Kitabı oku: «De Drie Musketiers dl. I en II», sayfa 23
Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten, zeide Aramis:
„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke denkbeelden teruggekomen.” – „Ja, de uitwerkende genade heeft u getroffen, zooals die heer van daareven zeide.” – „Ach! dat voornemen, mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?” – „Zonder twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.” – „Met die soort van zaken? O, d’Artagnan!” – „Wat duivel! men schertst wel met den dood.” – „En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?” – „Dat stem ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid, Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend niet gegeten en een duivelschen honger heb.” – „Wij zullen zoo aanstonds samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gij tetragones en vruchten.” – „Wat verstaat gij onder tetragones?” vroeg d’Artagnan ongerust. – „Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis, „maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het hoen voortbrengen.” – „Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.” – „Ik ben u voor de opoffering erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”
„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik u.” – „Ik ga niet tot den geestelijken stand over, ik keer er toe terug. Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te steken.” – „Ik! ik weet er niets van.” – „Weet gij niet, waarom ik het seminarie heb verlaten?” – „Volstrekt niet.” – „Nu, luister dan; de H. Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u, d’Artagnan!” – „En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een goede jongen.” – „Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!” – „Nu, verhaal dan, ik luister.”
„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond – men is jong, wat zal ik zeggen, men is zwak – trad een officier, die mij met een afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het, wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:
„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’ – ‚Ik kan het u niet zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit durven geven.’ – ‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het durven.’
„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef, lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.
„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen bemerken en heb tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven, voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester van Parijs bezoeken en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe Burgers, dicht bij het slot la Force. Mijn officier was er werkelijk; ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het tweede couplet.
„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’ – De officier beschouwde mij met verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’ – ‚Ik ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen voorleest en Judith in verzen overbrengt.’ – ‚Ha! nu herinner ik mij,’ zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’ – ‚Ik wenschte, dat gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te doen.’ – ‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste vermaak.’ – ‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’ – ‚Als gij het volstrekt begeert?’ – ‚Wel ja, ik begeer het.’ – ‚Welaan dan, dames!’ zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer naar de andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’
„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek, waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had gemaakt, dat ik u heb medegedeeld… Het was een heerlijke maneschijn. Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval stak ik hem dood.”
„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.
„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den geestelijken stand vaarwel te zeggen… Athos, met wien ik omstreeks dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die gedurende het beleg van Arras sneuvelde, zeer genegen geweest, en men stond mij mijn verzoek toe… Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”
„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd, om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”
„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing des hemels geweest.” – „Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet lijden.” – „En welke dan?” vroeg Aramis blozende. – „Gij lijdt aan een hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is toegebracht.” – Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven. – „Och,” zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou ik liefdesmart gevoelen, vanitas vanitatum, zou ik, volgens uw gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt? foei!” – „Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog op iets hoogers had gevestigd?” – „Op iets hoogers? En wat ben ik, om zooveel eerzucht te koesteren?.. Een arme musketier, van duistere, onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.” – „Aramis! Aramis!” riep d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.
„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug… Het leven is vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras in de hand des menschen, vooral de gouden draden… Ach, mijn waarde d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij, verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij, op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.” – „Welaan, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar verhaalt.” – „Hoezoo?” – „Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad, is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis, misschien is zij dood.” – „Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap met u voor haar is afgebroken, terwijl…” – „Terwijl?” – „Niets, niets,” antwoordde Aramis. – „Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk vastgesteld?” – „Voor altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer bestaan… Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders niets.” – „Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.” – „Wat zal ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.”
D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet. – Aramis vervolgde: „En echter, zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden spreken.” – „En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken; maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden zijn schimmen, de wereld is een graf.” – „Helaas!” zeide Aramis met een zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.” – „Spreken wij er dan niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier bericht.” – „Welken brief?” vroeg Aramis haastig. – „Een brief, die in uw afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand gesteld.” – „Maar van wien is die brief?” – „Och! van de een of andere beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn geweest met haar meesteres naar Tours terug te keeren en die, om eens fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.” – „Wat zegt gij daar?”
„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is, dat gij verafschuwt.” – „O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij sterven.” – „Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief uit zijn zak.
Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl een glans op zijn gelaat verscheen.
„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de boodschapper onverschillig. – „Ik dank u, d’Artagnan!” riep Aramis in vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naar Tours terug te keeren; zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom, laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.” – En beide vrienden begonnen rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.
Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif binnen. – „Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen oude Bourgonje.”
Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep, liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.
„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een beleefdheid te doen, non inutile desiderium in oblatione.” – „Ga naar den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken, morbleu! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is voorgevallen.”
HOOFDSTUK XXVII.
De vrouw van Athos
„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen vergeten. – „Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg Aramis; „Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den degen om.” – „O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hard op slaan en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo spoedig mogelijk wilde vertrekken.” – „Ik zal trachten u te vergezellen,” zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.” – „Stil, mijn vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat ik u verontschuldig.” – „En wanneer vertrekt gij?” – „Morgen, zoodra de dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij kunt, zullen wij samen vertrekken.” – „Tot morgen,” zeide Aramis, „want hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”
Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond hij dezen voor het venster. – „Wat beschouwt gij toch?” vroeg d’Artagnan. – „Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op dergelijke paarden te reizen.” – „Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.” – „Och kom! En welk?” – „Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.” – „En behoort dat rijke dekkleed mij ook?” – „Wel zeker.” – „Gij schertst, d’Artagnan!” – „Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.” – „En die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren spijkers beslagen zadel behooren mij?” – „Aan u, zoowel als dat brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan Athos.” – „Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.” – „Het is mij aangenaam, dat zij naar uw zin zijn.” – „Heeft de koning ze u ten geschenke gegeven?” – „De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der drie u behoort.” – „Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen wordt vastgehouden.” – „Best!”
„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom oogenblikkelijk!” – Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der deur. – „Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit en laad mijn pistolen!” beval Aramis. – „Die laatste aanbeveling is overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen pistolen in de holsters.” – Bazijn zuchtte. – „Welaan, meester Bazijn! stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des Hemels in alle betrekkingen.” – „Mijnheer was reeds een zoo goed theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien kardinaal zijn geworden.” – „Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette? Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.” – „Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”
Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden gegaan. – „Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die, zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe, ondersteunde hem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.
„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal Athos alleen zoeken.” – „Gij zijt een stalen mensch!” zeide Aramis. – „Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij, mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!” – Aramis glimlachte. – „Ik zal verzen maken,” zeide hij. – „Ja, welriekende verzen, van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden gewennen.” – „O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden u te volgen.”
Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben aanbevolen, den weg naar Amiëns op.
Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden? – De toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.
Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid, die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap op, zij wekten zijn bewondering.
En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim, voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg, maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen doorstraalde.
Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen, elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets, wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch een meester in was.
Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke Porthos den schijn aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon mensch.
En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel, die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen, zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen, in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere droefgeestigheid.
D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had, welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets, dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon niet zeggen, dat het de wijn was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig bleef, of hij won of verloor… Men had hem eens op zekeren avond in een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen, verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde, want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden. Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.
„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.” – „Zonder daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk het leven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep: ‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’ – En na zijn twee pistolen te hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels aan den gang waren.” – Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.
Tegen elf uur bespeurde men Amiëns; te half twaalf was men voor de deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in zijn rechterhand zweepende.
„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te groeten. – „Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte. – „Ha! gij kent mij niet?” – „Neen, edele heer!” – „Nu, dan zullen twee woorden mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen munter te behandelen?” – De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns meesters. – „Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!” – „Ik vraag u, wat er van dien edelman is geworden?” – „Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.” – D’Artagnan, stom van woede en ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.
„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!” hernam de herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien rampzaligen twist had.” – „Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.” – „Gelieve mij aan te hooren en gij zult alles weten.” – „Ik luister.”
„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter, in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij aangeduid.” – „Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam. – „Ik nam derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen der gewaande valsche munters meester te maken.” – „Al weer!” riep d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor kittelde. – „Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.” – „Maar nog eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is hij levend?” – „Geduld, mijnheer! wij zijn er.”
„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging, „scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend. Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens verkleede gerechtslieden gezocht had…” – „O, ellendeling!” riep d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!” – „Helaas! neen, edele heer! wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend, na met twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis deed neertuimelen.” – „Maar, beul! zult gij eindigen,” riep d’Artagnan, „Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?” – „Terwijl hij dan achteruit deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en versperde de deur van binnen… Dewijl men zeker was hem daar weer te vinden, liet men hem met rust.” – „Ja,” zeide d’Artagnan, „men wilde hem niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.”