Kitabı oku: «Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes»
Pieter Louwerse
Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401221
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
EERSTE HOOFDSTUK. Het volk van de „Leerdam.”
TWEEDE HOOFDSTUK. De ontsnapte galei-boef.
DERDE HOOFDSTUK. Den dans ontsnapt.
VIERDE HOOFDSTUK. Opgedirkte waarheid.
VIJFDE HOOFDSTUK. Een groot man.
ZESDE HOOFDSTUK. Alével ferme kerels.
ZEVENDE HOOFDSTUK. Een koningsmiddel.
ACHTSTE HOOFDSTUK. Een zeer voornaam bezoek.
NEGENDE HOOFDSTUK. Zeevolk, vreemd volk.
TIENDE HOOFDSTUK. Eene Joffer om een’ Barbier.
ELFDE HOOFDSTUK. Een slechte ruil.
TWAALFDE HOOFDSTUK. De Hollandsche Remedie.
DERTIENDE HOOFDSTUK. Toch niet alleen.
VEERTIENDE HOOFDSTUK. Getuchtigd, niet verslagen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Janmaat.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
„Ver van honk” is voor menig lezer, die zijne reisjes bij voorkeur nog in het hoekje van den haard maakt, wel aantrekkelijk. Daarom koos ik een onderwerp uit de geschiedenis onzer Oost-Indische Compagnie, en daar ik in „Mannen van Sta-vast” den tijd van Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen geschetst heb, zoo meende ik niet beter te kunnen doen dan nu een tafereel te nemen uit het leven zijner opvolgers Joan Maetsuyker, niet zoozeer omdat ik dezen beschouw als de evenknie van Coen, maar wel omdat er onder zijn langdurig bestuur van 1653 tot 1678 genoeg voorviel dat vermelding verdient, en ook, omdat de sprong niet te groot is om dit werkje te beschouwen als een soort van vervolg op „Mannen van Sta-vast”. Aan de hand der geschiedenis wenschte ik u te schetsen de vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes. De namen van de mannen, die daarbij als Admiraals, Bevelhebbers of Opperhoofden genoemd worden zijn historisch, doch de helden van mijn verhaal zijn kinderen mijner verbeelding. Ik achtte noodig dit te zeggen omdat sommigen, en jeugdige lezers vooral, zoo lichtelijk gelooven dat alles, wat daar staat, van het begin tot het einde waar is. Natuurlijk zijn ook de gevechten, die we schetsten, en de gebeurtenissen, die er bij voorvielen, niet verzonnen, maar werkelijk geleverd en gebeurd.
Den Haag.P. LOUWERSE.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het volk van de „Leerdam.”
Inhoudsopgave
„Ei wat, allemaal gekheid! Ik zeg maar: liever met eene oude schuit op zee dan met een’ nieuwen wagen op het land. Wat zeg jij ervan, Hoepel?”
Hij, die dit zoo zeide, was een kloek gebouwde zeeman, die voor een tafeltje in eene zeemans-herberg stond. Aan dat tafeltje zaten nog drie andere varensgezellen hun bier te drinken. Twee opgeschoten jongens stonden er bij te luisteren, terwijl nog een ander jong mensch achter de jongens een plaatsje bij de luisteraars had ingenomen.
De zeemans herberg heette „De nieuwe Fluyte” en stond dicht bij den IJkant te Amsterdam.
De man, die met den naam van „Hoepel” aangesproken was, omdat hij gewoonlijk wat gebogen liep, was bezig zijn pijpje aan te steken, en nauwelijks hoorde hij, dat men het woord tot hem richtte, of hij keek op en zei: „Ja, Henri-Quatre, gelijk heb je, — pfoem — pfoem — pfoem, — gemeene toeback, zoo nat, alsof ze een jaar te weeken gelegen heeft, — pfoem — pfoem — pfoem! Ik zeg ook, gelijk heb je! Geen beter en vrijer leven dan van een’ zeeman, — pfoem — pfoem, — pfoem. Ik zou — pfoem — pfoem....”
„Gooi dat ding toch weg! Je zit al te „pfoemen” en nog eens te „pfoemen” tot vervelens toe. Rook straks, als er geen mensch meer is, die je wat vraagt! En doe nu je woord!”
Dit zeide een ander, die aan de linkerhand van den zoogenaamden „Henri-Quatre” stond. Dezen bijnaam had hij van de matrozen gekregen naar zijn’ baard en knevel, dien hij beide droeg in den vorm, zooals de beroemde Hendrik IV, Koning van Frankrijk, ze gewoon was te dragen.
„Klets dan, daar ligt de heele geschiedenis,” riep Hoepel. „Is me dat spul, dat ze hier voor goede waar en veel geld verkoopen! Ik zet geen voet meer in „De nieuwe Fluyte,” zoolang ze daar zulk bocht aan den man willen brengen. Het is schande!”
„Nu, ik wil wel gelooven, dat je er vooreerst geen’ voet meer in zet, Hoepeltje! Morgen avond om dezen tijd....”
„Morgen avond om dezen tijd, is het de zestiende April van het jaar 1658. Dag, ouwe jongen! Hoe gaat het?”
Met deze woorden werd Henri Quatre in de rede gevallen door een niet heel groot, doch erg gezet manneke, dat binnentrad en zonder plichtplegingen te maken bij het gezelschap plaats nam. Hij was ook zeeman van beroep, doch inplaats van in den mast te klimmen, smeerde hij pleisters, knipte hij de haren en schoor hij de baarden der bemanning. Dan had hij ook nog eene medicijn-kist met allerlei medicamenten. Hij droeg den naam van scheeps-barbier, doch het zee volk noemde hem „Troost der Armen,” omdat hij alle wonden en ziekten met den balsem, die dezen naam draagt, trachtte te genezen.
„Wat is dat? Troost der Armen, jij hier?” riep Henri Quatre.
„Jij hier?” riepen al de anderen.
„Ik hier! En wat zou dat?” klonk de vraag, die dadelijk aangevuld werd met het geroep: „Hei, baas van de Fluyte, bier en toeback!”
„Welja, ik dacht dat je in de Oostzee op een van onze oorlogsschepen was,” zei Hoepel.
„Geweest, man, geweest! ’s Lands dienst, geen dienst! Ik houd het met de Compagnie! Ik ben met een schip van de vloot gisteren avond hier aangekomen. Van morgen ontmoette ik den Schipper van de fluit „Leerdam,” en eer de klok van tienen koud was, was ik aangemonsterd, als scheeps-barbier op de „Leerdam.” Wat zeg je ervan, Hoepel?”
„Wat ik hiervan zeg? Dit. Ik hoop hartelijk op reis niet ziek te worden. Ik ben bang van je....”
„Troost der Armen, wil je zeggen, Hoepel?”
„Ja, juist! Je hebt er menigeen een reisje mee bezorgd naar den kelder, man!”
„Gekheid,” riep een andere matroos schaterlachend uit, „Meester Troost der Armen zet ons zoo rondom in het vet, dat we drijven als kurk.”
„Goed, goed,” zeide Hoepel, die niet zoo gauw uit het veld geslagen was, „ik zeg dat hij met zijn „troost” een heel zoodje den weg van de doode visschen heeft laten wandelen.”
„Geen wonder,” zeide de barbier. „Ze konden niet genezen vanwege hun ongeloof. Troost der armen is het heilzaamste medicament, dat er geweest is, dat er is, of dat er ooit komen zal, en daarmede uit. Als ik vragen mag, allemaal van de „Leerdam”?”
„Allemaal!”
„Gansbloed, een kostelijk gezelschap! Beter dan op het fluitschip de „Nieuwpoort”.”
„Zoo, is dat zoo’n opgeraapt zoodje?”
„Nu, opgeraapt, opgeraapt, dat zal ik niet zeggen; maar aan twee kwaden heeft men al genoeg!”
„Jawel, maar wij met ons zevenen maken niet de heele bemanning uit,” zeide Henri Quatre. „Wie waarborgt je, dat er onder de anderen, die....”
„Hier niet zijn, ook niet één of twee zich bevinden, die tot het zoodje behooren, wil je zeggen?”
„Precies!”
„Nu, ik zeg je, dat is eene klare onmogelijkheid. Daar heb je vooreerst den scheeps-barbier van de „Nieuwpoort.” Kent ge dommer kerel?”
„Is dat niet Meester Jonas?”
„Ja, ja, precies! Jonas heet hij, maar „Sul” moest hij heeten.”
„Die alle ziekten wil genezen met rabarber?”
„Juist, juist! Met rabarber! Wie heeft ooit zoo iets doms geloofd? De man is niet op de hoogte van zijn’ tijd. Hij had maar eens als ik eenige keeren op een compagnie-schip moeten dienen, ze zouden hem daar zoo gerabarberd hebben, dat hij geen pap meer kon zeggen!”
„Of ze gelijk hadden! Maar de tweede van dat zoodje, wie is dat?” vroeg Hoepel. „Ook al een barbier?”
„Neen, dat is de kok! Verbeeld je, daar hebben ze me gisteren een’ kerel laten aanmonsteren....”
„Ze, wie zijn die ze?” vroeg Henri Quatre’s linker buurman.
„Dat zal ik je zeggen. Midden in Holland woonde een heer, die zoo wat boeren wilde. Ongelukkig had de man meer verstand van kolven, kaatsen, wijndrinken, uitgaan en pretmaken dan van ploegen en zaaien. Hij reed in een mooi koetsje met een paar prachtige paardjes ervoor iederen dag naar Den Haag, en hij deed dat zoolang tot hofstede, huis, schuur, koeien, paarden, gereedschappen en meubelen voor schuld moesten verkocht worden. Nu heeft de familie van zijne vrouw dat levend schandaal naar Amsterdam geloodst en hem daar verronseld aan den Schipper van de „Nieuwpoort,” die er nu een soort kok van maken zal. Eet smakelijk! Ik....”
Hier werd de spreker in de rede gevallen door het vroolijk gezang van eenige binnentredenden, die allen met de „Leerdam” mede moesten.
„Gaan varen, gaan varen!
Gaan varen naar de Oost
al voor je plezier!
Gaan varen, gaan varen
gaan varen
voor geld en voor bier.
En wie er geen geld gebruiken kan,
En wie geen bier lust, wat heb je er an?
Die worde, die worde,
die worde geen varensman!
Gaan zwerven, gaan zwerven,
Gaan zwerven naar de Oost
en al naar de West,
Gaan zwerven, gaan zwerven,
gaan zwerven,
dat lijkt ons het best.
Jan Salie zoek’ moeders pappot op,
Janmaat verkiest er het ruime sop,
En hale, en hale
de vlaggen maar hoog in top!
Laat gieren, laat gieren,
Laat gieren den wind
zoo hard als hij kan.
Wij staan hem, wij staan hem,
wij staan hem
kordaat, als een man!
En slaat in flarden het heele want,
En dreigt gevaar ons aan alle kant,
Wij kiezen, wij kiezen,
wij kiezen de zee toch voor ’t land!
Staan beven, staan beven,
Staan beven dat komt
geen mensch in den zin!
Het hoofd op, het hoofd op,
het hoofd op
den kelder zelfs in!
Tempeest en storm te midden op zee,
Jan Compagnie die lacht er wat mee,
En roept nog, en roept nog,
en roept nog stervend: Hoezee!”
Het heele gezelschap had zich bij de vroolijke zangers aangesloten en nu het lied uit was, scheen het, alsof onder het telkens en telkens terugkeerend gejuich en geroep van „Hoezee!” de heele taveerne instorten zou. Het was een oorverdoovend leven.
Bierglazen, bierkannen en bierkruiken klonken en vielen rinkinkelend in scherven op de roode plavuizen[1] van den vloer. De eene pijp na de andere werd gebroken en menige test met glimmend turfkooltje zocht een plaatsje tusschen de stukken glas en aardewerk.
De herbergier bleef onder dat alles vrij bedaard. De man had dergelijke tooneeltjes al zoo dikwijls bijgewoond, dat hij geen oogenblik zijne kalmte verloor. Hij liet breken, vernielen, stukslaan, drinken, rooken, zingen, schreeuwen zoo lang tot men moede werd, en dan zou hij de rekening opmaken.
Het scheen evenwel lang te duren eer deze dollemans-hoop tot bedaren kwam, en reeds stond hij gereed er een einde aan te maken, toen de deur der groote gelagkamer opengesmeten werd en eene krachtige stem klonk: „Ophouden! Het is tijd van vertrek!”
De man, die dit riep was de Eerste Stuurman, Londenaar, van de „Leerdam”, een kerel als een eikeboom, zachtzinnig als een lam, zoo lang men zijn gezag erkende en in orde en rust leefde, maar moedig als een leeuw en sterk als een olifant, als men het waagde oproerig te zijn, of als de nood aan den man kwam. Hij was onder het zeevolk algemeen bekend en bemind. Dat de matrozen hem „IJzeren Neptunus” noemden, dat wist hij, maar het hinderde hem niemendal.
Op het geluid van zijne stem was alles opeens stil.
„Afrekenen, mannen! Goddeloos, wat een huishouden hier! Daar zal wat te betalen vallen,” zeide hij lachend.
De herbergier naderde nu beleefd en onder allerlei buigingen en strijkages, wist hij te vertellen hoeveel hij van ieder kreeg. De meesten keken vreemd op, dat ze zooveel bier gedronken en zooveel glazen, kannen en pijpen gebroken hadden. Ze hadden onder het vertellen, zingen en dansen wel niet geteld, maar toch wel zoo wat eene kleine begrooting gemaakt van hetgeen er gebruikt en gebroken was.
„Jij hebt krijt met drie puntjes, geloof ik,” zeide Hoepel, doch betaalde, wat hij zoogenaamd te betalen had.
Toen de herbergier zijn „eerlijk verdiend geld,” zooals hij telkens zei, binnen had, beval de Stuurman het volk hem te volgen, omdat het meer dan tijd was om naar het schip te gaan.
„Goede reis, mannen! Ik wil hartelijk hopen, tot wederziens,” riep de herbergier hen in de deur na.
„Als het schip niet zinkt, komt het, omdat je onze beurzen zooveel lichter gemaakt hebt, haai van een kerel,” zeide Henri Quatre. „Wat mij betreft, je schiet me niet meer, oude jongen, al hadt ge elf en dertig pijlen op je boog!”
„Eerlijk verdiend geld, bootsman,” grinnikte de herbergier, sloot de deur en ging toen bij het walmend licht van eene vetkaars zijne winst berekenen.
En onderwijl hij dit met blijkbaar genoegen deed, daar hij dien avond eene buitengewoon groote winst gemaakt had, eene winst, die hij steeds „eerlijk verdiend geld” beliefde te noemen, stapte het zeevolk in eene schuit en — voort ging het.
De wind was ongemeen gunstig en reeds den anderen middag kwam men voor Texel, waar de Kapitein van de „Leerdam” met ongeduld op het overige volk wachtte om de groote reis te aanvaarden.
Zoodra dus het volk aanboord en alles in orde was, werden terstond de ankers gelicht en ging men het zeegat uit. Nog twee andere schepen de „Nieuwpoort” en de „Dolfijn” gingen gelijk met hen onder zeil.
Onder de varensgezellen, die we in de herberg „De nieuwe Fluyte” bijeenvonden, waren ook twee opgeschoten jongens. Ze waren twee broeders en beiden Haarlemsche weezen. Dirk, de oudste, was zestien en Garrit was vijftien jaar. Ze hadden beiden al verscheidene reizen op de Oostzee en de Levant gedaan, doch naar de Oost waren ze nog nooit geweest. Hunne Ouders waren reeds lang dood, doch hun oom, bij wien ze als wees in huis waren gekomen, was maar een arme schoenlapper, die met groote moeite het dagelijksch brood verdiende voor zijn gezin, dat behalve uit de twee weezen, nog uit acht man bestond. Zoo spoedig ze maar konden hadden Dirk en Garrit besloten, den last van hun’ oom te verminderen, door naar zee te gaan.
„Hoort eens, jongens,” had oom gezegd toen hij het besluit zijner neven vernam, „het doet mij leed, dat ik niet beter voor u zorgen kan! Wilt ge eerlijk met ons allen deelen, blijft dan! Hebt ge niet genoeg, welnu, gaat dan het zeegat uit! De zee geeft een moeielijk, maar goed stuk brood! Maar — oppassen is de boodschap, jongens!”
„Hoor eens, oom,” zeide Dirk, „het is niet genoeg, dat wij tevreden zijn, als we zien, dat er gelijk op gedeeld wordt. We zien al te goed, dat we daardoor geen van allen genoeg hebben. En dat behoeft niet; wij kunnen den kost op zee verdienen, dat kunnen we!”
„En dan hebben al de anderen wat meer, oom,” sprak Garrit.
Oom keek de beide knapen aan en zeide: „Jongens, jongens had ik zooveel gerande gouden dukaten over, als ik nu duiten te kort kom, ik zou je niet naar zee laten gaan. Het doet me leed, werkelijk leed, dat ik niet meer kan doen dan ik doe. Ik zou je zoo graag het beste gunnen!”
„Dat weten wij wel, oom,” hernam Dirk. „Maar de zee en het zeeleven zijn zoo erg niet. Oppassen zullen we, en kunnen we gerande dukaten, och, al waren het maar scheepjes-schellingen, meebrengen bij onze terugkomst, we zullen het niet nalaten.”
„Ja, en dan óók eerlijk deelen, oom,” riep Garrit. „En wat oppassen betreft, nu dat zullen we. Wij beloven u geene schande, maar wel eer te zullen aandoen.”
Oom haalde evenwel de schouders op en hernam: „Beloven is gemakkelijk, doen is moeielijk, jongens! Och, er zijn aanboord van onze schepen zooveel ruwe gasten, die een leven van vroolijk Fransje leiden, om God noch zijn verbod geven, en ten leste, als een berooid man, om eene aalmoes door den lande loopen! En wie weet, hoevelen er onder die berooide lieden zijn, die ook beloofd hebben goed op te passen! Hoort jongens, geld of goed kan ik u niet medegeven; maar een’ raad wel. Bij al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan, en, gelooven moet ge, dat de Heer alles ziet. Als ge dien raad nooit vergeet, dan alleen kan er wat goeds uit u groeien!”
Zoo had oom gesproken toen de twee knapen hunne eerste reize naar de Oostzee gingen maken. Sedert hadden ze verscheidene malen dien tocht gedaan. Met allerlei slag van volk waren ze in aanraking gekomen, doch hoe dikwijls ze ook op het punt gestaan hadden, den goeden raad van hun’ oom te vergeten, telkens had het beeld van hunne Moeder hen voor de oogen gestaan en hen voor alles, wat laag en gemeen is bewaard.
Ja, het beeld hunner Moeder!
Och, Tanneke Woutersd. was zulk eene eenvoudige vrouw geweest! Ze kon zelfs niet lezen of schrijven. Maar vroom en braaf was ze, als er maar weinig menschen gevonden worden. En al kon zij ook niet lezen of schrijven, verstandiger was ze dan menige rijke koopmansvrouw of andere voorname dame, die het Fransch, Italiaansch en Engelsch zoo gemakkelijk las als het Nederlandsch uit haar’ Bijbel of liederenboek.
Toen zij stierf was Dirk elf en Garrit tien jaar oud; maar hoe jong ze ook waren, toen ze hunne goede Moeder verloren, toch konden ze zich nog al de lessen herinneren, welke zij hun, telkens als het maar te pas kwam, gegeven had.
Oom wist dan ook wel, wat hij zeide toen hij sprak van: „Bij al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan.”
Door hun ingetogen leven kregen zij van de matrozen den bijnaam van de „Twee Vromen.”
Intusschen maakten ze toch niet veel vorderingen, hoewel er geen Kapitein was, die Dirk en Garrit niet graag hebben wilde. Als een vol matroos, die reis op reis gemaakt had naar alle deelen van de wereld, eens niet maar zoo dadelijk vaart kon krijgen en soms wel drie of vier weken rondliep eer hij weer aangemonsterd werd, Dirk en Garrit konden, als zij den eenen dag aankwamen den anderen dag weer weg, als ze wilden.
En toch de oude knecht blijven, als men zoo goed oppast?
Ja, dat kwam, omdat ze maar heel kort school gegaan hadden en, zooals men zeî, ook wat hardleersch waren. Men had moeite die twee wat aan het verstand te brengen, maar als ze het ook eenmaal begrepen hadden, dan vergaten zij het nooit meer, en zoo waren ze, maar het was op den langen weg, niet ónwetender dan andere matrozen.
De twee knapen stonden toen de zon onderging over de verschansing naar de blinkerds te kijken.
De matrozen noemen vaak de duinen van ons land zoo, omdat die uit zee gezien, vooral bij avondzon, door hunne witte kleur, die het licht der zon weerkaatst, reeds verre in zee te zien zijn. De beroemde duinhoogte dicht bij Haarlem, ook Blinkerd geheeten, is dus meer een algemeene naam voor alles, wat duin is.
„Nog een oogenblik, Garrit, dan zijn ze uit onze oogen verdwenen en weg,” zeide Dirk.
Garrit, die blijkbaar aan heel wat anders dan de blinkerds dacht, schrikte op en vroeg: „Wie weg?”
„Wie weg? Wel, de duinen!”
„O, bedoel je de duinen? Ja, dat zie ik,” antwoordde Garrit en verviel weer in zijn vorig gepeins.
„Waaraan denk je toch?” vroeg Dirk. „Je staat te suffen!”
„Wat belief je?”
„Wel, heb ik van mijn leven! Ik vraag waaraan je denkt?”
„Aan Moeder,” was het antwoord.
„Zoo, aan Moeder!” sprak Dirk met een’ zucht. „Wat ze in angst zitten zou, als ze nog leefde, en wij beiden gingen, zooals nu, naar de Oost, omdat we hier niet aan den kost kunnen komen.”
„Ze zou zeker niet gerust zijn!”
„Nu, daartoe is wel reden ook; want het is in de Oost nu niet overal botertje tot den boôm!”
„Wáár is het geen botertje tot op den boôm, jongens?” vroeg op eenmaal Henri Quatre, die ongemerkt genaderd was.
„In de Oost niet, bootsman!”
„Ha, ha, daarvan weet jelui me ook heel wat te vertellen, ja! Nooit anders gevaren dan op de Oostzee!”
„En op de Levant, bootsman!”
„Is al zoo wat hetzelfde! Neen, dan zou ik je een ander boekje kunnen openleggen! Dit is mijne vijfde reize al!”
„Uwe vijfde? En ge zijt nog zoo jong!” riep Dirk.
„Jong! Maak dat de haaien wijs! Ik ben de vierenveertig al gepasseerd! Heel wat ondervonden! Maar zeg, heb je ook toeback in de doos of in je kist?”
„Neen, bootsman, wij drinken geen toeback!”
„Verdraaid, wat leef jelui dan op een koopje! Ik wil wel gelooven, dat je de oude knechten blijft!”
„Door toeback drinken komt men toch niet vooruit, bootsman?” vroeg Dirk verwonderd.
„Halskoppen, die ge nog zijt, wat zijt gij nog nuchter! Weet ge wel wat onze Starter ervan zegt?”
„Ha, de student hangt zijne wijsheid weer te luchten,” riep de scheeps-barbier, die zeer goed wist, dat Henri Quatre van eene rijke familie was en vroeger te Leuven gestudeerd had. Dat wisten ook velen der matrozen en menigmaal vermaakte hij de manschap met grappen uit zijn studenten-leven te vertellen. Had dan evenwel één het ongeluk, hem te vragen hoe hij van student zeeman geworden was, dan betrok zijn gelaat en hij zweeg oogenblikkelijk. Soms liep hij dan dagen lang zonder bijna een woord te spreken. Door dat vreemde gedrag was het vooral, dat Henri Quatre voor de matrozen iets aantrekkelijks had. Gewoonlijk was hij vroolijk en gezellig en een allemans-vrind. Maar hij kon ook oogenblikken hebben, dat niemand het waagde hem aan te spreken. En als een van de lieden het hem wat al te lastig maakte en een loopje met hem wilde nemen, dan kon hij hem aankijken met een paar oogen om er bang van te worden. Neep het gevaar en ging het er langs het kantje af, dat men het leven behield, was dan dikwijls heel de bemanning wanhopig en radeloos, Henri Quatre wist van geene vrees. Naarmate het gevaar toenam verhief zich zijne flinke gestalte, zijne oogen straalden vuur en zijne hand bleef vast. Dan keek de bemanning meer naar hem dan naar den Kapitein, en als het op stuk van zaken aangekomen was, dan had iedereen den Kapitein laten loopen en zou Henri Quatre gehoorzaamd hebben. De Kapiteins hadden het dan ook niet heel erg op hem begrepen, ofschoon hij nog nooit getoond had, dat hij den verkeerden weg op wilde. Had het evenwel aan hen gelegen, dan zouden ze hem wel nooit als bootsman op hun schip aangemonsterd hebben. Maar meestal kwam een der Heeren van de Compagnie den Schipper mededeelen: „Voor een’ bootsman hebben wij gezorgd!” en als dat gezegd was, dan wist men ook wel wie de bootsman zijn zou. Henri Quatre scheen derhalve zeer vermogende vrienden te hebben.
Wij weten dus nu ook eenigszins wie Henri Quatre was, en in den loop van het verhaal zullen we hem nog wel nader leeren kennen.
Zoodra de scheeps-barbier gevraagd had of de bootsman weer als student zijne wijsheid te luchten hing, vroeg deze hem: „Welnu, „Troost der Armen”, zeg jij dan wie Starter was!”
„Misschien wel zoo’n lapzalver als Meester Jonas van de „Nieuwpoort”, bootsman!”
„Dacht ik het niet? Neen, man, hij had met je pleisters en zalfjes niemendal uit staan, hoor! Hij was een Friesch dichter, en als ge wilt weten, wat hij van de toeback zegt, zoo luister dan:
„O prijselycke kruyd, in alder wijzen oordeel!
Want haere assche zelfs veroorsaekt groote voordeel:
De swarte tanden maeckt sij suyver ende wit,
Het tand-vleys heel ghesond, en krachtig het ghebit,
De scheurbuyk drijftse wegh, en veelderlei ghebreken;
Waer vind men sulcken kruyd in Hoven of Aptheeken?
Laeckt s’ eenige Doctoor, dat doet hij dan ghewis
Omdat sij sulcken dief in sijne nering is.
’t Gheneest onkostelijck, men hoeft haer niet te halen,
Noch Doctoor noch Barbier haer gangen te betalen;
Dies segh ick, spijt al die haer werpen op een lack,
Daer ’s gheen ghesonder kruyd, als d’ edele toeback.
Komt, helpt mij dan Toeback haer loff en eere geven,
Ghij....”
„Och, zwijg toch, man, gij raast wat! Ik zeg je dat de man, die het „toeback-suygen” uitgevonden heeft, verdiend heeft gehangen te worden. Piet Hein, onze beroemde Vlot-voogd, zaliger gedachte, wist wel, wat hij deed, toen hij het rooken of „toeback-drinken” op de vloot verbood. En wat zegt de geleerde Scriverius?
„’t Is meer fenijn
Als....”
„Och, houd op met je gezwets, Meester Troost der Armen,” riep Henri Quatre. „Scriverius zeide:
Sonticus est morbus....”
„Dat is Latijn, student! Dat mag jij en ik verstaan, maar deze jongelui verstaan het niet, en daarom zeg ik het maar, zooals Samuel Ampzing die gedichten verdietschte:
„’t Is meer fenijn
Als medicijn.
Toeback is sulcken siekt, die ’t lichaam doet verderven
En haere medicijn baet weynig tegens ’t sterven.
Het is meer quaed dan goed. ’k Verlang dan wie hij sij,
Die ons van dit vergift en deze pest bevrij.”
„Nu, Meester, gij kunt er van zeggen wat gij wilt, maar ik houd vol, dat eene pijp toeback te drinken niet zooveel kwaad kan. Iedereen, Geestelijke en Magistraat, heeft indertijd de toeback den oorlog verklaard, en toch is ze algemeen geworden. Liggen de zolders te Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht niet vol met toeback, die uit Amerika aangebracht is? Hebben niet Gelderland, Overijsel en het Sticht groote toebacks-velden? Leven te Nijkerk, Wageningen, Barneveld en Elburg niet honderden ervan? Neen, Meester, de toeback moet niet weg, maar als de joffers eens minder fijne neusjes hadden en manlief toelieten te huis zijn pijpje te smoken, dat zou helpen. Nu mag de man het te huis niet doen en daarom zoekt hij de toebacks-huizen op. Begrepen? Doch nu ga ik ter kooi; ik heb de hondenwacht.”[2]
De beide mannen verwijderden zich en lieten Dirk en Garrit, die met nog eenige anderen de eerste wacht hadden, aan hun lot over.
Het was prachtig weer voor een landrat, want al stonden alle zeilen bij, toch vorderde het schip, uit gebrek aan wind, al heel weinig. Zoo iets ziet en ondervindt Janmaat niet graag. Hij heeft het liefst eene stevige bries, die het schip eene goede vaart geeft. Toch teekende de lucht verandering en het volk klaagde dus niet erg. Het wist, dat er des nachts wel wind komen zou.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De ontsnapte galei-boef.
Inhoudsopgave
Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden. Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander.
„Een vreemde man, die Henri Quatre,” zeide Garrit. „Hoe zou hij eigenlijk toch heeten?”
„Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar, maar ik houd het ervoor, dat hij wel een’ anderen naam heeft. Ik geloof dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw”.
„Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?”
„Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat heb je mooie jongen!”
„Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn van onzen Gouverneur-Generaal!”
„Van Joan Maetsuycker?”
„Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen’ anderen?”
„Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!”
Dat „sssst” hetwelk Dirk liet hooren, was omdat „IJzeren Neptunes” op hen afkwam.
„Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?” vroeg hij.
„Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!”
„Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?”
„Doopen ze aanboord van de „Leerdam” ook, Stuurman?”
„Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is dat daar aan stuurboord?”
Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje liggen.
„Wie is daar?” vroeg de Stuurman.
„Een ontvluchte galei-boef,” antwoordde iemand beneden in zuiver Nederlandsch.
„En wat zoek je hier?”
„Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!”
„Denk je dat we boeven aanboord nemen?” antwoordde de Stuurman. „Zoek je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet op!”
„Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam.”
„Ik zal het den Kapitein gaan vragen,” sprak de Stuurman en beval aan de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou.
Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende barkas tegen stuurboord.
„Halloh, hoi!” riep een.
„Wat zullen we nu alweer te weten komen?” bromde de Stuurman, die met de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde opnemen.
„Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen,” klonk het in de Fransche taal.
„Toegang gevraagd, toegang geweigerd,” sprak de Stuurman kortaf en ook in het Fransch.
„We willen onderzoek doen,” zeiden de Franschen.
De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe.
Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en stonden weldra op het dek.
„Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een’ aanvang doen nemen?” vroeg de Kapitein.
De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag.
„Laat alleman op het dek komen,” beval de Kapitein.
De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar niet weergeven, niet weinig verwenscht.
Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: „Er moet hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder, die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!”
De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen als: „Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!”
Maar niemand had iets van een’ galei-boef of dat er op geleek, gezien of gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege had kunnen laten.
Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd, herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een’ kalmen toon, dat ieder begreep, dat het hem ernst was.
Natuurlijk gaf weer niemand antwoord.
„Ten derden male,” sprak de Kapitein, „herhaal ik mijne vraag: Wie uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!”
Weer geen antwoord.
Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch scherpen toon: „Een woordje, Kapitein!”
De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en zeide daarom zoo kortaf mogelijk: „Spreek, bootsman! Wij zullen hooren, wat je te vertellen hebt.”
„Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van een schip der Compagnie te komen?”
Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken, dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak.
De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch ten antwoord: „Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als Kapitein van het schip.”
„Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein,” hervatte de bootsman op denzelfden scherpen toon. „Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de Franschman geen’ voet op het dek van de „Leerdam” gezet hebben, al waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!”
„Bootsman, zwijg!”
„U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein, en ik ben niet onbescheiden!”
„Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!”
„Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te spelen ten believe van een’ Franschman, die hier niemendal te zeggen heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!”
„Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven, het heele schip te laten doorzoeken?”
„U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over denkt.”
„Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!”
De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: „We zijn geen dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!”
„Halt, mannen,” riep de bootsman nu in het Nederlandsch. „Dat zou rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en gehoorzaamt!”
Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een’ matroos en zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend Fransch: „Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn wilt.”
Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten, onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets, zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen.
Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander.
„Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant,” zeide de Kapitein in zijn slecht Fransch, „de vluchteling is hier niet.”
„Hij moet hier zijn,” was het antwoord, „het kan niet anders. En ik blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij, zonder nog eens zulk een’ gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze boot terug kunnen keeren.”
Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten pleiziere van een’ Franschman, die een’ vluchteling nazat, de voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne manschappen te Hâvre aan wal laten gaan.
Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen, en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre, welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep, waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken.
De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken van den dag af.
Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen, zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen weghaalden, nakeken.
Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er overvloed van spijs was.
Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen!
Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel twintigmaal jaloersch wilde worden: „Mijnheer de Luitenant, mag ik u de helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een’ kouden nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken.”
De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden, die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij zeide: „Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen zeer goed verstaan hebben.”
„Luitenant,” sprak Henri Quatre, „als gij met een Fransch schip langs de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?”
De Luitenant bedacht zich even en zeide: „Neen!”
„Ferm zoo, Luitenant,” hernam Henri Quatre. „En indien men u het bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit uzelven gedaan hebben?”
„Neen,” was weer het antwoord.
„Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!”
Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó volop, als ze in hun’ eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die verkleumde mannen hiermede wat in hun’ schik waren.
Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was.
Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg van den Luitenant nog een’ handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de Kapitein vond dit zeer natuurlijk.
Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en — niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch, daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over.
De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog het fluitschip, dat, voor een’ Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij waren.
Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou zijn.
Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en hagel medebrachten.
„De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman,” zeide Dirk. „Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren heen.”
„Ik zal er den brand nog maar eens injagen,” sprak de bootsman. „Misschien dat me het rooken wat helpt!”
Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: „Ja, ja, het is toch maar zooals onze goede Vader Cats kortelings schreef:
„Wat magh’ er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen,
Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4] Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou, Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou. Kom, let op mijn bedrijf, ’t en zijn geen slechte saken, De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken; Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5] Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae; Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden! De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?”
Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook.
Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: „Een hoofd!”
„Wat Zaterdag, wat is dat?” zei de bootsman.
De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze bij hem gekomen waren: „Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een paar keer bij den boegspriet het hoofd van een’ man gezien. Gaat eens kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!”
„Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten heb.”[6]
„Ik ben je getuige, bootsman,” zeide de Stuurman. „Gij kunt gerust zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans naar den boeg en onderzoek, wat daar is.”
De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn.
„Drommels, dat is.... dat is....” riep Henri Quatre.
Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen gewrongen had, en er allerakeligst uit zag.
„Wie ben je?” vroeg Dirk.
„De ontvluchte galei-boef,” klonk het zwakke antwoord. „Och, help mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val in zee!”
Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen.
Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en....
„Dolf, jij?” riep hij.
De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: „Wat?! Zie ik nog goed? Droom ik niet? Ben je Willem....”
„Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk, houd dat touw aan dezen kant.”
Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp van Henri Quatre’s sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op het dek.
„Hij is dood,” zeide Dirk.
„Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen,” zeide de bootsman en verwijderde zich schielijk.
Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: „Ik zal hem pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen.”
Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was.
„De Fransche vluchteling, Kapitein!” gaf Dirk ten antwoord. „Wij hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald.”
Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn. Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had.
De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn’ gevaarlijken toestand verlost had.
De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien, dat de stumperd weer bijkwam.
Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren.
„Bootsman, ik moet u als rebel behandelen.”
„Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw’ gang, Kapitein! Maar, ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren uitspreken,” zeide Henri Quatre bedaard. „Dat is een recht, dat zelfs een’ pluimgraaf toekomt.”
De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: „Gij hebt den boef eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd hebben.”
„Door wien opgebracht, Kapitein?” vroeg de Eerste Stuurman. „Door wien, als ik vragen mag?”
„Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne onderhebbende manschappen!”
„Meent u dat?”
„Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik het niet meen?”
„Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook,” sprak nu één der omstanders.
De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de „Leerdam”.
„In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal worden”, zeide de Kapitein.
Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met zwakke stem: „Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!”
De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: „Men brenge den vluchteling in de ziekenhut en den bootsman....”
„Overijl u niet, Kapitein,” sprak de „IJzeren Neptunus.” „Laten wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat hij geen rebel mag genoemd worden.”
„Stuurman, gij begint ook?” riep de Kapitein driftig.
„Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb,” luidde het antwoord van den „IJzeren Neptunus”, die zeer kalm bleef[8].
De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren, en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen. Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven, dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat was om verhoord te worden.
„Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn, want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de linker- en rechterzijde en in den nek,” zeide de scheepsbarbier.
„Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de maan aan de sterretjes plakken,” sprak de kok. „Ik heb hem eene maat warme gort gegeven.”
„Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste,” meende de Opper-koopman. „De man was letterlijk uitgehongerd.”
De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest.
Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen.
In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een buitengewoon wezen was.
Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet.
Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk leelijk en terugstootend.
Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd had, sprak hij: „Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om te staan!”
„Dat ziet men u waarlijk wel aan,” zeide de Opper-koopman en opstaande bood hij den man een’ stoel aan.
„Wie zijt gij?” vroeg de Kapitein.
„Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding, Kapitein!”
„Uw naam?”
„Jonker Adolf van Backerswerve!”
„Uw beroep?”
„Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje, als matroos, op uw schip vraagt.”
„Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg,” sprak de Kapitein, die weer in zijne onvriendelijke bui verviel. „Wat waart ge en waar woondet gij vóór men u naar de galeien bracht?”
„Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die....”
De bootsman sprong op.
„Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet,” zeide de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman eigenlijk zoo heette.
„Dat ben ik, Kapitein,” zeide de bootsman. „En nu mij zoo geheel tegen mijn’ zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt, zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs zittend spreken hem afmat.”
De Officieren keken den bootsman met verbazing aan.
„Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een’ Advocaat van mij maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk, promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven, als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui, lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten.”
„Vocht u?” vroeg de Kapitein.
„Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op een’ avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en — eene flesch kwam zóó op het hoofd van mijn’ vriend neer, dat hij nederviel en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en—nam dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar,” — de bootsman wees op den gevluchten boef, — „was evenwel niet aan de gevolgen der wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen was hij Luitenant op de Fransche vloot!”
„Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?” vroeg de Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve.
„Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was, wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd. Eens op een’ dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem eene muilpeer en beet hem sarrend toe: „Hoe bekomt u zoo’n kitteling van een lafbek, Kapitein?” De gevolgen bleven niet uit, doch door voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont, dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen. Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd.”
De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond.
„In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de bevelen van den Kapitein,” zeide de Opper-koopman. „En daartoe weten wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen heeft weten te houden.”
„Wilt gij dat zeggen?” vroeg de Kapitein.
„Zeker, wil ik dat,” luidde het antwoord. „Toen ik vanwege den Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen. Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet.”
„Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben,” zeide de Opper-koopman, „en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening zeggen.”
Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman.
Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen zien, wat hij deed.
Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der „Leerdam” met één persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet daarom nog geen boef is.
DERDE HOOFDSTUK.
Den dans ontsnapt.
Inhoudsopgave
De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de „Leerdam” uitgezeild was, de „Nieuwpoort” en de „Dolfijn” elkander in het gezicht.
Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn.
Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou.
Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein, die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad, hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: „Wel, Londenaar, wanneer zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad. Maar, heb je me soms wat te zeggen?”
„Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de „Nieuwpoort” geseind.”
Het voorhoofd van den Kapitein betrok.
„Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is hij glad bezijden de plank.”
„De „Dolfijn” zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!”
„Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn! Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!”
„Minstens twintig, Kapitein!”
„Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de „Leerdam” en hang van niemand af. Ik ga niet vanboord!”
„Zullen we dan beproeven elkander te naderen?”
„Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten laat voorschrijven. Ik heb een’ kop, als het er op aankomt, en allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den Kapitein van een ander schip.”
De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: „Jammer, dat zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht geraakt is. Ik vrees, dat het den een’ of anderen keer nog eens misloopt.”
Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de „Nieuwpoort” aan te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen van den Kapitein der „Leerdam”, dan had er eene zware wijs op gegaan bij elkander te komen; want de „Nieuwpoort” was wat vooruit en nog wat beter bezeild dan de „Leerdam”.
Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en toegevendheid van den Kapitein der „Nieuwpoort” zoo ver gekomen, dat de twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de „Nieuwpoort” stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke windstilte te worden opgehouden.
Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat de „IJzeren Neptunus” zeide: „Dat is zoo helder als glas!”
„Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen,” zeide de Kapitein der „Leerdam”.
IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der „Nieuwpoort” trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: „Nu, gij moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!”
„Hetzelfde!” klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De „Leerdam” stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren de beide schepen geheel uit elkanders gezicht.
„Dat wordt heelemaal mis, Londenaar,” sprak de bootsman tot den Stuurman. „Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de Ouwe zulke vlagen van een’ betweter heeft.”
„Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven,” bromde de bottelier. „Er is veel kans op.”
„Toch geen gebrek aan water, hoop ik?” vroeg de Stuurman.
„Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te slecht was om ratten te vergeven.”
„We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad,” mompelde de bootsman.
Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon.
Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld. Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen, niet wat ze doen moesten.
De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd, bromde de Tweede Stuurman: „Verwenschte windstilte! Daar hebben we de poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de „Nieuwpoort” gevolgd was.”
De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak, klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was.
„Ik wilde dat ik wat slapen kon,” zeide Hoepel.
„Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte,” sprak Dirk. „Het is voor een’ mensch niet om uit te staan. Oef!”
„Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet,” spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs het zeewater wel over het vuur scheen te hangen.
„Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje,” zeide een ander.
„Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten,” liet een oud matroos zich hooren.
„Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal fluiten. Ik geloof er niemendal van,” sprak Hoepel. „Dat is alles bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik.”
„Je bent een ongeloovige Thomas,” herhaalde de oude matroos. „Ik zeg je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat lokken.”
„Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine kinderen,” spotte Hoepel.
„Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!”
„Je tiende? Is dit dan je elfde?” vroeg Garrit.
„Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als het er op aankomt.”
„Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?” klonk het van een’ anderen kant. „Toe, vertel ons ’reis een en ander. Een varensman is zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren.”
„Ja,” bromde een andere oude matroos, „om dan te kunnen vertellen, dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je bukt.”
„Ei, is het waar ook,” antwoordde de verteller lachend. „Maar als we over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en er haperde niet veel aan of van de heele „Het Huys ter Horst”, zoo heette het schip, kwam geen stuk terecht!”
„Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan,” riep een jonge matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken.
„Kunt gij van een’ orkaan medepraten?” vroeg de oude.
„Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage’s en daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!”
„Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar kan je ook meepraten van windstilte?”
„Ook al! Dat was in ’53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger en kalmer liggen.”
„Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet.”
De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens „Dolf de Boef”, zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder zijn gehoor.
Intusschen bleef de oude man een’ geruimen tijd zwijgen.
„Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!” zeide de Opper-koopman. „Je bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar denken, dat we allemaal turven zijn!”
„Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar nu ben ik er.
Het was in ’29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit „Het Huys ter Horst”. Het was een stevig, mooi en groot schip en we hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen vinden op de „Hollandia”, die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz. Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en — Coen werd niet door ieder vertrouwd....”
„Nu, met recht meen ik,” viel de Opper-koopman den verteller in de rede. „Die Gouverneur-Generaal Coen was....”
„Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was.”
„Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op! Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem, aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat hij zóó iets had durven doen.”
„Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen, maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn dom verstand: „Geloof er niet al te veel van.” Waar is het, dat Coen buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij, Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff, want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen, hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo’n liederlijken jongen doen, die des nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen. Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven: „Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde”, ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat de Vader van Sara Specx, als „Ordinaris Raad van Indië”, was aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen, stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op het graf van hun’ Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een was. Maar was „Het Huys ter Horst” een mooi en groot schip, luier zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben, als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere schepen alleen nog maar de „Hollandia” te zien was, en eer we allen op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de „Hollandia” ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder pleizierig, dat spreekt. Zoo’n elf millioen gulden is dan ook vrij wat meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot gevaar in handen van den vijand te vallen.”
„Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!” bromde een uit den hoop.
„Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en „broertje-spelen” met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten ontfutselen en dan nog te zeggen: „Die Hollanders zijn veel te brave luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan.” Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?”
Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde: „Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat geef ik je op een briefje!”
„Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert,” vervolgde Joost en zette zijn verhaal weer voort. „Met krabbelen en nog eens krabbelen hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op „uit de voeten maken” aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî: „Dikke heeren zwemmen slecht.” De bengel had gelijk, want het was om zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was.
„Dat zal de „Hollandia” zijn,” meende de Kapitein. „Men zal ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze wie we zijn!”
„Een schip in het gezicht en het zal de „Hollandia” zijn,” dat was een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel gauw toen de Kapitein met behulp van zijn’ scheepskijker het schip eens goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in het gezicht gekregen hadden.
„Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig,” mompelde hij, en hij liet er luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: „Dat belooft nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!”
Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar, gezucht ginds, gemopper overal.
„Ja, hoort eens, vrienden,” zei de Kapitein, toen we allen om hem heen stonden, als kinderen om een’ straatkunstenaar, „ja, hoort eens, vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te geven.”
„We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!” riep een piepjong heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen.
Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun kneveltje heengluren.
De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: „Bij mijne trouw, heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?”
Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem afviel.
De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: „Niets vaster dan dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!”
„Welnu,” hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers, „gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw te werk moeten gaan.”
Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten.
„Moeten we, Kapitein?” vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den Ordinaris Raad behoorde.
De Kapitein zag hem even aan en zeide: „Nu, moeten, moeten! Ik dwing u nu nog niet!”
„Als we niet moeten, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van moppendeeg, Kapitein!”
„Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag ook. Maar op ééne voorwaarde!”
„En die is, Kapitein?”
„Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is om het niet te verliezen.”
„Ge kunt op mij rekenen, Kapitein,” sprak de kordate heer en schaarde zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door het heertje met het kippenvel.
Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een’ ouden schoorsteen neerslaat.
„Bootsman,” sprak hij nu, „ga gij naar beneden en breng daar in het ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel dooden en gewonden.”
De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich.
„Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig,” hervatte de Kapitein, „en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!”
Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: „Ik, Kapitein! Als student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide: „De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien.” Intusschen heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje bang niet!”
„Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den barbier,” sprak de Kapitein bijna lachend.
De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten.
„Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?” vroeg de Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld.
De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand. Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de „Het Huys ter Horst” geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had.
„Hij schijnt te dralen, mannen,” sprak de Kapitein. „Laten wij nu de stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is, krijgt de halve wereld!”
Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we dien getroffen hadden.
De Portugees gaf van zijn’ kant geen krimp en schoot vier stukken achter elkander af, doch zonder ons te raken.
„Hoezee! Hoezee!” juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg een stuk van zijn bakboord weg.
Opeens evenwel kwam „Held Kippenvel” op het dek stormen; maar pas was hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem bijna voor den buik hing.
„Wat nu?” vroeg de Kapitein.
Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde: „Hoe—hoe—hoe—veel....”
„Hoeveel dappere helden?” vroeg de Kapitein lachend.
„Hoe—hoeveel—doo—dooden en ge—gekwetsten?” klonk het met eene benauwde stem.
Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te wachten.
„Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer,” zeide de Kapitein. „Ik zou u aanraden naar de kooi te gaan!”
„Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw’ raad volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!”
De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek.
Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde het katje zeker niet aan.
Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein bromde tot den Eersten Stuurman: „Het was ons geluk, dat de vijand een groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen, Stuur!”
Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.