Kitabı oku: «Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn»
Pieter Louwerse
Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401214
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
EERSTE HOOFDSTUK. Vuistensoep tot avondeten.
TWEEDE HOOFDSTUK. De Moeder bidt.
DERDE HOOFDSTUK. Moeder heeft gedroomd.
VIERDE HOOFDSTUK. Het muist graag, wat van katten komt.
VIJFDE HOOFDSTUK. Onder Moeders gebed naar zee.
ZESDE HOOFDSTUK. Geketend en het hoofd geschoren.
ZEVENDE HOOFDSTUK. Pieter heeft weer stoppeltjes.
ACHTSTE HOOFDSTUK. Wat oorlog is.
NEGENDE HOOFDSTUK. Mensch of tijger?
TIENDE HOOFDSTUK. Een heele profeet.
ELFDE HOOFDSTUK. Vooruit! Vooruit!
TWAALFDE HOOFDSTUK. Het landje van Schep-op.
DERTIENDE HOOFDSTUK. Vader Heyn heeft het rekenen afgeleerd.
VEERTIENDE HOOFDSTUK. „Slaet opten trommele!”
VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Trompetter en Trompet.
ZESTIENDE HOOFDSTUK. Een schipper heeft ook oogen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. Een pleistertje op de wonde.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK. Een roerganger om voor te knielen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK. Een goed antwoord.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Spanje’s zilveren pols goed gevoeld.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Het avondschot is gevallen.
BESLUIT.
HISTORISCHE VERHALEN
NIEUWE SERIE.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
„Omtrent den inhoud van dit boekje kan ik kort zijn. De heer A. J. van der Aa zegt in zijn Biographisch Woordenboek der Nederlanden, van Piet Heyn sprekende: „Evenals van de meeste onzer Zeehelden is er omtrent zijne afkomst, jeugd en jongelingsjaren niets bekend.”—Ik kon dus niets anders doen dan gebruik maken van overleveringen, die omtrent hem in omloop zijn, en voor het overige mijn’ held tot 1623, wanneer hij als Vice-Admiraal indienst der W. I. Compagnie trad, doen leven in de gebeurtenissen van zijn tijd. Dat hij hieraan een wakker aandeel genomen heeft, valt wel niet te betwijfelen, doch van die gebeurtenissen zondere men uit de twisten tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten. De meeste zeelieden waren Contra-Remonstrantsch, doch bemoeiden zich niet met die kerkelijke geschillen. Ze geloofden, wat ze als kind geleerd hadden, leerden varen en waren aan den wal vreemd aan elke partij.—Voor een deel vond ik de gebeurtenissen in dit boekje vermeld, in eene historische plaatsbeschrijving van Delftshaven.—De jeugd van Piet Heyn moge dan ook tot de verdichting behooren, aan de geschiedenis van Delftshaven bleef ik getrouw. Moge dit werkje de lezers vinden, die ik mij voorgesteld heb.”
Tot zoover het slot van de voorrede van den tweeden druk. Bij dezen derden druk voeg ik slechts den wensch, dat de vermeerdering en verbetering van den inhoud en bovenal dat de wijze van illustreering het werkje ten goede moge komen en dat het weer de lezers en lezeressen vinde, die ik mij zoo gaarne voorstel.
Den Haag.
P. LOUWERSE.
EERSTE HOOFDSTUK.
Vuistensoep tot avondeten.
Inhoudsopgave

Al lang hadden de Delftenaars, die in het Graafschap Holland en zelfs vrij ver er buiten een’ aanzienlijken handel dreven in bier en boter, verlangend uitgezien naar een’ waterweg, die de stad met de breede Maas in verbinding zou stellen. Met geld en goede woorden kon men toen bij de Graven van Holland nogal wat gedaan krijgen. De Delftenaars beproefden dat bij den Graaf, die Albrecht van Beieren heette, en het gelukte. Door een Grafelijken voorrechtsbrief kreeg Delft vergunning om eene haven naar de Maas te graven. Delft was dus eene havenstad geworden. De haven liep met eene sluis in de rivier en het spreekt bijna vanzelf, dat bij die sluis zich vele Delftenaren metterwoon vestigden. Ruim twee eeuwen later, in 1631, telde men er meer dan vijfhonderd huizen en daaronder zelfs zeer aanzienlijke, die bewoond werden door kooplieden, die een’ uitgebreiden handel dreven. Veertig jaar vroeger, in 1591 dus, was deze plaats niet zoo welvarend, want in de eerste jaren van den Tachtigjarigen oorlog had ze zeer veel geleden, nu eens door de Spanjaarden, dan door de Watergeuzen, want waar het op vernielen en plunderen aankwam, gaven die twee elkander geen krimp. Maar de eerste jaren van dien bangen strijd waren voorbij. De Watergeuzen bestonden onder dien naam niet meer en de Spanjaarden hadden in heel Holland niets meer voor hun zeggen, zoodat die van Delftshaven al druk bezig waren zich van de geleden oorlogsrampen te herstellen en de plaats weer in welvaart toenam.
Die welvaart van Delft en Delftshaven maakte echter de Rotterdammers jaloersch, zoodat de verhouding tusschen de bewoners dier twee plaatsen niet zoo heel vriendschappelijk was. Dat was vooral een kolfje naar de hand van de jongens, die daardoor steeds in de gelegenheid waren om zich in de kunst van oorlogvoeren te oefenen, en niet zelden was de Maasdijk, die den verbindingsweg tusschen deze twee plaatsen vormde, het tooneel van een’ veldslag tusschen jongens, waarbij het meestal heel ruw en woest toeging. Van zulk een’ jongens-veldslag willen wij getuigen zijn.
Het was de zevende Augustus van het jaar 1591 en het liep tegen den avond. Het was dien dag drukkend heet geweest, doch een onweder had de hitte aanmerkelijk doen afnemen en de regen, die bij stroomen neergevallen was, had den dijk, die niet bestraat was, niet veel beter dan onbegaanbaar gemaakt. Wandelaars, die verkoeling zochten, waren er dus niet te zien, en zij, die men zoo nu en dan nog eens zag, waren door hunne bezigheden gedwongen, dien glibberigen weg te betreden. Voor straatjongens is echter zulk een morsboel geen beletsel om slag te leveren. Integendeel, ze vonden het heerlijk, want ze waren er te vrijer door in hun doen en laten. Dat schenen ook de bengels, die daar onder wild geschreeuw met elkander aan het vechten waren, zoo te meenen. Zoo op het oog waren het jongens van tusschen de twaalf en zestien jaar oud, die elkander met steenen en stukken hout gooiden, of met stokken en touwen, waarin knoopen gelegd waren, elkander te lijf gingen. Hier en daar zag men er ook twee al worstelend door de modderplassen zich wentelen. Het was een tooneel vol ergerlijke ruwheid.
En dat had nogal plaats niettegenstaande Schout en Schepenen bij advies van Burgemeesteren van Delft, eene publicatie uitgevaardigd hadden waarbij verboden werd, dat de jongens van Delftshaven vochten met die van Rotterdam, „op poene (boete) dat sulcke rebelle jongers verbeuren sullen het opperste Cleet, dat nobel man met de daed hem sal mogen uyttrecken en ofnemen oft selve te mogen redimeeren[1] met twee pond van 40 g. en bij verwondinghe ofte mishandelinghe gevonnist te worden tot discreet[2] van Schepenen. Ende indien soodanigh jongers ontloopen ofte nyet te becomen en ware zullen de ouders daarvoor worden gevonnist.”
Ge ziet, dat er nogal krasse maatregelen genomen waren om die kwajongens-liefhebberij te keer te gaan, en dat men nu, trots die straffe bedreigingen, toch nog bijna op leven en dood durfde vechten, moet wel toegeschreven worden aan iets heel ergs, en eer we nu dit gevecht van naderbij bekijken, willen we eerst samen eens onderzoeken, wat de oorzaak ervan was. We gaan daarom een uur of drie terug en stappen in de Groenendaal te Delftshaven, een klein, onaanzienlijk gebouw binnen.
Op een houten vloer, die op balkjes en dus wat hooger lag dan de steenen vloer van het vertrek, was eene vrij groote houten kast getimmerd, die niet heel hoog, maar nogal lang en tamelijk breed en van boven open was. Het best valt zulk een ding te vergelijken met den katheder of het spreekgestoelte waarin iemand voor eene vergadering eene voordracht houdt. De kast hier genoemd was echter ruimer en hij, die er plaats in nam, stond er niet in, maar zat er in. In de kast, die we hier voor ons zien, zit een man met een zeer streng voorkomen. Hij heeft eene veeren pen achter de ooren en op een’ lessenaar, die boven op den bak is vastgehecht, ligt een boek in perkamenten omslag. In de linkerhand houdt de man een soort van potlepel, waarmee men soep zou kunnen scheppen, als hij maar, als een gewone lepel, hol uitgesneden was. Dat ding is evenwel niet gemaakt om te scheppen; het dient alleen om de jongens, die daar aan onooglijke, groote tafels zitten te spelen, rekenen of schrijven, in toom te houden. Ge begrijpt wel waar we zijn, nietwaar? Wij zijn in de eerste en eenige school van Delftshaven, en de man, die daar in zijne kast zit, is Meester Jacob Zegers, die van de Regeering van Delft ten vorige jare vergunning gekregen heeft, om ook talen te onderwijzen.

Twee „brave” jongens. (Bladz. 4.)
Op eene der banken zitten twee „brave” jongens, schijnbaar ijverig bezig, eene les over te schrijven. Als men evenwel wat naderbij komt, ziet men, dat het met het lesschrijven niet zoo heel hard vordert. Één van hen, Willem Adriaensz. Blokmaker, wiens Vader diaken in de Gereformeerde kerk is, is bezig met een mes in de tafel te snijden. Willem is een kunstenaar in zijne soort; hij snijdt met diepe kerven, die bijna aan de andere zijde van de plank uitkomen, eene haringschuit. De ander, Jacob Pietersz. Heyn, doet alsof hij schrijft, maar zet geen letter en fluistert, voor zich uitziende: „Broer Piet komt vanavond weer thuis. Wist-je ’t al?”
„En komt hij dan weer op school?”
„Ja, dat kan-je zoo maar aan je hart voelen! Denk-je dat de Meester vergeten is, dat hij hem op een’ goeden dag van school gestuurd heeft?”
„Dat is waar ook. Maar waarom heeft Meester hem weggestuurd? Alvast niet voor zijne braafheid!”
„Alles behalve. Eigenlijk kon Pieter het wel eens wat al te bont maken; want Meester Zegers is zoo kwaad niet.”
„Dat is te zeggen: hij gebruikt de plak toch nogal eens en zijne slagen komen goed aan ook.”
„Nu ja, maar is het ooit onverdiend? Leggen wij het er niet al te vaak op toe om hem boos te maken, en ons dan van pret te verkneuteren over de vreemde gezichten, die hij dan trekken kan? Dat is toch niet goed, weet-je!”
„Wat word-je vroom en braaf!”
„Zeg dat niet, maar wat waar is mag gezegd wezen. Pieter zelf zegt, dat hij Meester zóó lang getergd heeft tot hij bij het „kantoor”,—zoo noemde men dien lessenaar wel eens,—moest komen om een’ slag met de plak te ontvangen.”
„En dien slag kreeg hij niet, hé?”
„Neen! Juist toen Meester de plak met kracht liet neerdalen, trok Pieter de hand terug en Meester sloeg zijne eigen knieschijf bijna stuk. De man gaf een’ luiden schreeuw van pijn, ja, er zijn jongens, die gezien hebben, dat hem de tranen uit de oogen sprongen. Zóó raak was het.”
„En Pieter?”
„Die liep de school uit, zoo vlug hij kon, doch toen wij den volgenden morgen weer op onze plaatsen zaten,—Pieter was stilletjes op straat gebleven,—schreef Meester met groote letters op het zwarte bord dat Pieter Pieterszoon Heyn van school gejaagd was.”
„En wat zeiden je Vader en Moeder ervan?”
„Moeder begon te schreien van verdriet, en Vader beproefde Meester te bewegen om Pieter nog een jaar op school te houden, maar dat was mis. Meester zeide: „Er moet een voorbeeld gesteld worden, goede man! Uw oudste zal geen voet meer in mijne school zetten, als ik niet wil, dat de bengels er mij anders op den eenen of anderen dag uitzetten. Dat zou er van komen. Dus .... Piet moet maar zien, dat hij den mast inklimt met wat hij kan en weet, en dat is weinig genoeg. Dat is mijn laatste woord.”
Wat nu te doen? Moeder wilde dat Vader nog eens naar Meester Zegers ging, en dat hij Pieter dwingen zou een’ knieval voor Meester te doen, maar hiervan wilde Vader niets weten. Van een’ knieval voor iemand doen komt bij zoo’n ouden Watergeus, als Vader is, nu heelemaal niets. Hij zocht een plaatsje voor hem op eene Rotterdamsche schuit om de riviervaart te leeren. Maar weet-je wat nu het geval is?”
„Wel neen! Hoe zou ik dat kunnen weten?”
„Welnu, ik zal het je zeggen. Dicht bij de Schiedamsche poort te Rotterdam woont een zwager van Meester Zegers. Die man heeft twee jongens, die er achter gekomen zijn welk eene poets Piet hun’ Oom gespeeld heeft. Ze willen hun’ Oom nu wreken, en telkens als Piet voorbijkomt, loopen die jongens van Meesters zwager hem na en schelden hem uit voor al wat leelijk is. Piet heeft den laatsten keer hun ieder een’ opstopper gegeven, die zoo even raak was. Dat is oorzaak, dat die twee jongens, ik weet zeker, dat het zoo is, een tiental van hunne kameraads hebben overgehaald om Piet, als hij weer voorbijkomt, een pak slaag te geven. Ze zullen zich achter den dijk versteken en hem onverwachts aanvallen!”
„Dat is gemeen; twaalf tegen één!”
„Zóó, dat zeg ik ook, en daarom heb ik er wat op bedacht. We moeten Piet, die nergens van weet, helpen!”
„Dat is goed en wel; maar hoe?”
„Gauw gezegd. Ik ben te weten gekomen, dat de Rotterdammers, bij de tweede bocht van den weg zich verbergen zullen. Wij gaan naar de derde bocht, die er maar eenige schreden van verwijderd is.”
„En dan slaan ze Piet in dien tusschentijd, dat hij geen tien kan tellen!”
„Geen nood! Als Piet ziet, dat er zooveel zijn, dan zal hij het wel op een loopen zetten. Lichtelijk duurt het eene minuut of wat, eer ze hem ingehaald hebben!”
„En dan?”
„Wel, dan komen wij uit onze hinderlaag en de Rotterdammers staan dan netjes tusschen twee vuren. Wat zeg-je van dat plan? Je gaat toch mee, is ’t niet?”
„Met onze beiden toch niet?”
„Ben-je mal? Mijne broêrs Simon en Cornelis gaan ook mee; dat is gisteren al besloten. En vanmiddag heb ik het aan Jan van Dominee Jansz. en Claes Adriaensz. eveneens gevraagd. Die gaan ook mee, als jij en Jan Dirksz. niet achterblijven.”
„Ik ga mee, en ik weet zeker, dat Klaas Bout en Herman de Kruyt ook van de partij zijn. Met hoevelen zijn we dan?”
„Dan zijn we met ons ... ons ... met ons negenen!”
„Ei, dat is er nog drie minder dan de Rotterdammers!”
„Jawel, maar Piet is onze tiende man, en die telt er wel voor drie! Al de jongens houden van Piet, en misschien gaan er nog wel meer mee, als we het maar vragen!”
„Nu, goed, goed, ik ben je man! Een’ knuppel zal ik onderweg wel opduiken. Wanneer moeten we bij de derde bocht zijn?”
„Vroeger dan de Rotterdammers bij de tweede; ze konden ons anders wel eens zien en dan was de kans verkeken. Om kwart voor zeven gaat Piet uit Rotterdam. Wij moeten er om zes uur zijn. Maar niet allemaal tegelijk, hoor, anders ruikt Mijnheere van den Gerechte lont; wij worden binnengehouden en Pieter krijgt zijne volle bekomst.”
Op dit oogenblik scheen Meester Zegers te twijfelen, of die twee ijverige knapen op de achterbank, wel zooveel uitvoerden, als ze den schijn aannamen, en daarom klonk het op den gewonen stijven en plechtigen toon: „De jongelingen van de achterbank staan van hunne zitplaatsen op en naderen mij, opdat ik zien moge den arbeid hunner nijvere handen!”
Misschien lacht ge om die uitdrukking en zegt ge, dat toch wel geen enkel onderwijzer zoo dwaas zal zijn om tegenover schooljongens zulk eene bespottelijk deftige taal te spreken.
Er bij geweest ben ik niet, doch waar is het, dat de schoolmeesters zich toen dikwijls heel dwaas aanstelden, en om te toonen, dat zij het wisten, maar al te vaak heel deftige boekentaal spraken. Het kan zijn, dat Meester Zegers een verstandig schoolmeester was, doch daar bijna al de schoolmeesters toen zoo verwaand waren, tel ik hem maar bij de dwazen. Een weinig meer weten dan ge nu weet van de toenmalige scholen, zal u blijde doen zijn, dat uwe onderwijzers heel andere menschen zijn.
Gelukkig hadden de knapen vóór hun gesprek inderdaad ijverig gewerkt, zoodat ze met eene vermaning, gepaard met een’ flinken draai om de ooren, die behoorde er zoo bij, naar hunne zitplaatsen konden terugkeeren. Kort daarop ging de school uit en hoorden de bewoners van de Groenendaal, dat het halfvier was, hetgeen ze gewoon waren uit te drukken met een: „Daar breken de gevangenen weer los; het is halfvier!”
„Waar ga-je heen, jongens?” vroeg een uurtje later eene vrouw in de Kerkhofsteeg aan hare drie zoons.
„Moeder, we gaan Pieter te gemoet!” antwoordde Jacob.
„Zoo, dat is vroeg genoeg! Zorgt maar dat je niet geplukt en gehavend thuiskomt, zooals dat meer het geval is geweest, anders zullen je Vader en ik je de metten lezen! Verstaan?”
„Ja, Moeder!” mompelde het drietal, dat weldra de Kerkhofsteeg uit en op den dijk naar Rotterdam was.
De drie broeders waren niet het eerst op de afgesproken plaats: de derde bocht van den dijk van Rotterdam af. De meesten waren al tegenwoordig, en toen Jacob een half uurtje later wapenschouwing hield, bleek het, dat hij te bevelen had over negen jongens, die met stokken gewapend waren, en over vier, die zich van een’ goeden voorraad steenen voorzien hadden. Jacob zelf, als Aanvoerder van de bende, had zich gewapend met een dik touw met zeven knoopen erin. Stil bij elkander gezeten, trachtten ze den tijd, die hun wel wat lang viel, te verdrijven met allerlei verhalen omtrent de heldenfeiten, die ze reeds bedreven hadden, of nog volbrengen zouden.
Juist met klokslag van zeven uren trad Pieter Pietersz. Heyn, de schippersjongen, de Schiedamsche poort uit en den dijk naar Delftshaven op. Pieter was een stoere, ik zou haast zeggen, een pootige, jongen van ongeveer vijftien jaar. De gezondheid lag op zijne volle, bruine wangen, en de wijze waarop hij het hoofd droeg, deed genoeg zien, dat hij voor geen klein gerucht vervaard en een echt baasje was. Dat kon men trouwens ook wel aan zijne glinsterende oogen zien. Het scheen hem zelfs niet te bevallen, dat de twee neefjes van Meester Zegers hem niet naschreeuwden: „Delftshavensche Kniebeuker!” Hij had zoo van zijne schuit af tot op deze plaats loopen bedenken, hoe hij Govert en Steven hunne volle bekomst geven zou. Hij had er al op bedacht, dat hij onder het uitdeelen van krachtige vuistslagen roepen zou: „Hier, Rotterdamsche Hongerlijders, hier heb-je van den Delftshavenschen Kniebeuker boterhammen met knokkelworst en vuistenvet!”—En nu, geen mensch te hooren! Maar wacht, is het vandaag niet, dan morgen! Hunne boontjes lagen in de week. Lang geborgen zou nog niet kwijtgescholden zijn.
Onder het fluiten van een lustig schippersdeuntje stapte hij vroolijk verder. Wat gaf hij, op de keper beschouwd, ook om die twee jongens? En was het eigenlijk toch geen eerenaam voor hem: „Kniebeuker!”—Wel, voor geen schepel met stuivers had hij dien slag op zijne hand willen hebben, en hij, „Baas Bullepees van Plakkenburg”, hij kreeg hem op zijne eigene knie! Gezien had hij het niet, want de waarheid was dat hij zoo moest lachen dat hij niet durfde opkijken, maar hij kon het zich zoo voorstellen welk een gezicht de man moest gezet hebben! Want de slag was zoo even raak geweest; hij klonk als eene klok door heel de school en toen Meester: „Au!” schreeuwde, riepen al de jongens, alleen van den weeromstuit, nog veel harder: „Hê!” en „O!” Hij was er bij al de jongens de held door geworden.
Dat „een held” met den eernaam van „Kniebeuker” zijn, stemde hem vroolijk en deed hem al zingend of al fluitend vergeten dat de dijk een ware modderpoel geworden was. Wat gaf hij ook om modder of vuil! Hij was immers geen fijn juffertje!—Een fijn juffertje, hij de zoon van een’ Watergeus! Ha ha! Daar moest een Geuzen-liedeken op gezongen worden! Hij deed het, en luid galmend, wat hij „echt mooi” noemde, van:
„Graef Maurits met een kloeck verstant,
Een jonge vorst, vroom end vaillant,”
had hij de eerste bocht van den dijk al achter den rug en was hij bij de tweede.
„Rotterdam boven! Delftshaven onder!” klonk het eensklaps achter en voor hem.
Pieter keek vreemd op; maar spoedig zag hij, waar de wind vandaan kwam. Twaalf of veertien jongens met knuppels gewapend, of met steenen in de handen, stonden op den dijk en sneden hem den weg af. Govert en Steven schenen de Aanvoerders te zijn.
„Rotterdam boven! Je komt niet levend voorbij, Delftshavensche Kniebeuker!” schreeuwde Govert en drong met zijn’ knuppel vooruit.
Met een’ enkelen oogopslag had Pieter gezien waar ergens het zwakste punt was om er door te breken. Dat was langs het kantje waar een dikke jongen met een’ vreeselijk grooten knuppel stond. Pieter scheen hem terstond aan te zien, dat hij alleen dáárom zulk een dik hout zwaaide en zoo verschrikkelijk hard schreeuwde, omdat hij eigenlijk wat bang uitgevallen was. Eer het dus te laat was, voorwaarts! Hij nam een’ geduchten zijsprong, bons, tegen het lijf van den dikzak, die met zijn’ balk of zijn’ heipaal, zooals ge dat wapen noemen wilt, als een tonnetje van den dijk rolde, en in eene tamelijk diepe sloot terecht kwam.
„Delftshaven boven!” schreeuwde Pieter en holde, door twaalf vijanden gevolgd, den weg op naar huis. Eerst vloog hem zijne muts van het hoofd, die door een’ der Rotterdammers opgeraapt en, als zegeteeken, op een’ stok gestoken werd. Toen verloor hij den zakdoek, waarmede hij onder het loopen zich het zweet van het gelaat droogde. Govert greep hem en bond dat doek, als een vaandel, aan zijn’ knuppel.
Voorwaarts! Voorwaarts!
Pieter was een stugge looper; maar Govert en Steven waren hem de baas. Nog een oogenblik slechts en men zou hem ingehaald hebben.
Daar sloeg hij de derde bocht van den dijk om, en, alsof het werk sprak, dat hij nu eens het lootje zou moeten leggen,—hij struikelde.
„Hoezee! Hoezee! Slaat erop! Gevangen, Gevangen! Houdt hem, den Delftshavenschen Kniebeuker!” joelden de Rotterdammers.
Maar Pieter was weer opgekrabbeld, en de knuppelslag van Steven had zijn doel gemist.
Voorwaarts! Voorwaarts!
Daar waren al de aanvallers de derde bocht voorbij en....
„Delftshaven boven! Rotterdam onder!” klonk het op eenmaal achter de Rotterdammers.
De Rotterdamsche helden bleven verschrikt staan, en toen Govert het waagde achter zich te kijken, kreeg hij met het knoopentouw van Jacob zulk een’ slag tegen de kuiten, dat hij onderstboven tuimelde.
Snel als de wind ontnam Jacob zijn’ vijand het veroverde vaandel, den bonten zakdoek van Pieter, die nu niet langer vluchteling was; maar met de vuisten slagen uitdeelde, dat een Engelschman, bokser van beroep, het hem niet verbeterd zou hebben.
De Rotterdamsche jongens gaven evenwel ook niet zoo gauw krimp, en Govert, die alweer opgestaan was, sloeg er nu, bij gebrek aan een ander wapen, met de klomp op, en toen hij zag, dat zijne makkers begonnen te wijken, sprong hij op Pieter los en onder het geschreeuw van: „Rotterdam boven! Delftshaven onder!” wist hij de vluchtelingen weer tot staan te brengen.
„Delftshaven boven! Rotterdam onder!” riep nu Willem Adriaensz. Blokmaker en ontnam een’ der vijanden Pieters muts, maar ten koste van een’ vuistslag, hem door Steven van achter toegebracht.
Een oogenblik zelfs scheen het nu, alsof Jacob en zijne makkers het onderspit zouden delven, doch zoodra zag Piet dat niet, of hij maakte zich van Govert los, liep naar Jacob, die gevallen was, ontnam dezen het knoopentouw, en „Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven, Rotterdam onder!” juichte hij, want hij slingerde er drie zijner aanvallers tegelijk mede van den dijk. Thans was de overwinning der Delftshavensche knapen beslist, doch de blauwe oogen, de bloedneuzen, de gescheurde en vreeselijk gehavende kleederen bewezen maar al te zeer, dat de overwinning duur genoeg gekocht was.
„Geeft je over en legt de wapens af!” beval Pieter, die wel eens gehoord had, dat in den oorlog een overwinnaar dat altijd tot den overwonnene zeide, en toen Govert hieraan schoorvoetend gehoor gaf, volgden zeven zijner makkers zijn voorbeeld. Vier hadden het hazenpad gekozen, en de dikzak was, zonder aan de vechtpartij verder deelgenomen te hebben, met een nat pak naar huis gehold, zoo snel, als zijne korte beentjes hem dit toelieten.
„Geen genade!” schreeuwde Jacob. „Ze moeten er vandaag aan gelooven, die valsche Rotterdammers, die dertien tegen één gaan vechten!”
Een paar zijner makkers riepen hem dit na, doch Pieter plaatste zich voor de overwonnen knapen en zeide: „Hoort eens, jongens! wij moeten er nu een speldje bij steken. De Rotterdammers hebben mij lafhartig overvallen, dat is zoo, want zóóveel tegen één, dat is geen partij. Maar dat ze alével niet lafhartig zijn, dat is ons best aan te zien. Kijkt maar naar mijn eigen blauw oog, mijn’ bloedneus en mijn gescheurd buis! We moesten wat anders doen. We moesten voor goed vrede maken!”
„Neen, we willen geen’ vrede! Rotterdam onder! Delftshaven boven!” riep Simon Heyn.
„Ei, broertje, je hebt goed schreeuwen! Zal jij voor mij telkens langs den Schiedamschen dijk naar Rotterdam en Delftshaven loopen en dan iederen keer groote kans hebben op een pak slaag?”
Simon zweeg.
„Zie-je wel? Dat zou je ook liefst niet willen! En daar de heele vechtpartij om mij begonnen is, zoo heb ik, geloof ik, wel een eitje in het zakje te leggen, en zal aan mij het woord zijn om te zeggen, wat ik nu wil en op staanden voet voorstel. Het is dit. Ik wil eeuwigen vrede tusschen Delftshaven en Rotterdam! Wie dat van ons óók wil, kome bij me staan,” en zich de muts, die hij weer opgezet had, van het hoofd nemend, hield hij deze onder het zeggen van: „Vinger in den hoed, die meedoet!” zijn’ kameraads voor.
Op deze woorden kwamen al de Delftshavensche knapen, hoewel de een vlugger dan de andere, bij Pieter staan en staken,—het was zoo iets als een jongenseed,—hun’ vinger in de muts.
„Welnu, Govert, wat wil-je?” vroeg Pieter.
„Wij willen vrede, maar op ééne voorwaarde!” antwoordde Govert.
„En deze is?”
„Dat je geen van allen ons meer lafaards noemt; want dat dulden wij niet. We willen geen lafaards heeten!”
„Daar heb-je mijne hand erop, Govert! Ik zal nooit zeggen dat je lafaards bent,” sprak Pieter.
„En wij zullen het ook niet weer doen!” riepen Pieters makkers nu op hunne beurt.
„Top, dan is de vrede gesloten, en, als het een beetje wil, dan worden we nog goede vrienden op den koop toe. Is het niet, jongens?”
„’t Is goed,” zeiden er een paar, doch het kwam er toch uit, alsof ze wilden zeggen: „’t Is eene gedwongen fraaiigheid, zie-je, en van dat „goede vrienden worden” zien we nog niet zooveel!”
Onze Pieter zag dat wel, doch hij hield zich, alsof hij het niet zag en, als hij in de plaats van de Rotterdammers geweest was en ook zoo van laken gekregen had, zou hij ook niet zoo gemakkelijk te vinden geweest zijn voor dat „goede vrienden worden.” Toch wilde hij er een einde aan maken en daarvoor zeî hij: „Best! De hand er op en dan naar huis eer een „nobel” man komt om ons het „opperste kleed” te ontnemen.”
Hij bekeek zijn gehavend matrozenbuisje en lachte, als een boer die kiespijn heeft.
„Bijlo, daar zou die „nobel” man ook niet veel stuivers voor in den lombard krijgen”, riep Steven, luid schaterend van pret, en liet zijn buis zien waaruit de linkermouw gerukt was en dat bovendien scheur op scheur had.
De jongens bleven nu niet langer meer bijeen en scheidden als „bijna” goede vrienden.
„Delftshaven en Rotterdam boven!” riepen de Rotterdammers toen ze een eind ver waren, en Pieters makkers niet in beleefdheid onder willende doen, juichten terug: „Rotterdam en Delftshaven boven!” Mooier kon het al niet.
Toen ze de buurt in het gezicht kregen, brak Simon het stilzwijgen af en zeide: „Het is maar goed, dat we al een goed pak beet hebben.”
„Waarom dat dan?” vroeg Claes Adriaensz.
„Wel, er staat voor ons allen thuis zeker een pannetje te vuur. Moeder althans zal, als ze ziet hoe onze plunje toegetakeld is, niet zoo heel vroolijk kijken; ze is niet van de gemakkelijkste.”
Simon had gelijk. De Moeder van onze drie broeders was eene zeer strenge vrouw, die met vaste hand de teugels van gezag hield onder hare kinderen. Dat moest ook wel, want haar man was soms weken aaneen niet thuis, en de kinderen hadden het hard noodig, dat het lijntje strak gehouden werd, wilde ze niet, dat hare jongens tot deugnieten opgroeiden. Lief had zij hen, zielslief zelfs, maar juist die liefde was het, welke haar buitengewoon streng deed zijn. Ongelukkig begrepen de kinderen dat niet altijd, en zoo kwam het, dat ze hun’ Vader veel beter en aardiger vonden dan hunne Moeder.
Geen wonder dus, dat Jacob er nog op liet volgen: „Ja, toen we weggingen zeide zij ons nog, dat we niet geplukt en gehavend mochten thuiskomen. En hoe zien we er uit! Ik ken Moeder te goed om niet te weten, wat ons wacht.”
„Stil,” sprak nu Pieter, „ik zal voorop gaan en het woord doen. Ik zal haar alles vertellen, wat er gebeurd is, en dan zal ze ons toch gelijk moeten geven, ja, en ik wed dat het best afloopt. Ze zou toch wel niet willen, dat ze mij nu half doodgeslagen thuisbrachten? Het is onze schuld niet!”
„Ja, eigenlijk wel,” liet Simon zich hooren. „Als jij op school niet zulk een’ leelijken streek uitgehaald hadt, dan zou er van dat alles niets gebeurd zijn, want Govert en Steven hadden het toch maar opgenomen voor Meester Zegers, weet-je, en dus....”
„Och, kom,” viel Pieter in, „daaraan valt niets meer te veranderen. Dat is nu eenmaal gebeurd. In alle gevallen, ik zal het woord doen en je straf overnemen. Ik heb een’ rug, die nogal wat verdragen kan. Vooruit nu!”
Hiermede waren de overige knapen evenwel niet veel gebaat, en ik geloof, om met Simon te spreken, dat er voor al de andere jongeluî wel wat uit dat bewuste pannetje, dat te vuur stond, uitgedeeld is geworden.
Het was reeds over acht uur toen de vier gebroeders het nederige huisje in de Kerkhofsteeg binnentraden.
Met een’ oogwenk zag Moeder, hoewel het niet zoo heel licht meer was, dat de kleedij van hare zoons erg gescheurd was. De blauwe oogen en dikke neuzen liepen in het halfdonker minder in het oog.
„Wel, wel, zijn de lieve jongens daar alle vier?” dus begon ze. „En wat zien ze er netjes uit! Hoe zindelijk! Om door een ringetje te halen!”
„Moeder,” sprak Pieter en deed een paar schreden voorwaarts, „we zijn....”
„Deugnieten, straatbengels, robbedoezen en schavuiten, wil je zeker zeggen. Houd dat maar binnen, want dat weet ik wel zonder dat je het mij vertelt. Maar jij, die de oudste zijt en ook de verstandigste moest wezen, gaat al de anderen in straatschenderij voor. Zie-je er niet alle vier uit als bedelvolk, dat in gescheurde en gehavende kleeren den boer afloopt om aalmoezen te bedelen?”
„Maar, Moeder....”
„Wie zal al die kleeren herstellen? Heb je er geld voor? Neen, Moeder is er goed voor! Jawel, Moeder zal heel maken, wat jij vernielt, moedwillig vernielt! Fij, je bent de grootste belhamels en liederlijkste deugnieten van heel Delftshaven.”
„Maar hoor dan toch, Moeder, ik....”
„Zwijg, Pieter, ik spreek en jij hebt te luisteren, jij en je broeders! Ik zal je kleederen herstellen, hoor-je dat? Ik zal het doen. Maar niet midden in den nacht om je den volgenden dag weer wat toonbaar te maken. Ik geef aan zulke deugnieten mijne nachtrust niet meer. Je trekt de bovenkleederen vlug uit, gaat naar bed en blijft daar liggen vannacht, morgen, overmorgen, zóó lang tot ik op mijn gemak en bij daglicht de scheuren en winkelhaken dicht heb gemaakt. Dat zal je straf zijn, want voor een pak slaag ben-je toch geen van allen meer bang. Je rug is vereelt, geloof ik, vereelt net als je consciëntie. Je bent me de lieverdjes wel! Komt er om!”
„Maar, Moeder, laat mij u dan toch vertellen, wat er gebeurd is,” zeide Pieter.
„Ik wil je leugens niet aanhooren!” sprak Moeder.
„Moeder, zeg mij wanneer ik gelogen heb!” riep Pieter.
„Wanneer je gelogen hebt? Wanneer vraag-je, wanneer? Duizend en een keeren op zijn minst! Wanneer? Welja, wanneer?!”
Het scheen dat de goede vrouw, die wezenlijk niet zonder er grond voor te hebben, erg verstoord was, wel een weinig in de verlegenheid zat, toen Pieter zoo op den man af vroeg: „Wanneer heb ik gelogen, Moeder?” Ze had in hare drift iets verweten, waarvan ze wist, dat het niet waar kon zijn. Nog nooit had Pieter, om zich van straf vrij te pleiten, eene leugen verzonnen; altijd was hij rond en open voor de waarheid uitgekomen. Had niet zelfs buurvrouw, toen Piet aan Moeder alles vertelde van wat er op school gebeurd was, en zichzelven niet spaarde, vol verbazing de handen in elkander geslagen en uitgeroepen: „Brutaal als de deur van het rasp- en spinhuis! Hoe durft de gannef zoo iets vertellen?”
Maar Moeder, hoeveel leed het haar ook deed, dat dit met Pieter gebeurd was, deed het bij al haar verdriet goed, dat haar oudste zoo ’n „gannef” was, die niet loog, al wist hij, dat hij met waarheid spreken zichzelven aan straf blootstelde.
Neen, neen, ze kende haar volkje, en ze wist, dat ze op hare beurt Piet van iets beschuldigde, waaraan hij zich nooit zou schuldig maken.
Misschien zou Pieter er nog op aangedrongen hebben, dat zijne Moeder zeggen zou, wanneer hij gelogen had, als de deur niet geopend was geworden en Vader Heyn zijne thuiskomst met een „Hm, hm,” aangekondigd had.
Piet Heyn, de Vader, was een kranige vijftiger, die eenmaal op de vloot der Watergeuzen met roem gediend had. Kort na de inneming van Brielle was hij in Delftshaven gekomen, had daar eerst voor de Spanjaarden, die, als ze ergens de baas waren, allerlei baldadigheden pleegden, naar Delft moeten vluchten, doch was later naar zijne geboorteplaats, door hem nog wel eens als eene herinnering aan den Watergeuzen-tijd „Achelous” genoemd, teruggekeerd, in gezelschap van zijne tegenwoordige vrouw. Hij leefde hoogst eenvoudig en verdiende, als visscher op de haringvloot, eene spaarzame snede broods.
Dien bijnaam „Achelous” voor Delftshaven zal u zeker wel onverstaanbaar voorkomen, en daarom wil ik er even wat van zeggen.
De Achelous was eene rivier in Griekenland; tegenwoordig heet ze Aspropotamos, doch zooals het woord hier gebruikt wordt, heeft het niets met deze rivier te maken.
Het is natuurlijk, dat de Watergeuzen, bij de vele vijanden hier te lande, ook eenige vrienden hadden. Met dezen hielden ze briefwisseling, en daar het best kon gebeuren, dat de Spanjaarden op de eene of andere wijze in het bezit van zulk een’ brief konden komen, zoo hadden de Watergeuzen met hunne vrienden afgesproken, aan bekende personen en plaatsen andere namen te geven. Kwam nu zulk een brief in handen van den vijand, dan had deze er niets aan, omdat hij zonder sleutel niet weten kon, welke personen of plaatsen bedoeld werden. Om een paar voorbeelden te noemen. Willem van Oranje noemden ze: „Maarten Willemsz”; de Koningin van Engeland: „Hendrik Filips”; Dillenburg: „Danzig”; Hamburg: „Heidelberg”; Overijsel: „Tin”; Gelderland: „Staal”; Holland: „Koper”; Brielle „Vulcanus”; Delft: „Apollo”, enz. Zoo heette Delftshaven in dat soort van roovers- of dieventaal: „Achelous”. Hoe ze aan die vreemde namen kwamen, zou ik u niet durven zeggen, doch dat doet dan ook minder tot de zaak af. Als we weten, dat het zoo is, dan moeten we ons maar tevredenstellen. Keeren we nu tot ons verhaal terug.
„Wat is hier aan de hand?” klonk Vaders vraag.
Moeder begon verslag te geven, doch daar ze Pieter niet had laten uitspreken, zoo begrijpt ge wel, dat de goede ziel de zaken al heel scheef voorstelde, zoodat Vader zeî: „Moeder, ik begrijp er niets af. Laat Pieter ons zeggen hoe de vork in den steel zit!”

Pieter gaf thans een getrouw verslag. (Bladz. 18).
Pieter gaf thans een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was, en Jacob vertelde hoe hij het aangelegd had om te maken, dat broer Piet niet half doodgeslagen was thuis gebracht.
Vader Heyn luisterde oplettend toe, en toen hij zoo ongeveer alles wist, moest hij in zijn hart zijne zoons gelijk geven; want al waren er eigenlijk geen Watergeuzen meer, wie het eenmaal geweest was, hield er toch altijd wat van over. Hij zou, èn als jongen, èn als Watergeus, ook zoo gedaan hebben, en ook trotsch geweest zijn, na zulk eene kloppartij, een’ dergelijken eervollen vrede te sluiten.
„Nu, Vader, zal de mattenklopper dien bengels ook het stof uit hunne buizen en hozen slaan?” vroeg Moeder, die nog maar altijd niet toegeven wilde, dat hare zoons ditmaal toch niet zoo heel veel schuld hadden.
Vader Heyn bleef bedaard staan en zweeg.
„Nu, Vader, wat zal het zijn?”
„Och, vrouw, daarop moet ik eerst eens slapen. Gaat alvast dezen avond maar zonder eten naar bed, jongens! Wie zooveel vuistensoep gegeten heeft, als jelui, is verzadigd en heeft geen honger meer!” sprak Vader.
Hoewel de vier broeders meenden, en ook besten voelden, dat vuistensoep de maag wel hongerig, maar niet verzadigd maakt, kropen ze maar stilletjes en zonder tegenpruttelen het laddertje op naar den zolder, en gingen stil naar bed. Ze begrepen wel, dat ze bij Vader nu maar niet moesten aandringen op eenige verzachting van straf; want dan kon het wel gebeuren, dat de mattenklopper op hunne ruggen in werkelijken dienst gesteld werd. Ze trachtten dus in het bed maar te vergeten, dat „vuistensoep” al heel slecht voedt.
Vader en Moeder bleven, nadat de jongens naar boven gegaan waren, eene heele poos zonder spreken zitten. Eindelijk verveelde Moeder dit zwijgen, en daarom zeî ze op een’ eenigszins ontevreden toon: „Vader, Vader, als we voor de ondeugende streken onzer kinderen geen schotje schieten, dan zie ik hen nog eens op het schavot. Hoe kunt ge zoo wezen? Zijt gij dan vergeten wat Dominee Jansz. verloopen Zondag gezegd heeft: „Wie zijne kinderen liefheeft, spaart de roede niet?”
„Ditmaal kan ik de jongens niet straffen, vrouw! Ze hebben zich veel te wakker gedragen en ze waren in hun recht. Hoe zou het je aangestaan hebben, als Pieter dood, of half dood, thuis ware gebracht?”
Moeder zweeg, doch zeide eindelijk zuchtend: „Had ik maar vier dochtertjes, inplaats van vier zoons, dan zou ik niet zooveel angst uitstaan!”
Vader Heyn zag zijne verstoorde vrouw glimlachend aan en zeide: „Ja, Moeder, jongens zijn jongens, dat is eene oude waarheid. Maar troost-je, lieve ziel, en geloof maar, dat ze al hard genoeg gestraft zijn met een „z’n genoegen gegeten hebben aan vuistensoep.” Voor flinke, gezonde bengels is een pak met den mattenklopper niet zulk eene groote straf, als met eene ledige maag naar bed.”
Moeder zeide hierop niets, maar de bovenkleederen van hare zoons nemende, begon ze die, trots hare bedreiging, te verstellen, en bij nader inzien zag ze, dat ze toch niet zoo gehavend waren, als het eerst wel geleek, zoodat een paar uurtjes later alles weer in orde was en ze kon gaan slapen, na een’ dag van allerlei drukke bezigheden en beslommeringen.
[1] Redimeeren = afkoopen.
[2] Tot discreet = naar het oordeel.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Moeder bidt.
Inhoudsopgave
De burgers van Delftshaven lagen rustig te slapen en alleen de rotmeesters, of korporaals, zooals we nu zouden zeggen, met hunne burgerwachten waren wakker, hoewel ze voor het grootste deel stil in de wachthuizen zaten, en het nauwlettend toezien, of er ook gevaren dreigden, bedaard overlieten aan hunne makkers, die met een musket op den schouder of eene hellebaard in den arm, op enkele plaatsen heen en weer liepen, om op een’ volgenden rondgang door de anderen afgelost te worden.
Na het onweder was het heet en drukkend gebleven en een heete nacht volgde er op. Geen koeltje bracht verkwikking aan. Langzamerhand evenwel verdwenen in het Zuiden de sterren achter donkere wolken, die nu en dan bij het schitterend licht van den bliksem duidelijk zichtbaar werden. Er naderde andermaal een onweder, en in de verte hoorde men reeds het gerommel van den donder. Nog vóór middernacht brak de bui in al hare hevigheid boven de havenbuurt los. Van op bed blijven liggen met onweder was geen sprake, althans niet voor de gezonden. Alleen kleine kinderen en zieken mochten blijven liggen, hoewel men toch zorgde, dat dezen gekleed te bed lagen, of althans de kleederen bij de hand hadden, als er door het hemelvuur eens brand ontstond. Die voorzorgen waren niet zoo dwaas en op het platteland, vooral op de eenzaam gelegen hofsteden, wordt dat oude gebruik nog gevolgd. Bij eene boerderij behoort eene schuur, die meestal van hout opgetrokken en met riet gedekt is, zoodat bij brand de vlammen snel om zich heen grijpen, daar ze overal voedsel vinden. Tegenwoordig mogen er in de steden, en ook in de kom van vele dorpen, geen houten huizen met rieten of strooien daken gebouwd worden, doch vroeger was dat heel anders, en zelfs midden in de steden waren maar enkele woningen van steen opgetrokken en van pannen- of leien daken voorzien. Bedenkt men nu nog, dat er toen ook geen wet op de breedte van straten bestond, en dat tal van straten zoo nauw waren, dat men geen kunstenmaker in het springen moest zijn om uit zijn huis naar het huis van den overkant te springen, dan begrijpt men dat in die tijden, bij een’ brand, bijna heele steden in de asch konden gelegd worden, alleen omdat zooveel huizen van hout gebouwd en met riet gedekt waren, terwijl de straten niets anders waren dan stegen en sloppen. En dat was niet het eenige gevaar. Het grootste gevaar bestond daarin, dat de brandbluschmiddelen zoo buitengewoon gebrekkig waren. Het volk op straat gaf elkander emmers water aan, en deze werden dan door mannen, die met ladders tegen die brandende woningen stonden, in de vlammen gesmeten. Maar in die nauwe stegen was ook geen ruimte genoeg om den helpers en blusschers gelegenheid te geven om het bluschwerk goed te verrichten. Daarom zorgde men, bij onweder, steeds gereed te zijn om gekleed te kunnen vluchten met zijne beste bezittingen.
Maar opstaan en zich geheel gekleed hebben was daarom nog niet de deur uitgaan. Men ging bij nacht zoo goed als nooit de deur uit, omdat het in de straten zoo donker was. Wel was door de Regeering in heel enkele steden bevolen, dat bij onweder, bij brand, bij hevigen storm of bij eene doorbraak van den rivierdijk, alle menschen het blind van een raam, dat op de straat uitzag, moesten openen, en dan eene brandende kaars voor de ruiten zetten, doch als dat bevolen was, werd thuisblijven nog noodzakelijker, omdat door zulk eene kaars wel eens brand zou kunnen ontstaan.
Men kan er dus van verzekerd zijn, dat bij het rommelen van den eersten donderslag bijna heel Delftshaven het bed verliet, licht opstak en zich aankleedde om dan zoo ver mogelijk van den schoorsteen af in een hoekje te gaan zitten tot de bui over was. Dat men bij onweder den schoorsteen vreesde, was zoo dom niet, want de hoogste punten worden immers door den bliksem het eerst van al getroffen?
Toen het onweder op het hevigst was, sloeg een bliksemstraal in een huis aan de Westzijde van de Oude Haven in de nabijheid van de Sluis. Eensklaps kwam er een uitschot van wind, die naar het Noordwesten liep, en in een’ vliegenden storm overging. De bewoners van dat huis waren vreeselijk verschrikt, doch ze meenden, dat de bliksemstraal, die door het raam het huis verlaten en eenige ruiten verbrijzeld had, voor het overige niets had beschadigd.
„Ik geloof toch, dat het is, alsof er iets brandt!” zeide de vrouw des huizes na een poosje.
„Dat is zeker nog de zwavelachtige stank van den lichtstraal,” antwoordde de man.
Intusschen zaten de rotmeesters en hunne onderhebbende manschappen in de wachthuizen, en zij, die op schildwacht stonden of rondliepen, trachtten zich tegen den fellen hagel- en regenslag te beschutten, zoodat ze ook niets zagen dan dat, wat in hunne onmiddellijke nabijheid was. Zoo lang het niet hagelde en regende, hadden enkele lieden het hoofd nog al eens buiten de deur gestoken, doch nu wachtte ieder tot het weer wat bedaard zoude zijn.
En op het kurkdroge rieten dak, van dat huis bij de Oude Haven, kronkelden kleine vlammetjes zich langs de gebinten, maakten eene opening in de nok, en de stormwind blies er door. Hierdoor verbreidden zich de vlammetjes en zett’en zich uit tot groote vlammen.
„Ruik je nu nóg niets?” vroeg de vrouw.
„Och, Moeder, stel-je toch gerust! Het is vast de zwavelstank nog, die je in den neus zit!”
Een poosje stilte in huis.
Maar daar buiten loeide de wind, rommelden de donderslagen, kletterde de hagel en plaste de regen.
Het was een ontzettend onweder.
Zelfs de Grootvader, die stokdoof was, en midden op den vloer aan tafel zat, hoorde het en verklaarde, dat hij nog nooit ofte nimmer zulk vreeselijk weer had bijgewoond.
„Man, de stank wordt erger! Hoor, daar kraakt wat!” riep de vrouw.
De man, nog altijd even ongeloovig, antwoordde: „Het is de storm, die het dak doet kraken!”
„Kijk, kijk, een lichtje!” schreeuwde hierop bijna op hetzelfde oogenblik de Grootvader en wees naar boven.
Het waren de vlammen, die door de zoldering begonnen te dringen.
„Brand! Brand!” gilde de vrouw.
„Brand! Brand!” kermde de oude man, die naar den bedstedehoek strompelde om zijne kruk te halen.
Zeker, met zulk weer was het onder een beschuttend afdakje of onder de luifel van een’ winkel de beste plaats voor de nachtwakers om niet doornat te worden, maar hoe de stormwind huilde en de regen bij stroomen neerplaste op de slecht geplaveide straten, zoo nu en dan moest men er zich toch even aan wagen en een kijkje nemen, anders verzuimde men zijn’ plicht en—met de gestrenge Heeren van den Magistraat viel niet te spotten.
Eén der twee nachtwakers, die het dichtst bij de Westzijde van de Oude Haven waren toen de bui in al hare hevigheid losbarstte, hadden zich gerept om onder de luifel van een’ winkelhuis te komen, waar ze tegen het weer voldoende beschut waren.
„’t Is raak,” begon na een poosje zwijgens om eens uit te huiveren één der twee.
„Ja, verschrikkelijk!” zeide de ander. „En het ziet er niet naar uit, dat het gauw gedaan zal zijn. De lucht werkt van alle kanten en het onweer is overal.”
„Ik geloof het ook. Kijk, daar links van je, dat flikkeren eens!”
„Dat is de weerspiegeling van het hemelvuur op de Maas!”
„Of op het water in de Haven!”
„Van allebeî wel, want enkel van het licht op de Maas is het toch wel wat al te sterk en te aanhoudend.”
„Als het eens brand was!”
„Loop toch met je brand naar de Mookerheide! Hoe zou er bij zulk een’ aanhoudenden stortregen brand kunnen komen? Het vuur zou immers dadelijk uitgebluscht zijn, want brand begint niet met eene groote vlam.”
„Daar heb-je gelijk aan, maar het had al een heel poosje hard geönweerd eer het begon te regenen. Ik ben er niet gerust op, maat! Dat licht daar ginder in dat dakraampje is geen weerspiegeling van het hemelvuur op het water van de Maas of de Haven. Ik moet er het mijne van hebben en waag er een nat pak aan!”
„Ieder zijn’ meug! Ik blijf hier!”
De man, die achter bleef, had nu het droge plaatsje geheel voor zich alleen en wilde het zich juist eens „lekker” maken, toen hij zijn maat, die er op uit was om eens te kijken, met luide stem: „Brand! Brand! Brand!” hoorde roepen.
Nu was de ander ook niet meer op zijne schuilplaats te houden. Hij sprong te voorschijn en beiden liepen, wat ze loopen konden, de een naar het wachthuis, en de ander naar het huis, dat in brand stond. Het was dat, waar wij met de bewoners al een vlammetje door den zolder zagen te voorschijn komen. En terwijl daar allen in de weer waren en, zooals dat gewoonlijk gaat, niemand recht wist, wat hij deed, bonsde de nachtwacht met het uiteinde van den stok aan den hellebaard op de deur, en schreeuwde uit alle macht: „Brand! Brand! Red leven en goed! Brand! Brand!”
Zijn akelig geroep werd niet alleen gehoord door hen, die waren in het huis, waarvan het heele dak reeds in brand stond, maar het joeg ook de bewoners van de naastgelegen woningen angst en schrik aan. Daar had men binnen nog niets bemerkt, en toch werd het meer dan tijd, dat zij zich repten om te redden, wat nog te redden was, want de wapperende, zwalpende vlammen hadden hunne daken ook reeds in brand gestoken.
En wat die ééne waker bij het brandende huis gedaan had, dat deed de andere waker met al de mannen, die in het wachthuis zoo in hun schik geweest waren, dat de bui losbrak, als zij binnen zaten.
Bij: „Brand! Brand! Brand!” of „Water! Water! Water!” was er geen sprake van om onder dak te blijven. Naar buiten moesten ze om .... och, om niet veel anders te doen dan vreeselijk lawaai maken, wat ze dan ook trouw deden. Dat sloeg met de vuisten op de luiken, dat bonsde met de hellebaardstokken op de deuren, dat schreeuwde om er schor van te worden: „Brand! Brand!” Dat bracht heel het goede Delftshaven van het eene punt der open buurt tot het andere, in rep en roer, en in eene beweging, die aan razernij deed denken.
Wie geen gevaar liep, dat zijn eigen huisje in brand vloog, omdat het van den wind lag, snelde te hulp. Maar hier was bijna geen hulp te brengen. Er viel niet veel meer te doen dan toe te zien, hoe jammer het was, dat verreweg de meeste huizen met riet gedekt waren. Enkele pannendaken stonden daar immers te midden van andere brandende huizen nog ongeschonden, en boden langen tijd weerstand. Maar ten laatste werden de vlammen te machtig en ook de steenen daken bezweken.
Natuurlijk werd dat geroep van: „Brand! Brand!” ook gehoord in het huisje in de Kerkhofsteeg, waar een paar uren geleden vier jongens voor straf van bedreven kwaad met eene maag, gevuld met vuistensoep, naar bed gezonden waren.
Ook deze jongens hadden, bij het uitbreken van het onweder het bed moeten verlaten. Tijd om zich te kleeden hadden ze niet noodig, want broeken en buizen waren beneden om door Moeder weer „opgekalefaat” te worden, zooals Vader „verstellen” gewoon was te noemen. Het bed uit, de kousen aan, de muilen aangeschoten, de ladder af, daar waren ze beneden, waar ze Moeder, die nog niet naar bed geweest was, juist bezig zagen met een verschoten fluweelen lap op Pieters bombazijnen broek te zetten.
„Trekt je goed aan, bengels! Het is weer klaar en ligt daar op een’ stoel,” zeide zij, terwijl de naald roef-roef door het stevige en stugge bombazijn ging om er den fluweelen lap aan vast te hechten. Den draad afgebeten, dan de broek Pieter toegeworpen met een: „Trek aan, dan kan je weer gaan vechten!” en—geluisterd naar het kletteren en rommelen van den donder, het loeien en bulderen van den storm en het neerplassen van den regen.
„Wat een weer! Wat een noodweer!” zuchtte Moeder, die van de breede schoorsteenlijst den zwaren huisbijbel nam om, bij het walmend licht der kleine vetkaars, een op het onweder toepasselijken psalm te gaan lezen.
„Ja,” zeide Vader, „het is bijna even erg als in ’72 (1572) toen we alweer op de Noordzee rondzwierven om Spanjolen op te pikken.”
Die geschiedenis van dat onweer en dien storm op zee, waarbij, volgens Vader, die zijne oude zeemanstermen niet vergeten kon, wel vier schepen naar de „grondvergadering” gingen, hadden de jongens hem al meer dan eens hooren vertellen, maar zóó dikwijls kon hij dat niet doen, of met alle aandacht luisterden zijne zoontjes naar dat verhaal. Vooral nu zou het mooi zijn, waar de Natuur, die in opstand scheen, aan de woorden dubbele kracht gaf, en reeds zett’en zij zich om Vader van dat noodweer op zee te hooren vertellen, toen Moeder zeide: „Ja, ja, man, dat weten we immers al lang. Vertel het maar niet en luister liever naar wat ik je voorlees!”
En zonder af te wachten of Vader het goed vond, begon ze te lezen: „De stemme des Heeren is op de wateren; de Godt der eeren dondert. De stemme des Heeren is met kracht; de stemme des Heeren is met de heerlickheyt. De stemme des Heeren breekt de cederen, ja....”
„Brand! Brand! Brand!” klonk het in de verte van den eenen kant.
„Brand! Brand! Brand!” hoorde men van den anderen kant, maar nu dicht bij hunne deur.
Eerbied hadden ze allen, de Vader, de ruwe „zeebonk” en de jongens, de echte schavuiten, voor het Woord. De Bijbel droeg toen bijna geen anderen naam dan het „Woord” en geen hunner zou het ooit gewaagd hebben, om Moeder, als ze wat uit dat „Woord” voorlas, in de rede te vallen. Wagen? Er was geen wagen aan, heelemaal niet! De zilveren stem van Moeder dwong tot luisteren. Ze dwong er ook toe, als ze Vader belette te vertellen van dat noodweer in ’72 op zee!
Maar dat galmende, onheilspellende: „Brand! Brand! Brand!” deed nu allen opeens opspringen en—het deed ook verstommen het liefelijk geklank van Moedertjes zilveren klokje.
In een oogenblik waren allen opgesprongen en was jonge Pieter aan de voordeur.
„Waar is de brand?” vroeg hij aan een’ brandwacht, die met een paar emmers in de hand voorbijholde.
„Aan de Oude Haven!” was het antwoord.
Pieter naar binnen!
„Aan de Oude Haven, Vader, Moeder! Heel de lucht is rood! Het is net of de wolken in brand staan!” riep hij, binnenkomend, uit.
„Vrouw, ik ga zien of ik wat helpen kan,” sprak Vader. „Geen der jongens er uit! Ze zouden meer in den weg loopen dan helpen. En wie weet in het gedrang,—brandende balken, die neervielen,—muren, die instorten,—heele bossen brandend riet, die huizenver door den wind weggevoerd worden!—Neen, neen, een groot mensch moet naar alle kanten uitzien om geen gevaar te loopen zijn leven te verliezen, hoeveel te meer dan een knaap. Dus, Moeder, zorg dat de jongens binnen blijven!”
Het kwam er uit op een’ toon, die duidelijk genoeg zeide, wat hij wilde, dat gebeuren zou.
Bons! De voordeur viel toe; Moeder was met hare kinderen alleen.
Wat moest ze doen?
In huis blijven? Zou ze ook niet eens even, heel even aan de deur kijken naar die wolken, die wel in brand leken te staan?
Waarom zou ze dat niet doen? Hoorde ze daar buiten niet de stem van hare naaste buurvrouwen? Hoorde ze niet boven het loeien en bulderen van den wind, boven het ratelen en kletteren van den donder, boven het neerplassen van den regen uit, dat holle en gerekte geschreeuw van „Brand! Brand!” en het „Bom! Bom! Bom!” van de zware torenklok?
Even, heel even buiten kijken en over de onderdeur heen een paar woordjes met de buurvrouwen gewisseld.
Naar de buitendeur en—de jongens haar na.
„Hier moet je staan, bure, hier, dan kan je de vlammen zien,” riep haar eene buurvrouw toe.
Moeder dacht niet aan de jongens, die achter haar stonden. Ze stapte de straat over om bij buren de vlam te zien....
Klos-klos klos! achter haar.
Even omgekeken!
Het is haar oudste, het is Pieter, die, met de schoenen maar los aan de voeten, de deur uit- en de steeg inloopt.
De anderen willen zijn voorbeeld volgen, maar Moeder laat de buren naar de vlammen en de rood gekleurde lucht kijken, springt naar hare deur, duwt de drie, die al op de stoep staan, in de gang, en met een: „Naar binnen! Je Vader wil niet, dat je er uit gaat! Wat kunnen jongskens bij zulk eene gelegenheid anders doen dan iedereen in den weg loopen om ten slotte nog een ongeluk te krijgen?” binnen.
Mokkend, tegenpruttelend, zooals alleen ontevreden jongens dat kunnen, gaan ze met looden voetjes naar binnen en ze hooren Moeder den bovengrendel voor de bovendeur schuiven.
Ze hooren meer, veel meer!
Regen, storm en onweder nemen toe!
Het geloop, geschreeuw, geraas en gejoel worden met elk oogenblik als verdubbeld.
Daar buiten lijkt het wel Heksen-sabbat! Hu, Heksen-sabbat, waarvan Vader zoo mooi vertellen kon, dat ze er des nachts niet van slapen konden, omdat ze op den donkeren zolder niets anders zagen dan heksen, afschuwelijk leelijke vrouwmenschen, die op bezemstelen door de lucht vlogen, of onhoorbaar op den zolder dansten.
Het wordt Jacob te machtig. Hij wipt op zijn houten zitbankje op en neer, alsof duizend naalden en spelden hem prikjes geven.
„Zit dan toch stil, jongen,” zegt Moeder, die alweer den Bijbel voor zich heeft om wat te gaan lezen. „Het licht staat van je gewiemel te dansen.”
„Moeder, mag ik ook naar den brand gaan kijken?” vraagt Jacob.
„Ik ook? Ik ook?” vragen de andere twee.
„Neen, hier blijven! Je Vader heeft het immers gezegd, dat je niet op straat moogt! En hij heeft gelijk ook, groot gelijk!”
Jacob pruttelt wat; Simon en Cornelis pruttelen mee. Moeder begint te lezen, denzelfden psalm van zooeven, want die past zoo bij dit vreeselijke weer.
„Een Psalm Davids. Hm-hm!”
Ze schraapt zich de keel. Er zit haar daar achterin wat in den weg. Net eene prop, die slikken, spreken en ademhalen belet, die aan de stem wat geeft, dat rauw krast.
Nog eens!
„Een Psalm Davids. Gevet den Heere, ghy kinderen der machtigen, gevet den Heere eere ende sterckte. Gevet ... hm, hm, hm... Gevet den Heere de eere sijns naems ... hm, hm, hm, ... syns naems, ... hm, hm, hm, ... aenbiddet den ... hm, hm, hm, ... aenbiddet, ... hm, hm, hm!...”
Het gaat niet! Die prop in de keel ook, die...
De Bijbel wordt dicht geslagen en op de schoorsteenlijst gelegd.
Zes gloeiende, stralende, vonkenschietende oogen kijken haar aan.
Zes ongeduldige voeten trippelen op den steenen vloer.
„Moeder, mogen we gaan? Mogen we?” vraagt Jacob weer.
„Neen, jongen, neen! Je mag niet!”
„En Pieter mocht wel,” bromt Jacob.
„Neen, jongens,” zegt Moeder, „Pieter mocht óók niet. Hij is stil weggesnapt, de bengel!”
Jawel, zulk een bengel zouden ze dan nu op het oogenblik toch ook wel willen zijn. Moeder zeide altijd, dat Pieter een kwajongen of een bengel was, en als het op stuk van zaken aankwam, dan had hij toch steeds een schreefje voor.
„Hij is de oudste,” was Moeder dan gewoon te zeggen.
De oudste? Jawel, Jacob was juist op den kop dertien maanden jonger dan hij, en Simon wat meer dan twee jaar. Dat „oudste” zijn beteekende dus zoo heel veel niet.
Zoo op deze wijze zaten de jongens weer onder elkander te brommen.
En Moeder? Wat had zij toch tegen haar’ oudsten zoon, dat zij hem altijd „kwajongen” of „bengel”, soms wel „luie slampamper” noemde, en hem zoo dikwijls voorspelde, dat dat hij voor galg en rad opgroeide?
Wat ze tegen hem had? Wel niets, heusch, ze had niets tegen hem.
Eigenlijk hield ze juist van Pieter het meest. Hij leek, zoo zeiden al de buren, het meest van al hare zoons op haar’ Vader. En die Vader was een stil en vroom man geweest. Zij had o, zoo veel, van hem gehouden! En nu hij dood was, zou zij zoo graag willen, dat haar Pieter hem niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk geleek. Dit laatste liet veel te wenschen over. Pieter was in zijn doen en laten van top tot teen zijn Vader. Daar zat wat in dien jongen, dat een mensch aan die dolle Watergeuzen deed denken. Niet dat zij veel van de Spanjaarden hield, lieve deugd, neen! Spanjolen waren in haar oog niets anders dan kinderen van den Booze. Maar zulk een Watergeus! Als haar man aan het vertellen ging, wat hij op zee zoo al gedaan had, dan wist zij zoo precies niet, wat ze zeggen moest. Dan begon de goede ziel, die het liefst haar huis knap en netjes hield, en voor het overige met alle menschen in vrede wilde leven, als ze op Zon- en Feestdagen maar naar de kerk mocht om naar Dominee Jansz.’ preeken te luisteren, te rillen en te beven. Wilde zij zich eens een’ Spanjaard, een’ echten Spanjaard voorstellen, dan kwam er een Watergeus, en wilde ze een’ Watergeus zien, dan stond er een Spanjaard, zoodat ze ten laatste besloot met te zeggen: „Een Watergeus en een Spanjaard, ik zeg maar, lieve menschen, het is zoo potje, zoo pannetje!”
En haar Pieter wilde zoo graag een Watergeus zijn! Ze had zoo dikwijls gezien, dat zijne oogen glinsterden, als twee kolen vuurs, als haar man van die dolle jacht op Spaansche schepen en Spanjaarden vertelde. Altijd had ze gehoopt, dat Pieter een stil bedrijf aan den wal zou kiezen. Haar goede Vader was timmerman geweest, en in heel het Gilde kon men geen knapper gezel vinden. Niets was op hem aan te merken, op zijn werk niet en op zijn gedrag niet. Zij had nog al zijn gereedschap, en de withouten tafel, waaraan ze iederen dag zaten te eten, had hij gemaakt, toen ze met Pieter Heyn zou gaan trouwen. Als haar jongen, haar Pieter, toch eens timmerman werd, evenals zijn Grootvader, dan....
Maar de knaap was begonnen met zich van school te laten jagen, en was toen gaan varen. Een slecht begin om een eerzaam timmerman te worden. Aan boord leert men niet schaven, boren of timmeren. Aan boord leert men woest en wild zijn;—aan boord leert men met alle gevaren spotten;—aan boord leert men voor Watergeus, voor niets anders dan Watergeus!
En daarover had ze nu zulk een verdriet! En daarom was haar Pieter een „kwajongen”, een „bengel”, een „luie slampamper”. Dat maakte zij zichzelve tenminste wel eens was, en soms meende zij ook, dat ze er nu heelemaal overheen was en onmogelijk veel van hem houden kon.
Dat trachtte ze nu in dezen vreeselijken nacht zichzelve ook weer diets te maken, en zeker om te toonen hoe weinig ze van dien wilden knaap hield, liep ze even naar de voordeur, legde haar brandend hoofd tegen de koude, ijzeren deurklink en stamelde: „O, goede God, mijn jongen, mijn jongen! Neem hem in Uwe hoede! Ik heb hem zoo lief, Vader! Ik heb hem zoo lief! Bewaar, o, bewaar hem!”
DERDE HOOFDSTUK.
Moeder heeft gedroomd.
Inhoudsopgave
Het stille gebed, dat zijne Moeder, zoo innig, zoo warm voor hem opzendt, hoort de knaap niet, die daar tegen eene brandladder opklimt.
Verscheidene huizen, houten huizen met rieten daken, zijn al in de asch gelegd.
Wild loeit de storm en het onweder schijnt, als het eene poos tot bedaren kwam, alweer in kracht toe te nemen.
Wat moet er van Delftshaven worden?
Men heeft hoop om veel, heel veel te behouden, trots het onweder, trots den storm.
Het huis, dat nu bedreigd wordt, is een steenen huis met pannen dak en de brandende pakken riet, die de wind er op neersmijt, worden door den regen uitgedoofd eer ze brand gesticht hebben.
Maar de hitte zal de pannen doen barsten en het houtwerk er onder zal het niet kunnen houden en ook ontvlammen.
En dan?
Dan eene heele rij met houten of steenen huizen alle met rieten daken, en in eene nauwe steeg, waar haast geen ruimte is om er zich met een paar man te bewegen, en nog veel minder om er met eenige honderden een’ brand te blusschen.
Dat steenen huis met pannen dak moet dus behouden blijven! Delftshavens wel of wee hangt er van af.
Goed en wel, dat huis moet behouden blijven, maar hoe? Dat is de vraag! Kijk, kijk, de vlammen slaan er al over heen!
Eene brandladder is aangebracht en een metselaars-gezel, een stoer man, die klimmen kan, klautert er tegen op!
Zal hij van daar emmers water op het naaste brandende huis werpen? Wat zal dat geven?
Neen, neen, wat anders! Hij haalt aan een touw een zeil op!
Hoe dwaas! Alsof zoo’n ge-olied zeil geen vuur vatten zal! Veel gauwer dan pannen! Het is dom!

Niet dom! Niet dom! Hij trekt het zeil over het pannendak heen, en smijt er dan de emmers water, die de menschen hem aanreiken, over uit! Ha, dat zal helpen! Dat moet helpen!
Maar dat natte zeil wordt door al dat water zoo zwaar! Kijk, kijk, het zakt al!
Uit alle macht trekt de dappere gezel het weer op, maar juist op dat oogenblik drijft eene nieuwe, felle windvlaag de vlammen over het pannendak!
De vlammen krullen om den gezel zich heen! Ze lekken zijne handen! Een schreeuw van pijn! Het touw glipt hem uit de handen en het zeil schuift snel naar beneden.
„Geen redden mogelijk,” denkt de dappere, en om zelf niet in de vlammen om te komen, klimt hij snel naar beneden.
Verloren! Verloren! Delftshaven, wat zal er van u worden?
Eene ruïne!
Bange vrees grijpt allen aan! Ontzetting schijnt allen te bevangen! Men staart met starende oogen het voortwoekeren der vlammen aan, doch de handen hangen machteloos langs het lijf. Men weet niet, wat men doen moet, en het: „Alleen een wonder kan Delftshaven behouden,” zoo even door een oud Moedertje gezegd, gaat van mond tot mond, en allen klemmen zich vast aan het wonder, dat .... niet komt!
Het zal niet komen ook! De tijd, dat er wonderen gebeurden, is voorbij!
En toch, toch....
Is dat dan geen wonder, als een vijftienjarige jongen, een bengel, in heel Delftshaven, als een deugniet bekend, durft, wat al die mannen, en er zijn zoo even kerels onder, niet aandurven?
Hoe wil men dan een wonder wel hebben?
Het moet iets onbegrijpelijks zijn, vat-je! Dan is het een wonder!
Goed! Begrijp dat dan! Dát!
Pieter was juist komen aanhollen toen de metselaars-gezel naar boven klom, en het speet hem, dat hij te laat kwam. Hij had dat zoo graag willen doen. Maar nu is de man weer beneden! Ja, nu zal hij toonen, wat hij kan, dat zal hij! Hij dringt zich door de menschen heen, pakt van een’ der helpers een’ emmer water aan, smijt zich den heelen inhoud over het lijf, doet dat nog eenmaal, vat dan het touw van het neergeplofte zeil beet, en klimt de ladder op!
Eerst ziet niemand hem, maar de zware stem van Dominee Jansz., die het, zooals de menschen met zekeren trots zeggen, van den preekstoel af in de kerk kan laten onweeren, en die nu bulderend roept: „Naar beneden, bengel! Naar beneden! Moet je daar boven verbranden?” doet alle menschen naar het huis met het pannendak kijken, en bij het felle licht der wapperende vlammen zien ze een’ jongen op het dak klauteren.
De rook doet hem een oogenblik onzichtbaar zijn.
De wind blaast den rook weg.
Ze zien hem weer, dien .... dien .... o, dien waaghals, maar toch, dien jongen met een mannenhart in het lijf!
„Wie is dat?”
„Weet ik het? Een neger geloof ik! Dominee, zeg, Dominee, wie is die durfal, die bengel?”
„Pieter, de oudste van Pieter Heyn den haringvisscher!”
„O, die!”
En in dat „O, die!”, dat nu van alle kanten klinkt, ligt zooveel als: „Ja, zie-je, dan begrijpen we het!”
„Wel, Meester,” dus spreekt er een uit den hoop Meester Jacob Zegers aan, „wel, Meester, wat zeg-je van dien bengel?”
„Van dien bengel? Van dien rabauw? Van dien .... dien ....”
„Aartsdeugniet, Meester! Wat zeg-je van hem?”
„Een jongen om voor te knielen, man! Een jongen met een hart in het lijf, waarop Koningen trotsch zouden zijn, als ze er zoo een bezaten!”
„Hij heeft u....”
„Zwijg, man! Vergeven! Vergeten! O, wat een jongen! Moge de Heere hem behoeden!”
„Dat help ik u mee wenschen, Meester! Maar hij haalt het niet! Het zeil is hem te zwaar! Het is boven zijne macht. Het....”
Een schreeuw, een luide schreeuw klinkt!
Wat is er? Nog meer brand? Nog meer ongelukken?
Een stevig gebouwd man baant zich door de opgepakte menigte een’ weg, en wie hem wil tegenhouden, wordt terzijde gesmeten.
„Wie is dat? Wie? Wat wil die ruwe gast?”
Die ruwe gast is anders in Delftshaven, dat nog niet zoo groot is, of de menschen kennen er elkander wel, algemeen bekend. Wie zou Pieter Heyn, den haringvisscher, niet kennen? Haringvisscher van buiten, Watergeus in hart en nieren!
Maar hij is in den brand geweest en niet op de plekjes, waar rook en vlammen niet komen konden! Alles behalve! Hij ziet er uit, alsof hij door een dozijn schoorsteenen geklommen is, en in den dertienden een jaar lang gerookt is, als eene ham, die eene verre reis moet doen! Bij het onzekere geflakker der vlammen herkent men hem niet zoo gauw.
Hoor, hoor, wat roept hij tot dien kordaten jongen, die daar tusschen rook en vlammen op het dak klimt?
„Groote God, mijn jongen, mijn jongen! Pieter, kom hier! Kom hier! Wil-je dan levend verbranden? Pieterrrr! Pieterrrrr!”
„Ha, de oude Watergeus! Ja, ja, nou kennen we hem! Nou, die heeft den brand ook niet van den Rotterdamschen toren af bekeken!”
Steeds roepend, schreeuwend uit alle macht: „Pieter! Pieterrrrr!” nadert hij de ladder, waarbij alweer de metselaar staat, die al op het dak geweest is, maar het er niet houden kon.
Het volk dringt op! Men wil den afloop van dat alles van nabij bekijken, want het schijnt een mooi, een heel mooi stuk te zullen worden. Die oude Watergeus, die zooveel kogels om de ooren heeft hooren fluiten, zal op het laatst nog wel wat anders doen dan brullen van: „Pieterrrrr!”
Maar Pieter hoort zijn’ Vader niet; hij klimt dwars door de vlammen heen. Ziet, daar zit hij boven op de nok van het dak. Hij kan niet laten nog eens luidkeels te schreeuwen, evenals een paar uren geleden: „Hoezee! Hoezee! Delftshaven boven!” En als hij dat gedaan heeft, begint hij uit alle macht het natte zeil omhoog te trekken.
Maar het is zoo zwaar, zoo vreeselijk zwaar!
„Ziet, ziet, hij zal het touw laten glippen,” klinkt het uit enkele monden.
„Welnu, wat een jongen durft, dat durf ik ook!” zegt dezelfde metselaars-gezel en klimt andermaal, na zich nat te hebben laten gieten, op het dak.
„En ik ook, en ik ook!” roepen nu meerdere stemmen, waaronder ook die van Pieter Heyn.
Binnen weinige oogenblikken zitten thans acht of negen mannen op het dak en met vereenigde krachten trekt men het zeil, dat doornat gemaakt is, omhoog, om het over de pannen te spreiden. Het is een zeer gevaarlijk werk, want de vlammen lekken het zeil reeds.
„Gooi dat naaste huis toch onderstboven!” schreeuwt de jonge Pieter, die van zijne hooge standplaats af, beter dan het volk beneden zien kan van welk een ontzettend gevaar dat brandend rieten dak voor de heele straat is.
„Ja, ja, neer met dat dak! Neer met dat dak!” schreeuwen Pieters Vader en eenige anderen daar uit de hoogte.
Men spaart zoo graag, wat misschien nog te sparen is, zoo lang mogelijk, en vergeet dan, dat die spaarzucht de oorzaak van eene groote ramp kan worden. Waarom te vernielen, als het niet noodig is? Heeft de brand dan al niet meer dan genoeg, ja, reeds al te veel vernield? Zij, die daar boven staan, vinden het neerhalen van dat huis noodig, maar is het wel zoo? Zij daar beneden hebben toch ook oogen in het hoofd, weet-je!
Een oogenblik schijnen zij daar beneden gelijk te hebben, want de vlammen slaan minder hoog uit. Het is echter maar een heel klein oogenblik, want eer de aarzelaars daar beneden gezegd of gedacht hebben: „Zie-je nu wel, dat de vlam al mindert en dat het huis niet neergehaald moet worden!” flakkert, wappert, klappert, golft, zwalpt en zwiept eene veel hoogere vlam uit het knetterende dak.
Nu ziet men, dat zij daar boven gelijk hebben, en dat het huis moet neergehaald worden. Het kan niet anders!
„Haalt neer! Haalt neer! Waar zijn de brandhaken?” roept een van beneden.
Men zoekt ze; men vindt ze niet; de brandhaken schijnen verloren geraakt.
Hooger, steeds hooger slaan de vlammen uit.
De knaap daar boven op het dak ondervindt thans de waarheid van het spreekwoord: „Wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.”
Maar hij zit daar wel wat al te warm.
Nog eenige oogenblikken slechts en hij zal het niet meer kunnen houden. Hij heeft zich reeds een paar keeren een’ emmer water over het hoofd gegooid, in plaats van het op het zeil of in de vlammen te werpen. Zou dat alles nu niet baten? Zou hij dit huis, en door dit huis niet de heele steeg kunnen helpen behouden?
Hoor, daar kraakt wat!
Het is het rieten dak, dat bijna doorgebrand is. Als dat nu maar heel spoedig instort, dan is er kans, dat de brand gestuit is!
De wind begint ook minder hevig te worden. Eene nieuwe onweersbui komt opzetten en vangt den fellen luchtstroom achter hare dikke wolken.
Krek-krek-krek-krek!
Eene vuurzee stijgt omhoog! Ze lijkt wel een’ Vesuvius!
Het rieten dak is ingestort;—de vlammen dalen neer!
Pieter heeft er zijn aandeel van gehad, en als hij niet juist op het oogenblik, dat het dak instortte, zich opnieuw een’ emmer water over het geheele lijf gesmeten had, dan zouden de wilde vlammen hem zeker hebben aangetast. Nu is hij alleen maar op een paar plaatsen een weinig gebrand. Maar gelijkt zijn gezicht, door rook en houtskool, ook veel op dat van een’ neger, die uit schoorsteenvegen geweest is,—zijn de lange, wilde haren hem ook ten deele van het hoofd geschroeid,—voelt hij hier en daar aan handen en aangezicht een plekje, dat pijn doet,—toch verlaat hij het dak zonder ernstige wonden verkregen te hebben, en daalt, nu het gevaar geweken is, onder het gejuich van eene menigte mannen en vrouwen, naar beneden.
Zou soms het gebed der goede Moeder den „kwajongen” beschermd en behoed hebben?
Maar het volk heeft geen tijd, onderzoek te doen, hoe het kwam, dat de jonge waaghals, de ferme knaap, zoo behouden bleef, want.....
Als bij eene algemeene volksopwinding de zenuwen van streek zijn, dan is eene kleine gebeurtenis, die in kalme oogenblikken, ons zou doen lachen of doen zeggen: „Maak het je niet druk! Het is niemendal!” in staat om eene heele menigte in eene nieuwe beroering te brengen. Zoo iets heeft nu plaats. Boven het wilde rumoer van donderslagen, huilenden storm, krakende balken, instortende muren en zolders, schreeuwende menschenstemmen, hoort men in de verte iets, dat een nieuw, een nog onbekend geluid is. Wat het is? Men vraagt het elkander, doch de een weet den ander geen antwoord te geven.
Het komt nader, steeds nader, dat geluid, dat men niet zoo dadelijk een naam weet te geven.
Eene gillende vrouw is het, die komt toesnellen.
Wie? Wie? Een ongeluk gebeurd soms? Wie is het?....
Lang had Pieters Moeder zich goed gehouden en met kracht en geweld hare drie jongens belet, de deur uit te loopen. Maar eene gedienstige buurvrouw was gekomen, had op het venster geklopt en geroepen: „Vrouw Heyn, je zoon Pieter zit boven op een brandend dak. Je man zit ook bij hem, en ze kunnen ieder oogenblik in de vlammen omkomen!”
Dat was te veel voor haar! Ze dacht er geen oogenblik aan, dat buurvrouw het gevaar, dat Vader en zoon liepen, misschien erger gemaakt had dan het was. Ze sprong met een’ gil op, snelde, gevolgd door Jacob, Simon en Cornelis naar buiten, en juist op het oogenblik, dat al het volk zich om Pieter Pieterszoon Heyn verdrong, kwam zij aan, zij, de goede Moeder!
Daar zag zij haar’ man.
„Waar, waar is onze jongen? Vader, waar is mijn Pieter?” riep ze in onbeschrijfelijken angst.
„Daar, Moeder, daar! Pieter is een held geweest! Hij....”
Zij zag hem en liet haar’ man niet uitspreken.
„Pieter, Pieter, kind!” klonk het, en opeens baande zich door de opgepakte menigte eene vrouw met loshangende haren en verwilderd gelaat een’ weg.
„Moeder,” riep Pieter, die niet begreep, wat er in het hart van de vrouw, die zich altijd zoo stug hield, moest omgaan, dat zij zich zoo vreemd aanstelde. „Moeder, zoekt u Vader?”
„Neen, jou, jou, kindlief, jou, mijn jongen, mijn besten, besten, lieven jongen, jou zoek ik! O, God, heb dank, heb dank!”
Hare armen omstrengelden den knaap, die nu toch gevoelde, hoe diep, hoe innig zijne Moeder hem liefhad.
Het volk werd onder die ontmoeting tusschen Moeder en zoon bewogen, en de ruwste man onder den hoop, de oude Watergeus, Pieter Heyn, veegde met de mouw van zijn buis een’ traan van zijne wang, en bromde met een vreemd hokken in zijne stem: „Wat stom, gaan mijne oogen regenen? Dat is mij te machtig! Wat zou mijn oude Kapitein, Dirk Duivel, wel zeggen, als hij zag, dat ik grijnde? Hij zou zich eerst een ongeluk lachen en me dan een’ opstopper geven, dat ik Noord lag! Grijnen! Ik! Ik!”
En waar waren Simon, Jacob en Cornelis?
Moeder had niet aan hen gedacht, och, in het geheel niet, doch nu de angst geweken was, bedacht ze, dat zij de deur uitgeloopen was zonder die gesloten te hebben, en ze begreep wel, dat de jongens nu wel niet meer thuis zouden zijn. Ze begon dus met haar’ man en Pieter naar de drie anderen te zoeken. Simon en Cornelis werden vrij spoedig gevonden, doch Jacob was nergens te zien. Inmiddels was de nieuwe onweersbui losgebarsten en viel de regen in stroomen neer. De wind was echter bedaard en het gevaar volkomen geweken. Velen besloten dus naar huis te gaan, en Heyn met vrouw en drie zoons vonden het op straat nu ook zoo heel pleizierig niet, en zeker zouden zij ook naar hunne woning gegaan zijn, als ze Jacob maar gevonden hadden.
„Maar is Jacob wel meegegaan?” vroeg de oude Heyn.
„Ja, Vader, hij was het eerst van ons op straat; maar toen we de steeg uit waren, konden we hem al niet meer zien; zoo hard had hij geloopen!” zeide Cornelis.
„Weet-je, wat we doen moesten?” sprak Vader.
„Neen, man! Ik weet het niet! Hadde ik mijn’ jongen maar!” klaagde Moeder.
„We zullen hem zoeken en vinden ook. Hij is toch waarlijk geen kind meer, dat nog met den valhoed, of achter den steekwagen loopt! Maar eerst gaan we naar huis. Vooral voor Pieter zal het goed zijn, als hij binnen is; want weet je wel, Moeder, dat ze geen avondboterham gehad hebben? De jongens zullen dus wel hongerig zijn!” antwoordde Vader.
De goede vrouw begreep dat ook, en daarom verdubbelde men de schreden om ras binnen te zijn. Toen ze bij hun huisje kwamen, vonden ze de deur open en hoorden ze al heel gauw, dat er een kind in de kamer was, dat schreeuwde.
Daarvan begrepen de Ouders niets. Wat zou dat zijn?
Moeder liep naar binnen en, kijk eens aan, Jacob was alleen thuis en liep, in zijn ondergoed gekleed, met een klein kind op den arm. Dat kind huilde zoo, hoewel Jacob alles deed, wat hij kon om het tot bedaren te brengen. Op den grond, zoo maar op de vloermat, lag nog een jongsken van een jaar of twee, toegedekt met Jacobs buis en borstrok!
Als het moedervogeltje, dat zich het lijfje van vederen kaal plukt om het teedere vogeljong te verwarmen, zoo had Jacob gedaan! De Liefde woont soms in zoo’n raar, zoo’n onooglijk huisje!
„Wat zal dat?” riep Vader.
„O, Vader en Moeder, ik ben zoo blij, dat ge komt! Ik kon Mietje niet tot bedaren krijgen. Als ze maar een dotje had, zou ze wel zoet zijn!”
„Maar van wie zijn die kinderen dan toch en hoe komen die hier?” vroeg Moeder.
„Wel, toen ik naar den brand liep,” hernam Jacob, „zag ik in de Olyphants-steeg eene kribbe staan met een schreeuwend kind er in, en een schreeuwend kind er naast. Ik kende ze wel. Het waren Mietje en Jantje van den sluiswachter. Zijn huis is zeker ook verbrand, want het stond in de Kolk, en de kinderen waren zeker zóó maar naar buiten gebracht en daar door den een of ander neergezet. Maar de zieltjes werden doornat van den regen, en toen ik dat zag, heb ik Mietje met krib en al naar hier gedragen, en Jantje moest me maar aan mijn buisje vasthouden. Zoo kwamen we in huis. Ik stak gauw licht op en legde Jantje op de mat. Maar omdat hij zoo koud was, heb ik mijne bovenkleeren uitgetrokken en er hem mee toegedekt. Hier, Moeder, pak Mietje eens aan, dan zal ik den sluiswachter gaan opzoeken en zeggen, dat zijne kindertjes goed bezorgd zijn!”
„Ben-je dwaas, jongen?” sprak Vader. „Dat zal ik wel doen! Je kunt in dit weer zoo niet naar buiten!”
Pieter Heyn stapte nu terstond de deur uit en begon al heel gauw te roepen: „Gerrit de sluiswachter! Gerrit de sluiswachter!”
„Wat moet ge van dien man hebben, vriendlief?” vroeg Dominee Jansz., die blijkbaar erg opgewonden was, en hem op straat tegenkwam. „O, dat is een vreeselijk geval; zijne twee kindertjes zijn in den brand omgekomen. De Ouders zijn radeloos van verdriet!”
„Neen, ze zijn geen van beiden verbrand!” antwoordde Heyn. „Ze zijn....”
Maar eer hij verder kon gaan, kwam er eene oude vrouw bij, die zeide: „In hun eigen huis zijn ze stellig en zeker niet verbrand. Ik heb het met mijne eigene oogen gezien, dat Joriaan Dirksz., de diaken, ze naar buiten gedragen heeft. Ik zou er een’ eed op willen doen!”
„Dan naar Joriaan Dirksz.,” hernam Dominee. „Het is de vraag maar, waar hem te vinden, want zijn huis is ook al verbrand! Mee, vrouwtje! Mee, man!”
Pieter Heyn hield hem evenwel tegen en zei: „Maar wat kallen de luiden toch? De kindertjes zijn allebei bij ons in huis. Mijn jongen heeft ze meegenomen en binnen gebracht, omdat de bloedjes zoo doornat werden en in de Olyphant-steeg zoo moederziel alleen stonden.”
„Die Pieter is me toch een jongen van het bovenste plankje!” riep de vrouw.
„Neen, Pieter heeft het nu niet eens gedaan. Jacob kan ook wel wat, al zeg ik het zelf! Jakob is ook een zoon van me, weet-je!” sprak Heyn en begon weer maar te schreeuwen: „Gerrit de sluiswachter! Ger—rit!!!”
Daar kwam midden uit een’ hoop menschen eene vrouw, die radeloos scheen en haveloos gekleed was, met hangende en rondfladderende haren, te voorschijn, en met wat wilds, wat schrils en wat vreeselijks in hare stem, riep ze: „Wie roept mijn’ man? Wie zoekt hem? Wat wil men van hem? Zeg het mij maar! Ik ben zijne vrouw!”
„Ho, vrouwtje, dat is er al vast eene! Den ander zal ik ook wel opsnorren! Weet-je de Kerkhof-steeg?”
„Ja, ja! O, mijne lieve kinderen!”
„Nu, stil maar, stil maar! Weet-je daar Pieter Heyn, den haringvisscher, wonen?”
„Och ja, dat weet ik wel!”
„Goed, goed, daar zijn je twee kindertjes, levend en wel! Ga er maar heen!”
Dat laatste hoorde de vrouw al niet meer; want nauwelijks had Heyn gezegd: „Daar zijn je twee kindertjes,” of ze snelde als een pijl uit den boog henen.
Een half uurtje later kwamen Heyn en de sluiswachter ook binnen.
Dat was daar in die nederige woning een heerlijk tooneel! De hoogste Liefde en de reinste Vreugde vierden daar samen feest!
Wat dachten die Vader en die Moeder aan alles, wat de brand vernield had? Niets! Ze dachten niet aan iets, dat ze verloren hadden! Ze hadden alleen gedachten voor dat, wat ze behouden mochten! Van droefheid, van zorgen, van treurigheid, geen sprake! Feest, heerlijk feest was het daar binnen! Ze hadden behouden, wat hun meer waard was dan de schat eens Konings! Hunne lieve, lieve kinderen! Wat wilden ze meer?
Die Gerrit was ook een oude Watergeus, en toen vrouw Heyn zag hoe hij Mientje en Jantje beetpakte, terwijl hem de tranen langs de wangen liepen, toen zag ze, dat sommige Watergeuzen toch óók menschen waren, en van dien dag begon ze haar’ man ook van een’ anderen kant te bekijken, en weldra kwam ze tot de overtuiging, dat die ruwe, harde Pieter, die oude Spanjolen-dooder, toch wezenlijk zoo kwaad niet was, als zij nog wel eens meende.
Gerrit bleef dien nacht natuurlijk met vrouw en kinderen bij Heyn. Ze moesten maar in het kleine zijvertrekje op het pronkbed slapen. En dat deden die luidjes gaarne; want het was nog maar halfvier in den morgen en het onweder was afgedreven.
De vier jongens hadden hun hart aan de boterhammen opgehaald, en waren ook nog maar ter kooi gekropen. En toen alles in dat kleine huisje in de Kerkhof-steeg in rust was, behalve de oude Heyn en zijne vrouw, zeide Vader Pieter heel stil: „Wel, vrouw, wensch-je nu nog, dat je vier meisjes in stede van vier jongens hadt?”
Moeder zweeg; haar hart was te vol. Zij was zoo over-dankbaar, zoo in-gelukkig, dat ze geene woorden vinden kon om haar’ man te antwoorden.
Heyn bleef een poosje op antwoord wachten, en toen dat niet kwam, vroeg hij nog eens: „Zeg, Moeder, zou-je die vier belhamels niet gaarne willen verruilen voor vier meisjes?”
„Och, Vader, zwijg daar nu toch van!” klonk het op een’ toon, die meer dan duizend woorden zeide.
De Vader had er evenwel het zijne nog niet van en fluisterde haar in het oor: „Jawel, maar jongens, zie-je, Moeder, zijn toch maar jongens, hé?”
„Maar jongens met nobele harten! O, ik verruil ze voor geen koningsdochters!” sprak Moeder vurig en drukte haar’ man innig de handen. „Het is me net, alsof ik na een’ stikdonkeren nacht de zon zie opkomen!”
„Zoo, zoo, daar heb ik je gehoord. Daarheen wilde ik het gestuurd hebben. En nu ik dat weet, wel te rusten, vrouw! Droom gelukkig van je jongens, van onze jongens, en, als je er soms een goed woord voor doen wilt, Hij, daar boven, Moeder, zal je verstaan.”
Zoo sprak Vader Pieter en terwijl hij dat zeide, dacht de vrouw in alle stilte: „Ja, dat goede woordje zal ik nu ook wel doen, eer ik ga slapen! Maar heel mijn leven zal één goed woord zijn tot den Heere om mijn’ man en onze vier jongens te zegenen!”
Te zeven uren werd Moeder eerst wakker. Ze schrikte, dat het al zoo laat was en wekte ook haar’ man. Deze stond op, en terwijl hij zich aankleedde, zei Moeder: „Man, ik heb zulk een’ mooien droom gehad!”
„Zoo, wat heb-je dan gedroomd?”
„Wel, ik droomde, dat ik te Rotterdam bij de Maas stond. Er kwam een schip aan. Zeker een oorlogsschip; want de leelijke kanonnen lagen naar buiten te kijken. En boven op dat schip stond de Kapitein in mooie kleeren en met eene sabel op zijde met gouden kwasten eraan. En weet-je wie die Kapitein was? Dat was onze Pieter! Onze Pieter in levenden lijve, geen mensch anders. Maar juist toen hij langs de loopplank kwam om mij goeden dag te zeggen, werd ik wakker. Wat zeg-je van dien droom, man?”
„Wat ik er van zeg?”
„Ja, ja, van dien droom?”
„Wel, wat anders dan: „droomen zijn bedrog?” Dat is geen droom geweest. Weet-je niet meer dat gisteren Kapitein Jansz., de broeder van Dominee, verteld heeft, hoe hij voor veertien dagen te Rotterdam aankwam, en dat de eerste, die hij zag, zijne Moeder was? Die vertelling heeft je door het hoofd gemaald, en omdat je zóó veel aan Pieters flink gedrag hebt gedacht, maakte-je van Kapitein Jansz. eenvoudig Kapitein Heyn. Dat is alles. Het moederhart is zoo groot, vrouw, o, zoo groot!”
Dat viel Moeder tegen. Ze had zoo gaarne gewild, dat haar man gezegd had: „Dat kan best gebeuren, dat Pieter Kapitein wordt!” Maar nu, „droomen zijn bedrog!” Bedrog! Ja, ze geloofde dat ook wel, zeker, zeker, maar toch....
Met den vollen dag kon men eerst de verwoesting zien, die door den brand aangericht was. Het was akelig om te aanschouwen. Gelukkig, dat de Regeering van Delft, op last van den Hove van Holland, tegen den interest van vijf ten honderd, gelden voorschoot om de verbrande huizen weer te kunnen opbouwen. En was het ook weer hier: „Als het kalf verdronken is, dempt men den put,” het was toch een goed bevel, dat er tevens gegeven werd: „De nijeuwe huysen sullen met hard deck ofte pannen gedeckt worden.”
VIERDE HOOFDSTUK.
Het muist graag, wat van katten komt.
Inhoudsopgave
Na den brand bleef Pieter eenige dagen thuis. De kloppartij, het moeielijke en zware nachtwerk zonder avond-boterhammen in de maag, het natte pak, dat hij zichzelven gegeven had en de vreeselijke hitte boven op het pannendak waren hem niet te best bekomen. Hij was eerst erg verkouden geworden en had toen de koorts gekregen, en in dien tijd was het met de geneeskunde nog treurig gesteld, en een groot geluk, dat toen over het algemeen de menschen wat sterker van lichaamsgestel waren dan ze nu zijn. Ze konden beter tegen een stootje, en tegen een hard stootje ook. Dat sterker zijn van onze voorouders was heel natuurlijk. Een kind, dat zwak was, kon in de meeste gevallen niet blijven leven, zoodat alleen de sterken overbleven. In dien tijd was de kindersterfte heel groot, veel grooter althans dan tegenwoordig. Van versterkende middelen wist men toen zoo goed, als niets, en zij, die als „dokters” dienst deden, waren veel meer gebrekkige chirurgen, of liever kervers en snijders, dan geneeskundigen. Barbiers in steden en op dorpen waren toen meteen „dokters” voor de zieken en „dokters” voor de gewonden. Zij trachtten de menschen zoowat op dezelfde manier te genezen, als nu op de kleine dorpen sommige hoefsmeden de paarden en het rundvee probeeren „op te knappen”. Alles ging geheel volgens een receptenboek, waarin soms de vreemdste middelen werden opgegeven, gewoonlijk met de stellige verzekering er bij, dat het voor deze of die ziekte, en voor dit en dat gebrek, het heilzaamste middel was, dat er ooit gevonden werd.
Zoo had de barbier, om Pieters verkoudheid te verdrijven, hem eerst een mengsel van vlier, kamillen en jeneverbessen laten slikken, met het bevel er bij: „Twee dagen lang niet van onder vier dikke dekens komen!” Er is wel eens wat vermakelijkere in de Hondsdagen dan achtenveertig uren lang onder vier dekens te liggen met om het uur een’ paplepel van dat keurige drankje in het lijf. Maar Pieter hield het die twee dagen moedig uit, doch toen hij den derden dag opstond, waren zijne poriën door het vreeselijk zweeten zóó geopend, dat hij, toen de deur even openging, opnieuw eene koude vatte, die hem de derdendaagsche koorts bezorgde. Toen begon het slikken andermaal. Eerst een mengsel van pimpernel, salie, mosterd en azijn. Wel mocht het hem bekomen; maar de koorts gaf er niet om en kwam terug. Toen moest hij bladeren van brandnetels op zijne polsen leggen, en eindelijk om het half uur twee paplepels vol van een drankje, dat gemaakt was van negen wortels van weegbladen, negen roemers wijn en achttien roemers water. En toch bleef de koorts niet weg.
„Weet-je wat, Moeder, die barbier weet precies zooveel van zieken genezen, als de Turk van onzen Bijbel. Ik houd het er voor, dat Pieter best beter zal worden, als hij maar begint met vasten!” zeide de oude Heyn toen het hem begon te vervelen, dat hij iederen dag zulk een’ ziekenverknoeier over den vloer kreeg. Moeder vond het goed en de koorts bleef eindelijk heelemaal weg.
„Ze is vanzelf weggegaan,” zeiden Pieters Ouders.
„Het mocht wat,” antwoordde de barbier, „het mocht wat! Ik zeg, het is een gevolg van mijn laatste geneesmiddel! Dat verzeker ik, en ik wil je groeten!”
Na dien tijd gaf de barbier elken koortslijder, dien hij in zijne macht kreeg, niets anders te drinken dan een aftreksel van weegbladen in water en wijn. Stierven de zieken, dan was het: „Hun tijd was er geweest! Verzet-je daar eens tegen! Voor den dood is geen kruid gewassen!”—Herstelden ze, dan hoorde men: „Dacht-je dan, dat ik niet weet, wat zieken noodig hebben om weer beter te worden? Zag-je me voor zóó min aan?”
Door dat gedwongen thuisblijven had de schipper, bij wien Pieter, als jongen, aan boord was, omdat hij niet wachten kon, een’ anderen knaap genomen en Pieter moest maar zien, dat hij wat kreeg.
Eens op een’ avond in het begin van September zaten Pieters Ouders te schemeren en de oude Heyn vertelde geschiedenissen van de Watergeuzen. Midden in de vertelling werd er echter op de deur geklopt. Moeder deed open en .... Meester Zegers trad binnen.
Meester, die de bespottelijke gewoonte had aangenomen om altijd boekentaal te spreken, om zoo doende, naar hij meende, zijn’ scholieren een exempel te geven, er niet aan denkend, dat juist dit gemaakte spreken hem in den weg was om een plaatsje te vinden in het hart zijner leerlingen, wat jammer genoeg was, want meester Zegers meende het zoo goed, begon dadelijk met een: „Ik wensch ulieden een’ goeden avond!”
„Van hetzelfde, Meester! Ga zitten!” antwoordde Vader.
Pieter was niet op zijn gemak.
„Ik kom den vrede teekenen, oude Watergeus!” hervatte de Meester met iets hartelijks in zijne stem.
„Den vrede teekenen? We leven, naar ik hoop, toch niet met elkander in oorlog, is het wel?” dus liet de Vader zich hooren.
„Dat is te zeggen, Vader Heyn, met u leef ik niet in oorlog, maar tusschen uw’ oudsten zoon en mij is de verhouding toch niet van zulk een’ uitnemenden aard, zou ik denken. Wie weet hoe dikwijls onze maat me al wat leelijks heeft toegewenscht!”
„Meester, daar is geen steek van aan,” riep Pieter, in zijne platte jongenstaal en geraakt, uit. „Ik heb u nog nooit wat kwaads toegewenscht, en dat mag u niet maar zoo zeggen. Ik heb u na dien dag, u weet wel, nooit weer iets in den weg gelegd!”
„Dat weet ik, Pieter! Daarom, en ook nog om wat anders, kom ik vrede met u maken!”
Ineens was Pieters drift over en vol verwondering riep hij: „Vrede maken, Meester? Vrede maken met mij?”
„Ja, mijn jongen, ik kom vrede maken met u. Tot den zevenden Augustus van het jaar onzes Heeren 1591, altijd Nieuwe Stijl, leefde ik met u in vijandschap. Als ik tot dien tijd aan u dacht, o, jongeling, kreeg ik geregeld pijn in het lichaamsdeel, dat de ongeletterde luiden knieschijf noemen, doch hetwelk door de geleerden met den beteren naam van „patella” wordt aangeduid.”
Gelukkig, dat het meer dan half donker in het vertrek en dat Meester Zegers wat slecht van gezicht, misschien ook minder scherp van gehoor was, want bij het noemen van „knieschijf” of „patella”, gingen vier vingers te gelijk tusschen de tanden van vier jongens, om, door in de vingers te bijten, het lachen te voorkomen. Zelfs Vader, maar daar was hij dan ook een oude Watergeus toe, had de grootste moeite om zijn verweerd gelaat in een’ effen plooi te houden, want van die knieschijf-geschiedenis wist hij alles af, en hij had er altijd meer vermakelijks dan ernstigs in gevonden. Alleen Moeder, die heel het leven van den ernstigen kant bekeek, die nooit eens vroolijk lachte en ten hoogste eens heel even een’ glimlach liet zien, omdat ze lachen zonde noemde, had de halve duisternis niet noodig om haar gelaat te verbergen, en zeide met een’ diepen zucht: „Het heeft mij diep gesmart, Meester!”
Meester bleef den jongen Pieter aanzien en zonder gelet te hebben op dat, wat de Moeder zeide, vervolgde hij: „Maar na den nacht van den negenden Augusti is al mijn wrok tegen u over, mijn jongen! Gij hebt toen in een enkel oogenblik heel Delftshavens hart en ook het mijne gestolen. Nu gevoel ik er behoefte aan, o, jongmensch, u te zeggen: bij de vele vrienden, die gij door uw manhaftig gedrag hier te Delftshaven verworven hebt, behoor ook ik. Alles is vergeten en vergeven! Ziedaar mijne hand erop, jeugdige vriend!”
„Van harte gaarne, Meester! Daar is mijne hand!” sprak Pieter nu zonder lachen, en stak Meester Zegers de rechterhand toe.
Nadat de oude man de hand van den knaap gedrukt had, zeide hij: „En raadt gijlieden nu eens, wat ik nog meer kom doen?”
Ja, daar was moeielijk naar te raden; dat kon men zoo maar niet weten.
„Welnu,” sprak Meester Zegers, nadat Vader, Moeder en Pieter vergeefsche pogingen aangewend hadden om de oorzaak van Meesters komst te weten, „welnu, ik kom vragen of onze Pieter de grimmige wateren van den woesten Oceaan mag gaan beploegen.”
De beeldspraak voor wat het volk eenvoudig noemt: „het zeegat uit,” ging wel wat diep, doch Moeder, die door het lezen van den Bijbel en andere ernstige boeken, zoowel als door het aanhooren van geleerde en deftige preeken, veel beter dan al de overigen in staat was om achter de beteekenis van beeldspraak te komen, begreep hem, en bijna ontsteld riep ze uit: „Maar, Meester! Mijn oudste jongen naar zee? Hij naar zee!?”
Meester Zegers wist hoe zwart de Watergeuzen bij vrouw Heyn stonden aangeschreven, en daarom zeide hij terstond op geruststellenden toon: „Zooals gij zegt, Moeder, naar zee! Maar niet als Watergeus om te stroopen, te moorden en te branden; neen, als eerlijk matroos ter koopvaart!”
„Ja, dat is wat anders, maar toch....” zuchtte Moeder.
„Stil, vrouw Heyn, stil,” hervatte Meester. „Ik weet wel, wat ge eigenlijk wilt! Gij zoudt zoo graag zien, dat Pieter den stiel van uw’ braven Vader leerde en met allerlei gereedschappen het ruwe hout tot nuttige voorwerpen ging vervormen!”
„Ja, Meester, dat zou ik zeker graag zien. De zee is zulk een gevaarlijk element, en boven op zolder staan nog al de stukken gereedschap van mijn’ lieven Vader, zaliger, zonder één roestvlekje erop!”
Vader Heyn, die er al lang geleden over gedacht had om zijn’ oudsten jongen, matroos op een zeeschip te laten worden, tikte zijne vrouw even op den schouder en sprak: „Er zijn nóg drie jongens buiten Pieter, vrouw!”
„Laat mij met haar redeneeren, vriend Heyn,” sprak Meester, en haalde een pennemes in een lederen kokertje uit zijn’ zak, en dit bij Moeder Heyn leggende, vervolgde hij: „Maak van dit pennemes eens eene stoof of eenig ander voorwerp, Moeder Heyn!”
De Moeder zag Meester vreemd lachend aan en zeide op wel wat spijtigen en snibbigen toon: „Ik en ben geen tooverkol of heks, Meester, en bezondigde mij nooit aan de zwarte kunst. Houdt gij me nu voor den mal, of .... of .... of hoe heb ik het met u?”
„Toch niet, Moeder Heyn, mijne vraag lijkt wel dwaas, maar toch is ze ernstig gemeend. Er steekt heel geen jokkernij en nog veel minder ars atracia of zwarte kunst achter. Ik verzoek u alleen om van dit pennemes eene stoof of zoo iets te maken.”
„Maar, Meester, dat kan immers niet? Men maakt geen hout uit staal!”
„En dat wilt gij toch, vrouwtje!”
„Ik, Meester? Ik?”
„Ja, gij, vrouw Heyn! Gij wilt uit uw’ Pieter een’ timmerman maken. Maar evenmin, als ge uit een pennemes eene stoof kunt maken, evenmin maakt ge uit dezen knaap een’ timmerman, of, zooals uw echtgenoot zoude zeggen: eene „landrot”! De zinnen van dien jongen, vrouw Heyn, staan nu eenmaal op varen. Houd hem aan den wal, ja, leg hem vast aan nieuwe touwen, waarmede nog geen’ arbeid verricht is, of bind hem met versche boogsnaren, die nog niet verdroogd zijn,—als een tweede zoon van Manoach, als een tweede Simson, zal hij zich losrukken van dezelve, en naar zee gaan!”
„De banden der liefde, Meester, zijn sterker dan boogsnaren of nieuwe touwen!” antwoordde Moeder bedaard.
Meester Zegers was getroffen door de schoone woorden, die daar eene eenvoudige vrouw uit de volksklasse sprak, waar ze zich Moeder gevoelde. Maar de oude man liet zich niet zoo heel gauw uit het veld slaan, en vervolgde: „Zeker, Moeder Heyn, de banden der liefde zijn sterker dan boogsnaren en nieuwe touwen! Met die banden der liefde zoudt gij hem ook aan den wal binden, maar uw jongen zou vergaan als sneeuw voor de zon. De landziekte zou hem al zijne krachten ontnemen en oud en zwak doen worden voor zijn’ tijd!”
„Vrouw, Meester Zegers spreekt als Dominee Jansz.! Zeg er eens wat tegen, als gij kunt?” riep Vader Heyn opgetogen van ingenomenheid bij het hooren van woorden, die hem, als het ware, uit het hart gegrepen waren.
Moeder Heyn zweeg en Meester zag, dat hij overwonnen had, hoewel ze nog aarzelde, toe te geven. Maar daar kwam opeens de jonge Pieter naar haar toe en haar om den hals vallende, zei hij: „Och toe, Moedertje, laat me maar naar zee gaan! Ik zal goed oppassen, Moedertje lief! Ik zal stellig geen Watergeus worden, maar een eerlijk zeeman blijven.”
„Hebt gij het dan bij ons zoo kwaad, Pieter?” vroeg Moeder snikkend.
„Neen, Moedertje, neen, ik heb het hier niet kwaad; maar ik verlang naar zee! Och, toe, laat me toch maar gaan! Ik zal inderdaad goed oppassen, en ik kan hier zoo maar niet in huis meeleven en niemendal doen. Ik moet den kost toch helpen verdienen.”
„Nu, jongen, als je de zinnen zóó op de zee gezet hebt, ga dan! Ik zal u niet langer tegenhouden,” sprak Moeder, doch men behoefde geen toovenaar te zijn om uit de wijze, waarop ze dat zeide, af te leiden, hoeveel het haar kostte om haar’ oudsten jongen naar zee te laten gaan.
„Gij zijt een braaf, lief, best, goed Moedertje,” riep Pieter en kuste haar de tranen van de wangen, en zich hierop van haar losmakende, ging hij naar Meester Zegers en zei: „Heeft u het gehoord, Meester, ik mag, ja, ik mag! Heerlijk!”
„Zoo, wildzang, vindt gij dat zoo heerlijk? Maar wie het doel wil, moet ook de middelen willen, die tot dat doel leiden, en .... die middelen zijn nu juist niet zoo gemakkelijk, vooral niet voor een’ knaap, die als gij, de schooljaren al achter den rug heeft. Gij hebt echter in uwe schooljaren al bitter weinig geleerd, Pieter, bitter weinig!”
Onze Piet had een paar brutale kijkers in het hoofd, en er moest heel wat gebeuren, als hij ze neersloeg. Nu evenwel schenen die kijkers opeens al hun’ overmoed afgelegd te hebben, want hij sloeg ze neer, en een hoog schaamrood vloog hem over de verbruinde wangen.
Meester Zegers scheen het niet te zien of wilde het niet zien, en vervolgde op denzelfden deftigen toon: „Gij hebt den kostbaren tijd van uwe leerjaren vermorst, en als ik op het zwarte bord de woorden van mijn’ vriend Valcoogh, schoolmeester tot Barsigherhorn, geschreven had:
„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken,
Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”
dan staakt gij er den draak mede, o, jongeling!”
Vader knikte met het hoofd en bromde, toen de jonge Pieter nog meer verlegen werd: „Pieter, mijn jongen, Meester verstaat de kunst om iemand ongezouten de waarheid te zeggen.”
De waardige schoolmeester scheen dat nu ook niet te hooren, of er geen aandacht aan te verleenen, en ging op denzelfden preektoon voort: „Een zeeman, die wat meer wil worden dan matroos, moet wat in het hoofd hebben. Een, die ter nauwernood lezen en schrijven kan, zooals gij, Pieter, en die van de stuurmanskunst zooveel weet, als een Heiden van den Bijbel, gaat, als jong-matroos naar zee, en als hij niet vóór dien tijd sterft, als oud-matroos het graf in! Weet gij dat wel, o, jongeling? Verstaat gij mijne tale, jeugdige vriend?”
„Ja, Meester, ik voel wel, wat u zeggen wil,” antwoordde Pieter. „Een zeeman, die niet meer weet dan ik, komt niet vooruit. Wat hij is, als hij aan boord komt, dat is hij zestig jaar later nog, als hij het boord verlaat.”
„Juist, juist,” vervolgde Meester, tevreden, dat Piet hem zoo goed begrepen had. „Het is nu de vraag, de groote vraag maar, of gij lust hebt om aan boord heel uw leven lang matroos te blijven, dan wel of ge vooruitkomen wilt!”
Thans pas scheen de jonge Pieter wat op dreef te komen. De schaamteblos maakte op de wangen voor jongensvuur plaats, en eenigszins gejaagd kwam er uit: „Ik zou niet graag op zee altijd de oude knecht blijven. Ik zou willen vooruitkomen, Meester! En ik zou er mijn best voor doen ook om wat meer te worden dan matroos. En als ik wil, kan ik wel!”
„Dat is een goed voornemen, jonge vriend, maar, niet ten onrechte heeft iemand eens gezegd: „Met goede voornemens is de weg naar de hel geplaveid.” Ik hoop dat voornemens bij u daden zullen worden, en dat zult ge veel gauwer kunnen bewijzen dan gij denkt. Luister naar het plan, dat ik gemaakt heb. Ik heb een’ broeder, die schipper is geweest op een’ Levantvaarder. Hij krijgt nu een nieuw schip, dat over een paar maanden klaar zal zijn. Dan gaat hij er mede naar Lissabon en Venetië. Die broeder is een zeer knap zeeman, die de stuurmanskunst en de zeevaartkunde uitmuntend verstaat. Hij woont te Rotterdam in de Hoogstraat, en zoo lang, als hij nu nog niet uitgezeild is, gaat gij iederen dag, behalve op Zon- en feestdagen, des middags om drie uur naar hem toe, dan zal hij u de stuurmanskunst en zeevaartkunde leeren. Wilt gij dat?”
Nu was Pieter niet klein meer; nu waren zijne wangen niet schaamrood meer! Neen, het vuur der blijdschap straalde uit zijne oogen en vol geestdrift riep hij uit: „Of ik wil, Meester? O, graag, heel graag! U zal zien, dat ik wil!”
„Best, best, knaap! Maar wij zijn nog niet ten einde! Gij kunt slecht lezen en schrijven, en dat moet ook niet zoo wezen. Daarom komt gij iederen morgen tusschen zeven en acht uren bij mij aan huis om ook dat te leeren. Hebt ge het verstaan?”
„Maar, Meester,” zeide eindelijk de oude Heyn, „wij zijn geen vermogende lieden. Wij hebben geen penning om al dat onderwijs te bekostigen!”

„Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).
„Wie spreekt er van geld? Ik immers niet? Mijn broeder doet het om Godswil en ik ook. Maar als Pieter later opklimt en iemand wordt, die het betalen kan, dan zal hij aan ons, of, als wij dan niet meer in leven mochten zijn, aan de armen vergoeden, wat wij aan hem ten koste gelegd hebben!”
„Nu, als het zóó is, dan heb ik er vrede meê. Dan zal het schip wel in eene goede haven komen, zooals onze Watergeuzen-hopman Dirk Duivel, een man van zessen klaar, gewoon was te zeggen, als het hem naar den zin ging,” zeide Vader Pieter.
Thans scheen Moeder ook uit hare verbazing te bekomen, want opstaande ging ze naar Meester Zegers en zeide: „Meester, gij slaat wonden, maar gij heelt ze ook! Hoe komt het toch, dat u zooveel voor onzen Pieter, die u eens zoo mishandeld heeft, doen wilt?”
„Wel, vrouw Heyn, dat is gauw gezegd. Pieters gedrag bij den verschrikkelijken brand verdient nog meer loon, dan hij reeds kreeg. Het eerste loon kreeg hij van den goeden God, die zegenend op hem nederzag. Het tweede loon ontving hij van zijne Ouders, die vol vreugde en trots op hun’ oudsten jongen wijzen. Het derde loon kreeg hij in een dankbaar hart van de lieden, wier huizen en bezittingen hij hielp beschermen. Het vierde loon vond hij in alle Delftshavenaars, die na dien tijd met lof van hem spreken. Ik kom hem, omdat mijn hart voor zulke jongens warm klopt, het vijfde loon brengen, en dat vijfde loon zal zijn, hem te helpen om in de wereld vooruit te komen. Die begeerte om hem te beloonen, heeft al lang bij mij bestaan. Toen ik hem daar zoo zag boven op dat pannendak, te midden van de vlammen, die naar alle kanten uitsloegen, en hem zelfs de haren zengden, vergaf ik hem terstond de pijn en de schande, die hij mij eenmaal in eene booze bui aandeed, en ik besloot al mijne zwakke krachten in te spannen ten einde hem iets voor zijn’ moed te geven. Ziet ge, daarom en dáárom alleen is het, dat ik uw’ Pieter helpen wil, opdat er iets meer uit hem groeie dan een simpel matroos. En nu ik mijne boodschap gedaan heb, en alles naar genoegen is afgeloopen, zoo wensch ik u allen een’ goeden avond en wel te rusten! Pieter, morgenochtend om zeven uren in de Groenendaal, hoort ge?”
Zoodra Meester Zegers vertrokken was, raakten alle banden der tongen los. Wat al gepraat en gesnap! Men zou dit; men zou dat; men wilde hier; men wilde daar! Ieder had wat te zeggen en Pieter wel het meest. Alleen Moeder zweeg en dacht stil voor zichzelve na, terwijl Vader vergenoegd de handen wreef en maar ieder oogenblik mompelde: „Ja, ja, het is waarheid: Het muist graag, wat van katten komt.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Onder Moeders gebed naar zee.
Inhoudsopgave
Het ongewone van alweer te gaan leeren, maar bovenal zijne blijdschap, dat hij binnenkort naar zee zou mogen gaan, had Pieter den nacht, die op dit gewichtige besluit volgde, slechts eene korte rust vergund. Had het lang geduurd eer hij den slaap vatten kon, toen deze eindelijk kwam, kwamen droomen mede, en zoodra de stralen der morgenzon door het dakvenstertje vielen, was hij wakker, en moede van het droomen, wilde hij liever maar niet langer blijven liggen. Hij stond dus op, waschte en kleedde zich. Voor het kleine dakvenster gekomen, deed hij dat open, boog zich er door heen en keek naar de Maas, waarover een dunne nevel lag. De masten der schepen werden zichtbaar, doch overal aan boord was alles nog in rust. Alleen de mannen van de hondewacht, die om vier uur zouden afgelost worden door de dagwacht, keken hier en daar droomerig over de verschansing.
En daar, met de oogen naar het water en de schepen gekeerd, begon onze Pieter te denken aan de zee,—aan zijne toekomst! Er ging veel om in het hoofd van den knaap.
Dat hij bij het weinige, dat hij op school geleerd had, ook niets aan de geschiedenis gedaan had, is duidelijk, maar zonder dat de geschiedenis op school onderwezen werd, wist zelfs de geringste man in de zeegewesten de gebeurtenissen van den dag mede te deelen.
Wanneer de bakker het deeg heeft gekneed, laat hij het eene poos in den trog staan om het door gist te laten rijzen. Dan zet het deeg uit, en wat een halfvolle trog was, wordt weldra een volle, en als hij er ten laatste geen brood van ging bakken, dan zou het deeg over den trog heen komen.
Zie, de Nederlanders der zeegewesten van dien tijd, waren als het bakkersdeeg in den trog; er was werking in. Nog bijna onbewust hoe het kwam, gevoelde het volk zich tot daden geprikkeld, op de groote wateren, maar niet zoo zeer hier te lande. Althans de Hollanders, Zeeuwen en Friezen hadden met dappere daden op het land weinig op. Er stak een zeeman in hen, geen soldaat.
Leycester was een paar jaren geleden vertrokken en na diens vertrek had men de oppermacht dezer landen niet aan een’ anderen Vorst aangeboden. De Republiek was, als het ware, gevestigd, en met een’ Prins Maurits aan het hoofd van het leger en een van Oldenbarnevelt in ’s Lands raadzaal, begon de jonge Republiek al de kracht van hare jeugd te gevoelen, en evenals een gezonde knaap, die vrij gekregen heeft, denkt: „Wat zal ik toch nu eens doen? Ik moet, ik wil, ik zal wat doen,” zoo spitsten ook zoo onze Voorouders in die dagen hun brein tot het zoeken van alles, wat ze doen konden, doen, het liefst op zee en ver van honk.
Dat de jonge Pieter nu ook zoo dacht, is duidelijk. Wat zou hij aan boord van het schip doen? Waar zou hij komen? Wat zou hij worden?
De Ridders van vroegere eeuwen waren er sinds lang niet meer; de adellijke grondbezitters, mannen met aanzienlijke namen, waren er nog wel in Holland, maar het ontzag, dat het volk vroeger voor hen gehad had, bestond niet meer. Er was een andere aanzienlijke stand aan het opkomen. Het was die der „Burgerkoningen van de Republiek” en deze stand groeide op uit heel de burgerij, uit de armen zoowel als uit de aanzienlijken en rijken. Het was, alsof iedereen gevoelde, dat hij het ver in de wereld zou brengen, als hij maar van aanpakken wist. Die geest van „willen aanpakken” bezielde duizenden van hoofdstraat tot achterbuurt.
Was het nu wonder, dat de zoon van een’ matroos, die slechts ter haringvangst voer, eerzuchtige droomen kreeg en met tal van voorbeelden voor oogen, van zichzelven dacht: „Wat een ander kan, dat kan ik ook!”—Immers reeds tegen het begin der zeventiende eeuw waren, vooral in Holland en Zeeland mannen uit den minderen stand al heel wat geworden in den lande!
Het was aan Pieters gelaat te zien, dat zijn vurig hart van eerzucht klopte, en naarmate de nevelen op de Maas meer verdwenen, naarmate de zonnestralen alles meer in gloed zett’en en naarmate alles, op de rivier en in de havenbuurt, meer tot leven kwam, naar diezelfde mate stegen zijne eerzuchtige plannen, en wie weet hoe hoog ze wel gestegen waren, als Vader, die niet wist dat Pieter al lang en breed op was, beneden aan de trap niet geroepen had: „Jongens, jongens, het is halfzes! Er uit, jongens!”
Jacob, Simon en Cornelis rekten zich uit en riepen: „Ja, Vader!” waarna ze opstonden. Onder het aankleeden vertelde Pieter hun, wat hij dien morgen zoo al op de Maas gezien en welke mooie plannen hij voor zichzelven gemaakt had.
Na het ontbijt, dat steeds te zes uren gehouden werd, begaf Pieter zich naar zijn’ ouden Meester, en des middags ging hij vol blijden levensmoed naar Rotterdam om bij schipper Zegers de eerste lessen te nemen in de stuurmanskunst.
Zoo ging het den eenen dag na den anderen bijna twee maanden lang. Zoo traag in het leeren Pieter vroeger geweest was, zoo ijverig was hij nu. De tijd vloog hem om. Maar ook voor Moeder vlogen de dagen te schielijk voorbij. Ze was wel arm, en het geld moest uit alle hoekjes en gaatjes opgezocht, ja, op een paar boterhammen en een stukje kaas minder, uitgewonnen worden; maar ze wilde toch niet hebben, dat haar oudste jongen als een schooier aan boord zou komen. Oude spulletjes waren het, zeker, dat viel niet tegen te spreken. Op een koopje, van oud nieuw gemaakt, ieder zag het! Maar was dat schande? Zet eens eene vuist als ge geen hand hebt, en koop eens spiksplinternieuwe en mooie kleeren, als er zelfs niet genoeg voor oude is! Eene Moeder kan veel, maar zulke wonderen verrichten, dat gaat niet, dat kan niet. En dan, behalve die uitrusting was er nog meer noodig.
In 1580 was te Delftshaven eene vereeniging tot stand gekomen, die den naam droeg van: „Matroozen-troost”. Die vereeniging bestond uit zeelieden, die eenig geld bij elkander brachten, hetwelk door drie Regenten beheerd werd. Viel nu een der matrozen, die lid van die vereeniging was, in handen van Duinkerksche kapers, dan werd hij met geld van de bijeengebrachte som vrijgekocht. Dat lidmaatschap kostte nu wel veel geld, veel althans voor menschen, die met schrale verdiensten moesten rondkomen, maar Moeder had besloten, dat haar jongen ook lid zou worden, het mocht kosten wat het wilde. Wanneer hij in handen van die woeste zeeschuimers, niet veel beter, misschien wel erger, dan de Watergeuzen, viel, dan zou hij in harde gevangenschap moeten blijven zuchten, en wie weet of ze hem zelfs niet om het leven zouden brengen. Dus, Pieter moest lid worden van „Matroozen-troost”.
En onder die velerlei beschikkingen brak eindelijk de dag aan, dat Pieter zou vertrekken. Het schip, „de Westland” geheeten, en voor rekening van eenige Delftsche kooplieden uitgerust, lag zeilreê in Delftshaven.
Slechts een paar uren nog en dan zou het de haven verlaten. Wie wist voor hoe lang!
Pieter was nog aan boord; hij had echter geen afscheid genomen en mocht dat nog gauw gaan doen. Zijn Vader was niet thuis; deze was op de vischvangst, en hem had Pieter al vaarwel gezegd. Jacob was bij een’ timmerman te Delft in de leer, en Cornelis en Simon waren in school. Moeder was dus alleen, heel alleen thuis.
„Nu, jongens, een half uurtje, hoor, niet langer,” zeide de schipper, aan wien gevraagd werd om thuis afscheid te gaan nemen.
Hierop liepen drie jongens van boord de Haven op.
Wie dat waren?
Dat waren Willem Adriaensz. Blokmaker,—Jan Dirksz. en onze Pieter.
De eerste twee gingen met „de Westland” als licht-matrozen mede, en Pieter, als bootsmans-leerling.
„Tot straks,” klonk het thans, en de drie knapen liepen ieder naar hun eigen huis.
Maar weldra vertraagde Pieter zijne schreden. Hij wilde wel hard loopen; maar hij kon niet. Er was iets, dat hem hinderde, en hoe dichter hij bij huis kwam, des te vreemder gevoelde hij zich. Het was in zijne keel, alsof daar een stuk droog brood zat, dat hij wel doorslikken wilde, maar niet doorslikken kon.
Eindelijk kwam hij, ondanks zijne vertraagde schreden, toch thuis.
Hij deed de deur open, trad binnen en ging naar zijne Moeder, die bezig was om met de tang het vuur wat op te rakelen. Zij keerde zich om toen zij iemand hoorde binnenkomen, en Pieter in het vertrek ziende, zag ze hem verstoord aan en zeide: „Blijf staan! Wat is dát?”
Pieter stond onthutst stil en vroeg: „Wat, Moeder?”
„Vraag-je nog „wat”, jongen?”
„Ja, Moeder, ik weet niet....”
„Zoo, weet gij altemet niet, waarom daar voor de deur eene voetmat ligt?”
Pieter lachte even en zei: „Maar, Moeder! Ik....”
„Houd dat „maar” toch eindelijk voor je! Doe als altijd!”
Pieter keerde terug en veegde de lage zeemansschoenen, die niet vuil waren, aan het matje af. Hij had dat voor het eerst van zijn leven vergeten.
„Genoeg,” sprak thans Moeder, „zeg mij nu vaarwel!”
Pieter deed het; maar, koel. Moeder deed ook zoo raar!

„Vergeet—je—Moeder—niet!” (Bladz. 62).
„Hoor eens, jongen,” begon Moeder terwijl ze hem de armen om den hals bleef houden, „ik weet dat je mij al heel vreemd vindt. Goed, vind dat. Maar nu we op het punt staan, van elkander te scheiden, heb ik je nog wat ernstigs te zeggen. Tot heden heb-je altijd ons, uw’ Ouders, moeten gehoorzamen, en als je het niet deedt, dan wachtte je straf. Nu ga-je naar zee. De zee maakt een’ mensch lichtelijk vrij en ongebonden, ja, soms woest, hardvochtig en onverschillig. Zoo ze jou dat óók maakt, dan zou ik liever hebben, dat je nimmer weer een’ voet over dezen drempel zettet. Ik wil van mijne kinderen gehoorzaamheid, al werden ze zoo hoog geplaatst, dat er tusschen hen en Zijne Excellentie Prince Maurits, dien God behoede, slechts ééne schrede afstands was. Ik heb je geleerd, God en uw’ Ouders te gehoorzamen. Als ik je wederzie, moet dat nóg zoo zijn. En gehoorzaamheid zit niet enkel in het groote,—gehoorzaamheid zit ook in het kleine. Wie, als hij binnen de deur komt, begint met de voeten niet op de mat af te vegen, ofschoon hij weet, dat dit orde en regel is, die eindigt met zelfs God niet te gehoorzamen en te leven als een heiden. En nu, mijn jongen, denk altijd, je heele leven lang, in Noord of Zuid, in Oost of West, nu of over veertig jaar, als bootsmans-leerling, als schipper of als Kapitein, denk altijd aan deze ure. Vergeet je Moeder nooit, dan vergeet je ook de lessen niet, die zij je gegeven heeft; dan vergeet je den Lieven Heer niet; dan zal mijn gebed voor je welzijn niet onverhoord blijven! En nu, Pieter, lieve beste Pieter, ga, ga met God! Vergeet .... je—je Moeder—-je Moeder niet!”
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.