Kitabı oku: «Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk»

Yazı tipi:

Raden Adjeng Kartini

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066314385

Inhoudsopgave

INLEIDING.

VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

VOORWOORD BIJ DEN DERDEN DRUK.

GEDACHTEN ONTLEEND AAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE BRIEVEN.

AAN ONZE VRIENDEN.

BESCHOUWINGEN VAN RADEN ADJENG KARTINI,

NEERGELEGD IN EENE NOTA MET HET OPSCHRIFT

GEEF DEN JAVAAN OPVOEDING!

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Op 8 Augustus 1900 kwam ik op eene dienstreis als hoofd van het Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, te Japara, vergezeld van mijne echtgenoote. Mijn doel was met den toenmaligen Regent van Japara, wijlen Raden Mas Adipati Ario Sosroningrat, en zijne Raden Ajoe en dochters te overleggen, op welke wijze het best te voorzien zou zijn in de geestelijke ontwikkeling van de Javaansche meisjes der hoogere en lagere klassen, en wat overigens te doen ware in haar belang.

Die dag zal altijd blijven een der merkwaardigste van ons leven.

Was het hoogst aangenaam kennis te maken met den Regent en zijne Raden Ajoe, de ontmoeting met de dochters van dit vriendelijke echtpaar, gaf ons een blijde verrassing. Dit geldt vooral van het oudste drietal, als een "klaverblaadje" nauw aaneengesloten. De jongere dochters waren destijds nog kinderen.

Ongeveer een maand later kwam de Regent met de Raden Ajoe en het lieve drietal te Batavia enkele dagen bij ons doorbrengen. We leerden elkander nog beter begrijpen en waardeeren, en een getrouwe briefwisseling, vooral met de oudste van de drie meisjes, was het gevolg.

Meer en meer troffen ons de brieven van Raden Adjeng Kartini door de buitengewone diepte van denken en gevoelen, door den krachtigen wil om vooruit te streven tot heil van het Javaansche volk, de Javaansche vrouw in het bijzonder.

Tevens werden we ons echter bewust van de groote zedelijke verantwoordelijkheid bij het beantwoorden van die brieven.

Het is gemakkelijk mede te dweepen met hen, die grootsche denkbeelden koesteren. Waar echter de verwezenlijking daarvan gepaard gaat met schier onoverkomelijke maatschappelijke moeilijkheden, is het plicht zich eenigermate in te toomen. De gevolgen van het tegen den stroom opvaren zijn niet altijd te voorzien. En doen zij zich op smartelijke wijze gevoelen, dan is men niet altijd in staat hulp te verleenen.

Deze overweging deed ons menigmaal een gedwongen voorzichtigheid in acht nemen, waar we veel liever medegejubeld zouden hebben in het bewonderenswaardig enthousiasme van de schrijfster en hare zusters.

R.A. Kartini zelve gevoelde tegenover hare zusters de verantwoordelijkheid om dezen tot medewerksters aan te nemen. Zij vroeg zich af, of zij kalm mocht aanzijn en rustig toelaten, dat de zusjes met haar medegingen? "Ik weet, de weg dien ik wensch op te gaan, is moeilijk, vol doornen en distelen, kuilen; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ... ongebaand." Maar de zusjes stelden haar gerust met de woorden: "Noch gij, noch iemand anders kan ons denkbeelden ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wij zelf daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel."

Wat R.A. Kartini wilde, was het verkrijgen van meer kennis, om, daarmede toegerust, beter berekend te zijn voor de taak, die zij zich voorgeschreven had: ontwikkeling van geest en gemoed der Javaansche vrouw om haar geschikt te maken voor de opvoeding van hare kinderen. Maar daarnaast ook: vrijmaking van het Javaansche meisje ten opzichte van den huwelijksdwang, en in verband hiermede het zich vrij bewegen in de maatschappij.

Zij wilde hierdoor bereiken, dat de vrouwen, meer dan nu het geval is, de waardige gezellinnen zouden zijn van de steeds meer in ontwikkeling vooruitgaande mannen.

Intusschen, hoe krachtig zij ook den innerlijken drang gevoelde, zij wilde haren geliefden vader geen verdriet doen.

Treffend is dan ook de beschrijving der verhouding tusschen vader en dochter, die slechts op één punt niet overeenstemden, het zich gehéél vrijmaken van de oude gewoonten.

En dit is zoo volkomen te begrijpen, wanneer men bedenkt dat R.A. Kartini weer een geslacht verder van het oude stond dan haar vader.

Deze was als zoon van den ouden Pangeran van Demak, geheel in Nederlandschen geest opgeleid, evenals zijne broeders, van wie thans nog alleen de Regent van Demak, Pangeran Ario Hadiningrat, in leven is. Hoe vrijzinnig ook in zijne opvattingen, kon de Vader er toch nog niet toe komen zich nog meer te ontworstelen aan de overleveringen der Javaansche maatschappij dan hij, ter wille van zijne dochters, reeds gedaan had.

In R.A. Kartini's geest bestond de scheidsmuur tusschen den ouden en jongen tijd niet meer, maar zij stootte zich toch in werkelijkheid daartegen, telkens wanneer zij bemerkte, dat zij niet dadelijk allen die haar lief waren, kon overreden.

Zóó is het altijd geweest, en zóó zal het wel te allen tijde blijven, wanneer baanbrekers rekening moeten houden met hen, die zich nog niet, of nog niet geheel, hebben kunnen losmaken van de begrippen uit vroeger jaren.

R.A. Kartini schudde echter niet vergeefs aan den scheidsmuur: het gelukte haar niet alleen haren Vader, maar ook hare Moeder, de Raden Ajoe, in hoofdzaak te overtuigen, althans te verzoenen met het denkbeeld dat hare dochters wilden breken met het oude.

De Raden Ajoe heeft ten slotte meer sympathie betoond met de vooruitstrevende denkbeelden harer dochters, waardoor zij hare kinderen dichter tot zich bracht. En den eenmaal ingeslagen weg is zij blijven bewandelen tot op dezen dag.

Ook R.A. Kartini's oudere zuster, veel vroeger gehuwd, die aanvankelijk scherp tegenover haar stond, werd overtuigd, evenals de broers.

En het is wel te verwachten dat hoe langer hoe meer hare beginselen zullen zegevieren, en zij niet vruchteloos gearbeid en geleden zal hebben.

R.A. Kartini's hart trok al spoedig naar het Europeesche deel van Groot-Nederland; zij wenschte gedachtenwisseling met meisjes in Europa, en plaatste, tot dit doel, eene uitnoodiging in een der dames-tijdschriften. Zoo begon hare briefwisseling met Mejuffrouw Estelle H. Zeehandelaar, thans Mevrouw Hartshalt. Al spoedig ontstond tusschen de twee meisjes—zonder elkaar ooit te hebben gezien—een toon van groote vertrouwelijkheid.

Met tal van andere personen heeft R.A. Kartini briefwisseling gevoerd. Van enkelen, wier namen mij bekend werden, mocht ik brieven ter inzage krijgen met vrijheid de hiervoor geschikte gedeelten te doen overschrijven en uit te geven.

Mijne echtgenoote, mijn zoon E.C. en ik ontvingen ook tal van brieven. Op gelijke wijze zijn daaruit gedeelten overgenomen en gerangschikt.

Alles verschijnt thans naar volgorde van tijd. Een Romeinsch cijfer (I tot X) achter de dagteekening der brieven komt overeen met de namen op een blad na de inleiding aangegeven.

Dat ik door de uitgave van deze brieven geen onbescheidenheid bega, zal in de eerste plaats blijken uit verscheidene bladzijden daarvan, welke er op wijzen, dat het geheel in den geest is van de schrijfster wanneer hare denkbeelden het licht zien.

Verder heb ik de volle toestemming verkregen van Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat, Regent van Rembang, met wien R.A. Kartini gehuwd was, van hare Moeder, de Raden Ajoe Adipati Ario Sosroningrat, weduwe van haren kort na haar overleden Vader. Ik weet ook dat bij hare zusters en broers geen bezwaar bestaat.

En eindelijk, ik ben vast overtuigd dat het bekend worden van hare gedachten veel zal kunnen bijdragen tot verwezenlijking van hetgeen haar zoo na aan het hart lag.

Ik maak niet alle brieven openbaar, die mij werden toevertrouwd, en ook niet alles daarvan. Slechts die gedeelten liet ik overschrijven welke ik dacht dat de schrijfster voor openbaarmaking geschikt zou hebben geacht. Alleen de allerlaatste brieven geef ik bijna in hun geheel, daar zij als 't ware een afscheidsgroet zijn aan het leven.

Uit de niet afgedrukte brieven zijn enkele korte gedachten bijeengebracht, die op de brieven volgen, alsmede een gedicht door de schrijfster in een tijdschrift geplaatst.

Nog enkele mededeelingen over het boekdeeltje zelf.

De photo's stellen voor de Regentswoning te Japara, waar R.A. Kartini de jaren van strijd doorleefde, en enkele andere plekjes van "het vergeten uithoekje", daarbij in het bijzonder haar geliefd "Klein Scheveningen", waar zij oogenblikken doorbracht van zieleleed, maar ook van dankbare levensvreugde. Verder van de Regentswoning te Rembang, waar zij iets meer dan een jaar een gelukkig leven leidde, waar haar zoontje Raden Mas Sienggih geboren werd, en waar zij vier dagen na diens geboorte, slechts 25 jaren oud, uit dit leven werd weggeroepen. Deze photo en die van haar graf, mocht ik van haren echtgenoot voor dit boekwerkje ontvangen. Ik dank er hem te meer voor, omdat hij geen beter bewijs had kunnen geven dat de uitgave der brieven zijne volle goedkeuring wegdraagt, blijkbaar omdat ook hij overtuigd is dat zij zullen helpen tot stand brengen wat de schrijfster zich voor oogen stelde. Ik betuig ook om eene andere reden mijne groote erkentelijkheid, en wel voor het vertrouwen in mij gesteld, om zonder eenige beperking, verlof te geven tot deze uitgave.

Het Javaansche grafschrift is door de vriendelijkheid van den broeder der schrijfster, Raden Mas Pandji Sosro Kartono, in Latijnsch karakter overgebracht en vertaald. Het luidt als volgt:

{Kangdjeng Raden Ajoe

1 {

{Adipati Djojo Hadiningrat.


2 Wijossan ipoen.


{28 Rabingoelakir 1808.

3 {

{21 April 1879.


4 Soeroed ipoen


{7 Redjeb 1834,

5 {

{17 September 1904.

{Kangdjeng Raden Ajoe Adipati

1 {

{Djojo Hadinningrat.


2 Geboorte (verjaardag)


{28 Rabingoelakir 1808 =

3 {

{21 April 1879.


4 Overlijden.


{7 Redjeb 1834 =

5 {

{17 September 1904.

Het portret van de schrijfster, met hare handteekening, komt voor op een groepje van het "klaverblaadje", dat zij ons in 1902 toezond.

De vignetten zijn penteekeningen naar eigen potloodschetsen vervaardigd door "Moedertje" (VIII), die voor het eerst zich aan dergelijke teekeningen waagde uit liefde voor de schrijfster.

De slotfiguren der hoofdstukken zijn gemaakt naar photo's van Javaansche kunstnijverheidsvoorwerpen, opgenomen door "broer Edie". Het schilderijtje op blz. 86 en de sarong op blz. 338 zijn door de schrijfster vervaardigd.

Aan de uitgave is toegevoegd eene nota, door R.A. Kartini opgesteld, mij daartoe welwillend afgestaan door Mevrouw A. Buyn, geboren Glaser, die vroeger als hulponderwijzeres te Japara eene vriendin was van het klaverblaadje.

Het doel der uitgave is, naast het wekken van sympathie, het verkrijgen van veler medewerking tot oprichting van eene kost- en dagschool voor dochters van Inlandsche hoofden, zooals de schrijfster zich die gedacht had; voorloopig op kleine schaal, langzaam zich uitbreidende door eigen kracht. Aan die school mag niet ontbreken de gelegenheid om zich te bekwamen voor de hulpakte bij het Inlandsch onderwijs.

Alles wat mij door den uitgever wordt uitgekeerd, is bestemd voor de Raden Adjeng Kartini-school, waarvan reeds de eerste financiëele steen gelegd is.

Overigens is het mijn voornemen om na de verschijning eenige dames uit te noodigen tot het vormen van eene commissie, die zich wil belasten met het bijeenbrengen van verdere fondsen tot stichting van de school in een nader te bepalen, gezonde plaats in Midden-Java. Bij het door particulieren bijeengebrachte, zal, hoop ik, de Regeering bereid worden bevonden een subsidie te voegen.

Het telegram dat den plotselingen dood kwam melden op 17 September 1904, gaf ons eene diepe smart, zooals men die slechts gevoelt bij het heengaan van de liefste betrekkingen. Wat bij andere vrienden omging, kan men lezen in de Hollandsche Lelie van 30 November 1904, waar mevrouw Ovink—Soer een uitvoerig en teeder in "memoriam" schreef. Aan het slot daarvan zeide zij van hare lieve Kartini: "Ik heb nooit anders gezien dan je gouden hart. Je waart immer vol zelfopoffering en dienende liefde, anderer geluk en welzijn ging je steeds boven eigen. Moge de zoon, dien je naliet, niet alleen een ontwikkeld, begaafd man, maar bovenal een edel mensch worden als zijn moeder was. Mij zal je nagedachtenis immer in dierbare herinnering blijven."

Ook Augusta de Wit wijdde een levensschets aan haar in een der dagbladen, en Mevrouw Nellie van Kol richtte een gevoelvol schrijven tot den Regent Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat, dat op dringend verzoek van de redactie der Locomotief te Semarang, openbaar werd gemaakt. De grondtoon daarvan is, dat Raden Mas Sienggih moge opgroeien tot een man, waardig zijne onvergetelijke Moeder.

Aan het toen gezegde zal ik slechts weinig toevoegen. De gedachten van de edele strijdster voor recht en vooruitgang, die thans ieder zal kunnen lezen en naar waarde schatten, zullen voor haar spreken.

Bij allen zal wel dezelfde treurige gedachte opkomen, hoe zij, die haar leven had willen geven aan de ontwikkeling van haar volk, haar eigen kindje slechts enkele dagen mocht verzorgen. Maar hare nagedachtenis zal hem doordringen van de hooge plichten die op hem rusten.

Gezegend zal haar naam blijven onder de Javanen en de andere volkeren van den Archipel, voor wie zij is geweest als de rozenvingerige Aurora, wijzende uit de duisternis naar het morgenlicht van den vooruitgang, die alleen te verkrijgen is door verheffing van geest en gemoed.

Gezegend zal haar naam ook zijn onder het blanke ras, dat zij door hare denkbeelden nader heeft gebracht tot het hare.

'S-GRAVENHAGE, April 1911.

MR. J.H. ABENDANON.

VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Inhoudsopgave

De eerste druk, met zooveel zorg door de N.V. voorheen G.C.T. van Dorp & Co. uitgegeven, was in enkele maanden uitverkocht. Toch had deze uitgeefster bezwaar, over te gaan tot een tweeden goedkooperen druk, uit vrees voor finantieele schade. Ik had toen het voorrecht, de Heeren H.M. d'Angremond en A.G. Rinders, Directeuren van de N.V. Electrische Drukkerij "Luctor et Emergo" te 's-Hage, bereid te vinden, onder voorwaarden, die het doel der uitgave zeer bevorderen. Ook deze druk toch geschiedt geheel in het belang van de oprichting der Raden Adjeng Kartini-School.

De wijze waarop de denkbeelden der onvergetelijke schrijfster ontvangen zijn, stemt tot groote vreugde. Er spreekt uit de beoordeelingen zooveel sympathie voor het streven van Raden Adjeng Kartini, dat de belangen, die zij zoo geestdriftig voorstond —de toekomst der inheemsche bevolking van Insulinde en van de vrouw in het bijzonder—een grooten stap voorwaarts hebben gedaan.

De eerste, die meer uitvoerig dit streven besprak, was de Heer Mr. C. Th. van Deventer, in zijn bekend Gids-artikel met het eenvoudige opschrift "Kartini". Keurig van vorm en krachtig van inhoud, roept dit artikel allen op tot medewerking.

Behalve op talrijke aankondigingen in dagbladen en tijdschriften, die ik niet afzonderlijk vermeld uit vrees voor onvolledigheid, valt te wijzen op eene sedert in het licht gegeven rede in de Indische Vereeniging van den Heer Raden Mas Noto Soeroto, welke aan Raden Adjeng Kartini een juichkreet zou hebben ontlokt.

Van Hare Majesteit de Koningin-Moeder mocht ik enkele dagen na de verschijning van het werk eene geldelijke bijdrage ontvangen als blijk van instemming en belangstelling in de op te richten school.

Van Z.E. den Gouverneur-Generaal, den Heer A.W.F. Idenburg, kwam een brief, waarin steun wordt beloofd voor de school.

In gelijken zin uitte zich Z.E. de Minister van Koloniën, de Heer J.H. de Waal Malefijt, naar aanleiding van een vraag in de Tweede Kamer van den Heer Mr. Th.H. de Meester.

Van verschillende zijden werden bijdragen en toezeggingen ontvangen.

Mogen alle pogingen met goeden uitslag bekroond worden!

Maart 1912.

J.H.A.

VOORWOORD BIJ DEN DERDEN DRUK.

Inhoudsopgave

Het stemt tot groote blijdschap, dat nu reeds, zeven maanden na het verschijnen van den tweeden druk (3000 exemplaren), een derde noodig is. Ook deze komt ten bate van de Raden Adjeng Kartini-school.

Over de plannen zal zoo spoedig mogelijk in het openbaar mededeeling worden gedaan, terwijl allen in de gelegenheid zullen zijn van hunne belangstelling te doen blijken.

Het register dat voor het eerst aan den tweeden druk werd toegevoegd, is samengesteld en tot openbaarmaking afgestaan door den Heer A.J.H. Engelenberg, Oud-Resident van Djambi. Door bijzondere omstandigheden kon dit niet meer in den vorigen druk worden vermeld. Het geschiedt thans, met betuiging van groote erkentelijkheid.

Deze strekt zich mede uit tot de velen, die inmiddels van hunne instemming met deze uitgave en de voorgenomen school hebben doen blijken.

Het zal zeker met diep leedwezen worden vernomen, dat op 23 Mei j.l. ook Raden Adjeng Kartini's echtgenoot Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat overleden is. Hij werd als Regent van Rembang opgevolgd door zijn oudsten zoon Raden Mas Iskander Abdul Karnen, die met liefde en toewijding voor zijne jongere broers en zusters zorgt, en dus ook voor Kartini's zoontje, Raden Mas Sienggih, die thans reeds acht jaren telt en de Europeesche school te Rembang bezoekt.

J.H.A.

'S-GRAVENHAGE, 20 November 1912.

JAPARA, 25 Mei 1899. (I.)

Ik heb zóó verlangd kennis te maken met een "modern meisje", het fiere, zelfstandige meisje, dat zoo ten volle mijne sympathie heeft, dat met vluggen, flinken tred haar weg door 't leven gaat, vroolijk en opgeruimd, vol geestdrift en warm gevoel, arbeidend niet voor eigen heil en geluk alleen, doch ook zich gevend aan de groote Maatschappij, werkend tot het heil van vele medemenschen. Ik gloei van geestdrift voor den nieuwen tijd en ja, ik kan wel zeggen, dat wat denken en voelen betreft, ik den Indischen tijd niet meeleef, doch geheel die mijner vooruitstrevende blanke zusters in het verre Westen.

En als de wetten van mijn land zulks zouden toelaten, zou ik niets liever willen en doen, dan me geheel te geven aan het werken en streven van de nieuwe Vrouw in Europa. Eeuwenoude tradities echter, die niet zoo maar af te breken zijn, houden ons in haar stevige armen gekluisterd. Eens ja, zullen die armen ons loslaten, maar die tijd ligt nog verre van ons—zoo eindeloos ver! Hij zàl komen, dat weet ik, doch eerst drie, vier geslachten na ons. O! U weet niet wat 't is den jongen, den nieuwen tijd, úw tijd, lief te hebben met hart en ziel, terwijl je nog aan handen en voeten gebonden, vastgeketend bent aan de wetten, gebruiken en gewoonten van je land, waaraan 't niet mogelijk is te ontkomen. En de gebruiken en gewoonten van ons land staan lijnrecht tegenover het nieuwe, dat ik graag in onze Maatschappij zou ingevoerd zien. Dag en nacht peins en zin ik op middelen om tòch aan de strenge zeden en gewoonten van mijn land te kunnen ontsnappen, doch ... de oude Oostersche tradities zijn wel hecht en sterk, maar ik zou ze toch van mij kunnen afschudden, verbreken,—ware het niet, dat een andere hechtere en sterkere band dan eenige eeuwenoude traditie mij aan mijne wereld bond: de liefde, die ik heb voor hen, die mij het aanzien schonken, aan wie ik àlles, àlles te danken heb. Mag ik, heb ik het recht wel, om hen, die mij mijn leven lang niets dan liefde en goedheid betoonen en mij omringen met de trouwste zorgen, het hart te breken? Hunne harten zou ik breken, wanneer ik aan mijn verlangen toegaf en deed waar heel mijn wezen naar smacht, bij iederen polsslag, bij elke ademhaling.

't Waren de stemmen niet alleen, die van buiten, van het beschaafde, het herboren Europa tot me doordrongen, die me naar verandering der nu bestaande toestanden deden verlangen. Reeds in mijne kinderjaren, toen het woord "emancipatie" nog geen klank, nog geen beteekenis voor mijne ooren had, en geschriften, en werken, die het daarover hadden, ver buiten mijn bereik waren, ontwaakte in mij een verlangen, dat gaandeweg grooter en grooter werd: het verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid, zelfstandigheid. Toestanden in mijne directe en indirecte omgeving, die mijn hart braken, en deden schreien van nameloos verdriet, riepen het wakker.

En de stemmen, die voortdurend van buiten al luider en luider tot mij kwamen, deden het zaad, hetwelk het diep medevoelen van het leed van anderen, die ik innig liefheb, in mijn hart legde, ontkiemen, wortel schieten, welig groeien en tieren.

Maar hierover voorloopig niet verder—een anderen keer meer. Nu wil ik u het een en ander van mijn persoon vertellen, ter kennismaking. Ik ben de oudste of eigenlijk de tweede dochter van den Regent van Japara en heb vijf broers en zusters—wat een weelde, hé? Wijlen mijn grootvader, Pangeran Ario Tjondronegoro van Demak, die een groot voorstander was van den vooruitgang, was de eerste Regent op Midden-Java, die zijn huis ontsloot voor den gast van ver over zee: de Westersche beschaving. Al zijn kinderen, die allen eene Europeesche opvoeding genoten, hebben of hadden (velen dezer zijn er niet meer) de liefde voor den vooruitgang van hunnen vader overgeërfd, en deze gaven op hun beurt hun kroost dezelfde opvoeding, die zij zelf genoten hadden. Vele mijner neven en al mijne oudere broers hebben de H.B.S. doorloopen—de hoogste inrichting van onderwijs, die wij hier in Indië hebben, en de jongste mijner drie oudere broers bevindt zich sedert ruim drie jaren ter voltooiing zijner studiën in Nederland, de twee anderen zijn in 's Lands dienst. Wij meisjes, geketend als we nog zijn aan oude gebruiken en gewoonten, hebben slechts povertjes mogen profiteeren van den vooruitgang, wat 't onderwijs betreft.—'t Was al een heel groot vergrijp tegen de zeden en gewoonten van mijn land, dat wij meisjes uit leeren gingen en daarvoor eiken dag het huis verlaten moesten om de school te bezoeken. Zie, de adat van ons land verbiedt meisjes ten strengste uit hun huis te komen. Naar een andere plaats gaan mòchten wij niet—en de eenige inrichting van onderwijs, die ons stadje rijk is, is maar een gewone openbare lagere school voor Europeanen. Op mijn twaalfde jaar werd ik thuis gehaald—ik moest de "doos" in; ik werd in huis opgesloten in algeheele afzondering van de buitenwereld, waarin ik niet eer terug mocht keeren, dan aan de zijde van een echtgenoot, een wildvreemden man, dien onze ouders voor ons uitkiezen en met wien we getrouwd worden feitelijk zonder dat wij het weten. Europeesche vrienden—dit heb ik eerst heel later gehoord—hadden al 't mogelijke beproefd om mijne ouders tot andere gedachten te brengen, tot intrekking van het voor mij, jong en levenslustig kind, zoo wreed besluit, maar zij hadden niets kunnen verkrijgen—mijne ouders waren onverbiddelijk—, ik ging mijn gevangenis in. Vier lange jaren heb ik tusschen vier dikke muren doorgebracht, zonder ooit iets van de buitenwereld te zien.[1]

Hoe ik dien tijd doorkwam, weet ik niet—ik weet alleen maar, dat hij verschrikkelijk was.

Een groot geluk was het voor me, dat de lectuur van Hollandsche boeken en de correspondentie met Hollandsche vrienden mij niet ontzegd waren. Deze waren de eenige lichtpunten in dien naren, somberen tijd. Zij waren mijn àlles—zonder die twee zoude ik misschien omgekomen zijn of erger nog dan dat—mijn ziele, mijn geest zouden gestorven zijn. Maar de tijdgeest, mijn helper en beschermer, liet overal zijne dreunende stappen hooren; trotsche, hechte, oude gebouwen waggelden bij zijne nadering op hunne grondvesten—stevig gebaricadeerde deuren sprongen, de een als van zelf, de ander met veel moeite open, maar open gingen ze toch, en lieten den onwelkomen gast binnen. En waar hij is geweest, liet hij sporen achter.

Op mijn 16e jaar eindelijk zag ik voor 't eerst de buitenwereld weer. Goddank! Goddank! ik mocht mijn kerker verlaten als een vrij mensch, en niet geketend aan een mij opgedrongen echtgenoot. Na zes maanden zag ik voor den tweeden keer de buitenwereld terug; daarna volgden verschillende gebeurtenissen elkaar op, die ons meisjes al meer en meer onze verloren vrijheid hergaven; en verleden jaar met de inhuldiging onzer jonge Vorstin schonken onze ouders ons "officiëel" de vrijheid terug. Voor het eerst van ons leven mochten wij de stad onzer inwoning verlaten en meê naar de hoofdplaats gaan om daar àl de festiviteiten bij te wonen, die ter eere van de Koningin waren aangelegd. Alweêr een héél, héél groote overwinning, die wij zeer op prijs mogen stellen, wat wij dan ook doen. Dat jonge meisjes van onzen stand zich in het publiek vertoonen is hier een ongehoord iets, de "wereld" stond er verbaasd over. Lieve tongetjes raakten over dit ongehoord feit druk in beweging, mijne Europeesche vrienden juichten, en wij, wij waren er den koning te rijk meê!

Maar tevreden ben ik niet, nog in lange niet. Verder, immer verder wil ik! Neen, geen feesten, geen pretjes naloopen heb ik ooit begeerd, is ooit de bedoeling geweest van mijn verlangen naar vrijheid. Vrij verlangde ik te zijn, om me zelfstandig te mogen, te kunnen maken, om van niemand afhankelijk behoeven te zijn, om ... om nòòit te moèten trouwen.

Maar trouwen moeten we, moèt, moèt. Niet trouwen is de grootste zonde, die een Mohammedaansche kan begaan, is de grootste schande die voor een Inlandsch meisje en hare familie bestaat.

En het huwelijk hier, o, ellendig is hier nog een tè zachte uitdrukking voor! Hoe kan het ook anders zijn, als de wetten zijn gemaakt àlles voor den man en nièts voor de vrouw? als wet en leer beide zijn vóór den man—als hem àlles, àlles is geoorloofd?

Liefde! wat weten wij hier van liefde?—Hoe kunnen wij een man en een man ons liefhebben, als wij elkaar niet kennen, ja zelfs niet zien mogen? Jonge meisjes en mannen worden in strenge afzondering van elkaar gehouden.

Ja, heel graag zou ik alles van uwe betrekking willen vernemen, zij lijkt mij zeer interessant toe. En wilt u me dan ook vertellen van de voorbereidende studies, die haar voorafgingen? Ook heel erg graag zou ik meer van uwe Toynbee-avondjes willen vernemen, evenals van den geheel-onthoudersbond, waarvan u zoo'n ijverig lid is. Dit alles hebben wij in Indië niet. Maar ik stel daar warm belang in. Zou u mij later niet eens zoo'n Toynbee-avondje willen beschrijven? Ik verlang er werkelijk naar, wat meer van dezen arbeid van naastenliefde te vernemen, dan wat de dagbladen en tijdschriften me vluchtigjes er over vertellen.

In de Inlandsche maatschappij hebben we Goddank, nog den drankdemon niet te bestrijden—maar ik vrees, ik vrees, dat als eenmaal—vergeef me—de Westersche beschaving hier burgerrecht heeft verkregen, wij ook met dat kwaad te kampen zullen hebben. De beschaving is een zegen, maar zij heeft ook haar schaduwzijden. De zucht tot naäperij is den mensch aangeboren, geloof ik. Het volk doet de gewoonten van den goeden stand na, deze op zijn beurt van een nog beteren stand, en deze eindelijk van de allerbesten—de Europeanen.

Het is geen ècht feest, wanneer er niet bij gedronken wordt. Tegenwoordig ziet men bij feestvierende Inlanders—zoo dezen niet streng godsdienstig zijn—en de meeste Inlanders zijn enkel Mohammedanen, omdat hun vader, grootvader en verdere voorzaten Mohammedanen waren—in werkelijkheid zijn ze niet meer of minder dan heidenen—steeds één of meer vierkante flesschen die dan niet zuinig door hen aangesproken worden.

Een kwaad, erger, grooter nog dan de alcohol, is er hier! Het is opium. O! wat een ellende dat afschuwelijk goed over mijn land, over mijn volk heeft gebracht is niet te zeggen. Het opium is de pest van Java. Ja, erger nog dan de pest is 't opium. De pest is niet altijddurend, vroeg of laat zal zij wijken, maar het kwaad door opium gesticht wordt gaandeweg grooter en grooter, breidt zich hoe langer hoe meer uit en zal niet, nooit verdwijnen, eenvoudig omdat het is beschermd door het Gouvernement! Hoe grooter het verbruik van opium op Java is, des te voller zal de schatkist zijn. De opiumpacht is één der rijkste bronnen van inkomst der N.-I. Regeering. Wat geeft het of het volk er wèl of niet bij vaart?... de Regeering vaart er wèl bij, dat is het voornaamste. De vloek van het volk vult den buidel der Ned.-Indische Regeering met tonnen, met millioenen gouds.

Velen zeggen, dat het gebruik van opium geen kwaad is, maar die dat beweren hebben Indië nooit gezien of zijn ziende blind.

Geen kwaad!—Wat zijn dan de talrijke moorden, brandstichtingen, diefstallen, die onmiddellijk het gevolg zijn van het gebruik van opium? Neen, opiumschuiven is geen kwaad, zoolang je het kan doen, je geld hebt, om dat vergift te koopen; maar wanneer je het niet kan doen, je geen geld hebt om het te koopen en je bent een verslaafd schuiver, dan ben je gevaarlijk, dan ben je verloren. De honger in je maag kan je tot een dief maken, maar de honger naar opium maakt je tot een moordenaar. Men zegt hier: "Eerst geniet je van het opium, maar op het laatst verslindt het opium je." En dit is heel, heel waar!

O God, o God! 't is ellendig om zooveel kwaad om je heen te zien en onmachtig te zijn iets daartegen te doen!

Het heerlijk mooi boek van Mevrouw Goekoop genoot ik in zijn geheel en wel drie keeren. Ik ben er niet moe van geworden —het boek wordt mij bij elke herlezing juist des te liever. Wat zou ik er voor willen geven om in Hilda's tijd meê te mogen en te kunnen leven. O! waren wij in Indië maar al zoo ver, dat een boek zulk een geweldigen storm kon veroorzaken, als Hilda van Suylenburg het deed en nog steeds doet in uw land! Ik zou dan niet rusten, voor H.v.S. in mijn taal verscheen om in de Inlandsche wereld goed en desnoods kwaad te doen. Onverschillig, goed of kwaad, als het maar indruk maakt, is 't goed, want het is een bewijs, dat men niet meer slaapt. Java is nog in diepen sluimer. En hoe wil ik toch, dat wij wakker zijn, als zij die ons tot voorbeeld moesten zijn, de rust, den slaap zelf nog liefhebben? Een feit is het, dat het meerendeel der Europeesche vrouwen (ik spreek hier niet van de Hollandsche vrouwen, die hier zijn) in Indië weinig of niets geeft om het werken en streven harer blanke zusters in het Vaderland. En de jongste gebeurtenis in de Hollandsche vrouwenwereld heeft dit feit bevestigd. Werd niet door de Ned.-Indische dames kranig (!!!) deelgenomen aan de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Nederland? Wij ook hadden eene uitnoodiging gekregen om mede daaraan te werken, hetgeen we volgaarne aannamen. Het grootsche vrouwenwerk had mijn gansche sympathie, wij gloeiden voor de goede zaak, voor het edele streven der moedige vrouwen in uw land, en waren in-gelukkig, dat we een zaadkorreltje konden, mochten bijdragen tot het vormen van den reuzenberg, die den vrouwen, blank en ook bruin, zàl en moet ten zegen zijn.

Wij kregen ook prikkaarten. Bij mijn eigen landgenooten was het geen doen om ook maar een enkel prikje op de kaart te krijgen. Hoe wij hun de zaak ook uitlegden en verklaarden, men kon en wilde ons maar niet begrijpen. Ten einde raad liepen we toen maar gewoonweg bij de Europeanen aan om hulp. Aan bekende en onbekende dames zonden wij kaarten en schreven wij brieven om medewerking.

Het was wel wat gewaagd van ons—wij Javanen gingen bij Europeanen spreken voor een Europeesche zaak, wat een pretensie!—men kon het ons eens heel kwalijk nemen, maar aan dat alles dachten we niet; we hadden slechts één gedachte, één doel, de zaak waar wij met heel ons hart aan hingen te dienen met al ons vermogen. En—men hielp ons flink! Ze vonden het blijkbaar aardig, dat wij Javaantjes hun hulp vroegen en misschien.... Genoeg, men had ons heerlijk aan prikken geholpen; zelfs zij, die gezworen hadden, nièts voor de tentoonstelling te willen doen, lieten zich overhalen de koorden hunner beurzen wat losser te maken.

Slechts één dame nam ons optreden kwalijk—maar daar stoorden wij ons niet aan.

En al is naderhand onze medewerking aan de tentoonstelling minder aangenaam voor ons geëindigd, toch hebben wij geen enkel oogenblikje spijt gehad, dat wij deel hebben genomen aan dien Arbeid.

Vertel u mij veel, veel van het werken en streven, het denken en voelen der hedendaagsche vrouwen in Nederland. Wij stellen in àlles levendig belang, wat aangaat de Vrouwenbeweging!

Ik ken geen der moderne talen, helaas!—de adat gedoogt niet, dat wij meisjes meer talen leeren—het is al erg genoeg, dat wij Hollandsch kennen. Ik verlang met hart en ziel de talen te kennen, minder om die talen te kunnen spreken, maar wel om vele mooie werken van buitenlandsche auteurs in het oorspronkelijke te kunnen genieten.

Nietwaar, al is een vertaling ook nog zoo goed, het kan 't tòch niet bij het oorspronkelijke halen; dit is altijd beter, mooier; Wij houden heel veel van lectuur, mooie werken te lezen is ons grootste genot. Wij, dat zijn de jongere zusters en ik. Wij drieën zijn samen opgegroeid en steeds om en bij elkaar. Wij verschillen met elkaar ieder een jaar in leeftijd. Tusschen ons drietjes bestaat de meest harmonische eendracht; natuurlijk hebben wij wel eens een enkelen keer verschil van meening, maar dit verzwakt in geenen deele den band, die ons zusters samen bindt. De kleine oneenigheidjes zijn juist heerlijk, vind ik—ik bedoel de verzoeningen, die daarop volgen. Het is de grootste leugen, die er bestaat, vindt u ook niet, als men beweert, dat twee menschen steeds in àlles dezelfde meening zijn toegedaan —'t kàn niet—of men moet huichelen.

Ik heb u nog niet verteld, hoe oud ik ben. Verleden maand ben ik juist 20 geworden. Vreemd, dat toen ik 16 jaar oud was, ik mij-zelf zoo vreeselijk oud vond en zoo dikwijls zwaarmoedige buien had; en nu, nu ik twee kruisjes achter den rug heb, voel ik mij zoo jong en ben ik een en al levenslustig en ... ook strijdlustig.

Noem mij maar Kartini—zoo heet ik. Wij Javanen hebben geene familienamen. Kartini is mijn van en voornaam tegelijk, en wat dat Raden Adjeng betreft, die twee woordjes drukken den titel uit. Ik kon, toen ik Mevrouw van Wermeskerken mijn adres opgaf, toch niet enkel Kartini zeggen, dat zou men in Holland zeker vreemd vinden, en een mejuffrouw of iets dergelijks er voor te schrijven, wet daar heb ik geen recht op—ik ben maar een Javaan.

Nu weet u voorloopig van me genoeg, niet waar? Een volgende keer vertel ik u van ons Indisch leven.

Wilt gij over den een of anderen Indischen toestand ingelicht zijn, meld het mij dan; gaarne ben ik bereid u alle mogelijke inlichtingen te geven over mijn land en volk.

Wat ik graag zou weten—kent u Mevrouw Goekoop persoonlijk? Zoo ja, wilt u mij later dan eens het een en ander van haar vertellen? Ik stel warm belang in deze hoogstaande, moedige vrouw, die zoo ten volle mijne sympathie heeft.

[1] Men zie de toelichting op bladz. 16 door de schrijfster zelve gegeven.

18 Augustus 1899. (I.)

Dank, innig dank voor je heerlijk langen brief, voor je lieve, hartelijke woorden, die mij het hart verwarmen en verkwikken!

Zal ik bij nadere kennismaking je niet tegenvallen? Ik heb je al gezegd, ik weet zoo bitter weinig, en ken niets, niets! Naast jou voel ik mij geheel in 't niet verzinken. Je bent wel goed ingelicht over de Javaansche titels.

Vóór jij mij er over schreeft, heb ik nooit over 't feit nagedacht, dat ik, zooals je zegt, van "hooge geboorte" ben. Of ik een prinses ben? Evenmin als jij. De laatste vorst in ons huis, waarvan wij in de mannelijke linie lijnrecht afstammen, is geloof ik al eventjes 25 geslachten ver. Mama, die is nog nauw verwant aan het vorstenhuis van Madoera. Haar overgrootvader was een regeerend vorst en hare grootmoe eene erfvorstin.

Maar om dit alles geven we geen zier. Voor mij bestaan er slechts twee soorten aristocratie: de aristocraat van den geest en de gemoedsadel. Ik vind niets zotter, niets dwazer dan wanneer ik menschen zie, die zich zoozeer op hunne zoogenaamde "hooge geboorte" laten voorstaan. Wat voor een verdienste steekt er toch in een graaf of baron te zijn? Ik kan er met mijn klein verstand niet bij.

Adel en edel, tweelingswoorden van nagenoeg denzelfden klank en geheel denzelfden zin! Arme tweelingen! hoe wreed is 't leven voor u, dat u haast altijd meedoogenloos van elkaar gescheiden houdt!

Als adel eens altijd was, wat 't beteekent, ja, dan zou ik 't een eer vinden een hooggeborene te zijn. Maar nu?

Ik weet nog, hoe nijdig we waren, toen verleden jaar de Haagsche dames op de Vrouwenarbeidtentoonstelling ons noemden "de prinsessen van Japara".

In Holland schijnt men te denken, dat al wat uit Indië komt, en geen "baboe" of "spada" is, een prinses of prins moet zijn.

Europeanen hier in Indië, slechts weinigen noemen ons "Raden Adjeng", spreken ons meestal aan met "freule". Ik kan er vaak wanhopig onder worden. Ik weet niet, hoeveel keeren ik hun niet gezegd heb, dat wij geen freules en nog minder prinsessen zijn, maar men luistert gewoon niet naar me en blijft ons halsstarrig "freule" noemen.

Zoo onlangs kwam hier een Europeaan, hij scheen wat van ons gehoord te hebben, althans hij vroeg onzen ouders aan de "prinsessen" voorgesteld te mogen worden. Dit werd hem toegestaan en o, we hadden dolle pret!

"Regent", sprak hij zacht tot Pa, maar toch duidelijk verstaanbaar voor ons—er lag zulk een teleurstelling in zijne stem—"prinsessen, ik dacht aan schitterende kleeding, fantastische Oostersche pracht, en Uwe dochters zijn zoo eenvoudig." Met moeite konden wij een glimlach onderdrukken, toen wij dit hoorden. Lieve hemel, in zijn heilige onschuld had hij ons het grootste compliment gemaakt, dat iemand ooit bij ons afsteken kon. O, je weet niet, welk een plezier hij ons deed met onze kleeding simpel te vinden, wij zijn zoo dikwijls bang nuffen en ijdeltuitjes te zijn.

Lieve Stella, ik ben hartelijk blij, dat je mij gelijk je Hollandsche vriendinnen beschouwt en daarnaar behandelt, en dan dat ik voor je een geestverwante ben. Ik wil niet anders, dan dat je mij steeds bij mijn naam noemt, en jij en je tegen me blijft zeggen. Zie maar hoe mooi ik je voorbeeld gevolgd ben.

Mocht je ergens in mijn brieven een enkelen keer eens een "gij" of een "u" aantreffen, beschouw dit dan niet als een stijfheid, maar als een vergissing.

Ook ik ben eene vijandin van stijfheid.

Wat geef ik om de vormen? Ik ben blij, dat ik die lastige Javaansche étiquette eens van mij afschudden kan—nu ik met je een praatje maak op 't papier. Die vormen, die wetjes, door menschen ingesteld, zijn me een gruwel! Je kunt je geen denkbeeld vormen, hoe lastig moeder étiquette in de Javaansche aristocratenwereld huishoudt. Je kunt geen vin verroeren, of die nare dame staart je grimmig aan! Bij ons nemen wij 't zoo nauw niet op met al die vormelijkheden. Wij huldigen de gulden spreuk: "Vrijheid, blijheid!"

Onder ons, van mij af beginnend, laten wij alle vormen waaien, ons eigen gevoel moet 't ons maar zelf zeggen, tot hoever onze liberale neigingen gaan mogen.

Verschrikkelijk zijn eenvoudig de vormen bij ons Javanen.

Europeanen, jaren en jaren in Indië zijnde en veel met Inlandsche grooten in aanraking komende, kunnen maar geen steek vatten van de Javaansche étiquette, als ze hiervan niet een bijzondere studie maken. Dikwijls heb ik mijne vrienden dat alles moeten uitleggen, maar als ik na een uur of wat mijn keel schor heb gepraat, dan weten ze van onze vormen evenveel als een pas geboren kind.

Om je maar een klein ideetje te geven, hoe lastig onze étiquette is, zal ik je een paar staaltjes vertellen. Een jonger zusje of broertje van me mag mij niet voorbijgaan, of moet dit over den grond kruipende doen. Zit een zusje op een stoel, en ik passeer haar, dan moet zij zich onmiddellijk op den grond laten neerglijden en daar met gebogen hoofd blijven zitten, tot ik ver uit haar gezicht ben. Tegen mij mogen mijne jongere broers en zusters geen jij en je zeggen, en alleen in 't hoogjavaansch mogen ze mij aanspreken; en na elken volzin die hun van de lippen komt, moeten ze voor mij een "sembah" maken, dit is beide handen tegen elkaar slaan en even onder den neus brengen.

Spreken mijne zusjes en broertjes met andere menschen over mij, dan moeten zij alles in 't hoogjavaansch zeggen, wat mij toebehoort, zooals bijv. mijne kleeren, mijne zitplaats, mijne handen, voeten, oogen en alles wat van mij is.

Mijn eerwaardig hoofd is hun streng verboden aan te raken, en niet dan met mijne hooge permissie en na eenige malen een "sembah" gemaakt te hebben, mogen zij 't doen.

Staat er wat lekkers op tafel, de kleintjes mogen er niet aankomen, voordat 't mij behaagt daarvan wat te nemen.

O, je rilt bepaald, als je in zoo'n voornamen Inlandschen familiekring terecht komt. Praten tegen je meerderen doe je zoo zacht, dat alleen zij die ernaast staan 't hooren. Als eene jonge dame lacht, o hé, mag ze haar mond niet opendoen. (Lieve help, hoor ik je daar zeggen.) Ja, Stella, je zult meer vreemde dingen hooren, als je alles van ons Javanen weten wilt.

Loopt een meisje, dan moet zij dit bedaard doen, met kleine, nette stappen, o zoo langzaam als een slak; loop je een beetje vlug, dan schelden ze je uit voor een hollend paard.

Maar nu genoeg, vindt je dit alles niet eenig interessant? Tegen mijn oudere broers en zusters neem ik alle vormen trouw in acht, ik wil niemand iets tekort doen in zijn goed recht; maar van mij af beginnend breken wij geheel met alle vormen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap! De zusjes en broertjes gaan met mij en onder elkaar als vrije, gelijke kameraadjes om. Onder ons geen stijfheid, 't is enkel vriendschap en hartelijkheid wat je ziet in onze verhouding onderling. De zusjes zeggen jij en jou tegen mij en spreken dezelfde taal als ik. Eerst laakte men vreeselijk den vrijen, gelijken omgang tusschen ons broertjes en zusjes onderling; wij heetten "kinderen zonder eenige opvoeding," en ik was een "koeda koree," wild paard, omdat ik zelden liep, maar steeds sprong of huppelde; en waarvoor scholden ze mij ook weer uit, omdat ik zoo vaak schaterlachte en onbehoorlijk!!! veel van mijn tanden liet zien. Maar nu men ziet, hoe innig en prettig onze verhouding tot elkaar is, nu moeder étiquette voor onzen vrijheidszin op de vlucht is gegaan, benijdt men ons de harmonische eendracht, die vooral zoo sterk tusschen ons drieën heerscht.

O, Stella, je moest eens zien, hoe in andere kaboepatens de zusters en broers naast elkander leven! Ze zijn broers en zusters, omdat ze kinderen van dezelfde ouders zijn; geen andere band houdt hen samen, dan de band des bloeds. Zusters zie je naast elkaar leven, aan wie je behalve door een familietrek op beider gezichten somtijds niet zien kunt, dat ze wat voor elkander zijn.

Dank, lieve Stella, voor je mooi pluimpje, waarmee ik kinderlijk opgetogen ben. Ik heb je taal zoo oneindig lief en vanaf mijn schooljaren is 't mijn vurigste wensch altijd geweest, haar goed, werkelijk goed te kennen. Ik sta nog zoo ver van de vervulling van mijn hartewensch af,... maar dat ik een stapje naderbij gekomen ben, zegt mij uw zeer vleiend compliment. Aan mij is toch niets meer te bederven, thuis en door mijne vrienden en kennissen word ik dood verwend.

O, Stella, ik dank je zoozeer voor de vriendelijke gedachten, die je hebt voor ons Javanen. Van jou verwacht ik trouwens niets anders, dan dat voor jou alle menschen, blank en bruin, gelijk zijn. Van werkelijk beschaafde, ontwikkelde menschen hebben wij nooit wat ondervonden dan alleen goeds. Al zijn de Javanen nog zoo dom, onwetend, onbeschaafd, de garde, waartoe je behoort, zal in hen steeds medemenschen zien, die God schiep even goed als de beschaafden, en die ook, als zij een hart in hun lijf hebben en gevoelig zijn voor zieleaandoeningen, al blijft hun gelaat ook onbewegelijk en verraadt een blik noch gebaar hun innerlijk voelen.

Heeft je uittreksel van Hilda van Suylenburg jou mijne sympathie doen winnen, en je eerste brief de goede gevoelens, die ik je toedraag doen toenemen, je laatste schrijven verovert je een vaste, blijvende plaats in mijn hart.

Wij spreken thuis met elkaar Javaansch; Hollandsch alleen met Hollanders. Zoo nu en dan zeggen wij wel eens een Hollandsch zinnetje tegen elkaar, als er bijv. een aardigheid is, die niet vertaald kan worden, zonder veel van het humoristische te verliezen.

6 November 1899 (I.)

O, zeker Stella, kan ik mijn ouders nooit genoeg dankbaar zijn voor de vrije opvoeding, die zij mij gaven. Liever mijn heele leven strijd en moeilijkheden, dan niet gekend te hebben, al wat door mijne Europeesche opvoeding mijn leven vult. Ik weet, dat véél, véél strijd mij wacht, doch ik zie onbevreesd de toekomst in. Terug naar mijn oude omgeving kan ik niet, verder de nieuwe ingaan ook niet, nog duizend koorden ketenen mij aan mijn oude wereld vast. Hoe moet 't gaan? vragen al mijne Europeesche vrienden zichzelf af. Wist ik 't zelf maar, lieve menschen, ik zou 't u met plezier zeggen. Allen weten en begrijpen ze in welk een hachelijken toestand wij ons bevinden, en dan zegt men, dat 't verkeerd van mijn Vader was, om mij de opvoeding te geven, die ik kreeg. Neen! neen! niet op mijn liefsten Vader de schuld gegooid! Neen! en nog eens neen! Vader kon 't niet helpen, kon 't niet voorzien, dat de opvoeding, die Vader aan al zijne kinderen gaf, zulk een uitwerking bij een dezer zou hebben. Vele andere regenten gaven en geven hun kroost dezelfde opvoeding als wij, en 't had en heeft toch ook niets anders uitgewerkt, dan Hollandsch sprekende Inlandsche jonge dames met Europeesche maniertjes. Dieper is bij tal van Europeesch opgevoede vrouwen de beschaving niet gegaan. "Hoe moet 't gaan?" vroegen allen die met ons kennis maakten aan Mevrouw Ovink—Soer. Allen weten en begrijpen, dat vroeg of laat wij tòch weer terug moeten naar de maatschappij, waarin wij ons niet meer gelukkig zullen kunnen gevoelen.

Er valt niets te veranderen; op den een of anderen dag zal het gebeuren, moèt het gebeuren, dat ik een onbekenden echtgenoot volg. Liefde is een sprookje in onze Javaansche wereld! Hoe kunnen man en vrouw elkaar liefhebben, als zij elkaar voor 't eerst van hun leven zien, wanneer ze reeds goed en wel met elkaar door 't huwelijk verbonden zijn?

Ik zal nooit, nooit kunnen liefhebben. Om lief te hebben, moet er eerst achting zijn, naar mijn meening, en ik kan geen achting hebben voor de Javaansche jonge mannen. Hoe kan ik iemand achten, die getrouwd en vader is, en toch, omdat hij genoeg heeft van de moeder zijner kinderen, weer eene andere vrouw in huis haalt, volgens Mohammedaansch recht wettig getrouwd. En wie doet zulks niet?[1] En waarom zal men het niet doen? 't Is geen zonde, evenmin een schande; de Mohammedaansche leer staat den mannen toe, vier vrouwen tegelijk te houden. Al mag dit duizendmaal géén zonde zijn voor de Mohammedaansche wet en leer, ik blijf 't eeuwig zonde noemen. Zonde noem ik alle daden, die een medemensch lijden doen. Zonde is een ander, mensch of dier pijn doen. En kunt ge u voorstellen, welke hellepijnen een vrouw moet uitstaan, wanneer haar man met een ander thuis komt, die zij als zijne wettige vrouw, hare mededingster moet erkennen? Hij kan haar ten dood toe folteren, mishandelen zooveel hij wil; wanneer hij niet verkiest haar hare vrijheid terug te geven, dan kan zij naar de maan fluiten om recht! Alles voor den man en niets voor de vrouw, zijn onze wet en leer.

"Adeldom verplicht", zegt gij in uw laatsten brief. Dwaas die ik was, om te denken, dat geestesadel steeds hand aan hand gaat met karakteradel!—dat geestelijk hoogstaan ook beteekende zedelijke superioriteit! Hoe bitter was ik hierin teleurgesteld.

Begrijpt gij nu den diepen afkeer, dien ik voor 't huwelijk heb? Het nederigste werk zou ik dankbaar en met liefde verrichten, zoo het mij daarvoor bewaarde en mij onafhankelijk maakte. Maar ik mag niets, niets doen, om der wille van Vader's maatschappelijke positie.

Als ik een werkkring koos, moest deze zijn iets dat mij paste!! 't Werk, dat ons lief is en geen schande zou zijn voor mijne hoog-adellijke en hooggeplaatste familie (een reeks regenten van Java's Oosthoek tot het Midden) ligt zoo onbereikbaar ver van ons! Het eischt een langdurig verblijf in het Westen, en daartoe hebben wij de middelen niet. Wij hebben onze oogen te hoog opgeslagen, nu moeten wij de gevolgen ervan maar zelf dragen. Waarom gaf God dan talenten, als men alle middelen missen moet om ze te ontwikkelen. Mijn beide zusjes hebben heelemaal zonder eenige leiding 't aardig ver gebracht in het teekenen en schilderen—volgens deskundigen—ze zouden zoo graag zich daarin verder willen bekwamen. Hier op Java bestaat daartoe geen gelegenheid, en naar Europa gaan kunnen we niet. Om dat grapje te doen, heeft men noodig de toestemming van Z.E. den Minister van Financiën en Z.E. geeft die niet. Wij moeten dus maar zelf zien vooruit te komen.

O, Stella, weet je wat het is, iets vreeselijk graag te willen, en dan je onmacht te voelen? Als Vader 't kon, ik twijfel niet, of Vader zou ons zonder aarzelen naar je ver en koud land gezonden hebben. Ik schilder en teeken ook, maar mij trekt oneindig meer dan 't penseel de pen aan. Begrijp je nu, waarom ik zóó verlang, meesterschap over je schoone taal te bezitten? Neen, maak me maar niets wijs. Ik voel mijne onmacht zelf al te wel. Wanneer ik meesterschap over de Nederlandsche taal bezat, dan was mijn toekomst verzekerd. Een ruim arbeidsveld lag dan voor mij open en ik ware een vrij menschenkind. Want zie—ik als een geboren Javaansche, weet alles van de Inlandsche wereld. Een Europeaan, hoe lang ook op Java gewoond hebbende, en onbekend met de Inlandsche toestanden zijnde, kan toch nog niet zoo op de hoogte zijn van alles in onze Inlandsche wereld als de geboren Inlander zelf. Veel wat nu nog duister en een raadsel is voor Europeanen, zou ik gemakkelijk met een paar woorden kunnen oplossen, en daar waar geen Europeaan toegang heeft, kan de Inlander komen. Allerlei finesses in de Inlandsche wereld, die zelfs voor den grootsten Indoloog onbekend zijn gebleven, kan de Inlander aan 't licht brengen.

Ik voel mijn onmacht maar al te goed, Stella. Ieder zou 't uitproesten van 't lachen, wanneer men over mijn schouder heen dit blaadje papier kon lezen. Wat een krankzinnig idee van me, niet waar, ik, die niets heb geleerd, niets ken, ik zou mij aan letterkunde willen wagen! En toch, al lachte ook jij mij uit, en ik weet, dat je 't niet doet, ik zal dat denkbeeld niet laten varen. 't Is wel een wanhopig werk; maar "die niet waagt, die niet wint," is mijn lijfspreuk! Vooruit maar! Alles brutaal aandurven en aanpakken! De brutalen hebben drie vierden van de wereld.

Ik zond je 't stukje uit de Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Land-, Taal- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Dat ding schreef ik een jaar of vier geleden en keek er verder niet naar, tot kort geleden bij 't opruimen van oude papieren 't mij weer onder de oogen kwam. Vader kreeg juist een verzoek om medewerking van 't Bestuur van bovengenoemd Instituut. Pa zond 't stukje op en na eenigen tijd kreeg ik een hoop overdrukjes gestuurd. Ik dacht, dat 't je misschien interesseeren zou en zond je er dus een.[2]

Een stukje over 't batikken, dat ik verleden jaar voor de Vrouwenarbeid-Tentoonstelling maakte, waarvan ik nooit iets hoorde, wordt opgenomen in een standaardwerk over 't batikken, dat gauw zal verschijnen.[3] Wel leuk, toen ik dezer dagen van het onverwachte nieuws hoorde. Ik was die heele geschiedenis reeds vergeten.

Je vraagt me, hoe ik tusschen vier dikke muren kwam te zitten. Je dacht zeker aan een cel of zoo iets. Neen, Stella, mijne gevangenis was een groot huis, met een uitgestrekt erf rondom, doch hieromheen was een hooge muur, en deze hield mij gevangen. Hoe ruim ons huis en erf ook zijn, als je er altijd blijven moet, dan wordt het je toch te benauwd. Ik herinner mij, hoe ik in stomme wanhoop mijn lichaam telkens tegen de steeds gesloten deuren en den kouden steenen muur wierp. Welke richting ik ook nam, 't eind van iedere wandeling was een steenen muur of een gesloten deur!

Met de inhuldiging van onze jonge Vorstin gingen de deuren van onzen kerker voorgoed open; reeds lang echter was deze groote gebeurtenis voorbereid. Europeesche vrienden hadden al jaren gebeukt en gehamerd op de stevige muren, die ons omsloten. Eerst boden ze krachtigen weerstand, doch gestadig druppelen holt den steen. En steentje voor steentje brokkelden de muren af, tot met de Kroningsfeesten onze Ouders ons met één sprong uit de puinhoopen heen naar buiten trokken in Gods open, vrije veld!

In den laatsten tijd zei Mevrouw Ovink me vaak: "Kind, kind, hebben we wel goed gedaan met jelui vanachter de hooge kaboepatenmuren te voorschijn gehaald te hebben? Ware 't niet beter geweest, als jelui steeds in de kaboepaten gebleven waart? Want hoè moet 't gaan? hoè zal 't gaan?"

En als ze onze schilderijen en teekeningen zag, riep ze vol wanhoop uit: "Kindertjes, kindertjes, zit er dan niets anders voor jullie op?"

Niets, de eenige, de beste oplossing, die ik weet, is dat wij drieën in de lucht sprongen, en Pa en Ma vergaten, dat zij ooit ons drieën bezeten hadden. Gelukkig, dat ik optimistisch van natuur ben en niet gauw mijn kop hangen laat. Nu, als ik niet worden kan, wat ik zoo graag wil worden, dan word ik maar een keukenmeid. Je moet dan weten, dat ik een "genie" ben in koken. Mijne familie en vrienden behoeven zich niet bezorgd over mijne toekomst te maken, vind je ook niet? Een goede keukenmeid is altijd te gebruiken en kan overal terecht komen.

Wat zijn de salarissen in Holland klein vergeleken bij die in Indië. En ze klagen hier altijd over schrale tractementen. In Indië heb je na 20 jaren dienst al recht op pensioen en predikanten reeds na 10 jaren. Een "dorado" is Indië wel voor de ambtenaren, vindt je niet? En toch schelden een menigte Hollanders Indië uit voor 't "beroerde apenland". Ik kan er zoo helsch onder worden, wanneer ik hoor zeggen: "beroerd Indië". Men vergeet maar al te dikwijls, dat het "beroerde apenland" menigen leegen zak met goud vult, wanneer men naar Patria terugkeert na eenige jaren verblijf alhier.

't Zou maar nuttelooze moeite zijn Hilda van Suylenburg in 't Maleisch te vertalen. Wie leest die taal, behalve de mannen? Er zijn ook nog zoo weinig Maleisch lezende Javaansche vrouwen. En om H.v.S. ingang bij haar te doen vinden, moesten ze eerst erop voorbereid zijn. Ze zouden dat als een aardig vertellinkje beschouwen en meer niet.

Eene verandering in onze geheele Inlandsche wereld zal komen; het keerpunt is voorbeschikt; maar wanneer? Dit is de groote vraag. Wij kunnen het uur der revolutie niet vervroegen. Dat juist wij in deze wildernis, in dit diepe binnenland, waarachter geen land meer is, zulke oproerige gedachten moesten hebben! Mijne vrienden hier zeggen, dat wij verstandig zouden doen, door een jaar of 100 lang te slapen—als wij ontwaakten, dan zou dat net een goede tijd zijn voor ons. Java is dan zoover, als wij 't hebben willen.

"Maatschappelijk werk in Indië" bezit ik. Ik kreeg 't van Vader, die 't weer present kreeg van Mevrouw Van Zuylen-Tromp. Deze dame zond Vader dat werk, met verzoek om open aanmerkingen te willen maken, en ook om medewerking. HEd. wilde een boek over de Inlandsche vrouwen uitgeven. Ik heb er voor bedankt. Véél heb ik over de Javaansche vrouwen te vertellen, maar ik ben nog zoo jong en heb maar weinig, bitter, bitter weinig levenservaring. Het onderwerp, dat ik bespreken moest, is mij te ernstig en te heilig, om dat zoo maar af te maken. Ik kan 't verlangde stuk nu ook wel schrijven, als ik wil, maar ik weet zeker, dat ik er spijt van hebben zal, als ik 't deed. Waarom? Omdat na een jaar of vier ik een beter en helderder blik zal hebben op verscheidene zaken, en ik de talrijke denkbeelden, die nu verward door mijn brein jagen, goed beet hebben zal misschien.

Van de Mohammedaansche leer kan ik je niet vertellen, Stella. Zij verbiedt haar belijders aan belijders van een ander geloof over haar te spreken. En, in trouwe, ik ben een Mohammedaansche, omdat mijne voorouders dat waren. Hoe kan ik mijn leer liefhebben, als ik haar niet ken? niet kennen mag? De Koran is te heilig om vertaald te worden, in welke taal dan ook. Hier kent niemand Arabisch. Men wordt hier geleerd uit de Koran te lezen, doch 't gelezene verstaat men niet. Ik vind 't een gekkenwerk, iemand te leeren lezen, zonder 't gelezene te leeren verstaan. 't Is evengoed alsof je mij een Engelsch boek leert lezen, en ik 't heelemaal uit het hoofd moet kennen, zonder dat je mij de beteekenis van een enkel woordje daarin zegt. Wil ik mijne leer kennen en verstaan, dan dien ik naar Arabië te gaan om daar de taal te leeren. Ook zonder vroom te zijn kan je toch wel een goed mensch zijn, nietwaar Stella?

En op het "goed zijn" komt het aan.

Godsdienst is bedoeld als een zegen voor de menschheid, om een band te vormen tusschen alle schepselen Gods. Allen zijn we broers en zusters, niet omdat wij dezelfde menschelijke ouders hebben, maar omdat wij allen kinderen zijn van één Vader, van Hem, die daarboven in de hemelen troont. Broers en zusters moeten elkaar liefhebben, helpen, sterken, steunen. O, God, soms zou ik wenschen, dat er nooit een godsdienst had bestaan. Want deze, die juist alle menschen tot één vereenigen moest, is door alle eeuwen heen oorzaak geweest van strijd en verdeeldheid, van de bloedigste en gruwelijkste moordtooneelen. Menschen van dezelfde ouders staan dreigend tegenover elkaar, omdat de wijze, waarop zij één en denzelfden God dienen, van elkaar verschilt. Menschen, wier harten door de teederste liefde met elkaar verbonden zijn, keeren zich diep ongelukkig van elkaar af. Verschil van kerk, waarin toch dezelfde God wordt aangeroepen, richt een scheidsmuur voor beider voor elkaar luid kloppende harten.

Is godsdienst wel een zegen voor de menschheid? vraag ik me zelf dikwijls twijfelend af. Godsdienst, die ons voor zonden bewaren moet, hoevele zonden juist worden niet onder Uw naam bedreven!

Max Havelaar bezit ik, doch "Wijs mij de plaats, waar gij gezaaid hebt", ken ik niet. Ik zal er navraag naar doen, want ik houd heel, heel erg veel van Multatuli.

Over den toestand der minderen en der hoofden vertel ik je een anderen keer. Nu heb ik al zooveel geschreven, en dat onderwerp eischt voorzeker geen geringe plaats, hoor!

Wat of wij thuis spreken? Wat een vraag, Stellalief. Natuurlijk onze taal en dit is Javaansch. Maleisch spreken wij met vreemde oosterlingen, dit zijn Maleiers, Mooren, Arabieren, Chineezen enz. en Hollandsch alleen met Europeanen.

O! Stella, wat moest ik lachen, toen ik je vraag las: "Mag je je ouders b.v. zonder hunne toestemming wel eens hartelijk omhelzen?" Luister dan, den eersten kus moet ik mijnen Ouders, broers en zusters nog geven. Zoenen is in de Javaansche wereld geen gebruik. Alleen kinderen van één jaar tot 3, 4, 5, 6 worden gekust. Wij zoenen elkaar nooit. Ja, kijk daar maar verwonderd van op! 't Is toch zoo. Alleen onze Hollandsche vriendinnen kussen ons en kussen wij terug. Dit laatste is zelfs van zoo'n ouden datum niet. Wij lieten ons eerst maar zoenen, doch kusten nooit terug. Sedert we zoo bevriend zijn met Mevrouw Ovink—Soer hebben wij zoenen geleerd. Als zij ons kuste, vroeg HEd. ons ook een kus terug. In den beginne vonden wij 't wel wat vreemd en zoenden ellendig lam. Maar dit werkje leer je gauw aan, hé? Hoe lief ik iemand ook heb (eene Hollandsche altijd, wij Javanen zoenen elkaar niet), ik zal 't nooit in mijn hoofd krijgen om haar uit eigen beweging een zoen te geven. Want, zie je, ik weet niet, of ze dit wel prettig zal vinden. Voor ons is 't een genot om een zacht, blank wangetje met onze lippen te beroeren, maar of de bezitster van dat wangetje 't ook prettig vindt, een groezelig, zwart gezicht tegen 't hare te voelen, is een andere vraag. Laten de menschen ons maar voor onhartelijk uitkrijten, uit eigen beweging zullen wij nooit iemand omhelzen.

Als 't waar is, wat je zegt, dat ik niet hoef onder te doen voor menig Hollandsch meisje, dan is dit voornamelijk het werk van Mevrouw Ovink, die met ons, Javaantjes, omging als met eigen zusters. De omgang met de beschaafde, zeer ontwikkelde volbloed Hollandsche dames had een heilzamen invloed geoefend op de bruintjes. Moesje weet wel, dat door tijd en afstand heen de harten harer dochtertjes hun beiden zullen toebehooren. Vadertje had ons beloofd, of eigenlijk Mevrouw Ovink liet Vadertje beloven op zijn eerewoord, ons bij hen op Djombang te brengen. Mijnheer Ovink wilde ons maar dadelijk meenemen. Wij hebben hen zoo lief, zoo lief, haast zoo lief als Pa en Ma. Wij missen hen erg, erg. Ik kan mij tot nu toe maar nog niet goed voorstellen, dat zij werkelijk van ons weg zijn. Wij hebben zóóveel met elkaar meêgemaakt. Hartelijk hebben wij al dien tijd elkaars familieleven meegeleefd.

[1] Men bedenke bij het lezen van dezen in 1899 geschreven brief, dat de schrijfster destijds nog zeer jong was, en het haar blijkbaar onbekend was, dat in de Inlandsche maatschappij meer en meer de opvatting doordringt om zich slechts met één vrouw te verbinden, al is het recht blijven bestaan om met vier vrouwen gehuwd te sijn. In hare brieven van vijf jaren later, zal men zien, dat het huwelijk haar een groot geluk bracht, daar de band tusschen haar en haren echtgenoot met hare innigste wenschen overeenkwam.


[2] Het stukje draagt tot opschrift: "Het huwelijk bij de Kodja's en is opgenomen in deel I (6e volgreeks 6e deel) blz. 695 e.v. der Bijdragen.

[3] Zie G.P. Rouffaer en Dr. H.H. Juynboll. "De Batikkunst in Ned.-Indië en hare geschiedenis", blz. XI der inleiding, waar vermeld wordt, dat het stuk van Raden Adjeng Kartini een belangrijk deel uitmaakt van het eerste hoofdstuk van voormeld werk.

November 1899 (II.)

O, liefste, liefste Mevrouwtje, wat een allerleuksten Zondagmorgen hadden we eergisteren.

Pa was met broertje een toertje gaan maken en kwam na een poosje thuis. Broertje met opgewondenheid vertellen: "O, zus, er is een oorlogschip op de reê. Op de passer wemelt 't van matrozen en er zijn er twee met ons meêgegaan. Gauw ga hen zien, ze zijn voor bij Pa."

Wij sprongen bij dat woord oorlogschip op, als werden wij door een bij gestoken en vóór broertje was uitgesproken, vlogen we reeds onze kamer uit naar voor. We zagen twee in 't wit gekleede heeren aarzelend ons erf opkomen; na een poos zagen wij hen met Pa in de middengalerij zitten. Een poosje later kwam een jongen ons zeggen, dat wij bij Pa moesten komen, wat wij maar al te graag wilden. Een, twee, drie schoone kabaais aangetrokken, en een oogenblik later zaten wij al te wippen op de schommelstoelen en in druk gesprek met—een paar officieren van de "Edie". Ik weet niet hoe 't kwam, maar we raakten toch zoo dadelijk op ons gemak en spraken met de heeren alsof wij ze al jarenlang kenden. Maar hoe kwamen de menschen in de Kaboepaten verzeild? Dat zal ik u vertellen. Pa ging, zooals ik boven reeds vertelde een toertje maken; onderweg kwam Pa een stuk of vijf heeren tegen. Drie sloegen een anderen weg in en twee volgden Pa's rijtuig in de Kaboepaten. Ze dachten (de heeren zijn nooit op Java geweest), dat de weg, dien de wagen nam, een straatweg was en ons huis een magazijn of zoo iets.

Pa zond iemand op de heeren af om hen te verzoeken binnen te komen. Ze schrokken natuurlijk, toen ze hunne vergissing bemerkten en iemand naar zijn eigen huis gevolgd hadden. Wat te doen nu? Ze vonden 't niets pleizierig, vooral niet, omdat ze onze taal niet kenden, en slechts gebrekkig Maleisch spraken. Papa maakte aan deze weifeling een einde, door hun tegemoet te gaan en in hun taal aan te spreken. Verbazing, verrassing aan den kant der heeren. Nu wilden ze graag in de Kaboepaten komen. 't Bleek, dat een der heeren een familielid was van iemand dien Pa heel goed kende. Ik herinner mij niet me ooit zoo op mijn gemak gevoeld te hebben met een wildvreemde. Ik dacht er heelemaal niet aan, dat ik die menschen nooit van mijn leven had gezien en niet wist dat zij bestonden vijf minuutjes tevoren nog. Vreemd, maar een feit is 't, dat wij ons met zeelui altijd direct thuis gevoelen. Wij hebben onze harten nu eenmaal aan de zee verloren; alles wat daarmeê in verband staat, interesseert ons. U weet wel hoe één verrukking we zijn, als er van een roeitochtje sprake is. Wij gloeien voor de zee, dat weet U zelf; toen ik daar halfdood in de opiumprauw lag, vond ik 't prettig, dat ik op de baren was. Van vroeger af aan dweepten we met de goddelijke zee. Als ik een jongen was, bedacht ik me geen twee tellen, doch werd direct matroos. Verbeeld U wat Pa aan de heeren vertelde: "mijne dochters houden zooveel van varen en gaan erg graag aan boord". Die lieve, lieve Pa van ons. Pa weet alles wat er in onze harten omgaat. Pa zegt 't wel niet, doch ik ben er zeker van. Zoo nu en dan vertelt Pa het een en ander van ons aan anderen, precies zooals wij 't gedacht hebben, doch dat wij voor ons zelf gehouden hebben. Wij zijn dan één verbazing, hoe Pa toch dat alles kan weten, wat we bij ons zelven dachten en niet aan anderen openbaarden. 't Komt zeker, omdat Pa zooveel van ons houdt, en wij van Pa. Nu en dan verrast Pa ons door een gedachte bloot te leggen, die op den bodem van mijn hart lag en waarvan ik dacht, dat niemand behalve ik zelf haar bestaan wist. Zou dat nu zieleverwantschap zijn?

Als ik wat meer bijgeloovig was, zou ik heusch denken, dat Pa gedachten kon lezen.

Maar ik zou U van den leuken Zondagmorgen vertellen en niet van het geheime telefoonkabeltje, dat van onze harten loopt naar dat van mijn liefsten Vader.

De officieren vonden 't vreeselijk jammer, dat de "Edie" niet langer op onze reê bleef; ze zouden 't anders zoo leuk gevonden hebben, ons aan boord te zien. De "Edie" moest riffen zoeken op Karimoen Djawa, en moest hier eigenlijk niet zijn, doch de commandant vond 't aardig ook eens Japara te zien. Beide heeren zullen alle moeite doen om den commandant over te halen, vóórdat de "Edie" a.s. Maandag naar Soerabaja vertrekt, eerst den Zaterdag en den Zondag te Japara door te brengen. Lukt hun dit en komt dus Zaterdag de "Edie" hier, dan zullen zij 't ons doen weten, door een der vuurmondjes te laten losbranden. Ik maak mij heelemaal geen illusies, dat zij slagen zullen, maar 't zou toch alleraardigst zijn, als de boot weêr kwam. Ik heb den heeren gezegd, dat, mochten ze Japara weêr passeeren, zij voor onze kust een schroefas of zoo iets moesten breken, waardoor 't schip dan verplicht was in onze haven stil te liggen.

Toen de officieren weer weg waren, en wij in onze kamer terug, dachten we aan een droom. En werkelijk, 't was alsof we gedroomd hadden. Zoo plotseling, zoo onverwacht verschenen ze ons om weer even gauw te verdwijnen. Maar een alleraardigste verrassing, vindt U niet? Ik moet er nog steeds om lachen, als ik aan dat grappige avontuurtje denk.

O! Moedertje, Mevrouwtjemijn, ik wou, dat U weêr terug was. Uwe dochtertjes missen U zoo. Wij verlangen de gezellige daagjes met U doorgebracht, terug; de heerlijke uurtjes in uwe lieve zitkamer, waar U ons zoo dikwijls liet genieten van mooie lectuur, waar wij zooveel bespraken, dat immer tusschen ons blijven zal. Ik mis de vertrouwelijke gesprekken met U, waarin ik aan mijn lief Moedertje al de gedachten, die in dit oproerig hoofd woelden, en de gevoelens van mijn rusteloos hart bloot legde. Wanneer ik in een gedrukte stemming was, ik hoefde slechts Uw lief, opgewekt gelaat te zien, en ik was weer 't vroolijke, zorgelooze kind, dat in dollen overmoed zingen kon: "Al valt de hemel naar omlaag, ik zet er kloek mijn schouders onder". Mevrouwtje, U had ons tè veel bedorven, tè veel verwend! Nu doen we niet anders dan den heerlijken tijd van ons samenzijn terug te verlangen. En toch, ofschoon wij zoo hard naar U verlangen, hopen wij zeer, dat de reis naar Djombang zoolang mogelijk uitgesteld zal worden. Waarom? Wij weten, wij voelen het, dat op Djombang wij elkaar voor 't laatst zullen zien. 't Weêrzien zal ook een afscheid voor goed zijn. Op Japara komt U nooit weêr, en zoo maar naar U toe gaan, kunnen wij niet. Daarom laat die reis zoolang mogelijk uitgesteld blijven. Heerlijk om iets prettigs in 't vooruitzicht te hebben; wij willen hiervan zoo lang mogelijk genieten; dan het goddelijke weerzien en—uit is al de pret. Neen toch, ons blijft de herinnering.

Wij zijn goed, noch lief, zooals U zich ons denkt. Weet U wel, lief Moedertje, dat 't niets dan egoïsme is, dat ons eens een enkelen keer tot goed en lief doen drijft? Want o! niets heerlijker vind ik, dan een blijden glimlach te kunnen te voorschijn roepen op eens anders gelaat, vooral dat van hen, die wij liefhebben. Niets goddelijker, dan wanneer een paar beminde oogen je zoo lief en blijde aankijken, en jij je schuldig voelt aan die vreugde.

Hoe aardig, dat kokkie ook aan ons denkt!

12 Januari 1900. (I.)

Bamboebosch met karbouwen kraal bij Depok (Batavia).

Naar Europa gaan! dat zal tot mijn laatste ademtocht mijn ideaal blijven. Kon ik mij maar zoo klein maken, dat ik in een couvert kruipen kon, dan ging ik met dezen brief mee naar je toe, Stella, naar mijn lieven, besten broer en naar.... Stil! nu geen woord meer! 't Is mijn schuld niet, Stella, als ik hier en daar onzin neerschrijf. De glazen gamelan in de pendopo weet je er meer van te vertellen als ik. Ze spelen ons drieën lievelingslied. Het is geen lied, geen melodie eigenlijk, enkel klanken en tonen, zoo week en zoo zacht, grillig, onbestemd dooreen trillend, warrelend, maar hoe aangrijpend, hoe roerend mooi is het! Neen, neen, 't zijn geen klanken van glas, van koper, van hout, die daar opstijgen; 't zijn stemmen uit menschenzielen, die tot ons spreken, nu eens klagend, dan weenend en een enkelen keer eens blij lachend. En mijn ziele zweeft mee met die murmelende, reine, zilveren tonen, omhoog, omhoog, in de ijle, blauwe lucht, naar de donzige wolken, naar de schitterende starren;—basgeluiden stijgen op, en de klanken voeren mij mee door donkere dalen, diepe ravijnen, door sombere wouden, ondoordringbare wildernissen! En mijn ziele beeft en krimpt ineen van angst en pijn en smart!

Duizendmalen heb ik "Ginondjing" gehoord, doch geen enkelen klank, geen enkelen toon kan ik beetpakken. Nu de gamelan zwijgt, weet ik me geen enkelen klank meer te herinneren, alles is uit mijne herinnering weggevaagd; die droef-liefelijke geluiden, die me ongekend zalig en toch zoo diep weemoedig stemmen tegelijk. Ik kan Ginondjing niet hooren, zonder diep ontroerd te zijn. Als ik maar de eerste tonen hoor van het prachtige voorspel, dan ben ik weg. Ik wil dat zwaarmoedig lied niet hooren, en toch ik moèt, ik moèt luisteren naar de murmelende stemmen, die mij vertellen van het verleden, van de toekomst, en 't is alsof de adem van die trillende zilveren klanken de sluiers wegblaast, die het geheimzinnig komende omhullen. En klaar als het heden trekken toekomstbeelden mijn geestesoog voorbij. Een huivering vaart mij door de leden, als ik daar sombere, donkere figuren voor mij zie verrijzen. Ik wil niet zien, maar mijn oogen blijven wijd geopend, en aan mijn voeten gaapt een afgrond van duizelingwekkende diepte, maar als ik mijn blik opsla naar boven, welft zich een helderblauwe hemel boven me en gouden zonnestralen spelen dartel met donzige witte wolkjes en in mijn harte is 't weer licht!

Daar! overtuig je maar zelf, welk een dwaas, onzinnig schepsel ik ben. Wat een onzin, hè, heb ik daar weer op elkaar gestapeld. Maar nu genoeg, ik zal trachten verstandig te praten, als een gezond mensch, 't dwaze overgevoelige schepsel verbannen we uit ons midden, niet waar, Stella?

Mijn zonneland, waar je zoo naar verlangt, is in de laatste dagen allesbehalve zonnig. Vreeselijke regenbuien elken dag, en verleden Zondag trad de Japara-rivier buiten hare oevers, vele dorpen en de stad zelve met haar roodbruin water overstroomend.

En van morgen heeft het feitelijk gestormd, verschrikkelijk heeft de wind hier huis gehouden. Op 't erf zijn een paar boomen geheel kaal gewaaid, de dikke takken braken af, alsof het maar lucifersstokjes waren, en van de mooie koolblandaboomen zie je nu nog maar een paar kale grijze stammen. Hoe vreeselijk moeten de kampongs dan niet daaronder geleden hebben. Heele daken waaiden van de huizen af. Vandaag is Pa op tournee; weer staan er in een verafgelegen district van Pa's afdeeling verscheidene dorpen onder water. Pa heeft het in deze dagen erg druk; dan is er bandjir, dan aardstorting, dan weer is er storm. Een kolossale randoe-boom is onlangs omvergevallen, op een publieken weg, en twee voorbijgangsters werden er verpletterd van onder uit weggehaald. Den heelen dag en den heelen nacht hoorden wij de zee brullen en razen. Arm "Klein Scheveningen" daar heeft de storm 't vreeselijkst gewoed. De weg naar het badhuis is heelemaal door de golven weggeslagen en het strand daarvóór is verdwenen. De onverzadelijke zee heeft het ingeslikt. Als 't vanmiddag niet stortregent, zal ik Pa vragen om daar naar toe te gaan.

Een week of wat geleden waren we op "Klein Scheveningen"; wij stonden met ons drieën op een grooten rotsblok aan 't strand naar het woeste golvenspel te kijken. Zóó geboeid waren we door dat ontzagwekkend schouwspel, dat wij niet eens zagen, hoe meer en meer die aanrollende reuzengolven onze rots naderden. Eerst als de kleintjes aan 't strand ons angstig terugriepen, wisten we, dat we geheel ingesloten waren door het schuimend nat. Tot aan de knieën kletsnat kwamen wij bij de kinderen terug.

Eenigen tijd geleden vroeg je me, hoe de toestand van den kleinen man thans is, maar aangezien ik je toen reeds zooveel geschreven had, sloeg ik die vraag over, daar zij niet met een paar woorden te beantwoorden was. Ik beloofde je echter een volgenden keer op dat punt te zullen terugkomen, en dáárvoor kom ik nu eigenlijk bij je. Maar alvorens dat onderwerp aan te roeren, wil ik je laatsten brief geheel beantwoorden. Dank Stella, voor je bemoediging. Ik hoop, dat je bewering op waarheid moge uitloopen. Weet je wat mijn devies is? "Ik wil"! En die twee kleine woordjes hebben mij al zoo menigmaal over bergen van bezwaren en moeilijkheden heengedragen. "Ik kan niet!" geeft den moed op. "Ik wil"! stijgt der bergen top. Ik ben vol moed, vol geestdrift, Stella, houd jij dat vuur aan! Laat het niet uitdooven! Maak mij warm, laat me gloeien, Stella, ik bid je, laat me niet los.

Ik dank God, dat ik je met een "neen" kan antwoorden op je vraag of de toestand van de bevolking nu nog zoo diep treurig is, als Multatuli hem beschreef. Neen, voor zoover ik weet behoort de geschiedenis van Saïdjah en Adinda tot het verleden. Wèl wordt er honger geleden soms door 't volk, doch dit is volstrekt niet de schuld van zijne hoofden. Deze kunnen toch nooit aansprakelijk gesteld worden voor het lang uitblijven van den regen, dien de kleine man zoozeer noodig heeft voor zijn velden? Of kunnen zij soms het overvloedige water weren, dat de hemel over de sawahs uitstort? En als de padioogst, hetzij door ongediertenplaag, hetzij door watersnood, hetzij door te langen oostmoesson mislukt, dan wordt aan de bevolking, wie die ramp trof, de belasting kwijtgescholden door de Regeering, en in tijden van hongersnood deelt 't Bestuur aan de noodlijdenden voedsel en geld uit. Worden de velden door muizenplaag vernield, de Regeering betaalt premieën uit voor het verdelgen van dat ongedierte. Is er in den westmoesson, zooals nu, door den hoogen stand van het water in de rivieren, een dijkbreuk ontstaan de hoofden doen al het mogelijke om het kwaad te herstellen.

Verleden jaar lag een vischvijversdorp een week lang onder water, en dagen en nachten bleef Pa op de plaats des onheils vertoeven. Uit particuliere fondsen, die naderhand door de Regeering werden teruggegeven, werd het herstellen van die dijkbreuk van eenige kilometers betaald. Maar wat het water der bevolking ontroofde, wie gaf het haar terug? Van de 100,000 visschen in de vijvers bleven na de overstrooming nog slechts 15 stuks over. Eenigen tijd na dien ramp kwam een der ingenieurs der waterwerken Papa vertellen, dat 't zijn schuld was, dat dat dorpje onder water had gelegen; hij had het water verkeerd afgevoerd.

Dan heb je Demak, de afdeeling van mijn oom, je kan dat land niet tot welvaart brengen, wat je er ook aan doet. Van 't eene uiterste val je in 't andere. Daar drogen in den oostmoesson de rivieren uit, en in den westmoesson verzwelgt het water het land. Tonnen gouds heeft de Regeering uitgegeven, om het land in den drogen tijd van water te voorzien, en in den natten de hevige bandjirs tegen te gaan, doch zonder resultaat. Prachtige kanalen zijn daar gegraven, die aan duizenden werk verschaften, doch ze blijken van weinig nut te zijn. In den oostmoesson blijft 't land van dorst versmachten, en in den westmoesson drijft alles op 't water. Neen, Stella, de Regeering zorgt goed voor 't welzijn der bevolking van Java, maar helaas, zij laat haar gebukt gaan onder zware belastingen.

Neen, Stella, moedwillig wordt de bevolking niet meer door hare hoofden geplunderd, en gebeurt dit een enkelen keer toch, de schuldige wordt òf uit zijn ambt ontzet, òf gedegradeerd. Maar wat er wel bestaat of woedt liever, is dit kwaad: het aannemen van geschenken, dat ik even erg en schandelijk vind, als het toeëigenen van goederen aan den kleinen man toebehoorend, zooals in Max Havelaar. Maar ik mag niet oordeelen zoo maar losweg op de feiten af, doch ik moet de omstandigheden, waarin de bedrijvers van dat kwaad verkeeren, ook in aanmerking nemen. Ten eerste de Inlanders beschouwen het aanbieden van geschenken aan hunne meerderen als een eerbieds- en hulde-betuiging. Het aannemen dier cadeaux is den ambtenaren door de Regeering verboden. Maar mindere Inlandsche hoofden zijn zoo schraal bezoldigd, dat 't bijna een wonder is, hoe zij met hun karig tractementje kunnen toekomen. Een districtschrijver b.v. die dag in dag uit zijn rug krom schrijft, verdient 's maands de ongelooflijk groote som van f 25, en daarvan moet hij met zijn gezin leven, huishuur betalen, zich net kleeden, uiterlijke praal ten toon spreiden om het prestige tegenover de minderen hoog te houden. (Beoordeel dit laatste niet hard, heb liever medelijden met die groote kinderen, want dat zijn mijne landgenooten voor het meerendeel). Als den eersten keer zulk een districtschrijver, door den een of anderen dessaman, een tros pisang of iets dergelijks wordt aangeboden, zal hij 't weigeren; voor den tweeden keer weigert hij ook nog, maar bij no. 3 is 't bedanken al weifelend, en ten vierden male wordt het geschenk zonder aarzelen aangenomen. 't Is geen kwaad, denkt hij, wat ik doe. Ik heb immers niet gevraagd, 't wordt mij gegeven, en 't zou idioot van mij zijn, om te bedanken, als ik het zoo goed gebruiken kan. Dat geschenken geven is niet alleen een eerbiedsbetuiging, doch ook een voorbehoedmiddel tegen 't een of ander kwaad, dat den gever vandaag of morgen van de overheid treffen kan. Welnu als hij door den wedono wordt opgepakt, om 't een of ander klein vergrijp, dan kan hij rekenen op de voorspraak van zijn vriend den districtschrijver. De ambtenaren worden slecht betaald! Een assistent-wedono 2e klas verdient f 85. Nu van die f 85 moet hij een schrijver betalen (assistent-wedono's krijgen geen schrijver van Regeeringswege, ofschoon zij evenzeer gebukt gaan onder schrijfwerk als wedono's, djaksa's en anderen), een bendy of dos à dos met paard, benevens een rijpaard houden om tournées in de bosschen te maken, een huis koopen, meubilair, dan de huishouding bekostigen, en eindelijk den controleur, regent en soms ook den assistent-resident ontvangen, die in zijn onderdistrict eenige werkzaamheden komen verrichten. En als de assistent-wedono heel ver van de kotta[1] woont, dan blijven de heeren in de pasangrahan[2] logeeren, en de assistent-wedono geniet de hooge eer, voor voorname monden het eten klaar te mogen zetten. Sigaren, ajer blanda, geestrijke dranken, en blikjes kosten wat, dat verzeker ik je, en is voor zoo'n onderdistrictshoofd een heele uitgaaf. En je begrijpt, dat hij zijn hooge gasten niet maar dingen voorzet, die je bij de hand hebt. Neen, al de lekkernijen moeten uit de stad gehaald worden. Het is wel geen moeten, maar de gastheer beschouwt het toch als zijn plicht, den grooten heeren 't beste voor te zetten, wat hij heeft, of niet heeft. In Pa's afdeeling gebeurt dit Goddank niet. Als Pa op tournée gaat, en moet overblijven, dan brengt Pa altijd zelf eten mee. De controleur doet dit en de assistent-resident ook. En het enkel kopje thee, dat de heeren dan bij de hoofden gebruiken, ruïneert hen niet. Is er een moordzaak of diefstal in het onderdistrict, de assistent-wedono moet natuurlijk de zaak tot klaarheid brengen, dit is zijn plicht. En om de daders op te sporen moet hij vaak diep, zeer diep in zijn beurs tasten. 't Is meermalen gebeurd, dat Inlandsche hoofden de sieraden van hunne vrouwen en kinderen verpanden, om gelden te krijgen, die onmisbaar zijn bij 't tot klaarheid brengen van de een of andere duistere zaak. Maar ze krijgen dat geld, om der Regeeringswille uitgegeven, toch terug van de Regeering? Ik zou wel willen, dat 't zoo was. Menig ambtenaar is tot den bedelstaf gebracht daardoor. Wat moeten in hemelsnaam de ambtenaren, die niet met hun soldij kunnen toekomen, en geen ouders of familie hebben, die hen financiëel kunnen steunen, doen? En 't volk komt steeds met geschenken aandragen, je ziet je vrouw en kinderen met gescheurde kleeren rondloopen.... Oordeel niet hard, Stella.

Ik ken de zorgen der Inlandsche hoofden; ik ken 't lief en leed van 't volk. En wat gaat de Regeering nu doen? Zij zal het Binnenlandsch Bestuur reorganiseeren. Het Inlandsch personeel zal aanzienlijk ingekrompen worden ten voordeele ... van de Europeesche ambtenaren. Door die inkrimping zal er jaarlijks f 164.800 uitgespaard worden en dit komt den Europeeschen ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur ten goede. Deze ambtenaren worden in vergelijking met andere ambtenaren werkelijk stiefmoederlijk bezoldigd. Maar moet de Regeering de fout goedmaken, door 't Inlandsch ambtenaarscorps te benadeelen? Wel is waar worden dan in ruil hiervoor eenige karig bezoldigde ambten wat 't financiëele betreft, verbeterd, en krijgen assistent-wedono's van Regeeringswege klerken, maar wat beteekent dit in vergelijking met de talrijke hooge posten, (het is volstrekt nog niet bewezen, dat ze overbodig zijn) die worden afgeschaft. Er wordt algemeen over dezen Regeeringsmaatregel gemompeld. De voorstellen tot deze reorganisatie zijn door beide Kamers der Volksvertegenwoordiging goedgekeurd en in Juli a.s. treedt de reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur in werking. Bijna al de Residenten hebben tegen deze voorstellen geprotesteerd, maar Z.E.[3] wil 't nu eenmaal zoo en ondanks alle protest zal de reorganisatie doorgaan. Ik wil hopen, dat de Regeering daar geen wrange vruchten van zal plukken.

En nu over het volk, of de bevolking van Java in 't algemeen. De Javanen zijn groote kinderen. Wat heeft de Regeering voor de volksontwikkeling gedaan? Voor de adellijke zonen van het land bestaan er zoogenaamde hoofdenscholen, onderwijzersscholen en de dokter-djawa-school, en voor iedereen toegankelijk staan verscheidene Inlandsche scholen, één in elk district. Doch de Regeering heeft deze laatste inrichtingen van onderwijs in twee klassen gesplitst. Op de eerste scholen, die alleen op de gewestelijke hoofdplaatsen zijn geplaatst, wordt hetzelfde geleerd als vóór de splitsing, doch in de tweede scholen leeren de kinderen nu alleen Javaansch (lezen en schrijven) en een weinig rekenen. Er mag hier geen Maleisch geleerd worden, zooals vroeger, waarom, dat is me niet recht duidelijk. De Regeering is geloof ik van meening, dat, wanneer het volk leert, het niet meer het land zal willen bewerken.

Papa heeft over het onderwijs een nota aan de Regeering ingediend. O, Stella, ik wilde wel, dat jij haar lezen kondt. Je moet dan weten, dat een groot gedeelte van den adel de Regeeringsdaad warm toejuichte. De Javaansche adel is aan het vervallen en de Regeering, ook die van het Moederland, en de betrokken personen zelf willen hem er weer op helpen en aan den bloei brengen. De aristocratie ziet met leede oogen, hoe zonen uit het volk zich ontwikkelen, in hare gelederen worden opgenomen door 't Gouvernement om hun kennis, kunde en ijver. Zonen uit 't volk bezoeken Europeesche scholen en geven blijk in alle opzichten met de hoogadellijke zoons te kunnen wedijveren. De adel wil het rijk alleen hebben; hij alleen mag het hoogste gezag in het land in handen hebben, zich de Westersche beschaving en ontwikkeling eigen maken. En de Regeering helpt en steunt hem, temeer daar zij daar zelf voordeel van heeft. Zij vaardigde in 1895 een besluit uit: geen Inlandsch kind (van 6 tot 7 jaar) wordt tot de openbare lagere scholen voor Europeanen toegelaten, zoo dit niet reeds Hollandsch spreken kan, of het moet daartoe de speciale vergunning van Z.E. den Gouverneur-Generaal hebben. Hoe kan nu 't Inlandsch kind vóór zijn 6e en 7e jaar Hollandsch leeren? of 't moet eene Hollandsche kinderjuffrouw hebben; en dan, al is er gelegenheid voor 't aanleeren der Nederlandsche taal, het kind moet vóór alles eerst zijn eigen taal kennen en dus Javaansch leeren schrijven en lezen. Alleen regenten vragen nu voor hun kroost vergunning om toegelaten te worden tot de Europeesche scholen; de mindere Inlandsche hoofden vreezen een nul op hun request te zullen krijgen en doen 't daarom niet. Is 't pretentieus van Papa, dat hij de Regeering opmerkzaam maakte op 't feit, dat de Afrikaansche en Amboneesche kinderen direct de Europeesche scholen mogen bezoeken, zonder een woord Hollandsch te verstaan? Stella, ik weet van mijn schooltijd zelf nog heel goed, dat een massa Europeesche kinderen naar school gingen, die evenveel Hollandsch kenden als ik, toen ik er pas kwam.

Pa zegt in zijne nota: De Regeering kan onmogelijk voor iederen Javaan de rijst op het bord klaar laten zetten om genuttigd te worden, maar wat zij wel doen kan, is hem het middel aan de hand te doen, om tot de plaats te geraken, waar het voedsel te vinden is, en dit is: het Onderwijs. Het verstrekken van goed onderwijs aan de bevolking, staat gelijk als gaf de Regeering haar fakkels in de hand, om er verder zelf den goeden weg mede te vinden, die naar de plaats leidt, waar de rijst is te verkrijgen.

Neen, Stella, ik zal maar niet verder citeeren, misschien dat ik je mettertijd de heele nota kan zenden, dan kun je zien daaruit, hoe de toestand van de bevolking is tegenwoordig. Pa zal al 't zijne doen, om 't volk te verheffen, en ik schaar mij aan zijne zijde. Papa is ook zeer gehecht aan zijn stamhuis; maar recht is recht en billijk is billijk. Zie, wij willen in ontwikkeling en beschaving gelijk staan met den Europeaan. Het recht, dat we voor ons zelf eischen, moeten we ook aan anderen geven, die 't ons vragen. Het belemmeren van de volksontwikkeling zou gelijk staan met de daad van den Czaar, die der wereld de vrede predikte, terwijl hij het goed recht zijner eigen onderdanen met voeten vertrad. Meten met twee maten, neen! De Europeaan ergert zich aan vele eigenschappen van den Javaan, bijv. hunne onverschilligheid, gemakzucht enz. Welnu Nederlander, als gij u zoo daaraan ergert, waarom doet gij dan niets om die ondeugden te verjagen? Waarom steekt gij geen vinger uit, om den bruinen broeder op te heffen? Geloof me, al dat kwaad is uit te roeien. Neem hem den dichten sluier van zijne hersens weg, open hem de oogen, en gij zult zien, dat in hem ook nog iets anders zit, dan de neiging tot het kwade, die in hoofdzaak voortspruit uit dom- en onwetendheid. Voorbeelden te over, ik hoef niet ver te zoeken, ook jij niet, Stella. Hier voor je liggen de gedachten bloot van iemand, die tot het geminachte, bruine ras behoort. Wat kunnen zij oordeelen over ons, ons doen en laten? Kennen zij ons?

Neen, evenmin als wij hen!

Als je belang stelt in dit onderwerp, zie dan het Octobernummer van Neerlandia te krijgen. Daar staat de redevoering van mijn broeder op het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Gent uitgesproken. Professor Kern heeft hem daar gebracht en gevraagd om te spreken. De gevoelens, die hij daar uitspreekt, zijn ook de mijne, de onze.

"Heeft je Vader veel macht", vroeg je me. Wat is macht eigenlijk? Grooten invloed heeft Papa wel, doch macht heeft alleen de Overheerscher. Mijn broer heeft gepleit voor het verplicht stellen van het Nederlandsch als diensttaal. Lees, Stella, lees zijne redevoering, al is het niet voor je eigen genoegen, dan om mijnentwille. De Hollanders lachen en bespotten onze domheid, maar als wij ons trachten te ontwikkelen, dan nemen ze eene uitdagende houding tegenover ons aan. O! wat heb ik veel verdriet gehad als kind op school, waar de onderwijzers en vele medescholieren ons zoo vijandig gezind waren. Maar niet alle onderwijzers en leerlingen haatten ons. Velen kenden ons en hadden ons lief, evenals de andere kinderen. 't Viel menig onderwijzer hard, aan een Javaansch kind, het hoogste nummer, hoe wel verdiend ook, uit te reiken.

Strand te Japara "Klein-Scheveningen".

Ik zal je een geschiedenis van een begaafden en ontwikkelden Inlander vertellen. Die jongen legde het eindexamen af, en was no. 1 van de drie H.B.S. op Java. Het jongmensch was op Semarang, waar hij school ging, en op Batavia waar hij examen deed, gewoon, dat de deuren der deftigste huizen voor hem opengingen, voor hem, den genialen gymnasiast met zijne aangename en beschaafde manieren en groote bescheidenheid. Ieder sprak Hollandsch met hem, de taal, waarin hij zich zoo uitmuntend kon uitdrukken. Kersversch van die omgeving kwam hij bij zijne ouders thuis, en hij wist en dacht niets beters te doen, dan zijne opwachting te maken bij de autoriteiten van de plaats. Hij bevond zich tegenover den Resident, die het woord tot hem richtte, en hier beging mijn vriend eene fout. Hoe had hij 't durven wagen, den grooten heer in diens eigen taal te antwoorden? Den volgenden morgen kreeg hij zijne benoeming thuis, tot klerk van een controleur in het gebergte. En daar moest de jonge man blijven om over zijn "misdaad" na te denken, om alles, wat hij in de scholen had bijeengegaard, te vergeten. Eenige jaren was hij daar, een nieuwe controleur, of eigenlijk aspirant-controleur kwam, en die deed de maat van zijn lijden overloopen. De nieuwe chef n.m. was een voormalig studiegenoot, iemand, die nu juist niet uitblonk door geestesgaven. De jongeman, die vroeger in alles No. 1 was, moest nu voor den vroegeren dommen makker over den grond kruipen, hoog Javaansch met hem spreken, terwijl hij zelf in brabbel-Maleisch werd aangesproken. Kun jij je het lijden van een trotsch en fier hart voorstellen, dat zóó vernederd werd? Hoeveel geestkracht moest er niet in hem schuilen, dat hij zoo lang al dat gesar en geplaag verdragen kon! Maar ten laatste kon hij 't niet meer uithouden; hij vertrok naar Batavia en vroeg Z.E. den Gouverneur-Generaal om gehoor, hetgeen hem verleend werd. Het resultaat derer audiëntie is, dat hij naar de Preanger werd gezonden, met opdracht om studies van de rijstcultuur te maken. Hij maakte zich verdienstelijk door een geschrift over de cultuur van allerlei veldgewassen van het Hollandsch in het Javaansch en Soendaneesch te vertalen. De Regeering schonk hem een gratificatie van een paar honderd gulden. Aan de controleursschool te Batavia was een leeraarsplaats vacant. Een leeraar in de Javaansche taal repatrieerde. En zijne vrienden (van den Javaanschen man) deden alle moeite om dien zetel voor hem te verkrijgen, doch zonder resultaat. Het was een idioot denkbeeld, dat een Inlander Europeesche leerlingen, en wel die later bestuursambtenaren zouden worden, zoude leeren. Weg met dat krankzinnig voorstel! Ik zou vragen, wie beter Javaansch zou kunnen leeren, dan een geboren Javaan zelf! De jonge man keerde naar zijn woonplaats terug; intusschen was er een ander resident gekomen, en de talentvolle zoon van het bruine ras mocht nu eindelijk assistent-wedono worden. Niet voor niet was hij eenige jaren in een afgelegen oord verbannen geweest, hij deed daar levenswijsheid op, o.a. dat je de Europeesche ambtenaren niet beter kunt dienen, dan voor hen in het stof te kruipen en in hun nabijheid nooit een woordje Hollandsch te spreken. Andere menschen zijn nu aan het roer gekomen en toen de betrekking van translateur der Javaansche taal openkwam, vertrouwde men hem tijdelijk die post toe. Nu staat hij niemand meer in den weg!

Stella, ik ken een assistent-resident, die Maleisch spreekt met een regent, ofschoon hij weet, dat de laatste goed Hollandsch spreekt. Iedereen trouwens converseert in het Nederlandsch met dat Inlandsche hoofd, alleen de assistent-resident niet.

Mijne broeders spreken hoog-Javaansch tegen hunne superieuren, en deze spreken hen óf in het Hollandsch òf in het Maleisch aan; het eerste doen zij, die met ons bevriend zijn, en enkelen van dezen verzochten mijn broers zich tegen hen van de Nederlandsche taal te willen bedienen, doch zij verkozen 't niet te doen en Pa stond het ook niet toe. De jongens en Papa weten maar al te goed, waaraan zij zich op dat punt te houden hebben. Er wordt te veel met het woord prestige geschermd door de zich godheden wanende bestuursambtenaren. Ik trek mij niets van hun geplaag aan; ik heb juist pleizier over de wijze, waarop zij het prestige tegenover ons, den Javaan, bewaren. Met eenige mij zeer bevriende ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur besprak ik ook deze quaestie. Ik werd niet tegengesproken, doch mijn beweringen werden evenmin beaamd, ofschoon ik zeker weet, dat zij mij in hun hart gelijkgaven. Dit is ook alweer voor 't prestige. Kun jij je nu begrijpen, dat ik een glimlach niet kan onderdrukken, bij zulk een geval? Het is bepaald vermakelijk, hoe de groote heeren ons ontzag zoeken in te boezemen. Ik moest op mijne lippen bijten, om het niet uit te schateren, toen ik onlangs op reis zijnde, een assistent-resident van zijn kantoor naar zijn woning zag gaan onder de schaduw van een gouden zonnescherm, die zijn oppasser boven zijn edel hoofd open hield. 't Was toch zoo'n dwaze vertooning! O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde wijkt, u straks achter uwen rug uitlacht. Hoe vindt je, dat er vele, ja zeer vele bestuursambtenaren zijn, die zich den voet en de knie laten kussen door Inlandsche hoofden? Een voetkus is het hoogste eerbiedsbewijs, dat wij Javanen, òf aan onze ouders, en oudere bloedverwanten, òf aan onze eigen hoofden geven. Wij betoonen dat niet graag aan vreemden, en slechts met weerzin doen wij dat, als 't moet. Neen, de Europeaan maakt zich slechts belachelijk in ons oog, wanneer hij van ons de eerbewijzen vraagt, waarop alleen onze eigen hoofden aanspraak hebben. Dat de residenten en assistent-residenten zich "Kandjeng" laten noemen, is zooals 't hoort, maar dat zelfs tuinopzichters, weegbrugopzieners en morgen misschien ook de stationschefs zich zoo door hunne bedienden laten betitelen is gewoon zotgek. Weten die menschen wel, wat "Kandjeng" beteekent? Zij vragen van hunne minderen dezelfde eerbewijzen, die 't volk zijne hoofden brengt. O! O! ik dacht, dat alleen de domme Javaan houdt van dat geflikflooi, maar nu zie ik, dat de beschaafde, ontwikkelde Westerling daar ook niet afkeerig van is, ja daar zelfs verzot op is.

Ik sta nooit toe, dat vrouwen ouder dan ik, doch in stand mijne minderen, mij de hulde bewijzen, waarop ik aanspraak heb. Ik weet wel, dat zij 't gaarne doen, ofschoon ik zooveel jonger ben dan zij, maar ik ben eene afstammelinge van het door hen zoo aangebeden oud adellijk geslacht, voor wie zij goed en bloed veil hebben. Roerend is het, hoe verknocht de minderen aan hunne grooten zijn. 't Stuit mij tegen de borst om menschen, ouder dan ik, voor mij in 't stof te zien kruipen.

Met leede oogen ziet menig Europeaan hier aan, hoe de Javanen, hun minderen, zich langzamerhand ontwikkelen, en er telkens een bruine opduikt, die bewijst, dat hij evengoed hersens in zijn kop en een hart in zijn lijf heeft als de blanke.

Maar gaat uw gang maar, gij zult den drang van den tijd toch niet kunnen tegenhouden. Ik heb de Hollanders heel, heel lief, en ben hun dankbaar voor veel, dat wij van hen en door hen genieten. Velen, zeer velen onder hen mogen wij onze beste vrienden noemen, maar ook zeer, zeer velen, staan vijandig tegenover ons, om geen andere reden dan dat wij het waagden in ontwikkeling en beschaving hun nabij te streven. Op zeer gevoelige wijze laten zij ons dat voelen. "Ik ben Europeaan, gij Javaan", of m.a.w. "ik overheerscher, gij overheerschte". Niet eens, doch verscheidene malen sprak men ons aan in brabbel-Maleisch, ofschoon men zeer goed wist, dat wij de Nederlandsche taal spreken. 't Kan mij niet schelen, in welke taal men ons aanspreekt, als de toon, die zij aanslaan, maar heusch is. Onlangs werd een Raden Ajoe ook zoo aangesproken door een heer en heel bij de hand antwoordde zij: "Mijnheer excuseer me, dat ik u vriendelijk verzoek, mij maar in uwe taal te willen aanspreken. Ik versta en spreek wel Maleisch, doch helaas slechts hoog-Maleisch, het passer-Maleisch ken ik niet!" Of onze mijnheer op zijn neus keek! leelijk, hoor!

Waarom toch vinden vele Hollanders het onaangenaam om in hun eigen taal met ons te converseeren? O, ja, nu weet ik het, het Nederlandsch is te mooi om door een bruine mond te worden uitgesproken. Dezer dagen waren wij op visite bij Tòtòkkers.[4] De menschen, die bij hen dienden, waren oude sobats van ons; wij wisten dat zij goed Hollandsch verstonden en spraken. Dit vertelde ik ook en wat kreeg ik ten antwoord van mijnheer mijn gastheer? "Neen zij mogen geen Hollandsch spreken". "Niet? Waarom?" vroeg ik. "Inlanders mogen geen Hollandsch kennen". Verbaasd keek ik den spreker aan, spoedig bekwam ik van mijne verwondering, en een spottende glimlach deed mijne mondhoeken trillen. De heer werd bloedrood, mompelde iets in zijn baard, en ontdekte iets merkwaardigs aan zijn schoen, ten minste hij wijdde daaraan al zijn aandacht.

Nu nog een klein vertelseltje, dat in de Preanger speelde, 't Was in den vooravond—de Regent van X. ontving bezoek in zijne kaboepaten. Er was een particulier en de Resident van dat gewest; even daarna kwam een aspirant-controleurtje het gezelschap vergrooten. De zoon des huizes, een gymnasiast, met vacantie thuis, liep de pendopo op. Toen hij echter zag, dat zijn vader niet alleen was, wilde hij zich weer verwijderen, doch de Resident had hem gezien en riep hem tot zich. Z.Ed. begroette den jongen hartelijk en maakte een lang en vriendelijk praatje met hem. Als het onderhoud met Z.Ed. was afgeloopen, kwam hij naar het jonge ambtenaartje toe en maakte eene beleefde buiging voor hem. Het heertje echter vond het niet noodig, om dien beleefden groet met iets meer te beantwoorden dan een nauw merkbaren hoofdknik, en terwijl zijne koude oogen hem minachtend van top tot teen opnamen, stootte hij koel dit woordje uit: "Tabee" (Maleische groet). De jongen verbleekte, zijne lippen trilden, een paar vuisten balden zich.

Veel later vertelde hij aan den particulier, die dit voorval bijwoonde: "Ik houd heel, heel veel van de Hollanders, mijnheer, en tel onder hen mijne beste vrienden, doch ik zal nooit die "Tabee" van dien aspirant vergeten kunnen, het sneed mij door de ziel".

O! Stella, ik heb blikken geworpen in allerhande toestanden in de Indische maatschappij, onwillekeurig keek ik achter de schermen van de ambtelijke wereld. Er zijn afgronden, zoo diep, Stella, dat het gezicht er van alleen je reeds doet duizelen! Ach God! wat is de wereld toch vol wandaden, vol akelige afschuwelijkheden! Er zijn residenten en assistent-residenten, waarbij Slijmering in Max Havelaar nog een heilige is. Neen, ik wil mijn brief niet maken tot een schandalenkroniek.

O, nu begrijp ik, waarom men tegen de ontwikkeling van den Javaan is. Wanneer de Javaan ontwikkeld is, zal hij niet meer op alles ja en amen zeggen, wat zijne meerderen hem verkozen voor en op te leggen.

Zie, in den laatsten tijd worden er in de "Locomotief" (het voornaamste dagblad van Indië) artikelen gepubliceerd, geschreven door Inlanders. In die stukken leggen zij hunne opinies bloot over veel, dat sedert jaren heimelijk de gedachten beroert van zoo niet alle, dan toch het grootste deel der Inlandsche ambtenaren. Niet alleen de hoogsten van 't land, doch ook de minderen laten hunne stemmen hooren. De dagbladen noemen dit een verblijdend teeken des tijds en juichen 't zeer toe. Hoe de Europeesche ambtenaren er over denken, is mij niet bekend; wel weet ik, dat een controleur, eene reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur voorstelde, die de Regeering niets kost en die ten goede komt niet alleen aan de Europeesche, doch ook aan de Inlandsche ambtenaren. Hij bepleitte het nut van een bestuur van eigen hoofden, over het volk. Een denkbeeld, dat ook door de beide Kamers der Staten-Generaal wordt voorgestaan. Zij ook eischen het verplicht stellen van het Nederlandsch als diensttaal tusschen de Europeesche en Inlandsche ambtenaren. Heerlijk! dat mijn broer dus niet alleen staat.

Het is hier net als bij jullie de vrouwenbeweging, de Javaan emancipeert zich. En evenals jullie vrouwen en meisjes daar tegengewerkt worden door hen, die eeuwenlang de meesters zijn geweest, wordt de Javaan hier door zijn meerdere in zijne bewegingen belemmerd.

Het is hier nu nog maar een begin. Goddelijk toch, dat mannen van naam en aanzien onze zaak behartigen. De strijd zal fel zijn; de strijders zullen niet alleen te kampen hebben met de tegenstanders, maar ook met de onverschilligheid van eigen landgenooten, voor wie zij de lans breken.

En als de strijd van de mannen aan het woeden is, dan zullen de vrouwtjes opstaan. Arme mannen, wat zult gij 't volhandig hebben!

O! heerlijk, dat wij juist leven in dezen tijd! de overgang van het oude in het nieuwe!

Dezer dagen las ik: "Keurt niet af, gij ouden van dagen, al wat nieuw is. Bedenkt, dat al wat nu oud is, ook eens nieuw is geweest". (Ik citeer uit het geheugen.)

O, wat heb ik geschreven; ik hoop, dat ik je er niet al te zeer mee vermoeid heb. En, o, vergeef me, als ik door mijn geestdrift mij te zeer heb laten meeslepen en hier en daar iets schreef, dat je pijn doet! Stella! vergeef me, dat ik zoo heelemaal vergat, tot wie ik sprak. Ik ontmoette je in zoo groote sympathie. Mij heb je gezegd, dat ik niets anders voor je ben dan eene geestverwante. En evenzoo heb ik je beschouwd! Ik ben geen Javaan, geen kind van het geminachte bruine ras voor je, en je bent voor mij, niet eene die tot het blanke ras hier behoort, dat den Javaan haat en veracht en bespot. Je bent voor me de blanke in den waren zin van het woord, de blanke van huid en van ziel, tegen wie ik hoog opzie, die ik liefheb van ganscher hart, en met mij vele landgenooten stellig, als zij je kenden. O, dat alle Hollanders zoo waren als gij en vele mijner blanke vrienden, die ik hoogacht en liefheb!

Barthold Meryan is mij toegezegd, doch tot nu toe zie ik niets komen, denkelijk heeft de boekhandelaar het eerst uit Nederland moeten laten komen.... Maar ik las dezer dagen "Moderne Vrouwen", door Jeanette van Riemsdijk uit het Fransch vertaald. Teleurgesteld legde ik het boek neer, ik had er zooveel schitterende recensies over gelezen. Deze tendenzroman moest in alle opzichten hooger staan dan Hilda van Suylenburg. Het moest volmaakt zijn en heelemaal zonder gebreken.

Maar ik voor mij vind, dat H.v.S. nog altijd de Ratoe (Vorstin) is van alle tot nu toe verschenen werken over de Vrouwenemancipatie. Ik zal mij er wel voor wachten om een kritiek (!!!) uit te spreken over de "Moderne Vrouwen", maar naar mijn inzien mist dat boek die gloed en bezieling van H.v.S.

Wil je wel gelooven, dat ik in één stuk door H.v.S. had uitgelezen? Ik sloot me in onze kamer op, vergat àlles, ik kon 't boek niet uit mijn handen leggen, 't sleepte me zoo mee!

't Is jammer, dat mijn notitieboekje zoek is geraakt; ik wou je vragen iets te lezen, dat ik onlangs gelezen heb. Het is een stuk uit het Engelsch vertaald en heet: "Het doel der Vrouwenbeweging", ik weet echter niet goed meer of dat in de "Gids", dan wel in de "Wetenschappelijke bladen" heeft gestaan. En dan wat je lezen moet, als je 't nog niet kent, "De Wajang Orang" van Martine Tonnet in "de Gids", November-nummer. Het is iets over Javanen en hun kunst en het hof te Djokjakarta, heel interessant. Ge zult er van genieten, heusch. Dezer dagen las ik voor den tweeden keer "Minnebrieven" van Multatuli. Wat is hij toch een geniale man. Heerlijk, dat eerdaags eene goedkoope uitgave van al zijn werken verschijnen zal. Ik zal Papa maar eens heel lief aankijken.

De vader van onzen assistent-resident is een goede vriend van Multatuli, en van hem hooren we eenige bijzonderheden uit het leven van dat genie.

Couperus is nog steeds in Indië, als hij weer in het Vaderland terug is, zal er, geloof ik, een schitterend boek over mijn land verschijnen. Wat is zijn taal toch eenig en mooi!

[1] Kotta betekent hoofdplaats.

[2] Pasangrahan is een logeergebouwtje van Gouvernementswege voor reizende ambtenaren bestemd.

[3] Met Z.E. (Zijne Excellentie) wordt de Gouverneur Generaal bedoeld.

[4] Tòtòkkers = sedert kort in Indië gevestigde personen.

Begin 1900. (II.)

U weet wel hoe vurig steeds wij naar Europa verlangd hebben. Wij namen er vrede mee hier te studeeren, omdat Europa onbereikbaar voor ons was. Verleden jaar zouden wij al dolgelukkig zijn met Batavia, schoon toen onze gedachten reeds naar Europa vlogen. Aan de Indische Regeering wilden we n.l. vragen ons op 's lands kosten naar Europa te zenden; Roekmini voor de beeldende kunst, om later haar krachten te wijden aan de wederopbloeiing der Indische kunst, één der middelen tot volkswelvaart. Kleintje naar de huishoudschool, om later de toekomstige moeders en huisvrouwen de waarde van het geld en zuinigheid te leeren, een deugd, die het zorglooze, ijdele, pracht- en praallievende Javaansche volk zoo noodig heeft aan te leeren. En ik voor het onderwijs, om den toekomstigen moeders, naast wetenschappen, het begrip liefde en rechtvaardigheid te leeren, zooals wij dat verstaan hebben door de Europeanen.

De Regeering wil Java tot welvaart brengen, 't volk spaarzaamheid leeren en daarmee beginnen met hare ambtenaren. Wat baat het of de mannen gedwongen worden wat geld op zij te leggen, als de vrouwen, in wier hand het huishouden berust, de waarde van 't geld niet kennen? De Regeering wil den Javaan ontwikkelen, beschaven en dwingt om te beginnen de bovenste laag, d.i. de aristocraten, de Hollandsche taal te leeren. Daar wordt bij benoemingen nu immers op de ontwikkeling der candidaten gelet. Maar is een verstandelijke ontwikkeling alles?

Wil men werkelijk beschaven, dan moeten verstandelijke ontwikkeling en zedelijke ontwikkeling hand aan hand gaan.

En wie kan 't meest voor deze laatste doen, 't meest bijdragen tot de verhooging van 't zedelijk gehalte der menschheid?—de vrouw, de moeder, omdat aan den schoot van de vrouw de mensch zijne allereerste opvoeding ontvangt, het kind daar het eerst leert voelen, denken, spreken. En de allervroegste opvoeding is niet zonder beteekenis voor 't geheele leven.

Een der ondeugden, die bij den Javaan zoo noodig den kop moet worden ingedrukt, is ijdelheid; dat zal veel bijdragen tot de welvaart van Java, en wij kunnen daartoe komen alleen door moreele opvoeding.

Zoovele krachten, die het land en volk tot nut en zegen hadden kunnen zijn, liggen ongebruikt, omdat de bezitters uit ijdelheid niet verkiezen daarvan gebruik te maken. De adel lijdt liever bittere armoe en ellende, dan het goed te hebben, maar te moeten werken, zonder dat een goudgetinte pajong den hooggeboren kop dekt. De adel minacht alles, wat niet gedekt wordt door dat zoo begeerde artikel—gouden zonneschermen!

Ons volk is niet erg vatbaar voor hooge idealen; wij moeten het verbazen door een voorbeeld, dat spreekt en tot navolgen dwingt, willen wij ons idee van voorgaan en voorlichten bereiken. En daarom naar Holland gaan—en voor alles, voor de studie, voor ons is 't goed, dat wij er heen gaan, moedertje, help ons gaan!

Als wij afgestudeerd zijn en op Java terugkomen, zullen wij een internaat openen voor dochters van den adel; als 't kan van Regeeringswege, zoo niet, dan zullen wij 't van de particulieren gedaan zien te krijgen, door een geldloterij, of zoo iets.

Er zal wel wat op gevonden worden, als we al zoo ver zijn—voorloopig hebben we het meest hier thuis uit te vechten, zullen wij met Vader's toestemming rijker zijn dan een vorst. O! mogen wij die krijgen!

O! 't doet zoo'n pijn, zoo'n pijn. Vreeselijk is 't om een Javaansch meisje te zijn en een fijnvoelend hart te hebben. Arme, arme oudjes, welk noodlot was het, die hun zulke dochters gaf, als wij? Wij hopen en bidden vurig, dat hun een lang leven geschonken wordt, en dat zij later trotsch kunnen zijn op ons, al loopen wij niet onder een glanzenden gouden zonnescherm!

Helpt, vrienden, ons van hier te gaan, om te werken aan de verwezenlijking onzer idealen. Er zal een begin gemaakt worden aan het einde van dat groote onrecht, dat duizenden vrouwen- en kinderharten heeft doen bloeden.

Ik wil mij goed op de Nederlandsche taal toeleggen, ze volkomen onder de knie hebben, dat ik met ze doen kan wat ik wil—en dan zal ik trachten door middel van mijne pen de belangstelling van hen gaande te maken, die ons kunnen helpen, bij ons pogen om verbetering te brengen in 't lot der Javaansche vrouwen.

"Arme dwazen", hoor ik u zeggen, "wil je met je beidjes aan dat reuzengebouw schudden, wil je het omverhalen?"

Wij zullen er aan schudden, Moedertje met al onze kracht, al zal slechts één steen er uit vallen, wij zullen ons leven dan niet vergeefsch beschouwen. Wij willen voor wij daartoe overgaan, eerst trachten ons de medewerking te verzekeren, van al is 't slechts één van de beste en ontwikkeldste mannen van Java. Wij willen ons in verbinding stellen met onze ontwikkelde, vooruitstrevende mannen, hun vriendschap trachten te verwerven, en daarnaast hunne medewerking. Niet tegen de mannen binden wij den strijd aan, maar tegen oude, overgeleverde meeningen, adats, die niet meer deugen voor ons Java van de toekomst, waarvan eenige anderen met ons de voorloopers en voorloopsters zijn. Door alle tijden heen hebben de baanbrekers, op welk gebied ook, 't hard te verantwoorden, wij weten het. Heerlijk is 't een ideaal, een roeping te hebben. Noem ons gekken, dwazen, al wat u maar wil; wij kunnen niet anders, 't zit ons in 't bloed. Grootvader was baanbreker, toen hij een halve eeuw geleden zijn zoons en dochters een Europeesche opvoeding gaf. Wij hebben 't recht niet om dom te zijn; om niets te zijn. Adeldom verplicht! Excelsior! Nu kunnen wij ons nog niet in verbinding stellen met onze mannen van de jonge garde. Wij zullen dadelijk verdacht gemaakt worden. Vriendschap tusschen ongetrouwde vrouwen en mannen, getrouwd of ongetrouwd, acht men onbestaanbaar. Later als wij onze onafhankelijkheid veroverd hebben, kunnen wij 't doen. Mijn broer kent ze allemaal, persoonlijk of door correspondentie. Wij weten, dat er mannen zijn, die beschaafde, denkende vrouwen apprecieeren. Ik heb een man, hooggeplaatst Inlandsch ambtenaar, hooren zeggen, dat het zoo'n groote hulp en steun is voor den man, wanneer de vrouw beschaafd en ontwikkeld is.

13 Augustus 1900. (VIII.)

Wij voelden ons diep, diep rampzalig, omdat de ruwe werkelijkheid onze idealen dreigde te vermoorden; het koele, koude verstand beval droomen en illusies weg te werpen, te begraven, omdat onze Inlandsche maatschappij ze niet noodig had....

En daar kruiste u ons levenspad.... Wij voelen ons onmachtig in woorden weer te geven, wàt ons innerlijk beroert; de warmste, innigste bewoordingen lijken koud en koel bij hetgeen 't hart gevoelt; weet slechts dit, lieve Mevrouw, dat zoolang onze harten kloppen, uw beider namen in dankbare herinnering bij ons zullen blijven. Toen Vader een maand geleden vertelde, dat de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid hier zou komen, en met welk doel, droegen we uwen, ons nog onbekenden echtgenoot reeds groote sympathie toe; we wisten dat hij hart had voor den Javaan en voor de vrouw! Met welk een verlangen verbeidden wij zijn komst. Hij kwam en aan zijne zijde schreed een lieve zachte vrouw, die met vriendelijke hand bloemen strooide voor ons. Lieve, hartelijke woorden ruischten van hare lippen als muziek in onze ooren en drongen diep, diep ons in 't harte. Ze waren als zonnestralen, die verhelderden ons gemoed, en ons 't hart verkwikten en verwarmden.

We danken God innig, dat hij u tot ons zond en wij in u zoo groote sympathie mochten ontmoeten!

Een paar dagen geleden wisten we nog niets, niets van u, en nu is u ons zóó lief als kenden wij u heel ons leven lang!

Hoe vreemd en mysterieus is sympathie toch; zij laat zich niet dwingen, nergens binden; komt ongeroepen, onverwacht en bindt met één enkel woord, doch één, dat een diepen blik geeft in elkaars gemoedsleven, twee zielen, die tot dusver elkaar vreemd waren, met sterken, hechten band!

O! 't is zoo heerlijk, zoo zalig! gevoelens, denkbeelden, die in ons leven en die wij liefhebben, bij anderen terug te vinden; en dit is 't, dat onzichtbare, doch sterke draadjes van 't eene naar 't andere hart spant en ons nader tot elkaar brengt, dan ooit jarenlange omgang 't zoude kunnen doen.

O! we zouden 't wel willen uitjubelen van vreugde, met de vogeltjes in de boomen meezingen liederen van lof en van dank den Schepper van 't al gewijd, en met de gevleugelde zangers jubelend ten hemel opstijgen om Hem te danken voor 't mooie, heerlijke leven! Mooi en heerlijk is 't leven, ondanks zijn vele en donkere schaduwzijden; en zijn deze er niet juist om't licht scherper te doen uitkomen? God heeft 't goed met ons bedoeld; 't leven is ons gegeven als zegen en niet als last; wij menschen zelf maken het veelal tot een kruis.

Hoe goed de Schepper 't met ons meent, voelen, weten we 't best, als we in Zijn vrije natuur zijn. Op Klein Scheveningen, waar alles ademt van schoonheid en poëzie, van vrede en rust, kunnen wij vaak ons geluk niet op.

't Lijkt me toe, alsof ons leven nu heelemaal is veranderd, veel mooier is geworden.

O! hoe groot is toch de macht, de invloed der geestes- en gemoedsaristocratie, dat zij in enkele uren tijds zoo'n groote verandering in zoovele levens kan teweeg brengen.

Augustus 1900. (VIII.)

"Welke is toch de taal, al is men die ook nog zoo machtig, waarin men goed de emoties van de ziel uit kan drukken? Deze bestaat niet."

Ik geloof met u, zij bestaat niet, althans niet in die, welke gesproken en geschreven wordt; maar er is een stille, geheimzinnige taal, die in woorden noch in letterteekens zich uitdrukt, en die toch verstaan en begrepen wordt door ieder, die voelt, en waarop men ten volle kan vertrouwen, omdat in haar ganschen woordenschat 't woordje "leugen" is onbekend!

't Is de reine, kuische taal der oogen, de klare spiegels van de ziel! En als u dien middag me kon zien, vijf zacht geurende velletjes trilden in mijne bevende handen, warme tranen drupten me langs de wangen, zoudt u zonder één enkelen klank van mijnen mond te vernemen, alles verstaan, begrijpen, wat er in mij omging! Wat de mond noch de pen vermocht te uiten, hadden u de oogen, die drijvend in een floers van tranen opblikten ten hoogen, als om daar te zoeken, te vinden te midden van andere engelen Gods, die eene, die met zachten vleugelslag tot ons was neergedaald om onze bedroefde harten, die bitter weenden om vee! treurigs op deze aarde, te troosten en te vervullen met eene hemelsche vreugde! Dank! dank! dank! riep elke hartslag, elke polsslag, en iedere ademhaling was een dankgebed!

Wij zijn maar heel, heel gewone menschenkinderen, een mengsel van kwaad en goed, zooals millioenen anderen. 't Kan zijn, dat er op 't oogenblik in ons van 't goed meer aanwezig is, dan van 't kwaad, maar de oorzaak hiervan zou dan niet ver zijn te zoeken. Waar men leeft in eene eenvoudige omgeving, is 't geen moeite, om goed te zijn; men wordt 't als van zelf. En 't is volstrèkt géén kunst, géén verdienste, om geen kwaad te doen, waar ons geen gelegenheid daartoe geboden wordt. Later, als wij 't warme, veilige ouderlijke nest zijn uitgevlogen; staan in 't volle menschenleven, waar geen trouwe oudersarmen om ons heen worden geslagen; als om ons 's levens stormen woeden en razen; geen liefdevolle hand ons steunt; vasthoudt, als onze voeten wankelen ... dàn eerst zal 't blijken, wàt we zijn! O! ik bid zoo vurig, dat wij niet nog verhoogen mogen den berg van teleurstellingen, dien het leven u reeds heeft gebracht, en aan u een even vurige bede: denk ons niet zoo mooi! want zóó kan 't niet anders, of 't moèt wel op eene teleurstelling uitloopen, en 't zou ons zoo bitter bedroeven. Zoo langzamerhand bij brokjes en stukjes zal ik u naar waarheid álles van ons vertellen, opdat u een juiste kijk krijgt op onze karakters en ons in uwe groote goedheid geen mooie eigenschappen toedenkt, die wij niet bezitten!

Nog een heel leven ligt vóór ons; laten wij zien, wat daar nog van te maken is.

"Ik voel zooveel voor de vrouw, ik trek mij haar lot zoo aan, miskend en onderdrukt als zij is in vele landen nog in deze eeuw van "licht", ik verdedig haar zoo graag en trouw". Dank voor deze heerlijke sympathieke woorden, waarin luid uw groot mededoogen spreekt, uw diep meevoelen het leed uwer medemenschen, schepselen, die eeuwenlang verongelijkt zijn en nog worden door haar medemensch: den man. Dank, mijn God, dank! er zijn dan toch edelen van hart en geest, die zich 't droeve lot der Inlandsche vrouw aantrekken, die licht willen ontsteken in hare arme, donkere wereld! Het Inlandsche vrouwenhart heeft genoeg gebloed, onschuldige kinderzieltjes genoeg geleden.

Blanke zuster met uw warm, diep voelend hart, uw ruimen blik, uw rijken geest, reik ons de hand, hef ons op uit den poel van jammer en ellende, waarin de zelfzucht van den man ons heeft gestooten, en gedompeld houdt. Help ons bestrijden dat niets ontziend mannen-egoïsme, het demon, dat jaarhonderden de vrouwen heeft gegeeseld, vertrapt, zóó, dat gewend als ze zijn aan de mishandeling, zij daar geen onrechtvaardigheid meer in zien, maar het onderworpen met stille berusting beschouwen als het goed(!) recht van den man, als een erfenis van rouw van iedere vrouw. Jong ben ik nog, maar ik ben doof noch blind geweest, en ik heb véél gehoord en gezien, tè veel zelfs, misschien, dat mijn hart deed ineenkrimpen van pijn, me woest opzweepte tot òpstaan tegenover ingekankerde gewoonten, die vrouwen en kinderen zijn ten vloek!

En radeloos, in hevigen smart wring ik de handen ineen, mij als één mensch onmachtig gevoelend tegenover een kwaad van reusachtigen omvang, en dat—o, wreedheid! onder bescherming staat der Mohammedaansche leer en gevoed wordt door de onwetendheid der vrouw, het slachtoffer!

O! en dan te bedenken, dat 't lot mij eens dat gruwelijke onrecht, dat polygamie heet, in de hand zou laten werken.... "Ik wil niet!" krijt de mond heftig, en 't hart echoot dien kreet duizendvoud.... Maar ach ... willen!—hebben wij menschen wel een wil?

Wij moeten, moeten van af onzen eersten levenskreet tot aan onzen laatsten ademtocht!

Leven, hoe vol raadselen en geheimenissen zijt ge!

Wij meenen zoo veel te weten en eigenlijk weten wij nièts! Wij meenen een wil, een ijzeren wil te hebben, wij verbeelden ons sterk om bergen te verzetten ... doch één brandende traan, één smartelijke blik uit beminde oogen en gebroken is onze kracht!

Mag ik u een verhaal vertellen, dat onderhoudend noch interessant is, maar droog, eentonig, langdradig, en véél van uw geduld vergen zal. Vooraf vraag ik u nederig vergeving voor 't vervelend uurtje, dat ik er u om ga bezorgen. Ik durf 't doen, omdat u mij schreef: "Schrijf mij zooveel en zoo lang als gij kunt". Och, kon u maar vooruit weten, welk een misbruik van uwe groote goedheid zou gemaakt worden, dan zouden die woorden nooit zijn neergepend.

Het is de geschiedenis van drie bruine meisjes, kinderen van 't zonnige Oosten; blindgeborenen, die men ziende heeft gemaakt, heeft laten zien, genieten en bewonderen 't schoone, 't hooge in 't leven; en nu, nu hun oogen aan licht en schoonheid zijn gewend, zij de zon, de mooie omgeving der verlichte wereld liefhebben, staan ze op 't punt om den blinddoek weer voor de oogen te voelen, te worden teruggeduwd in het duister, vanwaar ze zijn gekomen, en waar allen en ieder van haar voorgeslacht in hebben geleefd!

Men wijt aan boeken vol "onzin", die van 't verre Westen kwamen en doordrongen tot 't hartje van 't binnenland, 't stille, vredige oord, op Java's immer-groene kust, waar de zusters wonen, dat deze weerspannig, onwillig zijn 't juk op te nemen, dat toch al hare vrouwelijke voorzaten gewillig en geduldig hadden getorst, en dat thans hangende en slingerende is in de lucht en ieder oogenblik op de onwillige schouders neerploffen kan.

Men heeft niet heel en al gelijk; niet de boeken alleen hebben haar oproerig gemaakt, toestanden doen haten, die sedert onheugelijke tijden hebben bestaan en die een vloek—een vloèk—zijn voor àl wat heet vrouw of meisje!

Het verlangen naar vrijheid, zelfstandigheid en onafhankelijkheid, is niet van jongen datum. Reeds in haar vroegste jeugd, toen "emancipatie" voor haar nog was een onbekend woord, en boeken en andere geschriften, die 't daarover hadden, ver buiten haar bereik waren, was er in een der drie zusjes die drang geboren; toestanden in directe en indirecte omgeving riepen hem in 't leven op.

't Was speeluur op de Europeesche school van 't plaatsje Japara. Onder de geelbebloesemde waroeboomen op 't schoolerf groepeerden zich in gezellige wanorde groote en kleine meisjes op 't mollige, groene grastapijt. 't Was zoo warm, niemand had lust in spelen.

"Toe, Letsy, vertel jij eens wat, of lees eens voor", vleide een bruin meisje, dat niet slechts, door hare huidskleur, maar ook door hare kleeding, de Inlandsche verried. Een groot blond meisje, dat lui leunde tegen een boomstam en ijverig in een boek las, keek op en sprak: "Ach neen, ik moet mijn Fransche les nog leeren".

"Dat kan je thuis immers doen, want 't is geen schoolwerk."

"Ja, maar als ik mijn Fransche lessen niet goed leer, mag ik over twee jaar nog niet naar Holland gaan. En ik verlang al zoo erg naar de kweekschool om voor onderwijzeres te studeeren. Als ik later dan als schooljuf uitkom, wordt ik misschien hier geplaatst, en dan zal ik vóór in plaats van in de klasse zitten, Maar, zeg eens, Ni, je hebt 't mij nog nooit verteld, wat wil je later toch worden?"

Twee groote oogen keken 't spreekstertje verbaasd aan.

"Nu, vertel maar op."

't Javaantje schudde 't hoofd en zeide laconiek: "Weet niet". Neen zij wist 't werkelijk niet, zij had daar nooit aan gedacht, ze was nog zoo jong en ging geheel op in haar dartel jong leventje. De vraag harer blanke vriendin maakte echter diepen indruk op haar. Zij liet haar niet met rust, onophoudelijk hoorde zij in haar ooren ruischen: "wat wil je later worden?" Zij peinsde en peinsde er haar hoofdje moe van. Dien dag liep ze in school menig strafwerk op, ze was zoo verstrooid, gaf de dwaaste antwoorden als men haar wat vroeg en maakte de domste fouten in haar werk. 't Kon ook niet anders, hare gedachten waren niet bij hare lessen, ze toefden bij hetgeen ze in 't uitspanningsuur had gehoord. Haar eerste doen, toen ze thuiskwam, was naar haren vader toe te loopen en hem die gewetensvraag voor te leggen: "Wat zal ik later worden?" Hij zeide niets, lachte maar en kneep haar in de wang. Doch zij liet zich niet afschepen en bleef zeuren om antwoord. Een oudere broer kwam aanloopen, vernam hare vraag en hare gretig luisterende ooren vingen deze woorden op: "Wat meisjes worden moeten? wèl een Raden Ajoe,[1] natuurlijk!" Het meisje was tevreden en snelde blijde weg. Een "Raden Ajoe" herhaalde zij telken male bij zichzelf—wàt is een "Raden Ajoe"? De nieuwe gedachte liet haar niet met rust, aldoor dacht ze aan de twee woordjes "Raden Ajoe". Ze moest later zoo een worden; ze blikte om zich heen, zag en kwam in aanraking met vele Raden Ajoe's aan wie zij van toen af aan hare aandacht wijdde en die zij bestudeerde.

En wat 't kind kon te weten komen van 't leven dier vrouwen, deed in haar hartje den geest van verzet wakker worden tegen het "Raden Ajoe zijn", den eeuwenouden steeds gehuldigden regel: meisjes moèten trouwen, moeten een man toebehooren, zonder te vragen wat, wie, en hoe!

Het meisje was 12 1/2 jaar geworden, en het werd tijd, dat zij haar dartel kinderleven vaarwel zeide: afscheid nam van de schoolbanken, waar zij zoo gaarne op zat; van Europeesche makkertjes, in wier midden zij zoo gaarne vertoefde. Zij was oud genoeg bevonden om thuis te komen, en zich te onderwerpen aan de gewoonten van haar land, die den jongen meisjes gebieden, in huis te blijven, te leven in strenge afzondering van de buitenwereld, zoolang tot de man, dien God voor ieder harer heeft geschapen, haar komt opeischen en meevoeren naar zijn woning.

Wat ging er al niet om in 't jonge hoofdje, in 't jonge hartje, toen zij voor 't laatst den weg van school naar huis aflegde. De donkere oogen zwommen in heete tranen, heftig zwoegde het tengere borstje op en neer, en 't kleine mondje trilde van ingehouden snikken.

Ze wist o, zoo goed, dat met de schooldeur veel wat haar oneindig lief was, gesloten werd voor haar. 't Afscheid van den geliefden onderwijzer, die haar zoo lief en hartelijk had toegesproken bij haar heengaan; van makkertjes, die haar met betraande oogen de hand drukten; van de plaats, waar zij zooveel heerlijke uurtjes had gesleten; kostte haar onnoemlijk veel. Maar dit woog niet op tegen haar smart over het eindigen harer lessen. Zij hield zoo hartstochtelijk veel van leeren, en zij wist, dat er nog oneindig veel te leeren was behalve hetgeen men op de lagere school kon leeren. Zij was eerzuchtig; zij wilde in "knapheid" niet achter staan bij hare blanke vriendinnetjes, die naar Europa gaan; bij hare broers, die de hoogere burgerschool bezoeken.

Zij smeekte haren Vader haar meê met de jongens te laten gaan naar Semarang om er de H.B.S. te bezoeken, ze zou steeds haar best doen; hare ouders zouden niets over haar te klagen hebben. Zij lag op hare knieën voor hem; hare gevouwen handen rustten op zijne knie, vol gloeiend verlangen werden hare groote kinderoogen tot hem opgeslagen, en in angstige spanning verbeidde zij ademloos zijn antwoord. Liefkoozend streelde hij 't zwarte hoofdje; zijne vingeren streken zacht de weerbarstige haartjes van haar voorhoofd weg, en zacht doch beslist klonk van zijnen mond: "Neen!"

Zij sprong op; zij wist wat een "neen" van hèm beteekende; rende weg en kroop onder een bed om zich voor anderen te verbergen; zij wilde alleen zijn met haar droefheid, die zich uitte in een woest, onbedaarlijk snikken.

Eens had haar onderwijzer gevraagd, of zij niet met Letsy, zijn dochter en haar vriendin, mee wilde naar Holland, om verder te leeren. Gretig, met schitterende oogen had zij toegeluisterd. "Nu, wil je?"

"Vraag mij niet of ik wil, vraag mij of ik màg!" klonk 't gesmoord van haar bevende lippen.

Goede man, hij had 't zoo best met haar gemeend. Vreemdeling, die hij was in Inlandsche gewoonten, wist hij niet hoe wreed hij was, met haar die vraag te doen. Een hongerige voedsel, lekkers voor te houden, waar zij niet bij kon....

Dwaas meisje, 't was de bedoeling uwer goede ouders niet, u naar school te zenden om oproerige gedachten in uw hartje te brengen. Gij moest er Hollandsch en Hollandsche maniertjes leeren, en meer niet. Dom, klein ding, hadt gij dat maar begrepen en u daaraan gehouden, dan zou veel leed in de toekomst u zijn bespaard. Doch 't domme, kleine ding had zichzelve niet gemaakt; zij kon 't niet helpen, dat God haar een ontvankelijk gemoed gaf, en een hartje, dat willig in zich opnam àl wat de Hollandsche taal haar leerde mooi te vinden.

Arme kleine: in haar hartje hielden Westersche gedachten jubelend intocht, en aan handen en voeten zag zij zich geketend aan de Oostersche tradities. En hare spieren waren nog zoo zwak, zoo teer, om de banden en boeien, die haar omknelden, te kunnen verbreken. En later, als ze zich sterk gevoelde om met één ruk alles van zich af te schudden, toen ... doch laten wij de geschiedenis niet vooruitloopen; wij zijn er nog verre niet.

De schooldeur viel achter haar toe, en vriendelijk nam de ouderlijke woning haar in zich op.... Groot was dit huis en overruim het erf, maar hoog en dik waren ook de muren, die het omgaven. En die afgesloten vierkante ruimte was voortaan haar wereld, haar heelal. Hoe ruim en fraai en vol geriefelijkheden een kooi ook is, voor het vogeltje, dat er in opgesloten wordt, is 't een kooi!

Voorbij! voorbij haar dartele jeugd! voorbij alles, wat de vreugde uitmaakte van haar jong kinderleven. Zij gevoelde zich nog zoo'n kind, en zij was het inderdaad ook, maar de adat rangschikte haar onverbiddelijk onder de volwassenen. En zij, voor wie geen slootje te breed was om er over te springen; voor wie geen boom te hoog was, om er in te klimmen; die nooit liep, maar aldoor huppelde als 't dartele veulentje in de wei; moest nu kalm, bedaard, deftig zijn, zooals 't een Inlandsche jonge dame van hoogadellijken huize betaamde. Een juweel van een Javaansch meisje is: stil, onbewegelijk als een houten pop; spreken alleen, wanneer 't hoognoodig is met een fluisterstemmetje, zelfs voor mieren onverstaanbaar; loopen, voetje voor voetje als een slak: lachen, geluidloos zonder de lippen te openen; 't staat zoo leelijk wanneer de tanden zichtbaar zijn; je lijkt dan wel een "loewah" (vos).

Ni zondigde ieder oogenblik.

Een dof, eentonig sleurleventje brak voor haar aan, dag aan dag dezelfde bezigheden, dezelfde omgeving, dezelfde menschen om zich heen. Een lichtpunt was in de eerste dagen de komst van Letsy. 't Was een feest, als Letsy bij haar was; zij was weer 't oude vroolijke kind, en vergat geheel hare gevangenschap, die zich deze veronachtzaming wreekte door zich dubbel op haar te doen gevoelen, als 't blanke vriendinnetje weer vertrokken was.

Doch dit lichtpunt was al gauw van haar kleurloos leven verdwenen! Letsy vertrok naar 't verre, hooge Noorden. Ni had geen vriendin meer. Maar de vriendschap zou niet door den afstand verbroken worden, zij zou in brieven worden voortgezet.

't Sleurleventje ging voort, doffer, eentoniger....

Met hoe'n smachtend verlangen keek zij hare jongere zusjes na, wanneer deze met leien en boeken gewapend, de deur uitgingen om naar den tempel der wijsheid te gaan en kennis te vergaren.

Een tijdje lang had ze zelf hare lessen voortgezet, doch inziende 't nuttelooze van een leeren zonder meester, bergde zij met een diepen zucht hare leerboeken weg.

O! indien bantal en goelings spreken konden, wat zouden zij dan veel kunnen vertellen; zij zouden verhalen het leed van een klein menschenzieltje, dat in heete tranen aan hun boezem werd uitgeschreid avond aan avond!

't Jonge menschenkind kon maar geen berusting leeren! In 't dwaze kopje en hartje woelden rusteloos honderden oproerige gedachten.

Ze gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten temidden van velen, waarmede zij dag in dag uit samenleefde.

Och, men kan wel broers en zusters zijn, dag in dag uit met elkaar samenzijn, maar als onze zielen elkaar niet vinden, blijven wij toch ten eeuwigen dage vreemden voor elkaar.

Ze had eene oudere zuster, die met haar de gevangenschap deelde; ze hield wel van haar, maar van een innige verhouding tusschen beiden was geen sprake. Daartoe verschilden beider karakter en levensopvattingen te zeer met elkaar. De oudere zuster was stil, eenzelvig, kalm en bedaard; en zij, de jongere, daarentegen was één en al leven en vurig van natuur. De denkbeelden, die deze aanhing, waren fouten in de oogen der eerste, die zeer gehecht was aan de oude tradities en gewoonten[2].

Hoe dikwijls was niet de jongere met schitterende oogen tot de oudere zuster gekomen om haar enthousiast het een of ander te vertellen of voor te stellen. En als zij had uitgesproken—dit liet de oudere zuster haar steeds doen—klonk haar immer koud en koel tegen: "Ga je gang, ik ben een Javaan!" Ni's hartje kromp ineen, als had een ruwe hand het aangeraakt. Een ijzige koude beving haar inwendig. Ook de jongere zusjes waren van haar vervreemd. De oudste zag niet gaarne, dat ze veel met Ni samen waren. Ni, die zulke rare ideeën had. En zus was heel streng; de zusjes waren doodsbang voor haar.

Ni vond dit hard, doch zoo hard toch nog niet als hetgeen haar moeder haar aandeed. Ook deze sloot voor haar haar hart, omdat hare denkbeelden lijnrecht stonden tegenover die van haar kind. Arme, kleine Ni, haar zieltje smachtte naar teederheid, en zij vond slechts koelheid, waar zij zelve liefde gevend, bedelde om een beetje genegenheid. Waarom was zij ook zoo vreemd, zoo raar, zoo anders dan anderen? Ach, ze had al zoo dikwijls geprobeerd, om anders, zooals anderen, te denken; en telkens, wanneer 't haar bijna gelukte, gebeurde er iets, dat de sluimerende gedachten, die de kennis der Hollandsche taal in haar hartje had gegaard, wakker schudde, en berouw hebbend over haar ontrouw daaraan, hechtte zij zich des te inniger aan de opnieuw ontwaakte denkbeelden.

Maar zoo geheel dof en kleurloos was haar leven toch niet.

Er waren er twee, die van haar hielden, zooals ze was; die haar liefhadden, zooals ze 't gaarne had: warm en innig. En die twee hing ze aan met al de teedere aanhankelijkheid van haar naar liefde dorstend hartje. Het waren haar Vader en haar derde broer, de jongste harer oudere broers. Wèl kon hij niet vervullen haar innigsten en zoetsten wensch: vrij zijn!—kon hij niet bevredigen haar hartstochtelijk verlangen naar wetenschap; maar haar bemind Vadertje was zoo innig goed voor zijn dochtertje, zijn eigen dwaas meisje; hij had haar lief, dat wist ze, dat voelde ze. Hij kon haar zoo innig en trouw aankijken, zijn zachte hand kon zoo teeder streelen hare wangen, heur haar, en zijn sterke armen konden zich zoo heerlijk warm ronden om haar halsje en schouders.

En broer hield van haar; dat wist ze, ofschoon hij 't haar nooit had gezegd, hij haar nooit een lief woord had toegevoegd en haar nimmer had geliefkoosd! Maar tallooze fijne attenties, zooals alleen een liefhebbend hart 't kon bedenken, spraken haar van zijne warme genegenheid voor haar. Hij lachte haar niet uit, wanneer ze hem sprak over hare idealen, hoorde haar belangstellend aan en nooit deed hij haar huiveren met een koud: "Ga je gang maar, ik ben een Javaan!" En al zeide hij haar niet dat hij sympathiseerde met hare ideeën, toch wist zij, dat hij in zijn hart 't met haar eens was. Ze wist, dat hij alleen maar zweeg, omdat hij haar niet nog oproeriger wilde maken. Dat zeiden haar de boeken, die hij zijn zusje in de hand stopte. Ni voelde zich zoo rijk met de liefde harer beide lievelingen, met de geestelijke sympathie van haar broer.

Maar haar vader was niet altijd bij haar, hij had zijn werk; en waar hij werkte, daar mocht zij niet komen; immers zij mocht de afgesloten ruimte, haar verblijf, niet uit; en broer was maar enkele keeren in 't jaar thuis, hij ging nog school op Semarang. Haar oudste broer kwam thuis, hij was van school af, had eene betrekking op de plaats gekregen en woonde bij zijn ouders in. Ni's leven werd er niet vroolijker door—integendeel, 't werd droeviger. Leed zij vroeger vóór zijn komst door de koelheid van bijna al hare huisgenooten, door 't opgesloten zijn, door allerlei gewoonten, waaraan zij zich niet onderwerpen kon, thans kwamen gesar en geplaag het aantal harer grieven vermeerderen. Ni wilde, Ni kòn niet naar de pijpen van haren broeder dansen. "Jongeren zijn gehoorzaamheid aan ouderen verschuldigd", werd haar steeds voorgepredikt, en "vooràl moeten meisjes haar oudere broers gehoorzamen". Maar eigenzinnige Ni zag niet in, waarom dat zoo moest zijn. "Zij kon 't niet helpen", redeneerde zij, dat zij later dan haar broers geboren was; dat ze hun daarom gehoorzamen moest, vond ze zotgek. Zij was niemand, niemand gehoorzaamheid verschuldigd dan haar geweten, haar hart. En zij zou haar broer niets toegeven, dan alleen wanneer zij overtuigd was, dat hij gelijk had.

Een bedorven zoontje, moeders lieveling, door iedereen om 't hardst gevleid en naar de oogen gekeken om den hoogen rang van zijn vader, dacht hij niet beter of 't hoorde zoo, dat ieder die hij als zijn mindere beschouwde hem onvoorwaardelijk moest gehoorzamen.

En hij was eerst verbaasd, daarna toornig geworden, toen hij zag, dat 't kleine meisje, dat een half dozijn jaren met hem verschilde, zijn wil durfde trotseeren. Hij zou, hij moest 't brutale onderkruipsel klein krijgen. Alles was fout, wat Ni deed; om 't minste iets werd zij streng berispt. Geen dag was er nagenoeg, waarop broer en zuster niet tegenover elkaar stonden, hij met een donker gelaat haar barsche woorden toevoegend, die haar hartje bloedig striemden, en zij met bevende lippen en trillend stemmetje haar goed recht of dat van anderen verdedigend, dat hij wilde vertrappen. En zij stond geheel alleen in den strijd tegen het despotisme van haar broer, haar toekomstigen beschermer, wanneer zij 't ongeluk mocht hebben haar ouders te verliezen, vóór zij onder dak was gebracht, onder bescherming stond van den man, dien God voor haar schiep!!! Hij zorgde wel, dat hij haar niet kwelde in Vaders nabijheid, die zulks nooit zoude toestaan; en hij wist, dat zij te trotsch was, om te klikken.

Maar de overige huisgenooten, die 't zagen, lieten het stilzwijgend toe, ofschoon zij wisten, dat zij was in haar recht. Men moest brutaliteit niet in de hand werken en 't meisje was ongelooflijk brutaal; zoo jong als ze was, durfde ze "neen" zeggen als haar zooveel oudere broer "ja" zeide. Een meisje mag geen recht hebben, waar 't ook maar eenigszins den man benadeelt in zijne belangen. 't Recht van het meisje is hetgeen haar onzelfzuchtige broeder haar gelieft toe te staan.

En in later jaren, als Ni zich dit alles herinnerde, kon zij zich zoo goed begrijpen, wááróm de man zoo egoïstisch was. Immers, van huis uit, als kind werd hem geleerd zelfzuchtig te zijn en ... door zijn moeder 't allereerst. Van kindsaf aan werd hem geleerd, het meisje—de vrouw te beschouwen als een wezen van lager orde dan hij. Hoorde zij niet hare moeder, hare tantes, hare vrouwelijke kennissen o zoo dikwijls op smalenden, minachtenden toon zeggen: "een meisje, 't is maar een meisje!" 't Is de vrouw zelf dus, die den man leert, de vrouw te verachten. Ni's bloed kookte, wanneer zij smalend en minachtend over 't meisje hoorde spreken door eene vrouw.

"De vrouwen zijn niets". "De vrouwen zijn voor de mannen, voor hun pleizier geschapen, zij kunnen met hen doen wat zij willen", klonk honend, sarrend als de lach van Satan haar in de ooren. Hare oogen schoten vonken, driftig balde ze hare handen en klemde in machtelooze woede de lippen stijf op elkaar. "Neen, neen!" schreeuwde en gilde 't in 't haar heftig kloppend hartje: "wij zijn menschen evengoed als de man. O, laat mij 't bewijzen. Maak mijn boeien los! Laat mij mogen, en ik zal toonen, dat ik ben een mensch, een mensch, evengoed als de man". En zij wrong zich en kronkelde, zij trok en rukte, maar de ketens waren sterk, en sloten nauw om hare tengere polsjes en enkels. Zij verwondde er zich aan, maar breken deed zij ze niet.

Kon zij berusting leeren? In 't jonge hoofd woelden rusteloos honderden gedachten; in haar hart rijpte de geest van verzet tegen de bestaande toestanden. Ze zou, ze wilde zich er niet aan onderwerpen; ze wilde, ze moest een nieuwen weg opgaan. Hoè wist ze nog niet; 't was nog zoo duister en verward in haar dom brein, maar ze wilde 't, dàt wist ze.

Vroegrijp kind! op een leeftijd, waar slechts zonnige gedachten aan dartel gespeel en gestoei 't jonge hoofdje moesten vervullen, hield ze zich bezig met akelig sombere en donkere gedachten over die treurige dingen in 't leven. 't Kòn niet anders; zij was doof noch blind, en leefde als 't ware midden in scheve en schotsche toestanden der Inlandsche maatschappij, die geen rekening hield met jeugd en fijn gevoel. Ruw werden de jonge teere oogen geopend voor 't werkelijke leven in al zijn ruwheid, platheid en schokkende wreedheid. Van hare ouders zelf hoorde zij nooit een ruw woord, dat haar rein gemoed schokte en 't fijnvoelend hartje kwetste, maar zij leefde niet alleen met hare ouders; zij leefde in de menschenwereld en die hield geen rekening met jeugd en fijn gevoel.

O dood! waarom wordt gij toch een verschrikking genoemd, gij, die den mensch uit 't wreede leven verlost! Ni zou u zoo dankbaar en met vreugde volgen!

Zij had niemand, die haar wees op 't schoone, 't hooge, dat er was naast al 't lage en gemeene in 't leven. De Inlandsche gewoonten brengen mee, dat een zekere afstand bewaard blijft tusschen ouders en kinderen. Zeker kunnen ze vertrouwelijk zijn met elkaar, maar tot zulk eene innige vertrouwelijkheid, zooals bij vele Europeesche ouders en kinderen 't geval is, kan 't nooit komen. Ni had haren Vader zielslief, en tòch, al zou ze nooit iets buiten hare ouders om doen, hun hare innigste gedachten blootleggen, kon ze niet. Koud en koel stond de strenge Javaansche etiquette tusschen hen beiden in. Ni ontvluchtte zooveel zij kon de menschen, die met hun cynisme haar naar omlaag trokken. En waar de zeden en gewoonten van haar land haar geen toevluchtsoord deden vinden in de oudersarmen, aan oudersharten, voor haar droef lijdend zieltje, vond zij troost bij stille, zwijgende vrienden: "boeken".

Ze had steeds veel van lezen gehouden, doch nu was hare liefde voor lectuur eene passie geworden. Zoodra was niet 't werk, dat haar opgedragen werd, verricht, of zij greep naar een boek, een krant. Zij las àlles, wat haar onder de oogen kwam; zij verslond gulzig groen en rijp. 't Gebeurde wel eens, dat zij een boek vol afschuw van zich wegwierp. Ze hoefde immers niet in boeken te zoeken, wanneer zij walgelijke, vieze dingen wilde weten; 't werkelijke leven zat er vol van, en juist om dàt te ontloopen, verwijlde ze in haar geest in werelden, die 't menschelijk vernuft schiep naar de natuur of fantaisie.

Er waren zooveel mooie boeken, waarvan zij onuitsprekelijk genoot, die haar al 't naars in 't leven deden vergeten. Mooie karakters, edele levensopvattingen, groote zielen en geesten, deden haar hartje gloeien van geestdrift en trillen van verrukking. Zij leefde geheel meê met alles, waarvan zij las. En aan lectuur ontbrak het haar niet; ze hoefde slechts haar hand uit te steken en te grijpen in den leestrommel, die elke week nieuwen voorraad bracht; en haar Vader, die haar zoo graag een pleizier deed en zelf schik had in haren leeslust, bedierf haar met boekgeschenken. Ze begreep lang niet alles, wat ze las; maar ze liet zich daardoor niet ontmoedigen. Wat bij de eerste lezing onbegrijpelijk was, werd bij de tweede reeds minder raadselachtig, en bij de derde of vierde lezing vrijwel verstaanbaar. Elk onbekend woord dat ze las, noteerde ze, om later, als haar lievelingsbroer thuis kwam, hem er de beteekenis van te vragen. En hij hielp zusje zoo graag en trouw. O! hoe hemelsch verrukt was ze, als ze naderhand bemerkte, dat de lectuur haar niet enkel genot schonk, maar ook oneindig veel leerde. O! indien zij haar bemind Vadertje niet had, haar trouwen broer en hare boeken, zou zij die droeve jaren wel hebben kunnen doorkomen? Ze zou wis en zeker bezweken zijn, onder 't vele naars, dat haar jong leventje, haar jong zieltje zoo zwaar drukte. Vader en broer stilden den honger van haar naar liefde smachtend hartje, en de boeken gaven haar hongerigen geest, die de Hollandsche taal had wakker geroepen, voedsel!

Een broertje werd geboren. En dit hulpelooze wicht hield Ni van een groot kwaad terug, bracht haar op 't goede pad, waarvan zij was afgeweken. Zij was hard op weg om een slecht kind voor Moeder te worden. Zij sloot al meer en meer haar hartje voor haar. En klein broertje deed de poorten van dat hartje weder openspringen voor Moeder. Klein broertje leerde haar: wàt een moeder is, en wat haar kind haar is verschuldigd.

Moeder had donkere kringen onder de oogen, zag er zwak en afgetobd uit, en broertje deed dat, broertje, dat haar bijna nooit met rust liet, dat haar 's nachts keer op keer wakker riep. En tòch, hoe lastig broertje ook was, nooit zag ze eenigen wrevel op Moeders gelaat; wanneer broertje moord en brand schreiend haar riep, in een oogwenk was zij bij hem, en teeder nam zij hem op om hem niet uit de armen te leggen, voor hij weer zoet ingesluimerd was. Was zij ook eens niet zoo klein en hulpeloos als broertje geweest? en had haar moedertje zich toen niet afgesloofd om haar?...

De ijskorst om Ni's hart smolt en warm klopte 't weer voor de vrouw, die haar 't leven schonk!

Broertje was tot zijn eerste jaar een gezond kind, maar sukkelde daarna, en drie jaar lang lag 't kleintje ziek, als 't ware in een aanhoudende worsteling met den dood. En aan deze ziekensponde leerde Ni, 't jonge kind, ten volle begrijpen, wat een moeder is.

Ze zag haar eigen tekortkomingen in; zij was zoo zelfzuchtig, ze dacht maar altoos aan eigen grieven, en dacht niet dat ook anderen grieven hadden, en dat zij daaraan schuld kon hebben. Zij was eens heelemaal van Moeder geweest, zooals broertje nu, ze kon zonder Moeder niet bestaan; toen waren die boeken enz. enz. gekomen en hadden haar van háár vervreemd. Moeder moest wel geleden hebben en leed misschien nu nog. Wel kon zij 't niet helpen, dat zij anders dacht dan Moeder, maar 't nam daarom niet weg, dat zij háár daarmee verdriet deed.

Klein broertje leerde haar nadenken, veelzijdig zien, leerde haar toegevendheid, dankbaarheid en geven zonder terug te vragen.

Vier jaren waren voorbijgegaan, rustig en kalm voor den oppervlakkigen toeschouwer, maar voor den scherpzienden, van innerlijken en uiterlijken strijd voor Ni.... Zij mocht dan veel geleerd hebben in drie jaren: zelfbeheersching, toegevendheid, aan zich zelf niet 't allereerst te denken, maar berusting had ze niet geleerd, kòn ze niet leeren. In haar hoofd spookten nog steeds woelige gedachten rond, gevoed door hetgeen zij zag in directe en indirecte omgeving, dat haar bloed deed koken, en door de stemmen die kwamen van 't verre Westen in boeken, tijdschriften, couranten en brieven van Hollandsche vriendinnen en die doordrongen tot in 't diepst van haar hart.

Slechts enkele keeren was zij in die vier jaren haar ouderlijke woning uitgeweest. Tegen 't begin van de vastenmaand, als hare ouders naar de graven gingen, mochten hare zusters en zij mee; en eens hadden hare ouders haar oudste zuster en haar naar een oom gebracht, die op een andere plaats woonde.

Gedurende een jaar hadden hare zusters en zij iederen namiddag een uur les gehad in handwerken van een Hollandsche dame. Voor Ni, waren dit uurtjes van genot, want ze kon dan Hollandsch spreken, de taal zoo door haar geliefd.

Haar oudste broeder was intusschen overgeplaatst, en Ni schaamde zich erover, dat zij zich er zoo zeer over verheugde. Hij was toch háár broer, al was hij dan ook niet lief voor haar geweest.

Tijd en afstand deden echter wonderen; zij namen allen wrok van Ni's hartje weg, en zij had broer weer lief; zij had meelij met den grooten jongen, die zich door 't laffe gevlei en geflikflooi van kruiperige, baatzuchtige menschen had laten misleiden, verblinden. Hoe goed deed 't haar, toen zij bemerkte, dat hij langzamerhand zelf zijn ongelijk inzag. Hij bekende 't haar wel niet in woorden, maar zijne daden spraken van zijn berouw over zijn vroegere onrechtvaardigheid tegenover haar. En Ni dankte God met tranen in de oogen, dat haar broer haar nu liefhad. Was zij vroeger 't gepeste, gehate zusje, nu was 't bij hem Ni voor, Ni na, en wat anderen, zelfs zijne vrouw, niet van hem gedaan konden krijgen, dat kon zij.

Sedert een half jaar was een jonger zusje de gevangenschap komen deelen. Bemi had geboft, want op een leeftijd, dat Ni reeds lang veilig achter de hooge en dikke muren opgesloten zat, dartelde zij nog vrij rond en mocht ze reizen en andere dingen doen, die Ni verboden werden. Bemi was 14 1/2 jaar, toen zij voor goed thuis kwam.

Ni was 16 jaar geworden, de oudste zuster trouwde en met dit huwelijk begon verandering in haar leven te komen. Ni leerde hare zusjes kennen, die tot dusver als vreemden, met en naast haar hadden voortgeleefd. Oudste zus stond niet meer tusschen hen—zij was nu oudste zus—en zij wilde geen oudste zijn, zooals hare zuster, zooals haar oudste broer ... zij wilde geliefd zijn en niet gevreesd. Vrijheid, gelijkheid, vroeg zij voor zichzelve, moest zij niet beginnen met 't aan anderen te geven? Vrij en ongedwongen moest de omgang tusschen de zusjes onderling zijn; weg dus àlles, wat zulks belemmeren kon.

Met Bemi en Wi, een zusje, dat intusschen ook thuis was gekomen, kreeg Ni zus' kamer....

En hier waren de drie levens, die elkaar tot dusver vreemd waren, op 't punt gekomen, waar ze elkaar ontmoetten en samenvloeiden tot één geheel!

Hier begint nu 't eigenlijke verhaal van de drie zusters.[3]

[1] Raden Ajoe de titel van gehuwde Javaansche vrouwen van goeden huize.

[2] De eerste gedachte van den bewerker dezer brieven was deze passage en hetgeen volgt weg te laten. Tot het behoud gaf doorslag de overweging dat later de verhouding geheel anders werd, toen de schrijfster en de haren elkander beter hadden leeren begrijpen en waardeeren. De lezer zal zich zelf hiervan rekenschap kunnen geven door hetgeen voorkomt op blz. 57 en 58 en in een brief van 3 Januari 1902. Behoud kwam ook noodig voor om volkomen te doen gevoelen wat in het hart der schrijfster moet zijn omgegaan, toen en later.

[3] De brief wordt enkele dagen later vervolgd mededeelingen van geheel anderen aard. Het verhaal is niet voortgezet. Wat de drie zusters voor elkander zijn geweest, kan men echter lezen op menige bladzijde.

Augustus 1900. (II).

Vreemd, dat afwezige, ons dierbare personen ons niet in den droom verschijnen, daar wij toch zooveel aan hen denken en van hen spreken. Eens maar droomde uwe oudste van u. U beiden kwam op Japara terug en wij reisden u tot Semarang tegemoet. Allen waren we heel aangedaan door het wederzien; zonder een woord te spreken, sloot u ons een voor een aan 't hart, zoo innig, zoo vast, als om ons nooit weder los te laten. En daar aan uw hart schreiden we van stil, dankbaar geluk. Toen uw dochter wakker werd, was haar kussen nat van tranen. En den heelen morgen was ze weemoedig gestemd, omdat die zaligheid slechts was een droom!

Wij vreezen, wij vreezen, Moedertje, dat u uwe dochtertjes niet meer terug zult vinden, als u haar verlaten had. Wij voelen ons achteruitgegaan. Al meer en meer komen we tot 't pijnlijk besef, dat we niet meer zijn, wat we zijn geweest. Indroeve, smartelijke gewaarwording! O! Leven, wat hebt ge van Moedertje Mies' eigen dochtertjes gemaakt? Wat is er van hare meisjes geworden?

Waar is onze heerlijke geestdrift gebleven? die kostbare schat, die ons door zooveel heeft heengeholpen en ons onmisbaar is om 't leven door te komen, dat hard zal zijn voor ons? Waar die ijver, die heerlijke lust tot immer bezig-zijn, die zooveel liefs ons deed voortbrengen? Waar dat pleizier hebben in alles, dat ons vergeten deed, dat ooit 't woordje "verveling" in 't woordenboek bestaat?

Dingen, waarin we nog voor korten tijd geleden zoo belangstelden en pleizier hadden, laten ons nu onverschillig. Moedertje, kunt u zich iets verschrikkelijkers voorstellen, dan een onverschillig mensch? En daar zal 't naar toe gaan, als er niet iets is, of gebeurt, dat ons opwekt uit den toestand van apathie en geestkrachteloosheid, waarin wij verkeeren.

Al onze voormalige liefhebberijen liggen bestoven ergens in een vergeten hoekje. Schilderijen, muziek (!), handwerken en koken, correspondentie, lectuur; ja zelfs lectuur, die ons eens eene levensbehoefte was, verwaarloozen we. Intens lui zijn wij geworden. Wij moeten ons dwingen om een klein boekske uit te lezen. Lezen een dwang, terwijl het een van de grootste en heerlijkste genietingen was, die we kenden! Moedertje, zoo ver is 't met ons gekomen! O! waar is onze energie gebleven? Wij lijden onbeschrijfelijk onder deze geestverdooving, geestkrachtsverlamming, of hoe U 't noemen wil! Wij voeren niets uit. Doen wij iets, dan doen wij het werktuigelijk als een automaat. Wat scheelt ons toch? Ziek zijn we niet. Is dit misschien de terugwerking van den ellendigen tijd, dien we hebben doorstaan?

O! die moreele pijn, 't is soms niet uit te houden. Wij moeten iets hebben, werk, dat ons geheel in beslag neemt, ons niets geen tijd laat tot martelend denken; dat is 't eenige, dat onze sluimerende geestkracht wakker schudden kan, en ons geestkracht hergeven! Werk, daar zit 't hem juist. 't Smachten naar werk, dat ons lief is, dat is 't wat ons zoo ternederdrukt. Vreeselijk is 't om werkkracht en werklust in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd!

Dat en al die andere ellende hebben ons in dezen toestand van apathie en verlamming onzer geestkracht gebracht. Uw oudste staat verbaasd over zichzelve, hoe deze brief toch zoo lang kàn zijn geworden—maar 't is waar ook—'t is voor Moedertje Mies, dat deze biecht geschreven wordt, en de woorden vloeiden als vanzelf uit de pen.

Wij willen, wij kunnen niet gelooven, dat ons leven zoo heel gewoon, zoo banaal zal eindigen, en toch kunnen wij alweer ons niet voorstellen, dat eens die mooie droom van ons verwezenlijkt zal worden! Hoe dicht hadden wij reeds gestaan bij verwezenlijking onzer illusies, althans wij dachten het! wij dachten dat slechts nog dagen ons scheidden van het nieuwe leven, zoo vurig door ons begeerd!

Bittere, bittere ontgoocheling! 't Doet zoo'n pijn daaraan weder te denken. Wij spreken er hier nooit meer over, maar zwijgen is nog niet altijd toestemmen, toegeven; alles opgeven, nu wij zoo ver zijn gekomen, doen we niet, en wij hebben daartoe nooit plannen gehad.

Of 't verstandig is, wat we doen, weten we niet, maar wij kunnen en willen niet anders dan de stem van ons hart volgen.

Door liefde te geven, de liefde te winnen van hen aan wie wij hopen ons eens te zullen wijden, is een groote illusie van ons. Toen wij in Juni bij den heer Sijthoff[1] waren, vroeg de Resident uwe oudste of zij reeds wist dat de Directeur van Onderwijs eene directrice voor de op te richten kostschool voor Inlandsche meisjes zocht. "Heeft u 't uwe dochters al verteld, Regent?" wendde de Resident zich tot Vader, en daarna weder tot uwe dochter: "Zou je niet directrice van die school willen worden?" Zij zeide niets, wendde haar gezicht af, opdat Vader en de Resident, die naast elkaar tegenover ons zaten, niet hare oogen zouden zien, die àlles zeiden, wat de stijfgesloten mond verzweeg.

Beloofd had ze niet, dat ze zou zwijgen over hare wenschen en illusies, maar ze wist, dat vader niet graag had, dat zij er met anderen over sprak. Alle emotie moest Vader bespaard worden, en die quaestie nu is Vaders cauchemar....

"Wij hadden als jongens geboren moeten worden; er zouden flinke kerels uit ons kunnen groeien", hoorden wij tot vervelens toe beweren.

Als 't werkelijk waar is, dat er in ons de eigenschappen aanwezig zijn, waaruit flinke jongens gevormd worden, waarom zouden wij daarvan dan geen partij mogen trekken, ons tot flinke vrouwen te ontwikkelen? Of heeft men hiertoe andere bestanddeelen noodig, dan voor het gebak "flinke man"? en zijn flinke vrouwen der maatschappij van geen nut? Maar 't is waar ook, wij Javaansche vrouwen hebben in de eerste plaats meegaand en onderworpen van natuur te zijn; wij moeten zijn als leem, waaraan men iederen vorm kan geven, dien men wenscht. Doch waartoe over dit alles te spreken? 't Is of men op een zinkend schip jammert, waarom men toch niet thuis was gebleven; elkaar verwijten doet; de oorzaak van 't ongeluk napluist en den schuldige daaraan opspoort. Met dit al behoedt men 't schip niet voor vergaan; alleen flink de hand aan het roer slaan, pompen, waar 't lek is, zal 't onheil kunnen afwenden, anders verdrinkt men maar....

In dat eene jaar, dat achter ons ligt, hebben we meer geleefd dan in al de voorgaande jaren tezamen.

't Komt uw oudste voor, alsof Vader haar wat te zeggen heeft, maar aarzelt, omdat 't haar pijn zal doen. Kunt u zich voorstellen, Moedertje, hoe pijnigend dit voor Vader en voor haar is?

Lang geleden toen ze op 't spoedig beëindigen onzer zaak aandrong, zag ze een blik op zich rusten zoo smartelijk alsof het zeggen wilde: "heb je dan zoo'n haast om me te verlaten, kind?" Ze wendde haar gelaat af—geroerd tot in't diepst van haar innerlijk zijn!

Wat is liefde toch een wonderlijk ding; zij is de hemel en de hel tezamen. Hem liefhebben, vereeren is ons eene levensbehoefte, maakt 't grootste deel van ons geluk uit. Zonder zijn liefde zou voor immer een schaduw op ons leven rusten. Uit zijn hand willen wij het geluk ontvangen; anders is 't voor ons géén geluk. Zonder zijne liefde zullen wij nooit geheel gelukkig kunnen zijn, en met zijne liefde nooit geheel ongelukkig.

[1] Destijds Resident van Semarang, tot welk gewest Japara was gaan behooren.

23 Augustus 1900. (I.)

Stella, geloof me, als er van mij, van ons, ooit wat terecht komt in dien zin, die jij en ik 't "terechtkomen" bedoelen, dan hebt gij dat op je geweten. Ik schrijf dit niet zoo maar neer, maar meen het met heel mijn hart. Je hebt mij héél veel geleerd, en je aanmoediging is mij een lieflijke steun, een kracht. Ik wil, ik zal mijne vrijheid bevechten. Ik wil, Stella ik wil, hoor je dat? hoe zal ik ooit kunnen overwinnen, als ik niet strijd? hoe zal ik kunnen vinden, als ik niet zoek? Zonder strijd geen overwinning; ik zal strijden, Stella, ik wil mijne vrijheid veroveren. Ik zie niet op tegen bezwaren en moeilijkheden, ik voel me sterk genoeg ze te overwinnen, maar er is iets, waar ik vreeselijk tegen opzie. Stella, ik heb je al meer verteld, dat ik Vader ziels, ziels liefheb. Ik weet niet, of ik den moed zal hebben mijn wil door te zetten, als ik daarmee zijn hart breek, dat zoo vol liefde voor ons klopt. Ik heb hem lief, oneindig lief, mijn ouden, grijzen vader, oud en grijs door zorgen voor ons, voor mij. En als een van ons beiden dan toch absoluut ongelukkig moet worden, laat mij 't dan zijn. Ook hierin schuilt egoïsme, want ik zou toch niet gelukkig kunnen zijn, ondanks vrijheid, ondanks onafhankelijk-en zelfstandigheid, als ik Vader daardoor rampzalig maakte.

Maar zie je den toestand niet een beetje te donker in? vraag je, O! was het maar zoo! Ik ben zelfs optimistisch geweest door te zinspelen op een mogelijke uitkomst! Wil ik je wat zeggen? De levensweg der Javaansche meisjes is afgebakend en gevormd naar een en 't zelfde model. Wij mogen géén idealen hebben; de eenige droom, dien wij droomen mogen is: vandaag of morgen de zooveelste vrouw te worden van den een of anderen man. Ik tart hen, die dit weerleggen kunnen.

Over Indische en Europeesche toestanden nadenkende, en ze met elkaar vergelijkende, moet je wel erkennen, dat het daar geen haartje beter is dan hier, wat de moraliteit der mannen betreft, en zijn daar de vrouwen er even ongelukkig aan toe als hier, met dit verschil echter dat de vrouwen daar, althans de overgroote meerderheid uit vrijen wil den man in 't huwelijksbootje volgen, terwijl hier de vrouwen niets te willen hebben, maar eenvoudig getrouwd worden, krachtens den wil van ouders of voogden, met wien deze machthebbenden 't maar goed vinden. In de Mohammedaansche wereld is de toestemming, ja zelfs de tegenwoordigheid der vrouw niet noodig bij 't sluiten van een huwelijk. Vader kan bijv. vandaag thuiskomen en mij vertellen: "je bent met die en die getrouwd". Ik heb dan mijn man te volgen, of ik kan 't ook wel weigeren, maar dit geeft den man dan recht om me levenslang aan zich te ketenen, zonder dat hij zich wat om mij te bekommeren heeft. Ik ben zijn vrouw, ook al volg ik hem niet, en als hij zich niet van mij wil laten scheiden, dan ben ik heel mijn leven lang aan hem gebonden, terwijl hij vrij blijft in zijn doen en laten, zooveel vrouwen trouwen kan, als hij maar wil, zonder zich om mij te bekreunen. Als vader me op zoo'n manier uithuwt, dan maak ik me maar eenvoudig van kant. Maar dat zal Vader nooit doen.

God heeft de vrouw geschapen als gezellin van den man, en de bestemming der vrouw is 't huwelijk. Goed, 't is niet te weerspreken, en gaarne erken ik, dat 't hoogste vrouwengeluk, ook eeuwen na deze, zal zijn: een harmonisch samenleven met den man! Maar hoe kan van een harmonisch samenleven sprake zijn, als onze huwelijkswetten zoo zijn, als ik je er een voorbeeld van beschreef? Moet ik als vanzelf niet het huwelijk haten, verachten, als het de vrouw zoo gruwelijk verongelijkt? Neen, gelukkig niet ieder Mohammedaan houdt er vier vrouwen op na, maar iedere getrouwde vrouw in onze wereld weet, dat zij zijne eenige niet is, en dat vandaag of morgen manlief haar een gezellin kan thuis brengen, die op hem evenveel rechten heeft als zij; volgens Mohammedaansche wet is zij ook zijn wettige vrouw. In de Gouvernementslanden hebben de vrouwen 't lang zoo hard niet te verantwoorden als hare zusters in de Vorstenlanden, Soerakarta en Djokjakarta. Hier zijn de vrouwen al doodongelukkig met een, twee, drie, vier bij-vrouwen van hare mannen; daar in de Vorstenlanden noemen de vrouwen dat kinderspel. Je vindt daar bijna geen enkele man, die maar één vrouw heeft; in de adellijke kringen, vooral in de omgeving van den Keizer, hebben de mannen tot over de 26 vrouwen.

Mogen deze toestanden voortbestaan, Stella?

Ze zijn er al zoo aan gewend, dat zij er niets meer in vinden, maar dat neemt niet weg, dat die vrouwen er ontzettend onder lijden. Bijna iedere vrouw, die ik ken hier, vervloekt dit recht der mannen. Maar verwenschingen helpen niets; gehandeld moet er worden.

Komt, vrouwen, meisjes, staat op, reiken wij elkaar de handen en laten wij samen arbeiden, om verandering te brengen in die onhoudbare toestanden.

Ja, Stella, ik wist het, dat ook in Europa de toestand op zedelijk gebied der mannen intreurig is. Ik zeg met jou, hulde aan de jonge mannen, die de ingekankerde gewoonten, die verleiding den rug toekeeren; en schande over de hedendaagsche meisjes, die niet onwetend mannen volgen, wier leven bezoedeld is. Ja zeker, de jonge moeders kunnen hieraan 't meest doen, dat heb ik reeds meer betuigd met mijne zusters.

Ik zou wel kinderen willen hebben, jongens en meisjes, om ze op te voeden, te vormen tot menschen naar mijn hart. Allereerst zou ik die ongelukkige gewoonte om jongens voor te trekken boven meisjes afschaffen. Wij mogen niet verwonderd zijn over het egoïsme van den man, wanneer wij nagaan hoe als kind hij reeds voorgetrokken werd boven 't meisje, zijn zusje. En als kind al wordt den man geleerd het meisje te minachten. Heb ik niet vaak moeders tegen hare jongens hooren zeggen, wanneer zij vallen en huilen: "foei, een jongen huilen, net als een meisje!" Ik zou mijne kinderen, jongens en meisjes, leeren elkaar als gelijke wezens te beschouwen, en hun geven volkomen dezelfde opvoeding, natuurlijk volgens ieders aanleg. Ik zou mijn meisje bijv. omdat ik van haar eene nieuwe vrouw wil maken, niet laten studeeren, als ze daarvoor lust noch aanleg heeft; doch haar iets te kort doen, om haar broer te bevoorrechten, nooit! En dan zou ik de grens ook laten wegvallen, die men zoo bespottelijk angstvallig tusschen beide seksen trekt. Ik ben ervan overtuigd, dat indien hij wegviel, dit den mannen vooral ten goede zou komen. Ik kan en wil niet gelooven, dat beschaafde, ontwikkelde mannen opzettelijk 't gezelschap van vrouwen, die gelijk staan met hen in beschaving en ontwikkeling, vermijden, om zich te werpen in de armen van onrespectabele vrouwen. Wat vele mannen weerhoudt zich veel in beschaafd damesgezelschap te bewegen is, dat een heer bijna nooit een beetje aardig kan zijn tegen een meisje, zonder dat zij aan een huwelijk denkt. Nu, dit alles zal verdwijnen, wanneer man en vrouw hun vrijen ongedwongen omgang met elkaar als kinderen tot op lateren leeftijd behielden.

Je zegt: "Wij meisjes kunnen veel doen, om de jonge mannen op den goeden weg te brengen, maar wij mogen zoo weinig van hun leven kennen". Alles zal veranderen, mettertijd, maar wij moeten hard, hard arbeiden, anders komt die tijd nooit. Wij hier op Java staan pas aan den vooravond van den nieuwen tijd; moeten wij nog eerst alle phasen afloopen, die jullie hebt doorgemaakt, om te komen tot den tijd, waarin jullie in Europa leven?

Onder mijne nieuwe schatten bevindt zich ook "Het Jongetje" van Borel. Een verrukkelijk mooi boek, je hebt gelijk hoor! Velen hier vinden het ziekelijk en schrikkelijk overdreven, doch ik ben 't volstrekt daarmee niet eens. Ziekelijk is het in geen geval en overdreven evenmin. Er zijn wel niet veel zooals Borel's jongetje, maar ik ken er toch een, hier op de plaats. Het jongetje van den assistent-resident is Borel's jongetje verpersoonlijkt. Op een keertje zei hij tot Kardinah: "Tante, ik houd zooveel van meisjes. Meisjes kunnen zoo dodderig glimlachen. Ze zijn zoo heel, heel anders dan jongens, ze zijn zoo lief, zoo zacht". Dit zegt een ventje van 5 jaar. Hoe vindt je dat? Hij betastte eens den arm van Kardinah en vroeg toen: "Tante, waarom zijn de vrouwen toch zoo zacht?" Zijn eigen armpje betastende, vervolgde hij: "al ben ik nog zoo klein, ik ben toch een man, daarom ben ik zoo hard". O, 't is zoo'n allerliefst kindje, met groote, vochtige droomen-oogen en bruin krullend haar. Voordat hij hier kwam, zag hij bij kennissen op Soerabaja onze portretten. Zijne moeder vertelde hem, dat op de plaats, waar naar toe zij gingen, die lieve tantes woonden. Het jongetje dacht, dat hij trouwen moest en vroeg: "Maatje, moet ik met alle drie, of met eentje van haar trouwen?" En toen hij hier kwam en kennis met ons maakte, vroeg zijne moeder hem: "Wel broertje, heb je al een keus gedaan? Met wie van de Tantes wil je trouwen?" "Maatje, ik kan niet kiezen, want ze zijn alle drie even lief!" Het kleine engeltje zeide daarop tot ieder onzer: "Ik hou van jou, ik hou van jou, ik hou van jou, ja ik hou van de heele wereld, want ieder is goed, ieder is lief!" Als mij dit door anderen werd verteld, zou ik 't misschien niet gelooven, maar ik zag en hoorde alles met eigen oogen en ooren.

Het onderwerp, dat Mevrouw van Zuylen-Tromp behandeld wilde zien, was "'t leven der Inlandsche vrouw". Over dit onderwerp schrijf ik nu liever niet. Ik heb daarover veel te veel te zeggen, en zou nu onmogelijk daar een geregeld verhaal van maken. Over een paar jaar misschien, als ik verstandiger en kalmer ben geworden, zal ik het aandurven. Nu warrelen en dwarrelen de gedachten, die ik daarover heb, nog door mijn brein, als vallende blaren, die vooruitgedreven worden door den wind. Wat eene vergelijking hè? * * * * * De ochtenden zijn goddelijk, de avonden eveneens, doch zoo midden op den dag zou ik wel aldoor in 't water willen liggen, als dat nu ook niet zoo lauw was. Wat genieten wij hier van de ochtenden; zij zijn zoo heerlijk frisch en de natuur is dan zoo mooi. Wij dwalen dan rond in den tuin, waar alles geurt en fleurt. 't Is waarlijk een genot om 's morgens buiten te zijn! Ons tuintje, dat we zelf nebben aangelegd en beplant, bloeit. Kon je maar met ons daarin dwalen, of hou je niet van bloemen en planten? Ma heeft haar moestuin en wij onzen bloemen- en rozentuin. Deze laatste staat voor onze kamer, en als het volle maan is, kan het er zoo idyllisch wezen. 't Is er dan om te dwepen. De zusjes brengen hare cithers naar buiten, zetten zich neer tusschen bloeiende heesters en maken muziek. Wat wordt er dan gestoeid, gebabbeld en gelachen na het concert.

Je verontwaardiging over de behandeling, welke die twee beschaafde, ontwikkelde landgenooten van me van vele Europeanen ondervonden hadden, deed me goed. Geloof me, het zijn niet domme menschen alleen, die zich zoo bespottelijk aanstellen tegenover den Javaan. Ik heb menigmaal personen ontmoet, die volstrekt niet dom zijn, ja aristocraten zijn van den geest, maar toch o, zoo hoogmoedig en verwaand, om er geen huis mee te houden. 't Grieft mij zoo ontzettend, en men heeft 't ons maar al te dikwijls laten voelen, dat wij Javanen eigenlijk géén menschen zijn. Hoe willen de Nederlanders toch door ons Javanen bemind zijn, als zij ons zóó behandelen! Liefde wekt wederliefde, maar nooit zal minachting liefde wekken. We hebben veel vrienden onder de Hollanders, die we hartelijk liefhebben, zelfs méér dan vrienden van ons eigen ras. Zij hebben zich de moeite gegeven ons te leeren kennen en begrijpen, en ze hebben ons liefgekregen. Wij houden heel veel van de Hollanders, en zijn hun dankbaar voor het vele goeds, dat zij ons leeren. Wij zullen nooit vergeten, aan wie we het wakker worden en de ontwikkeling van onzen geest te danken hebben. De Hollanders mogen ons dan onrechtvaardig behandelen, ik zal hen steeds liefhebben, wij zijn hun zooveel verschuldigd! Men mag zeggen van de Javanen, wat men wil, doch geloof nooit, dat zij géén hart hebben. Ze hebben het wel degelijk, en zij kunnen zeker dankbaar zijn voor ontvangen weldaden in stoffelijken of geestelijken vorm, al verraadt hun onbeweeglijk gezicht ook niets van hetgeen hun inwendig beroert. Doch ik hoef je dat eigenlijk niet te vragen, jij, die alle schepselen, van welke kleur ook, als menschen evengoed als je zelf beschouwt.

O! ik ben toch zoo innig, innig blij, dat ik je heb mogen ontmoeten. Ik laat je nooit los, Stella. Ik heb je zóó innig liefgekregen, dat ik mij niet voorstellen kan, hoe 't moet gaan, als 't leven, wat God verhindere, ons van elkaar scheidt. Alsof de oneindige oceaan nu niet reeds tusschen ons beiden staat! Maar geesten, die elkaar in groote sympathie vinden, zien op geen afstand; ze overbruggen de grootste zeeën en uitgestrekte landen om in contact met elkaar te komen. Een goddelijke uitvinding zijn de brieven! gezegend zij degene, die ze uitvond!

Een week geleden kregen we bezoek van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid en echtgenoote van Batavia ... en Stella, jubel met me, de Directeur kwam hier speciaal om persoonlijk Vader's opinie te vernemen over 't voorstel, dat hij binnenkort der Regeering wilde indienen, n.l. het oprichten van Inlandsche meisjesscholen! Ik was ziek, en gevoelde mij ellendig, niet alleen door lichamelijke pijn, maar ook door zieleleed. Stella, ik geloof dat mijn vrijheidsdroom weldra ten einde zou zijn—toen Vader mij dien brief van den Directeur gaf, waarin hij vroeg, Papa te spreken en mededeelde, waarover. Hoe heerlijk weldadig was mij dat schrijven, het fleurde me heelemaal op! 't Deed me zoo oneindig goed te weten, dat daar op Batavia een der hooge Regeeringsmannen hart had voor den Javaan allereerst en voor de Vrouw! Toen even daarna Mama naar me kwam kijken, vond ze haar dochter in tranen, o, ik was zoo gelukkig, zoo dankbaar! Ik moest en ik zou beter worden als hij kwam, want ik wilde hem spreken, al was 't ook maar alleen, om hem woorden van dank toe te roepen.

En hij kwam ... niet alleen ... zijne vrouw vergezelde hem! O! Stella, nooit van ons leven hebben we zóó heerlijk, verrukkelijk kennis gemaakt. Voor hem had ik al groote sympathie opgevat, toen ik wist waarvoor hij kwam. En die sympathie nam toe, toen ik hem ons erf zag binnenrijden; hij op de voorbank, op de achterbank zijn vrouw en naast haar Vader, die hen van 't station afhaalde. Ik wist, dat Vader niet dan op zijn dringend verzoek dáár zat. Voor jou is dit eene gewone beleefdheid, meer niet, maar lach mij gerust uit, Stella, zij trof mij zeer. Zij sprak mij van den eenvoud van den Directeur en—dat hoogheidswaan die alle ambtenaren hier bijna zonder uitzondering aankleeft, bij hem geheel vreemd was. Ik was zoo gewoon Vader aan den linkerkant van resident, assistent-resident, hoeveel jonger hij ook moge zijn dan vader, te zien. Niet alleen ik, doch zelfs Europeanen ergeren zich dood aan de dwaze rangaanstellerij hier, die op ambtelijke bijeenkomsten de Europeesche ambtenaren en regenten op stoelen doet plaatsnemen, terwijl voor de in den dienst vergrijsde wedono's de koude grond, slechts bedekt met een bamboezen matje, en somtijds onbedekt, goed genoeg is. De minste Europeaan heeft recht op een stoel te zitten, terwijl Inlandsche ambtenaren beneden den rang van regent, van welke leeftijd, afkomst of kunde ook, de grond als zitplaats aangewezen wordt, waar Europeesche bestuursambtenaren bij zijn. Het is zeker niet hartverheffend om te zien, hoe de grijze wedono op den grond kruipt voor den kandjeng toewan adspirant, een jong broekje, dat nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft. Doch genoeg—daarom trof mij de beleefdheid van den Directeur, die een heel hooge oom is, zeer.

We hoorden den Directeur tot Vader zeggen: 'k Ben overal op Java geweest en heb verscheiden hoofden gesproken, Regent. U heeft 't voorbeeld gegeven, meisjes naar school te zenden. Ik heb aan meisjes, die nog schoolgaan, zelf gevraagd, of zij verder zouden willen leeren, en ze antwoordden allen enthousiast: "Ja!" Hij vroeg, hoe of Vader de meisjesschool wilde ingericht hebben, en waar of die, bij wijze van proef, moest zijn, in West-, Midden- of Oost-Java.

O, Stella, hoe tintelden mijne ooren en oogen, en klopte mijn hart van zalige verrukking, bij 't hooren van dat al! Er zal dan tòch licht komen, in onze arme, donkere vrouwenwereld!

Terwijl Mijnheer met Vader sprak, onderhield Mevrouw zich met ons. Met welk eene verrukking luisterden wij naar haar!

Ze vertelde me, wat 't doel was van haar man, en vroeg, hoe of ik 't vond. "Een goddelijk idee, Mevrouw, dat de Inlandsche vrouwenwereld ten zegen zal zijn, als 't tot uitvoering komt; en nog grooter zou die zegen zijn, indien de meisjes dan ook in de gelegenheid werden gesteld, zich in 't een of ander vak te bekwamen, dat haar in staat zou stellen, zich een eigen weg door 't leven te banen, wanneer het haar door hare ontwikkeling mocht tegenstaan, terug te keeren in hare oude maatschappij. En 't meisje, wier geest men heeft ontwikkeld, wier blik is verruimd, zal niet meer kunnen leven in haar voorvaderlijke wereld. Men leert haar wat vrijheid is, en brengt haar in een kerker; men leert haar vliegen, en sluit haar op in een kooi. Neen, de werkelijk ontwikkelde vrouw, kàn onmogelijk zich gelukkig voelen in de Inlandsche maatschappij, zoolang zij is, zooals zij nu is. Er staat, er is tot dusver voor 't Inlandsch meisje slechts één weg open om door 't leven te komen en dit is "trouwen". En hoè de huwelijken zijn in de Inlandsche maatschappij, zal u wel niet onbekend zijn, u, die al zoolang op Java is. O, wij vinden 't goddelijk, dat uw echtgenoot den meisjes opvoeding en ontwikkeling wil geven, maar laat daarnaast ook vakopleiding staan, en dan zal de zegen, die uw man aan de Inlandsche wereld brengen zal, ten volle een zegen zijn!"

"Man, hoor je dat?" vroeg ze haar man enthousiast. "Deze jonge dame vraagt vakopleiding voor Inlandsche meisjes."

Verbaasd keek hij mij aan "en vroeg: "Werkelijk, vraagt u voor de meisjes vakopleiding? Hoe wil u die hebben? Toe, vertelt u maar, wat zou u willen worden? Dokter?"

Ik voelde aller blikken op mij gevestigd, vooral die mijner ouders brandden mij in 't gelaat, ik sloeg mijne oogen neer. 't Gonsde en suisde in mijne ooren, maar boven dat alles uit klonken je woorden: "Kartini, wees flink, wees niet wankelmoedig!"

"Toe, zegt u 't maar, wat zou u willen worden?"

"O, ik weet 't wel, u wil schrijfster worden, maar daarvoor hoeft u niet opgeleid te worden? U kan het uit u zelf wel worden!"

Voor studie ben ik helaas te laat, maar ik mag immers niet omzien, nietwaar, ik moet "mijn blik omhoog richten en eenvoudig voorwaarts gaan". Stella, Stella, laat me niet los, houd mijn hand in de uwe, leid me; van jou gaat een kracht uit, die me bezielt, laat me niet alleen! Als er van mij wat terecht komt ooit, dan is dit je werk, lieveling!

Mevrouw sprak lang met me over alles en wat jij en ik zoo vaak met elkaar bespraken "de vrouw". Toen wij dien avond van elkaar gingen om naar bed te gaan, nam zij mijne hand in beide hare, drukte die met warmte en sprak: "vriendin, wij zullen nog weer op dit punt terugkomen, ik zal u vaak en veel schrijven, wil u hetzelfde aan mij doen? Vertel me veel, vertel me alles." Den volgenden ochtend brachten we haar weg, en in de drie uren, dat we met haar in 't rijtuig en in de tram zaten, hebben wij, zij en ik, zooveel met elkaar afgepraat. Hoewel 't reeds 12 uur was, toen wij den vorigen avond van elkaar gingen, had ze haar man toch alles verteld, wat ze van ons wist.

"O, Regent", riep ze telkens, "geef me toch uwe dochters mee, laat haar op Batavia komen bij me. Toe, laat deze jonge dame bij me komen, ik zal haar zelf komen halen."

En Vader zei haar, dat hij er over dacht om dit jaar nog naar Batavia te gaan, "doch zij blijft bij Mama thuis, Mevrouw!" Met dat "zij" werd mijn persoon bedoeld; was 't ernst of scherts?

Zij wilde ons op Batavia hebben, om zelf bij de hooge oomes onze belangen en de belangen van onze Inlandsche vrouwen te bepleiten. O, Stella, hoop dat als 't zoover komt, ik goed moge pleiten. Mevrouw zal naar Buitenzorg gaan om belet te vragen bij Mevrouw Rooseboom om haar van de Javaantjes te vertellen. Bij 't afscheid zeide Mevrouw tot me: "Wees flink, houd moed, en vertrouw. Het màg zoo niet langer blijven, er moet en zal wat aan gedaan worden. Wees flink!" Stella, droom ik of waak ik? Is er heusch uitkomst voor ons? Mogen we hopen, dat onze droom toch voor verwezenlijking is vatbaar? Ik heb nog veel meer gehoord. Ze heeft me nog meer gezegd, maar ik durf 't je niet te vertellen. Het is nu nog zoo ver van me, maar 't straalt en glanst me tegen. Later, later, Stella, lieveling, als ik het al in mijne armen heb, stevig, stevig omstrengeld houd, dat 't me niet ontglippen kan, zal je weten wat 't is. Ik heb mijne zusjes gevraagd, leef ik nog, want ik voel mij zoo onbeschrijfelijk zalig en gelukkig! Bid voor mij, liefste, dat dit geene illusie moge zijn, geen bleeke hersenschim! Want, o, dat zou vreeselijk zijn! Ik zal er me nog maar niet al te zéér op verblijden, want 't is nog zoo onzeker, 't kon misloopen, en de terugslag zou verschrikkelijk zijn.

De tweede onderwijzer gaat spoedig naar Europa en vindt je 't niet aardig van den Directeur om in zijn plaats een onderwijzeres te zullen benoemen? Hij zal ons eene Hollandsche zenden, leeftijd komt er niet op aan, maar zij moet eene beschaafde, ontwikkelde vrouw zijn, waar wij veel aan zouden hebben. Dit is wat hij dadelijk voor ons kan doen, en dan, o, Stella, toen hij bij ons onze werken zag, schilderijen, boetseerwerken, enz., zei hij, of 't niet mogelijk was, om in één jaar tijds eene tentoonstelling voor te bereiden. Hij betreurde ten zeerste, dat wij niet meer hebben ingezonden naar de Fransche tentoonstelling. En den volgenden morgen vertelde hij, dat hij met invloedrijke personen op Batavia zou spreken, om zoo mogelijk 't volgende jaar nog eene tentoonstelling van Inlandschen arbeid aldaar te houden. "U moet veel inzenden, van alles wat wij bij u gezien hebben."

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
11 ekim 2024
Hacim:
521 s. 20 illüstrasyon
ISBN:
4064066314385
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar