Sadece Litres'te okuyun

Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.

Kitabı oku: «Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.», sayfa 16

Brehm Alfred Edmund
Yazı tipi:

Nog fraaier en bevalliger dan de zooeven genoemde soort is de Groote Gele Kwikstaart (Motacilla melanopes)6, die met recht bekoorlijk mag heeten. Het lentekleed van het mannetje is van boven aschgrauw, van onderen zwavelgeel, aan de keel zwart, welke kleur van het grauw der bovenzijde gescheiden is door een witte streep; een streep van dezelfde kleur loopt boven het oog langs; twee lichtgrijze, niet zeer duidelijke banden komen op den vleugel voor. De drie buitenste stuurpennen zijn grootendeels wit, de pooten vleeschkleurig roodgeel. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa, bij het zuiden van Zweden te beginnen, het grootste deel van Azië en eenige gebergten van Noord-, Oost- en West-Afrika, vooral de Atlas, het Abessinische Hoogland en de hooglanden van de westkust. Op de Kanarische eilanden komt zij veelvuldig voor. In Noord-Europa is de Kwikstaart zeldzaam, in Nederland broedt hij alleen in de grensprovinciën, in Midden-Duitschland en verder zuidwaarts vindt men hem bijna overal in het gebergte en zelfs bij iedere heldere beek van de voorbergen, soms zelfs bij zulke beken in de vlakte, in ’t zuiden treft men hem alleen in de hooge gebergten aan. Uit Nederland, waar de soort niet talrijk vertegenwoordigd is, vertrekt zij tegen November naar ’t zuiden en komt in het begin van Maart terug. Enkele exemplaren overwinteren hier te lande en bezoeken in het koude jaargetijde nu en dan de kustprovinciën, waar zij echter nooit broeden.

Weinige Vogels zijn meer op netheid gesteld dan deze lieftallige Kwikstaart. Hij maakt den indruk van een dame, die gedurende de wandeling haar japon opneemt, als hij langs den waterkant of op ondiepe plaatsen in het water stapt; werkelijk draagt hij groote zorg voor de reinheid van zijn vederenkleed en maakt bij ’t gaan sierlijke pasjes als een danseres. Zijn loktoon, dien hij hoofdzakelijk gedurende het vliegen, minder dikwijls zittend laat hooren, heeft zeer veel overeenkomst met dien van den Witten Kwikstaart, zoodat men beide soorten al zeer goed moet kennen om ze, op de stem afgaande, met zekerheid te onderscheiden. Ook de Groote Gele Kwikstaart broedt vroeg in de lente: voor de eerste maal reeds in April, voor de tweede maal niet later dan Juli.

*

De Gele Kwikstaart, ook wel bekend onder de namen Koevinkje (in Groningen), Geel Bouwmannetje (in Friesland) en Geel Akkermannetje (Budytes flavus), wordt wegens zijn korten staart en den op een spoor gelijkenden nagel van den achterteen beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht – de Grondkwikstaarten (Budytes). Zijn lengte bedraagt gemiddeld 17 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen staart. De bovenkop, de nek en de achterhals, met uitzondering van een boven de oogen zich uitstrekkende, witte streep, zijn aschgrauw, de overige bovendeelen olijfgroen, de bovendekveeren van den staart donkerder, de zijden van den kop en van den hals, evenals de overige onderdeelen, zwavelgeel, de slagpennen bruinzwart, de laatste armpennen met vaalwitten zoom, de grootste bovendekveeren aan ’t uiteinde met vaalwitten rand, waardoor op den vleugel een lichte dwarsstrook ontstaat, de staartveeren zwart, behalve de beide buitenste, die een witte kleur hebben. De oogen zijn bruinzwart, de snavel en de pooten zwart.

Tot hetzelfde geslacht behooren verscheidene vormen met standvastig overervende eigenaardigheden, die door sommige natuuronderzoekers als soorten, door andere als rassen worden beschouwd. Van deze vermelden wij er twee – de Noordsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus nigricapillus) en de Engelsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus Rayii) – , omdat zij enkele malen (Albarda) ook hier te lande werden waargenomen. Zij verschillen van den Gewonen o. a. door de kleur van den bovenkop, die bij den eerstgenoemden vorm zwart, bij den tweeden geel, bij den Gewonen in de lente grootendeels geelgroen, later aschgrauw is.

In alle noordelijke landen zijn de Gele Kwikstaarten zomervogels, die veel later dan de Witte komen en veel vroeger hunne winterkwartieren opzoeken. Bij ons komen zij in de tweede helft van April en verhuizen in September naar het zuiden. Behalve in Europa broeden zij ook in Middel-Azië en Noordwest-Amerika; ’s winters houden zij zich op in Zuid-Azië, Middel- en Zuid-Afrika. Op den trek strijken zij bij iedere groote kudde vee neder en blijven hier dikwijls gedurende den geheelen dag. Hunne broedplaatsen zijn, behalve in de toendra, waar men deze vrienden van het moeras bij honderdduizenden aantreft, gelegen in vochtige streken of in vlakke landen, die tijdelijk overstroomd worden, bij ons op lage veenachtige gronden, in weiden en moerassen. “Daar, waar de Gele Kwikstaarten broeden,” zegt Naumann, “vindt men des zomers geen koolzaad- of raapzaadveld, geen erwten-, boomen- of wikkenakker van eenige beteekenis, geen klaverveld, geen vrij gelegen vette weide en geen boomlooze, grasrijke moerasstreek, waar niet minstens eenige van deze Vogels huizen. In ongeloofelijk grooten getale bewonen zij enkele broeklanden. In de “marschlanden” of lage, vochtige kuststreken, waar zij behalve welige graanvelden en akkers met vette veldvruchten, water, moerassen, riet en weiden, bijeenvinden, waar behalve landbouw ook veeteelt voorkomt, hebben zij al wat zij wenschen kunnen; hier zijn zij derhalve zeer overvloedig.

Door hunne bewegingen gelijken zij meer op den Witten dan op den Grooten Gelen Kwikstaart. Zij zijn behendig in ’t loopen, bijzonder vaardig echter in ’t vliegen. Als zij over een kleine ruimte heenvliegen willen, geschiedt dit eenigszins bij rukken; op den trek vliegen zij echter buitengewoon snel. Niet zelden blijven zij fladderend of schommelend gedurende geruimen tijd in de lucht zweven boven een en dezelfde plaats; dikwijls schieten zij van aanzienlijke hoogten met toegevouwen vleugels bijna loodrecht naar beneden tot op den grond. Hun lokstem is een fluitend geluid, dat als “bsiuub” of “bielieb”, maar ook een zachte toon, die als “sieb sieb” klinkt; het waarschuwingssein is een scherp uitgestooten “srie”, het paringsgeluid een gerekt “tsierr”. Hun gezang gelijkt op dat van den Witten Kwikstaart.

Het nest rust op den bodem tusschen gras, graan of moerasplanten, meestal in een kleine holte, soms ook onder boomwortels. Fijne wortelvezels, halmen, bladen, hooi en groen mos van den grond zijn de materialen, die, losjes saamgeweven, het kunstelooze nest vormen, dat van binnen met halmpjes, vruchtpluis van distels, wol, eenige paardeharen en veeren bekleed is. De 4 à 6 dunschalige eieren, die het bevat, zijn op vuilwitten of roodachtigen grond met geelachtige of bruingrijze, ook wel met violette stippels en wolkachtige vlekken geteekend. Ieder paartje nestelt slechts éénmaal in ’t jaar en wel in het einde van Mei of het begin van Juni. Het wijfje broedt alleen; de jongen komen na 13 dagen uit den dop. De beide ouders zijn zoo bezorgd voor hun gebroed, dat zij door angstgeschreeuw de plaats van het nest aan den vogelkenner verraden. De jongen verbergen zich aanvankelijk behendig in ’t gras, maar maken weldra een even doelmatig gebruik van hunne vleugels als de ouden. Van nu tot hun afreis naar ’t zuiden, vliegen zij gemeenschappelijk rond; eindelijk vangt op een fraaien herfstdag de trek aan. In dezen tijd ziet en hoort men de Gele Kwikstaarten overal, zelfs in ’t gebergte op plaatsen waar vee graast. Naar het schijnt, wordt de reis vlug afgelegd. Vele overwinteren reeds in Egypte. De groote meerderheid echter vliegt tot in het binnenland van Afrika. Hier ziet men gedurende de wintermaanden iedere kudde Runderen, Schapen of Geiten, ja zelfs iederen Kameel of Ezel, ieder Paard of Muildier door deze aardige Vogels omgeven; op de weideplaatsen wemelt het soms van hen. Zij begeven zich met de grazende Runderen naar de steppen en naar de drinkplaatsen terug.

Van uit het noordoosten van Europa is een der fraaiste van alle Kwikstaarten, de Sporenkwikstaart, zooals wij hem zullen noemen (Budytes citreolus), herhaaldelijk naar West-Europa en ook naar Duitschland afgedwaald. Hij is grooter dan de vorige soort, 18 cM. lang met den 8 cM. langen staart; de kop en de geheele onderzijde, behalve de witte onderdekveeren van den staart zijn levendig citroengeel, de nek en het voorste deel van den rug zwart, welke kleur ongevoelig in het leigrauw van de meer achterwaarts gelegen bovendeelen overgaat; de bovendekveeren van den staart zijn bruinzwart.

*

Groote, Zuid-Aziatische leden van de groep der Kwikstaarten zijn de Vorkstaarten (Enicurus), welker kenteekenen te vinden zijn in den betrekkelijk langen, rechten snavel, de krachtige pooten met langen loop, de korte vleugels en den langen, zeer diep gaffelvormigen staart.

Een der eigenaardigste soorten van dit geslacht is de Vorkstaart, de Meninting der Maleiërs (Enicurus Leschenaultii). Bij dezen 26 à 28 cM. langen Vogel zijn de bovenzijde en de vleugels, de voorhals en de borst donker fluweelachtig zwart, de kuifvormig verlangde veeren van den kop bruin, de wortelgedeelten van de armpennen en hunne dekveeren, die, als een geheel beschouwd, een breeden, halvemaanvormigen dwarsband over den rug vormen, de onderrug en het onderlijf zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig; de staartveeren, met uitzondering van de beide buitenste, zuiver witte, zijn zwart met witten top. De snavel is zwart, de voet geel.

“Deze Vogel,” zegt Bernstein, “behoort uitsluitend thuis in de aan bronnen en beken zoo rijke gebergte van Java en is in de voorbergen nergens zeldzaam; zijn eigenlijk gebied is de gordel van 500 à 1200 M. hoogte. Hier zal men hem bijna aan iedere beek aantreffen. Nooit verwijdert hij zich ver van het water; niet zelden echter verdwaalt hij bij ’t volgen van den loop der beken stroomopwaarts tot diep in de oerwouden, zoodat hij soms tot ieders verwondering voorkomt op plaatsen, waar men hem niet verwacht zou hebben.

“Door zijn voorliefde voor het water gelijkt deze Vogel op den Grooten Gelen Kwikstaart, hoewel de kleur van het vederenkleed den Europeaan op Java aan den Witten Kwikstaart herinnert.”

*

De Piepers (Anthus) moeten misschien beschouwd worden als overgangsvormen van de Zangers tot de Leeuweriken. Hunne kenmerken zijn: een slank lichaam, een dunne, rechte, aan den wortel smalle, priemvormige snavel met ingetrokken rand en een ondiepe inkerving vóór de zeer weinig benedenwaarts gebogen spits van den bovensnavel, voeten met slanken loop en zwakke teenen, maar groote nagels, waarvan één, de achterste, evenals bij de Leeuweriken, bij wijze van een spoor verlengd is, middelmatig lange vleugels, een middelmatig lange staart, een glad aanliggend, grond- of graskleurig vederenkleed.

Dit geslacht, dat omstreeks 50 soorten bevat, is over de geheele aarde verbreid. Alle Piepers brengen het grootste deel van hun leven op den bodem door en strijken slechts nu en dan op de boomen neer. Zij zijn beweeglijk, opgewekt, haastig van aard; zij loopen stappend en schielijk, terwijl zij intusschen zachtjes den staart op en neer wippen; wanneer zij een grooten afstand moeten afleggen, vliegen zij goed, snel, zonder inspanning en volgens boogvormige lijnen. Wanneer het verlangen om te zingen hen naar boven drijft, vliegen zij fladderend en zwevend; zij laten een piependen loktoon hooren en hebben een eenvoudig, maar aangenaam gezang. Hun voedsel bestaat uit Insecten, vooral Kevers, Motten, Vliegen, Haften, Muggen en Bladluizen; ook eten zij Spinnen, Wormen en kleine waterdieren, zelfs fijne zaden; steeds zoeken zij hun voedsel op den grond en jagen slechts bij uitzondering een voorbijschietenden buit vliegend na. Zij bouwen hun nest op den grond; de wand van het nest, hoofdzakelijk bestaande uit droge halmen en wortels van grassen, die met andere plantaardige stoffen los aaneenverbonden zijn, wordt met wol en haren gevoerd. De eieren vertoonen op somber gekleurden grond een zachte, uitvloeiende teekening, die uit stippels, vlekken en streepjes samengesteld is. Naar het schijnt is alleen het wijfje met het broeden belast; beide ouders houden echter veel van hun kroost. De meeste soorten broeden meer dan eens per jaar.

De meest bekende soort van dit geslacht is wel de Graspieper, die gewoonlijk Tiet-, Veld – of Piepleeuwerik wordt genoemd en in Friesland Pieper, op Ameland Rietvinkje heet (Anthus pratensis). De veeren van de bovenzijde zijn olijfbruin, met een zwak olijfgroen waas aan de oppervlakte, met donkerbruine, uitvloeiende schaftstrepen geteekend; de staartwortel is levendiger en meer effen van kleur; de onderdeelen, de wangen en een streep boven de oogen zijn fijn roestgeelachtig, een streep onder het oog en een tot aan de zijden van den hals reikende baardstreep zijn zwart, de slagpennen en staartveeren donker olijfbruin; de uiteinden van de armdekveeren en van de grootste vleugeldekveeren hebben een lichteren rand, waardoor op den vleugel twee onduidelijke dwarsbanden ontstaan; de buitenste staartveeren zijn aan de buitenzijde wit met dofgekleurde spits. De iris is donkerbruin, de bovensnavel dofbruin, de ondersnavel lichtbruin, de voet bruinachtig. De lengte van het geheele dier bedraagt 15, die van den staart 6 cM.

Men heeft den Graspieper in de geheele noordelijke helft van Europa en in het grootste deel van Noord-Azië broedend waargenomen en gedurende den winter in Zuid-Europa, Zuidwest-Azië en Noord-Afrika gezien. In ons land wordt hij zeer veelvuldig op weilanden en geestgronden, in moerassen, op heidevelden en ook in de duinen aangetroffen. Hij komt hier, zoodra de sneeuw smelt, gewoonlijk reeds in het begin van Maart, op zijn laatst omstreeks het midden van April en blijft hier tot in November, soms zelfs tot in December. Hij trekt dan naar ’t zuiden in groote zwermen, niet zelden met de Akkerleeuweriken en reist over dag zoowel als ’s nachts. – In den regel beweegt hij zich op den grond, maar zet zich ook dikwijls op kleine hoogten op hekken, of zelfs op takken van struiken neder. Van tijd tot tijd verneemt men zijn lokstem, die als “piep piep” klinkt. In het voorjaar vliegt het mannetje met tusschenpoozen regelrecht omhoog, schiet daarop schielijk weer naar de laagte en laat gedurende dit bedrijf zijn eenvoudigen, tamelijk zachten, maar niet onaangenamen zang hooren. Zijn nest staat op den grond en bevat 5 of 6 grijs- of geelachtig witte, aschgrauw en grijsbruin gevlekte en gemarmerde eieren.

In een groote kooi kan men den Graspieper zeer goed in ’t leven houden; hij wordt zeer tam en zingt tamelijk vlijtig.

De Boompieper (Anthus trivialis)7, gelijkt veel op den Graspieper, maar is iets grooter (lengte van ’t geheele lichaam 17, van den staart 6½ cM), zijn snavel is dikker, de loop krachtiger, de nagel van den achterteen korter en meer gekromd. De bovendeelen zijn op geelachtig bruingrijzen of vuil olijfgroenen grond overlangs gevlekt met donkerder strepen; de onderrug en de staartwortel zijn bijna effenkleurig; een streep boven de oogen, de gordel, de krop, de zijden van de borst, de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn bleek roestgeel, de krop, de bovenborst en de zijden met zwarte overlangsche vlekken: de strepen over de vleugels en de zoomen der schouderveeren zijn lichter van kleur dan bij den Graspieper. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet roodachtig.

In den zomer bewoont de Boompieper de bosschen van Europa en Siberië, in den winter de steppenwouden van Afrika en van de laagste gedeelten van het Himalaja-gebied. Als broedplaats maakt hij gebruik van open plekken in het woud, van plaatsen, die schraal bezet zijn met kreupelhout, van versche houtkappingen en andere weinig begroeide gedeelten van bosschen, ook van die, welke ieder jaar overstroomd worden. In Nederland broedt hij in boschjes op droge gronden, b. v. op de heidevelden onzer grensprovinciën. In Midden-Duitschland komen deze Vogels veelvuldig voor en neemt hun aantal, hier en daar ten koste van dat der Boomleeuweriken, aanmerkelijk toe. De gewoonten van den Boompieper herinneren in vele opzichten aan die van den Graspieper; hij houdt zich echter niet zooveel op den bodem op als deze, maar zit gaarne in boomen. Zijn gezang is fraaier en aangenamer dan dat van zijne verwanten; het is krachtig en liefelijk, gelijkt eenigszins op den slag van den Kanarievogel en onderscheidt zich door volheid en helderheid van toon, door de afwisseling en menigvuldigheid der melodieën.

Het nest wordt gebouwd in het gras, tusschen heidestruiken of onder allerlei planten. Het bevat 4 of 5 grijs-, blauw- of roodachtig witte eieren, die met donkerbruine marmervlekken bedekt zijn.

De Boompieper kan gemakkelijk in de kooi leven; hij wordt zeer tam en verschaft genoegen door de sierlijkheid zijner bewegingen en door zijn uitmuntend gezang.

De Waterpieper (Anthus aquaticus) is van boven donker olijfkleurig grijs, met uitvloeiende, zwartachtig grijze, overlangsche vlekken geteekend, van onderen vuil- of grijsachtig wit, in vleeschkleur overgaande, aan de zijden van de borst donker olijfbruin gevlekt; achter het oog loopt een lichtgrijze streep; over de vleugels strekken zich twee lichtgrijze banden uit. De beide buitenste veeren van den bruinzwarten staart zijn aan den top en aan de buitenzijde wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de spits van den ondersnavel geelachtig, de voet donkerbruin. De lengte van ’t lichaam bedraagt 18, die van den staart 7 cM.

Terwijl de andere soorten van Piepers een bepaalde voorliefde toonen voor de vlakte en slechts hier en daar bergstreken bewonen, behoort de Waterpieper uitsluitend in ’t gebergte thuis. Hij bewoont in grooten getale den gordel van het kniehout in de Alpen, de Karpathen, het Schwarzwald, de Hartz en het Reuzengebergte en daalt alleen gedurende den trek in de vlakten af. In Zwitserland is hij een van de algemeenste Alpenvogels; het Reuzengebergte wordt door duizenden van deze Vogels bewoond. Op de Alpen hebben zij bij het broeden, volgens Tschudi, dikwijls zeer van het ruwe lenteweer te lijden. “In vele jaren bedekt een late sneeuwvlaag het nestje met de eieren en verdrijft het broedende wijfje; niet zelden wordt dit ook zelfs onder de sneeuw bedolven en gedood; dikwijls wordt het gedwongen nogmaals een nest te bouwen.”

Bij den Duinpieper (Anthus campestris) is de bovenzijde licht geelachtig grijs met onduidelijke, donkere, dun gezaaide vlekken, de onderzijde dof geelachtig wit, aan den krop met eenige donkere schaftstrepen geteekend; boven het oog loopt een licht geelachtige streep; de vleugel vertoont twee geelachtig witte banden. Lichaamslengte als bij de vorige soort, de staart iets korter.

Het verbreidingsgebied van den Duinpieper omvat, met uitzondering van de noordelijkste gedeelten van het toendragebied en van Groot-Brittannië, geheel Europa, Middel- en Zuid-Azië en Noord-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden. Hij geeft aan dorre, steenachtige, op woestijnen gelijkende gewesten de voorkeur boven alle andere en komt daarom ’t zuiden van Europa veel talrijker voor dan in het Noorden. In Nederland broedt hij in de zeeduinen. In Duitschland is hij in sommige oorden niet zeldzaam, in andere wordt hij slechts bij uitzondering aangetroffen; in vruchtbare streken ontbreekt hij geheel. Zijn verblijf bij ons duurt van April tot September. In Zuid-Europa komt hij iets vroeger en vertrekt later.

Door zijne bewegingen herinnert de Duinpieper zoowel aan de Leeuweriken als aan de Kwikstaarten. In nagenoeg horizontale houding, dikwijls met den staart wippend en zooveel mogelijk zich verschuilend, loopt hij over den grond, beklimt van tijd tot tijd een hooger gelegen voorwerp, rust eenige oogenblikken, kijkt met eenigszins omhoog gericht lichaam rond en zet daarna zijn wandeling voort. Bij ’t vliegen beschrijft hij een sterk gebogen kronkellijn. Zijn stem staat achter bij die der overige Piepers. De loktoon is “diellem” of “dlemm”; teedere aandoeningen geeft hij te kennen door de klanken “krietlien tsierloeï” en “tsiuur”, die tevens de hoofdbestanddeelen uitmaken van zijn buitengewoon eenvoudig gezang.

Gedurende den broedtijd maakt ieder paar aanspraak op een tamelijk groot gebied en bewaakt dit ijverzuchtig. Het mannetje vertoont zich dan zeer gaarne op een vrije plaats, zet zich op een hoogen steen, op een uitstekende rotspunt, op muren, zandheuvels enz. of op een struik, zelfs op de onderste takken van boomen, stijgt in scheeve richting in de lucht omhoog, begint op een hoogte van 30 à 50 M. te trillen en te schommelen, vliegt onregelmatig heen en weer en laat intusschen herhaaldelijk zijn “tsierloeï” hooren.

De Oeverpieper (Anthus rupestris) verschilt van den Waterpieper, dien hij in Skandinavië, Denemarken en Groot-Brittannië vervangt, door de eenigszins donkerder kleur der bovendeelen, die met een groenachtig olijfbruine waas overtogen zijn, door de minder duidelijke vleeschkleur van de onderzijde en door de bruinwitte kleur van de vlek aan ’t einde der buitenste stuurpennen. Hij verlaat in October of November zijne broedplaatsen aan de rotsachtige kusten der Noordzee en trekt, terwijl hij zijne winterkwartieren opzoekt, ook door Nederland, waar men in de genoemde maanden enkele exemplaren van deze soort hun voedsel ziet zoeken tusschen de steenen en palen der zeeweringen van de Zuiderzee-kust en op het Noordzee-strand. Soms blijft hij hier gedurende den geheelen winter. In Maart, als hij naar ’t noorden terugkeert, treft men hem soms bij onze binnenwateren aan.

Om in het noordwesten van Afrika den winter door te brengen, trekken in den herfst een aantal exemplaren van een aan den Duinpieper verwante soort – den Grooten Pieper (Anthus Richardii) – door het noorden van Duitschland, door Nederland, België, het westen van Frankrijk en door Spanje en Portugal. Bij ons treft men hem meestal in ’t midden van October aan. Hij is de grootste van alle bij ons en in Duitschland voorkomende Piepers (lengte van het geheele lichaam 20, van den staart 8 cM.) en van den Duinpieper gemakkelijk te onderscheiden door de groote lengte van den bijna rechten nagel van den achterteen. Bovendien is hij donkerder van kleur: De bovendeelen zijn geelachtig grijs, op de kruin en den rug met bruinzwarte, breede, op den staartwortel met langwerpige vlekken geteekend; de onderzijde is geelachtig wit en heeft op de borst scherpe, bruine schaftvlekken; de buitenste stuurpen is wit met grijsbruinen binnenkant; de tweede stuurpen heeft een witten buitenrand en een witachtige, wigvormige vlek op de binnenvlag.

Het vaderland van den Grooten Pieper is het steppengebied van Oost-Azië, met inbegrip van het noorden van China. Tegen den winter trekt hij naar ’t zuiden en verschijnt dan in ’t zuiden van China en in geheel Indië. Hij trekt echter ook in westelijke richting en doet dan dikwijls (misschien wel ieder jaar) alle tot Duitschland behoorende Noordzee-eilanden, Denemarken, het zuiden van Zweden, Groot-Brittannië en de hierboven genoemde kustlanden aan.

Een tweede onderfamilie – die der Woudzangers in engeren zin (Sylvicolinae) – omvat een 120-tal soorten, welker vertegenwoordigers Noord-Amerika bewonen, op den trek Middel-Amerika en West-Indië bezoeken, maar hun reis in den regel niet ver over den keerkring uitstrekken. Hun snavel is in den regel een slanke, zijdelings eenigszins samengedrukten kegel, zelden onder en boven een weinig gebogen. In grootte en lichaamsverhoudingen komen zij met onze Grasmusschen overeen, ook hun levenswijze gelijkt in hoofdzaken op die van onze Zangers.

Van dezen groep vermelden wij alleen den Groenen Woudzanger (Sylvicola virens), wiens bovendeelen geelgroenachtig zijn, de zijden van kop en hals grootendeels hooggeel, de kin, de keel en de krop zwart, de overige onderdeelen wit met breede, zwarte strepen aan de zijden; de onderbuik en de stuit zijn geel, de slagpennen en de staartveeren bruinzwart; twee witte dwarsbanden versieren den vleugel. Hij bewoont het grootste deel van de Oostelijke Vereenigde Staten en begeeft zich tegen den winter naar Middel-Amerika en West-Indië. Evenals de meeste soorten van zijn geslacht houdt hij zich na zijn terugkomst uit de winterkwartieren bij voorkeur in de kroon van hooge boomen op en bevolkt dan zoowel het stille woud als de tuinen of plantsoenen in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen. Eerst in ’t voorjaar, waarschijnlijk zelden voor ’t midden van Mei, komt hij op zijne broedplaatsen aan; hij blijft hier echter tot laat in ’t najaar en onderneemt, althans in de noordelijkste gewesten van zijn verbreidingsgebied, na den aanvang van den herfst meer of minder uitgestrekte zwerftochten. Deze voeren enkele exemplaren zelfs naar de overzijde van den Oceaan; een dier van deze soort werd in October 1858 op Helgoland geschoten.

De Tangaren of Tanagra’s (Thraupinae), die de derde onderfamilie van de familie der Woudzangers vormen, zijn zoo groot als of iets grooter dan onze Musch. Haar snavel is zeer verschillend, steeds echter kegelvormig met flauw gebogen rug; de voeten hebben een korten loop en slanke teenen; de vleugels en de staart zijn middelmatig lang. Haar vederenkleed is tamelijk hard, bont en schel van kleur, meestal blauw, groen, rood met zwart en wit gemengd; dit geldt echter in den regel alleen voor de mannetjes; de kleur van het wijfje is steeds doffer en minder in ’t oog vallend.

Met uitzondering van 4 soorten, die in Noord-Amerika thuis behooren, bewonen alle Tangaren, ongeveer 300 soorten, Zuid-Amerika. Bij voorkeur houden zij zich in bosschen op, eenige soorten op de hoogste boomen, andere in lage struiken. In de onmiddellijke nabijheid van den mensch zoeken zij zelden een woonplaats; wel richten zij soms groote schade aan in de plantages, waarin zij bij zwermen neerstrijken. In het stille woud bekoren zij den natuuronderzoeker door hare reeds van verre in ’t oog vallende, schitterende kleuren; zij zijn een prachtig sieraad van de boomen. De kleurenpracht is echter haar eenige aantrekkelijkheid, want zij zijn stil en vervelend van aard. De gave van het gezang missen zij nagenoeg geheel; hoogstens brengen zij eenige weinige, ternauwernood samenhangende tonen voort. Naar men zegt, komt echter bij enkele een zacht gezang voor.

Haar voedsel is van verschillenden aard; naar het schijnt, vormen bessen of andere weeke, sappige, zoete en melige vruchten van geringe grootte de hoofdbestanddeelen van haar maal. Vele eten bovendien ook Insecten; enkele geslachten gebruiken, evenals de leden van de volgende familie, uitsluitend zaden.

Slechts weinige soorten van deze onderfamilie worden in de kooi gehouden; geen enkele verdient door hare gave de genegenheid van den mensch.

*

Twee soorten van het geslacht der Tangaren in engeren zin (Thraupis) zullen wij als vertegenwoordigers van de onderfamilie beschrijven.

De karmijn-tangara, de Flaxbird (Vlasvogel) der Amerikanen (Thraupis rubra), is de veelvuldigst voorkomende, meest verbreide en daarom meest bekende soort van het geheele geslacht. Haar lengte bedraagt 17 cM. Het bruiloftskleed van het mannetje is vurig karmijnrood, met uitzondering van de zwarte vleugels, waarvan de pennen aan de binnenzijde een witten zoom hebben, de eveneens zwarte stuurpennen en schenkelveeren, benevens de witte middelste en onderste vleugeldekveeren. Kort na den broedtijd legt het mannetje zijn prachtkleed af en tooit zich met de eenvoudige kleuren van het wijfje, dat aan de bovenzijde geelachtig groen, aan de onderzijde groenachtig geel is.

De Vuurroode Tangara (Thraupis aestiva) is 19 cM. lang en dus een weinig grooter dan de vorige soort. De veeren van de onderdeelen zijn vuurrood, die van de bovendeelen donkerder purper-rozerood; de bruine slagpennen en stuurpennen hebben rozeroode buiten- en bruinachtig witte binnenzoomen. Het wijfje is olijfgroen, op den kop en den hals met bruinachtig waas, van onderen geel, langs het midden van de borst en van het onderlijf met groenachtig waas.

In levenswijze komen deze Tangaren overeen. Zij bewonen de indrukwekkende wouden van Amerika, die zoo rijk zijn aan boomen van verschillende soorten; zij leven hier stil en teruggetrokken, meestal bij paren. Gewoonlijk ziet men ze boven op de toppen der boomen. Niet zelden komen zij in de nabijheid van de woningen der planters; zelfs dringen zij in de tuinen door, in den regel als ongenoode gasten, die van de bessen en andere vruchten, o. a. van de zaaddoozen van het vlas (vandaar haar naam) tienden heffen. Hoewel zij nergens veelvuldig zijn, treft men ze overal aan: de Vuurroode Tangara is door geheel Amerika bekend. Zij wordt ook wel Summer-red-bird (Zomerroodvogel) genoemd, omdat haar verblijf in de Vereenigde Staten slechts ongeveer vier maanden duurt, n.l. van Mei tot omstreeks het midden van September.

Wilson deelt een merkwaardig staaltje mede van de liefde dezer Vogels voor hun kroost: “Eens ving ik,” zegt hij, “een jonge Karmijn-tangara, die slechts weinige dagen geleden het nest verlaten had. Ik droeg haar een halve mijl ver mede, sloot haar op in een kooi en hing deze in den tuin, niet ver van het nest van een Baltimore-vogel, waarin, zooals ik zeker wist, jongen waren; ik hoopte, dat de eigenaars van dit nest ook voor de jonge vreemdelinge zouden zorgen. De arme wees werd echter in weerwil van haar jammerlijk geschreeuw, geheel verwaarloosd. Daar zij van mij geen voedsel wilde aannemen, was ik van plan haar terug te brengen naar de plaats, vanwaar zij kwam. Dit bleek onnoodig te zijn, want tegen den avond zag ik een Karmijn-tangara, ongetwijfeld een van de ouders van de gevangene, rondom de kooi vliegen en pogingen doen om er in door te dringen. Bemerkende dat dit niet mogelijk was, vloog zij weg, maar keerde weldra met voedsel in den snavel terug. Tot na zonsondergang vloog zij af en aan en ging vervolgens zitten op een hoogeren tak van denzelfden boom. Met het aanbreken van den dag zag ik haar het werk van den vorigen dag hervatten en hiermede voortgaan tot aan den avond, in weerwil van de vijandige stemming der Baltimore-vogels. Op den 3en en 4en dag stelde zij opnieuw pogingen in ’t werk om haar jong te bevrijden en trachtte zij door geluiden, die angst en teederheid verraadden, haar kind te bewegen naar buiten te komen. Dit was te veel voor den waarnemer: de gevangene werd bevrijd en vloog onmiddellijk naar haar trouwe soortgenoote, die haar onder luide vreugdekreten medenam naar het woud!”

6.Motacilla sulphurea Bechstein.
7.Anthus arboreus Bechstein.
Yaş sınırı:
12+
Litres'teki yayın tarihi:
25 haziran 2017
Hacim:
1030 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
http://www.gutenberg.org/ebooks/28746
Telif hakkı:
Public Domain