Kitabı oku: «Heldensagen en Legenden van de Serviërs»

Yazı tipi:

Vuk Stefanović Karadžić, Woislav M. Petrovitch

Heldensagen en Legenden van de Serviërs


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066072551

Inhoudsopgave

Voorbericht.

Inleiding

Hoofdstuk I. Historische terugblik.

De komst van de Serviërs.

Vroege worstelingen.

Onderlinge strijd.

Doushan de Machtige.

De koninklijke Prins Marko.

Het verraad van Brankovitch.

Het eindsucces van de Turken.

De ellende onder het Turksche bestuur.

Servië weer onder het juk gebracht.

Koning Peter I.

Hoofdstuk II. Bijgeloof en nationale gebruiken.

Algemeene eigenaardigheden.

Heidendom en Godsdienst.

De God Peroon.

De God Volos.

De Zonnegod.

De Veele.

Voorbeschikking en onsterfelijkheid.

Goede en kwade geesten.

Heksen.

De Vampiers.

Aanbidding der natuur.

Toovenaars.

Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt.

Begrafenisgebruiken.

Klassieke en Middeleeuwsche invloeden.

De verbreiding van het Christendom.

Bijgeloof.

Het huwelijk.

Huwelijksonderhandelingen.

De huwelijksprocessie.

De aankomst.

Terugkomst uit de kerk.

Slava (of Krsno Ime)

De Slava-ontvangavond.

Slava toasten.

De ceremonie in de kerk.

Het slava-feest.

De dag voor Kerstmis.

Kerstdag.

De Dodola, een godsdienstige plechtigheid.

De Pinksterdagen.

Palmzondag.

St. George’s Dag.

Hoofdstuk III. Servische nationale epische poëzie.

De belangrijkheid van de balladen.

De Goussle.

Hoofdstuk IV. Kralyevitch Marko; of de koninklijke prins Marko.

De Marko Legenden.

De trouweloosheid van Voukashin.

Het paard Sharatz.

Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn.

Marko wordt geroepen.

Marko vertelt de waarheid.

Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.

De intocht van den Moor.

De Droom van de Sultana.

De Prinses doet een beroep op Marko.

Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.

Marko groet de Prinses.

De Moor in Istamboel.

Sharatz en Bedevia.

Marko en de Moor.

Prins Marko maakt een einde aan de huwelijksschatting.

Marko bezoekt den Moor.

Marko betaalt voor allen.

Prins Marko en Bogdan, de Bullebak.

De Bullebak is bevreesd Marko tegemoet te komen.

Prins Marko en opperbevelhebber Voutcha.

De komst van Marko.

Marko neemt Voutcha gevangen.

De huwelijksprocessie van Prins Marko.

De huwelijksprocessie.

De ontrouwe koom.

De vlucht van het meisje.

Prins Marko en de Moorsche Prinses.

De Moorsche Prinses.

Prins Marko en de veela.

De vervolging van de veela.

Prins Marko en de Turksche jagers.

De wraak van Marko.

Prins Marko en Moussa Kessedjiya .

Er wordt om Marko gezonden.

Marko bestelt een zwaard.

Marko ontmoet Moussa.

De dood van Prins Marko.

Marko verneemt zijn lot.

Hoe Marko gevonden werd.

Hoofdstuk V: Banovitch Strahinya.

Historische data.

De Valk Banovitch.

Banovitch zoekt den Turk.

De trouwelooze echtgenoote.

Het gevecht.

De terugkeer van den valk.

Hoofdstuk VI. De tsarina Militza en de zmay van Yastrebatz.

Het verhaal van Militza aan den tsaar.

Vook als verdediger.

Hoofdstuk VII. Het huwelijk van Maximus Tzrnoyevitch.

De ballade.

Het verhaal.

De boodschap van den Doge.

De huwelijksprocessie vertrekt.

De huwelijksgiften.

De Prinses verneemt de misleiding.

Het aanbod van Milosh.

De aanval van Maximus.

Maximus wordt een Turk.

Hoofdstuk VIII. Het huwelijk van tsaar Doushan den machtigen.

Doushan zendt Theodoor naar Ledyen.

Prinses Roksanda.

De processie begeeft zich op weg.

Milosh voegt zich bij den stoet.

De sprong van Koulash.

De strijd om Koulash.

De eerste proef.

De tweede proef.

De derde proef.

De vierde proef.

Het vertrek der Serviërs.

De strijd met Balatchko.

Hoofdstuk IX. Tsaar Lazarus en de tsarina Militza.

Het voorgevoel van de tsarina.

Nieuws van den veldslag.

De trouwe Miloutin.

Historische aanteekening.

Hoofdstuk X. De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch.

De waarschuwing van de Veela.

Stephanus en de Sultan.

Stephanus te Tyoopria.

Stephanus te Novi Bazar.

Stephanus en de dochter van den vizier.

Het slot van de ballade.

Historische aanteekening.

Hoofdstuk XI. Het huwelijk van koning Voukashin.

De boodschap aan Vidossava.

Het verraad van Vidossava.

Het gevleugelde paard.

De droom van Momtchilo.

De hinderlaag.

Broeder en zuster.

De dood van Momtchilo.

De straf van Vidossava.

Historische aanteekening.

Hoofdstuk XII De heiligen verdeelen de schatten.

De bard begint.

De Gramschap van God.

Hoofdstuk XIII. Drie servische balladen.

De bouw van Skadar (Scoetari) .

II. De Stiefzusters.

III. De ontvoering van de schoone Iconia.

Hoofdstuk XIV. Folklore.

De ram met de gouden vacht.

Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde.

Pepelyouga.

De taal der dieren.

De stiefmoeder en haar stiefdochter.

Recht en onrecht.

Wie weinig vraagt, ontvangt veel.

Bash Tchelik of echt staal.

De gouden appelboom en de negen pauwinnen.

Het vogelmeisje.

Liegen om een weddenschap.

Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.

Goede daden zijn onvergankelijk.

Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.

Dieren als vrienden en als vijanden.

De drie vrijers.

De droom van den koningszoon.

De bijter gebeten.

Het beroep dat niemand kent.

De tweelingen met de gouden haren.

Hoofdstuk XV. Eenige servische populaire anecdoten.

St. Petrus en het zand.

Waarom het Servische volk arm is.

De zigeuners en de edelman.

Waarom de priester verdronk.

De Era van de andere wereld.

Ieder moet een ambacht verstaan.

De voorwaarde.

Register.

A.

B.

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

R.

S.

T.

U.

V.

W.

Y.

Z.

Voorbericht.

Inhoudsopgave

De Serviërs hechten de grootste waarde en het meeste gewicht aan de sympathieën van een zoo hoog beschaafd, groot en daardoor terecht zoo invloedrijk volk als de Britsche natie. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er twee kritieke oogenblikken geweest—de annexatie van Bosnië en Herzogovina door Oostenrijk en de oorlog tegen de Turken—waarbij wij gelegenheid hebben gehad op te merken, van hoe groote praktische beteekenis de Britsche sympathieën, zelfs al zijn zij oogenschijnlijk niet meer dan platonisch, voor ons volk kunnen zijn. Het is zeer natuurlijk, dat wij den wensch koesteren deze sympathieën te behouden en zoo mogelijk nog te vergrooten. Wij zijn trotsch op de overwinningen, die ons leger op de dappere Turken behaalde, doch wij vleien ons, dat ons volk behalve om zijn militaire eigenschappen ook om de andere trekken van zijn nationaal karakter zich sympathie en eerbied zal weten te verwerven.

Wij wenschen onzen vrienden ons volk te doen kennen, zooals het is. Wij wenschen hen een blik te laten slaan in onze nationale psyche. En niets kan een beteren kijk geven in de ziel van het Servische volk dan dit uitnemende boek van Woislav M. Petrovitch.

De Serviërs behooren ethnologisch tot de groote familie der Slavische volken. Zij zijn neven in den eersten graad van de Russen, Polen, Czechen, Slowakken en Bulgaren en zij zijn de broeders der Croaten en Slowenen. Sedert de kerk niet langer de volkeren gescheiden houdt en om der wille van het geloof geen tweedracht in het leven der volkeren kan worden gezaaid, zijn de orthodoxe Serviërs en de Roomsch Katholieke Croaten feitelijk één en hetzelfde volk.

Van al de Slavische naties mogen de Serviërs zich er op laten voorstaan de meest poëtische te zijn. Hun taal is de rijkste en de meest muzikale onder alle Slavische talen. De overleden professor Morfill, die in zekeren zin een Panslavist was, heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd: “Ik zou wenschen, dat gij, Serviërs, zoowel als alle andere Slavische volken, met Rusland een politiek verbond vormdet, maar ik zou niet willen, dat gij uw schoone en goedontwikkelde taal prijsgaaft om die te verwisselen voor de Russische!”

Eens ging hij zelfs zoo ver als zijn meening te kennen te geven, dat de toekomstige Vereenigde Staten van de Slaven als voertuig voor hun letterkunde en als officieele taal de Servische zouden aannemen, wijl die verreweg de edelste en meest muzikale is van alle Slavische dialecten.

Toen onze voorouders het westelijk deel van het Balkanschiereiland bezetten, vonden zij daar een groot aantal Latijnsche kolonies en Grieksche steden en nederzettingen. In den loop van twaalf eeuwen hebben wij door wederzijdsche huwelijken veel Grieksch en Latijnsch bloed opgenomen. Dientengevolge en onder den invloed van het handels- en politiek verkeer met Italië werd onze taal verzacht en onze manieren, en de in ons Slavische volk sluimerende liefde voor wat schoon, dichterlijk en edel is versterkt. Wij vormen een bijzonder Slavische type, gewijzigd door Latijnsche en Grieksche invloeden. De Bulgaren zijn een Slavisch volk van een geheel ander type, ontstaan door de circulatie van Tartaarsch bloed in Slavische aderen. Dit eenvoudige feit verklaart de tegenstelling tusschen de Serviërs en Bulgaren en hun onderlinge twisten gedurende de Middeleeuwen en zelfs in onzen tijd.

Wat zijn nu de nationale liederen der Serviërs? Het zijn geen liederen, gemaakt door beschaafde of litterair geschoolde dichters, maar door eenvoudige menschen en die, eenmaal populair geworden, door eenvoudige menschen worden gezongen.

Tot in het midden van de negende eeuw leefden de Serviërs voor het meerendeel in agrarische- en familiegenootschappen, Zadrooga genaamd. Naar M. Petrovitch heeft medegedeeld, verlieten de zoons van een boer het huis huns vaders niet, als zij trouwden, maar zij bouwden een houten hut op het land, dat het huis van hun vader omringde. Heel dikwijls ontstond er een groote nederzetting rondom het oorspronkelijke huis, van vaak meer dan honderd personen, mannen en vrouwen, die te zamen werkten op het land en de huizen als hun gemeenschappelijk eigendom beschouwden, evenals de vruchten van hun arbeid. Al de leden van de Zadrooga erkenden het oudste lid van zulk een familiegenootschap als hun hoofd en het was de gewoonte, dat allen zich ’s avonds in het stamhuis rondom hem verzamelden. Nadat de zaken, die het boerenbedrijf of andere aangelegenheden betroffen, waren afgedaan, werd de familiekring verder bezig gehouden, doordat het hoofd of een ander mannelijk lid van de familie een heldendicht voordroeg of een der liederen zong, waarin de een of andere historische gebeurtenis verhaald werd of waarvan de tekst gewijd was aan een gebeurtenis, die eerst kort geleden had plaats gehad.

Bij de openbare samenkomsten, bij kerken en kloosters verzamelden zich eveneens groepen mannen en vrouwen rondom de voordragers, die in liederen de oude koningen en helden of een bijzonder treffende of belangrijke gebeurtenis bezongen.

In Hongaarsch Servië (Syrmia, Banaat, Baschka) maken oude blinde mannen er een winstgevend bedrijf van oude of nieuwe liederen te zingen, die voor het meerendeel op oude helden of historische gebeurtenissen, doch ook wel op de geschiedenis van den dag betrekking hebben. Maar in andere deelen van Servië (Shumadiya, Bosnië, Herzogovina, Montenegro, Dalmatië) dragen welgestelde boeren zeer dikwijls de heldenliederen voor, omringd door een menigte toehoorders en toehoorderessen. Het is een zonderling feit, reeds door Vouk S. Karadgitch opgemerkt, dat de voordragers van heldenliederen zeer zelden jong zijn, maar meestal mannen van middelbaren leeftijd en nog vaker oude mannen. Het is, alsof de oude mannen het als hun plicht beschouwen het jonge geslacht bekend te maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk en zijn voornaamste helden. Men kan nog menig ongeletterde in Servië vinden, maar gij zult niemand vinden, die niet in staat is u wat te vertellen over Stephan Nemanya, den eersten koning van het Servië uit de Middeleeuwen, over zijn zoon, St. Sava, tsaar Doushan, zijn jongen zoon Ourosh, koning Voukashin, den koninklijken prins Kralyevitch Marko, tsaar Lazarus en de helden, die vielen in den vermaarden slag van Kossovo (1389).

Zonder overdrijving kan dus gezegd worden, dat de Servische boeren hun eigen vaderlandsche geschiedenis schreven door haar van het eene geslacht op het andere over te vertellen en te bewaren in hun rhythmische, tienlettergrepige, rijmlooze verzen. De gooslari1 en de monniken bewaarden het nationaal politieke bewustzijn en de nationale kerk voor ondergang gedurende de vijf eeuwen, waarin zij slechts Turksche Rayah waren, eenvoudige lieden, gedoemd om niets beters te zijn dan slaven van hun meester, den Turk. Wij zouden tegenwoordig niets weten van den aanhoudenden guerillaoorlog, dien de beste en moedigste mannen van het volk met groote hardnekkigheid tegen den onderdrukker van het volk voerden van het begin der zestiende eeuw, tot de eerste opkomst van de Shumadia onder Karageorge in 1804, indien wij de zoogenaamde Haïdoochke Pesme (Zangen op Haïdooks2) niet bezaten. Lang voor de geschiedenis van het ontstaan van den Servischen Nationalen Staat werd geschreven door Stoyan Novakovich, den geleerden president van de Servische Academie, werd zij in verzen van groote schoonheid en uitdrukking bezongen door den bard Vishnyich. En de overwinningen van het Servische leger op de Turken en Bulgaren in den oorlog 1912–13 worden nu reeds bezongen door de barden in de herbergen en op de jaarmarkten in de dorpen, waar het volk in grooten getale bijeenkomt en bij de groote kerkelijke feesten op het plein rondom de kerk. Natuurlijk leert een Serviër, die bij honderd gelegenheden nationale liederen heeft hooren voordragen, ze zelf voordragen, al is hij misschien niet in staat zijn voordracht te begeleiden op de goussle.3 Evenmin valt het hem moeilijk door menigen stereotypen regel van oude welbekende zangen te bezigen, in verzen de geschieden te verhalen van onzen tijd. Toen ik in 1873 als minister van financiën bij de begrootingsdebatten in de Skoupshtina een nederlaag leed, werd hiervan dienzelfden avond en den volgenden dag in rijmlooze verzen kond gedaan aan het volk.

Naast de zangen, die meer of minder getrouw historische gebeurtenissen herdenken, zijn er een menigte nationale liederen, die hun stof aan een der talrijke legenden ontleenen. Zij zijn zonder twijfel in het leven geroepen onder den invloed van de priesters en monniken en waren oorspronkelijk alleen bestemd voor de menigte, die op de kerkelijke feesten samenstroomde. Het verheugt mij te zien, dat M. Petrovitch in zijn verzameling heeft opgenomen het lied, dat waarschijnlijk het oudste onder alle Servische zangen is. Het heet “De Heiligen verdeelen de Schatten” en het bewaart de herinnering aan een blijkbaar zeer oude overlevering, die op haar beurt weer de heugenis bewaart aan een groote ramp, die het stamvolk in Indië trof en vermoedelijk de oorzaak was, dat de voorouders van de Slaven Indië moesten verlaten. Het is zeer merkwaardig een echo van een groote ramp, die eenmaal Indië teisterde, in de nationale zangen van de Serviërs te hooren naklinken.

Dat de Serviërs nationale liederen hadden, waarin zij de Servische daden van hun nationale helden bezongen, daarvan werd reeds in de veertiende eeuw melding gemaakt. Nicephoras Gregoras, die door den Byzantijnschen keizer naar Servië werd gezonden met een diplomatieke zending, vertelt de Serviërs hun nationale liederen te hebben hooren zingen.

In officieele bescheiden, die bewaard bleven van de vele diplomatieke missies, die zich in de zestiende eeuw tusschen Weenen of Buda en Konstantinopel bewogen, en wier weg over Servië leidden, wordt eveneens melding gemaakt van de heldenzangen, waarin de Serviërs hun groote voorouders herdachten.

In die eeuw heeft de eerste poging plaats om eenige van deze nationale liederen door de drukpers te vermenigvuldigen, een poging, die onder anderen door den dichter Hectorovich uit Ragusa werd ondernomen. In de achttiende eeuw werden meer geslaagde pogingen gedaan door den Franciscaner monnik Kachich-Mioshich en door den abt Fortis. Maar het is aan den geleerden grondlegger van de moderne Servische literatuur, Vouk Stephanovitch Karadgitch, dat in dezen de grootste eer toekomt, zooals door M. Petrovitch in zijn Inleiding en elders is aangetoond.

M. Petrovitch moet hebben ondervonden, wat de Franschen noemen “embarras de richesses.” Het was niet zoo gemakkelijk de zangen voor een vertaling uit te kiezen. Maar hij heeft ons eenige van de schoonste Servische heldendichten gegeven als model van wat de Servische nationale dichtkunst voortbracht. Het doet mij alleen leed, dat hij daarbij niet een paar voorbeelden heeft opgenomen, van wat de Servische vrouwen en meisjes uit de dorpen aan lyrische poëzie voortbrengen. Misschien zal hij bij een andere gelegenheid amende honorable maken aan onze vrouwelijke landgenooten.

Ik wensch nog enkele woorden toe te voegen aan hetgeen M. Petrovitch heeft gezegd omtrent onzen grootsten nationalen held, den koninklijken Prins (Kralyevitch) Marko. Zooals hij heeft aangetoond is Marko een historische figuur. Maar wat de geschiedenis omtrent hem heeft te zeggen is niet veel, en in elk geval niet in staat om te verklaren, hoe hij de lievelingsheld werd van het Servische volk. Hij was een eerlijk en trouw vazal van den sultan, wat het bijna onaannemelijk maakt, dat hij den eerbied en de bewondering der Serviërs heeft opgewekt. Toch hebben de Serviërs gedurende de laatste vijf eeuwen hun koninklijken Prins Marko geëerd, bewonderd en liefgehad en in de toekomst zullen zij evenzeer als in het verleden trotsch op hem zijn. Dit psychologisch raadsel heeft de beste Servische en enkele andere historische onderzoekers en schrijvers geprikkeld tot een nauwgezet onderzoek. Het is duidelijk, dat de meeste liederen op Marko hun dichters moeten zijn ingegeven onder den machtigen invloed, die zijn persoonlijkheid op zijn landgenooten en zijn tijd uitoefende. Dr. Yagich, Dr. Maretich, professor Stoykovich en St. Novakovich zijn allen van meening, dat zijn athletische kracht en zijn imposant voorkomen als voornaamste oorzaak moeten worden aangemerkt van den indruk, dien hij achterliet. Allen stemmen hierin overeen, dat zijn gedrag, zoowel in het dagelijksch leven als bij buitengewone gelegenheden, dat was van een waar ridder, een cavaliere servente, een chevalier sans peur et sans reproche.

Zelfs zijn zucht om den sultan als een trouw vazal te dienen werd in zijn voordeel uitgelegd als bewijs van de onkreukbare oprechtheid van zijn karakter. Waarschijnlijk werd die oprechtheid ook door den sultan gewaardeerd en werd Marko hierdoor in staat gesteld niet zelden een beroep op den sultan te doen ten gunste van zijn volk, bijvoorbeeld als enkele gevangenen en slaven bevrijd en gered moesten worden. Zeer zeker was hij de beschermer van arme en lijdende mannen en vrouwen en stond hij hen bij, wat het ook kostte, niet zelden met gevaar voor zijn eigen leven. Hij moet inderdaad bewijzen van toewijding hebben gegeven voor de zaak van het recht; dat is het, wat hem bemind maakte, niet alleen onder zijn tijdgenooten, maar ook bij hun nakomelingen.—Hij moet gedurende zijn leven bekend zijn geweest om zijn vreeze Gods en den eerbied en de liefde, die hij zijn moeder toedroeg. De Serviërs teekenden hem naar het model, door zijn eigen persoonlijkheid en zijn daden aan het volk geboden. Een van de schoonste trekken van zijn ridderlijk karakter, gelijk dat beschreven wordt door de nationale barden, is zijn liefde voor en deernis met lijdende dieren. Het doet mij leed, dat mijn vriend Petrovitch geen voorbeeld gaf van de liederen, die dien trek van onzen nationalen held verheerlijken, als bijvoorbeeld het lied: “Marko en de Havik” (Vouk ii 53) of “Marko en de Arend” (Vouk ii 54). In beide wordt verhaald, hoe deze vogels, toen Marko ziek lag op het open veld, gekweld door een hevigen dorst, terwijl de gloeiende zonnestralen zijn gelaat verbrandden, uit dankbaarheid voor de vriendelijkheid, die hij hun eens betoonde, hem water brachten in hun snavels en hun vleugels uitspreidden, om zijn gelaat te beschutten tegen de zon.

Verreweg de beste studie over den Servischen nationalen held is geschreven door den Russischen professor Halanski, die het raadsel oploste door te wijzen op de natuurlijke sympathie van een volk voor den “tragischen held.” De historische Marko was zeer zeker een “tragisch held”. Niets bewijst dat beter dan zijn laatste woorden, voor den aanvang van den slag van Rovina (1399), door M. Petrovitch in zijn werk aangehaald.

Ik moet er aan toevoegen, dat ook deze verklaring wel gegeven wordt: het Servische volk teekent om zoo te zeggen zich zelf in den koninklijken Prins Marko. Zijn eigen tragisch lot, zijn deugden en zwakheden ziet het gesymboliseerd in de populaire, maar tragische figuur van Marko. Zonder twijfel moet Marko in vele opzichten het type van een edelen Serviër zijn geweest, anders zou hij den weg tot de ziel en het hart van zijn volk niet gevonden hebben. Maar die beschouwing is niet zeer bescheiden.

Het zal onzen Britschen vrienden misschien belang inboezemen te weten, dat een bloedverwant van de dynastie, waarvan Marko de laatste vertegenwoordiger was, een zekere prins John Mussachi in een historisch gedenkschrift vermeldt, dat de vader van Marko, koning Voukashin, de afstammeling was van een edelman Britanius of Britanicus4 genaamd. Wij zouden er trotsch op zijn, indien bewezen kon worden, dat de voorouders van onzen nationalen held op de een of andere wijze verwant waren aan het Engelsche Volk.

Chedo Miyatovich,

Belgrado, 28 Juni 1914.

Lid van de Koninklijke Servische Academie van Wetenschappen.


Kaart van de Balkanstaten

1 De Servische nationale barden.

2 Haïdooks—dolende ridders.

3 Een primitief instrument met een snaar, dat in elk Servisch huis wordt gevonden.

4 Mussachi’s gedenkschrift in Karl Hopf’s Chroniques Graeco-Romaines.

Inleiding

Inhoudsopgave

Meer dan eens heb ik het betreurd, dat ik niet bij machte was in de volgende bladzijden van de bezielende balladen onzer nationale barden een metrische overzetting te leveren. Nooit heb ik zoo diep als bij deze vertaling beseft, hoezeer mijn leeraren in letterkunde dwaalden—al moge er dan ook voor enkele gevallen en onder bepaalde omstandigheden eenige waarheid in hun stelling liggen—wanneer zij beweerden, dat schoone gedachten beter uitgedrukt worden in proza dan in dichtvorm, waarbij men door de regelen van prosodie en metrum al te zeer belemmerd wordt. Het is ongetwijfeld waar, dat goed proza meer waarde heeft dan middelmatige poëzie, maar geldt dit ook als de auteur een groot dichter is?

Het Servische heldendicht verdient ongetwijfeld de aandacht van de Engelsche letterkundige wereld en ik waag het de hoop uit te spreken, dat de dag komt, waarop een ander Engelsch dichter dan Sir John Bowring onder de bekoring van onze balladen zal komen en evenals hij zal trachten de Engelsche lezers ook van de meesleepende rhytmische eigenschappen van het oorspronkelijke te doen genieten.

In de eerste helft van de negentiende eeuw hebben verschillende Duitsche dichters eenige van onze nationale balladen van proza in dicht overgebracht en ik kan er niet anders dan trotsch op zijn, dat zelfs Goethe daaronder behoorde. Helaas was hij gedwongen een Italiaansche vertaling te gebruiken, daar hij de Servische taal niet kende—wat wel het geval was met zijn zeer gewaardeerden landgenoot Jacob Grimm, die, nadat hij onze muzikale taal had geleerd, om kennis te kunnen nemen van de schatten, die er in geschreven zijn, als zijn meening uitsprak: “De Servische nationale poëzie verdient werkelijk de algemeene aandacht—ik geloof, dat het Servisch algemeen bestudeerd zal worden juist terwille van deze balladen.”

Een Tchechisch1 schrijver, Lyoodevit Schtur, schreef in zijn verhandeling over de Slavische poëzie “De Indo-Europeesche volken drukken alle op hun eigen manier uit, wat zij in zichzelf bevatten en wat hun ziel beroert. De Indiër openbaart dit in zijn reusachtige tempels; de Pers in zijn heilige boeken, de Egyptenaar in pyramiden, obelisken en onmetelijke, geheimzinnige labyrinten; de Helleen in zijn prachtige beelden; de Romein in zijn bekoorlijke schilderijen, de Duitscher in zijn schoone muziek—de Slaven hebben hun diepst gevoelde gedachten neergelegd in balladen en verhalen.”

Ik geloof niet, dat ik te veel beweer, als ik zeg, dat van al de Slaven de Serviërs het overvloedigst hun ziel hebben uitgestort in een poëzie, die volkomen, geheel en al nationaal is. Dat zou niet met dezelfde stelligheid gezegd kunnen worden van hun verhalen en legenden, die naar mijn meening minder karakteristiek zijn. Wel pleit hun verrassende analogie met het folklore van andere volken mee voor de eenheid in voorhistorische tijden van het geheele Arische ras. Het zou bijvoorbeeld belachelijk zijn voor eenig volk een sprookje als dat van “Asschepoester”2 als “nationaal eigendom” op te eischen, of eenig ander, dat eveneens, zooals hun, die eenige studie van het Europeesche folklore gemaakt hebben, wel bekend is, in vele talen voortleeft.

Sinds onheugelijke tijden heeft de Serviër een natuurlijk en meer dan gewoon talent aan den dag gelegd voor het dichten van heldenballaden. Deze gave is het volk eigen gebleven, toen het zich uit Noordelijker streken in zijn tegenwoordige woonplaats vestigde, waar het de fantasie prikkelend natuurschoon en het verkeer met het beschaafde Byzantium er zeer grooten invloed op uitoefenden en de voortbrengselen der poëzie tot een ontwikkeling brachten, die ze meer dan eenig product van het genie der Noordelijker Slaven deden gelijken op het Homerische heldendicht. De schat van zijn geestelijke voortbrengselen werd voortdurend vermeerderd door nieuwe indrukken en zoo ontstond de nationale poëzie, rijk van vorm en schoon van samenstelling. De prachtige wouden van den Balkan, waar de legende en de romantiek meer dan in eenigen anderen woudrijken streek van Europa een gunstige omgeving voor haar ontwikkeling vonden, het altijd lachend uitspansel van Macedonië, de reusachtige Zwarte bergen van Montenegro en Herzegowina zijn wel geschikt om zelfs een minder begaafd volk te bezielen dan het Servische, dat deze romantische streken gedurende de laatste dertien eeuwen bewoonde.

De onvermoeide Servische zanggodin vervulde haar zending evenzeer op het slagveld of in het woud als in de liefelijke weiden tusschen de kudden of onder de dreigende muren van vorstelijke en heilige kloosters. Het geheele volk deelde in haar gaven en wanneer een dichter de heldendaden van den een of anderen geliefden nationalen held bezongen had of de vrome daden van een monnik of een heilige of eenig ander onderwerp had aangeroerd, dat tot het hart van het volk sprak, dan stonden er steeds weer andere barden klaar, die de dichterlijke schepping tot de hunne maakten en ze in wijder kring verbreidden met de wijzigingen, die nu eenmaal al wat mondeling overgebracht wordt, vergezellen, en waardoor ze steeds inniger tot het hart van het volk spreken. Uit dit karakteristieke, dat aan mondelinge overbrenging eigen is, valt het bestaan van verschillende teksten van eenige der meest populaire zangen te verklaren.

Door vele eeuwen en meer speciaal gedurende de gruwzame overheersching van de Turken konden de voortbrengselen der Servische nationale litteratuur enkel voortleven door mondelinge overdracht. De onvermoeide monniken toch, die veilig waren binnen de geheiligde muren van hun klooster, gebruikten hun vrijen tijd niet met het opteekenen der balladen en heldendichten van het volk, doch met het aanleggen van biografieën van andere monniken of van dezen of genen vorstelijken beschermheer.

Die Serviërs, welke het onder het verlammende bestuur van den Sultan niet konden harden, emigreerden in de zeventiende eeuw met hun patriarch Arsen Tcharnoyevitch, naar de vlakten van Zuidelijk Hongarije. In den loop der twee volgende eeuwen wijdden zij zich daar aan de pseudoklassieken van het Westen. Zij beschouwden het infra dignitatem over zulke vulgaire onderwerpen als populaire dichtkunst en overleveringen te schrijven. De begaafde afstammelingen van die beklagenswaardige slachtoffers der sluwe Oostenrijksche en Pan-Russische invloeden verspilden hun talenten in ijdele en leege nabootsing der pseudo-klassieke voortbrengselen van Italië en Frankrijk, en door volijverig de Servische en Oud-Slavische werkwoorden op de Russische wijze te vervoegen, schiepen zij een monsterachtig letterkundig jargon, dat zij noemden Slavyano-Serbski (d.i. Slavisch-Servisch). En als eenig Servisch schrijver zich zou vermeten hebben in het welluidende en onvervalschte Servisch te schrijven, dat algemeen in zijn vaderland gesproken werd, zou hem de vloek getroffen hebben van die op een dwaalspoor gebrachte Slavisch-Servische “bestudeerders der Klassieken”, die er innig van overtuigd waren, dat de roem in de nationale litteratuur alleen te behalen was door te schrijven in een taal, die ze zelf nauwelijks begrepen, en die tengevolge van de volkomen inconsequentie en willekeurige veranderingen ook onverstaanbaar was.

De “bestudeerders der klassieken” kregen hun verdiende loon in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen zij overstroomd werden door den niet te weerhouden vloed van de populaire beweging, aan welker spits de boer Vouk Stephanovitch-Karadgitch stond, een man, die zich zelf gevormd had en wiens naam voor altijd groot zal blijven in de geschiedenis van de Servische letterkunde. Karadgitch is met recht de vader van de Servische moderne litteratuur genoemd. Zijn ontelbare tegenstanders trachtten hem te verpletteren onder de meest beleedigende benamingen, waaraan hun pen en hun tong uitdrukking konden geven, maar eindigden, na meer dan vijftig jaren van vruchteloozen weerstand, met hun armen wijd voor hem te openen.

Karadgitch schiep een spraakkunst van de Servische volkstaal, waaruit hij alle onnoodige graphische teekens verbande; zijn alphabet van dertig letters paste zich volkomen aan bij de dertig klanken (vijf klinkers en vijf en twintig mede-klinkers) van zijn moedertaal—en dientengevolge ontstond een ideale phonetische orthografie, waarin de gulden regel gevolgd kon worden: schrijf zooals gij spreekt en spreek zooals gij schrijft.3 Hij is van het eene dorp naar het andere door Servië gereisd, volijverig de epische en lyrische gedichten verzamelend en neerschrijvend de legenden en overleveringen, die hij van de lippen der barden opving en van verhalers, niet alleen van beroepszangers, maar ook van amateurs.

In zijn pogingen werd hij krachtig gesteund door de Servische regeerende vorsten en hij had het geluk zich de intieme vriendschap te verwerven der beroemde philologen en geleerden van de laatste eeuw: Bartholemy Kopitar, Schaffarik en Grimm. Geholpen door Kopitar slaagde Karadgitch er in een academische dictionnaire samen te stellen van de Servische taal vertolkt door Latijnsche en Duitsche equivalenten. Dit blijft tot op heden de eenig betrouwbare Servische dictionnaire, die den Westerschen standaard van zulke boeken nadert. Zijn eerste verzameling van Servische populaire gedichten werd in 1814 in Weenen uitgegeven. Ze bevatte 200 lyrische zangen, die hij noemde zenske pyesme (d.i. vrouwenzangen) en 23 heldenballaden. Dit boek verwekte opzien in de letterkundige kringen van Oostenrijk, Servië, Duitschland, Rusland en andere landen. Zeven jaar later deed Karadgitch in Leipzig een tweede uitgave in drie deelen het licht zien. Deze uitgave bevatte 406 lyrische zangen en 117 heldendichten. Aan deze uitgave ontleende Sir John Bowring de stof voor zijn metrische vertaling van enkele der lyrische en epische gedichten, die hij in 1827 uitgaf onder den titel Servische Populaire Poëzie. Hij droeg het boek op aan Karadgitch, die zijn intieme vriend was en leeraar in het Servisch.4

Ik heb drie van Bowrings balladen in dit boek overgenomen, om den lezers ook een getrouwere weergave van het oorspronkelijke vers te bieden dan mogelijk is in proza. Wat de dichterlijke verdiensten betreft van deze metrische vertalingen, ik wil mij niet aanmatigen er een oordeel over te vellen, maar het moge mij vergund zijn te zeggen, dat ik geen getrouwer vertaling heb gezien van onze nationale balladen en lyrische zangen, noch in het Engelsch, noch in eenige andere taal. De moeilijkheden in aanmerking genomen, die de bestudeering van elke Slavische taal (en dit geldt vooral van de Servische) den Angel-Sakser biedt, is het verwonderlijk hoe weinig onvolkomenheden het werk van Bowring aankleven. Sir John moet een ongewoon talent voor vreemde talen hebben bezeten, daar hij ook uit ieder van de andere Slavische talen vertaald moet hebben en—naar mij is medegedeeld—met dezelfde stiptheid en nauwgezetheid.

De derde uitgave van het werk van Karadgitch verscheen in Weenen, tusschen de jaren 1841 en 1866. Het was nu gegroeid tot vijf deelen en bevatte 1112 lyrische zangen en 313 heldenballaden. Het is uit deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen, heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn, de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische poëzie.

Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Serviërs van Bosnië en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende reizen, door de eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten—werkelijk een zeer groot aantal—zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende tijdschriften Bosanska Veela (d.i. “de Veela van Bosnië”) en Karadgitch en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912–1913.

Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp, die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers.

W.M. Petrovitch.

189 Queen’s Gate, Londen,

Mei 1914.

1 Tchech is een beter synonym voor het onjuiste Bohemer.

2 In ’t Servisch Pepelyouga, waarin pepel, of—met als o uitgesproken l—pepeo, beteekent sintel of asch; ouga, dat het achtervoegsel is, komt in beteekenis overeen met het Engelsche one of het Italiaansche ella.

3 Zie Servische conversatie spraakkunst, door Woislav M. Petrovitch uitg. Julius Groos, Heidelberg, 1914 (Londen: David Nutt, 212 Shaftesbury Avenue, W.C.), Inleiding pp. 1–8.

4 Dit was een van de vele eerbewijzen, die de boer, welke zich zelf gevormd had, ontving. Hij werd door de universiteit te Jena tot doctor honoris causa benoemd. Later werd hij medewerkend of eerelid van de meeste Academies van Wetenschappen in Europa; de hoogste orden van de in Servië regeerende vorsten werden hem geschonken, en de keizers van Oostenrijk, Rusland en Duitschland vereerden hem met gelijke bewijzen van hun gunst.

Hoofdstuk I. Historische terugblik.

Inhoudsopgave

De komst van de Serviërs.

Inhoudsopgave

Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië, Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610–641 na Chr.), die niet in staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee broeders Cyrillos en Methodius—de zoogenaamde Slavische apostelen—het Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven dat Evangelie verkondigden.

Vroege worstelingen.

Inhoudsopgave

Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi van de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan (graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924–931), toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.

Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote verdeeldheid.

In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk, nadat het ’t nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka, waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen Voïslav (1034–1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn leenheer, den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije (Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo, (1053–1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten naar den troon dongen.

Onderlinge strijd.

Inhoudsopgave

De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest, waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid voortdurend afstuitte—hoe dikwijls door verschillende regenten ook pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken.

In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer dan twee eeuwen (1169–1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan Nemanya (1169–1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het bouwen van een aantal kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils1. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië.

Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus’ jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische aartsbisschop.

Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav( 1223–1233), die onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233–1242), welke op zijn beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de Groote (1242–1276).

Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276–1281), die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288–1321). Voor zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder, de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321–1331), die de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd en geheel Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de Ottomaansche horden beide overweldigden.

Doushan de Machtige.

Inhoudsopgave

Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige (1331–1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich zelf, in overleg met de Vlastela (Vergadering van Edelen), tot tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon Ourosh (1355–1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet, tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen, die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen, die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van den Shar dagh2. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371) verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb) werden bezet door de Turken.

De koninklijke Prins Marko.

Inhoudsopgave

In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid erkenden hem niet. Zij verkozen in 1371 Knez3 (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko, wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden, hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar 1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken: “Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder de eersten zijn, die omkomen!”

Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet stierf, maar zelfs nu nog leeft.

Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering sloot hij een verbond met den Ban4 Tvrtko van Bosnië tegen de Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath, op de hoogte gebracht van Lazarus’ bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen gunstig zou zijn.

Het verraad van Brankovitch.

Inhoudsopgave

Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch, een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd; de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode5 Milosh Obilitch.

Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch (1389–1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427–1456), streed ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken veroverd.

Het eindsucces van de Turken.

Inhoudsopgave

Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482.

Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George Kastriotovitch-Skander-Beg (1443–1468) streed met succes en met grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië.

De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals zij het voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs—wien het onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven—en gedeeltelijk door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij, die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te leven als raya (slaven), want de Turksche Spahis (landeigenaren) onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord.

De ellende onder het Turksche bestuur.

Inhoudsopgave

Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep.

Als de een of ander aktie te krachtig of een toestand acuut wordt, moet er vroeg of laat een reactie als gevolg daarvan intreden.

Toen de Turksche gruwelen hun toppunt bereikten, op het einde van de achttiende eeuw, volgden de Serviërs het voorbeeld van hun broeders in Hongarije en Montenegro en verzamelden zij zich rondom een leider, die als door de Voorzienigheid voorbeschikt scheen om hen te bevrijden van de schandelijke onderdrukking hunner Aziatische heeren. Die leider, een begaafd Serviër, Georg Petrovitch—door de Turken Karageorge (“Zwarte George”) genaamd—verzamelde andere Servische mannen van aanzien om zich heen en een algemeene opstand had plaats in 1804. De Serviërs streden met succes en verwierven de onafhankelijkheid van dat deel van Servië, dat tot de Turksche provincie Belgrado behoorde, benevensdie van nog eenig naburig grondgebied. Dit werd slechts verkregen door groote opofferingen en door den aangeboren moed der Servische krijgslieden. Jammer genoeg scheen het te zijn voorbeschikt, dat dit tijdperk minder dan tien jaren duren zou.

Servië weer onder het juk gebracht.

Inhoudsopgave

Toen Europa (en meer in het bijzonder Rusland) in oorlog werd gewikkeld tegen Napoleon, vond Turkije gelegenheid, doordat de aandacht der Groote Mogendheden hierdoor in beslag werd genomen, zijn geleden verliezen weer te herstellen; in 1813 werd Servië weer onder het juk gebracht. George Petrovitch en andere Servische leiders verlieten het land om hulp te zoeken, eerst in Oostenrijk en later in Rusland. In hun afwezigheid deed Milosh Obrenovitch, een van de stadhouders van Karageorge-Petrovitch, een nieuwe poging om het Servische volk te bevrijden van het Turksche juk en hij slaagde er in 1815 in de autonomie van de provincie Belgrado te herstellen.

Gedurende den voortgang van zijn krijgsbedrijven keerde George Petrovitch naar Servië terug en werd wreedaardig vermoord op bevel van Milosh, die zich zelf uitriep tot erfelijk vorst en als zoodanig in October 1815 door de Verhevene Porte erkend werd. Milosh was een groot tegenstander van de Russische politiek en hij haalde zich de vijandschap van dat machtige rijk op den hals, tengevolge waarvan hij in 1839 gedwongen werd afstand te doen van den troon ten behoeve van zijn zoon Michael (Servisch: “Mihaylo”). Michael was een uitnemend diplomaat en had reeds zonder een druppel bloed te vergieten verschillende districten aan het onafhankelijke Servië toegevoegd. Hij werd opgevolgd door Alexander Karageorgevitch (1842–1860), een zoon van Karageorge Petrovitch. Onder het beleidvol bestuur van dien vorst werd in Servië een grondwet, die iets op een moderne Constitutie leek, ingevoerd en werd de grond gelegd voor zijn verdere en snelle ontwikkeling. Maar een ongelukkige buitenlandsche politiek, de corruptie onder de hooge staatsambtenaren en voornamelijk het verraad van wie oogenschijnlijk zijn vrienden waren, doch die er inderdaad op uit waren hem den voet te lichten, dwongen dien verlichten prins afstand te doen van den troon en zijn land te verlaten. De Skoupshtina (Nationale Vergadering) herstelde Milosh op den troon, maar in hetzelfde jaar stierf hij en werd nog eens opgevolgd door zijn zoon Michael (1860–1868). Na den moord op dezen vorst kwam zijn jeugdige neef Milan (1868–1889) aan de regeering, gedurende zijn minderjarigeheid onder voogdij van drie regenten, overeenkomstig de Constitutie, die in 1869 werd afgekondigd.

De voornaamste gebeurtenissen gedurende de regeering van Milan waren: de oorlog tegen Turkije (1876–1878) en de annexatie van vier nieuwe districten; de erkenning van Servië’s onafhankelijkheid door het beroemde Congres van Berlijn; Servie’s verheffing tot een koningrijk in 1882; de ongelukkige oorlog tegen Bulgarije, die op aanstoken van Oostenrijk werd begonnen en de totstandkoming van een nieuwe Constitutie, die met geringe wijzigingen nog van kracht is.

Nadat koning Milan afstand van den troon had gedaan, beklom zijn onwaardige zoon Alexander dien. Ondanks de krachtige raadgevingen van zijn vrienden en de strenge vermaningen van zijn persoonlijken vriend M. Chedo Miyatovich trouwde hij zijn maitresse Draga Mashin, onder wier invloed een tijdperk van tirannie begon, dat bijna aan Nero herinnerde. Hij ging zoo ver te beproeven de Constitutie te vernietigen, waardoor hij zich volkomen van zijn volk vervreemde en in de kaart van zijn persoonlijke vijanden speelde, die hem ten slotte vermoordden (1903).

Koning Peter I.

Inhoudsopgave

De Skoupshtina riep nu den zoon van Alexander Karageorgevitch, den tegenwoordigen Peter I Karageorgevitch tot koning uit. Zijn roemrijke regeering zal met gouden letters in de moderne Servische geschiedenis geschreven staan, want het is aan hem te danken, dat der Christenheid een verdrag geschonken werd, tengevolge waarvan de Turk in 1913 bijna uit Europa werd verdreven. Maar helaas! De Serviërs zijn nog slechts in ongeveer de helft van hun landen een vrij volk; hun broeders in het andere deel zuchten nog steeds onder het vreemde juk.

Hoe beknopt deze terugblik ook is, hij zal voldoende zijn om de omstandigheden en voorwaarden te laten zien, waaronder de Servische nationale poëzie ontstond, waarmede wij ons in de volgende bladzijden meer in ’t bijzonder zullen bezig houden.

De legenden danken haar ontstaan aan de rampen, veroorzaakt zoowel door de zelfzucht der leiders van het Servische volk als door de vreemde onderdrukkers; maar nationale tegenspoeden hebben den hartstochtelijken drang van dit volk naar de vrijheid niet kunnen uitroeien en deze populaire heldenverhalen van den Balkan zijn de uitdrukking van de idealen, die het Servische ras ondanks zijn langdurige onderdrukking en kwelling bewaard heeft; idealen, die dit eenvoudig volk ook verder zullen steunen in de rampen, die het misschien nog zullen treffen, voor het de plaats veroverd heeft onder de groote mogendheden, die het door zijn volharding en opofferingsgezindheid ten slotte zeker zal innemen.

1 Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in Bosnië vestigden.

2 Zie het gedicht: “Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren.”

3 De titel komt overeen met dien van prins.

4 “Ban” is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië.

5 Voïvode beteekende oorspronkelijk “leider van een leger” of “generaal”. Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche “Duke” dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis bezit.

Hoofdstuk II. Bijgeloof en nationale gebruiken.

Inhoudsopgave

Algemeene eigenaardigheden.

Inhoudsopgave

De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben, daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur voor.

Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras.

De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op ’t gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga1 en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch, als hij tot macht komt. De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen, volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude aristocratie in alle Balkanstaten.

Heidendom en Godsdienst.

Inhoudsopgave

Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie te reconstrueeren.

De God Peroon.

Inhoudsopgave

Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw, verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen in Montenegro dragen dien naam2 en hij bleef eveneens bewaard in den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen, waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah), en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster heeft “Ognyena Maria” (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn raadgeefster optreedt.

De God Volos.

Inhoudsopgave

De stad “Veless” heeft haar naam gekregen van den Russischen God van het vee “Volos”; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische “vo” of “voll” (enkelvoud) “volovi” (meervoud) hetgeen “os” beteekent.

De Zonnegod.

Inhoudsopgave

Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd als Goden. De zonnegod “Daybog” (in het Russisch “Daszbog,” wat letterlijk beteekent “Geef, o God”) wiens afbeeldsel gevonden wordt in de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds.

Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van afgoden er geen gevonden, die god “Daybog” voorstelt, zooals bij de Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver en een snor van goud.

De Veele.

Inhoudsopgave

De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de aanbidding dezer heidensche goden en van mindere godheden—die nog altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen.

De “νύμφαι” en “ποταμὶ” genoemd bij den Griekschen historieschrijver Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes, wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila—in het enkelvoud; Veele of Vile—in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in Montenegro, die “Vilin Izvor” zijn genoemd (bijv. op den berg Kom) zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd als “veele”. De Servische barden of troubadours hebben steeds van het begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino (of Vilino) Kollo genoemd.

Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer twintig meter in doorsnee heeft en “Vilino Kollo” heet. Het verdrag van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil, waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden, konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld van de Serviërs, werd door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook een bijzonder strijdros ten geschenke, “Sharatz,” dat werkelijk bijna menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima (Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij zekere gelegenheid3 versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla, die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart “gezonder dan ooit te voren.” Zij geloofden in God en den Heiligen Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood en dien van Sharatz4. Veele hadden de macht orkanen en andere natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk5.

Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood, een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen de moeder, die de stem van de fee kan hooren.

Voorbeschikking en onsterfelijkheid.

Inhoudsopgave

De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden dag (Nema smrti bez soodyena dana). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen, zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd (gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of een insect binnen te gaan.

Goede en kwade geesten.

Inhoudsopgave

Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis zijn beschermgeest heeft, dien zij syen of syenovik noemen. Zulke syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord djin wordt genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden aan den bergkant—en als een reiziger een bloem of een blad dorst te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de oude Litthauwers.


Zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dikken mist

Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd, en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of vlkodlaks (vook, beteekent “wolf”, en dlaka, beteekent “haar”) en naar het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche bijgeloof, dat de zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren.

Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade, die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en allen—mannen, vrouwen en kinderen—slaan potten en pannen tegen elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende monster vrees aan te jagen en te verdrijven.

In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken, en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden, en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel.

Heksen.

Inhoudsopgave

Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze (enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche woord ved, dat “weten” beteekent). Verondersteld wordt, dat het oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer overeen met de wezens, die men elders “heksen” noemt.

Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen, waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden, om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks.

In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in West-Europa welbekend.

De Vampiers.

Inhoudsopgave

Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan de menschen verschijnen en hen vermoorden.

In Montenegro worden vampiers lampirs of tenatz genoemd en men meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken, waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden, indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp, waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand, even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en dat de ban zal worden uitgesproken over een resnik, dat is een priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt, hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof, dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is6.

Aanbidding der natuur.

Inhoudsopgave

Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk van de zon en de maan en bezingen Danitza (de morgenster) en Sedmoro Bratye (De zeven broeders, klaarblijkelijk de Pleiaden7). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt, als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat Zmayevska Vatra (vuur van de draken) wordt genoemd.

Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat zijn gehuil ’s nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden.

De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra’s), die in sommige tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen.

Van een van deze hydra’s wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro, waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen en bliksemstralen.

Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een monster in de gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop, vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling, met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses of keizerin.8

Toovenaars.

Inhoudsopgave

Onder de heidensche priesters worden tcharobnitzi (toovenaars) vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige Koningen.

Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden plachten te verbranden. Resnik, dat als eigennaam voorkomt in Servië, Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid “degeen, die zoekt naar waarheid.”

Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt.

Inhoudsopgave

Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten, enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren, die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs wel vogels namen.

Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens vlak voor een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog de rivier van Tzrnoyevitch genoemd.

Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind, bij een fontein in de provincie Yapod.

Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft, worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari) en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri (Turksch voor “de brug van den rechter”) over de rivier Stroema; en nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk “Curtea de Ardyesh”. Het is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen, eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo (Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya.

Begrafenisgebruiken.

Inhoudsopgave

Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen bij Silistria, 971. In later tijd werden in alle deelen van Rusland begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden werden begraven.

De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt, is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar 1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden.

Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen kami werden genoemd, of bileg, en nu stetjak of mramor. Zulke steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000 in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen, bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven, zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen, ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen.

Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen, worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam van “Obugonov Grob.” Zelfs in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd “Obugagn Greb.” Het is het graf van den landvoogd Obuganitch, een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de veertiende eeuw.

Klassieke en Middeleeuwsche invloeden.

Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus, als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel, dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer (ῶ τὶα τράυου). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels aan zijn ooren voorgesteld.

Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan de djins (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder den Turkschen naam div—wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden—zij zouden een varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden—en in de Bulgaarsche, Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide, Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt, nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond.

De verbreiding van het Christendom.

Inhoudsopgave

Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw bleef het steeds genoemd Salonitana ecclesia en het eischte voor zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau.

Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië, zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640–642) heidenen bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk, toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden, wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van paus JohanIV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome had verbroken.

De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I.

In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel, toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten.

Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen, wier geloof zij zonder dwang overnamen.

Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen leidden hun diensten in het Grieksch, maar de priesters en monniken, die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen.

De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat, daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten Ratislav en Svetopluk hen belastten.

De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie.

Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren.

Bijgeloof.

Inhoudsopgave

De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge van het ontbreken van ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een bepaalde beteekenis aan ’t geen gebeurt, als hij ’s morgens opstaat; vooral aan ’t geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een “gelukkige plek” gevonden worden voor het fundament. ’s Nachts wil zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik, waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen—of in het geheel niet schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de maan waar en het schijnen van de zon door een wolk.

Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet; hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster (of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt, voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen, algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt: “het is goed zoo te doen” of uitgaat van de stelling: “onze voorouders deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo doen?”

Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken, een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd; ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken.

Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren.

De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige plechtigheden.

Het huwelijk.

Inhoudsopgave

Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen de vrienden den ouders geluk met de woorden: “het zij u gegeven te leven, tot ge de groene kransen moogt zien!” hetgeen wil zeggen: leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun dochter of een bruid voor hun zoon te zoeken, dan nemen ze de geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten, om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks9 (huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten (svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden, handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen, die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken (dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks St. George’s dag (23ste April O.S.)

Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien zij de liefde willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te doen.—Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de Baux te winnen. ’t Was een recept, dat succes in de liefde beloofde, afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze belachelijke vertooning gade te slaan.

Huwelijksonderhandelingen.

Inhoudsopgave

Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de toekomstige bruid op zijn minst een paar sokken. Indien de vader van het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man, tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt, zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden, of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden, brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk, door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe vragen, waaronder deze: “Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?” Waarop zij om zoo te zeggen gedwongen zijn “Ja” te antwoorden.


En daar een boom driemaal schudt

De huwelijksprocessie.

Inhoudsopgave

Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, die zij gedurende verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de dever10 (dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de koom (voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van de kinderen wordt); en de stari-svat, die de tweede getuige bij de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben, die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden.

Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij het volgende:

Een valk vloog van het kasteel

Met een brief onder zijn vleugel

Laat den brief vallen op de knie van den vader,

Zie, vader! De brief zegt u,

Dat uw zoon ver zal reizen,

Over veel stroomende rivieren,

Door veel groene wouden,

Totdat hij u een schoondochter brengt.

Het Tzigan-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën, de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds geleid door een vroolijken jongeling, die een tchoutoura meevoert, (een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder, die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn.

Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt; achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik.

De aankomst.

Inhoudsopgave

Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen, waarin het verdriet wordt uitgedrukt over het vertrek der bruid uit het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd, oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem dan overweldigen, voordat de poorten worden geopend. Natuurlijk is de worstelproef in den regel niet ernstig gemeend. In andere deelen van het land wordt als voorwaarde gesteld, waarop den aangekomenen toegang wordt verleend, dat een hunner een pot of ander terra-cotta vaatwerk, dat aan den top van den schoorsteen bevestigd is, er met zijn pistool afschiet.

Als aan zulke of andere voorwaarden tot genoegen is voldaan, wordt het huwelijksgezelschap in huis toegelaten, en geleid naar tafels, beladen met gebraden lams- en varkensvleesch, koeken, vruchten, wijn en cognac. De vader van de bruid geeft den vader van den bruidegom de eereplaats en onmiddellijk naast hem zit de stari-svat, dan de koom en dan de bruidegom. Als de gasten zijn gezeten, wordt er een groote, platte koek (pogatcha) voor den vader van den bruidegom neergezet en hij legt er eenige goudstukken op; soms ook een geheele keten van gouden ducaten, die de bruid later om haar hals moet dragen. Zijn voorbeeld wordt onmiddellijk gevolgd door den stari-svat, den koom en al de andere gasten. Ten slotte haalt de vader van de bruid de huwelijksgift, die hij zijn dochter meegeeft en plaatst die op den koek. Al het aldus verzamelde geld wordt aan den stari-svat overhandigd, die het te zijner tijd aan de bruid zal geven. Dan brengen de bruidsmeisjes het trouwgewaad naar het vertrek van de bruid, waar zij haar met groote zorg en veel ceremoniën kleeden. Indien haar toilet gemaakt is, neemt een van haar broers of, indien zij die niet heeft, een van haar naaste mannelijke bloedverwanten, haar bij de hand om haar naar de verzamelde familie en vrienden te geleiden. Zoodra zij verschijnt, begroeten de bruiloftsgasten haar met een levendig vuur uit hun pistolen; de bruidsmeisjes geleiden haar naar den bruigom, aan wien zij een bloemkrans aanbiedt. Daarna wordt zij naar den stari-svat en den koom gebracht, wier handen zij kust. Indien deze ceremonie is verricht, gaat zij het huis binnen, waar haar ouders op lage, houten stoelen voor den haard zitten. Daar werpt zij zich neer, en kust den grond voor het vuur. Dat is blijkbaar een overblijfsel van de vuuraanbidding, maar nu het symbool van de vereering van den huiselijken haard. Zoodra zij is opgestaan, kust het meisje de hand van haar vader en moeder, die haar, terwijl zij haar omhelzen, den zegen geven. Nu brengt haar broer of bloedverwant, al naar het geval is, haar terug naar den bruigom en geeft haar met inachtneming van alle vormen aan den dever over, die van dat oogenblik zorg voor haar draagt en haar in de eerste plaats de geschenken geeft, die hij heeft verzameld.

Terugkomst uit de kerk.

Inhoudsopgave

Nadat zij feest hebben gevierd en onthaald zijn, stijgen de gasten te paard en onvermoeid hun pistolen afschietend begeven zij zich met de bruid naar de naaste kerk. Nadat de godsdienstige ceremoniën voorbij zijn, keert het bruiloftsgezelschap terug naar de woning van den bruidegom, waar de bruid van haar paard of uit haar rijtuig moet stappen op een zak haver. Terwijl de anderen het erf opgaan door de hoofdpoort, kiest de bruid meestal een anderen ingang, omdat zij bevreesd is anders betooverd te worden. Zoodra zij binnenkomt, brengen de familieleden van den bruigom haar een bak met verschillende soorten graan, die zij op den grond uitstort, “opdat het jaar vruchtbaar moge zijn.” Dan brengen zij haar een kind van het mannelijk geslacht, dat zij kust, en driemaal opheft. Daarna treedt zij het huis binnen; onder haar armen heeft zij brooden en in haar handen flesschen wijn—zinnebeelden van weelde en voorspoed.

Ofschoon de bruiloftsgasten goed zijn onthaald in de woning der bruid, heeft de reis hun eetlust opnieuw gewekt; daarom nemen zij in dezelfde volgorde als wij reeds genoemd hebben aan tafels plaats en worden zij onthaald op een groot feestmaal. Gedurende dit maal geven de voïvodes en de tchoutouradrager evenals bij het vorige grappen ten beste ten koste van iedereen. Deze vroolijke uitlatingen getuigen, zooals wij reeds hebben gezegd, gewoonlijk niet van zeer goeden smaak, maar niemand voelt er zich door beleedigd, en iedereen lacht hartelijk om de minste aardigheid. Gedurende dit feest, en terwijl de jongelieden nationale dansen (kollo) uitvoeren en de traditioneele bruiloftsliederen zingen, brengt de dever de bruid naar den drempel van haar vertrek (vayat) en geeft haar over aan den koom, die haar nu binnenleidt, haar hand in die van den bruidegom legt en hen alleen laat. De gasten blijven echter vaak in het huis tot het ochtendgrauwen, drinkende en zingende.

Slava (of Krsno Ime)

Inhoudsopgave

Deze gewoonte wordt beschouwd als een overblijfsel uit de tijden, toen de Serviërs tot het christendom werden bekeerd. Iedere Servische familie heeft een dag in het jaar, die bekend is als slava, gewoonlijk den een of anderen heiligendag, waarop zekere ceremoniën worden vervuld, gedeeltelijk van godsdienstigen, gedeeltelijk van maatschappelijken aard. De heilige, dien het hoofd der familie herdenkt als zijn beschermheilige of naamheilige, wordt ook herdacht door zijn kinderen en hun afstammelingen.

Eenige dagen voor de viering komt de priester naar het huis van iederen svetchar—den man, die als hoofd der familie den heilige herdenkt—om het water te zegenen, dat voor dit doel in een specialen bak gereed wordt gehouden, daarna besprenkelt hij het hoofd van alle familieleden met het heilige water, waarin hij een klein takje bazielkruid heeft gedoopt. Hij gaat daarop van kamer tot kamer om overal dezelfde ceremonie te verrichten.

Ten einde hun naamheilige aangenaam te zijn, vasten alle leden der familie een week voor het feest. Den avond voor den heiligen dag wordt voor het beeld van den heilige een kaars aangestoken, die gedurende twee dagen blijft branden. Een of twee dagen voor het feest bereiden de vrouwen een kolatch (een bijzondere koek, gemaakt van tarwebloem) die ongeveer 37½ c.M. middellijn heeft en ongeveer 7½ c.M. dik is. De oppervlakte is verdeeld in vier parten, doordat ze met een kruis is geteekend; elk vierde deel heeft een schild waarop de letters I.N.R.I. staan. In het midden bevindt zich een cirkel, en daarbinnen en poskurnik (monogram van deze initalen). Behalve de kolatch wordt een andere koek gemaakt van witte tarwe, goed gekookt, en vermengd met poedersuiker, gehakte noten en amandelen. Deze wordt kolyivo genoemd (letterlijk: “iets, dat met het mes is gedood”). Dit is blijkbaar een reliquie uit heidensche tijden, toen men met kolyivo de dieren bedoelde, die op het altaar werden geofferd. Toen de Serviërs bekeerd waren tot het christelijk geloof, werd hun gezegd, dat de God der christenen en zijn heiligen geen dierenoffers en nog minder die van een mensch verlangden, en dat daarvoor in de plaats gekookte tarwe moest worden gebruikt. Wel eigenaardig is het, dat kolyivo slechts bereid wordt voor die heiligen, van wie het volk gelooft, dat zij dood zijn en niet voor hen, van wie verondersteld wordt, dat zij nog leven, wat bijv. het geval is met St. Elias (Elyah), de beschermheilige van den donder, en daarom ook wel de “Donderaar” genoemd, de aartsengel Michael en eenige anderen.

De Slava-ontvangavond.

Inhoudsopgave

Op den vooravond van den Slavadag wordt er voldoende voedsel voor de twee volgende dagen gereedgemaakt en tegen zonsondergang zijn al de tafels wel voorzien van ververschingen, berekend op de komst van een groot aantal gasten. Vrienden en bloedverwanten worden door een boodschapper, die daartoe speciaal wordt uitgezonden, genoodigd. In verschillende door het gebruik geijkte vormen wordt deze uitnoodiging overgebracht; een er van is de volgende: “Mijn vader (of mijn oom, al naar het geval is) heeft mij gezonden om u zijn groeten te brengen en noodigt u heden avond in ons huis om een glas cognac te drinken. Wij wenschen met u te deelen de zegeningen, die God en onze beschermheilige over ons hebben uitgestort. Wij vragen u dringend te komen!” Bij deze woorden overhandigt de boodschapper aan den genoodigden gast een tchoutoura, gevuld met wijn en versierd met bloemen, waaruit de gast dan altijd een teug drinkt. Daarna maakt hij het teeken des kruises en zegt: “Ik dank u; dat uw Slava een gelukkige en voorspoedige zij!” Na den wijn geproefd te hebben, vervolgt hij: “Wij zullen ons best doen om te komen. Wij zijn dankbaar voor de uitnoodiging, die ons ten zeerste vereert.” Onveranderlijk spreekt hij deze woorden uit, hetzij hij werkelijk van plan is de uitnoodiging aan te nemen of niet.

Terwijl de boodschapper op weg is om de gasten uit te noodigen, zijn de vrouwen van het huis bezig al de noodige toebereidselen te maken voor hun ontvangst. Elke gast roept, als hij den drempel nadert: “O heer van het huis, zijt gij bereid gasten te ontvangen?” Zoodra hij dat hoort, snelt de svetchar den gast tegemoet en begroet hem met deze woorden: “Zeer zeker ben ik dat en ik hoop, dat er nog veel meer gasten komen even welkom als gij!” Daarna treedt de gast binnen, omhelst den svetchar en zegt: “Ik wensch u een zeer aangenamen avond en een gelukkige Slava!” En dan antwoordt de gastheer als ware dat van zelf sprekend: “Ik dank u en heet u welkom in mijn huis!”

Op dezelfde wijze worden de andere gasten begroet. Indien zij allen aanwezig zijn, noodigt de gastheer hen uit hun handen te wasschen. Want geen Servische boer zou ooit gaan zitten, om voedsel te gebruiken, voordat hij dit had gedaan. Daarna wijst de gastheer ieder zijn plaats aan, altijd met stipte inachtneming van de volgorde, waarop ieders rang hem aanspraak geeft.

De meisjes van het huis dienen cognac rond aan de verzamelde gasten en deze wordt, althans in den winter, gewoonlijk gewarmd, terwijl er honig of suiker aan is toegevoegd. De gasten zijn intusschen blijven staan en wachten zwijgend en eerbiedig tot de ceremoniën van de Slava zullen beginnen.

De gastheer zet in het midden van de tafel een groote waskaars, die hij niet aansteekt, alvorens het teeken des kruises driemaal gemaakt te hebben. Daarna neemt hij een bak, waarin wat gloeiende asch ligt, plaatst daarin eenige stukjes wierook en laat den geur dan opstijgen naar het heiligenbeeld, dat volgens de gewoonte de eereplaats in de woning inneemt. Nog steeds met het wierookvat in de hand staat hij enkele oogenblikken stil voor elken gast. Indien deze plechtigheid voorbij is en er geen priester aanwezig is, noodigt de gastheer zijn gasten uit zelf hun gebed op te zeggen. Veel Servische boeren hebben het talent om geïmproviseerde gebeden op te zeggen en daar is bij deze ceremoniën altijd vraag naar. De gastheer geeft het wierookvat aan zijn vrouw, wier plicht het is toe te zien, dat de damp van den wierook elk deel van het huis bereikt. Daarna verbreekt de gastheer de stilte met het volgende gebed: “Laat ons, o broeders, zeer eerbiedig bidden tot den almachtigen Heer, onzen God, en tot de heilige Drieëenheid! O Heer, Gij almachtig en genadig Schepper van Hemel en Aarde, bevrijd ons, wij bidden het u, van alle onvoorziene kwaad! O, Heilige George! (hier noemt hij den naam van den beschermheilige, wiens feest zij vieren) onze beschermheilige, bescherm ons en wees onze voorspraak bij den Heer onzen God; wij, die hier verzameld zijn, vragen het u. Gij heilige Apostelen, gij vier Evangelisten en pilaren, op wie de hemelen en de aarde rusten, wij, die zondaars zijn, smeeken om uwe bemiddeling;” enz. Als het gebed is geëindigd, maken de gasten verscheidene malen het teeken des kruises en dan begint het avondeten.

Slava toasten.

Inhoudsopgave

Gedurende de eerste twee of drie gangen gaan de gasten door met cognacdrinken; wijn wordt niet gepresenteerd, voordat zij vleesch hebben genomen. Bij het drinken van het eerste glas wijn brengt de oudste gast, of de voornaamste in rang (gewoonlijk is het de dorpsgeestelijke of de burgemeester) den eersten toast, waarvan evenals van alle volgende de bewoordingen door de traditie zijn bepaald. In sommige deelen van Servië brengt de gastheer zelf den eersten toast op den aanzienlijksten van zijne gasten uit, door tot hem de volgende woorden te richten: “Ik dank u, evenals al uw broederen, voor de eer, die u mij genadiglijk bewijst mijn slava met uw tegenwoordigheid te vereeren. Laat ons het eerste glas drinken ter eere van den genadigen God. Waar wijn in zijn naam gedronken wordt, daar moge altijd voorspoed zijn.” De voornaamste gast aanvaardt den toast, maakt het teeken des kruises en antwoordt in de volgende bewoordingen: “Ik dank u zeer, vriendelijke en milde gastheer! Moge uw slava u voorspoed brengen, en laat ons dit tweede glas drinken ‘op het betere uur’.” De derde toast is meestal ter verheerlijking van de Drieëenheid. In het Servisch: Tretya-sretya, sve u slavu Svete Troyitze!

In enkele deelen van Servië worden er zeven of zelfs meer heildronken gebracht, maar deze gewoonte vertoont gelukkig neiging om te verdwijnen.

De ceremonie in de kerk.

Inhoudsopgave

Den volgenden morgen staan al de leden der familie vroeg op, om het huis weer in orde te brengen, en de svetchar gaat naar de naaste kerk. Hij neemt de kolyivo, de kolatch, wat wijn, wierook en een waskaars mee. Al deze dingen plaatst hij voor het altaar, waar zij gedurende den ochtenddienst moeten blijven, waarna de dienstdoende priester in de slavakoek van onderen insnijdingen maakt, die overeenkomen met de lijnen van het kruis aan de oppervlakte. Daarna breekt hij de koek en draait die in een cirkel met behulp van den Svetchar, terwijl zij samen zekere gebeden opzeggen. Nadat deze ceremonie geëindigd is, neemt de gastheer de eene helft van de koek, en laat de andere helft voor den priester. Indien de kerk ver af ligt en de gastheer niet lang van huis kan zijn, dan mag de slavakoek in zijn eigen huis door hem in tweeën worden gesneden met behulp van zijn mannelijke gasten, onder het opzeggen van de voorgeschreven gebeden; terwijl zij in een kring staan, houden zij de koek zoo, dat hun duim er op is geplaatst en zij haar met vier vingers ondersteunen.

Het slava-feest.

Inhoudsopgave

Tegen den middag, eenige minuten voordat de zon haar hoogste punt bereikt, wordt een deel van de slavakoek op de tafel geplaatst met een aangestoken kaars. Aan dit maal in den middag worden gewoonlijk veel meer gasten genoodigd dan bij het avondeten van den vorigen avond, bovendien heeft op dezen dag zelfs een vreemdeling—welke zijn godsdienst ook moge zijn—het recht het huis binnen te gaan en gastvrijheid te verlangen. De koninklijke Prins Marko had bijvoorbeeld veel vrienden onder de Turken en zij kwamen altijd als gast op zijn slavadag. Al de gasten verheffen zich tegelijk van hun zetel, maken met grooten eerbied een kruis, en in volmaakte stilte, met gevulde glazen, wachten zij op de toespraak, die de Svetchar zal houden. Weer worden er drie of misschien meer heildronken uitgebracht en aanvaard en natuurlijk worden even dikwijls de glazen geledigd en weer gevuld, zelfs nog voor het maal van den middag is begonnen. Etend en drinkend ter eere van God, de heilige Drieëenheid, de heilige slava, en zoo voort, blijft men bijeen, tot laat in den nacht, wanneer de gasten zich herinneren, dat het tijd is om naar huis te gaan. Velen brengen echter den geheelen nacht in het huis door en blijven ook nog den volgenden dag. Eenige vereerders van goeden wijn ontzagen zich soms niet drie achtereenvolgende dagen en nachten te blijven. Deze buitengewone toewijding aan de heiligen werd vooral betoond te Nish en in den omtrek daarvan, en leverde den beroemden Servischen romanschrijver Stephanus Strematz de stof voor een van de mooiste en zonder twijfel een van de geestigste romans, die in Servië geschreven zijn.

De dag voor Kerstmis.

Inhoudsopgave

Een ander feest, dat de Serviërs evenals andere volken met vele plechtigheden en gebruiken van onmiskenbaar heidenschen oorsprong vieren, en dat aller hart met vreugde vervult, is het Kerstfeest. Het is zelfs een bekende zegswijs van de Serviërs, dat “er geen dag is zonder licht—noch eenige werkelijke vreugde zonder Kerstmis.”

In den regel staat de Servische boer vroeg op, maar op den dag voor Kerstmis (Badgni dan) is ieder nog vroeger dan gewoonlijk bij de hand. Want het is de dag, waarop ieder lid van het gezin de handen vol werk heeft. Twee of meer der jonge mannen worden van elk huis uitgezonden naar het bosch11 om een jongen eikenboom te hakken en thuis te brengen, die Badgnak wordt genoemd. (De afleiding van het woord ligt in het duister, het is waarschijnlijk afkomstig van den naam van een heidenschen God.)

Als de jonge man, die den boom moet hakken, hem heeft uitgekozen, knielt hij neer en woorden van begroeting prevelend en het bij deze gelegenheid gebruikelijk gebed opzeggend, werpt hij er een handvol koren naar toe; daarna maakt hij driemaal het teeken des kruises en draagt dan zorg den kant, waar hij begint met hakken zoo te kiezen, dat de boom naar het Oosten moet vallen en wel juist op het oogenblik, dat de zon zich boven den horizon vertoont. Hij moet er ook op letten, dat de boom bij het op de aarde vallen geen takken aanraakt van een nabijstaanden boom, anders zou meer dan waarschijnlijk de voorspoed van het huis in het komend jaar worden verstoord. De stam van den boom wordt nu in drie blokken gehakt, waarvan het eene wat langer is dan de beide andere.

Tegen den avond, als alles gereed is en al de leden van de familie verzameld zijn in de keuken, het voornaamste vertrek in de woning, wordt een groot vuur ontstoken en het hoofd van de familie brengt plechtig de Badgnak binnen, die hij zoo op ’t vuur plaatst, dat het dikke einde ongeveer 30 c.M. buiten den haard blijft; ondertusschen spreekt hij op luiden toon zijn goede wenschen uit voor den voorspoed van het huis en alle bewoners.

Op dezelfde manier brengt hij de andere deelen van den Badgnak binnen, en als ze alle drie branden, pakken de jonge herders het grootste blok vast, want zij gelooven door zoo te doen zich de gehechtheid hunner schapen aan haar lammeren te verzekeren, van de koeien aan haar kalveren en van alle andere dieren aan haar jongen.

Op dit oogenblik brengt het oudste lid der familie een bos stroo en overhandigt dien aan de huisvrouw, aan wie hij tegelijkertijd “een goede en gelukkige Badgni dan” wenscht. Dan werpt zij een handvol koren naar hem toe, dankt hem voor het stroo en begint in de keuken en aangrenzende kamers het stroo op den vloer uit te strooien onder het nabootsen van het geklok der hennen, terwijl de kinderen haar vroolijk volgen en de geluiden nabootsen, die jonge kuikens maken.


Terwijl de kinderen haar vroolijk volgen

Indien dit gedaan is, moet om te beginnen de moeder een gele kaars brengen en een aarden bak, gevuld met brandende kolen.

De vader maakt weer eerbiedig een kruis, steekt de kaars aan en doet wat wierook op de asch. Intusschen hebben de overige familieleden zich al in een halven kring opgesteld, waarbij de mannen rechts en de vrouwen links staan. Nu gaat de vader overluid gebeden opzeggen en loopt van het eene einde van den halven kring naar het andere; voor ieder staat hij een korte poos stil, opdat de damp van den rookenden wierook in het wierookvat, dat hij in zijn rechterhand houdt, ieder op zijn beurt in het gelaat komt. De gebeden, die zij bij deze gelegenheid opzeggen, duren ongeveer vijftien of twintig minuten en verschillen in bijna elk district. Na vijftien gebeden nemen zij allen plaats voor het avondeten, dat niet neergezet is op een tafel, maar op den grond. Want het wordt als een goede orthodoxe gewoonte beschouwd om op den avond voor Kerstmis zakken over den steenen of leemen vloer te leggen en kussens in plaats van stoelen te gebruiken. Gedurende het avondeten, waarbij geen vleesch wordt gebruikt, drinkt de huisvader met geestdrift heildronken op de Badgnak, daarbij gelijktijdig zijn wenschen uitsprekende voor hun aller voorspoed in het nieuwe jaar. Hij giet ook een glas wijn over de uitstekende einden van het blok. In verscheidene deelen van Servië vasten al de boeren—mannen, vrouwen, zelfs kleine kinderen—de vijf en veertig dagen voor Kerstmis; zij onthouden zich van vleesch, eieren en melkspijs en eten eenvoudig groenten en vruchten.

Als het avondeten voorbij is, gaat de geheele familie naar bed, behalve een der jonge mannen, die bij het vuur blijft, om toe te zien, dat de Badgnak niet geheel verbrandt en het vuur niet uitdooft.

Kerstdag.

Inhoudsopgave

Algemeen neemt men aan, dat de plechtigheden en gebruiken bij dit kerkelijke feest, dat wij Serviërs in onze eigen taal Bojitch noemen, wat “de kleine God” beteekent, niets anders zijn dan min of meer gewijzigde vormen van aanbidding van den heidenschen god Dabog (of Daybog), dien wij al genoemd hebben.

Onze heidensche voorouders waren gewoon een varken aan hun zonnegod te offeren en in onzen tijd is er geen enkel huis in geheel Servië, waar met Kerstmis niet als een van zelfsprekend feit, gebraden varkensvleesch wordt opgediend. De mannen en jongens van het gezin staan op dien dag heel vroeg op, om een groot vuur op het erf aan te leggen en een speenvarken aan een spit te braden, waarvoor alle voorbereidselen op Badgni dan gemaakt zijn. Op het oogenblik, dat men het kleine varken boven het vuur houdt, wordt er om het te begroeten, heftig met pistolen of geweren geschoten. Daar schot na schot valt, is het duidelijk, dat het geheele dorp in beweging is. Want bijna al de gezinnen in het dorp houden deze gewoonte in eere en elke jongeman beschouwt het als zijn natuurlijke plicht een pistool af te schieten, zoodat de naburige heuvelen telkens weergalmen, alsof er een aanhoudende schermutseling plaats heeft. Nog vroeg in den morgen gaat een der meisjes naar den gemeenschappelijken put om drinkwater te halen, en als zij den put bereikt, brengt zij hem haar groet, wenscht hem een gelukkigen Kerstmis en werpt er gelijktijdig een handvol koren en een bosje of soms alleen een takje bazielkruid in. Het koren wordt geofferd in de hoop, dat de oogst even overvloedig moge zijn als het water, en van het bazielkruid verwacht men, dat het het water altijd helder en zuiver houdt. De eerste beker water, dien zij ophaalt, wordt gebruikt voor het maken van een koek (Thesnitza), die aan den middagmaaltijd in evenveel stukjes wordt gebroken, als het gezin leden telt. Een zilveren geldstuk wordt in het deeg gedaan en hij of zij, die het vindt, wordt beschouwd als een lieveling van het geluk in het komende jaar.

Gedurende den morgen verwacht elk huis een bezoeker (polaznik), die gewoonlijk een jonge knaap is uit een naburig huis. Als de polaznik het huis binnen gaat, breekt hij een klein takje van het einde der smeulende Badgnak, terwijl hij het hoofd van het gezin begroet met de woorden: “Christus is geboren!” en al de anderen antwoorden hem met den kreet “waarlijk, Hij is geboren.” De moeder werpt een handvol tarwe naar hem toe. Dan nadert hij den haard en slaat herhaaldelijk op de Badgnak met het takje, dat hij afgebroken heeft, zoodat duizenden vonken den schoorsteen in vliegen, daarbij spreekt hij zijn heilwenschen uit: “Moge de Heilige Kerstmis dit huis even veel schapen, even veel koeken, even veel bijenkorven (en zoo voort) geven, als er vonken in dit vuur zijn!” Dan legt hij op de Badgnak, hetzij een zilveren, hetzij een gouden geldstuk, dat het hoofd van het gezin behoudt om den smid te geven teneinde het door het ijzer te smelten als zijn nieuwe ploeg wordt gemaakt, want, naar hij meent, is dit een onfeilbaar middel om den grond vruchtbaarder te maken en van tegenspoed bevrijd te blijven. De polaznik wordt natuurlijk uitgenoodigd te blijven en deel te nemen aan den maaltijd en daarna wordt hem een koek voorgezet, die ook een geldstuk bevat, soms van goud, soms van zilver.

Na den maaltijd gaan al de jongelieden naar buiten om de een of andere sport te beoefenen, meestal sledevaren, terwijl de ouderen zich verzamelen rondom een gooslar (een nationalen zanger) en veel, ja eindeloos vermaak scheppen in het luisteren naar zijn voordracht van hun oude balladen.

De Dodola, een godsdienstige plechtigheid.

Inhoudsopgave

De onheilen, die de Servische boeren het meest vreezen, zijn van tweeerlei aard—droogte en zeer hevige stormen. In de heidensche tijden was er een godin, die, naar men geloofde, heerschappij had over de wateren en den regen. Toen de Serviërs tot het christendom bekeerd waren, kenden zij de macht om den oceaan, rivieren en stormen te bedwingen aan St. Nicolaas toe; en de Dalmatiërs, zeevarende lieden, bidden nog altijd alleen tot hem; terwijl men in het hartje van Servië, waar de boeren geen begrip hebben van wat groote schepen, en nog minder van wat zeeën en meren zijn, zijn toevlucht neemt tot de geliefde godin Doda of Dodola, telkens als er een overmatig lange droogte heerscht.

De Dodola is een zeer bijzondere godsdienstige plechtigheid. Gewoonlijk wordt een Zigeunermeisje ontkleed en dan dicht omwikkeld met gras en bloemen, zoodat zij er bijna geheel onder verborgen is. Zij draagt een wijden krans van wilgentakken, doorweven met wilde bloemen om haar middel en heupen en in dit fantastisch gewaad moet zij in het dorp dansende van huis tot huis gaan, terwijl elke huisvrouw een emmer water over haar uitstort en degenen, die haar vergezellen een lied zingen, dat tot refrein heeft: Oy Dodo, oy Dodole.

Val, o regen! en lieflijke dauw!

Oy, Dodo! Oy Dodole!

Verfrisch onze weiden en akkers!

Oy, Dodo! Oy Dodole!

In elken volgenden regel wordt telkens voor een andere graansoort of een andere plant aan Doda gesmeekt er spoedig regen op te doen vallen. Dan geven de vrouwen van de kleine hoeven haar geschenken, hetzij voedsel of geld; en de meisjes zingen andere liederen voor haar, altijd in hetzelfde rhytme, bedanken, bieden haar goede wenschen aan en vertrekken.

De Pinksterdagen.

Inhoudsopgave

Gedurende de Pinksterfeesten gaan ongeveer vijftien meisjes, meestal Christen-Zigeunerinnen, van wie een de Banierdraagster, een andere de koning en weer een andere de koningin (kralyitza) voorstelt, gesluierd en begeleid door een groot aantal eerejonkvrouwen van deur tot deur zingende en dansende het geheele dorp door. Haar liederen hebben betrekking op het huwelijk, de keuze van een man of vrouw, het geluk van het huwelijksleven, de zegen van het bezit van kinderen. Op elk vers van haar liederen volgt het refrein, Lado, oy, Lado-leh!, wat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavonische God der Liefde.

Palmzondag.

Inhoudsopgave

In den winter, juist voor den vastentijd, wordt het groote feest ter eere van den Dood gevierd, waarbij allen plechtig hun gestorven bloedverwanten en vrienden herdenken en zoodra komt niet Palmzondag, of allen vereenigen zich in de viering van het nieuwe leven.

Den voorafgaanden Zaterdag verzamelen de meisjes zich op een heuvel en dragen verzen voor over de Opstanding van Lazarus en op Zondag, voor zonsopgang, komen zij op de plaats samen, waar zij water putten en dan voeren ze haar landelijke dansen (kollo) uit, terwijl zij daarbij een lied zingen waarin o.a. wordt meegedeeld, dat het water dof wordt door het gewei van een damhert en helder door zijn oog12.

St. George’s Dag.

Inhoudsopgave

Met St. George’s Dag, 23 April (Dyourdyev Dan), lang voordat de dag aanbreekt, staan al de leden van een Servisch gezin op en nemen een bad in het water, waarin den vorigen dag voor zonsondergang een aantal grassen en bloemen zijn geworpen—waarvan elk zijn bijzondere beteekenis heeft. Van hem, die niet tijdig opstaat en door de zon in bed wordt verrast, wordt gezegd, dat hij in ongenade is gevallen bij St. George en dientengevolge maar weinig of geen geluk zat hebben, bij al wat hij in de eerstvolgende maanden onderneemt.

Men ziet in deze plechtigheid een bewijs, dat de Servische boeren daarmee hun onafhankelijkheid van de verschillende invloeden der opnieuw ontwakende natuur verzinnelijken.

Ieder, die hun volksgewoonten bestudeert, zal opmerken, dat elk jaargetijde op zijn beurt de Serviërs noopt, wat bij een eenvoudig primitief volk ook zeer begrijpelijk is, om ceremoniën in acht te nemen, die wijzen op de geheimzinnige betrekking, waarin de mensch tot de natuur staat.

1 De mannelijke leden van een Servische familie blijven na hun huwelijk in het ouderlijk huis wonen. Indien het huis te klein is, om het jonge paar te huisvesten, wordt het familiehuis met een bijgebouw vergroot. Op deze manier kan het huis tot in het oneindige uitgebreid worden en het is bekend, dat wel tachtig leden van een familie samen hebben gewoond. Zulke familievereenigingen worden “zadrooga” genoemd.

2 Een van de hoofdpersonen in het drama van koning Nikita “De Keizerin van de Balkanstaten” is een krijgsman, genaamd Peroon.

3 Zie Prins Marko en de “Veela” bladz. 104.

4 Zie De dood van “Marko” bladz. 117.

5 Zie “Het bouwen van Skadar” bladz. 198.

6 Monnik Marcus van Seres: Ζήτησις περὶ βοψλχολάχων, ed. Lambros; Νὲος Ελληνομνήμων I (1904) 336–352.

7 Pleiaden zijn ook bekend onder den naam Sedam Vlashitya.

8 Zie “De Tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz” bladz. 130.

9 Een Servisch woord van Turkschen oorsprong.

10 Deze persoon is gewoonlijk een broer of een zeer intieme vriend van den bruigom. Hij komt eenigszins overeen met den bruidsjonker, maar zijn functies zijn gewichtiger, zooals blijken zal.

11 Bosschen werden tot kort geleden beschouwd als gemeenschappelijk eigendom. Zelfs in onze dagen staat het iederen boer vrij een Badgnak-boom te hakken in welk bosch hij wil, al is het ’t eigendom van vreemdelingen.

12 Aangehaald door den historicus Leopold von Ranke.

Hoofdstuk III. Servische nationale epische poëzie.

Inhoudsopgave

De belangrijkheid van de balladen.

Inhoudsopgave

Dat het Servische volk—als Slavische en christelijke nationaliteit—niet geheel bezweek onder den Ottomaanschen onderdrukker en dat de zuidelijke Slaven na bijna vijf eeuwen van onderwerping aan den Turk nog een diep besef behouden hadden van hun nationale idealen, is voornamelijk te danken aan de Servische nationale poëzie, die in het hart der Balkan-Christenen een diepen haat tegen den Turk levendig heeft gehouden en onder de onderdrukte Serviërs de herinnering levendig hield aan gemeenschappelijk ondernomen pogingen van verzet, welke de nederlaag van den Turk op de slagvelden van Koumanovo, Monastir, Prilip, Prizrend, Kirk-Kilisse en Scoetari ten gevolge had.

Wie heeft deze gedichten geschreven? Wij zouden even goed kunnen vragen, wie is de schrijver van den Ilias en de Odyssee?

Indien Homerus het collectieve pseudoniem is voor een geheele reeks van Helleensche nationale dichters, dan is “het Servische volk” dat van de nationale dichters, die Servische epische gedichten door de eeuwen heen zongen en voor wie het onverschillig was, of hun naam aan hun schepping verbonden werd. De taak van de geleerde Diascevastes uit de eeuw van Pisistratus, welke zij met zooveel bekwaamheid vervulden in het oude Hellas, is in Servië in het begin der negentiende eeuw ondernomen door een boer, die zich zelf had gevormd, den beroemden Vouk Stephanovitch-Karadgitch.

De eerste verzameling van Servische nationale gedichten, die hij neerschreef, zooals hij ze opving van de lippen der gousslari (Servische nationale barden) werd voor het eerst in 1814 te Weenen uitgegeven en niet alleen gretig gelezen in Servië en in de letterkundige kringen van Oostenrijk en Duitschland, maar ook in andere deelen van Europa. Goethe zelf vertaalde een der balladen en zijn voorbeeld werd weldra gevolgd door anderen.

Deze gedichten—gelijk ook uit de voorbeelden in dit boek blijkt—blijven stilstaan bij den roem van het middeleeuwsche Servische rijk, die verloren ging op het noodlottige slagveld van Kossovo (1389).

Toen de Turken de Servische landen onderwierpen en de bloem der Servische aristocratie verdreef, vonden deze mannen een toevlucht in de kloosters en dorpen, waar de Turksche ruiterij nooit kwam. Daar konden zij gedurende eeuwen ongestoord blijven, bezield door de welsprekendheid der Servische monniken, die het als hun plicht beschouwden voor het volk achter hun oude muren de herinnering te bewaren aan oude koningen en tzaren en aan het roemrijk verleden, waarin zij op het toppunt van hun macht stonden.

Beroepsbarden trokken van het eene dorp naar het andere, in eenvoudige, tienlettergrepige verzen de daden bezingend van Servische helden en Haïdooks (roofridders), de eenigen, die nog weerstand boden aan de Turksche wreedheden. De barden brachten nieuws rond van politieke en andere belangrijke gebeurtenissen, dikwijls meer of minder misvormd, en de begaafde Serviërs—want begaafd waren zij en zijn zij nog—vonden het niet moeilijk zich het verhaalde later te herinneren en aan anderen de geschiedenis weer over te brengen, die hun in dichterlijken vorm was meegedeeld. Daar het rhytme van de gedichten gemakkelijk is, en de nationale balladen doortrokken waren van den geest, die elken waren Serviër bezielt, gebeurt het niet zelden, dat een boer, die eens een gedicht heeft gehoord, niet alleen dat kan herhalen, zooals hij het gehoord heeft, maar ook passages improviseert, ja, hij kan soms zelfs geheel oorspronkelijke balladen samenstellen.

In Servisch Hongarije zijn scholen, waar de blinden deze nationale balladen leeren en van de eene jaarmarkt naar de andere trekken, om ze voor te dragen voor de boeren, die daar uit verschillende Servische landen samenkomen. Maar dit is niet de ware methode. In de bergen van Servië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina bestaat er geen gelegenheid ze werktuigelijk te leeren; zij zijn aan allen van kindsbeen af bekend. Indien in den winteravond de leden van een Servische familie rondom het vuur zijn verzameld en de vrouwen spinnen, dan worden er gedichten opgezegd door hen, die ze het best kennen.

De Goussle.

Inhoudsopgave

De balladen worden onveranderd opgezegd onder begeleiding van een primitief instrument met één snaar, een goussle genaamd, dat in bijna elke woning wordt aangetroffen. De populaire Servische dichter Peter Petrovitch liet ons in zijn meesterwerk Gorsky Viyenatz (“De Bergkrans”) de volgende regels na, die een spreekwoordelijke bekendheid hebben gekregen.

Dye se goussle u kutyi ne tchuyn

Tu su mrtva i kutya i lyoudi.

(Het huis, waarin de goussle niet wordt gehoord,

Is dood, en eveneens de menschen, die er wonen.)

De oude mannen met volwassen zonen, die geen harden arbeid behoeven te doen, zeggen de verzen voor hun kleinkinderen op, welke behagen scheppen in de rhythmische poëzie, waaruit zij kennis putten van het verleden. Zelfs de abten van de kloosters achten het niet beneden zich deze balladen voor te dragen en hun zang te begeleiden met de eentonige klanken van de goussle. Maar de uitvoering draagt meer het karakter van een voordracht dan van een lied. De snaar wordt slechts aan het eind van elk vers even geraakt. In enkele deelen van Servië echter wordt op elke lettergreep den nadruk gelegd door een streek met den strijkstok te doen en de laatste lettergreep wordt wat uitgehaald.

Deze epische tienlettergrepige versregels bestaan altijd uit vijf trochaeën; steeds met een rust na den tweeden voet; en bijna elke regel is op zich zelf een volledige zin.

Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in eenig Servisch dorp, waar boeren te zamen komen zonder een goussle-speler, om wien zij zich vereenigen en naar wiens voordrachten zij met genot luisteren. Bij de feesten in de omgeving der kloosters, waar de boeren in grooten getale samenkomen, dragen beroepsgousslars heldenzangen voor en doen daarbij in sommige passages hun gevoel zoo krachtig spreken, dat er ternauwernood een toehoorder is, wiens wangen niet rijkelijk bedauwd zijn van tranen. De muziek is buitengewoon eenvoudig, maar de eenvoud er van vormt een machtig en indrukwekkend contrast met den overvloed van romantiek, die uit de heldendaden van den een of anderen lievelingsheld spreekt—van den koninklijke Prins Marko bijvoorbeeld.

Er zijn vele stoute overdrijvingen in deze nationale liederen en het is niet te verwonderen, dat zij door Westersche critici onderschat werden, wat vooral het geval was met de balladen, waarin de heldendaden van den geliefden Marko bezongen worden—die “zijn zwaren staf omhoog werpt, zoo hoog, dat hij de wolken raakt, en weer opvangt in zijn rechterhand, zonder van zijn trouw strijdros Sharatz af te stijgen”.

Het kan zijn, dat de lezer nu en dan op een passage stuit, die hem wat ruw toeschijnt, maar hij moet bedenken, dat de balladen gewoonlijk door eenvoudige, ongeletterde boeren van geslacht tot geslacht werden overgedragen. De meeste van die, welke de daden van den koninklijken Prins Marko tot onderwerp hebben, dateeren uit het begin der veertiende eeuw, toen de gewoonten, zelfs in Westelijk Europa nog al afweken van die, welke nu heerschen. Mijn vertalingen zijn echter zorgvuldig herzien door mevrouw C.H. Farnam, die groote belangstelling voor het werk koesterde en beproefd heeft het oorspronkelijke tot zijn recht te laten komen, ook daar, waar het ons wat ruw voorkomt. Nadat zij eenigen tijd in Servië had doorgebracht—zooals vele edele Engelsche vrouwen gedaan hebben—de gewonde helden van den Balkan-oorlog verplegende en hun pijnen met onuitsprekelijke teederheid en toewijding verzachtende, voelde zij zich aangetrokken tot het natuurlijke, aangeboren gevoel van eerlijkheid en tot den moed, die haar beschaafden geest in deze eenvoudige Serviërs opviel en sedert strekte zich haar belangstelling ook uit tot hun geschiedenis en letterkunde. Het is opmerkenswaard, dat de geschiedenis van de Servische en andere Zuid-slavische volken, ontwikkeld als ze is door hun poëzie—zoo al niet er geheel door vervangen—daardoor nationaal eigendom is geworden, en zóó in de herinnering van het geheele volk voortleeft, dat een reiziger uit het Westen verbaasd moet zijn, als hij zelfs den meest onwetenden Servische boer hoort vertellen van de oude koningen en tsaren, van de roemrijke dynastie van Nemagnitch en van de daden der nationale helden uit alle tijdperken.

Hoofdstuk IV. Kralyevitch Marko; of de koninklijke prins Marko.

Inhoudsopgave

De Marko Legenden.

Inhoudsopgave

Marko was, zooals wij reeds gezien hebben, de zoon van koning Voukashin; zijn moeder was koningin Helene, die de Servische troubadours in hun liederen en gedichten den liefelijken, dichterlijken naam Yevrossima (Euphrosyne) gaven.

Volgens de overlevering was de prins geboren in het kasteel van Skadar (Scoetari) en zijn moeder, die de zuster was van den meest roemruchten en vermetelen aller ridders, Momtchilo, droeg op haar zoon gelukkig veel van diens heldenmoed en veel van zijn andere deugden over.

Maar er is ook een andere legende, die even populair is, en daarin wordt beweerd, dat Marko het kind was van een veela (feeën-koningin) en van een Zmay (een draak). Zij, die hem deze laatstgenoemde afkomst toeschrijven, verklaren daaruit Marko’s geweldige kracht, die hij dan van zijn vader, den draak, geërfd moet hebben; eveneens wordt daarmee zijn fabelachtig uithoudingsvermogen aannemelijk gemaakt.

In elk geval moet Prins Marko een buitengewoon aantrekkelijke persoonlijkheid geweest zijn; hij maakte zulk een levendigen indruk op het gemoed van het Servische volk van allen rang en stand, dat hij altijd geweest is, tot heden kon blijven en vermoedelijk ook in de toekomst wel blijven zal onze meest geliefde held. Ja, er is geen Serviër te vinden, zelfs niet in de verst verwijderde districten, die geen groote liefde koestert voor Kralyevitch Marko en die u zijn geschiedenis niet kan vertellen.

De heldendaden van dezen dapperen prins zijn gelukkig vereeuwigd door de nationale barden, die zich allen beijveren hem in hun balladen en legenden te beschrijven als een, die het recht lief had en alle onderdrukking haatte en de wreker was van alle onrecht. Hij wordt zonder uitzondering voorgesteld als iemand van groote lichamelijke kracht; zijn voornaamste wapen was zijn zware oorlogsknuppel, die honderd pond woog, zestig pond staal en dertig pond zilver, het overige was zuiver goud. Hierbij heeft men te bedenken, dat de zwaarden en knuppels, die slechts door de menschelijke handen van zijn tegenstanders worden gezwaaid, hem nooit kunnen dooden, zij kwetsen hem evenmin, en kunnen dezen held ternauwernood raken. Hij is in haast alle legenden een bovennatuurlijke persoonlijkheid.

Marko, die zich dikwijls ruw en overijld gedroeg, in het bijzonder tegenover de Turken, wiens sultan hij zelfs geweldig ontstelde met de verhalen, die hij hem deed van zijn vele bloeddorstige en oorlogzuchtige daden, is toch overal, waar daar melding van gemaakt wordt, een zeer gehoorzame, liefhebbende en teergevoelige zoon voor zijn moeder; en er waren gelegenheden, waarbij hij haar raadpleegde en haar raad opvolgde.

Prins Marko was onbevreesd.

Er werd gezegd, dat hij niemand vreesde dan God; en van nature was hij een hoffelijk man jegens vrouwen. In Servië is het de gewoonte veel wijn te drinken, dien rooden wijn, waarvan wij zoo dikwijls hooren; en deze gewoonte hield ook Marko in eere; maar er wordt altijd gezegd, en algemeen geloofd, dat hij nooit dronken werd.

De balladen bezingen ook koning Voukashin; Voukashin was gedurende de regeering van Doushan den Machtige Staatsraad geweest. De hoofdstad van het rijk was Prizrend en Marko werd toen door zijn vader aan het hof grootgebracht. Algemeen wordt verondersteld, dat Marko eenigen tijd later den Keizer als secretaris en staatsraad bijstond en door Doushan, toen deze zijn einde voelde naderen, met de zorg over zijn jongen zoon Ourosh werd belast.

De trouweloosheid van Voukashin.

Inhoudsopgave

Een ballade verhaalt, dat keizer Doushan de kroon had vermaakt aan Voukashin en bij zijn laatsten wil had bepaald, dat die vorst gedurende zeven jaar zou regeeren, doch dat hij na verloop van dien tijd de regeering zou overdragen aan den tsarevitsch Ourosh. Niet alleen verlengde koning Voukashin eigenmachtig zijn regeering tot zestien jaar, maar ook toen weigerde hij beslist den schepter neer te leggen en wat meer zegt: hij riep zich zelf tot Tsaar uit. De ballade beschrijft verder de onophoudelijke binnenlandsche beroeringen, die den val van den Servischen Middeleeuwschen Staat verhaastten. En zoo komt zelfs in de legende de rechtmatige toorn van het volk tegen de rebellen tot uiting en een jammerklacht over den ondergang van het tsarenrijk, wanneer door de overlevering op Voukashin de blaam en den vloek geworpen wordt van een overweldiger en verrader; hij wordt verfoeid om zijn listigheid en trouweloosheid, terwijl zijn zoon Marko als de getrouwe verdediger van Prins Ourosh, verheerlijkt wordt. Deze is de groote wreker van het onrecht, waaronder de geheele natie gebukt gaat en men prijst hem steeds om zijn goed hart, zijn verdraagzaamheid in politieke en particuliere aangelegenheden, zijn menschelijkheid en bovenal, omdat hij steeds bereid was den strijd aan te binden voor de zaak van het recht.

Het paard Sharatz.

Inhoudsopgave

Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit scheidde.

Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte het op tot het prachtige dier, dat het werd.

Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was, elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond te draaien.

Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde Sharatz.

De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi “Markova Livada” (weide van Marko). Sharatz beteekent “gevlekt” en men beweert, dat de huid van Marko’s paard meer op de huid van een os dan op die van een gewoon paard geleek.

De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren, innig aan hem gehecht.

Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het wist precies, hoe het ’t ros van den tegenstander met zijn voorpooten kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen; onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen, die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz hield zorgvuldig de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als “een draak rijdende op een draak.”

Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko’s indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912–1913 nam een gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle1 en droeg zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken verhuisd zijn.

Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog, dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen, waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo2 verloren ging.

Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is bijna op.

Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn.

Inhoudsopgave

Vier tabors3 ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo bij de witte kerk van Samodrezja4. Een leger werd aangevoerd door koning Voukashin; het tweede door den despoot5 Ouglesha; het derde door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin verklaarde: “Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!” Voïvode Goyko riep uit: “Neen! Het keizerrijk behoort mij”, en de despoot Ouglesha viel toornig in: “Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk mij toebehoort”.

De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren een enkel woord te zeggen.

Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was—want hij moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige de laatste biecht had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh.

Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van Nedelyko’s woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden:

“Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!”

Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en antwoordde aldus: “Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!”

Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: “O mijn kinderen, boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar is het kasteel van den koninklijken Prins Marko—Gij weet, dat Marko van mij lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!”

Marko wordt geroepen.

Inhoudsopgave

De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: “O, Marko, mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!”

Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: “Dat God steeds met u zij, o, edele heer Marko!”

De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: “Weest welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is alles wel met den doorluchten tsaar en koning?”

De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: “O, edele heer, zeer koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen.”

De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende woorden: “O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel, waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid, noch om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God, opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen, dan te zondigen tegen je ziel!”

Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde, zag koning Voukashin hem en riep uit:

“O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen, dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het overgaat van vader op zoon!”

Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn hoofd niet naar de tent des konings wenden.

Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: “O, hoe gelukkig voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!” Nog steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de richting van de tent van zijn oom.

Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: “O, dat is een geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen, dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was, had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko, gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds gereed u als uw raadsman terzijde te staan!” Marko zei nog steeds geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz.

Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen, waarop hij rustte en riep uit: “Hoera! Ziedaar mijn peetvader Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!” Zij omhelsden elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats, waarvan Ourosh juist was opgestaan.

Marko vertelt de waarheid.

Inhoudsopgave

Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels, suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude documenten open en zei overluid:

“O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O, dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn opvolger benoemd werd!” Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen, op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden:


Op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken

“Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet, dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?” Plotseling gingen de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag, dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: “Helaas! Ongelukkige man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik heb mijn zoon Marko gedood!” Maar de geheimzinnige stem in de kerk zei: “Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God gekwetst.” Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij vloekte Marko met deze woorden: “O, Marko, mijn eenige zoon, dat God u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij den Turk als vasal hebt gediend!”

In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: “O, mijn geliefde peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in de divan!”6

Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.

Inhoudsopgave

Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: “O, mijn Koula!7 Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en de dochter van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan.” En de daad bij het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel8 van den volgenden inhoud:

“O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan, dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!”

De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder, die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit naar Istamboel terug.

Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand, want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen.

De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe.

Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op, stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap, een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee vaten roode wijn en een mooi meisje. Elk meisje verkocht hij voor veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner boosheid nog niet volgemeten.

De intocht van den Moor.

Inhoudsopgave

De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros, de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: “Hoor, Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw geven?” Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad, voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel, voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen.

Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij:

“Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?”

De Droom van de Sultana.

Inhoudsopgave

Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man verscheen, zeggende: “In het Servische rijk ligt een uitgestrekte vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een oprecht en groot held.”

De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een firman9 en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van den Moor aan te nemen.

Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou de Sultan hem drie tovars10 ducaten van zuiver goud geven.

Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: “In naam van God, ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester—mijn Vader-in-God—zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud, of drie duizend tovars goud doen?”

De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko, die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was, bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan geschonken; want hij dorst niet.

De Prinses doet een beroep op Marko.

Inhoudsopgave

Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven, sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: “Heil u, mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven, noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang, welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen.”

Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef: “Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes, in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen, al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga.”

Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.

Inhoudsopgave

Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder hem te zeggen, wat hij besloten was te doen, ging Marko zijn kasteel binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op; daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel.

Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier, maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond, kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje, bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier.

Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer, en zei overluid: “God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u, want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
499 s. 33 illüstrasyon
ISBN:
4064066072551
Yayıncı:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar