Kitabı oku: «De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school»
A. M. van der Velden, A. Teunisse
De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404277
Inhoudsopgave
Benoodigdheden voor het breien.
DE KOUS.
Het opzetten met halven kettingrand.
Het breien eener kous.
Eerste deel van het been van de kous.
Tweede deel van het been van de kous.
Derde deel van het been van de kous.
Het vierde deel van het been.
Het eerste deel van den voet.
Het tweede deel van den voet.
Het derde deel van den voet.
Het vierde deel van den voet.
Het vijfde deel van den voet.
Beproef nu eens de onderstaande vragen te beantwoorden.
Berekening van eene kous van 80 steken, waarbij de lengte van de afmindering berekend is op 1¼ vierkant.
Berekening van eene kous van * steken, met eene lengte voor de afmindering van ½ vierkant.
Verschillende zaken, die bij het breien van kousen te pas kunnen komen.
Het aanhechten met den geheelen draad.
Het aanhechten met een gespleten draad.
Het breien van letters.
De knie.
Het sterker breien van de knie, den hiel en de teen.
Een voet in twee deelen.
De Engelsche of rechte kleine hiel.
De ronde teen.
EENE SOK.
Benoodigdheden voor het breien.
Inhoudsopgave
Verschillende kleedingstukken worden gebreid van katoen, van wol of van sajet. Er zijn verschillende soorten van katoen: gele of ongebleekte katoen, witte of gebleekte katoen en gekleurde katoen.
De wol en de sajet zijn ook in verschillende kleuren en soorten te verkrijgen. De kleedingstukken, die wij breien, zijn niet altijd even grof of fijn; daarom komen de katoen, de wol en de sajet in verschillende dikte voor, welke door nummers wordt aangewezen. Hoe hooger nummer, hoe fijner katoen.
De draad, waarmede men breit, is gedraaid uit 4 of 6 fijnere draden. Daarom spreken we van 4 draadsche of 6 draadsche katoen of wol. De 6 draadsche is steviger in elkander gedraaid dan de 4 draadsche en daardoor sterker in het gebruik.
De katoen, waarmede wij nu leeren breien, is ongebleekte katoen No. 12, vierdraadsch. Willen wij grovere katoen gebruiken, dan hebben wij katoen No. 10 noodig en voor fijnere No. 14 of hooger.
Het gebreide werk moet goed rekbaar zijn; daarom moeten de naalden niet te fijn zijn, want dan worden de steken te stijf.
De naalden, die wij bij katoen No. 12 gebruiken, zijn stalen breinaalden No. 6/0; worden de steken te los, dan hebben we fijnere naalden noodig, bijv. No. 5/0; worden de steken te stijf, dan nemen we 7/0, die groffer zijn.
Bij de nummers der naalden merken we het tegenovergestelde op van de nummers bij de katoen.
Bij de katoen gold de regel: hoe hooger nummer, hoe fijner katoen; bij de naalden daarentegen: hoe hooger nummer, hoe groffer naalden; staat echter die 0 niet achter het cijfer, dan zijn ook bij de naalden de hoogere nummers fijner.
DE KOUS.
Inhoudsopgave
Niet alle kousen zijn even wijd en even groot; dit hangt geheel af van hen, voor wie zij bestemd zijn. Wij leeren daarom den vorm van eene kous breien naar een bepaald aantal steken, waaraan wij alle deelen leeren kennen en berekenen, om dit daarna op verschillende grootten te kunnen toepassen.
We beginnen dus met het opzetten van de steken, waarvoor we in dit geval 64 zullen nemen, die we zullen verdeelen over drie breinaalden, en wel
op de eerste naald 25 steken,
op de tweede naald 20 steken, en
op de derde naald 19 steken.
Waarom we dit aantal steken zóó verdeelen, zal u straks duidelijk worden.
Toen we leerden breien hebben we reeds leeren opzetten. We willen dit hier nog even herhalen.
Het opzetten met halven kettingrand.
Inhoudsopgave
Om 20 steken te kunnen opzetten, moet men den draad eenmaal de lengte van eene breinaald afmeten; voor 64 steken heeft men dus 3 maal de lengte van eene breinaald noodig.

Fig. 1a.

Fig. 1b.
Deze afgemeten draad neemt men tusschen den duim en den wijsvinger van de rechterhand met den afgemeten draad naar voren en den draad van het kluwen naar achteren (zie fig. 1a); dan legt men den wijsvinger van de linkerhand onder den draad van het kluwen, den middelvinger en den ringvinger op den draad en den pink weder onder den draad (zie fig. 1b) en verder den afgemeten draad met eene lus om den duim en weder van binnen langs de hand tusschen den ringvinger en den pink naar achter (zie fig. 2). Men zorgt nu, dat de draad vooraan op den duim en den wijsvinger ligt; vervolgens wordt de duim op het tweede lid van den wijsvinger gelegd, waardoor de lus op den duim en den wijsvinger duidelijk gezien wordt. Nu steekt men de breinaald langs den duim van onder naar boven in de lus (zie fig. 2), dan van voren naar achter in de lus van den wijsvinger (zie fig. 3 van c naar b) en haalt de lus van den vinger door de lus van den duim. De duim wordt nu uit de lus gehaald en weder onder den draad gelegd en daarmede de steek aangetrokken. De volgende steken werkt men evenzoo en zorgt hierbij, dat de steken op de naald niet te stijf worden aangetrokken.

Fig. 2.

Fig. 3.

Fig. 5.
Zijn er 25 steken op de eerste naald, dan houdt men de draden nog hetzelfde, laat de eerste naald hangen en begint met de tweede naald, alsof men met de eerste naald vervolgde; hierbij moet men vooral zorgen, dat de steken van de 2e naald goed aansluiten bij die van de 1e naald, en zet evenzoo de steken met de 3e naald op. Nu leggen we de 3 naalden tot een driehoek (zie fig. 4) en breien dan met de 3e naald 1 steek van de eerste naald af, dan is de ronding gesloten en hebben we op alle drie de naalden een even aantal steken, dat door vier deelbaar is. Dit is gemakkelijk, als we straks den boord met het geribde patroon, d.i. twee recht, twee averechtsch zullen breien. We kiezen dit patroon, omdat het ’t meest geschikt is voor den boord eener kous, daar deze dan goed om het been sluit.

Fig. 4.
Na de opzetsteken moet men dadelijk met het geribde patroon beginnen.
Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.