Kitabı oku: «Van strak gespannen snaren»

Yazı tipi:

R. J. W. Rudolph

Van strak gespannen snaren


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313593

Inhoudsopgave

Omslag

Titelblad

L. S.

Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH.

L. S.

Inhoudsopgave

De uitgave van de brieven van mijn overleden vriend Rudolph kan ten zegen zijn. Rudolph toch behoorde tot die mannen, van wie men in de jaren van hun drukke leven betrekkelijk weinig, maar daarentegen in de dagen van hun krankheid bijzonder veel hoorde. Rudolph's groote beteekenis voor den lande ligt in zijn sterven. Niet alsof zijn leven onnut ware voorbijgegaan. Integendeel. Hij was altoos een klare belijder, een ijverig werker, een man, die de kunst verstond om door eigen bezieling anderen te bezielen; maar in het centrum van onze nationale worsteling zagen wij hem hoogst zelden optreden. Reeds als student speurde men de stille kracht die in hem huisde, maar beide tegelijk, theoloog en jurist willende zijn, bereikte hij noch in het eene noch in het andere die rijpheid van studie, die voor een vooraantreden in den strijd van het leven eisch is. Zijn vurig verlangen om op politiek terrein zijn kracht te kunnen ontplooien, is dan ook niet in vervulling gegaan. Hij bleef predikant te Leiden. Toch begon in de laatste twee jaren een nieuw ideaal zich voor hem te ontsluieren, hij koos een andere existentie, en vurig begeerde hij juist in die nieuwe betrekking tot de volle ontplooiïng van zijn talent te kunnen geraken. O, hij was voor dien keer in zijn leven zoo innig dankbaar. Het was hem of hij een nieuwe toekomst tegenging, en alsof hij nu eerst met al hem verleende gaven zijn Heer en Koning zou kunnen dienen. En toch juist op dat oogenblik beschikte de Heere op geheel ongedachte wijze over hem, om hem te maken tot een heel ander instrument voor Zijn glorie. De Heere kwam Rudolph tegen op zijn nieuw ingeslagen weg en maakte hem krank. Krank, niet door een gewone krankheid maar door den.... kanker. Ieder voelt, hoe bang dit Rudolph aangreep. Nu juist was hij, waar hij nooit meer gedacht had te zullen komen. Een nieuw zooveel rijker leven ontsloot zich voor hem. Maar immers, dan kon die krankheid niet ten doode zijn! En zoo scheen het dan ook te zullen loopen. Heidelberg liet heel Europa door verluiden, dat het 't tegengif tegen den kanker gevonden had. Rudolph was verrukt, toen hij het hoorde. Hij ging er heen. Er kwam beterschap. Men gaf hem goede hope. Dankbaar kwam hij terug, denkende nu zijn rijksten arbeid te kannen aanvangen. Doch weer zette het kwaad op. Weer toog hij naar Heidelberg. En nog bleef hij vol hope, dat hem redding beschoren zou zijn, tot het ten derdenmale tegensloeg, en nu erger kwam opzetten, en zelfs het gebruik van keel en tong hem werd ontnomen. En toen naderde het einde. Zelf mocht ik hem nog even terugzien en mijn laatste bezoek brengen. Kort daarop was mijn vriend Rudolph niet meer.

Maar, en dit is nu hier het wondere, als vrucht van dien bitteren kanker heeft zich toen juist in die laatste weken in Rudolph een geloofskracht en een geloofsmoed ontwikkeld, waarop een ieder die ervan hoorde met deelnemende bewondering neerzag.

Als een held stond hij tot den einde toe in die doodelijke worsteling, en zijn geloof bezweek niet, het overwon.

Hiervan heeft heel het land toen gehoord. Ten slotte was Rudolph een lijder, met wien we allen, dag na dag meeleefden, en in het gebed meêworstelden.

Het was de onverzettelijkheid van zijn geloof, die hem toen die brieven aan zijn oude gemeente in de pen gaf.

Die brieven hebben toen al wie ze las verkwikt.

Moge het zoo ook na zijn sterven zijn.

Zij zijn een klaar getuigenis, waarvoor wij God danken, van wat het geloof ook nu nog in de bangste ure vermag.

KUYPER.

's-Gravenhage, 8 Juni 1914.

Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH.

Inhoudsopgave

20 SEPTEMBER 1862–10 MEI 1914.

„Van strak gespannen snaren!” Zóó zou naar den wensch van mijnen hooggeschatten, lieven, vaderlijken vriend, bij afzonderlijke uitgave, de titel luiden van zijne brieven, toegezonden aan de „Geref. Kerkbode van Leiden en omstreken” en bestemd voor de gemeente, die hij zooveel jaren had gediend en waaraan hij zoo nauw was verbonden.

Naar den vorm literarisch schoon, naar den inhoud veelzeggend!

Deze titel doet ons denken aan een muziekinstrument, welks snaren worden gewonden tot de hoogste spankracht voor de zuiverheid van den klank en de fijnheid van toon. Hij koos den titel en drukte ermee uit, wat lijden hij heeft geleden en aan welk een beproeving hij was onderworpen. En nu staat het aan ons, die, als ik, zoo menigwerf getuigen waren van zijn lijden, dat onder Gods aanbiddelijk bestel zooveel maanden achtereen werd uitgerekt; aan ons, die deze brieven lazen of nog zullen lezen, te beoordeelen, wat soort van liederen op dit veelsnarig instrument getokkeld werden. En—oordeel zelf—is het te veel gezegd, als we beweren, dat het zijn zangen „per aspera ad astra”, uit de diepte naar omhoog. „Liederen van den Opgang”, teeder aandoenlijk, warm gemoedelijk; zangen waardoor ons de stille berusting des geloofs, de onwankelbaarheid der hope en de innigheid der liefde van den waren Christen tegen ruischen?

Ds. Rudolph was een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Het moge ietwat vreemd klinken in de ooren van allen, die hem slechts in zijn openbaar leven gekend hebben, hem, die in de gelederen van zijne politieke tegenstanders vaak met den minder vleienden naam van „De Beul” genoemd werd, hier te hooren karakteriseeren als een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Doch wie hem meer van naderbij kende en wist, hoe teeder achter het harnas van dezen strijder het harte klopte, beaamt het volkomen en stemt het ons gereedelijk toe. Ds. Rudolph kon geen leed van eenigszins ernstigen aard zien, of hij werd tot weenens toe bewogen. En juist deze man met het priesterlijke hart en het lichtbewogen gemoed, die,—had hij niet in het ambt van Dienaar des Woords gestaan,—een geboren diaken zou zijn geweest, heeft zelf zoo moeten lijden. Hoe vaak heeft hij in zijn gezonde dagen tegenover zijn huisgenooten de vurige begeerte uitgesproken, dat de Heere hem voor kanker mocht behoeden. En zie, wat hij zoozeer vreesde, is hem niet gespaard! Met forsche hand heeft de kanker hem aangegrepen, den fieren man, die een toonbeeld was van bloeienden welstand, den breedgeschouderde met zijn fraai gewelfd voorhoofd, zijn schitterende oogen, die vonken spatten, als hij was midden in het toernooi met zijn tegenstanders, den trouwen echtgenoot, der pleegkinderen liefdevollen vader, den man van 't initiatief, immer van idealen vol. En deze alom terecht gevreesde ziekte heeft hem niet meer losgelaten. Of zij dit wel ooit doet? Geen pogingen zijn onbeproefd gelaten, om aan dezen machtigen vijand der menschheid zijn kostbare prooi te ontrukken. Bezweken voor den sterken aandrang van oprechte vrienden, die zich voor de noodige geldmiddelen borg stelden, werd de reis naar Heidelberg ondernomen, naar het wereldberoemde Instituut voor kankerlijders van Prof. Czerny. Hoe vol hoop trok de patiënt met zijn echtgenoote, die hem in al zijn lijden een ware hulpe was, daarhenen, en hoe enthousiast keerde hij na een kuur van 4 weken weder! Wonderen had hij zien gebeuren! Waarom zou dan ook met hem geen wonder kunnen geschieden! De Heere is toch de God der wonderen! Wonderlijk is ook de naam Zijns Heilands! En was hij niet tot nog grootsche taak geroepen? Wachtten hem niet de Stichtingen voor Verwaarloosden en Drankzuchtigen te Achteveld bij Barneveld met kennelijk ongeduld? Hoorde hij niet als met duidelijk waarneembaren klank de weemoedige stem der ontouderde kinderen: „Vader Rudolph, kom, kom spoedig. Wij hebben uwe leiding zoo noodig, waar ons de ouderlijke ontbreekt”? Is het wonder, dat Ds. Rudolph hoopte, ziende ook op de Almacht Zijns Gods, tot op het laatste toe?

Voor de 4e maal kwam hij uit Heidelberg terug. De doctoren hadden hem diets gemaakt, dat hij een katarrh in de keel had en de lucht daarvoor in Holland beter dan in Heidelberg was. „Ga zoo spoedig mogelijk terug naar Uw Heimat en als de katarrh over is, kom dan weder, zoo zullen we de kuur voortzetten!” Zóó werd gesproken. De werkelijkheid was evenwel geheel anders. Men had alle hoop op herstel moeten opgeven. Trots alle middelen van wetenschap en kunst, woekerde het proces met door niets te stuiten kracht voort. Men vreesde voor verbloeding en dan.... weldra het einde.

Zóó was de naakte werkelijkheid. Wie zou het den lijder aanzeggen? Aan ondergeteekende viel deze zware opdracht te vervullen. Hadden deskundigen niet verklaard, dat er groot gevaar voor verstikking bestond, zoo den patiënt deze vreeselijke tijding werd bekendgemaakt? Biddend en bevend wordt de gang gemaakt naar het St. Elisabethsgesticht te Amersfoort. „Heere, voorkom, wat gevreesd wordt, geef de woorden in de opening mijns monds en den armen lijder kracht van Boven!” Ik schel aan en treed binnen. Dáár lag hij, de kankerlijder, die reeds sedert ettelijke maanden tot zwijgen gedoemd was. Allerhartelijkst was de begroeting met dien vriendelijken glimlach, krullend om de lippen en die zachte trekken op het gelaat, waarop de stille smart reeds diep haar sporen afgedrukt had. De vraag werd gedaan, of de hope op beterschap niet begon te verflauwen, daar er van vooruitgang toch zoo weinig viel te bespeuren. „Ik heb idee, dat herstel nog zeer goed mogelijk is. Dit zegt de dokter. Dat mag ik dus aannemen. Maar is 't, dat je 't anders weet, zeg 't dan. Ik ben bereid om heen te gaan!” Met woorden, dooraderd van diep medegevoel, wordt nu niets verholen, maar alles gezegd! De zieke vouwt de handen. Hij is in het gebed. Twee groote tranen worden aan de gesloten oogen ontperst. 't Is een plechtige, ernstvolle stilte in dit zieken- en bidvertrek. Onwillekeurig dacht ik aan het woord der Schrift: „En David sterkte zich in den Heere zijnen God!” Na een wijle gaan de oogen weer open, de handen laten zich los, de tranen worden afgewischt, de pen wordt weer opgenomen en met vaste hand neergeschreven: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen!” Hier was een strijd gestreden, hier was een overwinning bevochten!

Daarna ging ik heen, verruimd van gemoed, in het bewustzijn een zwaar, doch ook een goed werk te hebben verricht.

Menigwerf toefde ik in de krankenkamer en moest getuigen: „Waarlijk, in dit klaaghuls is het beter dan in het huis der maaltijden.” 27 April kwam ik weder bij hem en vroeg, of hij nog even sterk stond in zijn geloof en Satan niet trachtte te ontnemen, wat hij meende te bezitten, waarop hij aanstonds neerschreef: „Ik geniet zoeten vrede, die alle verstand te boven gaat. Dit staat vast, dat iemand niet vandaag een Petrus en morgen een Judas is. Dit staat vast, dat God geen God van Ja en Neen is. Maar Jehova, de Ik zal zijn, Die ik zijn zal.”

Nimmer sprak hij eigener beweging van zijn lijden en hoe strakker de snaren zijner smarten gespannen werden, des te meer melodieus en des te liefelijker waren de zangen van aanbiddend geloof en roemende genade voor familie of vrienden, door de schrijfstift aan het papier toevertrouwd, of in de achtereenvolgende brieven aan zijn gemeente te Leiden toegezonden.

Ieder, die eenigermate met 't openbare leven meeleeft, weet ook, hoe Ds. Rudolph zich op politiek en sociaal terrein niet onverdienstelijk heeft bewogen. Als 't er op aankwam, stond hij zijn man. De groote stadsgehoorzaal te Leiden zou er van kunnen getuigen, hoe hij, als verdediger der Christelijke beginselen, als kampvechter tegen het materialistisch Socialisme, niet gering te schatten was. Hij liet zich niet in een hoek zetten. Hoe kon hij dan in wetenschappelijke welsprekendheid met heilige verontwaardiging toornen tegen stofaanbidding en menschvergoding. Dan werd 't niet alleen gehoord, maar gezien, dan werd 't gevoeld, dat hij leefde uit hoogere beginselen, dan waarvan het hedendaagsche Socialisme uitgaat. En wat hij in 't aangezicht van het Socialisme, vertegenwoordigd door zijn uitnemendste voorstanders in ons land, beleden, bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat heeft hij met het vonnis van den dood in zijn vleesch, op zijn krankbed, te midden van lijden en smart, in het aangezicht ook van den dood, aller menschen vijand, op het luisterrijkst bezegeld.

Toen hem alles ontviel, in het midden zijner jaren, in den bloei zijner manlijke kracht; toen het beeld zijner aardsche idealen tot het onzichtbare toe verflauwde, toen, toen hield hij alles over: het ideaal, de rotsvaste hoop op een zalig hiernamaals, de zekere wetenschap van een blijde toekomst.

En op mijn zeggen in de laatste week zijns levens: „Wat zijn de wegen des Heeren met U toch ondoorgrondelijk!”, schreef hij met van groote zwakte bevende hand neder: „En niettemin keur ik ze goed, ziende op het heerlijk einde!”

Dat was Rudolph's geloof, rotsvast, steunend alleen op het volbrachte werk van zijnen Heiland en Koning, Wien te belijden op alle terrein de lust van zijn leven, het leven van zijn leven was.

Zeg, Marxist, was hier de mensch Rudolph niet meer dan stof?

Zoo ging hij heen, in de volle zekerheid des geloofs, in de hope op een eeuwig zalig leven.

Als een Christen had hij geleefd, als een Christen gestreden, als een Christen ook geleden, het daarvoor houdende, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die hem zou geopenbaard worden.

Ds. Roelof Jan Willem Rudolph werd den 20en September 1862 uit eenvoudige burgerouders te Elst in de Betuwe geboren, bezocht daar de Openbare Lagere School en ging vervolgens naar het Gymnasium te Doetinchem, waar zijn uitstekende aanleg al spoedig de opmerkzaamheid zijner leeraren trok. Hier deed hij met goed gevolg eindexamen, ging toen naar Utrecht en liet zich daar aan de Universiteit als student in de Theol. Faculteit inschrijven. Doch hij gevoelde er zich niet thuis. Wat anders zocht hij en vond dit aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, die pas was opgericht. Daar studeerde hij in de Rechten en in de Godgeleerdheid. In de eerste Faculteit behaalde hij den graad van candidaat, zette zijn studiën voort voor het doctoraal, maar kwam—en dat wel om financiëele redenen—niet tot het afleggen van het examen. In 1887 werd hij candidaat in de Theologie. Beroepen naar Heinenoord, diende hij daar niet zonder zegen de Gereformeerde Kerk, toen nog de Doleerende, van October 1888 tot December 1890. Hier verrees door zijn onvermoeid streven een Christelijke school, waarvan hij den eersten steen legde. In de Ned. Herv. Kerk stond toen ds. A. S. Talma, de latere Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het Ministerie-Heemskerk, met wien hij over de kerkelijke muren heen een vriendschappelijken omgang onderhield. Reeds te Heinenoord kwam de lust tot weldoen, waarin ds. Rudolph en zijn ega M. W. F. Frijlinck zoo zeldzaam harmoniëerden, op lieflijke wijze tot uiting. Een jeugdige tuberculoselijderes uit een arm arbeidersgezin werd weken achtereen, tot op haren dood, in de gastvrije pastorie liefderijk en geheel belangeloos verpleegd.

Toen op het einde van '90 Leidens Doleerende Kerk hem riep, meende hij voor deze roeping niet te mogen bedanken, hoewel het hem verre van gemakkelijk viel na zoo korten tijd zijn eerste standplaats te verlaten. De snoeren waren gevallen in lieflijke plaatsen.

Op den eersten Zondag van Dec. 1890 vertoond hij zich met een predikatie over Gen. 1: 1 aan zijn nieuwe gemeente, die hij ruim 21 jaren heeft mogen dienen. Leiden met zijn beroemde Universiteit, de kweekplaats van onderscheidene wetenschappen; Leiden, de vermaarde Sleutelstad, had al de liefde van zijn hart. Hoe sterk kwam dat altijd uit, als de kalender 3 October aangaf en Rudolph den kansel beklom om zijn hoorders te doen inleven in die wel oude, maar nooit verouderde geschiedenis van de belegering en het ontzet van Leiden, wat ieder geboren Leidenaar telken jare opnieuw met versche belangstelling aanhoort. Dan was Rudolph Geus met de Geuzen, dan deed hij in liefde ontvlammen voor Oranje, dan begon het oog te schitteren en trilde de stem van vurige verontwaardiging over de Spaansche tirannie en den duldeloozen gewetensdwang, dan jubelde hij met dank aan den Heere voor de ongedachte verlossing. Dan was Rudolph welsprekend.

Bekend, geliefd en geëerd was hij bovenal om zijn hulpvaardigheid. Wie naar een betrekking stond; wie op de eene of andere wijze in verlegenheid zat, vond aan de pastorie van Ds. R. altijd een geopende deur, een belangstellend hart en een luisterend oor. Hij stond ieder te woord en menigeen is door hem geholpen of voortgeholpen. Hij was een vriend van armen en verdrukten. Menig treffend staaltje zou daarvan kunnen worden bijgebracht. Op zekeren keer kwam hij ongezocht in de schamele woning van een fabrieksarbeider met talrijk gezin op eene van de achtergrachten in Leiden. Het noodige schoeisel ontbrak daar geheel. Hij bedacht zich niet lang. Spoedig waren de schoenen gehaald, voor elk der kinderen een paar. „Maar Dominee”, was de vraag van de vrouw des huizes, „weet Ge wel, dat ik Roomsch ben?” „Daar vraag ik immers niet naar, ik zie dat Gij het noodig hebt”, luidde het antwoord van den vriendelijken weldoener.

Was de kinderzegen hem door den Heere onthouden, zonder kinderen scheen zijn levenspad te eenzaam en koud. In Leiden nam hij, met volle bewilliging zijner echtgenoote, die hierin volkomen gelijk met hem dacht, twee kinderen, jongens, tot zich, die beide hunne moeder in de allereerste dagen der jeugd moesten missen. De een heeft reeds den leeftijd van 21 jaar bereikt, terwijl de ander 12 jaar oud is.

Als prediker muntte hij nu juist niet uit door schitterende kanselgaven, al wil dit daarom allerminst zeggen, dat hij de gave der welsprekendheid geheel miste. Tekstverband en -zin kwamen altijd uitmuntend tot hun recht. Van een eenzijdig-voorwerpelijke prediking was hij een vijand. Dikwerf gaf hij in een afzonderlijke toepassing leiding aan de eenvoudige zielen.

Goed kenner van de oude talen, bewoog hij zich gemakkelijk en gaarne op het veld van Schriftverklaring. Van zijne hand verscheen, in samenwerking met Ds. Renkema, een populair en practisch werk over „De Gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus”. In 1900 kwam van hem uit: „Abraham, de vader der Geloovigen, voorgesteld in 13 meditaties”. Behalve zijn „Kardiphonia”—stemmen uit 't hart—een drietal preeken, waarmee hij van zijn Leidsche gemeente afscheid nam en onderscheidene kleinere geschriften, zijn vooral bekend: „Het Hedendaagsch Socialisme” en „Het Diaconaat” (in vereeniging met Prof. Biesterveld en Dr. J. van Lonkhuizen).

Als journalist was hij niet zonder verdienste. Van meer dan één week- en dagblad was hij achtereenvolgens redacteur of medewerker.

Het Christelijk onderwijs in al zijn vertakkingen had de liefde van zijn hart. Als President der Geref. Schoolvereeniging gaf hij mede den stoot tot de oprichting der Geref. M.U.L.O. School op de Hooglandsche Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal om in de Sleutelstad te stichten een hospitium voor Christelijke Indologen, heeft hij niet kunnen bereiken, maar toch was de oprichting van het Indisch Comité, dat in het belang van Indologen van Christelijke belijdenis werkzaam is, eene zaak van niet geringe beteekenis.

Op de meerdere vergaderingen werden de adviezen van den Jurist-theoloog op hoogen prijs gesteld. Meermalen telde de Generale Synode hem onder hare gedeputeerden.

Eén van zijn vurigste wenschen heeft hij niet mogen vervuld zien om n.l. als lid van de 2e Kamer zijn volk te vertegenwoordigen in 's lands Raadzaal. De nederlaag in Ede in 1909, in niet geringe mate toegebracht door de heftige bestrijding van velen, die met hem in het Geloof stoelden op denzelfden wortel, bleef hem nog lang een schrijnende wonde. Het liefst zweeg hij daarvan.

Door de Kinderwetten was de mogelijkheid geopend om ook van Christelijke zijde meer dan tevoren te arbeiden in het belang van hen, die Ds. R. gaarne kenschetste met den naam van „sociale schipbreukelingen”. Zoo rijpte bij hem het denkbeeld, dat tenslotte belichaamd is in de Stichtingen te Achteveld, ééne voor ontouderde of verwaarloosde kinderen, en ééne voor landloopers, drankzuchtigen, ontslagen gevangenen en dergelijken. Hij werd benoemd tot Predikant-Directeur dier Stichtingen. Dat was een événement in zijn leven. 2 October 1912 preekte hij Afscheid in de kerk op de Hooigracht, „een biddend afscheid” (zie „Kardiphonia III”), en bepaalde zijne gemeente bij Hand. 20 vs. 32–38, „het slot van 't teeder afscheid van Paulus van de ouderlingen van Efeze.” Hierin vond hij „de wijze aangegeven, zooals hij 't liefst van zijne gemeente wilde scheiden:

het oog naar boven,

de hand op 't hart,

de knieën gebogen,

met tranen in de oogen, die van onverbreekbare banden getuigen”.

Hoe moeilijk het hem ook viel den herderstaf in zijn geliefde gemeente neer te leggen en emeritaat aan te vragen, niet jeugdig vuur en groot enthousiasme gaf hij zich aan de voorbereidende maatregelen voor den nieuwen werkkring, in de vaste overtuiging, dat de Heere hem daartoe riep. Maar: „de mensch wikt, God beschikt!” Zal de naam van ds. Rudolph in de wordingshistorie dezer Stichtingen immer met eere en groote erkentelijkheid genoemd worden, tot zijnen eigenlijken arbeid heeft hij niet mogen ingaan. Als een Mozes van den ouden dag moest hij blijven vóór den Jordaan van het zoozeer gewenschte land. En hierin te hebben kunnen berusten, gelijk herhaaldelijk op zoo treffende wijze uit deze brieven blijkt, wat was het anders dan de lieflijk geurende bloem van zijn groot geloof in de absolute Souvereiniteit zijns Gods, die nooit antwoordt van Zijn daden?

Zeker, ook Rudolph had zijn gebreken. Zelf zou hij de eerste zijn om dit te erkennen. Financier is hij nooit geweest, wellicht zou hij het ook nimmer geworden zijn. Hij gaf soms meer dan hij bezat. Doch waar is het licht, dat geen schaduw heeft?

Zondag 10 Mei j.l. werd hij uit zijn lijden verlost en op den dag der ruste ging hij, zacht en kalm, met den glans van zoeten vrede op het vermagerd gelaat, de eeuwige ruste van het hemelsche Kanaän in.

Nù, ook Rudolph heeft geen leed meer van uitgestelde hoop en teleurgestelde verwachting, en van al wat tot deze aarde en dit leven behoorde, is hij verlost. Zijn werk volgt hem na en hij rust uit van zijn arbeid niet in ledig-zijn, maar in hemelsch zalig doen.

Was zijn stoffelijk omhulsel op Woensdag 13 Mei van uit Amersfoort per trein naar Leiden overgebracht en geplaatst in het midden vóór den kansel van de Geref. Kerk op de Oude Vest, den dag daarop werd het onder de grootste belangstelling op de Begraafplaats van de Groenesteeg aan de schoot der aarde toevertrouwd. Vooraf werd in genoemde kerk, die tot in alle hoeken gevuld was, een korte samenkomst gehouden. Ds. Kouwenhoven, de oudste pastor loci, ging daarbij voor in het uitspreken van een rede aan de hand van Psalm 90 vs. 3: „Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen!” Het was een aandoenlijke plechtigheid. Menige traan werd weggepinkt!

Bij de geopende groeve werden goede woorden gehoord. Ds. Thomas sprak namens den Raad van de Geref. Kerk van Leiden, ds. Impeta van Katwijk namens de classis Leiden, ds. Teerink van Amersfoort gewaagde van zijne bezoeken aan den kranke; ds. Van der Munnik uit Leeuwarden, voerde het woord namens Deputaten van de Generale Synode voor de Zending onder de Heidenen en Mohammedanen; de heer Boddaeus, notaris te Schiedam, sprak als Voorzitter van het Bestuur der Kinderstichting; de heer Mekking van Gorinchem, namens het Bestuur van de Jan-Pieter-Adolfvereeniging; ds. Breukelaar van Zaandam, herdacht den overledene als Bestuurslid van het Chr. Comité voor Indië; dr. Dupont van Ermelo, van de Geref. Drankbestrijding; ds. Meijnen van Dordrecht, van de Vereeniging „De Tuin”; ds. Heidema van Heinenoord, bracht in herinnering het 2-jarig verblijf van den overledene in zijn eerste gemeente en ten slotte de heer Vros, hoofd eener Chr. School te Leiden, sprekend namens de Geref. Schoolvereeniging. En nòg waren er meer sprekers, o.a. van de Indologen en van „Polyhymnia”, bovendien de heer Wilbrink, Landbouw-Directeur van de genoemde stichtingen, en ondergeteekende. Doch de lange duur van het toeven op de begraafplaats maakte het gewenscht aan de droeve plechtigheid een einde te maken, te meer daar ook de weduwe en de hoogbejaarde vader van den overledene mede tegenwoordig waren.

Veel is daar gesproken, en had de gestorvene het kunnen hooren, ongetwijfeld zou hij gezegd hebben: „Te veel eer voor mij!” Maar de grondtoon bij alle sprekers was: dank aan den Heere, die ds. R. tot zooveel en zoo velerlei arbeid geroepen en hem in zijn laatste levensjaar met zoo groote genade begiftigd had.

Waarlijk, het was een droeve en toch goede dag. Zij de gedachtenis dezes rechtvaardigen nog tot rijken zegen!

Was het de wensch van den overledene, dat ondergeteekende, die gedurende een twintigtal jaren door hechte en innige banden van vriendschap aan hem verbonden was en nimmer hoopt te vergeten, wat hij naast God aan ds. Rudolph te danken heeft, de zorg voor de uitgave dezer Brieven op zich nemen zou, met liefde heeft hij er bijdezen aan voldaan.

Mogen deze brieven een blijvenden troost bieden voor de diepbedroefde weduwe zulk een man, voor den ouden vader zulk een zoon, voor de pleegkinderen zulk een vader, voor de gemeente zulk een Herder en Leeraar, voor allen, die hem lief waren, zulk een vriend gehad te hebben en mogen ze, waar ze door dezen herdruk de wijde wereld ingaan, voor velen nog in dagen van druk en beproeving, tot rijken zegen gesteld worden! Gode alleen de eer!

G. VERRIJ.

Waarder (Z.-H.), Mei 1914.

Amersfoort, 23 September 1913.

Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden.

Geliefde gemeente!

Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.

Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen, hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in 't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank mogen betuigen.

Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope, dat ik onder des Heeren zegen op de middelen geheel zal mogen herstellen.

En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs, goed en heilig is, geschiede.

Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en blijft mij verreweg het beste.

Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht. Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest, zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte, toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.

Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde toegevoegd: „Heere, Uw wil geschiede!” Wat de Heere doet, is wèl gedaan, hoe 't ook ga. Zeker, donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een Paulus niet betuigen: „Ik sterf alle dagen!” Voor 't vleesch is dit alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom, geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge wezen in des Heeren wil!

En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.

En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en verblijde Hij ons door Zijne groote daden!

In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 1 October 1913.

Geliefde gemeente!

Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans vaar.

Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest, in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!

Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar Heidelberg te gaan, en in het Czerny's Institut für Krebskranken, d.i. de instelling voor kankerlijders van prof. Czerny, genezing te zoeken.

Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't dankbaar.

Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit Amersfoort vertrokken. Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.

Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven, maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen, waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen God.

Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't douanenonderzoek verder.

O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over 't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.

Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.

Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht. Van Frankfurt naar Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve God tot mij sprak: „Kind, ook dit is alles voor u en van u!” Wonderbaar, wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.

Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.

Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan. Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt mij overal.

Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden in Zijn grooten Naam!

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 8 October 1913.

Geliefde gemeente!

Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht van ons u niet onwelkom zal zijn.

Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans vertoeven.

Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan de beide oevers van den Heidelberg gelegen, in een halven cirkel door hooge, groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.

Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen oorlog heeft Tilly de stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheer Mérac bevel: „Verbrand de Paltz!” Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.

Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdom Baden gevoegd. Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan. Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en kunstenaars, dichters en denkers. En Von Scheffel, de dichter van Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:

Oud Heidelberg, zoo fijn,

Gij stad, aan eere rijk,

Aan Heidelberg en aan Rijn,

Geen andere stad is u gelijk!

In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeld Excellenz Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 't Samariterhaus of het huis der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders, waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.

Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen. De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor de dooding der ziektekiemen.

De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar. Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden. Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving, al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine verrassingen en groote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap matigen.

De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een heele onderneming. Maar: „huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij geven voor zijn leven!” Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij, alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: „De levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!” Als een werkelijke vader hoop ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt, maar ook zoo vaderlijk zorgt.

Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds. Kammerer over Hebr. 10: 19–25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept. Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe kunnen wij zeggen: „houdt u aan de Kerk”, wanneer de Kerk de leugen brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd, of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan. Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande aangehoord. Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't slotvers ging ik geheel en al op:

„Herr unser Gott, dich loben wir,

Herr unser Gott, wir danken dir

Die Feier dieser Stunde.

O dir sei unsre Lebenszeit,

Die uns noch übrig is, geweiht

In einem ew'gen Bunde.

Hilf uns kampfen,

Bis zum Sterben,

Dasz als Erben

Zu den Höhen,

Einst wir siegend aufwärts gehen!”

Dat wil zeggen:

Heere onze God, U loven wij,

Heere onze God, wij danken U

De viering van dit uur.

O, U zij onze levenstijd,

Die ons nog rest, gewijd

Tot eeuwigblijvenden bond!

Help ons worst'len,

Tot aan 't sterven,

Opdat we als erven

Tot de hoogten

Overwinnend opwaarts stijgen!

Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft, met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons, zoolang wij hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar 't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde, en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad, op den Heidelberg, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichter Von Scheffel:

„Der Himmel hat die Erde geküsset!”

De hemel heeft de aarde gekust!

En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus, en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven. Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: „Mijnheer, dit zijn de dingen, die ons aan de aarde binden!” „Neen, dominee”, was zijn antwoord, „ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den hemel doen verlangen!”

Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!

Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't Allerbeste! „Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal thuis!” Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan. Vroeg of laat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!

Met vriendelijke groeten van ons beiden,

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 14 October 1913.

Geliefde gemeente!

Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek, dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te gaan.

Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.

De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas, door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.

De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden geweest.

Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden: Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen: Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren: Hegel, Fischer, Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.

Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel is: „Wie heer is van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!” Was de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.

Na den dood van Calvijn, onder Frederik III, was Heidelberg om haar Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is de regeering protestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.

Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische staat dus de medische faculteit bovenaan.

De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis, soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.

Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik, alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor het Instituut van Czerny. Daar lazen wij den naam: „Samariterhaus!” of huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk en ambtelijk worden geinspireerd door den Geest van den medelijdenden Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op ons zoo moeilijk en donker pad.

Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere zal het wèl maken.

Heerlijke wetenschap!

Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving, zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: „Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!”

Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen 't weer te zullen worden: „En Mozes zag het land van verre!”

Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig. Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn Geest wilde schenken.

Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: „Wat is er toch achter deze zienlijke wereld?” Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel. Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar niet teleurgesteld.

Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij soms met heimwee naar boven zien. „Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben”.

Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen. Immers: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde”. Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de zaligheid en heerlijkheid des hemels.

Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente, ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank! Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.

Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem roepende: „genezen, genezen!” Natuurlijk feliciteerde ik hem zeer hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: „Einen schönen Grüsz für Ihren Mann!” Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u, naar de mate Hij u nu beproeft!

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 21 October 1913.

Geliefde gemeente!

Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.

's Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen, der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Heidelberg, schitterend als kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw geheugen terug te roepen.

Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote „Denkmal” te onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van de viering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd, en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.

Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog. „Aber wenn der Krieg kommt”, „maar wanneer de oorlog komt”, is een uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. „Aber wenn der Krieg kommt,” en met zorg staart haar blik op haar kind.

In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.

Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar in Handschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt, en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger, gelijk men dat hier noemt, Simultankirche was, d.w.z. door Roomschen en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv. 's morgens door de Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen stijl.

Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als van koperdruk.

De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar welgestelde en zeer intelligente menschen.

Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't „Wij loven U, o God!” Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch, machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de ziel: „Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan”.

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
160 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066313593
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar