Kitabı oku: «Kinderen uit m'n klas»

Yazı tipi:

P. J. Cohen de Vries

Kinderen uit m'n klas


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400644

Inhoudsopgave

CHRIS.

LIESBETH.

PIET.

ELSJE.

ARIE BOMBARIE.

MIENTJE.

't PRINSJE.

TRUI.

JOPIE.

DE MEIJERTJES.

STEVEN.

IMMETJE.

GAASSIE.

JUUDJE.

JAN.

ENGELIENTJE.

JASSIE.

CHRIS.

Inhoudsopgave

De bel gaat. 't Is negen uur.

Gehoorzaam trekken m'n paardjes aan; de wagen rolt kalm in 't zelfde spoor van alle dagen, de les is begonnen.

Daar gaat de deur open. Het Hoofd komt binnen, met een nieuwen jongen.

Lieve hemel! denk ik. Dat wordt No. 40. De klas is al zoo vol! En toch al zooveel jongens!

Met één oogopslag zie ik, dat hij groot en forsch is. „Misschien komt hij maar op proef en kan een klas hooger geplaatst worden,” is mijn laatste troost.

„Juffrouw,” begint het Hoofd, „hier kom ik u een nieuwen leerling brengen; die wil graag in deze klas komen!”

M'n nieuwe leerling en ik bekijken elkaar.

„Hoe heet je?” vraag ik.

„Chris Manders.”

„En hoe oud ben je?”

Hij is een jaar ouder dan de norm van m'n klas. Toch ziet hij er niet dom uit, of achterlijk. Ook heeft hij niet het verlegene en stugge van de zittenblijvers. Hij kijkt me zelfs vriendelijk aan, uit een paar diepblauwe oogen. Maar 't gezicht heeft iets onkinderlijks, iets vroeg-wijs. 'k Geloof, dat het voornamelijk zit in den trek om den mond.

Ondertusschen heeft hij mij met evenveel aandacht opgenomen, als ik hem. Maar nu schijnt hij met zijn onderzoek gereed. Hij kijkt eerst eens door 't raam en monstert dan de klas, d.w.z. alleen de jongensrijen.

„'t Is een kleine zwerver,” fluistert 't Hoofd achter de leerplichtkaart, die hij in de hand heeft. „Eenig kind van een weduwe met nieuwe trouwplannen. Nu is de jongen natuurlijk te veel. Hij is de laatste maanden bij zijn grootmoeder, een door en door fatsoenlijke vrouw. Ze heeft hem zoo pas zelf gebracht. Hij komt van school No.... uit de .... straat. Maar daar draaide hij geregeld stukjes. 't Gewone liedje hé, geen toezicht thuis! En 't was voor dat mensch, dat zelf nog uit werken gaat, te ver, om hem geregeld te brengen. Daarom heeft ze overplaatsing gevraagd en nu is ze vol moed, dat 't hier beter zal gaan. Ze woont hier vlak bij, en wil hem elken morgen brengen.”

Ik zucht even. 'k Heb meer ervaring op dat gebied. Maar enfin, we zullen 't met Chris moeten probeeren.

't Hoofd, heeft zijn taak volbracht en laat den nieuweling bij mij achter. En ik zoek met nauwgezetheid een plaats voor hem in de volle klas.

Neen, niet op de achterste rij; ook niet naast Jantje Kroeze, dat gaat geen twee dagen goed. Vooraan dan maar? Nee, die bank is te klein voor hem, en daar zit hij ook de kleinere jongens achter hem in den weg. Ten slotte vind ik toch een schikking, die me zoowat bevredigt.

En dan kan eindelijk de wagen weer voortrollen.

Natuurlijk heeft de nieuwe leerling dien morgen m'n volle aandacht. 't Begint ten minste goed: hij valt als een wolf op zijn sommen aan. Rekenen kan hij gelukkig; maar als ik hem moeilijker werk geef, blijkt het, dat hij toch niet in een hoogere klas past. In godsnaam, dan moet hij maar hier blijven.

Als de bel gaat voor 't speelkwartier, regent het, dat het giet. Dat wordt dus binnen blijven.

„Krijg je leien maar, dan mag je wat gaan teekenen.”

Vijf minuten later kijk ik eens over de gebogen hoofden heen. Mijn troepje is vol animo bezig. Sommigen zitten met het ernstigste gezicht te teekenen; 't voorhoofd in rimpels getrokken, den mond half open, 't puntje van hun tong er even uit; anderen krassen maar wat, of maken de teekening die op 't bord staat nog maar eens na. Zelfs zijn er een paar, wier picturale aanleg zoo gering is, dat ze er de voorkeur aan geven, hun lei vol te krabbelen met tafels, of uit 't hoofd een versje over te schrijven.

Ik kijk eens naar Chris; hij zit te teekenen, of hij 't voor z'n brood doet, met een kleur van opwinding. Alle jongens om hem heen hangen over zijn lei, een en al aandacht. En al teekenend geeft hij de verklaring er gratis bij. 'k Word ook nieuwsgierig, drentel eens door de rijen, blijf achter hem staan.

„Da's Sinniklaas in se aautau”, legt hij den omstanders uit. „Nou gaat ie na de franse besar, om kedootjes foor de soete kindere te koope. En Pietermeknecht is sjefeur. En nou benne se dr. Nou gaat Sinniklaas na binne en Piet blijft op de autau passe en jaagt de jonges weg, die dr an wille komme. En dan komt Sinniklaas weer na buite, en dan loopt er een fent achter 'm an met een heele mand fol pakkies, en dan mot Swarte Piet hellepe, om die mand bofe op de autau te sette; en dan rije se weer ferder.”

Hoe hij 't 'm levert, weet ik niet, ik zou 't hem heusch niet na kunnen doen, maar al de tafreeltjes staan op z'n lei. De jongens gapen het wonder aan, merken niet eens, dat ik er bij sta. Chris zelf blaakt van ambitie. Hij is nu aan een nieuwe serie begonnen:

„En nou sit Sinniklaas in se fliegmesjine, en swarte Piet sit dr naast met al de pakkies. En nou gane se strooie door de schoorsteene, en se gooie bij al de soete kindere wat in dr schoen. En nou staat hier een klein huisie en die jonge die wou nooit na school. En nou pakke se 'm uit se bed en nou mot-ie mee na Spanje. En nou sit-ie te griene in de sak.”

De „sak” wordt geteekend als een groote lus, zoodat je den zondaar er in kunt zien zitten „griene”. 't Is een miniatuur poppetje; een kat zou in een zak nog meer plaats innemen. Ook „zit” hij niet, maar zweeft met uitgespreide armen en beenen door de ruimte binnen in den zak. Maar wat hindert dat? De kinderen vinden 't allemaal even prachtig, en dat vind ik eigenlijk ook. Mijn nieuwe Chris heeft dus fantasie. En hij is sportief. De traditioneele schimmel bevredigt dit moderne stadskind niet meer.

„Sinniklaas in de fliegmesjine”, prachtig anachronisme. En in m'n eentje lachend loop ik verder door de rij.

Dien heelen eersten dag doet Chris zijn uiterste best. Het taallesje schrijft hij netjes, tot het laatste woord. Onder 't lezen let hij op en weet zijn beurt.

En als ik 's middags naar huis ga—hoe 't komt, weet ik zelf niet—misschien door zijn mooie helderblauwe kijkers, misschien door zijn „Sinniklaas in de autau”, misschien omdat zijn vader dood is en zijn moeder „wel van 'm af wil”, maar dan voel ik, dat die kleine zwerver al een plekje in mijn hart heeft veroverd.

't Gaat goed met m'n Chris, een heele week, twee heele weken. 't Schoolhoofd kijkt voldaan: Zie je, aan zijn school.... Ikzelf krijg er ook al een beetje moed op.

Tot op een goeien morgen zijn plaats leeg blijft. Maar de andere jongens verzekeren me, dat hij niet ziek is. Ze hebben hem gezien; hij hing achter aan de tram.

Dan krijg ik een bang vermoeden en laat het Hoofd waarschuwen. Die stuurt dadelijk een boodschap. Nee, zijn grootmoeder weet er niets van.

Dien heelen dag komt Chris niet boven water. Den volgenden ochtend brengt het Hoofd hem binnen, als de les al begonnen is. De jongen lijkt heelemaal ondersteboven. Hij drukt zich snikkend tegen den muur en daar staat hij met één arm voor zijn gezicht, terwijl je hem in zijn tranen wasschen kunt.

Het Hoofd houdt nog een lange boetpredikatie, die natuurlijk over zijn hoofd heen tot de klas gericht is. Dan mag hij naar zijn plaats gaan. Den geheelen ochtend gedraagt hij zich best en houdt hij een berouwvol gezicht. Na schooltijd laat ik hem even blijven.

„Waarom ben je nu eigenlijk van school weggebleven?” vraag ik.

Ik krijg een lang, onsamenhangend verhaal. Er was een „mellekkar omgefalle” en ik hoor al de details van gebroken flesschen en weggestroomde melk. Nou en toen had hij toch moeten „hellepe”, en toen was 't „feels te laat” geworden. En toen had hij niet meer durven aanbellen en was maar blijven spelen.

„En 's middags dan?”

Z'n hoofd zakt voorover; hij mompelt nog wat van „niet durven.”

En ik kijk op dat gebogen hoofd en voel niets dan medelijden. Want wie eenmaal voor deze verleiding bezweken is, die zal elken dag weer naar de zoete vrijheid verlangen en de groote stad biedt belangwekkende tooneelen genoeg, die de aandacht vasthouden tot „de school toch al dicht is.” Laat het gisteren een omgevallen melkkar geweest zijn, morgen zal 't een aanrijding wezen, of een dronken man, die opgebracht wordt, of een bekeuring van een slagersjongen, of een troep soldaten met muziek voorop, of desnoods een ruzie tusschen een paar buurvrouwen.

En wat kan de straat voor goeds leeren aan een kleinen jongen van acht jaar? Nog is hij niet bedorven; ik merk het aan zijn omgang met de andere kinderen, aan z'n gesprekken en spelletjes in 't vrije kwartier. Maar onafwijsbaar moet op den duur de verderfelijke invloed van de straat op hem inwerken. En dan, arme Chris, wat moet er dan van je terecht komen?

Omdat het mijn plicht is, praat ik toch ook nog eens tegen hem. En hij is heelemaal overtuigd. Hij slaat z'n groote blauwe oogen naar mij op en belooft me alles, alles wat ik maar wil. En we scheiden als de beste vrienden.

Werkelijk gaat 't weer een weekje goed. En ik zou hem niet eens meer willen missen. Want hij is een prettige leerling, altijd er bij, en lang niet dom. En in 't speelkwartier is hij de ziel van 't spel, heeft hij alle jongens om zich heen.

Vandaag is 't brandweertje. Ze draven met z'n achten of tienen op een kluit in een heel lang touw; de voering uit hun pet hebben ze naar buiten getrokken én die toen weer opgezet met de klep als een hanekam boven op 't hoofd. Nu hebben ze een helm op, als de brandweer. Tingelingeling, daar komen ze aan, in vollen draf. Op een gegeven oogenblik staan ze plotseling stil, hier is „de brand”. Met één arm omhoog, de beenen wijd van elkaar, staan ze te spuiten, pssj, pssj, met doodernstige gezichten. Als ik voorbij kom, zeg ik: „Denk erom, dat je eerst alle menschen moet redden”, en ze knikken wijs, al spuitend, en geen van allen lacht.

Zoo kan 't morgen „de bereje plietsie” zijn, of „motorrije”. Dat laatste vooral doet Chris graag. Zie hem op het hek zitten, met z'n voeten op de dwarsplank, de armen voor zich uitgestrekt, de vuisten geklemd om een denkbeeldig stuur, den rug voorover gebogen, de oogen voor zich uitstarend. De vreemdste klanken, waarvoor in 't alfabet geen letters bestaan, stoot hij uit; knalgeluiden, snorgeluiden, blaasgeluiden. 'k Geloof zeker, dat hij 80 K.M. per uur aflegt, daarboven op dat hek. En zooals hij daar met z'n oolijken snuit zit te tuffen,—kun je zoo kwaad op hem blijven? Ook al is hij gisteren weer den geheelen dag op sjouw geweest?

Nee, telkens moet je weer denken: Arme stakkerd, had je maar een flinken goeien vader, in plaats van die oude afgewerkte grootmoeder! Wie weet, wat er dan nog van je terecht kwam!

En zoo sukkelen we nu al een halfjaar voort met onzen Chris. 'k Heb één geluk, en dat is, dat hij mijn andere jongens niet mee op sleeptouw neemt. 'k Geloof, hij vindt ze te kinderachtig en zoekt liever zijn vroegere kornuiten op. Wat dat voor heeren wezen zullen? Heel veel bizonders vast niet. Wat ze met elkaar uitvoeren langs 's Heeren wegen?

„Spelen op 't zand,” heeft hij eens geantwoord, toen ik 't hem vroeg.

Toch heb ik hem nog nooit betrapt op de ondeugden, die gewoonlijk uit straatslijpen voortkomen: snoepen, rooken..... stelen. Nooit heeft hij snoepgoed of centen op zak, nooit mis ik wat in de klas.

En ook nog steeds komt hij in tranen badend weer op school, als een berouwvol zondaar. Dan hebben „de andere jongens” gezegd, dat het nog tijd genoeg was, of hij moest „eerst” nog een boodschap voor z'n grootmoeder doen, of hij heeft weer een andere uitvlucht. Maar altijd belooft hij, dat 't nu „nooit meer gebeuren zal.”

Arme Chris, je bent me een raadsel. Soms denk ik: Zou het toch nog mogelijk zijn, dat je aan je noodlot ontkomt? Dat je onvatbaar blijkt voor de besmetting met het gif van de straat? Of dat je, vóór het vat op je krijgt, nog eens onder betere leiding komt? Als nu b.v. zoo'n tweede vader eens schik in je kreeg en je bij zich in huis nam?

Maar voor 't oogenblik kunnen we er niets anders aan doen, dan hem niet al te afkeerig van de school te maken, en voor de rest—er maar 't beste van blijven hopen!

LIESBETH.

Inhoudsopgave

't Is de eerste morgen van den nieuwen schoolcursus.

De moeders komen hun kleintjes brengen. Ze zijn ter eere van de plechtige gebeurtenis netjes gewasschen en gekamd en in de beste plunje gestoken.

„Ja juffrouw, Henricus Theodorus, maar wij zeggen altijd maar Harrie. Kom jonge, zeg de juffrouw dris gedag. Nee, met je mooie handje!”

Zoo maak ik kennis met m'n drie dozijn nieuwe leerlingen en ik krijg een eerste blik uit hun kinderkijkers. Och, wat een verschil al in dien eersten blik! Ik zie verlegen, nieuwsgierige, brutale, zachte fluweelen, rustig verstandige, ook stugge onvriendelijke, zelfs onverschillige kijkers en helaas heel veel fletse ziekelijke; maar de vroolijke, guitige zijn er toch ook altijd bij.

Ik wijs ieder nieuwelingetje voorloopig z'n plaats aan en luister geduldig naar de vermaningen der moeders. Of ik Jopie vooral niet op de tocht zal laten zitten, want 't schaap hoest z'n eige alle nachte kepot, en of Wimpie wel dalek naar achter mag, astie drom vraagt, want hij is zoo zwak op 't water. Ook vroolijker gesprekken: „Ja juffrouw, da's nou Marietje, 't zusje van Jan en Sientje, die ook bij u in de klas hebben gezeten. Nou, u zal van haar ook niet veel last hebben, ze is een zoete meid, niewaar Marie?” En 't kind kijkt je met blij vertrouwen aan, ze kent je al lang, er is thuis al over gepraat, dat ze de juffrouw van Jan en Sientje krijgt.

Gelukkig, de stroom begint te luwen, 't groepje vrouwen wordt kleiner en kleiner. Eindelijk is de laatste moeder de deur uit, na nog een vermanend: „nou, dag Henkie, en nou maar goed oppasse op school”. En dan kan ik m'n nieuwe stelletje eens bekijken.

Er zijn veel menschen, die rood haar leelijk vinden. 'k Heb een moeder gekend—zelf was ze vaal grauw-blond en haar man dito-dito, maar er „zat” rood haar in zijn familie,—die een allerliefst rood jongetje had van een jaar of drie. Toen ze haar tweede kindje verwachtte, had ze al haar hoop gevestigd op een „blond meisje”. Nog hoor ik haar bitter teleurgesteld: „Wat zegt u er nu van, alweer een rooie zoon!” toen ik haar eenige dagen na haar bevalling kwam opzoeken. 't Was of ze een misgeboorte ter wereld had gebracht. En in 't wiegje naast haar lag 't liefste ronde poppetje, dat een moeder zich droomen kan, 't kopje vol rosse krulletjes.

Ik heb zooveel kinderen onpartijdig bekeken, en 'k moet eerlijk zeggen: „Er zijn net zooveel mooie en leelijke kinderen met rood haar, dan van welke andere kleur ook.” Maar in de klas, en nu moet ik een zwakheid bekennen, ben ik dol op een roodkopje. Het fleurt je heele klas op. Zelfs in de triestigste dagen zit er nog een beetje gloed in en met zonnig helder weer kunnen de vonken er afspatten. 't Eerste wat ik dan ook altijd doe, als ik een nieuwe klas monster, is 't zoeken naar de lichte vlasblondjes, de pittige zwartjes en vooral naar de glanzige roodbontjes tusschen de grauwe blondbruinen, die in ons land 't overheerschende type vormen.

Zoo'n mooi rood kopje had ook Liesbeth en daardoor alleen viel ze mij al dadelijk op. Een flink schrander gezichtje met een hoog blank voorhoofd en een paar stevige rooie wangen. Bedaard en onderzoekend zat ze mij aan te kijken, daar van haar bank bij 't raam. Vol verwachting ging ze de komende gebeurtenissen tegemoet, volkomen zeker van zichzelf.

Die eerste dagen, wat zijn ze vaak van groote beteekenis! Wat omwentelingen brengen ze in menig kindergemoed! Niet voor de bewaarschoolklantjes. Die zijn dadelijk thuis; de klas lijkt een beetje op die andere klas en de juffrouw op hun vorige juffrouw, of de hoofdjuffrouw, of op de juffrouw, die toen een paar dagen kwam, toen hun eigen juffrouw ziek was. En je moet hier ook stil zitten en je vinger opsteken, als je wat zeggen wilt.—En als de leien uitgedeeld of de potlooden rondgegeven worden, zetten ze een gezicht van: „Alles schon dagewesen.”

Maar de moeders kindertjes! Voor die is alles nieuw, alles vreemd, alles anders, dan ze 't ooit in hun gansche bestaan ondervonden hebben. En 't vreemdste is „de juffrouw”, de nieuwe „moeder” van de school. Wat praat ze raar, wat is alles gek en „anders” aan haar! Haar kleeren, haar gezicht, haar manier van opstaan en gaan zitten, haar handbewegingen. Maar 't ergste is, ze „doet” heel anders dan moeder, je weet nu net heelemaal niet, wat je aan haar hebt.

Maar ik wou van Liesbeth vertellen.

'k Had de kinderen rij voor rij meegenomen naar de gang en ze daar de kapstok gewezen. Het één: opstaan, twéé: naast je bank, drie: op stap in rij en gelid, kenden ze nu meteen in een moeite door. Nu zaten ze weer stil op hun plaats, terwijl ik de deur sloot en de ramen ging openzetten. Nieuwe verbazing voor velen: een raam, dat van boven schuin openvalt!

Opeens hoor ik duidelijk achter m'n rug: „Nou zeg! 't Begint hier pas een beetje warm te worden!”

Verbluft keer ik mij om en kijk regelrecht in haar groote grijsbruine oogen. Ze heeft de wenkbrauwen een beetje samengetrokken, haar heele gezicht zegt: „Mankeert het je nou in je bovenkamer?”

Op school leer je wel, om niet alles te zien en te hooren. Vooral bij de kleintjes. Lieve hemel, als je eens overal op inging! En dus ben je ook gewend, in de vermakelijkste situatie's een glad gezicht te houden. Maar dit was me toch haast te gortig, en ik draaide me dus vlug weer naar 't raam om 't opkomende lachen te verbergen. En daarbij was 't geval mij opeens zoo klaar als glas. Natuurlijk 't eenige of anders toch het oudste kind van een domme moeder, die ze in de zes jaar van haar leven volkomen de baas is geworden. Thuis wordt geen kopje gewasschen, geen bloemkooltje gekocht, waar zij niet eerst advies in geeft. En die sukkel van een moeder is er nog trotsch op, vertelt aan grootmoe en de tantes of aan iedere buurvrouw op straat: „En 't is zoo'n bijdehandje! Wil u wel gelooven dat 'k niks meer bij d'r te vertellen heb?” Daar staat het bijdehandje dan zelf met gepaste trots bij, tot 't haar begint te vervelen en ze haar met de woorden: „Kom nou Moe, ga nou mee,” de verdere conversatie afsnijdt. Misschien ook berust de moeder niet zoo gemakkelijk in de degradatie en is 't dagelijksch een vechten om de laatste restjes van 't gezag, waarbij 't kind natuurlijk telkens meer veld wint.

En nu komt zoo'n kleine juffer Albedil op school en zet zonder de minste aarzeling haar gedragslijn voort. Zoo pas heeft ze gezien, dat de juffrouw de kachel oppookte, en nu gaat me die suffert de ramen openzetten. Daar moet ze toch even een eind aan maken!

Wat er dien ochtend wel in dat kleine rooie kopje is omgegaan, toen ik doodkalm de andere ramen ook openzette en niet de minste notitie van haar nam? Is ze verbaasd, gegriefd, beleedigd geweest? Vond ze, dat de wereld in de school op z'n kop staat? Of heeft ze gedacht: „Wacht maar, je bent me nu nog te vreemd, maar een volgend keer, dan zal ik 't je nog wel eens anders vertellen?”

De nadere kennismaking met de moeder, eenige dagen later, bevestigde mijn vermoeden geheel en al.

Daar stond ze op een morgen in de deuropening van 't lokaal, een klein onaanzienlijk vrouwtje, en nijdig, nijdig als een spin, al deed ze haar uiterste best om beleefd en zoetsappig te blijven.

„Dag juffrouw, ik ben de moeder van Liesebetje en ik kom es hooren, hoe of dat nou eigenlijk zit.”

Ik vroeg, waarmee ik haar van dienst kon zijn. Toen werd ze rood van woede en barstte los: „Ziet u, da's toch geen manier van doen, om mijn kind zoo te behandelen. Ik betaal het hoogste schoolgeld, en daar heb ik ook niks tegen, want m'n man verdient het gelukkig. Maar dan hoeft u mijn kind toch ook niet de slechtste plaats te geven, heelemaal achteran en naast zoo'n kind met klieren op d'r hoofd en een kappie op van de kliniek! Mot mijn kind dat soms over krijgen?”

Toen de woordenstroom wat bedaarde, probeerde ik haar aan 't verstand te brengen, dat haar kind heusch geen gevaar liep; dat zoo'n kind met een goed hoofdverband, dat twee keer per week vernieuwd werd, vaak een onschuldiger en zindelijker buurtje was, dan een ander met de mooiste krullebol, maar 'k merkte al gauw, dat ik m'n woorden wel kon sparen.

„Ja, as u de pik op me kind het, dan kan ik dr ook niks an doen,” kijfde ze verder. „Eerst zet u dr naast een jodekind en nou naast één met een zeer hoofd!”

„Was u bij dat jodenkind ook bang, dat ze 't over zou krijgen,” informeerde ik belangstellend. Maar ze begreep me niet, keek me een ogenblik dom aan, en raasde toen verder:

„Afijn, dat was nog tot dááraan toe, toen heb 'k nog niks gezegd; maar nou met die klieren, dat wil ik niet hebben, en—dat zal me man ook niet permeteeren!”

Pof, 't was eruit, daar lag haar hoogste troef. Als dan niets hielp, dan zou ik bij die bedreiging toch wel in m'n schulp kruipen. Haar man, nou, als ik nu nog niet bang werd!

'k Had toch medelijden met het opgewonden schepseltje. Kon zij 't eigenlijk helpen, dat ze zoo bekrompen van geest was en geen gewone logische taal begreep? Ze vocht voor haar kind en in haar domme hersens had nu 't idee post gevat, dat ik 't te kort wou doen. En als je dan toch betaalde voor een stallesplaats, hoefde je toch geen genoegen te nemen met het schellinkje!

Voor geen geld wou ik haar nog meer verbitteren door een weigering. Ze mocht, wat mij betrof, ook nog de voldoening smaken, dat 'k gezwicht was voor de bedreiging met „de sterke man, die ijzerdraad pruimt.” En dus beloofde ik haar, dat ik nog wel eens zoeken zou naar een ander plaatsje voor Liesbeth en troonde haar met een zoet lijntje de deur uit.

„Wat een moeder voor zoo'n flink schrander kind,” dacht ik bij mezelf, toen ik voor de zoetjes babbelende klas ging zitten. „Wat zal die haar kind tot steun wezen, later, bij de moeilijke problemen van de opvoeding!”

Daar voelde ik opeens twee armpjes op m'n knie. 't Kleine ding had blijkbaar van haar plaats onze woordenwisseling gadegeslagen, had moeders drift en boosheid bemerkt en—kwam me nu troosten. Vertrouwelijk leunde ze tegen mij aan, lachte me eens toe en zei, een beetje spottend:

„Wat was ze nijdig, hè? Maar je hoeft je er niks van aan te trekken, want ze doet toch nooit wat.”

'k Wierp een lange, vertroostende blik in die wijde, grijze kijkers en 'k dacht: „Kind, je hebt gelijk, ze doet je nooit wat. Jij met je gezond, klaar verstand en je sterke wil, jij zult er toch wel komen, al mis je de moederlijke leiding.”

Toen streelde ik haar even over 't glanzige kopje en zei:

„Je bent een beste meid. Maar nu moet je gauw naar je plaats gaan.”

We hebben het met onze Liesbeth wel hard te verduren gehad, die eerste dagen! Zoowel de kinderen als ik zelf. Ze was ons levend geweten, de geïncarneerde critiek. Niets ontsnapte aan haar waakzaam oog, niemand was voor haar aanmerkingen veilig.

Midden in de mooiste vertelling, op 't spannende oogenblik, daar had je haar scherp stemmetje: „Juffrouw, die jongen let niet op, hij zit op z'n schoenen te spugen.”

Stond ik bij een klein onbeholpen gansje en probeerde ik haar te leeren, hoe ze haar griffel houden moest, dat 't niet zoo afschuwelijk piepte, dadelijk boog ze zich uit haar bank, om 't stumpertje nog eens vermanend toe te voegen: „Zie je nou wel? Ik had je toch ook al gezegd, dat je niet zoo mocht krassen?”

Maar ik was zelf evenmin veilig. Bij 't voorteekenen brak de punt van 't krijt af. „Je drukt ook veel te hard,” kwam 't dadelijk onverbiddelijk uit haar mond. De deur sprong open. „Je hebt hem daareven ook niet goed in 't slot getrokken,” riep m'n meedoogenlooze rechter.

't Leukst was 't op een morgen, in 't speelkwartier. 't Was van dat druilige winterweer, dat je nauwelijks kunt uitmaken, of 't regent of dat 't droog is. Ik wou er wel graag even met de kinderen uit, maar 'k wou ze toch geen nat pak bezorgen. Besluiteloos tuurde ik in de effen grijze lucht.

„'k Zou er maar in blijven. 't Is veel te nat buiten,” kwam daar opeens m'n gratis advies uit de derde bank.

'k Was net tot de conclusie gekomen, dat 't op 't oogenblik droog was, dat de lucht wat lichter werd en dat ik 't dus maar even wagen zou.

'k Telde dus: Opstaan, een, twee, drie. En een paar minuten later waren we in 't plantsoentje tegenover de school.

Werkelijk bleef 't even droog. Maar vóór 't einde van den speeltijd, daar was 't al weer mis. En zoodra ik de eerste druppels voelde, klapte ik 't troepje bij elkaar.

Liesbeth kwam het eerst. Blijkbaar had ze er op geloerd.

„Zie je nou wel?” zei ze triomfantelijk, toch ook met een ietsje verwijt in haar stem. „Heb ik 't je niet vooruit gezegd? Nou heb je 't land, dat je eruit gegaan bent!”

Zoo was 't schering en inslag den eersten tijd. Hoe lang 't geduurd heeft? Vast niet langer dan een of twee weken.

Hoe ze 't afgeleerd heeft! 'k Zou haast zeggen vanzelf.

Ze was verstandig genoeg om gauw in te zien, dat „de juffrouw” een eenigszins andere persoonlijkheid was, dan haar moeder, en dat er van haar op- en aanmerkingen niet héél veel notitie werd genomen. Ook merkte ze natuurlijk, dat geen der andere kinderen zoo iets deed. En ten slotte, ofschoon ik nooit een kind uitlachen zal, moet ze toch af en toe aan iets in m'n gezicht gezien hebben, hoe komisch 'k haar vond. En de slimsten onder de andere kinderen zagen dat ook, en begonnen haar lachend aan te kijken, als ze weer iets over de klas heen riep.

Nu is een kind voor niets gevoeliger dan voor spot. Dat zij, Liesbeth, 't knappe kind, iets belachelijks deed, dat zal wel de genadeslag hebben toegebracht aan haar zucht tot kritiek. En als haar nog eens de eene of andere bazigheid ontsnapte en de anderen keken spottend om, dan kreeg ze een kleur als vuur en had wel een half uur noodig, om weer op haar verhaal te komen.

En zoo is ze me een prettige, flinke leerling geworden.

Maar wat er die eerste dagen in dat rooie bolletje is omvergehaald en overeind gezet! Als ze 't zelf nog zou weten en ze kon 't voor me opschrijven, wat zou ik 't graag eens lezen!

PIET.

Inhoudsopgave

„Een mooi koopje heb je me daar geleverd!” mopperde ik, terwijl we om twaalf uur samen den weg uit gingen. „Zoo'n loteling, tusschen je kinderen in, 't is me een pretje! Daar kan ik plezier aan beleven. Had je me dat nu niet kunnen besparen en hem mee over laten gaan?”

M'n collega keek me lachend aan.

„Ik kon er heusch niets aan doen, hoor. Hij kon met geen mogelijkheid mee. 't Vorig half jaar heb ik hem mee over gesleept, omdat hij ook al twee keer in de derde klas had gezeten; maar nu moest hij zitten blijven. Je zult het zelf wel merken, hij zal nauwelijks met de jouwe mee kunnen. Vooral z'n lezen is een misère.”

„Hoe oud is hij wel?” zuchtte ik. „Zou hij nog niet haast dienstplichtig wezen? Lieve hemel, wat een lengte!”

„Ja,” lachte ze weer, „hij moet tusschen de andere kinderen wel een heel eind uitsteken. Bij mij was hij al verreweg de grootste.”

„'t Is net Gulliver tusschen de Lilliputters.—En zijn invloed zal zeker wel veredelend op ze werken. Zulke exemplaren geven meestal een schitterend voorbeeld.”

„O nee, last zul je niet met hem hebben. 't Is geen kwaad jong. Alleen natuurlijk hopeloos traag van begrip.”

Ik zuchtte opnieuw, 'k was er niet heelemaal gerust op. 'k Had wel vaker zulke type's in m'n klas gehad. Te dom om het onderwijs te volgen, dat hun bovendien niet interesseert, omdat het op jonger kinderen ingericht is, (de leeslesjes b.v. zijn te kinderachtig, den inhoud kennen ze al van een vorige cursus, al kunnen ze de woorden ook nu nog niet lezen) zoeken ze den heelen dag naar een andere bezigheid voor hun geest, die dan gewoonlijk bestaat in het bedenken van kattekwaad. En omdat kattekwaad uitvoeren in je eentje zoowat alle bekoring mist, zijn ze steeds op zoek naar gezelschap en halen gedurig de andere kinderen van hun werk af. Zoo vergen ze voortdurend je volle aandacht, tob je er dag in, dag uit maar mee door, zonder dat je ze een oogenblik uit het oog mag verliezen. En als ze ten slotte met hun vroegrijpe straatwijsheid nog maar niet den geest van je heele klas bederven, mag je nog best tevreden wezen.

Iets dergelijks verwachtte ik nu van m'n nieuwen Piet. En daarom zag ik het zwaar met hem in.

Maar als me iets in m'n leven is meegevallen, dan is het m'n dagelijksche omgang met Piet geweest, gedurende het halve jaar, dat nu volgde.

't Bleek een jongen te zijn met een ziel, zoo zuiver als glas en zoo week als was. Een droomer, die z'n gedachten maar voor een heel klein deel bij zulke prozaïsche dingen als sommen en taaloefeningen kon houden. Voor mijn plezier wou hij zich soms wel even inspannen, om er bij te blijven; dan zat hij met z'n grove jongensknuist heel zoet 't kinderachtige lesje te volgen, regel voor regel, woordje voor woordje. Maar al heel gauw werd het hem toch weer te machtig, de wijsvinger bleef rusten, de gedachten namen hun vlucht en z'n lichtblauwe bolle oogen staarden in de ruimte, waar zij wie weet welke verborgen schoonheden ontdekten.

Maar kwaad was er geen haar aan den heelen jongen. Opletten, neen, dat kon hij niet, maar als je hem maar met rust liet, dan had je er ook geen kind aan. Nooit zou hij een ander van 't werk af halen, hij had er ook niemand bij noodig, aan z'n droomen had hij genoeg. Soms gaf ik hem een standje, als hij z'n beurt niet wist; eigenlijk meer voor de andere kinderen dan voor hem zelf, want 'k zag gauw genoeg, dat het boter aan de galg gesmeerd was. Dan glimlachte hij goedig en ook een beetje verlegen, alsof hij zeggen wou:

„Och m'n goeie mensch, dat kan ik jou zoo niet uitleggen. Jij vindt zoo'n verhaaltje uit een leesboek zeker heel erg de moeite waard, om er een half uur lang met je gedachten bij te blijven. Ik kan 't je niet eens kwalijk nemen, dat je me er elken dag opnieuw mee komt vervelen, je weet blijkbaar niet beter.”

Dan keek hij even bij z'n buurman, waar „het was”; wees, om z'n goeien wil te toonen, drie minuten bij. En dan, dan zweefde z'n geest weer ver buiten mijn bereik.

Niet zoodra echter was de bel voor 't speelkwartier gegaan, of er kwam leven in den jongen. Spelen, daar kon je 'm voor krijgen, dat gaf aan z'n fantasie voldoende voedsel. Steeds was hij de ziel van 't spel, 't middelpunt van al de jongens; of 't vanzelf sprak, had hij dadelijk de leiding en bij ieder spel de hoogste functie. Voor een deel kwam dat natuurlijk door z'n grootte en z'n meerdere kracht, maar toch 't echte geheim ervan schuilde in z'n uitgesproken talent voor het bedenken en leiden van alle soorten spelletjes. Hij maakte echter geen misbruik van zijn overwicht: nooit zag ik hem een kleineren jongen plagen of slaan, z'n houding had eerder iets beschermends, iets vaderlijks zou ik haast zeggen.

't Was dan ook enkel aan hem te danken, dat ik dat halfjaar oogluikend „diefie” kon toelaten, het lievelingsspel van alle jongens, maar dat ik steeds verbood uit vrees voor gehavende kleeren en vechtpartijen. Nu, met Piet als „hoofdkommesares” durfde ik 't wagen, zijn leiding waarborgde me, dat het „zonder kleerscheuren” zou afloopen. Werd er een „dief” gevangen en „opgebracht”, Piet z'n blonde kop stak boven 't verwarde kluwen uit en dan was ik gerust. „Niet te wild, jongens” waarschuwde ik nog eens onder 't voorbijloopen, „u let er wel op, meneer de commissaris!” Dan tikte hij, geheel in z'n rol, even aan z'n pet, lachte me met z'n zachte blauwe oogen geruststellend toe en zei: „Ja juffrouw.” En dan liet ik ze hun gang maar weer gaan.

Z'n prestige in den speeltuin werkte ook in de klas nog door. Daaraan schrijf ik het ten minste toe, dat hij nooit werd uitgelachen, als hij zich bij de leesbeurt moeizaam en hakkelend door de zinnen heen werkte, fout op fout makend. Of als hij, groote lummel van elf jaar, nog maar steeds de tafels niet onder de knie kon krijgen, en me geen antwoord wist te geven op m'n vraag, hoeveel 7 keer 8, of 9 keer 6 was. 'k Geloof, dat de heele klas volkomen mijn meening deelde, dat Piet „heel erg dom” was, maar dat je op de heele wereld geen betere jongen zou kunnen vinden.

Toch was er nog één leervak, waarbij ik altijd op Piet z'n volle aandacht kon rekenen. En dat was: bij het zingen.

Op de eerste zangles ontdekte ik het al. Ze mochten zelf om de beurt een van de liedjes kiezen, die ik ze in de vorige klas geleerd had. En natuurlijk koos er eentje al heel gauw: „Duifjes, met uw blanke veeren”. Waarom „natuurlijk?” Omdat ze merkten dat ik 't zelf nooit koos. Toch had ik 't ze eerst geleerd en vond ik het zelf ook een lief liedje, maar ze „zakten” onder 't zingen zoo geweldig, dat 't niet om aan te hooren was. En mijn stem had niet altijd de kracht, om ze op de goede hoogte te houden: er wordt veel gevergd van je keel, als je voor de klas staat. Daarom zong ik 't niet graag met ze. En als ze 't zelf kozen, dan liet ik ze in Godsnaam maar zakken en zette ieder nieuw coupletje weer een terts hooger in; want dat was zoowat het „verval”.

„Vooruit dan maar”, dacht ik dien dag ook weer en gaf den toon voor ze aan. De zittenblijvers kenden 't blijkbaar ook, ze zongen ten minste mee. Maar al bij den eersten regel werd m'n aandacht getroffen door een nieuw geluid in 't gemengde koor, een hooge, heldere stem, die zuiver den toon hield en 't heele koortje droeg.

Verrast bleef ik luisteren. Van wien kwam die stem? Van een van de zittenblijvers? Dat moest ik eens gauw onderzoeken. 'k Liep stapje voor stapje de jongensrijen door, terwijl m'n klas, zonder in 't minst gezakt te zijn, het 2de coupletje inzette: „Waait het al te hard daar buiten....” Opeens, daar had ik den zanger: Vlak naast zijn bank bleef ik staan, om beter te kunnen genieten. Wat een mooie stem had die jongen!

Hijzelf had er in 't minst geen erg op, dat ik naar hem stond te luisteren. Verdiept in zijn eigen gezang, zelf genietend van den helderen klank, zat hij voor zich uit te staren, als een vogel op een tak, die alles om zich heen vergeet in de vreugde der zoete melodieën en schallende trillers.

„'k Moet hem ook eens alleen hooren”, dacht ik. En toen 't liedje uit was, riep ik hem voor de klas.

„Jij houdt zeker veel van zingen, he? Ken je nog een liedje, dat de andere juffrouw jullie geleerd heeft? Dan mag je 't ons eens voorzingen.”

Een beetje aarzelend en verlegen eerst, zette hij z'n liedje in. Jongens schamen zich gauw, om te zingen, behalve natuurlijk als 't straatliedjes zijn. Maar al bij de eerste woorden geraakte hij weer onder de betoovering van de muziek en zong zonder de minste verlegenheid verder.

'k Geloof, dat ook de klas merkte, dat 't „mooi” was. Ze luisterden aandachtig, mij af en toe eens aankijkend, als om te vragen, of ik 't ook mooi vond. Nergens zag ik ook maar een zweem van spot, dat die lange jongen daar met zoo'n ernst zulk een kinderachtig liedje stond te zingen.

Wat mijzelf betrof, 'k was met mijn gedachten plotseling verplaatst in de Groote Dom te Keulen. Jaren geleden had ik daar den dienst eens bijgewoond en was in extase geraakt bij 't plotseling invallen van 't jongenskoor. Die zuivere, hooge jongensstemmen, met hun eigenaardig schel timbre, nu hoorde ik ze weer. En met volle teugen genoot ik van 't gezang van mijn „koorknaap”, zooals ik hem meteen in gedachten doopte.

Nog ben ik niet aan het eind met m'n loftuitingen op Piet.

Al heel gauw merkte ik, dat de jongen voor alles, behalve dan voor leeren, uitstekend bruikbaar was.

Voor schooltijd begon het:

„Piet, kun jij eens een plaat voor me opzoeken?”

Dan glom z'n heele gezicht al.

„Dan moet je eerst naar den meester van de elfde klas gaan, die weet je toch wel te vinden?”

Een stomme hoofdknik, vol ongeduld.

„En daar vraag je den sleutel van de platenkist, die hiernaast op het portaal staat. En dan moet er een plaat in wezen, met een ooievaar, die op zijn nest staat; en een andere ooievaar vliegt door de lucht. Kun je 't goed onthouden?”

Weg was hij al, om na een paar minuten triomfantelijk met de bedoelde plaat terug te komen.

„Prachtig, Piet! Heb je de kist weer gesloten en den sleutel teruggebracht?”

't Was altijd in orde. In dat opzicht was hij zijn leeftijd eerder vooruit dan ten achter.

Geen dag ging er voorbij, dat hij me niet op een of andere wijze van dienst was. Er was b.v. een jongen, die te veel rauwe stoofperen gegeten had, en wiens maag er op een gegeven oogenblik, midden onder de les, de brui aan gaf. Dadelijk zocht mijn oog m'n altijd gewillig factotum.

„Och Piet, wil jij even meegaan, om hem eens netjes af te wasschen? En haal je dan wat zand om hier overheen te strooien? Ja, de bank wil je wel even met de spons afnemen, he? Maar daarna frisch uitspoelen, Piet!”

Kwam de perensnoeper weer binnen, en zag hij nog bleek en glazig, dreigend met recidive, dan was het:

„Zeg, Piet, je moest den hoofdonderwijzer eens gaan opzoeken. Neem Jantje maar mee, en vraag, of je hem even naar huis mag brengen.”

En dan kon ik er heel gerust op zijn, dat Jantje veilig bij zijn moeder zou belanden.

Moesten de inktpotten bijgevuld of schoongemaakt worden, tot wien kon ik mij beter wenden dan tot Piet? Met het grootste plezier bleef hij er een half uur voor na, en verrichtte het onsmakelijk baantje handig en vlug. 'k Geloof dat hij, ook zonder de reep chocolade, die 'k vond dat hij dan toch ten minste wel hebben mocht, tevreden om half vijf naar huis zou gegaan zijn.

Z'n groote onmisbaarheid bleek me echter pas, toen het kachelweer werd. Voor kachels aanmaken en -houden had hij een beslist talent. En na een paar dagen liet ik dien tak van dienst dan ook met de meeste gerustheid in zijn handen.

„Piet, kijk eens, of er niet wat bij de kachel moet.”

„Ja juffrouw, d'r mot een beetje bij. Maar de emmer is leeg. Ik zal maar een bakkie gaan halen.” En dan sjouwde hij een vollen drager cokes uit het kolenhok aan.

Een ander keer was het: „Juffrouw, hij leit leelijk. D'r mot een stukkie turref op. Zal ik maar effies naar het turfhok gaan? Wacht, 'k zal me lei meenemen, dat dee ik bij de vorige juffrouw ook altijd.”

En dan kwam hij met z'n lei volgestapeld met stukjes losse turf en een paar minuten later snorde m'n kachel weer, zonder dat ik er naar omgekeken had.

Zoo liep het halfjaar ten einde en 't werd weer „verhooging”.

In gemeenschappelijk overleg besloten 't Hoofd en ik, dat Piet dit keer maar mee over moest. 't Was wel net met de hakken over de sloot, maar je kon hem toch niet langer in de vierde laten. En misschien zou het zijn ijver en eerzucht nog wat aanwakkeren, dat hij nu „verhoogd werd”.

Den laatsten dag kwam z'n moeder me bedanken voor „het genoten onderwijs.” 't Brave mensch verbeeldde zich beslist, dat ze mij heel dankbaar moest wezen. „Ja juffrouw, Piet heeft het me zelf verteld, als u niet zoo uw best op hem gedaan hadt,....”

Met gepaste bescheidenheid hoorde ik dien lofzang aan. In m'n hart echter stelde ik ondertusschen de balans op.

Op de eene schaal kwam al het plezier, dat ik steeds van Piet had gehad: de surveillance van m'n jongens in 't speelkwartier, het „dragen” van m'n koor, zijn solozang, de boodschappen, de inktkokers, 't aanhouden van de kachel. Op de andere lag enkel 't poovere beetje wetenschap, dat ik hem had kunnen bijbrengen.

Och Piet, wat sloeg de schaal aan jouw kant toen diep door!

ELSJE.

Inhoudsopgave

„.... en toen ze weer wakker werden, waren ze heel verbaasd dat hun Vader en Moeder er niet meer waren. Ze sprongen overeind, om ze te gaan zoeken en ze riepen zoo hard ze konden: „Va-a-der!” en „Moe-oe-der!”, dat het door het heele bosch weergalmde. Maar antwoord kregen ze niet. Toen werden ze toch wel een beetje ongerust. Waar konden Vader en Moeder gebleven zijn? En weer riepen en schreeuwden ze, en ze keken naar alle kanten uit, of ze hen nog niet zagen aankomen. Maar—alles tevergeefs.

„Toen begon hun hartje toch wel heel hard te kloppen, want ze voelden zich zoo eenzaam in dat groote bosch. De oudsten hielden hun tranen nog in en bleven maar roepen, al beefden hun stemmetjes ook. Maar de kleintjes snikten en schreiden zoo luid ze konden, terwijl zij.....”

„O, juffrouw, ik ben zoo bang,” klinkt opeens een schril stemmetje, dwars door m'n vertelling heen.

't Is Elsje. Ze staat overeind in haar bank, de oogen wijd open van ontzetting. Voor dit gevoelige hartje zijn zooveel angst en spanning te zwaar om te dragen.

Door de klas gaat een gemompel van teleurstelling. Hé, dat flauwe kind ook weer! 't Werd nu juist zoo mooi! En ze kijken me smeekend aan, om mij te bezweren, me er toch niet aan te storen. Ze lezen de woorden van m'n lippen en de temperament-volsten roepen: „Hé juffrouw, gaat u nou verder.”

Maar eerst moet ik m'n kleine Elsje wat geruststellen.

„Je kent het verhaaltje toch,” zeg ik. „Je weet toch wel, dat ze naar Klein Duimpje gaan, en dat die er wel raad op weet. Luister nu maar stil, dan zul je hooren, dat 't goed afloopt.”

„O juffrouw, ik vind het zoo naar! Mag ik dan zoolang bij u komen staan, tot het uit is?”

Haar twee kleine handjes omklemmen de mijne, haar hoofdje duwt ze in de plooien van m'n boezelaar. Zoo, dicht tegen mij aangedrukt, voelt ze wat troost en bescherming en nu kan ze het sprookje weer verder aanhooren.

Als 't goed gaat, als Klein-Duimpje dank zij de witte steentjes zijn weg terug vindt, heft ze haar kopje weer op, ziet me vol spanning aan. En als het hutje weer bereikt is en Vader en Moeder omhelzen de verloren gewaande kinderen, dan stralen haar lieve oogen me vol vreugde tegen, maar ook vol dankbaarheid, omdat ik het zoo goed laat afloopen.

