Kitabı oku: «Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde»

Yazı tipi:

Nelly Montijn-de Fouw

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066310882

Inhoudsopgave

DOOR NELLY MONTIJN-DE FOUW , GEILLUSTREERD DOOR ARTHUR RACKHAM.

ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.

ALGEMEENE INLEIDING.

ARTHURS KOMST.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN “HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER”.

DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.

DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.

DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN HEER GARETH.

DE SAGE VAN HEER GARETH.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.

DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.

DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.

DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.

ARTHUR’S DOOD.

BIBLIOGRAPHIE.

REGISTER.

A.

B.

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

R.

S.

T.

U.

V.

W.

Y .

Z.

DOOR
NELLY MONTIJN-DE FOUW,
GEILLUSTREERD DOOR
ARTHUR RACKHAM.
ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.

Inhoudsopgave

ALGEMEENE INLEIDING.

Inhoudsopgave


Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op mij genomen.

Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn opgenomen—de toekomst zal het leeren!

Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook hieraan ontleend.

Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den Franschen hofdichter uit de 12e eeuw, wiens groote verdiensten voor de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.

De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.

De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik daarom in mijn verhaal gevolgd heb.

Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen.1 Beide behooren tot den Arthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur2 en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.

Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur’s Komst en Arthur’s Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.

In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12e en 13e eeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.

In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.

Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.

Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.

Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof van Vlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.

Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.

Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14e eeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur’s Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,3 waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman “van den Ridder metter Mouwen”, en een “van de Wrake van Ragisel” benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.

Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13e eeuw door de dichters Penning en Vostaert.

Jacob van Maerlant (± 1235–± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257–1264.

“De Historie van den Grale” en “Merlijns Boeck” vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem “het boek van Koning Artur”, dat zich bij Maerlant’s “Merlijn” aansluit en de vertaling is van een Fransch “Livre du Roi Artus.”

Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.

Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: “Tristan en Isoude”, “Octaviaan”, “Madocs Droom” en “Amadas en Ydoine”, van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.

Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.

In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen maken allerminst aanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.

Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch—ondanks al hun pogen—zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.

Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5e en 6e eeuw hun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de “Historia Brittonum”, waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.

Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.

De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van “dux bellorum”. Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als “dux bellorum” moet Arthur in de 5e eeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon—Mons Badonis—waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.

Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van “imperator”, moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië4, het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.

Van den aanvang af schijnt Arthur’s naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. “Mirabilia” bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijn zeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur’s hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is.5

Verder wordt ons in de “Mirabilia” verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.

Vreemd genoeg komt Arthur’s naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: “De Excidio et Conquestu Brittanniae” geschreven door een monnik: Gildas in de 6e eeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871—901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.

In eene andere kroniek, de “Annales Cambriae”, welke in een handschrift uit de 6e eeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur’s naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft medegevochten. De slag van Mons Badonis wordt hierin genoemd voor het jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag bij Camlan geleverd werd: “in which Arthur and Medraut fell”. Hier vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig einde van Arthur’s roemrijk bestaan.6

Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste ridders der Christenheid.

Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden “Mabinogion”, maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in de Welsche “Triaden”7, die volgens Sir John Rhys8 de eerste vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen, van Modred’s verraad, van den slag bij Camlan, van Arthur’s dood en—dit is zeer belangrijk—van zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach.9

In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschap voor hem overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark van Cornwall.

Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van Tristan met dien van Arthur verbonden is.

Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen moeten worden beschouwd.

Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: “Historia Regum Brittanniae” het eerste volledige verslag gaf van de Arthur-geschiedenis10. Het vraagstuk van Geoffrey’s bronnen is nog steeds onopgelost; of hij ooit het “most ancient book in the British language” gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van geschiedkundige—of quasi-geschiedkundige—en romantische bestanddeelen erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de meest beminde helden van zijn tijd11. Het boek had een zeer groot succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in Anglo-Normandische verzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.

Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht “Brut” voltooide, waarin wij de gebeurtenissen uit de “Historia” vermeld zien, met bijvoeging van vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van onzen held.

Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: niet alleen, dat hij—zooals wij reeds in de “Historia” lazen—naar het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in Arthur’s onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. “hope of Britain”, vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.

Ook spreekt Wace in zijn “Brut” het eerst over de Ronde Tafel, welke zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij doet dit in de volgende woorden:

“Por les nobles barons qu’il ot,

Dont cascuns mieldre estre quidot.....

Fist Artus la roonde table,

Dont Breton dient mainte fable:

Ilve seeient li vassal

Tuit chevalment et tuit ingal.”12

In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als volgt:

Pour les nobles barons qu’il avait

Dont chacun voulait être meilleur (que l’autre)

Arthur faisait la ronde table

Dont les Bretons racontent beaucoup de fables.

Là s’asseyaient les vassaux,

Tous vaillants et tous égals.

Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12e eeuw, behalve het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.

In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: “Brut” treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens van den schrijver en heeft ten doel om de “noble deeds of England” te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.

In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning in dapperheid overtreffen.

Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug13.

Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter Chrétien de Troies14, hebben aan den Arthur-cyclus den vorm gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, omdat Arthur’s koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich onder Arthur’s vanen schaarden.

Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in versmaat, valt in de tweede helft der 12e eeuw, het tweede: dat der proza-romans, in de eerste helft der 13e eeuw.

In Engeland werden in de 13e en 14e eeuw eveneens romantische gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele uitzondering15 staan deze echter verre ten achter bij de Fransche gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.

Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de hoogere kringen.

Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken16.

Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen17 van ridderromans uit die dagen.

Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?

M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: “Tennyson’s Idylls of the King and Arthurian Story from the XVIth Century”, Glasgow, 1894, vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is de ridderlijkheid in den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.

De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid.

Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.

Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.

In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.

Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.

Het einde der 15e eeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.

Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.

Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en het gevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.

Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.

Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de “Morte d’Arthur”, het standaardwerk van Sir Thomas Malory.

Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15e eeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans18 en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory’s boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.

Vanaf het einde der 15e eeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.

In de 19e eeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.

De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.

Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om de oude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.

In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:

“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”

Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.

Houten, (U.), 1920. N. M.—d. F.


1 “Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.

2 Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.

3 Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.

4 In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.

In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.

5 Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest, Everyman’s Library, London, Dent. De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.

Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.

6 De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.

7 De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.

8 Zie John Rhys: “Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.

9 Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.

10 De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.

11 In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is van het Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw.

In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.

12 Brut: regel 9994 e. v.

13 Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival.

14 Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.

15 Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.

16 Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en Isolde, Erec en Enide, Parcival.

17 Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:

“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,

De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”

18 De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage).

Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14e eeuw.

ARTHURS KOMST.1

Inhoudsopgave



Van de geboorte van koning Arthur. In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.

Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene beslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.

Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.

Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.

Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.

Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van den vorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.

Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.

Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.

Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.

De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; ’s nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen.

Eindelijk had hij een besluit genomen—hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.

Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.

Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.

Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:

“Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die diepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen.”

Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.

Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.

Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werd door de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.

Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.

Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.

Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde.


Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.


Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen. Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.

Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.

Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.

Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun vorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.

Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.

Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.

Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.

Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.

Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.

Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als ’t ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet—zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. “Van wien?” herhaalde de jongeling lachend, “wel, van niemand! Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!”

In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.


Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd. De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: “Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!”

Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen.

Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.

Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: “Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!” Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.

De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel—naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.

Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet—het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.

Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.

Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.

Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.

Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen: Excalibur.

Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.


Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra. Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.

Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.

De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.

Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een groepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.

Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.

Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.

Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.

Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.

Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.

De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: “Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel,” hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, “ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?”

Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. “Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,” riep hij uit, “en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!”

Merlijn haalde gelaten de schouders op. “Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden,” zeide hij, “de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft.” Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra’s hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen, Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.

Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.

Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!

Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.

Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: “Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenk willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?”

Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.

In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.

Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.

De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer eenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.

En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!

Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!

Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.


Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.

De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde, haar als ’t ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met “Hooge Vrouwe”, voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en—dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor—die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.

Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hij haar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.

Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.


Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten. Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra’s vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. ’s Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.

Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra’s gezelschap zooveel hij maar kon.

Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.

Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.

Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.

Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.


Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken. Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeekte hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.

Dankbaar ging zijn oog over de schare in ’t wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.

Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.

Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor ’t eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.

Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun te willen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.

Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.

Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het “ja! dat zweren wij” uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over ’s konings gelaat.

Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in den rug hunner zetels gegrift.

In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen het geboomte van het slotpark.

Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijk woord en hij vervulde zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.

Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, die jong en schoon was als hij.



1 Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”

INLEIDING TOT DE SAGE VAN “HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER”.

Inhoudsopgave


Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor ’t eerst vermeld in William of Malmesbury’s werk, getiteld: “Gesta Regum Angliae”. In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische eilanden, en dus een neef van den grooten koning.

In de “Historia Regum Brittanniae” van Geoffrey of Monmouth, die slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop volgenden veldtocht onderscheidt Walewein zich door zijne trouw en dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond als de kampioen van zijn oom en vorst.

In zijne Anglo-normandische vertaling van de “Historia Regum Brittanniae” weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul, die in zijn “Tristan” aan Walewein de rol toekent van een intiemen vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder, toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten.

In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of meer het “type” der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals andere beroemde Arthurridders—men denke slechts aan Parcival en Tristan—eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij uitstek de held der “romans épisodiques”, die in tegenstelling met de “romans biographiques”, slechts eene zekere periode uit het leven van den held tot onderwerp hebben.

De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt.

Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken en een bestrijder der boozen maken—integendeel: wij worden ingelicht over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was, voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen, toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra, en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar hij praalde als de “chevalier sans peur et sans reproche”—zeker is het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten.

Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur is, behalve dan koning Arthur zelf—die een kring van ridderromans om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den held van het verhaal.

Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de hoogststaande, zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der schoonste figuren der ridderliteratuur.

Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland.

Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd van dezelfde hand te zijn.

De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche vertolking. Toch heeft de schrijver van “Syr Gawayne and the grene Knyght” geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd “locked in lettered lore” geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche gedicht en zijne oorspronkelijke bron—deze vragen wachten tot nu toe op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door het feit, dat de twee hoofdthema’s, waarin het verhaal reeds bij eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema’s kunnen wij kortheidshalve “de onthoofdingsproef” en “de getrouwheidsproef” noemen. De “onthoofdingsproef” vermeldt, hoe een ridder uit eene betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan eene onthoofding blootstelt. De “getrouwheidsproef” geeft ons de beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd is.

Over den oorsprong dezer beide thema’s en over de wijze waarop zij tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen, waarvan hieronder enkele zijn aangestipt.

Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat “Syr Gawayne and the grene Knyght” gegrond is op eene episode uit de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, “Conte del Graal”, waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie Weston, die in haar werk, getiteld “The Legend of Sir Gawain”, met den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht.

Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de “Conte del Graal” komt het eerste hoofdthema: dat der “onthoofdings-proef”, voor in verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een oud-Iersch heldendicht: “Fled Bricrend” of “het Feest van Bricrin”, waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging ervan aantreffen.

Deze zijn: “La Mule sanz Frain”, door Paiens de Maisières (begin 13e eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich von dem Türlin in zijn onsamenhangend en lang gedicht: “Diu Crône”, hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische gedicht, dat ten grondslag lag aan “Syr Gawayne and the grene Knyght”, in de bovengenoemde voortzetting van de “Conte del Graal” en in de prozaroman “Perlesvaus”.

Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld “Gauvain et Humbaut”, waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer gebrekkigen vorm, wordt verteld.

Wat het tweede hoofdthema: de “getrouwheidsproef” aangaat, ook dit treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman “Ider” (eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den “Ider” heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van hoffelijkheid en beschaving.

Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche “Carl of Carlisle” en de Fransche “Chevalier à l’Epée” vermelden eene soortgelijke getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde Fransch gedicht.

Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de schrijver onbekend is gebleven, is getiteld “Morale”, het andere, waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: “Dà un exempli” en werd geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de “Carl of Carlisle” en de “Chevalier à l’Epée” aan ontleend zijn.

Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van “Walewein en de groene Ridder” voortgekomen?

Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over onze sage, getiteld: “A Study of Gawain and the green Knight”, door George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916.

De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide hoofdthema’s der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de ontwikkeling der beide thema’s na en beproeft steeds de ontbrekende schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld, die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche heldendicht “Fled Bricrend”. Deze episodische Walewein-roman, geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt, maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie Fransche romans: 1e de “Mule sanz Frain”, 2e de proza “Perlesvaus”, waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en 3e “Gauvain et Humbaut”, waar het zich in een eigenaardigen vorm vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien’s Conte del Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van die beide thema’s een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan, dat weliswaar zelf verloren is geraakt, maar waarvan wij de vrije en oorspronkelijke bewerking in “Syr Gawayne and the grene Knyght” kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen.

De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt: doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de vazallen des konings wordt opgenomen.

Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: “The Turk and Gawain”, hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw1 en uit eene ballade, getiteld: “The grene Knyght”, welke voorkomt in het Percy H. S. van 1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche gedicht, waaraan “Syr Gawayne and the grene Knyght” ontleend is en toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal is afgeweken.

Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: “Syr Gawayne and the Grene Knyght”, die verschenen is in Modern Philology (December 1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema’s der sage, hoewel logisch onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen, waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen, maar eene fee is.

Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want—en dit is inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal—Morgan, de bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming, die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den Kouseband door Richard III in 1345.

Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e eeuwschen ridderroman “The grene Knyght” hetzelfde verhaal gebruikt wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren.

Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de stichting van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van “The grene Knyght”, die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft, een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in “The grene Knyght” de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te lokken van de dame, die hem liefheeft.

Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde uit het feeënrijk.

Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost, terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is—het feit, dat in het gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de viering van de orde op den naamdag van St. George valt en ten slotte de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde, terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect—al deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld, dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage, evenals die van “The Grene Knyght”, reeds van den aanvang af verband houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde.

De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen.

De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat “Syr Gawayne and the green Knight” niet eene samensmelting is van twee afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen.

Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in ’t minst te schaden.

Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven, terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn tijd waardig zouden doen zijn.



1 Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw.

DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.

Inhoudsopgave

“Entre toz les bons chevaliers

Doit estre Gauvains li premiers.”

(Chrétien de Troies: Erec 1690–91).


Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst het kerstfeest te vieren. Reeds in den aanvang zijner regeering had koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders, voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den vorst en zijne volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer, aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond werden gedrongen.

Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte.

Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag den gasten nieuwe verstrooiing.

De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven.

De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk.

Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond, zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, groen kleed omsloot hare ranke gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg, was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein, de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein, bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten, deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven, alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de zachtklinkende muziek der luitspelers, die in een hoek der zaal hadden plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel.


Van de plotselinge verschijning des groenen ridders. Plotseling werd de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige gestalte en vertoonde bovendien—en dit was ’t vreemdst van alles—van het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen: zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild, maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was.

Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester van het gezelschap was.

Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen.

Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de richting van den vreemdeling en sprak: “Wees welkom in mijn paleis, heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van uw verlangen is!”

“Neen, waarlijk niet”, antwoordde de vreemdeling, “dat is niet, hetgeen ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren.”

“Spreek vrij uit”, hernam koning Arthur op trotschen toon, “en wanneer gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!”

“Ik zoek geen strijd”, antwoordde de groene ridder, en zijn blik dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, “gij ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag, dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met den helm op ’t hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer neemt mijn voorstel aan?” Nadat hij deze woorden gesproken had, steeg de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over het gezelschap gaan.

Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen, om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel; dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek, maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden, dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en smadelijk lachen. “Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van ’t gevaar zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter en krijgsgerucht.”

Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem in de rede met een donderend: “Zwijg! Niet ongestraft zult gij mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks, omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan, alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen, dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen.” Daarop sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding den slag scheen af te wachten.

Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein, zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de volgende woorden: “Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn, om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen, indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!” De andere ridders waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen om Waleweins bede in te willigen.

Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem op ernstigen toon toe: “Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen, die u dierbaar zijn!”

Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder en zeide tot hem:

“Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?”

“Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen”, antwoordde de vreemdeling. “Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen, waaronder ik wensch te handelen.”

“Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen, waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij twaalf maanden verder zijn”, antwoordde de jonge ridder trotsch.

De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: “Gij spreekt als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te kunnen vinden”. “Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen, wie gij zijt en vanwaar gij komt”, gaf Walewein hem ten antwoord, “want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem, dien ik zoek?” De groene ridder lachte en sprak: “Mijn naam zal ik u zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren, dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat ik u verzoeken mag, sla toe!” Daarop boog hij zich voorover, schudde zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal, waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde.

In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken: “Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan den weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw aan uw woord, vaarwel!”

Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen uit de vloersteenen.

Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat: “Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te beleven, is voldaan!” Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde hem toe: “Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust wel verdiend!”

Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel, waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven.

De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om Camelot klonk het klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren, zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken, zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien, en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden.

Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin, waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten.

Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene algemeene bedrijvigheid heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen; in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht, voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de ridders ’s avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd, die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd.

Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren, tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht naar het hof te ondernemen, moest hij zich op reis begeven naar de geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat hij diens uitdaging had aangenomen—besefte hij eerst nu, tot welk eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had.


Hoe Walewein vertrok om den groenen ridder te gaan opzoeken. De weken verliepen en weldra naderde Allerheiligen, op welken dag koning Arthur zijne ridders had uitgenoodigd tot een afscheidsfeest ter eere van zijn geliefden neef. Na het gastmaal begaf Walewein zich naar zijn vorst en sprak: “Sire, vergun mij, dat ik mij morgen op weg begeef, om den groenen ridder te zoeken. Gij weet tot welke afspraak ik mij verbonden heb, gij kent de voorwaarden ervan en zult het mij niet euvel duiden, indien ik reeds nu van hier ga. Tot geenen prijs zou ik te laat op de plaats van samenkomst willen verschijnen!”

Deze woorden van Walewein maakten diepen indruk op alle aanwezigen. Bij de gedachte aan de gevaren, die hunnen dierbaren vriend bedreigden, drongen velen de tranen naar de oogen. Sommige edelvrouwen snikten luide, anderen wischten in ’t geheim een traan weg en verscheidene ridders verdrongen zich om Walewein om hem door een handdruk of een opwekkend woord hunne deelneming te betuigen. Onze held echter drong met kracht de angstige voorgevoelens terug, die hem vervulden en met een vroolijken lach riep hij uit: “Mijne vrienden, vanwaar die sombere stemming? Is het dan voor het eerst, dat ik mij in ’t gevaar begeef? Zijn mijne oogen niet scherp als die van een valk en heeft mijn strijdros Gringalet mij tot heden niet steeds ter overwinning gevoerd? Weg dan die tranen en zuchten! Ik strijd voor de eer van mijn koning en Hij, die de Koning der koningen is, zal mij niet verlaten!

Den volgenden morgen vroeg werden hem in tegenwoordigheid van den vorst en de gansche hofhouding zijne wapenen gebracht. In het midden der zaal legde men een kostbaar tapijt neer, waarop Walewein plaats nam. Hij was gekleed in een buis van blauwe zijde, dat zijne fiere gestalte ten volle deed uitkomen. Eerst bukten twee knechten zich voor hem neer om zijne stalen voet- en beenbekleedselen aan te gespen, aan de laatste werden de dijstukken bevestigd. Vervolgens kwamen twee anderen aandragen met den glinsterenden maliënkolder, waarvan elk schakeltje vooraf nauwkeurig was nagezien. De armen werden bedekt met passende stalen platen en de handen beschut door handschoenen van hetzelfde metaal. Over dit alles werd het zware harnas bevestigd, waarna de gouden sporen en het zwaard, dat door een zijden gordel vastgehouden werd, des ridders uitrusting kwamen voltooien. Toen Walewein aldus voor de reis gereed was, begaf hij zich naar de kapel om de mis bij te wonen. Hij zond een vurig gebed op tot God om hem sterkte te verleenen in de komende gevaren. Daarna nam hij afscheid van den koning en van zijne mede-ridders, die hem allen volgden naar het slotplein, waar zijn paard, Gringalet, vastgehouden door twee stalknechten, hem wachtte. Ongeduldig stampte het edele dier met de vóórvoeten op de steenen en bij elke beweging van den kop rinkelden de bellen aan het hoofdstel en glinsterde het goudkleurig dekkleed in de juist doorbrekende morgenzon. Uit de handen van een zijner trouwste dienaren nam Walewein zijn helm aan, kuste het helmteeken en drukte den helm toen vast op het hoofd. Langs de achterzijde hing een linnen doek, waarop rijk geborduurde vogels in de bontste kleuren te zien waren, de rand van den helm was bezet met schitterende diamanten. Toen Walewein te paard was gestegen, ontving hij als laatste toevoegsel aan zijne uitrusting zijn schild met den pentagoon, welk teeken hem beschermen moest tegen de aanvallen van booze geesten. In zuiver goud teekenden de lijnen van den vijfhoek zich af tegen den donkeren achtergrond van het schild en wel paste het Walewein, dit heilige teeken te dragen, want hij muntte uit in de vijf deugden, die het sieraad zijn der ridderschap, te weten: offervaardigheid, eerlijkheid, nederigheid, zachtheid en hoffelijkheid. Daarbij waren de vijf zintuigen bij hem op edele wijze ontwikkeld en stelde hij zijn hoogste vertrouwen in de vijf wonden van Christus en in de vijf genietingen, die de Heilige Maagd van haren zoon mocht smaken. Daarom ook prijkte het beeld van Maria boven den pentagoon op zijn schild en scheen ze neer te zien op de vijf lijnen die in en door elkander liepen, gelijk de deugden van zijn gemoed elkander raakten en aanvulden. Toen onze held zijn schild had omgegespt, greep hij met de rechterhand den lans met de vlijmend scherpe punt, drukte zijne sporen in de flanken van zijn strijdros en reed met een laatst “Vaarwel!” de poort van het kasteel uit. Zij, die hem nastaarden, zuchtten luid en bejammerden het wreede lot, dat zulk een edel ridder veroordeelde om door de handen van een dergelijke verschijning te sterven. Dien avond heerschten er rouw en droefheid in de zalen van het paleis. Met bedrukte stem spraken de ridders over hun afwezigen vriend; zij brachten elkander Waleweins deugden in herinnering en prezen zijne voortreffelijke eigenschappen van geest en hart. Aan den toon van hun gesprek kon men bemerken, dat geen van hen er op rekende den vertrokkene ooit weer te zien.


Walewein’s tocht door het besneeuwde landschap.

Inmiddels reed onze held onversaagd zijns weegs door het wintersche landschap. De Novemberstormen gierden en bliezen hem om het hoofd, de zware herfstnevels deden hem het pad bijster raken, de fijne jachtsneeuw sloeg hem in het gezicht en verblindde zijne oogen—toch reed hij voort, al dieper het eenzame land in. Dagen gingen voorbij zonder dat hij een menschelijk wezen ontmoette, zijn trouwe Gringalet was de eenige metgezel op zijn pad. Nu en dan dreigde hij moedeloos te worden, wanneer hij bij het vallen van den avond tevergeefs eene schuilplaats zocht om den nacht door te brengen en zich eindelijk tevreden moest stellen met de beschutting, die een overhangend rotsblok of een vochtige bergspelonk hem boden. Dan, terwijl hij neergehurkt zat bij een vuur, waarvoor hij, vermoeid als hij was, zelf de brandstof had moeten bijeenrapen, dwaalden zijne gedachten heen naar Camelot, waar men nu gezellig bijeen zat om het helder brandende vuur in de schouw van de groote feestzaal. Het scheen hem een droom toe, dat ook hij tot voor korten tijd had aangezeten aan sierlijk aangerechte tafels en zich op zijne wenken had laten bedienen. Wanneer hij dan nu neerzag op zijne verroeste wapenrusting, op zijne vuile en gescheurde kleederen en op zijn met modder bespat rijpaard, voelde hij zich als een verschoppeling, als iemand, die voorgoed het recht verbeurd heeft om zich onder een gezelschap van goed gekleede en wel verzorgde menschen te bewegen. Het ergste van alles was, dat hij nog steeds geen spoor kon ontdekken van het oord zijner bestemming. Iedereen, die hij op zijne tocht ontmoette, ondervroeg hij angstvallig of zij ooit gehoord hadden van eene groene kapel, waar hij, dien men den groenen ridder noemde, verblijf hield, maar het scheen wel, of de laatste op onzichtbare wieken naar Camelot was komen aandrijven—niemand kende zijn naam en geen mensch kon zeggen, waar zijne woonplaats was.

Moedeloos trok Walewein voort in de richting van Noord-Wallis en vandaar steeds verder het Noorden in. Eens op een morgen ontwaakte hij in eene witte wereld, de winter was ingetreden! Van nu af aan werden zijne ontberingen steeds grooter. Slechts met moeite wist Gringalet zich een weg te banen door de sneeuw, die verscheidene voeten hoog lag, de hevige koude deed het bloed in de aderen zijns meesters bijna verstijven en al meer en meer geraakte Walewein buiten het bereik van menschelijke hulp. Niemand of niets kwam hij meer op zijn eenzaam pad tegen dan wolven en beren en nu en dan een wild zwijn, dat, door honger gedreven, hem aanviel en hem met zijne slagtanden dreigde te verscheuren. Steeds moeilijker viel het Walewein om met zijne uitgeputte krachten zich tegen een dergelijken aanval te verdedigen en soms vroeg hij zich af, of hij niet beter deed met zich ergens in de sneeuw neer te leggen en daar den dood af te wachten. Maar dan drong hij weer met verontwaardiging eene dergelijke gedachte terug. Zoolang er leven was, was er hoop en zulk eene lafheid mocht een ridder van koning Arthur slechts in den uitersten nood begaan. Al zijne wilskracht bijeenrapend, vervolgde hij zijne reis en alsof de natuur hem beloonen wilde voor zijn moed, kwamen er nu dagen van zonneschijn en frissche, wintersche kou. De hemel was blauw en onbewolkt, en de zonnestralen verlichtten de besneeuwde vlakten van het Noorderland. De sneeuw kraakte onder de hoeven van Gringalet en de prikkelende winterlucht deed het bloed van den held sneller stroomen. Op zulke dagen voelde hij de hoop in zijn hart weer ontwaken en vaster zette hij zich in het zadel. Maar na korten tijd werd de lucht weer grauw, een kille mist trok over de velden en een fijne ijsregen begon te vallen. Zoo bleef het tot den avond vóór Kerstmis. Toen Walewein ditmaal zijne schuilplaats voor den nacht had gevonden en met veel moeite een vuur had aangelegd, knielde hij, alvorens zich ter ruste te begeven, neer en zond een vurig gebed omhoog naar de Maagd Maria, Haar smeekend, dat Zij hem althans naar eene plek zou voeren, waar hij de plechtige mis ter herdenking van de geboorte van zijn Heer zou kunnen bijwonen. Daarna begaf hij zich ter ruste.

De volgende morgen brak aan, koud en grijs. Bij het ontwaken zag Walewein de hooge stammen der boomen zich in vage omtrekken tegen den grauwen winterhemel afteekenen. Geen geluid van Kerstklokken—slechts het ruischen van den wind in de kale takken en het klagelijk gesjilp van een enkelen vogel. Met een gevoel van weemoed herdacht Walewein de Kerstfeesten van vorige jaren: de blijde stemming, die alom heerschte, het vroolijk wederzien van vrienden en bekenden en de gemeenschappelijke dienst in de groote kathedraal, waar de koren omhoog werden gedragen op wolken van wierook en de priesters in hun rijk bestikte gewaden zich om het altaar verdrongen.

Huiverend zag hij om zich heen in de grijze kilte, maar plotseling herinnerde hij zich zijn gebed van den vorigen avond en in vast vertrouwen op de goedertierenheid der Heilige Jonkvrouw, maakte hij tot drie maal toe het teeken des kruises en zeide met plechtige stem: “Heilige Moeder Gods, sta mij bij, ter wille van Hem, die aan het kruis voor ons stierf.”

En ziet, op hetzelfde oogenblik geschiedde een wonder, bij het zien waarvan de adem hem in de keel stokte. In het midden van het woud, op een heuvel, waar een oogenblik geleden nog slechts kale boomstammen hun armen ten hemel hieven, verrees plotseling, als door eene tooverspreuk omhoog gedreven, een prachtig kasteel. De zon, die zoo juist was doorgebroken, bescheen de spitse torens en speelde over de gekanteelde muren, waar de schildwachten liepen met hun scherp gepunte hellebaarden. Op de vier hoektorens stonden de onbeweeglijke gestalten der wachters, die tuurden naar alle richtingen, of er ook gevaar dreigde. Om het kasteel boog eene breede slotgracht, de brug was opgehaald en de groote hoofdpoort gesloten. Op de hoogste toren wapperde een standaard, bewogen door den morgenwind; hieruit viel af te leiden, dat het slot bewoond was.


Van Waleweins ontvangst in het vreemde ridderslot. Met verbazing staarde Walewein naar dit plots verschenen beeld. Aanvankelijk kon hij niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar toen hij de gedaanten op den slotmuur zag heen en weer bewegen, begreep hij, dat inderdaad zijne bede verhoord was. In dankbare ontroering viel hij op de knieën neer en stortte zijn hart uit in een vurig dankgebed. Daarna besteeg hij zijn paard en stuurde het in de richting der slotpoort. Aan den rand der slotgracht gekomen, riep hij met luider stem den poortwachter toe en gebood hem zijn meester te verzoeken, of hij een zwervend ridder eenige dagen huisvesting wilde verschaffen. Met groote bereidwilligheid gaf de aangesprokene aan zijn wensch gehoor en verdween uit het gezicht, om na korten tijd opnieuw te verschijnen, gevolgd door eene schaar van ridders en knechten. Toen de poort was geopend en de zware ophaalbrug was neergelaten, stroomden deze allen naar buiten en begroetten Walewein op eerbiedige wijze. Eenigen van hen vielen op de knieën neer en heetten hem uit naam van hun heer welkom in het kasteel, anderen namen zijn paard bij de teugels en voerden het over de brug, waar opnieuw eenige ridders gereed stonden om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn. Toen namen de knechten zijn paard van hem over en leidden het weg met de belofte, het goed te zullen verzorgen. Een van de ridders kwam op Heer Walewein toe en verzocht den held op hoffelijken toon, hem te volgen. Daarop geleidde hij hem over het breede slotplein, het kasteel binnen. Weldra kwamen zij in een ruim vertrek; de muren waren behangen met warmgetinte bekleedsels, jachttafereelen voorstellend. Op den grond lagen zware tapijten, die hunne voetstappen dempten en aan beide zijden der zaal brandde een groot vuur onder een zwaar gebeeldhouwden schoorsteen. Om één dier vuren stond een groep ridders verzameld, die zich bij het openen der deur haastig omwendden. Eén van hen trad eenige stappen naar voren, stak Walewein beide handen toe en zeide met diepe stem: “Wees welkom, edele heer, in mijne woning!” Hij, die deze woorden sprak, had een lang, forsch figuur; zijn gelaat met de fonkelende oogen was frisch getint, als van iemand, die zich veel in de open lucht beweegt, een lange blonde baard golfde hem over de borst en zijne hand omsloot die van Walewein als een ijzeren greep. In antwoord op Waleweins verzoek om eenige dagen huisvesting, gaf de slotheer hem ten antwoord, dat hij het zich tot eene eer rekende, zulk een edel ridder zijn gast te mogen noemen en dat zijne woning te allen tijde en voor zoolang hij dit wenschte, voor hem open stond. Daarop beval hij een der aanwezige ridders om zijn gast naar een vertrek te brengen, waar hij zich van zijne zware wapenrusting kon ontdoen. De ridder voerde Walewein thans naar eene kamer in een anderen vleugel van het kasteel, waar twee pages gereed stonden om hem te ontvangen. Als in een droom liet onze held toe, dat zij hem ontdeden van wapenrusting en helm. Daarna bracht men hem welriekend water en zachte linnen doeken om zich te wasschen en ten slotte kwamen de pages aandragen met zijden kleederen, die hem als aan het lichaam gegoten zaten. Toen zij hem eindelijk den rijk geborduurden riddermantel omhingen, was er in heel Brittannië geen schooner, mannelijker gestalte denkbaar dan Heer Walewein, zooals hij met opgeheven hoofd en de baret met de wuivende veer in de hand, opnieuw het vertrek binnentrad, waar de heer van het slot zich bevond. Deze kwam hem met eenige vriendelijke welkomstwoorden tegemoet en geleidde hem naar eene gedekte tafel, die ter zijde van den schouw voor den vreemden gast was aangericht. Met een gevoel van welbehagen zette Walewein zich aan den disch en liet zich de keur van gerechten goed smaken. Met lange teugen dronk hij den fonkelrooden wijn, die hem als vuur door de aderen vloeide en de overgang tusschen de koude en ontberingen daar buiten en deze feestelijke ontvangst in het verwarmde slot deden zijne oogen schitteren van een nieuwen levenslust. Toen hij gegeten en gedronken had, verzocht zijn gastheer hem plaats te nemen op een hoogen zetel. Hij zelf ging tegenover hem zitten en vroeg toen zijn gast in de hoffelijkste bewoordingen hem te zeggen, wie hij was.

Walewein sprak als volgt: “Mijn naam is Walewein en de vorst, dien ik dien is Arthur, hij, die de Ronde Tafel heeft ingesteld tot bevordering van den bloei der ridderschap”.

Alle aanwezigen hoorden verheugd op bij het vernemen van des vreemdelings naam en herkomst, want de roem van zijne dapperheid was wijd en zijd verspreid. Vol blijdschap riepen zij uit: “Meer nog dan anders zij deze dag gezegend, nu hij dezen held in ons midden brengt, die onze schreden kan geleiden op het pad van fijne beschaving en hoofsche gebruiken! Wees welkom, Heer Walewein! gij die de edelste onder de edelen genoemd moogt worden!”

Toen de avond begon te vallen, begaven allen zich naar de slotkapel, om de heilige Kerstmis bij te wonen. Het was een gewemel van bonte kleuren in het ruime kerkgebouw, dat verlicht werd door honderden kaarsen. De heer van het kasteel verzocht zijn gast om in zijne bank plaats te nemen. Eerbiedig boog deze het hoofd in de handen alvorens te gaan zitten en prevelde een innig dankgebed aan de Moeder Gods, die hem uit zoo grooten nood bevrijd had. De oogen opslaand zag hij, hoe in de bank tegenover hem twee vrouwen hadden plaats genomen. Eene van haar was oud en gebogen, hare haren waren vergrijsd aan de slapen en de vingers, waarmede ze het gebedenboek omknelde, beefden. Toch lichtten hare oogen scherp en boosaardig, wanneer zij haren blik liet gaan over de geknielde menigte en eene valsche grijns trok om haar tandeloozen mond. Naast haar zat de schoonste vrouw, die Walewein ooit gezien had. In het warme kaarslicht vonkten haar oogen met een betooverenden glans, haar gelaat en hals waren niet minder blank dan de sneeuwwitte halsdoek, dien zij droeg, en in de kroon van vlechten op haar hoofd straalden en flikkerden de diamanten bij elke beweging. Het scheen den held toe of zij in schoonheid zelfs koningin Ginevra overtrof en toch kende hij voordien gene, van wie dit met waarheid gezegd kon worden. Na één blik op hem geworpen te hebben, scheen de bekoorlijke vrouwe slechts aandacht te hebben voor den plechtigen dienst, maar Waleweins oogen zwierven telkens naar de overzijde, waar zij zat.

Na afloop traden de beide vrouwen op den slotheer toe, die zijn gast aan haar bekend maakte, en Walewein bemerkte, dat de schoone vrouw de echtgenoote van den burchtgraaf was. Eerbiedig viel hij voor haar op de knie en drukte hare hand aan zijne lippen.

Vervolgens begaf het gansche gezelschap zich naar een ander vertrek, waar bekers met gekruiden wijn werden rondgediend. De stemming werd gaandeweg vroolijker. Schertsend en lachend zat men in een wijden kring om het vlammend vuur, nu en dan werd een lied aangeheven en door allen uit volle borst meegezongen, dan weer vertelde een der aanwezigen van een vreemd avontuur, dat hem was overkomen of van een dollen streek dien hij in zijne jonge jaren had uitgehaald. Dan schalde het lachen door de zaal en de verteller moest zich verdedigen tegen een kruisvuur van nieuwsgierige vragen en plagerijen. Tegen middernacht ging men uiteen en Walewein werd naar zijn slaapvertrek geleid, waar een donzen rustbed hem tot slapen noodde.

Den volgenden morgen heerschte de Kerstvreugde opnieuw in het kasteel. Langs de met groen omkranste trappen daalden de gasten omlaag om gezamenlijk het noenmaal te nuttigen. Den ganschen dag bleef men in huis, daar de barre koude weinig tot uitgaan lokte, maar de uren vlogen om. De slotheer bleef steeds in de nabijheid der oude, gerimpelde vrouw, die Walewein in de kapel bemerkt had, op gedempten toon spraken zij met elkaar en schenen gewichtige zaken te verhandelen. Aan Walewein werd eene plaats toegewezen aan de zijde der jonge slotvrouwe en ook zij vonden elkander genoeg te zeggen. Op haar aandringen vertelde hij haar zijn levensloop en beschreef de avonturen, die hij beleefd had en de vreemde landen, die hij gezien had. En al hield hij daarbij steeds zijne eigen persoonlijkheid angstvallig op den achtergrond, toch kon het niet anders of het moest haar blijken welk een dapper held daar aan hare zijde zat. Hare oogen straalden van bewondering en steeds meer wilde zij weten, altijd meer! Ook over de vrouwen, die hij had liefgehad, verlangde zij te hooren en toen hij lachend zwoer, dat zijn hart aan zijn vorst behoorde en aan niemand anders, weigerde zij hem te gelooven. Onder haar lokkend oogenspel en de onmiddellijke nabijheid harer bloeiende schoonheid voelde Walewein zijn hart warm worden. Zijn bloed klopte met feller slag in zijne slapen en steeds dieper boorden zijne oogen in die zijner schoone gastvrouw.

Zoo verliepen de Kerstdagen in een roes van feestgedruisch. Toen zij verstreken waren, maakten de talrijke gasten in het slot zich gereed om te vertrekken. Ook Walewein begaf zich naar zijn gastheer om afscheid van hem te nemen en hem te danken voor zijn gastvrij onthaal, maar deze wilde van geen afscheid weten. Den held terzijde nemend betuigde hij hem, hoe trotsch en verheugd het verblijf in zijn kasteel van zulk een beroemd man als Heer Walewein hem gemaakt had en verzocht hem ten slotte om hem nog eenige dagen langer het genoegen van zijn gezelschap te schenken. Walewein echter verzekerde zijn gastheer met de meeste beslistheid, dat dit onmogelijk was, wilde hij niet in de verplichtingen, die hij op zich genomen had, te kort schieten en op de verwonderde vraag van den ridder, welke dan die dringende verplichtingen waren, vertelde hij hem het avontuur met den groenen ridder en zwoer, dat hij liever sterven zou dan te verzuimen, op tijd bij de groene kapel te zijn. Toen hij uitgesproken had, barstte zijn gastheer in luid lachen uit. “Voorwaar, gij kondt het niet beter getroffen hebben!” riep hij uit, “want de groene kapel, die gij zoo ijverig zoekt, is slechts twee mijlen van hier verwijderd en ikzelf zal een mijner dienaren gelasten u er heen te geleiden, wanneer de afgesproken tijd is aangebroken. Tot zoolang echter moet ge mijn gast zijn en de laatste dagen van het jaar benutten om uwe krachten te verzamelen voor den komenden strijd.” Met beide handen nam Walewein dit gastvrij aanbod aan. Nu het doel van zijne reis zoo nabij bleek te zijn, kon hij zich met een gerust hart overgeven aan het genot van dit gezellig samenzijn—het laatste misschien, dat hem op aarde ten deel zou vallen. Met volle teugen wilde hij daarom nog eenmaal genieten! en zijn stem klonk nog helderder, zijn stap was nog fierder dan gewoonlijk, toen hij zich tot zijne gastvrouw wendde om ook haar zijnen dank te betuigen voor de vriendelijke uitnoodiging. Maar de heer van het kasteel vroeg opnieuw zijne aandacht. “Waarde vriend”, sprak hij, “want zoo mag ik u immers wel noemen, sta mij één verzoek toe, wat ik u bidden mag!” “Spreek, gij hebt slechts te bevelen”, antwoordde Walewein. “Welnu dan”, hernam de ander, “beloof mij, dat gij in de eerstvolgende dagen gedurende de vroegmis het bed zult houden, opdat gij geheel versterkt en uitgerust den tocht naar de groene kapel zult kunnen ondernemen. Gij kunt u dan na afloop van den dienst met mijne gemalin aan tafel begeven en haar den verderen dag gezelschap houden tot mijne thuiskomst. Ik zelf zal mij namelijk ’s morgens op jacht begeven en het wild, dat ik als jachtbuit huiswaarts breng, is voor u, op voorwaarde dat, wat gij in den loop van den dag als buit zult behalen, aan mij wordt afgestaan. Wat dunkt u hiervan?” Walewein lachte vroolijk. “Mij dunkt dat dit voor mij eene alleszins voordeelige afspraak is!” riep hij uit, “en gaarne neem ik haar aan!” Daarop brachten de dienaren van den ridder twee bekers met schuimenden wijn en werd de overeenkomst door den gebruikelijken dronk bekrachtigd. Toen ging men onder scherts en gelach voor den nacht uiteen.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag heerschte er reeds eene bedrijvige drukte in de omgeving van het kasteel. In de grijze morgenschemering kon men op het voorplein slechts vaag de gestalten onderscheiden van de schildknapen en de stalknechts, die haastig heen en weer liepen om alles voor de jacht in gereedheid te brengen. De paarden werden gezadeld en stampten ongeduldig op den leemen vloer der stallen. Bij de hondenhokken waren de dienaren van den graaf bezig den dieren hun ochtendmaal toe te dienen en deze verdrongen zich voor de hekken om het voedsel machtig te worden. Gretig hapten en snapten zij naar de groote stukken rauw vleesch, die de knechten hun vóórhielden en trachtten elkander de lekkerste beten afhandig te maken. Hun keffend geblaf vervulde de lucht en gulzig slokten zij het eten naar binnen.


Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging. Nog vóór de dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den reuk van het wild afgingen.

Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden, de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel van het edele wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen, de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak.

Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen.

Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van het slot werden wijd geopend om het gezelschap binnen te laten en met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet.

Wat was er nu dien dag met Walewein geschied?

Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap, maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had, steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek, maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn.

Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met zijne bezoekster ronduit te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog, maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend: “Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper, dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene en laat ik u niet meer vrij!”

“Goeden morgen, schoone Vrouwe”, antwoordde Walewein, “ik geef mij onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen.” De gravin schudde lachend het hoofd. “Neen, edele heer,” sprak zij, “mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur, die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te zeggen. Handel met mij naar verkiezen!”

“Vrouwe”, sprak Walewein, “ik ben onwaardig, om zulke woorden van u te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!”

“Heb dank”, antwoordde zij, “voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden verkiezen boven al het goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen te vervullen.”

Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend: “Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander, maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!”

“Waarom twijfelt gij daaraan?” vroeg de held haastig, bevreesd dat hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: “Mij dunkt, dat een ridder als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken, niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben, zonder haar om een kus te verzoeken!” “Wanneer ik wist, dat ge mij die schenken zoudt”, antwoordde de held, “zou ik niet aarzelen u er om te vragen!” Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug, boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende oogenblik was zij verdwenen.

Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop sprong hij het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke verhalen wist te vermaken.

Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen wildstapel en sprak: “Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?”

Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak: “Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag.” Daarop boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. “Uw geschenk is wel van gansch anderen aard als het mijne!” riep de graaf vroolijk uit, “maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!” Walewein echter schudde het hoofd. “Dat was niet in onze afspraak begrepen”, zeide hij lachend, “en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze overeenkomst niet!”

Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne afspraak voor den volgenden dag.


Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te vangen. Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen.

De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind, zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los, over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den dollen wedloop, dat het plotseling stand hield om daarna met zijne scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit, dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf, die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde, schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen, stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien, of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts.

Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein zijn schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede, tot plotseling—hoor! daar drong het geluid van eene deur, die openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed.

Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak:

“Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?”

“Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren”, herhaalde de ridder verbaasd, “wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag, want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!”

Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de oogen en zeide: “Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die les gansch niet meer herinnert.”

Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: “Schoone Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!” “Eene weigering”, antwoordde zij lachend, “en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?” “Gij spreekt waarheid, edele Vrouwe,” hervatte Walewein, “zeer zeker zou ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift, die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is, wil ik u kussen.”

Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon met elkander spraken.”

“Hoe komt het toch”, sprak zij na eenigen tijd, “dat gij, die zoo jong en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde, mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen.”

Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden, waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart, die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij, Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste het hem voorwaar aan andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen.

Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar recht in de oogen en sprak ernstig: “God is mijn getuige, dat ik niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u, houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in alle andere dingen mogen dienen.” De gravin, die inzag dat zij ook ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast onderhouden had, verliet zij het vertrek.

In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen, in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den uitroep: “Ziehier mijn buit!” Daarop verzocht hij den graaf hem de lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held, dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die, welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid en behendigheid van de jagers.

Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd gereed was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij alle eer bewezen. ’s Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er niets van hooren!

“De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van hier”, sprak hij. “Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!”

Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd.

De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan, dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos, als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te verminderen snelde hij door het struikgewas, over oneffenheden in den bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting, die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde, maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en, den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en voerde men deze als zegeteeken mee naar huis.

In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers af. ’s Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen, droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke gedaante het vertrek binnen.

De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder, die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den mond, zeggend:

“Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen tocht gaat ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!”

Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide: “Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst, die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!”

“Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt betoonen,” sprak de gravin, “en die kan ik u niet zeggen, gijzelve moet die raden!”

Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte, het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte.

“Zeg mij, Heer Walewein”, sprak de gravin, “of gij op aarde eene liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo ja, noem mij haar dan eerlijk!” “Op mijn woord, schoone vrouwe, antwoordde Walewein, “in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen”.

Zuchtend boog de gravin het hoofd.

“Welnu dan”, sprak zij, “indien wij werkelijk scheiden moeten, geef mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, zij het slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in uwe afwezigheid.”

“Helaas”, antwoordde de ridder, “wat zal ik u geven? Bij het aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij, biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?”

“Bekommer u niet langer over mijne vraag”, antwoordde de gravin, “ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering aan uw verblijf te mijnent?” Maar Walewein schudde afwijzend het hoofd. “Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder u daar mijnerzijds iets voor terug te geven,” sprak hij. “Vergeef mij, indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw geschenk mij geen genoegen doen!” “Het zij zoo”, antwoordde de gravin, “en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent, hoedanigheden van onschatbare waarde!” Onder het spreken had zij haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield, werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige, doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon dan te voren: “Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!”


Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg. Walewein dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen, een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: “Zulk een geschenk en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd, dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken.”

Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust.

De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap van de jacht terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den groenen gordel werd echter met geen woord gerept.

De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij, zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen.

Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen, waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne gedachten in de toekomst liet gaan, rees voor zijne verbeelding het sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond.

Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in ’t niet zonk tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter wereld den strijd hadden moeten opgeven?

Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten, waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem verder dan enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg, de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast, maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn.

De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak.

Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: “Edele heer, wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong, rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren, indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!” Walewein echter schudde lachend het hoofd: “Heb dank, beste vriend, voor uwe goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, getrouw aan mijne belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden.” “Het zij zoo”, hervatte de schildknaap, “gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen, rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de groene kapel ontdekken. Vaarwel!”


Walewein komt bij de groene kapel.

Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem, maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af.

Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras, nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het geheel maakte zoo’n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan haastig een kruis sloeg en uitriep: “Eene geschikte plaats voor den groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!”

Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af, de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: “Goeden dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!”

De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide:

“Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven, dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals te ontblooten.”

Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde, stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: “Schaam u, Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen, heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der onversaagdste ridders van het land.”

Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig stilzwijgen sprak hij: “Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!” “Welnu dan,” antwoordde de groene ridder, “uw wensch worde vervuld!” Onder het zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte, hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein: “Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven zweeft!” Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe oponthoud en sprak heftig: “Draal niet langer, heer! maar breng mij den slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!”

“Ziehier dan!” riep de groene ridder met donderende stem en nog eens hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel, maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: “Tot hiertoe en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak, zich de tranen van ’t lachen uit de oogen wisschend: “Houd het mij ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel, maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk, dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen, daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken, uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij, dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is verre van hem.”

Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard, inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan?

De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem toe. “Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder reden,” sprak hij, “maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt, kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die, zoo zegt men, bij den grooten Merlijn in de leer is geweest. Zij was het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin, koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta, vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw, in wier gezelschap gij mijne gemalin voor ’t eerst begroettet. Toen zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven, die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen, die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen, die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw zwijgen slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud, die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts, u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren.”

Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, waarmede Walewein naar de woorden van den groenen ridder geluisterd had. Gevoelens van schaamte, vernedering, toorn en gekrenkten hoogmoed streden met elkaar om den voorrang in zijn gemoed, maar het gevoel van schaamte en bittere vernedering was sterker dan alle andere en toen Bernlak de Hautdesert gedaan had met spreken, barstte hij los in een stroom van hevig zelfverwijt. “Vervloekt zijn lafheid en begeerigheid,” riep hij uit, “want die zijn de bron van alle kwaad!” Daarop gespte hij zijn harnas los, wond den groenen gordel van zijn middel en wierp dien den ridder toe onder het uiten van heftige verwenschingen. De laatste echter sprak: “Gij maakt u zelven ten onrechte een verwijt van wat geschied is en bovendien is een mensch, die zoo openhartig als gij zijne fouten erkent, in mijne oogen even rein van hart als een die nooit gezondigd heeft. Wat den gordel aangaat, zoo zou ik u willen verzoeken, dien van mij aan te nemen als herinnering aan uw avontuur bij de groene kapel. Behoud hem dus en laat ons thans huiswaarts keeren, waar men onze terugkomst met verlangen tegemoet ziet.”

Walewein schudde het hoofd en terwijl hij zich opnieuw de groene zijde om de heupen wikkelde, sprak hij ernstig: “Uw geschenk wil ik gaarne aanvaarden als eene herinnering aan onze kennismaking en eene waarschuwing om mij niet opnieuw door schoone vrouwenoogen tot lafheid en eerverzuim te doen brengen. Wanneer de trots om eene volbrachte heldendaad mij dreigt te overmeesteren, zal een enkele blik op dezen gordel mij tot een helderder besef mijner tekortkomingen terugbrengen. Aan uwe vriendelijke uitnoodiging om met u naar uw kasteel terug te keeren, kan ik echter geen gehoor geven. Mijn weg voert thans naar Camelot, waar mijn vorst mij wacht en in spanning den uitslag van mijn avontuur verbeidt. Vaarwel dus en heb dank voor de les, die ge mij gegeven hebt.”

Hierop scheidden de beide ridders en reden in tegenovergestelde richtingen heen. Bernlak de Hautdesert keerde terug naar zijn kasteel en Walewein vond met veel moeite den weg, dien hij gekomen was en die hem na wekenlange omzwervingen weer naar Camelot terugvoerde.


Van Waleweins terugkeer aan het hof van koning Arthur. Tegen het einde van Februari, op een zoelen namiddag, terwijl het landschap om hem heen reeds de eerste sporen vertoonde van het naderend voorjaar, zag hij de trotsche torens van Arthurs paleis tegen den gezichtseinder oprijzen. Met een gevoel van innige dankbaarheid blikte onze held om zich heen. Hoe verschilde de stemming, waarin hij zich thans bevond, van die, waarin hij eenige maanden te voren door de hem welbekende streek gereden was. Toen had hij zich gevoeld als een ten doode opgeschrevene en de natuur om hem heen had met hem mede gerouwd onder haar grijze sluiers van mist en regen. Thans echter keerde hij behouden en wel uit zijne gevaarlijke onderneming huiswaarts, zijn woord had hij gehouden en toch leefde hij! Al brandde de groene gordel hem als vuur om de leden, wanneer hij dacht aan het oogenblik, waarop de groene ridder hem zijne geheimhouding daarover verweet—toch waren zulke gedachten niet bij machte om de vreugde over zijne behouden thuiskomst uit zijne ziel te verbannen. Het scheen hem toe, alsof hij een weerklank van die vreugde vond in de ontwakende natuur om zich heen. Het zingen der vogels, het ruischen van den wind door de boomen, waar de knoppen zwollen, het klaterend geluid der beekjes, die, gevoed door de smeltende sneeuw, van de heuvels stroomden, het scheen hem of het zoo vele stemmen waren, die met hem juichten over zijne wonderbaarlijke redding en hem in herinnering brachten, wat al schoons en heerlijks hem nog in zijn jonge leven te wachten stond!

In opgeruimde stemming bereikte hij het paleis en niet zoodra was het bericht van zijne thuiskomst in de zalen doorgedrongen, of van alle zijden stroomden de ridders tezamen om hun vriend, dien zij verloren waanden, te begroeten. In een oogwenk zag Walewein zich omringd door lachende gezichten en elkander verdringende gestalten, vroolijke uitroepen en blij gelach vervulden de lucht en getuigden, hoezeer hij bij allen aan het hof geëerd en bemind was.

Toen de eerste vreugde van het wederzien bedaard was, namen de ridders onzen held in hun midden en voerden hem zegevierend naar binnen, waar in de groote slotzaal koning Arthur hem wachtte. Diep ontroerd omhelsde de vorst zijn neef, dien hij als een zoon liefhad, en verzocht hem toen aan zijne zijde plaats te nemen en hem verslag te doen van zijn wedervaren.

Walewein gaf gehoor aan zijn verzoek en verhaalde zonder omwegen, wat er sinds den dag van zijn vertrek met hem gebeurd was. Daarbij spaarde hij zichzelf niet, ook de lotgevallen in het kasteel, de gesprekken met zijne schoone gastvrouw en de gevoelens, die gedreigd hadden hem daarbij te overmeesteren, deelde hij mede aan zijn aandachtig luisterend gehoor. Wel brandden zijne wangen van schaamte, toen hij het voorval met den gordel vermeldde, maar hij hield zijne oogen vast gericht op het gelaat van zijn vorst en verzweeg niets. Toen hij aan het einde van zijn verhaal was gekomen, haalde hij van onder zijne kleederen den gordel te voorschijn en toonde hem aan den koning. Deze nam hem aan, bezag hem langen tijd en sprak toen ernstig: “Mijn zoon! Hij, die zijne fouten bekent als een waar en eerlijk man, is waard dat zij hem vergeven worden. Zoo zij het ook met u! Moogt gij ook al gezondigd hebben uit zucht tot zelfbehoud, zoo hebt gij uw verzuim eerlijk opgebiecht en daarom is het overbodig, u er verder voor te straffen. Daar het echter voor elk mensch nuttig is, om aan zijne fouten herinnerd te worden, zoo stel ik voor, dat allen, die hier aanwezig zijn, een groenen gordel zullen dragen, die hen moge behoeden voor verkeerde neigingen. Wanneer een hunner dan te eeniger tijd de eischen van eer en ridderlijkheid uit het oog dreigt te verliezen, dan zal een blik op den gordel hem uw avontuur in herinnering roepen en hij zal de kwade ingevingen van lafheid en begeerigheid geen gehoor schenken. Zoo zal uw voorbeeld hun een les zijn en hun ten slotte ten zegen strekken.”

Het geschiedde gelijk de koning bevolen had. Van dat oogenblik af droegen alle ridders der Ronde Tafel, die Waleweins verhaal hadden aangehoord, een groen zijden gordel en zóózeer spoorde deze hen aan tot het bestrijden van alle onridderlijke eigenschappen dat de ridders van den groenen gordel weldra bekend stonden als de beste en edelste der Christenheid. Zoo werd de groene gordel spoedig beschouwd als een eereteeken en zij, die hem droegen, werden geëerd en geroemd als geen anderen. Onder hen was er echter één, die, zoo zeide men, meer dan alle overige ridders deze onderscheiding verdiende, en dat was Heer Walewein.



INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

Inhoudsopgave


De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den Arthur-cyclus. Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden, toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element, anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke werk zich heeft schuldig gemaakt.

En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor wie heeft geleerd den held—want er is feitelijk slechts één hoofdpersoon: Balin—naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en tekortkomingen—misschien juist ter wille van deze—bevat het tragische verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons, dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders, die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.

Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet, dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt, en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne zaak verloren.

Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk, slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was, door elkanders hand sterven.

Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?

Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld, de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat—zooals wij lezen—hem geen ander wapen ter verdediging overblijft.

Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op, welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.

Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.

De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot beheerschen en hem ten val brengen.1

Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote sprongen voort te bewegen.

Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze, waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold, offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin, op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van eene somtijds ontroerende schoonheid.

Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier vermeld, dat John Rhys in zijn “Studies in the Arthurian Legend” tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het derde boek van Geoffrey of Monmouth’s “Historia Regum Brittanniae” verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen, die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het tweede boek van zijne “Morte d’ Arthur”, dat waarschijnlijk in 1469 geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd, eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel die, welke onder den titel van “Merlin” is bewaard gebleven in een handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den algemeen bekenden “Merlin” van Robert de Borron, wordt hij veelal aangeduid met den naam: “Suite de Merlin”.

In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage, één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman, getiteld: “El baladro del Sabio Merlin”, die in 1498 te Burgos gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te Toledo verscheen onder den titel: “Demanda del sancto Grial con les maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo.”

Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in den dichtbundel “Tiresias and other Poems”, een gedicht, dat onder den titel “Balin and Balan” aan den kring van Tennyson’s Koningsidyllen werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk van Thomas Malory, maar—dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te worden—wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde voeren van de allegorie in zijn werk.

Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles Swinburne in zijn “Tale of Balen”, dat in 1896 verscheen. Zijne bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed, den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en waartegen niet te strijden valt.

Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent tot deze aanpassing aan Swinburne’s levensopvatting en dat het wezen der sage er niet door geschaad wordt.

De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de “Morte d’Arthur” van Thomas Malory.


1 Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit vóór-Christelijke tijden.

DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.

Inhoudsopgave

....“two brethren of Northumberland,

in life and death good knights.”

(Swinburne: “The Tale of Balen.”)


Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe de eerste tot ballingschap veroordeeld werd. Onder de ridders van koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder, vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht, hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur, trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te laten meesleepen door zijne booze driften.

Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!

Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.

Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden onder ’s konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het, of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning, die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen, waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente, en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in de velden bij Camelot. ’s Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof, die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten, die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht, schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.


Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw. Eens op een dag, toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij: “Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken, mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te vinden!” Daarop antwoordde de koning trotsch: “Indien gij een ridder zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen, want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!” Nadat hij deze woorden gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard, dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht, tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.

Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen aan hare zijde vastgeklonken.

Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon: “Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!”

Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal, vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders, die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu—na dezen wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst—voelde hij plotseling dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten, hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: “Wat nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp, vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over aan uwe meerderen!” “Schoone jonkvrouw”, antwoordde Balin, “meerdere waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen.”

Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: “Heer koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven, waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!” Maar vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend tusschenbeide en sprak tot Balin: “Heer ridder! groot is mijn dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag, geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal u ongeluk aanbrengen—geloof mij—ik smeek er u om!” Maar wat zij ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van het noodlot het hoofd te bieden. “Geef mij het zwaard terug,” smeekte de jonkvrouw nog eens, “het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag, want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het te laat is!” Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet afstaan. “Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal,” zoo sprak hij ernstig, “dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand.”

Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor zijn vertrek.


Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde. Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar, die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had, toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: “Sire! gij herinnert u, hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken heb?” “Ik herinner het mij zeer goed”, antwoordde de koning, “en zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne macht ligt.” “Welnu dan”, hernam zij, “ik vraag van u het hoofd der jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den ridder die haar bevrijdde.” Het gelaat van den koning betrok. “Dat kan ik u niet geven”, sprak hij, “elken anderen eisch, dien gij mij stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen.” Maar de Meervrouwe schudde het hoofd. “Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik,” sprak zij, “dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het aan uwe eer verplicht.” Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd, dat hij ten slotte uitriep: “Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!” en met een enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.

Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame en nog wel ééne, die onder ’s Konings hooge bescherming stond, onder zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: “Heer Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u door mijne daden te bewijzen!”

Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem: “Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld vergeven.” Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder, de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was, gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht en de hoop van ’s konings vijand te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien—de zon scheen zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.


Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen. Eenige uren nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden de geruchten van Balin’s heldendaden, die zelfs tot aan het hof van zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak: “Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan, op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen, zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!”

De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt, gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar, tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen, zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was, zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden, “want”, zoo voegde hij aan zijne woorden toe, “hij, die het zwaard uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven.”


De geliefde van Prins Launceor verwijt Balin haar minnaar gedood te hebben.

Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien hij zocht en wat zijn verlangen was. “Wat mijn verlangen is?” riep Launceor spottend: “dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht op leven en dood!”

“Zoo zij het!” sprak Balin, “al gevoel ik geen berouw over wat ik deed, toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!” Met gevelde lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde, de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan, zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde, stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven, tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen.

Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu, zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee gelieven. Maar Balan troostte hem: “Wat gij deedt, deedt gij omdat ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht, naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw goeden naam bij koning Arthur herstellen.”

Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen, hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: “Helaas! wat hebt gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe, teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!” Toen Balin hem antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: “Desalniettemin zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw gedompeld worden.” “Helaas”, riep Balin uit, “indien uwe voorspelling waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats van Launceor!” Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde dit naast het zijne aan zijnen gordel.

Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden, kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. “Waar voert uw weg heen, edele heeren?” zeide hij met bevende stem. “Wie zijt gij en waarom vraagt gij ons dit?” was het antwoord. “Wie ik ben, kan ik u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven, want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience van Wallis te zoeken en hem te dooden.” “Indien gij dat weet,” sprak Balin, “kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden.”

“Welnu dan,” sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, “luistert! Gij zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde, de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem dooden.” De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.

Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud, dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen, sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus gekneveld herwaarts had gevoerd. “Sire”, antwoordde koning Rience, “ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden.”

“De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder”, herhaalde de koning, “die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders zijn geweest!” “Sire”, sprak toen Merlijn, “vergun mij, dat ik u hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben, om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven, want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero, den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!”

En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters, dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van ’t gevecht, op de gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: “Zoo ik u om een dienst mag verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij.”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ekim 2024
Hacim:
717 s. 96 illüstrasyon
ISBN:
4064066310882
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar