Kitabı oku: «Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java»

Yazı tipi:

Van Java Melati

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405182

Inhoudsopgave

EERSTE GEDEELTE.

I.

IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL.

II.

PANGERAN POERBAYA .

III.

RADHEN GOESIK KOESOEMA .

IV.

VAANDRIG KUFFELER.

V.

OP BEDEVAART.

VI.

POERBAYA’S KRIS.

VII.

HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD.

TWEEDE GEDEELTE.

I.

HET STEEKSPEL.

II.

IN DE KAPATYAN.

III.

OP DEN BERG LAWOE.

IV.

EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.

V.

HET VERHAAL VAN DEN DWERG.

VI.

COMMISSARIS TAK.

VII.

VERRAAD.

VIII.

AMOK!

DERDE GEDEELTE.

I.

AMSTELVREUGD.

II.

ROBERT VAN REIJN.

III.

OOM EN NEEF.

IV.

EEN STEM UIT HET GRAF.

VIERDE GEDEELTE.

I.

DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.

II.

VOORNELUST.

III.

EEN VISITE OP BATAVIA.

IV.

IN DEN MANESCHIJN.

V.

JOHAN VAN HOORN.

VI.

WEDERZIEN.

VII.

MARKUS EN DIGNA.

VIJFDE GEDEELTE.

I.

DE VLUCHTENDE KEIZER.

II.

IN DEN KRATON VAN KEDIRI.

III.

VADER EN ZONEN.

IV.

EEN MOEILIJKE ZENDING.

V.

MAAGDENROOF.

VI.

IN TOSARI.

VII.

BANJOE BIROE.

VIII.

HET VORSTELIJKE GEZIN.

ZESDE GEDEELTE.

I.

DE RECHTSPRAAK.

II.

VADER EN ZOON.

III.

DE GUNSTELING DES VORSTEN.

IV.

DE VERZOEKING.

V.

DE WAPENSCHOUWING.

VI.

VOOR BANGIL.

VII.

SOERAPATI’S DOOD.

VIII.

DE WRAAK OP DEN DOODE.

IX.

VEREENIGD.

EERSTE GEDEELTE.

Inhoudsopgave

[Inhoud]

I.
IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL.

Inhoudsopgave

Het jaar 1684 was nog slechts enkele weken oud.

De laatste schaduwen van den dag vielen neer op het rotsachtige dal, waardoor de Tji-Kendoel, een kleine rivier, die aan den voet van den Preangerreus, den Gedeh, ontspringt—haar wateren wringt; de hooge bergtoppen alleen schitterden nog in kopergloed; maar in het dal heerschte reeds duisternis. Bij het verdwijnen der zon stak een hevige wind op, die de rotswanden deed daveren en dikke, zwarte wolken in onstuimige vaart door het luchtruim joeg; nu eens bleven zij rusten op de gekartelde ribben en ruggen van den berg, dan verduisterden zij het stuk met sterren bezaaiden hemel dat het dal overspande; het werd daar duisterder en duisterder, de laatste zonnestralen, die de wolkenmassa’s nog vermochten te doorboren, verglommen in dreigend zwart. Met nog donkerder schaduwen daar in zijn breede lendenen, waar de kraters en afgronden gaapten, stond de bergreus te midden van de lagere toppen, als een koning tusschen zijn hofhouding.

Geen wonder, dat de bewoners van den omtrek in hem het versteende beeld vereerden van den laatsten vorst, die over het roemvolle koninkrijk van Pandjajaran had geregeerd, de vorst, die eenmaal weer tot het leven zou terugkeeren om aan zijn rijk de verdwenen grootheid terug te geven; daar verheft zich immers [2]de Pangerango zijn bedehuis, ginds steekt zijn paleis de hemelhooge tinnen opwaarts, hier op de kratervlakte bevindt zich zijn wapenplein, de bosschen aan zijn voet, dat is het statiekleed waarop zijn koninginnen rusten.

Soms echter zijn er oogenblikken dat de geheele ontzagwekkende massa voor het oog verdwijnt en zich schijnt op te lossen in den donkeren nacht; dan alleen als de wolken vaneenscheuren, werpen de sterren hun valen glans naar omlaag. Dat licht glijdt zachtkens over het graniet van den Gedeh en een spottende geest, der duisternis gelijk, grijnst de reus in het verschiet; donderslagen vermengen zich met het doffe gerommel dat uit zijn ingewanden opstijgt als een ontzettende schaterlach; nu en dan krijscht een nachtvogel of beantwoordt het brullen van een verscheurend dier dat zich een prooi bemachtigde, den wanhoopskreet van zijn slachtoffer.

Dat zijn de geluiden die in het dal weergalmen en zich vermengen met het klotsen, murmelen, bruisen, borrelen, waarmede het water zijn diepe, steenen bedding schuurt.

Het zijn echter geen kale rotsen, die hier den Tji-Kendoel insluiten, een ruig, woest tapijt bedekt hen bijna geheel; een verwarring van wortels, doornen, mos en hoog gras strekt zich voeten hoog uit van rotspunt tot rotspunt. Als spinnewebben grijpen de luchttakken in elkander, bloemenslingers wringen zich in spiralen naar omlaag of bedekken als netwerk de varens, die zij onder hare verraderlijke liefkoozingen dreigen te verstikken. Nu is alles een donkere, doornige massa, de kleuren slapen; overdag leeft en schittert dat alles met alle tinten van den regenboog in oogverblindenden glans.

Die woeste plantengroei is hier en daar onder den voet getreden; tusschen de rotsen en de struiken kronkelt zich een pad, nu eens lager dan weer hooger, soms hangend tegen de oevers, dan [3]weer zwevend in de lucht; een roodachtig licht flikkert in den stormwind, verschijnt op een der hoogten, werpt zijn gloed over de spookachtige stengels van de aloës en cactussen, over de trillende orchideeën en daalt neer in de diepe bedding, waar het roodachtige glansen in het bruisende water toovert.

’t Komt van een fakkel, die de avondwandeling van twee mannen verlicht; bij het schijnsel van het dansende vuur nemen hun bruine gelaatstrekken een warme bronskleur aan, want zij zijn beiden donker, inboorlingen blijkbaar, hoewel hun kleeding aanmerkelijk van die hunner landgenooten verschilt.

Een gesloten geel wambuis omsluit de welgevormde krachtige gestalte van den jongste; hij is groot voor een inlander en kloek gebouwd; een kleurige hoofddoek bedekt als een tulband zijn korte lokken, daaronder komen zijn koen geteekende trekken, zijn donkere, diepliggende oogen, zijn vastberadenheid teekenende, zwaar geknevelde lippen scherp uit; een korte sarong valt af tot over zijn knieën; een Europeesche buks hangt in een bandelier van zijn schouders, om het middel draagt hij echter den draagband, waaraan de schede der Javaansche kris hangt. De kris zelf houdt hij in zijn hand en slaat daarmede de takken en slingers weg, die hem het pad konden versperren. De fakkel wordt door zijn gezel gedragen, een man, die wellicht in Europa nog slechts even den middelbaren leeftijd kon hebben overschreden, hier echter reeds bijna voor grijsaard moest doorgaan. Hij is kleiner dan zijn kameraad, zijn kleine, sluwe oogen knippen telkens toe, zijn slappe trekken hebben het leelijke type aan oude Javanen eigen, zijn lippen zijn gebarsten en gespleten door het gebruik van sirih en gambir1; zijn neus is plat en zijn wangbeenderen steken ver uit; [4]over zijn javaansche kleeding draagt hij een opengeslagen lang jak, de kabaya, maar in vlugheid en behendigheid geeft hij zijn veel jeugdiger makker niets toe; in zijn rechterhand houdt hij een lans.

„Nu zullen wij de plek haast naderen, gelooft ge niet, Vader,” vraagt de jongere.

„’t Is ons gezegd, daar waar de Tji-Kendoel tusschen het steenen bruidspaar, de Penganten-rotsen, benauwd wordt, moet zich een grot bevinden, die den vluchtenden prins herbergt.”

„Ik hoop dat uw raad goed zal blijken, Kiai; slechts op uw aandringen heb ik mijn soldaten verlaten om alleen den Pangeran te gaan spreken.”

„Mijn Zoon! moge de uitkomst u leeren dat de taal van den grijsaard een taal van wijsheid is; spreek met den Pangeran, spiegel hem de voordeelen voor die zijn onderwerping hem zal aanbrengen; spoedig verschijnt hij in uw kamp met zijn getrouwen en geeft u zijn wapens over.”

„’t Zou een groote overwinning voor mij wezen.”

„Die de blanke mannen u rijkelijk zullen vergelden.”

„Ge zegt dat spottend, Kiai!”

„Men zal u naar Batavia zenden.…”

„Dat nimmer; ik keer niet terug naar Batavia, of het moest zijn uit vrije beweging, als geen gevaar mij dreigt. Maar welk gevaar zou ik vreezen? Heb ik dan geen vrede gesloten met de Edele Compagnie?”

„Een vrede als de tijger sluit met het hert, dat zijn klauwen ontvluchtte; zoolang het rappe dier buiten zijn bereik is, belooft de tijger gaarne barmhartigheid, maar is het eenmaal in zijn nabijheid, wee het al te vertrouwende hert!”

„Vader! uw achterdocht is te groot! Ik vertrouw de blanke mannen, ik heb hun vergiffenis aangenomen, ik draag hun wapens, [5]ik volvoer hun last, Allah weet met welken ijver en trouw. Waarom zou ik hun gramschap vreezen?”

„Mijn Zoon, eer zult gij aan die rivier onder uw voeten gelasten terug te keeren naar den berg, waaruit zij ontsprong, dan dat gij uit de ziel van die blanke menschen de herinnering zult uitwisschen van de beleedigingen hun door een slaaf aangedaan.”

„Een slaaf!”

„Dat zijt ge nog steeds, Sie Oentoeng! Hier gebiedt gij over honderden; ginds in Jacatra zijt gij slechts een slaaf, een gevluchte slaaf. En uw meester.…”

„Mijn meester, zal hij tegen mij, als ik Pangeran Poerbaya tot onderwerping breng, langer wrok koesteren?…”

„Hij zal u zijn dochter geven tot wettige vrouw!” sprak de andere met een spotlach.

De opgeheven kris, die zoo juist een tak orchideeën door midden had gesneden, zonk neer; de groote oogen van den jongen man vlamden op, zijn neusvleugels trilden.

„En waarom zou hij dat niet doen, Kiai? Ben ik minder dan de bleeke mannen, die lager rang in het leger bekleeden dan ik? Waarom zou hij zich schamen mij openlijk te geven wat toch reeds het mijne is, want Nonna Suzanna is mijn vrouw. Zij zal mijn vrouw blijven, mijn eenige! Denkt de Edele Heer omdat mijn kleur donker is, dat ik zijn dochter niet kan liefhebben en trouw zijn, zooals geen zijner blanke vrienden het zou wezen?”

„’t Zal u niet baten, mijn Zoon! Eer neemt gindsche berg weer de gestalte aan van den machtigen koning, dan dat een blanke man zijn dochter uithuwelijkt aan een slaaf.”

„Maar ik ben geen slaaf meer, ik ben officier in dienst der Edele Compagnie; ik wil de gelijke worden van de Hollanders in alles, zelfs in hun godsdienst zoo ’t zijn moet.” [6]

„Ge zoudt den Profeet verlaten, Sie Oentoeng!”

„Zooals ik eenmaal Batoro Shiwa verliet; ge weet dat ik Balinees en Hindoe ben en dus nooit anders dan met de lippen uw Profeet heb vereerd. De godsdienst van Suzanna trok mij aan, meer dan de uwe Kiai, ik zou dien gaarne omhelzen als ik aan haar uitgehuwelijkt mocht worden in haar tempel.”

„Hebt ge ooit den kalong en de duif zien paren, mijn Zoon? Nimmer, niet waar? Evenmin zal wit en zwart ooit één worden in den tempel der blanken!”

„En onze donkere vrouwen dan? Die versmaadt de blanke niet; zoude ik, hun gelijke in dapperheid en kracht, haar die mij liefheeft niet volgens haar wetten de mijne mogen noemen?”

„Geen wetten of adats gebruikt de Christen als hij een dochter van Java tot vrouw neemt.”

„Ik heb Suzanna volgens de gebruiken van mijn land gehuwd.”

„Daarom liet haar vader u opsluiten in afwachting dat gij doodgegeeseld zoudt worden.”

„Dien smaad ben ik ontkomen; nooit anders had ik mijn kris opgeheven tegen Suzanna’s volk, maar toen, ge weet zelf Kiai, in welken toestand ik was. Mijn meester, die mij met vriendschaps- en gunstbewijzen had overladen, als ware ik zijn eigen kind geweest, overstelpte mij met zijn toorn; in de gevangenis moest ik mijn lot wachten.”

„Een vreeselijk lot; ik was er ook opgesloten omdat ik een kostbare Japansche vaas van mijn meesteres gebroken had. Gij echter, slaaf als ik, hebt het geluk van de dochter uws meesters gebroken.”

„Omdat zij er mij den moed toe gaf; helaas! hoe zal ’t haar gegaan zijn na de vreeselijke ontdekking?”

„Niet erger dan u, Sie Oentoeng. Maar ongelukkiger dan gij [7]zal zij zich niet hebben kunnen ontworstelen aan haar bestemming.”

„Ik heb Ardjo naar Batavia gestuurd; hij is listig en zal vermomd het erf van Toewan Moor binnendringen, Suzanna spreken en haar zeggen, dat ik weldra zal terugkomen, vrij en begenadigd, om openlijk haar hand te vragen.”

„Uw hoop gelijkt de lucht, zie daar de sterren schitteren, wacht een oogenblik, de zwarte wolk nadert en dan blijft niets meer van hen over. Zoo zal het ook gaan met uwe verwachting, mijn zoon!”

„Maar, Vader, zal ik dan geen belooning kunnen vragen na de onderwerping van den Pangeran? Heeft kapitein Jonker, een Ambonnees zooals ik, een kind van Bali, na Troeno-Djojo’s val de schoone keizerin Mahera niet tot belooning ontvangen voor zijn diensten der Compagnie bewezen?”

„Mahera was Troeno-Djojo’s weduwe, en de bruid die gij verlangt is een blanke. Mijn Zoon, ge weet hoe innig ik mij aan u verknocht voel, hoeveel dank ben ik u niet verschuldigd! Gij hebt mij verlost uit de gevangenis, die ik weigerde te verlaten. Toen gij de wacht had neergeveld en met hun wapenen de gevangenen verrijktet, kwaamt ge terug en trotseerdet nieuwe gevaren om mij te bevrijden. Dat vergeet Kiai Hemboong nooit. Ik zal u vergezellen als een vader zijn zoon, maar geloof mijn woord! Reeds eens zooveel malen als na uw geboorte, wisselde de kokospalm zijn ringen tijdens mijn leven; ik heb veel gezien in het huis der blanken, waar ik jarenlang slaaf was. Zij zijn hier gekomen als onze meesters; hun doel is de kinderen van den Islam te overheerschen, nooit echter zullen zij ons toestaan hun gelijken te worden. De minste hunner acht zich verheven boven onze prinsen. Zij willen onze diensten aannemen, maar hebben wij hen gediend, dan werpen zij ons weg als de pitten van den lansep, dan [8]zijn we hun bitter geworden; zij kunnen ons niet langer gebruiken.”

„Ge raadt me dus af de Compagnie te dienen?”

„Ik heb ’t u afgeraden, toen kapitein Ruijs u met schoone beloften vleide, zijn vergiffenis aan te nemen. Maar nu gij eenmaal hem trouw gezworen hebt, zal ik zooveel ik kan u in alle moeilijkheden bijstaan. Ik zal u vergezellen naar Pangeran Poerbaya en naar Batavia zoo het zijn moet, Sie Oentoeng!”

„Noem mij niet langer met dien naam, Kiai. ’t Is de naam der slavernij, mij door mijn meester geschonken; nu ben ik officier der Edele Compagnie, en draag voortaan den naam, die mij toekomt, Soerapati.”

Een geritsel in de struiken deed hen stilstaan. Soerapati nam de fakkel uit de handen van Kiai Hemboong en liet haar gloeiende stralen vallen in de richting vanwaar het geluid voortkwam.

Een ineengedoken gestalte zat op eenigen afstand verborgen in het kreupelhout.

„Wie zijt ge?” vroeg hij met dreigende stem.

De gestalte bewoog zich kruipend voorwaarts.

„Ampon, ampon!”2 kreunde hij zacht, „ik kwam hier kruiden zoeken, die bij het licht der sterren moeten geplukt worden, ik ben een arm man. Laat mij in vrede!”

Nu eerst zag Soerapati dat de kleine ineengedrongen gestalte het van nature was; een onevenredig groot hoofd, met oudelijke trekken door een kolossalen tulband omwonden, wiegelde op een kinderlichaam, welks lengte nog geen tien jaar verried; zijn kleeding was echter van fijne stof en een miniatuurkris, rijk met goud en diamanten versierd, fonkelde in den gloed van de [9]toorts; met een instinctmatige beweging bracht hij de kleine handen aan het schitterende gevest.

Soerapati lachte.

„Kleine worm, denkt ge dat je mooie kris mijn oogen bedwelmt? Kom hier, en zeg me wat ge daar uitvoert en waar ge t’huis hoort.”

Met een forschen ruk greep hij hem bij de schouders en trok hem voor zich op het steile pad.

„’t Is de dwerg van den Pangeran!” fluisterde Kiai Hemboong zijn jongen vriend toe.

„Is het waar, behoort gij tot het gevolg van den edelen Pangeran van Bantam?” vroeg Soerapati.

„Och ja, heer! ik was reeds bij hem, toen hij daarginds in Bantam, vóórdat de onzalige krijg uitbrak, zijn hofhouding hield. Ik heb hem altijd vergezeld, in storm en bij zonneschijn, nadat hij op raad van den ellendigen hadji Sheik Yoesoef opstand verwekte tegen zijn broeder.”

„En waar is hij nu?”

„Heer, sla mij met uw kris het hoofd af, niemand zal morgen meer vragen naar den kleinen Boeloe Koedoer, maar verg niet van mij dat ik mijn meester verraad.”

Spotlachend tilde Soerapati den kleinen man omhoog.

„Mijn kris is te goed om je hoofd af te slaan, het eenige dat groot genoeg is aan je lijf; maar je achterdocht staat je leelijk. Ik zal geen haar van je meester’s hoofd krenken, integendeel, ik kom hem een goede tijding brengen.”

„Hij heeft de goede tijdingen al afgeleerd.”

„Welnu, ik zal ze hem weer gemeenzaam maken, zeg mij waar hij huist! Of liever, zeg mij niets, als ik het niet wist, zou ik geen urenlang door het bosch gekropen hebben om hem te bezoeken.” [10]

„Gij wilt hem bezoeken, gij komt hem tijding brengen uit Soenda Kalappa?”3

„Misschien!”

Het mannetje sloeg in de handen.

„Zet me neer op den grond, ik zal u vóórgaan naar zijn verblijf, zijn dalem!” voegde hij er spottend achter.

Soerapati wisselde een blik met zijn gezel.

„Volg den dwerg, mijn zoon!” sprak de Kiai, „hij zal ons den kortsten en zekersten weg wijzen.”

„Voort dan Boeloe Kidoer! En waag het niet ons op een dwaalspoor te brengen; hier staan twee krissen, een lans en een geweer gereed om je lichaam meer wonden toe te brengen dan het bevatten kan.”

„Ik zal vlug zijn als de kantjil4 en oogen hebben als de wilde kat, die zelfs in het donker ziet,” verzekerde de dwerg.

Inderdaad wist hij met de behendigheid van den eekhoorn door de struiken te dringen, zelfs daar, waar deze het ondoordringbaarst schenen, de steilste rotsblokken over te klauteren, in de nauwste bergpassen te kruipen.

Een vurige gloed vertoonde zich plotseling onder de voeten van het drietal; men zag donkere gestalten heen en weer gaan, mannen, vrouwen en kinderen ineengedoken zitten onder de overhangende rotsen, of rondom het houtvuur, dat in het midden van de kleine bergvlakte aangelegd was.

Het was goed, dat deze vlammen den omtrek verlichtten, want een booze windvlaag blies de fakkel uit; de wolken pakten zich dreigend samen en groote droppels vielen met een kracht, als waren het hagelsteenen, kletterend tegen de rotsen. [11]

„Daar troont de machtige prins van Bantam,” sprak de dwerg, die, schrijlings gezeten op een rotspunt, grijnslachend op het kamp wees en plotseling de hand opheffend, riep hij uit:

„Maar gij, gij zult eens machtig worden, gij zult grooter wezen dan de hooge Sultan Hadji van Bantam; zelfs de keizer zal u vreezen, als gij slechts de ngempoel5 onthoudt, die u over uw vijanden zal doen zegevieren.”

„En welke is die ngempoel?” vroeg Soerapati.

„Ik zal ze u toefluisteren; de Pangeran zou mij een gouden draagband geven als ik ze hem zeide, maar hem helpt de ngempoel toch niet meer. Allah heeft hem verlaten, sinds de verraderlijke Sheik Yoesoef het heilige graf daarginds aan den voet van den Salak beroofde. ’t Zal krachteloos wezen in zijn mond, maar gij zult er een kroon mee winnen, geen Hollander is bestand tegen dien ngempoel!”

„Houd dan je tooverwoorden op je tong en misbruik ze niet door ze aan de lucht over te geven! Ik ben in dienst der Hollanders en wil hen niet bestrijden, noch door mijn zwaard, noch door een tooverwoord.”

„Hebt ge ooit gehoord dat de kidang6 zich toevertrouwde aan den jakhals, zoo mag ook de zoon van Mahomed zich niet inlaten met de Christenhonden, ik heb het mijn meester gezegd, maar als de vrouwen spreken dan moeten wij mannen zwijgen! Wilt ge de ngempoel hooren?”

„Neen! wijs me liever den weg naar beneden naar den prins!”

„Fluister het mij in,” sprak Kiai Hemboong, „ik zal het hem zeggen als de tijd gekomen is.”

Het oude gelaat van den Kiai boog zich neder tot den dwerg, [12]die in zijn oorschelp zijn antwoord deed vallen, als ware hij bevreesd dat een weerklank weg zou stuiven in de lucht.

„U mag ik het niet zeggen, maar de dag nadert dat hijzelf er mij naar vragen zal. Ik zie het, de mata-hari blinkt op zijn hoofd, daar zal eens een kroon op rusten. Ik verlaat den Pangeran en wil hem volgen.”

1 Betelplant en toebehooren.↑

2 Genade!↑

3 Batavia.↑

4 Hert.↑

5 Tooverspreuk.↑

6 Reebokje.↑

[Inhoud]

II.
PANGERAN POERBAYA.

Inhoudsopgave

Pangeran Poerbaya omgeven door zijn beide liefste vrouwen en kinderen had een toevlucht gezocht in een vrij ondiepe bergkloof, tegen den steeds feller neervallenden regen; mismoedig zat de vluchtende prins op de kleine mat, het eenige teeken nog zijner waardigheid, zijn sirihdoos stond onaangeroerd te zijner zijde, een kleine olielamp was in een hoek der rots geplaatst en verlichtte met haar flauw licht het vorstelijk gezin; rechts zat zijn oudste vrouw Radhen Sepoe, die zacht snikkende aan haar leed lucht gaf.

„Daarvoor had ik mijn schoon land niet verlaten,” klaagde zij, „om maanden lang zulk een leven te leiden. Mijn minste slaven zouden niet met mijn lot willen ruilen. Wat hebt gij gewonnen Heer! door u te meten met de Hollanders? Zij zijn almachtig. Sedert dat zij op Java geland zijn is het met de macht van den bruinen man gedaan. Evengoed kunt gij strijd voeren met den Gedeh, als te hopen dat gij ’t van hen zult winnen!”

„Schrei niet meer, vrouw!” sprak de prins deemoedig, „uw tranen doorweeken mijn hart meer dan de regendroppels mijn kleederen bevochtigen. Zij hebben mijn moed verdreven; als de Edele [13]Compagnie mij vergiffenis schenkt, zal ik bereid zijn mij over te geven aan haar edelmoedigheid.”

Luide snikken weêrklonken in de grot, de beide Radhen Ajoe’s en haar dochters weenden, en de slavinnen volgden het voorbeeld harer meesteressen.

„Wat zal ons lot wezen onder de Kafirs,”1 vroeg de tweede gemalin.

„Zwijg!” beval de favorite, „alles zal beter wezen dan dat leven in de bosschen, dat zwerven in holen en spleten. Storm en regen zijn nu onze vijanden; de blanke mannen zullen genadiger wezen.”

„Waarom vluchten wij niet naar Karta-Soera, waar mijn oom de Rijksbestierder van Mataram woont?” vroeg de andere weer.

„Zoek den weg tusschen de wapenen van de Hollanders!” sprak de Pangeran, „en wat zal het u baten? De keizer heeft vrede en bondgenootschap gesloten met de gevreesde vreemdelingen.”

„Vloek over hen!” riep de tweede Radhen Ajoe uit, „niets als onheil kan uit zulk een verbond voortkomen. En u Sepoe, het zal u berouwen onzen heer zulk een laffen raad te hebben gegeven.”

Angstig zag de prins zijn beide vrouwen aan; hij wist wat een twist tusschen haar te beduiden had en wilde deze zoo goed hij kon in deze enge ruimte voorkomen; wellicht ware hem dit niet gemakkelijk gevallen, als niet plotseling het kaboutermannetje zoo onverwachts als steeg hij uit den grond op, in de grot verschenen was.

„Vader,” zoo begon hij, „de kalongs2 hebben mij een mooi sprookje verteld. Wilt ge het hooren?”

„Spreek, mijn jongen! Alles is beter te hooren dan het woeden van den storm, het kletteren van den regen of het twisten der vrouwen.” [14]

„Zij kwamen van verre, van daar waar de zee de rotsen bespringt, daar zagen zij op het rotsachtige strand een troep wilde vossen zich vergasten aan het malsche vleesch der schildpadden, die zoo juist uit de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein voor den vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander aan en riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger, langzaam met loerende oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn jongen, als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en weldra bleef op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden vermengd met de beenderen der vossen.”

„Dat is ons lot, prins!” riep de jonge Radhen Goesik uit, „Boeloe heeft gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten. Zij strijden met elkander om hun eigen land, roepen den steun aan van den vreemdeling en deze vernietigt hen alle om in hun plaats te heerschen.”

„De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een plaats aanbieden in het hol dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd heeft.”

„Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd hebben!” zuchtte Radhen Sepoe.

„Het dak eener gevangenis,” voegde de jongere er spottend achter. Met vlammende blikken wendde Radhen Sepoe haar blikken op haar mededingster.

„Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht. Zonder uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder den wettigen Sultan van Bantam opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde van zijn vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet gevlamd hadt op het bezit der kroon!”

„Stil, ik bid u, stil!” suste de prins en zich tot den dwerg wendend vroeg hij: „Welke boodschap brengt ge mij?” [15]

„De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje! maar laat eerst die beide perkoetoets3 van u ophouden met haar gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in de kooi.”

„Ik wil ze ontvangen!”

De dwerg liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk verschenen Soerapati en Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter aarde om den prins hun hormat (eerbied) te bewijzen.

„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „brengt ge mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft ze ontvangen evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheik Yoesoef, ik ook ben niet ongenegen ze aan te nemen!”

„Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig en goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden die vol oprecht berouw tot haar terugkeeren.”

„Berouw kan er eerst zijn na schuld,” mompelde Radhen Goesik duidelijk hoorbaar.

„Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,” vermaande haar echtgenoot zacht maar vastberaden en ging voort tot de afgezanten.

„Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg mij, wie ge zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven aan een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders bekleedt.”

„Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de vergevingsgezindheid der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was bloedverwant van een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit mijn land ontvoerd en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam Hollander kocht mij daar en ik had het goed bij de [16]blanke mannen. Ik leerde ze liefhebben, mijn meester had zijn vrouw sinds eenige jaren begraven; hij had slechts één dochter met wie ik omging als ware zij mijn zuster. Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren elkander trouw, hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze verbintenis ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor den nacht zich te paren aan den dag; de storm stak boven onze hoofden op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw in een verwijderd landgoed haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn gevangenis ontvlucht, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende krijgers van den verslagen Sultan uw vader, aanhangers van Troeno-Djojo, den dapperen Madurees schaarden zich rondom mij. We zwierven rond in deze ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de holen, levend van den schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden, totdat een patrouille Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein Ruijs, hun hoofdman, bood mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij aarzelden maar wij waren het zwervende leven moede; mijn hart verlangde naar mijn vrouw terug en dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik van dat oogenblik trouw diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure! Soerapati is mijn naam en hier hebt ge mijn volmacht.”

De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik in:

„Onthoudt dien naam, gij zult er meer van hooren.”

Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan, die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde loswikkelde en toen het geschrevene inzag.

„De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn vrouwen en kinderen, onder voorwaarde dat ik mijn [17]wapenen overgeef, zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia begeef.”

„Ik hoor dat mijn geestelijke vader Sheik Yoesoef niettegenstaande de ernstige beloften der Compagnie ingescheept werd om naar een verafgelegen land gevoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn geboortegrond niet verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis.”

„Dat lot behoeft gij niet te vreezen, edele prins! Sheik Yoesoef was der Compagnie bekend als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door den nood gedreven, zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere taal dan zijn lippen. Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die het rijk van Mataram in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst Troeno-Djojo aanhitste tot den opstand, die zoovelen het leven moest kosten. U echter, eerbiedwaardige Vorst, wacht een paleis binnen de veste van Batavia, waar een stoet, uw geboorte en staat waardig, u zal omgeven.”

„De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten kwam werpen om vergiffenis!”

„Gij neemt dus haar voorwaarden aan?”

„Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!”

„Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen, zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het steenen graf van den Gedeh verlaat; mijn doel was alleen u oprecht te spreken en te waarschuwen; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp en dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar het naaste fort.”

„Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn Zoon! Het is een goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig [18]toont jegens den overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te stijgen, maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de wind is ruw en boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk zijn. Uw fakkel zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den tijd verkorten door uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze oogleden vluchten. Andere gastvrijheid dan deze grot kan ik u niet bieden.”

„Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde verstrooit als de herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen laten in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen. Waarom zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij te komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zooals het den zoon en broeder van vorsten toekomt.”

En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati de spelonk.

„Zijn woorden zijn als de honing, die den smaak verzoet na het gebruik van den bitteren drank,” sprak Radhen Goesik met een zweem van opgeruimdheid in de stem.

1 Hollanders.↑

2 Vleermuizen.↑

3 Javaansche duiven.↑

[Inhoud]

III.
RADHEN GOESIK KOESOEMA.

Inhoudsopgave

Een heerlijke morgen was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige nevels hingen als doorzichtige sluiers over het aanschijn der bergen en hulden deze in zacht smeltende tinten van rozerood, [19]citroengeel, amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich afteekenend tegen den klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar alleen de tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten.

De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en de aarde schoven, den bruidegom gelijk, die, hoe begeerig ook het gelaat zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen schroom haar maagdelijke trekken onthult; stroomen goud en purper zond de zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol bekoorlijkheid en liefde, stralend van diamantengloed en paarlenglans.

Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo schitterden de millioenen regendruppels die haar golvende halmen overdekten, hier en daar afgewisseld door de hemelsblauwe bloemen van den gentiaan. Verstrooid tusschen de alang-alang doemen eilanden van groen op, waarin de vuurroode bloemen der plosa gloeien in het nog schuine zonnelicht en de malakaboom den knoestigen stam omhoog heft, waarmede hij zijn fraaien fluweelachtigen bladerendos draagt, maar nog schooner is de woudgordel die de helling bedekt, een woud van reusachtige ramalasara’s, de koningen der bosschen, die hun breede kronen naar links en rechts uitstrekken, onverschillig of zij andere boomen daardoor in den groei verstikken, zelf omstrengeld door een wereld van woekerplanten, die van het geheele bosch een samengepakte massa groen maken. Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele bloemkronen der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de donkerroode vruchten der mordecca geven [20]gloed aan het sombere loof; de bamboe laat vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen als beproefde zij de fraaiste eerepoort voor het bosch te vormen en aan den rand, waar het woud aan de graszee grenst, verheffen zich bevallige groepen van kleine licualapalmen.

Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar verheffen zich de rotsachtige bergwanden, door niets getooid dan door een oneindige verscheidenheid van klimplanten, die hun schaduw neerwerpen op de kale muren en met hun ijle luchtwortels het gesteente omklemmen, waar zij kunnen postvatten en een liefelijke sluier van groen en bloemen doen neerdalen op het kale, dreigende rotswerk; reusachtige vijgeboomen dringen zich door alle spleten en engten, ijverig het voedsel zoekende dat voor hun bestaan noodig is.

Waar nog een plekje onbegroeid is, daar spreidt zich het schitterend witte mos uit als een natuurlijk tapijt om de rotsblokken tegen de aanhoudende werking der elementen te verdedigen.

In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een neerstortenden stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de rotsen, het werpt zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte in den afgrond en spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een vooruitspringenden steen om verderop de Tji-Kendoelrivier te vormen die zich tusschen een loofdak van varens omlaag spoedt; een smal voetpad slingert zich door het woud naar boven tusschen twee vervaarlijke rotspijlers, die volgens de overlevering der inlanders de overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een der machtige vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen op, koude en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend door hun eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden, en [21]waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen.

Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds geweldigen vulkaan; van hier uit vermeit het oog zich in de onvergelijkelijke schoone natuur aan de helling en op de vlakte; aan den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld uit hun waden van wolken en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte, zich aansluitend aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend in zijn groen omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de graszee en eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere heuvels en bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend Oog van den Dag steeds hooger en hooger klimmend als een vorst, die zijn zegetocht begint en alle vijanden bij zijn nadering op de vlucht jaagt.

Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over de borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich daarover uitstortte.

Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette die zon juichend en jubelend als de oorsprong van licht en leven op deze schoone aarde, als het beeld van den God over wien hij zich herinnerde dat zijn christenbruid hem verhaald had, die gebood over alle natuurmachten, die bergen en dalen uit den bajert had te voorschijn geroepen door zijn machtig woord, die ze bekleed had met deze weelde van planten en bloemen, die de wateren deed stroomen en stem gaf aan de vogelen, die sprak in het rommelen van den donder, in het bulderen der vulkanen, maar ook in het ruischen van het koeltje, in het murmelen der beek.

Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van [22]Suzanna’s reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik harer hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand van dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper.

En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna aanbad, grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger dan Shiwa den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich wellicht geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel overstroomde, maar het was een nieuw leven vol kracht en moed dat al zijn aderen doortrilde. Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de verschrikkingen van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken zooals zij hem thans toescheen; het verleden met zijn slavernij en opstand was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins gaf zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht ontving hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie Oentoeng, den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. ’t Was Soerapati, officier der machtige Compagnie, die zegevierend naar Batavia terugkeerde, die zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem toch zeker niet geheel ten onder was gegaan, moedig onder de oogen durfde zien om hem de hand zijner dochter te vragen.

En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen.

Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht hen te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer nabij te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij behoorde, te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar opgeheven; zoolang hij die bezat voelde hij zich krachtig en moedig om haar ter zijde te blijven. [23]

Deze gedachten vervulden zijn ziel met hun rooskleurigen glans; door de opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor ontvangen had, bezat hij een gedachtenwereld geheel verschillend van die, waarin zijn landgenooten plachten te verkeeren; zijn gezichtskring had zich uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij; tusschen hem en zijn makkers gaapte een kloof, die nauwelijks zichtbaar was in de dagen als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen verbonden, maar die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel aan de Hollanders verbonden had, terwijl zij slechts uit noodzakelijkheid die vergiffenis aangenomen hadden en zich morrend bogen onder het juk der vreemde meesters.

Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagnie; hij had de meesten hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in de wildernis en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand tegen het gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg in met welken tegenzin. Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat van hun wapens te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij tusschenbeide treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de Europeesche soldaten te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij hoopte ze trouw te vervullen en dan tot belooning de volledige vergiffenis der Compagnie, de hand zijner blanke bruid te verwerven.

Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan als beide volkeren zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één in de stoffelijke en geestelijke belangen [24]van staatkunde en godsdienst. Er zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de vreeselijke willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de noodelooze wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de morgen breidde zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit, die hij zou helpen stichten door zijn trouwe hulp en medewerking den Hollanders aangeboden.

Dat waren de droomen die Soerapati’s geest vervulden, de vizioenen die hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, toen hij op de hoogte toefde terwijl het landschap zijn geuren en glansen ten hemel opzond als een ontzaggelijk dankoffer.

Een behoedzame stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond bedekten; hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg den sarong om het middel, vastgemaakt door een gouden band; deze sarong was van fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een geelzijden sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten overvloede nog door een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar gelaat had de zachtgele kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang eigen; voor haar landaard waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige bloemen waren koket in haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang had de achtelooze onzekerheid, die bij dat nationale gewaad zoo bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche kleederen belachelijk en onbehagelijk wordt.

„Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend leven!” zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter neder.

Soerapati zag haar aan.

„Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!” sprak hij hoffelijk, „en ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen.” [25]

„Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt.”

„Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave als een lang gezegend leven is, kan schenken.”

Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat.

„Herkent ge mij niet, Heer?” vroeg zij.

„Het voorrecht u te zien was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!” antwoordde Soerapati, „maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt gij uwe teedere voeten aan de scherpe steenen? Dit is geen plaats, geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik het u zegge!”

„Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij ginds aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het woud. Wilt ge mij hooren?”

„Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet als het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik zal het u verkrijgen!”

De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan.

„Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!” zeide Soerapati, „in deze houding wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor een eenvoudigen man als ik.”

„De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien haar eenig heil afhangt, dat is altijd passende gewoonte geweest. Gij herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn ziel gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten [26]in den kouden steen, welken zij eenmaal betreden hebben. Ik ben Radhen Goesik Koesoema, de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu vluchtenden Pangeran Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik hoorde dat gij een taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u hulp en steun vragen.”

„Voor uw echtgenoot?”

„Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel geslacht; de Solosche prins Amirang Koesoemo Rijksbestuurder van het keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg mijn hand, maar hij heeft mij nooit liefgehad, de Tjeribonsche prinses Sepoe is zijn lievelingsvrouw, de moeder van zijn zoons, toch ben ik hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen was te vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem gedeeld; maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte, slechts door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen en toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te houden en zich niet te onderwerpen. ’t Mocht niet baten, hij zal nu gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven en dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!”

„Vrees niet prinses! het juk der meesters is niet zwaar!”

„Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het niet dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug naar mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft opengezet en daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia, breng mij terug naar mijn vaderland!”

„Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft.”

„Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling [27]der Hollanders; hij zal mij dat verlof niet geven, want hij heeft mij lief, zooals men een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden men als kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan naar Batavia, laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de ketenen ook zijn, het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem vergeleken met die der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje zijn, als gij het in een kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal verkwijnen van heimwee naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal ’t ook mij gaan, als ik ’s prinsen gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet wat het is vrijheid te missen; de rijst der slavernij smaakt hard en bitter, het kost moeite haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt ons de adem! Laat mij ’s prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u, bij haar die ge bemint, zooals elke vrouw verlangen moet bemind te worden!”

Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op hem gericht. ’t Kon niet anders of de Balinees moest getroffen worden door de dringende bede der vorstendochter.

„Maar begrijpt ge niet,” vroeg hij, „dat elke poging door mij gewaagd, den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet willekeurig u uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en zijn gezin zal schenken.”

„Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt me redden, gij alléén! Het hoe daarnaar vraag ik niet. O,” ging zij half fluisterend voort, „als ge mij wildet toestaan u te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die gij inslaan moet, want gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe Kidoer, de dwerg, die kennis bezit van de toekomende dingen, heeft u in zijn droom gezien, met een kroon op het hoofd, schitterend als de zon. Indien uw hart niet verknocht was aan de blanken, ik zou u tot roem en [28]aanzien brengen. Mijn vader is almachtig in ’s keizers rijk, ik ben zijn liefste dochter; hij weet moed en verstand te waardeeren, hij zou u overladen met eerbewijzingen, hij zou u doen klimmen tot hooger eerepost dan ge ooit bereiken kondet in dienst der blanken. Als ge hen verlaat en mij brengt naar Karta-Soera, dan zal geen loon te groot voor u wezen.”

Soerapati glimlachte medelijdend.

„Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en daarom vergeef ik de zwakheid uwer rede; ik dien nu de Hollanders en geen macht ter wereld zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins verlof, terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat uw wensch vervuld wordt, dat zweer ik u!”

„Is dat het eenige,” vroeg zij en tranen sprongen haar in de oogen, „het eenige, wat ge voor mij doen kunt?”

„Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken mag: de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw gemaal, spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken heb; en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u mijn steun als gij uw gemaal het verlof wilt vragen terug te keeren naar uw vaderland.”

„Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven wilt!” antwoordde Koesoema en groette hem uit de hoogte. Zij keerde zich om en verdween in het bosch.

„Zij is schoon,” dacht Soerapati, „maar de blonde dochters der Hollanders zijn veel schooner.”

De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin en Boeloe Kidoer, de dwerg haar wachtten.

„Wat heeft hij u geantwoord?” vroeg de dwerg haar tegemoet waggelend.

„Hij is hard als het hout van den djatiboom; ik heb slechts [29]weinig gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijn ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou Allah besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer streken in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof u mijn mooiste gouden pending1, als ge maakt, dat hij koning wordt en ik zijn koningin.”

„Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg luisteren?”

„Ach, ’t zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart, hoe zal ik daar plaats vinden?”

„De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint dan de plaats eener andere in te nemen, die afwezig is!”

„Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar zij is een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en geel haar hebben meer macht dan wij.”

„We zullen zien, wie sterker is!” grinnikte de dwerg.

1 Band om het middel.↑

[Inhoud]

IV.
VAANDRIG KUFFELER.

Inhoudsopgave

Pangeran Poerbaya met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan in de vlakte tegenover Soerapati’s kamp. Hij had den Balineeschen luitenant bij zich ontboden en besprak met hem nogmaals [30]breedvoerig en nauwkeurig de voorwaarden zijner overgave.

„En neemt ge uw vrouwen en slavinnen mede naar Jacatra?” vroeg Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik te peilen.

„Waarom zoude ik niet?” vroeg de prins met zijn zwaarmoedigen glimlach. „Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar wezen, als ik het gezelschap moest derven van haar, die mij ter zijde stonden in voor- en tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere dagen van geluk kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met mijn trouwe gemalinnen?”

„En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?”

„Moeten zij dat niet?” hernam hij volgens zijn gewoonte, een vraag altijd met een vraag beantwoordend. „Is de wil van haar gemaal en meester dan niet haar hoogste wet?”

„Uwe vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?”

„Is de mijne dan ook niet hoog? ’t Is waar, mijn Radhen Ayoe is de zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter van Mataram’s rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van overtuigd, dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal.”

Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre van ’s prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op gewichtiger zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en zijn volgelingen, die samengebonden in een hoek der hut lagen.

„Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik u de wapens overgeven, dan zijn wij uw gevangenen, en hangen van uw edelmoedigheid af.” [31]

„Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele prins! Ik heb naar kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van uw onderwerping, en hoop dus weldra den brief te ontvangen.”

Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent en wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg wat hij te zeggen had.

„Heer!” sprak de man half luid, „er is een troepje Hollandsche soldaten in aantocht!”

„Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!” zeide Soerapati verbaasd. „Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat die mannen hier voert.”

Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast Soerapati en schudde het hoofd.

„Dat beduidt niets goeds,” zeide hij. „Van morgen heb ik driemaal het geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in vollen glans opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die haar bedekken.”

De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende:

„Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd Soerapati!”

„Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!” sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen fonkelden van verontwaardiging en zijn handen sloten zich krampachtig inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere in rang te gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen.

„Ja, ik moest je spreken,” sprak de vaandrig met een hinderlijke [32]zelfgenoegzaamheid, „waar kan dat onder vier oogen gebeuren?”

„Hier is mijn tent, daar kan ik u te woord staan, indien gij eerst zeggen wilt wie ge zijt, en uit wiens naam gij komt.”

„Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terugkeert om u te verantwoorden over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd.”

Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn leelijken grijns veelbeteekenend aanstaarde.

Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon hij vinden om aan zijn verbazing en ontroering lucht te geven.

„Ge vergist u,” sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, „dit kan uw opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast den Pangeran tot onderwerping te brengen en daarna een vrijgeleide naar het fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij dan met dezelfde boodschap hier verschijnt?”

„Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken in, die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of ik leugens zeg. Waarlijk, die twijfel staat u fraai, man!”

„Hier is mijn tent,” zeide Soerapati, „de lucht wordt donker, het zal boos weer worden, daar zijt ge ten minste veilig.”

Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak, eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf hem zijn instructie-brieven over.

Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk tegen de druipende waterstralen beveiligend. [33]

„Hoort ge vader!” sprak de dwerg, „hoe uw lievelingszoon behandeld wordt door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart niet wakker worden, en hij hun zijde niet verlaten?”

Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op.

„Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds in Soenda Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen, liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop leeft haar terug te krijgen.”

„En heeft die hoop recht tot leven?”

Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan.

„De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander ziet, waar hij vrijwillig blind wil zijn?”

„Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde is om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke vrouw. Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, welke hem bestemd is.”

„Het zijn goede zaken, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar hoe zullen wij ze doen dringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij moeten de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten, misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen.”

„Maar de blanke vrouw?”

Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de woudreuzen bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren het dunne rieten stammen, de grond was een [34]borrelende massa water geworden door de telkens heviger neervallende reusachtig groote droppels, die zich bij de anderen voegden, welke reeds een moeras geworden schenen; een sterke lucht steeg uit de vochtige struiken en het natte gras van het woud op en de helderheid van den dag had voor schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed heenkomen, maar de grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de woede van het opgezweepte woud en van de dreigende wolken.

„Wij zullen haar macht breken,” sprak de Kiai op beteekenisvollen toon. „Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden om haar mee te deelen, dat hij vrede gesloten heeft met de Compagnie en weldra haar als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen.”

De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd.

„Ge zijt listig Kiai, uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het witte meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en heeft hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen zijn hart te winnen.”

Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste stralen over het nog dampende woud.

Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent.

„Ik kan u niets bepaalds antwoorden,” sprak de eerste; „mijn instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs mijn chef gaf ze mij, ik ben gebonden ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij [35]aan de mijne te houden. Ik ben in elk geval uw meerdere!”

De vaandrig lachte honend.

„Maar ik ben een Hollander!” sprak hij vol aanmatiging.

„Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt,” gaf de Balinees altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van verontwaardiging kookte. „Alles berust op een misverstand. De Hooge Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van kapitein Ruys te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne den prins overhandigen.”

„Maar gij hebt niets te overhandigen, ’t is aan mij dat de Prins zich moet overgeven.”

„In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester, den Heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen aan zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan dit mogelijk wezen, het zou immers een groote onbillijkheid zijn indien ik, die de onderhandelingen leidde, nu aan een ander de eer der overwinning moest afstaan?”

„Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is.”

„Dat ben ik niet meer,” verklaarde Soerapati fier, „wat er voorheen gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie zoo goed als gij.”

„Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia om u te verantwoorden?”

„Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen; wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich ophelderen. De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk [36]waarom zoude zij mij wantrouwen; waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!”

„Spreek zoo luid niet, vriend!” hernam de vaandrig schamper, „de Regeering zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet.”

Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe geschikt iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den Bantamschen prins stonden.

„Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven,” zei de vaandrig kortaf en verliet hem zonder eenigen groet.

Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug en begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven.

„Zou het waar zijn,” vroeg hij zich telkens af, „wat de Kiai mij zoo dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen de Hollanders ons nooit met zich zelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd met wantrouwen en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder menschenras behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan had zij mij geen trouw gezworen.”

[Inhoud]

V.
OP BEDEVAART.

Inhoudsopgave

Radhen Goesik zocht vergeefs den slaap op het matje dat de weinig prinselijke legerstede der vorstin uitmaakte, haar gedachten echter, meer dan de schamele rustplaats, hielden haar wakker.

Een enkele blik op den Balineeschen slaaf, zooals hij dien avond in de grot verschenen was met zijn krachtige, slanke gestalte [37]geheel verschillend van de inééngedrongen zwakke figuur des Pangerans, was voldoende geweest om haar hart in liefde te ontvlammen voor hem in wien zij reeds een onoverwinnelijken held vereerde.

Niet onduidelijk had zij hem haar gevoelens geopenbaard, doch hij was er ongevoelig voor gebleven; de herinnering aan de blanke vrouw was een schild, waarop alle pijlen Amor’s stomp schoten.

Bittere jaloezie vervulde Koesoema’s hart jegens die onbekende, nooit geziene bruid, om wier wille hij zijn zaak afscheidde van die zijner stamgenooten, aan wie hij zonder aarzelen zelfs de keizerskroon zou willen opofferen, als hem die aangeboden werd; zij voelde zich machteloos, zij de prinses tegenover den slaaf, zoolang zij haar mededingster niet overwonnen had.

Zij werd hoe langer hoe onrustiger, de hartstocht tooverde haar onophoudelijk den afwezige voor den geest, haar hoofd brandde, haar polsen klopten hevig; of zij de oogen sloot, dan wel opende, altijd zag zij hem terug, altijd hoorde zij zijn stem bevelend en streng tegen zijn mannen, hoffelijk, vriendelijk, beschaafd als hij zich tot den overwonnen prins of tot haar richtte.

O kon zij zijn liefde winnen, hoe gaarne bracht zij hem niet alles ten offer, wanneer zij nog iets bezeten had; nu echter zou het haar hoogste eerzucht zijn, het zwervend leven met hem te deelen, in afwachting dat zij hem den weg opende naar roem en geluk, maar zij voelde, dat zij niet te veel wagen mocht, uit vrees van het weinige, waarop zij zich nog beroemde, te verliezen.

Tot geen prijs zou Soerapati een trouwelooze daad willen verrichten tegen den ongelukkigen prins, die zich aan zijn edelmoedigheid overgaf; al had zij ook de herinnering aan zijn blanke vrouw verdreven, al ware het haar gelukt, zijn liefde te winnen, toch zou hij nooit er in toestemmen haar aan haar gemaal [38]te ontrooven, daarvoor kende zij hem reeds genoeg, en ook daarom achtte en beminde zij hem des te meer.

Als zij zich aan hem opdrong, wie weet of hij haar niet aan den prins zou verraden, en zij wist maar al te goed hoe streng de Javaansche grooten de trouweloosheid hunner gemalinnen straften; neen, nergens was er een uitweg, en haar liefde voelde zij bij het uur aangroeien, den bergstroom gelijk, die met kracht zijn diepe bedding vult en dan over zijn oevers heenstroomt.

Zij hield het niet langer vol en stond op; een gordijn van sarongs aan elkander gevoegd, scheidde het gedeelte waar de vrouwen sliepen af, van dat, hetwelk de mannen herbergde. Zachtkens schoof zij het weg en fluisterde:

„Boeloe, slaap je?”

De dwerg rees ergens uit een hoekje op en kroop op handen en voeten naar de plek, waar het hoofd der Radhen tusschen het gordijn verscheen.

„Wat verlangt mijn gebiedster?” vroeg hij schier onhoorbaar.

„Boeloe, ik wil den ouden man spreken, gij weet, wien ik bedoel; morgen ochtend zal ik een offer brengen aan den heiligen Waringinboom, die daar ginds aan het begin van den kampong Tjidoeran staat, zorg dat gij er ook zijt met hem.”

„’t Zal geschieden zooals mijn meesteres verlangt,” antwoordde de dwerg. Het zwakke licht der kleine plita (olielampje) belette dat de prinses zijn gewonen grijns zag.

Toen de eerste stralen van den morgen in het bosch vielen en men uit de verte het geluid hoorde van het rijststampen, dat zich met het gekraai der hanen en het getjilp der vogels vermengde, ging de Pangeran naar buiten om zijn eerste morgengebeden bij den rijzenden dag te brengen.

Radhen Goesik volgde hem en vroeg vleiend: [39]

„Vergunt gij mij Heer! dezen morgen naar den heiligen boom op bedevaart te gaan, om er aan de nagedachtenis van Sheik Oesin, die er eens leefde en stierf, een offer van bloemen en vruchten te brengen? Wellicht verkrijg ik dan van den Hemel dat een goede uitslag uwe onderhandelingen bekroont.”

Met welgevallen zag de prins zijn jonge, schoone vrouw aan.

„Ga, lust mijner oogen!” sprak hij, „uw vroomheid is Allah welgevallig! Maar neem twee mijner mannen mede; de boschwegen zijn onveilig, de Balineezen van Soerapati en de soldaten van den Hollandschen luitenant zwerven in het bosch rond. Licht doet uw schoonheid hen den eerbied vergeten, dien zij mijn gemalin verschuldigd zijn.”

„Ik zal doen naar uw wensch,” antwoordde de prinses en weinige oogenblikken later sloeg zij, vergezeld van een slavin die het offer droeg en gevolgd door twee Bantammers, den weg in naar de heilige plek, waar de dwerg en zijn oude vriend reeds aangekomen waren. In schijnbaar vroom gebed verdiept, toefden zij onder den eerbiedwaardigen boom, die op zich zelf een klein bosch vormde. Zijn dikke stam was door een menigte andere stammen omringd, die eens luchtwortels waren geweest en zich in den grond hadden vastgezet om op hunne beurt krachtige boomen te worden, die als zuilen het ontzaggelijk breede loofdak hielpen steunen, dat zich over een ruim grasperk uitspreidde.

Gemakkelijk was het te begrijpen, dat een kluizenaar jaren lang een schuilplaats in dit woud van stammen en wortels had gevonden. Kleine lampjes en nederige offeranden op den grond geplaatst verrieden de heilige plek, waarheen ook Radhen Goesik hare schreden richtte.

Zij wierp zich op den grond, dien zij eerbiedig kuste en deed haar door herhaalde hoofdbuigingen vergezeld gebed, maar [40]zoo ooit dan was dit wel een gebed waaraan de geest ontbrak, een zielloos woord, dat ontdaan van zijn vleugels niet ten hemel vermocht op te stijgen; haar gedachten verwijlden slechts bij het gesprek, dat haar zoo dadelijk wachtte.

Toen zij gedaan had, stonden allen op. Kiai Hemboong begroette de vorstin, die genadig zijn groet aannam.

„Wij hebben denzelfden wensch gehad als gij, moedertje,” sprak de dwerg, „vergunt gij ons in uw gevolg terug te keeren naar het kamp? ’t Is waar, aan onze leelijke hoofden is zooveel niet verloren, maar toch een mensch heeft lief wat hij bezit, zei de tjelleng1 toen hij weigerde zijn snijtanden te ruilen tegen het gewei van het hert.”

„Hoe grooter mijn gevolg is, hoe langer ik mij verbeelden kan nog prinses te zijn,” antwoordde Radhen Goesik, „ik heb behoefte aan de woorden van een oud en wijs man, Kiai, en het zal mij aangenaam wezen uit uw mond goeden en heilzamen raad te ontvangen.”

Zij wenkte hem in haar nabijheid te blijven en ging zoo snel voort dat er weldra eenige afstand tusschen hen en de overigen ontstond.

„Kiai,” zoo begon zij, „de dwerg heeft u ongetwijfeld verhaald dat het ’t geheime verlangen van mijn hart is terug te keeren naar mijn land, naar het heerlijke Karta-Soera. Men zegt, dat gij alle macht bezit over de ziel van uw zoon Soerapati, welnu, verkrijg van hem dat hij den dienst der Hollanders ontvlucht om mij weg te voeren uit het land der ballingschap.”

„Mijn macht over hem is slechts luttel, hooge Vrouwe, er is een ander die zijn hart aan zich bindt, met koorden hechter dan de stevigste, die uit de vezels van den kokospalm gevlochten worden. Zoolang die banden niet verbroken zijn, behoort hij met hart en ziel aan de verraderlijke, valsche vreemdelingen.” [41]

„En kan de afstand, de tijd, die vezels niet ontrafelen?”

„Helaas! ik vrees van neen, prinses! Misschien zou er een middel wezen…”

„En dat is?”

„Wat noch tijd, noch afwezigheid vermag, dat zal misschien mogelijk zijn aan de leugen.”

„De leugen is een scherp wapen, snijdend als een goede kris, zoo zij gehanteerd wordt door ervaren hand.”

„Ik hoop u te bewijzen, vorstin, dat de hand van uw dienaar beproefd en zijn oog zeker is.”

„Hoe, ge wilt door een leugen trachten het hart van uw pleegzoon los te maken van dat der blanke vrouw?”

„Ik zal het doen als mijn schoone meesteresse het mij gebiedt.”

Aan de listige stembuiging van den grijsaard begreep Radhen Goesik, dat hij niets zou volbrengen als hem geen belooning werd aangeboden.

„Ik mis het recht u te bevelen, oude man!” sprak zij na een korte poos, „ik kan u slechts verzoeken en mijn verzoek versterken door de hoop op een schoone belooning. Zeg mij, wat ge wilt! Hebt ge geen dochter? Zij zal mijn hofdame worden als ik teruggekeerd zal zijn in het rijk van Mataram, of wilt ge liever dat ik aan uw zoon een vrouw beloof van aanzien en rang?”

„Uw dienaar heeft geen kinderen, Prinses, niets dan de zoon van zijn hart, die het niet is door zijn bloed. Zoo ik eenige belooning verlang, dan moet het hem een vergoeding zijn voor hetgeen ik hem ga ontnemen.”

Radhen Goesik klemde de lippen op elkaar; in hevige gemoedsbeweging golfde haar boezem op en neer, zij hield de oogen op den grond gevestigd tot zij ze plotseling opsloeg en een blik, waaruit al het vuur dat haar verteerde, gloeide, op den ouden man vestigde. [42]

„Welke vergoeding ik hem schenken zal voor zijn blanke vrouw? Vraagt ge dat? Mij zelf! is dat niet genoeg voor hem, den gevluchten slaaf? Maar meer nog zal ik hem schenken, de bescherming mijns pleegvaders, den machtigen rijksbestuurder van Mataram en dus ook de gunst des keizers.”

„Belooft ge mij dat, of liever weet gij, wat ge mij belooft? Zoo de keizer den ontrouwen dienaar der Compagnie bescherming verleent, verklaart zij hem den oorlog; zal men daartoe bereid zijn in Mataram?”

„De liefde van een vrouw vermag alles. Wanneer ik zijn gemalin ben, dan vrees ik niets meer; veroorzaak een breuk tusschen hem en de Compagnie, verbreek zijn vereeniging met de blanke vrouw en voor ’t overige sta ik u borg.”

„De liefde eener vrouw overtreft den olifant in kracht, den eekhoorn in behendigheid, de slang in list. Welnu prinses, ik zal vertrouwen op uw woord en een afgrond graven tusschen hem en zijn vrienden. Maar bedenk, ik doe het om uwentwille slechts; het geluk van mijn pleegzoon is mijn eenig doel, hetzij hij ’t verwerft door zijn aansluiting bij de Hollanders, hetzij door een vereeniging met u.”

„En ik zal hem schenken wat de geelharige hem nimmer bieden kan. Gij kent haar,” riep zij plotseling uit met een van die snelle overgangen, hartstochtelijken vrouwen eigen. „Gij hebt Nonna Moor meermalen gezien, zeg mij dan, is zij waarlijk schoon, is de lansepkleur mijner wangen niet bekoorlijker dan de bleeke, koude melatitint van haar huid?”

„Zij was schoon in de oogen van haar geliefde, en is dat niet voldoende, prinses? Zij had hem lief en de liefde geeft een glans aan het meest doffe voorwerp, schitterender dan de gouden verf, die ’s keizers hoofd bedekt. Samen werden zij opgevoed; hij redde [43]haar eenmaal bij een speeltochtje, dat men op de reede van Batavia maakte, de storm overviel het ranke bootje. Nonna Suzanna werd eruit geslingerd; Sie Oentoeng, de slaaf, die haar zijde niet verliet, sprong haar na; met het meisje in de armen zwom hij een half uur lang door de wilde golven; dikwijls meende hij van uitputting weg te zinken in de diepte, soms ontviel alle kracht zijn armen, maar hij versaagde niet. Eindelijk bereikte hij de kust; het was een onherbergzame kale kust, daar bracht hij haar bij visschers in veiligheid en keerde toen haastig naar Batavia terug om den vader, die zijn dochter reeds voor dood beweende, de tijding te brengen van haar redding.”

„En hij redde haar niet eens voor zich zelf!”

„De dankbaarheid van den Edelen Heer Moor kende geen grenzen; Sie Oentoeng werd met geschenken overladen, het grootste geschenk echter was Suzanna’s liefde; van dat oogenblik af schenen beiden slechts voor elkander te leven. De Edele Heer was veel afwezig, hij had gewichtige ambtsbezigheden en zijn dochter gunde hij alle vrijheid. Hoe kon hij vermoeden dat zij, zijn oogappel, zijn juweel, zich zou vergeten om een slaaf te beminnen, een zoon van het vervloekte bruine ras?”

„Is het dan waar wat men zegt, Kiai, verachten de Hollanders ons zoo zeer?”

„Hebt ge nooit het verhaal gehoord dat hun Heilig Boek hun leert, Vrouwe! De groote aartsvader, die alleen overbleef met zijn drie zonen, nadat het water des hemels om de boosheid der menschen de aarde en alles wat er leefde verzwolgen had, vervloekte een dier zonen, deze werd daarop zwart van huid en de stamvader van ons, donkere kinderen.”

„Ik wil mijn warme kleur niet ruilen voor de koude wangen der Hollandsche vrouw,” zeide Koesoema verachtelijk, „maar spreek [44]voort, Kiai! Uw verhaal smaakt als de scherpe, droge lombok, zij prikkelt en toch geeft het genot die te proeven. Hoe ging het verder met hun liefde?”

„Eens kwam Sie Oentoeng bij mij; het buitenverblijf van mijn meester paalde aan dat van den edelen Heer Moor. Ik had den ontembaren, wilden jongen lief als mijn eigen zoon, ik had hem zien aankomen met zijn trotsch gelaat en fiere houding, toen zijn meester hem op de slavenmarkt gekocht had. Geen woord kwam over zijn lippen ook niet toen de opzichter hem tot bloedens toe mishandelde, hij kromp ineen maar geen klacht ontsnapte zijn lippen; ’s avonds bezocht ik hem en bestreek zijn wonden met zalf; daar viel hij snikkend op zijn knieën voor mij neer en besproeide mijn voeten met zijne tranen. Van dat oogenblik heb ik den knaap in mijn hart gesloten, ook nadat hij de gunst zijns meesters had weten te winnen en hij zijn lievelingsslaaf, zijn vertrouweling werd.”

„En wat kwam hij u mededeelen?”

„Wat ik sinds lang wist, dat hij en nonna Suzanna elkander liever hadden dan het licht hunner oogen, dat het leven zonder elkander hun leeg en woest toescheen als een land zonder water en zonder wouden, en dat er nu sprake voor haar was van een deftig huwelijk met een jong onderkoopman. Haar droefheid kende geen grenzen meer. „Er is slechts een middel,” riep Sie Oentoeng uit, „wij zullen elkander eeuwige trouw beloven.”

„Hoort gij onzen eed, Vader, ik weet dat gij menig huwelijk onder uw medeslaven hebt besloten, Suzanna zal het heilig boek meebrengen van haar godsdienst en zoo zal het huwelijk tusschen ons even hecht en heilig zijn als ware het in haar tempel gesloten. Ik deed wat ik kon om mijn jongen vriend van dat heillooze voornemen af te brengen, het was vergeefs. Tegen het vallen van den [45]avond kwam hij met zijn geliefde in het zomerhuisje dat op de rivier stond, die de beide erven der woningen van elkander scheidde. Nonna Moor had haar gewijd boek bij zich; beiden zwoeren elkander trouw op dat boek, verwisselden de ringen en namen elkaar tot man en vrouw in tegenwoordigheid van God, van mij en van een vriendin, die Suzanna met zich had genomen. Het was een zonderling huwelijk, geen blanke zou het daarvoor erkend hebben maar Allah heeft mijn bede gehoord: „o God! vereenig dit paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt; want Gij o liefderijke God schenkt uw liefde aan hen, die u beminnen!” En dat was beiden kinderen genoeg!”

„Dus zij zijn waarlijk getrouwd! En verder!”

„Weldra kon het huwelijk niet langer meer verborgen worden. Begrijp den toorn van den hooggeplaatsten vader, die zijn dochter zoolang met vuur had laten spelen en nu plotseling zien moest dat het jonge hout aan het branden was geraakt. Nonna Suzanna hield zich moedig, zij noemde haar echtgenoot, het baatte niet; Sie Oentoeng werd in de gevangenis gesloten, zijn jonge vrouw gezonden naar het landgoed van een vriend haars vaders, dat op een eiland lag in de reede van Batavia.”

„En welke zijn de laatste berichten die Soerapati van haar ontving?”

„Ze zijn meer dan een jaar oud; zij schreef hem, dat zij moeder geworden was van een zoon en dat zij op het landgoed van haar vader een allertreurigst leven leidde, zij werd dag en nacht bewaakt, aan ontvluchten viel niet te denken; haar vader behandelde haar hard en wreed en wilde haar dwingen tot een huwelijk met een man veel minder in rang dan zij, daar zij nu onwaardig was een beter huwelijk te sluiten. Zij weigerde echter standvastig elk aanzoek, zich gebonden achtend door haar belofte aan hem.” [46]

„Hoorde hij niet meer van haar?”

„Weinig meer, ons leven was te zwervend maar ik zag het hem aan; hevig verlangen verteerde zijn ziel naar vrouw en kind. Dat bracht hem er toe zich te onderwerpen aan den kapitein, die wanhoopte hem te buigen door de kracht der wapenen. Die liefde maakt hem den onverschrokken krijgsman flauw en weekhartig als een kind.”

„Welnu, dan moet zij uit zijn hart gerukt worden. Ik beloof u mijn hulp, Kiai; wat is thans uw voornemen!”

„Ik zal den knaap, die weldra hier zal aankomen laten zeggen dat nonna Suzanna getrouwd is met een ander, onverschillig of dat waarheid blijkt of niet.”

„En zal hij het gelooven?”

„Bezorg mij een ring gelijk aan dien, welken hij aan de hand der Nonna schoof, dien moet hij hem terugbrengen.”

Bewonderend zag Radhen Goesik hem aan.

„Nu zie ik,” sprak zij, „dat het lastige wapen van de leugen u goed toevertrouwd is. Lastig noem ik het daar ’t zoo licht de hand verwondt, die het voert.”

„Voor mijn handen behoeft gij niet te vreezen, prinses.”

„Welnu, ik zal zoeken onder mijn kleinoodiën of liever u laten zoeken of gij dergelijken ring vinden kunt. En verlangt ge niets anders van mij?”

„Ge begrijpt dat Soerapati den knaap ruim zal beloonen voor goede tijdingen.”

„Dan zal ik hem zijn leugens nog beter vergoeden.”

Radhen Goesik wenkte hem achteruit te gaan; zij waren op de open plek gekomen, waar de tenten stonden. [47]

1 Wild zwijn.↑

[Inhoud]

VI.
POERBAYA’S KRIS.

Inhoudsopgave

Hevige opgewondenheid heerschte in het kamp toen de prinses met haar gevolg er terugkeerde.

De Vaandrig Kuffeler omringd door zijn mannen had zich tot den prins begeven en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden pardonbrief der Compagnie.

Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert gisteren meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst om hem te bekommeren volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De Balineezen morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der Compagnie geweest kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en vergiffenis te beloven.

Was het alleen daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te bestrijden dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van hen vroegen, maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te doen? Waren zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij onbezorgd leven, beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de bevolking hen voorheen niet vrijwillig alles wat zij verlangden enkel en alleen om hun dorpen van plundering te vrijwaren?

En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opperhoofd opnieuw de slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond; zijn diensten ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer der onderneming gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan? [48]

Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun spotlach, hij kende hun denkbeelden en leed nog eens zooveel nu hij in hun tegenwoordigheid zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie hij hen had opgeofferd. Het vuur der muiterij smeulde achter al die gebruinde voorhoofden, het kostte hem slechts een woord en allen zouden zij den vaandrig met zijn soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het en toch moest hij kalm blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in tegenwoordigheid van den prins, die hem zoo hoogschatte en die om zijnentwille vooral zich oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp. Hij voelde zich beschaamd en diep vernederd maar er viel niets te doen; elke daad van hem jegens Kuffeler dit voelde hij genoeg zou hem als strafbaar aangerekend worden. Hij kon slechts den vaandrig laten begaan om des vredeswille, de eer van Pangeran Poerbaya’s onderwerping aan hem overlaten en alleen hopen op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de hooge Regeering den waren staat van zaken zou blootleggen en hem voldoening geven tegenover den verwaanden vaandrig.

Hij gaf den prins dus een teeken dat hij zich aan den uit Batavia gezonden onderofficier zou overgeven.

„Het zal nu wezen,” sprak hij, „of gij u rechtstreeks in de handen der Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als zaakgelastigde van den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein Ruijs met u onderhandelen.”

„Zal zijn slaafsheid nog verder gaan?” vroeg Wirajoeda een jong en vurig Balinees aan den ouden Kiai Hemboong. „Ik ken onzen meester niet meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons uit de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak zich van haar wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?” [49]

„Laat hem begaan mijn zoon! De tijger slaapt, wee den Christenhonden als hij ontwaakt!”

„Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders. Wij hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!”

„Hij is de moedigste die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar kleinood vreest te verbeuren wordt zwak…”

„En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping te ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen.”

„Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed deed winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati’s ziel.”

Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven. De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den onderofficier gelegd.

„Daar het de wensch is van de Ed. Compagnie dat ik mij aan u onderwerp, leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,” sprak hij kalm en ootmoedig. „Ik hoop dat gij mijn vrijwillige onderwerping op prijs zult stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen geschieden zal.”

„Er ontbreekt nog een wapen aan!” beet de vaandrig hem ruw en scherp toe.

„De Heer vaandrig vergist zich,” antwoordde Pangeran Poerbaya rustig, „al mijn mannen zijn ontwapend.”

„Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw kris hebben, anders erken ik uw onderwerping niet.”

De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof gemompel steeg uit zijn manschappen op.

Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij [50]de tent stond, bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad haar echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend gerucht hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij het tooneel aan.

„Verschoon mij Heer,” sprak de prins, „maar ik geef mijn kris niet aan een ondergeschikt officier over.”

„Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou met je aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes voor je en geef mij je kris.”

Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van neen zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die mannen, in het woud verzameld.

„Geef je mij het ding goedschiks over,” drong Kuffeler aan steeds dichter en dichter op den vorst toetredend.

„Vergun mij dat ik de kris op zijde houde, Heer!” sprak de Pangeran altijd even onderworpen. „We zijn hier nog niet op uw gebied. Het woud is onveilig en het zou gevaarlijk wezen daar ongewapend in rond te dolen.”

„Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen tegen wie ook of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen verdere praatjes en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen wilt hebben dan dien je ook hun gewoonten te kennen.”

„Ik ken de gewoonten der Hollanders,” hernam de prins, „maar men moet mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De Compagnie heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een vaandrig mij zoo hard?”

Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog [51]opgestapeld, een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om tegelijk met de Balineezen Kuffeler en de zijnen neer te houwen.

Soerapati voelde dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd, dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen in het volgende oogenblik over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed vóórschreef en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie. Hij trad tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden toon:

„De prins heeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven hun wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan hoofd-officieren; hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg voor.”

„Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!” riep de vaandrig verbitterd, „’t deert u volstrekt niet, ’t is een zaak tusschen mij en den Pangeran.”

„Ik wilde erger dingen voorkomen daarom trad ik tusschenbeide; sta den prins toe zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten. Hij heeft gelijk, het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen hoog noodig,” en zacht fluisterde hij hem in, „sta het toe, ik blijf u geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen te verbitteren.”

„Ellendeling, gij durft me dreigen?”

„Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.”

„De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik zal u, hoe ongaarne ook mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze plek verlaten hebben,” sprak de prins.

„Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man gek gemaakt met uw dwaze tusschenkomst,” voer Kuffeler [52]zich vertoornd omkeerend uit, „pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed; gij vertrekt onmiddellijk naar Batavia daar kunt ge u verantwoorden ook nog over dit allerlaatste heldenstuk.”

„Vaandrig, ’t is goed dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge Regeering,” zeide Soerapati nog altijd even kalm, „ik zou anders niet vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt.”

„Een gedroste slaaf mijn meester!” schimpte Kuffeler.

„Vaandrig,” fluisterde hem een zijner kameraden in het oor, „drijf de zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles in staat als ze getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal.”

„Meent ge dat ik ze vrees en wat u betreft, bruine huichelaar,” zoo wendde hij zich tot den Pangeran, „uitstel is geen afstel, uw kris moet ik hebben, op den morgen onzer afreize.”

Verbaasd en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en Kuffeler pochte tegen zijn kameraden:

„Zoo moet men de Javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld krijgt men alles van hen gedaan, met toegevendheid niet.”

Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte:

„Wat moet hij haar liefhebben daar hij zooveel van haar landgenooten om harentwille verdraagt!”

[Inhoud]

VII.
HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD.

Inhoudsopgave

Wirajoeda, Kiai Hemboong en nog eenige der voornaamsten van Soerapati’s mannen waren tegen het vallen van den avond in zijn tent bijeengekomen en bespraken den toestand, dien zij allen onhoudbaar vonden. [53]

„Gij moogt die beleedigingen niet langer dulden, meester,” riep Wirajoeda uit, „beter is het weer terug te keeren tot ons zwervend leven in de wouden. ’t Is waar wij heetten toen roovers, maar is het dan niet beter een vrije roover te zijn dan een slaaf, want tot slaven willen zij ons weer maken, u zoo goed als ons. Gij hebt u aan hen verbonden, wij volgden u gewillig, de eer en het vertrouwen u geschonken was onze eenige belooning, nu echter, nu zij u hoonen, nu zij den prins van ons bloed doodelijk beleedigen, nu weigeren wij langer met hen samen te gaan. Verlaat hen meester, wij volgen u!”

Soerapati zag hem schijnbaar kalm en rustig aan.

„Is ’t u ernst geweest, toen ge eenmaal in de Bataviasche gevangenis gezworen hebt mij te gehoorzamen, wat ik ook bevelen zou?”

„Ja!” riepen allen uit een mond.

„Wij hebben zware dagen doorleefd, moeilijke tijden verduurd, velen van hen, die eens met ons waren zijn gevallen, het woud werd hun graf. Te zamen hebben wij veel leed gedragen; de nood was hoog gestegen toen wij ons aan de dienaren der Compagnie onderwierpen. Er viel te kiezen tusschen hun bescherming of den dood door hun wapens. Van alle kanten omsingelden zij ons; ik liet u vrij in de keuze en toen hebben wij ons vrijwillig aan hen onderworpen.”

„En tot loon daarvoor willen zij ons thans weer in slavernij voeren. Dat is een laag verraad!”

„Gelooft dat niet, vrienden! Niemand onzer heeft zich over kapitein Ruijs te beklagen; hij is een rechtschapen, eerlijk man. Hij heeft mij steeds zijn volle vertrouwen geschonken, de meest eervolle taak droeg hij mij en dus ook u allen op; hij voorzag ons van wapens en zond ons naar den Pangeran! Wat belette ons [54]toen met de Bantammers gemeene zaak te maken? Wij deden het niet, want wij zijn niet gelijk aan de stengels van het bamboeriet, die door den wind van links naar rechts bewogen worden. We hebben den Hollanders onzen eed van trouw gegeven, tot nu toe braken wij dien niet. Waarom zullen wij nu allen, omdat een verwaande vaandrig ons dreigt, de Edele Compagnie verraden en terugkeeren naar een leven van roof en doodslag? Zal men dan niet zeggen, het was dien mannen nimmer ernst met hun onderwerping? Zij hadden ’t op onze wapenen gemunt en op niets anders, het zijn lage dieven en bedriegers. De Heer Ruijs zal zijn hoofd schudden en zeggen: „Geen bruin man verdient meer geloof!” Blijft dus bedaard! Gaat nu kalm uitrusten, wie weet of de morgen geen verandering ten goede brengt.”

De Balineezen verwijderden zich en Kiai Hemboong stond alleen tegenover zijn pleegzoon.

„Wat is er vader?” vroeg Soerapati, „uw gelaat voorspelt geen goede tijding. Waarlijk, de dag bracht reeds zorg en toorn genoeg; o ’t kost zooveel anderen tot kalmte en onderwerping aan te sporen, als het eigen hart tot berstens toe vol is van gramschap.”

„Mijn zoon, uw hart is reeds zoo gepijnigd door verdriet en ergernis, hoe zal ik die nog kunnen vermeerderen?”

„Ge brengt mij een bericht van rouw, ik zie ’t u aan. Is er iets met den Pangeran of met kapitein Ruijs? Geeft hij den vaandrig gelijk?”

„Ik weet niets mijn zoon, noch van den vaandrig, noch van den heer Kapitein. Ook het aangezicht van den edelen prins heb ik sinds van morgen niet gezien.”

„Wat kan het dan zijn, uw woorden schijnen als overladen van gift en dood? Is Ardjo.…”

„Ja, gij hebt recht, Ardjo is weergekeerd.” [55]

„En welke tijding brengt hij mij? Spoedig, spoedig, ziet ge niet hoe ik verga van ongeduld. Leeft Suzanna…? Of neen, ik wil ’t uit uw mond niet hooren, laat Ardjo zelf komen, laat hij zelf mij zeggen, wat hij gezien en gehoord heeft.”

De grijsaard deed een stap naar buiten en wenkte een als Javaansche landbouwer verkleed jonkman nader te komen. Ardjo trad binnen en wierp zich aan zijn meesters voeten om die vol eerbied te kussen.

„Wat hebt ge mij te zeggen,” riep Soerapati onstuimig uit, „spoedig, spoedig! Breng me goede tijding, hier is goud om u te beloonen, als gij mij goede tijding brengt. Leeft nonna Moor?”

„Zij leeft, Heer!”

„En zij laat mij groeten, zij heeft mijn brief gelezen, zij verwacht mij steeds?”

„Luister naar mij, Heer!”

„Ik zal luisteren, maar waarom ziet ge mij zoo medelijdend aan, gij Kiai en gij knaap? Zij leeft en zij is gezond en toch durft ge niet voortspreken.”

„Wilt ge kalm naar mij luisteren, Heer?”

„Ja, zeker, ik hoor u aan; ge zult mijn vertrouweling, mijn rechterhand worden, als ge mij verzekert, dat zij gezond is, dat zij aan mij denkt als aan haar echtgenoot.”

„Zij leeft en zij is gezond.”

„En zij denkt aan mij?”

„Zou zij niet aan u denken?”

„O geluk, dan vrees ik niets meer, Allah zij geprezen, zij is gezond en zij heeft mij niet vergeten. Wat deren me nu de kleingeestige plagerijen van een Kuffeler? Hoe kan ik meenen dat de Hollanders mij verachten als zij mij trouw blijft? Gij hebt haar of haar slavinnen gesproken?” [56]

„Ja ik heb haar slavinnen gesproken.”

„En die hebben u verzekerd dat zij mij niet vergeten heeft?”

„Hoe zou zij u kunnen vergeten Heer, hoewel…”

„Dat hoewel is vol bedreiging, zeg mij waar gaat het zwanger van? Houdt haar vader haar nog gevangen?”

„Neen Heer, zij is vrij, tenminste haar voeten zijn vrij.”

„Maar wat is dan niet vrij aan haar?”

„Zij zelf, Heer! want haar ziel is gebonden.”

„Ge bedoelt toch niet dat zij getrouwd is.”

„Helaas! Heer, niets anders!”

„Ellendeling! Voor dat bericht zal ik u dooden.”

En als een wild dier stortte hij zich op den knaap neer. Zijn oogen rolden als vurige ballen, het schuim bruiste op zijn lippen en als gekromde klauwen strekte hij de vingers uit om den ongelukkige te wurgen. „Ampon, genade, Heer! genade!” kreet de knaap, achteruit wijkend, maar in een sprong was Soerapati bij zijn slachtoffer, hij klemde hem in zijn armen en brulde:

„Herhaal die leugen nog eens, als ge durft.”

„Ampon, ampon! goede, genadige, meester! Ik zal u alles zeggen,” kermde hij.

Nu trad Kiai Hemboong tusschenbeide.

„Laat hem los! mijn zoon! Laat hem los! Sinds wanneer stelde men hem, die een booze tijding bracht, verantwoordelijk voor de slechte mare door hem bericht? Blijf uzelf meester!”

„Getrouwd met een ander, mijn vrouw! ’t Is niet waar, Ardjo ik zal u geen leed meer doen. Vraag van mij wat ge wilt, maar zeg dat het niet waar is, zeg dat ge u vergist hebt, dat ge mij op de proef wildet stellen, dat nonna Moor mij nog trouw is.”

Hij hield de handen van den knaap nog steeds in zijn vuisten geschroefd; hijgend en sidderend staarde hij hem aan, Ardjo keerde [57]de oogen af, zijn lippen bewogen zich, toen de oude man er tusschen kwam.

„Mijn zoon, wat baat het u de ooren te sluiten als de storm loeit, de storm gaat toch voort alles te vernielen en te verwoesten wat hij ontmoet. Beter is het bijtijds have en goed te bergen. Ardjo sprak de waarheid, mishandel hem niet en hij zal u het bewijs geven van de oprechtheid zijner ziel.”

„Ik wil geen bewijzen meer, als zij getrouwd is, dan zal ik hem dooden, die het mij durft zeggen.”

Angstig gingen Ardjo’s blikken op en neer tusschen den ouden man en zijn meester, besluiteloos wat hij doen moest.

„Geef uw Heer, wat gij hem te geven hebt,” beval Kiai Hemboong, „en verlaat dan voor goed zijn oogen.”

Aarzelend haalde de jongen met zijn lippen een pakje uit de sjerp, die zijn middel omsloot en reikte het Soerapati over; als een roofvogel, die een betere prooi in het oog krijgt en die bemachtigen wil zoo liet de Balinees de polsen van den knaap vrij, en wond het in zijde gewikkelde pakje los.

Kiai Hemboong blies Ardjo slechts een woord in het oor: „Radhen Goesik,” en stiet hem toen ijlings weg; Soerapati’s bevende vingeren scheurden de windsels los totdat hij ten laatste een wit zijden rolletje vond, waaraan een ring was geregen.

Razend slingerde hij het juweel van zich af als ware het een vergiftige slang geweest en stortte toen luid brullend ter aarde neer.

Kiai Hemboong zag met wijd opengespalkte oogen zonder een vinger te roeren de smart aan, die den krachtigen man overweldigde.

„Mijn drank is sterker dan die, welke zij kon doen bereiden,” dacht hij, „zie hoe het wapen getroffen heeft! Maar ’t is slechts ’t begin der genezing na de doodelijke kwaal.” [58]

Hij loeide als de gewonde tijger, die met de spies nog in het lichaam naar zijn hol terugkeert en het aangezicht der menschen ontvlucht; met het gelaat ter aarde gedrukt ging Soerapati voort luid te jammeren en te stenen.

Kiai Hemboong boog zich naar hem en fluisterde hem toe:

„Mijn zoon, matig uw smart, de Hollanders mochten uw klachten hooren en meenen dat het hun meester is, die u deze kreten ontlokt.”

Maar de wanhopige hoorde niet; hij bleef aan zijn woede en smart lucht geven op een wijze, waarvan zij die door levenslange beschaving en zelfbeheersching geleerd hebben hun gevoelens te bedwingen en in een keurs van fatsoen te sluiten, geen begrip hebben.

„Gelukkig, zijn tent ligt afgelegen, niemand kan hem hooren, van die vervloekte Hollanders,” dacht de oude, en hij zette zich op den drempel neer om de wacht te houden over de smart van zijn pleegzoon.

Allengs werd Soerapati’s smart minder luidruchtig, slechts doffe snikken klonken nu en dan; soms trad de grijsaard binnen maar nog steeds lag hij onbewegelijk op dezelfde plaats; heftige schokken van zijn lichaam alleen verrieden hoe zwaar hij leed, al ontbrak hem wellicht de kracht om zijn leed nog zoo hevig uit te klagen. Op alle vertoogen van zijn ouden vriend bewaarde hij een hardnekkig zwijgen; een enkelen keer verried slechts een zacht gekerm de duldeloosheid zijner pijnen.

Vaandrig Kuffeler kwam aan de tent, hij moest den Balineeschen hoofdman spreken.

„Mijn meester is ziek,” antwoordde Kiai Hemboong.

„Dwaze uitvluchten, laat me door!”

De grijsaard trok zijn kris en liet die bloedrood flikkeren in het [59]licht der fakkels, die op bamboestaken van afstand tot afstand bevestigd het tooneel verlichtten.

„Slechts over mijn lichaam zult gij binnentreden,” sprak hij kalm maar beslist.

De vaandrig wendde zich boos om maar drong niet verder aan; hij voelde ook instinctmatig dat de gemoederen onrustig waren en dat er iets ernstigs in de omgeving van den Prins broeide. Zoo gingen er weer eenige uren om, altijd bleef Soerapati onbewegelijk op den grond van zijn tent uitgestrekt; de grijsaard kon niet zeggen of hij bewusteloos was dan wel of de overmaat van smart zijn ledematen verlamd had om aan zijn ziel alle kracht tot lijden te laten.

Reeds waren de sterren hoog aan den hemel toen een vrouw het gelaat in den slendang verborgen, de tent naderde.

„Kiai,” fluisterde zij zacht.

„Zijt gij het Radhen?” vroeg hij, „komt ge hooren hoe mijn wapen doel heeft getroffen, daar ligt hij binnen, machteloos als een gewonde stier, die uit een kamp met den tijger terugkeert.”

„Mag ik hem zien?”

„Waartoe zou het dienen, edele Vrouwe? Doe uw held de vernedering niet aan, hem in zulk een toestand te aanschouwen.”

„Misschien vinden mijn lippen woorden van troost.”

„Hoe kunnen uw troostredenen wortel vatten in zijn ziel, die nu nog overstroomd is door de herinnering aan een ander? Laat de wateren der smart eerst wegvloeien, prinses, dan wordt de grond hard en koud en een nieuwe liefde zal gemakkelijk daar opkomen.”

„Meent ge dat?” vroeg zij met schitterende oogen.

„Ik beloof het u, hij heeft den drank nog niet geheel gedronken nog heb ik eenige druppels, die hem zullen opwekken tot toorn en wraak. Is Ardjo bij de edele vrouw geweest?” [60]

„Ja, hij heeft me sidderend verteld van zijn razernij en zijn smart. Ik heb hem rijkelijk beloond en de vlucht aangeraden maar eerst liet ik hem verhalen van haar, die zijn hart vervult. Hij heeft haar slavin gesproken, zij blijft elk huwelijksaanzoek weigeren en nu wilde haar vader, vernemend dat Soerapati naar Batavia bescheiden is, en misschien vreezend dat hij gedwongen zal worden haar aan hem te schenken, zijn dochter naar Holland doen vertrekken met haar zoon, ’s vaders evenbeeld.”

„Ik weet het; Ardjo verhaalde het mij, zij zond hem een boodschap met de woorden: „Haast u, anders is het te laat!” Zoo Soerapati die ontvangen had, hij zou nog veel meer van den vaandrig verdragen hebben, hij zou zich naar Batavia laten zenden, alleen in de hoop haar te verwerven. Wij doen hem lijden, Radhen, maar ’t is om zijn best wille.”

„Zou ik er anders toe meegewerkt hebben? Maar laat mij u ook een geheim vertrouwen. De prins wil vertrekken, hij weigert zijn kris morgen af te geven; nog heden nacht zal hij gaan, als ik het hem raad.”

„En zijn onderwerping?”

„Hij is diep beleedigd en wil een zwervend leven in de bosschen verkiezen boven zulk een smadelijke behandeling.”

Kiai Hemboong dacht na.

„De zaak wordt moeilijk, maar ’t is zoo het beste. Dring op een snelle vlucht aan, nog vóór de zon aan den hemel verschijnt, voor het overige draag ik zorg.”

„Maar hij?”

„Ik bezit het middel om hem te doen handelen naar mijn wil.”

„Ik vertrouw u, vader! Ik moet den prins volgen maar weldra zal ik een scheidingsbrief van hem bekomen en dan volg ik uw zoon op den weg, die hem leiden zal naar roem en eer.” [61]

„Allah bescherme uw schreden, prinses!”

Zij verwijderde zich snel en verdween in de duisternis; het was een heerlijke nacht schitterend van sterren, de eindelooze melkweg blonk als een gordel van licht tusschen de myriaden van glinsterende vonken, rondgespat in het donkere ruim. Geen geluid verbrak de stilte als het gegons der insecten, het klagend kirren der woudduiven, en het eentonig geneurie van eenige Javaansche wakende soldaten, die een pantoen opdreunden om de lengte van den nacht een weinig te verkorten.

Kiai Hemboong trad behoedzaam in de tent en boog zich nogmaals naar Soerapati.

„Slaapt ge?” lispelde hij hem in de ooren.

„Laat mij in vrede, vader!” antwoordde hij zacht, „ik lijd te veel, dan dat ik spreken kan.”

En als hadden die woorden de betoovering verbroken welke zijn zinnen gevangen hield, begon hij thans zacht te weenen.

„Hij schreit, dat is goed, tranen verlichten de zware ziel,” sprak Kiai Hemboong opstaande en nam zijn vorigen post weer in voor den ingang der tent.

Hij bleef roerloos zitten, wat er ook gebeurde. Hij zag beweging in des Pangerans tent; gestalten slopen er uit, paarden werden bestegen, de draagstoelen der vrouwen en kinderen voorgebracht, en door haar ingenomen.

Alles ging stil in ’t werk zonder eenig gedruisch, alleen de wachters bleven nog voor de tent om te doen gelooven dat zij trouw op hun post waren.

Eenige Balineezen kwamen naderbij, en zagen verbaasd die toebereidselen tot vertrek aan; onwillekeurig naderden zij de tent van hun hoofdman.

„Laat hen begaan!” voegde de grijsaard hen toe. „Soerapati [62]onze meester heet ziek om hen gelegenheid te geven zich te verwijderen, laat hen rustig aftrekken. ’t Is afgesproken.”

Weinige oogenblikken later was de Bantamsche prins en zijn stoet weggevlucht in het dichte woud terwijl Kuffeler en zijn Hollanders rustig bleven voortslapen.

De eerste morgenstralen verguldden den top van den Gedeh en er ging een adem door het gebergte, die alles tot ontwaken en herleven opriep; bleeker en bleeker werden de sterren, zachter klonk het gegons der insecten, de duisternis werd dunner en waziger, de morgen in zijn volle schoonheid zou aanbreken, toen plotseling grauwe wolken zich samenpakten over het woud en een fijne stofregen naar omlaag zonden, die allen glans en luister aan het heerlijke morgenuur ontnam.

Nogmaals trad Kiai Hemboong naar binnen; hoewel de regen de anders zoo korte schemering verlengde, konden slechts weinige oogenblikken verloopen vóórdat de vlucht van den prins ontdekt werd. Ten koste van alles moest Soerapati nu uit zijn verdooving worden gewekt.

„Mijn kind,” begon de grijsaard met een teederheid in de stem, welke men van hem het allerminst zou verwacht hebben, „reeds den geheelen nacht hebt gij aan uw smart toegegeven, nu roept de jonge dag de mannen op tot nieuwen arbeid en tot nieuwen strijd. Laat uw verdriet wegvluchten met de schaduwen, die nu voorbij zijn.”

Soerapati hief ’t hoofd op en vestigde zijn verwilderd misvormd gelaat op naar zijn pleegvader.

„Ik heb alle tranen die mijn oogen bevatten gestort, ik kan niet meer weenen, ik kan niet meer klagen,” zeide hij met heesche stem, „ô hoe had ik het kunnen vermoeden, getrouwd, getrouwd met een man van haar volk, terwijl ik mij en mijn makkers liet vernederen en vertrappen om harentwil alleen.” [63]

„Mijn zoon! Ik heb het u menigmaal herhaald, blank en bruin mogen zich niet paren, dat geeft groote rampen. Maar dat is nu voorbij! Sta op, wasch uw gelaat, dompel uw lichaam in de wateren der bron en overleg met wijzen en dapperen, wat u te doen staat.”

„Ik wil niets meer, niets meer dan mij zelf vergeten, mij zelf vernietigen! De kluizenaars uit mijn vaderland achten het de grootst mogelijke zaligheid als men alles in zich doodt, liefde, haat, begeerte, vreugde en smart, zoo wil ik heengaan en datzelfde doen. Niets kan de wereld mij meer geven nu zij mij ontrouw werd.”

„Zoo spreekt de verwijfde dienaar der vrouwen die zijn dagen in het Kapoetren doorbrengt, niet de krachtige, forsche man, die handelen durft, om zich te wreken.

„Op wien zal ik mij wreken? Op haar vader, hij is te ver, op haar man? Ik zou haarzelf treffen als zij hem liefheeft en zoo zij hem niet bemint wat win ik dan of denkt ge dat ik in dezen langen nacht toen ik hier gejammerd en geweend heb, niet alles wel overwoog in mijn geest? Maar er is niets voor mij te doen niets dan het voorbeeld mijner vaderen te volgen en rust te zoeken in het zalige Nirwana.”

„Dat moogt ge niet, mijn zoon! Gewichtige belangen roepen u terug tot het handelende, het bezige leven. Er is veel gebeurd van nacht, zeer veel!”

Daar klonk een toornige stem buiten de tent, een oud Hollandsche vloek te midden der Oostersche natuur.

„Gevlucht maar ’t is niet mogelijk.”

„Ze zijn allen weg, van morgen zaten nog eenige mannen op wacht voor zijn tent, maar nu zijn ook deze verdwenen.”

„Vervloekt tuig, daar is de Balinees schuld van, daarom hield hij zich ziek.”

Soerapati was opgesprongen en greep naar zijn wapens; ijlings [64]bracht hij zijn verwarde kleederen in orde, bond zich den doek om het hoofd en snelde naar buiten. Balineezen en Hollanders waren daar verzameld, luid en druk pratend en twistend, de tent van den Pangeran stond geheel open en ledig.

„Daar is hij de verrader, de stoker van al die onlusten,” riep Kuffeler bleek van woede en stormde op den Balineeschen hoofdman toe. „Zult ge mij nu zeggen, struikroover, waar de prins gebleven is, of wilt ge liegen dat ge er niets van af weet?”

„Ik zweer u bij den God mijner vaderen, dat ik nu pas de vlucht van den Pangeran verneem. Ik ben tot stervens toe ziek geweest van nacht.”

„Zeg liever dat je aan het opium schuiven geweest zijt. Je gezwollen gezicht verraadt het genoeg, zeker op de gezondheid van den ontvluchten vogel. Maar wat meent ge dat de Compagnie zoo met zichzelf laat spotten, door een ellendigen dief en leugenaar als gij? Spoedig zet hem na of het zal je heugen.”

„Ik ontvang uw bevelen niet,” antwoordde Soerapati waardig, „gij zijt mijn mindere en zoo de prins ontvlucht is, dan kome de verantwoordelijkheid op u neer. Hij was gewillig zich aan u over te geven, zooals hij trouwens reeds bereid was het aan mij te doen, maar gij hebt hem diep gegriefd door uw handelwijze van gisteren. ’t Is niet billijk dat ik thans uw fout moet goedmaken; mijn mannen zullen hem niet volgen. Zoo gij het noodig acht, vertrouw die taak aan uw soldaten!”

„Zulk een taal tegen mij, verwenschte spitsboef! Ik zal het je leeren dat men niet straffeloos een Europeaan beleedigt in het bijzijn van al die zwarte apen.”

En hij sloeg hem vlak in het gelaat; een dof gehuil deed zich onder de Balineezen hooren, hun hoofdman bracht de handen aan het gelaat, de onverwachte slag deed hem duizelen, hij wankelde en [65]zou ter aarde gevallen zijn als Kiai Hemboong hem niet ondersteund had.

„Meester,” riep Wirajoeda uit, „kies tusschen dien ellendigen kafir en ons. Wij willen niet langer dienen onder een hoofdman, die zich laat beschimpen en zelfs slaan door zijn mindere. Wij zullen u wreken of anders dooden wij u tegelijk met hem.”

„Spaar hem, ik bid het u! Hij is ziek,” vermaande Kiai Hemboong, „laat hem tot zichzelf komen.”

En hij trok hem met zich mede in de tent; Kuffeler zag de dreigende houding der Balineezen en misschien beschaamd over zijn onvoorzichtige daad gaf hij aan eenige zijner manschappen bevel hier te blijven terwijl hij met de anderen den vluchtenden Pangeran zou vervolgen. Wirajoeda en nog eenige Balineezen traden in Soerapati’s tent; hijzelf stond met den rug naar den ingang beide handen tegen het gebogen hoofd gedrukt, terwijl Kiai Hemboong hem te vergeefs aanzocht iets opwekkends te drinken.

„Meester, wat is uw antwoord!” drong de vurige Wirajoeda aan, „de Balineezen vragen wat gij hen toedenkt, slavernij of vrijheid? Tot geen prijs willen zij zich langer onderwerpen aan die vreemde meesters. De ellendigste dood in de wildernis is beter dan leven in slavernij.”

Nog zweeg Soerapati, dieper en dieper zonk zijn hoofd. Wirajoeda’s oogen fonkelden, hij bracht de hand aan de kris.

„Ik heb u lief,” ging hij met gedempte stem voort, „ik bewonderde u sinds ik zag hoe duur gij uw vrijheid durfdet koopen. Ikzelf ben een gevluchte slaaf, zoolang ik u diende, meende ik, zou er geen vrees bestaan dat ik ooit weer den nek voor mijn blanken meester zou moeten krommen. Wij allen hebben ons uit vrijen wil aan u vertrouwd, wij lieten u gaarne het bevel over ons, het was ons goed u te gehoorzamen zelfs toen gij verzekerdet, dat het in ons belang [66]zou zijn de Compagnie te dienen maar nu zien wij duidelijk, wat men ons toedenkt, dat nimmer die trotsche blanken zullen vergeten wie wij waren, en dat vroeg of laat ellendige slavernij opnieuw ons lot zal wezen. Bedenk dat daar ginds geeseling en boeien, de zweepslag van den opzichter, de ketting van den slavenmeester, oneer en schande ons vrijen mannen verbeiden. En dat wil geen onzer, liever stoot ik u deze kris in het hart.”

Nu keerde Soerapati zich om en zag Wirajoeda met een onbeschrijflijk matten blik aan.

„Steek toe vriend, steek toe!” zeide hij zijn borst ontblootend, „grooter dienst kunt gij mij niet verleenen. Ik ben u dankbaar dat gij mij van den ondragelijken last des levens bevrijden wilt.”

Maar Wirajoeda, liet de opgeheven kris vallen en zonk voor zijns meesters voeten neer.

„Vergeef mij meester! Ik kan niet, ik kan niet! O waarom zijt ge dezelfde niet van voorheen, de onverschrokken held, die noch vrees noch angst kende? Word uzelf weer, beveel ons den Hollander aan te vallen, stel u aan ons hoofd. Wat gij beveelt zullen wij verrichten, al gebiedt gij ons ook Jacatra uit hun handen te rukken.”

„’t Helpt niet meer! De eerzucht is dood in mijne ziel.”

„En de wraakzucht ook?” fluisterde Kiai Hemboong. „Mijn zoon, ik heb het voor u verzwegen daar ik groote rampen vreesde, maar nu is het beter u alles te bekennen. Weet ge waarom Kuffeler u zoo diep grieft, waarom hij u vervolgt? Hij is Suzanna’s echtgenoot.”

Woest richtte Soerapati zich uit zijn gebogen houding op; zijn oogen spatten vonken rond, de kris verliet knarsend en bliksemend de schede, hij zwaaide ze in zijn rechtervuist en stampvoetend van razernij, stiet hij de vraag uit: [67]

„Wie heeft dat gezegd? Wie?”

„Ardjo, ik beval hem te zwijgen, om uwentwille.”

„En die durfde mij slaan. Dood en verderf, ik zal mij nu wreken op de Hollanders, op allen.”

„En wij zullen u niet verlaten meester,” juichte Wirajoeda, „gij hebt goed gesproken Kiai. Heb dank!”

Soerapati stormde naar buiten met de alarmkreet van „amok, amok!” waarmede hij eenmaal ook tegen de poorten der Bataviasche gevangenis gerend was.

„Amok, amok!” kreten de Balineezen toen zij hem uit de tent zagen snellen met opgeheven kris, buiten zichzelf van woede en wraaklust.

De Hollanders en kleurlingen, die bij elkander gevlucht waren, hadden nauwelijks den tijd hun wapens te trekken. Als een horde wilde dieren, schreeuwend en tierend, bloed en moord ademend, wierpen de Balineezen zich op het kleine troepje, dat slechts in vluchten zijn heil zag, maar vlucht of tegenweer baatte hen niet; zij werden achtervolgd en omsingeld, achter elke struik, achter elken boom glommen de krissen, weinige oogenblikken later waren allen neergeveld.

„Waar is de vaandrig, de ellendeling, ik dorst naar zijn bloed,” riep Soerapati, maar Kuffeler, die vergeefs den prins vervolgde, bemerkte niets van het aangerichte bloedbad en kwam niet meer naar het kamp.

Langs bergpaden en ravijnen keerde hij met zijn overgebleven soldaten naar Tandjong Poera terug; Soerapati en de zijnen vervolgden hen van alle kanten maar hij wist ze te ontkomen en kwam eindelijk bij den commandant der kleine vesting terug met de schier ongeloofelijke treurmare:

De Prins gevlucht, Soerapati in opstand, het grootste gedeelte [68]zijner mannen gedood; zooals licht te begrijpen is, gaf hij den Balinees schuld van alles.

Eenige dagen later kwam Pangeran Poerbaya echter in eigen persoon op het fort om zich aan den kapitein over te geven. Van Soerapati en zijn mannen vernam men niets meer, zij hadden zich teruggetrokken in de ontoegankelijke wildernissen aan den voet van den Galongong.

Toch wist een groepje mannen hem te vinden, een hunner was klein, hoewel reeds volwassen, en heette Boeloe Kidoer de dwerg van den Prins; de andere, die allen vol eerbiedige zorg omringden, hoewel in manskleederen gehuld, trok spoedig de aandacht door zijn fijne, ranke gestalte en teedere meisjesachtige trekken.

Beiden kwamen aan in de grotten, waar Soerapati en de zijnen zich wegscholen.

„Herkent ge mij nog Heer?” vroeg de jongeling aan den Balineeschen hoofdman.

Hij schudde het hoofd van neen.

„Deze kleeren behooren mijn geslacht niet. Ik ben Radhen Goesik eenmaal Pangeran Poerbaya’s gade. Toen mijn echtgenoot zich nogmaals aan de Compagnie onderwierp, heb ik mij van hem gescheiden. Nu verzoek ik u mij te geleiden naar den dalem mijner ouders in Karta-Soera.”

„Er zal geschieden naar uw wensch, prinses!” sprak Soerapati zich diep buigende, „alles is verbroken tusschen mij en de Hollanders. Zij hebben mijn trouw en hulp versmaad, zij hebben mij belogen en verraden, ik zal hun reden geven het met bloedige tranen te betreuren, dat zij de vriendschap van Soerapati hebben versmaad. Dood aan hen! Wij trekken op naar Karta-Soera.”

„Neem mij mede,” smeekte de dwerg, „ik wilde mijn meesteres niet verlaten.” [69]

„Ge kunt blijven,” antwoordde Soerapati, „maar op een voorwaarde. Leer mij uw tooverspreuk! Ik heb ze noodig om de Hollanders te verdelgen. Ze hebben mij alles ontroofd en ik ga mij nu wreken door tooverij en door wapenen.”

„Ik zal u het woord toefluisteren,” grijnsde de dwerg, „het zal u den weg banen tot een troon.”

En hij lispelde hem de geheimzinnige woorden in het oor. [70]

TWEEDE GEDEELTE.

Inhoudsopgave

[Inhoud]

I.
HET STEEKSPEL.

Inhoudsopgave

Te midden der drie hooge bergen de Lawoe, de Merapi en de Merbaboe in een schoone vruchtbare streek ligt de keizerlijke hofstad Karta-Soera, die nog slechts sinds weinige jaren door den keizer van Mataram bewoond werd. Vroeger toch tijdens den opstand van Troeno-Djojo lag de residentie meer ten zuiden bij de hoofdstad Mataram; na het sluiten van den vrede echter had keizer Hamangkoe-Rat een tegenzin gekregen in den dalem, dien zijn vader bijna stervend had moeten ontvluchten en daarom zich in Karta-Soera een paleis laten bouwen.

Zooals alle vorstelijke verblijfplaatsen had de kraton van Karta-Soera meer het voorkomen van een vesting dan van een paleis; dikke ringmuren hier en daar afgewisseld door bastions omgaven de talrijke gebouwen door den keizer en zijn hofhouding bewoond; verscheidene poorten gaven er toegang aan.

Niet ver van den hoofdingang zag men een omheining of pagger, die de bamboezen huizen omringde, welke tot kazerne dienden voor de Hollandsche lijfwacht, door de Compagnie genadig aan den keizer te zijner bescherming toegestaan, maar die eigenlijk geen ander doel had dan den vorst en zijn aanhang in het oog en onder bedwang te houden. [71]

De hoofdpoort gaf toegang aan den grooten aloen-aloen, een uitgestrekt binnenplein, door groote in parasolvorm gesnoeide waringins beplant en van alle zijden omringd door kleine gebouwen, die tot bergplaats dienden der gamelans van de rijksgrooten, van hun wapens en paardentuigen in gebruik bij de wekelijksche tournooien. De grond was met wit zand bestrooid; zorgvuldig was echter elk grashalmpje geweerd en zoo helder en glad scheen de gladde oppervlakte, dat men er, volgens Javaansche spreekwijze, gerust stofgoud op kon strooien, zonder dat dit verloren ging.

Een tweede poort leidde tot het binnenste van het paleis, waar zich achter de reusachtige, rijk met verguld snijwerk versierde pendoppoh, het eigenlijke vorstelijke verblijf of de Probojoso bevond, niet ver van de Kapoetren of harem.

Aan elke poort hield een vrouw de wacht, een oude gerimpelde nimf in hofkostuum, dat wil zeggen in enkelen sarong tot boven de borst reikend, armen, schouders en hals bloot maar met gele verf gekleurd.

Aan een der zijden van den aloen-aloen verheft zich de Sitingil, een hoogte, waarop de keizer zich met zijn eerewacht neerzet wanneer hij, zooals heden het geval is, een tournooi komt bijwonen. Het is een levendig schouwspel, dat zich bij zulk een steekspel op den aloen-aloen vertoont; eenige honderden ruiters in rijke zijden kleederen, omringd door hun dienaren, welke evenals zij kleine vurige paarden berijden, verzamelen zich op het open veld.

Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van kleuren en glanzen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen gloed en nieuw leven verkregen; het scharlakenrood voert den boventoon, daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender als het zich huwt aan het kalme [72]paars of zich vereenigt met het levendige groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige blauw vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier, de gouden gebitten der paarden en hun bonte schabrakken flikkeren in den van haar geleenden luister met oogverblindenden glans; de takken der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het zilverwitte kiezelzand vallen; de bergen die het paleis omsluiten, baden zich in den warmen gloed, en zenden koeltjes rijk aan geuren uit de bosschen, die hun hellingen bedekken naar beneden in den lusthof. De blauwe lucht spant zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen de bergen besloten is, wolkeloos en diep zooals zij zich alleen tusschen de keerkringen vertoont.

De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie paarden, trotsch op hun versiering, trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en edelgesteenten; de gamelans in de verschillende huizen worden zacht en teer aangeroerd (rechts en links van den Sitingil bevinden zich de gebouwen, waarin de gamelans van den keizer, de gamelan monggang en sekatèn bewaard worden.) Op eens wordt het spel luider en levendiger, de ruiters scharen zich twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar treedt hij naar buiten omgeven door zijn stoet van amazonen en lijfwachten, alléén te paard terwijl zij allen te voet gaan.

Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om zijn vooruitstekende jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige uitdrukking in de diepe kassen, zijn geheel uiterlijk mist alle kracht en waardigheid ondanks de schitterende kleederen die zijn gestalte omsluiten; alles verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man door uitspattingen verzwakt en daarenboven door het gebruik van opium uitgeput. [73]

Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of koeloek, rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikepan of bovenkleed is van stijf goudlaken en beurt het voorover hangende hoofd door een breeden hoogen boord nog eenigszins op; een kostbare kaïn van het beroemde Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met goud doorwerkten djarik (pantalon) zijn voeten steken in purperen muilen; in een rijk met edelgesteenten versierden gouden band die ’s keizers middel omsluit, prijken de vonkelende gevesten van drie krissen, terwijl een ring door een stralenden robijn versierd, daaraan bevestigd is en straks de gouden haak van de toomen afwacht, als de vorst zich tot het rennen begeeft.

De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker tusschen al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de gele wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd, fraaie pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen zij op zijde, het schuift tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in nauwsluitende kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rust hun geweer. Kapitein Grevink gaat aan hun hoofd.

De Javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen.

Eenige vrouwen in zoogenaamd hofgewaad dragen den keizer zijn gouden zonnescherm, sirihdoos, kwispeldoor en troon na, deze troon tampar genaamd is een laag vierkant tabouret van rood fluweel met gouden franjes versierd; anderen dragen zijn wapens voor het rennen vereischt, namelijk stompe lansen; het gevolg bestaat uit meer dan twee of driehonderd mannen, die het in goud gezette keizersbeeld omringen. [74]

Zoodra hij in het renperk aangekomen is, stelt hij zich aan het hoofd der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige keeren steeds in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de vlugge paarden brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden hals omhoog en lichten de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans en andere luidklinkende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper, totdat het witte zand van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven, en menschen en paarden in het door de zon in goudpoeder veranderde stof zijn gehuld.

De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds vermoeid, hij zal vandaag niet meer rennen; bij den Sitingil gekomen, stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats, de wachten scharen zich rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter hem op een knie neder en strekken den gespannen boog voor zich uit als om de vijanden van hun vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen; op eerbiedigen afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de voorwerpen dragen, kruiselings op matten.

Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam neer, de duizenden en duizenden menschen en dieren, welke den aloen-aloen vullen, verroeren zich niet. Aller oogen vestigen zich op den oppermachtigen meester, wiens onbewogen gelaat koel en onverschillig het bonte schouwspel aan zijn voeten overziet.

Zelfs de gamelans zwijgen totdat de keizer met een schier onmerkbaar gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek weer de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer met hun lansen begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan hun gordels, om de handen vrij te hebben en [75]besturen dan met lichaam en knieën hunne paarden. Het steekspel neemt een aanvang; een der voornaamste prinsen rijdt vóór tot halverwege de baan vlak vóór ’s keizers zitplaats gekomen; een andere ridder rijdt hem te gemoet.

Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is.

Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in vergelijking met die der andere edelen.

Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het vurige Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem zijn meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen op zijn hals, uit de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een vuurrood wambuis doet zijn breede, krachtige schouders en borst fraai uitkomen; slechts spaarzaam is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn hangt in sierlijke plooien over den sneeuwwitten djarit. Met zijn lans hoog opgeheven rijdt hij op den prins aan, vervolgt hem tot aan het uiteinde van het plein, waar deze zich plotseling omkeert en hem steken tracht toe te brengen, hij pareert ze echter met het grootste gemak en zij zetten het spel voort. Allen zien ademloos toe, totdat plotseling een onderdrukt gejuich uit de menigte opstijgt, een gejuich, dat dadelijk verstomt, want het is ten strengste verboden zich te verheugen als een prins van den bloede uit het paard wordt gelicht, en nu is het ’s keizers broeder, die door den vreemdeling uit het zadel is getild.

Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooien voort; altijd is het echter de onbekende ridder die den palm der overwinning wegdraagt; de meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegenover hem. Allen zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van het kamp. Fier rijdt [76]hij rond de baan met zijn lans in de hand. Voor den keizer gekomen laat hij zijn paard den soembah1 maken en iets als een vaag teeken van genoegen schemert op het effene gelaat des vorsten.

„Een kranige kerel,” fluistert de Hollandsche luitenant zijn kapitein toe, „ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?”

„Och, al die bruine vellen lijken op mekaar,” antwoordde kapitein Grevink minachtend, „maar hij stond bij het huisje van den Rijksbestierder en dat bevalt me minder.”

„Waar Amirang Koesoemo hem opgedoken heeft? Hij behoort tot geen der grooten van het hof.”

De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Koesoemo, den Rijksbestierder, die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen schuiven; hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog zich voorover om hem iets op fluisterenden toon te vragen.

„Heer der Wereld!” antwoordde Koesoemo, „vergun uw dienaar dat hij straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhaftig man, een vijand der Compagnie,” voegde hij er schier onhoorbaar achter.

De Soesoehoenan hief ’t hoofd weer op en een flauwe beweging zijner oogen bewees den Rijksbestierder, dat hij genoeg wist. Koesoemo kroop ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn onbewogen, kil gelaat weer aan.

De schaduwen van den avond vielen echter op het gebergte en het dal neer, de laatste bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de kruinen der bergen, toen werd alles donker en grauw, [77]maar de maan steeg hooger en hooger en hulde schier onmerkbaar den aloen-aloen in haar blauw-zilveren glans.

Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en schaarden zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den keizer; zij zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend, maar de keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun dienaars over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder hen was ook de Rijksbestierder.

„Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?” vroeg hij.

Amirang Koesoemo ging terug, op eenigen afstand van de andere edelen stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forsche gestalten sterk afstaken bij de weekelijke, tengere figuren der Javaansche edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder.

Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel; zoo zag hij dan ook den vreemdeling door Amirang Koesoemo begeleid ’s keizers troon naderen en hem de voeten kussen.

Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat trouwens in hoog Javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen.

Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij hem het avondmaal te gebruiken.

Langzaam keerde de stoet terug naar de eerste binnenplaats, nu echter ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger—de heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot, terug.—Hij was niet gerust, waarom, dit wist hij zelf niet. [78]

Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie en den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Cheribonsche prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de Compagnie daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, welke Hamangkoe-Rat jegens haar had aangegaan, toen zij hem op den troon zijns vaders herstelde.

Amirang Koesoemo, de machtige rijksbestierder was den Hollanders ongenegen; hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de keizer tegenover hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om dezen daarvan te verlossen; de zwakke slechts aan zijn genot denkende Soesoehoenan liet alles aan zijn listigen sluwen dienaar over. Hij was tevreden, zoo hij naar hartelust zich aan zijn uitspattingen, zijn opium en zijn vrouwen kon overgeven en vond alles goed wat hem het gedurige bezit dezer onmisbare voorwaarden van zijn geluk kon verzekeren.

Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene tentjes of prieelen waren daar opgericht; van voren geheel open en van achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat van den keizer. De in een halve maansvorm opgerichte huisjes hadden allen het gezicht op ’s vorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door de gordijnen het maal opbrengen.

Fijn gevlochten matten waren èn tafel èn zitplaats, allen waren schrijlings erop gezeten—pisangbladeren verrichtten den dienst van tafellakens; de rijst in koekoesans2 opgebracht sierden met hun pyramidenvorm, die tot aan de schouders der aanzittenden reikte, het feestmaal.

Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en gevogelte opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaggelijke [79]hoeveelheid van spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het gebruik eischte dat zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene met mat en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en edellieden mee te geven.

Volgens de etiquette mocht niets meer van het opgedragen eten weer in de keizerlijke keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee; wat zij niet opkregen ging mede naar hun huis. Het diner uit vruchten en een oneindige verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde wijze op nieuwe pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld.

Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens enz. aangeboden, waarvan zij de welriekende snoeren aan het hoofddeksel boven de ooren bevestigden.

De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche europeesche feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt vroolijk gesprek.

Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal voeten van hem verwijderd.

Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn roepen was ieders hoogste eerzucht.

De keizer sprak echter met zijn Rijksbestierder, die aan zijn voeten zat.

„Wat zal de Compagnie zeggen als ik hem een schuilplaats verleen?” vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over hun aller leven en dood besliste.

„De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw Hoogheid gastvrij in haar paleis opneemt.” [80]

„Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs vervolgd en het zou onvoorzichtig wezen zoo wij hem een schuilplaats verleenden ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging.”

„Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn Gebieder? Zal nimmer de schuld jegens hen afgelost worden?”

„Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen.”

„Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden zoo de tijd daarvoor rijp is.”

„Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist,” sprak de keizer loom.

„En die vuist zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het gewicht der dankbaarheid wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste zakt het verpletterend neer op de hoofden der beweldadigden.”

„Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,” hernam de Soesoehoenan.

„Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,” antwoordde de Rijksbestierder, „mijn Gebieder weet welke hooge verplichting ik aan den dapperen Balinees heb.”

De keizer zag hem wezenloos als vragend aan.

„Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn dochter, nadat zij weigerde haar echtgenoot den Bantamschen prins in de verbanning te volgen, naar Karta-Soera geleid heeft, haar met den grootsten eerbied bescherming verleenend.”

De keizer wenkte dat hij voort zou gaan:

„Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen van liefde voor haar beschermer en nu zij wettig gescheiden is van den Pangeran Poerbaya kent zij slechts een wensch met [81]Soerapati vereenigd te worden als het Uw Almacht behaagt.”

„Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft en hij belooft ons zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het juk te zwaar wordt voor onze schouders dan zij hij welkom in den kraton.”

De Rijksbestierder kuste ’s keizers voeten.

„Heb dank, machtige monarch,” zoo sprak hij met moeite de vreugde verbergend die in zijn stem school, „mijn dochter en Soerapati zullen u dank weten en als de tijd gekomen is dan zal hij u verlossen van het zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben geladen want zijn geest is helder en zijn arm is sterk.”

De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen.

1 Kniebuiging.↑

2 Manden uit bladeren gevlochten.↑

[Inhoud]

II.
IN DE KAPATYAN.

Inhoudsopgave

In de Kapatyan, het paleis van Amirang-Koesoemo, dat evenals de woningen van andere Rijksgrooten binnen den kraton lag, zat Radhen Goesik omringd van haar vrouwen.

Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé1 schitterde van diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan [82]de weeke, zachte plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien.

Haar zitplaats bevond zich in een rijk met snijwerk en verguldsel versierde pendoppoh, die omgeven was door een aangenamen tuin; hooge kemoeningboomen, wit van de geurige bloesems wierpen hun schaduwen op het gouden schelpzand, in Japansche potten stonden zeldzame fraaie sierplanten en bloemen. De slanke areng-palm hief zacht wuivend zijn kroon omhoog, vierkante perkjes van melati balsemden de lucht met haar zachte geuren, die zich met de bedwelmende tochtjes vermengden, welke de sokka dèdes naar omlaag zond.

’t Is morgen, de dauw parelt nog tusschen de bloemen, de brandende zon vermag de verkwikkende koelte nog niet te verjagen, alles schijnt even jeugdig, even frisch, als de prinses die met volle teugen de morgenlucht inademt. Aan haar voeten als ’t ware inééngerold ligt Boeloe Kidoer, de dwerg, die haar niet verlaten wilde.

„Boeloe,” zeide de prinses glimlachend, „het is hier beter dan aan den voet van den Gedeh! Nu vooral, nu de machtige keizer aan mijn vader verlof heeft gegeven tot ons huwelijk. O Boeloe, hoeveel dagen scheiden mij nog van dat gelukkig uur!”

„Het is dikwijls een lange weg, prinses, die de pitten van den dlima van de lippen scheidt.”

„Spreek zoo niet, dwerg! Niets kan ons meer scheiden. Zeg mij eens hebt ge hem gezien in het tournooi? Hoe schoon en zal hij daar geweest zijn. Bij de eerstvolgende senènan [83]moet ik hem zien, al zou ik ook mijn vermomming weer aantrekken.”

„Gij zult hem nog zoo lang zien, zusje, als hij uw man wordt.”

„O Boeloe, een voorrecht betreur ik, dat wij genoten in het vrije gebergte; daar konden wij ons vrijer bewegen, daar omknelden die lastige, pijnlijke hofregelen ons niet. Slechts ter sluiks kan ik ’s avonds mijn bruidegom ontmoeten, ginds onder de waringinboomen. Weinige oogenblikken alleen mag ik hem spreken, en vroeger daar ginds op den weg, toen hij mij beschermde en bewaakte, week hij geen oogenblik van mijne zijde. Wanneer zal ik hem geheel toebehooren? Gelooft ge niet Boeloe dat hij zijn blanke geliefde geheel vergeten heeft om mij?…”

„Het is aan den dwerg niet het te beoordeelen,” grijnsde Boeloe, „hoe kan ik in zijn hart lezen? Gemakkelijker is het te dringen in den stam van den djatiboom dan het hart van de menschen te ontsluieren.”

„Maar hij kan niet meer terug naar de Hollanders, niet waar, elke band is immers verbroken tusschen hem en haar, nu de Soesoehoenan hem een schuilplaats verleent, en hij de schoonzoon wordt van Mataram’s Rijksbestierder?”

„Bij den grooten profeet is alles mogelijk!” verzekerde de dwerg met kluchtigen ernst.

„Wat zegt ge Boeloe, zoudt ge meenen dat Soerapati…”

„Zoo vermetel ben ik niet iets te durven meenen, maar als uw echtgenoot verneemt, dat Kiai Hemboong hem bedrogen heeft, dat nonna Suzanna nooit getrouwd is geweest met den vaandrig Kuffeler, en dat zekere dwerg te zamen met zekere prinses zijn ouden pleegvader hebben overgehaald tot die leugen dan kon het zijn dat zijn stemming veranderde zooals een storm het aanschijn der bergen verkeert.” [84]

Radhen Goesik wrong de kleine met ringen bezette vingers.

„Maar hij mag het niet weten Boeloe, nooit, nooit. O, sprak hij toch tot mij over zijn liefde tot de Hollandsche vrouw, over zijn haat tot de Hollanders, ik zou geruster zijn, maar helaas! Op al mijn toespelingen bewaart hij een hardnekkig zwijgen. Ik vrees de gedachten niet die zich uitspreken, maar wel die zich verbergen en langzaam ontkiemen als de rijstkorrel in het water der sawahvelden.”

„Ik hoor dat zijn schreden als onwillekeurig altijd terugkeeren naar den Pagger der Hollanders; hij zwerft steeds in hun nabijheid; soms, zoo vertelt Kiai Hemboong, rusten zijn oogen met smachtend verlangen op de Hollandsche driekleurige vlag, die boven het wachthuis wappert.”

„O schande! Hij zou hun slavernij verkiezen boven vrijheid en roem bij zijn stamgenooten.”

„De wortels van den waringin zoeken de aarde en zoo verlangt het hart van den man naar den grond, waar hij zijn eerste jeugd doorbracht. Soerapati’s hart kan zich niet meer te huis voelen bij den bruinen man.”

Radhen Goesik verborg het gelaat in haar slendang en weende.

„Nooit, nooit zal ik het beeld dier gehate vrouw met het gele haar uit zijn geest verdrijven, zelfs niet als ik met hem verbonden ben door ’s keizers woord! Boeloe, kunt gij mij niet helpen, ik beloof u de mooiste dwergin des keizers tot vrouw, ik zal u deze sterren geven, die mijn ooren versieren maar help mij aan een toovermiddel, een drank, een amulet, een ngempoel, waardoor ik almachtig over Soerapati’s ziel kan heerschen, of liever bezorg mij de talang perindoe, een stukje van de dwergbamboe, die op den top der bergen groeit en onder welks schaduw de vogels den dood vinden, de heilige plant waarvan het bezit ons de vervulling schenkt van al onze wenschen.” [85]

De dwerg schudde het hoofd.

„Het zal niet baten, prinses! In zijn hart verfoeit Soerapati de leer van onzen grooten Profeet; hij is gehecht aan den eeredienst zijner voorvaderen, hij aanbidt Batoro Goeroe, den oppermachtigen God der Hindoes, en nog liever zou hij de knie buigen voor den gekruisten God van de Hollanders en van Suzanna! En zoolang wij zijn hart niet veranderen, zoolang zal geen tooverspreuk of tooverplant de liefde van zijn hart doen verkeeren.”

„Maar wat raadt ge mij Boeloe, mijn trouwe dwerg, die het eerst mij gewezen hebt op Soerapati’s toekomstige glorie, die mij zoo trouw hebt bijgestaan in moeilijke dagen?… Wat moet ik doen om Soerapati voor goed te hechten aan onze zaak?”

„De vezels van den klappernoot drijven en de steen zinkt, ieder ondervindt wat zijn lot meebrengt en zoo zal ook gebeuren wat Allah van alle eeuwigheid besloten heeft.”

„Maar hoe zal ik ’t weten, wat besloten is in Allah’s raadsbesluit? Moet ik niets doen om dat besluit te helpen uitvoeren?”

Een dienstmaagd trad nader en bood de prinses een trosje bloemen aan.

„Die mij dit takje voor u gaf, edele prinses!” sprak de dienstmaagd, „verzoekt mij u te melden dat hij u wacht bij den kleinen vijver.”

Haastig stond Radhen Goesik op, de armbanden rondom haar fijne polsen kletterden, haar oogen schitterden; bevallig drapeerde zij zich in haar slendang en stak haar voetjes in de vergulde muilen, die een harer dienaressen vóór haar plaatste.

„Volg mij Mila,” zeide zij, „wat ik nu ga doen is tegen den adat2; ik weet het, maar het verlangen van mijn hart om mijn [86]bruidegom te spreken is te groot, dan dat ik het weerstaan kan.”

Zij versierde met het bloementakje haar kondé en wenkte ook Boeloe haar van verre te volgen.

De kleine vijver was tusschen metselwerk besloten en omgeven door blauwe Chineesche potten op hooge voetstukken, waarin dwergplantjes staken; oranjeboompjes beladen met tal van gouden appelen, miniatuur-aloës, cactussen en ananassen, kleine waringins, tjampaka, soka, dlima en andere vrucht- of bloemdragende plantjes. Sierbamboes omgaven op eenigen afstand het water en onderhielden door hun zacht wuiven een frissche koelte; op de oppervlakte van den vijver dreven de breede bladeren van de waterlelies met hun witte en gele bloemen, waartusschen nu en dan een goudvisch glipte, dicht het watervlak naderend om vlug en behendig een insect te vangen.

Het was een eenzaam plekje door de lianen geheel beschut tegen de nieuwsgierige blikken uit de omringende huizen en vervuld met de liefelijkste geuren; het lag dicht aan den buitensten muur van den kraton, en zoo was het Soerapati gelukt binnen te komen om van zijn bruid een afzonderlijk onderhoud te verzoeken.

Hij stond bij den vijver; met de armen over de borst gekruist staarde hij in het water en zag het spel der visschen tusschen de bloemen en insecten aan, toen Radhen Goesik vlug maar toch met schier onhoorbaren tred hem over het sneeuwwitte zand naderde.

„Wat wil mijn Heer en Gebieder?” vroeg zij dicht bij hem gekomen en de oogen neerslaande.

„Ik wilde u een woord van vaarwel zeggen, prinses,” antwoordde hij.

„Vaarwel,” en zij zag hem angstig aan, „er is geen woord, dat mij harder in de ooren klinkt. Waarom moet ge mij vaarwel zeggen?” [87]

„Het is slechts een vaarwel van eenige dagen,” hernam hij glimlachend, „vóór dat onze bruiloft gevierd wordt, voel ik er behoefte aan mij eenige dagen terug te trekken, daar ginds in den tempel van Tjèta, welke zich op de helling van den Lawoe verheft. Ik wilde daar raad nemen met mijzelf en met de onsterfelijke goden—met Allah en zijn Profeet,” zoo verbeterde hij zichzelf.

„Raad en tot welk doel? Is er nog raad noodig? Ziet gij dan niet duidelijk wat Allah in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit voor u heeft vastgesteld,” vroeg de vorstin heftig.

„Ik zie het duidelijk in, prinses, maar toch twijfel ik of de weg, dien ik in ga slaan wel de rechte is.”

Radhen Goesik’s oogen fonkelden van toorn.

„Hoe, gij aarzelt het lot aan te nemen dat de machtige keizer en mijn vader u aanbieden? Dat is een beleediging!”

„Neem het zoo niet op, liefste mijn!” sprak Soerapati met de zachte, weeke uitdrukking in zijn stem, die in de ooren zijner bruid zoo onweerstaanbaar aantrekkelijk klonk en die ook het hart der Hollandsche jonkvrouw eens bekoord had, daar zij zoo in tegenstelling was met zijn forsch, echt mannelijk voorkomen. „Ge weet, ik heb u lief, mijn Vorstin, mijn Bruid, zooals ik niemand op ééne na, ooit heb liefgehad!”

Radhen Goesik wendde het hoofd om.

„Juist die ééne, welke ik niet treffen kan, wier herinnering sterker nog is dan mijne schoonheid!…” dacht zij.

„En waarom, als ge waarheid spreekt, mij dan verlaten?” vroeg zij, haar oogen van onder de lange wimpers opheffend.

„Omdat ik vrees, dat mijn liefde u slechts ongeluk zal aanbrengen. Ge zijt zoo schoon, zoo beminnelijk, om uwe hand zullen de eerste prinsen van den bloede dingen, zij benijden mij uw bezit, ik weet het. Maar wat kan ik u geven, ik, een slaaf, een roover?” [88]

„Zeg dat niet, ge zijt het niet meer!” riep de prinses verontwaardigd uit, „licht mijner oogen, schat mijner ziel! Welke prins kan met u wedijveren? Uw gestalte is gelijk aan den stam van den jongen pinangboom, zoo slank en toch zoo krachtig, uw oogen schitteren als de avondster en de woorden, die van uw lippen vallen, zijn zoet als de geur van den kemoening. Uw arm is zoo krachtig, als de klauw van den tijger als gij uw vijanden aanvalt, maar zoo zacht als het dons van den pelikaan, wanneer gij mij liefkoost. Ge zijt een roover, ja de roover van mijn hart, van mijn ziel. Gij zijt geen slaaf meer, doch ik wil uw slavin zijn, mijn leven lang! Met u wil ik alles deelen, alles, armoede en rijkdom, schande en roem. Ik bemin u met een liefde zoo brandend en vurig dat de Hollandsche met de koude, witte huidskleur en het kille hart die nimmer begrijpen kan.”

„Roep haar herinnering niet op;” zeide Soerapati met doffe stem, „ik heb haar begraven en in den geest de kambodjabloem op haar graf geplant. ’t Is niet goed van de dooden te spreken, dat stoort hunne rust.”

„Waarom wilt ge dan nog weten of mijn hand u geluk belooft?”

„Omdat, hoor mij aan, mijn Koesoema, omdat ik overtuigd ben, dat een verbinding met u een regen van rampen zal doen neerdalen op den keizer en het rijk van Mataram!”

„Ik begrijp u niet!” zeide Radhen Goesik schijnbaar onschuldig.

„Ge weet toch, dat ik een vogelvrije ben in het oog der Hollanders, een gevluchte slaaf, een deserteur, een aanvaller hunner soldaten. Zij hebben alles in het werk gesteld om mij in handen te krijgen maar vergeefs! ’t Is mij gelukt hen te ontkomen en dank uwe liefde, Koesoema, schonk uw aangenomen vader en door hem de Soesoehoenan mij een schuilplaats aan zijn hof. [89]Ik word hier geroepen tot hooge eer, maar die eer zal Mataram duur te staan komen.”

„En wat verlangt men in ruil daarvoor?”

„Mijn hulp en die mijner Balineezen tegen de vreemdelingen.”

„En aarzelt gij die te beloven? Zijn die Christenhonden u nog dierbaar aan het hart om den wille van één trouwelooze? Ben ik zulk een weifeling waardig? O, ik voel het, gij hebt mij niet lief!”

„Koesoema, lieveling van mijn hart, verscheur mijn ziel niet door uw woorden, die scherper zijn dan de scherpste doornen. Wantrouw mijn liefde niet, want zij is zoo groot en diep als de zee; juist omdat ik u liefheb vrees ik zulk een groot geschenk te ontvangen als uw hand en de gunst des keizers. De Hollanders zijn zoo machtig, hoe zal ik tegen hen de schuld jegens mijn weldoeners afdoen? Wat zullen mijn Balineezen vermogen tegen hun overmacht als zij mij komen opeischen en het op den keizer wreken dat hij mij toevlucht heeft verleend?”

„Wat zij zullen vermogen? Alles wanneer gij hen aanvoert mijn geliefde! Vrees niet! Is mijn bezit niet de grootste gevaren waard? Als ik u liefheb en uw echtgenoote ben, is dat u niet genoeg? Waarom wilt gij uw geesten raadplegen? Wat zult ge doen als zij het u afraden?”

„Met mijn mannen Karta-Soera verlaten, terugkeeren in de wildernis, leven als vóórheen, vóór ik u ontmoette.”

„Ondervraag dan de geesten niet, in mijn oogen leest ge een antwoord duidelijker dan zij u geven kunnen!”

Zij had zich aan zijn borst gevleid met een aanhankelijkheid, vrouwen van haar land anders niet eigen, maar zij wist hoe de Hollandsche vrouw deze liefkoozingen jegens den man harer keuze niet beneden zich acht en zij wilde hem zooveel mogelijk doen vergeten dat zij geen blanke was. [90]

Soerapati, bedwelmd door de zoete geuren die haar als in één wolk omhulden, wilde reeds toegeven; toen een onderdrukt eigenaardig gemompel, dat achter een der bloempotten scheen op te stijgen, Radhen Goesik’s oor trof.

Het klonk als een waarschuwing; Soerapati door hartstocht overmeesterd bemerkte het niet, zij echter begreep dat de dwerg het liet hooren en maakte zich zachtkens uit zijn omarming los.

„Ga, mijn geliefde!” zeide zij met een stralenden glimlach, „ga naar uw tempels! En ondervraag de Dewahs, wier macht gij zoo hoog stelt, hooger dan mijn liefkoozingen. Ik weet hun antwoord, zij zullen u zeggen dat de schroom, die u belet de wapens te blijven voeren tegen de Hollanders, zondig is en uwer onwaardig. Nu wil ik dat gij gaat, en hun oordeel verneemt; ik wil niet dat eenige twijfel uw voorhoofd verduistert. Gij moet schoon zijn, mijn bruidegom, op den dag van ons feest. Uw gelaat moet stralen als de opkomende zon en uwe ziel blinken als de maan, die de volheid van haar glans over de bergen doet schijnen. Vertrek dus, uw Koesoema smeekt er u thans om! Ik zal uw afwezigheid verdragen door de onophoudelijke gedachte aan u.”

„Is het u ernst? Ge staat mij toe te vertrekken,” vroeg Soerapati.

„Ik vraag het u; maar laat mij nu gaan! Zie, de zon schijnt reeds achter gindsche missigits; mijn vader zal mij zoeken. Vaarwel dan mijn bruidegom, tot wederziens!”

Weinige oogenblikken later was het stil rond den vijver, en niets verbrak die stilte dan het zachte ruischen der bamboes. [91]

1 Haarwrong.↑

2 Etiquette.↑

[Inhoud]

III.
OP DEN BERG LAWOE.

Inhoudsopgave

Een groepje ruiters begaf zich in gestrekten draf naar den voet van den berg Lawoe, welks hellingen ten oosten van Soerakarta langzaam in de vruchtbare vlakte uitloopen.

De machtige vulkaan verheft zijn in wolken en rook gehulden top, boven een donkergroen voetstuk; de sawahs klimmen nog onmerkbaar voort langs zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen die zijn hellingen bedekken, toen echter was alles nog woester en eenzamer.

De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de ruiters. Zij stapten dan ook bij een vriendelijke onder kokos- en andere palmen half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de hoede van een gedeelte der mannen, en zetten te voet den tocht voort.

De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een uitgestrekt woud van tjemara’s of casuarinen, een soort van lorken, wier fijne, naaldvormige bladen, van de knoestige met witte paddestoelen bedekte takken afhangen; de grond is droog, kaal, slechts met kort gras begroeid en overdekt met de dorre naalden van het afgevallen loof; door het ijle, doorzichtige groen schemert de blauwe hemel met zijn geheimzinnige diepte, de zonnestralen dalen in getemperden glans door den smaragdkleurigen sluier op den bodem neer, en geven een warmen gloed aan de sneeuwwitte baardmossen, die de takken tooien als waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, een verkwikkende frissche koelte, welke de hoogte van den berg verraadt en alle herinnering aan tropische hitte verdrijft, doet het gebladerte zacht en teeder [92]ruischen, als waren het de klagende stemmen der berggeesten, die eenmaal hier vereerd werden, maar sinds eeuwen hun tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd zagen.

Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie gingen aan hun hoofd, de anderen volgden op eenigen afstand.

Van deze drie was er één vrij hoog in jaren, de twee anderen echter jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de hand een Javaansche lans of speer.

„Vermoeit u de tocht, vader?” vroeg hij, die de hoofdman van de groep scheen en in wien het gemakkelijk was Soerapati te herkennen, aan den ouden Kiai Hemboong.

„Neen, mijn zoon al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle, krachtige stappen, uw jeugd eigen, bij te houden.”

„’t Is uw eigen wil geweest, Kiai dezen tocht mee te maken. Ik heb u daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht.”

„Ik weet het mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom zult gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderd geslacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij de onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken, gaat raadplegen.”

„Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil mij dan verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten.”

„Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen niet heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen, die opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!” [93]

„Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust, toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen en onderzoeken welke overwint.”

„Maar,” bracht Wirajoeda er tusschen, „zóó gij terugschrikt voor het aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?”

„Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol gevaren en avonturen opnieuw te beginnen.”

„Dus in geen geval de slavernij der blanken?”

„Nimmer,” antwoordde Soerapati vastberaden.

„Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt,” verklaarde Wirajoeda.

„Daar reken ik op!”

Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe maar sprak niet.

Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld die hun langen en moeilijken tocht slechts door korte halten afgebroken voortzetten.

De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de tjemaratakken op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne gras met een kantwerk van purperen tinten;—hier en daar zag men roode blokken trachiet omwoekerd door het grijze mos en de veelkleurige paddestoelen, verstrooid liggen in het bosch; uit de spleten wringen zich wonderschoone orchideetakken omhoog die met hun rozenroode en paarse bloemen den verweerden, ouden steen nog een schijn van jeugd en schoonheid verleenden.

Allengs komt er orde in de verspreide steenen, die zich voegen tot trappen en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen bloeit voort. Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische natuur hier nog kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een wereld van parasieten te omwoekeren.

Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, welke [94]de mannen zwijgend opgingen, sierlijke lianen vallen langs de balustrades en bloemfestoenen omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of ander feest.

De steenen zelf zijn versierd met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en zinnebeeldige figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden geworpen: alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper en vernieler tegelijk, den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die echter door Boeddha den zachtzinnigen leermeester en boeteling, vervangen was in zoovele zijner heiligdommen. Hier echter was Shiwa uitsluitend vereerd geworden, vóórdat de aanhangers van den Profeet zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels in het stof hadden doen storten.

De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara’s die hen van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke bedehuizen dan één grootsch bouwwerk door één enkele gedachte in het leven geroepen.

Op het hoogste gekomen wierpen zich allen vermoeid op de trappen neer, overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati alleen bleef staan.

„Het is hier goed rusten, vrienden!” zoo sprak hij, „doch mijn tocht is niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de lucht mij nog te zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk zijn te toeven.”

Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed om niet te weten dat het vergeefs zou zijn te beproeven hem van zijn voornemen af te brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking.

„Mijn zoon!” sprak hij, „de nacht valt, wat gij boven u ziet is de top van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen [95]zich daarachter. En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet bereikt hebt, zult gij nog steeds willen stijgen; volbreng morgen dien tocht en strek uw moede leden uit op deze steenen, in welker nabijheid nog steeds de geesten der machtige Dewahs wonen. Hier zullen zij u ook in droomgezicht verschijnen, twijfel er niet aan!”

Maar Soerapati schudde het hoofd, wenkte hen met de hand tot afscheidsgroet en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden, blijde te kunnen rusten en een sober avondmaal te nemen uit den voorraad mondbehoeften die zij mede hadden gebracht.

Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een vierkante opening in de rots bevond, omgeven door een vervallen kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal en doodsch werd alles rondom hem, slechts weinige spichtige tjemaraboompjes stonden hier en daar verspreid; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde.

De bodem was met niets dan gras begroeid maar ging weldra over in een schier ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die zich haastig naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te vermengen met die van de beheerscheres der wateren in deze streken, de breede Solorivier.

In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen echter glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati in de diepte af, wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes, dat hij in plaats van zijn speer thans hanteerde.

Weldra bevond hij zich op den tweeden top, maar Kiai Hemboong [96]had waarheid gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij zich naar boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde rotswanden, totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de middelste der drie bergkruinen bleek te zijn.

Hier was de grond bedekt met lage struiken, in welker schaduw de thelemytra orchidee den grond bedekte; de gloeiende zonnestralen deden de rozenroode bloemen schitteren als waren zij een uit robijnen samengevoegd mozaïek.

Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden der aarde hadden hem verlaten, hij was alleen omgeven door de bergen en door den blauwen hemel die in het westen de kleuren van alle edelgesteenten aannam; aan zijn voeten lagen nog sporen van menschelijken arbeid in den vorm van verschillende vierkante ruimten omringd door opstaande randen en riviersteenen.

Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den derden en hoogsten top, die zich vlak tegenover hem bevond, een oogenblik weifelde hij en vroeg zich wellicht af of het niet beter zoude zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn krachten weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op een rotsvlakte uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile spleet; de zwerver vond weldra een weg die zelfs kunstmatig aangelegd scheen en uit ruw opeengestapelde steenblokken bestond, welke eenige terrassen aan elkander vereenigde.

Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner wenschen; inderdaad de uitkomst loonde zijn onvermoeide pogingen. Het heerlijkste schouwspel omringde hem [97]van alle zijden, aan zijn voet de berg of liever de verzameling hoogten, welke het rotsgevaarte Lawoe geheeten, uitmaakte. De noordelijke helling is bedekt met den liefelijksten plantengroei, afgebroken door malsche grasvelden, die tusschen de tjemarabosschen frissche oasen vormen. Ten Zuiden de kale, geelachtig bruine vlakte met een troebel, stilstaand water bedekt, zich verliezend in wouden en ravijnen, aan de eene zijde begrensd door een alleenstaande zuil die zich scherp en hoekig tegen de reeds donkere lucht afteekent.

En verder dan de berg ontrolt zich een grootsch, heerlijk panorama in het Westen, de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare sawahs en bloeiende dorpen, haar tallooze rivieren, die allen hun schatting brengen aan den reusachtigen stroom, die zich als een ontzaggelijk staalblauwe slang kronkelt langs paleizen en kampongs, langs bosschen en tuinen om zich eindelijk in het wazige verschiet te verliezen, en dit gezicht wordt begrensd door de Merapi en Merbaboe, die geduchte vuurbergen, welke achter zich nog de flauwe omtrekken vertoonen van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en zelfs den verwijderden Slamat.

Maar niet lang rustten Soerapati’s oogen op de vlakte van Karta-Soera, hij keerde zich om en blikte ten Oosten, waar zich het niet minder vruchtbare dal van Madioen uitstrekte, omsloten aan gene zijde door de Willis en den Kloet, waarachter zich de kruinen van den Smeroe en den Ardjoeno, Java’s hoogste bergreuzen, in de wolken verloren. De schaduwen van den avond waren reeds in de vlakte neergedaald en vaagden alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het echter nog helder dag; met het gelaat van de zon afgekeerd, die in een gouden glorie achter de bergen wegzonk, staarde Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno aan, hij herinnerde zich wellicht hoe hij in zijne kinderjaren ook [98]naar hen had opgezien toen zij aan gene zijde der straat Bali voor zijne jonge oogen opdoemden; wellicht herdacht hij het eiland zijner geboorte, waaraan hij met geweld was ontrukt. Misschien ook staarde hij in bewondering het heerlijke land aan, dat zich voor zijne voeten ontplooide toen een stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en hem toefluisterde:

„Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah’s onnavorschbaar raadsbesluit.”

Soerapati zag verschrikt om zich heen; niets echter scheen te verraden dat een menschelijk wezen zich in zijn nabijheid bevond; de grond waarop zijn voeten rustten was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak, omgeven door een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande kolen en verdorde bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van wierook en bloemen vereerde.

Nergens echter ontdekte hij eenig spoor van een levend schepsel; hij schreef dus het gehoorde toe aan een zinsbegoocheling en bleef onafgewend zijn oogen richten op de verbleekende bergtoppen. De woorden bleven toch in zijn geest weerklinken.

„Koning zult gij zijn, een krachtig koning!” zoo klonk het weer, „indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert aan de blanke overheerschers.”

Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep onwillekeurig naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de opeengestapelde steenen, in de rotskloven, vergeefs!

„Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener Dewâ zijn die tot mij spreekt?” zoo vroeg hij zich andermaal af, „dan past het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid.”

Hij wierp zich plat ter aarde en riep uit: [99]

„O Batoro Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden; al noem ik u met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde, die de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen aanroepen. Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij aan den weg dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te leeren, wat ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de ketenen verguld, het zijn toch ketenen die mij voortaan zullen hechten aan Matarams hof!”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
460 s. 1 illüstrasyon
ISBN:
4064066405182
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar