Kitabı oku: «Robbert Roodhaar»
Walter Scott
Robbert Roodhaar

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404406
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK II.
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V.
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IX.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI.
HOOFDSTUK XII.
HOOFDSTUK XIII.
HOOFDSTUK XIV.
HOOFDSTUK XV.
HOOFDSTUK XVI.
HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVIII.
HOOFDSTUK XIX.
HOOFDSTUK XX.
HOOFDSTUK XXI.
HOOFDSTUK XXII.
HOOFDSTUK XXIII.
HOOFDSTUK XXIV.
HOOFDSTUK XXV.
HOOFDSTUK XXVI.
HOOFDSTUK XXVII.
HOOFDSTUK XXVIII.
HOOFDSTUK XXIX.
HOOFDSTUK XXX.
HOOFDSTUK XXXI.
HOOFDSTUK XXXII.
HOOFDSTUK XXXIII.
HOOFDSTUK XXXIV.
HOOFDSTUK XXXV.
HOOFDSTUK XXXVI.
HOOFDSTUK XXXVII.
HOOFDSTUK XXXVIII.
HOOFDSTUK XXXIX.

Walter Scott’s Werken.
OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT
DOOR
GERARD KELLER.
ROBBERT ROODHAAR.
Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke Engelsche uitgave van MARCUS WARD & Co.
Arnhem—Nijmegen.
GEBRs. E. & M. COHEN.
TYP. DRUKKERIJ „DE PHŒNIX”, NIJMEGEN.
ROBBERT ROODHAAR.
HOOFDSTUK I.
Inhoudsopgave
Wat was mijn fout, dat thans zoo bittre smart
Zoo zwaar mij drukt? Geen zonen heb ik meer!
Die daar hield op, ’t te zijn.—Vervloekt
In eeuwigheid de oorzaak van uw’ omkeer.—Reizen?
’k Kan evengoed mijn paard uit reizen zenden.…
MONSIEUR THOMAS.
Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen moest, in geschrifte te verhalen.
Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik, terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd, dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.
Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt, toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze wereld gescheiden zijn—om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten elkaar weer te zien,—dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen, die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend.
Dat ik mijne gedenkschriften—zoo ik ten minste aan dit stuk zulk een weidschen titel mag geven—aan een dierbaren getrouwen vriend wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik, al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden, die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de zeldzame eerste uitgave van Sully’s »Gedenkwaardigheden.”1 Gij, met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig, omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn, om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz.
Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden”, waarin alles voorkwam, wat maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester, opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen, Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen, terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de hertog—zoo eindigde de hertog zijne rede.”—»Dit was het gevoelen van zijne Excellentie over deze gewichtige zaak—dit was de welgemeende raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,—” louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond konden weten.
Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.
Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen, ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden, hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid, dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid, of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel, zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.
Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt, ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam.…
Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een traan in zijn donker oog.—»Dubourg schrijft mij”, dus begon hij, »dat hij over u tevreden is, Frans!”
»Dit verheugt mij, vader.”
»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn,” voegde hij er kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten.
»Dat spijt mij, vader.”
»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste brief.”
Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen, als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen, voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat zorgvuldiger behartiging verdiend!
Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen,” dat gij on.… on.… onoverwinnelijke—(in het voorbijgaan moet ik u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang.”
»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het niet wil.”
»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer,” antwoordde mijn vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en zelfbeheersching te kennen gaf.—»Ik kan niet, klinkt wat beleefder dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van, zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.—Owen!”
Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken, dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok, dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en Tresham knikte mij toe.
»Owen,” zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen, door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht.”
Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering gunstbewijs.
Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd, was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen, als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet had gezegd—steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn vader nog meer in ’t harnas. In plaats van mij voldoende te dekken, kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza’s, en in ’t geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan, dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden, in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep, waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was, mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen, om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden.
Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend, bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar, die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven, tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren, en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon.” Wat Owen betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken, zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten, dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had, dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was, juist een tegenovergesteld besluit genomen.
Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders, moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende dat ik over den weg tot mijn geluk zelf ’t best kon oordeelen, en dat het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen.
Geen wonder dan ook, dat ik—ik erken het ridderlijk—mijn tijd in Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben.
Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam, dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben, als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau, dan met Postlethwayte’s Handelswoordenboek—indien althans die foliant destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien naam had kunnen uitspreken—met Savary, of eenigen anderen schrijver over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed wat een vader van een zoon maar kon wenschen.
Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd.”
Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest zijn, liet Dubourg’s steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte, totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg’s berichten werden evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels geweigerd ware geworden.
Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik u beschreven heb.
1 Bedoeld is hier de zoogenaamde édition aux lettres vertes van dit boek. Zij werd onder toezicht des schrijvers, te Sully gedrukt, met de valsche opgave: Amsterdam, chez Aletinosographe de Clearetimelee et Graphexechon de Pistariste, à l’enseigne des trois vertus (Geloof, Liefde en Hoop) couronnées d’Amaranthe—zonder jaartal (maar het was in 1610).—Vert.↑
HOOFDSTUK II.
Inhoudsopgave
Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
jonge man met eene akelige kwaal behebt is—met
de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
Ben Jonson’s Bartholomaeus-nacht.
Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte steeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ik niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche goud op den wisselkoers.
»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,” zeide mijn vader, die toch onze revolutie1 had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.”
»De jonge heer Frans,” merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen”…
»De jonge heer Frans,” viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?”
»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon knap mensch!” antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd had.
»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.”
»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?” vroeg Owen met bevende stem.
»Ja, en wel terstond, zeg ik!” hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.”
Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.
»Beste vader,” dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg…”
»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te nemen,” viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.—Maar den ouden Dubourg,” vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergeven dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.”
»De jonge heer Frans,” zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl hij de rechter hand een weinig ophief—die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit.”
Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, om het verzuimde weder in te halen.”
Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.
»En laat ons dan,” ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan.”
Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.—
»Het spijt mij,” antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.”
Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.
»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.”
»Wezenlijk?”
»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn.”
»Is het waar?”
»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit.”
»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg’s gast en kweekeling.”
»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.”
»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?”
»Ja vader.”
»Welnu, haal het eens hier.”
Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag—lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,—uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.—Brandewijn—op fust. Te Nancy. 29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.—»Bravo, Frans, zeer juist!”—»Impost en tolgelden, zie Saxby’s Tabellen.”—»Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.”—Uitvoer en invoer—lijnwaad—stokvisch—middelvisch—klipvisch.—»Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als stokvisch ingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?”
Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,” antwoordde ik dadelijk.
»En een klipvisch?—Vier en twintig—»Zeer juist,” hernam mijn vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?—»Bordeaux gesticht in het jaar.—Chateau Trompette—Paleis van Gallienus.”—Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo’n soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen, wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden.”
»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,” hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.”
Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij tot koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu: »»De zwarte Prins!” Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!”
Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot welke mijn vader behoorde, had—ten minste zij zeide dit—even als de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend was Owen’s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware—het zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.
Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,
Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,
Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?
Die aan den grooten Karel droef verkonde:
Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde
Op Spaanschen grond den eed’len Franschen held?
»Fontarabie’s weerklank,” mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »Fontarabie’s jaarmarkt had je moeten schrijven! Verkonde met één d op verwondde met twee d’s te laten rijmen, is ook niet fraai.—En of meldt op held goed rijmt is evenzoo de vraag… En dan Paynims? Wat is Paynims? Kondet gij niet gezegd hebben Heidenen? Schrijf ten minste in ’t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!”
’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,
Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,
Voortijlend angsten zaait en schrik:
Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.
Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken
De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.
»Precies! »Vleugelen des winds”, dat is prachtig!”
»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,
De eedle prins, met moeite zich nog nijgend
Tot ’t riddertal in breeden kring geschaard.
»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne
—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,
Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”
»Maar dat is glad mis, dat gij Garonne op zonne laat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; je verstaat je ellendig ambacht niet eens!”
»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.
Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin
Van avonddauw omgeven.….
Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittren
Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:
Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”
De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!
Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,
In ’t land der Britten en der Franschen,
Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.
Als sterren talloos aan de hemelstreken
Heldhaftig schittrend in haar glanzen.”
»»Heldhaftig schitterende sterren!” dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!”
En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!”
Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat in mij omging.
»Vader! ik zie maar al te goed,” begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere hulp zijn.”—Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.
»Owen?” viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend! Maar—welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied verwacht.—Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk uwe wijze plannen?”
»Met uw goedvinden,” zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!”
»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.”
»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.”
»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.”
»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.”
»Den duivel zoudt gij kiezen!” riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?”
Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.—
»Hoor eens, Frans,” begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.”
»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,” zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.
»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!”
»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!” riep Owen, en de tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de creditzijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.”
»Meent gij dan,” vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil zijn—of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat gij mij beter kendet!”
Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.
Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang van mijn misslag.—Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een jong mensch!—Om ’s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, gij kunt u rollen in het goud! Is er,” vervolgde hij zachtkens, »misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; herinner u, wat er geschreven staat: eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden.”
»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,” zeide ik, »maar mijn vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven—welnu, hij moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt—ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud te verkoopen.”
»Wat zegt ge? Wat goud?—Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt—vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!”
»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.”
»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef—ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis—dat is heel iets anders!”
»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,” hernam ik.
Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.—»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!” zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over deze gewichtige zaak. Denk er over na.”
Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.
De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten voor eenige weken. Dit laatste—zoo dacht ik verder—zou mij zelfs aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto’s Razende Roeland te voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer’s versmaat, waarin hij zijne Tooverkoningin bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!” trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.
»Mijnheer Frans,” aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ik doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar—de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee dagen weder terug.”
»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?”
»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is.”
»Gelooft gij dat waarlijk?” vroeg ik, min of meer onthutst.
»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk een man en een koopman!”
Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te vervullen. Maar trots—die bron van zoo veel goed en kwaad in ons leven,—mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid was voorbij.
In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.
Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?”—En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?”
Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.
»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn.”
Ik wilde spreken.—
»Wees zoo goed en zwijg!” hernam mijn vader.—»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen—ik meen, dat hij er zes heeft—heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.”
En hiermede verliet mijn vader de kamer.
»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?” vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans—dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.”
Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon—zooals het scheen—den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
1 Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑
HOOFDSTUK III.
Inhoudsopgave
Hoe klapperen de zeilen,
Hoe zinkt en rijst de boot!
Het roer en riem verdwenen!
In eenen stormwind stoot
Een speelbal van de golven
Een lek! de kiel in nood!
Gay’s Fabelen.
Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat, spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot, zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed, ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het ware uit zijn huis had gebannen—dit alles maakte, dat de gunstige dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde, werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje, nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.
Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een waarschuwend: »keer terug!” toe te roepen. Van de hoogte van Highgate zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.
Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik, de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen, het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid, zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.
En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening, was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond, jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.
Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde, mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij, even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier, die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden, geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van den »Gouden Pachter,” den »vliegenden straatroover Jack Needham” en van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar, eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie, glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.
Onder hen, die door zulke schrikbeelden ’t allermeest vervolgd werden, verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein, maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was, dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen.” Even voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest, en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij, geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst, was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat, maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar, dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt, maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.
Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden, zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig, en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen, hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten, waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven, moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich, rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.
Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding, noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier, die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden, later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op ’s heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste verte niet beleedigd zijn.
Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden, zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.
»Wel zeker,” zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren, zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen—ja, om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn paard durven wedden.”

»Top, mijnheer!” antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg.”
»Ja, ja,”—hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is, dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder, dan het mijne.”
»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou uw valies wel wegen?”
»Mijn va—va—valies?” hernam de arme man sidderende,—»och, dat heeft eigenlijk volstrekt geen gewicht—het is zoo licht als een veer—een paar hemden, twee paar kousen—”
»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht verschilt.”
»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist u!” hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.
»Welnu, gaat onze weddingschap door?” vroeg ik, om hem te plagen. »Tien tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij toch niet bijhouden.”
Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen, door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen, en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en anderen als ongegronde angst.
HOOFDSTUK IV.
Inhoudsopgave
„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.
’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.
Maar waarom zijt gij dan nog boos,
Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?
Churchill.
Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.—Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.
Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,—hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.
Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer” te Darlington, in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.
»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?” vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,” alias straatroovers.
»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,” hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.”
»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,” zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.”
»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,” viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.
»O neen, kastelein!” riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt.”
»Best geantwoord, vriend Campbell!” hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?”
»Zoo als gewoonlijk,” antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht.”
»Maar verstandige lieden en gekken willen ’s middags ook wel wat eten,” merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!”
En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.
Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,—zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,—zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,—ik wil het wel gul bekennen—dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden:
»Ja, de eik en de esch, en het groene klimop
In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”
In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone’s, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.
Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.
Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.
Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig’s en Tory’s zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen2. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer” veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.
Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.—»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!” riep de eene partij.—»Gij zijt immers een Presbyteriaan,” schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!”

»Mijne heeren,” zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben.”
Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!” ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.
»Hola, vriend Jonathan!” viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.”
»En hebt gij dan,” vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,—»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?”
»Nu ja!” antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!”
»Waarlijk,” hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?”
Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.—»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,” antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.”
Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.
»Ik wil al uwe reiskosten betalen,” zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.
»Ik bedank u hartelijk!” hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.”
»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,” antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.”
»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen,” zeide Campbell. »Ik reis,” voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.”
En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,” zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.”
»Gij vergist u,” antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik.”
»Och,” hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn.”
»Waarschijnlijk weet die mijnheer,” antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.”
De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.
Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.
1 In September 1715.↑
2 1714.↑
HOOFDSTUK V.
Inhoudsopgave
Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,
Des eilands trots en roem aanschouwe,
Voort, in galop, op ’t fiere ros.
De Jacht.
Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend, door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te dalen in haar verborgen plekjes.
Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming, maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij met eigenaardigen indruk in het gemoed.
Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.
Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden, nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan, want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen, goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
»Zoo zoo,” dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het huis van mijn oom!” Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps dien gedachtengang.
Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde, dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok, vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw: »Hoezee! hij is dood!” en de tonen van den waldhoorn, kondigden ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed, daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had, kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos, als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.
»Ik zie het wel!” antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar zoo veel drukte niet van!—Was Phoebe,” vervolgde zij, terwijl zij op den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen, dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen.”
Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff, het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,” vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt.”
Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn persoon dankte.
»Welnu,” hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon, voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante van uw voortreffelijken neef te zijn.”
De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen, toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals, daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot mij gericht.
»Ga maar heen!” zeide Diana en zag hem met spottende minachting na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die vakken.—Hebt gij Markham gelezen?”
»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver.”
»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling, kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord, van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers Gibson en Bartlett?”
»Nooit!” antwoordde ik.
»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?” vervolgde Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven of een meelpap voor het dier gereed maken?”
»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over.”
»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op heeft, te voederen, of…”
»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven.”
»Maar om ’s hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij dan toch hier doen?”
»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden.”
»Kunt gij dat?” vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.
Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.
»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!” hernam zij. »Ik begon waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes weggebleven waart.”
Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien, ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die al de overige gebreken dubbel vergoeden zal.”
»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?”
»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is.”
»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak, ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh.”
»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?”
»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer van uwe jaren, maar niet zoo.… met een woord, hij ziet er niet heel goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land, waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed aan te trekken.”
»Voor de Katholieke kerk?” vroeg ik.
»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?”
»Ik kan het niet ontkennen.”
»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke landen?”
»Bijna vier jaren.”
»Hebt gij kloosters gezien?”
»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het Katholieke geloof zou aanbevelen.”
»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?”
»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich vet mesten.”
»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral, wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten uit aanleg en natuur.”
»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn.”
»Eer zal ik,—” zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.—Als men dezen de vrije vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh te komen,” vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden, niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel, dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer, dat ik het mij wat gemakkelijk maak.”
En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar haar, die ik thans voor mij zag.
»Waarlijk aardig gezegd!” antwoordde zij; »maar misschien behoorde ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien, aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend, om u af te lossen.”
Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.
Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard, en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd, mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk, om hem het ontsnappen te beletten.
Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal,” zoo als hij het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen, weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd; de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.
Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur, dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot, dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk, na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was, hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen, en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren, die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen binnen.—Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer, mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.
HOOFDSTUK VI.
Inhoudsopgave
Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.
Een bonte rij van krachtige gestalten,
In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,
Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.
Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.
(Penrose.)
Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.—»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,” zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u”! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en—waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien—zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.”
Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn—zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.
Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.
De trekken van Rashleigh’s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana’s opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.
Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.
»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,” zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.”
»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen.”
»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.”
»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren.”
»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn.”
»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie.”
»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.”
»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.”
»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?”
»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,” antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken.”
Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!
»Gij denkt zeker over mij,” zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.
»Dat deed ik ook,” antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!”
Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.—»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.”
Ik zweeg beschaamd.
»Gij herinnert mij,” vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!”
»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen,” antwoordde ik.
»Daar hebt ge het al weder!” hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen beker—dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt.”
Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana’s linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa’s, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.
»Mag ik nu,”—zoo begon ik—»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.”
»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse” noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.”
»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?”
Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.”
»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt,” antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh’s stoel ledig was; hij is reeds vertrokken.”
»Wees daarvan nog niet zoo zeker,” zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.”
»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?”
»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.”
»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?”
»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor,” antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben.”
»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,” antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!”
»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.—Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.”
Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana’s vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.
Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.
»Hij is ons ontsnapt!” riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!”
»Goeden avond, mijnheer!” antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.
»Gij hebt mooi weder voor uw werk.”
»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!” hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!”
»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven.”
»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen—zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot oppeuzelen—zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?”
»Ik niet, vriend,” luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.”
»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!” riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?
»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,” antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.
»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.”
»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,” antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond ’s jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde—ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn.”
»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.”
»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken.”
»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?”
»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng.”
»Gij vergeet uwe jonge meesteres.”
»Welke meesteres?”
»Freule Vernon.”
»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!”
»Meent ge dat inderdaad!” vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?”
»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is—maar wat gaat mij dat aan!”
En nu begon hij weder ijverig te spitten.—»Wat is Freule Vernon?” vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.”
»Goed is anders, vrees ik,” hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo’n beetje schuin—gij verstaat mij wel, denk ik.”
»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.”—Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.…”

Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
»Goede hemel!” zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!”
»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij…”
Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
»Wat is zij?” vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan.”
»Nu dan—zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche Graafschap.”
»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?”
Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.—
»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,” mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
HOOFDSTUK VII.
Inhoudsopgave
Voor de deur de Sheriff wacht,
Met dreigende soldaten-macht.
Shakespeare.
Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde, deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap voor een nuchter mensch konden wezen.
Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier, waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden, paarden van den droes te genezen, vossen te jagen—anders niets.
Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg, dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden, gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets anders dan lichtzinnig gebabbel misschien.
Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer, maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden, ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen, wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen, zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana was natuurlijk mijne laatste gedachte.
Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.
»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!”
Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de jachthonden vooraan zou vinden.
»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!” antwoordde hij: »gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch—wees op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had.”
Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel, dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd hadden.—Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein, een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in het gezelschap zag.
»Och, hij is anders een geweldig jager,” antwoordde zij; »een jager à la Nimrod, maar zijn wild is—de mensch.”
Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch in.—Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer, zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!”
»Dat zou me ook niet verwonderen,” antwoordde Wilfred; »kijk maar eens hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!”
Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was, scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar ondanks Richard’s ongunstige voorspelling, en Wilfred’s schrandere aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden, en de honden verloren het spoor. Diana’s gelaat verried, dat zij over Thorncliff’s aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij den molen niet gestopt is.”
»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel, nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft.”
»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in tien minuten heen en weer zijn.”
»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen.”
»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u dan; er is geen tijd te verliezen!”
Torncliff rende weg.—»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!” zeide Diana. »Intusschen moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur, en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager.”
»En Rashleigh?” vroeg ik.
»Rashleigh wordt mijn spion.”
»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?”
»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien.”
Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers verborgen.—»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?” vroeg zij.
»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk.”
»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en die ligt reeds in Schotland.”
»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij Schotland bevonden.”
»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen.”
»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen,” antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of zes vandaan.”
»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht,” begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren in Schotland zijt.”
»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?”
»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat gij mij nu?”
»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger.”
»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij, en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen.”
»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon,” antwoordde ik, min of meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom.”
»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk ernst!” zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?”
»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet.”
»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo heette?”
»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel, wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen.”
»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige van den roof bij het gerecht aangegeven.”
»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier.”
»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek.”
»Hoe! gij, Freule Vernon,” riep ik met eene opwelling van drift, welke ik niet onderdrukken kon—»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene beschuldiging verdien?”
»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden, zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen.”
»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment kavalerie?” antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte, dat ik op het ondeugende meisje boos werd.—»Maar, ik bid u, wat moet nu uwe scherts beteekenen?”
»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het stellig; en ik—mag ik er aan twijfelen?”
»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij omtrent mij koesteren!”
»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos—ik heb nog geen order om u te arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone—laat mij zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches ontnomen heeft.”
»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad beschuldigd?”
»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen, de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen te benadeelen.”
»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid, zulke daden zouden vergoêlijken.”
»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.—Maar wat zult gij nu doen?”
»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien is de zonderlinge aanklacht ingediend?”
»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten, dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed, dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en—wat het allerergste voor hem zoude zijn!—van zijne paarden beroofd te worden1.
»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen, zou hij zijn neef opofferen.”
»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had, ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik, maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid u achterhaalt.”
»Wegsnellen? Welzeker, maar—regelrecht naar de woning van den ouden Inglewood. Waar ligt ze?”
»Omtrent twee uren van hier, beneden in ’t gindsche dal, achter het bosch. Daar ziet gij het torentje.”
»Binnen weinige minuten ben ik er,” antwoordde ik en maakte mij gereed, om spoorslags weg te rennen.
»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!” zei Diana met drift, en zette haar paard dadelijk aan.
»Neen!” riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid vergezeldet.”
»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt,” antwoordde Diana en een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig gesproken en”—voegde zij er na een poos zwijgens bij—»naar ik geloof, ook goed gemeend.”
»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de deelneming, welke gij mij bewijst!”—hernam ik, met meer warmte dan ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware welwillendheid voort, welke men ’t best in nood leert kennen. Maar om u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht aan mijn zij gingt staan.”
»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan, dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en rechterspruiken terugdeinzen zou.”
»Maar, waarde freule Vernon.”
»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb, dan blijft het zoo.”
Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al, wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou zij nu ook doen.…
Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden, begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen, die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken, wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin men iets staatkundigs vermoedde.—»Jobson,” vervolgde Diana, »ijvert allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;—ook is hij een groot vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid, dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen, patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven, dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard, dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar, die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen: »Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven.””
De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid, toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw.
1 In ’t begin der achttiende eeuw maakte de Regeering zich altijd dadelijk van de paarden der Katholieken meester, als er eenige onrust in het land was. Men veronderstelde altijd, dat zij op het punt waren van deel te nemen aan een opstand, en ontnam hun zoo doende het middel van vervoer.
W. S.↑
HOOFDSTUK VIII.
Inhoudsopgave
»Gij kent de kunst van ’t vechten,”
Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.
»Hoor,” sprak de pleiter, »op mijn eer,
Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!
Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen
Den stoutsten kamphaan hier te dagen.”
Butler.
Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.
»Rashleigh,”—dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen—»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?”
»Ja!” hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,”—met eene buiging tegen mij—»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.”
»Als vriend en bloedverwant,” antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren.”
»Volkomen waar,” hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland—slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware…”
Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.
»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,” zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn.”
»Gij, lieve nicht?” vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.”
»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.”
»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!” hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.
Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij—zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest—met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!”
»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,” hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef…”
»Zijt gij razend?” viel Diana hem in de rede.
»Denk eens,” vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken—waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,—maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?”
»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,” hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.”
»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!” antwoordde Rashleigh.
»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid.”
»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,” hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers—gij moest niet! Keer dus met mij terug.”
En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.”
»Gij moogt u verzekerd houden,” was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven.”
»Ik heb er over nagedacht,” zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!—Ik weet,” voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.”
»Blijf dan, onbezonnen meisje!” riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt.”
En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.
»God dank, hij is weg!” zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!”
»Willen wij niet liever een bediende roepen?” vroeg ik.
»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!”
Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.
»De goede man moet reeds gegeten hebben,” zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was.”
Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,” vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.”
En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.
»Gij wilt niet zingen, vriendje!” riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!”
»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!” hernam eene andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet, dat is: dat hij zinge!”
»Welaan, er uit met je lied!” viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de vaste boete.”
Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:
Verneemt, o menschen! thans mijn lied,
Een droevig, allerdroevigst lied,
Van den beruchten straatbandiet,
Der reiz’gers schrik en zwaar verdriet.
Tralali, Tralala, enz.
Er gingen zes mannen zoo al te gaar
Naar Kensington, van Brentfort maar.
En plotseling stond de roover daar,
Van dolken en pistolen zwaar.
Tralali, Tralala, enz.
De mannen, die zes, ze waren zat,
Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.
De roover brult: Je geld hier! Wat?…
En ze beefden als een espenblad.
Tralali, Tralala, enz.

Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.
De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.
Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,” zeide ik overluid, »mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.”
»Mijnheer,” antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.”
Inglewood’s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.
»Vergeef mij, mijnheer,” als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.…”
»Gij vergist u zeer, mijnheer,” viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.”
»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,” begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der publieke veiligheid betreft—”
»De duivel hale de publieke veiligheid!” riep de vrederechter ten hoogste misnoegd. »Ik hoop,” voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo’n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar den Satan.”
»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,” hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.”
»Nu dan,” zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?”
»Ik, Mijnheer?” hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan—ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.”
»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.—Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!”
Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.—»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?” zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring—de inkt is nauwelijks droog—en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!”
»Gij hebt goed praten!” hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur…”
De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.—
»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!” zeide zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!”
»Ei! Freule Diana!” riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland’s grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij.”
»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd te worden,” vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!”
»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.”
»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!” antwoordde Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem ook op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de wijde vlakten.”
»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?” hernam de vrederechter, en neuriede:
En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg
En zij wees hem den weg door het veld!
»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!”
»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen eens recht vroolijk zijn.”
»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.”
»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,” zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.”
De griffier, die bij Diana’s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.—»Gij weet,” zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen.”
De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofd had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten afgeven.
Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,” voegde ik er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.”
De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.
Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.
Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.
Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!” riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!”
»Dankje!” mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!”
»Maar het is een zaak van leven en dood!” riep de griffier.
»In ’s Hemels naam, als het dan niet anders kan!—Evenwel hoop ik, dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?” vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.
En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.
»Ga dan, ga dan!” riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.”
»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,” zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;—»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer Rashleigh aanmerkte,”—vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.
»Neen, zeg ik u, vriendje!” antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!—Welaan!” vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.”
Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.—»Neen, mijnheer Inglewood,” antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil ik u gaarne bescheid doen,” voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.
Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot zoo iets gestemd waren.—
»Maar voor den drommel, vriend Morris!” riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een eerlijk man zijn: »sta!” heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette hij—een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen tegenwoordig—wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde—menige flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen—de wet is gestreng—zeer gestreng—de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen—hij moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken.”
Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.
Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.
HOOFDSTUK IX.
Inhoudsopgave
Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.
Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,
En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
De Weduwe.
»Wat voor vreemdeling!” had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders—”
In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.—»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,” zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer Morris,” voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.”
Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.
»Kom! wees toch een man, vriend!” vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten te bewijzen.”
»Mijn—heer—Mijn—heer—,” stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,” voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.”
»Maar wat wil die heer dan toch van mij?” vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord laat komen.”
»Gij zult beiden verkrijgen,” hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.”
»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt.”
»Denkelijk heeft deze man,” vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?”
»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,” antwoordde de vrederechter.
»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!” hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.”
»Helaas, helaas! alles waarheid!” antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen hoofd en op klagenden toon.
»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?”
»Dat niemand daartoe beter in staat is—o ja, dat is ook al waar!” zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.
»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?” vroeg de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.”
»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,” hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.”
Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.
Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig.”
De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier in te zien.”
De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van—(den naam kan ik niet lezen) een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen zaken reist—enz. Gegeven in ons kasteel te Inver—Invera—rara. Argyle.”
»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,”—zeide Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen—»van Mac-Callum More zelven.”
»Mac-Callum—wie is dat?” vroeg de vrederechter.
»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.”
»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!”
»Met twee woorden, mijnheer,” hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.”
»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!” antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te herroepen,”—vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb groote haast.”
»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!” zei de vrederechter en wierp het papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest.”
»Ja,” zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris, wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;—veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.”
Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.
»Wees toch niet bang, zeg ik u!” herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid bezit.”
Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell’s geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind.”—Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, dat beiden vertrokken waren.
Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.
»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens de papieren!” zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.”
»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.”
»Ik wil het wel gelooven,” zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen, Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister eens, heidebloempje,” vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje.”
Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana Vernon—zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in ’sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins over. Ge kent immers ’t versje wel:
»In korten tijd verteert tabak,
Zoo ook de mensch wordt oud en zwak
Als ’t vuur—der jeugd verdooft.
En zoo ge ’t niet gelooft,
Dan zie die witte, droge asch
Der grijsheid—op zijn hoofd.”
Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.
Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijk te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;—beminnen kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is.”
»Gij gelooft dus,” zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart—dat die Campbell ook al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?”
»Ja, dat geloof ik inderdaad,” hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.”
»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?”
»Juist,” antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.—Maar wie komt ons daar te gemoet rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!”
Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.
»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!—ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht en neem mijn ontslag.”
»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten, zou dat niet even goed zijn?” zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?”
Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.
»Wat? Rutledge?”—riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu.”
»Was het een logen, mijnheer Jobson!” vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het is onmogelijk!”
»En ik zeg het u, en herhaal het!” hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een’ beunhaas noemde, ja, een’ beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep—te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie—onzen onsterfelijken redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!”
»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!” hernam Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.…”
»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs durven dreigen—dat verzeker ik u, freule!”
»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,” viel ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.”
»Hoe, mij—mij—mijnheer—mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?”
»O ja, mijnheer!” hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.”
Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!” zeide zij; »de heer Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem een onbeschoft mensch te noemen.”
»Zijne woorden raken mij niet,” zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord—maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;—boeten zal hij, even als iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.”
»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!” zeide Diana. »Gij weet toch best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.”
»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:—de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft—ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan de knieën door het water waden.”1.
»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!” zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!”
»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!”
Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.
»Daar gaat hij heen, die stokebrand!” zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde—want wat men ook zeggen moog’, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.”
»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die hij voelen zou!” antwoordde ik.
»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!” hernam Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.”
»En welke drie dingen zijn dat, freule?” vroeg ik zeer nieuwsgierig.
»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?”

»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?” antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.
»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.”
»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft…”
»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.”
Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!” viel zij mij in de rede; »dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdrukte sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg: »Ga heen, wijf, en spin voor den kost!””
»Dit kwaad is te genezen!” zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en…”
»Stil!” zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot den zegepralenden vijand overloopen.”
»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht.”
»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn kommer mede te deelen.”
»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier—God zij met ons!—steeds nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk wenschen.”
»Welnu, luister!” hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.”
»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks zou geraden hebben.”
»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist—indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh’s deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden.”
Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
»Ik dank u, ik dank u!” antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit—ja hoe zou dat mogelijk zijn!—doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana’s broeder waart.”
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.