar den weerklank zyner woorden in z’n eigen hart—welnu, zóó geeft de vrouw met oneindigen woeker terug, wat de man, die haar liefhad, zaaide in hare ziel. En, als er dan geleden wordt, veel geleden, want menschen, die zóó liefhebben, moeten lyden ... begrypt ge dit?
Neen.
Juist, zulke menschen moeten lyden! als dan de gure noordewind van ’t lot door de reten blaast van de kale woning ... als er wond op wond wordt geslagen door de ruwe hand van ... ’t doet er niet van wien! Ik scheld niet graag op menschen ... ik ben ook ’n mensch en heb veel fouten ... nil humani ...
—Me alineum puto, zei de doctor in de letteren.
—Ja, ja, zoo is het! Nu, als er zulke diepe wonden worden geslagen door de ... noodzakelykheid, dat is God ... als men diep neergebogen door smart, op het punt staat te vergaan in wanhoop, dan treedt de vrouw op en toont u den oogst van haar huwelyk. Glimlachend zegt ze:
“Waarom weent ge? Hebt ge my niet ’n schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd heb met het talent, dat ge neerlaagt in myn schoot. We zyn ryk, ryk in liefde, ryk in adel! Ik heb bewaard wat gy weggaaft! Ik heb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist! Ik ben uw huishoudster geweest, ja, de huishoudster uwer ziel!
“Wat deert u? Lydt ge aan eerzucht? Ik maak u koning, ik kroon u! Acht ge my minder dan ’n paus?
“Wat deert u? Drukt u de laster? Ik noem u groot, ik noem u edel, ik die alléén u ken, en de armen beklaag die u niet kennen!
“Wat deert u? Armoed? Leugen! Ryk zyn we, schatryk! Zie onze kinderen met hun dichterhartjes! Met hun zucht tot weten, tot begrypen, tot geven, tot liefhebben! Ryk zyn we, Max, schatryk! Zie de boomen, hoe groen! Zie het veld, hoe bont! Zie de heele lieve natuur, die ... vrywillig arbeidt zonder ’t minste stelsel van kultuur ... O, ik wist wel, dat ik u zou doen glimlachen!
“Wat deert u? Angst, vrees? Angst, voor wat? Welke vrees? Zyn we niet reeds over de helft van ’t leven? Hebben we niet eerlang aanspraak op rust? Ge weet niets van die rust? Ik ook niet ... maar gyzelf hebt gezegd: er is geen God, of Hy moet goed zyn!1
“Dan moet hy óns liefhebben, Max!
“Wat deert u? Zorg voor heden, voor morgen? Heden hebben de kinderen gespysd ... Ook morgen heb ik nog ’t noodige ... Max, Max, moogt gy minder vertrouwend zyn dan de Christenen, die voorgeven te berusten in Gods wil? Minder kalm en gelaten dan de Mohammedaan, die werkelyk berust in de schikking van ’t lot? Max, geloof me, het doet geen pyn ...
—Hoe heette zy?
—Ik erken dat ik in de war ben, Tine of ... Fancy, of ...
—Neen, lang geleden?
—Porcia, antwoordde de doctor in de Letteren.2
—Goed, Porcia! Maar ziet ge nu wel, dat ’n vrouw “niets” is by optelling van lasten? O, die vervloekte tweede en derde ban der schuttery!
Maar—dit is waar!—niet alle vrouwen zyn vruchtbaar, zegt men. Ik geloof, dat deze onvruchtbaarheid in ’t zedelyke meestal moet worden toegeschreven aan ’n zeer onzedelyke onmacht der mannen ... die in suiker of koffi doen, God betere ’t!
—Maar ... mag men dan geen suiker of koffi verkoopen?
—Wel zeker! Maar de kultuur der vrouw moet vóórgaan. En dit is in de wereld zoo niet! Wilt ge ’n klein bewys ... één uit de velen? Presenteer ’n glas bitter aan iemand, die naar de beurs gaat, of madera of zoo-iets ... hy zal weigeren, want hy is stipt op z’n zaken! Nooit gebruikt hy iets in zaken. O, hy zou zich onteerd achten als ’n principaal, ’n vriend—”vriend” wil zeggen: iemand, met wien men zaken doet, style commis voyageur—als zoo’n vriend bemerkte dat hy iets gebruikt had, zooals ze dat noemen.
Goed, kom dan na de beurs!
Na de beurs is hy uw man. Wel zeker! Dan wachten hem geen zaken! Dan wachten hem maar ’n vrouw en ’n paar kinderen die geboren werden tegen hun wil! Die vrouw is geen principaal, die kinderen zyn geen vrienden. Zy mogen ’t wel weten, dat hy iets “gebruikt” heeft! Zy mogen ’t wel merken dat papa riekt als ’n koetsier of stalknecht! Hier doet het er weinig toe, of z’n taal ook riekt naar bok of stal. De kus die hy hààr of hùn geeft mag verpest wezen ... never mind! Daardoor immers zal geen zaak afspringen! Als de kinderen maar stil zyn, en niet lastig, en als ’t eten maar goed is, en als papa maar alles naar z’n zin heeft! Papa is moe, moe van gort, stroop, Oostenrykers en assurantie. Moe van koffihuispraat en beursgedrang. Moe vooral van Boonekamp, en de vele “halfjes”, waarvan er maar anderhalf op ’n heel gaan.
Wat plant zóó’n man in de ziel zyner vrouw? Jenever! Mag hy zich beklagen als deze besproejing later blykt alle vrucht te hebben gedood? Is de vrouw onvruchtbaar, die niet baart na zulke bevruchting.
En, ook zonder dien noodlottigen drank, wat geeft de man aan de vrouw, die hy zegt lief te hebben? Een sjaal, ’n étagère, wat kleeren en de kost? O, geef méér aan de uwe, als ge trouwt ... geef iets anders! Maak uwe vrouw tot ’n spaarbank uwer denkbeelden, tot ’n levensverzekering van uw gemoed! Als dan de kwade dagen komen, zult ge inzien dat ik gelyk heb ... waarachtig, ’n vrouw is niets!
Maar nu, laat my alleen: ik schryf aan Fancy, en heb veel te doen!
De bezoeker stond op, reikte de hand met hartelykheid of ... medelyden. Dit wist hyzelf niet. Want hy begreep niet recht, of de man in de kamer boven of beneden anderen stond, al voelde hy dat er geen spraak kon zyn van gelykheid. Als post-scriptum van z’n bezoek, herhaalde hy weggaande de reeds vaak gemompelde woorden:
—Die arme man:
Ik weet weer niet, of hy ditmaal hiermee bedoelde den man in de kamer, of de persoon die voor 11 Juni moest worden geholpen met wat geld, om niet reddeloos verloren te gaan met vrouw en kinderen. Misschien dacht hy aan beiden.
Maar de man in de kamer dacht nooit aan zichzelf, als er gesproken werd over andere menschen, schoon hy toch, wel beschouwd, niet zeer ryk was.
Op straffe van op-nieuw me schuldig te maken aan de verregaande tuchteloosheid, die de heer Buys my ten-rechte verwyt in de Wetenschappelijke Bladen, mocht ik hier ’n opmerking inlasschen, om u te bewyzen, lezer, dat ik altyd de waarheid zeg, vooral waar ik beweer, dat er zooveel leugens verteld worden in de boeken. Ik zal u daarom bewyzen, dat alles wat ik u verhaalde gelogen is.
Die man in de kamer was arm. De bezoeker moest dit weten, daar ieder het weet. Hy had voor z’n beschermeling overal tevergeefs hulp gevraagd, Prins die had bedankt voor de eer, en v. B. was naar buiten. De ryke C. had juist geen geld—treffende juistheid!—en Mevrouw H. wou graag helpen, maar moest eerst weten of de man die in nood verkeerde, misschien eenmaal iets verkeerds had gedaan? Dàn hielp zy natuurlyk niet, want “men mag niet styven in verkeerdheid.” Dat is ’n vast principe van alle brave menschen die nooit iets verkeerds deden. Kort-om, de man met den kalen rok die zich zooveel moeite gaf voor ’t wanhopig gezin, was overal afgewezen, overal ...
Nu vraag ik u, of ’t waarschynlyk, of ’t mogelyk, of ’t waar kan wezen, dat hy, na dit alles, op het denkbeeld kon komen, hulp te vragen aan iemand:
| Primo: | Die zelf dood-arm is. (Van publieke bekendheid). |
| Secundo: | Die gek is. (Dit zal terstond blyken). |
| Tertio: | Die een slecht sujet is. (Te informeeren bij allen die hem kennen, liefst by z’n naaste betrekkingen, die ’t precies weten, en die het niet zeggen zouden, als ’t niet waar was). |
| Quarto: | Die, als getrouwd man, minnebrieven schryft. (Ge hebt die in handen, lieve, brave, onberispelyke lezer!) |
| en Quinto: | Nog-eens: by iemand die dood arm is! (Als dit toch niet zoo ware, kwam de rest er minder op aan.) |
Is dit mogelyk? Neen! Zulke leugens gelooft men eerst als ze achttienhonderd jaar oud zyn!
De reden dat ik die leugens vertel, is deze. Ik wil ditmaal tien vel volschryven, en ik zie geen kans het te doen met waarheid. Dit immers zou ’n korte geschiedenis wezen:
“De Javaan wordt mishandeld.”
“Ik zal daaraan een eind maken.”
Nu weer leugens:
—Die arme man! had de bezoeker gezegd. En de ander:
—’t Is toch verdrietig ... ik kan u niet zóó laten vertrekken: ik heb niets. Als ik ’t niet zoo druk had met m’n liefde, zou ik u voorslaan voor dat gezin iets te schryven maar ... o, ’n idee!
De dwaas wreef zich de handen by zyn idee.
—Wacht ’n oogenblik! Elf Juni, zegt ge? Heden den achtsten? Ga weer zitten.
De bezoeker nam weer de plaats in, die hy zoo even vry troosteloos verliet. De dwaas schreef ’n kort briefje, dat hy ’t venster uitwierp.
Wacht nu even, zeide hy, rondstarende als zou er iets zeer, vreemds gebeuren, vreemd voor den ander althans.
En ’t was ook vreemd! Het pas weggeworpen briefje vloog het raam in, dat gesloten was. Er was iets bygeschreven.
—Zie hier, zei de arme dwaas, Fancy zegt dat het goed is!
De bezoeker las:
“Lieve Fancy, Er ís een gezin in nood, mag ik onze brieven verkoopen?”
En daaronder stond:
“Ja. Maar niet van den ... van den....
“En hierop volgde ’n reeks van datums, ter aanduiding van brieven die niet mochten verkocht worden.
De man in de kamer schreef daarop de volgende acceptatie, die hy niet het raam uitwierp, maar ter-hand stelde aan z’n bezoeker:
“Goed voor wat geschryf.
—Diskompteer dat:
De vreemde wreef zich de oogen uit.
Diskompteer dat! Maar hoor eens ... is Frits die ’n braaf man?
—Voorzeker!
—Ga dan niet by hem: hy zal niet diskompteeren. Is v. B. die “naar buiten is” weldadig?
—Zeer weldadig! Er zyn hofjes voor oude vrouwen die zyn naam dragen ... de hofjes.
—Ga dan niet naar v. B.: Hy zal niet diskompteeren. Heeft C. ’n goed hart?
—Als ’n juweel. Z’n dochters breien wintersokjes voor negerkinderen.
—Ga dan niet naar C: Hy zal niet diskompteeren. Is die Mevrouw H. godsdienstig?
—Zéér godsdienstig! Zondags laat ze ’t eten komen van den kok, om de keukenmeid tyd te laten tot oefening met de knechts.
—Ga dan niet naar Mevrouw H.: ze zal niet diskompteeren. Ga naar ... naar ... ’t is toch wel verdrietig dat alle menschen zoo braaf zyn! Kent ge geen enkel slecht mensch? ’t Is waar, ge bezoekt de beurs niet....
—Een slecht mensch?
—Ja! Iemand die alle fatsoen met voeten schopt, ’n vyand van deugd en goede zeden! Een soort van antichrist, iemand die ... ik bén er. Z’n oog viel op de Dageraad, ’t verfoeielyk tydschrift dat op z’n tafel lag.
—Ik ben er! Zie, daar staat het! Wat drommel, ’t is juist als Jan Luyken zei: wat naby is zoekt men vèr! Wel beschouwd, had ik liever iemand die ’n kind had opgegeten, maar by-gebrek dááraan, raad ik u naar den uitgever van de Dageraad te gaan. Zie, ’t nummer staat er by, G. 301.... Dat treft! Die Günst staat zeer ongunstig bekend—ge begrypt dat deze geestige woordspeling niet van my is: ik hoorde ze van ’n Dominé—die ongunstig bekende Günst zal helpen, als hy kan. Hy zal discompteeren!3 En als deze niet mocht kunnen helpen, ga dan by Meyer op den Vygendam, waar Voltaire te koop ligt en ’t Gebed van den Onwetende van den krankzinnigen Multatuli en veel ander zedeloos geschryf. By zulk volk moet ge wezen!
De doctor in de letteren ging de trap af. Het warrelde hem. Echtbreuk, minnebrieven, Voltaire, ’n meisje dat niet mocht betast worden door de douanen, en dat op de Leliegracht woonde, schoon ze te Laeken in ’n koffer logeerde? Brieven die ’t gesloten raam invlogen? Reuzenkinderen? Een vrouw die meer was dan de paus, schoon ze maar eten had voor drie dagen? Een man die plezier had in gebrek lyden ...
—Ga van-tyd tot-tyd eens kyken naar den heer op nummer zes, zeide hy, beneden komende, tot ’n bediende.
En gy lezer?
Dwaas, niet waar? Schandelyk gruwelyk, infaam, onfatsoenlyk en vooral onbegrypelyk ... niet waar?
Koop, publiek, koop! O, ge zult koopen, ik ken u! Ge hebt geld te-veel, als er schandaal geveild wordt, gy die den brave laat verhongeren, wanneer-i geen geloof heeft als gy.
Koop, publiek, koop! Gy, die uw profeten laat leven, om ze langer te martelen! Men lastert u door te zeggen dat ge den Christus zoudt gekruist hebben, als de joden; ge hadt hem loopjongen gemaakt in ’n kruienierswinkel ... niet waar? Ge zoudt gewacht hebben tot hy vrouw en kind had, om die te laten hongeren ... dat hy ’t zou aanzien, en buigen voor u! Dit treft zekerder, niet waar? Ge zoudt den deurwaarder hebben belast met uw antwoord op zyn: wee u Jeruzalem! opdat-i moedeloos en geknakt, z’n wee terugname, by ’t veilen van de kleertjes zyner kinderen, dat hard is te aanschouwen, voor ’n vader! Dat treft wisser, dieper, dat pynigt langer, niet waar, dan slechts een paar uur sterven!
Koop, publiek, koop, gy die Luther en Cambronne ’n liedje laat fluiten voor den kost! Gy die ’n menuet eischt voor wat kanariezaad aan Curtius en d’Assas!4
Koop, publiek, koop, er zyn aandoeningen te krygen voor wat geld! Ik heb de macht u te streelen en te kittelen, tot ge zoo gek wordt dat ge den prys uwer koffi vergeet, gy die anders zoo hard zyt van huid, dat de zweep er van kermt!
Koopt, Nederlanders, Christenen—ouwerwetsche en moderne!—koopt, teekent in, betaalt, strooit geld neer voor wat minneliedjes en wat geest!
Koopt, gy die spoorwegen bouwt van gestolen geld, en tot betaling den bestolene bedwelmt met opium, evangelie en jenever!
Koopt en betaalt, gy allen! Ik heb genoeg geleden om den toon te uiten, dien ge zoo gaarne hoort! Ge hebt my genoeg belogen, gelasterd en gemarteld, om wat terug te eischen voor uw gemartel, voor uwen laster en voor uwe leugens!
En als ge dan tevreden zyt met de toonhoogte van den gil, dien ge me trapt uit de borst....
Zeg dan als gister, als eergister, als vroeger:
Wat schryft die man aardig! Vrindje, ik geef u zóóveel voor ’t vel, zóóveel voor ’t liedje! Zing nog wat! Schryf nog wat! Praat nog wat!
Publiek, ik veracht u met groote innigheid.
AAN FANCY.
Myn lief kind, wie zyt gy eigenlyk? Hoe heet gy? Waar woont ge?
Moet ik u noemen met namen uit het Hooglied, u de donkerkleurige Sulamite? Zyt gy de lelie van Saron, of de narcis in het dal?
Moet ik uwen hals omvatten met den linkerarm, om u te streelen met m’n rechterhand?
Moet ik poëzie scheppen uit uwen blik? Moet ik rymen op de kleur uwer haren?
Zal ik u heden zien, of morgen ... of wanneer? Zal ik u zien na mynen dood, voor het eerst?
Zyt gy de glorie? Of de deugd? Of de wellust? Of ’t genie? Zyt gy de onsterfelykheid? De rust? De geschiedenis? De toekomst? Een engel? Een daemon, of ’n spook?
Profetes, vestale, wichelaarster, sybille, Egéria of Rafaels zuster, waar zyt ge, waar woont gy?
Moet ik u zoeken in de wolken, of in de straten eener stad?
Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gy gezien wat myne ziel lief heeft?
Moet ik ’n tooverspreuk uitvinden, om u te doen neerdalen van omhoog? Om u optezweren uit de diepte?
Woont ge op ’n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de myne, die onder heeft noch boven?
Kunt gy de zon zien, Fancy?
Of, Fancy, zyt gy de zon?
Zyt ge ’t middelpunt van de aarde, dat alles aantrekt....
Maar, Fancy, dan is elke regendrop een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u!
Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbyganger zal meenen dat er onderschepping mogelyk is, door ’n koperstuk te geven voor de bladzy ... maar hy zal zich vergissen ... de bliksem zal ’t niet toelaten....
Schryf my of hy terecht gekomen is! En zend my ’n lok uwer haren, Fancy ... wanneer ge haren hebt, als anderen ... wat ik niet hoop!
AAN TINE.
Lieve beste Tine, myn Tine! Ik ben verliefd, en heb haast u dit te zeggen. Ik weet niet waar ze woont, maar m’n brief zal terecht komen ... want, Tine: ik heb haar geschreven. Neen, vleesch voor de kinderen behoeft niet alle dagen ... de kinderen in ’t Burgerweeshuis zien er heerlyk uit, schoon zy zelden vleesch eten. En ze hebben toch niet eens ’n wei voor ’t huis, met bloemen en koeien er in, zooals onze kinderen.
Een idee! Ik hoop dat Fancy niet antwoordt. Dan heb ik ’n ongelukkige liefde, die ik beschryven zal voor wat biefstuk. Heine deed dit ook. Hy leefde ’n rond jaar van de hartziekte die hem doodde.
Ik hoop dat ze niet antwoordt. Dag, myn Tine!
VAN FANCY.
Ja, haren heb ik wel, maar ik woon ... neen ik woon niet. M’n ouders wonen, en ik ben by hen. Doe in ’t vervolg een postzegel op uw brieven. Ik ben somwylen schraal by kas, en ge begrypt dat er op onze begrooting geen gelden worden toegestaan voor port van minnebrieven. Ook wilden ze niet dat ik brieven ontvang van ’n getrouwd man. De heele wereld weet dat gy getrouwd zyt. Ook zegt men, dat ge nog ’n andere vrouw hebt—in Amerika, geloof ik—die ge alle dagen slaat. Is dit zoo? Ieder zegt het. Ieder is boos op u. Ieder verklaart u voor ’n ellendeling. Maar ik heb u zeer lief, en als “ieder” bezig is u naar-beneden te halen, denk ik altyd aan den jager van Tollens:
»Hoe bespot en uitgefloten,
Ik had hem graag aan ’t hart gesloten!«
Dien jager vindt “ieder” lief. Doch ’t is omdat het historietje maar in ’n boek staat. Ik geloof niet dat “ieder” zoo tevreden zou wezen, als “ieder” gerekend had op ’n boutje van dat ongeschoten hert in “ieders” keuken. O, die “ieder!”
Ik geloof, dat “ieder” ook U lief zou vinden, wanneer ge alleen bestondt in ’n boek; en overigens de groote verdienste hadt van dood te zyn! Nu is ’t moeielyk, dit begrypt ge!
Ik neem les in vormleer en vaderlandsche geschiedenis. ’t Eerste leert my niets, maar uit het andere zie ik dat men overal party trekt voor de twee de Witten die vermoord zyn. Dat kost niets. Maar als ze nog leefden, zou men ’n handje mee moeten uitsteken, en dit is lastig! Hierom vind ik voor u maar goed, dat ge wacht tot na uw dood. Maar ik wil u lief hebben vóór dien tyd, al maken ze ’t my moeielyk. Zeg me, wat gy na uw dood zult te doen hebben, en of ik dat voor u doen kan? Ik verlang er zeer naar.
Zeg, Hamlet, moet ik in ’n klooster gaan, als Ophelia? Moet ik sekondante worden, om onderwys te geven in de vormleer? Kan ik afwerken, wat gy onvoltooid liet? Wat kan ik voor u doen?
Ik schryf ’n goede hand, dit ziet ge. Ook kan ik schermen en zwemmen, maar dit komt zoo zelden voor.
Ik heb weinig, en weet weinig. Maar wat ik ben, kan of bezit, geef ik u. Veel is ’t niet...
Ja tòch, ik heb geest, hart en wil ... kunt ge hiervan iets gebruiken?
P.S. In haast, want we zyn aan de wasch. Ik heb nooit begrepen, welk nut het heeft, zoo vinnig te trekken aan beddelakens die lang genoeg zyn. Rekken noemen ze dat. Als men die dingen nu terstond ’n half duim langer en breeder had gemaakt, kon dat gerek wegblyven, en ik kon denken in dien tyd. Van rekken gesproken. Le Désespoir van Lamartine is veel te lang, en... te mooi. ’t Is de désespoir van ’n verzemaker, ’n wanhoop in krinoline. Wanhoop moet ’n punt zyn, en geen lyn met krullen, niet waar? Een haarlok kan ik nu niet zenden. Al m’n haren zyn geteld. Wacht tot volle maan, dan word ik geknipt. Waarom vraagt ge een haarlok? Wist gy... ik word geroepen.
AAN FANCY.
Fancy, ik breek met u! Moet ik wachten tot ge geknipt zyt? Moet ik achterstaan voor die beddelakens?
Ik konkurreer niet met uw huishoudery. Ge zyt niet waard dat ik uw naam noem.
Maak zuurkool in, trouw, veeg de vloer, klop een tapyt uit!
Nooit zal ik weer uw naam uitspreken of schryven...
O, Fancy, Fancy, myn Fancy...
Wees vervloekt!
AAN TINE.
M’n hart is diep gewond, en, als altyd, klaag ik myn nood aan u. Ze is ’n meisje. Ze woont in ’n huis, en rekt beddelakens. En ze heeft haren die geteld zyn!
Zeker draagt ze ook schoenen. Godbewaarme ... misschien heeft ze likdoorns.
Ik dacht aan haar, en wachtte ’n aardbeving, die my haar brief zou brengen. De aardbeving was ’n kruier, die ’n dubbeltje vroeg. Ik ben bitter bedroefd.
Ge begrypt, dat het nu uit is, geheel uit! Hieraan is niets te doen. Tracht niet my met haar te verzoenen. ’t Is onmogelyk. Ik wil niet, zelfs als gy het begeert.
Ik heb er om geschreid, maar nu niet meer.
O, die arme Heine! Wat was dat vleesch duur!
Wees gerust, Tine, onze kinderen zullen ’n blos krygen zooals die tweekleurige weezen. Maar terstond kan ik niet. Terstond niet! Eerst moet ik wat rondloopen.
Gisteravond trad ik ’n huis binnen, waar muziek gemaakt werd. Maar ’t was laat. De laatste toon stierf weg toen ik binnentrad. Voor wien men gespeeld had, weet ik niet: er was niemand in de zaal. Ik was Publiek ... ge begrypt dat ik schaamte voelde.
Ik was zoo krank van hart, dat ik muziek noodig had. Ik vraagde of men wat zingen en spelen wou voor my alleen? ’t is voor ’n zieke, zei ik.
Men nam de viool weer uit de kast. De meisjes deden de ringen van strass en den glimlach weer aan, die ze hadden afgelegd omdat Publiek er niet was.
—Heeft ... m’nheer verkiezing? vraagde iemand die daar gezag scheen te voeren.
Hy draalde met dat woord: m’nheer. Ik begreep het wel.
—Das lied der Thräne, antwoordde ik,
Zeer goed, riep de man, met ’n buiging.
En de meisjes zongen toen heel wat anders. Maar ze hebben my beloofd het tranenlied te leeren, en ook dat van de twee nachtegalen, dat ik zoo gaarne hoor.
Maar betalen kon ik niet, en ik zei dat ik geen geld had.
Maar... m’nheer, ik dacht dat u ’n prins was.
—Dit ben ik ook... maar onttroond voor ’t moment, ik ben: prins in buitengewonen dienst...
—Zou ’t de koning van Napels wezen? fluisterden de meisjes, die gezongen hadden.
Ik gaf ’n bon op de schatkist van Insulinde.
Daarop ging ik naar huis, en verdiepte my in ’t volgend voorstel:
“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, die
O, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, dat zy ’n meisje was! Had Lobatto dat kunnen berekenen! Ik zal hem ’n voorstel opgeven:
“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”
Kunt gy dat uitrekenen, beste Tine? Kus Max en Nonni, en zendt me tien franken, als gy die hebt.
P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie in Max. A is A ... B is B .. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.
Och, ze is ’n meisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.
Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!
VAN TINE.
Hierby tien franken, en Fancy’s brief dien ik gelezen heb.
Ga tot haar, en vraag vergeving. Dit moet ge doen, dit zult ge doen. Gy kunt niet leven zonder Fancy. Haar afwyzen is zelfmoord, Max!
Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon op Insulinde maar houden bovendien.
O, De Pène heeft gelyk... c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5
Want toch zyt ge een dichter, Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? Maar Fancy gaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar... nooit!
Dag lieve dwaze ondeugende dichter!
VAN FANCY.
Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!
Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?
Want ik ben ’n meisje!
En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde een man zyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelyk te noemen.
Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde te bezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.
Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.
Luister. Ge vraagdet om antwoord in uw brief aan Ds. Francken. Ge zegt daar:
“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen en Max Havelaar!”
en
“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”
Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.
Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.
En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...
Welnu, Ik zal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik, Fancy!
Want ik heb u lief, u en uw zaak.
Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.
Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6 Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.
Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.
En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt als zy schryven aan my, met het eenvoudige opschrift: Fancy! O, ’t is niet altyd nadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!
Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.
En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan, Max, dan word ik geknipt...
Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.
Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken die huishoudt?
Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!
Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!
Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aan de vrouw!”
Is “de” vrouw mensch of is ze geen mensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.
“De” jakhals leeft van den afval des leeuws. Het wyfje werpt...
Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeft de vrouw van den afval des mans?
Nu moet ge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.
Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.
AAN FANCY.
Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!
Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aan U! Ik aan U iets leeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toen Jehovah de fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!
Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!
Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.
Maar Fancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief, Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?
U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.
Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.” Hy bracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.
Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.
Maar Fancy, ik doe dit niet om u te leeren wat is, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren wat niet is.
Er was eens niets! Was komt van wezen, zyn, bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.
En God, of de god ... begrypt ge dit woord? ’t Is verwant met weten7. Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.
Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, iets grooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.
Wanneer zal ik met u wandelen, Fancy?
Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!
Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.
Ik heb ’n muis gekend, Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heele kaasmagazyn was opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.
De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zich Menschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8
Menschen dus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.
Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van den mensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu den mensch te straffen voor zyn—namelyk: voor Gods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deels niet gebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juist uit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeer duidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.
Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.
Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals ge zyt, helaas!
Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein, boven lucht en wolken,” of koop werken van Strootman, de Gelder, of van Swinden, schoon ge ook met die heeren voorzichtig moet zyn. Want het is niet waar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee punten is, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...
—Dáár staat het! zeide men: Gezag!
—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden: Gezag!
—Een kind gehoorzaamt! Gezag!
Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed de Schepping, de Zondeval—ja wèl ’n val, ’n ware piège!—de Verdoemenis en de Verlossing wat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, over gezag die ik wensch te verhalen.
Eerste geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
—Broeder, gy die grooter zyt dan ik, kunt ge de granaat bereiken, die daar tusschen die vuurbloemen in ’t groen, my aanlacht met geopende lippen, als ’n wenkend meisje? Zie, zy is gebersten van rypheid, en gloeiend rood is de rand van de wonde die zyzelf zich sneed om my te behagen! Ik heb lust in dien granaatappel, myn broeder! Gy, die grooter zyt dan ik, steek uwen arm uit, en pluk opdat ik ete.
En de broeder deed alzoo, opdat de jonger broeder eten zou.
En de oudste ging naar het veld, en zag ’n berggeit die afdaalde in de laagte, en haar jong zocht.
Hebt gy niet myn lam gezien, vraagde zy den leeuw, gy die de vlakte bewoont, en, beter dan ik, de wegen kent in het effen veld, zoo vermoeiend voor my, omdat m’n hoef gespleten is!
—Laat uw jong, uw jong ... uw lam, uw lam, zei de leeuw, en kom hier, opdat ik u verslinde.
En de leeuw deed alzoo.
Maar de oudste broeder vraagde aan den leeuw:
—Wat is dit, dat gy de geit eet, die haar jong zocht?
—Ge hebt gehoord hoe zy klaagde over de ongeschiktheid van hare hoeven, antwoordde de leeuw. Deed ik niet recht haar te eten? Zie myn klauwen, die geschikt zyn! Zie de geschiktheid van m’n tanden. Daarom at ik de geit.
De jongeling dacht na, en bezag z’n armen, die lang, sterk en fors waren. Hy vond die zoo geschikt ... dat hy zich voornam z’n jonger broeder te dwingen tot dienst.
En toen deze hem weder verzocht vruchten te plukken, antwoordde hy:
—Zie myn armen. Hebt ge niet gezegd dat de uwen niet reiken tot de granaat? Dien my, opdat ik u niet verslinde.
Van toen af diende de jongste broeder den ouderen. Maar hy verheugde zich niet over de ontdekking die deze te danken had aan den leeuw.
En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.
Tweede geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
Voltaire heeft gezegd: Si Dieu n’existait pas il faudrait l’inventer! Zekerlyk. Alle macht is uit God. Wie macht wil, wil God. Wie macht, gezag, noodig heeft, maakt zich ’n god. Dit deed Mozes, Confucius, Zoroaster, Numa, Columbus, Cortez. Dit deden alle volksleiders, wichelaars, toovenaars, priesters. Dit doet nog heden-ten-dage ieder die heerschen wil. Het getal goden is zoo groot als het getal begeerten. By iedere nieuwe begeerte, een nieuwe god.
Holloway maakt goden uit onbekende geneesheeren, die u gelasten zyn pillen te koopen. “Alzoo spreekt de Heer” zegt Mozes, en: “alzoo Dr. die” zegt Holloway. Gehoorzaamt en koopt. En beiden zeggen er by: “opdat uwe ziel niet verderve”.
Een dienstmeisje ging uit met de kinderen van haren meester. Ze ontving den last die goed te bewaken. Maar zie, de kinderen waren ongehoorzaam, en liepen vèr, zoodat haar opzicht tekort schoot, en hare zorg ydel was.
Daarop schiep zy uit “niets” ’n zwarten hond, die elk kind byten zou, dat niet in haar nabyheid bleef. En de kinderen waren bevreesd voor dien hond, en werden zeer gehoorzaam, en bleven by haar. In de overlegging van haar hart beschouwde zy den god dien zy gemaakt had, en ze zag dat-i bruikbaar was.
Maar de kinderen werden waanzinnig, uit vreeze voor dien hond.
En dat zyn ze gebleven tot op dezen dag.
Derde geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
Een reiziger was beladen met goud en zilver. Uit vreeze voor roovers had hy zich voorzien van wapenen. Ook volgden hem z’n dienstknechten in groot getal, ja er waren er meer dan alle roovers in ’t gansche land saemgenomen. Hy was zoo goed gewapend en vergezeld, dat een geheel leger niet in-staat zou zyn, hem z’n rykdommen te ontnemen.
Sommige roovers die dit niet wisten, vielen hem aan, maar zouden hierover lang berouw gehad hebben, als ze niet terstond gesneuveld waren.
Een roover, voorzichtig geworden door het voorbeeld zyner broederen, raadpleegde ’n heiligen kluizenaar, die raad wist in alle dingen, omdat hy lang alleen was geweest met twee doodsbeenderen en ’n kruik water.
—Hoe moet ik doen, o heilige man, om heer te worden over de schatten van dien reiziger!
—Het middel is zeer eenvoudig, antwoordde de vrome heremiet. Werp hem den strik dien ik u geven zal, om den hals, dan zal hy geen weerstand bieden. Hy zal z’n knechten gelasten zich voor u ter-aarde te buigen, en u geven wat gy begeert.
En het geschiedde zoo-als de heilige man gezegd had. Maar de reiziger en z’n gezellen bevonden zich zeer slecht daarby.
Die strik heette “Geloof” en heeft z’n kracht behouden tot op dezen dag.
Vierde geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
—O vader, zeg me waarom de zon niet valt?
De vader was beschaamd omdat hy niet wist waarom de zon niet valt en hy bestrafte z’n kind, omdat hy beschaamd was.
Het kind vreesde den toorn des vaders, en vraagde nooit weer, noch waarom de zon niet valt, noch andere zaken die het toch zoo gaarne wilde weten.
Dit kind werd nooit ’n man, hoewel ’t zesduizend jaren leefde ... neen veel langer.
Het is dom en stomp gebleven tot op dezen dag.
Vyfde geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
—Waarheen, o Philoines! vraagde Hudoor zynen makker, dien hy ontmoette in de straten van Athene.
—Ik yl om de drie maten slechten wyn te drinken, die my wachten by de leelykste myner drie maitressen, antwoordde Philoinos waggelend.
Want hy was dronken.
—Kom mede, ge hebt wyns genoeg, en maitressen te veel, naar ik vreeze.
—Drie, Hudoor, Drie! De Meester heeft het gezegd! Drie ... heeft hy gezegd!
—De meester sprak van wyn noch hetaeren, kom mede ...
Hy heeft gezegd: drie ... drie ... DRIE!
En Philoinos viel neder voor den derden keer op dien avond. Maar ditmaal bleef hy liggen.
En hy is blyven liggen tot op dezen dag.
Zesde geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
Daar was voor ’t eerst ’n kind geboren! De moeder was in verrukking, en ook de vader zag het aan met innige liefde.
—Maar, Genius, zeg my, zal het altyd zoo klein blyven? vraagde de moeder, en—voegde ze er by—zie, ikzelf weet niet of ik dit verlang! Gaarne zou ik het groot zien als ’n mensch, maar toch zou ’t jammer wezen als het zóó veranderde, dat ik ’t niet langer dragen kon, en voeden met myzelf.
—Uw kind zal groeien tot mensch, zei de genius. Het zal zich niet blyven voeden met u. Het zal eenmaal niet door u gedragen worden.
—O Genius, riep de moeder verschrikt, zal m’n kind weggaan? Als het loopen kan, zal het dan van my weggaan? Wat moet ik doen, dat m’n kind niet van me wegga, als het loopen kan?
—Heb uw kind lief, zei de Genius, en het zal niet van u weggaan.
Zoo was het! En zoo blééf het eenigen tyd. Maar toen werden er vele kinderen geboren. En velen ouders was het zeer lastig al die kinderen lief te hebben.
Toen vond men ’n gebod uit, dat de liefde zou vervangen, zooals veel geboden. Want het is lichter gebod te geven dan liefde.
Eert uwen vader en uwe moeder!
De kinderen verlieten hun ouders zoodra ze loopen konden. Men voegde by ’t bevel ’n belofte:
Opdat het u wèlga!
Toen bleven eenige kinderen by hun ouders! Maar ze bleven niet op de wyze als die eerste moeder bedoeld had, toen ze den Genius vraagde: “wat moet ik doen, opdat myn kind niet van me wegga, zoodra het loopen kan?”
En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.
Zevende geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
“Le premier roi fut un soldat heureux!” zeide Voltaire, maar ik weet niet of ’t waar is. Er is evenveel kans—ja méér!—dat de eerste koning iemand was, die kennis had aan strikkenleverende kluizenaars. Maar de volgende geschiedenis is waar.
Krates was zeer sterk. Hy knipte borstweringen van boomstammen omvèr, met duim en middelvinger, en kon dertien vyanden doodslaan met één slag. Als hy hoestte, kwam er brand door de samenpersing van de lucht, en de maan schudde als hy dacht aan beweging.
Om al deze verdiensten werd Krates koning.
En hy stierf nadat hy ’n tyd lang koning was geweest.
Maar de kleine Krates, z’n zoontje, had de engelsche ziekte gehad, dat hem niet belette koning te willen zyn, inplaats van z’n vader die zoo sterk was geweest.
Hy zette zich op ’n stoel, dien hy troon noemde, en riep:
Ik ben koning!
Waarom zyt gy koning! vraagde ’t volk, dat nog dom was, en geen begrip had van erfrecht.
—Wel, omdat m’n moeder in ééne hut heeft gewoond met den ouden Krates die dood is.
Eigenlyk zeide hy: paleis, maar ’t was ’n hut.
Het volk begreep de gevolgtrekking niet, en als Krates II riep: “Kom!” dan ging ieder heen. Maar als hy zeide “ga!” dan kwam men hard aanloopen. Kortom, ’t gezag was weg, en Krates twee was te dom om z’n wil ’t onderste-boven te uiten.
In ’n oppozitieblad van die dagen las men ’t volgende:
Waarom, o Krates de tweede, gy die krombeenig zyt en onbezonnen, waarom neemt ge plaats op den stoel des mans die voor twintig jaren in ééne hut woonde met de vrouw die u geboren heeft? Sta op, en maak plaats, en zeg niet «ga!» of «kom!» als waart ge de echte oude Krates! Waar zyn de bolwerken van eikenstammen, die gy hebt omgeknipt met uwen vinger? De maan schudt niet, al denkt ge aan splyting van ’t Heelal. Ge kunt geen vloo doodslaan, en nergens is brand als ge niest. Sta op, en maak ruimte voor ’n ander, die al deze nutte dingen verstaat.
Zóó sprak de oppozitie.
Krates zou waarschynlyk hebben moeten opstaan van den stoel, dien hy troon noemde, wanneer niet ’n oude minne aldus had gesproken tot het volk:
Hoor my, o volk, want ik was de minne van den kleinen Krates, toen hy nog kleiner was dan nu! Toen hy geboren werd heeft z’n vader zich het hoofd gezalfd met olie, en zie, er viel ’n drop der zalve op ’t hoofd van myn voedsterling. ’t Is daarom onnoodig dat hy muren omknippe, en ook is ’t niet noodig dat de maan schudt, of dat hy brand make door hoest. Ik zegge u...
Maar de welsprekende minne behoefde niet te voleinden. De slotsom was zoo gemakkelyk te vatten, dat al het volk—de redaktie van ’t oppozitieblad het luidst—uitriep, als met één stem:
Leve de gezalfde des Heeren!
En Krates bleef zitten op den stoel dien hy troon noemde.
En hy is daarop blyven zitten, tot op dezen dag.
Achtste geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
Thugater9 melkte de koeien haars vaders, en ze melkte goed, want de melk die zy thuis bracht, leverde meer boter dan de melk die thuis werd gebracht door hare broeders. Ik zal u zeggen hoe dit kwam, en let goed op, Fancy, dat ge ’t weet... als ge eenmaal mocht uit melken gaan. Maar ik zeg u dit, niet opdat ge zoudt melken als Thugater, maar om u te wyzen op het voorbeeld van haar broeders, die door minder goed te melken, beter deden. Verstandiger althans.
Vóór de jonge landlieden de weide betreden, ja lang voor dien tyd, staan de koeien te wachten by het hek, om ontlast te worden van den overvloed, dien ze eigenlyk gereed maakten voor hun kalveren. Maar de menschen eten die kalveren op, omdat ze hiertoe de geschiktheid voelen, en dan is er melk te veel in de uiers.
Wat geschiedt er nu onder dit wachten van de koeien met domme gezichten voor het hek? Gedurende dit stilstaan, dryft het lichtste deel der melk, de room, het vet, de boter, naarboven, en ligt dus het verst van den tepel. (Tepel is mannelyk, Fancy, wat ik heel gek vind).
Wie nu geduldig melkt, tot het laatste toe, brengt vette melk thuis. Wie haast heeft, laat room achter.
En zie, Thugater had geen haast, doch haar broeders wèl.
Want deze beweerden dat ze recht hadden op wat anders, dan het melken der koeien van hun vader. Maar zy dacht niet aan dat recht.
—Myn vader heeft my geleerd te schieten met pyl en boog, sprak een der broeders. Ik kan leven van de jacht, en wil rondloopen in de wereld, en arbeiden voor eigen rekening.
—My leerde hy visschen, zei ’n tweede. Ik ware wel gek, altyd te melken voor ’n ander.
—Hy toonde my hoe men ’n schuit maakt, riep de derde. Ik kap ’n boom en ga er op zitten, in ’t water. Ik wil weten wat er te zien is aan de overzy van ’t meer.
—Ik heb lust om samen te wonen met de blonde Gune,10 verklaarde een vierde, dat ik ’n eigen huis hebbe, met Thugaters er in, om voor my te melken.
Zoo had ieder broeder ’n wensch, ’n begeerte, ’n wil. En ze waren zoo vervuld van hun neigingen, dat ze zich geen tyd gunden om den room meetenemen, dien de koeien heel mistroostig moesten by zich houden, zonder nut voor iemand.
Maar Thugater melkte tot den laatsten drup.
—Vader, riepen eindelyk de broeders, we gaan!
—Wie zal er melken? vraagde de vader.
—Wèl, Thugater!
—Hoe zal ’t zyn, als ook zy lust krygt in varen, visschen, jagen, wereld-zien? Hoe zal ’t wezen, als ook zy op ’t denkbeeld komt, samen te wonen met iets blonds of bruins, opdat ze’n eigen huis hebbe, met wat daarby behoort? Ulieden kan ik missen, doch haar niet ... omdat de melk die ze thuis-brengt zoo vet is.
Toen zeiden de zoons, na eenig overleg:
—Vader, leer haar niets! Dan zal ze blyven voortmelken tot het einde van haar dagen. Toon haar niet hoe de gerekte koord, samentrekkend, ’n pyl wegschiet; dan zal ze geen lust hebben in de jacht. Verberg haar de eigenschap der visschen die ’n scherpen haak inslikken, als die bedekt is met wat aas: ze zal dan niet denken aan het uitwerpen van hoeken of netten. Leer haar niet hoe men een boom uitholt, en daarmee kan wegdryven naar den overkant van het meer: dan zal ze geen begeerte voelen naar den overkant. En laat haar nooit weten hoe ze, met blond of bruin, ’n eigen huis kan verkrygen, en wat daarby behoort! Laat haar dit alles nooit weten, o vader, dan zal ze by u blyven, en de melk uwer koeien zal vet wezen! Intusschen ... laat ons gaan, vader, ieder naar z’n begeerte!
—Eilieve, wie zal beletten dat ze weet wat ik haar niet leerde? Hoe zal ’t zyn, als zy de blauwvlieg ziet varen op ’n dryvende tak? Hoe, als de getrokken draad van haar spinsel zich herstelt op vorige lengte, en, snel krimpend, den klos van haar weefgetouw voortdryft by-toeval? Hoe, als ze aan den rand der beek den visch bespiedt, die byt naar ’t kronkelend wurmpje, maar misvattend uit verkeerd bestuurde graagte, vasthaakt in de scherpe liphulze van het riet? En hoe eindelyk, als zy ’t nestje vindt, dat de leeuwrikken zich meimaands bouwen in de klaver?
De zonen dachten weer na, en zeiden:
Ze zal daaruit niets leeren, vader! Zy is te dom om begeerte te scheppen en wetenschap. Ook wy zouden niets geweten hebben, als ge ons niets hadt gezegd.
Maar de vader antwoordde:
Neen, dom is ze niet! Ik vrees dat ze leeren zal uit zichzelf, wat gylieden niet leerdet zonder my. Dom is Thugater niet!
Toen dachten de zoons weder na—ditmaal dieper—en zeiden:
—Vader, zeg haar: dat weten, begrypen en begeeren.... zondig is voor ’n meisje!
Ditmaal was de zeer voorzichtige vader voldaan. Hy liet z’n zoons trekken, ter vischvangst, op de jacht, de wereld in, ten-huwelyk.... overal heen....
Maar hy verbood het weten, het begrypen en het begeeren aan Thugater, die in onnoozelheid bleef voortmelken ten einde toe.
En dat alzoo tot op dezen dag.
Negende geschiedenis van Gezag.
Inhoudsopgave
Hassan verkocht dadels in de straten van Damaskus. Als ik zeg dat hy die verkocht, bedoel ik eigenlyk dat hy ze niet verkocht, want z’n dadels waren zoo klein, dat niemand die koopen wilde.
Met verdriet en afgunst zag hy hoe ieder den ryken Aouled begunstigde, die naast hem woonde op ’n mat. Want ze woonden op matten, in Damaskus, met zeer hooge verdieping, omdat ze geen dak boven zich hadden. De rykdom van Aouled bestond dan ook niet in huizen, maar in ’n tuin die zeer vruchtbaar was, ja zóó vruchtbaar, dat de dadels die er groeiden zoo groot waren als drie gewone dadels. En daarom kochten de voorbygangers de dadels van Aouled, en niet de dadels van Hassan.
Daar kwam in de stad ’n Derwisch die wysheid te veel had, en te weinig voedsel. Althans hy ruilde z’n kennis voor spyze, en men zal zien hoe onze Hassan wèlvoer by dien ruil.
—Geef my te eten, gebood hem de Derwisch, dan zal ik doen wat geen Khalif voor u doen kan. Ik zal het volk dwingen uw dadels te koopen, door die groot te maken, ja, grooter dan de vruchten van Aouled. Hoe groot zyn die?
—Helaas, Derwisch van Allah gezonden—ik kus uwe voeten—de dadels van Aouled—Allah geef hem krampen—zyn driemaal grooter dan gewone dadels! Treedt binnen op m’n mat, kruis uwe beenen, wees gezegend, en leer my m’n dadels grootmaken, en het volk te dwingen die te koopen.
Hassan had kunnen vragen, waarom de Derwisch die zoo bekwaam was, spyze behoefde? Maar chicaneeren deed Hassan nooit. Hy zette z’n gast gekookt leder voor, alles wat hy overhad van ’n gestolen geitebok.
De Derwisch at, verzadigde zich, en sprak:
—Driemaal grooter dan gewone dadels zyn de vruchten van uw buurman.... hoe groot wilt ge dat de uwen worden, o Hassan, zoon van ik weet niet wien?
Hassan bedacht zich even, en zeide:
—Allah geve u kinderen en vee! Ik wenschte dat m’n dadels driemaal grooter waren, dan ze door u kunnen gemaakt worden.
—Zeer wel, sprak de Derwisch. Zie hier ’n vogel, dien ik meebracht uit het verre Oosten. Zeg hem dat elk uwer dadels zoo groot is als drie van uw dadels.
—Ik wensch u vrouwen en kameelen, o Derwisch—die aangenaam riekt als olyven—maar wat zal het baten of ik dezen vogel zeg wat niet is?
—Doe naar m’n zeggen, hernam de wyze man. Daarvoor ben ik Derwisch, dat ge my niet begrypt.
Hassan wenschte den vogel lengte van veeren, en noemde hem Rock. Maar ’t was geen rock11. ’t Was ’n kleine vogel die wel wat op ’n raaf geleek, met losse tong en hippelenden tred. De Derwisch had hem meegenomen van Indaloes12 waar hy was aangebracht door kooplieden, die over zee waren gekomen uit het land waar de menschen op negers gelyken, schoon ’t ver is van Afrika. Dat Hassan het beest “rock” noemde, was omdat hy had opgemerkt dat iemand wien men iets vraagt, uitdyt. En ook ’t omgekeerde. Wie wat noodig heeft van ’n ander, krimpt in. Zoo was ’t in Damaskus.
Hassan kromp in, en zeide:
—Ik ben uw slaaf, o vogel Rock! M’n vader was ’n hond... en elk myner dadels is zoo groot als drie van m’n dadels!
—’t Is wel, zei de Derwisch. Ga zóó voort, en vrees Allah!
Hassan ging zoo voort. Hy vreesde Allah, en vertelde maar altyd door aan den vogel, dat z’n dadels onmogelyk groot waren.
Het loon der deugd bleef niet uit. Nog geen driemaal had de Khalif al de bewoonsters van z’n harem laten ombrengen ... nog had geen moeder den tyd gehad hare dochters bekoorlyk te maken voor de markt te Roem13, nog had Hassan geen enkel verdwaald geitebokje ontmoet, om hem gezelschap en in ’t leven te houden op z’n mat, en ziedaar, de vogel riep:
—Myn vader is een hond ...
Dit is niet noodig, maar hy zei ’t Hassan na.
... m’n vader is ’n hond, kryg lengte van veeren, de dadels van Hassan Ben14 ...
Ik weet den naam van Hassan’s vader niet, en als de man ’n hond was, komt het er ook niet op aan.
—De dadels van Hassan zyn driemaal grooter dan ze zyn!
Toen waren er betweters in Damaskus, die dit tegenspraken. Maar ’t duurde niet lang. Er was namelyk in de stem des vogels iets dat de lucht deed trillen op ’n wyze die invloed had op de straalbreking. De dadels groeiden, groeiden ... in aller oogen!
En de vogel riep maar al voort:
—De dadels van Hassan zyn driemaal grooter dan ze zyn!
En ze groeiden! Men overgaapte zich om er in te byten.
En Aouled werd zeer mager. Maar Hassan kocht veel geitebokken en lammeren en hy bouwde een dak over z’n mat. Hy werd zeer eerlyk, en vond het schande als iemand die zelf geen lammeren had, een opat van de zynen. En hy ging voort Allah te vreezen.
Deze vroomheid en dien rykdom had hy te danken aan den kleinen vogel, die altyd hetzelfde zei, en leugen tot waarheid maakte door herhaling. Ieder vond Hassan’s dadels groot, ieder was gedwongen die te koopen, ieder ...
Behalve Hassan zelf, die in stilte voorzag zich by Aouled, wiens eenige klant hy was.
En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.
AAN FANCY.
Ik zal voortgaan met de geschiedenissen van gezag.
Er was eens ’n land, laag gelegen aan de zee, tusschen Oost-Friesland en de Schelde ...
O, Fancy men timmert en metselt om my heen. Het huis dat ik bewoon, wordt verbreed, en hoe breeder het wordt, hoe benauwder zy ’t my maken. Men klopt en schaaft en bikt en zaagt my ’t hoofd in twee ... dit is onaangenaam. Die Silvio Pellico kon van geluk spreken. Ik ga uit, om wat rust te zoeken op de woelige straat. Misschien steel ik ’n horloge, om aanspraak te hebben op wat stilte in de cellulaire gevangenis. Adieu, en denk om den haarlok, dien ge me beloofd hebt.
VAN FANCY.
Neen, laat ieder z’n horloge houden, men zou weer kwaad van u spreken. Ach, wat zyn dat troostelooze geschiedenissen, die gy verhaalt. Is dat alles waar, Max? Ge hebt my treurig gestemd. O, ik bid u, zeg me in ’n volgenden brief, dat alles niet waar is, of althans, dat niet alles waar is. Is dat nu wysbegeerte? De vormleer is droger, maar minder verdrietig. En ook in de vaderlandsche geschiedenis vind ik ... hoe zelden ook toch hier en daar—wat ik vergeefs zoek in uw geschiedenissen—liefde!
Hoe kunt ge zoo scherp zyn, Max, gy die toch zoo goed weet lieftehebben?
We zyn verhuisd, maar nog kan ’t oude kabinet de deur niet in. M’n hart ook niet.
Ik heb u gevraagd my wat te leeren. Is ’t hiertoe noodig dat ik eerst worde gevoed met spyze zoo bitter als uwe vertellingen van gezag? Geef my iets liefelyks, Max ... iets wat niet m’n lippen wit maakt, iets wat my ’n blos geeft van genoegen, en geen bleekheid van ergernis. Ik heb behoefte aan liefde. Moet ik de liefde verliezen door de denkbeelden die ge my geeft ... o, dan zou ik betreuren u gevraagd te hebben om wat kennis! Want ik ben een meisje, Max!
Een meisje, ja! Maar toch is ’t waar dat iets zeer byzonders met me gebeurd is, dat zeker by weinig meisjes voorvalt. Ik zal u dat vertellen. Ei, wèl beschouwd, is ’t óók ’n Geschiedenis van Gezag, maar fraaier, liefelyker dan uw geschiedenissen. Ik was zes of zeven jaar oud ...
Ik word geroepen, Max ... wacht tot nieuwe maan ... de geschiedenis die ik u vertellen zal, staat daarmede in verband, en met u ook ... en met m’n haren ook ...
O, schryf my iets dat me niet bleek maakt!
AAN FANCY.
Kleingeloovige! zoo zyt gy allen!
Daar staat de boom der kennisse, ge wilt eten, ge wacht niet op de slang—dat eeuwig symbool van weten en onsterfelyk zyn!—gyzelf steekt de hand uit, en als ’t arme dier ter-goeder-slangentrouw, u den appel toereikt, dien gy vraagt ... dan trekt ge u schuchter terug, en rekt beddelakens!
Neen, Fancy, myn geschiedenissen zyn niet troosteloos! Onkunde is geen deugd, en lager dan haat, acht ik liefhebben zonder verstand! Weet, ken, kan, onderscheid en kies.
Eerst na zulke keuze, is liefde iets waard.
O, ik begryp hoe ge schrikt by ’t opheffen van de gordyn die men, met voordacht en valsheid, gelaten heeft tusschen uw oog en de waarheid! Leugens ontvingen de ouders... leugens geven zy hun kinderen. Als de Oosterling die genot zoekt in verdooving door amfioen, en die ten-laatste behoefte gevoelt aan vergif, vragen zy: “Wat dan?” zoodra men ze aantoont dat hun denkbeelden rusten op onvasten grondslag.
Daar is een lek in ’t schip! roept de verschrikte gezagvoerder.
En de passagier antwoordt:
—Ik zal u tegenwerken in het stoppen, tenzy ge my iets dergelyks in de plaats geeft.
Ik vind beter te varen zonder lek.
Telkens moet ik den eisch van lekbegeerige passagiers aanhooren. Telkens is het:
Toegestaan! Dàt is leugen, dàt is verzonnen, dàt is schandelyk! Maar ... wat geeft gy in de plaats?
Dat wil zeggen: “welken anderen leugen zet gy ons voor, ter vervanging van ’t leugengerecht, dat ge ons ontneemt?”
Ik zou kunnen antwoorden: geene ... ik weet niets! Ik heb geen gif te bieden, in plaats van ’t gif, dat ik, ruw maar welmeenend, u uit de hand sla, die zich tot ’n vuist balt, uit ondankbaren wrevel over leegte.
Dit zou ik kunnen antwoorden.
Maar liever zeg ik: zie ik wenschte u te geven gezonde spys!
Ik wenschte u te wyzen op gezag door liefde, op welvaart door rechtvaardigheid, op geluk door deugd.
Dat is één woord: ik wilde u uitnoodigen mensch te zyn! Ziedaar alles!
Men bedriegt zich, en men heeft u bedrogen, door het mensch-zyn voortestellen als iets onwaardigs. Dit doet ’n verkeerd begrepene religie ... ’t Woord Godsdienst komt hier niet te-pas.
Ik wil u dit duidelyk maken door ’n voorbeeld.
Een boer zou voor het eerst den heer van ’t land zien. Hoe zal ik hem vereeren, dacht hy, om hem te toonen dat ik besef heb van myn boerschap tegenover zyn heerschap? Wel ik zal m’n knieën wat krom buigen, en m’n teenen naar binnen. Myn linker-schouder zal ik vooruit steken, en m’n hoed omdraaien als ’n molen. Wat scheefs in den hals zal hem voorzeker behagen, en ’t zal hem genoegen doen als ik m’n mond klein maak.
Zóó dacht de boer, en zóó deed hy. Maar de heer van ’t dorp zei hem, dat hy niet noodig had zich zoo te verdraaien.
Ik vind dat die heer van ’t dorp groot gelyk had.
De roeping van den mensch is mensch te zyn.
Is deze konklusie u te eenvoudig! O, ik bid u, wantrouw alle slotsommen die niet eenvoudig zyn.
Zou de wysheid die een mensch behoeft, niet eenvoudig wezen? Zou ze moeilyker te vatten zyn, dan de reuk der spyzen, zoo gemakkelyk optevangen met onzen neus, dien toch de lieve Natuur heel eenvoudig boven den mond plaatste? Ik geloof zeker, dat de godsdienst-uitvinders dat orgaan ’n plaatsje aan den linkerhiel zouden hebben gegeven, als zy geraadpleegd waren ... wat gelukkig niet gebeurd is. Alles wil omslag, ingewikkeldheid, onnatuur:
“Doodt de zinnen!” roepen zy die God meenen te dienen door den mensch te verdraaien, als die boer.
“Doodt de zinnen!” roepen zy die gaarne wat willen genieten met hun zinnen, en de slimme berekening maken dat er meer zou overschieten, naarmate er minder gebruikt werd.
“Doodt de zinnen, werpt weg wat u behagen zou!” riepen ten-allen-tyde de vromen, die met veel graagte aasden op alles wat er werd weggeworpen door de onnoozele zielen, die hen geloofden.
Wat zoudt ge zeggen van ’n kind, Fancy, dat meenen zou z’n vader te vereeren door iets anders te zyn dan ’n... kind?
En wàt van de oudere broeders, die aan zulk kind trachtten te beduiden dat het zich inkrimpe, en weinig behoort te eten—ad majorem patris gloriam?
Zoudt ge niet op ’t denkbeeld komen, dat die oudere broeders begeerte voelden naar wat ruimte en spys?
Wie u zelfvernedering voorstelt als deugd is ’n bedrieger.
Genot is deugd.
Ziedaar ’n paar teksten, Fancy. Preeken schryf ik niet. Dit deed Jezus ook niet. Ik denk dat hy ze vervelend vond, als ik.
“Er is geen God, of hy moet goed zyn!” Laat de theologen—’n grappig woord: menschen die wat weten van God ... menschen die u wat kunnen zeggen over God ... menschen die gestudeerd hebben in God, Godgeleerden—laat de theologen tegenspreken dat Hy goed is, als ze durven ...
Ach ja, ze durven dit! Ze vertellen lange geschiedenissen—troosteloozer nog dan de myne, Fancy!—over verdoemenis en hel! En, let wel, zy die zulke geschiedenissen niet vertellen, deugen minder dan de anderen, die ten-minste konsekwent zyn by-gebreke van wat beters, want in hun Bybel staan die aardigheden. Zoek maar op: eeuwig vuur, tandengeknars, onsterfelyke wormen ... ’t is pleizierig!
Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder ’t manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in ’t geheel niet. De anderen zondigen tegen ’t verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dit is erger.
Er is geen God, of hy moet goed zyn! Als hy er is—wat ik dolgraag weten wou, en ik blyf er by dat het zyn zaak geweest ware: te zorgen dat wy ’t wisten—dienen wy hem het best door genieten.
Eilieve, Fancy, gy die ’n goed meisje zyt, zoudt gy ’t aangenaam vinden, wanneer ge eenmaal moeder werdt, dat uw kinderen zuur keken? Zoudt ge hun voorschryven u te dienen door onthouding? Immers neen! En waarom zou die god kwaadaardiger wezen dan gy?
Maar de maat en de soort van genot?
Ook dit is zeer eenvoudig. Het antwoord staat duidelyk geschreven in ’t vóór ons liggend boek der werkelykheid, waarin geen enkele tekst vervalscht is en dat men lezen kan, zonder de minste kennis van Hebreeuwsch of Grieksch. ’t Zou ook wel ongelukkig wezen, als de weg ter zaligheid juist leiden moest langs τίπτω.
In dat boek staat geschreven dat wie steenen opslikt, z’n maag bezwaart. Wie genot zoekt in overdaad, wordt ziek. Wie z’n naaste doodslaat, krygt den naam van ’n onpleizierig mensch, en wordt behandeld als zoodanig. Wie liegt, wordt niet geloofd. Wie steelt, wordt vastgebonden door personen die wat bezitten. Wie uit het venster springt, bezeert zich. Wie zich in de bres stelt voor arme drommels, lydt gebrek. En wie Minnebrieven schryft, wordt uitgejouwd.
In al deze voorschriften uit het boek der werkelykheid is niets raadselachtigs, zooals men wél vindt in de andere boeken. Dit komt wyl de menschen, die religien maakten, niet meenden wat ze zeiden, en omdat de Natuur wèl meent, wat ze doet. Ge ziet alzoo, Fancy, dat we om wys en goed te worden—wat hetzelfde is! moeten terugkeeren tot die Natuur.
Ik ben benieuwd naar uw geschiedenis. Zoudt ge geschaakt zyn op uw zevende jaar? Dit ware te vroeg, Fancy! En hoe dit in-verband staat met uw haren, begryp ik niet. Kan ik u genoegen doen met ’n minnelied? Verlangt ge een verhandeling over Vryen-arbeid? Stelt ge belang in ’n analyze van onze wetgeving op het stuk van ouderlyk gezag? Wilt ge weten hoe in Indie het gezag van Nederland ...
Maar, Fancy, dan verval ik weer in de geschiedenissen van Gezag, die ge zoo troosteloos vindt ...
Zeg me, hoe moet ik schryven om den stryd te winnen tegen de personen—en de zaken helaas!—die my uw ziel schynen te betwisten?
Of zou het toch waar wezen, wat ik giste—en nog altyd hoop!—zou ’t waar wezen dat ge niet bestaat? Dat gy ’n fee zyt, die my eenmaal zult aanroeren met uwen staf, om me machtig te maken tot het verrichten van den arbeid dien ik zelf my heb opgelegd?
Ik droom wakend van u, en antwoord: Fancy! als men my om geld vraagt, wat vaak gebeurt. Brengt ge my ’n koninkryk in ’t gebied der geesten ten huwelyk? Ik neem ’t gaarne van u aan, en begryp zelfs niet hoe ge ’t zoolang hebt kunnen regeeren zonder my. Zoodra wy “ingericht” zyn, en na de bruidsbezoeken, wil ik ’n blyde boodschap neerzenden op de kleine aarde, die ik vóór m’n trouwen bewoonde. Ik wil de arme menschen die daar zoo verdrietig ongetrouwd achterbleven, zeggen: dat genot deugd is, en dat niets meer genot geeft dan LIEFDE!
Maar ik zal er niet by zeggen: heb lief! Dan zou ’t weer ’n geschiedenis van Gezag worden, en dit komt by liefde, deugd en genot niet te pas.
Toch zou ik gaarne eens zien met m’n wezenlyke oogen, met de oogen die ik gebruik om te slapen. Is hier geen kans op? Waar woont ge nu, na ’t verhuizen? Moet ik bellen aan al de deuren die kleiner zyn dan ’n kabinet? moet ik naar u zoeken in alle huizen die te bekrompen zyn voor ’n hart?
Tine vraagt my of ik dikwyls met u wandel, vooral nu ’t lente is. Ik heb “ja” geantwoord, meenende dat ik waarheid sprak, maar later...
Waart ge by my, of was ik alleen, toen ik my ergerde over die geslachte varkens?15
Want ik begin intezien dat ik me dikwyls bedroog, als ik geloofde u te zien aan m’n zy.
Er is iets raadselachtigs in m’n liefde. Ik zal er naar vragen aan Tine. Zy weet alles wat my aangaat.
AAN TINE.
Lieve Tine! wees zoo goed my te zeggen wie Fancy is? Maar spreek geen kwaad van haar, ook al wist ge iets kwaads. Ik zou ’t niet kunnen verdragen, want ik heb haar onbeschryfelyk lief. Vertel my alleen wie zy is.
VAN TINE.
Beste Max! Ik ken Fancy zeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van haar te zeggen. O, integendeel!
Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En ze is weer weg, want—dit wist ge niet—ze is hier geweest!
Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by ’t zwarte af. Maar altyd was ze vlug als ’n sylf, huppelend als een dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als ’n rekening, en geestig als niets.
Gy kent haar ook wel, Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy den laatsten tyd ’n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur die op ’t nachtslot was. Weet ge ’t niet meer?
Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten met ’n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in de sterrenkunde. En ’t is niet waar, dat ze verlegen is om huisvesting voor haar hart! ’t Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...
Ik begryp waarlyk niet, Max, hoe ge haar niet herkend hebt. ’t Is ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt, en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt, kom ik op de bruiloft, met Max en Nonni die er by hooren.
Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. Kleine Max vraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven . . en, zeide hy:
—Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en dat de zon vriendelyk voor hen is.
Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.
—Ik heb dat van Fancy, zeide hy.
Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt veel. Dit leert hy van haar.
Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i ’n guitenstuk verricht heeft. Ik zag ’n oude werkster die naast ons woont, trippelen en dansen als ’n gek mensch. Kleine Max had haar Cayenne-peper te proeven gegeven.
—C’est très doux! had hy gezegd.
’t Mensch brandde haar mond aan z’n douceur. Ik wist niet of ik boos was, of moest meelachen met Max, die over den grond rolde van pleizier.
—Dat hebt gy gedaan, Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook wat ik te doen heb, opdat m’n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?
En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid herhaalde:
—Kleine Max, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt, omdat ze op je vertrouwde?
Kleine Max lachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.
En meermalen, Max, als ik op ’t punt sta neertebuigen onder al te zwaren last, komt Fancy my troosten, en als ze dan schalks zegt:
—Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...
Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat zy gezegd heeft zonder schaamte.
Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar, Max, herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is, als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet meer dat ze ons huwelykskontrakt—myn kontrakt!—heeft meegeteekend, precies als ’n ambachtsheer die ’t braafste boerinnetje laat trouwen met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om ’n museum te vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken, ’t eene fraaier dan ’t andere, neen allen even schoon ... historiestukken, genre, stillevens ... historie vooral!
Maar, Max, we komen lysten te kort! Eilieve, ’t staat aan u, lysten te maken om de stukken die Fancy ons geeft. Doe dit! Dit kunt ge! Dit moet ge! Dit is uw roeping!
Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoeling niet begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche meisjes legden melatiekransen op ’n graf. Dat graf was het uwe, Max! Er stond op een steen: HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.
Maak ’n lyst om die teekening. Misken Fancy niet langer, haar en hare geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar, Max.
VAN FANCY.
We zyn weer verhuisd, ’t Wordt al nauwer en nauwer. ’t Is my of ik ’n vischfuik inreis, zonder retourbiljet. Nog kan die oude kast het huis niet in ... het eind zal wezen dat wy ’t huis in de kast zetten: dan wordt het sleutelgat, deur.
Die gedurige twyfel of ik ’n meisje ben, hindert. Ik ben gesteld op myne identiteit. Zou ’t U smaken als men zich obstineerde u aantezien voor ’n wolk? Dat men u afweerde met een paraplui. Dat uw droefheid, uw tranen, op ’t weêrglas stonden genoteerd als regen? Of dat men u tegen ’t lyf liep, in de meening door u heen te loopen? Of dat ge werd opgesnoven als aether? Zyn dat pleizierige dingen? Voor den honderdsten keer zeg ik u, dat ik ’n meisje ben, en om u hiervan goed te overtuigen, zal ik een-en-ander verhalen van myn omgeving. Oordeel zelf of ’n geest dat zou kunnen verzinnen.
M’n moeder is dood, en m’n vader hertrouwde omdat ’n vrouw zooveel gemak geeft in ’t huishouden. M’n stiefmoeder is ’n brave vrouw, en dit spyt my zeer, want ik zou ’t gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zoo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik ’t altyd, wanneer ik zeg dat ze my ’t leven zoo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit ... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze, en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassers voor de watersnood-lotery. En in verloren oogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter af-wisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes. Kent ge dat? Ik vraag niet of ge ’t kunt. Het is aldus:
Men koopt of huurt ’n stuk papier dat afgedeeld is in zeer kleine ruitjes, die allen gekleurd zyn, en wel op ’n manier die, als men niet te stipt kykt, dat papier eenige gelykenis geeft met ’n teekening. Zoo iets stelt dan ’n boeket bloemen voor, of de herders in den stal, of ’n boertje dat z’n pyp rookt, of zoo iets dergelyks. Van naby moet men ’t niet zien, want dan is zoo’n pypekop een trapezium—ik “leer” m’n examen voor secondante—en de herders hebben vierkante neuzen. Daarop neemt men ’n stuk doek, ’n soort van zeildoek waarin echter de meeste draden ontbreken, zoodat de ruiten van het zeildoek nagenoeg overeenstemmen met de gekleurde ruiten op ’t papier. Men koopt wol of zyde, en kralen van allerlei kleur, en men kan beginnen te werken. Want wat nu volgt, heet: werken! en als ik er aan denk, aan m’n gestorven moeder, aan Insulinde, aan de geschiedenissen van gezag ... dan zeggen ze dat ik “leeg” zit. Ik leeg!
Welnu, dan zoekt men op ’t papier ’n punt van uitgang, naar verkiezing. Daartoe neemt men, als ’t in den stal is, de luiermand of van den boer de wang die meestal kersrood ziet, om de braafheid aantetoonen van den landelyken stand. Die braafheid is dan, byv. uitgedrukt in vier kleuren, verdeeld in dertien ruiten, hoogrood, donkerrood, rozerood, bleekrood. Men legt de wol of de kralen op de wang van den boer, om ’n model te nemen van de nuance zyner landelyke deugd, en dan brengt men die over op het doek, door den draad vasttestrikken in de geruite openingen. Het begin is dan gemaakt, en wat er nu volgt, is gemakkelyk. Men telt maar altyd van dien boer of van de luiermand af, en dan weet men precies waar de zeven zwarte kralen ’t huishooren, die de verrukking aanduiden van de herders, of de parallelogram van geelwitte zyde, die licht moet brengen in ’t oog van de kraamvrouw. Als ’t gereed is, begint men ’n ander.
Maar nu moet ik u iets vragen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “’n Christelyk huwelyk.”—Dit is niet de oom van “de” vrouw: ik heb veel ooms ... o!—Wat is toch ’n Christelyk huwelyk? Ik heb er m’n bybel op nageslagen, en daarvan niets gevonden. Ik zie niet dat Christus voorschriften over ’t huwelyk heeft gegeven. Hy zegt, meen ik, alleen dat het ’n wereldsche zaak is. Maar is dàt nu een Christelyk huwelyk? Ik meen dien boer, dien pypekop en de herders? M’n vader heeft aan m’n stiefmoeder vier kinderen ten-huwelyk gebracht. Zy is een brave vrouw, en zou dus niets doen dat niet goed is in zulk een gewichtige zaak. Hoe legt ge nu uit, dat zy de huwelyksgift myns vaders waardeert naar behooren, door dat eeuwige breien, stoppen, stikken, naaien, haken, borduren en knoopen?
—Lieve moeder, heb ik dikwyls gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelf draagt maar één japon tegelyk! We gebruiken weinig pomade, en dus die anti-Makassers ... en bovendien, we zitten “fatsoenlyk” recht. Nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa ... die de deur niet inkon ...
Ja ... watersnood!
Eilieve ook wy zyn in nood, al is het nood door droogte! Moet dan de nood volstrekt nat wezen, om te werken op ’t gevoel? Wy, m’n zusters en m’n broertje hadden ook aanspraak op wat hulp, op wat onderricht, op wat leiding, op wat liefde! Is ’t een vereischte dat we eerst verdrinken, voor men ...
Hoor eens, Max, als we weer verhuizen, hoop ik dat het ditmaal wezen zal naar de Bommelerwaard.
En m’n vader! Staat er niets in de wet tegen vaders die hun kinderen verruilen tegen gestopte kousen? Ik begryp waarlyk de verhouding niet recht tusschen ouders en kinderen. Ik heb ’n liefhebbend hart, Max, en daarby behoefte aan wat kennis. Welnu, als ik m’n vader daarnaar vraag, zegt hy dat-i geen schoolmeester is, en wat het liefhebben aangaat schyn ik te moeten wachten op een aanstaanden kollega, als ik les zal geven in de vormleer.
Ik begryp m’n leven niet. In keepsakes en muzen-almanakken is ’n meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik ben een meisje, en voel me ónlief, ónbelangryk en volstrekt niet poëtisch!
Waaraan ligt dit?
—Uw leeftyd, zei ’n oom—’n anderen alweer—uw leeftyd is de schoonste tyd van ’t leven!
O Max, o Max, wat heb ik te denken van de rest!
En ’t zyn brave menschen, m’n ouders. Spreek geen kwaad van hen. M’n vader slaat geen preekbeurt van Ds. Meyboom over, en betaalt prompt z’n rekeningen. Doe hem dit na als ge kunt!
En m’n moeder is inderdaad kerksch en fatsoenlyk, maar ...
Ik verbeeld me dat ’n bloempotje veel goed zou doen in ons huis.
Schryf me spoedig. Ik lees uw brieven zoo gaarne! Ze maken op my den indruk van den absenten bloempot, schoon uw geschiedenissen van Gezag ...
Neen, oprecht wil ik zyn, al bèn ik dan ’n meisje! Ik vond eigenlyk alleen hierom uw vertellingen zoo troosteloos, wyl ik zelf—’t kost moeite het te bekennen—wyl ’t gezag dat ge aantast ... wyl ik ... uit verveling,.. ik heb ’n katje, Max... en ... uit verveling ...
Lieve hemel, wat valt het me zwaar de waarheid te zeggen... o Max, ge ziet wel dat ik ’n meisje ben!
Dat beestje ... welnu, uit verveling heb ik ’t wel eens ... geknepen! ’t Is er uit! Dàt geeft lucht!
Ik ben zoo bang dat m’n katje uwe geschiedenissen over Gezag zal inzien, en dan ... zal ’t zich beroepen op u, en... me krabben, als ik ’t plaag ... ziedaar!
P.R. Ik dank u zeer voor de lezing van Tine’s laatsten brief, schoon ik er niets van begryp. Is dat klimaat van Laeken wel gezond? Schilderyen, lysten, ’n huwelykskontract geteekend op m’n vierde jaar als ambachtsheer—want ik was vier jaar oud, vyftien jaar geleden—ik begryp er niets van! Hebt ge my ooit het venster uitgegooid? Ik weet het niet, waarlyk ik weet het niet! En aan het meten van de aarde heb ik nooit geholpen. Is ’t wel gezond te Laeken?
Over ’n paar dagen: kniptyd! M’n haren ... ik word geroepen.
VAN FANCY AAN TINE.
Sj ... sj ... sj ... t!
Wat heb ik u gedaan, dat ge my verklapt? Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar ’n man, hy die altyd roept: ze is maar ’n meisje! Ik zou niet zooveel van hem houden, als hy minder dom was. Ik ben van plan hem ’n geschiedenis voortejokken, mooier dan van SAARTJE BURGERHART ... die de flensjes opat. Daar deed ik wèl aan, want ... SAARTJE was ik, dit begrypt ge! Maar in dien tyd sprak ik anders met de menschen, omdat de moderne theologie nog niet was uitgevonden. Ook had men de elektriciteit nog niet “in ’n lystje gezet.” Ge ziet ik neem m’n eigendom terug, de uitdrukking die ik u vóorzei, toen ge uwen laatsten—verraderlyken!—brief schreeft. Doe zoo-iets nooit weer!
Toen ik by de juffrouwen WOLF en DEKEN in de Beemster logeerde, waren de menschen nog dommer dan uw zeer, zéér domme Max. Maar láát hem zoo! ’t Is nuttig hem te doen gelooven dat ik zwaarte heb. Zoolang hy me aanziet voor onweegbaar licht, schryft hy te wolkerig, en ik wil dat z’n brieven worden begrepen ook door de meisjes die niet in de wolken wonen ... door de meerderheid! Verklap me dus nooit weer! Wanneer ge ’t nog eens doet, zend ik u geen schilderyen meer, geen teekening, geen schets, geen streep ... ja, ik zou ...
Neen! Dit zou ik NIET! Ik zal u blyven steunen in uw moeilyke taak, edele moedige verhevene vrouw ... trouwe dappere echtgenoot ... sterke moeder ... heldin!
Ik zal blyven by u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schildery van uw rein leven, dat het u zy als ’n spiegel van gelukkiger toestand! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tot hem, U zeg ik, dat gy onsterfelyk zyt!
En kan ik vóór dien tyd niet al de tranen drogen, die ge weent in ’t geheim, uit edele gierigheid op smart—menschen die zóó liefhebben, moeten lyden, deed ik hem zeggen—o, toch zal ik beletten, dat uw kinderen het zilt proeven in spyze met die tranen gedrenkt! Tóch zal ik hen blinden voor de weifeling die moeders hand onzeker maakt, wanneer ze hun brood reikt ... graag als zy is om heden te geven, maar zoo begeerig ook om te bewaren tot morgen!
Tòch zal ik neerzweven op de sponde waar ge slaapt, en u droomen geven van zachtheid en kalmte, dat ge wat sterkte samelt voor den dag die komen zal, na de vermoeienis van den dag dien ge doorleedt.
Tòch zal ik de kracht gieten in uw afgemat lichaam, dat het de ziel niet alleen late, vóór den tyd. Ik zal de spieren van uw mond saemtrekken tot den glimlach, dien hy noodig heeft om niet te bezwyken, hy die wil dat ge de pyn niet voelt, die ge zegt niet te gevoelen.
Houd moed, myn kind! Zie my aan, wees wel-te-moede, zoo als uw kinderen dat zyn, wanneer ze staren op u! Ben ik u minder dan gy hun? Weten ze niet dat gy waakt? En weet GY niet dat ik waak ... ik, Fancy?
Voelt ge op uw voorhoofd den kus dien ik u zegenend zend?
Wees met de kleinen gegroet ...
VAN FANCY.
O Max, help my! Ik zit in nood—zonder water, alweer—ik heb uw hulp noodig! Zyt ge Meester in de rechten, of prokureur of deurwaarder ... in ’t kort, iemand die verstand heeft van de wet! Want er komt veel wet in de historie die me nu overkomen is. Ik wil volstrekt weten of men ’n piano mag meenemen in ... ’t verbeterhuis? Dáárheen namelyk leidt m’n eerstvolgende verhuizing ...
Ik ben nog niet bekomen van den schrik. Raad me, help me, red me! Schaak me ... als ’t wezen moet. Ge zyt my dat alles schuldig, Max, want ik lyd om-uwentwil. Als gy te Lebak hadt meegeknoeid, zou ik nu geen behoefte hebben aan verbetering. Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen ... hoewel die niet zal verbeteren in zoo’n gesticht. Ach, ik ook niet misschien ... om ’t even! Ik speel de Saïdjah van Richard Hol “heel lief” en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis ... ’t hoofd loopt me om. Ik word geroepen ... neen, ’t is de tocht! Daar komen ze ... ik hoor ze op den trap ... zware schreden ... hu! Agenten van policie zeker, om my te verbeteren ... neen, ’t was m’n katje ... geschoeid door m’n geweten. Nooit zal ik ’t weer knypen, nooit ... dat zweer ik! Ik weet nu wat het is geknepen te worden! Zoodra ’t nieuwe-maan wordt, zult ge ... nu word ik inderdaad geroepen! Ik heb haast, ik heb angst ... och, kon ik vliegen!
Ja, was ik nu maar ’n licht meisje, zooals gy volstrekt van me maken wilt. Dan liet ik my door niemand verbeteren! Max help my! Als ik dan toch verbeterd moet worden, heb ik liever dat gy ’t doet ... maar liever blyf ik wat ik ben.
VAN EEN VADER.
Wel-Edele Heer!
Ik ben Kappelman. ’t Is niet de eerste keer, dat ik my over u te beklagen heb. Uw ongepaste uitval, tegen de soort van het bier, dat ik by myn zuurkool gebruik16 heeft my volstrekt niet gedeerd. Ik veracht uw geschryf, en nooit zou ik my verwaardigd hebben, u op uw plaats te zetten, door op hetzelve te antwoorden, wanneer ik niet had bemerkt, dat gy u begint te bemoeien met myn huishouden. Myne vrouw heeft ontdekt, dat gy in briefwisseling staat, met een myner dochters—met alle misschien—waarschynlyk om dezelve te verleiden. Ik verbied u, deze verhouding voort te zetten. Ik voed myne kinderen op, in deugd en eere, en wy hebben met uw malle Donquichotterie niets te maken. Ik hoor dat gy vrouw en kinderen hebt, en dat gy dezelve gebrek laat lyden. Bemoei u dáármee, dit zou u beter voegen, dan twist en tweedracht te strooien in een deftig gezin! Ik ben Kappelman en duld geen vreemdigheden in myn huis. Wat zoo is, moet zoo blyven, en als er iets moest veranderd worden, zou dit, in allen gevallen, u niet aangaan. Bovendien zyt gy slecht geinformeerd: ik heb nooit een woord gesproken over Alexander den Groote. Als ik bemerk, dat gy voortgaat u te bemoeien met myn zaken, zal ik strenge maatregelen nemen. Gy kunt u deze moeite sparen, myne kinderen af te halen van de katechisatie. Ik ben Kappelman.
VAN EEN ANDEREN VADER.
Mynheer!
Myne dochters hebben my bekend, dat zy verboden omgang met u hebben. Ik ben Kappelman, en verzeker u, dat ik my wenden zal tot de politie, als die gekheid niet terstond ophoudt. Er zyn wetten in het land, die de fatsoenlyke lui beschermen. Myn naam is Kappelman: gy kunt gerust naar my vragen. Ook verzoek ik u myn zoontje met rust te laten.
VAN EEN ANDEREN VADER.
Ik ben Kappelman ................... 17
VAN EEN STIEFMOEDER.
Wel-Edele Heer!
De dochters van myn man stoppen scheef, en stikken dat het schande is. Zy merken het onderste-boven, en de kussensloopen waren van de week ongeregen. Ik heb bemerkt dat dit alles uwe schuld is. Ik ben niet van plan toetegeven in al die gekheden, die zy zich door u in ’t hoofd laten zetten, en waarschuw u voor de gevolgen. Ik heb er de wet op nagezien, en weet wat eene stiefmoeder toekomt. Een kind moet zyne ouders eeren, dat staat er, en dàt zal gebeuren, al zou de onderste steen boven.
VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.
Mynheer!
Ik verbied u alle bemoeienis met myn naaiwerk. Toen ik met Kappelman trouwde, heb ’k my voorgenomen, zyn huis te regeeren, en dit doe ik. Een stiefmoeder is geen ouwe lap. Ik wil gehoorzaamd worden, en als ik bemerk, dat gy voortgaat de kinderen van myn man tegen my op te zetten, zult gy zien, dat ik my niet laat aantasten zonder handschoenen. Ik heb er lang en breed over gesproken met myn broer, die in granen deed, maar nu stilleeft van zyn geld. Van zyn geld hoort ge! Dat is wat anders, dan rond te loopen, als een schooier, zooals ik van u hoor.
VAN EEN ANDERE STIEFMOEDER.
De dochters van myn man hebben bekend ........ 18
VAN EEN OOM.
Wel-Edele Heer!
Gy zyt een ellendeling! Ik heb de dochters van myn broeder voor u gewaarschuwd, en haar gezegd dat gy een dief zyt, een echtbreker, een falsaris, een dronkaard, een vrouwenbeul en een gek! En dat gy geen geld hebt, ja, dàt heb ik ook gezegd! En ook dat gy niet hebt willen schryven over vryen arbeid, dat groote schande is, en dat gy uw fortuin met voeten schopt, dat niet te-pas komt. En dat gy alle meisjes verleidt, en dat gy ... kort-om, gy zyt een ellendeling, en ik ben uw dienaar, enz.
VAN EEN ANDEREN OOM.
Mynheer!
Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder, den heer Kappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde, en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt, en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen Heer en Heiland, uitgedrukt in ’t onschatbaar evangelie, voorgelicht door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broeder Kappelman te waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden invloed uwer helbevolkende denkbeelden.
Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van myns broeders, heers Kappelman’s kinderen, en zal niet verdragen, dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.
Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te lezen staat in Hebreën X vs. 31.
VAN EEN ANDEREN OOM.
Ik ben liberaal, en tegen alle protektie in den handel. Aan de wonderen geloof ik niet, maar de zedeleer van den bybel is mooi. En als ge de moderne theologie kendet, zoudt ge u schamen. Lees Meyboom over de wonderen, dan zult ge zien dat het geen wonderen zyn. Die kinderen van myn broer Kappelman ...19
VAN EEN TANTE.20
VAN EEN ANDERE TANTE.21
VAN EEN ANDERE TANTE.22
VAN TINE AAN FANCY.
Dank, dank voor uwen brief, lieve, hartelyke, weldadige toovergodin! Ja, ik heb uwen kus gevoeld! En zeker voelden de kleinen dien ook: ik heb ze zien glimlachen in hun slaap.
Maar, Fancy, ik smeek u, zeg hem wat ge zeidet aan my! O, zeg hem dat hy onsterfelyk is. O, hadt ge ’t liever my onthouden, dat heerlyk geschenk uit uw schatkamer, om ’t hem te geven die er naar smacht! Hy heeft onsterfelykheid noodig, Fancy, en daarvan de wetenschap! O, zeg het hem! Laat my derven ... ik zal staande blyven zonder die kennis! Maar hy ... hy is geen moeder, Fancy!
AAN TINE.
Lieve TINE, kent ge ’n familie Kappelman? Ik zit in ’n wespennest. Dit komt van ’t Baunscheidtismus, ’n nieuwe leer, die alles geneest door prikken en steken! De wespen vervangen de bloedzuigers. Heel groot is de verandering niet. Of ’t genezen zal, weet ik niet, maar pyn doet het wel.
Ik merk uit uw laatsten brief23 dat ge weer geen geld hebt. Dit is zeer verdrietig. Wilt ge dat ik schryf voor geld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men ’t aanlegt. Als ik m’n portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze niet geheel ongelyk hebben, maar kan ik nu m’n ziel fotografeeren, en te-koop hangen in ’n boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware ’t niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen? Want Publiek is vuil en wreed ... maar de vuilte is ’t ergst. Ik begryp heel goed dat de Jakatranen, die staan bleven zoolang er werd geschoten met lood, terstond wegliepen toen Publieks voorvaderen begonnen te werpen met andere ammunitie!24 Hy is niet ontaard, die m’nheer Publiek, dit moet men hem ter eere nazeggen.
Welnu, ook ik ben niet bang voor schieten, houwen en steken, maar als men werpt met vieze dingen, loop ik weg, als een onbeschaafde Jakatraan.
Nog ben ik niet geheel verzoend met dien Multatuli, die my zoo uitkleedde in dat boek over de koffi. Wat ging ’t hem aan? Had ikzelf ’t gedaan in een oogenblik van... o lieve Tine, geld heb ik niet, maar ik wil u heel gaarne ’n geschiedenis oververtellen van uitkleeden, die ik vind in de noten van Mr. J. van Lennep, op zyn Eduard van Gelre. Hy zal er immers niet boos om worden, dat ik ditmaal wat van hèm neem? Behelp u met de geschiedenis zoo goed ge kunt, tot ik u iets anders kan zenden. Daarin komt ’n vrouw voor die van uwe familie is, geloof ik, schoon ge niet “opdrachtig” zyt van kleur. Ook zou zy waarschynlyk bleeker geweest zyn, als ze getrouwd ware met my—en dus veel te tobben had gehad—in plaats van met dien Gelderschen hertog die haar slechts verstiet.
»In zyn laatste jaren verwyderde Hertog Reinald II zich van zyne gemalinne, die den meesten tyd te Rozendaal doorbracht, welk huis door haar werd vergroot en merkelyk versierd, dus men haar, hoewel verkeerd, de stichting daarvan heeft toegeschreven. Veel was zy ook te Nymegen. Deze verwydering was lang de oorzaak van een aandoenlyk en zonderling tooneel, dat niet lang voor ’s Hertogs dood voorviel. Eleonora was opdragtig en hoog van kleur, dus men haar van melaatschheid beschuldigde, welke ziekte den Hertog tot een voorwendsel verstrekte, zich van bed en tafel te scheiden. Op eenen dag, dat Reinald met een luisterryk gezelschap te Nymegen aan tafel zat, kwam Eleonora, geen ander gewaad aan hebbende dan een fyn zyden hemd, en eenen mantel daar boven, aan elken hand eenen harer zonen, Reinald en Edouard, houdende, de zaal binnentreden. Zy wierp op eens den mantel af, en ontblootte het geheele bovenlyf; toen keerde zy zich in het rond, en sprak, klaaglyk in tranen uitbarstende, tot den Hertog en de omstanders25: »O myn lieve here nu bidde ick uch dat yr van dem gebrechen ind van der kranckheit, die myr so wrevelich is tzo gegeven, dat ick dae mit bevleckt sy, wilt vlyslich ansynen ind ondersoichen; want ich byn as andere vrauen, ind hain gheyn gebrech van der genaden godes in myne lyve. Siet hie syn ure tzwen soene starck ind gesunt, als yr dye siet hier stain vur uren ougen. Ind der weren mit der genade ind hulpe godes waill mere, wer idt sachen dat urent halve gheyn hindernisse dae van gewest ware. By aventuren idt mach noch die tzyt kommen, dat dat Geldresse volk sall beschryven unser twyer scheydinge, so wanne sy syen werden dat sy gheynen lands heren van unseren blode mere hauen.»—Van Berchem verhaalt, dat de Hertog en ’s Lands Edelen van Eleonoraas zuiverheid overtuigd, schaamrood waren, en vervuld werden van droefheid, maar hy voegt er by, dat de Hertog na dat voorval niet lang leefde.»
Hierin had die hertog groot gelyk. Doodgaan was ’t beste wat hy doen kon, na ’t verstooten van ’n vrouw die den moed had tot zoo verhevene onkieschheid! Ja, ik begryp hoe er oogenblikken komen, waarin men allen schroom ter-zyde zet, den mantel wegwerpt, het voorkleed wegscheurt, en de borst ontblootende, uitroept: ziet-hier, gy allen, ziet en schaamt u ... ziet hier, of ik melaatsch ben!
Ja, ik begryp die vrouw!
Zou MULTATULI gedacht hebben aan haar, toen-i my uitkleedde in dat boek? Ach dan vergat hy dat Eleonora te doen had met “luisterryk gezelschap”—met edel-lieden voorzeker!—en ik?
O Publiek, op den ouderdom van uwen stamboom heb ik geen aanmerkingen! Ik erken dat gy lynrecht afstamt van de drie vrienden die den armen Job sarden met hun onbeproefde deugd. Maar wat uwen adel aangaat ...
Beste Tine, tracht u nog wat staande te houden. Ik heb gehoord dat er ’n nieuwe Gouverneur-Generaal benoemd is voor de Oost. ’t Is toch te erg dat gy niet zoudt eten, en de kinderen! Daarom ... zie wat ik van daag schryf aan den Minister van Kolonien. Kan ik meer voor u doen, dan me te willen verhuren als ambtenaar? En ... ge zult zien ... dat zou me nog worden aangerekend als ’n gunst!
Excellentie!
“Ik verneem dat de benoeming van Gouverneur-Generaal van Indie geschied is. Ik heb hierop gewacht om uwe Excellentie ...
Lieve Tine, wat is dat vervelend! Ge ziet wat ik uitsta voor u en de kinderen!
. . , om uwe Excellentie, in verband met vroegere gesprekken te vragen, of er thans geen gelegenheid bestaan zoude, op eene het Gouvernement en my waardige wyze, gebruik te maken van myn denkbeelden in verband ...
Dat ik weer zeg: “in verband” is om den Minister in den waan te brengen dat ik ’n officieelen styl schryf.
... in verband met de aanspraken die ik meen verworven te hebben door veel lyden en in overeenstemming met de belangen van den Lande?
Van den Lande klinkt goed. Ik ben van plan dit woord intevoeren als nominatief zelfs. “Den Lande” schuift ... ja, er is wat slepends in, als-of er iets afgleed van ’n helling, niet waar?
... van den Lande?
Het zou myn streven zyn, den nieuwen Gouverneur-Generaal zooveel mogelyk te vrywaren voor den belemmerenden slendergang van den Raad van Indië, voor de afmattende kommiezery van de algemeene Secretarie, en voor de ambtelyke leugens der residenten.
Kan ik meer zeggen? Zie, al kochten ze honderd Beo’s die floten: “daar is meer ryst dan er ryst is!” dan zou ik toch zoo vry wezen die onmogelyke ryst natemeten!
“Om daarin te slagen evenwel, zoude ik by den nieuwen Landvoogd moeten verzekerd zyn van eenige sympathie. Eensdeels wyl zònder dat myn pogingen ydel zouden wezen. Ten andere omdat ik, onbeschermd, weldra zou bezwyken onder de rankune der Indische ambtenary ...
Den Minister moet het zoo schynen. Hy weet niet dat ik niet bezwyken kàn. Dit is myn zaak, onze zaak, Tine! En al wist hy ’t, ik zou ’t toch niet mooi van hem vinden, daarop te rekenen.
... ambtenary.
Excellentie, ik heb geweigerd myn pen te leenen aan de voorstanders van den vryen arbeid, schoon die weigering my de ondersteuning ontroofde van de personen die uit den vrywilligen arbeid hun fortuin wisten te persen.
Aan den anderen kant heb ik geprotesteerd tegen de, buiten myn weten gestelde, kandidatuur voor de Tweede Kamer, in November of December 1859, omdat ik bemerkte dat de Amsterdamsche behouders ...
Heel behoudend was ’t niet, dit zult ge zien!
... dat de Amsterdamsche behouders van my en myn zaak ’n machine de guerre wilden maken tegen het toenmalig ministerie, in hun verstoordheid over de, later gevallen, spoorwegwet ...
Ja, toen werden de behouders weer behoudend, en daarom kostte dat boek over de koffi vier gulden, dat ’n zeer onbehoudende uitgaaf is, voor wie ’t koopt.
... spoorwegwet.
Ik geloof aanspraak te mogen maken op eenige onderscheiding, Excellentie! Myn geheel leven ligt daar, om te antwoorden op de vraag, of die aanspraak ongegrond is? Ik sta geen systeem voor ...
Ze kunnen my niet gebruiken, Tine ... dat zult ge zien. “Geen systeem dus ...
... ik stryd tegen misbruiken in alle systemen ...
Dat wil zeggen dat ieder tegen my is, die belang heeft by de misbruiken.
Ik ben zeker dat ik nooit antwoord kryg.
Dit is myn geheele politiek, en ik geef Uwe Excellentie eerbiedig dringende in overweging, my in-staat te stellen die politiek, gesteund door een vasten wil, en eenige bekwaamheden die de Natie my wel wil toekennen, op wettelyke wyze ten nutte van den Lande aan-te-wenden.
Ik heb de eer met ware hoogachting te zyn, enz.
Amsterdam, 25 Juni 1861.
Ziet ge, Tine, zóó heb ik geschreven. Zeg nu eens dat ik geen praktisch mensch ben, en dat ik niet m’n best doe voor u en de kleinen!
Ambtenaar van ’t Neerlands-Indisch Gouvernement! O God, ik ambtenaar! Ik ril als ik denk aan de zeventien jaren die ik ambtenaarde!
Maar wat is dat toch voor ’n familie Kappelman? Ik begryp er niets van. ’t Zal ’n mystifikatie wezen. Ik zou u ’n heel pak brieven kunnen zenden, die ik van de familie ontving, maar ik laat het, om de port. ’t Schynt dat iemand in myn naam ’t hof maakt aan allerlei meisjes, en ze de hoofden op hol helpt. Ge weet dat ik nooit zoo-iets doe. Men scheldt me vreeslyk uit, en dreigt my met Gods toorn, op de wys van Hebreën zóóveel! Is dit niet heel onaangenaam! Ik denk dat het ’n complot is van de Jezuïten, die met de élektriciteit, de schuld dragen van alles wat men niet begrypt. In een der brieven staat, dat men myn korrespondentie heeft ontdekt met ’n meisje, of met meisjes ... gekheid! Ik korrespondeer met niemand dan met u ... en den minister, zooals ge gezien hebt. Ik vermoei me vruchteloos met zoeken naar den draad van die intrigue. ’t Zal waarschynlyk ten-doel hebben my te diskrediteeren, en Publiek ’n voorwendsel te bezorgen om my te minachten, als ’n onpraktisch mensch. Lieve hemel, den heelen dag zit ik te tobben over de vraag hoe ik u en de kinderen in ’t leven zal houden ... hoe ik u ’n woning zal bezorgen die wat minder ongezond is ... hoe ik ’t moet aanleggen om ’t huis te komen, zonder ’t aantezien dat gy gebrek lydt ... en daar gaan ze nu vertellen dat ik brieven schryf aan meisjes! Ik zal er ’n politiezaak van maken, als ’t niet ophoudt.
Ik heb ’n Staatsblad geleend en daarin studeer ik vlytig.
Ook heb ik eens nagezien, hoelang ik daar-ginds zou moeten meeloopen om pensioen te krygen. Dat zou prettig wezen, Tine! Verbeeld u eens dat er zekerheid was, onzen kinderen áltyd het noodige te kunnen geven! Ik heb er onlangs den minister over gesproken, maar ’t kan niet, omdat ik uit walging m’n eervol ontslag heb genomen, en niet infaam ben weggejaagd. We moeten dus geduld hebben, Tine! Nu, dit hebt ge!
Ik ben nog in verbystering over al die Kappelmannen. Begrypt gy er iets van?
VAN TINE AAN FANCY.
Zie eens wat hy schryft. Geen woord over U! Wat beduidt dit?
AAN TINE.
Weer wat nieuws! Ge zult vreemd staan te kyken als ge dat hoort! Ze leggen ’t er op toe, me gek te maken, en dit is heel inkonsequent van de velen die zoo lang reeds zeggen dat ik ’t ben. Daar hoor ik weer dat ik niet minnebrieven schryf maar ze laat drukken, en let wel ... dat ik ze drukken laat ten voordeele van ’n arm huisgezin! Voor u, Max en Nonnie ... meent ge! Neen, neen, voor ’n onbekend gezin, voor menschen wier naam ik niet weet, menschen die ik nooit gezien heb! ’t Idee is nieuw ... faire l’amour par charité! Hadt ge zooveel fantasie verwacht in Publiek? Me dunkt ... ja, als Publiek zelf eens ’n roman schreef.
Ik heb ook lust om te schryven, maar romans niet. Ik wou graag dat boek koopen van Money. Ik gis dat het besteld werk is voor rekening van de firma Bato Saldig & Co. en vertrouw dat ik in de meeste punten met dien Mr. Money eens kan wezen. Ik heb geen geld om ’t boek te koopen, maar uit de analyse die ik las in de Amsterdamsche Courant, begryp ik heel goed hoe hy aantoont dat de Hollanders zoo veel halen uit Indië, als maar eenigszins mogelyk is. Wat wil men meer? Il prêche des convertis. Hy wint z’n pleit vóór hy begon. Maar ik vind dat die firma zoo’n werk niet had hoeven te bestellen in ’t Buitenland. ’t Ware goedkooper geweest daarover natelezen wat Multatuli schryft in z’n boek over de veilingen:
Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den bodem, en gelasten den bewoner, een gedeelte van z’n arbeid en van z’n tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van Europa. Om den geringen man hiertoe te bewegen was niet meer noodig dan ’n zeer eenvoudige staatkunde. Hy gehoorzaamt z’n hoofden: men had dus slechts die hoofden te winnen door hun ’n deel toetezeggen van de winst ... en het gelukte volkomen.
Als men let op de ontzettende massa Javasche produkten, die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het DOELTREFFENDE dezer staatkunde ...
Is ’t te betreuren dat ze, na zulke hulde uit den mond van iemand, die toch de Nederlanders niet schynt te vleien, nog Engelsche hulde noodig hebben? De firma B. S. & Co. lykt wel ’n schryver, die nooit genoeg wordt geprezen naar z’n zin. Ik spreek by ondervinding. En nog zeggen ze dat ik ydel ben en hoogmoedig!
Het is puur om boos te worden op dien Engelschman, die daar zoo geheel onbevoegd zich belast heeft met het pryzen van de godvreezende Nederlanders. O, hadden ze ’t my opgedragen! Holland staat ver boven den lof van alle Money’s! Wat kan zoo’n Money weten van al de verdiensten ... neen, dit wordt ’n woordspeling. Maar om nu te bewyzen hoe verkeerd men deed niet my te belasten met het blazen van de trompet, ziehier.
Money spreekt:
“O, godzalige Nederlanders, m’n Engelsch hart is verliefd op uw GESCHIKTHEID26. Waarmee zal ik u vergelyken? Hoe zal ik lucht geven aan de bewondering die me ontengelst en ontmoneyt? Zyt ge als de roos....
Cantique tout pur!
“Zyt ge als de roos ... neen dit gaat niet! Ge zyt als de trouwe herder die z’n schaapjes scheert....
Ik: Ge VILT ze!
Money weer:
“Ge zyt als de dorstige reiziger, die water drinkt uit de vriendelyke bron ...
Ik: Water? Reiziger? Drinken? Deugt niet! Dat drinken is ZUIGEN, die reiziger is ’n VAMPIER, en dat water is BLOED!
Ge ziet, beste Tine, dat men verkeerd deed, lof te bestellen in ’t buitenland. Men is schryver of men is ’t niet, que diable! Er zyn gedurig tentoonstellingen van nyverheid. Welnu, ik ben van plan dien Engelschen trompetter op de eerste tentoonstelling eens te laten hooren, hoe ik de trompet blaas! ’t Zou my niet verwonderen, als ik terstond bestellingen kreeg op m’n deuntjes, vooral daar er in Engeland schaarste is aan lof over de manier van regeeren in Bengalen, waar telkens hongersnood woedt... precies of ’t in Lebak lag.
En zonder myn groot talent—dat wat te duur zou wezen voor de bekende firma, die zuinig is in ’t betalen van inlandsch fabrikaat—men had veel eenvoudiger te-recht kunnen komen, en goedkooper, ja geheel kosteloos! Laat ons zuiver redeneeren: wat begeert de Natie? Een certificaat dat ze daar-ginder goed en voordeelig huishoudt. Welnu, hiertoe behoeft geen letter op ’t papier gezet te worden; al de bewysstukken zyn in orde, en ik zal ze—kosteloos!—toonen aan Europa.
De zaak is heel eenvoudig. Wat bevolkingsstaten vóór en na ’n hongersnood! En de konklusie? Het verlangd certificaat? Wel, dit kan ieder zelf opmaken uit de eenvoudige cyfers.
Daar waren in ’t jaar zóóveel, zooveel menschen.
Daar waren, een jaar later, zóóveel menschen.
’t Verschil is gestorven.
Ze hadden geen ryst, omdat zy voor de firma B. S. & Co. koffi, suiker en indigo moesten planten.
Die koffi, suiker en indigo is voordeelig verkocht voor rekening van gezegde firma.
Ziehier hoe Multatuli ’t zegt:
«Als men let op de ontzettende massa Javasche produkten, die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het DOELTREFFENDE dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want mocht iemand vragen, of de landbouwer zelf ’n belooning geniet, evenredig met die uitkomst, dan moet ik hierop ’n ontkennend antwoord geven. De Regeering verplicht hem, op zyn grond aan te kweeken wat háár behaagt. Ze straft hem, als hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy, buiten hààr, en zyzelf bepaalt den prys, dien ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, zyn hoog ... de aanmoedigingsgelden van de hoofden bezwaren daarenboven den inkoopsprys ... en daar toch ten slotte de geheele handel winst afwerpen moet, kan deze winst niet anders worden gevonden, dan doorjuist zóóveel uittebetalen aan den Javaan, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie verminderen zou.
Ook aan de Europeesche beambten wordt ’n belooning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst.
Wèl wordt dus de arme Javaan voortgezweept door dubbel gezag ... wèl wordt hy afgetrokken van z’n rystvelden ... wèl is hongersnood vaak het gevolg van deze maatregelen ... doch vroolyk wapperen, te Batavia, te Samarang, te Soerabaia, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen welke beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken.
Hongersnood? Op het ryke, vruchtbare Java, hongersnood? Ja, lezer, voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van honger! Moeders boden haar kinderen te-koop voor spyze! Moeders hebben hare kinderen gegeten ...
Maar toen heeft zich het Moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde Europesche-marktprodukten voortaan niet weder zou voortzetten TOT HONGERSNOOD TOE....»
Die lieve vertegenwoordiging! NIET WEER TOT HONGERSNOOD TOE! Ik verzeker u dat er na dien tyd inderdaad eenige Javanen in ’t leven zyn gebleven.
En andere certificaten! Sedert eenige jaren bemoeien zich velen met Indie. Die “velen” kunnen onderscheiden worden in twee hoofdsoorten, de Behouders en de Liberalen. Behouders zyn de personen die gaarne zoo veel mogelyk voordeel trekken uit Indie. En liberaal noemt men de zoodanigen die gaarne uit Indie voordeel trekken,.. zoo veel mogelyk. Ziedaar ’t verschil, dat zich oplost in treffende gelykheid. Maar deze overeenstemming openbaart zich nog duidelyker in de gelykluidendheid van de scheldwoorden, die ze elkaar naar ’t hoofd werpen. Welnu ze zyn beiden volkomen in hun recht. Het is volkomen waar, wat de liberalen zeggen: de behouders zuigen Indie uit ... maar even eerbiedwaardig is de oprechtheid, waarmee de Behouders de eer van ’t uitzuigen toekennen aan de Liberalen.
Deze wederzydsche getuigenissen van goed gedrag had de firma aan Europa kunnen voorleggen, en ’t heele boek van dien fameuzen Mr. Money had achterwege kunnen blyven.
Het eenige verschil misschien ligt hierin, dat de Behouders goedkoope spoorwegen willen bouwen, en dat de Liberalen veel geld begeeren om in-staat te wezen hun plaatsen te betalen op spoorwegen die met eigen geld betaald, en dus duurder zyn.
Maar dit is van ondergeschikt belang. Als ik ’n keuze doen moest, zou ik de zyde kiezen van ’t Behoud, om deze redenen. Ten-eerste: ’t een belet het ander niet. Men kan zeer goed spoorwegen bouwen van gestolen geld, en bovendien zorgen dat de gepensioneerde residenten tóch ryk zyn. Ten-andere: op goedkoop spoor kan ook ik meeryden, en dit zou ’t geval niet wezen, wanneer de Liberalen hun zin hadden. Ik begryp dat de vry-arbeiders zeer dankbaar en tevreden zyn, maar wanneer de firma B. S. & Co, haar rails betalen moest uit eigen middelen, zou ’t me weinig helpen dat de Droogstoppels, Slymeringen, kontraktanten, industrieelen, planters, of hoe ze allen heeten mogen, by-machte zyn gebruik te maken van ’n vervoermiddel, dat dan te duur zou wezen voor ieder ander, die geen fortuin had gemaakt in liberale koffi en tabak.
Ziedaar, waarom ik me voorloopig aansluit by de Behouders. Veel hecht ik er evenwel niet aan. ’t Zyn byzaken. In de hoofdzaak komt alles hierop neer, dat Indie op ’n zeer voordeelige wyze geëxploiteerd wordt, en dat Money onnoodig moeite deed.
Maar dit aansluiten by de party van Behoud, is van myn kant niet zóó hartelyk, dat ik kans hebben zou door haar ontvangen te worden met wat vriendschap. Integendeel. De Behouders obstineeren zich my aantezien voor liberaal, even als de liberalen ’t omgekeerde. Hiervan heb ik veel verdriet, want nu word ik uitgescholden en belasterd door beide partyen, en dit is te veel. Ik had maar te kiezen, ge weet het. Nu ik niet gekozen heb....
Lieve hemel, zou er geen derde party te scheppen wezen? Een party die eenvoudig de meening voorstond, dat men den Javaan niet moet mishandelen? ’t Is ’n excentriek idee, dit erken ik, doch zoodra er weer ’n plaats open komt in die Tweede-Kamer, zal ik dat toch eens beproeven. Maar, Tine, ik vrees dat ik niet slagen zal, omdat ik geen systeem heb, en geen politieke beginselen, zoo-als ze ’t noemen wanneer iemand altyd stemt met dezelfde party, onverschillig of hy de zaak die behandeld wordt goed vindt of niet. Ook zie ik geen kans geleerdheid te plaatsen in myn beroep op de kiezers. Toch zal ik m’n stuk maar terstond schryven, dan ben ik gereed zoodra ’t noodig wezen zal. Maar ik hoop dat ze my niet kiezen, want, verbeeld u, dan zou ik al die redevoeringen moeten aanhooren over de wyze waarop de Javaan behoort te worden uitgezogen! En wanneer ik daarby meesmuilde, zou de voorzitter my tot de orde roepen, en klagen over myn tuchteloosheid! Ik zou me moeten aanstellen als-of ik luisterde naar ’t spreken van den heer Duymaer van Twist, wanneer hy redeneert over “Indische zaken” en “Vryen Arbeid”. Want dit doet hy soms. Is ’t niet komiek? Die Tweede-Kamer zou my ’n ware pynkamer wezen. Maar als ze my kiezen, ga ik! Ge weet wat Luther zei? “Al waren er zooveel Gouverneurs-Generaal als dakpannen, enz,”
Zie-hier wat ik in zoo’n geval schryven zou:
Brief aan de Kiezers van Nederland.
Kiezers! Ik heb u iets te zeggen dat zeer eenvoudig is, en dat ge daarom wellicht niet terstond zult begrypen. Maar om ’t u niet al te moeielyk te maken, zal ik de zaak die ik u wil voorstellen, behandelen van den oorsprong af. Ik beweer geenszins meer te weten dan gy. Verwacht dus niets nieuws.
In den regel bemoeit gy u weinig met de publieke belangen. Laat ons eens nagaan, of ge hieraan wèl doet.
Gy hebt behoefte aan orde, aan veiligheid. Ge betaalt vele personen om in uwen naam die orde te handhaven, en die veiligheid te verzekeren. Ik hoor u wel eens klagen over te hooge belastingen—en ik vind dat gy gelyk hebt in die klachten—maar aan den anderen kant waardeert ge niet genoeg het genot dat u ten-deel valt door de zekerheid van personen en goederen. Alle menschelyke zaken zyn gebrekkig, en onder die zaken is er misschien geene die moeielyker te zuiveren is van gebreken, dan het bestuur eener maatschappy.
Het is evenwel, dunkt me, plicht te zorgen, dat dit bestuur zooveel mogelyk nadere tot de volmaaktheid.
In zóóverre is het jammer, dat u door vele samenloopende omstandigheden ’n Regeering is te-beurt gevallen, die over het algemeen geenszins onderdoet voor de Regeering der meeste andere volken. Gy bezit een gepaste maat van vryheid. Geen dwingeland neemt u ’t moeielyk verdiend, of gemakkelyk gewonnen, geld af. Men zet u niet in de gevangenis, zonder dat ge ’t er naar maakt. Men dwingt u niet tot goddienen op ’n manier die u niet aanstaat. Men roept uw kinderen niet van hun werk, om ze noodeloos kunsten te leeren met ’n geweer ...
Ja, de militiewet bestaat nog, maar dit zal zoo niet blyven.
... hoe het zy, alles saamgenomen, hebt ge geen sterksprekende redenen tot ontevredenheid, en hierdoor zyt ge onverschillig geworden voor de openbare zaak.
Maar hebt gy u wel eens voorgesteld dat dit alles anders wezen kon? Wanneer uw verbeelding te-kort schiet in deze voorstelling, lees dan de geschiedenis na! En vèr behoeft ge niet te gaan. Ons eigen land heeft by herhaling te doen gehad met slechte Regeeringen.
Ik geloof niet alles wat men zegt van Philips den tweede. Maar neem eens de helft voor waar aan ... ’n derde ... ’n kleiner gedeelte nog ... en stel u de vraag voor, hoe ’t u smaken zou, als we weder moesten geregeerd worden op ’n wyze als die welke hy zich veroorloofde.
Dit zoudt ge niet begeeren. Ik ook niet. En haasten wy ons hierby te voegen, dat er voor ’t terugkeeren van zulk wanbestuur geen gevaar is.
Wat stelde dien Philips in-staat ons arm landje te teisteren als hy deed? Macht! De mogelykheid om eigen wil te stellen boven de wet. Of wel: verkeerdheden in die wet. En, ten-laatste, maar vooral: gebrek aan wetten.
Want ... wat niet verboden is, wordt als geoorloofd beschouwd. Wanneer de Fransche koningen waren gebonden geweest door ’n bepaling “dat niemand mag worden onttrokken aan zyn natuurlyken rechter,” zouden zy zich hebben moeten onthouden van ’t genoegen, iemand die hun mishaagde naar de Bastille te zenden alleen omdat hy hun mishaagde.
Nu geloof ik gaarne dat vele koningen ook zonder zulke wetten zich zouden vermaken op andere wyze ... maar ik vind het toch geruster en kalmer, dat men in zulke gevallen niet afhange van smaak.
Het zyn de wetten alzoo die ons beschermen tegen ’n misbruiken van het gezag, dat men wel genoodzaakt is dezen en genen in handen te geven in ’t algemeen belang.
Wie maken deze wetten? De koning laat ze, in zyn naam, aan het volk voorstellen door z’n ministers. Keurt het volk de voorgestelde wet goed, dan gaat ze dóór, en wordt van kracht.
Keurt het volk de wet niet goed, dan maken de ministers een nieuwe wet ... of gaan naar de baden.
Het spreekt vanzelf dat zoo’n inrichting geheel ontbrak in den tyd van Philips. Wanneer hy aan het volk gevraagd had, of ’t genoegen nam in al dat moorden en branden, in die geloofsvervolging, in ’t betalen van de vele zóóveelste penningen—ja, dat vooral!—dan had het volk “neen” gezegd, en de hertog van Alva ware naar de baden gegaan, tot groot relief van de 30.000 menschen die hy nu heeft laten ombrengen in weinig jaren tyds. ’t Was te veel, waarachtig!
Wetten kunnen dus nuttig zyn. Maar opdat ze ’t niet alleen kunnen, maar inderdaad zyn, behooren de wetten goed te wezen.
Het beoordeelen van de voorgestelde wetten is dus van groot gewicht, en ’n volk dat zich daarmee weinig of niet bemoeit handelt verkeerd en tegen z’n eigen belang.
Eigenlyk moet het verdrietig wezen voor ’n koning, die gedurig vraagt: “vindt gy lieden die wet goed?” als hy telkens bemerkt dat het volk zelf, in wiens belang die vraag geschiedt, niet eens de moeite neemt zich met die zaken intelaten, en door verregaande onverschilligheid toont onmondig te wezen.
Als de konklusie niet al te streng klonk, zou ik byna zeggen: zulk ’n volk verdiende dat Alva terugkeerde van de baden.
Deze onverschilligheid blykt evenwel gedurig uit de wyze waarop gylieden u van uwen plicht kwyt, by de verkiezing der personen die u tot het beoordeelen der voorgestelde wetten vertegenwoordigen ... of, beter gezegd, in de wyze waarop gy u van dien plicht niet kwyt.
’t Is reeds te betreuren dat men spreken moet van plicht, waar ’t geldt: de uitoefening van een recht.
Indien ge waart overgeleverd aan een despoot die eigen wil voor recht liet gaan, zonder den wil des volks eenig aandeel te geven in de beschikking over de algemeene zaak, zoudt ge luid roepen om verlossing. Ge zoudt dien despoot vloeken, te wapen loopen, stryden ... en over eeuwen had ’n nieuw nageslacht nieuwe dapperheden te bezingen van nieuwe voorvaderen.
Maar nu gy niet tot weerstand wordt gedrongen door geweldenary, houdt ge u geheel buiten de zaken, als-of die u niet aangingen. Dit is niet goed, Kiezers! M’n bedoeling is thans u opmerkzaam te maken op eenige verkeerdheden, die eerlang zeer nadeelig op uw belangen zullen werken, en u optewekken tot de meening dat men onvoorzichtig doet het oordeel over die belangen op den duur overtelaten aan anderen, zonder—of zonder voldoende—controle.
Het lydt geen twyfel dat de welvaart van Nederland voor ’n zeer groot gedeelte afhankelyk is van de voordeelen die wy genieten uit Indie. Zeer onlangs hebt gy in cyfers kunnen nalezen hoeveel gy naar die gewesten uitvoert, en vooral hoeveel geldswaarde die bezittingen produceeren, en op uwe markt aanvoeren27. En nog zyn deze cyfers ’t voornaamste niet. De minder rechtstreeksche maar even zekere voordeelen, die Indie aan Nederland verschaft, bedragen oneindig meer. Staat my toe, dit als bekend te veronderstellen. Het is zoo vaak betoogd—en nooit weersproken!—dat het me inderdaad verdrieten zou, langer stil te staan by iets dat ieder weet.
Maar erkent dan ook dat het verlies van die voordeelen zeer noodlottig zoude werken op uwe welvaart.
Erkent dan ook dat het van hoog belang is de Oost-Indische bezittingen zóó te besturen, dat de kans van dat verlies gering zy.
Erkent alzoo dat ge onverstandig doet ... dat gy handelt tegen uw eigene belangen, door zoo lauw te zyn omtrent de wyze waarop die gewesten worden bestuurd.
Een groot gedeelte van uwe welvaart hebt ge te danken aan den arbeid van den Javaan. Zonder dien arbeid immers, geen koffi, geen suiker, geen reederyen met alles wat daarmee in-verband staat. Stelt u eens voor—iets onmogelyks natuurlyk—’n onzinnig minister trachtte eene wet te doen aannemen, die de strekking had de Javanen te behandelen, zooals uw voorvaderen werden behandeld door Alva. Het gevolg zou wezen dat die Javanen—niet zoo spoedig wel-is-waar, omdat ze zeer geduldig zyn, maar in ’t eind zéker toch—zouden opstaan, en het Nederlandsch gezag afschudden. En hiertoe zouden zy geen tachtig jaren behoeven, want ze zyn oneindig sterker in verhouding tot u, dan uw voorouders waren tegen-over Spanje. Bovendien zouden zy hulp ontvangen van buiten, daar er volken en regeeringen zyn, die nayver voelen op uwe welvaart. En nog meer redenen bestaan er, die ’t van belang maken dat de Javaan u genegen zy, of althans niet volstrekt vyandig gezind. Het Europeesch evenwicht zal eenmaal verbroken worden ... neen, het zal meermalen verbroken worden, zoo-als alle evenwichten. De taak der staatslieden is juist hierom zoo zwaar, wyl de Natuur—dat is: alles!—voortdurend in beweging is. Stilstand is onmogelyk. Het embleem der geheele schepping is ’n baskule ... en de politiek maakt hierop geen uitzondering! Wat men evenwicht noemt, is eigenlyk het streven naar evenwicht ... de gelykheid van de som der beweging aan beide zyden van het midden der balans ... het sidderen van den wyzer in het “huisje”. Eénmaal slaat een der beide schalen neer.
Wie nu ’t oog slaat op het gewapend parallelisme van de beide hoofdmogendheden in Europa, zal inzien dat ook hier eenmaal—misschien weldra—een der beide schalen zal nederslaan.
Er moet oorlog komen tusschen Frankryk en Engeland! En wie er aan twyfelt, lette slechts op al de moeite die men zich van weerszyde getroost, om te beletten dat er oorlog kome. Van beide kanten voelt men zich gedurig genoopt de hand uittestrekken om de schaal te stutten. Dit zou niet noodig wezen als het evenwicht natuurlyk ware, in stede van kunstmatig en gekunsteld. De natuur is sterker dan de kunst, sterker dan gekunsteldheid vooral.
En ’t onmiddellyk gevolg eener vredebreuk? Ik zal ’t u zeggen, zonder te meenen alweer, dat ik u iets nieuws zeg.
Weet ge waar Engeland ligt naar het oordeel van den eersten Napoleon?...
Engeland ligt in Indie.
En dat ook het hedendaagsche Frankryk met deze geographische kettery behebt is, blykt uit de “verkenningen” die het doet op de—in dien zin: Engelsche—kusten, door gedurig expeditiën te zenden naar China, Cochin en Madagaskar. Door de gezantschappen naar het verre Oosten. Door ’t uitlokken van tegenbezoeken ... zie de Siamsche ambassade.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.