Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.», sayfa 14

Brehm Alfred Edmund
Yazı tipi:

“Het broeden heeft plaats in de maanden Mei en Juni; het nest is groot, rond, lang, ondiep en opmerkelijk licht; het wordt in ondiepe uithollingen van het gesteente gebouwd van fijn mos, plantenwol, wortelvezels, groote vlokken schapenwol, stukken van weefsels, haar en dergelijke stoffen. Het broedsel bestaat uit vier eieren, die op witten grond geteekend zijn met bruinzwarte, scherp begrensde stippels, die aan het stompe einde het dichtst bijeen staan.

“Daar de Rotsklimmer niets anders dan Insecten eet, kan er natuurlijk geen sprake zijn van eenige door hem aangerichte schade; voordeel brengt zijn werkzaamheid ons trouwens ook slechts in zeer geringe mate wegens de ligging van zijn jachtgebied. Voor den vriend der natuur is hij echter van buitengewone waarde als een der grootste aantrekkelijkheden van onze Alpen. Wanneer plotseling zijn korte strophe op de eenzame hoogten weerklinkt, begroet de reiziger vroolijk de nabijheid van zulk een fraai wezen en rust zijn oog met welgevallen op deze zich bewegende Alpenroos, die de indrukwekkende, maar voor eeuwig verstijfde omgeving op zulk een aangename wijze verlevendigt.”

Tot de Oude Wereld behooren de Honigvogels (Nectariniidae), kleine, sierlijk gebouwde Vogels, waarbij er vele zijn, die met de prachtigste kleuren prijken en hierdoor aan de Kolibri’s herinneren. Zij zijn echter van deze bij den eersten oogopslag te onderscheiden aan de kortheid der vleugels en de lengte van den loop; in verband hiermede is ook hun levenswijze anders.

Deze familie is over Afrika, Azië, Nieuw-Guinea en het noorden van Australië verbreid; vooral in het eerstgenoemde werelddeel is zij door een groot aantal soorten vertegenwoordigd. Overal, waar de Honigvogels voorkomen, zijn zij veelvuldig en dragen hierdoor zeer veel bij tot verfraaiing van de wouden, kreupelbosschen en tuinen. Hoogst merkwaardig zijn hunne gewoonten en handelingen; zij behooren tot de talentvolste en lieftalligste leden der geheele orde. Als in Noord-Afrika de vijg-cactus bloeit, wordt deze plant de vereenigingsplaats van alle soorten, die in den omtrek voorkomen. Hetzelfde verschijnsel merkt men op in de wouden, als hier een enkele bloeiende mimosa te midden van andere boomen staat, voorts bij alle boomen, welker bloemen Insecten aanlokken. In den voortplantingstijd pronken de mannetjes met hun schoonheid, nemen vreemdsoortige standen aan, bewegen zich op een eigenaardige wijze en zingen intusschen ook zeer lief. Het nest is kunstig gebouwd en wordt in de meeste gevallen aan dunne takken bevestigd. Het bevat slechts een gering aantal eieren van zuiver witte kleur.

Bij sommige soorten zijn de beide middelste staartpennen zeer lang. Dit is o. a. het geval bij den Zuid-Afrikaanschen Groenen Suikervogel (Nectarinia famosa), die tot in de tuinen van Kaapstad aangetroffen wordt. Hij is een van de grootste leden zijner familie, daar hij in dit opzicht een Grasmusch evenaart. Het volkomen kleed van het mannetje is fraai grasgroen met metaalglanzigen weerschijn en heeft aan weerszijden van de borst een bundeltje van citroengele veeren. – De Metaalglanzige Honigvogel (Nectarinia metallica), de eerste Vogel van de Keerkringslanden, die men ontmoet, als men, van ’t noorden komend, in ’t binnenland van Afrika doordringt, is zoo groot als een Sijsje. Hij vliegt van bloem tot bloem, vooral op acacia’s en mimosa’s, voortdurend Insecten vangend, schreeuwend en zingend, altijd trouw vergezeld door zijn wijfje. Voor andere Vogels toont hij weinig schroom; ook de mensch kan hem gemakkelijk naderen en zijn levenswijze nagaan. Als hij in gevaar verkeert, schreeuwt hij als een jonge Kat. Het buidelvormige nest, welks zijdelingsche ingang zich aan het boveneind bevindt, hangt aan dunne takken en bevat 3 witte eieren. – Kühl’s Honigvogel (Nectarinia Kuhlii) bewoont Java en behoort mede tot de zeer fraaie soorten. Hij heeft olijfkleurige veeren, maar de bovenkop is metaalgroen, de stuit geel; de keel en de krop is donkerrood; een staalblauwe gordel bevindt zich aan de keel. Na in ’t gebergte gebroed te hebben, trekt deze Vogel naar de lagere, meer bewoonde streken.

De eucalypten en banksias, die verreweg het grootste en meest in ’t oogvallende deel van de Australische plantenwereld uitmaken, zijn een geliefkoosde verblijfplaats voor de leden van verscheidene familiën van Vogels, o. a. van Papegaaien en van de buitengewoon talrijke Honigzuigers of Penseeltongigen (Meliphagidae). De eigenaardigheden van deze Vogels staan in zoo innig verband met die van de genoemde boomen, dat men zich deze nauwelijks zonder gene voorstellen kan. De Honigzuigers eten Insecten, stuifmeel en honig uit de bloemen der eucalypten, die hieraan zoo rijk zijn; zij nemen dit voedsel op met behulp van hun lange tong, die aan de spits penseelvormig en derhalve voor de genoemde verrichting merkwaardig goed geschikt is.

“Een door zijn stem zeer de aandacht trekkende bewoner van de romantische wildernissen van Nieuw-Zeeland,” zegt Rochelas, is de Poë of Toeï. Zonder overdrijving kan men van dezen wondervogel zeggen, dat geen van de zangers der Europeesche wouden zich met hem meten kan. De harmonie en de zachte liefelijkheid van zijn gezang komen mij volkomen onvergelijkelijk voor. Hoe bekoorlijk ik de zangen van den Europeeschen Nachtegaal ook vind, toch worden zij mijns inziens verre overtroffen door die van dezen Vogel; ik moet erkennen, dat ik nooit te voren bij een Vogel zulk een betooverende, klankvolle stem had vermoed.” De reizigers uit lateren tijd, die van den Poë melding maken, zijn wel is waar niet zoo uitbundig in hun lof, maar roemen toch eenstemmig dezen Vogel, als een van de beste zangers van Oceanië.

De Poë of Dominee (Prosthemadera novae-seelandiae), vertegenwoordigt het geslacht der Halskraagvogels (Prosthemadera) en kenmerkt zich door den krachtigen snavel, waarvan zoowel de boven- als de onderkaak flauw gebogen zijn, de stevige voeten met langen loop, de matig lange vleugels, den middelmatig langen, afgeronden staart, de beide pluimpjes van lang- en losbaardige veertjes, die tot een bol ineengerold, aan weerszijden van den hals voorkomen en de lange smalle, met een haarvormige schaft, voorziene veeren aan den bovenhals. Het vederenkleed is grootendeels glanzig staalgroen, met staalblauwen weerschijn op de kleine bovendekveeren van den vleugel, de uiteinden van de langste schouderveeren, den staartwortel en het onderste deel van de borst; donkerbruin met bronskleurigen weerschijn op den mantel, de schouders, den onderrug, den buik en de schenkels; de grootste bovendekveeren van den vleugel, de schaften van de verlengde halsveeren en de beide vederpluimen aan den hals zijn wit, de slagpennen en staartveeren zwart, naar buiten met donkergroenen schijn, de snavel en de voeten zwart. De geheele Vogel is 30, de staart 12 cM. lang.

Door zijn buitengewoon talent van nabootsing is de Poë een lieveling geworden van de kolonisten zoowel als van de inboorlingen. Wanneer hij eens aan de kooi en aan het voedsel, dat men hem daar verschaffen kan, gewend is, leert hij gemakkelijk en snel verscheidene woorden spreken, een wijsje nafluiten, het blaffen van den Hond, het krijschen van een Papegaai, het kakelen van een Hoen nabootsen enz. Buller werd eens niet weinig verrast. “Ik had,” zoo verhaalt hij, “in het raadhuis van Romgitekay het woord gevoerd in een verzameling van inboorlingen, een onderwerp van groot belang met hen besproken, mijn meening met allen ernst en zoo welsprekend mogelijk voor hen ontvouwd. Men stelle zich mijn verwondering voor, toen onmiddellijk nadat ik uitgesproken had en nog voordat het oude opperhoofd, tot wie ik mij meer bepaaldelijk gewend had, tijd gevonden had om te antwoorden, een Toeï, die boven onze hoofden in een kooi hing, met heldere stem en met volkomen juiste intonatie “Tito!” (dat is zoo niet!) riep. “Vriend,” antwoordde mij het oude opperhoofd Nepia Faratao, nadat de algemeene vroolijkheid over dit voorval een weinig bedaard was, “uw bewijsvoering is volkomen juist; maar mijn Mokai, dien zeer schranderen Vogel, hebt gij toch niet overtuigd!”

Naar het schijnt, hebben de Nieuw-Zeelanders van oudsher den Poë zeer graag in een kooi gehouden.

In hooge mate karakteristieke bewoners van het Indische en het Ethiopische Rijk, zijn de Ixos Kortpootlijsters of Bulbuls (Brachypodidae), die een uit weinige geslachten, maar uit ongeveer 150 soorten bestaande familie vormen. In grootte komen zij ongeveer met een klein soort Lijsters overeen. De snavel is slank, de voet heeft een korten loop, de vleugels zijn tamelijk lang; de staart is middelmatig van lengte en sterk afgerond, de bevedering zacht en dicht.

Eén soort van deze familie, de in Syrië, Palestina en Arabië veelvuldig voorkomende en ook op Cyprus en Rhodus inheemsche Geelstuitbulbul (Pycnonotus nigricans), wordt ook in Europa en wel op de Cycladen gevonden. Hij onderscheidt zich door de gele kleur van de onderdekveeren van den staart van den Grijzen Bulbul (Pycnonotus arsinoë), waar deze veeren bruinachtig zijn. Deze in de Nijllanden voorkomende Vogel wordt als een der beste zangers van Noord-Afrika beschouwd.

Een der grootste soorten, de Geelkoppige Ixos (Ixos ochrocephalus), bewoont Malakka, Sumatra en Java. Hij heeft de grootte van een Zanglijster, is op de bovendeelen olijfkleurig, op de onderdeelen grijs met witte, overlangsche vlekken, heeft een witte keel, een gelen bovenkop en zwarte knevelvlekken. Daar hij zeer fraai zingt en buitengewoon mak wordt, is hij bij de vrouwen der Javaansche grooten als kooivogel zeer bemind.

Niet alleen wegens hun gezang, maar ook om hun strijdlust worden de Bulbuls in Indië hoog geschat. Op Ceylon is het een gewoon vermaak van de inboorlingen, deze Vogels met elkander te laten vechten. Ook in Europa worden zij nu en dan in de kooi gehouden; door hun sierlijke houding, hun vroolijk gezang, hun tamheid, tevredenheid en duurzaamheid hebben zij zich de gunst van de liefhebbers van Vogels verworven.

De Leeuweriken (Alaudidae) zijn krachtig gebouwde Muschvogels met grooten kop, korten of middelmatig langen snavel van verschillende dikte, tamelijk korte pooten en middelmatig lange teenen, dikwijls met een op een spoor gelijkenden nagel aan den achterteen, met lange en zeer breede vleugels, een niet bijzonder langen of zelfs korten, meestal afgesneden staart en een aardkleurig vederenkleed, dat bij het mannetje en het wijfje weinig, bij Vogels van verschillenden leeftijd veel verschil aanbiedt. Door hun inwendig maaksel komen zij in hoofdzaken met de andere Muschvogels overeen.

Hoewel de Leeuweriken, waarvan ongeveer 110 soorten onderscheiden worden, in alle werelddeelen vertegenwoordigd zijn, behooren zij toch voor ’t meerendeel tot de Oude Wereld. Zij bewonen open terreinen, bouwland zoowel als woeste gronden, de woestijn zoowel als de steppe. In de Aziatische steppen verlevendigen zij het eentonige landschap door hunne liederen. Paartjes van verschillende soorten wonen dicht bij elkander; hun gemeenschappelijk gezang treft in de lente op iederen tijd van den dag het oor van den reiziger. Steeds ziet hij een van deze Vogels aan den hemel zweven, telkens althans zal een van hen, als de wagen langs zijn rustplaats rolt, of de ruiter voorbij draaft, door het ratelen van de wielen of de hoefslagen van het Paard opgeschrikt, voor een korte poos zingend omhoog stijgen. Alle in ’t noorden wonende Leeuweriken zijn trekvogels of althans zwerfvogels; die van zuidelijke landen zijn stand- of zwerfvogels. Hunne reizen zijn niet zeer uitgestrekt en hun verblijf in den vreemde duurt slechts kort. Zij behooren tot de eerste vogels, die de lente ons brengt en blijven hier tot laat in den herfst.

Van alle Muschvogels loopen zij het best; zij zijn ook in het vliegen zeer ervaren, en doen dit op zeer verschillende wijze. Als zij haast hebben, vliegen zij in groote booglijnen schielijk voort; bij ’t zingen daarentegen stijgen zij fladderend loodrecht omhoog of verheffen zich volgens groote schroeflijnen naar ’t zwerk, dalen van hieruit aanvankelijk langzaam zwevend naar beneden en storten ten slotte plotseling met geheel ingetrokken vleugels als een levenloos voorwerp op den bodem. Hunne zinnen schijnen zonder uitzondering goed ontwikkeld te zijn, hun verstand daarentegen is gering; zij zijn levendig van aard, zitten zelden stil, maar zijn veeleer steeds in beweging en gunnen zich nagenoeg in ’t geheel geen rust. Met andere Vogels van hun soort leven zij, zoolang de liefde niet in ’t spel komt, in de beste verstandhouding, gedurende den paartijd echter in voortdurenden strijd.

Om vreemde Vogels bekommeren zij zich weinig, ofschoon enkele soorten zich bij de zwermen van Gorsen en Vinken voegen. Voor sterkere dieren zijn zij zeer bevreesd; den mensch vreezen zij alleen dan niet, als zij gedurende geruimen tijd niets van hem te lijden hadden en hierdoor volkomen overtuigd zijn van hun veiligheid. De meeste zijn goede zangers. Het lied, dat zij voordragen, is arm aan strophen, maar buitengewoon rijk aan afwisseling; eenige weinige tonen worden op honderderlei wijze versmolten en vormen op deze wijze telkens een nieuw geheel. Alle soorten bezitten het talent om het gezang van andere Vogels na te bootsen: alle in de steppe wonende Leeuweriken zingen nagenoeg gelijk; ieder hunner leert en neemt de eigenschappen over van de andere.

Het voedsel van de Leeuweriken bestaat uit Insecten en plantaardige stoffen. Gedurende den zomer gebruiken zij Kevers, kleine Vlinders, Sprinkhanen, Spinnen en larven; in den herfst en den winter eten zij graankorrels en andere zaden; in de lente bestaat hun maal uit Insecten en jonge plantendeelen, vooral kiemplantjes van graangewassen. Zij slikken de zaden door, zonder ze vooraf te ontbolsteren en verzwelgen daarom ook altijd zand en kleine kiezelsteentjes, die het vergruizen van het voedsel bevorderen. Als drank maken zij gebruik van den dauw op de bladen; zij kunnen het water echter gedurende geruimen tijd geheel ontberen; ook baden zij zich er niet in, maar nemen stofbaden.

Het slordig gebouwde nest, waarvoor echter altijd halmen en bladen van grassen, die dezelfde kleur hebben als de bodem, de grondstoffen leveren en dat daarom uitmuntend verborgen is, wordt aangelegd in een door henzelf uitgekrabd kuiltje in den grond; het eerste broedsel bestaat uit 4 à 6, het tweede uit 3 à 5 gevlekte eieren.

Allerlei Roofdieren – Zoogdieren, Vogels en Reptiliën – niet minder echter de menschen gedragen zich vijandig jegens de Leeuweriken; deze vermenigvuldigen zich echter zoo snel, dat alle verliezen, die hen treffen, weer vergoed worden; hun aantal neemt toe, naarmate de bebouwing van den bodem zich uitbreidt.

*

De Leeuwerik of Akkerleeuwerik, in Friesland Ljuerk genoemd (Alauda arvensis) kenmerkt zich door een betrekkelijk slanken lichaamsbouw, een zwak kegelvormigen, tamelijk korten snavel, middelmatig lange, spits eindigende vleugels, waarin de derde slagpen de langste is, een middelmatig langen, uitgesneden staart en teere voeten met tamelijk korte teenen. De lengte van het geheele lichaam is 18, die van den staart 7 cM. De veeren van de bovendeelen zijn aardbruin met lichteren (vaalbruinen) zoom en donkerder (zwartbruine) schaft; de teugel, een streep boven de oogen en de kin zijn vaalwit; de wangen en de oorstreek zijn bruinachtig roestkleurig, donker gestreept, de keel, de kop, de bovenborst en de zijden eveneens, maar met breedere schaftstrepen; de overige onderdeelen zijn vaalwit; de slagpennen zijn zwartbruin: de eerste met witten, de overige met smallen, vaal roestkleurigen zoom aan de buitenzijde; deze zoom verbreedt zich op de achterste armpennen en hunne dekveeren, die ook aan hun spits een bruinachtig roestkleurigen rand hebben, waardoor twee lichtere dwarsbanden ontstaan; de achterste armpennen en de voorste handpennen zijn aan de spits witachtig, de onderste dekveeren van den vleugel zwartbruin; de staartveeren zijn bruinzwart, aan de buitenzijde met vaalbruinen zoom, de buitenste veer is echter wit met breeden zwarten zoom aan den binnenrand, welke zoom op de tweede veer tot aan de schaft reikt. Het oog is donkerbruin, de snavel hoornbruin, de voet geelbruinachtig.

Geheel Europa, te beginnen bij het noorden van Noorwegen en Rusland, en geheel Middel-Azië van de zuidelijke woudgrens af tot aan de randgebergten, zijn het vaderland van den Leeuwerik, die in den winter tot naar Noord-Afrika en Zuid-Indië trekt.

Voor ons is de Leeuwerik een bode der lente, want hij komt hier, als de sneeuw smelt, soms reeds in het begin van Februari; tegen het einde van deze maand heeft hij reeds de woonplaats opgezocht, waar hij gedurende den geheelen zomer blijft, om zich eerst in het laatst van den herfst naar zijne winterkwartieren te begeven, die de meeste in Zuid-Europa, sommige in Noord-Afrika vinden. Voordat de Leeuweriken vertrekken, komen zij in grooten getale bijeen op de korenakkers, vanwaar de oogst dan reeds is weggehaald; zij worden hier van de op den grond gevallen korrels weldra buitengewoon vet; in sommige streken, b.v. in Saksen, worden zij als de avond valt, in menigte in slagnetten gevangen, gedood, in spanen doozen gepakt en overal heen verzonden, waar zij als lekkernij gezocht zijn.

De Leeuwerik is onrustig van aard, blijft zelden lang op dezelfde plaats, maar houdt er meer van gedurig heen en weer te loopen of te vliegen, met andere Vogels van zijn soort te vechten en te krakeelen, en onder al deze bedrijven zijn loktoon of zijn gezang te laten hooren. Hij beweegt zich goed over den bodem, bij langzamen gang telkens knikkend, bij snellen loop evenaart hij bijna den Strandlooper; hij vliegt uitmuntend en op verschillende wijze, al naar het doel dat hij beoogt; bij snelle beweging beschrijft hij groote bogen: de vleugels, die dan in ’t eene oogenblik opgevouwen zijn, snorren in ’t volgende vlug heen en weer; gedurende het zingen eindelijk stijgt hij op de algemeen bekende, langzame wijze met gelijkmatigen vleugelslag al hooger en hooger, met tusschenpoozen waarin hij op dezelfde hoogte blijft zweven. Op den bodem neemt hij graag een vrije standplaats in, b.v. op aardklonten, kleine verhevenheden of steenen, soms ook op den top van een struik, van een boom of van een paal; aan zulke plaatsen is hij zeer gehecht.

Zijn loktoon is een aangenaam klinkend “gerr” of “gerrel”, waaraan de schel gefloten klank “triet” of “tie” wordt toegevoegd. Bij het nest zittend roept hij luid “tietrie”, als hij boos is, op ratelende wijze “sjerrerererr”. Zijn algemeen bekend gezang, dat de akkers en de weiden in vlakke en heuvelachtige gewesten en zelfs in niet al te vochtige moerassen op een hartverheffende wijze verlevendigt, weerklinkt reeds kort na zijn terugkomst en wordt gehoord, zoolang het broeden duurt. Van ’t krieken van den morgen tot aan de avondschemering zingt hij, telkens zich weer boven den bodem verheffend, met bijna sidderend gefladder langzamerhand al hooger en hooger stijgend, soms bijna verdwijnend voor ’t oog, zonder pauze, met meer volharding dan iedere andere Vogel; hij beschrijft intusschen een wijde schroeflijn, keert allengs naar de plaats van uitgang terug, daalt meer en meer, stort zich met tegen het lichaam aangelegde vleugels als een vallende steen omlaag, spreidt op korten afstand van den bodem de vleugels uit en strijkt weder neer in de nabijheid van zijn nest. Zijn gezang bestaat uit slechts weinige, heldere, zuivere, krachtige tonen, maar uit oneindig vele strophen, die nu eens trillend en kweelend, dan weer helder fluitend weerklinken; zij worden door verschillende individuën met talrijke variaties voorgedragen en door enkele talentvolle Zangers zelfs met nabootsingen van passages uit het gezang van andere Vogels aanmerkelijk verrijkt. Zelfs de wijfjes kwinkeleeren; de jonge mannetjes, die slechts weinige weken geleden voor ’t eerst uitvlogen, doen reeds pogingen om te zingen. Leeuweriken, die jong uit het nest genomen zijn, leeren dikwijls het gezang van andere Vogels op volkomen juiste wijze navolgen.

Met andere Vogels van zijn soort leeft de Leeuwerik alleen gedurende den trek en in de winterkwartieren in vrede. Zoolang de liefde hen beheerscht, strijden de mannetjes met elkander bij iedere ontmoeting; dikwijls is deze strijd zeer hevig en langdurig. De beide mededingers grijpen elkander aan en plukharen dat het een aard heeft; niet zelden voegt nog een derde mannetje zich bij hen en komen de drie kampioenen gezamenlijk al draaiend uit de lucht vallen. Voor een oogenblik wordt het gevecht dan opgeschort, om in de volgende minuut hervat te worden. Soms gaan twee tegenstanders ook wel te voet op elkander af en nemen dan soortgelijke standen aan als vechtende hanen; wakker strijden zij, trouwens zonder dat een van hen een wonde van eenige beteekenis ontvangt. De overwonnene moet het veld ruimen, de overwinnaar komt jubelend bij zijn wijfje terug, dat niet al te zelden een werkzaam aandeel neemt “aan de kloppartijen van het mannetje”.

Dikwijls vindt men het nest reeds in het begin van Maart, gewoonlijk op korenakkers en weiden, ook wel echter op eilandjes, die zich boven het moeras verheffen, met grassen of zeggen begroeid, maar overigens nauw door het water ingesloten zijn. De kleine uitholling van den bodem, die als nestelplaats dient, wordt zoo noodig door de beide Leeuweriken zelf uitgekrabd of althans verwijd en afgerond, daarna bekleedt het wijfje, geholpen door het mannetje, haar op een gebrekkige wijze met oude stoppels, bosjes gras, fijne worteltjes en halmpjes en voert de holte van het nest soms bovendien nog met eenige paardeharen. Het broedsel bestaat uit 5 à 6 eieren, die op groengeelachtigen of roodachtig witten grond met vele stippels en vlekken van grijsachtig bruine of grijze kleur zeer ongelijkmatig geteekend zijn.

De dieren van beiderlei geslacht broeden om beurten; de jongen komen binnen 15 dagen uit den dop en verlaten het nest, zoodra zij loopen kunnen. Zoodra hun kroost zelfstandig geworden is, beginnen de ouders met toebereidselen om voor de tweede maal te broeden; als de zomer gunstig is, doen zij dit ook nog voor de derde maal.

De geheele trits van kleine viervoetige roovers, van de Huiskat of de Vos te beginnen tot en met de Wezel, de Spitsmuizen en de Woelmuizen, voorts de Kiekendieven, Raven, Trappen en Ooievaars brengen het Leeuwerikengebroed in gevaar; de Boomvalk, het Smelleken en de Sperwer bedreigen ook het leven van de oude Vogels. Het zal wel niet overbodig zijn er op te wijzen, dat de slachting, die de mensch onder hen aanricht, zelfs wanneer hij de Leeuweriken in massa vangt, steeds ver blijft beneden die, welke het gevolg is van de werkzaamheid hunner zooeven genoemde natuurlijke vijanden. Naarmate de ontginning van den bodem voortschrijdt, neemt het aantal Leeuweriken toe, niet af. Op Nieuw-Zeeland werd onze Leeuwerik ingevoerd; hij is daar op sommige plaatsen zeer talrijk geworden, maar heeft naar gezegd wordt, een belangrijke wijziging ondergaan, wat zijne gewoonten betreft: de Nieuw-Zeelandsche boeren beschuldigen hem n.l. van graandieverij op groote schaal en zeggen, dat zijn trek in graan is toegenomen in dezelfde mate, als zijn gezang slechter is geworden. Ook in Noord-Amerika werd onze Vogel ingevoerd: reeds voor ruim dertig jaren geschiedde dit zonder succes in de staat Delaware, voor ruim twintig jaren bij New-York met weinig resultaat, in New-Jersey echter met zeer goede uitkomst. Onze Leeuwerik werd ook op Groenland en op de Bermudas-eilanden gevonden.

De Kalander-leeuwerik (Alauda calandra), een uitmuntende en daarom hooggeschatte zanger van Zuid-Europa, onderscheidt zich door den krachtigen lichaamsbouw, den opmerkelijk grooten, dikken snavel, de lange, krachtige pooten, de groote, breede vleugels en den bijna rechten, korten, niet uitgeranden staart. Hij bereikt een lengte van 21 cM. De veeren van de bovendeelen zijn vaalbruinachtig, naar buiten isabelkleurig gezoomd, de teugel, een onduidelijke streep boven de oogen, de kin, de keel, de kop en de borst zijn teer roestgeelachtig, de overige onderdeelen wit, aan de zijden isabelbruinachtig, de oorstreek en een onduidelijke baardstreep bruinachtig, twee groote, van onderen soms ineenvloeiende vlekken aan de zijden van den hals zwart, de handpennen bruinzwart, de armpennen aardkleurig bruin, de staartveeren bruinzwart, aan de buitenzijde met een breeden, valen zoom. Het regenboogvlies is donkerbruin, de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel hoorngeel, de voet roodachtig.

Zuid-Europa en meer bepaaldelijk de oeverlanden van de Middellandsche Zee, Noordwest-Afrika en de steppen van Toerkistan zijn het vaderland van den Kalander-leeuwerik, die, van de genoemde landen uitgaande, Noordoost-Afrika, maar slechts zelden de Boven-Nijl-landen bezoekt. Hij bewoont bij voorkeur dorre, niet bevloeide velden of uitgestrekte weidegronden, in Azië de steppe, gezamenlijk met minstens vijf andere soorten, die hij in ieder opzicht overtreft.

Zijne gewoonten verschillen niet belangrijk van die van onzen Akker-leeuwerik. Duidelijk te onderscheiden is hij van onzen Leeuwerik en van alle andere bekende soorten van zijn geslacht door den opgerichten stand van ’t lichaam bij ’t gaan en de buitengewoon krachtige bewegingen van zijne zeer breede vleugels. Evenzeer is hij gekenmerkt door zijn heerlijk gezang. Ieder, die hem voor de eerste maal hoort zingen, blijft verrast staan om daarna met verrukking naar hem te luisteren. Zijn lied verschilt van het gezang van alle mij bekende Leeuweriken door den bewonderenswaardigen rijkdom van tonen, die uitmunten door volheid en kracht. De gezangen van alle soorten van Leeuweriken der steppe versmelten, verdwijnen in het zijne en worden er veredeld door weergegeven; door zijn talent van navolging en door zijn krachtige stem beheerscht hij het prachtige Leeuwerikengezang, dat in deze gewesten gedurende de lente onophoudelijk van den hemel weerklinkt. “Evenzeer als de Kalander-leeuwerik alle overige leden zijner familie in grootte overtreft,” zegt Cetti, “munt hij boven hen uit door zijn gezang. De stem, die hij van nature bezit, is naar het mij voorkomt, een niet bijzonder liefelijk gekweel, zijn phantasie echter verwerkt alle klanken, die hij hoort, om ze later, door zijn dichterlijken gorgel verfraaid, weer te geven. Op het land is hij een echo van alle Vogels; men heeft bij wijze van spreken alleen naar hem te luisteren, men hoort dan alle overige meteen. Hij maakt zoowel van het geschreeuw der Roofvogels, als van de melodiën der Zangvogels gebruik en geeft, terwijl hij in de lucht zweeft, duizenden van ineengevlochten strophen, trillers en liederen ten beste. Hij leert alles, wat men hem voorspeelt; flageolettonen kan geen Vogel beter nabootsen dan hij. De bekwaamheden, die hij verworven heeft, maken hem niet ijdel; hij, de kunstenaar, zingt van ’s morgens tot ’s avonds. Een voor ’t venster hangende Leeuwerik is voldoende om den geheelen omtrek op te vroolijken. Hij is de vreugde en de trots van den handwerksman en brengt alle voorbijgangers in verrukking.” Alle overige waarnemers stemmen in met dezen lof. Wel is het jammer, dat het gezang van dezen Vogel voor de kamer te luid is en dat men het op den duur in een beperkte ruimte niet kan verdragen.

Het nest wordt kunsteloos gebouwd van droge stengels en fijne wortels; het is op een verborgen plaats achter aardkluiten of kleine struiken of in het koren, altijd echter in een kleine uitholling van den grond gelegen. De 3 à 5 eieren zijn rondachtig, in het midden sterk gezwollen en op glanzig witten of geelachtig witten grond dicht bedekt met geel-bruine en grijze vlekken en stippels, die tegen het dikke einde dikwijls kranswijs ineenvloeien.

Om dezen hooggeschatten zanger te vangen, gaat men in Spanje ’s nachts op de akkers, waar hij zich ophoudt; eenige van de vogelvangers dragen klokjes zooals de Runderen aan den hals hebben hangen, andere dievenlantaarns, de overige netten. De Leeuweriken worden door het plotseling verschijnende licht verblind, door den klank der klokjes echter in den waan gebracht, dat er een kudde Runderen of Schapen aankomt, zij wachten de nadering van de vogelvangers rustig af, gaan plat op den grond liggen en worden met de netten bedekt of laten zich zelfs met de handen grijpen. Hier te lande kost zulk een Vogel 14 à 15 gulden, wanneer hij goed aan de kooi gewend is.

In de Aziatische steppen vindt men nevens den Kalander-leeuwerik den ongeveer even grooten Zwarten Leeuwerik of Tartaarschen Leeuwerik (Alauda yeltoniensis) die soms wel eens naar West-Europa verdwaalt, maar in Nederland nog niet waargenomen werd. Zijn herfstkleed is donkerzwart, de mantel, de schouderveeren, de achterste armpennen en de staartveeren aan het einde met duidelijken, de veeren van de zijden van de borst met onduidelijken, witachtig isabelkleurigen zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel hoorngrijs, de voet zwart.

Deze soort bewoont alle zoutsteppen van Middel-Azië en blijft hier gedurende het geheele jaar, want, naar het schijnt, strekt zij hare zwerftochten niet ver uit en zoekt hoogstens de plaatsen op, waar de sneeuw niet liggen blijft.

*

Een van de lieftalligste soorten van de geheele familie is de Bergleeuwerik of Hoornleeuwerik (Otocorys alpestris)5. Deze is 17 cM. lang met den 7 cM. langen staart. De voorkop, een streep boven de oogen, de kin en de keel zijn lichtgeel, een dwarsstreep op den achterkop, die aan weerszijden boven de slapen als een op een hoorn gelijkend bundeltje veeren eindigt, de teugel en de oorstreek benevens een breed, halvemaanvormig kropschild zijn zwart, de bovenkop, de achterhals en de bovendekveeren van den vleugel zijn teer wijnroodachtig, de overige bovendeelen aardbruin en met donkere schaftvlekken geteekend, de onderdeelen wit, in de flanken wijnroodachtig, de schenkels met donkere overlangsche streepjes, de slagpennen bruin, aan de buitenzijde met vaalbruinachtigen zoom, de dekveeren van de armpennen hebben ook aan de spits zulk een zoom; de staartveeren zijn zwart met uitzondering van de beide middelste, die donkerbruin zijn met vaalbruinen zoom, de beide buitenste aan de buitenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel blauwachtig grijs, de voet hoornbruin.

5.Phileremus alpestris L.
Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
25 haziran 2017
Hacim:
1030 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
http://www.gutenberg.org/ebooks/28746
Telif hakkı:
Public Domain