Kitabı oku: «De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina»

Yazı tipi:

Walter Scott

De Talisman; of, Richard Leeuwenhard in Palestina


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066403683

Inhoudsopgave

DE TALISMAN OF RICHARD LEEUWENHART.

HOOFDSTUK I.

HOOFDSTUK II.

HOOFDSTUK III.

HOOFDSTUK IV.

HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK VI.

HOOFDSTUK VII.

HOOFDSTUK VIII.

HOOFDSTUK IX.

HOOFDSTUK X.

HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XII.

HOOFDSTUK XIII.

HOOFDSTUK XIV.

HOOFDSTUK XV.

HOOFDSTUK XVI.

HOOFDSTUK XVII.

HOOFDSTUK XVIII.

HOOFDSTUK XIX.

HOOFDSTUK XX.

HOOFDSTUK XXI.

HOOFDSTUK XXII.

HOOFDSTUK XXIII.

HOOFDSTUK XXIV.

HOOFDSTUK XXV.

HOOFDSTUK XXVI.

HOOFDSTUK XXVII.

HOOFDSTUK XXVIII.


Walter Scott’s Werken.

OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT

DOOR

GERARD KELLER.

DE TALISMAN

OF

RICHARD LEEUWENHART IN PALESTINA.

Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke Engelsche uitgave van Marcus Ward & Co.

Amsterdam. — GEBRs. E. & M. COHEN.

DE TALISMAN OF RICHARD LEEUWENHART.
HOOFDSTUK I.

Inhoudsopgave

Naar ’t barre oord.

Vertrok dit paar, gewapend als ’t behoort.

Het Paradijs herwonnen.

De brandende zon van Syrië had haar hoogsten stand aan den horizon nog niet bereikt, toen een ridder van het roode kruis, die zijn ver afgelegen, noordelijk vaderland verlaten, en zich bij het leger der kruisvaarders in Palestina gevoegd had, langzaam de zandwoestijn doortrok, in de nabijheid der Doode Zee, of zooals men ze noemt, het Asphalt meer, waar de wateren van de Jordaan zich in eene binnenzee storten, wier water niet wegstroomt.

De bedevaartganger in zijn krijgsmansgewaad was in den vroegen morgen over steenbrokken en langs afgronden gekomen, en na die rotsachtige en gevaarlijke wegen getrotseerd te hebben, had hij de groote vlakte bereikt, waar de verdorven steden in ouden tijd door de rechtstreeksche en vreeselijke wraak van den Almachtige waren verwoest.

Vermoeienis, dorst en de gevaren van zijn weg had de reiziger daar vergeten, toen hij aan de vreeselijke gebeurtenis dacht, waardoor de schoone vruchtbare vallei van Siddim, die zoo overvloedig van water was voorzien, als de tuin des Heeren, tot eene woestenij was gemaakt, eene steenachtige vlakte, tot eeuwige onvruchtbaarheid gedoemd.

Hij maakte het teeken des kruises, toen hij die sombere watervlakte vóór zich zag, wier kleur en hoedanigheid verschilde van die van elk ander meer, en hij sidderde bij de gedachte, dat op den bodem van dit stilstaande water eenmaal bloeiende steden zich verhieven, wier graf gedolven was door het onweder uit den hemel of de uitbarsting van een onderaardschen vulkaan en waarvan nu de overblijfselen verborgen waren door deze zee, in wier wateren geen visch meer leeft, wier spiegel geen vaartuig meer draagt en, alsof hare rampzalige bedding alleen slechts hare eigen stilstaande wateren mocht bevatten, ze niet, gelijk andere meren, uitstort in den oceaan. Al het omringende land was, gelijk in de dagen van Mozes, „zwavel en zout; het wordt niet bezaaid, het draagt niet, en er groeit geen gras op.” Het land zoowel als ’t meer kan dood genoemd worden, daar het niets voortbrengt, dat naar plantengroei zweemt; en zelfs in de lucht werden de bewoners gemist, daar deze waarschijnlijk afgeschrikt waren door den reuk van pek en zwavel, die de zengende zon uit de wateren van het meer deed opstijgen in wolken van damp, die vaak den vorm van waterhoozen hebben. Klompen van die slijkachtige, zwavelige zelfstandigheid, welke men naphta noemt, en die langzaam op de onbeweeglijke, sombere wateren dreven, verschaften aan andere nederdalende wolken nieuwe dampen en schenen een akelig bewijs voor de waarheid der geschiedenis van Mozes op te leveren.

Op dit tooneel van verwoesting scheen de zon met bijna ondragelijken gloed; en al wat leeft scheen zich voor hare stralen verborgen te hebben, behalve de eenzame gestalte, die door het opstuivende zand voortschreed en op de onafzienbare oppervlakte van de vallei het eenige wezen scheen dat ademhaalde. De kleeding van den ruiter en de uitrusting van zijn paard schenen met voordracht, als bijzonder ongeschikt voor een reiziger in zulk een klimaat, gekozen te zijn. Een maliënkolder met lange mouwen en ijzeren handschoenen en eene stalen borstplaat werden, naar het scheen, nog niet zwaar genoeg voor zijne wapening geacht; zijn driekant schild hing om zijn hals, en daarbij kwam nog zijn als getraliede stalen helm, waarover een pantserkap hing, die om de schouders en de keel van den krijgsman was bevestigd, en de ruimte tusschen borstharnas en stormkap vulde. Zijne beneden leden waren even als zijn lichaam in buigzaam staal gekleed, dat de beenen en dijen bedekte, terwijl de voeten in geslagen schoenen rustten, gelijk aan zijne handschoenen. Aan zijn eene zijde hing een breed, recht, tweesnijdend zwaard, met een gevest in de gedaante van een kruis, en een groote dolk aan de andere zijde. De ridder omklemde zijn eigenlijk wapen, de lange lans met den stalen kop, die aan zijn zadel bevestigd was en met het uiteinde in zijn stijgbeugel rustte. Deze lans stak onder het rijden naar achteren uit, en het vaantje fladderde in de zwakke koelte of hing onbeweeglijk neder. Bij deze zware uitrusting voege men een vrij versleten overrok van geborduurd laken, die in zoover nuttig was, dat hij de brandende stralen der zon van de wapenrusting afhield, die zij anders onuitstaanbaar voor den drager zouden gemaakt hebben. De overrok was op vele plaatsen met het wapen van den eigenaar geborduurd. Het scheen een liggende luipaard te zijn met de zinspreuk: „ik slaap—wek mij niet.” Een omtrek van dezelfde spreuk had men op het schild kunnen onderscheiden, zoo niet menige slag het beeld bijna uitgewischt had. Het vlakke bovendeel van zijn zware cylindervormigen helm was met geen vederbos versierd. Door hunne eigen zware wapenrusting te behouden, schenen de Noordsche kruisvaarders de natuur te trotseeren van het klimaat en het land, dat zij beoorloogden.

De uitrusting van het paard was niet minder massief en lomp dan die van den ruiter. Het dier had een zwaar met staal belegd zadel, van voren eene soort van borstplaat en van achteren platen tot bescherming van de lendenen. Verder hing eene stalen bijl of hamer, aan zijn zadelboog; de teugels waren door kettingwerk bevestigd en de toom van voren was met een stalen plaat bezet, met openingen voor de oogen en neusgaten, en in het midden met eene korte scherpe piek, die uit het voorhoofd van het paard uitstak, als de horen van den eenhoorn uit de fabel.

Maar de gewoonte had het dragen van den last dezer volle wapenrusting tot eene tweede natuur gemaakt zoowel voor den ridder als voor zijn moedig strijdros. Velen der Westersche krijgers, die naar Palestina trokken, stierven weliswaar eer zij aan het brandend klimaat gewenden; maar er waren anderen, voor wie de luchtstreek onschadelijk en zelfs heilzaam bleek, en tot dit gelukkig aantal behoorde de eenzame ruiter, die nu langs de oevers der Doode Zee reed.

De natuur had aan zijne ledematen eene zeldzame kracht geschonken, die hem in staat stelde om zijn borstharnas van metalen schakels even gemakkelijk te dragen, alsof de mazen van spinnewebben waren gevormd, en tevens een lichaamsgestel, dat daarmede in overeenstemming was, zoodat het bijna alle veranderingen van het klimaat, zoowel als alle vermoeienissen en ontberingen kon trotseeren. Zijne gemoedsgesteldheid scheen in sommige opzichten in de hoedanigheden van zijn lichaam te deelen; en evenals dit groote kracht en volharding bezat, gepaard aan het vermogen tot krachtige inspanning, had de eerste onder een kalm en onverstoord voorkomen veel van de vurige en hartstochtelijke liefde tot roem, die de voornaamste eigenschap van den beroemden Normandischen stam uitmaakte, en hen tot heerschers gemaakt had in elk deel van Europa, waar zij hunne zwaarden hadden getrokken.

Nochtans schonk de natuur niet aan den geheelen stam zulk een aanlokkend loon; en dat, hetwelk de eenzame ridder gedurende een veldtocht van twee jaren in Palestina verworven had, bestond slechts in tijdelijken roem en, zooals men hem geleerd had te gelooven, het heil zijner ziel. Inmiddels was zijn kleine voorraad geld weggesmolten, te meer daar hij geen der gebruikelijke middelen aanwendde, waardoor de kruisvaarders hunne verminderde hulpbronnen ten koste van de inwoners van Palestina trachtten te herstellen; hij vorderde geen geschenken van de arme inboorlingen voor het sparen hunner bezittingen wanneer zij met de Sarracenen in strijd waren, en hij had geen gelegenheid gehad om zich door het losgeld van eenige gevangenen van aanzien te verrijken. Het kleine gevolg, dat hem uit zijn vaderland vergezeld had, was langzamerhand verminderd, naarmate zijne middelen tot het onderhoud ervan afnamen, en zijn eenig overgebleven schildknaap lag thans op een ziekbed, en was buiten staat zijn meester te vergezellen, die, zooals wij gezien hebben, geheel alleen reisde. Dit was voor den kruisvaarder van weinig belang, daar hij gewoon was zijn goed zwaard als zijn veiligst geleide en zijne vrome gedachten als zijn best gezelschap te beschouwen.

De natuur had echter hare eischen op voeding en rust, zelfs voor het ijzeren lichaam en het geduldig karakter van den ridder van den Liggenden Luipaard, en des middags, toen de Doode Zee op eenigen afstand van zijne rechter zijde lag, begroette hij verheugd het gezicht van twee of drie palmboomen, die oprezen aan den rand van de bron, welke voor zijn middagsrustplaats bestemd was. Zijn goed paard, dat met dezelfde standvastige volharding als zijn meester voortgestapt was, verhief nu ook den kop, spalkte zijn neusgaten open, en verhaastte zijn schreden, alsof het van verre het levende water rook, dat de plaats van rust en verversching zijn moest. Maar er zou nog heel wat inspanning vereischt en gevaar getrotseerd moeten worden, eer het paard en zijn ruiter de verlangde plek bereikten.

Terwijl de ridder van den Liggenden Luipaard zijn oogen aandachtig op de nog ver afgelegen groep palmboomen vestigde, scheen het hem toe, of een voorwerp daaronder en in den omtrek zich bewoog. De verwijderde gedaante scheidde zich van de boomen, die deze bewegingen gedeeltelijk verborgen, en naderde den ridder met een snelheid, die hem weldra een ruiter deed onderscheiden, dien zijn tulband, zijn lange speer en zijn in den wind fladderende groene kaftan bij zijn verdere nadering als een Saraceensch’ ridder deden kennen. „In de woestijn”, zegt een Oostersch spreekwoord, „ontmoet niemand een vriend.” De kruisvaarder was geheel onverschillig, of de ongeloovige, die thans op zijn moedig ros naderde, alsof hij op de vleugelen van een arend gedragen werd, als vriend of vijand kwam—misschien zou hij, als een gewijde kampvechter voor het Kruis, het laatste hebben moeten wenschen. Hij maakte zijn lans van zijn zadel los, greep die met de rechterhand, legde haar met de punt half omhoog in rust, nam de teugels in de linkerhand, en bereidde zich voor om den vreemdeling tegemoet te gaan, met het geruste zelfvertrouwen van een man, die reeds in verscheidene gevechten de zege had behaald.

De Saraceen kwam nader in den snellen galop van een Arabisch ruiter, die zijn ros meer met zijn beenen en de bewegingen van zijn lichaam bestuurt dan door middel van de teugels, die los in zijn linkerhand hingen, zoodat hij in staat was, om den lichten ronden beukelaar van rhinoceros-vel, met zilveren kwasten versierd, dien hij aan den arm droeg, te gebruiken, dien zwaaiende alsof hij door die kleine schijf den geweldigen stoot van de Westersche lans wilde afweren. Zijne eigen lange speer was niet in rust gelegd, zooals die van zijne tegenpartij, maar hij vatte ze met zijne rechterhand en zwaaide haar een arms lengte boven zijn hoofd. Daar de ruiter zijn vijand in volle ren naderde, scheen hij te verwachten, dat ook de ridder van den Luipaard zijn paard in galop zou brengen om hem te ontmoeten. Maar de Christen-ridder, wel bekend met de gewoonte der Oostersche krijgers, wilde zijn goed paard niet door nuttelooze bewegingen vermoeien; integendeel bleef hij doodstil staan, vertrouwende dat, als zijn vijand tegen hem botste, zijn eigen zwaarte en dat van zijn zwaar geharnast paard, hem een genoegzaam voordeel zou verschaffen, onder de bijkomende hulp eener snelle beweging. Even gevoelig en bevreesd voor zulk een waarschijnlijke uitkomst, wendde de Sarraceensche ruiter, toen hij op een afstand van twee lansen den Christen genaderd was, zijn paard met onnavolgbare behendigheid naar de linkerzijde, en reed twee malen om zijn tegenpartij heen, die zich keerende zonder van de plek af te gaan waar hij stond en steeds zijn voorhoofd zijn vijand aanbiedende, diens poging om hem op eene onbewaakte zijde aan te vallen, teleurstelde, zoodat de Sarraceen, zijn paard wendende, zich op een afstand van honderd meter terugtrekken moest. Voor de tweede maal, evenals een valk op den reiger, vernieuwde de Moor den aanval, en andermaal was hij verplicht zich terug te trekken zonder tot een eigenlijk gevecht te komen. Voor de derde maal naderde hij op dezelfde wijze, toen de Christen-ridder, dit spiegelgevecht willende eindigen, waarin hij ten laatste door de snelheid van zijn vijand had kunnen afgemat worden, plotseling de knots greep, die aan zijn zadelboog hing, en dien met krachtigen arm en zekere richting tegen het hoofd van den Emir wierp, want dit en niets minder scheen zijn tegenpartij te zijn. De Sarraceen bemerkte nog te juister tijd het vreeselijke wapen, om zijn licht schild tusschen de knots en zijn hoofd te brengen; maar door de onstuimigheid van den slag stootte het schild op zijn tulband, en ofschoon deze scheidsmuur de kracht ervan verzwakte, werd de Sarraceen van zijn paard geworpen. Eer de Christen van dit ongeluk voordeel kon trekken, sprong zijn vlugge vijand van den grond op en, zijn paard roepende, dat dadelijk aan zijne zijde terugkeerde sprong hij in den zadel, zonder aan den stijgbeugel te raken, en herkreeg al het voordeel, waarvan de ridder van den Luipaard gehoopt had hem te berooven. Maar laatstgenoemde had in dien tusschentijd zijne knots terugbekomen, en de Oostersche ruiter, die zich de kracht en de behendigheid herinnerde, waarmede hij daarvan gebruik had gemaakt, scheen zich voorzichtig buiten het bereik van dat wapen te houden, waarvan hij nog zoo kort geleden het geweld gevoeld had, terwijl hij een voornemen toonde, om uit de verte met zijn eigen schichten te vechten. Zijn lange speer op een afstand van de strijdplaats in het zand zettende, spande hij met groote behendigheid een korten boog, dien hij op zijn rug droeg, en zijn paard in galop brengende, maakte hij andermaal twee of drie kringen van grooter uitgestrektheid dan te voren, gedurende welke hij zes pijlen op den Christen afschoot met zulk een vastheid en behendigheid, dat de deugdzaamheid van zijn harnas alleen dezen vrijwaarde van op even zoo vele plaatsen gewond te worden. De zevende schicht vond, naar het scheen, een minder volmaakt gedeelte in de wapenrusting, want de Christen stortte log van zijn paard. Maar hoe groot was de verbazing van den Sarraceen, toen hij, van zijn paard stijgende, om den toestand van zijn gevallen vijand te onderzoeken, zich plotseling door den Westerling gegrepen voelde, die tot deze krijglist zijne toevlucht genomen had om zijn vijand binnen het bereik te brengen! Zelfs in dezen doodelijken strijd werd de Sarraceen door zijne vlugheid en tegenwoordigheid van geest gered. Hij maakte den zwaardkoppel los, waarbij de ridder van den Luipaard hem gegrepen had, en op die wijze diens noodlottige handen ontsnappende, steeg hij weder op het paard, dat zijne bewegingen met het verstand van een menschelijk wezen scheen gade te slaan, en reed weder weg. Maar in den laatsten strijd had de Sarraceen zijn zwaard en zijn pijlkoker verloren, die beide aan zijn gordel vastzaten, en die hij verplicht was geweest in den steek te laten. Ook was zijn tulband in de worsteling hem ontvallen. Deze nadeelen schenen den Mahomedaan tot een wapenstilstand geneigd te maken. Hij naderde den Christen met zijn rechterhand uitgestrekt, maar niet langer in een dreigende houding.


„Er bestaat een wapenstilstand tusschen onze natiën,” zeide hij in de Frankische taal (lingua franca), die gewoonlijk gebruikt werd om met de kruisvaarders te spreken; „waarom zou er oorlog tusschen u en mij zijn?—laat er vrede onder ons zijn.”

„Ik heb er niets tegen”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard; „maar welke zekerheid biedt gij aan, dat gij den wapenstilstand zult eerbiedigen?”

„Het woord van een aanhanger van den Profeet werd nooit verbroken”, zeide de Emir. „Het is van u, dappere Nazarener, dat ik een borg zou vragen, zoo ik niet wist, dat verraad zelden met moed gepaard gaat.”

De kruisvader gevoelde, dat het vertrouwen van den Muzelman hem wegens zijn eigen wantrouwen beschaamd maakte.

„Bij het kruis van mijn zwaard”, zeide hij, terwijl hij onder het spreken de hand aan dit wapen sloeg, „ik wil een trouwe makker voor u zijn, Sarraceen, zoolang ons lot wil, dat wij ons in elkanders gezelschap bevinden.”

„Bij Mahomed, den Profeet van God, en bij Allah, den God van den Profeet”, hervatte zijn voormalige vijand; „er woont geen verraad tegen u in mijn hart. En nu laat ons naar gindsche fontein gaan, want het uur der rust is daar, en de stroom had nauwelijks mijne lippen aangeraakt, toen ik door uwe nadering ten strijd werd geroepen.”

De ridder van den Liggenden Luipaard gaf zijne toestemming gaarne en welwillend te kennen; en de beide mannen, die nog zoo kort geleden vijanden geweest waren, reden zonder een toornigen blik of eenige verdachte beweging naast elkander naar de kleine groep van palmboomen.

HOOFDSTUK II.

Inhoudsopgave

Tijden van gevaar hebben altijd in zekere mate hunne oogenblikken van wederzijdsche welwillendheid en veiligheid; en dit was inzonderheid het geval in de dagen van het leenstelsel, waarin de zeden den oorlog als de voornaamste en waardigste bezigheid van het menschdom beschouwden, terwijl de tusschenpoozen van vrede, of liever van wapenstilstand, zeer aangenaam waren voor de krijgers, aan wie zij zelden gegund werden, en te dierbaarder door de omstandigheden zelve, die ze zoo kort van duur maakten. Het was de moeite niet waard, eene voortdurende vijandschap tegen een vijand te behouden, met wien een krijgsman heden gevochten had, en tegen wien hij den volgenden dag mogelijk weder de doodelijke wapens zou voeren. De tijd en de omstandigheden verschaften zoo veel gelegenheid om te voldoen aan hevige hartstochten, dat mannen, wanneer zij niet bijzonder vijandig tegen elkander, of door de herinnering aan persoonlijke beleedigingen verbitterd waren, in gezelschap vroolijk de korte tusschenpoozen genoten van vreedzame omgang, die een krijgshaftig leven toeliet.

Het verschil van godsdienst, en zelfs de dweepzieke ijver, die de aanhangers van het Kruis en de Halve Maan tegen elkander verbitterde, werd veel verzacht door een gevoel, zoo natuurlijk aan edelmoedige strijders, en dat bijzonder door den geest van de ridderschap aangewakkerd werd. Deze laatste machtige drijfveer had zich geleidelijk van de Christenen tot hunne aartsvijanden: de Sarraceenen in Spanje zoowel als in Palestina uitgebreid. De laatsten waren in werkelijkheid niet meer die dwepende wilden, die uit het hart der Arabische woestijnen waren gekomen, met het zwaard in de eene hand en den Koran in de andere, om den dood of het Mahomedaansche geloof, of ten minste slavernij en cijnsplicht te brengen aan allen, die het waagden aan het geloof van den profeet van Mekka weerstand te bieden. Deze keus was weliswaar aan de onkrijgshaftige Grieken en Syriërs gelaten; maar in den strijd met de westersche Christenen, die door een even vurigen ijver als zijzelven bezield waren, en een even onverwinnelijken moed, eene even groote behendigheid en even veel geluk in de wapenen bezaten, namen de Sarraceenen langzamerhand een gedeelte van hunne zeden en inzonderheid van die ridderlijke gebruiken over, die zoozeer berekend waren om het gemoed van een trotsch en veroveringszuchtig volk te bekoren. Zij hadden hunne toernooien en ridderspelen; zij hadden zelfs hunne ridders of een daarmede overeenstemmenden rang; en bovenal hielden de Sarraceenen hun gegeven woord met eene stiptheid, die somtijds hen, die een beteren godsdienst beleden, had kunnen beschamen. Hunne wapenstilstanden, hetzij tusschen natiën of individuen, werden getrouw in acht genomen; en zoo gaf de oorlog, op zich zelf misschien de grootste der rampen, toch gelegenheid tot het aan den dag leggen van goede trouw, edelmoedigheid, goedertierenheid, en zelfs daden van vriendschap, die minder vaak in rustige tijden voorkomen, daar de driften der menschen, die onrecht lijden of een twist hebben, welke niet dadelijk beslist kan worden, gewoonlijk lang voortsmeulen in den boezem van hen, welke het ongeluk hebben hun prooi te worden.

Het was onder den invloed van deze milde gevoelens, die de gruwelen des oorlogs lenigen, dat de Christen en de Sarraceen, die nog zoo kort geleden getracht hadden, elkander te dooden, langzaam naar de fontein der palmboomen reden, waarnaar de ridder van den Liggenden Luipaard op weg geweest was, toen hij midden in zijn tocht door zijn vluggen en gevaarlijken vijand was opgehouden. Elk van hen was gedurende eenigen tijd met zijne eigen gedachten vervuld, en schepte adem na eene ontmoeting, die gedreigd had voor een van beiden noodlottig te worden, terwijl hunne goede paarden de rustpoos niet minder schenen te genieten. Dat van den Sarraceen, ofschoon het zich sneller en over een uitgestrekter terrein had moeten bewegen scheen evenwel minder van de vermoeienis geleden te hebben, dan het ros van den Europeeschen ridder. Dit dampte nog van ’t zweet, terwijl de edele Arabier reeds geheel gedroogd was in den korten tijd eener meer bedaarde beweging, de vlekken schuim uitgezonderd, die nog aan zijn toom en zijn schabrak zichtbaar waren. De zandgrond, dien het paard van den Christen betrad, vermeerderde zijn leed door de zwaarte van zijn eigen uitrusting en het gewicht van zijn ruiter zoo zeer, dat deze uit den zadel sprong, en zijn ros langs de dikke laag stof van den verzengden bodem leidde, die door de zon tot eene zelfstandigheid verbrand was, vluchtiger dan het fijnste zand. Zoo gaf hij het getrouwe dier verlichting, tot zijn eigen nadeel want in zijn ijzeren wapenrusting zonk hij bij iedere schrede, die hij op een zoo lichte en weerstandlooze oppervlakte deed, tot over zijne stalen schoenen daarin weg.

„Gij hebt gelijk”, zeide de Sarraceen; en dit was het eerste woord, dat een van beiden sedert het sluiten van den wapenstilstand gesproken had—„uw sterk paard verdient uwe zorg; maar wat doet gij in de woestijn met een dier, dat bij elken stap tot over de hoef wegzinkt, alsof het elken voet zoo diep wilde planten als de wortel van een dadelboom?”

„Dat is waar, Sarraceen”, antwoordde de Christen-ridder, niet bijzonder ingenomen met den toon, waarop de ongeloovige zijn geliefkoosd paard beoordeelde—„het is waar, volgens uwe kennis en opmerking. Maar mijn goed paard heeft mij vroeger in mijn vaderland over een even wijd meer gedragen, als gij ginds achter ons uitgebreid ziet, en toch geen haar boven zijn hoef nat gemaakt.”

De Sarraceen zag hem zoo verbaasd aan, als de zeden zijns lands hem veroorloofden te betoonen, daar deze slechts door een kleinen zweem van een verachtelijken glimlach uitgedrukt werd, die nauwelijks merkbaar den breeden, zwaren knevel, welke zijne bovenlip bedekte, deed bewegen.

„Men zegt zeer terecht,” zeide hij, dadelijk zijn gewonen kalmen ernst weder aannemende,—„luister naar een Frank, en gij hoort eene fabel.”

„Gij zijt niet beleefd, ongeloovige”, hervatte de kruisvaarder, „daar gij twijfelt aan het woord van een man, die tot ridder geslagen is; en zoo het niet was, dat gij uit onkunde en niet uit boosheid des harten spraakt, dan zou onze wapenstilstand een einde nemen, eer deze goed begonnen was. Meent gij, dat ik u een onwaarheid verhaal, wanneer ik u zeg, dat ik, met een vijfhonderd ruiters in volle wapenrusting, gereden heb—en dat wel verscheidene mijlen ver—op water zoo vast als het kristal en tien mijlen minder broos?”

„Wat wilt gij mij wijsmaken?” antwoordde de Muzelman; „dit meer, waarop gij wijst, heeft de eigenaardigheid, dat het wegens den bijzonderen vloek van God niets in zijne wateren laat verzinken, maar alles draagt en op zijn oever werpt; maar noch de Doode Zee, noch een der zeven oceanen, die de aarde omringen, kunnen op hunne oppervlakte de drukking van een paardenhoef verdragen, evenmin als de Roode Zee den doortocht van Farao en zijne bende duldde.”

„Gij spreekt de waarheid naar uwe kennis, Sarraceen,” zeide de Christen-ridder, „en toch, geloof mij, ik lieg niet naar de mijne. De hitte maakt in dit klimaat den bodem even onvast als water; en in mijn land maakt de koude dikwijls alles zoo hard als eene rots. Laat ons hierover niet langer spreken; want de gedachten aan den kalmen, helderen, blauwen weerschijn van een wintermeer, dat bij ’t licht van maan en sterren schemert, verhoogt ’t verschrikkelijke van deze brandende woestijn, waar, dunkt mij, de lucht zelve, die wij inademen, gelijkt aan den damp van een zeven maal verhitten smeltoven.”

De Sarraceen zag hem met eenige oplettendheid aan, alsof hij ontdekken wilde, in welken zin hij woorden moest opvatten, die voor hem òf iets geheimzinnigs moesten bevatten òf een bedrog. Eindelijk scheen hij het met zichzelven eens te zijn, op welke wijze hij de taal van zijn nieuwen makker moest opvatten.

„Gij behoort,” zeide hij, „tot een volk, dat van scherts houdt, en gij drijft den spot met u zelven en met anderen, door te verhalen wat onmogelijk is, en te vertellen wat nooit gebeurd is. Gij zijt een der ridders van Frankrijk, die het voor een genoegen en tijdverdrijf houden, om heldendaden te verhalen, die boven menschelijke macht verheven zijn. Ik zou ongelijk hebben, als ik u thans voor die woorden ter verantwoording riep, daar het schertsen u meer eigen is dan de waarheid.”

„Ik ben noch uit het land noch handel naar hunne gewoonte,” antwoordde de ridder, „van hen, die, zooals gij terecht aangemerkt hebt, schertsen over hetgeen zij niet kunnen volvoeren. Maar hierin heb ik hunne dwaasheid nagevolgd, dappere Sarraceen, dat door met u over dingen te spreken, die gij niet kunt verstaan, ik zelfs door het spreken der zuiverste waarheid het karakter van een pocher in uwe oogen verkregen heb; laat in dien zin, bid ik u, mijn woorden gelden.”

Zij waren thans aan de groep palmboomen gekomen en de fontein, die in hunne schaduw in overvloed opwelde.

Wij hebben van een oogenblik wapenstilstand in het midden van den oorlog gesproken; en dit, een liefelijke plek te midden van eene onvruchtbare woestijn, was niet minder dierbaar aan de verbeelding. Het was een tooneel, dat misschien elders weinig de aandacht zou getrokken hebben; maar als de eenige plek op eene onafzienbare vlakte, die de verfrissching van schaduw en versch water aanbood, maakten deze zegeningen, welke daar, waar zij algemeen zijn, op geringen prijs gesteld worden, de fontein en hare nabijheid tot een klein paradijs. De eene of andere milde of liefderijke hand had, vóór dat de noodlottige dagen voor Palestina begonnen, de fontein met een muur en een gewelf beschut, om te beletten, dat zij door de aarde ingezogen of onder de dichte wolken stof, waarmede het minste windje de woestijn bedekte, bedolven werd. Het gewelf was thans gebroken en gedeeltelijk vervallen; nochtans stak het er nog zoo ver over heen, dat het de zon voor een groot gedeelte van het water der fontein afhield, dat, nauwelijks door een enkelen straal beschenen, terwijl alles rondom gloeide, in eene gestadige rust lag, die even aangenaam was voor ’t oog als voor ’t gemoed. Dit water, van onder het gewelf wegkabbelende, werd eerst door een marmeren bekken opgevangen, dat wel is waar zeer verminkt was, maar toch het oog nog liefelijk aandeed omdat het bewees, dat die plaats in oude tijden als eene rustplaats beschouwd werd, dat de hand der menschen hier geweest was, en dat men hier eenigermate aan het genot van den mensch had gedacht. De dorstige en vermoeide reiziger werd door deze blijken herinnerd, dat andere soortgelijke moeilijkheden doorstaan, op dezelfde plaats gerust, en zonder twijfel hun weg veilig naar eene vruchtbaarder landstreek gevonden hadden. Voorts diende de kleine, nauwelijks zichtbare stroom, die uit het bekken vloeide, om de weinige boomen te voeden, die de fontein omringden, en de plek, waar zij in den grond zonk en verdween, vertoonde zich als een tapijt van fluweelachtig groen.

Op deze bekoorlijke plaats hielden de twee krijgslieden stil, en ieder ging naar eigen wijze te werk om zijn paard van zadel, gebit en teugels te ontdoen; zij lieten de dieren bij het bekken drinken, eer zij zich zelven uit de hoofdbron, die onder het gewelf ontsproot, verfrischten. Zij lieten toen de paarden losloopen, overtuigd, dat hun eigen belang en hunne gewoonten hen zouden verhinderen, om zich van het zuivere water en het versche gras te verwijderen.

De Christen en de Sarraceen plaatsten zich vervolgens te zamen op het gras, en haalden ieder den kleinen voorraad mondkost voor den dag, die zij ter hunner verkwikking bij zich voerden. Eer zij echter hun matigen maaltijd aanvingen, zagen zij elkander aan met die nieuwsgierigheid, welke de felle en onbesliste strijd, dien zij zoo kort gelegen met elkander gehad hadden, berekend was in te boezemen. Elk van hen was begeerig om de kracht van een zoo geduchten tegenpartij te meten, en zijn karakter te schatten, en elk was gedwongen te erkennen, dat, zoo hij in den strijd bezweken ware, het door eene edele hand zou geweest zijn.

De kampioenen vormden een in het oog vallend contrast in voorkomen en gelaatstrekken, en hadden zeer geschikt hunne verschillende natiën kunnen vertegenwoordigen. De Frank scheen een sterk man, naar den ouden Gotischen vorm gebouwd, met bruin haar, dat, toen hij den helm afzette, in dichte weelderige lokken zijn hoofd bedekte. Zijn gelaat had door het heete klimaat een veel donkerder kleur gekregen, dan die deelen van zijn hals, welke minder waren blootgesteld, of zijn vol, open, blauw oog, de kleur van zijn haar en van de knevels, die zijne bovenlip overschaduwden, terwijl zijne kin naar Normandisch gebruik met zorg geschoren was, deden vermoeden. Zijne welgevormde neus was van Griekschen vorm; zijn mond een weinig groot in evenredigheid, maar vol van regelmatige sterke en schoone witte tanden; zijn hoofd was klein en rustte bevallig op den hals. Zijn ouderdom kon niet boven de dertig jaren zijn; maar zoo men de uitwerkselen van vermoeienis en luchtgestel in aanmerking nam, was hij zeker wel drie of vier jaren beneden dien leeftijd. Zijne gestalte was lang, sterk en gespierd, gelijk die van een man, wiens kracht later in jaren gezet kon worden, maar tot nog toe met lichtheid en vlugheid gepaard ging. Zijne handen bleken, nadat hij zijne stalen handschoenen had uitgetrokken, lang, schoon en goed geëvenredigd te zijn; en de armen zelven waren bijzonder welgemaakt en gespierd. Eene krijgshaftige stoutheid en zorgelooze vrijheid van uitdrukking onderscheidden zijne taal en bewegingen; en zijne stem was die van een man, die meer gewoon was om te bevelen dan te gehoorzamen, en zijne gevoelens luid en stout placht uit te spreken, zoodra hij daartoe geroepen werd.

De Sarraceensche emir stak in het oog vallende af bij den Westerschen kruisvaarder. Zijne gestalte, weliswaar boven de middelmatige lengte, was minstens drie duim kleiner dan de Europeaan, wiens grootte aan het reusachtige grensde. Zijne ranke leden en lange magere handen en armen, ofschoon zij wel aan zijn persoon geëvenredigd waren en met den vorm van zijn gelaat overeenstemden, schenen bij den eersten oogopslag niet de veerkracht en sterkte aan te duiden, die hij zoo kort geleden aan den dag gelegd had. Maar als men hem meer van nabij beschouwde, bespeurde men dat zijne ledematen, waar die te voorschijn kwamen, als het waren vleeschloos waren, zoodat er niets dan been en zenuwen waren overgebleven. Zijne gestalte scheen veel meer voor beweging en vermoeienis bestemd dan die van zijn kolossalen tegenstander, wiens kracht en grootte een tegenwicht in zijne zwaarte hadden, en die door zijne eigen bewegingen uitgeput werd. Het gelaat van den Sarraceen had natuurlijk eene algemeene nationale gelijkenis met het Oostersche volk, waarvan hij afstamde, en week in de hoogste mate af van de overdreven schilderingen, welke de minnezangers van dien tijd gewoonlijk van de ongeloovige strijders maakten en de fabelachtige afbeeldingen, die eene daarmede verwantschapte kunst nog op uithangborden van herbergen vertoont. Zijn gelaat was klein, welgemaakt en fijn gesneden, ofschoon zeer verzengd door de Oostersche zon, en eindigde in een golvenden en gekrulden baard waarvoor bijzondere zorg scheen te worden gedragen. De neus was recht en regelmatig, de oogen scherp, diep in het hoofd liggende, zwart en fonkelend, terwijl zijne tanden het ivoor van zijne woestijnen in witheid evenaarden. Kortom, de persoon en gestalte van den Sarraceen, op de zoden naast zijn krachtigen vijand uitgestrekt, had kunnen vergeleken worden bij zijn glinsterende en halvemaansgewijze gevormde sabel, met haar smallen en lichten, maar blanken en scherpen Damascener kling, tegen het lange en zware Gotische zwaard, dat ontbloot op hetzelfde gras lag. De emir was in den bloei des levens, en zou misschien bij uitstek schoon genoemd mogen worden, ware zijn voorhoofd niet zoo smal en zijn gelaatstrekken te dun en te scherp, tenminste voor de Europeesche wijze om de schoonheid te beoordeelen.

De manieren van den Oosterschen krijgsman waren ernstig, bevallig en wellevend; zij vertoonden evenwel in eenige bijzonderheden de gewone terughouding, die menschen van een warm en driftig karakter dikwijls als eene wacht over hunne aangeborene heftigheid bezigen, en tegelijk een gevoel van zijn eigen waardigheid, die hem eene zekere plechtigheid van gedrag oplegde.

Dit trotsch gevoel van meerderheid koesterde misschien evenzeer zijn nieuwe Europeesche bekende, maar de uitwerking was verschillend; en hetzelfde gevoel, dat den Christen ridder een stout, driest en eenigszins onachtzaam gedrag deed aannemen, als een man, die te wel bewust was van zijn eigen gewicht om zich om de meening van anderen te bekreunen, scheen den Sarraceen eene beleefdheid voor te schrijven, die meer bestudeerd was en aan de vormen gehecht. Beide waren wellevend; maar de beleefdheid van den Christen scheen eer voort te vloeien uit een goedhartig gevoel van hetgeen hij anderen verschuldigd was; die van den Muzelman uit eene hooge bewustheid van hetgeen men van hem verwachten kon.

De mondkost, dien ieder met zich voerde, was eenvoudig, maar de maaltijd van den Sarraceen was zeer matig. Een hand vol dadels en een stug grof gersten brood was tot stilling van zijn honger voldoende, daar zijne opvoeding hem gewend had aan de kost van de woestijn, ofschoon de eenvoud der Arabieren, sedert hunne Syrische veroveringen, dikwijls plaats maakte voor de meest onbeteugelde verkwistingen der weelde. Eenige teugen uit de liefelijke fontein, waarnaast zij rustten, voltooiden zijn maaltijd. Die van den Christen was, ofschoon niet fijn, toch smakelijker. Gedroogd varkensvleesch, de afschrik van den Muzelman, vormde het hoofdbestanddeel; en zijn drank, die uit eene lederen flesch kwam, bestond uit iets beters dan zuiver water. Hij at met meer eetlust en dronk met schijnbaar grooter genot, dan de Sarraceen gepast vond bij het volbrengen van een bloot lichamelijke verrichting aan den dag te leggen; en zonder twijfel werd de geheime minachting, die de een jegens den ander koesterde, als de lijder van een valschen godsdienst, in hooge mate vermeerderd door het in het oog vallend verschil van hunne spijzen en zeden. Maar elk had de kracht van den arm zijns tegenstanders gevoeld, en de wederkeerige achting, welke die stoute kampstrijd teweeg gebracht had, was genoeg om andere en mindere beweegredenen te doen zwichten. Nochtans kon de Sarraceen niet nalaten over de omstandigheden na te denken, die hem in het gedrag en de zeden van den Christen mishaagden; en nadat hij gedurende eenigen tijd in stilte getuige was geweest van den sterken eetlust, die den maaltijd van den ridder nog deed voortduren, toen de zijne reeds lang afgeloopen was, sprak hij hem aldus aan:


„Dappere Nazareër, betaamt het, dat iemand, die als een man kan vechten, zich voedt als een hond of wolf? Zelfs een ongeloovige Jood zou ijzen voor het voedsel, dat gij eet, alsof het eenen vrucht der boomen van het paradijs geweest ware.”

„Dappere Sarraceen”, antwoordde de Christen, met eenige verbazing over de zoo onverwachts geuite beschuldiging opziende, „verneem, dat ik mijne Christelijke vrijheid gebruik, door datgene te nuttigen, wat den Joden verboden is, daar zij zich naar hun eigen oordeel nog onder de slavernij van de Mozaïsche wet bevinden. Wij christenen, moet gij weten, hebben een beteren borg voor hetgeen wij doen—Ave Maria!—laat ons dankbaar daarvoor zijn.” En als wilde hij de bedenkingen van zijn metgezel trotseeren, besloot hij een kort Latijnsch dankgebed met eene lange teug uit de lederen flesch.

„Ook dat noemt gij een gedeelte uwer vrijheid”, zeide de Sarraceen; „en daar gij als de dieren eet, verlaagt gij u tot den dierlijken toestand door te drinken wat deze zelfs weigeren.”

„Leer, dwaze Sarraceen,” hervatte de Christen zonder aarzelen, „dat gij de gaven Gods lastert, zelfs met de lastertaal van uw vader Ismaël. Het druivensap is aan hem, die het met verstand gebruikt, gegeven, om het hart des menschen na den arbeid te verheugen, hem in ziekte te verfrisschen, en in de smart te troosten. Hij, die het zóó geniet, kan God voor zijn beker wijn danken even goed als voor zijn dagelijksch brood; en hij, die het geschenk des hemels misbruikt, is geen grooter dwaas in zijne dronkenschap dan gij in uwe onthouding.”

Het scherpe oog van den Sarraceen fonkelde bij dezen bitteren uitval, en zijne hand zocht naar de greep van zijn dolk. Het was echter maar eene voorbijgaande gedachte, die verdween bij de herinnering aan den sterken kampioen, met wien hij te doen had, en den wanhopenden strijd, waarvan zijne leden nog sidderden en zijne aders nog gezwollen waren; en hij vergenoegde zich om den twist met woorden voort te zetten, als beter voor de tijdsomstandigheden geschikt.

„Uwe woorden, Nazareër,” zeide hij, „zouden den toorn kunnen doen ontsteken, indien uwe onkunde geen medelijden wekte.—Ziet gij niet, gij, die blinder zijt dan iemand die aan de deur van de Moskee om eene aalmoes vraagt, dat de vrijheid, waarop gij u beroemt, zelfs in datgene beperkt is, wat voor het geluk van den man en zijne huishouding het dierbaarste is; en dat uwe wet, zoo gij die in acht neemt, u bij het huwelijk aan eene eenige gade verbindt, zij moge ziek of gezond, vruchtbaar of onvruchtbaar zijn, troost en vreugde, of twist en geschreeuw aan uwe tafel en in uw bed brengen? Dit, Nazareër, noem ik inderdaad slavernij; terwijl de profeet aan de geloovigen op aarde de aartsvaderlijke voorrechten van onzen vader Abraham en van Salomo, den wijsten der menschen, heeft vergund, daar hij ons hier eene reeks van schoonheden naar ons welbehagen en aan de overzijde van het graf de zwartoogige houris van het paradijs heeft gegeven.”

„Nu, bij den naam van Hem, dien ik het meest vereer in den Hemel en bij dien van haar, die ik het meest aanbid op aarde,” riep de Christen uit, „gij zijt niets dan een verblinde en verwilderde ongeloovige.—Dien diamanten zegelring, dien gij aan uw vinger draagt, acht gij zeker van onschatbare waarde?”

„Balsora en Bagdad kunnen zijn gelijke niet aanwijzen,” antwoordde de Sarraceen; „maar wat heeft dit te maken met het onderwerp van ons gesprek?”

„Veel”, hervatte de Frank, „zooals gij zelf zult erkennen. Neem mijn heerbijl, en sla den steen in twintig schilfers;—zou ieder stuk even veel waard zijn als het oorspronkelijke edelgesteente, of zouden zij, allen te zamen genomen, het tiende gedeelte van zijn prijs opbrengen?”

„Dat is een kinderachtige eisch”, hernam de Sarraceen; „de stukken van zulk een steen zouden het geheele juweel niet in de evenredigheid van een tegen honderd evenaren.”

„Sarraceen”, antwoordde de Christen krijgsman, „de liefde, welke den ridder aan slechts ééne schoone getrouw verbindt, is het geheele edelgesteente; de neiging, die gij onder uwe slaafsche vrouwen en half-gehuwde slavinnen verdeelt, is in vergelijking evenzoo zonder waarde, als de fonkelende schilfers van het edelgesteente.”

„Nu, bij de heilige Kaaba”, zeide de emir, „gij zijt een zinnelooze, die zijne ijzeren keten even lief heeft, alsof die van goud ware! Zie nauwkeurig toe. Deze ring van mij zou de helft zijner schoonheid verliezen, zoo niet de hoofdsteen door deze kleinere brillanten omgeven was, die hem versieren en doen uitkomen. De middelste diamant is de man, vast en geheel, wiens aarde in hem zelf alleen, berust; en deze kring van kleinere juweelen zijn de vrouwen, die aan den eersten haar glans ontleenen, dien hij haar toedeelt, zooals het meest met zijn welbehagen of gemak overeenstemt. Neem den middelsten steen uit den zegelring, en de diamant behoudt dezelfde waarde als te voren, terwijl de mindere edelgesteenten in verhouding van geringe waarde zijn. En dit is de ware zin van uw gelijkenis; want wat zegt de dichter Monsoer: „het is de gunst van den man, welke de vrouw schoonheid en bevalligheid verleent, evenals de stroom niet langer glinstert, wanneer de zon ophoudt te schijnen.”

„Sarraceen”, antwoordde de kruisvaarder, „gij spreekt als een man, die nooit een vrouw zag, welke de achting van een krijgsman waardig was. Geloof mij, kondet gij de Europeesche vrouwen zien, aan wie wij ridders naast den Hemel onze trouw en genegenheid wijden, dan zoudt gij voor eeuwig een afkeer krijgen van de arme, zinnelijke slavinnen, die uw harem uitmaken. De schoonheid onzer jonkvrouwen maakt onze lans puntig en onze zwaarden scherp; hare woorden zijn onze wet; en even spoedig zal eene lamp licht geven, wanneer zij onaangestoken is, als een ridder zich door wapenfeiten zal onderscheiden, die geene geliefde des harten heeft.”

„Ik heb van deze onzinnigheid der Westersche krijgslieden hooren spreken”, zeide de emir, „en die altijd als een der teekenen van de zinneloosheid beschouwd, welke u hierheen voert om bezit van een ledig graf te willen nemen. Maar mij dunkt, de Franken, die ik ontmoette, hebben de schoonheid hunner vrouwen zoozeer verheven, dat ik wel eens lust zou hebben, om met eigen oogen die bekoorlijkheden te aanschouwen, welke dappere krijgslieden in speelballen van haar wil kunnen veranderen.”

„Dappere Sarraceen”, hervatte de ridder, „zoo ik niet op eene bedevaart naar het heilige Graf was, zou ik er trotsch op zijn om u, onder voorwaarde van uwe veiligheid, naar de legerplaats van Richard van Engeland te geleiden, daar niemand beter dan hij een edelen vijand weet te vereeren; en ofschoon ik arm en zonder gevolg ben, heb ik toch aanzien genoeg om u en allen, die gij mocht verkiezen, niet alleen veiligheid, maar zelfs achting en eerbied te verzekeren. Daar zoudt gij verscheidene van de grootste schoonheden van Frankrijk en Brittannië een kleinen kring zien vormen, waarvan de glans tien duizend malen dien van mijnen van diamanten, zooals de uwe, overtreft.”

„Nu, bij den hoeksteen van de Kaaba!” riep de Sarraceen, „ik wil de uitnoodiging even oprecht aannemen als die aangeboden is, zoo gij uw tegenwoordig voornemen uitstellen wilt; en geloof mij, dappere Nazareër, het ware beter voor u om den kop van uw paard naar de legerplaats van uw volk te wenden; want zonder paspoort naar Jeruzalem te reizen, heet uw leven moedwillig prijs geven.”

„Ik heb een paspoort”, antwoordde de ridder, een perkament voor den dag halende, „met Saladin’s hand en zegel.”

De Sarraceen boog zijn hoofd in het stof, toen hij het zegel en het handschrift van den beroemden Sultan van Egypte en Syrië herkende; en na het papier met diepen eerbied gekust te hebben, drukte hij het tegen zijn voorhoofd en gaf het daarop aan den Christen terug, terwijl hij zeide: „onbezonnen Frank, gij hebt tegen uw en mijn bloed gezondigd, omdat gij mij dit niet terstond bij onze eerste ontmoeting getoond hebt.”

„Gij kwaamt met opgeheven speer”, antwoordde de ridder; „zoo een troep Sarraceenen mij op deze wijze aangevallen had, dan ware het met mijne eer bestaanbaar geweest, om den pas van den Sultan te vertoonen, maar nooit aan een enkel man.”

„En toch was één man voldoende, om uwe reis af te breken”, zeide de Sarraceen trotsch.

„Dat is waar, dappere Muzelman”, hervatte de Christen: „maar er zijn er weinigen als gij. Zulke valken vliegen niet in troepen, of, zoo zij dit al doen, storten zij niet in grooten getale op één alleen.”

„Gij doet ons slechts recht wedervaren”, hernam de Sarraceen, die, gelijk men duidelijk bemerken kon, evenzeer over de vleiende aanmerking verheugd was, als hij beleedigd was door de minachting, die in de vroegere grootspraak van den Europeaan lag opgesloten, „van ons zoudt gij geen onrecht te lijden gehad hebben; maar het is gelukkig voor mij, dat ik u niet heb gedood, terwijl gij een vrijgeleide van den Koning der Koningen bij u hebt. Zeker had de strop of het zwaard terecht zulk eene misdaad gewroken.”

„Ik ben verheugd te hooren, dat het stuk mij van nut zal zijn,” zeide de ridder; „want ik heb vernomen, dat de weg door rooverbenden onveilig wordt gemaakt, die zich om niets bekommeren, wanneer zij maar gelegenheid vinden tot plundering.”

„Men heeft u de waarheid gezegd, dappere Christen,” hernam de Sarraceen; „maar ik zweer u bij den tulband van den profeet, dat, zoo gij in eene schuilplaats van zulke schurken mocht vallen, ik zelf met vijfduizend ruiters uwe wraak op mij nemen wil. Ik zal ieder man van hunne bende verslaan, en hunne vrouwen in eene zoo verafgelegen gevangenschap zenden, dat de naam van hun stam nooit weder op vijfhonderd mijlen afstands van Damascus zal vernomen worden. Ik wil zout op den grond van hun dorp zaaien, en er zal van dat oogenblik af geen levend mensch meer wonen.”

„Liever wilde ik, dat de moeite, die gij u wilt geven, edele emir, een ander moest wreken dan mij,” hervatte de ridder; „maar mijne gelofte staat in den hemel aangeteekend, of ik ze vervullen kan of niet, en gij zult mij verplichten, met mij den weg te wijzen naar mijne rustplaats voor dezen nacht.”

„Deze zult gij onder de zwarte bedekking van de tent mijns vaders vinden”, zeide de Sarraceen.

„Dezen nacht,” antwoordde de Christen, „moet ik onder gebed en boete doorbrengen bij een heilig man, Theodorik van Engaddi, die in deze wildernissen woont, en zijn leven doorbrengt in den dienst van God.”

„Ik wil zelf zorgen dat gij veilig aldaar aankomt,” zeide de Sarraceen.

„Dat zou mij een aangenaam geleide zijn,” antwoordde de Christen; „intusschen kon dit de veiligheid van den goeden vader voor het toekomstige in gevaar brengen; want de wreede hand van uw volk is gekleurd geworden met het bloed van de dienaren des Heeren, en daarom komen wij herwaarts in harnas en staal met zwaard en lans, om den weg naar het Heilige Graf te openen, en de uitverkoren heiligen en kluizenaars te beschermen, die nog in dit land van belofte en wonderen wonen.”

„Nazareër,” zeide de Muzelman, „in dit opzicht hebben de Grieken en Syriërs ons misschien belasterd; want wij handelen naar het woord van Aboebeker Alwakel, den opvolger van den profeet, en na hem den eersten beheerscher der geloovigen. „Ga”, zeide hij, „Yezed Ben Sophian”, toen hij dezen beroemden veldheer afzond, om den ongeloovigen Syrië te ontnemen, „gedraagt u als dappere mannen in den slag, maar doodt noch de ouden, noch de zwakken, noch de vrouwen, noch de kinderen. Verwoest het land niet, en vernielt het koren en de vruchtboomen niet, want dit zijn gaven van Allah. Houdt uw woord, wanneer gij een verdrag gesloten hebt, al is het ook tot uw nadeel. Zoo gij heilige mannen vindt, met hunne handen werkende, en God in de woestijn dienende, doet hun dan geen leed, en vernietigt hunne verblijven niet. Maar als gij hen vindt met geschoren kruinen, dan zijn zij van de synagoge van satan! Houwt met de sabel, moordt, en houdt niet op, voor dat zij geloovig en cijnsbaar worden.” Zoo als de Kalif, de metgezel van den profeet ons bevolen heeft, zoo hebben wij gedaan, en zij, die onze gerechtigheid verslagen heeft, zijn slechts priesters van satan. Maar voor de brave mannen, die, zonder volk tegen volk op te ruien, oprecht in het geloof, Issa Ben Mariam aanbidden, zijn wij eene schaduw en een schild; en zoo de man, dien gij zoekt, een zoodanige is, zal hij, ofschoon het licht van den profeet hem niet bereikt heeft, van mij slechts liefde, gunst en waardeering genieten.”

„De kluizenaar, dien ik thans bezoeken wil,” zeide de krijgshaftige pelgrim, „is, naar ik gehoord heb, geen priester; maar behoorde hij tot dien gezalfden en gewijden stand, dan zou ik met mijne goede lans tegen Heidenen en ongeloovigen bewijzen….”

„Laat ons elkander niet uitdagen, broeder”, viel de Sarraceen hem in de rede; „wij zullen beiden, Franken en Muzelmannen, genoeg vinden, om ons zwaard en lans tegen hen te beproeven. Deze Theodorik wordt door Turk en Arabier beschermd; en ofschoon hij bij tusschenpoozen zich in een zonderlingen toestand bevindt, gedraagt hij zich echter over het algemeen zoo geheel als de volgeling van zijn eigen profeet, dat hij de bescherming van dengenen verdient, die gezonden werd….”

„Nu, bij onze Lieve Vrouw, zoo gij in denzelfden adem den kameeldrijver van Mekka durft noemen met….”

Een electrische schok van drift door het lichaam van den Emir; maar deze was slechts voorbijgaande, en de kalmte van zijn antwoord getuigde van waardigheid en gezond verstand, daar hij zeide: „laster den man niet, dien gij niet kent, te meer daar wij den stichter van uw Godsdienst vereeren, terwijl wij de leer, die uwe priesters daaruit gesponnen hebben, veroordeelen. Ik zal u zelf naar de grot van den kluizenaar geleiden, dien gij zonder mijne hulp waarschijnlijk zeer moeilijk zoudt kunnen vinden. En op den weg daarheen zullen wij het aan de mollahs en monniken overlaten, om over de goddelijkheid van ons geloof te twisten, en liever over onderwerpen spreken, die aan jeugdige krijgslieden betamen, over stoute gevechten, schoone vrouwen, scherpe zwaarden en schitterende wapenrustingen!”

HOOFDSTUK III.

Inhoudsopgave

Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op, en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters, terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.

Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zich nogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: „ik wenschte wel den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb.”

„Zij heet in het Arabisch de Diamant van de woestijn”, antwoordde de Sarraceen.

„En terecht draagt zij dezen naam”, hervatte de Christen. „De vallei, waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam maar bijna onmisbaar is.”

„Gij spreekt de waarheid”, hernam de Sarraceen; „want op gindsche zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen, totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken.”

Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal van dien tijd mortier genoemd werd wegens hare gelijkenis met den vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.

„Gij hebt”, zeide hij, „naar den naam eener onbezielde fontein gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb, en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven onbekend te zijn?”

„Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden”, antwoordde de Christen. „Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard; in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe Oostersche ooren hard klinken. Dappere Sarraceen, laat ik u vragen, welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam gij bekend zijt?”

„Ridder Kenneth”, hernam de Muzelman, „het verheugt mij, dat uw naam van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken. Wat mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt dan dat van Seljook.”

„Ik heb gehoord”, antwoordde de Christen, „dat uw groote Sultan uit hetzelfde bloed gesproten is.”

„Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft, om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is,” hernam de Paynim. „Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië, en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.—Vreemdeling, met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?”

„Op mijn woord,” antwoordde sir Kenneth, „met de hulp van vrienden en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen, boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel verlaten—anderen zijn in den slag gesneuveld—verscheidenen zijn aan ziekten gestorven—en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt.”

„Christen”, zeide Sheerkohf, „ik heb hier vijf pijlen in mijn pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard—wanneer ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen—met die vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!”

„Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen”, hervatte de Westersche krijgsman, „gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren.”

„Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben”, hernam de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er bij te voegen: „en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen, u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet aanbieden?”

„Weet, Sarraceen”, zeide de Christen, „daar gij een man van zooveel aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman, hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap, mij het tweegevecht niet weigeren.”

„Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien”, antwoordde de emir, „waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste met den machtigste gelijk maken.”

„Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart”, zeide de Christen; „en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben.”

„En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en aanvoerders?” vroeg de Sarraceen verder.

„Gode zij dank”, antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard, „heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses, die ooit eene kroon op het hoofd droeg.”

„Maar eene korte poos geleden,” hernam de Sarraceen, „hebt gij de liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven—het uwe is zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het niet zoo?”

„Vreemdeling”, antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken, „wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten bewaren—het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt, mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is—zeer verheven—zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren, en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden.”

De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: „Ik twijfel er zeer aan, of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in het werpen van de werpspies zou durven opnemen.”

„Daar wil ik niet voor instaan”, hervatte de ridder, „maar er zijn eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch spel van het slingeren met de werpspies.”

„Honden, en zonen van honden!” riep de Sarraceen uit; „wat behoeven die Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden, die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen zal ik mij in geen krijgsspel inlaten.”

„Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren spreken,” zeide de ridder van den Luipaard; „maar,” voegde hij er bij, glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, „zoo gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden, die aan uw verlangen zullen willen voldoen.”

„Bij den baard mijns vaders, ridder,” antwoordde de Sarraceen met een neiging tot lachen, „dat spel is te grof voor bloote scherts—ik zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd,” zeide hij, zijne hand aan het voorhoofd houdende, „zal mij voor eenigen tijd niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken.”

„Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt,” vervolgde de Westersche krijgsman, „waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt, slechts eene veder in gewicht is.”

„Wij hooren veel van dezen eiland-vorst”, zeide de Sarraceen, „zijt gij een van zijne onderdanen?”

„Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik”, antwoordde de ridder, „en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland, waarover hij heerscht.”

„Hoe meent gij dat?” vroeg de Oosterling; „hebt gij dan twee koningen op één arm eiland?”

„Zoo als gij wel zegt”, antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth van geboorte—„het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen.”

„Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden.”

Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: „Neen, bij het heldere licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op de muren van Sion kunnen schitteren.”

Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende, zachtjes zeide: „Mea culpa! mea culpa! wat heb ik, een krijgsman van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen volkeren te maken!”

De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet, beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth’s gevoelens, omtrent de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.

Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek de naakte vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile, rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,—die grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,—gaapten hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne plunderingen spaarden.

De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor, dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde, maar ongeloovige Paynim.

Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder, dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een vroolijken, losbandigen boozen geest naast zich had, die poogde zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd, dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.

„Sarraceen”, zeide de kruisvaarder ernstig, „hoe verblind gij ook zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest gij toch begrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere, en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven, die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan godslastering en zonde.”

De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt was als de beleefdheid vorderde: „Goede sir Kenneth, mij dunkt, gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe Westersche volksstammen weten niet wat beleefdheid is. Ik heb er geen ergernis aan genomen, toen ik u zwijnenvleesch zag verslinden en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik, zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel.”

„Vriend Sarraceen”, hernam de Christen, „ik keur de liefde voor het gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die even vervloekt zijn als zij zelve.”

„Oordeel niet zoo over de geesten, Christen”, antwoordde de Sarraceen, „want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe aanhangers vreezen en lasteren.”

„Ik dacht het wel”, hervatte de kruisvaarder, „dat uw verblind geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt.”

„Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de dapperste is?” hernam de Sarraceen; „van wien zouden de fiersten liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden; en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan.”

Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis, die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.

„Gij moet dan weten, dappere vreemdeling,” zeide hij, „dat de wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden, lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiende jaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden, gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf stonden, ontbloot van alle kleeding behalve een wit zijden bovenkleed, dat hare bekoorlijkheden het hart van onsterfelijke wezens troffen. De donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een, en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen, en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen, en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen; maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht, dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. „Zeineb” zeide de aanvoerder van den troep,—en dit zeggende nam hij de oudste der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en zwaarmoedig,—„ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht, het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem, omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol, dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht, en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht, in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het gansche heelal bekend is.”

De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: „In waarheid, heer ridder, gij hebt gelijk—uw stam kan gevreesd en gehaat, maar niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert, die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner menschelijke voorouders naderen.”

„Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt,” zeide de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid, waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; „want ofschoon de profeet—geloofd zij zijn naam!—het zaad onder ons uitgestrooid heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving, en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen.”

Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman, het kwade beginsel.

AHRIMAN

Vorst Ahriman! wien Iraks zaad

Voor d’oorsprong houdt van wee en kwaad!

Als, knielend voor uw rijk,

’t Beangstigd menschdom sidd’rend zucht,

Waar is dan, onder ’t ruim der lucht,

Een macht aan u gelijk?

Als ’t wezen dat ons gunstig is,

Een bron schept in de wildernis,

Waaruit de pelgrim drinkt;

U is de golf die ’t rotsstrand slaat,

De draaikolk, waarin ’t al vergaat,

Waar schip bij schip verzinkt.

Of, als uit d’aarde, door Zijn macht

De plant ontspruit vol levenskracht,

Slechts enklen redt Zijn’ hand

Van uw gebied in oost en west,

Het vuur der koorts, de bleeke pest,

De pijlen uit uw hand.

Gij heerscht in ’t diepst van ’s menschen ziel;

En dikwijls als hij nederviel

En andre Godheên huldt—

Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,

Het diepst van ’t hart weerspreekt zijn taal,

En is met u vervuld.

Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,

Spreekt g’in den donder, woont ge in storm,

Zoo als de wijze meent?

Een ziel met haat en toorn vervuld,

Met vleuglen van den dood omhuld

En schrikkelijk gebeent?

Of zijt gij met Natuur verknocht,

Een kracht die woont in elk gewrocht,

En goed in kwaad verkeert?

Een boos beginsel, bron van smart,

Hetwelk ons beter deel steeds tart,

En ach! zoo vaak beheert?

’t Is vruchtloos, ’t zij men twiste of niet,

Elk voorwerp huldigt uw gebied,

Natuur en ’s menschen staat:

Ja, iedere drift van ’s sterflings hart,

Min, haat, verachting, blijdschap, smart,

Verkeert uw macht in kwaad!

Zoodra er op ons tranenveld,

Één enkel zuiver straaltje welt,

Zijt gij niet ver meer af:

In dit kortstondig gunstig lot,

Leidt ge iedre bron van ons genot,

Tot ons verderf en smart.

Dus, van het uur van elks geboort,

Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,

Houdt ge ieders lot bepaald.

Gij kwelt nog ’s levens laatsten nacht:

En—wie beslist, of dan uw macht,

Gij Geest des kwaads, hier faalt?

Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand, die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen, en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.

De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong, dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven, dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had doen te voorschijn komen.

„Maar wat kan het mij deren!” zeide de dappere sir Kenneth bij zich zelven; „weg met den booze en zijne vereerders!”

Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen, gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens, zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde, sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed, midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde te werpen.

De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half lachende uitriep: „Hamako—gek—laat mij los—dit gaat uw voorrecht te boven—laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken.”

„Uw dolk!—ongeloovige hond!” riep de gedaante in het geitenvel, „houd hem vast, wanneer gij kunt,” en in een oogenblik scheurde hij het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.

„Help, Nazareër!” riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; „help, of de Hamako zal mij vermoorden.”

„U vermoorden,” hernam de bewoner der woestijn; „Wel hebt gij den dood verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, niet alleen op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze, maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf.”

De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte in het geitenvel.


„Wie gij ook zijn moogt,” zeide hij, „van goed of kwaad geslacht, verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden.”

„En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!”

Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.

„Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,” vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende, „en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo er niet in uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden godslasteringen had uitgebraakt.”

„Hamako,” zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, „ik bid u, goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig, wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gij zult niets van mijn toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen, uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.—En u, vriend Kenneth,” voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, „voel ik mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest, mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had.”

„Inderdaad,” antwoordde de ridder; „ik heb hierin gefaald—ik was wat traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van den aanvaller, het onverwachte van het tooneel…. het was alsof uw wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen, eer ik mijn wapen kon vatten.”

„Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend,” zeide de Sarraceen: „en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden, zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon gij gewapend en wel bereden daarbij stondt.”

„Op mijn woord, Sarraceen”, hernam de Christen, „als ik het u ronduit zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was, en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het zand roldet.”

„Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth”, hervatte de Sarraceen, „want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt komen bezoeken.”

„Deze!” riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaante die voor hem stond, beschouwende—„deze!—gij schertst Sarraceen—dit kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!”

„Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt”, antwoordde Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde de kluizenaar wat hij had gezegd.

„Ik ben Theodorik van Engaddi”, zeide hij—„ik ben de wandelaar der woestijn—ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!—Weg met Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!”—Dit zeggende, haalde hij van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om zijn hoofd zwaaide.

„Gij ziet uw heilige,” zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.

„Dit is een krankzinnige”, zeide sir Kenneth.

„En daarom niet minder heilig,” hernam de Muzelman, volgens het welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed van hoogere ingeving staan. „Weet, Christen, dat, wanneer het eene oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt—dat wanneer de eene hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook, wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is, ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter.”

Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te schreeuwen: „Ik ben Theodorik van Engaddi—ik ben de brandtoorts van de woestijn—ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken; en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn—ik ben de toorts en de lantaarn—Kyrie Eleison!”

Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd als ontsteld was.

De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. „Gij ziet”, zeide hij, „dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen, die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild—ik ben de leeuw, zooals mijn naam aanduidt—en met de geit bedoelt hij, met toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris.”

En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn, en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan, met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond, dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde, terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.

Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf, dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels, die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats, die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.

In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch, dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom en slechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen, dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.

Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen, terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: „De Hamako is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij gegeten hebben—want dit brengt zijne gelofte mede.”

Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen, die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting, en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans de plichten der gastvrijheid vervulde.

Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.

„Drinkt, mijne kinderen”, zeide hij, en dit waren zijne eerste woorden,—„de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den gever denkt.”

Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel, waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar, bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur, de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen, die nauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigen fakir te vinden, bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van de kruistocht waren opgedragen.

Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken, eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk, naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem bij herhaling had zien ten toon spreiden;—dat hij in Jerusalem was verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen, die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was, zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig, maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien, als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde, aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid, dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid, deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. „Hij heeft,” vervolgde de Sarraceen, „een Rashid of sterrewacht van groote hoogte, om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen, door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als Muzelmannen gelooven, de loop der menschelijke gebeurtenissen worden beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden.”

Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf, en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het, dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan den woorden van den laatsten hem zouden hebben doen vermoeden, en het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.

„Neem u in acht, Sarraceen”, zeide hij; „mij komt het voor dat de verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van namen als van andere zaken. Uw naam is Sheerkohf, en hij noemde u zoo straks bij een anderen.”

„Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was”, hernam de Kurdman, „en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil, de Hamako komt—het is om ons ter rust te brengen—ik ken zijne gewoonte—geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden.”

De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon: „Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen.”

Beide krijgslieden antwoordden: „Amen!” stonden van de tafel op, en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van hen verwijderde.

De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af, terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had, toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederen te helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan den dag gelegd had.

Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats begaf. De Muzelman wendde zich naar zijne Kaaba, het punt, waarheen het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden, en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning, lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.

HOOFDSTUK IV.

Inhoudsopgave

Kenneth, de Schot, wist niet, hoe lang hij in diepe rust verzonken was geweest, toen hij tot bezinning kwam door een gevoel van drukking op de borst, die eerst een vluchtigen droom van strijd met een machtigen tegenstander te weeg bracht, en hem eindelijk geheel het gebruik zijner zinnen teruggaf. Hij was op het punt om te vragen wie daar was, toen hij, de oogen openende, de gedaante van den kluizenaar zag, wild en vertoornd, zoo als wij hem beschreven hebben, naast zijn bed staande, en zijne rechterhand op zijne borst drukkende, terwijl hij eene kleine zilveren lamp in de andere hield.

„Zwijg”, zeide de hermiet, terwijl de liggende ridder met verbazing opzag; „ik heb u iets te vragen, dat gindsche ongeloovigen niet hooren mag.”

Deze woorden sprak hij in de Fransche taal, en niet in de lingua franca of het mengelmoes van Oostersche en Europeesche talen, waarvan zij zich tot hiertoe bediend hadden.

„Sta op”, vervolgde hij, „trek uw mantel aan—spreek niet, maar loop zacht, en volg mij.”

Sir Kenneth stond op en nam zijn zwaard.

„Dat is niet noodig”, antwoordde de kluizenaar fluisterend, „wij gaan naar eene plaats, waar geestelijke wapenen veel helpen, en vleeschelijke wapenen niets zijn dan riet en verwelkte kalabas.”

De ridder zette zijn zwaard weder naast het bed, en alleen met zijn dolk gewapend, waarvan zich niemand in dat gevaarlijke land scheidde, was hij gereed om zijn geheimzinnigen waard te volgen.

De hermiet ging toen langzaam voorwaarts, en werd door den ridder gevolgd, die nog altijd onzeker was, of de zwarte gedaante, die voor hem heen gleed om den weg te wijzen, inderdaad niet slechts de schepping van een verstoorden droom was. Zij zweefden, schaduwen gelijk, naar het buitenste vertrek, zonder den Heidenschen emir te storen, die nog in diepen slaap lag gedompeld. Voor het Kruis en het altaar in de buitenste kamer, brandde nog eene lamp, een misboek lag opengeslagen, en op den vloer lag een boetegeesel van dunne koorden en draad, die nog met versch bloed bevlekt was, zonder twijfel een teeken van de zware boetedoening van den kluizenaar. Hier knielde Theodorik neder en wees den ridder, dat hij naast hem plaats zou nemen, op de zwarte keisteenen, die daar gelegd schenen te zijn, om de houding van eerbiedige overpeinzing zoo ongemakkelijk mogelijk te maken; hij las verscheidene gebeden van de Roomsche kerk en zong met eene zachte, maar ernstige stem drie boetpsalmen. Deze laatste vermengde hij met zuchten en tranen en stuiptrekkende snikken, die getuigden, hoe diep hij de goddelijke gedichten, die hij opzeide, gevoelde. De Schotsche ridder woonde deze godsdienstoefeningen met hoogen ernst bij, terwijl zijn oordeel omtrent zijn gastheer tevens zoo zeer begon te veranderen, dat hij niet wist, of hij hem niet wegens de gestrengheid zijner boete en het vuur zijner gebeden als een heilige moest beschouwen; en toen zij van den grond oprezen, stond hij met eerbied voor hem, als een leerling voor zijn geëerbiedigden meester. De hermiet van zijn kant was gedurende eenige minuten stil en afgetrokken.

„Zie in dien hoek, mijn zoon”, zeide hij, op een ver verwijderden hoek van de cel, wijzende; „daar zult gij een sluier vinden; breng dien hier.”

De ridder gehoorzaamde, en in eene kleine opening, die in den muur uitgehouwen en met eene deur van vlechtwerk gesloten was, vond hij den sluier, dien hij zocht. Toen hij dezen bij het licht bracht, ontdekte hij, dat hij gescheurd, en op sommige plaatsen met een donkere zelfstandigheid bevlekt was. De kluizenaar zag hem met een diepe maar onderdrukte aandoening aan, en eer hij tot den Schotschen ridder kon spreken, was hij genoodzaakt zijn gevoel in een stuiptrekkenden snik lucht te geven.

„Gij staat thans op het punt, om den rijksten schat te aanschouwen, dien de aarde bezit,” zeide hij eindelijk; „wee mij, dat mijne oogen niet waardig zijn, om daartoe opgeheven te worden! Helaas! Ik ben slechts het lage en verachte uithangbord, dat een vermoeiden reiziger eene herberg van rust en veiligheid aanwijst, maar zelf altijd buiten de deur moet blijven. Te vergeefs ben ik naar de benedenste diepten der rotsen en midden in den schoot der dorre wildernissen gevloden. Mijn vijand heeft mij gevonden—zelfs hij, dien ik verloochend heb, heeft mij tot in mijne sterkten gevolgd.”

Hij zweeg weder een oogenblik, en, zich tot den Schotschen ridder wendende, zeide hij op vasten toon: „brengt gij mij eene groete van Richard van Engeland?”

„Ik kom van wege den raad der Christen Vorsten”, antwoordde de ridder; „maar daar de Koning van Engeland ongesteld was, ben ik met de bevelen zijner Majesteit niet vereerd.”

„Uw teeken?” vroeg de hermiet.

Ridder Kenneth aarzelde; vroegere argwaan en de blijken van krankzinnigheid, die de kluizenaar eerst aan den dag gelegd had, rezen hem plotseling voor den geest; maar hoe zou hij een man verdenken, wiens gedrag zoo vroom was?—„Mijne leus”, zeide hij, „is deze: Koningen bedelen bij een bedelaar.”

„Dat is juist”, antwoordde de hermiet en zweeg een oogenblik; toen vervolgde hij: „ik ken u wel; maar de schildwacht op zijn post—en de mijne is van hoog gewicht—roept vriend zoowel als vijand aan.”

Hij ging toen vooruit met de lamp naar de kamer, die zij zoo straks verlaten hadden. De Sarraceen lag in diepen slaap op zijn bed. De kluizenaar bleef bij hem staan en zag op hem neder. „Hij slaapt”, zeide hij, „in duisternis, en moet niet gewekt worden.”

De houding van den emir getuigde inderdaad van eene zeer diepe rust. De eene arm om het lijf geslingerd, terwijl hij met zijn gelaat half naar den muur gekeerd lag, verborgen zijne losse en lange mouw het grootste gedeelte van zijn aangezicht; maar het hooge voorhoofd was nog zichtbaar. Zijne zenuwen, die gedurende zijn waken zoo gedurig in beweging waren, thans bewegingloos, alsof zijn gelaat uit zwart marmer bestond; en zijne lange, zijden wenkbrauwen bedekten zijn doordringend valkenoog. De geopende en ontspannen hand en de diepe regelmatige en zachte ademhaling gaven allen blijken van de diepe rust. Eene zonderlinge groep vormde de slaper met de hooge gestalte van den hermiet in zijne ruwe geitenkleeding, met de lamp in de hand, en den ridder in zijn eng leeren gewaad, de eerste met een sombere uitdrukking van ascetische droefgeestigheid, de laatste met eene angstige nieuwsgierigheid in zijne mannelijke trekken.

„Hij slaapt vast”, zeide de kluizenaar, op denzelfden zachten toon als zoo even, en de woorden herhalende, ofschoon hij ze niet meer in een letterlijken maar oneigenlijken zin sprak „hij slaapt in de duisternis, maar er zal een dag voor hem aanbreken. O Ilderim, uwe wakende gedachten zijn nog zoo ijdel en wild als die, welke hun dwarrelenden dans in uwe slapende hersens houden, maar de bazuin zal zich doen hooren, en de droom zal verdwijnen.”

Dit zeggende, en den ridder een teeken gevende om hem te volgen, ging de kluizenaar naar het altaar, en zich daarachter plaatsende, drukte hij op eene veer, die, zonder gedruisch te veroorzaken, eene kleine ijzeren deur in de zijde van de grot deed opengaan, die bijna onzichtbaar was, als men met de grootste nauwkeurigheid er naar zocht. Eer de hermiet het waagde om de deur geheel te openen, liet hij eenige droppels olie uit de lamp op de hengels vallen. Toen de ijzeren deur geheel geopend was, ontdekte men een kleine trap, in de rots uitgehouwen.

„Neem den sluier, dien ik draag”, zeide de kluizenaar op zwaarmoedigen toon; „en bind mij dien voor de oogen; want ik mag zonder zonde en aanmatiging den schat niet aanschouwen, dien gij zoo straks zult zien.”

Zonder te antwoorden, hulde de ridder thans het hoofd van den kluizenaar in den sluier, en deze daalde de trap af, als een man, die aan den weg te gewoon was, om het gebruik van licht noodig te hebben, terwijl hij terzelfder tijd den Schot de lamp voorhield, die hem nu volgde, verscheidene trappen afdalende. Eindelijk bleven zij staan in een klein gewelf van onregelmatigen vorm, in een hoek waarvan de trap eindigde, terwijl in den tegenovergestelden hoek een andere trap weder naar boven voerde. In een derden hoek was eene Gotische deur, zeer ruw met de gewone versiering van groepen, zuilen en beeldhouwwerk, en waarin een sterk, met ijzer beslagen, en met groote spijkers voorzien luikje was gemaakt. Naar dit laatste punt wendde de hermiet zijne schreden, die schenen te aarzelen, toen hij naderde.

„Trek uwe schoenen uit”, zeide hij tot mijn metgezel; „de grond, waarop gij staat, is heilig. Verban uit het binnenste uws harten elke wereldsche en vleeschelijke gedachte, want het zou eene doodzonde zijn, die op deze plaats te koesteren.”

De ridder legde zijne schoenen af, gelijk hem bevolen was, en de kluizenaar toefde intusschen, als in een stil gebed verdiept; toen stelde hij zich weder in beweging, en beval den ridder om drie malen aan het deurtje te kloppen. Deze deed dit. De deur ging van zelf open; althans sir Kenneth bespeurde niemand; en eensklaaps werden zijne zinnen getroffen door een stroom van het zuiverste licht en een sterke en bijna bedwelmende geur van de liefelijkste reukwerken. Hij deinsde twee of drie schreden achterwaarts, en het duurde wel eene minuut, eer hij van de verblindende en overweldigende werking van den plotselingen overgang van duisternis in licht herstelde.

Toen hij in het vertrek trad, waarin zich deze heldere glans verspreidde, bespeurde hij, dat het licht voortkwam uit een aantal zilveren lampen, gevuld met de zuiverste olie, die den heerlijksten reuk verspreidden, en aan zilveren kettingen van het gewelf van eene kleine Gotische kapel hingen, die, evenals het grootste gedeelte van het zonderling verblijf van den kluizenaar, in de zuivere en harde rots uitgehouwen was. Maar terwijl op elke andere plaats, die sir Kenneth gezien had, de arbeid, die aan de rots was besteed geworden, van den eenvoudigsten en ruwsten aard geweest was, waren in deze kapel de kunst en de beitels van de bekwaamste bouwkundigen gebruikt. De geaderde gewelven rustten aan iedere zijde op zes zuilen, die met het grootste talent waren uitgehouwen; en de wijze, waarop de bogen met elkander verbonden waren met daarbij passende versieringen, was geheel in den schoonsten stijl van de beste bouworde van dien tijd. In overeenstemming van de rij pilaren, waren er aan iedere kant zes prachtig gewerkte nissen, waarvan elke het beeld van een der twaalf apostelen bevatte. Aan het bovenste en oostelijke einde van de kapel stond het altaar, waarachter eene kostbare rijke gordijn van Perzische zijde, zwaar met goud geborduurd, eene geheime plaats bedekte, die zonder twijfel het eene of andere beeld of eene reliquie van groote heiligheid bevatte, ter eere waarvan dit zonderlinge oord van godsvereering was opgericht. In de overtuiging, dat dit het geval moest zijn, ging de ridder naar het vertrek, knielde neder, en herhaalde zijne gebeden met vuur; hierin werd hij gestoord door dat de gordijn eensklaps opgetrokken, of liever ter zijde geschoven werd, hoe of door wien, zag hij niet; maar in de zoo ontsloten nis zag hij een kast van zilver en ebbenhout, met dubbele vleugeldeuren, in het klein eene Gotische kerk nabootsende.

Terwijl hij met gespannen belangstelling naar de kast zag, gingen ook de twee vleugeldeuren open, waardoor een groot stuk hout voor den dag kwam, waarop de woorden gesneden waren: „Vera Crux”, en tegelijkertijd zong een koor van vrouwen het „Gloria Patri”. Toen het gezang opgehouden had, sloot zich de kast weder, en viel de gordijn, en de ridder, die voor het altaar knielde, kon thans zijn gebed ongestoord voortzetten tot de heilige reliquie, die zoo even voor zijne oogen zichtbaar was geworden. Hij deed dit met den diepen ootmoed van een man, die met zijn eigen oogen eene verhevene bevestiging van de waarheid van zijn godsdienst gezien had, en het duurde eenigen tijd, voor dat hij zijn gebed eindigde, opstond en het waagde naar den kluizenaar om te zien, die hem naar deze heilige en geheimzinnige plek geleid had. Hij zag hem, met zijn hoofd nog steeds in den sluier gewikkeld, dien hij er zelf omheen geslagen had, als een hond, op den drempel van de kapel liggende, en, naar het scheen, zonder het te durven vragen, om daar over te stappen: de heiligste eerbied, de meest berouwhebbende wroeging was in zijne houding te lezen, welke die was van een man, die terneergebogen aan den grond gekluisterd scheen door den druk van zijne inwendige gewaarwordingen. Het kwam den Schot voor, dat alleen het gevoel van het diepste berouw, en de grootste verootmoediging zulk een sterk lichaam en een zoo vurigen geest konden vernederd hebben.

Hij naderde hem, als of hij met hem spreken wilde; maar de hermiet voorkwam zijn voornemen, door in gesmoorde tonen van achter den sluier en met eene stem, die uit een mummie scheen te komen, te zeggen:

„Blijf, blijf—gelukkig, dat gij dit moogt—het tafereel is nog niet geëindigd.”—Dit zeggende, stond hij van den grond op, verliet den drempel, waarop hij tot hiertoe gelegen had, en deed de deur dicht van de kapel, die van binnen gesloten werd door een grendel met eene veer, waarvan de slag door de kapel weergalmde; deze deur scheen zoo nauw met de rots verbonden, waarin het hol was uitgehouwen, dat Kenneth nauwelijks onderscheiden kon, waar de opening geweest was. Hij stond nu alleen in de verlichte kapel, die de reliquie bevatte, waaraan hij kort te voren zijne hulde als Christen had bewezen, zonder andere wapenen dan zijn dolk of ander gezelschap dan zijne vrome gedachten en zijn onverschrokken moed.

Onzeker wat er verder gebeuren zoude, maar besloten om den loop der gebeurtenissen af te wachten, stapte sir Kenneth door de eenzame kapel, tot den tijd van het eerste hanengekraai. Op dezen stillen tijd, als nacht en morgen aan elkander grenzen, hoorde hij, uit welke streek kon hij niet onderscheiden, den klank van eene kleine zilveren schel, zoo als bij de verheffing van de hostie bij de ceremonie of het offer van de mis geluid wordt. Het uur en de plaats maakten dit geluid ontzagwekkend plechtig, en hoe moedig de ridder ook was, begaf hij zich naar den uitersten hoek van de kapel, tegenover het altaar, ten einde zonder stoornis de gevolgen van dit onverwachte teeken gade te slaan.

Het duurde niet lang, of het zijden gordijn werd weggeschoven, en de reliquie vertoonde zich weder aan zijn oogen. Terwijl hij eerbiedig op de knieën zonk, hoorde hij de tonen van het Lof of den vroegdienst der Roomsche kerk, door vrouwenstemmen gezongen, die zich even als bij den vorigen dienst zamen vereenigden. De ridder bespeurde al spoedig, dat de stemmen niet lang op eene plaats in de verte bleven, maar de kapel naderden en luider werden, toen eene deur, even onzichtbaar wanneer zij gesloten was, als die, door welke hij binnen gekomen was, aan de andere zijde van het gewelf openging, en aan de tonen van het koor meer ruimte gaf, om langs de bogen van het gewelf te zwellen.

De ridder vestigde zijne oogen op de opening met ademlooze aandacht, en nog steeds in de vrome houding, die de plaats en het tooneel vereischten. Knielende wachtte hij af wat op deze voorbereidingen zou volgen. Een plechtige optocht scheen gereed om de deur uit te komen. Eerst verschenen vier schoone knapen, wier ontbloote armen, hals en beenen van de bronsachtige kleur van het Oosten waren, en die een aangenaam kontrast vormde met de sneeuwwitte kleederen, traden twee aan twee in de kapel. Het eerste paar droeg wierookvaten, die zij heen en weder zwaaiden, en waarmede zij den liefelijken reuk in de kapel nog verhoogden. Het tweede paar strooide bloemen.

Op deze volgden in goede orde de vrouwen, die het koor uitmaakten; zes, die door hare zwarte scapulieren en zwarte sluiers over haar wit gewaad nonnen van de orde van den berg Carmel bleken te zijn, en even zoo vele, wier witte sluiers haar als nieuwelingen of tijdelijke bewoonsters in het klooster deden erkennen, die nog niet door geloften waren gebonden. De eerste hadden groote rozenkransen in de hand, terwijl de jongere en lichtere gestalten, welke volgden, ieder een krans van roode en witte rozen droegen. Zij trokken in processie door de kapel, zonder de minste acht op Kenneth te slaan, ofschoon zij zoo dicht bij hem voorbij gingen, dat hare kleederen hem bijna aanraakten. Terwijl zij voortgingen met zingen, twijfelde de ridder niet, of hij was in een van die kloosters, waar de edele Christen-maagden zich voorheen openlijk aan den dienst der kerk hadden toegewijd. De meesten waren verwijderd, sedert de Mahomedanen Palestina hadden veroverd; maar velen werden geduld om hare geschenken, of dankten dit aan de goedertierenheid of uit minachting der overwinnaars, en gingen nog steeds voort, om in het geheim de plechtige gebruiken in acht te nemen, waaraan hare geloften haar hadden gebonden. Maar ofschoon Kenneth wist, dat dit het geval was, had de plechtigheid van de plaats en het uur, de verrassing door de plotselinge verschijning van deze nonnen, en de schimachtige wijze, waarop zij hem voorbijtrokken, zulk een invloed op zijne verbeelding, dat hij nauwelijks kon begrijpen, dat de schoone optocht, dien hij zag, bestond uit schepselen van deze wereld, zoo zeer geleken zij op een koor van bovennatuurlijke wezens, die aan het algemeene voorwerp van aanbidding hulde brachten.

Dit was het eerste denkbeeld des ridders, toen de processie hem voorbij trok, zonder handen of voeten meer te bewegen dan juist noodig was om haar weg te vervolgen. Door het schemerachtig en godsdienstige licht dat de lampen verspreidden, en door de wolken van wierook, die het vertrek verduisterden, schenen zij eer te zweven dan te loopen.

Maar toen zij bij den omtocht door de kapel voor de tweede maal kwamen bij de plek, waarop hij knielde, maakte eene van de wit gesluierde maagden, terwijl zij hem voorbij zweefde, van den krans, dien zij droeg, een rozenknop los, die misschien onbewust uit hare vingers voor de voeten van sir Kenneth viel. De ridder schrikte, alsof eene pijl hem getroffen had; want als het gemoed in hooge spanning verkeert door hetgeen aanschouwd en verwacht wordt, geeft het geringste onverwachte voorval aan de richting, welke de verbeelding reeds heeft genomen, vuur en veerkracht. Maar hij onderdrukte zijne aandoening, zich herinnerende, hoe licht een zoo onverschillig voorval kon plaats hebben, en dat slechts de eenvormige beweging der koorzangsters aan dit toeval alle belangrijkheid ontnam.

Terwijl de processie voor de derde maal de kapel rondtrok, volgden de gedachten en oogen van Kenneth uitsluitend diegene onder de nieuwelingen, die den rozenknop had laten vallen. Haar stap, haar gelaat, hare gedaante waren zoo volkomen gelijk aan die der overige koorzangsters dat het onmogelijk was om het minste teeken te bespeuren dat haar van anderen onderscheidde, en toch klopte Kenneth’s hart, als dat van een vogel, die gaarne uit zijn kooi wilde breken, alsof het hem door zijne sympathetische ingevingen wilde overtuigen, dat het meisje, hetwelk in de rechter lijn van de tweede rij der nieuwelingen liep, hem dierbaarder was, niet alleen dan allen, die tegenwoordig waren, maar dan het geheele vrouwengeslacht. De romantische liefdedrift, welke de regelen der ridderschap aankweeken, en zelfs voorschreven, stemde zeer goed overeen met de niet minder romantische gevoelens van den godsdienst; en men kon zeggen, dat zij elkander veeleer in de hand dan tegenwerkten. Het was dus met eene gloeiende verwachting, die zelfs een eenigszins godsdienstig karakter had, dat sir Kenneth, dien het gevoel van zijn hart tot in de toppen van zijne vingers trilde, een tweede teeken hoopte van de tegenwoordigheid van een meisje dat hem, zooals hij zich sterk verbeeldde, reeds het eerste geschonken had.


Hoe kort de tijd ook was, gedurende welken de processie eene derde wandeling door de kapel volbracht, scheen hij toch eene eeuwigheid voor Kenneth. Eindelijk naderde de gestalte, die hij met zulk eene vrome aandacht had gadegeslagen,—er was geen onderscheid tusschen deze gesluierde gestalte en de overigen, met wie zij zich gelijkvormig bewoog, totdat, juist toen zij voor de derde maal den knielenden kruisvaarder voorbijging, een gedeelte van eene kleine en welgeëvenredigde hand, zoo schoon gevormd, dat zij het hoogste denkbeeld gaven van de volmaakte vorm van het lichaam waartoe zij behoorde, door de plooien van het gaas te voorschijn kwam, als een straal der maan door de lichte wolken van een zomerschen nacht, en voor de tweede maal lag er een rozenknop voor de voeten van den ridder van den Luipaard.

Dit tweede teeken kon niet toevallig zijn.—De overeenkomst van die half geziene, maar schoone vrouwenhand met eene, die zijne lippen eenmaal aangeraakt hadden, en aan wier beminnelijke eigenares hij toen stilzwijgend eene eeuwige trouw gezworen had, kon geen bloot toeval zijn. Ware er nog een verder bewijs noodig geweest, dan gaf dit de schittering van dien weergaloozen robijnen ring aan den sneeuwwitten vinger, wiens onschatbare waarde Kenneth toch geringer geschat zou hebben dan het minste teeken, dat deze vinger kon hebben gegeven:—en ofschoon zij gesluierd was, kon hij toch door toeval of gunst een tipje van die zwarte lokken zien, waarvan ieder haar hem dierbaarder was dan eene keten van echt goud. Het was de geliefde van zijn hart! Maar dat zij hier was—in de woeste en afgelegen woestijn—onder nonnen, die zich tot bewoneressen van wildernissen en holen gemaakt hadden, opdat zij in het geheim die Christelijke plechtigheden zouden kunnen verrichten, welke zij niet openlijk durfden bijwonen—dat dit zoo was—in waarheid en werkelijkheid—dit scheen te ongeloofelijk—het moest een droom zijn—een bedriegelijk goochelspel der verbeelding. Terwijl deze gedachten door Kenneth’s ziel vlogen, nam dezelfde gang, waarlangs de processie in de kapel gekomen was, deze bij haar terugkeer weder op. De jonge kerkdienaren en de zwarte nonnen verdwenen achtereenvolgens door de geopende deur; eindelijk vertrok ook zij, van wie hij dit dubbele teeken ontvangen had; nochtans wendde zij onder het naar buiten gaan het hoofd, weliswaar weinig, maar toch zichtbaar naar de plaats, waar hij vastgeworteld als een standbeeld staan bleef. Hij bemerkte de laatste golving van haar sluier—toen was zij verdwenen—en er daalde eene duisternis in zijne ziel, niet minder dicht dan die, welke bijna gelijktijdig zijne zinnen overtoog; want nauwelijks had de laatste der koorzangsters den drempel van de deur overschreden, of deze sloot zich met een luiden slag, en terzelfder tijd zwegen de stemmen van het koor, gingen de lichten der kapel eensklaps uit, en bleef sir Kenneth alleen en in volslagen duisternis. Maar voor Kenneth was eenzaamheid en duisternis en de onzekerheid van zijn geheimzinnigen toestand niets; hij dacht daaraan niet; hij stoorde zich daaraan niet en bekreunde zich om niets ter wereld dan om de vluchtige verschijning, die zoo even hem voorbijgezweefd was, en de blijken van gunst, die zij hem had geschonken. Op den vloer naar de knoppen rond te tasten, die zij had laten vallen—deze aan zijne lippen, aan zijn boezem te drukken—dan beurtelings, dan te zamen—met zijne lippen de koude steenen aan te raken, welke zij, zoo ver hij oordeelen konde, betreden had—al de buitensporigheden te begaan, die eene krachtige liefde inboezemt en rechtvaardigt bij hen, welke zich daaraan overgeven, dit alles waren slechts de bewijzen van eene hartstochtelijke liefde, eigen aan alle eeuwen. Maar het was bijzonder eigen aan de tijden der ridderschap, dat de ridder in zijne stoutste veroveringen niet dacht aan eenige poging, om het voorwerp van zulk eene romantische gehechtheid te volgen of na te sporen; dat hij aan haar dacht als aan eene godheid, die, na zich verwaardigd te hebben zich voor een oogenblik te vertoonen aan haar vereerder, die zich aan haar dienst had gewijd, weder naar de verborgenheid van haar heiligdom was teruggekeerd—of als eene planeet, die over zijn lot beslist, en in een gunstig oogenblik een genadigen straal op hem heeft doen vallen om zich dan weder in haren nevelsluier te hullen. Al wat zijne dame deed was voor hem de daad van een hooger wezen, dat vrij en ongestoord kon handelen, hem kon verblijden door hare verschijning of bedroeven door hare afwezigheid, hem kon aanmoedigen door hare vriendelijkheid of tot wanhoop brengen door hare wreedheid—alles naar haar vrijen wil, en zonder daarin eenige andere belemmering of verzet te ondervinden, dan die, welke uitgedrukt werd door de trouwste diensten van het hart en het zwaard van den kampioen, wiens eenig doel in het leven was hare bevelen te volbrengen en haar roem door den glans van zijne daden te verheffen.

Zoodanig waren de regelen der ridderschap in zaken van liefde, die hun alles beheerschend beginsel was. Maar sir Kenneth’s verkleefdheid werd romantisch door andere en meer bijzondere omstandigheden. Hij had nog nooit het geluid van de stem zijner uitverkorene gehoord, ofschoon hij hare schoonheid dikwijls met verrukking had aanschouwd. Zij bewoog zich in een kring, dien zijn ridderlijke rang hem wel vergunde te naderen, maar waarin hij zich niet mengen mocht; en hoezeer hij ook uitmuntte door krijgskundige bekwaamheid en moed, was toch de arme Schotsche ridder genoodzaakt, zijne Godheid op een afstand te aanbidden, bijna even groot als die, welke den Pers van de zon, het voorwerp zijner aanbidding, scheidt. Maar wanneer was het oog eener vrouw te trotsch, om de vurige vereering van een minnaar, hoe veel minder ook in rang, over het hoofd te zien? Haar oog was op hem gevestigd geweest in het toernooi, haar oor had zijn lof gehoord in de berichten omtrent de veldslagen, die dagelijks geleverd werden; en terwijl graven, hertogen en heeren om hare gunst streden, wendde zich deze, misschien eerst onwillekeurig of zelfs onbewust, tot den armen ridder van den Luipaard, die weinig anders dan zijn zwaard had, om zijn rang op te houden. Wanneer de dame om zich zag en luisterde, bemerkte en hoorde zij genoeg, om haar te versterken in hare voorkeur, die haar in den beginne onverhoeds overvallen had. Werd de persoonlijke schoonheid van een ridder ge-prezen, dan maakten zelfs de fijnste dames van het krijgshaftig hof van Engeland eene uitzondering ten gunste van den Schot Kenneth; en het gebeurde dikwijls, dat, niettegenstaande de aanzienlijke geschenken, welke vorsten en heeren aan de minnezangers deden, een onpartijdige geest van onafhankelijkheid den dichter bezielde, en de harp ter eere van een man klonk, die noch paard noch rijk gewaad bezat, om dit tot loon van zijn lof te schenken.

De oogenblikken, waarin de hooghartige Edith naar de loftuitingen luisterde, die haar minnaar ten deel vielen, werden haar hoe langer hoe dierbaarder, vormden eene afwisseling met de vleierij, waarvan haar oor moede was, en boden haar een voorwerp van geheime overdenking aan, waardiger, zoo als hij naar het algemeen gerucht scheen, dan zij, die hem in rang en in fortuin overtroffen. Toen hare aandacht zich bestendig, ofschoon heimelijk, op sir Kenneth vestigde, werd zij hoe langer hoe meer overtuigd van zijne persoonlijke genegenheid voor haar, en meer en meer zeker in haar gemoed, dat zij in Kenneth van Schotland den haar bestemden ridder mocht zien, die met haar in geluk en tegenspoed—en het vooruitzicht was donker en dreigend—de vurige gehechtheid zou deelen, waaraan de dichters van dien tijd zulk eene algemeente heerschappij toeschreven, en die volgens de toen bestaande zeden en gewoonten bijna gelijk stond met den godsdienst.

Maar laten wij den lezer de waarheid niet verbergen. Toen Edith den toestand van haar hart begon te bespeuren, hoe edel hare neiging ook zijn mocht, en hoe passend ook voor eene maagd, die niet ver van den troon van Engeland stond—hoe zeer haar hoogmoed ook gevleid mocht zijn door de weliswaar zeer stille, maar standvastige hulde, die haar de ridder, dien zij onderscheidde, bewees, waren er oogenblikken, waarin het gemoed der minnende en beminde vrouw morde tegen de luister en pracht, die haar omgaven, en zij bijna de schroomvalligheid van haar minnaar gispte, die scheen besloten te hebben, om ter wille daarvan op een afstand te blijven. De etiquette, om eene hedendaagsche uitdrukking te bezigen, van geboorte en rang had een tooverkring om haar getrokken, waar buiten sir Kenneth zeer zeker mocht buigen en toezien, maar dien hij evenmin mocht binnendringen, als een opgeroepen geest de grenslijn durft overtreden, die een machtig toovenaar hem heeft voorgeschreven. Onwillekeurig drong zich de gedachte bij haar op, dat zij, al was het dan ook slechts de punt van haar tooverachtigen voet, buiten de aangewezen grenslijn moest wagen, als zij ooit aan zulk een ingetogen en beschroomden minnaar eene gelegenheid tot de geringe gunst wilde geven, om den riem van haar schoen te kussen. Er was een voorbeeld, het bekende geval met de dochter van den koning van Hongarije, die een jongeling van lagen rang edelmoedig daartoe aanspoorde; en Edith, ofschoon van koninklijk bloed, was geene koningsdochter, evenmin als haar minnaar van lagen rang was—de fortuin had hunne genegenheid geen zoo groote hindernissen in den weg gelegd. Toch was er iets in het gemoed der jonkvrouw—die zedige hoogmoed, welke de liefde zelve kluistert—die haar in weerwil van haar hoogeren rang verbood, om die stappen te doen, welke, in ieder geval, de kieschheid van minnaars vordert. Vooral was sir Kenneth een zoo edel, eervol en volmaakt ridder, zooals zij zich ten minste verbeeldde, met de strengste beginselen omtrent hetgeen hij zichzelven en haar verschuldigd was, dat, hoe terughoudend haar gedrag bij het ontvangen van zijne hulde ook mocht zijn, gelijk het beeld van de eene of andere godheid, van welke men noch het gevoel noch beantwoording van hulde verwacht, zij toch altijd vreesde, te voorbarig van haar voetstuk af te dalen en zich te vernederen in de oogen van haar ridderlijken aanbidder.

Niettemin kan de toewijding van den aanbidder van een afgodsbeeld zelfs in de strakke en onbewegelijke trekken van een marmeren beeld teekenen van goedkeuring ontdekken, en het is geen wonder, dat zeker iets, dat even gunstig kon uitgelegd worden, uit het schitterende oog der beminnelijke Edith straalde, wier schoonheid inderdaad meer in de kracht der uitdrukking dan in eene groote regelmatigheid van lijnen of in een fraai gelaat bestond. Er waren haar eenige geringe blijken van onderscheiding ontsnapt, ondanks hare pogingen om zich zelve te beheerschen; hoe kon anders sir Kenneth zoo dadelijk en zeker de beminnelijke hand herkend hebben, waarvan nauwelijks twee vingers van onder haar sluier zichtbaar waren, of hoe kon hij zoo vast verzekerd geweest zijn, dat twee bloemen, die na elkander op den grond gevallen waren, bestemd waren tot een teeken van herkenning van den kant der dame van zijn hart? Door welke reeks van opmerkingen—door welke geheime teekens, blikken of gebaren—door welke instinktmatige vrijmetselarij der liefde, deze mate van verstandhouding tusschen Edith en haar minnaar tot stand kwam, dit kunnen wij niet wagen te doorgronden; want wij zijn oud, en zulke fijne sporen van toegenegenheid, welke jongere oogen gemakkelijk ontdekken, spotten met de kracht van de onze. Genoeg, dat er zulk eene genegenheid tusschen deze twee bestond, die elkander zelfs nooit gesproken hadden, ofschoon zij van den kant van Edith door een diep besef van de bezwaren en gevaren, waaraan natuurlijk hunne liefde zou bloot staan, binnen de palen werd gehouden, en van dien van den ridder door duizend twijfelingen en vreezen, dat hij de geringe teekenen, dat de dame hem opmerkte te hoog geschat had. Te meer moesten deze gedachten bij hem opkomen, daar zij noodzakelijk afgebroken werd door lange tusschenpoozen van schijnbare koelheid, gedurende welke òf de vrees om de aandacht van anderen te wekken òf om in zijne achting te dalen door te snel overwonnen te schijnen, haar tot schijnbare onverschilligheid dwong, alsof zij zijne tegenwoordigheid in het geheel niet bemerkte.

Dit verhaal, dat misschien een weinig vervelend is, maar door de geschiedenis gevorderd wordt, kan strekken, om de verstandhouding—zoo dit woord niet te sterk is—tusschen de gelieven te verklaren, toen de onverwachte verschijning van Edith in de kapel zulk eene krachtige uitwerking op het gemoed van haar ridder teweeg bracht.

HOOFDSTUK V.

Inhoudsopgave

De zwarte kunst en tooverslag

Roept vrucht’loos spooksels voor den dag!

Op ons bevel verdwijnt dit rot,

En Termagaunt en Astharoth.

Warton.

Het diepste stilzwijgen en de dikste duisternis heerschten gedurende meer dan een uur in de kapel, waarin wij den ridder van den Luipaard nog steeds knielende verlaten hebben, dan eens den Hemel zijn dank uitende, dan weder zijne dankbaarheid betuigende jegens zijne beminde voor het teeken, waarmede hij was verwaardigd geworden. Zijne eigen veiligheid, zijn eigen lot, waarom hij zich te allen tijde zeer weinig bekreunde, hadden thans niet het gewicht van een korrel zand in zijne overpeinzingen. Hij was in de nabijheid van jonkvrouw Edith, hij had blijken van hare gunst ontvangen, hij was in eene plaats, die door de heiligste reliquiën gewijd was. Een Christen krijgsman, een trouw minnaar kon niets vreezen, aan niets denken, dan aan zijn plicht jegens den Hemel en zijne verplichting jegens zijne beminde.


Na verloop van den tijd door ons opgegeven, hoorde men een schel gefluit, als dat, waarmede de valkenier zijn valk roept, in de gewelven der kapel. Het was een toon, die zeer slecht op deze plaats paste, en Kenneth herinnerde zich, hoe noodig het was, dat hij op zijne hoede bleef. Hij sprong op, en sloeg de hand aan zijn dolk. Een krakend geluid, als dat van eene schroef of van katrollen, volgde, en een naar boven stroomend licht, dat door eene opening uit den vloer opsteeg, duidde aan, dat eene valdeur was opgelicht of neergedrukt. In minder dan eene minuut vertoonde zich een lange, magere arm, gedeeltelijk naakt, gedeeltelijk in een mouw van roode zijde gekleed, door de opening, eene lamp zoo hoog ophoudende, als hij reiken konde, en de gedaante, waaraan de arm behoorde, steeg stap voor stap tot op de hoogte van den vloer der kapel. De gedaante en het gelaat van het wezen, dat zich vertoonde, waren die van een afzichtelijken dwerg met een groot hoofd, getooid met eene muts, die op zulk eene zonderlinge wijze met drie pauwenveeren versierd was, een kleed van rood atlas, waarvan de rijkdom zijne leelijkheid nog afzichtelijker maakte, met gouden armbanden en een witte zijden sjerp, waarin hij eene dolk met een gouden gevest droeg. Deze zonderlinge gedaante had in zijne linkerhand eene soort bezem. Zoodra hij uit de opening, waaruit hij opgestegen was, te voorschijn was gekomen, bleef hij stil staan en bewoog, alsof hij zich duidelijker wilde laten zien, de lamp, die hij langzaam langs zijn gelaat en zijn lichaam, achtereenvolgens zijne wilde en wonderlijke trekken en zijne misvormde maar gespierde leden verlichtende. Ofschoon de dwerg mismaakt was, was hij toch niet zoo vergroeid, dat hij eenig gebrek aan kracht of lenigheid aan den dag legde. Terwijl sir Kenneth dit onaangenaam voorwerp aanstaarde, rees in zijn geest het volksgeloof omtrent de genomen of aardgeesten, die hun verblijf in de holen der aarde houden, en deze gedaante stemde zoo zeer overeen met de denkbeelden, die hij zich van hun voorkomen gevormd had, dat hij haar met afkeer beschouwde, weliswaar niet met vrees vermengd, maar toch met die soort van ontzag, die de tegenwoordigheid van een bovennatuurlijk schepsel in het moedigste hart kan doen ontstaan.

De dwerg floot nog eens en riep van beneden een metgezel op, die hem in leelijkheid evenaarde. Deze tweede gedaante steeg op dezelfde wijze als de eerste naar boven; maar het was een vrouwelijke arm, die in deze tweede verschijning de lamp omlaag hield uit het onderaardsche gewelf, waaruit zij te voorschijn kwamen; en het was eene vrouwelijke gedaante, zeer gelijk aan de vorige in maaksel en evenredigheden, die zich langzaam tot den vloer verhief. Ook hare kleeding was van rood atlas, op eene grillige wijze gesneden en bezet, alsof zij voor eene vertooning van goochelaars of potsenmakers gekleed was geweest, en met dezelfde nauwkeurigheid, als haar voorganger, liet zij haar gelaat en haar persoon door de lamp beschijnen, en deze schenen met die van den man in afzichtelijkheid te wedijveren. Maar bij dit allerongunstigst uiterlijk was er een trek in het gelaat van beiden, die in den hoogsten graad van vlugheid en verstand getuigde. Dit sproot voort uit den glans van hunne oogen, welke, diep onder zwarte kroesige wenkbrauwen liggende, zoo levendig schitterden, dat zij, als de glans in het oog van de pad, eenigszins de bovenmatige leelijkheid van het gelaat en den persoon schenen te vergoeden.

Sir Kenneth stond als vastgenageld, terwijl dit onbeminnelijk paar, dat zich dicht naast elkander door de kapel bewoog en als dienstboden de taak der reiniging scheen te verrichten; maar daar zij slechts eene hand gebruikten, had de vloer niet veel voordeel bij dit werk, dat zij met zonderlinge gebaren en bewegingen tot stand brachten, die met hun geheel, voorkomen overeenstemden. Toen zij in den loop van hunne bezigheid in de nabijheid van den ridder kwamen, hielden zij op gebruik van hunne bezems te maken, en zich naast elkander plaatsende vlak tegenover sir Kenneth, hielden zij wederom de lampen, die zij droegen, zoodanig, dat hij hunne gelaatstrekken duidelijk kon beschouwen, die, nu zij dichterbij waren geenszins bevalliger werden, en de buitengemeene vlugheid en scherpzinnigheid deden opmerken, waarmede hunne zwarte en glinsterende oogen het licht der lampen terugkaatsten. Zij keerden toen het schijnsel van beide lichten naar den ridder, en na hem aandachtig aanschouwd te hebben, zagen zij elkander aan, en hieven een luid, schaterend gelach aan, dat in zijne ooren weêrgalmde. De toon was zoo ijselijk, dat sir Kenneth bij het hooren ervan schrikte, en haastig in den naam van God vroeg, wie zij waren, die deze heilige plaats met zulke akelige gebaren en afschuwelijke kreten ontwijdden.

„Ik ben de dwerg Nebectamus,” antwoordde het mannelijke wangedrocht, met eene stem, die met zijn uiterlijk overeenstemde, en meer geleek naar die van de nachtraaf dan naar eenige andere, die zich bij dag laat hooren.

„En ik ben Guenevra, zijne vrouw en zijn schat,” hernam de vrouw met een geluid, dat nog scheller en dus ook wilder dan dat van haar metgezel klonk.

„Waarom zijt gij hier?” vroeg de ridder verder, nog niet geheel overtuigd, dat hij menschelijke wezens voor zich zag.

„Ik ben,” hervatte de dwerg met groote voorgewende deftigheid en waardigheid, „de twaalfde Imam.—Ik ben Mahomed Mohadi, de leidsman en gids der geloovigen. Honderd paarden staan gereed, gezadeld voor mij en mijn gevolg in de heilige Stad zoowel als in de Stad der Toevlucht. Ik ben degene, die getuigenis zal geven, en deze is eene van mijne houris.”

„Gij liegt!” antwoordde de dwergin, haar metgezel in nog scheller tonen in de rede vallende: „ik ben geene van uwe houris, en gij zijt zulk ongeloovig kaf niet als die Mahomed, van wien gij spreekt. Mijn vloek ruste op zijne doodkist.—Ik zeg u, gij ezel van Issachar, dat gij Arthur, Koning van Brittannië zijt, die de toovergodinnen van het veld van Avalon stal, en ik vrouwe Guenevra, ben beroemd om mijn schoonheid.”

„Maar, in waarheid, edele heer,” zeide de man, „wij zijn ongelukkige prinsen, onder de vleugels van koning Guy van Jeruzalem, tot dat hij door de goddelijke ongeloovigen uit zijn eigen nest verdreven werd.—Mogen de bliksemstralen des hemels hen verteren!”

„Stil,” riep eene stem aan den kant, vanwaar de ridder was binnengekomen—„stil, gekken, pakt u weg; uw dienst is geëindigd.”

Nauwelijks hadden de dwergen dit bevel gehoord, of zij bliezen onder luid en onverstaanbaar gefluister met elkander, hunne lampen te gelijk uit, en lieten den ridder in volslagen duisternis, die gepaard ging, nadat het kletteren van hunne schreden zich verloren had, met het gezelschap het best daarbij paste: eene volkomen stilte.

De ridder gevoelde zich door de verwijdering van deze ongelukkige schepsels inderdaad verlucht. Hij kon uit hunne taal, manieren en voorkomen er niet aan twijfelen, of zij behoorden tot die ontaarde klasse van wezens, welke mismaaktheid van lichaam en zwakheid van verstand in den onaangenamen toestand plaatste, om als een aanhangsel van groote familiën door hun uiterlijk en hunne onnoozelheid hun huisgenooten een vroolijk tijdverdrijf te verschaffen. Op een anderen tijd zou de Schotsche ridder, die in geenerlei opzicht boven de begrippen en zeden van zijne eeuw verheven was, in de verschijning dier arme menschelijke karikaturen veel vermaak gevonden hebben; maar thans hadden hunne verschijning, gebaren en taal den gang der diepe en plechtige gewaarwordingen verbroken, die hem vervulden, en hij verheugde zich hartelijk over de verdwijning van deze rampzalige wezens.

Een paar minuten, nadat zij vertrokken waren, ging de deur, waardoor hij binnengetreden was, langzaam open, en daar ze bleef aanstaan, drong er een zwak licht door, dat scheen uit eene lantaarn, welke op den drempel geplaatst was. Haar flauwe schemerende schijn vertoonde eene donkere gestalte, die aan den ingang lag, en waarin hij, naderbij komende de kluizenaar erkende, die nog in dezelfde houding lag, welke hij vroeger had aangenomen, en zonder twijfel behouden had gedurende den ganschen tijd, dat zijn gast in de kapel was geweest.

„Alles is voorbij,” zeide de hermiet, toen hij den ridder hoorde naderen—„en de ellendigste van alle aardsche zondaars moet zich even goed, als hij, die zich voor den meest geëerde en den gelukkigste van het menschelijk geslacht moet houden, van deze plaats verwijderen. Neem het licht en leid mij naar beneden, want ik mag mijne oogen niet ontblooten, vóór dat ik ver van deze heilige plaats ben.”

De Schotsche ridder gehoorzaamde zwijgend; want een plechtig en zalig gevoel wegens hetgeen hij gezien had, had zelfs zijne vurige nieuwsgierigheid overwonnen. Hij wees met groote nauwkeurigheid den weg door de verschillende geheime gangen en trappen, waarlangs zij naar boven gekomen waren, totdat zij zich eindelijk in de buitencel van de grot van den kluizenaar bevonden.

„De veroordeelde misdadiger is aan zijn kerker teruggegeven, en krijgt uitstel van den eene rampzaligen dag tot den anderen, tot dat zijn vreeselijke Rechter eindelijk het welverdiende vonnis zal laten volvoeren.”

Onder het uitspreken van deze woorden legde hij den sluier af, waarmede zijne oogen bedekt waren geweest, en staarde daarop met een gesmoorden en diepen zucht. Nauwelijks had hij dien weder in de nis neergelegd, waaruit hij hem door den Schot had doen krijgen, of hij zeide haastig en ernstig tot zijn bezoeker: „ga heen, ga heen—ter rust, ter rust. Gij moogt slapen—gij kunt slapen—ik kan of mag dit niet.”

Wegens de diepe ontroering, waarmede dit gezegd werd, begaf zich de ridder naar het binnengedeelte van de cel; maar toen hij bij het uitgaan van de grot omzag, bespeurde hij den kluizenaar met krankzinnige drift den harigen deken van de schouders trekken, en vóór dat hij nog de zwakke deur, welke de twee vertrekken van het hol scheidde, kon sluiten, hoorde hij de slagen van den geesel van het slachtoffer, en het gekerm van den boeteling onder zijne eigen kastijding. Eene koude rilling voer door het lichaam van den ridder, terwijl hij nadacht, welke zware zonde het zijn moest, die zoo hevige wroegingen verwekte, dat, naar het scheen, zulke eene gestrenge kastijding die noch verzoenen noch lenigen kon. Hij bad ootmoedig zijn rozenkrans en legde zich op zijne legerstede, na een blik op den nog slapenden Muzelman geworpen te hebben, en vermoeid door de verschillende ervaringen van den dag en den nacht, sliep hij weldra zoo vast als een kind. Na zijn ontwaken in den morgen overlegde hij bij zich zelven eenige belangrijke zaken, die hem bewogen om nog twee dagen in de grot te blijven. Hij was, zooals het een pelgrim paste, stipt in zijne godsdienstoefeningen, maar hij werd niet weder in de kapel toegelaten, waarin hij zulke wonderen aanschouwd had.

HOOFDSTUK VI.

Inhoudsopgave

Verander van tooneel. Laat luid de hoorn weerklinken;

De sterke leeuw kwam thans te voorschijn uit zijn hol.

Oud Tooneelstuk.

Het tooneel moet thans veranderen, zooals ons motto aangekondigd heeft en uit de rotsachtige woestijn van de Jordaan verplaatst worden naar de legerplaats van Richard, Koning van Engeland, die toen tusschen St. Jean d’Acre en Ascalon was opgeslagen, en het leger bevatte, waarmede Leeuwenhart zich een zegepralenden tocht naar Jeruzalem beloofd had, waarin hij waarschijnlijk geslaagd zou zijn, als hij niet ware verhinderd geworden door den naijver der Christenvorsten, die aan dezelfde onderneming deelnamen, en door hunne geraaktheid over den grenzenloozen trots van den Engelschen monarch en de minachting die hij voor vorsten betoonde, welke, ofschoon zijne gelijken in rang, echter ver beneden hem stonden in moed, stoutheid en krijgskundige bekwaamheid.

Zulke oneenigheden, en inzonderheid die tusschen Richard en Filips van Frankrijk, veroorzaakten twisten en moeilijkheden, die al de krachtige maatregelen belemmerden, welke door den heldhaftigen maar onstuimigen Richard werden voorgesteld, terwijl de gelederen der kruisvaarders met den dag verminderden, niet alleen door het wegloopen van enkelen, maar van geheele benden, onder aanvoering van hunne leenheeren, die zich aan een strijd onttrokken, waarvan zij geen gunstigen uitslag meer durfden hopen.

De invloed van het klimaat werd, zoo als gewoonlijk, noodlottig voor krijgslieden uit het Noorden, te meer daar de onbeteugelde losbandigheid der kruisvaarders, die een zonderling contrast vormde met het beginsel en het doel van hun tocht, hen gemakkelijk tot slachtoffers maakten van de nadeelige uitwerking van eene verzengende hitte en een ijskouden dauw. Bij deze ontmoedigende oorzaken van verlies voege men nog het zwaard van den vijand. Saladin, de grootste naam, die in de Oostersche geschiedenis geboekt staat, had tot zijn nadeel ondervonden, dat zijne licht gewapende volgelingen niet zeer geschikt waren om in een gevecht van man tegen man tegenstand te bieden aan de in ijzer gekleede Franken, en had te gelijker tijd den ondernemenden geest van zijn vijand Richard leeren duchten. Maar zoo zijne legers meer dan ons met groot verlies op de vlucht gedreven werden, gaf het aantal zijner strijders hem het voordeel in de kleine schermutselingen, waarvan vele onvermijdelijk waren. Naarmate het leger zijner aanvallers verminderde, werden de ondernemingen van den Sultan menigvuldiger en stouter in deze soort van guerilla-oorlog. De legerplaats der kruisvaarders was omringd en bijna belegerd door wolken lichte ruiterij, die op zwermen wespen geleken, welke, als men ze eens gegrepen heeft, gemakkelijk dood gedrukt worden, maar die vleugels hebben, om de meerdere kracht te ontwijken, en angels om schade en onheil te stichten. Er werden voordurend gevechten tusschen voorposten en fourageurs geleverd, waarbij menig kostbaar leven verloren ging, zonder dat een daardoor evenredig voordeel verkregen werd; bedekkingen werden onderschept en verbindingen afgesneden. De kruisvaarders moesten de middelen tot onderhoud van het leven met het leven zelf koopen; en water, gelijk dat uit de bron van Bethlehem, waarnaar Koning David, een van de oude Monarchen verlangde, werd toen, gelijk voorheen, slechts met bloed verkregen.

Deze moeilijkheden werden echter in eene hooge mate opgewogen door de ernstige standvastigheid en de rustelooze werkzaamheid van Koning Richard die met eenige zijner beste ridders altijd te paard zat, gereed om zich naar elk punt te begeven, waar gevaar dreigde, en die dikwijls niet alleen onverwachte hulp aan de Christenen bracht, maar ook de ongeloovigen versloeg, wanneer zij zich reeds volkomen zeker van de overwinning waanden. Maar zelfs het ijzeren gestel van Richard Leeuwenhart kon niet zonder nadeel de wisselingen van het ongezonde klimaat, gevoegd bij onophoudelijke inspanning van geest en lichaam, verduren. Hij werd aangetast door eene dier sluipende, ondermijnende koortsen, die eigen aan Azië zijn, en in weerwil van zijne groote kracht en zijn nog grooter moed, werd hij eerst onbekwaam om te paard te stijgen, en toen ongeschikt om den krijgsraad bij te wonen, dien de kruisvaarders van tijd tot tijd hielden. Het valt moeielijk te beslissen, of deze toestand van persoonlijke machteloosheid kwellender dan wel dragelijker gemaakt werd door het besluit van den raad, om een wapenstilstand van dertig dagen met Sultan Saladin te sluiten; want zoo hij van den eenen kant ongeduldig werd door de vertraging, welke die in den voortgang der groote onderneming te weeg bracht, werd hij van den anderen kant eenigermate getroost door het besef, dat anderen zich geen lauweren verwierven, terwijl hij zelf op het ziekbed lag uitgestrekt.

Maar hetgeen Leeuwenhart het minst vergeven kon, was de algemeene werkeloosheid, die in het leger der kruisvaarders heerschte, zoodra zijne ziekte een ernstig karakter aannam, en de berichten, die hij aan de zijnen met geweld ontwrong, gaven hem de overtuiging dat de hoop van het leger afnam in evenredigheid van het toenemen zijner ziekte, en dat de tusschenpoozing van den wapenstilstand niet besteed werd om het leger aan te vullen, zijn moed te verhoogen, den geest van verovering te voeden, en het tot een spoedigen en beslissenden tocht naar de heilige stad voor te bereiden, maar om de door hunne verzwakte strijdgenooten bezette legerplaats met loopgraven, stormpalen en andere vestingwerken te versterken, alsof zij zich veeleer voorbereidden om den aanval van een machtigen vijand af te weren, zoodra de vijandelijkheden zouden beginnen, dan wel het stoute karakter van veroveraars en aanvallers te handhaven.

De Engelsche Koning werd toornig bij deze berichten, gelijk de gevangen leeuw, die zijn prooi van achter de ijzeren traliën zijner kooi ziet. Van nature driftig en onstuimig, verteerde hem de prikkelbaarheid van zijn karakter. Hij werd door zijn dienaren gevreesd en zelfs de geneesheeren, die hem bijstonden, waagden het niet het noodige gezag aan te nemen, dat een geneesheer noodzakelijk op zijne patiënten moet uitoefenen, wanneer hij dezen goed behandelen wil. Eén der getrouwe barons, die misschien uit overeenstemming van karakter, met hart en ziel aan den persoon des Konings verknocht was, waagde het om zich tusschen den draak en zijne grimmigheid te stellen, en hield bedaard, maar vast, een toezicht, dat geen ander over den gevaarlijke zieke durfde aanvaarden, en die Thomas de Multon alleen uitoefende, omdat hij het leven en de eer van zijn vorst op hoogeren prijs stelde dan de mate van gunst, die hij kon verliezen, of zelfs het gevaar, dat hij misschien liep door een zoo onhandelbaren zieke, wiens ongenoegen zoo hoogelijk te duchten was, op te passen.

Sir Thomas was lord van Gilsland in Cumberland, en in eene eeuw, waarin geslachtsnamen en titels niet zoo duidelijk verbonden waren als thans aan de personen die ze droegen, werd hij door de Normandiërs lord de Vaux, en in het Engelsche door de Saksers, die aan hunne geboortetaal verknocht waren, en zich verhoovaardigden op het Saksische bloed in de aderen van dezen beroemden krijgsman, Thomas, of meer vertrouwelijk Thom van Gills genoemd, naar de enge vallei, waarvan zijne uitgestrekte bezittingen haar welbekenden naam ontleenden.

Deze veldheer was bijna in alle oorlogen geoefend, hetzij die gevoerd waren tusschen Engeland en Schotland, of tusschen de verschillende binnenlandsche partijen, welke destijds eerstgenoemd land verscheurden, en had zich in allen onderscheiden zoowel door zijn krijgskundig talent als door zijne persoonlijke dapperheid. Hij was in andere opzichten een ruw soldaat, lomp en onbeschaafd in zijn gedrag en stil, ja bijna norsch, in den gezelligen omgang, en, ten minste in schijn, onbekend met alle beleefdheidsvormen en wereldsche hoffelijkheid. Er waren echter mannen, die meenden, diep in zijn karakter te lezen, en verzekerden, dat de lord de Vaux niet minder listig en eerzuchtig dan lomp en stout was, en die van oordeel waren, dat, zoo hij zijn karakter en onbesuisde stoutheid aan dat des Konings gelijk zocht te maken, dit eenigermate althans met het doel geschiedde, om diens gunst te verwerven en zijne eigen geheime eerzucht te bevredigen. Maar niemand waagde het, zijne plannen, zoo hij er had, te dwarsboomen, door met hem de gevaarlijke taak te deelen, dagelijks bij het ziekbed van een lijder te zijn, wiens kwaal besmettelijk werd genoemd; en nog meer bijzonder, wanneer men zich herinnerde, dat deze patiënt Richard Leeuwenhart was, die leed onder het pijnigend ongeduld van een krijgsman, die niet ten strijde kan trekken, en een Vorst, die in de uitoefening van zijne macht belemmerd werd. De gemeene soldaten echter, ten minste in het Engelsche leger, waren over het algemeen van oordeel, dat de Vaux den Koning, gelijk de eene makker den anderen, oppaste, met de eerlijke, onbaatzuchtige en oprechte vriendschap, die tusschen strijd- en lotgenooten in dagelijksche gevaren was gesloten.

Het was op den avond van een Syrischen dag, dat Richard op zijn ziekbed lag, dat voor zijn geest even kwellend werd, als het voor zijn lichaam smartelijk was. Zijn helder blauw oog, dat te allen tijde met ongemeen veel vuur en glans schitterde, had in gloed toegenomen door de koorts en het ongeduld van zijn gemoed, en glinsterde van onder zijne gekrulde en ongesneden lokken van geel haar even scherp en levendig, als de laatste stralen van de zon door de wolken van een naderend onweder schieten, die echter nog hare stralen verguld worden. Zijne mannelijke trekken toonden den voortgang der uitterende ziekte, en zijn verwaarloosde en onopgemaakte baard was over zijn lippen en kin heengegroeid. Zich van de eene zijde op de andere werpende, nu eens de dekens over zich heentrekkende, dan weder ze ongeduldig van zich afstootende, toonden zijn in wanorde gebracht bed en zijne ongeduldige gebaren te gelijker tijd de kracht en de hevige onstuimigheid van zijn karakter, dat van nature tot groote werkzaamheid geneigd was.

Naast zijn bed stond Thomas de Vaux, in gelaat, houding en manieren het grootst mogelijke contrast met den lijdenden monarch vormende. Zijne lengte grensde aan het reusachtige, en zijn haar had in dikte met dat van Simson kunnen vergeleken worden, schoon niet eerder dan toen de lokken van den Israëlitischen richter onder de schaar van de Filistijnen waren geweest, want die van de Vaux waren kort afgesneden, opdat zij door den helm konden bedekt worden. Het licht van zijn groot, bruin oog geleek dat van den herfstmorgen, en het werd slechts voor een oogenblik verduisterd, wanneer het door Richard’s hevige blijken van aandoening en rusteloosheid van tijd tot tijd werd aangetrokken. Zijne gelaatstrekken, die, evenals zijn lichaam, van kracht getuigden, konden schoon geweest zijn eer zij door lidteekens misvormd waren geworden; zijne bovenlip was, volgens Normandische gewoonte, met een zwaren knevel bedekt, die zoo lang en weelderig groeide, dat hij zich met zijn haar vermengde, en, gelijk dit, donker bruin was, een weinig met grijs vermengd. Zijne gestalte scheen van dien aard te zijn, die het best de vermoeienissen en klimaat trotseert, want hij had smalle lendenen, eene breede borst, lange armen, eene krachtige long en sterke leden. Hij had zijn wambuis van buffelleder, dat het op zijn schouder gesneden kruis vertoonde, gedurende drie nachten niet afgelegd, terwijl hij slechts de kortstondige rust genoot, die de oppasser van een zieken monarch zich gunnen kan. Hij veranderde zelden van houding, behalve om Richard de geneesmiddelen of ververschingen toe te deelen, die geen van zijn minder begunstigde bedienden den ongeduldigen Vorst kon overreden te gebruiken; en er was iets aandoenlijks in de vriendelijke, ofschoon onhandige wijze, waarop hij diensten verrichtte, die zoo zonderling in strijd waren met zijne ruwe krijgsmanszeden en gewoonten.

De tent, waarin deze personen zich bevonden, had, zoo als met den aard der tijden zoowel als het persoonlijk karakter van Richard overeenkwam, meer een militair dan een prachtig of koninklijk aanzien. Wapenen tot aanval en verdediging, waaronder verscheidene van vreemd en nieuw uitgevonden maaksel, lagen in het rond, of stonden tegen de pijlers. Huiden van dieren, die op jacht geveld waren, lagen op den grond of langs de wanden der tent uitgespreid, en op een stapel van dezen jachtbuit lagen drie wolfhonden van de grootste soort en zoo wit als sneeuw. Hun kop, die met menig lidteeken van klauwen en slachttanden bedekt was, toonde hun aandeel in het verzamelen van de zegeteekenen, waarop zij rustten, en hunne oogen, die zij van tijd tot tijd met een veelbeteekenenden blik en met gapenden muil op Richard’s bed vestigden, deden zien, hoezeer zij verbaasd en bedroefd waren onder de ongewone werkeloosheid, waarin zij gedoemd waren te deelen. Dit waren slechts de toerustingen van den krijgsman en jager, maar op een tafeltje, dicht bij het bed, lag een driehoekig schild van staal, waarop de drie stappende leeuwen stonden, die de ridderlijke monarch het eerst had aangenomen, en daarvoor de gouden band, zeer veel op een hertogskroontje gelijkende, behalve dat hij van voren hooger dan van achteren was, en die met de geborduurde tiaar van purper fluweel, welke de kroon omgaf, toen het zinnebeeld vormde van Engelands souvereiniteit. Naast dezen lag, als het ware gereed om het koninklijke eereteeken te verdedigen, eene machtige strijdbijl, die voor den arm van ieder ander, dan Richard Leeuwenhart, te zwaar zou zijn geweest.

In eene buitenste afdeeling van de tent bevonden zich twee of drie bedienden van den koninklijken hofstoet, ongerust over den gezondheidstoestand huns meesters en niet minder over hunne eigene toekomst, ingeval hij kwam te sterven. Hunne sombere bezorgdheid verspreidde zich onder de wachten daarbuiten, die in neerslachtige en stille overdenking heen en weer liepen, of, op hunne hellebaarden rustend, onbeweeglijk op hun post stonden, eer als gewapende tropheën dan als levende krijgslieden.

„Dus hebt gij mij geen betere tijdingen uit de buitenwereld te brengen, sir Thomas?” zeide de Koning na een lang en onrustig stilzwijgen en de koortsachtige bewegingen, die wij gepoogd hebben te beschrijven. „Al onze ridders zijn vrouwen en onze dames bidzusters geworden, en nergens ziet men een vonk van dapperheid of galanterie om eene legerplaats tot luister te verstrekken, die de uitgelezensten van Europa’s ridderschap bevat.—Ha!”

„De wapenstilstand, mylord,” antwoordde de Vaux met hetzelfde geduld, waarmede hij die verklaring twintig malen had herhaald,—„de wapenstilstand belet ons om ons als mannen van de daad te gedragen, en, wat de dames betreft, Uwe Majesteit weet zeer wel, dat ik niet veel deelneem aan vroolijke gezelschappen, en zelden mijn buffelleder en staal tegen fluweel en goud verwissel;—maar zooveel ik weet, dat onze uitgelezenste schoonen Hare Majesteit de Koningin en de Prinses op eene bedevaart vergezellen naar het klooster van Engaddi, om hare gelofte voor de redding van Uwe Majesteit uit deze ongesteldheid te vervullen.”

„En is het zoo,” zeide Richard met ziekelijk ongeduld, „dat koninklijke vrouwen en maagden zich wagen, terwijl de ongeloovige honden, die door het land zwerven, even weinig trouw jegens menschen als geloof in God betoonen?”

„Neen, mylord,” antwoordde De Vaux, „zij hebben Saladin’s woord voor hare veiligheid.”

„Dat is waar, dat is waar!” hervatte Richard, „en ik heb den heidenschen Sultan onrecht aangedaan—ik ben hem vergoeding daarvoor verschuldigd—gave God, dat ik slechts in staat ware, om hem die in persoon tusschen de beide legers aan te bieden, voor de oogen van Christen- en heidendom!”

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
16 ocak 2025
Hacim:
522 s. 37 illüstrasyon
ISBN:
4064066403683
Yayıncı:
Tercüman:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar