Kitabı oku: «Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk»

Yazı tipi:

Pieter Louwerse

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402747

Inhoudsopgave

VOORBERICHT.

EERSTE AFDEELING.

Michiel Adriaensz. De Ruyter als knaap.

EERSTE HOOFDSTUK.

Eerste kennismaking.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Een straatjongens-daagje.

DERDE HOOFDSTUK.

Bij het torenhaantje.

VIERDE HOOFDSTUK.

De „Barre Bruinvisch.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

De laatste avond thuis.

ZESDE HOOFDSTUK.

Thuis van de eerste zeereis.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het muist, wat van katten komt.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Verloren tijd inhalen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Bij de kapers.

TIENDE HOOFDSTUK.

Eene moeielijke bedelreis.

TWEEDE AFDEELING.

Michiel Adriaensz. De Ruyter als man.

EERSTE HOOFDSTUK.

Bij den man in huis.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Het voorspel van een helden-leven.

DERDE HOOFDSTUK.

In dienst van het land.

VIERDE HOOFDSTUK.

De Vice-Admiraal.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Alweer de „Barre Bruinvisch”.

ZESDE HOOFDSTUK.

Jan Kompanjie.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Voor Engelands hoofdrivier.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Chattam.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Luctor et Emergo.

TIENDE HOOFDSTUK.

De Redder van het Vaderland.

ELFDE HOOFDSTUK.

Het einde van een heldenleven.

VOORBERICHT.

Inhoudsopgave

„Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van De Ruyter gezien!” met deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht had.

„Zoo, jongen!” zeî ik, „en wat dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?”

„Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!”

Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou.

Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de eerste van alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens.

En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja, opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet geschreven te zijn: „voor oud en jong Nederland.”

Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw, meteen aan den wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden.

Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met Piet Hein; men weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden kon, dat uit den ondeugenden zoon van eenen armen bierbrouwersknecht eenmaal zulk een groot man zou groeien. Ondeugend moet hij echter geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden, doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn dienst als busschieter te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn, zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult, ook geschiedkundige personen.

Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan.

Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid, als onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging van de woorden op het praalgraf van onzen held: „Hij blinkt in onbezoedelde eere!”

Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit boekje, en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te zeggen, waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving ik zeer gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele bladzijden gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen schrijven. Kleine wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote veranderingen worden, en dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar, dat het boek werkelijk veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg vinden zal onder „oud en jong Nederland”. Hun, die mij hunne humane op- en aanmerkingen gaven, mijnen dank; mijnen lezers, heil!

’s-Gravenhage. P. LOUWERSE.

EERSTE AFDEELING.
Michiel Adriaensz. De Ruyter als knaap.

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK.
Eerste kennismaking.

Inhoudsopgave

„Michiel!”

„Ja, baas!”

„Waar ben je heel den tijd geweest?”

„Wel, baas, ik heb, ik heb....”

„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”

Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”

De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg. Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten, Michiel?”

„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”

„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”

„Neen, baas!”

„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”

„Ja, baas!”

„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”

„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”

„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”

„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”

„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”

„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.

„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”

„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”

„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”

„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dan doen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”

„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”

„Ik, baas, ik?”

„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”

„Willen we eens wedden, baas!”

„Wat zoudt gij wedden?”

„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”

„Ik wed niet, jongen!”

„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”

„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”

„Een Admiraal, baas!”

De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”

„Ik heb het gedroomd, baas!”

„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”

„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogden of Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”

„Dat is geen droomen! Dat is denken!”

„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””

„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”

„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”

„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”

„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”

Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.

„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”

„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”

„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”

„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”

„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.

„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.

„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.

„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”

„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”

„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”

„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”

„Of ik, baas!” Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”

Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”

Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.

„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”

„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.

„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”

Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”

Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”

„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.

„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”

„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”

Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hard wiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”

„En zijt ge daar ook weggejaagd?”

„Ja, baas!”

„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”

„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””

„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”

„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”

„En toen?”

„Toen werd ik van school gejaagd!”

„Ei, ei, en verder?”

„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”

„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”

„Ja, baas!”

„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”

„Ja, baas, heel graag!”

„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”

„Ja, baas!”

„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge verdient geenen schelling! De Heeren Lampsens geven eenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”

„Het draait ook zoo stroef, baas!”

„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”

„Neen, baas, dat word ik niet!”

„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”

„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”

„Ja, pluimgraaf, wat anders?”

„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”

„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”

„Hoor eens, baas, droomen....”

„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”

„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”

„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.

Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waar is het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”

Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.

Men schreef het jaar 1618.

De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.

De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had, wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.

Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.

Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”

Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne Moeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.

TWEEDE HOOFDSTUK.
Een straatjongens-daagje.

Inhoudsopgave

Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.

„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.

„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”

„Kom, ga met ons mee!”

„Neen, dat gaat niet, jongens!”

„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”

„Neen, dat niet!”

„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”

„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”

„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt, dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.

„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.

„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.

„En ik wel twintig!” riep Pieter.

Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.

„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.

Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”

„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.

„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.

Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en onder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.

„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.

„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.

„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”

„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”

„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”

„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.

„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.

„Dat de Domine ook zegt!”

„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.

„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”

„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.

„Neen, ik naar de schippe moet!”

„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.

„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”

Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”

Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.

„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.

„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”

„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.

En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.

Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje, eens even te spreken.

De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.

„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”

„Neen, Vader!”

„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”

„Neen, Vader!”

„Weggestuurd dan soms?”

„Neen, Vader!”

„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”

„Ja, Vader!”

„En veel pret gehad, mijn jongen?”

„Ja, Vader, o zooveel pret!”

„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”

„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”

„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”

„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”

„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”

Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”

„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”

„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.

„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”

„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”

„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.

Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....

Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.

„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.

„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”

„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.

„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”

„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.

„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”

„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.

De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”

Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.

De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”

Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”

„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”

„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”

„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.

„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”

„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”

„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”

Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.

Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.

Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”

„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.

„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.

„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”

„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”

De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”

„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”

„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”

„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”

„Wat is een zeevader, Sinjeur?”

„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”

„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”

„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”

„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”

„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”

„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”

„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”

„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.

„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.

„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”

Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.

„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”

„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.

„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”

„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”

Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”

„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”

„Ja, Sinjeur!”

„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”

„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.

Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”

Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”

„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.

„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”

„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”

„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”

„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.

„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”

„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weet ge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.

Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.

Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.

„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.

„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”

„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”

„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”

„Wilt gij nu wel eens draaien, kwâjongen?”

„Ja, baas!”

Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.

„Draai toch harder, schavuit!”

„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”

„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”

„Ja, baas!”

En weer ging Michiel aan den gang.

„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetje links duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”

Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.

Piep-piep! klonk het zacht.

„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.

Rrrrt, alweer wat links.

Piehiep! Piehiep!—

„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.

„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.

Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.

Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!

Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.

„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.

„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”

Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?

„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.

„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”

„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”

„Ja, baas!”

„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakt had, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.

„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.

„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”

„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.

„Neen, baas! Hier ben ik al!”

„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”

„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.

Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”

Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!

„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”

„Ja, baas!”

Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....

„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.

Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”

„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”

„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”

„Zonder het wiel zeker?”

„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”

„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”

De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.

„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.

„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.

Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.

„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.

„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.

Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”

Weg was Michiel.

Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen, maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.

„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.

Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”

Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.

„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”

Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....

„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”

Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.

„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.

Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.

Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?

Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”

DERDE HOOFDSTUK.
Bij het torenhaantje.

Inhoudsopgave

„Michiel, hei, Michiel!”

Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.

„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.

„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”

„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”

„Jij schreeuwde brand en moord!”

„Hoe weet gij dat?”

„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”

„En aan wien hebt gij het verteld?”

„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”

„Aan welken Jan?”

„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”

„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”

„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.

„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”

„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”

Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.

Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”

„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”

„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”

„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”

„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.

„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.

„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”

„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”

„Wat dan?”

„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”

„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.

„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.

Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”

„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.

Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.

„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.

„Ja, baas!”

„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”

„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”

„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.

„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”

„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”

„Ja, baas!”

„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”

„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”

„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”

„Maar, baas dan!”

„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”

„Neen, baas.”

„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”

„Maar, baas!”

„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”

„Neen, baas!”

„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.

„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het op het laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”

„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”

„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”

„Wie is Keesje Knuttel, baas?”

„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”

„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”

„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”

„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”

„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”

„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”

„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”

„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”

„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”

„Admiraal, baas!”

„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”

„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”

„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”

„Ja, baas!”

Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”

Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.

En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!

Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.

Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.

Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.

Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!

De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.

En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.

Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.

Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....

„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”

Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en zetten deze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.

Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.

En Michiel?

Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.

Wat een vergezicht!

Hoe mooi! Hoe schoon!

Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!

En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.

Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!

En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!

Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.

Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.

En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.

Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.

Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!

Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.

Hij kon evenwel nog hooger.

Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.

Zou hij het doen?

Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”

Zou hij het doen?

Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!

Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.

Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!

Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.

Hij staat er, maar....

„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.

Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.

En wat deden die boeren en boerinnen gek!

Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!

Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!

Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.

Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”

Beneden komen? Wel, langs de ladders!

Daar laat hij zich glijden tot op de peer!

„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.

„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”

Michiel zit een poosje stil en denkt na.

Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.

Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.

Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.

Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.

Maar hij moet toch naar beneden!

Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.

„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.

Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.

En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”

Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.

Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!

„Op zij! Op zij!”

Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om den knaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....

„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”

„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”

„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”

„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.

Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.

En—verdwenen is hij.

Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.

De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

VIERDE HOOFDSTUK.
De „Barre Bruinvisch.”

Inhoudsopgave

„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.

„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.

Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.

Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.

Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.

Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.

Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.

En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.

Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?

Stil, ik geloof dat ik het weet.

Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.

En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!

Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?

Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij den kwâjongen niet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!

Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.

Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.

Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader het ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”

„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.

„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.

„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”

„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.

„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.

Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.

„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.

Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”

„Of we maar niet danken zouden?”

„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”

Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.

Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.

„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.

„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”

„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”

De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”

„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.

De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.

Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?

Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?

Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?

„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.

„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”

„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.

„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””

Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”

Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende, weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.

De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.

Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.

„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.

„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.

„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.

En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”

„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.

„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.

Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”

„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:

„Lang zal zij leven!

Honderd jaar na dezen!

Lang zal zij leven

Moeder Alida!”

Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”

„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.

En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:

„Lang zal zij leven

Moeder Alida!”

„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.

Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.

„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.

Daar ging de tang de hoogte in.

Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.

Daar daalde de tang en....

„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.

„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.

Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”

En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.

„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.

„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”

„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.

Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.

Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.

„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.

„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”

„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.

De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.

„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”

„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.

„Wie roept dat daar?”

„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.

De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”

„Niet slaan! Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.

„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.

Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.

Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.

Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.

„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.

De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.

„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.

„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.

„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.

Weer was het doodstil.

„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!

„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”

„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.

„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”

„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”

„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.

„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”

Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.

„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”

„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.

„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”

„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.

„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”

„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.

„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”

„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”

„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
272 s. 4 illüstrasyon
ISBN:
4064066402747
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar