Kitabı oku: «De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie»
Paul Verschave
De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066314347
Inhoudsopgave
EEN WOORD VOORAF.
INLEIDING.
EERSTE HOOFDSTUK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
TWEEDE HOOFDSTUK.
I. De Anti-revolutionaire partij.
II. De Vrij-antirevolutionaire of nieuwe Christelijk-Historische partij.
III. De Christelijk-Historische Kiezersbond.—De Friesch-Christelijk-Historischen.
DERDE HOOFDSTUK.
I. De Oud-Liberalen, Conservatief-Liberalen of Vrij-Liberalen.
II. De vooruitstrevende liberalen van de Liberale Unie.
III. De Vrijzinnig-Democraten.
VIERDE HOOFDSTUK.
I. De eerste organisatie.
II. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.
III. De Anarchistische Socialisten.
TWEEDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
I .
II.
TWEEDE HOOFDSTUK.
I.
II .
DERDE HOOFDSTUK.
I.
II .
III.
IV .
VIERDE HOOFDSTUK.
I.
II.
III.
IV.
NAAMLIJST VAN DE PERSONEN IN DIT WERK GENOEMD
ERRATUM.
EEN WOORD VOORAF.
Inhoudsopgave
»La Hollande politique. Un parti Catholique en pays Protestant.«1) Zoo luidt de titel van een tamelijk-lijvig boek, ten vorigen jare door Paul Verschave bij de Librairie académique Perrin et Cie. te Parijs uitgegeven.
Dat boek, door een geloovigen Roomschen vreemdeling over ons land en volk geschreven, heeft natuurlijk zijn fouten. Nederlands kerkelijke, staatkundige en maatschappelijke toestanden zijn zóó ingewikkeld en eigenaardig, dat het zelfs den Nederlander groote moeite kost om daar een juist beeld van te teekenen. De taak, welke Verschave op zich nam, werd nog aanmerkelijk daardoor verzwaard, dat hij als lid van de Roomsche Kerk het leven en streven moest beschrijven van een volk, dat meer dan eenig ander onder den invloed van het Calvinisme staat—grootendeels onbewust en ongewild, maar voor het overig deel met des te grooter zelfbewustheid en taaie wilskracht.
Des te meer moet het de bewondering van alle Nederlanders wekken, dat deze vreemdeling, door fijne opmerkingsgave en langdurige nauwgezette bestudeering van zijn moeilijk onderwerp, zich zóó uitnemend goed op de hoogte van den toestand heeft kunnen stellen en er zulk een juist beeld van heeft kunnen ontwerpen. Op dat punt zijn wij, Nederlanders, waarlijk niet verwend!
Het boek was om meer dan één reden, waard, bij ons volk bekend te worden. Voor een vertaling is het te uitgebreid en geeft het soms te veel van hetgeen bij ons overbekend is. Maar een bewerking, die ook bekorting inhield, kon haar groote nut hebben.
En dat voornamelijk om drieerlei redenen:
Ten eerste is het van belang te weten hoe een deskundig vreemdeling over ons oordeelt.
Ten tweede leert dit boek ons hoe onze Roomsche landgenooten hun eigen positie beschouwen.
Ten derde bevat het menigen nuttigen wenk, die niet zonder groote schade kan verwaarloosd worden.
De ouderen onder ons, die gedurende de laatste veertig jaren den strijd meegemaakt hebben, zullen bij de lezing van dit boek gedurig gelegenheid vinden om zich te verwonderen over de groote nauwkeurigheid van den schrijver, maar nog meer wellicht over zijn uitnemende onbevangenheid en onpartijdigheid. Hij vleit zijn geestverwanten niet en hij »vindt niet al kwaad, wat hij doet, dien men haat«.
En de jongere lezers, die nog niet zoo lange jaren in onze gelederen hebben gediend of zich nu pas ten strijde aangorden, kunnen van de lezing en bestudeering van dit werk groot nut hebben. Zij vinden hier een overzicht zoo beknopt en tevens zoo volledig als zij elders totnogtoe vergeefs zoeken.
Het boek is bekort. Maar nergens is den schrijver iets anders in de pen gegeven dan hij bedoeld heeft.
Uitgever en bewerker hebben Verschave aan 't woord gelaten. Ook daar, waar zijn zienswijze niet geheel of in 't geheel niet de hunne was. Zij bedoelden weer te geven wat het oorspronkelijke werkelijk is: geen leerboek om de Nederlandsche geschiedenis van de laatste zestig jaren te leeren kennen, maar een rijp, helder, leerrijk oordeel van een vreemdeling over ons land.
De Vertaler.
1) De staatkundige toestand in Nederland. Een Roomsch-Katholieke partij in een Protestantsch land.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
De reiziger, die voor de eerste maal Holland bezoekt, zal nauwelijks de grenzen over zijn, of hij wordt getroffen door den bizonderen aanblik van het panorama, dat zich aan zijn oogen voordoet; en naarmate hij meer het land in reist, vestigt zich zijn indruk, gewekt door bewondering en bekoring, door zachtheid en zwaarmoedigheid.
Vooral treft hem de onafzienbare, overal groenende en lage vlakte, in alle richtingen door rivier en kanalen doorsneden, met boomgroepen nu en dan, terwijl groote donkere molens hier en daar omhoog steken, vreemde en eigenaardige plekken gevormd worden door huizen, waarvan de roode daken glinsteren in het schemerend licht van een neveligen hemel.
Door dit alles, wat het oog boeit zonder den blik te vermoeien, komt een gevoel van opgewektheid en toch van kalmte over hem.
In dit tafereel, met harmonische kleuren en zuivere lijnen, waarin de hoeken zijn weggedoezeld door den lichten wasem, die voortdurend schemert op de onbewogen wateren, en waar alles harmonisch in elkaar vloeit, de kleurschakeering van het groen een ongelooflijken glans vertoont door de voortdurende vochtigheid van den grond, verschijnt de kleur van elk voorwerp rustiger, en de gedachten dwalen als vanzelf heel ver weg, zoo ver als de nauwelijks gebogen lijn van den horizon het gedoogt.
De reiziger verbaast zich over deze eigenaardige, onverklaarbare natuur, waarvan hij eenigen tijd, voor hij er het verdere intieme leven van leert kennen, in zijn zielsbeweeg en gevoeligheid de weerspiegeling vindt.
Maar dit is overigens niet het eenige, waarover hij zich in dit land heeft te verbazen. Indien de staatkundige aangelegenheden hem eenigszins belang inboezemen, zal hij zich weldra ervan overtuigen dat het politieke leven van het tegenwoordige Holland, in zijn groote lijnen, dezelfde karaktertrekken vertoont als zijn landschap: dezelfde zichtbare, treffende, grootsche onbewogenheid, dezelfde indruk van hooge rust, dezelfde hoedanigheden van kracht en innerlijk leven.
Ook hier zal hij zich bevinden tegenover een nieuwe wereld, bijna geheel onbekend in Europa, en vooral in Frankrijk. Inderdaad, dit kleine volk, dat woont op het aangeslibde land van drie rivieren, dat zijn grond veroverde op de zee en zijn onafhankelijkheid op Spanje toen dat het toppunt van zijn macht bereikt had; dit volk van kooplieden, dat Engeland deed beven en de macht van Lodewijk XIV overwon, en dat nu, wel-is-waar vervallen van zijn vroegere glorie, met een teedere liefde zich schaart rondom zijn jonge, lieve, alom beminde koningin, biedt het zeldzaam schouwspel van politiek, welker beginselen evenwijdig loopen aan den breeden stroom van heel het geestelijk leven.
De Hollander is van aanleg de kalmte zelf. Zijn koud temperament, niet geneigd tot licht-ontvlambaar enthousiasme, kan zich moeilijk vereenigen met een oppervlakkige beschouwing en laat zich niet meeslepen door enkel schoonschijnende redeneering. Hij wil dóórdringen tot den grond der dingen, zonder zich door den vorm te laten misleiden, zonder zich op te houden met den vaak bedriegelijken glans van de oppervlakte. In de politiek ook volgt hij zijn diepste overtuiging, hij stelt zich niet tevreden met vernuftige, korte bespiegelingen, hij draaft niet achter een mensch of een hersenschim aan, veel minder handelt hij uit tijdverbeuzelende liefhebberij. Zijn oog bemerkt onder den toevalligen loop der gebeurtenissen en onder de vlottende ontwikkeling der partijen, den strijd van onderscheidene stelsels, die met zich brengen de gewichtigste gevolgen voor het geluk en de welvaart van een volk. En nog dieper in het probleem indringende, ontwaart hij dat de wezenlijke ideeën, die de drijfveer van het politieke leven beheerschen, in verband staan met de wetenschap die zich bezighoudt met het doel van het menschelijk bestaan: een leven God ter eere, dus met de theologie. Dit verklaart, waarom de religieuse beschouwingen altijd zulk een groote plaats hebben ingenomen in de geschiedenis van zijn land. Zoo was het in de 17e eeuw tijdens de Remonstrantsche geschillen; zoo is het nu nog; en Holland blijft onder gewijzigde gestalte het land van den strijd der godsdienstige overtuigingen.
Om aan politiek te doen, en goed er aan te doen, is aaneensluiting noodzakelijk. Trouwens dit wapen en deze macht kent de Hollander sinds lang, omdat hij het steeds met goed gevolg heeft toegepast in den strijd tegen de elementen. Het moerassig land, waarop zijn woning gebouwd werd, was voortdurend blootgesteld aan de verwoestingen van de zee en de vernielende kracht van den wind. Om het te beschermen en zich te verweren, waren zijn individueele krachten onvoldoende; maar hij vertiendubbelde ze door aaneensluiting, en dank zij deze, heeft hij voet voor voet zijn land op de zee veroverd; heeft hij de moerassen drooggemaakt, de rivieren bedijkt, en terzelfder tijd den wind opgevangen en er zich van bediend, om de meren droog te leggen; heeft hij uitnemend de aangeslibde gronden—vrucht van zijn veroverenden arbeid—zich ten nutte gemaakt. En om ze te behouden, verplichten hem de nimmer-aflatende aanvallen der natuurkrachten om geen oogenblik zijn waakzaamheid en werkzaamheid te laten verslappen.
Op deze wijze is Holland geworden het land van de vrije vereeniging. Ontstaan door de onvermijdelijkheid van den strijd tegen de natuurkrachten, heeft zij zich langzamerhand ontwikkeld, zich uitgestrekt tot de andere terreinen van het menschelijk leven; tot de litteratuur, waar zij in de 16de eeuw reeds de rederijkerskamers in het leven riep; tot het bedrijf, waar zij de gilden deed bloeien, en in deze dagen de syndicaten; tot de politiek, waar zij partijen deed opkomen, vast van beginsel en ter dege georganiseerd.
De politieke strijd heeft zelfs dezen karaktertrek gemeen met den strijd tegen de natuurkrachten, dat het doel, hetwelk men bereiken wil, dikwijls ver verwijderd is en temidden van onzekerheid en donkerheid ligt; en toch voor den een zoowel als voor den ander is dat doel alles, en het najagen ervan eischt arbeid van geduld en volharding.
Nog opmerkelijker dan haar ontwikkeling en haar aantal, is dat deze vereenigingen hetzij met materieel of politiek doel, zich bewegen en handelend optreden in bijna volmaakte vrijheid, temidden van de groote organisatie van den Staat, die ze niet wantrouwt en er niet aan denkt om ze te doen verdwijnen. Het verschijnsel doet zich binnen het vereenigingsleven zelfs voor, dat de voor de gemeenschap zoo noodige tucht geen afbreuk doet aan de individueele vrijheid. De Hollander bezit in hooge mate het gevoel van onafhankelijkheid en den eerbied voor de persoonlijke vrijheid. Geen grondwet heeft dit officieel verordend; het is veeleer een traditioneele en nationale deugd, en de wetten hebben er zich naar te regelen.
Zooals al de Germaansche landen, zijn ook de Nederlanden in de 16de eeuw voor het Protestantisme gewonnen, en ondervonden zij in dezelfde mate als Duitschland en Engeland de gevolgen van den godsdienstigen omkeer, die in Europa zich onder de volken baan brak.
Maar hier droeg de strijd der godsdiensten een zéér bizonder karakter, dien van een onafhankelijkheidskrijg, van een opstand tegen den vreemdeling, van het volk dat bedreigd werd in zijn verkregen voorrechten en belangen. De vrede van Munster, die een einde maakte aan dien strijd, deed ook de bestrijding van de Roomschen door de Calvinisten ophouden. Toch moet erkend worden, dat de vervolging van de Calvinisten minder hard, veel minder bloedig was geweest, dan in andere landen, bijv. in Engeland. Het nationaal karakter en het gevoel voor vrijheid, hoewel niet bij machte om ze paal en perk te stellen, hebben er ten minste het gruwzame van verzacht, en aan geheele centra, ja heele provinciën toegestaan Roomsch te blijven.
De Revolutie keerde de oude toestanden geheel om. De constitutie van 1797 gaf den Roomschen in theorie de vrijheid. Zij namen haar met vreugde aan en bedienden er zich ijverig van om wat vervallen was weer op te bouwen, en zich van de slagen te herstellen, kerken te stichten, pastorieën te bouwen, en stichtingen van barmhartigheid in het leven te roepen.
Niettemin, indien ook al de Gereformeerde godsdienst in schijn ophield staatgodsdienst te zijn, de zeden bleven er van doordrongen, en het protestantsche conservatisme, waardoor het werd geleid, beschouwde de Roomschen nog als indringers, bijna als vijanden. Deze vijandschap was vooral voelbaar onder de regeering van koning Willem I, die in 1815 de Nederlanden onder zijn scepter verkregen had, en zij was in 1830 een der voornaamste oorzaken van den Belgischen opstand en van de scheiding der zuidelijke provinciën.
Men moet letten op de dagen van 1848 om te zien, hoe de Roomschen op het staatkundig tooneel optraden, en in de praktijk hun volledige vrijheid terugkregen.
Sedert dien tijd hebben zij haar gehandhaafd, hebben zij haar uitgebreid, en hebben zij onder het volk een belangrijke, ja meermalen een overwegende plaats ingenomen, en zijn zij tot een positie gekomen, als hun geloofsbroeders in weinig landen kennen, zelfs niet in Duitschland, waar, niettegenstaande de overwinningen van het centrum, de Roomschen zich niet in het genot van een volkomen onafhankelijkheid verheugen, en altijd gevoelen de kracht van het Staatsdespotisme en de vijandschap van het »Evangelische Verbond”.
Deze positie hebben de Nederlandsche Roomschen niet verkregen zonder strijd, zonder krachtsinspanning, zonder organisatie, en 't is daarom van belang om hen van nabij te leeren kennen, en de samenstelling van hun partij en haar program na te gaan, in vergelijking met de organisatie en het program van de andere partijen in Holland, en hun verhouding in het publieke leven en den staatkundigen strijd te schetsen. Op deze wijze zal het mogelijk zijn te zien, wat zij hebben gedaan, en hoe zij geslaagd zijn, en den invloed vast te stellen, die een bekwame, werkzame en aan tucht gewende minderheid oefent in een land dat niettegenstaande alles, in zijn meerderheid protestant blijft.
EERSTE HOOFDSTUK.
Inhoudsopgave
De „Katholieke Partij”.
I.
Inhoudsopgave
»De Katholieke partij in Nederland,” schreef eenige jaren geleden Dr. Schaepman, »is in de eerste plaats een partij van traditie. 't Is de geschiedenis, die haar gemaakt heeft en maakt wat zij nog is”.
Toen in 1848 koning Willem II, een man van milden, verdraagzamen en edelmoedigen geest, het initiatief nam tot een grondwetsherziening, bestonden de Roomschen nog niet als partij. Een enkele politieke gedachte had hen tot nu toe geleid: de verdediging van hun vrijheid en de verovering van gelijkheid voor de wet; en zij streefden naar de vervulling van den zoeten droom van alle de verdrukten, dat de tegenwerking mocht ophouden. Ook volgden zij met vreugde den souverein in den weg dien hij insloeg, en hielpen zij de liberalen, die in de grondwet nieuwere en meer voor dien tijd berekende bepalingen wilden opnemen. Hun vertegenwoordigers eischten: godsdienstige vrijheid, gelijkheid van de gezindten voor de wet, vrijheid van onderwijs en van drukpers, de vrijheid van vergadering en van vereeniging.
Door de in-werking-stelling van de nieuwe grondwet werden hun verlangens grootendeels vervuld en in 1853 stemde Minister Thorbecke toe in de herstelling van de Roomsche hiërarchie in Nederland, die sinds 1609 onderdrukt was. Maar zelfs toen deden de Roomschen met de politieke vrijheid, die hun juist was verleend tegelijk met de godsdienstvrijheid, hun voordeel niet om zich als partij te organiseeren. Niettegenstaande de verschillen in meeningen en sympathieën, stelde zij er zich tevreden mee, de eenheid te bewaren en trouw de liberalen als hun bondgenooten te ondersteunen.
Toen kwam de groote strijd voor het onderwijs. Aan zichzelven overgelaten, kwam er tusschen hen onderling toenadering, en zonnen zij op een organisatie, die door de omstandigheden van dag tot dag al noodzakelijker gemaakt werd. Alleen, het bleven onbestemde gedachten, het kwam niet verder dan een droom, en het oogenblik scheen nog ver verwijderd, dat zij duidelijken vorm aannemen en haar verwerkelijking verkrijgen zouden.
Intusschen had de schoolstrijd een aanvang genomen en in korten tijd had hij zulk een belangrijkheid verkregen, dat hij aldra richting gaf aan de ontwikkeling der partijen.
Tot 1857 was de school gebleven in handen van den staat. De wet van 13 Augustus 1857 was gekomen. Zij had wel het vrije onderwijs geschapen, en ook aan de Roomschen geoorloofd bizondere scholen te openen, maar terzelfder tijd had zij het neutrale onderwijs ingevoerd.
Over het beginsel van de wet waren de Roomschen onder elkander verdeeld. Sommigen, verhaalt Mgr. Schaepman, aanvaardden de neutraliteit van de officieele school als even zooveel winst, waar de protestantsche bijbel van de school verdween.
Men geloofde aan een neutraliteit, die christelijk kon zijn zonder de Israelieten te kwetsen. Men heeft zich vergist en men heeft het vroeg genoeg kunnen bemerken. Het neutrale onderwijs werd meer en meer het godsdienstlooze onderwijs.
Naarmate dit te constateeren viel, dachten de Roomschen het verder in dat de wet hun toestond bizondere scholen te openen, onder voorwaarden, die al waren zij weinig gunstig, toch uitvoerbaar waren. Zij vormden te dien einde schoolcomité's, hetgeen hun bijzonder gemakkelijk gemaakt werd door de inrichting der kerken en door de parochiale vereenigingen van weldadigheid.
De beweging nam scherper karakter aan. In 1868 verhieven de bisschoppen de stem, en zij deden het met kracht en gezag. Tengevolge van de verklaring van den heer Fock, Minister van Binnenlandsche Zaken, waarin hij uit naam van de liberale partij, die aan het bewind was, zich verzette tegen elke wijziging van de wet op 't lager onderwijs, omschreven zij den 23 Juli 1868 plechtig in een gezamenlijken herderlijken brief, de plichten die op de Roomsche ouders rusten ten opzichte van de opvoeding van hun kinderen. »De Kerk”, zeiden zij, »wil dat de jeugd onderwezen worde in kennis, maar zij wil tegelijkertijd dat dit onderwijs in alle opzichten katholiek en godsdienstig zij. Wanneer men tengevolge van de omstandigheden in de onmogelijkheid is, om in een school het noodige onderwijs te vinden, dat in alle deelen in overeenstemming is met den eisch der Kerk, dan is het geoorloofd tot een niet-Katholieke school de toevlucht te nemen, maar altijd onder de voorwaarden dat in deze school niets onderwezen worde, dat in strijd is met den godsdienst en de moraal”.
Deze daad van de bisschoppen herstelde de eenheid onder de Roomschen, en de herderlijke brief werd voor hen het heilig program in den langen, moeilijken en kostbaren strijd voor het vrije onderwijs.
Terwijl zij zonder uitstel en bijna zonder hoop zich aangordden tot den strijd, begrepen de Roomschen meer en meer de noodzakelijkheid van een nauwe aaneensluiting, de noodzakelijkheid om een dichte en goed gedisciplineerde keurgarde te vormen. Het ontbrak hun aan een organisatie, aan een program, aan dagbladen, aan bonden, aan alles wat een minderheid geoorloofd is, om haar rechten te doen eerbiedigen en recht te verkrijgen.
Zij gevoelden dat gebrek vooral toen de wet van 1878 tot stand kwam. De neerlaag, die zij toen leden, veroordeelde op volstrekte wijze hun planloos strijden. Die wet bekrachtigde het stelsel van 1857, terwijl zij de schatkist ter beschikking van de openbare school stelde, en daarentegen elke subsidie aan het bizonder onderwijs weigerde. Daarmede was alzoo aan alle rechtmatige verwachting de bodem ingeslagen.
Toch werden zij niet ontmoedigd, en zij hervatten den strijd met kracht, vertrouwende op het goed recht van hun zaak, hoewel zij niet voorzagen de waarschijnlijkheid van een naderende overwinning.
Deze was minder ver af dan zij geloofden, want spoedig na hun neerlaag vonden zij een leider, die bekwaam was hun te geven wat hun ontbrak, om een sterke politieke partij te vormen, gewapend tot den strijd en gereed om te werken met goeden uitslag.
II.
Inhoudsopgave
In 1880 nam voor de eerste maal een Roomsche priester zitting in de Staten Generaal. Hij heette de abt Schaepman.
Na een verblijf in Rome, waar hij den graad van doctor in de theologie had verworven, bezette hij sedert tien jaren den leerstoel voor godsdienst-geschiedenis van het seminarie van Rijsenburg, toen de kiezers van het district Breda hem afvaardigden om zitting te nemen in de Tweede Kamer. Hij was toen 36 jaar oud en hij had zich bij meer dan éen gelegenheid den roem verworven van schitterend redenaar en tegelijkertijd dien van dichter van den eersten rang te zijn.
Die hem zag erkende in hem een leider. Van hooge statuur, breedgeschouderd, een krachtige, massieve gestalte, deed hij denken aan die Hollanders van het zuiver ras, zooals het penseel van Rembrandt en Frans Hals ze op het doek gebracht heeft. Hij had een dik en breed hoofd, de neusgaten eenigszins wijd open, de kin vrij en moedig gemodelleerd, het gezicht bleek, terwijl twee naieve zacht-blauwe oogen u vroolijk en ondeugend met zonderlinge vastheid van achter den gouden bril aanzagen.
Dit fiere en aantrekkelijke gelaat, schoon het niet fijn besneden was, had een bizondere uitdrukking in den mond met de dikke lippen, geheel zwaar en gezwollen van welsprekendheid. Zelfs vóór men hem hoorde, herkende men hier den machtigen redenaar, wiens schitterend woord de massa's meesleepte.
En geheel zijn persoon maakte op den hoorder een indruk van kracht en volharding, van verstand en gezag. Men voorzag dat zijn gedachte op groote oogmerken gericht was, en dat hij om zijn doel te bereiken een onbuigzamen en onverzettelijken wil toonde. Hierbij gaf hij blijk van onomstootelijk vertrouwen in de toekomst en van overvloeiende geestdrift voor de zaak, die hij zonder moeite mededeelde aan degenen die met hem verkeerden. Hij was idealist, maar, om zoo te zeggen, practisch idealist. Hij begreep uitnemend de eischen van het moderne politieke leven, en geheel en al gehecht blijvende aan de beginselen, wist hij zijn tactiek aan te passen aan de omstandigheden. Geheel zijn invloed, die zeer snel steeg,—want hij was spoedig een der meest populaire mannen van Nederland—wendde hij, zonder ophouden en belangeloos aan in den dienst van zijn partij, die hij vormde, wapende en verdedigde. Gedurende bijna een kwart eeuw was hij, niet zonder meermalen zijn gezag scherp besproken te zien, haar heldenzanger, generaal en parlementaire veldheer.
Hij was priester-dichter, in de wapenrusting van een ridder. Zijn devies was: »Ik geloof, ik strijd,” en dat bracht hij in toepassing in geheel zijn leven. Hij was geboren voor den strijd, en hij wierp er zich geheel en al in, maar zonder ooit de beteekenis der werkelijkheid uit het oog te verliezen. Hij heeft de Katholieke partij gemaakt wat zij is; hij heeft haar nieuwe gezichtseinders getoond; haar door heilzame wegen geleid, die evenwel een weinig ongebaand en steil waren voor die wijze lieden, die gewoon waren, zich bedachtzaam voort te bewegen op de breede zijwegen. Bij zijn dood—te Rome den 21en Januari 1903,—was de rouw dan ook groot in zijn partij, en de tegenstanders, wier ideeën hij op de scherpste wijze had bestreden, maar die erkenden de eerlijkheid van zijn karakter en zijn spreekwoordelijke goedigheid, betoonden hun eerbied voor de groote en breede figuur van dezen reus.
De Roomschen in Nederland vergeten niet, dat zij hem alles verplicht zijn, en zijn geest beheerscht nog den politieken arbeid, dien zij trachten te volmaken.
Op het oogenblik, dat Dr. Schaepman de Tweede Kamer der Staten Generaal binnentrad was hun positie niet zeer gunstig. Hij zag het, en stelde dadelijk de middelen tot verbetering in het werk. Vóór alles vermeerderde hij de pogingen, om hun samenbinding te versterken. Hechte partijorganisatie was het doel dat hij niet uit het oog verloor, maar het was niet gemakkelijk die te bereiken. Zijn ideeën waren verre van een gunstig onthaal te vinden bij heel de wereld, en oude staatslieden, die er door opgeschrikt werden, veroordeelden streng zijn vermetelheid.
Hij begon met zijn partij dagbladen te geven; noodzakelijke middelen voor de moderne propaganda; en voor redacteuren en lezers te zorgen. Sedert eenige jaren had hij zelf de pen ter hand genomen, en stond hij in het groote Roomsche dagblad »De Tijd” Mgr. Smits ter zijde, die, eigenlijk gezegd, de stichter werd van de hedendaagsche Roomsche pers. Maar hij oordeelde terecht, dat één orgaan niet kon voldoen; hij riep nieuwe bladen in het leven en aan verscheidene onder die zeide hij zijn medewerking toe. Hij verleende deze in die mate, dat de Roomsche pers, die in 1855 maar telde één dagblad: »de Tijd”, bij zijn dood bezat: dertien dagbladen, negen en twintig bladen die twee of drie maal per week verschenen, zeven en zestig weekbladen en drie en veertig periodieken.
III.
Inhoudsopgave
Tegelijkertijd hield hij niet op in zijn geschriften en met heel zijn invloed aan te bevelen de toenadering tot de Antirevolutionairen. Alleen door eigen krachten konden inderdaad de Roomschen, die nauwelijks een vijfde van de volksvertegenwoordiging vormden, niet hopen ooit te komen tot de vrijmaking van het onderwijs, daar zij den steun van een desbetreffend wetsartikel misten. Welnu, Dr. Schaepman had bemerkt, dat op het terrein van den schoolstrijd, van den aanvang af de strijd aangebonden was door de geloovige en vurige Calvinisten. Op veel punten waren de eischen van de beide op zichzelf staande groepen dezelfde, en geen van beide kon hopen ze ingewilligd te zien, door eigen middelen alleen. Dr. Schaepman zag in, dat de strijd niet ging tusschen twee godsdiensten, dat het geschil niet meer ging tusschen twee families aan denzelfden stam ontsproten, maar dat de tegenstelling dieper ging, en dat de slag geleverd werd tusschen het Godloochenend materialisme en de geestelijke wereldbeschouwing, die haar eenigen grondslag vindt in het Christendom. En daarom arbeidde hij aan een toenadering, voor een gemeenschappelijk besteden van de krachten, die tot nu toe gescheiden waren gebruikt.
Deze taak bracht groote moeilijkheden mee; de poging scheen vermetel, en, om haar te doen slagen moest men een zóó meesterlijke leiding geven, zóó ingewortelde vooroordeelen uit den weg ruimen, dat ook de minst-zwaar-tillenden haar mislukking voorzagen. Velen zelfs ergerden zich aan deze verzoening, die hun toescheen een vergeten van het verledene te zijn.
Gelukkig, hij trof aan het hoofd van de Antirevolutionairen aan een man van genie, Dr. Kuyper, die hem ter zijde stond met al zijn kracht en hem hielp in het tot stand brengen van deze coalitie der christelijke partijen, welke door de tegenstanders betiteld werd met den naam: »monster-verbond.”
Deze verbinding kwam niet in één dag tot stand!
Eerst stil en in 't geheim kwam zij eindelijk in 't volle licht uit, toen zij na tien jaren haar pogingen bekroond zag met het ontnemen aan de linkerzijde van de stellingen, die zij gedurende veertig jaren ingenomen had.
De samenstelling van het ministerie Mackay in 1889, waarin twee Roomschen zitting namen, was het resultaat van deze goede verstandhouding; met de wet van pacificatie, die de gelijkheid in beginsel tusschen de neutrale officieele scholen en de vrije lagere scholen herstelde.
De krijgsbeweging had goede gevolgen gehad, en de Roomsche minderheid was niet meer een hoop die niet meetelde onder het volk. Men moest voortaan rekening met haar houden. Om een werkelijke politieke partij te vormen, restte haar een voortdurende organisatie en een belijnd program te verkrijgen. Dr. Schaepman had het reeds getracht, en sinds 1881 had hij in het maandelijksch overzicht van »Onze Wachter”, een proeve van een program voor de Roomsche groepen geformuleerd. Helaas, de onderlinge verdeeldheid verijdelde zijn pogingen.
De breuk kwam voor den dag, openbaar, hevig, dadelijk na de overwinning van de Christelijke partijen. Zij bestond in 't geheim sedert enkele jaren. Zij was begonnen aan 't licht te treden tegen 1884 ten tijde van de grondwetsherziening, en zij was niets minder dan de democratische stroom, die in de partijen gelijk als in de instellingen jonger leven wilde brengen, dat zijn kracht putte uit wat onder het volk leefde, worstelende met den dam van het conservatisme.
Op een afstand gezien gelijkt zulk een crisis op sommige kinderziekten, die na haar verdwijning een steviger gezondheid achterlaten. Niettemin zij bracht groote oneenigheid in de Katholieke partij, voor jaren. Door meer tact en verzoeningsgezindheid aan te wenden, had Dr. Schaepman misschien er het kwaadaardig karakter van indien niet kunnen voorkomen, dan tenminste kunnen verzachten; maar hij was een man geheel uit één stuk, sterk gehecht aan zijn denkbeelden, en met strijdlustig karakter. Wat zijn tegenstanders betreft, zij waren bezield van uitnemende bedoelingen, maar zij verdiepten zich te uitsluitend in de herinneringen aan het verleden, terwijl zij voorbijzagen de eischen van het tegenwoordige, en zich allerlei voorspiegelingen maakten van de toekomst. Onder hen werden in de eerste rij aangetroffen zij die in hun jeugd tot den aanhang van den grooten liberalen minister Thorbecke hadden behoord, de »Papo-Thorbeckianen” zooals men zeide, en die zich met een fierheid, gemengd met spijt, dezen heldhaftigen tijd herinnerden, waarin de vrijheid in gouden dageraad opkomende, de Roomschen met haar eerste stralen verwarmd had. Zij vormden de conservatieve fractie, die vereenigd om den heer Bahlmann, afgevaardigde van Tilburg, zich had afgescheiden van de democratische fractie, welke getrouw gebleven was aan Dr. Schaepman. Wat deze twee fractie's verdeelde, waren punten van tactiek en vereenigingskwesties: de eerste wilde volkomen aan de verstandhouding met de antirevolutionairen een einde gemaakt zien, terwijl de tweede er op stond haar te doen voortduren, en een overeenkomst wilde tot stand brengen in de punten die in geschil waren. Maar 't was ook de Sociale richting, die elk van haar zocht vast te stellen naar eigen voorkeur.
De twist werd heet en droevig: de Roomsche bladen verdeelden zich in twee kampen: ter eener zijde de »Tijd” en de »Maasbode” die partij kozen voor conservatieven, ter anderer zijde antwoordde Dr. Schaepman in »het Centrum”.
Het resultaat was dat de handelwijze van de afgescheiden fractie bij de verkiezingen van 1891 de herkiezing van hun ouden leider in Wijk bij Duurstede verhinderden; maar dank zij de edelmoedigheid van een zijner partijgenooten, deed hij enkele maanden later zijn intrede in het parlement als vertegenwoordiger van het district Almelo.
De fractie Bahlmann zegevierde; zij vormde de meerderheid van de Roomsche afgevaardigden in de Eerste en Tweede Kamer, die na afloop van de verkiezingen zich vereenigden in een nieuwe partij. Naar het voorbeeld van het Duitsche Centrum, tooiden zij zich met den naam »Centrumsclub” en zij aanvaardden als program de volstrekte zelfstandigheid van de Katholieke partij, en de practische inwerkingstelling van wat zij noemden »de politiek van de vrije hand”. Zulk een program kon de goedkeuring niet wegdragen van de minderheid, die onder leiding van Dr. Schaepman weigerde, met het »Centrum” samen te gaan. De eenige band die sedert dien bestond tusschen de vijandige groepen, was het besluit, genomen den 2 December 1891 in de algemeene vergadering van de Roomsche volksvertegenwoordigers, dat van tijd tot tijd »de leden van de Eerste en Tweede Kamer bijeen zouden komen, om te spreken over Katholieke belangen, die zich zouden kunnen voordoen in hun sfeer van werkzaamheid«.
Dat maakte de splitsing bijna volkomen. De kwestie van de kiesrechtwijziging, die toen opkwam, vermeerderde nog de verwarring en riep nieuwe misstanden in 't leven. Zoolang zij niet beslist was, dat is gedurende zes jaren, bewogen zich de verdeelde Roomschen, het spoor bijster, als in den blinde temidden van een zonderlinge parlementairen strijd, waarin meerderheden al naar 't voorkwam, dikwijls bij toeval, beschikten over ministeries en wetsvoorstellen. Dr. Schaepman streed er zonder ophouden voor wat hij geloofde overeenkomstig de waarheid en het waarachtig belang van zijn land te zijn, en, toen deze troebele periode voorbij was, hernam hij allengs zijn plaats aan het hoofd van de herstelde »Katholieke partij«.
IV.
Inhoudsopgave
Dadelijk kwam hij terug op zijn doel om haar een program te geven. Het tijdstip was gunstig. Nu men den broederstrijd over de Kieswet teboven was, gevoelde ieder de noodzakelijkheid van een beschreven regeling, waarin zich de herstelde eenheid zou openbaren en de eischen der Roomschen kort samengevat zouden worden. De 25 Roomsche volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer kwamen bijeen, en in de samenkomst van 20 October 1896 te Utrecht stelden zij definitief hun program vast. De invloed van Dr. Schaepman was overwegend geweest, en was te herkennen bijna bij elk artikel, in deze vaststelling van de voornaamste vraagpunten, waarop de vlijtige aandacht van alle Roomschen des lands zich moest vestigen.
In den aanhef sprak het program uit: volkomen gehoorzaamheid aan de groote Encyclieken van Pius IX en Leo XIII; onveranderlijke gehechtheid aan het Huis van Oranje-Nassau; en oprechte trouw aan de grondwet.
Dan kwamen in de eerste rij de sociale kwesties. Zoo had het Dr. Schaepman gewild, om te bewijzen, dat de politiek van de Nederlandsche Roomsch-Katholieken vóór alles sociaal was. Op dit punt was de Encycliek »Rerum Novarum« de fundamenteele wet. Daarmede verwierpen zij het socialisme als valsch, onrechtvaardig, leidende tot vernietiging van alle recht, van alle orde en alle vrijheid, en stemden toe dat de sociale kwesties in de eerste plaats van zedelijke orde waren, en dat zij dientengevolge niet goed opgelost konden worden dan in den geest van het Christendom. De Godsdienst, het huisgezin, de eigendom, voegden zij eraan toe, zijn volgens goddelijken wil de grondslagen der samenleving, en op het terrein van de sociale vragen moet de Staat altijd handelen, vooral in de nooden van den tegenwoordigen tijd, met voortdurende eerbiediging van de natuurlijke rechten van den menschelijken persoon en van het huisgezin.
Dadelijk deze beginselen in toepassing brengende, ijverden de Roomsche afgevaardigden voor Zondagsrust; zedelijke en stoffelijke verbetering van het lot der arbeiders; het verbod van overmatigen arbeid zelfs voor de volwassenen; de herziening van de armenwet op dezen grondslag, dat de ondersteuning van de armen hoofdzakelijk blijft toevertrouwd aan godsdienstige instellingen en vereenigingen van weldadigheid; de verzekering tegen ziekte, ongevallen, invaliditeit en ouderdom. Hier hadden zij met opzet nagelaten aan het woord »verzekering” toe te voegen »verplichte”, want zij wilden niet vooruitloopen op de wijze van organisatie. Ondertusschen wezen zij op de roeping van den Staat, om aan deze hervorming mede te werken, en het lot van den invaliden werkman niet over te laten aan de gunst van de openbare of particuliere barmhartigheid.
Op het gebied van het onderwijs stelden zij weer het beginsel op den voorgrond, dat hen altijd geleid had in den schoolstrijd. Het onderwijs, herhaalden zij, is een wezenlijk deel van de opvoeding, en in dit opzicht een recht en een plicht der ouders. Als uitvloeisel daarvan gaven zij het verlangen te kennen dat de vrije school, de eenige die de volkomen vrijheid van de huisvaders verzekerde, zooveel mogelijk regel werd, en dat de gelijkheid voor de wet, erkend en gewettigd in zekere mate door de wet van pacificatie van 1889, werd uitgestrekt tot al de graden van het onderwijs, evenzeer tot het Middelbaar en het Hooger, als tot het Lager onderwijs. Van de leerplicht spraken zij niet, want zij wisten dat deze teere kwestie niet nalaten zou de geschillen weer te doen opleven.
Wat de militaire aangelegenheden betreft, waren zij tegenstanders van alle verzwaring van persoonlijke en geldelijke lasten, voorstanders van een billijke schadeloosstelling aan de miliciens-kostwinners, en hun wenschen openbarende voor de verheffing van het zedelijk leven in de kazernes. Zij kenden op het terrein van de rechtspraak aan het overheidsgezag, dat van God komt, noodzakelijk het recht toe van de doodstraf, en stelden eenige maatregelen voor, als de vereenvoudiging van de formaliteiten, vereischt voor de voltrekking van het burgerlijke huwelijk; de vergunning van een schadeloosstelling, wettig voorzien en geregeld, aan hen, die in voorloopige hechtenis gevangen gezet, zouden erkend worden onschuldig te zijn, zonder aan de rechterlijke uitspraak te zijn overgegeven; en vooral, de overgave van jeugdige misdadigers aan liefdadige instellingen, gesticht door erkende godsdienstige gezindten, onder toezicht van den Staat.
Voor 't overige verwierpen zij in beginsel alle verzwaring van belasting, verlangden de opheffing van de successiebelasting in de rechte lijn, en wenschten dat de hulpbronnen van den Staat, indien de nood zich deed gevoelen, zouden worden gevoed door indirecte heffingen, bijv. met behulp van een belasting op de Beursondernemingen.
In een andere reeks van denkbeelden openbaarden zij hun protectionistische gevoelens. Voor het meerendeel vertegenwoordigers van de wezenlijk-landbouwende districten van Limburg en Noord-Braband, legden zij nadruk op de noodzakelijkheid om den nationalen landbouw en de nijverheid te begunstigen; herziening van het tarief van invoerrechten; herstelling van de octrooien; wijziging van de grondbelasting; vermindering van de belasting die den landbouw trof, door de opheffing van de binnenlandsche tollen; vermindering van de registreerrechten voor de pachtbrieven, meerdere vergemakkelijking van den afkoop van de tienden, enz. Tegelijkertijd vroegen zij aan den Staat, zijn zorg te toonen ten gunste van den nationalen arbeid, en zich voor de uitvoering van publieke werken niet dan force majeure te wenden tot vreemde arbeidskracht.
Zij vroegen nog, voor de Koloniën een meer daadwerkelijke bescherming voor de zendelingen; krachtdadiger steun voor de inlandsche Christenen tegen de aanslagen van hun Mohammedaansche heerschers; wettelijke autorisatie voor de kerken om zich met het inlandsch onderwijs bezig te houden; en de herziening van de regelingen die betrekking hebben op de toelating van de priesters, catechiseermeesters en zendelingen in Nederlandsch-Indië.
Eindelijk spraken zij hun leedwezen uit over de opheffing van het Nederlandsch gezantschap bij den Heiligen Stoel, en verzekerden niets te zullen nalaten om het te herstellen in het belang en voor de eer van het land, zoodra zij hoop konden hebben erin te zullen slagen.
Zooals men ziet was het program rijk voorzien, van wijden omvang, en lenig. Het bedoelde niet te vragen de eenheid maar de vereeniging. Dat is de ware en juiste weg. Voor een politieke partij, die tegelijk een partij van traditie is, is er geen andere weg.
Zoo oordeelde Dr. Schaepman, die er alles had doen uitlaten, wat had kunnen verdeelen. Daarom spreekt zich het program niet uit over de belangrijke, maar bijkomende kwestie van richting en strekking; het verklaart zich niet uitdrukkelijk conservatief noch vooruitstrevend; het was eenvoudig de grondregeling van de Nederlandsche Roomschen, die verlangden een wettig aandeel te nemen in de regeering van hun land.
Zooals het hierboven luidt, werd het door de algemeene vergadering van de Katholieke kiesvereenigingen plechtig goedgekeurd, eenige dagen vóór de verkiezingen den 5den Mei 1897 te Utrecht. Het werd dientengevolge het officieele program van de partij, die zich aan tucht gewend, ter strijde toegerust en georganiseerd had.
Want terzelfder tijd van een program, had Dr. Schaepman een organisatie voorbereid. Hij had begrepen dat alle pogingen ijdel zouden zijn, indien zij niet steunden op vereenigingen, die overal opgericht, in de districten en in de steden, omvatten de Roomsche krachten van het land in zijn geheel. Sedert lang had hij zich aan dien arbeid gezet. Hij had beoordeelingen, wantrouwen, belemmeringen ontmoet, maar zijn taaie wilskracht was ze teboven gekomen. Allengs waren er op verschillende punten van het land kiesvereenigingen ontstaan. Zij hadden hun voordeel gedaan met de comite's die reeds bestonden in het bizonder voor het onderhoud van de vrije scholen, en nu de periode van de aanvangs-moeilijkheden voorbij was, vermenigvuldigden zij zich snel. Voor de eerste maal waren hare afgevaardigden vereenigd bij het ophanden-zijn van de verkiezingen van 1897, en haar eerste daad was geweest de goedkeuring van het program.
De gedachten van den leider waren er op gericht, deze aanvankelijke organisatie te volmaken door dictricts-comite's, provinciale comite's, en eindelijk een centraal comité, dat het beheer had over de andere en de eenheid van leiding verzekerde.
Hij heeft, helaas, niet zoolang geleefd, dat hij de kroon mocht zien op dit werk, waarvoor hij zooveel had gearbeid.
De organisatie was op het oogenblik dat de dood hem overviel, slechts plaatselijk en provinciaal, maar hij kon voorzien dat zijn wenschen niet op hare vervulling zouden laten wachten, en nauwelijks was zijn lichaam aan het graf toevertrouwd, of »de Algemeene Bond van Roomsch-Katholieke Kiesvereenigingen in Holland” werd gevormd.
Reeds vóór zijn dood was het hem daarentegen gegeven geweest, de volkomen triomf van zijn politiek te zien. De Roomschen hadden, vereenigd met de Antirevolutionairen, bij de verkiezingen van 1901 den triomf verworven. Dr. Kuyper had met krachtige hand de teugels van het bewind genomen; de Katholieke partij zag er zich naar goede trouw deelgenoote in gemaakt; drie van haar leden verkregen belangrijke portefeuilles, en het ministerie in zijn geheel in nauwe gemeenschap met de rechtsche meerderheid zocht krachtig voldoening te geven aan de gemeenschappelijke eischen.
V.
Inhoudsopgave
Op 't oogenblik is de Katholieke partij in Nederland definitief en sterk samengesteld. Zij heeft politieke vereenigingen, die aanhoudend werkzaam zijn in bijna alle gemeenten, waar de Roomschen eenigen invloed kunnen doen gelden. In elk kiesdistrict heeft zij een districtsvereeniging, welker bestuur zich verzekert van de medewerking van mannen van toewijding en een lid afvaardigt, ter vorming van een provinciaal comité, dat zich bezighoudt met de verkiezingen voor de Provinciale Staten, en bij de zelfstandige districts-vereenigingen niet tusschenbeide komt dan om advies te geven of in twijfelachtige gevallen te beslissen. Eindelijk als de kroon op de organisatie, en haar gevende de eenheid van gedachte, ten opzichte van de noodzakelijke leiding, bestuurt een centrale raad, samengesteld uit afgevaardigden van elke provincie, de Algemeene Bond van Roomsch Katholieke Kiesvereenigingen in Nederland.
Voorzitter van dit centraal comité is de heer Koolen, afgevaardigde van Grave. Deze uitgebreide organisatie werkt niet altijd zonder horten en stooten; vooral is dit het geval in de provincies Limburg en Noord-Braband, waar de kiezers weinig gelegenheid hebben om van hun kiesrecht gebruik te maken, en minder de noodzakelijkheid van de vereeniging gevoelen. Hierin is geen verandering te brengen, even moeilijk als het is, van het eerste begin af, elke persoonlijken strijd en inbreuk op de discipline te onderdrukken.
In alle geval moet erkend worden, dat zelfs bij den tegenwoordigen stand van zaken de Nederlandsche Roomschen op dit punt verder gevorderd zijn dan hun geloofsgenooten in andere landen van Europa, en dat een organisatie als hun »Algemeene Bond” aan hun actie de grootste kracht verleent.
In de Kamer bezit de Katholieke partij 25 afgevaardigden, een vierde gedeelte van de nationale vertegenwoordiging. Deze afgevaardigden vormen de »Roomsch-Katholieke Kamerclub,” die een nauwe betrekking onderhoudt met den Algemeenen Bond van Kiesvereenigingen, en waarvan de voorzitter tevens de eigenlijke leider van de partij is. Na Mgr. Schaepman was het de heer Kolkman, een van zijn trouwe strijdgenooten, erfgenaam van zijn politieke hoedanigheden en zijn welsprekendheid, die deze plaats vervulde tot het begin van 1908, toen hij haar vaarwel moest zeggen om in het ministerie Heemskerk de portefeuille van Financiën te aanvaarden. Hij is vervangen geworden door den heer Loeff, een rechtsgeleerde van veel talent, wiens werkzaamheid aan het Departement van Justitie onder het ministerie Kuyper duidelijk aan het licht getreden is.
Wat de Roomsche afgevaardigden betreft: in de eerste plaats onderscheiden zich Mgr. Nolens, de eenige priester die op 't oogenblik in de Kamer zitting heeft, waar hij het district Venlo vertegenwoordigt, de landstreek zijner geboorte; de heer Van Nispen tot Sevenaer, afgevaardigde van Nijmegen, een man van oud geslacht, met kennis van zijn tijd en nauwgezette en degelijke bestudeering van de vraagstukken; de heer Aalberse, opvolger van Mgr. Schaepman in Almelo, die geheel zijn eerbied-afdwingend talent, zoowel om te spreken als om te schrijven, ten dienste stelt van het Centraal Bureau van Katholieke Sociale actie, waarvan hij secretaris is; de heer Passtoors, de stichter en voorzitter van de groote »Nederlandsche Roomsch-Katholieken Volksbond”; de heer Ruys de Beerenbrouck, president van den Geheelonthouders-bond »Sobrietas”, die 62000 leden telt, enz.
De ministerieele crisis van 1907 heeft haar oplossing niet anders kunnen verkrijgen dan doordat drie Roomschen, de heeren Kolkman, Nelissen en Bevers, in het ministerie Heemskerk zitting namen, waarin de traditie van de ministeries Mackay en Kuyper voortgezet wordt.
Zoodanig is de plaats, die de partij in het land en in het Parlement inneemt, dat zij eerbied afdwingt aan allen, vriend en vijand, en dat zij de werkzame, dikwijls beslissende zaakbezorger is van den wetgevenden arbeid.
Haar aanhoudende sociale actie heeft daar niet weinig toe bijgedragen. Na eenige tegenstribbeling in het begin, heeft zij haar leider Dr. Schaepman gevolgd, die tegen het einde van zijn loopbaan zeide: »Er is voor mij geen grooter troost in mijn strijd en mijn arbeid, dan te werken voor het volk. Ik kan het woord van Mgr. Ketteler herhalen: voor de kerk en voor het volk”. Onder zijn aandrijving heeft zij de sociale instellingen van allerlei aard doen toenemen, en alzoo heeft zij verhinderd dat de Roomsche arbeiders in handen kwamen van de socialistische volksleiders.
VI.
Inhoudsopgave
Van de talrijke Roomsche volksscholen is nauwelijks de schoolbevolking afgegaan, of zij wordt opgenomen in de patronages, geleid in de richting van de Vereeniging: Voor eer en deugd, en geroepen, bij haar intrede in het leven deel uit te maken van den Boerenbond »Vereeniging tot bescherming van den middenstand,” of van den »Volksbond”, tengevolge waarvan zij zich vestigt op het platteland en in de stad, en zich vertrouwd maakt met den landbouw, of commercieele of industrieele bedrijven.
Op dit oogenblik ook wordt zij geholpen in den dagelijkschen strijd voor het bestaan door de instellingen van voorzorg (credietkassen, verschillende onderlinge waarborgen); verdedigd tegen het alcoholisme door de matigheidsbonden: de kruisverbonden en de Mariavereenigingen; bijgestaan in den nood door de genootschappen van St. Vincent de Paul, die bizonder bloeiend in Nederland, hun zorg niet bepalen tot hulp aan den enkele, maar ook scholen bouwen en maatschappelijke werken ondernemen. Indien men zich rekenschap wil geven van het innerlijk leven, dat in dit geheele net van katholieke vereenigingen zich beweegt, dat men dan bijvoorbeeld naar Maastricht in Limburg ga. Daar in het groot gebouw van »het gesticht de Stuers”, alzoo genoemd, omdat het zijn ontstaan te danken heeft aan een mild legaat, vermaakt door een man van vermogen: den heer Ridder de Stuers, oud-adjunct van de stad, trekken zich de algemeene diensten voor geheel de provincie samen; het secretariaat van den arbeid van de »Limburgsche Roomsch-Katholieke Volksbond”; de arbeidsbeurs van den Volksbond van Maastricht: de Redactie en administratie van de „Volksbode”, het wekelijksch orgaan van het katholieke sociale leven in het Zuiden; het secretariaat van den Bond tegen het Alcoholisme: »Sobrietas” die te zeggen heeft over negen diocesaan-bonden en 62.000 leden; het centraal bestuur van de Limburgsche Katholiekendagen, dat tegelijk het »Bureau van de Katholieke pers” is. Met dit provinciaal middelpunt staat geheel de Katholieke organisatie van de diocese Roermond in verband. Zonder te spreken van de vereenigingen met meer weldadig of godsdienstig doel, het is vandaar dat het wachtwoord zich voortgeplant heeft tot 2176 leden van den Volksbond, tot 395 leden van de onderlinge verzekering van Katholieke onderwijzers, tot 1699 leden van het Kruisverbond, tot 13649 leden van den Landbouwbond, tot 631 van de »Hanze” en tot 779 leden van den centralen R. K. Mijnwerkersbond.
In de andere diocesen doet zich hetzelfde verschijnsel voor en openbaart zich dezelfde werkzaamheid, door de edele en verstandige toewijding van de Nederlandsche Roomschen aan de zaak der arbeiders.
Onder de belangrijke maatschappelijke werken moeten in de eerste rij genoemd worden de boerenbonden. Ontstaan uit een reactie tegen de »Maatschappijen van Landbouw” waarin de liberale invloed de overheerschende was, hebben zij zich snel ontwikkeld vooral in Noord-Braband en Limburg. Zij hebben voortgebracht syndicaten van koop en verkoop, melkerij-coöperaties, onderlinge credietbanken, en gevestigd een volledige rij van instellingen, gedreven door de edele begeerte, om het stoffelijk en zedelijk welzijn alom onder de landbouwende bevolking te brengen, en doordrongen van dezen practischen geest, die den Nederlander kenmerkt. Deze plaatselijke vereenigingen, streng Roomsch, welker besturen alle ter zijde worden gestaan door een geestelijken adviseur, zijn aangesloten in provinciale vereenigingen, en deze weer in een nationale organisatie, genoemd »de Nederlandsche Christelijke Boerenbond” die ongeveer 50.000 leden heeft. Maar, op dezen hoogsten trap, vindt men niet meer uitsluitend vereenigingen van Roomschen, men ontmoet ook Protestantsche; deze zich vereenigende met gene in een machtigen Bond, op den grondslag van een algemeen Christendom.
Evenzoo zijn de Roomschen niet onverschillig gebleven in de beweging van de fabrieksarbeiders. Hierin hebben zij meer bizonder de socialistische concurrentie te verduren gehad, maar de voortgang van de revolutionaire ideeën heeft hen nòch verschrikt, nòch ontmoedigd. Hun arbeid dagteekent van 1888. In dit jaar stichtte de heer Passtoors, een oud-onderofficier, die naar de industrie was overgegaan, de eerste Katholieke arbeiders-vereeniging, die weldra toenam en zich ontwikkelen mocht; een vruchtbare levenskiem, waaruit is voortgekomen een machtig getakte boom: de Nederlandsche Roomsch-Katholieke Volksbond. Zijn eerste »adviseur” was Mgr. Eigenraam. De encycliek »Rerum Novarum”, die bij de Katholieken van heel de wereld de sociale onaandoenlijkheid afschudde, en de sterke strooming die zich terzelfder tijd openbaarde in de richting van de arbeidersvraagstukken, zetten aan de organisatie een buitengewone geestdrift bij. In 1893 op het oogenblik, dat Mgr. Konings Mgr. Eigenraam als geestelijk adviseur verving, was de Volksbond van de Roomsch-Katholieken in Nederland reeds sterk; zij had zich ontwikkeld; zij had in Rotterdam een congres van twee dagen gehouden, een program van sociale eischen aangenomen, een adres aan de Koningin-Regentes geformuleerd, om haar bloot te leggen welke hervormingen gewenscht werden ten gunste van de arbeiders. Maar terzelfder tijd wijzigde zich haar karakter eenigszins: de Volksbond was in 't leven geroepen om in zijn rijen op te nemen arbeiders en kleine burgers, gesalarieerden en patroons, en de gemengde vereenigingen beantwoordden alzoo aan het ideaal van haar stichters. Het bleek dat daar een zeer goed begrip van maatschappelijke eensgezindheid had voorgezeten. Helaas, de practijk mocht er het succes niet van verzekeren. En langzamerhand kwamen in de plaats van de gemengde vereenigingen arbeidersafdeelingen voor den dag.
De Volksbond, die voortging onder zijn leden te tellen burgers en patroons, is meer en meer geworden de bond van Nederlandsche Roomsche arbeiders; een machtige vereeniging, die tot in deze laatste dagen zich splitste in even zooveel vereenigingen als er diocesen zijn, zonder dat er eenige officieele band tusschen bestaat. Er bestaat op 't oogenblik een centraal bestuur, aan welks hoofd de heer Passtoors staat, afgevaardigde van Beverwijk, die aanhoudend met bekwaamheid en bevoegdheid leiding gegeven heeft ter bereiking van het doel, dat de Bond zich voorstelt. De leden, ongelijk verdeeld over de vijf diocesen van Holland, gaan de 48.000 teboven; het onderscheiden initiatief, dat genomen werd, mocht vruchtbaar zijn; de congressen die georganiseerd werden hadden goed gevolg; de instellingen, die gesticht werden, bloeien: zooals het werk van het ambachtsonderwijs, sociale cursussen, spaarkassen, onderlinge verzekeringen, propagandaclubs, enz.; van het orgaan »de Volksbanier” worden meer dan 10.000 exemplaren gedrukt; de actie, die uitgegaan is op de openbare meening en bij de volksvertegenwoordiging, is gevestigd geworden door de nauwgezette bestudeering van de wetsonderwerpen, die in voorbereiding zijn en door een moedige propaganda.
»De Volksbond” vereenigt echter slechts een gedeelte van de Roomsche krachten. Tot den »Boerenbond” behoort een ander deel. De »Hanze” die de groote vereeniging is van de kleine burgerij, en waaraan een geestelijke, Ds. Nouwens, al zijn kracht wijdt, omvangt nog een ander deel. Boven deze komt sedert drie jaren een uitgebreider organisatie met ruime vooruitzichten en grootsche doeleinden: nl. de Katholieke Sociale actie. Dit is geen nieuwe vereeniging, en dat is het wat haar onderscheidt van de Duitsche Volksvereeniging, maar de verbinding van al de Roomsche vereenigingen, die in Nederland maatschappelijken invloed oefenen. Haar bewerktuiging is van eenvoudigen aard; in elke plaats benoemen de verschillende ambachten twee afgevaardigden om de plaatselijke afdeeling te vormen; de voorzitters en de secretarissen van de locale comite's vormen het diocesaan comité; de voorzitters en de secretarissen van de diocesaan comite's stellen den centralen raad saam, die een algemeen secretaris en meerdere assistenten voor de werkzaamheid van het centraal Bureau benoemt. De voorzitter van den centralen Raad is de heer Van Nispen tot Sevenaer, afgevaardigde voor Nijmegen; de algemeene Secretaris de heer Aalberse, afgevaardigde van Almelo; geestelijk adviseur de heer abt Angenent, professor aan het Seminarie te Warmond. Het Centraal Bureau is gevestigd in Leiden. Het biedt werkelijk een uitnemend arsenaal, bezit een schoone bibliotheek en vormt een belangrijke inlichtingendienst.
Aldus vinden we zijn zinspreuk werkelijkheid geworden: Centralisatie van bestuur, decentralisatie van actie.
Centralisatie van het bestuur; want de geheele beweging gaat vandaar uit; maatschappelijke enquêtes, de meest verschillende publicaties, de veldtocht van vergaderingen, de organisatie van de »sociale weken” enz. Een wekelijksch overzicht: de Katholiek, Sociaal Weekblad, dubbelblad van het dagblad »de Voorhoede”, draagt tot alle hoeken van het land uit de ideeën en de wijze van werken van deze uitgestrekte organisatie, die reeds meer dan 70.000 leden telt.
Decentralisatie van werkzaamheid; want de vereenigingen blijven, hoe ook in de organisatie opgenomen, toch zelfstandig, gedragen zich naar haar eigen regelingen en overeenkomstig haar eigen doel, bijna zonder dat het centraal bestuur zich aanmatigt haar iets anders te geven dan raad, een steun en een parool in de ernstige omstandigheden, die de eenheid van alle krachten en van alle goede gezindheid eischen.
Zoodanig is in 't kort de sociale arbeid van de Nederlandsche Roomschen. Er moet nog aan toegevoegd worden, dat deze beweging zoo volledig, zoo vruchtbaar in resultaten, en zoo rijk in verwachting, in volmaakte harmonie zich ontwikkeld heeft, onder de goedkeuring en het bestuur der bisschoppen. Terwijl zij aan de vereenigingen groote vrijheid van beweging lieten, hebben zij de beginselen geregeld waarvan de actie had uit te gaan, en met hun herdersstaf hebben zij hun kudde geleid in de richting van de maatschappelijke werkzaamheden, aansporend of matigend, al naar het noodzakelijk was, en als zoodanig ware aanvoerders van het Roomsche leger, met getrouwheid gevolgd, en met goed gevolg begrepen. 't Is niet tevergeefs dat de vermaarde Dr. Schaepman van hen zeide: »Ons vertrouwen en onze hoop rusten op hun woord, op hun macht, op hun wijsheid, op hun leiding. Zij hebben gesproken, zij hebben gehandeld met voorzichtigen moed, en op deze wijze hebben zij tusschen de verschillende takken van arbeid en instellingen een uitnemende samenbinding tot stand gebracht, en ze een hooge vlucht doen nemen.”
VII.
Inhoudsopgave
Een zoodanige bloei van organisaties en van toewijding op het terrein van het maatschappelijk leven verklaart den invloed der Katholieke partij. Zonder instellingen te zijn van politieken aard dragen deze vereenigingen er niettemin krachtig toe bij dat Roomsche ideeën in het openbare leven verbreid worden, en zij verzekeren aan hen, die ook op verstandige wijze de zedelijke en stoffelijke belangen van het volk behartigen, rechtmatigen invloed, die nog toeneemt door de beslist sociale gedragslijn van de Roomsche afgevaardigden in de Staten-Generaal.
Door zoo te doen geeft de Katholieke partij op schitterende wijze er bewijs van, dat zij de sociale kwestie, die op dit oogenblik zoo dringend de aandacht vraagt, zoo veel en zoo goed als mogelijk is, wil oplossen, en dat zij wil arbeiden aan de herstelling van de gemeenschap in christelijken geest. 't Is daarom, dat zij tot grondslag neemt de Katholieke leer, en dat zij zich vóór alles van haar moraal doordringt. Moet men hieruit besluiten dat zij een confessioneele partij is? Haar tegenstanders houden dit staande en versieren haar gaarne met dezen toenaam van »kerkelijk”, maar 't is de vraag, hoe men dat verstaat. Indien men, zooals het juist schijnt, door dit woord wil karakteriseeren de partij, die zich uitsluitend met godsdienstige belangen bezighoudt, die als bestaansreden en tot doel niets heeft dan de verdediging van de rechten der kerk, dan is de Nederlandsche Katholieke partij geen confessioneele partij. Ongetwijfeld, de bescherming van de Roomsche belangen staat bovenaan op haar programma, en alleen Roomschen worden toegelaten tot haar organisaties; ongetwijfeld de beginselen van het Christendom beheerschen geheel haar politiek; ongetwijfeld, de geestelijkheid en bizonder de bisschoppen oefenen door hun adviezen een dikwijls belangrijken invloed; maar de leiding van de partij is in handen van leeken, zijn horizont strekt zich uit tot alles wat de welvaart van het land kan doen toenemen, en de verdediging van het recht, dat allen burgers gemeen is, is een van de grondregels van haar actie. Volgens het woord van Broere door Dr. Schaepman weergegeven in een motto aan het hoofd van zijn brochure: »Een Katholieke partij” vormen de Nederlandsche Roomschen een politiek lichaam dat vrijheid wil.
Het is overigens voor een partij de voorwaarde voor alle sterken invloed, om niet alleen werkzaam te zijn voor wat met eigen belangen in verband staat; zij kan zich aan deze noodzakelijkheid niet onttrekken zonder er in te moeten berusten slechts een fractie, dikwijls genoeg een factie te zijn.
Voor de Roomschen in Nederland was het bepaald noodig; want indien zij hadden aangenomen een uitsluitend godsdienstig program zouden zij gestuit zijn op de vereenigde krachten van de Protestanten, die zich verbonden zouden hebben om hen buiten het gemeen recht te plaatsen; zouden zij nooit hebben kunnen staan naar het verbond met de Antirevolutionaren, en zouden zij een onmachtige minderheid gebleven zijn, versmaad, zoo niet vervolgd. Om hun vrijheid, waardigheid en gezag te verzekeren, moesten zij hun voordeel doen met de rechten aan alle burgers toegekend in de grondwet, moesten zij een politiek voeren, die geëischt werd door de omstandigheden; moesten zij gebruik maken van de parlementaire tactiek als van alle eerlijke middelen, en geheel vast verbonden aan de Roomsche beginselen, moesten zij zich weten te schikken naar de eischen van het politieke leven van dezen tijd.
Dat is wellicht de grootste dienst, dien Dr. Schaepman aan de zaak der Roomschen bewezen heeft, dat hij deze richting nauwkeurig heeft aangegeven en zelfs de vermetelheden van zijn tactiek hebben meegewerkt aan de ontluiking van de politieke en sociale werkzaamheid van zijn geloofsgenooten, aan wie hij heeft gegeven het bewustzijn van wat zij moesten en van wat zij konden.
In alle geval, in dit drievoudig karakter van populair, sociaal en positief, dat hij haar heeft ingedrukt, is het geheim gelegen van de kracht der Nederlandsche Katholieke partij, wat haar ook veroorlooft te dingen naar de rol, die haar leider in de algemeene vergadering van 1897 aldus aanduidde: »Wij willen de leiders en de geleiders zijn” en daardoor is de onbetwistbare invloed, die door haar verkregen is in de raadscolleges van het Nederlandsche volk, gevestigd en versterkt.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Inhoudsopgave
De Protestantsche Partijen.
Nederland is het klassieke land van theologischen strijd. De geschiedenis heeft de herinnering bewaard van die botsingen, die in de 16e en 17e eeuw het land in verwarring gebracht en zooveel bloed gekost hebben.
Op 't oogenblik zijn er de godsdienstige conflicten nog niet uit verdwenen, ze zijn alleen niet bloedig, en zij vertoonen zich nog onder de protestantsche partijen met een noodlottige levenstaaiheid, die langer blijkt te duren dan de tijd, waarin Arminianen en Gomaristen elkaar betwistten de macht in den Staat en tegelijkertijd het hoogst gezag in het godsdienstige.
Van zijn oorsprong af oefende het Calvinisme in Nederland invloed op het openbare leven. Meer dan het Evangelisch Christendom van Luther in Duitschland, ontwikkelde het zich naar buiten door de beschermende en op alles beslag leggende macht van den Staat, terwijl het al meer de hulp van de wereldlijke overheid in dienst nam, om de scheuringen te beheerschen en onder de nationale Kerk een meer of minder gemaakte eenheid te handhaven.
Ook toen de nauwe banden van slaafsche onderwerping tusschen Kerk en Staat waren losgemaakt, en een parlementaire constitutie het land ging regeeren, vond het in zijn vroegere belangrijke levensmomenten, in zijn geschiedenis en in zijn beginselen, genoegzame innerlijke kracht om te streven naar werkzaamheid op parlementair gebied.
Alleenlijk, dit was niet het werk of de houding van de oude nationale Kerk, de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel. De ontwrichting van de elementen, die haar samenstelden en die naar de gemeenzame uitdrukking van een harer predikanten, »met elkander verbonden waren als droog zand”, was een belemmering, om zich als zoodanig om te zetten in een partij. Slechts een kleine groep, zich losmakende van de massa conservatieve Protestanten, ondernam het om op de calvinistische beginselen een politieke actie te stichten.
't Was de antirevolutionaire groep, die zich schaarde rondom Mr. Groen van Prinsterer, en die langzamerhand grooter werd, toen de strijd ontbrandde voor de volledige vrijheid van het Christelijk onderwijs.
Maar bij den dood van Groen van Prinsterer, toen Dr. Kuyper de troepen wilde leiden, organiseeren en aan tucht gewennen, die door den moedigen voorlooper van de antirevolutionaire idee bij elkander waren gebracht, begonnen er verdeeldheden aan den dag te treden, gevolg van de botsing van het theologisch onderwijs en van den strijd der politieke neigingen. Er is maar één schrede tusschen verschil in systeem en scheuring, vooral wanneer de leider een man van gezagshandhaving is, en hij met al zijn macht zich verzet tegen alles wat hij beschouwt als een bederf in de leer.
Op deze wijze vormden zich langzamerhand naast de antirevolutionaire partij, de Christelijk-Historische en de Vrij-antirevolutionaire partijen, gedeelten, op meer of minder gewelddadige wijze in moeilijke tijden van beslissing van het oorspronkelijk bloc afgegaan.
Intusschen het is een natuurwet, die geldt voor partijen zoowel als voor den enkelen persoon; wanneer zij zwak zijn, zoeken zij als vanzelf versterking van hun kracht, toenadering tot elkander, om den invloed te verkrijgen die hun ontbreekt. Er is wederkeerige aantrekking, die zich onvermijdelijk doet gelden, en die, dank zij de inschikkelijkheid door de openbare meening betoond, dikwijls uitloopt op onderlinge verstandhouding of ineensmelting. 't Is alzoo gegaan met de twee in verschil zijnde fracties; waarbij zich de Friesch-Christelijk-Historischen hebben gevoegd, die meer en meer de scherpte van hun geschillen in theorieën en tactiek verzacht hebben, om zich te vereenigen in ééne organisatie: de Christelijk Historische Unie. Het wonderlijkste van deze ontwikkeling is dat zij de vermindering, zoo niet de verzaking, meebracht van den traditioneelen haat van een groot getal Protestanten tegen het Roomsch Katholicisme, en dat zij in de christelijke politiek van de rechterzijde elementen vereenigt, die eertijds elkander vijandig waren.
Toch voor de meerdere duidelijkheid zullen wij vasthouden de verdeeling, die heden niet volstrekt juist meer is, van drie onderscheiden partijen, en wij zullen trachten aan te toonen in welke richting, vervolgens onder welke omstandigheden, en langs welk proces de ontwikkeling van deze laatste tijden plaatsgegrepen heeft.
I. De Anti-revolutionaire partij.
Inhoudsopgave
Op het eerste gezicht schijnt de naam, door deze partij aangenomen, zonderling. Om er geheel de beteekenis van te weten, moet men zich houden aan de verklaringen die haar leider, Dr. Kuyper, daarvan gegeven heeft, voornamelijk in het korte overzicht, dat hij in 1898 schreef, in het encyclopedisch werk, dat de vreemdelingen, die in Nederland kwamen bij gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina, Nederland moest doen kennen: »Het doel van de Anti-revolutionaire partij is, aan de ideeën die ons hebben geleid in de dagen van onze nationale grootheid, den invloed te verzekeren waarop zij recht hebben.” Dit feit volgt uit het eerste artikel van haar program van beginselen, dat saamgevat aldus luidt: »De Anti-revolutionaire of Christelijk-historische richting vertegenwoordigt voor zooveel ons land aangaat, den grondtoon van ons volkskarakter, zooals dat, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming omstreeks 1572 zijn stempel ontving.”
Maar om dezen ouden nationalen en godsdienstigen geest te doen herleven, is het noodig, te niete te doen wat zich voor haar in de plaats heeft gesteld: het stelsel van de Revolutie van 1789. Ook vervolgt Dr. Kuyper: »Innerlijk vertoont zich de Anti-revolutionaire partij als een politieke partij, die zich aansluit aan de calvinistische beweging van 1572. Uitwendig vertoont zij zich aan ons als de tegenstandster van het grondbeginsel van de Fransche Revolutie; en dat is de eenige reden waarom zij zich antirevolutionair noemt.” Met andere woorden: in den naam liggen twee gezichtspunten op hetzelfde doel: het eene meer positief, dat een terugkeer is naar de aloude nationale traditie's; het andere negatief, dat bestaat in het bestrijden van den geest der Revolutie.
Men moet hieruit niet besluiten dat de partij vijandig staat tegenover alle revolutie; dat zou een verkeerde conclusie doen maken. In den grond der zaak is het tegendeel veeleer waar. Want juist de gebeurtenis, waarop zij zich beroept, is een revolutionaire daad in de scherpste beteekenis van het woord: de vestiging van het Calvinisme in Nederland en de opstand van Nederland tegen de Spaansche overheersching. Overigens, historisch gesproken is het Protestantisme wezenlijk revolutionair in dezen zin, dat in alle landen, waar het zich geplant heeft, het heeft medegebracht een vaak hevige breuke met den bestaanden toestand en het een revolutie veroorzaakt heeft.
Zoo kan men dan zeggen, dat eigenlijk de partij, die »antirevolutionair” genoemd wordt, dit niet geheel is, tenminste niet in den volstrekten zin van het woord. Zij is alleen de onverzoenlijke tegenstandster van de beginselen der Fransche Revolutie en bestrijdt met haar uiterste kracht de formule van den neutralen of god-loozen staat: noch God, noch meester, die haar toeschijnt daarvan een gevolg te zijn.
Toch ontkent zij niet dat de Fransche Revolutie vele goede, wenschelijke hervormingen teweeggebracht heeft; integendeel zij erkent dat, en aanvaardt ze, maar doet ze niet voortkomen uit de beginselen die deze beweging geleid hebben, maar uit God en de eeuwige beginselen van het goddelijk woord, geopenbaard in de Heilige Schrift. Want de beteekenis van het Evangelie voor het maatschappelijk leven is de godsdienstige grondslag van het staatkundig stelsel, dat door de Antirevolutionairen is opgebouwd. Artikel 3 van hun program van beginselen verklaart het letterlijk: »Op staatkundig terrein belijdt de partij de eeuwige beginselen van het Woord Gods, zóó evenwel dat het staatsgezag noch rechtstreeks nòch door de uitspraak van eenige kerk, maar alleen in de conscientie der overheidspersonen aan de ordinantie Gods is gebonden.”
En dat is niet een van de minst-belangrijke karaktertrekken van deze partij, dat zij voor haar oogen ziende de resultaten van een misleidende wetenschap en de droevige werking van een publiek recht dat met God niet rekent, terugkeerde naar de beginselen die het Christendom in de wereld ingebracht heeft, om daarop te gronden een herstelling van het maatschappelijk leven.
Om juist te zijn, moet eraan toegevoegd worden, dat de Antirevolutionairen zich tegelijkertijd stellen tegen den geest van het Roomsch Katholicisme. En dit is te begrijpen: in 1572 was dit de vijand, evenzeer als de Spanjaarden die het in de oogen van de Geuzen vertegenwoordigen, en het blijft het in zooverre het in 't algemeen noch het vrije onderzoek, noch de volkomen vrijheid van conscientie toestaat. Echter neemt die tegenstand bij hen niet den vorm aan van den wilden haat, dien de gevoelens van een groot getal Protestanten jegens de Roomsche kerk nog openbaren. Voor hen blijft de tegenstelling van belijdenis liever theoretisch, en zij gevoelen zich eens met de Katholieken in de erkenning van de noodzakelijkheid om een hervorming van het staatkundig en maatschappelijk leven te ontwerpen in christelijken geest.
Indien het nagestreefde doel de terugkeer is tot den ouden geest van 1572, zou men er soms logisch uit kunnen afleiden: dat de Antirevolutionairen moeten wenschen dat het Calvinisme als staatsgodsdienst hersteld worde. Dit is echter een dwaling, verzekert Dr. Kuyper: »De antirevolutionaire partij wil geenszins aan de Gereformeerde Kerken haar officieel karakter hergeven.” Want »in de Fransche Revolutie, die een einde gemaakt heeft aan een in veel opzichten verouderden toestand, moet men het rechtvaardig oordeel Gods zien over zooveel schandelijk machtsmisbruik.”
Nog meer, de partij is geen verdedigster van een bizondere kerk of van een godsdienstige belijdenis; zij streeft eenvoudig een calvinistische staatkunde na; en, alzoo verzekert ons Dr. Kuyper nog, het Calvinisme is geen kerkelijke beweging: »Het woord Calvinisme,” schrijft hij, »is alleen een term van historische beteekenis, dienende om een algemeene geestesrichting aan te duiden, die in de zestiende eeuw, zoowel in Genève als in Frankrijk, en zoowel in Nederland als in Engeland, zich baan gebroken heeft op alle levensterreinen, en met name in het politieke leven. De Antirevolutionaire partij heeft zich ook nooit aangesloten aan eenige kerk, welke dan ook, maar zij heeft onder haar vaandel verzameld allen, die de gedachte van een calvinistische staatkunde voorstonden, hetzij zij leden waren van de Kerk die genoemd wordt de Hervormde Kerk, of leden van de Gereformeerde, de Luthersche of de Doopsgezinde Kerken.”
Intusschen worden de Antirevolutionairen feitelijk hoofdzakelijk gevonden onder hen die men noemt: »de Gereformeerden of ook de ultra-calvinisten”, degelijke en vurige Protestanten, die Dr. Kuyper om zich verzameld heeft voor een godsdienstige hervorming ter zelfder tijd als voor staatkundige actie.
Medegesleept door het genie van hun leider, zijn zij het vooral, die de lange en sterke menigten vormen, welke hem ondersteunen in zijn arbeid, die ten doel heeft de herstelling van het volk en de bestrijding van den geest der Revolutie.
* * *
De revolutionaire leerstellingen hadden ingang gekregen door de Fransche overheersching in Nederland, die tot stand gebracht was door de legers van de Republiek; en de regeering van Lodewijk Bonaparte, broeder van den keizer, was er de triomf van geweest. Maar toen zij viel, kwam er een historische opwaking. Sinds 1813 had de dichter Bilderdijk met heftigheid deze beginselen aangevallen, die in zijn oogen waren een droombeeld, dat uit den latijnschen geest voortvloeide, en had hij toegejuicht een opstand van Europa tegen Napoleon. Maar hij was alleen blijven staan.
Een andere dichter, Da Costa, hervatte den krijgszang en leidde het begin in van een openbaar verzet, van een »contra-revolutie.” Nog eenige jaren verliepen vóór zij van de litteratuur overging op de politiek; het optreden van Groen van Prinsterer was het begin van de antirevolutionaire beweging en gaf haar het eigenaardig karakter, dat zij sinds aldoor heeft gedragen.
Weinig talrijk in het begin, en geen overeenstemming van inzicht hebbende, ontbrak den Antirevolutionairen samenbinding. De strijd voor de school, die aan de Roomschen eenheid en bezieling gegeven had, verschafte ook hun aanhangers en eenheid. Reeds jaren vroeger dan de Roomschen eischten zij de algeheele vrijheid van onderwijs, met een volharding, die zich door niets ontmoedigen liet. Terwijl de strijd aan den gang was, werd hun groep grooter door de overblijfselen van de conservatieve protestantsche partij, welke zich door de beschouwingen en methoden van een anderen tijd ongeschikt maakte voor het moderne staatkundige leven. En bij den dood van Groen van Prinsterer bevond zich Dr. Kuyper, die den betreurden leider opvolgde, aan het hoofd van een menigte talrijk genoeg, dat het alleen de zaak was haar achter een positief program onder tucht en orde te doen optrekken.
Op zichzelf is niets leerzamer, is niets bemoedigender, dan deze vooruitgang (waarbij men meer nog door de kracht der beginselen en het ideaal ondersteund werd, dan door den samenloop der omstandigheden en het ontzag der leiders,) van een politieke partij, die uit allerlei deelen is samengesteld, en die na vijftig jaren krachtsinspanning zoover gekomen is, dat zij tot herhaalde malen toe het lot van het land zich in handen gelegd zag.
Het moet ook gezegd worden, dat de onvermoeide werkzaamheid van Dr. Kuyper van niet geringe beteekenis geweest is, om dit resultaat te bereiken. Weinig menschen hebben op degenen die hen omringden, grooteren invloed, een zoo volkomen overwicht gehad, en een macht die meer instaat was om ze ter overwinning te leiden.
Van eenvoudig predikant te Beesd in Gelderland heeft Dr. Kuyper door zijn verstand en werkzaamheid het gebracht tot den eersten rang van de staatslieden van het hedendaagsche Nederland. Zooals het Dr. Schaepman was, en wellicht nog meer dan deze, is hij vóór alles volksleider. Een man met een ruime gedachtenwereld, met breede en nieuwe gezichtskringen, van snellen oogopslag, met een tegelijk vaste en zachte hand, en daarbij een ijzeren wil door niets te buigen, onvermoeid, en gesterkt door het geestdriftig geloof in het van verre zichtbare ideaal. Zoodanig was hij in 1872 op het oogenblik, toen hij op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd het redacteurschap van het dagblad de Standaard op zich nam, en zoo blijft hij, na een levensloop doorgemaakt te hebben, die verbazen moet.
Gelijk alle geesten van den eersten rang, heeft hij zijn vurige bewonderaars gehad en tevens zijn heftige bestrijders. Zijn tegenstanders noemen hem spottend: »den paus der Calvinisten«, en waarlijk: daargelaten in hoeverre zijn godsdienstig hervormingswerk in den boezem der volkskerk recht geeft hem alzoo te noemen, zijn voorkomen heeft iets ontzagwekkends, iets bisschoppelijks. Zijn Romeinsch gelaat, een weinig dik door de jaren, treft bij den eersten oogopslag door de scherpheid van trekken, den gekromden neus, het breede voorhoofd, en het vuur dat schittert in het levendig en doordringend oog. Zooals Dr. Schaepman de redenaarslip had, zoo heeft Dr. Kuyper de heerscherslip; en dit is een der merkwaardigste zijden van dit forsche en aantrekkende gelaat van dezen protestantschen leeraar, altijd in strijd, voortreffelijk en geducht schrijver, meeslepend en gewild redenaar, met bekwaamheid en diepen blik in het staatkundige, dat deze zucht naar gezag, velen zeggen deze geest van heerschzucht en dwingelandij, niet weinig bijgedragen heeft tot den waren haat, die velen hem hebben toegedragen en toedragen. Want dat is juist het moeilijke, wanneer het betreft een talent dat aan het genie grenst, om te beoordeelen waar het natuurlijk overwicht eindigt en de overheersching begint.
In alle geval, deze man, die in zich alleen een partij en een staatkunde vertegenwoordigt, heeft blijk gegeven van een ongelooflijke werkzaamheid en heeft een buitengewone taak vervuld. Hernieuwer van de Nederlandsche Kerk, heeft hij talrijke werken van protestantsche theologie geschreven, en om zich heen een nieuwe kerk verzameld. Op staatkundig terrein heeft hij zijn partij geheel er boven op gebracht, haar een bewonderenswaardige organisatie en een volledig program gegeven. Hij stichtte een gymnasium en bekroonde zijn arbeid op schoolgebied door een Vrije Universiteit, waarvan hij de eerste rector was.
Wat wel te verwonderen is: de partijleider hield voor zichzelf niet van het parlementaire milieu. Hij zelf bleef liever buiten deze atmospheer, hoewel die toch in Nederland zuiverder en minder afmattend is dan in zekere andere landen; hij oordeelde het niet gunstig voor zijn plannen. »'t Is alleen voor het onderwijs dat wij iets zouden kunnen doen«, zeide hij in 1893 tot den heer Charles Benoist. Nauwelijks gekozen tot afgevaardigde van Gouda, in 1874, legde hij het volgend jaar door ziekte genoodzaakt zijn mandaat neer, om een jaar later zijn krachten te wijden aan het onderwijs in al zijn geledingen. Niettemin, schoon er buiten zijnde, gaf hij leiding aan de groep Antirevolutionaire Kamerleden, die in den parlementairen kring werkzaam waren. Niet eerder dan in 1893 besloot hij weer de Kamer binnen te treden; het was toen de tijd, dat de door den heer Tak van Poortvliet voorgestelde kiesrechthervorming er een waren storm deed opsteken. Hij bleef er als vertegenwoordiger van Sliedrecht tot in 1901, het jaar, dat hij geroepen werd, een ministerie te vormen.
En toen in 1905 tengevolge van de verkiezingen zijn ministerie viel, trok hij zich eenigen tijd terug in den buitensten omtrek van het staatkundig leven, maar weldra hernam hij zijn plaats aan het hoofd van de Antirevolutionaire partij, die hij voortgaat met vaste hand te besturen.
* * *
Wat bij den eersten aanblik in deze partij treft, is, behalve het godsdienstig voorkomen dat zij heeft, de eenheid en de tucht die onder hare leden heerschen. Men zou zeggen: het is een blok, hecht en sterk gebouwd, zonder scheur en zonder gebrek. Door het van naderbij te bezien, bemerkt men dat deze eenstemmigheid in leiding en actie veroorzaakt wordt door het bestaan van een »program van beginselen«, en wanneer de algemeene verkiezingen in 't zicht komen door programs van actie of van urgentie, en eindelijk door een uitnemende inwendige organisatie.
Het program van beginselen is in zijn geheel het werk van Dr. Kuyper, die het aanvaard zag door het Centraal Comité van de partij, en die het verklaarde in een serie artikelen, in 1879 in zijn dagblad de Standaard, verschenen. Het dagteekent van den 1sten Januari 1878 en vormt het eerste document van die soort in Nederland.
Na te hebben verklaard dat de Antirevolutionaire partij »den grondtoon van ons volkskarakter vertegenwoordigt, gelijk dat door Oranje geleid, onder invloed der hervorming, omstreeks 1572 zijn stempel ontving«,en dat zij dit »overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand in een vorm die aan de behoefte van onzen tijd voldoet, wenscht te ontwikkelen«, spreekt het program plechtig uit, dat de »macht« niet opkomt uit den volkswil, noch uit de wet, maar dat zij eenig en alleen de bron van het souvereine gezag in God vindt. Zij verwerpt mitsdien met alle kracht het valsche beginsel van de volkssouvereiniteit, dat volgens haar de grondfout van de Fransche Revolutie is. Dit wil intusschen niet zeggen dat de Anti-revolutionairen tegenstanders zouden zijn van de benoeming van regeerders door het volk. Integendeel, zij stemmen toe dat God de souvereiniteit onder het volk kan doen besloten liggen, alleen met dit voorbehoud, dat verstaan worde, dat het volk de souvereiniteit niet bezit van zichzelf, maar alleen als die ontvangen hebbende van God. Met andere woorden, zij kennen aan het volk de uitoefening van het recht toe, niet het recht zelve. Wat de overheid betreft, zij regeert niet anders dan bij de gratie Gods, en het goddelijk Woord is de bron van de gehoorzaamheid, die de onderdanen haar moeten betoonen. Als dienaresse Gods in een Christelijke natie is de overheid diensvolgens gehouden tot verheerlijking van Gods naam, en tot eerbiediging van dezen naam, in al haar handelingen.
Diensvolgens behoort zij:
a. Uit bestuur en wetgeving alles te verwijderen, wat den vrijen invloed van het Evangelie op het volksleven belemmert;
b. Zichzelve, als daartoe in volstrekten zin onbevoegd, te onthouden van alle rechtstreeksche bemoeiing met de geestelijke ontwikkeling der natie;
c. Alle kerkgenootschappen, of godsdienstige vereenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hun denkwijze aangaande de eeuwige dingen is, te behandelen op voet van gelijkheid;
d. in de conscientie voorzoover die het vermoeden van achtbaarheid niet mist, een grens te erkennen van haar macht.
Want hier heeft de macht van den Staat haar grenzen en moet hij bedenken dat hij niet alles is, en niet alles kan.
Naast hem bestaan er andere kringen, die haar eigen rechten hebben en waarin een onafhankelijk gezag heerscht, dat is: de Christus in de Kerk, de vader in het huisgezin, en Dr. Kuyper voegt er aan toe, wel wat onvoorzien, ofschoon in den grond juist, de kapitein op zijn schip, de kunstenaar in den tempel der kunst, en de man der wetenschap in het rijk der letteren. De Staat kan dit onderscheiden gezag, dat niet uit het hare afgeleid is, niet tenietdoen, nòch met deze kringen zich vereenzelvigen.
Overigens, de Grondwet van 1848 behelst de regeling van rechten en plichten van den Nederlandschen Staat, en de Antirevolutionairen aanvaarden deze als uitgangspunt van hun hervorming der instellingen in Christelijk-historische richting.
In de zaak van het onderwijs houden zij zeer hoog het devies: »het onderwijs zaak der ouders«, gelijk Groen van Prinsterer hun dit heeft nagelaten.
Zij verwerpen het beginsel van de openbare school, en kennen alleen in zooverre aan den Staat het recht toe als onderwijzer op te treden, als het particulier initiatief onvoldoende is; en zij willen dat de vrije ontwikkeling van het volk zich verwezenlijke langs den natuurlijken loop van leven, en dat die niet op werktuigelijke wijze van boven af op het volk gelegd worde.
Daarom eischen zij dezelfde rechten voor alle scholen, welk haar paedagogisch of belijdend karakter ook zij, en meenen zij dat het Hooger onderwijs zelfs het werk moet zijn van het vrije initiatief.
Aan deze theorie van de school, gegrond op de vrijheid van onderwijs, is verwant die, welke de Antirevolutionaire partij zeer voorzichtig en zeer mild staande houdt, aangaande de verhouding van den Staat tot de verschillende godsdiensten. In dezen gedachtengang beweegt zich de richting van haar wenschen voor de volle vrijheid der kerken, waarbij de begeerte wordt uitgesproken, dat alles ter zijde gelaten wordt, dat zweemt naar een inmenging van den Staat in de inwendige aangelegenheden van de kerken. Maar 't is niet de volstrekte scheiding, die zij zich voorstelt, niet het minachtend en stelselmatig »ik ken u niet«; zij meent dat een contractueel reglement voor beide partijen tegenover elkander de allerbeste waarborg levert, die mogelijk is voor de onafhankelijkheid van elk in het bizonder.
Ziedaar ons dan ver van de scheiding, zooals die in Frankrijk tot stand is gekomen, poging van den Staat om beslag te leggen op de kerken, welke Dr. Kuyper streng heeft veroordeeld.
Op het gebied van de rechtspraak wil het program dat door een onafhankelijke rechtspraak, volgens de wetten die op de eeuwige rechtsbeginselen rusten, beslissing uitga voor alle geschillen van partijen, zoowel van burger-rechtelijken als van administratieven aard; dat voltrekking van straf aan den gevonnisde volge, niet slechts om de maatschappij te beschermen of den overtreder te verbeteren, maar allereerst tot herstel van de geschonden gerechtigheid: desnoods door de doodstraf, waartoe het recht in beginsel aan de overheid toekomt.
Wat de zaak van het kiesrecht aangaat, meent de partij dat geen kiesstelsel voor de wezenlijke natie kan in de plaats stellen een soort wettelijk en conventioneel land. Voorstaande de souvereiniteit van elk op zijn eigen terrein, vraagt de partij het kiesrecht voor alle hoofden van gezinnen, en voor alle hoofden van welken kring ook, op zoodanige wijze echter, dat dit recht niet individualistisch maar organisch geregeld zij.
En zoo gaat het program voort zich te ontplooien wijd en breed, als de rivieren van Nederland, die op hare wateren een gansche vloot van schepen dragen.
In 't voorbijgaan spreekt het van den vrijhandel, als in beginsel uitnemender, en de practische noodzakelijkheid van een protectionistisch stelsel; houdt zich lang op met in bizonderheden de maatregelen aan te geven, waardoor de openbare onzedelijkheid kan bestreden worden; spreekt zich uit ten gunste van de decentralisatie der provinciale en der gemeentelijke zelfregeering, »in zooverre zij geen schade doen aan het begrip van den Staat, en niet onverdedigd laten de onaantastbare rechten van den mensch«; vraagt voor de Koloniën dat de overheid ernstig de missie's bescherme, zonder dat zij daartoe zich heeft bezig te houden met de directe verbreiding van het Christendom; verzet zich tegen de exploitatie van de inlandsche bevolking en verklaart zich eindelijk nader over het maatschappelijk vraagstuk.
Wat dit punt aangaat tracht het te komen tot een algemeen-voldoende oplossing, door de eenheid van de verschillende klassen der maatschappij volgens den wil van het goddelijk woord. Om dit doel te bereiken, verwacht het van de tusschenkomst van den Staat zekere maatregelen, zooals het in 't leven roepen van Kamers van arbeid, de vaststelling van het maximum aantal werkuren, de bepaling van een rechtvaardig loon en van een billijk pensioen, zoowel voor den werkman als voor zijn weduwe en kinderen: maatregelen die voor den Staat niet zijn misbruik van macht, maar strenge plicht. Overigens, in dezen geleidelijken gedachtengang heeft Dr. Kuyper altijd verklaard, dat hij niets beters begeerde, daar de eene hand omlaag te mogen uitstrekken naar de proletariërs, en de andere hand omhoog naar de leden van de rijke of adellijke familiën, om alle klassen te vereenigen in een eenig leger voor den heiligen strijd. Maar allen hebben niet gedacht als hij, en hebben zijn sociale ideeën niet gedeeld. Hierdoor is de verdeeldheid verklaard, die in het vervolg onder de Antirevolutionairen geboren werd, en die tot het uitgaan van de Vrij-antirevolutionairen geleid heeft.
Zoodanig zijn, in 't kort de voornaamste punten van dit program van beginselen, een wezenlijke politieke geloofsbelijdenis, onder de bewerking van Dr. Kuyper ontstaan. Hij eindigt met de omschrijving van de tactiek, die voorts gevolgd zal worden, om tot inwilliging der eischen te komen, en die samengevat kan worden in twee woorden: dat op prijs gesteld wordt de handhaving van de volkomen zelfstandigheid van de partij, en tegelijk mogelijk geacht wordt vereeniging met andere groepen, op grond van een welomschreven plan van actie. 't Is op deze basis dat de verbintenis met de Roomschen tot stand kwam: de »Christelijke coalitie.«
Het is al dadelijk opmerkelijk, hoezeer de uitgebreidheid van het program en de afwezigheid van bekrompen of sectarische ideeën die er in openbaar wordt, derwijze dat het bijna in zijn geheel door de Roomschen zou kunnen aangenomen zijn, een trouwe en vruchtbare medewerking vergemakkelijken moest; want het bepaalt er zich hoofdzakelijk toe, alles saamgenomen, boven alle discussie te stellen vaststaande zaken en beginselen, die in het belang van de gemeenschap geen schade mogen lijden.
* * *
Dit program van beginselen breidde zich nog uit en ontving nog nauwkeuriger belijning naar gelang van de noodzakelijkheid, door den strijd der partijen en den drang der omstandigheden ontstaan. Aan den vooravond van de verkiezingen maakt de Antirevolutionaire partij een gedetailleerde lijst op van de onmiddellijk-dringende eischen, welker spoedige vervulling van aanbelang is.
Het eerste van deze programs van urgentie of van actie zag het licht in 1888.
Het vroeg de voorbereiding van een kieswet op den grondslag van verlaging van den census; Zondagsrust; arbeidsraden; wettelijke bescherming van de arbeiders; herziening van de handelsverdragen; verbetering van het kazerneleven en van de militaire rechtspraak; schoolhervorming, en koloniale maatregelen. Daarop volgde een resolutie, betreurende het heengaan van eenige belijders van den Christus op het oogenblik zelf, dat de strijd tegen de »ongeloovigen” bijna zeker met goeden uitslag zou bekroond worden. Het waren de »orthodoxe predikanten”, op welke dit doelde. Later gingen zij zich om Dr. Bronsveld scharen ter vorming van de Christelijk-Historische partij, en al wachtende ontzagen zij zich niet, volgens het zeggen van Dr. Kuyper, zich door bizondere belangen of antipathieën te laten verleiden, om zelfs de Christelijke school, deze gave Gods aan ons vaderland, monument van Christelijke toewijding en volharding, als offer te vergen voor hun misnoegdheid.
De verkiezingen van 1891 brachten iets anders.
De Antirevolutionaire partij had gedurende drie jaren het land geregeerd. Het ministerie Mackay had de hervorming van het lager onderwijs tot stand gebracht. Het was van aanbelang dat de aandacht van de kiezers gevestigd was op wat onmiddellijk daarna te doen overbleef. Dit was het doel van het nieuwe program van actie, dat aangenomen werd door de algemeene vergadering der afgevaardigden van de Anti-revolutionaire kiesvereenigingen. Het behelsde herziening van de grondwet, met het oog op een verbeterde samenstelling van de Eerste Kamer en het doel om daadwerkelijk het recht der minderheden te waarborgen; kiesrecht voor de gezinshoofden; bevestiging van den godsdienstigen vrede door organische wetten; meer-volledige vrijmaking van het onderwijs »door subsidies aan de bizondere lagere scholen en door wijziging van de wettelijke regelingen in betrekking tot de vrije Universiteiten; vorming van Kamers van Handel, van Nijverheid, van Landbouw, en van Arbeid; herziening van de Financieele wetgeving, in 't bizonder afschaffing van de Staatsloterijen en van de accijnsrechten, zooals ook wijziging van de patentwet, wijziging van de mutatierechten, sneller en goedkooper recht en eindelijk de invoering van een christelijke staatkunde in de koloniën.” Van de militaire kwestie, die het kabinet Mackay had gesteld, sprak het program niet, behalve dat het wenschte de verbetering van de rechtspositie van den soldaat en de verheffing van zijn zedelijk leven. De reden van dit zwijgen was vooral daarin gelegen, dat de ontwerpen die de financieele en militaire lasten verzwaarden bijna altijd impopulair maakten degenen die ze steunden, en dat de Anti-revolutionaire partij een neerlaag vermijden wilde. Zij slaagde er niet in, tengevolge van de geschillen die openbaar werden in den boezem der »Christelijke coalitie.”
Overigens bleef de kiesrecht-hervorming niet uit in het Parlement, en liet niet na wanorde teweeg te brengen in de geheele Kamer. De Anti-revolutionairen ontkwamen niet aan dezen algemeenen toestand, de democratische fractie onder aanvoering van Dr. Kuyper kwam hier nog in botsing met de conservatieve fractie onder Mr. De Savornin Lohman. Het resultaat was een splitsing tusschen »Kuyperianen” en »Vrijen”.
Bij het einde van deze critieke periode kwam de Antirevolutionaire partij, die getrouw was gebleven aan Dr. Kuyper, opnieuw met een program van actie voor den dag, ter voorbereiding van de verkiezingen van 1897.
Het nam in bizonderheden de eischen, in 1891 gesteld, weer op, en voegde eraan toe, behalve dringende maatregelen: de vorming, aan het ministerie van Handel en Nijverheid, van een bestuur van arbeid en landbouw; verplichte arbeidersverzekering; regeling van het arbeidscontract; Zondagsrust; wijziging van de douanetarieven; herstel van de belasting op de granen; wederinvoering van de doodstraf; wegneming van de beletselen voor het onderzoek naar het vaderschap; wettelijke tusschenkomst om de Neo-Malthusiaansche propaganda te stuiten; strijd tegen het misbruik van alcoholische dranken, en in de Koloniën tegen opium-misbruik.
Niettegenstaande de zorg aan de tactiek besteed en de pogingen, die in 't werk gesteld werden in den loop van den strijd, kwam de Antirevolutionaire partij ditmaal nog niet tot de overwinning. Ook van dit program werd tijdens de wetgevende periode niets verwerkelijkt, en het was hetzelfde, lichtelijk weer aangedikt, wat zij in 1901 onder den naam van program van urgentie aan de orde stelde. Alleen, er was geen sprake meer van verhooging van de rechten op de granen of van herziening van de grondwet. Men sprak in de eerste plaats van definitieve regeling van de schoolkwestie, en verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom, mogelijk gemaakt door een algemeene verhooging van de douanetarieven. En dit zijn meer bepaald de groote lijnen van dit plan van actie, dat Dr. Kuyper na de verkiezingen van 1901 bij zijn komst aan het bewind ontwikkelde in het ministerieel program van 17 September 1901.
* * *
Dr. Kuyper gaf aan de Antirevolutionaire partij een organisatie op bewonderenswaardige wijze samengevat, tegelijk zacht en krachtig, in een viervoudig orgaan: het Centraal Comité, het provinciaal Comité, de districtsvergadering en de plaatselijke kiesvereeniging. In elke stad en elk dorp, waar zich elementen van Calvinistische politiek bevinden, bestaat een kiesvereeniging, waarvan zelfs geestverwanten »niet-kiezers” lid kunnen zijn, een comité van propaganda, dat zich geheel zelfstandig bezighoudt met de verkiezingen voor de gemeenteraden, en zijn steun, werkzaamheid en invloed verleent bij de voorbereiding van de provinciale en generale verkiezingen.
Elk van deze plaatselijke kiesvereenigingen vaardigt een van zijn leden af, om de Centrale Kiesvereeniging te vormen, die zich niet noodzakelijk opsluit binnen de grenzen van een district; terwijl een andere organisatie, de Districtsvergadering, bestaande uit een zeker getal leden buiten de plaatselijke vereenigingen, zich daarnaast handhaaft. Deze organisaties bestrijden gezamenlijk de onkosten van de generale verkiezingen, voor zooveel noodig gesteund door de opbrengst van giften, welke door het Centraal Comité verzameld worden.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.