Maar voor de andere kinderen begint het nu pas. Immers, nu komt het tweede bedrijf, met de broodkruimels. „En dan kunnen ze den weg niet terugvinden. En dan verdwalen ze! En dan, dan wordt het donker!”

Voor mij ligt hier altijd het hoogtepunt van het drama. De verdere avonturen, ze zijn angstaanjagend en verschrikkelijk; het verblijf in de woning van den reus, die „kindertjes eet”, je moet er niet aan denken; als hij „menschenvleesch ruikt” en overal zoeken gaat, dan kunnen er koude rillingen over je rug loopen. Maar toch, 't zijn sprookjes-avonturen, ieder kind weet in z'n hart, dat reuzen en menscheneters niet bestaan, en dat het dus ook niet „echt gebeurd” is. Terwijl de beklemming, die van het groote, in avondschemering gehulde bosch uitgaat, het gevoel van hulpeloosheid en angst voor allerlei dreigende gevaren zoo reëel is, dat het ons volwassenen nog, den adem kan doen stokken.

Daarom weid ik bij die episode altijd wat langer uit; de donkere schaduwen, de krakende tak, de geluiden in de verte, het fladderen van den nachtuil, alles krijgt z'n beurt, totdat we ten slotte allemaal met verademing het roode lichtje tusschen de donkere stammen zien verschijnen, en met een diepe zucht de huivering van ons afschudden, de huivering, die toch zoo'n genot was.

Alleen die eene klas, waartoe Elsje hoorde, die heeft Klein Duimpje niet gehad, zooals 't behoort. Toen ik voelde, hoe die ijskoude handjes trilden, hoe het lieve kopje zich in namelooze angst tegen mij aandrukte, alsof 't bij mij bescherming zocht, toen heb ik het roode lichtje maar gauw laten verschijnen, veel te vroeg eigenlijk. En de vrouw van den reus is dat keer een allerbeminnelijkste gastvrouw geweest en de reus zelf een beetje brommerige, maar toch niets kwaadsbedoelende opa. De vreugde van de behouden thuiskomst echter, die heb ik met de el uitgemeten.

En toch was die heele water-en-melk Klein Duimpje nog veel te gepeperde kost voor m'n kleine, lieve Elsje. Want nooit zag ik gevoeliger kindje.

Ik weet nog, dat ik eens een jongen zijn griffels afnam, waarmee hij, na herhaalde waarschuwingen, toch weer zat te spelen. 'k Was zelf nog jong en streng en ik wou de straf eens terdege indrukwekkend maken. Daarom zei ik: „En nu krijg je ze ook niet terug. Ik weet nog wel heel arme kinderen, die altijd goed oppassen. Aan die zal ik ze geven.”

„O juffrouw,” kwam daar opeens het hooge stemmetje van Elsje, „geeft u ze aan arme kindertjes? Mag ik er dan ook een paar bij doen; ik kan er best wat missen.”

Met een handjevol griffels kwam ze uit haar bank gestapt, en—weg was het indrukwekkende van m'n straf. Het leek eerder een belooning nu, iets uitverkorens, dat mogen geven aan „arme kindertjes.”

Lief klein ding! Tegelijk met je mooiste griffels heb je me toen een paedagogische les gegeven, die ik nooit heb kunnen vergeten!

Door den invloed van de school en den omgang met de andere kinderen leerde ze zich op den duur wel wat beheerschen. Maar een overgevoelig zieltje was en bleef ze. Toch was 't geen moeilijk kind in de klas, want met een blik wasze te regeeren.

Soms kon ze wel eens opgewonden of luidruchtig zijn en moest ze zich uiten in gebabbel of gelach. Maar als ik dan zei, met een tikje verwijt in stem en blik: „Zeg Els, hoe heb ik het nu met je, vandaag? Je maakt het me zoo lastig!” dan kreeg ze een kleur als vuur en probeerde dadelijk weer kalm en oplettend te worden.

Het moederlijk gevoel was ook vroeg bij haar ontwikkeld: het liefst speelde ze met de allerkleinsten. En werd zoo'n nieuwelingetje op de speelplaats soms eens omver geloopen, dan was zij de eerste die het zag en te hulp snelde. Met de grootste zorg werd het kleintje dan opgeraapt en afgeveegd, getroeteld en getroost. En kreeg ze dan nog de vereerende opdracht, om hem onder de kraan wat af te wasschen, dan stapte zij heen met haar beschermeling aan de hand en 't was, als liep zij over rozen.

Maar o wee, als er eentje wat hard te vallen kwam, en het werd een buil, een geschaafde knie of een bloedneus! Dan had ik alle moeite, haar in 't spoor te houden. Meest redde ik den toestand met een grapje: „Kind, bewaar je tranen nog even, morgen gaat hij pas dood.” Of: „Straks komt de zieken-auto voor. Els mag meerijden op den bok, maar eerst moet ze even lachen.”

Een blikken keteltje was ze: gauw heet en gauw koud.

„En juffrouw?” vroeg het Hoofd, toen hij even in de klas moest wezen, „hebt u 't ze al verteld?”

„Nee m'nheer,” zei ik haastig, in de hoop, dat ik het gevaar nog afwenden kon, „dat heeft nog wel even den tijd.”

Maar hij scheen me niet te begrijpen, en zei: „Nu dan zal ik het ze maar eens vertellen.”

Breed en vierkant plaatste hij zich midden voor de klas, leunde met beide handen op de voorste bank en overzag de rijen met een veldheersblik.

Als een electrische stroom ging het door de kinderen; ze voelden 't allemaal: er kwam wat, en 't was slecht nieuws. Hulpeloos keken ze eerst naar mij en toen weer naar het strenge gezicht van den hoofdonderwijzer.

Nadat hij op deze wijze stemming gemaakt had, begon hij pas te spreken. Zijn stem had de plechtige klank, die ieder onderwijzer er bij gepaste gelegenheden in weet te leggen:

„Kinderen, jullie mag je juffrouw nog wel eens goed aankijken. Want—ze gaat bij ons vandaan, naar een andere school, een heel eind hier uit de buurt.”

Even wachtte hij; toen kwam, verpletterend als een een doodvonnis, de klap op de vuurpijl: „Aanstaanden Zaterdag is ze hier voor 't laatst.”

Met een zekere spanning liet ik mijn blik over de klas gaan, want ik was toch benieuwd, hoe ze het zouden opnemen.

Neen hoor, ik had me niet in ze vergist: ze vonden het naar. Er lag iets van verwijt in hun blik; ik hoorde: „He, juffrouw!” en „Wat jammer!” roepen.

Maar opeens klonk van Elsje's plaats een luide uitroep, haast een schreeuw:

„Nee meneer, nee, nee!”

Heftig schudde zij het hoofdje, keek den grooten man woedend aan. Toen zochten haar oogjes mij, en daarbij werd haar blik zacht en smeekend:

„Nee, he juffrouw?”

En toen ik niets anders wist te doen, dan enkel maar zachtjes van ja te knikken, toen wierp ze zich voorover op haar bank en begroef het hoofd in beide handen onder luid geschrei.

Nu is schreien altijd aanstekelijk. Ik weet zeker, dat er zonder Elsje geen traan vergoten zou zijn. Maar nu ze haar zoo erbarmelijk hoorden huilen, werden de gevoeligsten onder mijn meisjes toch ook een beetje aangedaan. Zeker vonden ze het, nu ze er goed over nadachten, toch eigenlijk ook wel heel erg. En de een na de ander haalde de waterlanders voor den dag en begon een deuntje te schreien.

Jongens huilen niet, en zeker niet, als ze al negen of tien jaar zijn. Dus lachten ze een beetje spottend naar elkaar, om die „flauwe schapen”, maar het lachen ging toch niet heelemaal van harte en zelfs zagen bij een paar de oogen bedenkelijk rood.

Het Hoofd stapte de klas uit, het aan mijn beleid overlatend, hoe ik het schreiende troepje weer tot rede zou brengen. Bij de deur knikte hij nog eens, echt voldaan: hij had bloed gezien.

Ik ging voor de klas zitten, zocht mijn overredendste toon uit en begon met ze te praten. Dat ik het ook niet prettig vond, maar dat er niets aan te doen was. En dat ze vast wel een aardige juffrouw terug zouden krijgen, of misschien wel een meester! En als ze me nu die laatste dagen nog eens echt plezier wilden doen, dan moesten ze nu niet langer schreien, maar goed gaan opletten.

Vooral het laatste hielp. Ze droogden hun tranen, vouwden devoot de handjes en keken me braaf aan: „Zitten we zoo zoet genoeg?”

Alleen Elsje was niet tot bedaren te brengen. En omdat ik uit ervaring wist, dat iedere verdere poging haar nog maar meer van streek zou maken, liet ik haar stil aan haar lot over. En ik gaf een zucht van verlichting, toen eindelijk de bel ging en ze, nog steeds snikkend, in de rij mee liep.

Toen kwam de laatste ochtend.

De kinderen hadden het blijkbaar thuis verteld. De meesten waren „op hun Zondagsch.” Sommige brachten bloemen voor mij mee, of hun portretje.

Het deed me toch even aan. Ik had daartoe trouwens niet veel noodig, want ik was zelf een beetje onder den indruk van het naderend afscheid.

Het was mijn eerste „vaste” klas geweest. Daarvóór had ik in veel klassen gewerkt, eerst als kweekeling, toen als volontair, eindelijk als „tijdelijke”. Maar dat was toch allemaal nog niet je ware. Je moest je richten naar de onderwijzeres van wie de klas hoorde, en, wat 't voornaamste was, je wist, dat je over een paar weken de kinderen toch weer verlaten zou. Neen aan zoo'n „tijdelijke” klas, daar wilde je je niet te veel aan hechten.

Maar toen werd ik voor „vast” benoemd en trof toevallig de nieuwe cursus en „de kleintjes”. Zoo kwamen we dus dien eersten dag samen in een nieuwe omgeving, vol hoop en verwachting en met frissche idealen. Geen wonder, dat we dus dadelijk een band hadden.

Ik heb geploeterd en gewerkt met die klas en natuurlijk ook heel wat geblunderd. Maar ik blaakte van lust en ijver. Het Hoofd had er schik in en liet me begaan. Vroeg ik om zùlke schriftjes of dàt soort pennen, ik kreeg ze. Zelfs het mooie nieuwe stel leesboeken, waar ik zoo naar verlangde, ofschoon de andere nog best bruikbaar waren. Voor mijn Sinterklaas bouwde hij een estrade, waar een echte bisschop tevreden mee geweest zou zijn en haalde toen uit zijn woning, die naast de school lag, zijn eigen fluweelen armstoel. En dan kon hij me soms eens wijs toeknikken en zeggen: „Ik mag het wel, dat idealisme van de jeugd; ik ben alleen benieuwd, hoe lang je 't zult houden.”

En die zelfde klas had ik nu al haast drie jaar, toen ik overgeplaatst werd. Natuurlijk was er wat mutatie in geweest, maar toch niet zoo heel veel, want de school lag in een uithoek van de stad, waar de ouders niet zoo vaak verhuizen. En het scheiden was een heel ding voor me.

Ik wou dien laatsten morgen dan ook niet gewoon mijn rooster volgen en daarom begon ik, met ieder een schoon blaadje papier te geven.

Toen zei ik: „Nu moet je bovenaan eerst je naam schrijven, want die blaadjes zal ik bewaren als een herinnering aan jullie. En dan mag je zelf kiezen, wat je het liefste doen gaat: de sommen van het bord maken, of een taallesje, of een les uit je leesboek overschrijven. 't Is mij precies eender; als je 't maar op z'n allermooist doet.”

In een oogenblik waren ze vol wijding aan het werk. En ik had de handen vrij om m'n kast op te ruimen, m'n eigendommen bij elkaar te zoeken, kortom, alles voor de verhuizing gereed te maken. Toen deelde ik nog wat plaatjes en andere voor den dag gekomen schatten uit, liet de blaadjes ophalen, boeken, penhouders enz. uit de kastjes opbergen en zoo kregen we den tijd vóór het speelkwartier om.

Na het spelen had ik nog ruim een uur. En dien tijd had ik bestemd voor de „fuif”. Ik haalde een paar groote zakken lekkers uit m'n tasch en zei: „Kinderen, nu ga ik tot slot trakteeren en een mooi verhaal vertellen. Wat zeggen jullie van zoo'n gezelligheid?”

Maar ik had buiten m'n Elsje gerekend. Ze had zich den heelen morgen goed gehouden, maar nu ik van trakteeren en vroolijkheid sprak, werd het haar te machtig. Verwijtend keek ze mij aan en haar oogen vulden zich met tranen.

„Lieve hemel, kind, doe me dat niet aan,” dacht ik bij mezelf.

En gauw, om het onheil nog te bezweren, zette ik een der zakken voor haar neer.

„Kijk eens, wat een lekkere koekjes! Wil jij die eens netjes voor me uitdeelen? Je gaat maar net zoo lang rond, tot alles op is. Maar er niet van snoepen, hoor!”

Jawel, ik had goed grapjes maken. Daar lag haar hoofdje alweer op de bank, de beide armen eromheen, terwijl het heele lijfje schokte van 't snikken.

Met een zucht gaf ik de zak aan een ander kind. Maar ik wou me nu eens niet door dat kleine overgevoelige ding van de wijs laten brengen. Ten slotte gebeurde er toch geen onheil. Over een paar maanden zouden ze waarschijnlijk toch in andere handen zijn overgegaan. En ik wist vooruit, dat de meesten a.s. Maandag vriendelijk tegen m'n opvolgster zouden lachen. En als ze maar een beetje slag had, om hun harten te winnen, dan was ze binnen veertien dagen meester van het terrein.

Dus asjeblieft de stemming er in gehouden!

„Daar,” zei ik, tegen een dikke jongen, met vrij schoone handen. „Jij de borstplaatjes. Maar kinderen, houdt 'm in de gaten, want ik zie aan z'n neus, dat hij de dikste voor zich zelf wil uitzoeken.”

Toen het uitdeelen klaar was, begon ik m'n verhaal. Natuurlijk had ik gezorgd voor een „komische film,” zooiets van een aap, die het heele huis op stelten zet met zijn streken, of van een heel dommen knecht bij een rijken, ouden heer, iets, waar kinderen niet van kunnen tot bedaren komen van de pret. Den vorigen avond, toen ik het opgezocht had, was ik zeer tevreden geweest over mijn vondst en had me er een groot succes van voorgesteld.

Maar, het lag zeker aan mijn vertellen, dien ochtend, of aan de kleine snikkende gedaante, het hoopje troostelooze ellende daar op de derde bank: de fuifstemming, ze wou niet komen, hoe ik me ook inspande. En met de aandacht voor mijn vertelling stond het meer dan treurig. Enkele meisjes hadden den zakdoek te voorschijn gehaald en zaten daarmee ijverig in hun oogen te wrijven, andere knabbelden op hun koekjes of staarden het raam uit. De meesten zaten me suffig aan te kijken, maar luisterden blijkbaar toch niet. Want als er „gelachen” moest worden, keken ze eerst even verstrooid op en lachten dan witjes mee.

Nooit heb ik zóó verteld! Het was net een nachtmerrie. En het ergste was, dat mijn horloge blijkbaar met de booze geesten samenspande: het wou maar niet vooruit. Eerst talmde het afschuwelijk met half twaalf aan te wijzen. En toen het eindelijk op half twaalf stond, toen wou het er ook niet weer vandaan. Het was om dol te worden.

En zoo vertelde ik mijn verhaaltje af, onder het „succes d'estime” van mijn toehoorders. Toen het eindelijk uitging als een nachtkaars, wees mijn horloge tien minuten over half twaalf! Nog twintig minuten dus.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
15 ocak 2025
Hacim:
150 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066400644
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar