Kitabı oku: «Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika»
Pieter Louwerse
Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066313074
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IX.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI.
HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
INLEIDING.
De aardappel is oorspronkelijk een Amerikaansch gewas, tenminste, men houdt Chili of Mejico voor het vaderland ervan, en met zekerheid weet men, dat deze plant vroeger in heel Europa niet te vinden was. In 1565 was er echter een Engelschman, John Hawkins geheeten, die het dagelijksch brood, en waarschijnlijk wel meer dan dat, als slavenhandelaar verdiende. Daar, door eene langdurige reis, zijn scheepsvoorraad aan levensmiddelen in Amerika noodwendig moest aangevuld worden, zoo nam hij te Santa Fé, eene stad in de nabijheid van de Rio la Plata, bij gebrek aan wat beters, een soort van knollen aanboord, welke daar groeiden en door de inlanders gegeten werden. Van deze knollen had hij nog over toen hij eene Iersche haven binnenliep. Deze knollen waren niets anders dan aardappelen. Ze schenen evenwel niet bevallen te zijn, want aan het poten van de vrucht dacht de Ier niet. Negentien jaar later bracht de Engelsche Admiraal Walter Raleigh dezelfde knollen, als wat nieuws, uit Virginia, een’ van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, in Engeland, en in 1589 wist Clusius, Hoogleeraar te Leiden, eenige knollen te bekomen, welke zorgvuldig in den Hortus werden aangekweekt. Langzamerhand verspreidde dit gewas zich over geheel Europa. Van een algemeen gebruik was evenwel nog zóó weinig sprake, dat Frederik II, de Groote, Koning van Pruisen, de koppige boeren met geweld moest dwingen om aardappelen te teelen. Men vond dit bevel een’ dwang gelijk.
En hoe is het tegenwoordig gesteld met het verbouwen der aardappels?
In jaren van misgewas worden in ons land duizenden Hectoliters uit Saksen ingevoerd. En wat zou Ierland, het arme Ierland, zijn zonder aardappelen?
Moesten bijna twee eeuwen na het bekend worden dezer plant nog dwangmaatregelen genomen worden om haar te verbouwen, thans is hare vrucht over een groot deel van Europa het hoofdvoedsel van millioenen menschen.
Doch waarom een boek over de ontdekking van Amerika begonnen met eene korte geschiedenis van den aardappel?
Hierom. Ik wist met geen beter voorbeeld uit het dagelijksch leven te beginnen, om aan te toonen, hoe lang het dikwijls duurt eer eene ontdekking of uitvinding van algemeen nut wordt.
Een voorbeeld, op het gebied der uitvindingen, levert de geschiedenis van den stoom.
Ja, het is waar, de stoom is eigenlijk niet uitgevonden, want het was iets, dat bestond, maar de toepassing van den stoom op fabriekswezen, scheepvaart en middelen van vervoer is wél eene uitvinding, en wel eene, die zulke groote afmetingen in hare gevolgen heeft, dat de toestand der heele maatschappij er door gewijzigd is geworden, en nog veel meer wijzigingen noodig heeft. Welk eene tijdruimte ligt er tusschen het heden, waarin de stoom als wereldkoning heerscht, en het oogenblik waarop de beroemde wis- en natuurkundige Hero van Alexandrië, die anderhalve eeuw vóór onze tijdrekening leefde, de aeolipile of dampkogel uitvond! Zonder volkomen bekend te zijn met de kracht, die door den stoom uitgeoefend wordt, was het niet mogelijk zulk een’ dampkogel uit te vinden. Zelfs de Celtische heidenpriesters schijnen met de kracht van den stoom bekend geweest te zijn. En lezen we ook niet van Blasco de Garay, een’ zeeman, die ten tijde van Keizer Karel V, dus drie eeuwen geleden, in de haven van Barcelona eene openbare proef gaf van het voortstuwings-vermogen van schepen door middel van stoom? Door geleerde onderzoekers wordt deze toepassing van stoomkracht door Blasco de Garay tegengesproken, doch een feit is het, dat Papin reeds in 1681 een werk uitgaf, waarin hij de mogelijkheid aantoonde, dat schepen door stoomkracht konden voortbewogen worden. Om de proef op de som te geven, voer hij langs het riviertje de Fulda van Cassel naar Münden met eene raderstoomboot, die volgens zijne aanwijzingen gemaakt was. Bekend is het ook, dat de schippers, woedend dat men hun met deze uitvinding het brood uit den mond nemen zou, zijne eerste stoomboot vernielden. De proef was geleverd, wat stoomkracht vermocht, doch het moest toch 1787, dus ruim eene eeuw later worden, vóór zekere Patrick Miller in Schotland, op de Firth of Forth, stoom op zijn vaartuig gebruikte. Langzaam, zeer langzaam begon men nu ook in andere landen de stoomkracht op de scheepvaart toe te passen. Wanneer bij ons te lande van de eerste stoomboot gebruik gemaakt werd, ben ik niet te weten kunnen komen, doch het is ons allen bekend genoeg, hoe ook bij ons het aantal stoombooten, zoowel voor de zee- als binnenvaart, met het jaar toeneemt. En dan, welk eene uitbreiding heeft de toepassing van den stoom op de nijverheid verkregen!
Is het nu met den stoom niet gegaan als met de aardappelen?
Men zegt wel eens, dat de Nieuwe Geschiedenis in 1492 een’ aanvang neemt, en wel met de ontdekking van Amerika. Wáár, ontegenzeggelijk wáár is het, dat het vinden van een nieuw werelddeel op den toestand der heele maatschappij van onberekenbaar grooten invloed was, maar dat alleen de ontdekking van Amerika aan de Middel-geschiedenis een einde maakte en de nieuwe deed beginnen, is toch wat al te boud gesproken.
De Nieuwe Geschiedenis, met al hare veranderingen, begon met den geest, die in dien tijd alle zeevarende volken bezielde, om hunne kennis van de aarde uit te breiden. Er was eene behoefte naar weten, een dorst naar kennis ontstaan. Die begeerte en die dorst breidden zich steeds meer en meer uit; zij brachten de Portugeezen, om Kaap de Goede Hoop heen, in den rijken Oostindischen Archipel; zij voerden de Spanjaarden naar de landen, waar goud en zilver opgetast lagen.
Die behoefte naar weten en die dorst naar kennis maakten aan de Middel-geschiedenis, met al hare ruwheid, dichterlijk als eene woeste bergpartij, een einde. Eene nieuwe maatschappij moest ontstaan; ze was niet meer te keeren.
Zóó zullen misschien eenmaal de geschiedschrijvers ook het tijdvak der Nieuwe Geschiedenis in deze eeuw doen ophouden, om eene „Nieuwste nieuwe” te stellen. Die krijgt dan wellicht den naam van „Stoom-Geschiedenis”.
Eigenlijk is die Nieuwste-nieuwe geschiedenis er al een vijftig jaar, want de maatschappelijke toestand der volken van den tegenwoordigen tijd, gelijkt zoo goed als niets op dien van het einde der vijftiende eeuw.
Over den stoom en zijne gevolgen willen we evenwel niet schrijven; een ander moge dat doen, als de stoom afgedaan heeft, zooals nu eene zeereis met een zeilschip bijna tot het verleden behoort. Toch blijven ook die eerste groote zeereizen merkwaardig genoeg om er vier eeuwen later nog eens op terug te komen. Over al die zeereizen kunnen we echter niet spreken, en daarom zullen we enkele maar terloops aanstippen, en ons bepalen bij die reizen, welke ten gevolge hadden: de ontdekking van Amerika, het werelddeel, dat voorbestemd schijnt te zijn in den zoogenaamden „cirkelgang der beschaving” aan de beurt te komen om uit de schatkameren van den menschengeest schooner en rijker schatten te voorschijn te roepen, dan hare rijke goud- en zilvermijnen eenmaal in edele metalen den Spanjaard aanboden.
Eer we echter de ontdekking van Amerika gaan beschrijven, willen we even stilstaan bij de zeevaart der oude volken en die van de volken der Middel-geschiedenis.
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
DE ZEEVAART DER OUDE VOLKEN.
Wie zou toch wel het eerste schip gebouwd hebben en de eerste schipper geweest zijn?
De Bijbel spreekt ons van den Zondvloed, en laat Noach met zijn gezin, en van de dieren des velds elk een paar, in de ark aan de algemeene verdelging van het menschen- en dieren-geslacht ontkomen.
In de godsdienst-geschriften der Chaldeërs wordt een zekere Xisuthrus met vrouw, kinderen, bloedverwanten, vrienden en eenige dieren, bij een’ vloed, die de heele wereld overdekte, behouden.
Op steenen, die George Smith, een Engelschman, in de bouwvallen van Ninivé vond, las men, na de ontcijfering van het schrift, dat er in gekrast of gehouwen was, dat Bel besloten had om de heele wereld door een’ watervloed te verdelgen. Een andere God, Aö geheeten, die als geest over de wateren zweefde, kreeg, toen hij het besluit van God Bel vernam, medelijden met een’ zekeren Sisithrus. Hij waarschuwde hem voor Bels plannen, en gaf hem den raad om vóór dien tijd een houten huis te bouwen van verbazende afmetingen, en zich daarin met zijn gezin en eenige dieren te begeven, als de overstrooming begon.
De Indiërs spreken van een’ man, die Manoe heette, en die door een’ visch gewaarschuwd wordt voor een’ wereldvloed. Hij krijgt ook den raad om lijf en leven van zichzelven en zijn gezin in eene drijvende woning te redden. Manoe hoort naar dien raad; de vloed komt, en hij en de zijnen blijven behouden.
De Grieksche godenleer, ook mythologie genoemd, houdt Deukalion voor den stamvader der Grieken of Hellenen, en deze Deukalion en zijne vrouw Phyrrha waren de eenigen van al de menschen, die bij een hoogen watervloed het leven behielden, door op raad van zijn Vader Prometheus zich te begeven in een vaartuig, dat vooraf opzettelijk gebouwd was.
Maar nóch Noach, nóch Xisuthrus, Sisithrus, Manoe of Deukalion was de eerste, die met een soort van schip de wateren bevoer. Wanneer wij nu nog de onbeschaafde volken in een’ uitgeholden boomstam de rivieren, ja, soms de zee langs de kust zien bevaren, dan komen we er als vanzelf toe om het er voor te houden, dat de menschen lang vóór Noach of een’ der andere genoemde mannen, ook in uitgeholde boomstammen al gevaren hebben, en vóór men werktuigen had, was wellicht slechts een stam met takken en al het eenige vaartuig.
Uit dit alles blijkt, dat het met geene mogelijkheid op te geven is, niet alleen wie de kunst van varen uitvond, maar zelfs niet welk volk.
Dat het met de kennis onzer aarde in de grijze oudheid al zeer vreemd gesteld was, laat zich begrijpen, doch hiervoor behoeven we nog niet tot de oudheid terug te gaan, want zelfs vijftien eeuwen na het begin van onze tijdrekening hadden de menschen nog de vreemdste denkbeelden van den vorm en de grootte onzer aarde. Dit zullen we later zien, en liever dan ons in allerlei fabelen te verdiepen, welke toch nog wel eens zullen genoemd worden naast gissingen, die men geopperd heeft, willen we met elkander eens een’ volksstam bezoeken, welke zich eene woonplaats gekozen had aan de Oostkust der Middellandsche Zee. Dit kustland droeg den naam van Phoenicië of Purperland, en zijne bewoners heetten Phoeniciërs.
Wat de Engelschen in onzen tijd zijn, dat waren de Phoeniciërs in de oudheid. Reeds elf eeuwen vóór onze tijdrekening durfden ze met hunne schepen de tegenwoordige Straat van Gibraltar uitzeilen. Zij stichtten volkplantingen op de eilanden der Middellandsche Zee en de noordkust van Afrika. Het beroemde Carthago, waarvan we later zullen spreken, was ook door hen gesticht. Zij bezochten met hunne schepen niet alleen Engeland, de Noord- en de Oostzee om tin, barnsteen, mogelijk ook hout en graan te halen, maar ze kwamen zelfs op het eiland Madeira, en de Kanarische Eilanden. Dit nu weet men zeker, maar men gist nog veel meer, en die gissingen mogen thans bijna waarheden genoemd worden.
In den eenvoudigen bijbelstijl heet het: „En zij,” namelijk de Koningin van Scheba, „gaf den Koning Salomo honderdtwintig talenten gouds en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente. Als deze specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen. Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ophir voerden, brachten uit Ophir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.”
Wie die Koningin van Scheba was, en waar Scheba lag, weten we niet zeker. Maar Hiram was Koning van de Phoenische stad Tyrus en zeer met Salomo bevriend. En het goudland Ophir? Moest men enkele jaren geleden nog zeggen, dat de ligging van dat land met geene zekerheid te bepalen was, de tochten in Afrika, welke in onzen tijd zulk eene groote uitbreiding verkregen, hebben omtrent Ophirs ligging, zoo al geene zekerheid, dan toch een sterk vermoeden van waarschijnlijkheid gebracht. Dat steenen spreken kunnen, zagen we reeds, waar we gewag maakten van Smiths nasporingen in de ruïnen van Ninivé; en de bouwvallen in Zuid-Afrika, door de bewoners, als iets heiligs, lang voor Europeanen verborgen gehouden, doch nu gevonden, spreken in deze ook. De Phoeniciërs moeten ook hier geweest zijn.
Herodotus, de beroemde Griek, die ook wel „Vader der geschiedenis” genoemd wordt, en die in het jaar 484 vóór Chr. geboren werd, verhaalt het volgende:
„De Phoeniciërs voeren uit de Roode Zee af en kwamen in de Zuidzee. Toen het herfst werd, gingen zij aan land en begonnen eenige akkers te bezaaien, en eerst toen ze geoogst hadden, zett’en zij hunne reis voort, zoodat ze, na eene afwezigheid van twee jaren, in het derde jaar door de „Zuilen van Hercules” weder in Egypte kwamen. Zij vertelden, dat zij om Libye gezeild waren en de zon aan den rechterkant gehad hadden, wat ik evenwel niet gelooven kan.”
Deze tocht geschiedde omstreeks 600 jaar vóór Chr. op bevel van Necho, Koning van Egypte. Afrika heette toen Libye, en de zeeëngte van Gibraltar droeg den naam van „Zuilen van Hercules”.
Hoe naïef klinkt Herodotus’ gezegde: „wat ik evenwel niet gelooven kan.” En na hem verliepen eeuwen aan eeuwen, en die tocht der Phoeniciërs werd steeds als eene fabel beschouwd. „Hoe kon men nu de zon aan den rechterkant, dat is in het Noorden, hebben? Dat was toch onmogelijk. Hoe hoog des zomers de zon ook klimmen mocht, zoodat ze bijna in het toppunt kwam, de zon in het Noorden zien, dát behoorde tot de verzinsels, waarin de Phoenicische zeelieden zeer sterk waren.” Zoo redeneerde men eeuwen lang, en eerst de Nieuwe Geschiedenis moest komen om met zekerheid te kunnen zeggen, dat Herodotus het gerust had kunnen gelooven, want dat het waar was.
Zoo hebben dus de Phoeniciërs Afrika omgezeild, en denkelijk zullen ze nog wel verder gegaan zijn ook, doch dit vertelden ze niet graag. Ze begrepen zeer goed, dat andere volken eveneens gebruik konden maken van de ligging huns lands aan zee, om ook handel in allerlei vreemde waren te gaan drijven. Wanneer ze dit deden, dan zou Phoenicië ophouden de stapelplaats van den handel te zijn en de welvaart zou afnemen. Dit nu moest men voorkomen, en dat deden ze door allerlei vreeselijke ontmoetingen te vertellen. Daar buiten die „Zuilen van Hercules”,—„ze waren er geweest, ze kwamen er nòg, omdat ze wel moesten, maar anders ... neen, liever bleven ze dichter bij honk. Verbeeldt u ook, hoe vreeselijk! Niet zoo heel ver het Westen in was er niets anders dan water en zwarte duisternis. De verschrikkelijkste gedrochten leefden daar, en men zag er zelfs geene sterren meer waarnaar men den tocht richten kon!”
Waarom zouden de andere volken dit niet geloofd hebben? Verdween de zon dan niet in het Westen in zee, en als zij zich in de wateren gedompeld had, kon ze immers geen licht meer geven?
Dat de aarde rond was, niemand kon dat gelooven, en dat er steeds evenveel oppervlakte der aarde door de zon beschenen werd, als er in duisternis lag, geen mensch, die er aan dacht.
Hoe stelde men zich de aarde voor?
| Homerus | stelde de aarde voor als een | schijf. |
| Anaximander | „ „ „ „ „ „ | rol. |
| Heraclitus | „ „ „ „ „ „ | boot. |
| Anaximenes | „ „ „ „ „ „ | tafel. |
| Pythagoras | „ „ „ „ „ „ | kubus. |
| Xenophanes | „ „ „ „ „ „ | kegel. |
| Leucippus | „ „ „ „ „ „ | trommel. |
| Eudoxus van Cnidus | „ „ „ „ „ „ | langwerp. vierk. |
Doch onverschillig welken vorm men aan de aarde gaf, allen stelden zich voor, dat de aarde op het water dreef. Slechts de beroemde Thales van Milete, die zeshonderd jaar vóór Chr. leefde, geloofde dat de aarde een bol was, welke met water en land één geheel vormde. Zelfs vermoedt men, dat hij reeds eene zonsverduistering voorspeld heeft. Het kan evenwel zeer goed zijn, dat de Chaldeërs, de Arabieren, de Indiërs of de Chineezen met Thales van hetzelfde gevoelen waren, want dat de wetenschappen in die oude tijden hooger stonden dan wij wel vermoedden, is zeker. Alleen de gebrekkige middelen van verkeer, welke oorzaak waren, dat de volken in afzondering van elkander leefden, waren oorzaak, dat kennis en beschaving tot één land beperkt bleven en geen gemeen goed werden zooals ze het nu zijn.
Doch keeren we tot onze zeevaarders terug.
Eene der volkplantingen van de Phoeniciërs was Carthago. Ongeveer op dezelfde plaats waar nu Tunis ligt, werd, zoo luidt de overlevering, door Dido of Elissa, de dochter van een’ Koning van Tyrus, eene volkplanting en meteen eene stad gesticht, welke den naam van Carthago kreeg. Dit geschiedde ongeveer acht eeuwen vóór onze tijdrekening. Bezield met denzelfden ondernemingsgeest, als hunne stamgenooten in Phoenicië, trachtten de Carthagers door scheepvaart de welvaart huns lands te bevorderen. De scheepvaart van dit volk, dat geen land, maar slechts eene stad bewoonde, nam eene verbazende vlucht, en gerust kan men in den bloeitijd van Carthago de bevolking dezer stad op meer dan zevenhonderdduizend inwoners stellen. Meer nog dan de Phoeniciërs dreven ze handel op Afrika’s westkust, maar wie zal ons zeggen hoevele schepen wel heengingen, doch nimmer wederkeerden? Wie zal bewijzen, dat al de schepen, waarvan men later nooit meer hoorde, vergingen? Kunnen er geene schepen steeds verder en verder in het Westen gevoerd zijn om eindelijk in ontredderden toestand in het land te komen, hetwelk wij thans Amerika noemen?
WERELDKAART van Toscanelli.
Men beweert, dat de uitdrukking „buiten westen zijn”, welke beteekent: „in stervenden toestand buiten kennis liggen”, haren oorsprong heeft in het gevaar, dat de schepelingen dreigde, wanneer ze met hunne schepen zoo ver van de kust gingen, dat ze het land niet meer zagen. Maar geloofden de Phoeniciërs, en na hen de Carthagers, daaraan ook? Het is niet aan te nemen, want om op Madeira te komen moesten ze zóó ver het Westen in, dat er van de Afrikaansche kust niets meer te zien was. Hoe kwam Toscanelli, een beroemd Italiaansch sterrenkundige, die in de vijftiende eeuw ná Chr. leefde, er aan om op zijne wereldkaart, hoe gebrekkig die ook ware, in de zee tusschen Europa en Azië een eiland te leggen, hetwelk hij Antilia noemde? Hij zelf, arts van beroep, was nimmer in dezen Atlantischen Oceaan geweest, en hij moest dus alleen bij overlevering bekend zijn met dit eiland. Van wie die overleveringen kwamen, is niet moeielijk te gissen. Ze kwamen van de Phoeniciërs, de Carthagers, de Romeinen of Noormannen. Had niet reeds Plato, de beroemde Grieksche dichter, die in het jaar 420 vóór Chr. te Athene geboren werd, een dichterlijk verhaal opgesteld van een eiland Atlantis, dat, ver buiten de „Zuilen van Hercules”, in den Atlantischen Oceaan had gelegen? En Plato’s Atlantis was maar niet een eilandje, neen, hij beschreef het, als grooter dan Azië en Afrika samen, en dichtte er eene beschaving aan toe, zoo aanzienlijk en hoog, dat hij ze „De gouden eeuw” noemde. De bewoners waren evenwel zeer boos en slecht, en daarom was het door de goden verdelgd. Zij riepen eene aardbeving te voorschijn, en bijna heel Atlantis verdween, en eenige eilandjes bleven er alleen over. Dit eiland Atlantis bestond niet enkel in de dichterlijke verbeelding van Plato, want hij had een oud Egyptisch verhaal in poëzie oververteld.
Dit berijmde verhaal van Plato, of liever die oud Egyptische sage, is wel zeer merkwaardig, want als wij later in Mejico en Peru komen, zullen we daar eene beschaving vinden, welke ons onwillekeurig denken doet aan de beschaving der Egyptenaren, waarvan de overblijfselen nog zoo duidelijk spreken. Ze zal ons verbaasd doen vragen: „Van waar toch bij zooveel verschil nog zooveel overeenstemming?” Ze zal ons doen stilstaan, en onze gedachten terugvoeren in den grijzen voortijd. De menschen hebben al zoo lang geleefd, en de beschaving is niet van gisteren. Het bekende Salomo’s gezegde: „Er is niets nieuws onder de zon”, is zoo onwaar niet, als men wel eens beweert. Menigeen vindt wat nieuws uit, dat eigenlijk wat ouds is en er vroeger al was, doch zóó verloren ging, dat niemand het meer kende. Dat eene kunst en eene wetenschap verloren kunnen gaan, behoeft niet bewezen te worden. Iedereen toch weet op welk een’ hoogen trap van beschaving de Grieken en Romeinen stonden bij den aanvang van onze tijdrekening. Toch wil ik één voorbeeld noemen, waaruit duidelijk blijkt, hoe eene wetenschap kan verloren gaan. Ik zeide reeds, dat Thales van Milete 600 jaar vóór Chr. leerde dat de aarde rond was, en dat hij ook waarschijnlijk eene zonsverduistering berekende. Welnu, in het hartje der Middel-eeuwen, dus bijna tweeduizend jaar na Thales, was er een Aartsbisschop van Salzburg, die beweerde, dat er op aarde menschen moesten wonen, wier voeten tegen de onze gekeerd zijn. Die zoogenaamde „Tegenvoeters” werden natuurlijk ook door Thales aangenomen en het kon dus geene nieuwe vinding van onzen Aartsbisschop zijn. Toch had onze middeleeuwsche denker om deze leer allerlei aanvallen te verduren, en was hij genoodzaakt haar in te trekken. Hoe was dit nu mogelijk?
Het is bekend, dat aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen zulke geweldige omkeeringen in de natuur te weeg gebracht hebben, dat de oppervlakte der aarde, na zulke vreeselijke gebeurtenissen, er heel anders uitzag dan vóór dien tijd. Het is evenwel niet alleen in het rijk der natuur, dat die omkeeringen kunnen plaats hebben, maar ook in het rijk van beschaving en wetenschap. Aan de beschaving van Grieken en Romeinen werd een einde gemaakt door den inval van de ruwe en onbeschaafde Hunnen, die heel Europa overdekten, en, òf de toenmalige bewoners, arm en berooid, van de eene landstreek naar de andere dreven, òf hen tot zulk een’ staat van dienstbaarheid en slavernij brachten, dat er aan beschaving en wetenschap niet meer gedacht werd. Geene sprinkhanenplaag heeft in Egypte aan den oogst ooit grooter verwoesting aangebracht, dan de Hunnen-plaag bracht aan de Europeesche beschaving.
De tochten der Noormannen zijn te merkwaardig om er ook niet een en ander van te vertellen.
De Noormannen waren bewoners van Zweden, Noorwegen en Denemarken. Zij waren oorspronkelijk Germanen, en omdat het land, dat zij bewoonden, bij hunne gebrekkige kennis van landbouw, niet genoeg opleverde om hen van het noodige te voorzien, zoo trachtten ze het te kort door roof aan te vullen. Onder aanvoering van Earls, Jarls en Zeekoningen deden ze, onder den naam van „Wikingers” dat „Strijders” beteekent, stoute strooptochten ter zee, en overal waar ze kwamen, brachten ze schrik en ontsteltenis met ellende. Een Zeekoning, Earl of Jarl, was dus niet veel anders dan een rooverhoofdman ter zee, die er roem op droeg, den drinkhoorn nooit aan den huiselijken haard, maar steeds aanboord geledigd te hebben, en die liever onder de berookte balken van zijn klein, maar sterk vaartuig sliep, dan aanwal, onder een gezellig huisdak. Hunne vaartuigen waren aanvankelijk zoo klein, dat er wel drie- of vierhonderd noodig waren, om eene bende van een paar duizend man naar het eene of andere land te voeren. Vele scheepjes hadden zelfs geen dek, en vaak zag men de Noormannen, om van de eene rivier in de andere te komen, de vaartuigen, die ze in hunne dichterlijke taal „met schuim bedekte golvenberijders” noemden, op de schouders nemen en wegdragen. Met zulke scheepjes waagden ze zich niet alleen op de Noordzee, neen, ze voeren er mee door het Kanaal, door de Bocht van Frankrijk, door de Spaansche Zee, door de Straat van Gibraltar, en waagden zich zelfs in de Middellandsche Zee. Nog verder gingen ze. Na eerst Ierland veroverd te hebben, trokken ze noordwaarts, namen de Shetlands-eilanden in bezit en daarna de Far-öer, om ten slotte ook IJsland aan te doen en zich daar te vestigen. Deze tochten waren evenwel niet in den tijd van eenige jaren afgeloopen; ze duurden een paar eeuwen. En hoe onbeschaafd die mannen ook waren, ja, met welke minachting zij neerzagen op alles, wat naar beschaving geleek, ze hadden toch oogen in het hoofd om te zien, dat er bij die beschaving voor hen heel veel bruikbaars was. Het noodzakelijk gevolg hiervan was, dat een Wiking, die onder Keizer Karel den Grooten een inval in ons land deed, een heel ander man was, dan een Wiking van twee eeuwen later, die van Wodan-dienaar zelfs Christen geworden was.
De stoutste tochten van deze Noormannen waren niet enkel die, welke naar IJsland ondernomen werden. Toen ze dit eiland gekoloniseerd en daar eene maatschappij gevormd hadden, deden ze van hier uit reeds verre tochten naar het Zuiden.
In Noorwegen regeerde een zekere Koning Harald Haarfager of „Schoonhaar” niet naar den zin van zijne Wikingers; misschien wel, omdat hij te veel gewoonten van andere Europeesche vorsten aannam. Een der Jarls, die het in het geheel niet met hem kon vinden, een zekere Ingolf, nam met de zijnen en een groot aantal ontevredenen de wijk naar IJsland, en vestigde zich daar. Merkwaardig is het, hoe langzamerhand daar op dat afgelegen en koude eiland eene bevolking kwam, welke in vele opzichten beschaafder en reiner van zeden werd, dan menig volk in Europa. Een der IJslandsche kolonisten, Gunnbjörn geheeten, was, kort na Ingolfs vestiging, uitgezeild om in eenig ander naburig land te halen, wat op IJsland niet was, en wat men toch noodig had om daar te kunnen leven. Een enkele blik op de wereldkaart zal ieder doen zien, dat, westelijk van IJsland zich een verbazend groot land bevindt, waarvan we nu nog niet weten, of het zich tot aan de Noordpool uitstrekt of niet. Dit land heet Groenland, en wordt gerekend te behooren tot Amerika. Natuurlijk was men in dien tijd met het bestaan van dit land nog niet bekend. Maar wat gebeurde? Gunnbjörn, die mogelijk wel naar de Far-öer wilde, werd door den storm naar het Westen geslagen, en kwam op de kust van dat onbekende land terecht. Hij gaf er den naam van „Gunnbjörns rots” aan, en keerde terug, bevindende, dat de afstand tusschen het nieuw ontdekte land en IJsland zóó klein was, dat men op de helft der zeeëngte, die beide landen van elkander scheidt, op een’ helderen dag, zoowel Groenlands hoogten, als IJslands bergen zien kon. Thuis gekomen deelde hij zijne ontdekking mede, doch daar het gevonden land al even arm en onvruchtbaar scheen te zijn als IJsland, zoo stelde men er geen belang in, en eene eeuw verliep, zonder dat het iemand in het hoofd kwam, „Gunnbjörns rots” op te zoeken.
In 985 kwamen er nieuwe bewoners op IJsland. Een Jarl, Erik geheeten, en bijgenaamd „de Roode”, had, óók voor eene overtreding, met zijne Wikingers het Vaderland moeten verlaten. De bodem van IJsland leverde nu niet zoo heel veel op om onder de kolonisten de komst van nieuwe bewoners met blijdschap te begroeten, en toen nu Erik hoorde, dat er ten westen van IJsland nog een ander land was, besloot hij er met de zijnen heen te trekken. Hij bleef er drie jaar, en toen eens naar IJsland teruggekeerd, vertelde hij van het nieuwe land zóóveel goeds, dat de arme IJslanders veel lust kregen om te gaan verhuizen, naar het land, dat Erik den mooien naam van „Groenland” gaf, omdat er uitgestrekte weidevelden gevonden werden. Geheel overdreven had Erik niet, want aan de hellingen der hooge bergen bevonden zich werkelijk weidevelden, en daar het bekend is, dat IJsland in vroegere eeuwen een warmer klimaat had dan het tegenwoordig heeft, zoo kan het ook best zijn, dat het Groenland van toen er aantrekkelijker uitzag dan het er in onzen tijd uitziet.
In alle gevallen werkten de vertellingen van Erik dit op de IJslanders uit, dat hij kort daarna met vijfentwintig scheepjes vol kolonisten zich naar Groenland begaf. Men had alles medegenomen, wat voor een vast verblijf daar noodig was, doch slechts vier scheepjes kwamen er aan. De overige schijnen teruggekeerd of vergaan te zijn.
Tot de Wikingers, die het geluk hadden te landen, behoorde ook Heerjolf, een der stoutste zeevaarders, die zijn zoon Bjarni evenwel op dien tocht niet mede genomen had, omdat deze op reis naar Noorwegen was. Toen nu Bjarni op IJsland terugkwam, en daar vernam, dat zijn vader met Erik den Rooden naar Groenland vertrokken was, besloot hij om er ook heen te gaan, en dat wel onmiddellijk, zonder zijne lading te lossen. Geheel onbekend met het vaarwater en den koers, dien hij nemen moest, duurde het evenwel verscheidene weken eer hij bij zijn’ vader aankwam. Op dien langen tocht had hij wel telkens land gezien, doch daar het niet overeenkwam met hetgeen men hem op IJsland ervan verteld had, was hij er niet aanwal gegaan, niettegenstaande zijn volk graag gewild had. Hoewel Vader Heerjolf zich vrij goed ingericht had, beviel het onzen Bjarni al heel weinig in dat land, en sprak hij ervan om weer zoo spoedig mogelijk naar Noorwegen terug te keeren. Het kan echter zijn, dat Bjarni nog andere redenen had om niet hier te blijven, want iedereen vond het verkeerd van hem gedaan, dat hij in die landen niet aanwal gegaan was. Blijkbaar waren deze streken immers veel vruchtbaarder dan Groenland?
Er werd in de Kolonie veel over de zaak gesproken, en het kwam er zelfs toe, dat Erik een’ familieraad belegde, om hierin uit te maken, of men het land, door Bjarni gezien, opzoeken zou, ja of neen. Er werd besloten het te doen, en nu was het eerste werk der familie om Bjarni’s schip, dat vrij groot en een uitmuntend zeevaarder was, voor dien tocht te koopen.
Vijfendertig stoere gezellen, waaronder ook Bjarni was, begaven zich aanboord, en Erik zelf zou aanvoerder van den tocht zijn. Toen Erik evenwel naar de haven reed, struikelde zijn paard en hij viel er af.
„Dat is een wenk van de Goden om thuis te blijven,” zeide hij. „Mijn oudste zoon Leif zal uw Jarl zijn! Gehoorzaamt hem!”
Hoewel Leif liever gewild had, dat zijn Vader het bevel op zich genomen had, aanvaardde hij evenwel den tocht.
Wanneer we nu eene kaart van Noord-Amerika raadplegen, dan vinden we tusschen eene menigte eilanden, die ten Noorden van het vaste land liggen, en Groenland, eene breede zeestraat, onder den naam van Straat Davis. Ook deze straat, was Bjarni op zijn’ tocht naar Groenland overgestoken, toen hij zag dat die landen niet de kusten waren waar hij zijn’ vader kon vinden. Het land dus, dat Bjarni het laatst gezien had, zag men nu het eerst.
Men ging aanwal en vond er achter de rotsen, die den oever omzoomden, eene groote vlakte met bosschen overdekt, doch hier en daar afgewisseld met uitgestrekte, eentonige heidevelden.
Leif noemde dit land, om die groote vlakten, Helluland, omdat het als een vlakke steen was, en het woord „hella” ook „vlakke steen” beduidde.
Dit Helluland was niets anders dan het groote eiland New-Foundland, dat eene oppervlakte heeft driemaal grooter dan ons land, en gelegen is op ongeveer dezelfde breedte. Het klimaat is er echter op den duur veel guurder dan bij ons.—Dit nam echter niet weg, dat het toch veel beteer bewoonbaar was dan Groenland.
Bjarni had zuidelijker evenwel nog andere landen gezien, en daarom beval Leif het anker te lichten, en verder te stevenen.
Na eenigen tijd zag men weer land, en daar aanwal gegaan, scheen het heele land niets anders te zijn dan een groot bosch. Om deze reden noemde Leif het „Waldland”. Op de kaart vindt ge het tegenwoordig geteekend, als een schier-eiland met den naam van Nieuw-Schotland.
Met een’ stevigen noordoosten wind verlieten de wakkere Wikingers dat Waldland, en voeren twee dagen lang in zuid-oostelijke richting voort, totdat ze nogmaals eene kust ontdekten. Daar het weder inmiddels zeer ongunstig geworden was, ging Leif met de zijnen op een eilandje aan den wal om beter weer af te wachten. Zoodra dit kwam, werd de reis langs de kust voortgezet, en eindelijk voer men eene rivier op. De ankers werden uitgeworpen en men besloot hier te overwinteren.
Welk een land was dit! Hoe vruchtbaar was het er! Welke schoone bosschen! Welke heerlijke weiden! Welk een plantengroei! Deze ruwe mannen, die in hun geheele leven nog niet veel anders gezien hadden dan ijs, sneeuw, naakte rotsen en schrale weilanden, waren vol verrukking. En nog hooger steeg hunne vreugde, toen één hunner, in de bosschen dwalende, heerlijke, rijpe wijndruiven in overvloed vond. Vol vreugde begonnen zij ze te verzamelen; men at er van zooveel men lustte, doch de voorraad was te groot, en daarom werd er besloten, ze te drogen en dan naar Groenland mede te nemen. In het voorjaar begon men met rijke lading de terugreis. Behouden kwamen de moedige ontdekkers in Groenland aan, en het is te begrijpen hoe gretig men luisterde naar de vertellingen van de wonderen waaraan „Wijnland”, zoo noemden ze deze streek, zoo rijk was.—De Kolonisten van Groenland bleven altijd nog met die van IJsland in voortdurende gemeenschap, en ook op hunne beurt onderhielden de IJslanders nog de betrekking met het moederland Noorwegen, waar men, na eenige jaren, van bijna niets anders sprak dan van „Wijnland” en van den ontdekker „Leif den Gelukkige.”
Of Leif voor en na nog meer tochten naar Wijnland deed, vertelt de geschiedenis niet. Wel deelt ze mede, dat Leif naar Noorwegen terugkeerde, en er het Christendom aannam, wat de oude Erik, die aan den Wodansdienst getrouw bleef, minder aangenaam vond. Hij stierf echter kort daarop, en nu werd Leif in zijn Vaders plaats Jarl. Waarschijnlijk vond hij het nu beter om, volgens de wijze van Christen-vorsten, thuis te blijven om zijn volk te besturen, dan dat hij altijd op zee was. Hij gaf daarom zijn schip aan zijn’ broeder Thorwald, en deze ging nu in Wijnland overwinteren om met het voorjaar nog verder te trekken, en kwam op een schoon en vruchtbaar eiland, in eene groote baai gelegen. Het eiland waar hij overwinterd had, was eigenlijk een schier-eiland, en het kan wel niets anders geweest zijn dan het schier-eiland, dat nu Rhode-Island heet. Het eiland in de groote baai ligt er nóg, en heet Long-Island. Tegenover dit eiland ging Thorwald met de zijnen aan den wal, en deze landstreek moet geweest zijn, waar tegenwoordig New-York ligt.
Terwijl men hier alles voor een vrij langdurig verblijf gereed maakte, vonden enkele Noormannen drie booten, die met huiden overtrokken waren. Ze waren als tenten opgesteld, en hieronder vonden ze slapende ... menschen. Ja, menschen waren het, en wel Eskimo’s, maar naar de meening van de Noormannen konden er alleen menschen in de „wereld” wonen, en het land, dat ze nu tijdelijk bewoonden, lag immers buiten de wereld in en aan de streek der eeuwige duisternis? Nu wil het geval, dat de lichaamsbouw en het aangezicht van de Eskimo’s juist voor Europeanen niet schoon te noemen zijn, en het is dus geen wonder dat de Noormannen hen niet „Menschen” maar „Skrällings” noemden, wat zoo veel beduidt als „wangedrochten”, „uitschot van de menschen”. De Noormannen meenden dan ook eene zeer goede daad te doen door de wereld, al was het ook de buitenwereld, van die gedrochten te verlossen en doodden hen. Eén evenwel had het geluk te ontkomen, en dit was Thorwalds ongeluk.
Zonder er aan te denken dat die „wangedrochten” ook eene taal hadden waarmede ze aan hunne broeders konden mededeelen, wat gebeurd was, bleven de Noormannen hun lui en gemakkelijk leven leiden, en zett’en zelfs geene enkele wacht uit.
Midden in een’ nacht dat allen rustig lagen te slapen, naderden opeens honderden Skrällingers en overvielen, onder een afgrijselijk geschreeuw en gehuil, het kamp der Noormannen, die met achterlating van alles, wat ze aan den wal hadden, naar hun schip vloden, en zich daar achter de verschansing verscholen om veilig te zijn voor de hagelbui van pijlen, die op hen afgeschoten werden.
Eindelijk gelukte het den Noormannen om de kust te ontvluchten. Slechts één hunner was gewond, doch die eene was Jarl Thorwald. Hij trok zich den pijl uit de wonde en zeide: „Dat is mijn dood!”
Toen ze nog op Rhode-Island waren, had hij, verrukt door den heerlijken aanblik van het land, uitgeroepen: „Hier zou ik wel een huis willen bouwen om er te blijven wonen.”
Zoodra hij nu voelde, dat de wonde van den pijl, die zeker vergiftigd was, zijn’ dood ten gevolge zou hebben, beval hij, dat men hem naar dat land brengen zou, en zoodra hij er voet aanwal gezet had, sprak hij zacht: „Het is wel een voorspellend woord geweest toen ik zeide, dat ik hier een huis zou willen bouwen om er te wonen. Thans zàl ik er blijven voor immer en altijd. Men zal er mij begraven; op mijn graf zal men een kruis planten en den naam van dit land zal zijn: „Krossanes”, dat is „Kruis”.”
Alles geschiedde zooals Thorwald voorspeld had. Hij stierf er, werd begraven onder de dennen op een’ heuvel; een kruis werd op zijn graf geplaatst, en deze landstreek heette onder de Noormannen voortaan „Krossanes.”
De Noormannen keerden in treurige stemming terug, doch Thorstein, Eriks jongste zoon, begaf zich weldra aanboord van zijn schip om zijn broeders lijk van „Kruis-kaap” of „Krossanes” te halen, en het dan dicht bij dat van Erik te begraven. Zijn tocht was echter vergeefsch, en tot de zijnen weergekeerd, had hij geene begeerte meer om Wijnland of een der andere ontdekte landen op te zoeken. Hij werd evenwel hierin ook door den dood verhinderd, die hem kort na zijne thuiskomst overviel.
Erik had ook eene dochter Freydis nagelaten, die gehuwd was met Thorward, een’ Noorman geheel van den ouden stempel. Deze liet zich niet afschrikken door hetgeen zijn’ zwager wedervaren was. Hij sloot een verbond met den rijken koopman Thorfin Karlsafna, die met Gudrid, de weduwe van zijn’ broeder Thorstein gehuwd was, en deze twee familiën scheepten zich naar Wijnland in. In 1007 verlieten ze Groenland met twee welbemande schepen, die van alles voorzien waren om eene Kolonie te kunnen stichten. Hoogstwaarschijnlijk kwamen zij op dien tocht nog veel zuidelijker dan New-York ligt. Zij schijnen evenwel teruggekeerd te zijn, en zich gevestigd te hebben in de omstreken van New-York. Men heeft in den Staat Massachusetts een’ mark- of grenssteen gevonden, waarop in het Noorsche runenschrift staat: „Nam Thorfin”, wat beduidt: „Grond van Thorfin”. Die steen kon door Skrällingers daarheen gebracht zijn, zoodat hij nog geen bewijs kan wezen, dat de Noorman Thorfin daar eenmaal grondbezit had. Een ander bewijs evenwel maakt duidelijk dat die steen daar best kan gestaan hebben, want Leif teekende aan, dat daar ter plaatse, waar hij overwinterde, de zon om half acht opkwam en om half vijf onderging. En wat nu op aarde veranderen moge aan de oppervlakte, de lengte van dag en nacht bleef eeuw in en eeuw uit dezelfde, zoodat men met die aanwijzing der daglengte er vanzelf toe komt, om met zekerheid te kunnen bepalen waar het Wijnland der Noormannen lag.
Maar wat gebeurde met de nieuwe Kolonisten?
De Skrällingers kwamen hen, en thans met geene kwade bedoelingen, maar wel om ruilhandel te drijven, opzoeken. Het scheen dat de Noormannen begrepen, dat die wezens geene „wangedrochten”, maar menschen waren als zijzelve, doch van een ander ras. De ruilhandel bracht den Noormannen bovendien veel voordeel, want een Skrällinger gaf voor een stuk van een’ rooden doek gaarne eenige kostbare pelzen, en toen de Noormannen geene roode doeken meer hadden, ruilden de Skrällingers kostbare huiden voor een’ schotel melkpap. Voordeeliger zaken kon men waarlijk niet doen, en het liet zich aanzien, dat de Noormannen met het koloniseeren van Wijnland op weg waren om schatten te verzamelen.
Een klein ongeval maakte evenwel aan dien gunstigen toestand een einde.
Eens dat de baai, waaraan de Kolonie lag, weer overdekt was met kano’s, wier eigenaars aan den wal handel dreven, brak een der stieren van Karlsafna los, en viel onder woest gebrul te midden der vreedzame pelsjagers. Verscheidenen werden gedood en de anderen gingen op de vrucht. Ze bleven echter niet weg. Meenende dat die „Witgezichten” met opzet den stier op hen losgelaten hadden, keerden ze bij duizendtallen terug, en overvielen de Kolonie, die geen kwaad vermoedde. In den vreeselijken strijd, die nu volgde, moesten de Noormannen het onderspit delven. Stellig zouden alle Noormannen omgekomen zijn, zoo niet Freydis, als eene echte Wikinger-dochter, een zwaard gegrepen, en zich te midden der Skrällingers geworpen had. Dezen hierdoor verschrikt, sloegen nu op hunne beurt op de vlucht, en de overgebleven kolonisten waren behouden. Ze waren evenwel zoo verzwakt, dat ze besloten, de Kolonie te verlaten, en naar Groenland terug te keeren. Thorfin vestigde zich weer op IJsland, en besteedde daar zijne rijkdommen om aanzienlijke goederen te koopen. Zijne vrouw Gudrid echter, ging naar Rome, bleef er eenigen tijd en keerde toen naar IJsland weder als Non. Haar zoon Snorro Sturleson, die in Wijnland geboren was, werd naderhand een beroemd geleerde. Natuurlijk is het, dat Gudrid, toen ze in Rome was, wel verteld zal hebben van dat wonderland aan gene zijde der wateren, en de herinnering aan die vertellingen kan aan Toscanelli aanleiding gegeven hebben om aan Plato’s dichterlijk eiland „Atlantis” eenig geloof te hechten, zoodat hij midden in de groote zee tusschen Europa en Azië het eiland Antilia plaatste.
Dat die ontdekkingen der Noormannen zoo geheel vergeten werden, en alleen in allerlei dwaze vertellingen hier en daar nog eenigszins herinnerd werden, mag vreemd schijnen, doch er zijn redenen voor.
De IJslanders zelf lieten heel Wijnland varen, en onderhielden alleen gemeenschap met de Kolonisten van Groenland, die allen tot den Christelijken godsdienst overgegaan waren. Omstreeks het jaar 1350 heerschte evenwel in heel Europa eene vreeselijke ziekte, „Zwarte Dood” geheeten, welke in alle landen duizenden slachtoffers eischte. Zij woedde ook op IJsland, stak naar Groenland, raapte daar de heele Kolonie door den dood weg, of maakte haar zóó klein, dat men er later niets meer van hoorde.
Nog eene andere oorzaak is er.
Zien we niet dagelijks, dat eene zaak, die eerst niet gewild was en een armzalig leven voortsleepte, later een ongekende vlucht nam? Dat die zaak aanvankelijk niet opnam, kwam omdat het volk nog niet rijp was om er de waarde van te beseffen. Eerst dán, als duizenden door één gevoel gedreven worden, komt dat, wat eerst niet geacht werd, opeens tot aanzien. De Bijbel noemt die onverklaarbare, algemeene volksbegeerte zoo kernachtig „de volheid der tijden”.
Phoeniciërs vonden den weg om Afrika, en die weg werd vergeten; Noormannen ontdekten een aanzienlijk deel van Amerika en dat land werd onbekend. Eerst eeuwen later, toen er een geest naar onderzoek bij alle volken ontwaakte, en men niet meer bij toeval, maar langs wetenschappelijken weg, wat trachtte te vinden, kon men zeggen, dat er behoefte ontstond om een’ zeeweg naar de rijke Indiën op te sporen. Die behoefte deed Kaap de Goede Hoop ontdekken, en een nieuw werelddeel vinden. En juist omdat, èn ontdekking, èn vinding aan eene behoefte voldeed, juist omdat het toeval of goed geluk niet voorop stond, behield men, wat men ontdekte of vond.
Ik schreef boven dit hoofdstuk „De zeevaart der oude volken” en handelde het breedvoerigst over de ontdekkingen der Noormannen, die men bezwaarlijk tot de oude volken rekenen kan. Ik deed dit echter, omdat hunne ontdekkingen even goed verloren gingen als die van Phoeniciërs en Carthagers. Thans echter dien ik een volgend hoofdstuk te beginnen, om reden we van een volk zullen hooren, dat hield, wat het gevonden en veroverd had, tot het op zijne beurt door een ander, en wel door een beschaafd Christenvolk, verdrongen werd.
HOOFDSTUK III.
Inhoudsopgave
DE ISLAM EN HET CHRISTENDOM.
Een van de merkwaardigste landen, niet alleen van Azië, maar zelfs van heel de wereld, is Arabië, een groot schiereiland aan de Roode Zee, den Indischen Oceaan en de Golf van Perzië gelegen.
Zooals men uit de gewijde verhalen weet, had de Aartsvader Abraham bij zijne dienstmaagd Hagar een’ zoon, Ismaël geheeten, van wien God tot de Moeder zeide: „Hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem.” En tot Abraham sprak dezelfde stem van dezen zoon: „Twaalf Vorsten zal hij gewinnen, en ik zal hem tot een groot volk stellen.”
Deze Ismaël nu werd, naar men beweert, de stamvader der Arabieren.
Wij, Nederlanders, zouden al weinig ingenomen zijn met een’ zoon van wien voorspeld werd: „hij zal een woudezel zijn,” doch dit komt alleen, omdat wij dit dier niet kennen. Nergens, in Bijbel, Koran of een Oostersch verhaal, wordt minachtend van dit dier gesproken, en ieder, die eenmaal in het Oosten den ezel gezien heeft, moet erkennen, dat dit dier daar niet alleen een mooi, maar bovenal een nuttig dier is. De ezel behoort niet thuis in ons vochtig en guur klimaat, en wie een’ ezel houdt, houdt hem gewoonlijk op een koopje, en laat hem paardewerk verrichten, terwijl men voor zijne verzorging zich bijna nimmer eenigen tijd gunt. Hoe anders is dat in het Oosten. Geen paard wordt hier beter verzorgd dan ginds een ezel. Het dier is daar bovendien in zijn Vaderland, en bezit er heel andere eigenschappen.
Ismaël zou als een woudezel worden.
Een woudezel is een wilde ezel, die de tegenwoordigheid der menschen niet opzoekt, maar ontvliedt. De eenzaamste plaatsen zoekt hij bij voorkeur op. Hij is schuwer dan eenig ander dier, doch omzichtig in hooge mate. Hij beklimt met de meeste zekerheid steile rotsen, en siddert niet wanneer hij aan zijne voeten een’ gapenden afgrond ziet, en met wellust kan hij, staande op eene rotspunt, den koelen bergwind opsnuiven.
Of hij nu in alles het beeld van den voormaligen en tegenwoordigen Arabier is?
Neen, niet in alles, maar toch in veel.
De echte Arabier van onzen tijd, op wien de geest der eeuwen zóó weinig invloed gehad heeft, dat hij bijna nog dezelfde zeden en gewoonten heeft, als de Arabier ten tijde van Job, haat nog immer den Fellah, die zich een verblijf binnen de muren der steden gekozen heeft. Hij is een merkwaardig man. Hij is nimmer zwaar van lichaamsbouw, doch van statige, iets meer dan middelmatige lengte, sterk en gespierd. Zijne behoefte aan spijs en drank voldoet hij, maar in het gebruik ervan is hij altijd matig. Een Arabier, die dronken is, werd nimmer gevonden, en evenmin een, die een zwelgend leven leidde. Zijn lichaam, nimmer vertroeteld, is gehard tegen alle vermoeienissen, en meest altijd heeft hij een opgeruimd humeur en eene dichterlijke verbeeldingskracht. Gewoon in de woestijn om te dwalen en dus altijd eene uitgestrekte vlakte voor zich te zien, wordt zijn gezicht zóó scherp, dat hij op verren afstand reeds het aantal naderende ruiters telt, als een ander nog niets ziet. De sobere omgeving waarin hij leeft, doet hem acht geven op alles, en alles kennen tot in de kleinste bijzonderheden. Hij ziet aan het voetspoor in het zand der woestijn, of het van een’ vriend of wel van een’ vijand is, hij ziet er aan of de voetganger vermoeid of niet vermoeid was, of hij een’ last droeg of niet. Zonder kompas vindt hij den weg door de woestijn, die in hare eentonigheid ons geen enkel herkenningsteeken geeft, maar hem honderden. Bij nacht is de heldere hemel met al zijne sterren hem een boek, waarin hij altijd leest, zonder ooit aan de laatste bladzijde te komen. Die sterren geven aan zijne dichterlijke verbeeldingskracht elken avond eene hoogere vlucht. Geboren jager of herder, is hij ook geboren koopman, altijd er op uit om zijn eigen voordeel te behartigen. Zijne scherpzinnigheid doet hem bij alles rekenen; zijne hebzucht doet hem zelfs onder vrienden, vijanden vinden. En te midden van dit volk, zóó berekend, zóó scherpzinnig, zóó hebzuchtig en zóó strijdlustig, kwam Mohammed met zijne nieuwe leer, wier grondstellingen zoo volkomen pasten bij het karakter van die woestijn-bewoners niet alleen, maar ook bij dat van de Fellahs of steden-bewoners. Het loon, aan den strijd voor het geloof verbonden, deed hen naar de wapenen grijpen om den geloofsstrijd te voeren; en daar het Christendom in dien tijd in het Oosten zeer in verval was, zoo verspreidde de nieuwe leer, gepredikt door mannen, die vol geestdrift het zwaard in de rechter-, en den Koran of Mohammedaanschen bijbel in de linkerhand droegen, zich buitengewoon snel. De nieuwe leer deed den woudezel zijne woestijn, en den Fellah zijne steden verlaten om de wassende maan, het symbool waaronder zij streden, tot waarheid te maken. De aarde moest vol worden van den Islam, alle monden moesten getuigen: „Er is maar één God, en Mohammed is zijn Profeet.”
Wat Mohammed zelf wel nimmer zal vermoed hebben, is, dat zijne leer de Arabieren maken zou tot veroveraars, reizigers en landontdekkers, ja, tot mannen, die in dichtkunst, geneeskunde, wijsbegeerte, wiskunde, sterrenkunde, en bouwkunde, ver boven de Westersche volken stonden.
Een machtig Oostersch rijk, dat der Kaliefen, ontstond, hetwelk naar alle zijden zich ontwikkelde, naar alle kanten zijn’ invloed deed gelden. Door de Arabieren gesticht, was het na verloop van eene eeuw grooter dan het Romeinsche Keizerrijk ooit geweest was. Sommige Kaliefen waren zeer bekwame Regenten, en moedigden de kunsten en wetenschappen op alle mogelijke wijzen aan. Handel en nijverheid bereikten eene verbazende hoogte, en bijna alle streken der Oude wereld werden door de Arabieren bezocht. Zij kwamen in China; ze kenden zelfs Japan; zij bereisden Voor- en Achter-Indiën, ze kwamen op Sumatra en Java. Niet alleen Egypte en Afrika’s noordkust bezochten ze, maar ze drongen zelfs dieper in het „Zwarte werelddeel” door, dan iemand vóór hen ooit gedaan had. En overal waar ze kwamen, predikten ze den Islam. Bleef China ook grootendeels voor hen gesloten, Voor- en Achter-Indië, de Indische Archipel, Egypte en Noord-Afrika bleven dat niet, en bijna overal verdrong daar de Islam den heidenschen godsdienst. Aan de uitgestrekte macht der Arabieren kwam evenwel spoedig een einde, want het rijk werd door binnenlandsche twisten verdeeld, en in onderscheidene Staten gesplitst, welke ieder van elkander onafhankelijk waren. Eén stam heeft zich zeer bekend gemaakt door den stoot, dien ze gaf aan de opwekking van den Europeeschen handel en de zeevaart. De bewoners van Toeran of Toerkistan, een woest volk, hadden in de achtste eeuw reeds den Islam omhelsd. Dit belette echter niet, dat zij jegens de Arabieren zeer vijandig gezind waren, en, bij de verzwakking van het Kalifaat, maakten zij zich ook meester van het Heilige Land, dat in handen der Arabieren was. Ook Jeruzalem viel in hunne handen.
Jeruzalem! Wie kent niet Da Costa’s:
„Aan Babels wateren gezeten,
denk ik aan Sion en verteer.
Jeruzalem, hoe zoude ik U vergeten?
mijn’ rechterhand vergeet’ zichzelf veeleer.”
Roerend en treffend schoon is Da Costa’s klaagzang; maar eindelijk gaat het klaaglied langs Golgotha over in een’ juichtoon, en jubelend klinkt het:
„Maar neen! Gij zult weer ademhalen.
Maar neen! Jeruzalem sterft nooit.”
Da Costa had gelijk! Hoe ook door de Romeinen verwoest en bijna ledig gelaten, hoe ook door de Turken veroverd, uitgemergeld en verarmd, Jeruzalem leeft nog, Jeruzalem sterft nooit, zoolang er nog één Christen of één Israëliet leeft, want voor beiden is het oude Sion de stad der steden. Nog altijd weent er de Israëliet bij den ouden muur van Salomo’s tempel, nog altijd knielt en bidt de Christen bij het graf van zijn’ Heiland.
Dat Israëlieten ter bedevaart opgaan naar de stad hunner Vaderen mag eene zeldzaamheid heeten, maar dat de Christenen het doen naar het Heilige graf, is eene vrome gewoonte, die bijna op denzelfden tijd ontstond toen de Paaschgang der Israëlieten naar Salomo’s tempel ophield.
Men noemde zulke Christenen bedevaartgangers of pelgrims naar het Heilige Land. Aan zulke tochten waren evenwel groote moeielijkheden verbonden, doch wie telde in die tijden moeielijkheden waar het den godsdienst betrof? Een Duitsch schrijver zegt: „Tot de scherpst uitkomende karaktertrekken dier eeuwen mag wel in de eerste plaats genoemd worden eene godsdienst-overtuiging, die bijna tot dweperij oversloeg, een gloeiend leven van het hart. Ze vervulde den geest, ja, die geloofs-overtuiging was de ziel der menschheid zelve.”
En van het Heilige Land heet het bij dezen schrijver: „Heilig was daar iedere voetbreed gronds, en van aanbidding stroomde over het hart des pelgrims, die dezen grond betreden mocht. Zijn geestelijk oog zag de poorten des hemels daarbij geopend.”
Zouden zulke geloovigen angstvallig eerst alle moeielijkheden wikken, alle zwarigheden wegen, alle gevaren tellen? Neen, men ging zonder dat alles te doen; men bestreed vol vreugde de moeielijkheden; men trotseerde vol verlangen alle zwarigheden; men tartte vol geloofsmoed alle gevaren, als men maar in het Heilige land komen mocht en als men maar bidden kon aan het graf van zijn’ Heiland en Heer.
Maar, waar de Arabieren die bedevaarten geduld hadden, ook omdat ze vele voordeelen aanbrachten, daar begonnen de woeste en dweepzieke Turken de Pelgrims te mishandelen, te plunderen en soms te dooden.
Wat moesten de Christenen van Europa doen?
Ze duldden jaren lang den smaad hun door de Turken aangedaan; de tijd scheen nog niet rijp voor een’ grooten geloofsstrijd.
Maar in het jaar 1094 verscheen te Jeruzalem, als Pelgrim, een voormalig krijgsman uit Normandië, die het strijdveld verwisseld had met de kluizenaarshut, en deze alweer had verlaten om den pelgrimsstaf op te nemen.
Hij was een klein en onaanzienlijk man, die „Peter de Kluizenaar” of „Peter de Heremiet” heette. Maar in die eeuw van ijzer, staal, mannenkracht en dapperheid, zou deze eenvoudige man, alleen gewapend met eene wegsleepende welsprekendheid en een’ brandenden geloofsmoed, de heele Christenwereld in beweging brengen en bezielen tot een’ strijd op leven en dood tegen de overweldigers van alles, wat den Christen dierbaar was. Toen hij in Jeruzalem zag, wat de Christenen van de Turken te lijden hadden, vatte hij een grootsch plan op. Hij keerde naar zijne Vaderstad Amiens, terug, doch nam zijn’ weg over Rome, waar hij, toegelaten tot Paus Urbanus II, met de treffendste kleuren den ellendigen toestand der Christenen in Palestina schetste, en hij wist met zulke bezielende woorden te spreken over de noodzakelijkheid, dat alle Christen-vorsten de wapenen moesten opnemen, ter verovering van het Heilige Land, dat de Paus hem terstond zijne medewerking beloofde. Hij hield die belofte ook trouw, en begon met Peter aanbevelingsbrieven te geven aan de voornaamste Vorsten van Europa. En Peter ging van land tot land, van het eene Vorstenhof naar het andere, en overal predikte hij met eene wegsleepende kracht, die allen bezielde, die alle harten deed ontbranden, het lijden en de verdrukking der Christenen. Hij was onweerstaanbaar, en vol geestdrift togen Vorsten, Edelen, Bisschoppen en voorname Heeren naar Clermont, waar de Paus eene groote Kerkvergadering houden zou. Daar was het, dat de Paus met eene welsprekendheid, welke misschien die van Peter de Heremiet nog overtrof, voor duizenden eene toespraak hield en den Kruistocht predikte.
O, het moet een oogenblik geweest zijn, zooals de heele wereldgeschiedenis maar enkele oogenblikken telt, toen door die duizenden den kreet aangeheven werd: „God wil het! God wil het!”
Bij die uitroepen bleef het niet; men ging over tot daden, en onder aanvoering van Godfried van Bouillon, Hertog van Lotharingen, werd den vijftienden Juli van het jaar 1099 Jeruzalem ingenomen, nadat over en weer door zwaard en ziekten duizenden en nogmaals duizenden gevallen waren. Het Christen-koninkrijk Jeruzalem werd gesticht, en daar naast ontstonden de Christen-graafschappen Tripolis en Edessa, benevens het Vorstendom Antiochië.
Slechts achtentachtig jaar bleef dit Koninkrijk Jeruzalem bestaan, en in 1291 ging met Tyrus, dat de Christenen aan hunne vijanden moesten overgeven, de laatste Christen-vestiging in het Heilige Land verloren. Ruim zes millioen Christenen waren bij die Kruistochten, men rekent er meest altijd zeven, omgekomen, en schatten gelds hadden ze verslonden, maar—de gevolgen waren onberekenbaar groot.
Vindt men nu nog op sommige plaatsen enkele menschen, die hun dorp of hunne stad nimmer verlaten, en dus eene zeer bekrompen wereldbeschouwing hebben, ze worden toch met den dag zeldzamer, en men wijst hen bijna aan, als eene merkwaardigheid, met: „Kijk, die man daar, hij is, zoo oud als hij is, nooit verder geweest dan zijn dorp of zijne stad.”
Maar in die eeuwen was de toestand aanvankelijk juist omgekeerd, en hij, die het gewaagd had, ver van huis te gaan, werd als eene merkwaardigheid met den vinger aangewezen.
De Kruistochten brachten hierin eene verbazend groote verandering. Men deed verre tochten; men kwam in een heel ander land, in een heel ander klimaat; hier zag men dit, daar dat; hier merkte men het eene, daar het andere op. De blik werd verruimd, en men leerde nieuwe behoeften kennen. Vooral de mannen van den derden stand, de poorters en dorpers, door het deelnemen aan een’ Kruistocht van Lijfeigenen in Vrijen herschapen, begonnen zulk een krachtig leven te ontwikkelen, dat ze, in macht en rijkdom, Vorsten en Edelen boven het hoofd wiesen.
Overal ontwaakte onder hen een ondernemingsgeest, die voor geene gevaren terugdeinsde, en die geest was de grondvester van machtige steden, van Venetië en Genua bovenal. Die ondernemingsgeest, hoewel hoofdzakelijk tendoel hebbende, eigen voordeel te bevorderen, dwong echter ook om niet alleen vreemde talen te leeren, maar ook om de aardrijkskunde en sterrenkunde te beoefenen.
Zoo iets van: „Er is maar één God en Mohammed is Zijn Profeet”, paste vóór de Kruistochten elk land ook op zichzelf toe. Men wist het, ja, dat er nog andere landen waren, doch ze kwamen bij het eigen land zoo goed als niet in aanmerking. Na de Kruistochten was dat evenwel anders geworden; de volkeren van Europa hadden elkander leeren kennen, en die kennismaking leidde tot handelsbetrekkingen. Men begon gewassen te verbouwen en voorwerpen te maken, met het doel om uit te voeren; nieuwe handwerken, andere kunsten werden beoefend. De strijd om het bestaan, vroeger tot de bewoners van elk land beperkt, werd nu gestreden tusschen de volken onderling, en hij bracht leven en beweging. Die strijd scherpte het verstand, spitste het brein en maakte de hand vaardig. Werkelijk, de Kruistochten hebben het dommelende Europa wakker geschud; ze zijn oorzaak geweest, dat van de vijf werelddeelen, Europa het werelddeel werd, en meteen de zetel van beschaving, wetenschap en welvaart.
We noemden zoo even twee namen van steden, en wel Venetië en Genua. Beide steden hebben door haren handel en hare macht in de Middel-eeuwen eene te groote rol gespeeld om er hier niet van te spreken.
Venetië ligt ten noorden van de Adriatische Zee, aan eene golf, die denzelfden naam als de stad draagt. Bij den inval der Hunnen namen vele bewoners van het vasteland de vlucht naar de menigte eilanden, die in deze zee gelegen zijn. Waren dezen eerst afhankelijk van het Grieksche en later van het Duitsche Keizerrijk, ze wisten voor een groot deel zich daarna onafhankelijk te maken, en vormden eene Republiek. Het hoofd van die Republiek droeg den naam van Doge, en de Republiek zelve heette weldra, naar hare grootste stad, Venetië. Reeds lang vóór de Kruistochten dreven de Venetianen een’ levendigen handel op Azië, doch het toppunt van bloei bereikte de Republiek eerst tegen het einde der veertiende eeuw. Zij dreef vooral handel op Alexandrië en Joppe in producten, die daar met karavanen aangebracht werden uit de Indiën, en ze had zelfs, vooral door de bemoeiingen van den beroemden Venetiaanschen reiziger Marco Polo, die diep in het rijk der Mongolen drong, en de gunst wist te verwerven van den Khan of Oppervorst der Tataren, handelsbetrekkingen aangeknoopt met het tegenwoordige China. Door de reistochten van Marco Polo, diens Vader Niccolo en neef Maffeo, werd vooral de aardrijkskundige kennis van Azië zeer uitgebreid, en men ontwierp zelfs kaarten waarop, behalve het bekende deel van Europa, bijna heel Azië voorkwam. Wel had, volgens de Venetiaansche kaarten, dit werelddeel een voorkomen, hetwelk in latere tijden bijna geheel gewijzigd moest worden om met den waren toestand overeen te komen, maar veel vindt men er toch ook op waaruit blijkt, dat men bij het vervaardigen ervan niet enkel op overleveringen of phantastische verhalen vertrouwde, maar zelf waargenomen had.
Niet minder dan vierentwintig jaar duurde hunne reis, en onnoemelijk rijk keerden ze alle drie terug. Zóó rijk was Marco, dat de Venetianen hem den bijnaam gaven van „Meester Millioen.”
Verwondering kan het niet baren, dat Marco Polo met zijne schatten den lust bij anderen opwekte om ook in die verre landen der Tataren zaken te gaan doen, en nog meer werd die lust opgewekt toen de beroemde man zijn reisverhaal liet te boek stellen. Hij stierf echter in 1323, dus vóór de uitvinding der boekdrukkunst, en deze alleen was instaat om die reisbeschrijving algemeen te maken. En hoe prettig wist hij te vertellen!
In zijn’ tijd was de tegenwoordige Chineesche stad Hang-Chow-Foe aan de rivier Tsien-Tang, de hoofdstad van het Chineesche of Tataarsche rijk. Nu nog telt zij meer dan één millioen inwoners, doch Marco zeide, dat hare bevolking toen één millioen zesmaal honderdduizend huisgezinnen bevatte; bovendien gaf hij aan deze stad den naam van Quin-sai.
Om mijn’ lezers eenig denkbeeld te geven, niet alleen van Polo’s verhaaltrant, maar ook over den toestand van China in onze middeleeuwen, wil ik een gedeelte van zijn verhaal hier laten volgen.
„Quin-sai, de hoofdstad, verdient haar’ naam: „Stad des Hemels”, ten volle door hare grootte, schoonheid, rijkdom en welvaart. Zij is een Paradijs op aarde. Naar mijne schatting heeft ze een’ omvang van vierenveertig Kilometers, dat is acht uur gaans. Zij ligt dicht bij de zee aan eene groote rivier, wier wateren door tallooze kanalen in alle richtingen door de stad stroomen, en alle vuilnis medevoeren naar zee, zoodat er de grootste zindelijkheid heerscht, en de lucht er steeds frisch is. Wel twaalfduizend bruggen verbinden de verschillende stadsdeelen met elkander, en naast de kanalen heeft men breede straten. De meeste bruggen hebben zulke groote bogen, dat de schepen er onderdoor kunnen varen zonder de masten te strijken. Er zijn verscheidene groote pleinen tot markt ingericht, en elk plein is omgeven door steenen gebouwen, waarvan de beneden-verdiepingen als winkels in gebruik zijn. De verschillende straten loopen alle op de marktpleinen uit, en overal vindt men inrichtingen tot het nemen van koude of warme baden, waarvan ieder van zijne jeugd af, gebruik maakt eer hij aan den maaltijd gaat. Op tien groote plaatsen wordt driemaal in de week markt gehouden, en ongeveer vijftigduizend menschen begeven zich telkens naar iedere markt om daar het noodige tot levensonderhoud te koopen. Wild en gevogelte vindt men er in overvloed en tegen billijke prijzen. Zoo betaalt men voor een paar ganzen met nog vier eenden slechts tien penningen. Ander vleesch kan de werkman niet eten, want het vleesch van runderen, schapen en geiten is zóó duur, dat alleen de rijken het betalen kunnen. Onverschillig in welk jaargetijde men de markten bezoekt, altijd vindt men er een’ rijken voorraad van het heerlijkste ooft. Visch is er steeds in overvloed te vinden. Welk een omzet op deze markten is, kan blijken uit de opgaaf van één artikel, dat verhandeld wordt, namelijk peper, waarvan de Tataren groote liefhebbers zijn. Elken dag zet men meer dan tienduizend pond van deze specerij om.
„De inwoners hebben eene blanke gelaatskleur, en kleeden zich steeds in zijde, die hier in den omtrek veel gewonnen wordt. Er zijn twaalf hoofdambachten, en iedere zoon is verplicht het ambacht van zijn’ Vader te leeren. De rijke werkbazen doen niets anders dan op het werk wat rondloopen om toezicht te houden. De vrouwen pronken den heelen dag met hare prachtige zijden kleederen en schitterende juweelen, of brengen in sierlijk ingerichte vertrekken, den dag met nietsdoen door.
„De huizen, die gewoonlijk van hout zijn, hebben sierlijke voorgevels, voorzien van mooi snijwerk en beschilderd met allerlei wonderlijke figuren. Van oorlogvoeren weten de bewoners van Quin-sai niet, en zelfs oproer en rooverij behooren bijna tot de onmogelijke gebeurtenissen.
„De uitspanningen op het water overtreffen alle andere, en de stad met haar onnoemelijk groot aantal paleizen, tempels, villa’s, tuinen en boomen, allen aan het water gelegen, biedt daardoor, den ganschen dag door, eene bonte afwisseling.
„Is de dagtaak afgeloopen, dan denkt niemand aan wat anders dan aan uitspanning. Met schuiten en wagens begeven de mannen zich in gezelschap hunner vrouwen of kinderen naar tuinen, die alleen voor openbare uitspanningen bestemd zijn.
„In elke straat is stellig één steenen gebouw, in den vorm van een’ toren. Het is zeer groot, en wanneer nu een brand uitbreekt, wat met die houten huizen niet zelden het geval is, dan vluchten al de bewoners van die straat met hunne kostbaarste have binnen dit steenen gebouw.
„Op de voornaamste bruggen staat een wachthuis, dat steeds door tien man bezet is. In elk wachthuis is een wateruurwerk, en het is nu de hoofdtaak van die mannen, om aan het einde van elk uur met een houten blaas-instrument en een metalen voorwerp, hiervan aan de bewoners kennis te geven.
„Gedurende den nacht trekken wachters door alle straten. Hunne taak is het, minder tegen diefstal te waken, dan wel te zorgen, dat iedere bewoner op den bepaalden tijd in zijn huis geen licht of vuur meer brandt, en dat niemand zich meer op straat begeeft.
„Elk hoofd van een gezin is verplicht om boven den ingang zijner woning eene naamlijst van de bewoners te hangen. Sterft er een, dan wordt de naam doorgestreept, en wordt er een geboren, dan wordt zijn naam terstond onder de lijst geschreven. Zelfs zij, die vreemdelingen en reizigers herbergen, zijn verplicht in een boek, niet alleen de namen hunner gasten te schrijven, doch er moet tevens bij vermeld staan wat ze zijn, wat ze komen doen, wanneer ze kwamen, wanneer ze heengaan, en wáár ze heengaan.
„De inkomsten van den Groot-Khan,—thans noemt men hem Keizer,—bedragen, alleen nog maar van het zout, niet minder dan zes millioen vierhonderd duizend dukaten, en zijn heele inkomen wordt berekend op ruim drieëntwintig millioen dukaten.
„Komt men eenmaal buiten de eigenlijke stad Quin-sai, dan zou men wanen nog in de stad te zijn, ja, het is zelfs zóó, dat, vele dagreizen afstands om Quin-sai, alles slechts ééne stad gelijkt.”
Van Japan, dat Marco Polo den naam gaf van Zipangu of Nipon, verhaalt hij het volgende:
„De inwoners van Zipangu hebben eene heldere gelaatskleur en zijn zeer beschaafd. Ze worden geregeerd door een’ Koning, die geheel onafhankelijk is van den Groot-Khan. Goud wordt er in overvloed gevonden, doch het mag niet uitgevoerd worden. Het paleis van den Koning is zoowel van binnen als van buiten, en van onder tot boven, geheel met gouden platen belegd, ja, eenige meubelen zijn zelfs van massief goud. Het heele Koninkrijk bestaat uit zeker meer dan zevenduizend eilanden, die alle bewoond zijn, en specerijen en goud in overvloed opleveren.”
Onze reiziger kwam ook in den Indischen Archipel. Hij vertelt van Groot-Java, Klein-Java en Zeylan of Ceylon, welke eilanden alle rijk zijn in goud en specerijen. Zelfs het tin-eiland wordt evenmin vergeten, als de parelvisscherijen. Hij spreekt van afstanden over zee in mijlen, en honderd, zevenhonderd, ja, vierentwintighonderd mijlen afstands worden door hem genoemd. Maar trots die verbazende afstanden kwamen de Tataren met hunne schepen daar bijna overal, en brachten ongehoorde schatten in hun land terug.
Men begrijpt lichtelijk hoe deze reisbeschrijving, toen ze meer algemeen bekend werd, de gemoederen in Europa in beweging, en de hoofden tot denken bracht.
Wat er met schepen gedaan kon worden, bewezen de Tataren dat niet, die honderden mijlen ver er zich mede waagden op zeeën, waarvan men niet beter wist of er was geen einde aan?
En wat nu de Tataren konden doen, zouden dat de Europeanen niet kunnen?
Ja, Marco Polo kon overdreven hebben, en waarom zou hij dat niet? Het lag immers geheel in den geest van zijn’ tijd om aan het fabelachtige de voorkeur te geven boven het wetenschappelijke?
Wie kende niet de reisbeschrijving van den Missionaris Oderich van Portenau? Veel van hetgeen Marco Polo verteld had, werd door Oderich bevestigd, maar hoeveel fabelachtigs haalde deze Oderich er niet bij?
Had ook niet Marignola, Huis-kapelaan van Keizer Karel IV, als Zendeling, zijne reistochten beschreven? Het boek, dat eigenlijk eene Kroniek van Bohemen heeten moest, begon, omdat de schrijver waarschijnlijk van Bohemen niet veel wist, van Adam en Eva in het Paradijs af, en het wemelde van allerlei fabelachtige verhalen.
Niet veel beter, ja, misschien nog erger, maakte het de Engelsche Ridder John Mandeville. Ook deze volbracht eene langdurige wereldreis, want, in 1327 vertrokken, keerde hij pas in 1355 terug. Zijn geschreven reisbericht gaf hij aan Koning Eduard III van Engeland, en zelden verscheen er een boek, waarin zooveel zotternijen, die voor waarheden moesten doorgaan, verteld werden.
Een ander reiziger, Johannes Schiltberger uit München, deed eene reis, die van 1394 tot 1427 duurde. Als jong soldaat was hij in den slag bij Nikopolis, in 1396, door de Turken gevangengenomen. Sultan Bajazid liet al de gevangenen onthoofden, doch Schiltbergers leven bleef gespaard, omdat hij nog maar zestien jaar oud was. Hij kwam in dienst van den Sultan, en deze werd later op zijne beurt verslagen door Tamerlan, waardoor onze gewezen soldaat, als slaaf, in dienst kwam van dezen beruchten en wreeden Khan der Mongolen. Waar Tamerlan of Timoer kwam, daar kwam ook Schiltberger, zoodat hij, eindelijk in zijn land terugkomende, zeggen kon, dat hij in Klein-Azië, Egypte, Perzië, Indië, de landen van de Kaspische Zee en in Zuid-Rusland geweest was. Het ligt voor de hand, dat deze man, die in eene zeer ondergeschikte betrekking, en tegen zijn’ zin, die reizen makende, landen en volken weer anders bekeek en beschreef dan Marco Polo en de Missionarissen dit gedaan hadden. In vele opzichten kwamen echter allen met elkander overeen. Het Oosten was een schoon en rijk land, met bewoners, die er eene heel andere beschaving op nahielden dan de Christenen in Europa. Het was onnoemelijk groot, en op sommige plaatsen buitengewoon vruchtbaar, op andere weer woest en dor. De bewoners waren, óf Heidenen, óf Mohammedanen, en sommigen woonden in steden, grooter dan menig Vorstendom in Europa.
Dat alles was bij alle schrijvers te lezen, en het wekte hier de zucht op van den koopman om schatten te gaan verdienen, en dáár de begeerte om onder Mohammedanen en Heidenen het Kruis te gaan prediken. In beide gevallen werd de aardrijkskundige kennis uitgebreid, en hiermede ook menige andere wetenschap. Wanneer wij enkel oordeelen naar hetgeen de Missionarissen der Middel-eeuwen schreven, dan zouden wij een zeer verkeerd oordeel over hun gewichtig werk vellen. Doch ook zelfs zij brachten veel tot stand, en helderden op, wat onduidelijk was. Hun werk was het, dat de Genueezen een’ handels- of karavanenweg kregen, van de rivier de Don naar Peking, en hun werk was het ook, dat men ophield te gelooven, dat de Kaspische Zee met de IJszee in verbinding stond en derhalve geene open zee was. En, vóór een Marco Polo met de zijnen in het land der Tataren en in hunne hoofdstad kwam, waren er al Missionarissen geweest, zoodat men niet te veel beweert, als men zegt, dat China, òf, zooals het door de Tataren genoemd werd, Kataï, ontdekt werd door de Missionarissen.
Trouwens, zelfs in onzen tijd wordt het werk van Zendelingen en Missionarissen maar al te veel zeer scheef beoordeeld. Ik gebruik hier twee woorden, die eigenlijk hetzelfde beteekenen, alléén, omdat de Protestant steeds van Zendelingen, en de Katholiek van Missionarissen spreekt.
Terecht zegt de Duitsche schrijver Löwenberg, waarlijk geen man wien men verwijten kan, dat zijne clericale gevoelens hem de zaak doen overdrijven: „De ontdekker is de voorlooper van den zendeling, de zendeling zelf dikwijls weder, ontdekker. Waar handelsverbintenissen aangeknoopt worden, daar vestigt zich de Zendeling, en waar men Zendelingsposten vestigt, daar ontstaat de handel.”
Willens blind moet men wel zijn, als men het werk van mannen, die in onze eeuw leefden, zooals: Gutzlaff, Huc en Gabet in China, of van Livingstone in Afrika, van weinig beteekenis voor de wetenschap beschouwt. Maar ook reeds in de Middeleeuwen dreef het bevel van den Heer Jezus: „Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, ze doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb,” tal van ernstige en vrome mannen aan, om naar verre en onbekende landen te trekken, teneinde daar het Evangelie te prediken, en, zonder dat ze het wilden, dienden ze daardoor wetenschap en beschaving meteen. Het een moest noodwendig met het andere samengaan.
Veel zoude er van die zendelingsreizen te verhalen zijn, doch daar het mijn doel is, een boek te schrijven over de ontdekking van Amerika, mag ik met de inleiding tot dit werk niet te uitvoerig zijn. Te meer mag ik dit niet, omdat ik later toch op die Missies noodwendig wijzen moet.
Wij verlaten dus voor een oogenblik de Lagunen-stad, zooals Venetië ook wel eens genoemd wordt, om met enkele woorden te schetsen, wat Genua voor den zeehandel, en daarmede voor de aardrijkskundige wetenschap geweest is.
In het jaar 774 kwam Genua onder het rijk der Franken, doch toen na den dood van Keizer Karel den Grooten, diens machtig gebied verdeeld werd, bekwam Genua hare onafhankelijkheid. Haar heerlijk klimaat, maar veel meer nog hare gunstige ligging voor den zeehandel, waren oorzaak, dat zij in uitgebreidheid, aanzien en macht steeds toenam, en niet weinig werd ze bevoordeeld door de Kruisvaarders, die zich het liefst in hare havens voor den tocht naar het Heilige Land inscheepten. Gaandeweg breidde zij dan ook hare macht uit, en veroverde niet alleen het eiland Corsica, maar ook een groot deel van het eiland Sardinië. De Keizer van het Byzantische rijk gaf hun zelfs in twee voorsteden van Constantinopel vrijdom van tollen, en verleende hun de vrije vaart op de Zwarte Zee. De Genueezen stichtten nu volksplantingen aan de kusten dier zee, en maakten zich zelfs van het heele schier-eiland „De Krim” meester. In gemeenschap met kooplieden uit Florence en Pisa brachten ze ook langs een’ karavanenweg, goud, edelgesteenten, verfsoorten, vernis, vuurlak, porselein, thee, rabarber, zijden stoffen, katoen, pelswerk, ja, ook Indische specerijen uit China naar Europa, waar al deze waren buitengewoon veel aftrek vonden. Nog grooter werden de voordeelen, welke de Genueezen behaalden, toen Alexandrië en Joppe voor de Venetianen niet langer de stapelplaatsen konden zijn van de Indische producten, omdat beide steden, na den val van het Koninkrijk Jeruzalem, bijna altijd in handen der Turken waren. Wel sloot Venetië menigmaal met de Mohammedaansche Vorsten een handelsverbond, doch maar al te vaak werd dit alweer verbroken. Dat hierdoor tusschen deze twee machtige handelssteden een naijver ontstond, welke tot botsingen, ja, zelfs tot oorlogen aanleiding gaf, is te begrijpen. Toch zou het te bezien gestaan hebben, wie op den duur overwinnaar bleef, indien er niet heel wat anders gebeurd ware.
Tamarlan of Timoer, van wien we reeds gesproken hebben, maakte aan de handelsbetrekkingen tusschen China en de Zwarte Zee een einde. Hij veroverde in 1406 de landen om deze zee gelegen, en—Genua, beroofd van haren voornaamsten handelsweg, moest nu vanzelf onderdoen voor Venetië. De Venetianen, die altijd buiten de Zwarte Zee gehouden waren, sloten nu andermaal verbonden met de Saracenen, en den Sultan van Egypte en Syrië. Dezelfde voordeelen, die de Genueezen eenmaal te Constantinopel verkregen, genoten nu de Venetianen te Alexandrië.
Verbazend is de macht, die Venetië ontwikkelde. Hare schepen bezochten alle Europeesche havens, en omgekeerd bezochten Engelschen, Vlamingen, Duitschers, Franschen, Portugeezen en Spanjaarden de havens der beroemde Republiek, die, gesteund door haren rijkdom, voor heel Europa het brandpunt werd van kunsten, wetenschappen en beschaving. Hoe ver de Venetianen het in de aardrijkskunde gebracht hadden, bewijzen de wereldkaarten, die ze maakten. Vooral zijn de twee kaarten van Fra Mauro beroemd geworden. Eene ervan wordt nog altijd te Venetië bewaard, en de andere kwam te Lissabon in handen der Portugeezen. Natuurlijk zijn op die kaarten alleen Europa, Azië en Afrika afgebeeld, en wanneer wij die afbeeldingen vergelijken met de tegenwoordige, dan ontbreekt er zeer veel aan, maar voor dien tijd waren ze zóó uitstekend, dat men niets beters wenschen kon.
Hoe die eene wereldkaart van Fra Mauro in Lissabon kwam, weet ik niet, maar de Venetianen hadden wel mogen wenschen, dat dit niet gebeurd ware, want de Portugeezen maakten er zulk een gebruik van, dat het de ondergang, niet alleen van Genua, maar ook van de oppermachtige Republiek Venetië ten gevolge had. Hoe dit geschiedde, zullen we in een volgend hoofdstuk zien.
HOOFDSTUK IV.
Inhoudsopgave
DE PORTUGEEZEN.
Alvorens tot de beschrijving van de ontdekkingsreizen der Portugeezen over te gaan, dien ik even te wijzen op de algemeene verarming van Europa aan goud en zilver. Eeuwen lang had Azië in Europa ingevoerd, en dit zou natuurlijk ook in het voordeel van Europa geweest zijn, als dit maar naar Azië had kunnen uitvoeren. Dit was evenwel het geval niet, want de Europeesche producten vonden onder de Aziaten bijna geen’ enkelen afnemer.
Men had in Europa ook goud- en zilvermijnen, doch deze waren ten laatste zoo goed als geheel uitgeput, en het gevolg daarvan was, dat alles, wat in ons werelddeel verbouwd of gemaakt werd, in prijs daalde, en de volksarmoede hand over hand toenam. Zelfs de ongekende weelde, die in de Brabantsche en Vlaamsche gewesten, in Genua, en vooral in Venetië heerschte, kon den eenvoudigen blik van iemand, die wat verder keek dan zijne naaste omgeving, niet bedriegen. Bleef die staat van zaken bestendigd, dan zou ten slotte zelfs de weelde in de genoemde landen verdwijnen, en het Christelijke Europa arm, ellendig en van alles beroofd, zou nederig het hoofd moeten buigen voor Heidenen en Mohammedanen, die meester van den handel waren, en prijzen bedongen, die nergens naar geleken. Door hoevele handen gingen niet de Oostersche producten eer ze in Europeesche schepen overgeladen waren! Van handelswaren uit de tweede hand hebben, er was geene sprake van; men kreeg ze misschien wel uit de twintigste hand.
Zoo was men te weten gekomen, dat de Indische specerijen, te Alexandrië driemaal duurder waren dan te Calicoet, dat in Voor-Indië ligt en toen de stad was, waar men de specerijen uit den Archipel aanvoerde. Wilde men wierook, te Mecca betaalde men er vijfmaal minder voor dan te Alexandrië. Zoo ging het met alles, en het kon niet anders, zóó moest de welvaart van Europa ten gronde gaan.
Dit zagen ook twee Genueesche Edellieden, Thedisio Doria en zijn’ broeder Vivaldo, in, en daarom wilden zij beproeven of men niet langs de zee, om Afrika heen, in de Indiën komen kon. Vol moed scheepten zij zich in, doch nimmer keerden ze weder.
Dat was koren op den molen van de half-wetenschappelijke klagers.
Europa was er slecht aan toe, zoo redeneerden zij. Zag men niet iederen avond de zon in zee ondergaan? Wat hielp het, al durfde men, als de Tataren, honderden mijlen ver zich op den Oceaan wagen? Ging men het Westen in, men kwam dan immers achter de zon en in eene streek, waar steeds volslagen duisternis heerschte, en die waarschijnlijk door afschuwelijke wezens bewoond werd. Voer men het Zuiden in, dan zou men ten laatste in een land komen, waar de zonnewarmte alles verbranden deed, en waar de hitte zóó groot was, dat al het zeewater verdampte, en slechts het zout achterliet. Kwam men op het land, men zou er alles verschroeid en verbrand vinden.
Hoogstwaarschijnlijk zullen er wel geweest zijn, die het er ook voor hielden, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, en die redeneerden: „Gaat men op de aarde van het Noorden naar het Zuiden, dan wordt ten laatste de hitte zóó groot, dat alles er door verteerd wordt. Het omgekeerde moet echter ook waar zijn, als men van het Zuiden naar het Noorden gaat.” Die redeneering hielp evenwel zoo goed als niets, want Noordelijken en Zuidelijken konden nimmer bij elkander komen. De hitte wierp tusschen beiden eene grens op, welke niet te overschrijden was. Die hittelijn, die we nu kennen onder den naam van Aequator, Evennachtslijn of Linie was toen dus wel bekend, maar—als eene lijn der verschrikking, die niet overschreden kon worden.
Of er meer waren, die aan de waarheid ervan sterk twijfelden, weet ik niet, maar de geschiedenis wijst ons op iemand, die er niets van geloofde, en alle krachten inspande, om aan die dwaze veronderstellingen een einde te maken.
Prins Hendrik de Zeevaarder. (Geb. 1394, overl. 1460.)
Hij heette Dom Henrique, of, zooals wij hem noemen zouden, Prins Hendrik, en was de vierde zoon van Johan I, Koning van Portugal. Deze Prins, geboren den vierden Maart van het jaar 1394, onderscheidde zich reeds in zijn’ knapen-leeftijd boven al zijne makkers. Geen als hij was zoo vlug en stout in het behandelen der wapenen, en hierin was hij dan ook geheel een kind van zijn’ tijd. In een ander opzicht was hij dat evenwel volstrekt niet, want als lans, zwaard en schild hunne taak gedaan hadden, zocht hij geene andere uitspanning bij wijnbeker en dobbelkroes, maar in de boeken, en het liefst van al studeerde hij in aardrijks-, wis-, sterren- en zeevaartkunde. Eene ridderlijke figuur, die door schoonheid, gepaard met dapperheid, de harten van alle schoonen veroverde, als hij in het tornooi alle tegenstanders overwon, was hij evenmin. Om lof der vrouwen bekommerde hij zich zóó weinig, dat hij van zichzelven getuigde, dat hij van den dag af, dat er een scheermes op zijn gelaat gebruikt was, nimmer aan eene vrouw een’ kus gegeven had. Nu, de schoonen waren er niet boos om, want zijn vierkant, hoekig gelaat, met oogen, die nimmer eenige warmte verrieden, trok niemand, althans geene vrouw aan. En dan, waar een ander Ridder den beker ledigde, ter eere der Edelvrouwen, daar zag men Prins Hendrik het hoofd met walging van den wijn afwenden. Bovendien was hij ook nog half Geestelijke. Toen in 1312 de Orde der Tempelridders opgeheven werd, stelde Dionysius, Koning van Portugal, de Christus-orde in, en Paus Johannes XXII keurde ze goed. Deze Orde verving die der Tempelridders, en bezat in Portugal groote schatten. Door zijn’ Vader werd Prins Hendrik er tot Grootmeester van aangesteld.
Het doel der Christus-orde was, uitbreiding van de Christelijke Kerk, en om dat te bereiken, sloeg de Vorstelijke Grootmeester het oog op Afrika’s westkust, waar hij voor zijn’ werkkring een uitgestrekt veld meende te zullen vinden. Dat in dit geval de prediking van het Evangelie met het zwaard moest vergezeld gaan, was zóó geheel in den geest van dien tijd, dat we er ons niet over verbazen moeten. Het moge ons onmogelijk schijnen, de leer der hoogste Liefde ingang te doen vinden langs den weg van bloed en tranen, toen meende men dat het zoo goed als de eenige weg was. Een, die anders dacht, zou eenvoudig aangeduid worden, als iemand, die het onmogelijke wilde.
Op eenentwintigjarigen leeftijd veroverde hij, in 1415, de sterke stad Ceuta in Afrika, bij de Straat van Gibraltar gelegen, op de Mooren. Thans behoort deze stad nog altijd aan Spanje, doch reeds kort nadat hij ze ingenomen had, hadden de Mooren haar belegerd, en stellig zou de zwakke bezetting haar hebben moeten overgeven, als niet Prins Hendrik, aan het hoofd eener vloot, haar was komen ontzetten.
Koning Johan ziende, hoe het hart zijns dapperen zoons brandde van verlangen, om de Saracenen of Mooren in Afrika te bestrijden, en hoe hij de heele westkust van dit werelddeel, zelfs tot in onbekende streken, beschouwde als het tooneel zijner werkzaamheid, droeg hem de behartiging van Portugals belangen in dat werelddeel geheel op.
Om hierin beter te kunnen slagen bouwde de Prins aan een’ zeeboezem, die eene uitnemende, natuurlijke haven met reede aanbood, in Algarvië, dus ten zuiden van Portugal, een kasteel, dat den naam kreeg van Villa de Iffante, en later dien van Sagres. Hier stichtte onze Grootmeester nu eene school, waar jongelieden onderwijs in de zeevaart konden ontvangen, en behalve een arsenaal, verbond hij er eene sterrenwacht aan. Vooral bestemde hij deze school voor de jonge Portugeesche Edellieden, want hij begreep zeer goed, dat voor het kleine Portugal de wijde zee een beter veld was om eer en wapenroem te behalen dan het land. Genua en Venetië, ook klein in Europa, waren immers door de zee machtig geworden? Hij deed dus alles, wat hij kon, om den lust voor de zeevaart aan te moedigen, en op kosten der Orde, mogelijk ook uit eigen middelen, rustte hij ieder jaar een schip uit, om hiermede ontdekkingsreizen te gaan doen.
Tristam Vaz en Gonsalves Zargo, twee Portugeesche Edellieden, op zulk een’ tocht uitgegaan zijnde, werden door een’ storm aangegrepen en geheel uit den koers geslagen. Ze waren dus, wat men toen als een veeg teeken beschouwde, „buiten westen”, doch zie, in dien hoogen nood ontdekten zij het eiland Porto Santo, en daarna Madeira. Dit laatste was reeds, zooals we weten, door de Phoeniciërs bezocht geworden, zoodat het ons niet bevreemden moet, dat men op eene kaart van 1351, ter plaatse waar nu Madeira ligt, een eiland vindt met den naam van Isola di Legname, dat is „Houteiland”. Waarschijnlijk is het niet, dat men nog bij overlevering van de Phoeniciërs wist, dat dit eiland zoo houtrijk was, en denkelijk zal een Spanjaard, Portugees of Italiaan er nog wel eens geweest zijn, doch zeker is het, dat niemand er aan gedacht had om zich hier te vestigen. Prins Hendrik, alles vernomen hebbende, besloot om het voor Portugal in bezit te nemen en te bevolken. Het kreeg den naam van Madeira of „Woud-eiland”, omdat het bijna over zijne heele uitgestrektheid met een bosch bedekt was. Door onvoorzichtigheid van de Kolonisten, ontstond er evenwel een boschbrand, die negen jaar aanhield, en bijna al het houtgewas van het eiland vernielde. Het heerlijke klimaat, en de vruchtbaarheid van den bodem waren oorzaak, dat het eiland de ramp spoedig te boven kwam. Hoe schoon en vruchtbaar het eiland ook mocht zijn, toch meenden de Portugeezen, dat al die zoogenaamde ontdekkingsreizen van Prins Hendrik tot niets konden leiden, dan tot verarming van het land en achteruitgang van den landbouw, waaraan nijvere handen onttrokken werden. De Prins, hoe ook tegengewerkt, hield wakker stand, en wist van geen wijken, hoewel hij verscheidene jaren moest laten voorbijgaan, zonder wat meer te kunnen doen, dan Madeira en Porto Santo zoo winstgevend mogelijk maken.
Eerst in 1431 begon men de eigenlijke ontdekkingen weer voort te zetten. De Edelman Gonsalvez Velho Cabral ontdekte in dat jaar de Formigas-eilanden, en een jaar later het eiland Santa Maria, dat het eerste was van een’ kleinen Archipel, later bekend onder den naam van Azorische Eilanden, die achtereenvolgens van 1444 tot 1453 ontdekt werden. Op een dezer eilanden vestigde zich eene Vlaamsche kolonie, waarom de Nederlanders en Belgen dan dezen Archipel ook wel den naam van Vlaamsche Eilanden geven.
We zijn thans evenwel onzen tijd vooruitgeloopen, en moeten weer eenige jaren terugkeeren.
Langs de westkust van Afrika maakte men geene groote vorderingen, want men kwam niet verder dan eenige graden ten zuiden van de Kanarische Eilanden. Daar ligt op het vaste land Kaap Bojador. Zij is een voorgebergte, en wel het westelijke gedeelte van het gebergte Dsjebel-el-Aswad. Zij strekt zich vrij ver in zee uit, en tot op grooten afstand van de kust is er de zee vol rotsen, riffen en ondiepten, waar eene vreeselijke branding staan kan, welke voor de scheepvaart zeer gevaarlijk is.
Hier was, volgens het gevoelen der Portugeesche kustreizigers, het zuidelijkste punt der wereld, dat te bereiken viel, en hoewel deze kaap reeds in 1291 door de Genueesche broeders Thedisio en Vivaldo Doria omgezeild was, en tusschen de jaren 1364 en 1365 Fransche zeelieden de Goudkust bereikt hadden, zoo was er in den tijd van Prins Hendrik niets meer van bekend, en telkens als de Portugeezen tot deze kaap genaderd waren, keerden ze terug.
Toen echter in 1432 de Portugees Gil Eanes, of, zooals hij algemeen genoemd wordt, Gilianes, hier kwam, nam deze het stoute besluit, de kaap om te zeilen, en tot verbazing van zijne manschappen, die slechts met groote moeite en allerlei beloften over te halen waren geweest, om hem te gehoorzamen, gelukte de poging. Gilianes behaalde met deze koene onderneming wel roem, maar om roem alleen was het niet, dat men zijn leven waagde en schatten van geld aan die ontdekkingstochten besteedde. Men wilde er ook voordeelen van genieten, en deze waren al zeer gering. Slechts wat robbenvellen en meer niet, bracht men van de reis mede, zoodat de ondernemende Grootmeester steeds meer tegenwerking ondervond.
Maar, men was zoo gelukkig om twee handels-artikelen te vinden, welke ook de hebzucht konden tevreden stellen. Eén voornaam artikel was stofgoud, dat men eens van eene reis medebracht, en we zagen het reeds, goud had men in Europa meer dan noodig, en de hoop, dat men van deze begeerde stof nog veel meer zou vinden, gaf alweer nieuwen moed.
Toch was stofgoud niet het voornaamste der twee artikelen.
Men was begonnen, Negers, die geen kwaad vermoedden, en met goede bedoelingen bezield, de Blanken ontvingen, die op hunne kusten landden, op te vangen, en mede te nemen als slaven. Zoo één flinke Neger was dan ook heel wat waard, want gaarne werd er in Portugal eene som van veertig lires voor betaald, dat ongeveer vijfhonderd gulden in onzen tijd zou zijn.
Prins Hendrik staat algemeen bekend als een werkelijk vroom en edel man. Hem moesten die slavenjachten dus zeer tegen de borst stuiten, maar zijn verbieden zou gelijk gestaan hebben met een laten varen van al zijne ontdekkings-plannen, welke niet mogelijk waren, als hij de hebzucht er geene rol in liet spelen. Men dient ook wel in acht te nemen, dat de algemeene geest van dien tijd heel anders was dan nu. Waren die Negers wel menschen, die evenals de Blanken eene ziel hadden? Stonden ze in het rijk der Schepping niet veel lager dan de Christenen? Wat meer is, deed men er geen goed werk mede, met de aarde van die zwarte monsters te verlossen?
Weet ge wat een zekere Azoerasa schreef?
Dit.
„God, Die alle goede daden beloont, behaagde het eindelijk om voor al de ellende in Zijn’ dienst geleden, hun,”—den schepelingen namelijk—„een’ roemrijken dag te verschaffen, en eene ruime vergoeding te verleenen, voor al de onkosten, die gemaakt waren, want men ving niet minder dan honderdvijfenzestig mannen, vrouwen en kinderen!”
De arme Negers, die tegen de vuurwapenen der Portugeezen alleen hunne vergiftigde pijlen konden gebruiken, waren nu op hunne hoede. Zij zett’en wachters uit, en wanneer dezen in de verte een schip ontdekten, waarschuwden zij hun’ stam, en terstond werd dan de vlucht genomen, diep in de bosschen ten Oosten, of verder langs het strand het Zuiden in.
De Portugeezen werden dit gewaar, en ze begrepen zeer goed, dat aan een najagen in de bosschen of langs het strand niet te denken viel, en daarom besloten ze, heel wat verder het Zuiden in te zeilen, en dan op eene plaats te landen, waar de vluchtelingen nog niet konden zijn, en de bewoners derhalve niet gewaarschuwd waren voor het dreigende gevaar.
De slavenjachten waren derhalve de eenige oorzaak, dat Prins Hendrik, die in 1460 stierf, het nog beleven mocht, dat niet alleen Kaap Verd werd omgezeild, want dit geschiedde in 1445, of dat men de rivieren de Senegal en de Gambia ontdekte, want dit had plaats in 1445 en 1446, maar dat men ook de kusten van Guinea bereikte, waar men peper en goud vond.
Het voorname doel, dat de Grootmeester gemeend had te bereiken, van om Afrika heen een’ zeeweg naar de Indiën te vinden, was hem dus slechts tendeele gelukt. Men was op weg om hem te vinden, doch nog een half menschenleven zou moeten verloopen eer men Afrika’s zuidelijkste punt bereikte.
Eer we verder gaan, moet ik evenwel nog eene daad van onzen ondernemenden Prins mededeelen, omdat ze eene zeer wijde strekking had.
Zoodra hij begreep, dat Afrika grooter was dan men vermoedde, vormde hij het voornemen om de grenzen van het betrekkelijk kleine Koninkrijk zijns Vaders uit te breiden. Daarom vroeg hij aan den Paus eene oorkonde, waarin deze verklaarde, dat al het land in Afrika, van kaap Non tot in de Indiën, voor zoo ver het door de Portugeezen ontdekt werd, tot Portugal behooren zou. Deze oorkonde werd verleend, en was van zeer veel gewicht, want ook bij andere volken was de lust ontstaan om op ontdekkings-tochten uit te gaan. Daar men evenwel nu zulk een’ verbazend langen weg moest afleggen, eer men aan eene streek kwam, waar de Portugeezen nog niet geweest waren, en omdat men, vóór dien tijd, nergens aan wal mocht komen, om reden de Paus het verboden had, zoo zett’en ze die gedachten uit het hoofd, en peinsden ze op andere ontdekkingstochten. Dat men dit vooral deed in Genua, welks handel door Venetië dreigde ten gronde gericht te worden, is duidelijk, en niet te stout is het beweren, dat dezelfde Pauselijke oorkonde, die aan de Portugeezen zoovele voordeelen verschafte, ook eene voorname oorzaak is geweest van de ontdekking van Amerika. Vandaar dus dat ik zoo even de daad van Prins Hendrik van zulk eene wijde strekking noemde.
Toen de man, die de ziel van alle ondernemingen geweest was, in zijn zeeslot Agres, den laatsten adem uitgeblazen had, scheen ook de Portugeesche ondernemingsgeest met hem gestorven te zijn. Gelukkig was die geest slechts schijndood. De voormalige tegenstanders van den Prins wisten echter te bewerken, dat Koning Alfonsus V, die van 1438 tot 1481 over Portugal regeerde, zich om dien schijndooden geest niet veel bekommerde. Wel draagt hij in de geschiedenis den bijnaam van „de Afrikaan”, doch dit is alleen daaraan toe te schrijven, dat onder zijne regeering zulk een groot deel van Afrika ontdekt werd, waaraan hij, ronduit gezegd, part noch deel had. Hijzelf deed niets anders, dan in het noorden van Afrika oorlog voeren tegen de Saracenen. Ook met Spanje lag hij telkens overhoop, en hij liet zich zelfs tot Koning van Kastilië en Leon uitroepen. Van deze eigenmachtige verheffing beleefde hij evenwel niet veel vreugde, want in 1476 werd hij bij Toro geslagen, en na nog een vrij avontuurlijk leven geleid te hebben, stierf hij in 1481. Deze oorlog in Spanje heeft meer met de ontdekkings-tochten te maken dan men misschien wel denkt. De Edelen en Ridders wilden veel liever roem behalen te land dan ter zee. Een paard was een’ Ridder en Edelman waard, maar een schip niet. Een schip was voor een’ matroos, voor een’ koopman, en niet voor een’ Edelman. De Edelen verachtten de zee, en dit belette Portugal reeds vroeger te worden, wat het later gedurende eenigen tijd werd: het brandpunt van den Europeeschen handel.
Toch had onder Koning Alfonsus’ regeering een zeer merkwaardig feit plaats. De schijndoode geest was, zonder dat de Koning het wist, ontwaakt, en vervolgde Prins Hendriks werk door de ontdekkingen langs de Afrikaansche kust voort te zetten. In 1471 passeerde een Portugeesch schip de Linie, en eenige graden ten Zuiden ervan ging men aan wal.
Dit was eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis, wat ieder duidelijk zijn zal, als hij zich herinnert, wat we op de 42ste bladzijde zeiden omtrent die onoverkomelijke grens tusschen het Noordelijke en Zuidelijke halfrond van de Aarde.
Men had die hitte-lijn nu niet alleen bereikt, men had haar zelfs overschreden.
Waar was nu het land waar alles verschroeid en verbrand was? Waar was de verdampte zee? Had men ergens door eene pekelmassa, als door eene zoutwoestijn, moeten varen? Was niet het land schoon en heerlijk als een Paradijs? Was niet de zee, even als overal, vloeibaar?
Wat zouden nu de ongeluks-kraaiers, die zóóveel verschrikkelijks van die grens tusschen Noord en Zuid hadden verteld, zeggen? Wat zouden ze anders doen dan zwijgen of ruiterlijk bekennen, dat ze gedwaald hadden?
Waarlijk, het overschrijden der Linie was een buitengewoon feit, en met verbazing hoorde men, bij den terugkeer der schepelingen, in Portugal het verslag van hun’ merkwaardigen tocht aan. Er was dus uitgemaakt dat het Noordelijke en Zuidelijke deel der aarde met elkander volkomen één waren, en het is geen wonder, dat nu opeens iedereen al zijne gedachten op dat onbekende Zuiden richtte. Zelfs de Edelen en Ridders moesten er aan denken, maar evenmin als vroeger wilden ze nu het oorlogspaard verwisselen met het schip; ze wilden het zwaard niet prijsgeven voor het roer. Alle pogingen wendden zij aan, om den Koning te bewegen, geen gehoor te geven aan dien drang naar ontdekkingen. Zij bereikten hun doel, zeer tegen den zin van Prins Johan, die zijn’ Vader eens opvolgen zou, doch die nu nog machteloos was.
Toen echter Koning Alfonsus overleden, en zijn zoon Johan II Koning was, besloot deze het grootsche werk van Prins Hendrik voort te zetten, doch wilde hij dat goed doen, dan moest er eerst een zeer gewichtig werk verricht worden.
Ten Zuiden van de Linie toch waren andere sterrenbeelden zichtbaar geworden, dan die, welke men ten Noorden ervan kende, en daar de sterrenbeelden, met het kompas, zooals men dat toen had, de gidsen van den zeeman op den Oceaan moesten zijn, zoo diende men in de eerste plaats eene nieuwe sterrenkaart te maken.
Nu wilde het geval, dat zich in 1480 te Lissabon een zekere Duitscher bevond. Hij heette Bohemus Behaim of, zooals anderen hem noemen, Martinus Behaim. Hij was, zooals hij zelf beweerde, van geboorte een Edelman uit Bohemen, doch had zich in Neurenberg aan den handel gewijd. Om zich hierin meer te bekwamen, begaf hij zich naar Mechelen, en legde zich daar vooral op den lakenhandel toe. Hij was evenwel geen alledaagsch koopman, want in zijne vrije uren oefende hij zich in de studie van aardrijks-, wis- en sterrenkunde, en weldra ontstond ook bij hem de begeerte om reizen te gaan doen. Zoo ging hij van Mechelen naar Antwerpen en van Antwerpen naar Lissabon, waar hij zich inscheepte naar Afrika’s westkust. In 1585 weer in Lissabon teruggekeerd, sloeg Koning Johan II hem, ter belooning voor zijne aardrijkskundige verdiensten, tot Ridder, en benoemde hem tot lid eener Junta of Raad, die door den Koning belast was, met het vervaardigen van eene nieuwe sterrenkaart.
Inmiddels waren de tochten langs Afrika’s westkust voortgezet, en in 1484 had zekere Diago Câno de rivier de Congo ontdekt, en aan den zuidelijksten mond van dezen machtigen stroom een’ steenen grenspaal opgericht. Die palen moesten geplaatst worden, opdat andere dan Portugeesche zeevaarders, die hier kwamen, weten zouden tot hoever het gebied van Portugal zich uitstrekte.
Men bevond dat de bewoners van den Congo geregeerd werden door een’ Koning, die over een machtig en zeer uitgestrekt gebied te bevelen had. Hiervan wilden de Portugeezen gebruik maken door eenige handels-verbintenissen met dezen Vorst aan te gaan, wat werkelijk ook gelukte. Tegelijk hiermede begon men ook het bekeeringswerk, doch dat maakte minder goede vorderingen, dan men wel gehoopt had.
Toen men eindelijk in Lissabon met de sterrenkaart klaar gekomen was, besloot de Koning er onverwijld gebruik van te maken. Veel was er indertijd ook verteld geworden, dat ergens in Afrika, en in de nabijheid der Roode Zee, te midden van Mohammedanen en Heidenen, een Christelijk Koninkrijk lag, dat geregeerd werd door een’ Koning, die den naam droeg van „Aartspriester Johannes”, en die een fabelachtig man was, want sommigen plaatsten zijn Koninkrijk in Azië, te midden der Tataarsche landen, en bijna ieder hield hem voor den Apostel Johannes, die nog altijd op aarde leefde.
Later bleek het, dat dit Christelijke rijk er werkelijk was. Het was het tegenwoordige Abessinië, dat bevolkt was met zoogenaamde Koptische Christenen, die wel de Christelijke leer beleden, doch zóó vermengd met allerlei Heidensche en Mohammedaansche begrippen, dat die leer in de oogen der Europeesche Christenen volstrekt geene genade kon vinden.
Nu was men door de ontdekkingen te weten gekomen, dat Afrika, naarmate men zuidelijker kwam, in breedte afnam, wat juist tegen het algemeene gevoelen in was, want ieder, die zich eenigszins met de aardrijkskunde inliet, geloofde dat Afrika steeds breeder werd. Daar het nu gebleken was, dat men hierin verkeerd gezien had, zoo vormde Koning Johan II het plan om Afrika te laten omzeilen. Kon men dat gedaan krijgen, dan moest men dat Christelijke rijk op Afrika’s oostkust opzoeken, en vervolgens trachten, om, in verbinding met die Christenen, Indië te bereiken.
Eene kleine vloot werd nu uitgerust, en het bevel hierover ontving een zeeman, die zich door zijne vroegere reizen reeds een’ grooten naam gemaakt had. Hij heette Bartholomeus Diaz.
In 1486 verliet Diaz met zijne drie schepen, en begeleid door de beste wenschen en zegenbeden van den Koning, de haven van Lissabon.
Hij had den tijd van afreis evenwel slecht gekozen, want al spoedig werd hij door stormen overvallen, en was hij genoodzaakt, wilde hij geen gevaar loopen op de kusten schipbreuk te lijden, de ruime zee te kiezen.
Was dit zeer tegen den zin der bijgeloovige bemanning, weldra dacht deze nu bovendien, dat het voor goed met haar gedaan was.
Een storm stak op, een storm, zóó hevig en langdurig, als niemand er nog een beleefd had. Drie dagen en drie nachten vlogen de logge vaartuigen, met eene ongekende snelheid, langs den woedenden Oceaan. Wat al doodsangsten stond men uit! Altijd en altijd maar door joeg men het Zuiden in. Het verbrande land en de pekelzee begonnen weer in hun ontsteld brein te spoken, tot een der matrozen tot de ontdekking kwam, dat het water niet warmer, doch wel koeler werd. Dat stelde wat gerust, en toen eindelijk de storm ging liggen, en men de aangebrachte schade zoo goed mogelijk hersteld had, kwam men ook tot nadenken. Wat moest er nu gedaan worden? Men raadpleegde sterrenkaart en kompas, en eindelijk werd besloten den steven in oostelijke richting te wenden, ten einde zoo doende Afrika’s westkust te bereiken.
Het was evenwel om moedeloos te worden. Dagen aaneen zeilde men in die richting voort, doch Afrika’s kust, zoo vurig begeerd, doemde niet aan de kimmen op.
Wat moest men ook niet ver van de heete luchtstreek verwijderd zijn! Inplaats van last van de warmte te hebben, waren de matrozen soms zoo verkleumd van koude, dat ze het werk in het scheepswant en op het dek bijna niet verrichten konden.
Het is moeielijk te bepalen, hoe ver Diaz op dien tocht, waarop hij, veertien dagen lang, op geene honderden mijlen na wist, waar hij zich bevond, wel geweest is.
Gedwongen door zijn volk van koers te veranderen, richtte hij nu den steven noordwaarts, en thans smaakte men na eenige dagen zeilens de onbeschrijfelijke vreugde van in het gezicht der kust te komen.
Men had Afrika weer teruggevonden.
Op welke breedte?
Wat gaf dat? Afrika was het, en meer behoefde men niet te weten.
Hoe zullen die mannen te moede geweest zijn, toen ze weer den vasten bodem onder hunne voeten voelden!
Maar,—het land was veranderd, want hier heerschte niet die ondraaglijke warmte van Guinea en van de Congokust. De plantengroei was ook een heel andere, en de bewoners, die ze terloops gezien hadden, doch die met hunne koeien, die ze bij zich hadden, vol vrees het land in gevlucht waren, neen, dat waren niet de kroesharige Negers van het warme gedeelte van Afrika.
Al deze gegevens versterkten Diaz in zijn geloof, dat men hier dicht aan de zuidelijkste punt van Afrika moest zijn, en dat men deze maar om te zeilen had, om in de Indiën te komen.
Met groote moeite kreeg hij het van zijn volk gedaan om nog wat zuidelijker te stevenen.
Al dieper en dieper kromp de kust naar het Oosten in. Hij zou er komen! Hij zou zijn doel bereiken!
Daar ontdekte hij eene buiging naar het Zuiden.
Het was bij eene kaap, en—wat was daar aan de andere zijde?
Maar vreeselijke stormen beroerden ginds de wateren; de matrozen wilden niet verder. Ze waagden niet andermaal hun leven op dien woesten Oceaan, om daar te verdrinken of van koude om te komen. Ze zouden en ze moesten terug.
Diaz was overtuigd, dat hij Afrika’s zuidpunt gezien had, en noemde die kaap „Cabo de todos los Tormiëntos”, dat is „Voorgebergte der Kwellingen” of „Stormkaap”.
De terugreis werd thans aangenomen, en na eene afwezigheid van zestien en eene halve maand kwam hij in het Vaderland terug, waar hij den Koning verslag van zijne gewichtige reis deed.
Koning Johan was verrukt van blijdschap, en vol hoop dat men thans den zeeweg naar de Indiën om Afrika heen vinden zou, veranderde hij den naam van „Stormkaap” in dien van „Cabo de Buéna Esperanza” of „Kaap de Goede Hoop”, en zóó heet Afrika’s zuidelijkste punt nóg altijd.
De hoop van den Koning, om, met medewerking van de Christenen uit het rijk van den „Aarts-priester Johannes”, de Indiën te kunnen bezoeken, was niet vervuld, en thans besloot hij een’ anderen weg in te slaan. Hij zond twee ondernemende mannen, Covillam en Payva, die beiden met het Arabisch bekend waren, uit, om over land dat Koninkrijk te bezoeken. Beiden kwamen te Caïro en scheidden daar van elkander. Payva had genoeg inlichtingen verkregen om er niet aan te twijfelen, of dat Christenrijk lag ten Zuiden van Egypte. Hij ging er heen, doch keerde nimmer weder. Covillam daarentegen scheepte zich naar de Indiën in, en kwam op die reis niet alleen te Calicoet, maar ook te Goa. Hij keerde nu naar Caïro terug, en liet vandaar den Portugeeschen Koning bericht geven van alles, wat hij in de Indiën gezien had. En dat bericht was zóó gewichtig, dat de Koning besloot om er nu met alle krachten naar te streven, over zee die rijke gewesten te laten opsporen. Wanneer hem dát gelukte, dan waren Venetië en Genua ten ondergang gedoemd, en zou Lissabon hare plaats vervangen! Welk eene schoone toekomst lachte hem tegen!
De grootste voordeelen van den handel genoten immers de gehate Mohammedanen, die zich met het goud en zilver der Christenen verrijkten! Gelukte het hem, den weg over zee naar de Indiën te vinden, dan verkregen de Portugeezen, dus de Christenen, alle zoo vurig begeerde Oostersche producten uit de eerste hand. Schatten zouden dan Portugal, en, ja, ook Europa binnenstroomen. De macht van het goud zou in handen der Christenen komen, en den val van den Islam bewerken.
Arme Koning!
Te midden zijner schoone droomen werd hij uit het leven gerukt. En die droomen waren nog niet eens altijd even schoon geweest, want de angst van te laat te komen, deed hem er telkens uit wakker schrikken.
De Spanjaarden immers hadden, onder aanvoering van een’ Genuees, zooals men beweerde, de Indiën gevonden op eene westelijke vaart?
Koning Johan twijfelde eraan.
Had men de rijke Indiën wel gevonden? En zoo ja, wie kon zeggen hoe oneindig groot dat rijk was, en of het voordeel niet aan de zijde der Portugeezen zijn zou, wanneer ze de Indiën bereikten door het Oosten in te slaan.
Het was een tijd van spanning, zooals men er op het Pyreneesche schiereiland nog nimmer een beleefd had.
Te midden van die spanning, die worsteling liever, legde Johan II voor goed het hoofd neder, en werd opgevolgd door den verlichten en geleerden Dom Emanuel, die in de geschiedenis den bijnaam draagt van „de Groote”, of ook wel „de Gelukkige”.
Na de regeering van het land verbeterd te hebben, was thans zijn eerste werk om het plan van zijn’ wakkeren en ondernemenden voorganger uit te voeren.
Vier schepen werden uitgerust, en het bevel ervan droeg hij op aan Admiraal Vasco de Gama. Een der Onderbevelhebbers was de welbekende Bartholomeus Diaz.
Gelukkiger keuze had Koning Emanuel wel niet kunnen doen, want meer nog dan Diaz, was Gama van een doorzettend en onbevreesd karakter, terwijl hij ook, als zeeman, zeer veel ondervinding opgedaan had.

Vasco de Gama. (Geb. omstr. 1469, overl. 1524.)
Hij zeilde den achtsten Juli 1497 uit, doch ook deze tijd had beter kunnen zijn, evenals die van Diaz, want kort na het vertrek hadden de schepen, die met honderdzestig koppen bemand, en zeer goed bewapend waren, met tegenwind te kampen, ja, het duurde niet lang, of ook zij werden door stormen aangegrepen, en buitengewoon ver uit den koers geslagen. Hij kwam zelfs zóó ver het Westen in, dat enkele geschiedschrijvers niet alleen melden, dat hij Brazilië ontdekte, maar dat hij het zelfs op de gebruikelijke wijze voor zijn’ Koning in bezit nam.
Na een’ moeielijken tocht vol gevaren, die het volk alweer bewogen om oproerig te worden, kwamen de schepen eindelijk aan Kaap de Goede Hoop aan, en—den twintigsten November 1497 had men Afrika omgezeild, en kon men den koers noordelijk richten.
Merkwaardig was deze reis in alle opzichten, want welk eene verbazende uitgestrektheid lands bracht men nu niet aan de kroon van Portugal! Wat maakte men niet al kennis met voortbrengselen van allerlei aard, voortbrengselen, die uitmuntten door hunne hooge waarde, en voortbrengselen, die zich vooral kenmerkten door de buitengewone voordeeligheid in de dagelijksche samenleving.
Merkwaardig was deze reis vooral, omdat men thans de Indiën bereiken zou langs een’ heel anderen weg dan de Spanjaarden. En door schepen, die Portugal reeds aan de kusten der Roode Zee had laten uitrusten, was men verzekerd geworden, dat de rijke Indiën dáár lagen, waarheen men den koers richtte. Die wetenschap gaf zelfs den morrenden matroos moed, en den twintigsten Mei 1498 liet de moedige en volhardende Admiraal het anker vallen voor de groote en rijke handelsstad Calicoet in Voor-Indië.
Gaarne zouden wij deze reis zoo uitvoerig beschreven hebben, als zij het verdient, maar wij moeten naar Europa terug om te vernemen, wat daar is voorgevallen met de Spanjaarden, die reeds zes jaren vroeger, zooals zij meenden, de Indiën gevonden hadden.
Christophorus Columbus. (Geb. te Genua? 1446?–Overl. te Valladolid 1506.)
DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.
HOOFDSTUK V.
Inhoudsopgave
DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS.
In het vorige hoofdstuk spraken we met een paar woorden van zekeren Martinus Behaim, die te Lissabon vertoefde, en daar door den Koning, om zijne vele verdiensten tot Ridder geslagen werd, terwijl hij tevens zitting kreeg in de Junta, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen zou.
Met opzet verzuimden we te melden met wien de Koning onzen Behaim daar in kennis bracht, daar we den naam van één’ man nog niet wilden noemen, omdat de noodzakelijkheid zou medegebracht hebben dan ook een en ander van hem te zeggen. Nu we echter gereed staan om van dezen man zeer veel mede te deelen, kunnen we zeggen wie er door den Koning aan Behaim voorgesteld werd.
Die man was Christophorus Columbus.
Er zijn zoo enkele personen in de geschiedenis, van wien bijna ieder mensch wat gehoord heeft, en al brengen grondige nasporingen en nauwgezet onderzoek ook al aan het licht, dat men den bewusten persoon te veel verheerlijkt heeft, en dat hij veel minder deed dan men geleerd had, toch wischt al het water van de zee zijne daden niet uit, welke van hem in het boek der geschiedenis staan aangeteekend, en geene reuzenmacht is instaat den invloed te keeren, door hem op de geheele wereldgeschiedenis uitgeoefend.
Zulk een man was Christophorus Columbus, de ontdekker van Amerika, of, zooals we uit de reizen der Noormannen gelezen hebben, de weder-ontdekker van dat werelddeel.
Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn, dat men van de jeugd van de meeste beroemde mannen zoo weinig zekers weet mede te deelen. Dit is echter zeer natuurlijk. Van Vorstenkinderen weten we vooraf, dat ze, als volwassenen, reeds door geboorte zoowel als door afkomst, zich boven alle andere menschen zullen verheffen, al maken zij zich ook niet door hunne daden beroemd. Heel anders is dat met een kind, wiens Ouders tot de gewone burgers of volksklasse behooren. Dat kind leeft geheel met andere kinderen mede, en niemand denkt er aan om aanteekeningen van zijne jeugd te maken, ten einde later in de gelegenheid te zijn, om eene volledige levensbeschrijving te kunnen geven.
Een kind zulk eene opleiding geven, dat het een beroemd man moet worden, is ten eenenmale onmogelijk, want het karakter en de aanleg van het kind, benevens de omstandigheden waaronder het opgroeit, hebben een’ beslissenden invloed. Geene duizend Professoren waren instaat, Piet Hein er toe te brengen, dat hij de Spaansche Zilvervloot nam, dat De Ruyter den Vierdaagschen Zeeslag won, dat Rembrandt zijne „Anatomische les” wist te scheppen, dat Cromwell een’ Koning op het schavot kon brengen, dat Washington de machtigste Republiek der Nieuwe Geschiedenis grondvestte, en dat Napoleon zich eene Keizerskroon op het hoofd drukte.
Nu is het met Columbus op dezelfde wijze gegaan, als met al de beroemde mannen hier zoo even genoemd. Van de kinderjaren weten we van hem zelfs nog minder, want nog altijd zoekt men naar het jaar en de plaats zijner geboorte.
Als geboortejaren van Columbus worden vermeld 1435, 1436, 1446, 1447 en 1456. De meeste schrijvers van onzen tijd houden het er voor, dat hij omstreeks 1446 geboren werd. Als zijne geboorteplaats noemt men meestal Genua, doch zonder hieromtrent eenige zekerheid te kunnen bijbrengen. De beroemde Engelsche geschiedschrijver William Robertson zegt eenvoudig, dat hij „een onderdaan uit het Gemeenebest Genua” was. Anderen zoeken zijne geboorteplaats op Corsica. De Spanjaarden, die hem haatten, gaven hem den scheldnaam van „Liguriër”, en daar Genua in de landstreek ligt, die oudtijds Liguria heette, zou men lichtelijk er toe kunnen overgaan, te gelooven, dat de Spanjaarden hem althans voor iemand hielden, die in Genua geboren was. Maar die scheldnaam is ook al geen bewijs, want het eiland Corsica, dat door de Genueezen veroverd werd, schijnt ten tijde der Romeinen, en ook nog later, door Liguriërs bewoond geweest te zijn.—Robertson echter, die geene plaats, maar alleen een land noemt, houdt zich stellig het dichtst bij de waarheid, want dat schijnt dan toch onomstootelijk waar te zijn, dat de beroemde man in het gebied van Genua geboren werd. Hij was dus een Genuees, en heeft bovendien in de stad Genua gewoond.
Zijne Ouders?
Robertson deelt mede, dat hij afstamde van een’ aanzienlijk geslacht, dat tot armoede vervallen was.
Washington Irving zegt, dat Fernando, een zoon van Columbus, schreef: „Het zou naar mijne meening voor mij niet zoo vereerend zijn, wanneer mijne Voorouders tot een adellijk geslacht behoorden, dan dat ik de zoon van zulk een’ Vader ben.”
Irving zelf beweert: „Columbus’ Vader was een wolkammer, die geruimen tijd in de stad Genua heeft gewoond.”
Columbus zelf heeft echter gezegd, zoo lees ik bij een Duitsch schrijver van onzen tijd: „Men mag mij eene afkomst geven, welke men wil. David was eenmaal schaapherder, en ik ben een dienaar van denzelfden God, die hem tot den troon verhief. Of mijn stamboom adellijk of niet adellijk is, daarop komt het al heel weinig aan. Genoeg, mijn bloedverwant of Stamvader Columbus stamde met mij van de oudste familiën der aarde af, en zonder mij te bedenken, durf ik mijn’ stamboom bij Adam beginnen.”
Winkler Prins zegt in zijne Encyclopædie, dat hij een bloedverwant van Admiraal Domenico Columbus was, doch als we lezen, dat een kleinzoon van Admiraal Piet Hein aan den Amsterdamschen Magistraat zich bekend maakte, als een „spellebaas”, die om een plaatsje voor zijne tent vroeg, dan zegt de bloedverwantschap van Admiraal Columbus al heel weinig. Admiraal de Ruyter, die als Hertog stierf, kan wel neven gehad hebben, die in lompen door ’s heeren straten gingen.
Maar wat doet die afkomst er ook toe? Als een bierdragers-jongen een’ Vierdaagschen Zeeslag kon winnen, dan kon ook een wolkammers-zoon wel een werelddeel ontdekken.
„Gij zijt van geene edele afkomst,” duwde een trotsch en zeer voornaam Athener den wijsgeer Socrates toe.
„Daarom verdien ik ook meer eer,” antwoordde Socrates „omdat mijn adeldom bij mijzelven begint.”
Ook Columbus had zulk een fier, maar hooghartig antwoord kunnen geven.
Maar zijn naam? Hoe heette hij toch?
Als Italiaan heette hij Colombo; de Spanjaarden zett’en zijn’ naam in hunne taal over, en noemden hem Colon; waar men zijn’ familie-naam in de Latijnsche taal gebruikt, heet hij Columbus, en wanneer hij een Nederlander van geboorte was, zou zijn familie-naam „Duif” zijn.
Ook zijn voornaam wordt verschillend geschreven. Wij, Nederlanders, zouden hem alweer „Stoffel” noemen, wat eene verkorting is van Christoffel. De Latijnsche naam Columbus eischt Christophorus, en de Spaansche naam Colon eischt Christoval. De naam beteekent „Christusdrager”, en zie, dat wenschte de man werkelijk te zijn. Hij wilde niets liever dan als een wereldlijk Missionaris overal het Evangelie verkondigen.
Hoe eenvoudig en arm zijn Vader ook ware, toch gaf deze Christophorus eene zeer goede opvoeding, ja, we zouden haast geneigd zijn te zeggen: hij gaf hem eene opvoeding boven zijn’ stand.
Al heel vroeg toonde de knaap, dat de zee en verre landen hem meer aantrokken dan de eenvoudige wolkammerij des Vaders, en daarom liet deze den jongen onderwijs geven in de Latijnsche taal, en in de wis-, aardrijks-, sterren- en teekenkunst. In het schrijven maakte hij zulke verrassende vorderingen, zegt Las Casas, Bisschop van Chiapas in Mejico, wiens Vader een reisgezel van Columbus was, dat hij, als hij niet op eene andere wijze door de wereld gekomen was, hiermede zijn brood had kunnen verdienen. Zelfs zou hij, volgens denzelfden schrijver, ook instaat geweest zijn om met schilderen, of het geven van onderricht in het rekenen en teekenen zich in het dagelijksch onderhoud te kunnen voorzien. In hoever dit waarheid is, durf ik niet verzekeren. Misschien, dat dankbaarheid hier wel wat overdreef, want Columbus was oorzaak geweest, dat Las Casas te Salamanca kon studeeren.
Behalve onzen Christophorus had Vader Columbus nog twee zoons, Bartholomeus en Giacomo, welke laatste door de Spanjaarden in hunne taal Diego genoemd wordt. Ter eere van onzen Christophorus mag het gezegd worden, dat hij later voor die twee broeders uitnemend zorgde. Ook had hij eene zuster, doch hiervan lezen we niets anders, dan dat ze gehuwd was met een eenvoudig burger, die Giacomo Varello heette.
Dat Christophorus, of, zooals ik hem voortaan liever noem, Columbus, op jeugdigen leeftijd zooveel lust toonde te hebben voor de aardrijkskunde en alle aanverwante vakken, kan niemand bevreemden. De aardrijkskunde was toen de wetenschap bij uitnemendheid, en in alle plaatsen, die zeehandel dreven, en vooral in de kloosters, stond ze zóó hoog aangeschreven, dat vele kloosterlingen van dat vak hunne lievelings-studie maakten. Menig beroemd aardrijkskundige was van beroep wat anders, en vooral onder de Artsen telde men vele beoefenaars van deze wetenschap.
Zoo heel laag stond die wetenschap ook niet meer. Wel bewaarde men eene groote globe, die Behaim te Neurenberg gemaakt had, als een wonderstuk van vernuft, en bevatte ze menige dwaasheid, maar Arabische geleerden, te Sennaar vergaderd, verstonden reeds de kunst om een’ lengtegraad te meten, en op de uitgestrekte vlakten van Mesopotamië berekenden zij den omtrek der aarde. Neemt men hierbij in aanmerking, dat de handelssteden, aan de Middellandsche Zee en in Spanje en Portugal, begrepen, dat haar eigenbelang medebracht om andere handelswegen te zoeken, dan zal ieder het natuurlijk vinden, dat Columbus zoo vroeg mogelijk trachtte, zich in de aardrijkskunde te bekwamen, en het geluk diende hem, dat hij een’ bloedverwant had, die Admiraal was.
Op zijn veertiende jaar ging hij naar zee, en als hij tot dien tijd school gegaan heeft, dan kan hij, want zijn hoofd was buitengewoon helder, als een wel ontwikkeld jongeling aanboord gekomen zijn. Al dadelijk dient echter gezegd, dat zijn eerste Kapitein niet zijn bloedverwant was.
Zijne eerste tochten deed hij in de Middellandsche Zee, doch weldra maakte hij grootere reizen, en niet alleen naar Engeland, misschien ook Antwerpen, maar zelfs naar IJsland, dat toen Thule genoemd werd.
Hoe lang hij daar in het hooge Noorden bleef, is niet bekend, doch de IJslanders van dien tijd waren zeer beschaafde menschen, en stellig zal Columbus daar wel wat vernomen hebben van het fabelachtige „Wijnland”, dat hunne Voorvaderen eenmaal bezocht hadden, doch dat daar nu ver in het Zuiden geheel vergeten lag. Van IJsland werd de reis zelfs nog noordelijker voortgezet, zoodat hij eenige graden over den Noordpool-cirkel kwam. Handelsbelangen kunnen hem daar niet heen gevoerd hebben, zoodat we aannemen mogen, dat deze Noordpool-tocht alleen in het belang der wetenschap, en een gevolg van de Pauselijke bul aan Portugal was.
Van die groote reis teruggekeerd, trad hij in dienst van zijn’ bloedverwant, den Admiraal Columbus, die evenwel alweer niet veel verder kwam dan de Middellandsche Zee, om de Genueesche koopvaarders tegen de Venetianen en de Noordafrikaansche of Barbarijsche zeeroovers te beschermen.
Eens echter bevond hij zich met de vloot in de Spaansche Zee, in de nabijheid van de Portugeesche kust. Daar raakte men met eenige Venetiaansche schepen, die uit Nederland kwamen, slaags. Columbus gedroeg zich dapper, doch zijn schip werd in brand geschoten, en om zijn leven te redden, sprong hij in zee. Met behulp van een losgeslagen roer wist hij de Portugeesche kust te bereiken, en nu hij daar eenmaal was, besloot hij naar Lissabon te gaan, waar hij zeker was, landgenooten te vinden, want door het verloopen van den Genueeschen handel, zochten velen elders hun geluk. Hij bleef daar geruimen tijd, en geraakte in kennis met eene schoone, Felipa Monnis de Palestrello. Haar Vader was een Italiaansch Edelman, die zich te Lissabon gevestigd had. Dat Donna Felipa, niettegenstaande zij eene adellijke Jonkvrouw was, zich zóó tot den Genueeschen zwerver aangetrokken gevoelde, dat zij met hem in het huwelijk trad, is wel verklaarbaar. „Columbus,” zoo zegt Las Casas alweer, „was een lang en kloek gebouwd man, met eene edele en waardige houding. Zijn langwerpig rond gelaat was niet bol, maar eer mager; het had eene heldere kleur, en tusschen de lichtblauwe oogen, die van fierheid glinsterden, had hij een’ schoonen arendsneus. Wat hem vooral van zijne landgenooten onderscheidde, was, dat hij blond hoofdhaar had, dat in rijke lokken zijn sprekend gelaat omlijstte.” Als eene groote bijzonderheid merkt dezelfde schrijver aan, dat „de zorgen des levens en eene gestadige studie hem op zijn dertigste jaar reeds geheel grijs deden zijn.” Indien dit waar is, dan zullen de zorgen des levens hiervan wel niet de oorzaak geweest zijn, want tot op den dag van zijn huwelijk kon hij waarlijk niet klagen, dat zijn leven zoo stormachtig en onrustig was. Alleen de gedwongen zeereis op een drijvend scheepsroer, was het ergste, wat hem wedervaren was, doch dit was voor een goed zeeman toch geene reden, om het zich zóó aan te trekken, dat hij wit werd als eene duif. Eer is het te denken, dat èn zijn naam „Duif”, èn zijn blond haar, door de zuidelijke zwartharigen met elkander in verband gebracht zijn, en dat de „blonde Columbus”, heel dichterlijk, „wit als eene blanke duif” zal genoemd zijn.
Na het overlijden van zijn’ Schoonvader kwam Columbus in het bezit van eene plantage op het eiland Porto-Santo. Hij vestigde er zich metterwoon, en het scheen dus, dat hij als een eerzaam planter zijn leven zou eindigen, zonder dat hij nog nieuwe zeereizen gedaan had. Dit scheen echter maar zoo, want het verbouwen van suikerriet en wijnstokken, in eene aangename luchtstreek, op een vruchtbaar eiland, mocht anderen aantrekken en behagen, Columbus was er de man niet voor, om in zulke landelijke bezigheden zijn genoegen te vinden.
Dikwijls liep hij langs de kust van zijn betrekkelijk klein eiland, en meestal vergenoegde hij zich niet uitsluitend met het gezicht op het heerlijke Madeira, dat hij heel in de verte, als eene nevelstreep, kon zien liggen. Hij woonde hier aan het uiterste einde der wereld, zeide men. En daar ginder in het verre Westen, achter de plaats waar de zon onderging, was het land of de zee der eeuwige duisternis. Ja, dat had men hem ook geleerd, maar, was het wel zoo? Zag men, als men in de Middellandsche Zee was, ook niet de zon ondergaan in de golven van dezelfde zee? En wanneer men op eene groote vlakte stond, zag men dan de zon ook niet ondergaan op dezelfde vlakte? En lag er achter de avondplek der Middellandsche Zee, of achter de avondplek van de vlakte, niet nog menige streek waar het toch niet duister was, en waar men morgen en avond had, evenals te Genua, te Alexandrië, te Lissabon, en hier op het afgelegen Porto-Santo? Bevond de mensch zich niet altijd in het middelpunt van een’ cirkel, en was de afstand van de plaats waar hij zich bevond tot de morgenplek, niet even groot, als die tot de avondplek? Was er niet iets, iets, nu ja, iets dat men gezichts-einder noemt? En—de aarde was rond. Velen, en daaronder groote geleerden, noemden dien ronden vorm der aarde eene hersenschim, maar Thales van Milete had twintig eeuwen geleden toch al geleerd, dat de aarde rond was, en de beroemde Florentijner Arts, Paolo Toscanelli, had immers duidelijk bewezen, dat Behaims globe wel niet goed geteekend was, maar dat er aan den vorm, dien hij aan de aarde gaf, niets ontbrak! Had niet diezelfde Toscanelli verklaard, dat het vaste land der aarde veel breeder was dan de zee, die ten Westen van Europa en Afrika lag, en het vasteland doorsneed? Was dat zoo, wat zochten de Portugeezen dan een’ langen zeeweg naar de Indiën om Afrika’s zuidpunt heen? Die weg moest toch veel langer zijn, dan die door het Westen? En áls de aarde rond was, en hij was overtuigd, dát ze het was, welnu, dan moest men óók in de Indiën komen, als men steeds westelijk voer. Dat kon niet anders.
Maar, had die Toscanelli wel gelijk? Was langs de zee de afstand tusschen Europa en Afrika aan de eene, en Azië, met het reusachtig groote rijk Kataï, benevens Zipangu, aan den anderen kant, wel zoo gering? Was die weg niet veel langer?
Zoo dacht en peinsde de planter Columbus, als hij van zijn eiland af, in westelijke richting zijne blikken langs den uitgestrekten Oceaan liet gaan.
Een schipper, die wat ver het westen ingezeild was, zoo vertelde men, had, midden in zee, een kunstig besneden stuk hout opgevischt. Vanwaar was dat gekomen, en waar woonde de man, die dit hout bewerkt had?
Op Madeira’s en Porto-Santo’s westkust, had men menigmaal ongemeen zwaar riet zien aandrijven. Vanwaar kwam dat?
Een ander had hem verteld, dat er zelfs wel eens heele boomen aandreven. Dit verbaasde Columbus niet, want op Thule en in de Noordelijke IJszee had hij zoo menigmaal drijfhout gezien. De stroomingen der zee, ook dat had hij ondervonden, liepen niet steeds in dezelfde richting, zoodat een stuk hout, een boom of een riet, al eene heel vreemde reis langs het water konden gedaan hebben, eer ze hier op de kusten aanspoelden.
Daar kwam zijn Zwager Dom Pedro Correa, die ook op Porto-Santo woonde, hem een besneden stuk hout brengen, hetwelk hij op de westkust van het eiland gevonden had.
Het was merkwaardig, dat toch alles op die westkust aankwam,—zeer merkwaardig. En dat hij hier te doen had met het werk van eene geoefende hand, dat bewezen de kunstige figuren en lijnen. Dat moest het werk zijn van een bewoner van Kataï of van de Indiën. Hij had immers de reisbeschrijvingen van Marco Polo niet gelezen, maar verslonden, en wist dus op welk een’ hoogen trap van beschaving die volken stonden!
Een nieuw gerucht kwam onzen peinzenden planter ter oore. Er waren op de westkust van Madeira twee menschenlijken aangespoeld.
Matrozen van een Europeesch vaartuig waren het niet, en evenmin waren het negers van Afrika’s westkust. Geel als de Tataren of Mongolen waren ze ook niet, en evenmin blauwachtig als de Indiërs. Ze hadden lange, sluike, zwarte haren, en hun gelaat en hunne huid waren roodachtig of koperkleurig geverfd.
Alweer en alweer maar die westkust, en nu geen stuk gesneden hout, geen boomstam, geen riet, neen, menschenlijken, en dan nog wel lijken met vreemdgeverfde huid en vreemde hoofdharen!
Wat moest hij ervan denken?
Zou dan soms het verhaal van dien Plato niet maar zoo eene phantasie van den dichter geweest zijn? Vertelde hij niet van een eiland „Atlantis”, grooter dan Azië en Afrika samen? De goden hadden dat eiland verdelgd, luidde het verhaal, maar hier en daar waren er toch nog eilandjes overgebleven.
Was dan Plato’s verhaal wel enkel verdichting, en waren die lijken niet afkomstig van afstammelingen van de bewoners van dat eiland „Atlantis”? En was dit eiland „Atlantis” wellicht niet hetzelfde, als het groote „Goudland”, waarvan Marco Polo vertelde, dat het ten Oosten van Kataï lag, en Zipangu heette?
Al deze vragen bestormden den planter van Porto-Santo, en ze lieten hem nimmer met rust. Ze vervolgden hem overal, des daags bij het werk, des nachts in den droom.
Ten slotte kwam hij er toe, om op al die vragen slechts één antwoord te geven, een antwoord vol overtuiging: „Daar in het Westen liggen de Indiën, en ze liggen dichter bij dan men vermoedt.”
Hij kon niet langer het kalme en eentonige plantersleven op zijn afgelegen eiland blijven leiden. Hij moest, of hij wilde of niet, dien westelijken tocht naar de Indiën gaan maken.
Maar hoe? Aan zulk eene onderneming waren verbazend groote kosten verbonden, en hijzelf had slechts over zeer beperkte middelen te beschikken. Het was ook geene onderneming voor één’ man, maar voor een volk.
Hij dacht aan zijn geliefd Genua, hoe machtig het eens was, en hoe vervallen nu. Maar rijkdommen waren er toch nog te vinden, en hoe zou hij zich verheugen, als hij dat geliefde Genua weer eens tot vroegeren luister brengen kon! Vroegeren luister? Dwaasheid! Als hij den Genueezen den westelijken weg naar de Indiën wees, en men kreeg dan van den Paus dezelfde voorrechten voor het Westen, die Prins Hendrik voor Portugal in Afrika voor het Oosten verkregen had, dan zou Genua’s voormalige grootheid niet in de schaduw kunnen staan van de grootheid, die haar binnen luttelen tijd wachtte.
Bezield met dit heerlijke denkbeeld verliet Columbus zijne plantage en zijn eiland, en begaf zich naar Genua, waar bijna niemand den zwerver meer kende. Hij zocht de rijkste kooplieden op, doch dezen waagden het niet, om aan een plan, dat in de lucht hing, als het dichterlijkste luchtkasteel, zooveel geld te besteden. De Regeering van Genua had er nog minder ooren naar. Men mocht immers het Gemeenebest, dat toch al zoo verarmd was, geene grootere lasten opleggen, om een’ avonturier in de gelegenheid te stellen, eene hersenschim na te jagen?
Helaas, de achteruitgang van den handel had Genua’s oude veerkracht verlamd, haar’ ondernemingsgeest gedood. Columbus bleef aan doovemans-deuren kloppen; niemand deed hem open.
Columbus was vervuld van bitterheid, en wij, die nu leven, en weten welk een prachtig werelddeel Amerika is, wij lachen misschien om de domheid der Genueezen, en van allen, die later geene ooren hadden voor Columbus’ voorstel. Toch, ik mag het niet verzwijgen, verraadt ons lachen juist onze domheid, en de ontdekking van Amerika is een bewijs, dat Columbus’ tegenstanders groot gelijk hadden, met hem op wetenschappelijke gronden te bewijzen, dat hij niets anders dan eene hersenschim najoeg. Columbus moge een oogenblik gedacht hebben aan een eiland „Atlantis”,—aan een eiland, dat grooter was dan Azië en Afrika samen, geloofde hij niet; hij bracht Plato’s eiland slechts in verband met de Indiën, Kataï en Zipangu, en zijne grootste fout was wel deze, dat hij aan den Oceaan, die de Indiën van Europa scheidde, slechts honderdtwintig graden breedte gaf. De geleerden, die Columbus’ tegenstanders waren, geloofden niet aan die geringe breedte, en ze beweerden, dat Toscanelli in zijne voorstellingen volkomen onwaar was, en dat die afstand veel, zeer veel grooter was.
En hadden ze ongelijk?
Wanneer we de globe voor ons nemen, dan zien wij, dat de afstand tusschen het vasteland van Europa en dat van Azië nog meer dan tweehonderdvijfentwintig graden is. De tegenstanders hadden derhalve gelijk.
Ik geef terstond toe, dat de tegenstrevende geleerden dit ook niet zoo precies wisten, maar Columbus vergiste zich, door Toscanelli’s uitspraken, deerlijk, zoodat de partijen volkomen gelijk stonden, en Columbus het niet beter wist dan zijne tegenstanders. Had Columbus Amerika niet ontdekt, ware dat werelddeel er niet geweest, hij en de zijnen zouden op hunne westelijke vaart ongetwijfeld omgekomen zijn, eer Azië bereikt was.
Columbus’ fout is vereeuwigd in den naam van de eilanden van Amerika, welke „West-Indië” genoemd worden. Zijne fout is ook vereeuwigd in den naam der oorspronkelijke inwoners van Amerika. Men noemt hen immers, altijd nog, volgens hem, „Indianen”?
Ik voer dit alles niet aan om Columbus’ roem te verkleinen, want hij was een groot, een ondernemend man, doch men plaatse hem niet op den top van een „Wijsheids-berg”, en geve aan zijne tegenstanders geene plaats op den diepen bodem van den „Domheids-afgrond”. Columbus en zijne tegenstanders zijn daar geheel misplaatst.
Ze staan samen even hoog, doch hij met, en de anderen zonder eenige energie.
In Genua geen gehoor vindend, besloot Columbus zich te wenden tot de Portugeezen. Hij kende den koenen ondernemingsgeest van dat volk, en hij wist ook, hoe hun Koning, Johan II, geene gelegenheid liet voorbijgaan om de ontdekkingstochten uit te breiden. Daar zou men zijn plan niet afwijzen; daar zou men zijne voorstelling geene hersenschim noemen.
Gewapend met Toscanelli’s aanbeveling, begaf hij zich naar het Portugeesche Hof, en ontmoette waarschijnlijk in die dagen aldaar Martinus Behaim, den man, die bij den Koning zoo hoog aangeschreven stond.
Tot zijne verbazing, vond zijn plan bij den Koning niet dien bijval, welken hij gewacht had.
Het is natuurlijk ook; want al valt het moeielijk te bepalen, in welk jaar Columbus met zijne plannen in Lissabon kwam, wij weten toch, dat hij daar Behaim leerde kennen, en dat Koning Johan dezen aanstelde tot lid van den Raad, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen moest. De Portugeezen hadden in Afrika derhalve de Linie al overschreden, en den Congo zelfs reeds bereikt, zoodat men meende nu goed op weg te zijn, om langs de ontdekte wateren in de Indiën te komen. De kansen stonden goed, waarom nu nog nieuwe onkosten te maken voor een ander plan, dat nog geheel in de lucht hing?
Toch was de Koning verstandig genoeg, om zelf geene beslissing in die zaak te nemen, hoewel hij door het schrijven van aardrijkskundige en sterrenkundige werken bewijzen had gegeven, dat het hem aan geene bekwaamheden ontbrak. Niemand zou hem dan ook van verwaandheid beschuldigd hebben, zoo hij in deze zaak beslissend opgetreden was.
De Koning gevoelde echter, dat de zaak zeer gewichtig was, en beschouwde hij den Genuees nu ook al als een soort van dweper, toch had diezelfde man steun in den beroemden Toscanelli, die, jaren geleden, aan den geleerden Kanunnik Ferdinand Martinez van Lissabon zijne zeekaart van den Oceaan tusschen Europa en Azië gezonden had. En bij deze kaart was een brief, die luidde:
„Aan den Kanunnik Ferdinand Martinez te Lissabon, zendt de Natuurkundige Paolo Toscanelli zijn’ groet.
„Het bericht, dat ik ontving van uw’ vertrouwelijken omgang met Zijne Majesteit den Koning, was mij des te aangenamer, omdat ik u reeds vroeger gesproken heb over een’ korteren weg naar de Specerij-landen, dan die is, welke langs Guinea leidt. De Koning begeert nu van mij eene meer overtuigende opheldering, zoodat zelfs de eenvoudigste man instaat is, ze te begrijpen. Hoewel ik weet, dat men dit door een’ bol, die de aarde voorstelt, duidelijk aantoonen kan, zoo heb ik, omdat er minder kennis voor noodig en minder moeite aan verbonden is, besloten, dezen weg door eene kaart duidelijk voor te stellen. Ik zend daarom aan Zijne Majesteit eene kaart, die ik zelf ontworpen en geteekend heb. Op die kaart vindt ge nauwkeurig aangegeven al uwe kusten en eilanden, vanwaar de weg begint, welken men altijd in de richting naar de avondzijde des hemels volgen moet, benevens de landen, waar men dan zal aankomen. Verder is er op aangewezen, hoever men van de Pool en van den Evenaar afwijken moet, terwijl ook in mijlen de afstanden bepaald zijn om te komen in die landen, welke zulk een’ onuitputtelijken voorraad van edelgesteenten en specerijen bezitten. Verwonder er u niet over, dat ik die landen „Westelijk gebied” noem, daar men de „Specerij-landen” altijd beschouwt als „Oostelijk” gelegen. Ik doe dat uit overtuiging, dat men ook door eene westelijke vaart vinden zal, wat men voortdurend oostelijk zoekt. Derhalve beduiden de lijnen, die ik op de kaart rechtuit van het Oosten naar het Westen teekende, den afstand, terwijl daarentegen de transversale (overdwarse) lijnen, den afstand van het Zuiden naar het Noorden aanwijzen. Ik heb op de kaart verscheidene landen geteekend, waar men, volgens de nauwkeurigste berichten, welke de reizigers ons verschaft hebben, komen kan, al is het ook, dat men door tegenwind of andere omstandigheden, in eene geheel andere streek komt, dan die, welke men zich voorgesteld had. Ik deed het ook, om den inwoners te toonen, dat de zeevaarders, die langs dezen weg komen, reeds met hun land bekend waren, eene omstandigheid, welke hun aangenaam zijn moet. Op die eilanden wonen evenwel geene andere menschen dan kooplieden. Men verzekert, dat alleen in de haven van Zaïton zulk eene groote menigte koopvaardijschepen is, dat er meer zijn, dan op al de overige deelen der wereld te zamen. Men beweert, dat jaarlijks uit de genoemde haven meer dan honderd schepen vertrekken, welke met peper geladen zijn, en dan komen er nog die bij, welke andere specerijen vervoeren. Dat land is dicht bewoond, en bevat zeer vele provinciën, staten en tallooze steden. Het staat onder het bestuur van een’ Vorst, die tot titel heeft „Groot-Khan”, wat hetzelfde beteekent als: „Koning der Koningen”. Meestal houdt hij zich op in zijne residentie, die in de provincie Kataï gelegen is. Zijne Voorvaderen wenschten met de Christenen in onderling verkeer te komen, en reeds voor tweehonderd jaar vroegen ze den Paus om geleerden, die hun onderricht in de Christelijke leer konden geven. Die geleerden ontmoetten evenwel op hunne reis zooveel moeielijkheden, dat ze terugkeerden. Ook ten tijde van Paus Eugenius”—(Paus Eugenius IV van 1431 tot 1447)—„kwam een Afgezant van den Groot-Khan binnen Rome, en bevestigde de welwillendheid van den Vorst jegens de Christenen. Ikzelf heb met dien Gezant een langdurig gesprek gevoerd over de uitgebreidheid van de Koninklijke paleizen, over de ontzaglijk lange en breede stroomen, en over de menigte steden, die aan hunne oevers liggen. Aan één’ stroom liggen ongeveer tweehonderd steden, en marmeren bruggen, met zuilen versierd, en van eene verbazende lengte en breedte, verbinden in groot aantal de oevers met elkander. Dit land is waard, dat het door de Latijnsche volken opgezocht wordt, en dat niet alleen om de fabelachtige schatten van goud, zilver en allerlei edelgesteenten, die daar gevonden worden, niet alleen ook om den onnoemelijken voorraad van specerijen, maar ook om de vele geleerde mannen, wijsgeeren en sterrenkundigen, die er wonen, en om te zien, met welk eene wijsheid dat land geregeerd wordt, en hoe men er oorlog voert.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.