Kitabı oku: «Twee Edellieden van Verona»
William Shakespeare
Twee Edellieden van Verona

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066311759
Inhoudsopgave
Eerste Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Tweede Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Vierde Tooneel.
Vijfde Tooneel.
Zesde Tooneel.
Zevende Tooneel.
Derde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Vierde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Vierde Tooneel.
Vijfde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Tweede Tooneel.
Derde Tooneel.
Vierde Tooneel.
Personen:
De Hertog van Milaan, Silvia’s vader.
Twee edellieden van Verona.Valentijn,Proteus.
Antonio, vader van Proteus.
Thurio, een dwaas mededinger van Valentijn.
Eglamour, begeleider van Silvia op haar vlucht.
Flink, een potsig dienaar van Valentijn.
Lans, een dergelijk dienaar van Proteus.
Panthino, bediende van Antonio.
De Waard, bij wien Julia vertoeft.
Bandieten.
Julia, bemind door Proteus.
Silvia, bemind door Valentijn.
Lucetta, Julia’ s kamerjuffer.
Bedienden, Muzikanten.
Het tooneel is nu in Verona, dan in Milaan, en ook op de grenzen van Mantua.
Eerste Bedrijf.
Inhoudsopgave
Eerste Tooneel.
Inhoudsopgave
Een plein in Verona.
Valentijn en Proteus komen op.
Valentijn.
Staak vrij uw overreding, lieve Proteus;
Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen.
Ja, hield de liefde uw lente niet geketend
Aan ’t lieflijk lonken van uw aangebeed’ne,
Dan drong ik u, veeleer te zaam met mij
Der wijde wereld wond’ren te gaan zien,
Dan zóó uw jeugd, in duffe droomerij
En lendenlammen lediggang te slijten,
Doch wijl gij mint,—blijf minnen, groei er in,
Zooals mijn wensch zal zijn, als ik eens min.
Proteus.
Gij wilt dus gaan? Vaarwel mijn Valentijn!
Denk aan uw Proteus, als gij op uw reizen
Iets vreemds en recht opmerkenswaardigs ziet;
Indien ’t u goed gaat, rijze in u de wensch,
Dat ik er bij waar’; zijt gij in gevaar,—
Indien er ooit gevaren om u zweven,—
Beveel uw nood dan aan mijn heil’ge beden,
Want ik wil voor u bidden, Valentijn. 17
Valentijn.
En zeker bidden uit een liefdeboek?
Proteus.
Uit een geliefd boek, ja, zal ’k voor u bidden.
Valentijn.
Ja, uit een grondloos boek van diepe liefde,
Hoe door den Hellespont Leander zwom.
Proteus.
Dat is een diep verhaal van dieper liefde;
Hij stak in liefde meer dan schoenendiep.
Valentijn.
’t Is waar! in liefde steekt gij laarzendiep,
En toch, nooit zwomt gij door den Hellespont.
Proteus.
Wat, laarzen? Pas geen Spaansche laars mij aan.
Valentijn.
Nu, ’k zeg, gij steekt in folterlaarzen.
Proteus.
Nu, ’k zeg, gij steekt in folterlaarzen.Wat?
Valentijn.
Gij steekt in liefde, die voor smachten hoon,
Met hartezuchten schuwe blikken koopt,
Een oogwenk heils met twintig bange nachten,
Bij zoete zege steeds een neêrlaag wint,
Bij neêrlaag zure moeite als overwinst;
Liefde is een dwaasheid, door vernuft gekocht,
Of wel vernuft, door dwaasheid overmocht.
Proteus.
Gij stelt mij waarlijk als een dwaas ten toon.
Valentijn.
Gij stelt uzelven, vrees ik, dus ten toon.
Proteus.
Gij smaadt de liefde; en ik ben niet de Liefde.
Valentijn.
Liefde is uw meester, want die meestert u;
En hij, die zoo het juk draagt van een dwaas,
Zij, dunkt mij, bij de wijzen niet geboekt.
Proteus.
Toch staat geboekt: zooals in de’ eêlsten knop
De worm verterend huist, zoo kiest de liefde
Verterend woning in den eêlsten geest.
Valentijn.
En ’t staat geboekt: zooals de vroegste knop
Verteerd wordt, voor ’t ontluiken, door den worm,
Zoo wordt de jonge en teed’re geest door liefde
Verkeerd in dwaasheid; in den knop verwelkt hij;
Reeds bij het eerst ontluiken valt zijn groen
Met al, wat ooit op vruchten kon doen hopen.
Doch wat spil ik mijn tijd met raad aan u,
Die u verpand hebt aan den minnewaan?
Nog eens, vaarwel! want aan de haven wacht
Mijn vader reeds om mij aan boord te brengen.
Proteus.
’k Ga met u naar de haven, Valentijn.
Valentijn.
Neen, Proteus, laat ons hier nu afscheid nemen; 56
Maar schrijf mij spoedig naar Milaan, hoe ’t u
Met uwe liefde gaat, en wat er verder
Voor nieuws hier is in ’t afzijn van uw vriend;
En wacht van mij gelijk bezoek ten uwent.
Proteus.
Nu, alle heil geworde u in Milaan!
Valentijn.
Zoo u niet minder thuis! En nu, vaarwel!
(Valentijn af.)
Proteus.
Hij jaagt naar eer en ik naar liefde; hij
Verlaat zijn vrienden, om hen te verheffen;
Ik, om de min, mijzelf, mijn vrienden, alles.
Gij, Julia, hebt mij aan mijzelf ontvoerd,
Zoodat ik niets studeer, mijn tijd verdoe,
De wereld niets tel, goeden raad veracht,
En, suf gedroomd, zwaarmoedig zucht en smacht.
(Flink komt op.)
Flink.
Vergun, heer Proteus, was mijn meester hier?
Proteus.
Hij ging juist heen, en naar Milaan aan boord.
Flink.
Nu, twintig tegen een, dan is hij scheep,
En ik, die van hem af geraakte, een schaap.
Proteus.
Ja, ja, niet zelden raakt een schaap verdwaald,
Zoodra de scheper in het hoeden faalt.
Flink.
Gij wilt dus zeggen, dat mijn meester een scheper is en ik een schaap?
Proteus.
Ja juist.
Flink.
Dan zijn mijn horens zijn horens, of ik waak of slaap.
Proteus.
Een recht onnoozel antwoord, passend voor een schaap.
Flink.
Dat maakt mij waarlijk weer tot schaap.
Proteus.
Juist, en uw meester tot scheper.
Flink.
Neen, ik kan het tegenspreken met een sluitrede.
Proteus.
En ik maak mij sterk het met een andere te staven.
Flink.
De scheper zoekt de schapen en niet het schaap den scheper; welnu, ik zoek mijn meester en niet mijn meester mij; derhalve: ik ben geen schaap.
Proteus.
Het schaap volgt om het voêr den scheper, de scheper niet om het eten ’t schaap; gij volgt om loon uw meester, uw meester volgt u niet om loon; derhalve, gij zijt een schaap.
Flink.
Nog eens zulk een sluitrede, en ik roep mè-è! 98
Proteus.
Maar hoor nu, hebt gij mijn brief aan Julia gegeven?
Flink.
Ja, heer; ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap; en zij, een verkoren schaap, gaf aan mij, een verloren schaap, niets voor mijn moeite.
Proteus.
Voor zooveel schapen is de weide wel wat te klein.
Flink.
Als het veld overvol is, deedt gij het best, haar te kooien.
Proteus.
Neen, daar zijt gij aan ’t dwalen; ik deed het best, u te schutten.
Flink.
Mij beschutten, heer! met minder dan een pond voor het bezorgen van uw brief zal ik wel terecht komen.
Proteus.
Wat onzin! ’k meen, u in de schutkooi steken.
Flink.
Mij in een kooi te steken? die vast op fooien reken!
Die aan uw lief uw liefdebrief zoo schoon wist toe te steken!
Proteus.
Maar wat zeide zij? (Flink knikt.)
Zij heeft geknikt, niet?
Flink.
Niet geknikt? Ja.
Proteus.
Ja bij niet? dat is neen.
Flink.
Gij verstaat mij verkeerd, heer; ik knikte, dat zij knikte; en gij vroegt mij, of zij niet geknikt had, en ik zeide van ja.
Proteus.
En niet-ja is neen.
Flink.
Nu gij de moeite hebt gedaan, dit bijeen te lezen, moogt gij het voor uw moeite houden.
Proteus.
Neen, neen, ik neem het niet aan, en verlang meer van de briefbestelling te vernemen.
Flink.
Nu, en ik verlang meer voor de briefbestelling te ontvangen en heb geen vrede met uw bestel.
Proteus.
Hoe zoo, kerel, geen vrede met mijn bestel?
Flink.
Neen, heer, want ik bestelde den brief goed, en uw bestel zegt neen en telt mij niets toe voor mijn moeite.
Proteus.
Verduiveld, gij zijt bij de hand!
Flink.
En toch kan mijn vlugge hand uw trage beurs niet machtig worden.
Proteus.
Kom, kom, doe mij kort en goed opening van de zaak; wat heeft zij gezegd?
Flink.
Open dan uw beurs, opdat wij geld en nieuws gelijk oversteken. 138
Proteus.
Nu man, daar hebt gij wat voor uw moeite; wat heeft zij gezegd?
Flink.
Waarlijk, heer, ik geloof, dat gij niets van haar te hopen hebt.
Proteus.
Waarom? Hebt gij haar dit weten te ontlokken?
Flink.
Neen, heer, ik heb haar volstrekt niets kunnen ontlokken; neen, zelfs geen onnoozelen dukaat voor het overbrengen van uw brief. En daar zij zoo hard voor mij was, die uwe gezindheid haar schriftelijk overbracht, vrees ik, dat zij even hard zal wezen voor u, als gij haar uwe gezindheid mondeling mededeelt. Geef haar als liefdepanden enkel steenen, want zij is zoo hard als staal.
Proteus.
Wat! heeft zij niets gezegd?
Flink.
Neen, niet zooveel als: “Ziedaar, dat is voor uw moeite”. Ik dank u, de grootte uwer mildheid erken ik aan deze grooten, en uit erkentelijkheid laat ik u in het vervolg uwe brieven zelf bestellen. En nu, heer, ga ik uwe groeten aan mijn meester overbrengen.
Proteus.
Ga, ga! gij zijt de veiligheid van ’t schip!
Zijt gij aan boord, dan kan het niet vergaan;
Gij zijt voor droger dood aan land bestemd.—
(Flink af.)
Ik moet een beet’ren bode tot haar zenden,
Mijn Julia, vrees ik, acht mijn regels niets,
Die haar een knaap, zoo diep onwaardig, brengt.
(Proteus af.)
Tweede Tooneel.
Inhoudsopgave
Aldaar. De tuin van Julia’s woning.
Julia en Lucetta komen op.
Julia.
Maar nu, Lucetta, spreek; wij zijn alleen;
Gij geeft mij dus den raad, verliefd te worden?
Lucetta.
Ja, jonkvrouw, mits gij niet onachtzaam struikelt.
Julia.
Wien uit den ganschen schoonen kring van heeren,
Die daag’lijks met gesprekken om mij zwerven;
Acht gij wel allermeest mijn liefde waard?
Lucetta.
Ik bid u, noem hen op, dan geef ik u,
Naar mijn onnoozel inzicht, mijne meening.
Julia.
Wat dunkt u van den schoonen Eglamour?
Lucetta.
Een ridder is hij, welbespraakt en fijn;
Doch, waar’ ik u, hij zou mijn man niet zijn.
Julia.
Wat van dien rijken heer, Mercatio?
Lucetta.
Goed van zijn geld, maar van hemzelf; zoo zoo.
Julia.
En den beleefden Proteus, wat van hem?
Lucetta.
Heer, heer! mijn dwaasheid brengt mij in de klem! 15
Julia.
Komaan, wat schrikt en beeft gij bij zijn naam?
Lucetta.
Vergeef mij, jonkvrouw, ’t is, dat ik mij schaam,
Dat ik, onwaardig schepsel, zoo losweg
Mijn oordeel over hoofsche minnaars zeg.
Julia.
Waarom van Proteus niet als van de rest?
Lucetta.
Ja,—’k vind van vele goeden hem het best.
Julia.
Om welke reden?
Lucetta.
Ik heb geen and’re, dan een meisjesreden:
Ik vind hem zoo, omdat ik hem zoo vind.
Julia.
Gij raadt mij, hem mijn liefde weg te schenken?
Lucetta.
Ja, zoo gij haar niet weggeworpen acht.
Julia.
Van al de rest, heeft hij mij nooit bestormd.
Lucetta.
Van al de rest, mint hij u toch het meest.
Julia.
Zijn zwijgen toont zijn koel en kil gemoed.
Lucetta.
Het heimlijkst vuur brandt met den felsten gloed.
Julia.
Hij mint niet, die door niets zijn min verraadt.
Lucetta.
Hij mint niet, die er altijd door van praat.
Julia.
O, las ik eens zijn hart!
Lucetta.
O, las ik eens zijn hart!Lees, jonkvrouw, dit papier.
Julia.
“Aan Julia”.—Spreek, van wien?
Lucetta.
.—Spreek, van wien?)">Dat vindt gij in den brief.
Julia.
Nu zeg, wie gaf het u?
Lucetta.
’t Was Valentijns trawant, en Proteus, denk ik, zond het.
Hij zocht het u te geven, maar ik kwam juist daar aan,
En nam het van hem over, vergeef mijn stout bestaan.
Julia.
Nu, op mijn eer, een fraaie makelaarster!
Gij waagt het, dart’le briefjes aan te nemen?
Mijn jeugd, met and’ren fluist’rend, te belagen?
Voorwaar, ik zeg u, ’t is een prachtig ambt,
En gij, zoo dunkt mij, voor dien post geknipt.
Hier, neem den brief; bezorg hem fluks terug,
Of, hoort gij, kom mij nooit meer onder de oogen.
Lucetta.
Een minpleidooi verdient eer loon dan haat. 48
Julia.
Kom, gaat gij?
Lucetta.
Kom, gaat gij?Goed; pleeg met uzelve raad.
(Lucetta af.)
Julia.
Had ik dien brief toch even ingezien!
Doch haar terug te roepen, en haar dat,
Waarom ik keef, te vragen, gaat niet aan.
Hoe dwaas! zij weet, dat ik een meisje ben,
En dwingt den brief mij niet ter lezing op!
Zij weet toch, meisjes zeggen zedig “neen”,
Maar wenschen, dat de vrager “ja” versta.
Foei, foei! hoe grillig is die dwaze liefde!
Die als een kregel kind de voedster krabt,
En dan vol deemoed fluks de roede kust.
Hoe vinnig keef ik daar Lucetta weg,
Toen ik haar innig gaarne bij mij hield;
Hoe toornig plooide ik mijn gelaat tot rimpels,
Terwijl de vreugd mijn hart tot lachen dwong!
Mijn boete zij: ik roep Lucetta weer
En vraag haar voor mijn dwazen streek vergiff’nis.
Heidaar! Lucetta!
(Lucetta komt terug.)
Lucetta.
Heidaar! Lucetta!Wat verlangt gij, jonkvrouw?
Julia.
Is ’t nog geen etenstijd?
Lucetta.
Is ’t nog geen etenstijd?Ik wenschte ’t wel.
Opdat ge uw moed mocht koelen op uw maal,
En niet op uwe maagd.
(Lucetta laat den brief vallen en raapt hem weer op.)
Julia.
Wat hebt gij daar behoedzaam opgeraapt?
Lucetta.
Ik? niets.
Julia.
Gij buktet toch, waarom?
Lucetta.
Gij buktet toch, waarom?Om een papier,
Dat mij ontviel.
Julia.
Dat mij ontviel.En dat papier is niets?
Lucetta.
’t Is iets, dat mij niet aangaat.
Julia.
Zoo laat voor hen het liggen, wien het aangaat.
Lucetta.
Het zal, voor wie het aangaat, wis niet liegen,
Tenzij men, wat het meldt, valsch uit wil leggen.
Julia.
Een liefje schreef u wis daar iets op rijm.
Lucetta.
Geef gij, mejonkvrouw, mij de wijs, opdat
Ik ’t zing’; gij zet wel meer iets op muziek.
Julia.
Een niets zet ik geen waarde bij; ik dank;
Dus zing ’t maar op de wijs van “Luchte liefde”.
Lucetta.
’t Is veel te wichtig voor zoo lucht een wijs. 84
Julia.
Zoo wichtig? daarbij hoort een zware stem.
Lucetta.
Toch niet; het klonk wel goed, als gij het zongt.
Julia.
En waarom gij niet?
Lucetta.
En waarom gij niet?’t Is voor mij te hoog.
Julia.
Laat zien uw vers.
(Zij neemt Lucetta den brief af.)
Laat zien uw vers.O, gij ondeugend nest!
(Zij maakt een toornig gebaar.)
Lucetta.
Vat goed den toon, als gij het uit wilt zingen;
Maar toch, die toon is lang niet naar mijn zin.
Julia.
Niet naar uw zin?
Lucetta.
Niet naar uw zin?Neen, jonkvrouw, veel te schril.
Julia.
Vrijpostig nest!
Lucetta.
Vrijpostig nest!O, nu zijt gij te laag;
Gij dempt de hooge stem door dof gebrom;
En bij uw zang ontbreekt nog de tenoor.
Julia.
Die gaat door uw gebas geheel verloren.
Lucetta.
Ja, ’k zong voor Proteus de partij wat laag.
Julia
(leest den brief). Neen, ’k laat door al die praatjes mij niet kwellen.—
O foei, een stapel liefdes-eeden!—Daar!—
(Zij verscheurt den brief.)
Gij, ga nu heen, en laat die stukken liggen;
Zocht gij ze weer bijeen, het zou mij erg’ren.
Lucetta
(onder ’t heengaan). Zij houdt zich boos; maar ’t deed haar innig goed,
Als zulk een brief haar nog eens erg’ren kwam.
(Lucetta af.)
Julia.
Neen, kwam nog maar die zelfde brief mij erg’ren!
Haathanden, gij! die liefdewoorden stukrijt!
Den zoeten honig rooft gij, booze wespen,
En steekt de bijen, die hem leev’ren, dood!
’k Wil boete doen en ieder stukje kussen.
Wat staat daar? “Zoete Julia?”—Bitt’re Julia!
Ik werp tot straf voor uw ondankbaarheid
Uw naam hier op den harden grond en treed
Uw wreeden trots verachtend in het stof.
Hier staat: “de door de Min gewonde Proteus”;
Gij arme, kranke naam! mijn boezem zij
Uw bed, totdat uw wonde gansch geheeld is;
Ik drenk, doordring haar met een balsemkus.
(Zij steekt het stukje in haar borstzak.)
Twee-, driemaal staat hier Proteus’ naam; o wind!
Wees kalm en blaas geen enkel woordje weg,
Totdat ik ieder enkel woord gespeld heb,
Mijn naam slechts niet; dien draag een wervelwind
Naar een afgrijslijk steile, ruwe klip,
En stort’ hem in de gramme baren neer! 122
In éénen regel, zie, zijn naam tweemaal;
“De mijm’raar Proteus, diep onzaal’ge Proteus,
Aan de engel Julia”;—dit scheur ik er af;
Doch neen, dat niet, daar hij mijn naam zoo aardig
Met zijne weeklachtnamen heeft gepaard;
Ik wil ze vouwen, de’ eenen op den and’ren;—
Kust nu, omarmt u, kijft, doet wat gij wilt.
(Lucetta komt weder op.)
Lucetta.
Mejonkvrouw,
Het eten is gereed, uw vader wacht.
Julia.
Goed, gaan wij dan.
Lucetta.
Wat! mogen hier die snippers blijven klappen?
Julia.
Houdt gij ze in eere, goed, neem ze op en meê.
Lucetta.
Zoo goed naamt gij ’t niet op, toen ik ze u meebracht.
Toch raap ik ze op; zij mochten koude vatten.
Julia.
Ik zie recht goed, dat gij ze diep vereert.
Lucetta.
Ja goed, mejonkvrouw, zeg maar, wat gij ziet;
Maar ik zie ook, al denkt ge, dat ik dommel.
Julia.
Kom, vlug wat! wilt gij gaan?
(Beiden af.)
Derde Tooneel.
Inhoudsopgave
Aldaar. Een vertrek in Antonio’s huis.
Antonio en Panthino komen op.
Antonio.
Panthino, zeg mij, welk een diep gesprek
Hadt gij daar straks in ’t klooster met mijn broeder?
Panthino.
Hij sprak van Proteus, van zijn neef, uw zoon.
Antonio.
En wat?
Panthino.
En wat?Hij stond verbaasd, dat uw genade
Hem hier zijn jeugd verdroomen laat, terwijl
Zoo menig ander, van gering’ren stand,
Zijn zoon om rang en eer de wereld inzendt,
Hetzij in de’ oorlog om fortuin te zoeken,
Hetzij om verre landen op te sporen,
Hetzij naar scholen, waar geleerdheid huist.
Voor de eene of and’re loopbaan, of voor allen
Was naar zijn oordeel Proteus recht geschikt;
Hij vroeg mij, dat ik bij u aan zou dringen,
Dat hij niet langer thuis zijn tijd verdroom’;
Het zou hem in zijn ouderdom nog rouwen,
Wanneer hij in zijn jeugd niet had gereisd.
Antonio.
Gij hebt geen sterken aandrang noodig, ’t was
De gansche maand reeds niet uit mijn gedachten;
Ik overwoog reeds lang zijn tijdverlies,
En hoe hij nooit een deeg’lijk man wordt, als
De wereld hem niet schudt en mondig maakt;
Ervaring wordt door vlijt en moeite erlangd,
En door den snellen gang des tijds gerijpt.
Doch spreek, waar zou ik best hem henen zenden?
Panthino.
Het is gewis uw edelheid bewust,
Dat thans zijn vriend, de jonge Valentijn,
Zich in Milaan bevindt aan ’s keizers hof?
Antonio.
Ik weet het, ja. 28
Panthino.
Als dan uw edelheid daarheen hem zond.
Daar leert hem ’t steekspel lans en zwaard hanteeren,
Hij hoort er hoofsche taal, gaat om met de’ adel;
Ja, iedere oef’ning heeft hij steeds voor oogen,
Die met zijn jeugd en zijn geboorte strookt.
Antonio.
Uw raad behaagt mij, hij is wel doordacht;
En tot bewijs, hoezeer hij mij behaagt,
Leg ik hem met den meesten spoed ten uitvoer,
En maak van de’ eersten besten weg gebruik,
Om Proteus naar des keizers hof te zenden.
Panthino.
Vergun, op morgen reeds zijn Don Alfonso
En and’re hoogst aanzienlijke edellieden
Reisvaardig om den keizer te begroeten,
En hem hun diensten need’rig aan te bieden.
Antonio.
Voortreff’lijk; Proteus reize met hen mee;—
En, als geroepen—; daadlijk hoor’ hij ’t nieuws.
(Proteus komt op, een brief lezende.)
Proteus.
Zoet leven! zoete reeg’len! zoete liefde!
Dit is haar hand, het werktuig van haar hart,
Dit is haar liefdeseed, haar eerepand.
O, dat nu onze vaders, door hun bijval,
De zaligheid van onze min bezeeg’len!
O engel Julia!
Antonio.
Zoo, gij daar? wat voor brief zijt gij aan ’t lezen?
Proteus.
Vergeef mij, ’t zijn een woord of twee, waarin
Mij Valentijn zijn vriendegroeten zendt;
Een vriend, die bij hem was, bracht dit mij over.
Antonio.
Geef mij den brief en laat mij ’t nieuws eens zien.
Proteus.
Er staat geen nieuws in, heer; hij schrijft alleen,
Dat hij gelukkig leeft, veel vrienden rijk is,
En daag’lijks hooger stijgt in ’s keizers gunst;
Hij wenscht mij bij zich om zijn heil te deelen.
Antonio.
En gij, stemt gij ook met zijn wenschen in?
Proteus.
Ik hang, heer, enkel af van uwen wil,
En geenszins van de wenschen van mijn vriend.
Antonio.
Mijn wil stemt vrij wel in met zijnen wensch.
(Proteus kijkt verwonderd op.)
Sta niet verbaasd, dat ik zoo snel besluit,
Want wat ik wil, dat wil ik; daarmeê uit.
Ik heb besloten, dat gij een’gen tijd
Met Valentijn aan ’s keizers hof zult toeven;
Wat hem wordt toegelegd door zijn verwanten,
Diezelfde som ontvangt ook gij van mij.
Wees gij nu morgen voor de reis gereed;
Geen tegenwerping; ’t is mijn vaste wil.
Proteus.
Zoo snel, heer, kan ik niet reisvaardig zijn;
Ik bid u, overweeg een dag of twee.
Antonio.
Wat mocht ontbreken, wordt u nagezonden;
Dus geen vertraging; morgen moet gij gaan.—
Kom mee, Panthino, ik behoef uw hulp
Om spoed te maken met die reis.
(Antonio en Panthino af.)
Proteus.
Zoo bleef ik, bang voor branden, ver van ’t vuur,
Maar stortte me in de zee, waar ik verdronk.
Mijn vader wilde ik Julia’s brief niet toonen,
Uit vreeze voor belemm’ring in mijn liefde,
Maar, met behulp juist van mijn eigen uitvlucht,
Belemmert hij veel meer dan ooit mijn liefde.
O, hoe gelijkt toch deze liefdelente
Op eens Aprildags onbetrouwb’re pracht;
In volle schoonheid straalt de zon een oogwenk,
Daar komt een wolk en ’t is stikdonk’re nacht!
(Panthino komt weder op.)
Panthino.
Uw vader, heer, verlangt met u te spreken,
En hij is zeer gehaast; ik bid u, ga.
Proteus.
Helaas, zoo is ’t; al wil mijn hart ook breken,
Al klopt het “neen”, ik moet toch zeggen “ja”.
(Beiden af.)
Tweede Bedrijf.
Inhoudsopgave
Eerste Tooneel.
Inhoudsopgave
Milaan. Een kamer in ’s Hertogs paleis.
Valentijn en Flink komen op.
Flink.
Uw handschoen, heer.
Valentijn.
De mijne heb ik aan, die hoort mij niet.
Flink.
Als gij hem ziet, heer, zingt ge een ander lied.
Valentijn.
Laat zien!—ja geef; ’t is mijn bezit, mijn buit!—
Lief sieraad, dat een godd’lijk iets omsluit!
Ach Silvia! Silvia!
Flink.
Jonkvrouw Silvia! jonkvrouw Silvia!
Valentijn.
Wat moet dat, knaap?
Flink.
Zij is niet te beroepen, heer.
Valentijn.
Wie gaf u last, knaap, haar te roepen?
Flink.
Uw edelheid zelf, of ik begreep het verkeerd. 10
Valentijn.
Genoeg; gij zijt toch altijd te voorbarig.
Flink.
En laatst werd ik bekeven, omdat ik altijd te langzaam was.
Valentijn.
Loop heen, gij! Zeg mij, kent gij jonkvrouw Silvia?
Flink.
Waar uw edelheid op verliefd is?
Valentijn.
En, hoe weet gij, dat ik verliefd ben?
Flink.
Hoe? wel, aan deze bijzondere kenteekenen. Vooreerst hebt gij geleerd, evenals uw vriend Proteus uw armen over elkaâr te slaan als een onvergenoegde; u aan een liefdeliedje te goed te doen als een roodborstje; in uw eentje rond te wandelen als iemand, die de pest heeft gehad; te zuchten als een schooljongen, die zijn A-B-boek verloren heeft; te weenen als een jonge meid, die haar grootmoeder begraven heeft; te vasten als iemand, die de hongerkuur moet doorstaan; te waken als iemand, die voor diefstal beducht is; met een grienstem te spreken als een bedelaar op Allerheiligen. Vroeger waart ge gewoon, bij het lachen als een haan te kraaien; bij uw wandelen als een leeuw te stappen; niet te vasten, dan dadelijk na den maaltijd; en niet treurig te kijken, dan als gij geldgebrek hadt; maar nu heeft een liefje u zoo veranderd, dat, als ik u aanzie, ik u nauwelijks voor mijn meester kan houden.
Valentijn.
En is dat alles in mij op te merken?
Flink.
Iedereen merkt het op buiten u.
Valentijn.
Buiten mij? onmoog’lijk.
Flink.
Buiten u? Niets is zekerder, want buiten u is en zal niemand zoo argeloos zijn; maar gij zijt zoo buiten uzelf van die dwaasheden, dat die dwaasheden in u zijn en door u heenschijnen als het water in een urinaal, zoodat geen oog u kan aanzien, of het wordt een dokter, die uw kwaal herkent. 43
Valentijn.
Maar zeg mij, kent gij mijn jonkvrouw Silvia?
Flink.
Die, waar gij zoo op staart, als zij aan tafel zit?
Valentijn.
Hebt gij dat opgemerkt? die meen ik, ja.
Flink.
Neen, heer, ik ken haar niet.
Valentijn.
Wat? kent gij haar door mijn aanstaren en toch kent gij haar niet?
Flink.
Is zij niet verbazend leelijk, heer?
Valentijn.
Neen, knaap, zij is schoon, maar met meer dan met schoonheid begunstigd.
Flink.
Nu, heer, dit weet ik zeer goed.
Valentijn.
Wat weet gij?
Flink.
Dat zij niet zoozeer schoon is, als wel, door u, begunstigd.
Valentijn.
Ik acht haar schoonheid uitgelezen, maar haar andere gaven onvolprezen.
Flink.
Ja, omdat de eerste geschilderd is en het andere buiten schatting blijft.
Valentijn.
Wat geschilderd, en waarom buiten schatting?
Flink.
Wel, heer, zij schildert zich zoo om mooi te zijn, dat niemand haar schoonheid kan schatten.
Valentijn.
Waar houdt gij mij dan voor? ik schat haar schoonheid zeer hoog.
Flink.
Gij hebt haar nooit gezien, sinds zij zoo misvormd is geworden.
Valentijn.
Sinds wanneer is zij misvormd geworden?
Flink.
Van ’t oogenblik af, dat gij verliefd op haar werdt.
Valentijn.
Ik werd op haar verliefd van ’t oogenblik af, dat ik haar zag, en ik zie haar nog steeds even schoon.
Flink.
Als gij op haar verliefd zijt, kunt gij haar niet zien.
Valentijn.
Waarom niet?
Flink.
Omdat de liefde blind is. O, hadt gij mijn oogen, of hadden uw oogen nog de scherpte van vroeger, toen gij uw vriend Proteus den mantel placht uit te vegen, omdat hij zijn hoosbanden vergat vast te maken!
Valentijn.
Wat zou ik dan zien? 80
Flink.
Uw eigen tegenwoordige dwaasheid en haar verbazende leelijkheid; want toen hij verliefd was, kon hij zijn hoosbanden niet zien vast te strikken, en gij kunt, sinds gij verliefd zijt, uwe hozen niet zien aan te trekken.
Valentijn.
Dan zijt gij, knaap, naar het schijnt, ook verliefd, want gisteren morgen kondt gij mijn schoenen niet zien te poetsen.
Flink.
Dat is ook zoo, heer; ik was verliefd op mijn bed. Ik ben u dankbaar, dat gij mij de ooren gewasschen hebt om mijn verliefdheid, want dit geeft mij te meer hart om u door te halen voor de uwe.
Valentijn.
Kort en goed, ik ga geheel in liefde voor haar op.
Flink.
Dan wenschte ik wel, dat gij ondergingt, want dan was het met uw verliefdheid uit.
Valentijn.
Gisteren avond droeg zij mij op, eenige regels te schrijven aan iemand, dien zij bemint.
Flink.
En hebt gij het gedaan?
Valentijn.
Ja zeker.
Flink.
En hebt gij ze niet kreupel geschreven?
Valentijn.
Neen, knaap, zoo goed als ik maar kan.—Stil! daar komt zij aan.
Flink
(ter zijde). O prachtig marionettenspel! o uitnemende draadpop! Zoo dadelijk gaat hij haar eigen rol voor haar opzeggen.
(Silvia komt op.)
Valentijn.
Mejonkvrouw en gebiedster, duizend goede morgens!
Flink
(ter zijde). O, ik wensch u goede nacht; een millioen plichtplegingen volgt.
Silvia.
Heer Valentijn, mijn dienaar, u twee duizend.
Flink
(ter zijde). Hij moest haar intrest geven en zij is ’t, die het hèm doet.
Valentijn.
’k Volbracht uw last en heb uw brief geschreven
Aan uw geheimen, nameloozen vriend;
Ik deed het recht ongaarne, doch ik deed het,
Alleen uit plichtsgevoel voor u, gebiedster.
(Hij stelt haar een brief ter hand.)
Silvia.
Dank, eed’le dienaar!—’t Is een schrijversproefstuk.
Valentijn.
Geloof mij, jonkvrouw, ’t ging mij moeilijk af;
Want onbewust, aan wien het was gericht,
Schreef ik als in den blinde, zeer onzeker.
Silvia.
Dus, zoo veel moeite denkt gij al teveel?
Valentijn.
Neen, jonkvrouw, is ’t u dienstig, ik zal schrijven,
Zoo gij ’t gebiedt, wel duizendmaal zoo veel;
En toch,—121
Silvia.
’t Is fraai gezegd. Ik gis nu wel, wat volgt;
En toch, ik zeg het niet;—en toch, ’t behoeft niet;—
En toch, neem dit terug;—en toch, ik dank u
En roep voortaan uw diensten niet meer in.
Flink
(ter zijde). En toch, dat zult gij wel, en toch, en toch,—
Valentijn.
Wat meent gij, jonkvrouw? vindt gij dit niet goed?
Silvia.
O ja, ’t zijn regels, keurig in hun soort,
Maar toch, ongaarne deedt gij ’t, neem ze weer;
Neem, neem het.
Valentijn.
Neem, neem het.Jonkvrouw, ’t is voor u geschreven.
Silvia.
Ja, ja, gij schreeft dit, heer, op mijn verzoek;
Maar ik begeer het niet; het is voor u;
Ik had nog meer gevoel er in gewenscht.
Valentijn.
Beveel slechts, en ik schrijf een and’ren brief.
Silvia.
Zoo lees ook, is hij af, hem voor mij over;
Bevalt hij u, nu goed; zoo niet, ook goed.
Valentijn.
En als hij, jonkvrouw, mij bevalt, wat dan?
Silvia.
Bevalt hij u, wel, houd hem voor uw moeite.
En nu, mijn dienaar, goeden morgen!
(Silvia af.)
Flink.
O diepverholen scherts, onzichtbaar, nooit in ’t licht
Gelijk op een toren het haantje, de neus op iemands gezicht!
Mijn heer maakt haar het hof, zij neemt hem in de leer;
Zijn les is, hoe de leerling haar meester wordt en heer.
O allerliefste nieuwe vond, haar zelve tot nut en gerief,
Dat mijn meester, haar tot schrijver, zichzelven moet schrijven een brief!
Valentijn.
Hoe is het, man, wat praat gij met uzelf?
Flink.
Ik maakte een rijmpje, heer; het praten is aan u.
Valentijn.
Het praten?
Flink.
Ja, om de woordvoerder te zijn voor jonkvrouw Silvia.
Valentijn.
Tot wien? 153
Flink.
Tot uzelf. Overdrachtelijk maakt zij u het hof.
Valentijn.
Overdrachtelijk?
Flink.
Of letterlijk, moest ik zeggen, door een brief.
Valentijn.
Wel, heeft zij dan aan mij geschreven?
Flink.
Waarom zou zij dat, als zij u aan uzelf heeft doen schrijven? Wat! merkt gij de grap nog niet?
Valentijn.
Geloof mij, neen.
Flink.
’t Is van u niet te gelooven, heer; maar hebt gij dan haar ernst niet opgemerkt?
Valentijn.
Neen, niets van ernst, dan juist een toornig woord.
Flink.
Wel, zij heeft u een brief gegeven.
Valentijn.
Den brief, door mij geschreven aan haar vriend.
Flink.
En dien brief heeft zij besteld en daarmee uit.
Valentijn.
O ware ’t inderdaad niets ergers!
Flink.
Ik sta u borg, zoo is het, en niet anders;
Gij schreeft wel vaak aan haar een brief, maar zij, uit zedigheid,
Of moog’lijk wel uit tijdsgebrek, gaf zelf u geen bescheid;
Of, bang, dat, zoo ze een bode nam, er niets geheim zou blijven,
Heeft zij recht slim haar lief geleerd, haar liefste een brief te schrijven.
Ik praat daar als een boek, want ik heb dit uit een boek.—Wat staat gij te mijmeren, heer? ’t is etenstijd.
Valentijn.
Ik heb gegeten.
Flink.
Ja, maar hoor toch, heer; al kan de kameleon Liefde van de lucht leven, ik ben iemand, die mijn spijs en drank moet hebben, en verlang naar een maal. O wees niet als uw gebiedster! laat u bewegen! laat u bewegen!
(Beiden af.)
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.