Kitabı oku: «Van den Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping»

Yazı tipi:

Alfred Edmund Brehm

Van den Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405496

Inhoudsopgave

VOORBERICHT.

ALFRED EDMUND BREHM.

EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM .

I.

DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND.

II.

DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD.

III.

DE AZIATISCHE STEPPE EN HARE DIERENWERELD.

IV.

WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË .

V.

DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.

VI.

HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.

VII.

DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.

VIII.

DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS.

IX.

DE APEN.

X.

KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN.

XI.

HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL.

XII.

EENE REIS IN SIBERIË.

XIII.

DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.

XIV.

DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.

XV.

HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.

XVI.

DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.

XVII.

ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU.

ALPHABETISCHE LIJST

A.

B.

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

Q.

R.

S.

T .

U.

V.

W.

IJ.

X.

Naamlijst van Inteekenaren.

A.

B.

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

R.

S.

T.

V.

W.

Y.

Z.


Van de Noordpool naar den Aequator.

BLIKKEN IN HET GROOTE RIJK DER SCHEPPING,

DOOR

Dr. A. E. BREHM.

Met Illustraties van R. FRIESE, G. MÜTZEL, ALBERT RICHTER, FR. SPECHT e.a.

Uit het Hoogduitsch

DOOR

R. E. DE HAAN,

Directeur der R. H. B. S. te Winterswijk.

SCHOONHOVEN,

S. & W. N. VAN NOOTEN.

1894.

[Inhoud]

SNELPERSDRUK VAN H.C.A. THIEME TE NIJMEGEN. [V]

[Inhoud]

VOORBERICHT.

Inhoudsopgave

Toen nu wijlen Dr. A.E. Brehm in de voornaamste steden van Duitschland zijne voordrachten hield over de Vogelbergen van Lapland en de boomlooze Toendra van Siberië, over de maagdelijke wouden van Afrika en de bannelingen in den Oeral, en over zoovele andere onderwerpen meer, voornamelijk ontleend aan het leven der hoogere dieren, ging er telkens een storm van toejuichingen op uit de gehoorzalen, waar Brehm’s machtig woord weêrklonk. En door inhoud, èn door vorm alles overtreffende, wat ooit op dit gebied geleverd was, oefenden deze voordrachten eene betooverende werking uit. Nooit sprak iemand op zulk eene boeiende, aangename en aanschouwelijke wijze; nimmer wist een redenaar zoo zijn hoorders als aan zijn lippen te ketenen. Zoo ging Brehm’s lof van mond tot mond, van gewest tot gewest, van land tot land, en elke stad rekende het zich tot eene eer den gevierden spreker althans éénmaal gehoord te hebben. Zelfs het wufte, op schouwburg-vermaak verzotte Weenen gevoelde zich gestreeld door de komst van den grooten natuurvorscher, die, met de reine kleuren der natuur op zijn palet, en een hart vol innige liefde voor al wat daar leeft in de ruime schepping, een tooneelstuk schetste en maalde, zoo rijk van inhoud, zoo schoon van vorm, zoo warm van kleur, dat zich een onbeschrijfelijke geestdrift meester maakte van de onder zijn gehoor zittende menigte. Ademlooze stilte heerschte, hier en elders, de twee volle uren lang, die gewoonlijk elke voordracht duurde; in gespannen [VI]verwachting volgde men den redenaar van woord tot woord, hangende aan de lippen, aan welke slechts de zuiverste klanken ontwelden, die als eene electrische ontroering werkten op de zinnen en gemoederen van het verrukte auditorium. Waar hij de Vogelbergen van Lapland beschrijft, daar waant men zich verplaatst te midden der scheren en fjorden van Skandinavië en ziet men de millioenen gevederde bewoners der klippen en stranden, daar hoort men het ruischen hunner vleugelen; dan verduistert het eigen oog, en met moeite ontworstelt zich de geest aan de begoocheling en den tooverkring, dien het bezielende woord van Brehm om zijn hoorders trok, om terug te keeren tot de werkelijkheid,—de werkelijkheid, dat het slechts een panorama is geweest, dat ons voorbij trok.

Een panorama, ja! maar onvergelijkelijk schoon!

Staat reeds het geschreven woord verre beneden het gesprokene, eene gewaagde onderneming mag het schijnen, Brehm’s voordrachten, uit de taal, waarin zij werden uitgesproken, te willen overbrengen in eene andere.

Ik ontveins mij geenszins, dat hieraan gewichtige bezwaren verbonden zijn, dat hierbij groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Toch heb ik niet geaarzeld die taak op mijn schouders te nemen, omdat ik daarbij rekende op eene bondgenoot, die bij dat werk mij, naar ik meende, gewichtige diensten zou kunnen bewijzen. Een sprank van de liefde voor de bezielde en onbezielde schepping, die Brehm’s hart doorgloeide, en waaraan hij zijn talent van opmerken en schilderen ontleende, mag ik het mijne noemen. En dat gevoel zal, naar ik vertrouw, mij in staat stellen op eenigszins getrouwe wijze terug te geven, wat er in Brehm’s hoofd en hart omging, toen hij den aardbol doorkruiste „Van de Noordpool naar den Aequator”.

Winterswijk.

R.E. de Haan. [VII]

[Inhoud]

ALFRED EDMUND BREHM.

Inhoudsopgave

Christian Ludwig Brehm, een der meest beroemde vogelkenners van Duitschland, van wien een aantal ornithologische geschriften het licht zagen, was predikant, laatstelijk te Neustadt a/d Orla, alwaar hij den 23. Juni 1864 overleed.

Den 2. Febr. 1829, toen Christian Brehm nog te Renthendorf (bij Neustadt) woonde, werd hem een zoon geboren, de later zoo beroemd geworden reiziger en natuurkundige, Alfred Edmund Brehm. Dat deze in de studiën zijns vaders al vroeg aanleiding vond zich aan zoölogische waarnemingen te wijden, dat de liefde des vaders voor de levende schepping ook al spoedig ontkiemde in de borst des zoons, wie zal zulks vreemd vinden?

Nog vóór Alfred de universiteit bezocht, had hij reeds verschillende reizen gedaan, en op deze tochten gelegenheid gevonden de dieren in hun natuurstaat na te gaan en te verzamelen. Op achttienjarigen leeftijd ondernam hij in gezelschap en op kosten van Baron Johan Wilhelm von Müller een zwerftocht door Egypte, Nubië en het oostelijk gedeelte van Soedan. Na vijf jaren afzijns keerde hij in zijn geboorteland terug en studeerde daarna zoölogie aan de hoogescholen te Jena en Weenen. Vervolgens begaf Alfred Brehm zich weder op reis, bezocht Spanje, Noorwegen en Lapland.

In 1862 ondernam hij een tocht naar Abessinië, steeds zijnen reeds rijken schat van kennis en ervaring op dierkundig gebied vermeerderende.

In gezelschap van Hertog Ernst van Saksen-Koburg-Gotha bezocht Brehm het noorden van laatstgemeld land, terwijl de in navolgende bladen beschreven reis naar Siberië werd ondernomen op aansporing en kosten van het „Verein für die Deutsche Nordpolfahrt” [VIII]te Bremen. Een gedeelte der kosten van dien tocht werd bestreden door den heer Sibiriakoff te Irkutsk, die daarvoor 16000 gulden beschikbaar stelde.

Wanneer hij niet uitlandig was, woonde Brehm meestal te Leipzig, alwaar hij zoowel als onderwijzer werkzaam was, als door schrijven in zijn onderhoud trachtte te voorzien.

In het jaar 1863 aangesteld tot direkteur van den pas opgerichten zoölogischen tuin te Hamburg, bleef hij in deze betrekking evenwel slechts vier jaren werkzaam. Gedurende dit korte tijdvak echter wist hij die inrichting tot een van de beste der wereld te maken. Het gunstig bekend aquarium van Berlijn heeft Brehm helpen stichten.

Het meest beroemd evenwel is Brehm geworden door zijn voorlezingen, gehouden in de voornaamste steden van Duitschland, en vooral door zijne vele geschriften. Bovenaan staat in deze rij: „Illustrirtes Thierleben”, een werk, eerst in 8, daarna in 10 lijvige boekdeelen uitgegeven, eene boeiende beschrijving bevattende van den bouw, het voorkomen, de zeden en gewoonten, in den wilden zoowel als in den tammen staat der hoogere en lagere diersoorten.

Behalve dit standaardwerk,—in vele opzichten tevens een vraagboek voor vakgeleerden,—schreef Brehm: „Das Leben der Vögel”, „Die Thiere des Waldes”, enz. Een aantal opstellen in de „Gartenlaube” en andere tijdschriften zijn mede van zijne hand.

Den 11den November 1884 stierf de groote reiziger en dierenkenner in dezelfde plaats, alwaar hij eens het levenslicht aanschouwde.

R.E. de Haan. [IX]

[Inhoud]

EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM.

Inhoudsopgave

Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht.

Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen, en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten, meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke aanvragen [X]van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht wenschen.

Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen, en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel” vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen, en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur, alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor.

En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers bereikt zijn!

En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun voor lang eene eereplaats verzekerd!

Berlijn, September 1890. [XI]

[Inhoud]

I.
DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND.

Inhoudsopgave

„De Schepper der wereld had zoo even Zijn lievelingsster, de aarde, voltooid en verheugde zich over het goed geslaagde werk. Daar viel het den duivel in dit werk te vernietigen. Toen nog niet uit den hemel verbannen, woonde de booze te midden der aartsengelen, en in de ruimten, alwaar de zaligen verblijf houden. Hij vloog omhoog naar den zevenden hemel, greep een ontzaglijken steen en slingerde dien met kracht naar de aarde, die daar beneden in jeugdige schoonheid prijkte. Maar nog bijtijds bemerkte de Schepper dit roekeloos bestaan en zond onmiddellijk eenen aartsengel af om het onheil te keeren. Sneller dan de steen vloog de engel omlaag, en slaagde er in het land te vrijwaren. Donderend stortte de reusachtige steen in de zee; kokend spatten de golven omhoog en overstroomden het naburige land, mijlen ver. Door den geweldigen schok werd het buitenste hulsel van den steen verbrijzeld, en duizenden splinters ploften ter weêrszijden in de zee, hier in de diepte verdwijnende, ginds boven de wateren uitstekende, naakt en kaal, evenals de kern des steens zelve. Toen werd God met medelijden vervuld, en in zijn oneindige barmhartigheid besloot hij ook dien dorren rotsklomp met leven te bezielen. Maar de vruchtbrengende aarde was reeds meerendeels verbruikt, en slechts een weinig was in Gods hand overgebleven, nauwelijks voldoende, om hier en daar iets op den steen uit te strooien.”

Aldus luidt eene oude sage, die nog op den huidigen dag onder de Lappen rondgaat. De steen, dien de duivel wierp, is Skandinavië; de splinters, die ter weêrszijden in de zee vielen, zijn de scheren, die in bonten krans het schiereiland omringen; de barsten en spleten zijn de fjorden en de dalen van het binnenland; de brokjes levenwekkende [2]aarde, die uit de milde hand des Scheppers daarop nedervielen, vormen de weinige vruchtbare plekjes, die Skandinavië rijk is.

Men moet zelf in Skandinavië, vooral in Noorwegen geweest zijn; men moet zelf de boot tusschen de scheren hebben gestuurd en het land van de zuidelijkste punt tot het hoogste noorden zijn omgevaren, om de kinderlijke sage in haar volle diepte en beteekenis te verstaan. Ja, vreemd is het land; vreemd zijn deszelfs fjorden, maar de grootste verwondering wekt de krans van eilanden en scheren, die het omgeven!

Skandinavië is een Alpenland, evenals Zwitserland en Tyrol, maar toch, welk verschil! Evenals onze Alpen heeft het zijn hooggebergten en gletschers, zijn wildbeken en heldere, stille Alpenmeren, zijn donkere dennenbosschen in de diepte, zijn lichtgroene berkenwouden in de hoogte, en uitgestrekte, hier in toendra’s veranderde moerasvenen op den breeden rug der bergen, zijn blokhuizen op de hellingen en zijne senhutten in de hoogste dalen.

Maar niettemin is in Skandinavië alles anders dan in de Zwitsersche Alpen, en het onderscheid valt duidelijk een ieder in het oog, die in de gelegenheid was beide landen te zien. Dit verschil spruit daaruit voort, dat hier twee groote en majestueuse gebieden der aarde, hooggebergte en zee, op verwonderlijke wijze zijn vereenigd en verbonden.

Ernst en vroolijkheid vormen het algemeen karakter van Skandinavië. Gestrengheid paart zich aan zachtheid, somberheid aan opgewektheid, en onder het doodsche en angstverwekkende mengt zich het levendige en verhevene. Zwarte rotsmassa’s rijzen loodrecht uit de zee omhoog, terwijl zij de diep ingesneden fjorden omgrenzen; op menigvuldige wijze gekloven en verdeeld, stapelen zij zich steil boven elkander op, terwijl ginds een overhellend blok dreigend neêrblikt in de diepte; op hare kruinen torschen ze ijsmassa’s, die zich uren ver uitstrekken en gansche landschappen bedekken. Geen leven wordt hier vernomen; alleen de wildbeek, die er haar oorsprong neemt, stoort de doodsche stilte. Als een zilveren lint kronkelt zij over den zwarten grond; terwijl zij het oog boeit, laat zij in haar ruischen de verheven melodie weêrklinken van het hooggebergte. Uit elke spleet breken deze stroomen te voorschijn, langs elke kloof bruisen zij omlaag, in dollen dans tuimelen zij van de rotsen, waterval op waterval vormende, wier geklater door de naburige berghelling wordt teruggekaatst.

Deze ruischende beken, die langs elke insnijding dalwaarts spoeden, [3]de glinsterende waterstrepen, die tegen elken rotswand hangen, de als rook opstijgende damp, die de aanwezigheid der meest verborgen watervallen verraadt, zij zijn het, die het leven oproepen in de ijzigste wildernis, op plaatsen, waar het oog overigens niets ontwaart dan rots en lucht, terwijl zij tevens wijzen op het daarachter gelegen land.

Maar, hoe betooverend ook hunne schoonheid zij, hoe overweldigend de fjorden met haar rotswanden, kloven en dalen, voorgebergten en vooruitstekende punten ook zijn mogen, eigenaardiger indruk nog geven de eilanden en scheren daar buiten in de zee; de klippen, die van het zuiden tot het noorden zich langs het land gelegerd hebben en een chaos van bochten, sonten en straten in ’t leven roepen, gelijk geen tweede plekje op de gansche aarde misschien weet aan te wijzen.

De groote eilanden zijn min of meer een getrouw spiegelbeeld van het vaste land; de kleinere eilanden en de scheren bewaren onder alle omstandigheden een eigendommelijk karakter, dat evenwel met elken hoogeren breedtegraad eenige wijziging ondergaat. In het noorden mist men den rijkdom van het zuiden; zulks geldt niet alleen voor de eilanden, maar ook voor de zee.

Toch is ook hier alle schoonheid niet buitengesloten, en vooral in de zomermaanden, wanneer de middernachtszon groot en bloedrood langs den horizon strijkt en haar half omsluierden glans tegen de met ijs bedekte toppen der bergen en de oppervlakte der zee weêrkaatst, dan is de betoovering inderdaad overweldigend. De overal verspreid liggende boerenwoningen hebben hierin haar aandeel; hutten, uit houten planken opgetimmerd en met zoden gedekt, prijkende met het levendigste rood, dat scherp afsteekt bij ’t groene dak, den zwarten bergwand en het ijsblauw der gletschers op den achtergrond.

Niet zonder bevreemding neemt de reiziger, die voor ’t eerst dit land bezoekt, waar, dat die woningen grooter, deftiger en ruimer worden, naarmate men noordelijker komt. Ofschoon niet meer door akkers omgeven, bezit nog elke woning een tuintje, en wat grootte, ruimte en inrichting betreft, winnen zij het van de armoedige gebouwen in de meer zuidelijke streken van Skandinavië; ja, de deftigste en grootste bevinden zich juist op de kleinere eilanden, waar niets dan een veenlaag den rotsgrond dekt, en welker ondankbare bodem zelfs de gift van een klein tuintje weigert.

Dit schijnbaar raadsel wordt evenwel opgelost, wanneer men zich herinnert, dat in Norland en Finland niet het land, maar de zee de [4]akker is, die beploegd wordt; dat men niet in den zomer zaait en de zeis zwaait, maar dat de oogsttijd valt in den herfst, en daaraan geen zaaitijd is voorafgegaan; dat juist in die maanden, waarin de lange nacht onbeperkt zijn scepter zwaait en de maan in plaats van de zon de aarde beschijnt, wanneer het gloeiende noorderlicht treedt in de plaats van het morgen- en avondrood, alsdan daar ter plaatse de mensch der zee haar rijken buit ontrooft.

Wanneer de herfstnachtevening is ingetreden, maken zich alle krachtige mannen van Noorwegen op om den noordelijken oogst in te zamelen. Iedere stad, ieder vlek, ieder dorp zendt een of meer voldoend bemande schepen naar de eilanden en scheren aan gene zijde van den poolcirkel, om voor eenige maanden in alle daarvoor passende bochten het anker uit te werpen. Op de schepen zoowel als in de woningen reppen zich alle handen om den zegen des oogstes te bergen.

Midden in den zomer is het land daar ginds stil en onbewoond; gedurende den winter wemelen de inhammen, eilanden en straten van bedrijvige mannen; dag en nacht zijn deze onverpoosd bezig. De woningen mogen ruim zijn, toch kunnen zij alle hier bijeengestroomde menschen niet bevatten; daarom worden er nog dicht bij de schepen eenvoudige, met plaggen gedekte hutten opgeslagen om tot tijdelijk verblijf te strekken.

Omstreeks den winterzonnestilstand, wanneer wij ons Kerstfeest, de Noren hun Joelfeest vieren, is de drukste tijd aangebroken. Reeds sedert weken heeft de zee haar zegen uitgestort. Beheerscht door de machtigste aandrift, die levende wezens bezielt, geleid door den onweêrstaanbaren aandrang zaden uit te strooien voor volgende geslachten, stijgen ontelbare scharen van visschen, zooals kabeljauwen en schelvisschen, uit de diepten des Oceaans omhoog; zij naderen de kusten, dringen in alle straten, sonten en fjorden, en bedekken mijlen in ’t rond de oppervlakte der zee. Zoo dicht zwemmen deze, slechts door één gevoel bezielde, en als het ware van hun zinnen beroofde wezens bijeen, dat de booten zich letterlijk door deze scholen een weg moeten banen, dat het overgevulde net onder zijn last breekt, of spot met de reuzenkrachten der visschende mannen, terwijl een roeispaan, die loodrecht tusschen de opeengehoopte visschen wordt gestoken, eenigen tijd in deze richting blijft staan, alvorens om te vallen. Alleen de hoogere gedeelten der eilanden, alwaar eene veenlaag den kalen rotsgrond dekt, en de onmiddellijk aan de zee grenzende randgedeelten, tot waar de [5]vloed nog reikt, uitgezonderd, is de bodem bedekt met gespouwen, hier ter droging neêrgelegde visschen. Daarboven zijn staken in den grond geplant, waaraan duizenden anderen worden opgehangen, die voor hetzelfde doeleinde aan den kouden, maar uitdrogenden wind worden blootgesteld. Van tijd tot tijd ledigt men de rotsen en staken, bindt de gedroogde visschen in bundels, bergt ze tijdelijk in daarvoor ingerichte schuren, maar de ledige plaatsen worden op hetzelfde oogenblik weder door versch gevangenen aangevuld.

Maanden lang duurt deze bezigheid, maanden lang de hieruit voortspruitende handel; het zuiden en noorden ruilen hier hunne schatten tegen elkander in. Eerst wanneer omstreeks den middag een helder licht in het zuiden de terugkomst der zich nog schuil houdende zon aankondigt, of deze zelf een korten blik werpt op het land, eindigt van lieverlede de rijke vangst. De gedroogde stok- of klipvisch wordt uit de magazijnen naar de schepen gedragen, de geheele ruimte van de kiel tot aan het dek daarmede opgevuld. De schipper keert huiswaarts, of vaart naar elders; het eene vaartuig na het andere hijscht de bruin geteerde zeilen en wendt den steven.

Stiller wordt het in het noorden, eenzamer wordt het land, verlaten is de zee. Is de lentenachtevening aangebroken, dan hebben bijna alle vreemde vaartuigen het oogstveld verlaten en zijn de visschen wederom naar de diepten des Oceaans teruggekeerd. Maar reeds zendt de zee nieuwe kinderen uit, om nogmaals de sonten, bochten en fjorden, en nu niet deze alleen, maar ook de scheren en eilanden met leven te bezielen; weldra glinsteren hier millioenen heldere vogeloogen en gluren deze van de hoogten der klippen, aan wier voet het zoo even geschetste winterleven heerschte, naar beneden op de zee.

Het is een diep ingrijpende levenstrek van alle eigenlijke zeevogels, dat slechts twee oorzaken hen bewegen kunnen het land te bezoeken; het blij gevoel der allengs opnieuw ontwakende liefde en het somber voorgevoel van den naderenden dood. Het is niet de winter met zijn langen nacht, zijn koude en stormen, die hen drijft naar het land; zij zijn bestand tegen de ruwheden van het noordsche klimaat, en gewoon hun leven door te brengen op of onder de golven; ook is het niet de vrees voor de dreigende tanden van roofzuchtige visschen, die hen jaagt naar het strand; zij bezoeken het land, b.v. een eenzaam eiland, slechts voor korten tijd om het gevederte weer eens voor goed van vet te voorzien, beter dan zulks in het water kon geschieden. Maar wanneer [6]met de eerste stralen der nieuwe zon de liefde in dien kleinen vogelboezem ontwaakt, dan ijlt jong en oud weder naar de plek, waar zij het levenslicht voor ’t eerst aanschouwden, al scheiden ook duizenden mijlen lucht en water hen van deze plaats, die vliegende of zwemmende na korter of langer tijd bereikt wordt. En wanneer te midden van den ijzigen winter, nadat de broedplaatsen reeds sedert maanden verlaten zijn, een zeevogel den dood in het hart voelt, dan spoedt hij zich, zoo lang zijn krachten hem niet begeven, voor ’t laatst naar de plek, waar eens zijn wieg heeft gestaan.

De jaarlijksche bijeenkomsten van tallooze scharen dezer vogels op de broedplaatsen schenken aan deze maanden lang eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid en levendigheid. Evenals de vogels zelf onderling verscheiden zijn, heerscht er ook in deze vereenigingen het grootste verschil. Ook is er verschil in de plaatsen, die zij bevolken. De Noorman noemt ze vogelbergen. Terwijl sommige soorten alleen zulke scheren uitkiezen, welke zich maar weinig boven den hoogsten waterstand verheffen, en waar eene armoedige vegetatie schaars voldoende is om het in een kuil van opgeworpen zeewier toebereide nest een weinig te bekleeden, moeten anderen zulke eilanden voor lief nemen, die tot eene hoogte van honderden meters steil uit de zee oprijzen en, of rijk zijn aan uitstekende rotsen, lijsten, holen, spleten en dergelijke schuilhoeken, of door eene dikke laag half vergane plantendeelen worden bedekt.

De lage scheren dragen in den volksmond, naar de daarop voorkomende en door de Noren met bijzondere liefde beschermde vogels, voor hen de nuttigste, den naam van „Eiderholme” d.i. eidereendheuvels. Onder vogelbergen begrijpt men gemeenlijk de hoogere, steil uit de zee oprijzende, voornamelijk door alken en meeuwen bewoonde eilanden.

Hoe verleidelijk het ook voor den onderzoeker zijn moge, elken afzonderlijken broedvogel der zee nauwkeuriger in ’t oog te vatten en uitvoerig te schilderen, de rijkdom van de bevolking der vogelbergen in het hooge noorden gebiedt hem eenige beperking. Ook ik moet mij, met het oog op den tijd mij gegund, het genoegen ontzeggen, een volledig beeld te ontwerpen van al die verschillende bergvogels; alleen acht ik mij verplicht, van enkelen hunner de levenswijze vluchtig te schetsen, ten einde eenige hoofdmomenten uit het leven der zeevogels onder de aandacht te kunnen brengen. Hoe moeilijk de keuze ook zij, [7]er is een onder de vele vogels, die ieder jaar naar dezelfde broedplaats terugkeeren om aan deze en de omgeving een ongemeenen luister bij te zetten, die niet onopgemerkt mag blijven; ik bedoel den eidervogel.

Drie verschillende soorten dezer prachtige eenden bewonen of bezoeken Europa’s kusten; een dezer, de eidereend zelf, bezoekt elken zomer zelfs de noordelijkste eilanden van Duitschland, vooral Sylt. Het gevederte van al deze soorten is eene getrouwe weerspiegeling van de noordelijke zeeën. De kleur is eene mengeling van zwart en rood, van aschgrauw, ijsgroen, wit, bruin en geel. De eigenlijke eidereend, alhoewel nog altijd een prachtige vogel, is echter de minst bedeelde, wat schoonheid betreft. De nek en rug zijn wit, evenals het schuim der zee; daarboven loopt een witte band over de vleugels en op de zijden wordt ook nog een witte vlek aangetroffen. Krop en hals zijn als met een rooskleurig waas overtogen, dat herinnert aan den gloed der middernachtszon; een streep op de wangen bootst het teêre groen na van gletscherijs; de borst, buik, vleugels, staart, onderrug en stuit zijn zwart als de diepten des Oceaans. Echter bezit alleen het mannetje zulk een pronkgewaad; het wijfje kleedt zich, evenals zulks het geval is bij alle andere eendensoorten, veel eenvoudiger; toch ziet zij er in hare huisjapon voornaam genoeg uit. Op een roestkleurigen, nu eens meer dan eens minder in bruin overgaanden grond, zijn ontelbare overlangsche en dwarse vlekken, strepen en krullen van zulk eene teederheid en verscheidenheid uitgegoten, dat men geen woorden kan vinden om deze teekening naar behooren te omschrijven.

Geen andere eendensoort is zoo in den vollen zin des woords zeebewoonster als de eidereend; geene waggelt moeilijker op het droge, geene vliegt minder goed, geene zwemt vlugger, duikt beter en dieper dan zij. Wel vijftig meter diep duikt zij, ter verkrijging van voedsel, beneden ’t oppervlak der zee, en wel vijf minuten, een verbazend lange tijd, zou zij onder water kunnen vertoeven. Vóór den aanvang van den broeitijd verlaat zij de volle zee of in ’t geheel niet, of slechts bij zeldzame uitzondering, meer hare luimen dan de noodzakelijkheid volgende. Reeds tegen ’t einde van den winter hebben de scharen, waarin ook deze soort zich vereenigt, zich verdeeld in afzonderlijke paren, terwijl nog alleen die mannetjes, wien ’t niet gelukte zich een wijfje te verwerven, in kleine troepen blijven rondzwemmen.

Onder de beide echtgenooten heerscht de gelukkigste eendracht. Slechts één wil, ongetwijfeld die der eend, geeft den toon aan voor [8]beider doen en laten. Verheft zich het wijfje boven den waterspiegel om al vliegende eenige honderden meters af te leggen, zoo volgt haar onmiddellijk de woerd; duikt de eerste, terstond verdwijnt ook de laatste; waarheen ook het wijfje zich begeven moge, het mannetje volgt getrouw; al wat zij doet strookt ook met zijn inzichten en begeerten. Nog steeds toeft het paar daar buiten op de zee, al zij het dan ook enkel op zulke plaatsen, alwaar de diepte die van vijftig meter niet te boven gaat, en altijd slechts daar, waar de gewone en andere soorten van mosselen in rijke menigte de rotsen of den zeebodem bedekken. Deze weekdieren toch vormen bijna uitsluitend het voedsel onzer eenden, en om die mossels te bemachtigen duiken zij zoo diep; maar ook vrijwaren deze weekdieren haar voor het gebrek, dat zoo dikwijls het deel is van vele andere soorten.


EIDEREENDEN.

In April, allerlaatst in ’t begin van Mei naderen de paren al meer en meer den gordel van klippen en daarmede ook de kust. In het hart der eend ontkiemt de moederzorg, en aan deze wordt nu alles ondergeschikt. Daarbuiten in de open zee was het paartje zoo schuw, dat het nimmer de nadering van een vaartuig afwachtte, en den mensch, waar deze zich ook mocht vertoonen, meer vreesde dan elk ander schepsel; nu, in de nabijheid der eilanden heeft er eene algeheele omkeering in dat gedrag plaats. Slechts gehoor gevende aan haar moederlijk gevoel, zwemt de eend op een der eilanden af; zonder verder op den mensch te letten waggelt zij landwaarts. De woerd volgt, echter niet zoo onbezorgd als zij, en gedurig klinkt zijn waarschuwend „ahoea, ahoea”; nu en dan houdt hij zijn tred in, soms stilstaande als om na te denken, en dan weder voorwaarts zwemmende. De eend daarentegen bekommert zich om niets en marcheert moedig over het eiland om zich eene geschikte broedplaats uit te zoeken. Eigenzinnig als zij is, stelt zij zich niet tevreden met den eersten den besten hoop wier, dien de vloed op het strand wierp, of met den kleinen vlierstruik, wiens langs den grond kruipende twijgen eene veilige schuilplaats aanbieden, of met de halfgebroken kist, die de eigenaar des eilands opzettelijk daarheen bracht om tot beschutting te dienen, of met de takkenbosschen, die hij, om de vogels te lokken, bijeendroeg; zij nadert, zonder van vrees te doen blijken, evenals een huisdier, zelfs de woning van den eigenaar, gaat binnen, meet den vloer, maakt het der huisvrouw lastig in keuken en woonvertrek, en kiest wellicht, grillig en koppig, juist [9]het binnenste van den oven voor nestplaats uit, en dwingt daardoor de huisvrouw maanden lang haar brood op een ander eiland te bakken. Met zichtbaren angst volgt haar de trouwe woerd zoover mogelijk; wanneer zij echter naar zijne meening alle veiligheidsmaatregelen geheel uit het oog verliest, en zich verstout met de menschen onder één dak te willen wonen, tracht hij niet langer hare luimen te bestrijden, maar laat haar eenvoudig begaan en vliegt zelf naar de veilige zee, om hier met kloppend hart hare dagelijksche bezoeken af te wachten. Onze eend laat zich daardoor niet van streek brengen, maar sleept wat rijshout bijeen en staat gaarne toe, dat de Noorman haar hierbij helpt; de stoffen, waaruit het nest zal bestaan, takjes en zeewier, worden laagsgewijze gerangschikt; met behulp der zwempooten wordt er een kuil in gegraven, en deze, terwijl de eend onophoudelijk de gladde borst daarin ronddraait, effen en rond gemaakt. Thans kan er begonnen worden met het bekleeden. Alleen om haar kroost bedacht, plukt de eend zich de zoo uitermate weeke donsveêren uit de borst [10]en maakt hiervan een bed, dat den geheelen kuil vult. Van boven wordt langs den rand insgelijks een krans van hetzelfde materiaal gelegd, dat over de eieren zal gespreid worden, wanneer de eend het nest soms een wijl moet verlaten. Nog vóór het nest inwendig geheel gereed is, begint zij hare betrekkelijk kleine, gladschalige, vuil- of grijsgroene eieren te leggen, wier aantal van zes tot acht, een enkele maal meer of minder bedraagt.

Dit oogenblik heeft de Noorman afgewacht. Eigenbaat, zelfzucht, maakten hem tot den vriendelijken gastheer der eend.

De gastheer verandert nu in een roover. Zonder bedenken maakt hij zich meester niet alleen van de eieren, maar zelfs van het dons.

Vier en twintig tot dertig nesten leveren een kilogram dons, ter waarde van minstens achttien gulden, daar ter plaatse.

Deze cijfers geven voldoende opheldering van het gedrag des Noormans.

Met een treurig gemoed aanschouwt de eend deze vernietiging harer verwachtingen voor dit jaar; ontsteld en verschrikt vliegt zij naar de zee terug tot den haar wachtenden echtgenoot. Of deze haar nu ook nog waarschuwende woorden toevoegt, kan ik niet zeggen; wel weet ik, dat hij zijne gade spoedig troost in ’t hart stort. Nog is beider borst vol lentelust en lentemoed; na weinige dagen waggelt het wijfje, als ware er niets gebeurd, wederom over het land, ten einde opnieuw een nest te bouwen. Waarschijnlijk vermijdt zij dezen keer de vorige plaats en vergenoegt zich met den eersten den besten, nog niet geheel door anderen ingenomen hoop zeewier. Opnieuw fatsoeneert zij een kuil, opnieuw begint zij haar toilet te onderzoeken, ten einde de donsbekleeding op te sporen. Helaas! hoeveel moeite zij zich geeft, hoe zij den hals ook uitrekt en in allerlei slangvormige wendingen buigt—de voorraad is uitgeput. Wanneer evenwel is eene moeder, al wandelde zij ook in de gedaante eener eend over de aarde, ooit radeloos geweest, waar het gold de zorg voor haar kroost? Ook onze eend verliest hare bezinning niet. Heeft zij zelf geen dons meer, haar echtgenoot zal haar bijstaan; deze heeft er nog genoeg aan borst en rug. Daarvoor dient hij hier te zijn. En hoezeer hij misschien moge tegenstribbelen, hoe levendig hem de herinnering aan vroegere jaren ook is bijgebleven, hij is de man en zij de vrouw, d.w.z. hij moet gehoorzamen. Onbescheiden plukt de bezorgde moeder hem in de veêren, en binnen weinige uren, althans in minder dan twee dagen heeft zij hem even kaal geplukt [11]als zij zelf is. Dat na zoodanige behandeling de woerd, zoodra hij kan, de volle zee opzoekt om nu eenige maanden alleen met zijns gelijken te verkeeren, en zich om de broedende gade en het wordend kroost in ’t geheel niet meer bekommert, vind ik zeer natuurlijk. En wanneer men werkelijk, zooals op alle broedplaatsen het geval is, een woerd naast eene eend ziet staan, dan is deze er ongetwijfeld een, die nog niet geplukt werd.

Onze eend broedt van nu aan zeer ijverig. En nu wordt het duidelijk, dat hare huisjapon het meest geschikte, ik durf zeggen, het eenig mogelijke gewaad is, dat zij dragen kan. In het wier, dat het nest omgeeft, verdwijnt zij volkomen; zelfs voor het oog van valken en zeearenden is zij onzichtbaar. Niet alleen harmonieert de algemeene kleur van haar toilet met die van het uitgedroogde zeewier, maar elk streepje, stipje en puntje is daarmede in overeenstemming. Ja, zoo volkomen, dat de broedende vogel, zoodra hij zijn hals heeft ingetrokken, en de vleugels een weinig heeft uitgespreid, als het ware in de omgeving wordt opgenomen. Vele malen is ’t mij gebeurd, dat ik, terwijl mijn geoefend jagers- en waarnemersoog over de eiderholmen gleed, niet eer eene eidereend ontdekte, alvorens ik door het pikken aan mijn laarzen er opmerkzaam op gemaakt werd. Wie de toewijding kent, met welke eene eend broedt, zal er zich niet over verwonderen, dat men de op het nest zittende vogels zoo nabij kan komen; maar wel wekt het de verbazing, zelfs van den meest ervaringrijken onderzoeker, wanneer hij hoort, dat de eidereend, zonder weg te vliegen, toelaat, dat men de onder haar liggende eieren met de hand betast, ja, dat zij ongestoord blijft voortbroeden, nadat men haar van het nest heeft afgenomen en daarna er weder opgezet, of een eind van daar op den grond, om zich het genot te verschaffen, haar weder naar het nest te zien waggelen.

De moederlijke toewijding en de moederweelde der eend blijken uit meer. Elke vrouwelijke eidereend, misschien iedere eend in ’t algemeen, streeft niet enkel naar het geluk kinderen op te voeden, maar zij wil haar moederoog doen rusten op een zoo talrijk mogelijke schaar. Deze aandrift heeft ten gevolge, dat zij andere, dicht bij haar broedende eenden zooveel benadeelt als zij maar kan.

Hoe ijverig zij ook broedt, eenmaal elken dag moet zij het nest verlaten, vooreerst om zich van voedsel te voorzien, en tevens om haar gevederte, dat tengevolge van de warmte, die zich onder het [12]broeden ontwikkelt, niet weinig lijdt, te reinigen, in te vetten en op te strijken. Terwijl zij een wantrouwenden blik werpt op haar buurvrouwen, staat zij in de eerste voormiddaguren op,—misschien werd zij reeds geruimen tijd door een fellen honger gekweld,—plaatst zich aan den rand van het nest en schuift met den snavel den krans van dons over de eieren. Is dit geschied, dan vliegt zij ijlings naar zee, duikt herhaalde malen in de diepte, vult haastig krop en slokdarm tot de keel met mosselen, baadt en poetst zich, smeert zich de veêren in, keert naar het land terug, terwijl zij onderweg nog gedurig de veêren droogt en glad strijkt, en bereikt haar nest. De twee buurvrouwen zitten oogenschijnlijk even zorgeloos en onschuldig op het nest als straks, maar hebben ondertusschen diefstal gepleegd. Zoodra de eerste uitgevlogen was, was een der anderen opgestaan, had het donzen dek opgelicht en met de beide roeipooten snel één, twee, drie, vier eieren uit het vreemde nest naar haar eigen gerold; daarna heeft zij het eerste nest weder zorgvuldig toegedekt, en gelukkig in haar onrechtmatig bezit, zich weer te broeden gezet. De teruggekeerde eend heeft ras ontdekt wat er in haar afwezigheid gebeurd is, doch laat niets merken; zij zet zich weer rustig aan ’t broeden en denkt ondertusschen: „wacht maar buurvrouw, je zult ook wel eens uitvliegen en wat je mij nu hebt gedaan, doe ik jou dan.” En zoo wandelen de eieren der eidereenden gedurig van het eene nest in het andere. Of echter haar eigen kinderen of vreemde onder de gelukkige moederborst tot rijpheid komen, zulks schijnt der eidereend onverschillig te zijn;—het zijn immers toch kinderen!

Zes en twintig dagen broedt de eend, alvorens de kuikens uitkomen. De Noorman, die verstandig te werk gaat, laat haar ditmaal begaan en stoort haar niet alleen niet, maar helpt haar zooveel hij kan, door alle vijanden en onruststokers zooveel mogelijk van het eiland af te houden. Hij kent zijn eenden, zoo niet persoonlijk, dan toch in zooverre, dat hij weet, wanneer ongeveer deze of die met broeden gedaan heeft en met hare kuikenschaar den weg naar zee zal aanvaarden. Die weg strekt velen jongen eenden, op wie geen genoegzaam toezicht wordt gehouden, onverwachts ten verderve.

Niet alleen de op het eiland broedende of daar toevallig aanwezige valken, maar ook en nog meer raven, roofmeeuwen en groote zeemeeuwen beloeren den eersten uitgang der eendenkuikens, overvallen deze op dien tocht en rooven er velen weg. [13]

De patroon van het eiland tracht zulks te verhinderen en wel op eene wijze, die kenschetsend is voor de anders zoo wilde en schuwe, maar onder het broeden bijna in huisdieren veranderde eidervogels. Tegen het einde van den broedtijd wandelt hij elken morgen over het eiland om de moeders behulpzaam te zijn en den tweeden donsoogst in te zamelen. Op zijn rug hangt een draagkorf, aan den eenen arm een wijde handkorf. Zoo wandelt hij van het eene nest naar het andere, beurt elke eend op, en onderzoekt of de kuikens uit den dop zijn en voldoende droog zijn geworden. Is zulks het geval, dan pakt hij het geheele krabbelende gezelschap in zijn handkorf, ontdoet het nest van het dons en bergt dit in den draagkorf, om daarna verder te gaan. Vertrouwelijk waggelt de eend meê en volgt haar piepende jongen. Een tweede, derde, tiende nest wordt insgelijks geledigd en zoolang wordt de arbeid in ’t algemeen voortgezet, totdat de handkorf vol is. De eene moeder na de andere sluit zich aan het gevolg aan, onderweg van gedachten wisselende met hare medelijderessen. Aan het strand gekomen schudt de man den inhoud der mand eenvoudig in de zee uit. Dadelijk storten alle eenden in het water, haar kroost na; roepende en alle teederheid der moederliefde ontvouwende, zwemmen zij te midden der kleine schare, en ieder zoekt zooveel kinderen mogelijk te bemachtigen. Met blijkbaren trots zwemt er hier eene, die een lang gevolg na zich sleept; maar reeds zwemt een tweede dwars door dien keten om er zich sommigen van toe te eigenen, terwijl een derde eend nadert met het doel ook voor zich zooveel kuikens machtig te worden, als zij maar kan. Zoo zwemmen alle moeders snaterend, roepend, kwakend en lokkend dooreen, tot eindelijk ieder harer een troep kuikens achter zich heeft; of deze haar eigen kinderen of vreemden zijn, wie zal het zeggen? De eend zelf weet het ongetwijfeld evenmin, maar haar moederweelde lijdt er niet onder; het zijn immers allen kinderen, die achter haar zwemmen.

In elk geval, eene op deze wijze bijeenverzamelde schare volgt reeds in de eerste levensuren getrouw het voorbeeld der moeder of pleegmoeder. Deze brengt de kuikens al dadelijk naar zulke plaatsen, alwaar de mosselen tot op de hoogte der laag-waterlijn op de rotsen zitten, plukt er zooveel als voor haar zelf en haar gezin voldoende is, breekt de kleinste schalen open en zet den inhoud haar kinderen voor. Deze kunnen reeds dadelijk zwemmen en duiken, en in één opzicht overtreffen zij zelfs hunne ouders, n.l. hierin, dat zij zich veel gemakkelijker [14]en vlugger op het land bewegen. Worden nu de kuikens in de nabijheid van een eiland vermoeid, dan geleidt de moeder hen naar het land; zij rennen nu als jonge patrijsjes voort, verstaan echter meesterlijk de kunst om, als zich de noodkreet der moeder laat hooren, neêr te hurken en zich daardoor zoo onzichtbaar te maken, dat zij zelfs voor het scherpstziend oog verborgen blijven; worden zij vermoeid, wanneer zij zich al te ver van de scheren verwijderd hebben, dan breidt de oude haar vleugels uit en biedt deze, alsmede haar rug den kleinen tot rust- en zitplaats. Daar gebrek hun onbekend is, groeien zij verbazend snel, en na verloop van twee maanden hebben zij bijna de grootte en in elk geval alle bekwaamheden en talenten der moeder erlangd.

Nu komt ook de vader weder te voorschijn, om van nu aan met de familie vereenigd, meestal in gezelschap van meerdere families, soms een schaar vormende, uit duizenden individuen samengesteld, gezamenlijk den winter door te brengen.

De hooge, ieder jaar nog stijgende prijs van het prachtige dons, maakt den eidervogel tot den meest kostbaren van alle bergvogels. Duizend paar eidereenden zijn een niet te versmaden rijkdom. Op de meeste eiderholmen broeden echter minstens drie à vier duizend paar, en de eigenaar van nog drukker bezochte broedplaatsen trekt van deze vogels een inkomen, dat menig grondeigenaar ten onzent hem benijden zou.

Behalve eidereenden broeden op de holmen ook nog oestervisschers of scholeksters en zeekoeten, aan welke vogels men insgelijks de eieren ontrooft, die maanden lang op allerlei wijzen als voedsel worden gebruikt en naar oost en west verzonden.

Een enkele maal worden de jongen ingezouten om in den winter tot voedsel te dienen, en zoo zijn, gelijk men ziet, de holmen te vergelijken met akkers, die een rijken oogst opleveren; zij staan diensvolgens onder streng toezicht en worden door bijzondere wetten beschermd.

Eigenaardig en boeiend tevens is het tooneel, dat een door eidereenden en andere zeevogels bewoond eiland oplevert. Een meer of minder dichte wolk van verblindend witte meeuwen omhult het eiland. Zonder tusschenpoos vliegen troepen en zwermen dezer broedvogels af en aan, nu naar het eiland toe, dan weder in de richting der zee. Ook bezoeken zij wel de naburige scheren en schenken dan een ongemeenen [15]tooi aan de in groene grasvelden omgevormde moerassen, waarachter zich de roode blokhuizen verheffen. Met billijken trots wees eens een bewoner der Lofoden op eenige honderden stormmeeuwen, die in dichte troepen vlak voor zijn huis naar insecten zochten. „Ons land is te arm, te koud en te ruw dan dat wij er, evenals in het zuiden, huisvogels op na kunnen houden. De zee schenkt ons echter duiven en ik vraag u hebt gij wel ooit iets schooners gezien?” Ik moest een ontkennend antwoord op deze vraag geven; want de blinkend witte en fijn blauwgrijze meeuwen teekenden zich te midden van de grootsche omgeving eener noordelijke bergstreek zoo heerlijk tegen het mollige, groene gras af, dat dit schouwspel inderdaad aantrekkelijk mocht heeten. Deze meeuwen zijn het, die bovenal de broedholmen reeds van verre als zoodanig in het oog doen vallen, waardoor deze zich onderscheiden van andere, overigens er eveneens uitziende scheren. Van de overige gevederde bevolking merkt men weinig, ofschoon haar aantal duizenden bedraagt.

Eerst wanneer men in een dier lichte, onverbeterlijke booten van dit land van den bewoonden oever stoot en naar den holm toestuurt, dan verandert het stille leven der vogels. Eenige scholeksters, die onmiddellijk boven het hoog waterpeil hun voedsel zochten, hebben de boot bemerkt en vliegen er ijlings heen. Want deze vogels, die op geen der grootere eilanden, zelfs bijna op geen enkele scheer ontbreken, zijn de veiligheidsbeambten, de politie-agenten onder de vreedzaam vereenigde bergvogels. Nieuwsgieriger en bedrijviger dan alle andere, mij bekende strandvogels, zelfbewust, voorzichtig en bedachtzaam, vereenigen zij alle eigenschappen in zich om tot toongevers te worden in gemengde koloniën. Elke nieuwe, ongewone gebeurtenis wekt hen op een onderzoek in te stellen. Zoo vliegen zij elke boot te gemoet, omzwermen deze van vijf tot zes malen in steeds nauwer wordende kringen, laten daarbij een onafgebroken geschreeuw hooren, lokken hierdoor andere individuen hunner eigene soort en wekken de opmerkzaamheid van alle verstandige vogels der kolonie.

Hebben zij zich overtuigd, dat er wezenlijk gevaar bestaat, dan vliegen zij schielijk terug, en geven door een waarschuwend geluid zulks te kennen aan alle bergvogels, die dit begeeren te weten en die er dan ook werkelijk notitie van nemen. Eenige meeuwen besluiten thans zich in elk geval door een persoonlijk onderzoek van de oorzaak der stoornis te overtuigen. Vijf of zes dezer vogels vliegen de boot tegemoet, stellen [16]zich in de lucht evenals valken op, stooten misschien reeds nu stoutmoedig op de indringers en keeren sneller dan zij gekomen waren naar den holm terug.


DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND.

Net alsof men geen vertrouwen in deze boodschappers stelde, verheft zich nu een dubbel, drie-, vier-, tienvoudig aantal om eveneens te handelen zoo als de eerste verspieders hebben gedaan. Reeds strijkt eene dichte laag vogels over de boot. Deze wolk wordt al dichter en dichter en neemt een steeds dreigender aanzien aan, daar de vogels niet alleen met steeds aangroeiende koenheid op de schepelingen stooten, maar daarbij stoffen op hen laten vallen, die aangezicht en kleedingstukken een minder sierlijk uiterlijk verleenen. In de nabijheid van het eiland klimt de opgewondenheid tot eene zinnelooze razernij, het geschreeuw van enkelen wordt tot een geloei van duizenden. Nog voor de boot geland is, zijn de mannelijke eidervogels, die een bezoek aan de (broedende) wijfjes hebben gebracht, naar het strand teruggewaggeld en zwemmen thans onder een waarschuwend geroep van: „ahoea, ahoea,” in zee. Aalscholvers en zaagbekken volgen; de scholeksters, plevieren, alken, eidervogels, meeuwen en zeezwaluwen, alsmede de rotspiepers en kwikstaarten, voor zooverre deze aanwezig mochten zijn, kunnen evenwel niet besluiten het eiland te verlaten. Maar de loopvogels rennen als door den duivel vervolgd, in groote troepen het strand op en neêr: de alken, die al schuivende tegen hellende rotsblokken zijn opgeklauterd, leggen zich plat neder en kijken, van geen kwaad bewust, den vreemdeling verwonderd aan; de eidereenden maken zich gereed om zich op het rechte oogenblik op de haar eigenaardige wijze onzichtbaar te maken.

De boot landt. Men betreedt den holm. Duizenden krijschende stemmen gaan gelijktijdig op; de uit vliegende vogels gevormde wolk wordt elk oogenblik dichter en ondoorschijnender; honderden van broedende meeuwen vliegen krijschende op om zich bij de vliegende soortgenooten te voegen; dozijnen scholeksters laten almede een luid gegil hooren, en de verwarring der zich bewegende, het geschreeuw der krassende, roepende vogels wordt zoo oorverdoovend, dat men meent op den Bloksberg verplaatst te zijn te midden van het gewoel en gejoel van den heksendans.

Hoort gij stemmen in de hoogte,

Stemmen in de verte en van nabij?

Langs den geheelen berg

Trillen de woeste tooverliederen.

[17]

Die woorden van Mephisto worden tot waarheid. Het alarm en geraas, de toovercirkel van vormen en tonen vermoeien alle zintuigen; het wordt groen en blauw voor de oogen, het suist en bruist in de ooren, men kan eindelijk geen tonen en kleuren meer onderscheiden en wordt zelfs ongevoelig voor den meest doordringenden reuk.

Werwaarts men zich wenden moge, op het geheele eiland is men aan allen kant omgeven door dezelfde wolk; men ziet niets dan vogels, en wanneer duizenden zich neêrzetten om te rusten, zijn weder duizend anderen opgevlogen, terwijl hunne bezorgdheid en angst om hun kroost hen hun eigen hulpeloosheid vergeten doet en hun moed schenkt tot een aanval op de indringers, voor dezen wel is waar niet gevaarlijk, maar toch lastig.

Geheel verschillend van dit onschuldig spel op de holmen is het tafereel, dat een met zilvermeeuwen, haringmeeuwen of mantelmeeuwen bezet eiland aanbiedt.

Ook deze vogels betrekken, als zij broeden willen, bij groote troepen bepaalde eilanden; honderdtallen van paren voegen zich bij andere honderdtallen, zoodat een enkel eiland soms bevolkt wordt door drie tot vijfduizend paren. Zulk een eiland levert voor het oog een even schoon en imposant schouwspel op als een eiderholm. De groote, schitterend witte, of helder en donkergrijs gekleurde gedaanten teekenen zich sierlijk tegen de omgeving af en hare bewegingen worden gekenmerkt door de gewone bevalligheid, aan alle meeuwen eigen. Maar toch, deze sterke, krachtige en roofzuchtige vogels zijn wel gezellige, maar geenszins vredelievende geburen. Het eene lid der kolonie vertrouwt het andere niet. Ieder afzonderlijk paar leeft op zich zelf, paalt zich een eigen, hoewel bescheiden, broedgebied af, en duldt daarin geen ander; ook verlaten mannetje en wijfje nimmer gelijktijdig het nest, en wordt dit door een overmachtigen vijand bedreigd, dan keert het uitgevlogen lid van ’t echtpaar zoo spoedig mogelijk naar huis en hof terug, om deze tegen den aanval van eigen stamgenooten te verdedigen.

Minder rumoerig, maar geenszins minder grootsch is het leven op de eigenlijke „vogelbergen”, daar, waar alken, lommen en papegaaiduikers broeden, en hoogstens een enkele meeuw of aalscholver zich hier of daar heeft genesteld. Het zij mij vergund een dezer vogelbergen te schilderen.

In het noorden der groote, tot de groep der Lofoden behoorende eilanden liggen, ongeveer driehonderd meter van het strand verwijderd, [18]drie koepelvormige rotseilanden, de Nyken, die steil uit de zee omhoog rijzen, zich zoowat honderd meter boven den zeespiegel verheffen en door een kring van kleine scheren omgeven worden. Een dezer rotskegels is een vogelberg, die in majesteit zijns gelijken niet heeft.

Het was op een heerlijken zomerdag, toen wij ons gereed maakten dit eiland te bezoeken; de zee was effener en kalmer dan ooit, de hemel helder en blauw, de lucht warm en aangenaam. Krachtige Noormannen roeiden onze lichte boot dwars tusschen tallooze scheren door. Werwaarts het oog schouwde, overal trof het op vogels. Bijna elke steen, die boven de wateren uitstak, was bezield. Sommige waren wit van den drek der aalscholvers, die daar geregeld enkele uren van den dag vertoefden om te rusten. In rijen opgesteld, evenals soldaten, zaten zij bij tientallen, twintigen en honderden bijeen, in de wonderbaarlijkste houdingen, met uitgestrekten hals en uitgespreide vleugels, als om elk gedeelte des lichaams aan de weldadige zonnewarmte bloot te stellen; klapwiekende als wilden zij elkander koelte toewaaien, terwijl zij daarbij het opmerkzaam oog naar alle kanten richtten. Met dof gehuil stortten zij zich bij onze aankomst op plompe wijze in zee, nu al zwemmende en duikende den spot drijvende met onze pogingen om hen nabij te komen. Andere scheren waren bedekt met meeuwen, altijd in troepen van honderden en duizenden van dezelfde soort, eveneens van mannelijke vogels, die van het een of ander eidereiland waren afgedwaald om zich naar mannenaard te vermaken, terwijl de wijfjes daar ginds ijverig zitten broeden. Om andere rotseilanden hadden de schitterende eidereenden, misschien wel geplukte mannetjes, zich geschaard, plaatselijk kringen vormende, te vergelijken bij de groote, witte waterlelies onzer stilstaande poelen.

In de matig diepe sonten zag men visschende zaagbekken en zeeduikers, die beurtelings een gillenden kreet lieten hooren, een geschreeuw, zoo lang gerekt en zoo verschillend geuit, dat men het bijna een zingen zou kunnen noemen, ware het niet een wilde melodie, zooals alleen een kind der Noordelijke zeeën kan voordragen, dat het huilen en bruisen der winterstormen heeft beluisterd en den dreunenden golfslag. Trots als een vorst op zijn troon, zat hier en ginds een zeearend, de schrik van alle gevleugelde wezens des Oceaans, misschien wel een geheel gezelschap dezer roovers, uitrustende van een overvloedigen maaltijd; pijlsnel doorvloog de jachtvalk, die zijn nest bevestigt aan een der steilste rotswanden, zijn mijlenlang gebied; jolige [19]stormmeeuwen en drieteenige meeuwen, visschende zeezwaluwen vlogen heen en weder; scholeksters begroetten ons met hunne trillende tonen; alken en lommen verschenen en verdwenen, duikende en weder boven komende, om ons heen.

Te midden van dit gezelschap roeiden wij verder. Nadat wij ongeveer tien zeemijlen afgelegd hadden, kwamen wij in het bereik van de zwermen der Nyken. Werwaarts wij ook onzen blik wendden, overal zagen wij eenige der tijdelijke bewoners van het eilandje visschen, duiken, door onze boot verschrikt, opvliegen, en zoo dicht over de oppervlakte der zee strijken, dat hun pooten de toppen der golven raakten. Wij zagen vluchten van dertig, veertig, tot honderd stuks, die of van den „berg” afkwamen of er naar terugkeerden, zoodat wij er niet aan konden twijfelen, of wij naderden een sterk bevolkt rijk. Maar men had ons van millioenen broedende vogels gesproken.… en van millioenen was nog niet veel te ontdekken.

Eindelijk, na een vooruitspringende rots omgeroeid te zijn, lag de Nyke voor ons. Rondom ons trof het oog in de zee op zwarte, aan den voet des „bergs” op witte punten. De eerste waren ordeloos verspreid, de laatste in rijen of scherp begrensde troepen geschaard; die in de zee waren zwemmende, met kop, hals en nek boven de oppervlakte uitstekende, die op den „berg” zittende, met de witte borst naar zee gekeerde alken. Hun aantal bedroeg duizenden, maar geen millioenen.

Nadat wij op het tegenover ons liggende eiland geland waren en ons in het huis van den eigenaar hadden versterkt, voeren wij naar het andere over, sprongen op eene niet te zeer door de branding geteisterde plek op de klip en klauterden nu zoo spoedig mogelijk naar het veendek omhoog, dat de geheele Nyke, uitgezonderd enkele spleten, uitsteeksels en hoeken, bedekt. Hier ontdekten wij al aanstonds, dat de veenlaag overal vol was van broedkuilen, niet ongelijk aan onze konijnenholen, terwijl er op den geheelen „berg” geen enkel plaatsje ter grootte van een tafelblad zonder zulk eene opening was.

In eene schroeflijn trokken wij, meer klauterende dan loopende, naar den top. De omgewoelde veengrond trilde onder onze voeten. En uit alle holen keken, kropen, gleden en vlogen de van boven leikleurige, op borst en buik schitterend wit getinte, met fantastische snavels en gezichten, korte, smalle, spitse vleugels en korte staartjes voorziene vogels, die allen de grootte hadden eener tamelijk groote duif. Uit alle gaten [20]kwamen zij te voorschijn; uit alle scheuren en spleten der rots. Waarheen men den blik wendde, het oog zag vogels en niets anders dan vogels, terwijl een zacht, dreunend geknars, het tot één geluid vereenigde gezamenlijk geschreeuw dezer vogels onze ooren trof. Bij elke schrede kwamen nieuwe scharen uit de ingewanden der aarde te voorschijn. Troepen verheffen zich in de lucht en vliegen van den „berg” naar zee; nog grootere troepen ijlen van de zee naar den „berg.” De dozijnen worden tot honderden, de honderden groeien aan tot duizenden, en honderdduizenden ontgroeien voortdurend aan den bruinen grond. Eene wolk, niet minder dicht als die, welke wij op den holm aanschouwden, omhult ons, omhult den ganschen berg, zoodat deze, als door een tooverstaf aangeraakt, in een reusachtigen bijenkorf is herschapen, omzwermd door niet minder reusachtige, gonzende, kweelende, dartelende bijen.

Naarmate wij verder gingen nam het schouwspel steeds grootscher karakter aan. De geheele berg leefde. Honderdduizendtallen van oogen keken ons indringers aan. Uit alle verstekken en hoeken, uit alle reten, holen, uitstekende punten en gaten rollen zij te voorschijn; overal, aan de rechter- en linkerhand, boven en beneden ons, in de lucht en op den grond wemelt het van vogels. Van de hellingen zoowel als van den top des „bergs” storten zij zich bij duizendtallen in de zee; hun aantal is zoo groot, dat zij voor het oog een vaste massa schijnen. Duizenden kwamen, duizenden gingen, duizenden zaten, duizenden huppelden, door vleugelslagen gesteund, op de vreemdste wijze vooruit; honderdduizenden vlogen, honderdduizenden zwommen en doken, en nieuwe honderdduizendtallen wachtten slechts op onze voetstappen, die ook hen verschrikt zouden doen opvliegen.

Het wemelde, kweelde, ruischte, danste, vloog, kroop om ons heen, dat ons hooren en zien verging, en zelfs de geoefendste schutter was niet in staat onder deze duizenden vogels een welgelukt schot te doen. Als verdoofd en buiten ons zelf gingen wij verder, totdat eindelijk de top bereikt was. Onze hoop, hier tot ons zelf te komen, hier de rust te herwinnen, werd aanvankelijk niet bevredigd. Ook hier hetzelfde gewoel, hier op den top gelijke beweging als daar beneden, ook hier zijn wij omgeven door eene dichte wolk, die ons nauwelijks toestaat de zee in de verte in een dommelig, nevelachtig licht te zien oprijzen.

Daar verandert plotseling het tooneel; een paar jachtvalken, die hun nest aan gindschen rotswand hadden opgehangen, hebben gespeurd [21]wat hier voorvalt. Voor ons koesterden de alken, lommen en papegaaiduikers geen vrees, maar niet zoodra bemerken zij den hun welbekenden en onweêrstaanbaren vijand, of bliksemsnel scheurt de wolk, daalt in zee, en de blik is vrij. Ontelbare zwarte stippen, de koppen der zwemmende vogels, die scherp zich afteekenen tegen het water, verbreken den groenen sluier, die de golven dekt. Hun aantal is zoo groot, dat wij van den 100 meter hoogen top, waar wij staan, niet kunnen zien, waar de zwerm ophoudt, of waar de zee vrij is van vogels. Ten einde dat getal eenigszins te schatten, vatte ik een kleine vierkante ruimte in ’t oog en begon de stippen te tellen; ik verkreeg er meer dan honderd. Nu schikte ik in mijn gedachten schielijk dergelijke vierkanten aan elkaar en kwam tot duizenden. Maar ik had vele duizenden dezer kwadraatjes kunnen vormen en dan was de ruimte, welke de vogels innamen, nog niet bezet. De millioenen, waarvan men mij gesproken had, waren werkelijk voorhanden. Enkele oogenblikken vertoonde het aanschouwde tooneel het beeld der rust. Maar kort daarop begonnen de vogels weer op te vliegen, en gelijk te voren stegen weder honderdduizenden op hetzelfde tijdstip uit het vloeibare element omhoog, om den „berg” op te klauteren; gelijk te voren werd alles omgeven door eene dichte wolk, en gelijk straks verloren wij weder onze bezinning. Niet in staat om nog iets te zien, verdoofd door het onbeschrijfelijk gedruisch om mij heen, wierp ik mij op den grond; de vogels kwamen van alle kanten aanstroomen. Nog altijd kropen er nieuwe uit de holen en keerden anderen daarin terug, die vroeger door ons waren opgeschrikt; zij streken naast mij neder; met levendige verbazing aanschouwden zij de vreemde gedaante beneden zich; schommelend traden zij nader en waren nu zoo dicht bij mij, dat ik de hand kon uitstrekken om ze te grijpen. Schoonheid en levenslust straalde uit elke beweging der afzonderlijke vogels. Met verbazing zag ik, hoe stijf en koud zelfs de beste afbeeldingen zijn, want ik bemerkte eene bedrijvigheid en eene levendigheid in deze vreemde gedaanten, die ik niet bij haar verwacht had. Geen oogenblik zaten zij stil en althans kop en hals werden zonder ophouden heen en weer bewogen, en hare omtrekken verkregen waarlijk architectonische lijnen. Het was alsof de onbezorgdheid, waarmede ik mij aan mijn waarnemingen overgaf, door onbepaald vertrouwen van de zijde der vogels beloond werd. Ik verkeerde met de duizenden om mij heen, alsof zij huisdieren waren, en de millioenen verwaardigden mij ten laatste met niet meer opmerkzaamheid dan wanneer ik huns gelijke ware geweest. [22]

Achttien uren toefde ik op dezen vogelberg, ten einde het leven der alken te leeren kennen. Toen de middernachtszon groot en bloedrood aan den hemel stond en haar rooskleurig licht ook op de hellingen onzer bergen wierp, brak de tijd van rust aan, die ook in het hooge noorden den middernacht vergezelt. De zee, die de „bergen” omspoelt is verlaten; alle vogels, die daarin vischten en zwommen, zijn naar de „bergen” verhuisd. Hier zaten zij nu, waar nog maar een plaatsje te bemachtigen viel, in rijen van tien, honderd, duizend, honderdduizend stuks, in schitterend witte rijen, daar allen de borst naar zee hebben gericht. Hun „arr” en „err”, dat in weerwil van de weinige kracht der afzonderlijke stemmen, onze ooren verdoofde, was nu verstomd, en slechts de branding, die daar beneden tegen de klippen brak, ruischte en klonk voortdurend naar ons omhoog. Eerst nadat de zon weder hooger was gestegen, begon het oude, verwarde bedrijf opnieuw, en toen wij eindelijk, op onze terugreis, langs denzelfden weg daalden, dien wij straks waren opgeklommen, werden wij nogmaals ingesloten door de dichte wolk der opgeschrikte dieren.

De alken boeien niet enkel door hunne talrijkheid; ook hun leven, hun doen en laten heeft veel aantrekkelijks.

Hunne sociale deugden ontwikkelen zich gedurende den broedtijd tot eene ongekende hoogte. Als volmaakte zeevogels leven alle alken tot den aanvang van dat tijdstip uitsluitend op de hooge zee, ongeacht den strengsten winter en den woedendsten storm.

Ook in den langen winternacht verlaten zij, hetzij dan hoogst zeldzaam, hunne noordsche woonplaats niet, maar zwerven bij scharen en vluchten van eenige honderden of duizenden van het eene vischwater naar het andere en weten alle opene plaatsen tusschen het ijs even zeker te vinden als ander voedsel aanbiedende plaatsen verre in den Oceaan. Wanneer echter de zon weêr hooger rijst, dan wordt er een machtig gevoel in hen gewekt: het gevoel der liefde, om zoo spoedig mogelijk den „berg” te bereiken, waar eens hun eigen wiegje heeft gestaan. Ongeveer tegen Paschen trekken allen, meer zwemmende dan vliegende, naar den „berg.” Nu zijn er echter onder de alken alweder meer mannetjes dan wijfjes, zoodat niet elk der eersten zoo gelukkig is eene echtvriendin te verwerven.

Bij andere vogels geeft deze wanverhouding aanleiding tot een voortdurenden strijd; onder de lommen wordt de vrede niet gestoord. De beklagenswaardige wezens, die wij onder de menschen oude vrijers noemen, [23]wandelen samen met de gelukkige, onderweg elkander liefkoozende paren naar den „berg,” vliegen met deze naar de hoogte en trekken met hen op de jacht naar de naburige zee. Zoodra het weder zulks toelaat beginnen de paartjes de oude holen weder te herstellen, te ruimen, te verdiepen; de kamers worden vergroot en zoo noodig worden er nieuwe broedplaatsen uitgegraven. Is alles gereed, dan legt het wijfje op den kalen grond der aan het achtereind uitgeholde broedkamer haar eenig, maar zeer groot, tolvormig, bontgestippeld ei en begint nu afwisselend met het mannetje te broeden. Voor de arme jonggezellen breekt nu een treurige tijd aan. Ook zij zouden zoo gaarne vaderzorgen op zich nemen, wanneer zij slechts de gade konden vinden, die hen daarmede zou willen belasten. Maar alle wijfjes zijn weg, en aan vrijen valt dus niet meer te denken. Toch zullen zij hun goeden wil toonen, en nemen daarom de vrijheid zich als huisvrienden bij de gelukkige paartjes aan te bieden. Wanneer in de uren om middernacht het wijfje op of eigenlijk in het nest zit te broeden, terwijl het mannetje daar buiten de wacht heeft, houden zij dit laatste gezelschap, en wanneer het mannetje het wijfje aflost, wanneer dit in zee gaat visschen, houden onze ongetrouwde jongelui daar buiten de wacht, evenals vroeger het mannetje zulks deed. Maar, wanneer beide ouders tegelijk naar zee zijn gevlogen, dan haasten zij zich althans eenig loon voor hunne moeite in te oogsten. Onverwijld glijden zij in het nest en houden het ei, dat verlaten daar ligt, warm.

De arme schepsels, die tot den ongehuwden staat zijn veroordeeld, willen ten minste ook eens een oogenblik broeden!

Deze onbaatzuchtige liefde heeft een gevolg, waarom wij menschen de alken zouden kunnen benijden. Op de „bergen,” welke deze dieren bewonen, kent men geen weezen.

Verongelukt er een mannetje, de weduwe heeft er terstond een weder, en mocht het zeldzame geval zich voordoen, dat beide ouders tegelijk hun leven verloren, dan zijn de goedhartige overtolligen terstond bereid het ei goed uit te broeden en de jongen op te voeden. Deze laatsten bieden nogal menig punt van verschil aan met die der meeuwen en eenden. Het alkenkuiken is nestvast.


ALKEN

Het komt in een dicht, grijsachtig donskleed gehuld uit het ei, en moet nu nog eenige weken in de nestholte doorbrengen, alvorens het in staat is voor ’t eerst naar zee uit te vliegen. En, zooals de vele lijken op de klippen aan den voet der „bergen” bewijzen, deze uitgang [24]is zeer gevaarlijk en strekt velen ten verderve. Door de ouders geleid, angstig de nog ongeoefende beenen, en niet minder vreesachtig de pas ontwikkelde vleugels gebruikende, volgt het jong zijn opvoeders, die het voorzichtig bergafwaarts voeren of althans naar eene plaats brengen, alwaar de eerste sprong in zee aan het minste gevaar is blootgesteld. Op zulk een vooruitstekend gedeelte toeven ouders en kind soms geruimen tijd, alvorens het den eersten gelukt het laatste tot den sprong te bewegen. Vader en moeder houden eene deftige aanspraak tot het kind, maar dit, ofschoon overigens, evenals alle vogeljongen, zijnen ouderen zeer onderdanig, slaat geen acht op hun woorden. De vader besluit voor de oogen van zijn talmende spruit zich naar beneden in de zee te storten; de onervarene blijft waar hij is. Nieuwe pogingen, nieuwe bemoedigende woorden; het wordt een bidden en smeeken. Daar waagt het kuiken eindelijk den vreeselijken sprong, het valt als een steen diep in het water, werkt zich, door een onbewusten aandrang gedreven, weer naar de oppervlakte omhoog, kijkt in ’t rond, [25]ziet over de eindelooze zee—en is nu een zeevogel geworden, die van stonden aan geen gevaar meer kent.

Wederom verscheiden is het leven op die vogelbergen, welke door driebeenige meeuwen als broedplaatsen zijn uitgelezen.

Zulk een „berg” is het voorgebergte Swärtholm, hoog boven in het noorden tusschen de Laxen- en Porsangerfjord, dicht bij de Noordkaap. Ik wist reeds hoe het daar toegaat. Faber, de uitstekende kenner der vogels in het hooge noorden, heeft dat meeuwenleven, op zijn gewone wijze, in de volgende weinige woorden geschetst.

„Zij verbergen de zon, als zij opvliegen, zij bedekken de scheren, als zij zitten; zij overstemmen den donder der branding, wanneer zij schreeuwen; zij verven de rotsen wit, wanneer zij broeden.”

Ik geloofde, nadat ik de holmen der eidereenden en de „bergen” der alken had gezien, onzen voortreffelijken Faber gaarne, maar, zooals het iederen natuuronderzoeker past, ik twijfelde toch en daarom rustte ik niet voor ik Swärtholm zelf gezien had. Een vriendelijke Noorman, de kapitein van het poststoomschip, waarmeê ik de reis deed, vervulde na onze eerste kennismaking gaarne mijn verzoek om dicht langs eene broedplaats voorbij te varen.

Zoo naderden wij dan laat in den avond het voorgebergte. Reeds op een afstand van zes tot acht zeemijlen ontmoetten wij voortdurend vluchten van dertig tot honderd stuks, somtijds zelfs van tweehonderd stuks drieteenige meeuwen, die zich gezamenlijk naar de nestplaats begaven. Hoe meer wij Swärtholm naderden, des te sneller volgden deze vluchten elkander op en uit te meer individuen was elke vlucht samengesteld. Eindelijk kregen wij de kaap in ’t gezicht; het was een bijna loodrecht in de zee afvallende, met ontelbare spleten en holten voorziene rotswand, ongeveer achthonderd meter lang en misschien tweehonderd meter hoog. Uit de verte gezien was hij grijs van kleur; met den kijker gewapend kon men een ontelbare menigte witte puntjes en streepjes onderscheiden. Men kon zich verbeelden eene reusachtige lei te zien, waarop door een spelend reuzenkind allerlei figuren waren gekrast: de klip scheen als met een wonderbaarlijk versiersel, uit kettingen, ringen en sterren bestaande, behangen. Uit den donkeren achtergrond der grootere en kleinere holten straalde een wit licht; tegen de uitstekende kanten stak dit nog levendiger en scherper af. Het waren de broedende of in de nesten zittende vogels, die deze teekening veroorzaakten; zij bewaarheidden het woord [26]van Faber: „de meeuwen bedekken de rotsen, wanneer zij gezeten zijn.”

Terwijl ons vaartuig dicht langs de rotsen voer, werden de vogels opgeschrikt, en nu ontvouwde zich voor mijn oog een tafereel, evenals dat hetwelk ik op vele eiderholmen en op andere meeuweneilanden had gezien. Daar donderde de knal van een door mijn vriend, den kapitein, tegen den rotsmuur gelost schot.

Even gelijk bij een woedenden winterstorm, wanneer deze door de lucht giert en de van sneeuw zwangere wolken tegen elkander jaagt, om ze, in millioenen vlokken verdeeld, naar beneden te doen vallen,—zoo stoven thans de vogels als sneeuwvlokken omlaag. Men zag geen berg meer, geen lucht en geen afzonderlijken vogel meer, maar een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring verbijsterde het oog. Een dichte wolk omgaf den geheelen gezichtseinder en vervuld werd het woord: „Zij verbergen de zon, wanneer zij vliegen.” Hevig woei de noordenwind en woest brandde de ijszee aan den voet der klip, maar luider nog klonk het krijschend geschreeuw der meeuwen en zoo werd ook het laatste woord van Faber bewaarheid: „Zij overstemmen het geloei der branding, wanneer zij schreeuwen.”

De wolk daalde eindelijk neder op de zee en de zoo lang door haar omsluierde omtrekken van Swärtholm werden weder zichtbaar; een nieuw schouwspel echter boeide nu den blik.

Op de rotswanden schenen ook even zooveel meeuwen te zitten als straks en duizenden vlogen daarbij af en aan. En toen een tweede kanonschot de scharen weêr op deed schrikken, daalde er ten tweeden male eene sneeuwwolk op de zee neder, maar nog altijd was de klip bedekt met honderdduizendtallen van vogels. Op de zee evenwel dreven, zoover ons oog reikte, de meeuwen, die, klompen schuim gelijk, met de golven op en neêr dansten. Hoe zal ik dit heerlijk panorama beschrijven? Moet ik zeggen, dat de zee millioenen en nog eens millioenen schitterende paarlen in haar donker golvenkleed had gevlochten? Of zal ik de meeuwen met sterren en de zee met het hemelgewelf vergelijken? Ik weet het niet, maar dit weet ik, dat ik nooit iets schooners op de zee aanschouwd heb. En als ware de betoovering nog niet groot genoeg, plotseling wierp de middernachtszon, die eenigen tijd zich verscholen had, haar rooskleurig licht over rots en zee en vogels; zij verlichtte de toppen van alle golven, zoodat het scheen alsof er een wijdmazig gouden net over de zee geworpen was, terwijl de eveneens met een rozengloed bestraalde meeuwen nog meer [27]schitterden dan te voren. Wij staarden dit schouwspel sprakeloos aan! En allen, die getuigen waren van dit tooneel, zelfs de bemanning van het schip, stonden langen, langen tijd roerloos daar, diep getroffen door het majestueuse tafereel voor ons, tot eindelijk een onzer het stilzwijgen verbrak, en, meer om door het geluid zijner eigene stem weder tot bezinning te komen, dan wel om eene hoorbare uitdrukking te geven aan zijn gevoel, het woord des dichters over de lippen liet glijden:

„Bloedrood verhief zich over de bergen

De middernachtszon.

Was het dag, of was het nacht?

Een vreemdsoortig schemerlicht dekte de aarde.”

[28]

[Inhoud]

II.
DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD.

Inhoudsopgave

Een breede gordel onherbergzaam land slingert zich om de Noordpool der aarde. Het is eene woestenij, waar niet de zon, maar het water zijn stempel heeft ingedrukt. Hoe meer men de pool nadert, des te meer gaat deze woestijn over in een ijsveld, meer naar het zuiden in wouden, gevormd door dwergachtig geboomte; zij verandert zelf echter in een sneeuw- en ijsveld, wanneer de lange winter er zijn intocht houdt, tegen wiens heerschappij het schrale geboomte alleen in de diepste dalen en op de zonnigste hellingen met eenigszins goed gevolg den levensstrijd kan bestaan. Dit gebied is de „Toendra.”

Het is een eentonig beeld, dat ik moet schilderen, wanneer ik de toendra ga schetsen, eene schilderij vol grijs op grijs, maar toch niet zonder alle schoonheid; wij hebben hier te doen met eene wildernis, doch met zulk eene, waarin in weerwil van het maanden lange sluimerende, bijna uitgestorven leven, zich nu en dan dat leven toch nog in wonderlijken rijkdom openbaart.

Onze taal bezit geen synoniem voor het woord toendra, omdat er in ons vaderland dergelijke streken niet voorkomen. Want de toendra is geen heide en geen veen, geen moeras en geen poel; toendra’s zijn geen geesten en geen duinen, alhoewel zij plekken bevatten, die nu eens aan het eene, dan weder aan het andere doen denken. Men heeft ze wel eens met den naam van „mossteppen” betiteld, doch deze uitdrukking mag dan alleen juist genoemd worden, wanneer men het woord steppe in den uitgestrektsten zin opvat. Volgens mijn meening gelijkt de toendra nog het meest op zulke moerasvenen, als men op de breede zadelruggen onzer hooggebergten aantreft, en vermijdt; toch verschilt zij in vele en belangrijke kenmerken van deze moerassige [29]vlakten, daar haar voorkomen in alle opzichten zoo geheel anders is. Men zou de toendra kunnen verdeelen in laag- en hoogtoendra; het verschil tusschen het land beneden en boven de honderd meter volstrekte hoogte bestaat in de toendra echter meer in schijn dan in werkelijkheid.

Zacht golvend strekt zich de laagtoendra voor ons uit; de dalen zijn ondiepe kommen, de hoogten, die uit de verte gezien, zich voordoen als bergen, ja ons zelfs doen denken aan werkelijke gebergten, zijn tot vlakke heuvels geworden, zoodra men haar voet genaderd is. Vlak, eentonig, zonder uitdrukking is de toendra over ’t algemeen, alhoewel eene zekere afwisseling in sommige deelen niet te loochenen valt. Wanneer men eenige dagen achtereen door de toendra wandelt, wordt men dikwijls geboeid door aardige, zelfs aanvallige détails; maar zeer zelden ontvangt men een duurzamen indruk, omdat bij nadere beschouwing het eene toch wederom in alle bijzonderheden, door omgeving en omlijsting, omtrekken en kleuren, te zeer op het vroeger geziene gelijkt, dan dat men het zou kunnen vasthouden. In weerwil dezer eentonigheid is toch het karakter der toendra niet overal hetzelfde, maar nog veel minder grootsch, zoodat men zich aan dit landschap niet kan verwarmen en het ons onmogelijk in de verrukking kan brengen, die andere landschappen bij ons opwekken, mogelijk zelfs niet in staat is om ons naar waarde te doen genieten van de werkelijke schoonheden, waaraan deze woestenij ook soms nog rijk kan zijn.

De toendra ontvangt haar grootsten tooi van den hemel, haar grootste bekoorlijkheid van het water. Geheel helder is de lucht hier zelden, al mag ook maanden lang de zon onafgebroken branden en drukkend stralen op de vlakke heuvels en in de ondiepe dalen. In den regel blinkt het blauw des hemels slechts op enkele plaatsen door de matwitte, dunne wolken; dikwijls worden deze evenwel verdicht tot stapelwolken, die aan allen kant, langs den geheelen gezichteinder zich vormen, elk oogenblik van gedaante veranderen, voortschuiven, ontstaan en verdwijnen, en wier afwisselend licht het oog zoo betoovert, dat men het beneden haar liggende landschap geheel vergeet. Wordt men na eenige dagen hitte door een onweêrsbui bedreigd, neemt de hemel hier en daar een donker-grijsblauwe tint aan, schuiven zich met damp beladen wolken onder de meer heldere, en schijnt de zon daar toch nog helder en glansrijk tusschen door—dan ziet het woeste, eentonige landschap er werkelijk tooverachtig schoon uit. Licht [30]en schaduw teekenen zich thans op de heuvels en dalen af, en de anders zoo vermoeiende eenkleurigheid der verven verkrijgt afwisseling en leven. En wanneer in den zomer te middernacht de zon groot en donkerrood aan den hemel staat, wanneer alle wolken aan den onderrand met purper worden omzoomd, wanneer de bergen, waarachter de zon zich heeft verborgen, getooid worden met eene lichtkroon, die haar gloeiende stralen ver naar alle zijden uitzendt, wanneer een rooskleurige nevel zich over het bruingroene landschap spreidt, wanneer in één woord de middernachtszon de zee omvat met hare onweêrstaanbare betoovering, dan is deze woestenij omgevormd in wonderschoone dreven en eene heilige siddering grijpt het hart tot in zijn diepste binnenste aan.

Maar ook de kleinoodiën der toendra, de talrijke meren brengen afwisseling en leven in het landschap. Verspreid of in groepen bijeen, naast of boven elkaar gelegen, nu eens mijlen ver zich uitstrekkende waterbekkens vormende, dan weder tot onbeduidende poelen ineengekrompen, vullen zij het middengedeelte van elken ketel, versieren zij elk hoofddal, tooien zij bijna ieder zijdal. In het vroolijke zonlicht tintelen zij van leven; hoe grijs en kleurloos zij ook zijn mogen, van den top eens heuvels gezien, nemen zij een blauwe kleur aan, die hen doet gelijken op de Alpenmeren. En wanneer dan de zon op hun spiegelende oppervlakte tintelt en glinstert, of wanneer te middernacht ook zij door een rooskleurigen gloed worden bestraald, dan treden zij als levende lichten uit het duister der omgeving zoo heerlijk te voorschijn, dat het oog zich niet aan hun aanblik kan verzadigen.

Veel grootscher, alhoewel nog altijd sombere en eentonige landschapsbeelden ontvouwt de hoogtoendra voor den blik des reizigers. Ieder werkelijk gebergte siert zich hier met allen praal der hoogte. De bergen stijgen bijna zonder uitzondering steil omhoog, en de ketens, welke zij vormen, strekken zich als veelvuldig gebogen lijnen voor ons uit; het sneeuwdek, dat hen bekleedt, verijst overal, waar de omstandigheden dit toelaten, tot gletschers. Ware toendra ontwikkelt zich slechts daar, waar het water geen snellen afloop vindt; al het overige land schijnt van dat der laagte zoo te verschillen, dat slechts het plantendek, dat zich overal gelijk blijft, de toendra verraadt. De beneden in de diepte zich bevindende, en met dikke lagen afgestorven en in veen overgegane plantendeelen bedekte rolsteenen liggen hier bijna overal aan de oppervlakte; eindelooze, uit reusachtige blokken samengestelde [31]hoopen zijn op de hellingen gelegerd of vullen de dalen; uit rolsteenen is de ondergrond gevormd van deze bijna effene vlakten, over welke de voet des wandelaars ook daarom langzaam voortschrijdt, omdat zich hier, zelfs voor den scherpzinnigsten geleerde, raadsels opdoen met betrekking tot de natuurkrachten, die deze blokken met bijna onveranderlijke regelmatigheid over eindelooze vlakten verdeeld hebben. Daartusschen sijpelt en glijdt, murmelt en stoeit, stroomt en ruischt, bruist en dondert het water overal naar beneden. Van de hellingen loopt het droppelsgewijs in parelsnoervormige draden, in aaneensluitende aderen, in murmelende beekjes; uit de gletscherpoorten breekt het met geweld te voorschijn als troebele beken, melkwit van kleur; drabbig stroomt het in de waterbekkens; uit de meren, waarin het geklaard werd, vloeit het verder in kristalheldere stroomen, en draaiend en schuimend, sissend en loeiend snelt het dalwaarts, waterval op waterval vormende, tot het eindelijk of de laagtoendra of een rivier of de zee heeft bereikt. De zon giet echter over deze eigenaardige bergwereld haar licht, zoo dikwijls zij door de wolken breekt en verft haar met heur toovergloed; de zon scheidt ook hier berg en dal, verlicht elk sneeuwveld, verleent elken gletscher en elke kloof glans en schoonheid, doet iedere spits, elken kam en iederen wand duidelijk uitkomen, elk meer stralen als een helder vriendelijk oog der bergen, legt in de morgen- en avonduren het blauwe waas van den horizon als een teedere sluier over den achtergrond van dit tooneel, en laat te middernacht haar diepste stralen vloeien over het geheele landschap, zoodat ook dit overtogen wordt met een rooskleurig licht. Ja waarlijk! zelfs de toendra mist niet elke bekoorlijkheid.

Op enkele, wel is waar zeldzame plekjes, verleent ook de plantenwereld haar vorm en schoonheid. Sparren en dennen, voor zoover zij niet in het zuiden zijn teruggebleven, komen slechts in de meest beschutte dalen voor. Zelfs de hier en daar nog optredende dennen, die er uitzien alsof een reuzenarm ze bij den top had gepakt, en schroefvormig omgedraaid, kunnen in de hoogere deelen der toendra niet gedijen. Ook de berken, die nog iets meer noordelijk voortdringen dan de dennen, leiden hier een kommervol leven en gelijken op grijs geworden dwergen. De larix alleen behoudt hier en daar het veld en groeit tot een waren boom uit; maar een karakterplant der toendra is de larix niet. Deze eer komt bovenal toe aan den dwergberk. Deze boom, die onder zeer gunstige omstandigheden de hoogte van een [32]meter kan bereiken, heeft in verreweg het grootste deel der toendra de overhand, zoodat de andere struiken en struikjes als tusschen de berken ingroeiende kunnen beschouwd worden. Hij komt voor, overal waar hij maar wortel kan schieten, van den oever der meren en stroomen af tot aan den top der bergen, en vormt een zoo gelijkmatig dicht dek van overal dezelfde hoogte, dat geheele velden er uitzien alsof zij met eene schaar waren afgeschoren; hij verdwijnt alleen daar geheel of gedeeltelijk, waar de grond zoo met water is verzadigd, dat deze tot een poel of moeras wordt; hij kwijnt alleen daar, waar een vet, in de zon tot eene harde massa wordend leem, of onvruchtbaar grind de hoogten bedekt; hij worstelt echter nog met het veenmos, dat alle laagten inneemt, en met het rendiermos, dat alle hoogten bedekt, om de heerschappij. Vele vierkante kilometers oppervlakte naast en achter elkander worden zoo dicht door den berk omsponnen, eigenlijk met eene laag riet bedekt, dat slechts het onuitroeibare veenmos naast en zelfs onder den struik zijn aandeel op dien bodem nog durft handhaven, terwijl op andere plaatsen dwergberken, laurierwilgen en rozemarijnwilgen door elkaar groeien. Eveneens mengen zich daar somtijds verschillende besgewassen onder, zooals veenbessen, roode boschbessen, besheide en moerasbessen.


DE HOOG-TOENDRA.

Wordt de grond, terwijl hij een kom vormt in de omringende vlakte, zeer vochtig, dan verkrijgt het veenmos allengs de overhand; ’t verdringt den dwergberk steeds meer en meer en vormt nu groote, ronde kussens of bulten, die tengevolge eener snelle vervening der afgestorven worteldeelen voortdurend in hoogte toenemen en ook in de breedte zich uitbreiden, tot eindelijk het water het verder voortdringen van het mos stuit of het kussen in kuifvormige heuveltjes stukscheurt. Is de kom zeer vlak, dan vormt het daarin verzamelde water slechts bij uitzondering een vijver of meer, meest niet eens een poel, maar het zakt tot onbepaalde diepte in den grond en geeft zoo aanleiding tot de vorming van een moeras, welks dun, maar taai, uit de ineengevlochten wortels van zeggegras gevormd dek, slechts zonder gevaar kan betreden worden door het breedhoevige rendier, ofschoon het ook onder diens voetstappen trilt als eene gelei, en golft en buigt onder den last eener door rendieren getrokken slede.

Wordt de laagte tot een kleine, meer diepe kom zonder afwatering, en vloeit daarin, al zij het nog zoo langzaam, eenig water, dan gaat zulk een moeras over in een poel en verder naar beneden in drasland. [33]In het eerste komt de zegge, in het laatste de wolwilg, een tweede karakterplant der toendra, tot weligen groei. Ofschoon slechts in het gunstigste geval tot manshoogte opgroeiende, vormt deze plant toch kreupelbosschen, die in den letterlijken zin des woords ondoordringbaar kunnen zijn. Meer nog dan bij de dwergdennen van het hooggebergte strengelen zich hier de takken en wortels dooreen tot een zelfs voor het oog niet te ontwarren vilten weefsel, dat als het ware uit alle bestanddeelen van den wilg is samengesteld. Het houdt den sterksten arm tegen, die het met moeite een weinig zijwaarts buigt; het belemmert den voet zoodanig, dat ook de volhardendste man eindelijk zijn pogingen opgeeft om verder te dringen, en hij zelfs dan terugkeert, wanneer de grond niet, gelijk gewoonlijk, een moeras is, of indien eene aaneenschakeling van modderkuilen, waarin men zich niet gaarne waagt, de ruimte tusschen de boschjes aanvult.


SLECHTVALK EN LEMMINGEN.

Wie door de toendra trekt bespeurt al ras, dat het geheele gebied [34]uit eene voortdurende afwisseling, maar zichzelf steeds gelijk blijvende herhaling der geschetste bijzonderheden bestaat. Alleen op plaatsen, alwaar een groote, waterrijke rivier de laagtoendra doorsnijdt, kunnen de omstandigheden eenigszins veranderen. Zulk een stroom stapelt hier en daar de meêgevoerde zandmassa’s tot banken op; de schier onophoudelijk doorwaaiende, meestal vrij hevige wind doet daaruit duinen ontstaan, en zoo wordt er een landschap geboren, dat aan de toendra overigens vreemd is.

Op die duinen groeit zelfs in Siberië de larix nog tot een statigen boom omhoog, en deze, in vereeniging met boschjes van wilgen en dwergelzen schenkt aan het landschap tooi en schoonheid. Ja, het komt zelfs voor, dat de larix in de nabijheid van kleine meren in groepen optreedt en dan met genoemde boschjes natuurlijke parken vormt, die zelfs in meer bevoorrechte streken de aandacht zouden trekken, en dus, zooals men licht begrijpen kan, hier een onuitwischbaren indruk moeten achterlaten.

Onder beschutting der elzen staan nu overal, waar deze op de duinen groeien, ook andere hoogstammige planten op; spitsbladige wilgen, lijsterbessen, wegedoorn, en kamperfoelie; in het zand ontspruiten tevens bloemen, die men alleen in het zuiden zou zoeken. Hier schittert ons de roode bloemenpracht van de wederik tegen; hier klemt het aanminnige heideroosje zijn dunne twijgjes tegen de borst der moederaarde, om deze met haar takken en bloemen te versieren; hier lacht ons het vriendelijke vergeet-mij-nietje tegen, als bracht het een groet uit het vaderland, ginds in ’t verre zuiden; hier vinden het nieskruid en bieslook, de valeriaan en thijm, anjelieren en klokjes, vogelwikke en alpenerwten, boterbloemen, immortellen, kers, speerkruid, vingerkruid, de roode kool, en vele meer, een woonplaats in de woestijn.

Er groeien op zulke plaatsen veel meer planten, dan men verwachten zou; maar in de toendra is men immers ook bescheiden in zijn wenschen! Hier, waar men dagen en weken lang altijd dezelfde armoede om zich heen waarneemt, altijd niets dan dwergberken en wolwilgen ziet, rozemarijnheide en zegge, rendiermos en veenmos; waar men zich reeds te goed doet aan half uitgegroeide, half in ’t mos verscholen, half op den grond voortkruipende veen- en boschbessen, en de braambessen, die het mosdek sieren, voor bloemen moet nemen; wanneer men dagen lang over en door deze plantjes wandelt, altijd afwisseling verwacht en altijd teleurgesteld wordt! [35]Elke uit het zuiden ons bekende plant herinnert aan een gelukkiger oord; men begroet ze als lieve vrienden, wier waarde men eerst op prijs leert stellen, wanneer men in de vrees verkeert hen te verliezen.

Schijnt het raadselachtig, waarom al deze en nog andere planten juist in dit dorre duinzand alleen ontkiemen, het vreemde van dit verschijnsel verdwijnt, wanneer men weet dat slechts het duinzand in voldoende mate door de warmte der maandenlang onafgebroken van den hemel stralende zon kan worden gekoesterd om genoemde planten daarin te doen groeien.

Elders in de toendra is zulks het geval niet meer. Moeras en poel en veen, zelfs de ettelijke meters diep met water gevulde meren vormen slechts een dun zomerdek over den eeuwigen winter, die in de toendra zijn doodende zoowel als zijn bederfwerende macht openbaart. Waar men ook in den grond tracht door te dringen, overal stuit men op ijs; reeds op een meter diepte onder de oppervlakte der aarde, soms nog minder, is de grond bevroren, en men zou meer dan honderd meters diep moeten graven alvorens men het einde van de ijskorst heeft bereikt. Die ijskorst is het, welke aan de hoogere planten den wasdom ontzegt en slechts aan haar het leven vergunt, die genoeg hebben aan de dunne in den zomer ontdooide laag. Eerst wanneer men graaft, ziet men wat de toendra eigenlijk is, n.l. een onmetelijke, eeuwige ijskelder, die reeds tientallen van eeuwen bestond en nog even lang in wezen zal blijven. Het eerste wordt bewezen door de overblijfsels van voorwereldlijke dieren, die in dezen bodem begraven werden en zoo voor ons bewaard zijn gebleven. Uit het ijs der toendra groef Adams in het jaar 1807 den mammoeth op, aan welks vleesch de honden der Jakoeten zich zat hadden gegeten, niettegenstaande er eeuwen en eeuwen sedert den dood van dit dier waren verloopen. De ijzige toendra had het lijk van den voorwereldlijken olifant in zich opgenomen en voor bederf bewaard.

Een aantal gelijksoortige en zeker ook andere dieren van het hedendaagsche tijdperk heeft zij in haar ijs begraven. Ook in vroegere dagen kon de toendra geen rijker dierenwereld voeden dan waartoe zij nu in staat is. De Europeesche bison en muskusos doortrokken deze velden, nog lang nadat de mammoeth had opgehouden te leven; het reuzenhert en het eland hebben hier eenmaal thuis behoord. Heden ten dage is de fauna der toendra even arm als hare flora, even eentonig. Zulks heeft echter meer betrekking op het aantal [36]soorten dan op het aantal individuen; althans in den zomer kan het hier wemelen van dieren.

Eerst laat in het jaar wordt de toendra bevolkt. Van die soorten, welke haar ook in den winter niet verlaten, merkt men dan weinig. De visschen, die uit de zee de rivieren zijn opgezwommen, worden door het ijs aan het gezicht onttrokken, de zoogdieren en vogels, die hier overwinteren, door de sneeuw, waaronder zij leven of welker kleur hen tooit. Eerst wanneer op de zuidelijke hellingen de sneeuw begint te smelten, ontwaakt het dierlijk leven. Schoorvoetend houden de zomergasten hun intocht. De wolf volgt op het wilde rendier, het heirleger der zomervogels volgt de schotsen, die de rivieren afdrijven. Sommige dezer vogels verwijlen ook nu nog besluiteloos in de zuidelijker gelegen streken, houden zich alsof zij willen broeden, verdwijnen plotseling uit hun verblijf aan den weg, vliegen fluks naar de toendra, bouwen onmiddellijk na hun aankomst een nest, leggen eieren en beginnen vlijtig te broeden, alsof zij den tijd wilden inhalen, dien hunne in zuidelijke landen levende broedende soortgenooten op hen vooruit hebben. Tot weinige weken is hun zomerleven beperkt. Innig vereend, òf voor het gansche leven, òf slechts voor een enkelen zomer gepaard, met een van liefde kloppend hart, komen zij aan om zingende of althans jubelende den nestbouw aan te vangen. Onvermoeid vervullen zij hun ouderplichten, broeden de jongen uit, voeden deze op, onderwijzen ze, ruien en trekken weer naar vreemde landen.

Het aantal diersoorten, die de toendra als woonplaats mogen beschouwen, is gering, maar veel kleiner nog is het getal dergenen, die men als karakteristiek voor de toendra kan beschouwen. Zulk een karakterdier is in de eerste plaats de poolvos. Zoo ver de toendra zich uitbreidt, strekt zij dit dier tot toevluchtsoord, en althans in de zuidelijke deelen schenkt zij hem met den gewonen vos en nog andere leden zijner familie onderhoud en voedsel; hij draagt hare kleuren; in den zomer de kleur der rotsen, in den winter het sneeuwkleed, want grijs als de rotsen, of grijsachtig blauw is de kleur van zijn dicht haarbekleedsel, en wit verft dit zich in den winter. „Slecht en recht” naar vossenaard slaat hij zich door het leven, en toch is zijn doen en laten geheel verschillend van dat van onzen Reinaard en diens evenboortige familie. Men is niet onbillijk, wanneer men hem als het verbasterd lid eener ongemeen begaafde, schrandere, talentvolle familie beschouwt. Het vindingrijk verstand, de fijne list en de zich nooit verloochenende tegenwoordigheid [37]van geest, die zijn bloedverwanten kenmerken, zijn bij hem weinig meer dan in de beginselen aanwezig. Plompdriest is zijn optreden, onbescheiden zijn aard, onverstandig zijn handelen.

Als een vermetel bedelaar, een onbeschaamde landlooper, niet als een listige, alle omstandigheden berekenende en van alle mogelijke middelen partij trekkende dief of roover treedt hij op. Onbezorgd kijkt hij den jager in het roer; niet gewaarschuwd door den op hem gemunten, strijkelings hem voorbijsnellenden kogel volgt hij zijn vreeselijksten vijand; gedachtenloos dringt hij in de hutten van berkenbast, die de trekkende rendierherder heeft opgeslagen; zorgeloos nadert hij des nachts den mensch, die zich onder den blooten hemel te slapen heeft neêrgevlijd, om dezen diens buit te ontstelen of zinneloos naar diens ontbloote lichaamsdeelen te happen. Het is mij persoonlijk gebeurd, dat een poolvos, op wien ik in de schemering herhaalde malen tevergeefs een schot loste, evenals een hond mijn schreden volgde; mijn jachtvriend, Erik Swenson van Dovrefjeld, moest ervaren hoe zulk een dier des nachts aan de huid begon te vreten, op welke Swenson lag te slapen; en de oude Steller bericht naar waarheid nog van geheel andere trekken; trekken, die men voor onmogelijk zou houden, ware het niet, dat zij gesteund worden door andere, gelijksoortige berichten. Het is waar, de zeldzame verschijning van den mensch in de toendra moge hier eenigszins ter verklaring dienen, maar die onschuld van den poolvos wordt daardoor alleen niet verklaard. Want noch de gewone vos, noch eenig ander zoogdier der toendra gedraagt zich zoo onwijs als de poolvos; zelfs de lemming heeft nog meer verstand.

Een bijzondere vorm is ongetwijfeld ook deze bewoner der toendra, onverschillig van welk lid zijner familie sprake is. Overal in de toendra ziet men deze dieren of althans hun sporen. In alle richtingen doorkruisen deze de velden, vooral die plaatsen, waar de dwergberk tiert; men herkent ze aan de gladde onbegroeide, smalle in het mos plat getrapte paden, die vele honderd meters lang dezelfde richting behouden, dikwijls naar rechts of links afbuigen en eerst na vele omwegen weder in den hoofdweg uitmonden. Hierin ziet men nu en dan, in droge zomers, een klein, kortstaartig, veel op een hamster gelijkend dier vlug bij troepen voortloopen, om meestal heel spoedig uit het gezicht te verdwijnen.

Het is de lemming, een woelmuis ter grootte eener kleine rat of groote muis, met een bont, onregelmatig geteekend bruin, geel, grijs [38]en zwart vel. Wanneer men het diertje ontleedt, dan ontdekt men tot zijn verbazing, dat het beestje om zoo te zeggen, enkel uit vel en ingewanden bestaat. Beenderen en spieren zijn ongemeen weinig, de ingewanden, vooral de spijsverterings- en voortplantingsorganen buitengewoon sterk ontwikkeld. Hieruit laten zich zekere levensverschijnselen verklaren, die langen tijd voor raadselachtig golden, n.l. de plotselinge en bijna onbegrensde voortplanting des diers en zijne op groote schaal en oogenschijnlijk op geregelde tijden plaats hebbende verhuizingen.

Onder gewone omstandigheden leidt de lemming een zeer behagelijk leven. Hij heeft nimmer gebrek, noch in den zomer, noch in den winter. Allerlei plantenstoffen dienen hem tot voedsel: de uiteinden der mosplantjes, korstmossen en boombast. In den zomer dient eene holte, in den winter een warm, dikwandig, zacht gevoerd nest te midden der sneeuw den lemming tot woning. Wel dreigen van alle kanten gevaren: want niet alleen allerlei behaarde en gevederde roovers, maar zelfs de rendieren verdelgen honderden en duizenden lemmingen; desongeacht vermenigvuldigen deze zich zonder ophouden in sterke mate, totdat zich bijzondere omstandigheden voordoen, die de in weinige weken ontstane milliarden in even weinig dagen vernietigen. Vroeger dan gewoonlijk valt b.v. de lente in de toendra in, en droger dan gewoonlijk is de zomer. Alle jongen van den eersten worp der lemmingwijfjes groeien voorspoedig op en zijn reeds binnen zes weken na hunne geboorte in staat, om zelf hunne soort voort te planten.

De ouders hebben intusschen aan een tweede en een derde geslacht het levenslicht geschonken, en ook dezen volgen hun voorbeeld. Binnen drie maanden wemelen de hoogten en laagten der toendra even sterk van lemmingen als soms onze velden van muizen.

Overal, waarheen men zich ook keert, ontwaart men deze bedrijvige dieren; met een enkelen oogopslag omvat men dozijnen, en duizenden ontmoet men binnen het tijdsverloop van een uur. Op alle paden en wegen ziet men ze loopen; vervolgd, en in ’t nauw gebracht, stellen zij zich onder luid geschreeuw en met de tanden knarsende teweer, even alsof zij, prat op hun groot aantal, zelfs den mensch niet vreesden. Maar hun eigen menigte, die nog steeds aangroeit, wordt hun ten verderve. De arme toendra kan al spoedig hun vraatzucht niet meer bevredigen. De hongersnood ligt in ’t verschiet, is misschien reeds gekomen. Nu dringen zich de door angst gekwelde dieren bijeen en vangen den tocht [39]aan. Honderdtallen voegen zich bij honderdtallen, duizenden sluiten zich bij andere duizenden aan. De troepen worden hoopen, de hoopen legerscharen. In eene bepaalde richting trekken zij op, eerst allicht de vroeger plat getrapte paden volgende, later zich nieuwe wegen banende; in onafzienbare, ontelbare rijen, ijlen zij voort; boven van de rotsen storten zij zich naar beneden in de stroomen. Duizenden bezwijken van gebrek; over hunne lijken spoedt zich de achterhoede; honderdduizenden verdrinken in de wateren of liggen verbrijzeld aan den voet der rotsen; die overblijven rennen in dolle vaart over de gevallenen heen; wederom nieuwe honderd- en duizendtallen vinden hun graf in de magen der hun achtervolgende poolvossen, gewone vossen, wolven en veelvraten, ruigpoot buizerden, raven, uilen en roofmeeuwen; de rest trekt zich dit alles niet aan. Werwaarts zij reizen, waar zij eindelijk aanlanden—niemand weet zulks te zeggen; dit is echter zeker, dat achter deze scharen de toendra als uitgestorven schijnt, en dat er dikwijls eene reeks van jaren verloopt, aleer de weinigen, die terugbleven en steeds voortgingen met zich te vermenigvuldigen, langzamerhand in aantal toenemende, wederom op zichtbare wijze hun geboorteland hebben bevolkt.

Het derde karakterdier der toendra is het rendier. Hij, die dit, op zichzelf beschouwd zoo weinig fraaie hert slechts uit den gevangen staat, d.i. dien der slavernij kent, kan zich voorzeker geen juist denkbeeld vormen van hetgeen dit dier is in den vrijen natuurstaat. Hier eerst, hier in de toendra leert men het rendier waardeeren, als een lid der familie, wie het niet tot schande verstrekt. Het behoort met lijf en ziel aan de toendra.

Het rent of zwemt met zijn breedhoevigen, schopvormigen, zeer bewegelijken en bij elken voetstap klepperenden voet over de onafzienbare gletschers, over de uit rolsteenen opgebouwde heuvels en hellingen, over de vilten kruinen der dwergberken en de moskussens, over de rivieren en meren. Met zijn hoeven krabbelt het zijn voedsel diep onder de sneeuw te voorschijn. Het vindt voldoende beschutting tegen den guren, langen winternacht der poolgewesten in zijn dichten pels, tegen het snijdend hongerzwaard in zijn weinige kieschkeurigheid met betrekking tot zijn voedsel, tegen den wolf, die voortdurend hem op de hielen zit, in zijn waakzaamheid, snelheid, onvermoeidheid en ook eenigszins in de scherpte zijner zintuigen.

Den zomer brengt het rendier door in die plaatsen der hoogtoendra, alwaar in de onmiddellijke nabijheid der gletschers, behalve het rendiermos, [40]dat mijlen ver de aarde als met een kleed bedekt, ook sappige, heerlijke alpenkruiden, uit den bodem ontspruiten. In den winter trekt het door de laagtoendra van den eenen heuvelketen naar den anderen, die plaatsen opzoekende, alwaar de wind de sneeuw heeft weggevaagd.

Kort te voren is zijn vertakt gewei tot volle kracht gekomen, en heeft het in het zalig bewustzijn dier kracht, den strijd op leven en dood gewaagd met zijn soortgenooten—de bronsttijd was daar—en deed het de stille toendra weêrgalmen van den stoot der tegen elkaar gedreven geweien; nu trekt het, afgemat door dat gevecht en den roes der liefde, eendrachtig met andere rendieren vereenigd, in sterke koppels door zijn gebied, om nu een anderen strijd, dien tegen den winter aan te vangen. Wel moet het rendier, wat schoonheid en adel betreft, onderdoen voor het hert, maar alwie het, niet gekneld door slavenketenen, in sterke, aaneengesloten koppels vereenigd, in zijn vaderland, de toendra, heeft aanschouwd, alwaar het de hooggebergten siert en zich scherp afteekent tegen den blauwen hemel of het witte sneeuwdek, die bekent gaarne, dat het rendier tot de heerlijkste wildsoorten behoort en het hart van den jager sneller kan doen kloppen dan iemand vermoeden zou.

Ook de vogels vormen eene merkwaardigheid der toendra. Wie de woestenijen van het noorden heeft bezocht, heeft althans een dezer dieren ontmoet, n.l. het sneeuwhoen:

„In den zomer bont van het hoofd tot de voeten,

In den winter witter dan de sneeuw.”

Ik bedoel niet het sneeuwhoen onzer hooggebergten, dat ook hier, beperkt tot den gletschergordel, voorkomt, maar het ongelijk veel talrijker moeras-sneeuwhoen.

Waar de dwergberk tiert is het te vinden; vooral echter, wanneer de nachtelijke stilte zich over de toendra uitstrekt, al moge ook de zon aan den hemel stralen, laat het zich zien. Nooit verlaat het zijn geboortegrond geheel; ten hoogste verdrijft de winter het uit de hoogtoendra, maar dan nog slechts naar de laagte. Vroolijk en bezig, moedig en vol zelfvertrouwen, ijverzuchtig en strijdlustig waar het een medeminnaar geldt, teeder voor zijn gade, alles voor deze en de kinderen, zoo is het sneeuwhoen. Het heeft in zijn levenswijze veel van onzen patrijs, maar spreidt toch in zijn doen en laten, in zijn geheele wezen veel meer bekoorlijkheid ten toon. [41]

Deze vogel schenkt eigenlijk leven aan de woestijn. Zijn uitdagend geroep weêrklinkt in den stillen zomernacht, en wanneer in den winter de toendra door bijna alle andere vogels is verlaten, dan vliegt nog het sneeuwhoen vroolijk in koppels rond; het verblijdt en verrukt zoowel den natuuronderzoeker als den jager.


ROOFMEEUWEN, WATERTREDERS EN GOUDPLEVIEREN.

In den zomer is deze vogel schier overal vergezeld door den goudplevier. Ook deze vogel is een getrouw kind der toendra. Evenals de vlugge loopvogel aan de woestijn, het steppenhoen aan de steppe, het berghoen aan het hooggebergte, de leeuwerik aan het korenveld behoort, zoo is de goudplevier het eigendom der toendra. Hoe bont zijn kleed er ook uitzie, hij draagt hare kleuren; zijn droefgeestig geluid is geheel in overeenstemming met deze woestenij. Even gaarne als men dezen vogel in ons land ziet, even ongaarne begroet men hem echter in de toendra. Zijn geroep, dat dag en nacht weêrklinkt, wekt hetzelfde weemoedig gevoel op als de woestijn zelf.

Veel liever luistert men naar de stem van een anderen zomergast [42]van dit land. Niet de teedere melodieën van het blauwborstje, dat juist hier onder de meest gewone broedvogels wordt gerekend, en met recht de „honderdkelige zanger” wordt genoemd, niet de schallende liederen van den ook tot de toendra doorgedrongen kramsvogel, niet de korte tonen van den sneeuwgors of spoorgors, niet het gillend geschreeuw van den slechtvalk of van den ruigpootbuizerd, niet het juichend geblaf van den zeeadelaar of het gelijksoortig geschrei van den sneeuwuil, niet het schetterend trompetgeluid van den zangzwaan of het klagende hoorngeluid der ijseend, geen dezer allen is het, dien ik bedoel; ik heb het verliefde geroep van den een of anderen zeeduiker op het oog; het is eene wilde, ongeregelde en als het ware onbeteugelde, maar toch klankvolle en toonrijke, schel weêrklinkende Noordsche melodie, te vergelijken met het melodieus geruisch der branding, of het donderend geraas van een omlaag stortenden waterval. Waar zich maar een vischrijk meer bevindt, en daarin een verborgen plaatsje in bies of riet, dicht genoeg om een drijvend nest te bevatten, daar laten zich de duikers zien, die kinderen der toendra en der zee, deze ernstig-vroolijke visschers der stille zoete wateren, en onbeschroomde duikers der noordelijke zeeën. Uit de laatste kwamen zij in de toendra om te broeden, en zoodra hun jongen in staat zijn de zee te beheerschen gelijk zij zelven, dan zullen zij hen derwaarts geleiden. Zoover de toendra reikt volgen zij hare wateren; meer dan de uitgestrekte binnenmeren beminnen zij de kleine vijvers op de oeverbergen der toendra, om van deze hoogten af, elken dag, onder een onstuimig zeelied naar beneden te storten in het golvende, hun voedsel aanbrengende, huiselijk meer.

Nog andere karaktervogels der toendra zijn afkomstig uit de zee. Met welbehagen volgt het oog alle bewegingen der kleine roofmeeuw, met verrukking die der watertreders, welke beide vogels eveneens in de toendra broeden: de eerste op de vrije, met mos bedekte moerasvenen, de tweede aan den oever der tusschen wolwilgen meest verborgen poelen en plassen. Wil men de andere meeuwen bestempelen met den naam van „raven der zee”, de roofmeeuwen mogen de „valken der zee” heeten. Terecht dragen zij den naam van „roofmeeuwen” en „schuimloopers”, want als geduchte roovers treden zij op, wanneer zij geen gelegenheid zien tot klaploopen, en tot klaploopers worden ze, wanneer de eigen jacht hun niet genoeg opbrengt. Als valken doorvliegen zij in den zomer de toendra, in den winter de kustlanden [43]der Poolzee; met trillende vleugels staan zij boven het land of het water, om naar buit te speuren; krachtig en edel stooten zij omlaag om hem op te vangen, en behendig en zeker grijpen zij ’t offer, dat eenmaal in ’t oog is gevat. En toch, deze moedige roovers schamen zich niet, daar waar het pas geeft, te bedelen! Wee de meeuw, wee den zeevogel in ’t algemeen, die onder de oogen van de roofmeeuw zich buit veroverde! Pijlsnel achtervolgt deze onder een huilend geroep den gelukkigen roover, omfladdert hem van alle zijden als in een dartel spel, snijdt hem op listige wijze overal den weg af, als hij tracht te ontvluchten, verijdelt elken aanval en pijnigt en kwelt hem zoo lang tot hij den buit loslaat en den roover toewerpt, al moest hij dien ook uit den krop weder naar boven persen. Het doen en laten der roofmeeuw, haar kracht en behendigheid, koenheid en brutaliteit, haar onvermoeide waakzaamheid en niet te keeren onbeschoftheid leveren een boeiend schouwspel op. Zelfs voor haar bedelarij bestaat nog verontschuldiging, zoo bekoorlijk is haar verschijning. En toch is de watertreder nog aantrekkelijker. Deze is een strandvogel, die de eigenschappen van moerasvogels en zwemvogels in zich vereenigt en deels op het land, deels op het water, zelfs in zee leeft. Licht en bevallig, in sierlijkheid van beweging door geen zwemvogel overtroffen, zwemt hij over de golven; vlug en vaardig loopt hij den oever langs; met de snelheid eener poelsnip strijkt hij in zigzaglijn door de lucht. Vertrouwelijk en bedeesd laat hij zich van nabij waarnemen; angstig bezorgd voor zijn broedsel verraadt hij meest zelf zijn nest met de vier peervormige eieren, hoe zorgvuldig hij het ook in het riet moge verbergen. Men is geneigd den watertreder als de liefelijkste verschijning onder alle vogels der toendra te beschouwen. Belangrijk voor de toendra zijn verder de roofvogels, belangrijk althans hunne levenswijze aldaar. Want slechts aan den zuidrand van ons gebied of in de hoogtoendra alleen vinden zij boomen en rotsen, waarop zij hun nest kunnen bouwen, zoodat zij genoodzaakt zijn hier op den grond te broeden. Tusschen de kruipende takken der dwergberken staat het nest van den moerasuil, op de kruin zelf dat van den ruigpootbuizerd; op den blooten grond liggen de eieren van den sneeuwuil en den slechtvalk; alleen de laatste kiest zooveel mogelijk althans den rand eener kloof voor nestplaats uit, als wilde hij zich zelf in den waan brengen, hier boven op de rotsen te zijn. Dat zij zich evenwel bewust zijn van de onveiligheid dier plaatsing, blijkt [44]duidelijk uit de houding, die zij aannemen wanneer zij een mensch het nest zien naderen. Van verre reeds wordt men met wantrouwen aanschouwd en met luid geschreeuw begroet; hoe nader de mensch komt des te hooger stijgt de angst der bezorgde ouders. Tot nog toe vlogen zij op meer dan dubbelen geweerschotsafstand om hem heen; nu stooten zij moedig op hem neer, en vliegen zoo dicht langs zijn hoofd, dat men het snijdend geraas der vleugels duidelijk kan hooren en soms zelfs bevreesd is werkelijk aangevallen te worden. De jongen evenwel, ofschoon van verre er uitziende als witte ballen, duiken angstig in het nest neer, en blijven bij de aankomst van hunnen, zoo niet gezienen, dan toch vermoeden vijand zoo roerloos in de gekozen of eenmaal aangenomen houding volharden, dat men ze uit kan schilderen zonder de vrees te koesteren, dat zij door eenige beweging dit werk zullen storen; inderdaad, een bekoorlijk tafereel!

Vele dieren zou ik hier nog aan toe kunnen voegen, indien zulks voor eene teekening der toendra noodzakelijk ware. Kenschetsend is nog de mug. Wanneer iemand dit insect het meest beteekenende aller levende wezens der toendra noemde, waarlijk! hij zou niet licht van dwaling beschuldigd kunnen worden. De mug maakt het leven van vele andere dieren mogelijk, inzonderheid dat van vogels en visschen; zij dwingt daarentegen andere wezens, zoo als o.a. den mensch, tijdelijk te verhuizen; zij is de eenige oorzaak, dat de toendra in den zomer voor beschaafde volken onbewoonbaar is. De talrijkheid der zwermen, waarin zij optreedt, gaat alle verbeelding te boven; hare macht verwint mensch en dier, en de kwalen, die zij veroorzaakt, spotten met elke beschrijving.

Het is bekend, dat de eieren van alle steekmuggen in het water gelegd worden, en dat de daaruit binnen eenige dagen voortgekomen larven tot aan hare geheele verandering in het volkomen insect in het water leven. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat de toendra zoo bijzonder geschikt is voor de ontwikkeling dezer dieren. Zoodra de weer rijzende zon de sneeuw en het ijs en de bovenste aardlaag ontdooid heeft, ontwaakt het leven der muggen, dat in den winter wel sluimerde, maar niet was uitgedoofd. Uit de eieren, die den winter in het bevroren slijk hebben doorgebracht, sluipen larven; deze veranderen binnen weinige dagen in poppen en de poppen in gevleugelde insecten; het eene geslacht volgt in korten tijd op het andere. Nog vóór den langsten dag begint de zwermtijd dezer vreeselijke dieren om tot het midden van Augustus voort te duren. [45]

En al dien tijd kan men ze vinden in de hoogte en in de laagte, op de bergen en heuvels zoowel als in de dalen, tusschen de dwergberken en wolwilgstruiken zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Elke grasstengel, elke moshalm, elke tak, elke twijg, elk blaadje zendt op elk uur van den dag scharen dezer wezens uit. De steekmuggen of muskito’s der keerkringsgewesten, van de oerwouden en moerassen van Zuid-Amerika, Midden-Afrika, Indië en de Soenda-eilanden, zoo door alle reizigers gevreesd, zijn niet erger dan onze muggen, maar gene zwermen slechts des nachts; deze vliegen tien weken lang en daarvan zes weken onafgebroken, zonder tusschenpoos. Zij vormen heirlegers, die er uitzien als een dichte, zwarte rook; zij hullen elk schepsel, dat zich in haar bereik waagt, in een nevel; zij spotten met elke poging om haar te verjagen; zij maken van den krachtigsten man een kind zonder wil, zij verkeeren diens boosheid in vrees, de haar geldende vervloeking in eene bittere klacht.

Zoodra men de toendra betreedt, klinkt ons reeds van verre een gegons in de ooren, nu eens niet ongelijk aan het zingen van den theeketel, dan weder te vergelijken met de tonen van een trillende metalen staaf, en weinige oogenblikken later is men omringd door duizenden en nog eens duizenden van muggen. Een door deze dieren gevormde stralenkrans omgeeft het hoofd en de schouders, het lichaam en de ledematen van den reiziger, om deze nabij te blijven, hoe snel hij zich ook moge bewegen, en is door geen middel te verdrijven. Staat hij stil, dan verdicht zich de zwerm, gaat hij verder, dan rekt de stoet zich in de lengte uit, zet men het op een loopen, dan tot een langen sleep; nooit blijven de muggen achter. Is er wind en komt deze van dien kant, waarnaar men zich toe beweegt, dan verhaast de zwerm zijn vlucht tegen den luchtstroom in; is de wind hevig, elk lid van den zwerm spant zich te meer in, ten einde zijn bloedig offer niet te verliezen; de muggen raketten als hagelsteenen tegen hoofd en nek. Voor men het denkt, is men van boven tot beneden met deze dieren bedekt. In dichte drommen, die op grijze kleêren zwart, op donkere als eigenaardige stippen en vlekjes zich afteekenen, hechten zij zich vast, loopen langzaam op en neer, en zoeken naar eene ontbloote plek om bloed te zuigen. Zonder eenig geluid te geven en zonder eenig gevoel te veroorzaken, hebben zij het aangezicht, den hals, den nek, de bloote handen en de alleen met kousen bedekte voeten bereikt; een oogenblik later laten zij langzaam haar steekwerktuig in de huid neder en storten een droppel [46]gift uit in de wonde. Vertoornd slaat de gewonde den bloedzuiger te pletter; maar terwijl de straffende hand zich opheft, zetten reeds twee, drie, tien andere muggen zich òf op deze, òf op het gezicht, òf elders neêr, om evenzoo te doen als de eerste. Want wanneer er eenmaal bloed is gezogen, wanneer op een en dezelfde plek reeds eenige muggen den dood hebben gevonden, dan zoeken juist de overigen zulke plekjes bij voorkeur op, al wordt ook dit slagveld met duizenden lijken bedekt. De muggen hebben het bovenal gemunt op de slapen, op het voorhoofd, onmiddellijk beneden de plaats, waar de hoed zit, op den nek en de handbuiging, in ’t algemeen dus op zulke lichaamsdeelen, vanwaar zij ’t moeilijkst zijn af te houden.

Wanneer men den moed heeft haar bij haar bloedig werk na te gaan, dus haar niet te verdrijven of te storen, dan bespeurt men, dat men niets van haar voelt, noch wanneer zij gaan zitten, noch wanneer zij zich bewegen. Dadelijk, nadat zij zich hebben neêrgezet, beginnen zij haar werk. Gewoonlijk loopen zij op de huid heen en weer en betasten met haar slurf elk plekje; plotseling houden zij stil en doorboren met verwonderlijk gemak de huid. Terwijl zij zuigen lichten zij zeer wellustig dan den eenen, dan den anderen achterpoot omhoog, en zulks te vlijtiger naarmate het glasheldere achterlijf meer met bloed wordt gevuld. Hebben zij eenmaal bloed geproefd, dan letten zij op niets meer en laten zich betasten en pijnigen, zonder naar het schijnt, er iets van te voelen. Trekt men met behulp van een tangetje de slurf uit de wond, dan tasten zij een oogenblik heen en weer, om op dezelfde of eene nieuwe plek zich weder in te boren; snijdt men de slurf met een scherp schaartje snel af, dan blijft de mug in den regel nog zitten, even als of zij eerst tot bezinning moet komen, laat dan de voorpooten over den stomp glijden, en eerst na een lang onderzoek schijnt zij overtuigd te zijn, dat het afgeknipt lichaamsdeel ontbreekt; snijdt men snel een achterpoot af, dan blijft de mug voortzuigen, even alsof er niets gebeurd ware, ja, zij beweegt nog het voetstompje; snijdt men het met bloed gevulde achterlijf voor de helft af, dan doet het dier als Münchhausen’s paard aan de fontein, trekt eindelijk de slurf uit de wond, vliegt tuimelend weg en sterft na weinige minuten.

Eene zorgvuldige waarneming van het leven en bedrijf dezer dieren heeft doen zien, dat zij bij het opsporen hunner slachtoffers veel meer door den reuk dan door het gezicht worden geleid, misschien wel door een zintuig, dat reuk en gevoel in zich vereenigt. Het is eene zeer [47]juiste waarneming, dat zij bij het naderen van een mensch, reeds op vijf meter afstands van dezen opvliegen, en dan, zonder te dralen en af te dwalen, rechtstreeks op hun slachtoffer aanvallen. Gaat men over eene zandbank, die, zooals meestal, vrij van deze dieren is, dan kan men een en ander proefondervindelijk aan zich zelf ervaren. Oogenschijnlijk ten deele door den wind, ten deele door eigen kracht gedragen, in elk geval doelloos zwevende, vliegen ook gedurig enkelen over zulk eene verschoonde plaats, en zoo komen sommigen in de nabijheid des waarnemers. Op hetzelfde oogenblik is het uit met hare schijnbaar doellooze bewegingen. Snel veranderen zij van richting en in eene rechte lijn stormen zij op het gelukkig ontdekte doelwit los. De eene mug voegt zich bij de andere, en voor er vijf minuten verloopen zijn, is de martelaar omgeven door een kring van muggen. Minder gemakkelijk vinden zij den weg in verschillende luchtlagen.

Toen ik mij eens op een hooggelegen duin met dergelijke waarnemingen onledig hield, en langen tijd door duizenden gevolgd en gepijnigd was geworden, lokte ik den mij omhullenden zwerm allengs naar den rand eener steile hoogte, liet hem zich hier verdichten, en sprong toen plotseling naar beneden. Tot mijn groote blijdschap merkte ik, dat ik de kwelgeesten meerendeels had achtergelaten. Maar boven op het duin zwermden zij, als verbaasd, dooreen, terwijl zij nog langen tijd boven de plaats, vanwaar ik afgesprongen was, eene dichte wolk vormden. Ettelijke honderden waren mij toch naar de laagte gevolgd.

Ofschoon de natuuronderzoeker zeer goed weet, dat slechts de vrouwelijke muggen steken en zuigen, terwijl dit bedrijf ontegenzeggelijk in verband staat met de voortplanting, misschien wel de eieren tot rijpheid brengt, wordt ook hij zoozeer door de pijniging dezer duivels der toendra uit zijn humeur gebracht, dat hij zijn geduld moet verliezen, al ware hij ook de goedmoedigste wijsgeer onder de zon. Niet de pijn, die de steken en eigenlijk nog meer de later opkomende builen veroorzaken, maar de eeuwig voortdurende plagerij, het telkens terugkeerende leed maakt de muggen tot zulk eene kwelling. Men verdraagt de pijn zelfs in den aanvang zonder klagen, en natuurlijk nog gemakkelijker, wanneer de huid, door het menigvuldig daarin uitgestorte gif allengs ongevoelig is geworden; men is dan ook zeer goed in staat langen tijd weêrstand te bieden; maar men moet ten laatste bekennen, dat men door de afschuwelijke kwelgeesten der toendra overwonnen en verslagen werd. De in getal niet te schatten, de [48]alom tegenwoordige, de te allen tijd strijdvaardige heirlegers verlammen elken tegenstand. Onafgebroken door haar gekweld, in elke handeling belemmerd, in elke genieting verhinderd, van elke gedachte afgeleid, wordt men niet alleen lichamelijk, maar ten laatste ook geestelijk afgemat. De voet weigert zijn dienst, de geest is onvatbaar voor indrukken; de toendra is eene hel geworden. Niet de winter met zijn stormen, niet het ijs en zijn kou, niet de armoede, niet de onherbergzaamheid, maar de muggen zijn de vloek der toendra!

In den zwermtijd vliegen zij bijna onafgebroken door; bij zonneschijn en stil weder met zichtbaar welbehagen, bij een stijve koelte nog zeer vergenoegd, bij geringe warmte nog recht levendig, vóór een dreigenden regen het uitbundigst, bij koel weder weinig, bij koud weder in ’t geheel niet meer. Een hevige storm verbant ze naar struikgewas en mos; niet zoodra is de wind bedaard of zij vliegen weder lustig rond, op alle onder den wind gelegen plaatsen zijn zij zelfs onder het loeien van den storm tot den aanval gereed. Een lichte nachtvorst doet haar veel afbreuk, maar doodt ze niet alle; natte en koude dagen doen haar aantal sterk verminderen, maar daarop volgende warme dagen brengen weder nieuwe, ontpopte scharen in het veld. Eerst de herfstnevels brengen de muggen voor een jaar tot rust.

Even langzaam als de lente haar intocht hield, even snel valt de herfst in de toendra in. Een enkele koude nacht, meest reeds in Augustus, althans in September, snijdt het zomerleven af. De bessen, die nog in ’t midden van Augustus lieten denken, dat zij niet rijp zouden worden, zijn op het einde dezer maand zoo sappig en zoet geworden als maar mogelijk is; enkele natte en koude nachten, die de bergen reeds met een sneeuwkleed dekken, verhaasten de rijpwording nog meer dan de zon, die reeds dagen lang zich achter de wolken verschuilt. De bladeren van den dwergberk kleuren hunne bovenzijde bleek, maar nog blinkend lakrood, de onderzijde levendig geel; alle overige struiken en struikjes ondergaan gelijke verandering; het sombere bruingroen der toendra wordt een levendig bruinachtig rood, zoodat zelfs het geelgroene rendiermos niet meer uitkomt. Zuidwaarts of naar zee vliegen de gevleugelde zomergasten, rivierafwaarts zwemmen de visschen der toendra. Het rendier verhuist van de bergen naar de laagte, gevolgd door den wolf; naar boven naar de bergen vliegt het moerashoen in koppels van duizenden vereenigd, om hier zoo lang te [49]verwijlen, tot de winter het weer naar de laagtoendra doet afdalen.

Nog weinige dagen en deze winter, evenzeer door ons als door de trekvogels gevreesd, door de menschelijke bewoners der toendra evenwel smartelijk verlangd, houdt zijn intocht in het onherbergzame land, om er langer, veel langer dan lente, zomer en herfst te zamen onbeperkte heerschappij te oefenen. Dagen en weken lang valt de sneeuw zonder ophouden neder, nu eens zacht ritselend, in scherp kantige kristallen, dan weder, door den huilenden storm voortgezweept, in groote vlokken. Bergen en dalen, rivieren en meren worden allengs met eenzelfde winterkleed bedekt. Nog daalt er nu en dan tegen den middag een enkele zonnestraal op het sneeuwveld, maar weldra zegt ons, zelfs bij helder weder, alleen nog maar een bleek schijnsel in het zuiden, dat ginds de dag reeds half ten eind is. De lange winternacht is aangebroken. Maanden achtereen weêrkaatst slechts het zwakke sterrenlicht tegen het sneeuwdek, en geeft alleen de maan nog kondschap van het levenwekkende en alles bezielende gesternte van ons planetenstelsel. Wanneer echter de zon in ’t geheel niet meer over de toendra opgaat, straalt voor deze een ander licht: hoog in het noorden flikkert en knettert „Soweidoed”, het godsvuur, het vlammende noorderlicht! [50]

[Inhoud]

III.
DE AZIATISCHE STEPPE EN HARE DIERENWERELD.

Inhoudsopgave

Eentonig voorwaar! maar niettemin in den hoogsten graad eigenaardig, is het onmetelijk gebied, dat zich over geheel Midden-Azië uitstrekt, om zich tot in het zuiden van Europa voort te zetten: de Steppe. De oppervlakkige beschouwer moge wanen, dat het gemakkelijk valt eene voldoende beschrijving van de steppe te geven, hij, die dieper denkt, weet, dat zulks eene alles behalve gemakkelijke taak is. Want zoo onveranderlijk eenvormig, zoo gansch en al zonder afwisseling, als men gewoonlijk aanneemt, is de steppe niet. Verschillend van uitzicht is ook zij in den tijd van haar bloei en verval, in den zomer en in den winter; groot verschil is zelfs bij haar op te merken in elk jaargetijde in hare hoogere en lagere deelen, daar waar gebergten verrijzen en waar beken, rivieren, meren en poelen hare laagten en kommen opvullen. Eentonigheid werkt zij slechts uit, omdat een en hetzelfde beeld duizendmalen wordt herhaald, en datgene zelfs alledaagsch wordt, wat het oog boeit en streelt als men het voor ’t eerst ziet.

Steppe is een Russisch woord; de Rus bestempelt met dien naam alle, onder gemiddelden breedtegraad gelegen boomlooze landschappen met een nuttig plantendek, onverschillig of het volkomen vlak land is of een golvend terrein, of het heuvelland is of bergland, of hier en daar een zwarte grond gelegenheid oplevert voor den akkerbouw, of dat de magere bodem van nature slechts voedsel verleent aan de kudde des herders. Deze opvatting komt overeen met den aard der zaak, want hier zoowel als ginds ontspruiten aan den bodem dezelfde planten; hier zoowel als daar leven dezelfde dieren; hier zoowel als daar doet zich de wisseling der jaargetijden op dezelfde wijze gelden. [51]

Als een gebied zonder bosschen moet men de steppe beschouwen, alhoewel zij niet geheel en al zonder boomen is. Want in de breede en diep ingesneden rivierdalen vindt men wel degelijk boomen en groote struiken. Onder bijzonder gunstige omstandigheden groeien wilgen en witte en zilverpopulieren er op tot hooge boomen, die zich zelfs in gesloten rijen om den oever scharen; berken vormen hier en elders boschjes, dennen erlangen op zandige duinen vasten voet en vormen groepen, die wel is waar niet met echte bosschen vergeleken kunnen worden, maar die toch even dicht zijn als de zooeven genoemde rivierzoomen. Zulke plaatsen, ’t zij al dadelijk gezegd, vormen evenwel uitzonderingen op den regel, en zijn eigenlijk eene vreemde wereld in de steppe; ze zijn te vergelijken bij de oasen eener woestijn.

Als eene onafzienbare, slechts hier en daar zacht golvende vlakte kan de steppe er uitzien; elders gelijkt zij een zeer bewogen watervlak en biedt dan meerdere afwisseling aan, terwijl wederom op andere plaatsen gebergten uit haar oprijzen. In den regel wordt de gezichteinder overal begrensd door heuvelketens van meerdere of mindere hoogte; meestal omgeven deze ketens een komvormig dal, waarin het water geen uitweg schijnt te kunnen vinden, en ook dikwijls niet vindt. Uit de langere dwarsdalen der dikwijls zeer vertakte ketens vloeit een klein beekje naar de diepste plaats van het keteldal en eindigt in een meer, welks ziltige oevers, van uit de verte gezien, glinsteren, alsof zij nog met de sneeuw van den winter bedekt waren. De heuvels doen zich, uit de verte gezien, voor als hooge bergen, want het oog verliest op deze onmetelijke vlakten elken maatstaf ter richtige beoordeeling, en de heuvels zelve verbijsteren zelfs den geoefendsten waarnemer, wanneer hun ontbloote deelen harde rots te voorschijn doen treden, die koepels en kegels, naalden en pieken vormen. Overigens komen er, de hooggebergten in de nabijheid der Chineesche grenzen niet medegerekend, in de steppe der Kirgiezen werkelijke bergen voor, die van nabij niet minder schoon zijn dan in de verte, hetgeen zij te danken hebben aan de vele en diepe insnijdingen in hunne kruinen en hellingen. Hoe hooger en meer vertakt de gebergten zijn, des te rijker wateraders zenden zij naar beneden en des te grooter worden dan ook de meren in de laagvlakten, waarin zich de rivieren storten, zonder de laagste kom ooit geheel te kunnen vullen of de omgrenzende hoogten door te kunnen breken; en daarmede houdt ook de uitgestrektheid der zoutsteppen [52]gelijken tred, welke steppen zich legeren om de altijd zoute meren zonder afvoer. Dit alles daargelaten blijft toch het beeld der steppe zich altijd vrij wel gelijk, hoe afwisselend het landschap ook moge zijn.

Men zou de waarheid te kort doen, indien men wilde beweren, dat de steppe geheel ontbloot is van bevallige, ja zelfs grootsche partijen. De heidevelden van Noord-Duitschland, zelfs de Mark, zijn eentoniger dan zij. Reeds in de zacht golvende vlakte rust het oog gaarne op de meren, die alle diepe kommen innemen; in het heuvelland of tusschen de hoogere bergen evenwel zijn de waterbekkens steeds een waar sieraad van het landschap. Ofschoon niet altijd, missen de meren in den regel vriendelijk groen geboomte, soms zelfs zijn zij ontbloot van alle struikgewas; niet zelden ligt het geheel naakt en kaal, maar ook in dit geval nog tooit het de steppe. Want vriendelijk kaatst ons het watervlak het blauw des hemels terug, en ook hier geniet men van de weldadige, levendmakende kracht des waters. En wordt het meer aan den eenen kant door een bergketen geheel begrensd, of vormen, gelijk aan den Alakoel het geval is, hooge gebergten eene omlijsting, terwijl de steppe overal schilderachtig afsteekt bij den glinsterenden waterspiegel, de donkere berghellingen en de besneeuwde bergtoppen; spreidt zich het zachte waas van den horizon over de vlakte en de bergen uit, en schijnt zij zelfs daar schoonheden te verbergen, waar deze niet te vinden zijn, dan is men gaarne gezind om te bekennen, dat ook de steppe in haar soort schilderachtige landschappen omvat.

Maar ook wanneer men mijlenlange dalen doortrekt, of over die bijna eindelooze vlakten dwaalt, welke slechts door zacht golvende lijnen aan den verren gezichteinder begrensd worden, wanneer men steeds een en hetzelfde beeld, hetzelfde uitzicht naar het noorden en zuiden, het westen en het oosten voor zich heeft, en te midden der oneindige ruimte een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid ons bekruipt, dan zelfs geeft de steppe nog meer dan onze heide, daar de plantengroei ginds ongemeen veel rijker, bonter en afwisselender is dan bij ons. Slechts daar, en alleen daar, alwaar rondom een meer de zoutsteppe zich uitbreidt, ligt het landschap troosteloos arm en verlaten voor ons. Hier verkwijnen alle planten der steppe, en kleine, armoedige loogkruiden, ineengeschrompelde heideplantjes gelijk, treden in derzelver plaats, om hier en ginds eenig struikgewas te vormen.

Daartusschen ligt het zout in dikkere of dunnere lagen op den [53]bodem; de vroeger met water gevuld geweest zijnde poelen tusschen de kuifvormige hoogten van loogkruidboschjes gelijken op met ijs bedekte vijvertjes.

Een zoutkorst bedekt het gansche land en bewaart het onderliggende slijk voor uitdrogen; het hecht zich zoo vast aan den bodem, dat het zich hiervan moeilijk laat scheiden.

Zoo komt het dat voetgangers, en eveneens de over de steppe dravende paarden, bij elke schrede groote klompen slijk en zand uit den grond lichten, evenals ware de grond bedekt met eene laag losse, vochtige sneeuw; wagens laten een diep spoor in deze taaie massa achter, en het wentelende wiel teekent soms zijn weg in het zout af evenals bij strenge koude in de sneeuw. Zulke plaatsen zijn ongetwijfeld ontzettend eenzaam, woest en treurig,—alle andere plekken zijn zulks niet.

De flora der steppe is gewoonlijk veel rijker aan soorten, dan men gemeenlijk denkt, en veel rijker dan ik als leek op dit gebied vermag te zeggen. Op den zwarten grond verdringen het Tschi- en Thyrsagras, in vereeniging met spiraea’s, plaatselijk bijna alle andere planten; in de door deze opengelaten plaatsen ontkiemen echter, even goed als op mageren grond, een aantal sierlijke bloemen, terwijl overal waar de steppe eene komvormige verdieping vormt, de plantenwereld allengs in een moerasflora overgaat; zeggegras en riet voeren dan den boventoon en geven, evenals straks genoemde grassen, nu op hun beurt aan weder vele andere planten genoeg ruimte om tot ontwikkeling te komen. Maar de bloeitijd duurt in de steppe kort, de tijd van verwelken en sterven lang.

Misschien zegt men niet te veel, als men beweert, dat het verschil in jaargetijden nergens ter wereld zich scherper doet gevoelen dan in de steppe, alwaar een bonte bloemenpracht, de dorheid der woestijn, de lieflijkheid van den herfst en de barheid des winters met elkander afwisselen, waarin de verdelgende krachten even sterk optreden als de scheppende, de gloed der zon even vernietigend werkt als de koude, waarin het door de hitte gedoode en door hevige stormen weggemaaide leven weder juichend ontwaakt onder de eerste stralen der lente, waarin niet eens het verterende vuur in staat is dat leven geheel te vernietigen, voor zoover het nog gespaard bleef door zonnehitte en stormen. Met meer kracht moge de lente optreden in de keerkringsgewesten, maar meer betooverend dan in de steppe kan zij nergens werken, want hier weêrstaat zij zelfs den zomer, den herfst en den winter. [54]

Nog groent de steppe, wanneer de zomer er zijn intocht houdt; haar volle pracht is echter voorbij. Weinige planten erlangen thans eerst hare ontwikkeling; en ook deze verwelken reeds in de eerste dagen van de verzengende hitte, en het bonte lentekleed gaat over in grijs en geel. Het malsche, groene Thyrsagras biedt nog steeds weêrstand aan de droogte, maar zijn losse, lange, dicht behaarde aren hebben reeds den vollen wasdom bereikt; zij golven in den ademtocht van het zachtste windje en werpen een zilveren sluier over het lagere groen. Nog slechts enkele dagen, èn gras èn aren zijn even verdord als het nu reeds geel geworden Tschigras, dat er in het voorjaar uitziet als opschietend graan, maar zich nu als rijp voor de zeis aankondigt. De breede bladen van de rhabarber liggen verdord ter aarde; de spiraea is verwelkt, de Garakanstruik ontbladerd, de kamperfoelie heeft evenals de dwergamandel eene herfstkleur aangenomen; de distels prijken in den tooi hunner vruchten, en alleen de absinth en bijvoet hebben het grijsachtig groen harer bladen nog niet verloren. Rein en helder schijnt de zon op het dorstige land; slechts zeer zelden schuiven de schilderachtige schapenwolkjes aan den hemel dicht te zamen, en mochten zij zich somtijds tot een onweêrsbui samenpakken, dan is de regen, dien zij uitzenden, nauwelijks toereikend om het stof neêr te slaan, dat bij iederen windstoot opdwarrelt. De dieren hebben hun zomerverblijf nog niet verlaten; het gezang der vogels is echter reeds verstomd. Slechts het kruipend gedierte,—ontelbare hagedissen en slangen, meest adders,—gevoelt zich behagelijk, terwijl de sprinkhanen in ontelbare scharen, die de lucht verduisteren, door de steppe rondzwermen.

Nog voor de zomer ten einde is, heeft de steppe het herfstkleed aangetrokken; haar tooi bestaat nu uit een grijsachtig geel in verschillende schakeeringen, zonder veel afwisseling of sierlijkheid. Alle teedere planten worden door den eersten storm ter aarde geveld; de volgende windvlaag doet haar door de steppe dwarrelen. Met de takken en twijgen dooreengewoeld, vormen zij hoopen en boschjes, die, door den razenden wind gedragen, half omhuld door het over den grond stuivende zand, op spookachtige wijze, huppelende en rollende wegsnellen. Daar boven aan den hemel vangen de donkere, of van sneeuw zwangere wolken een wedstrijd met haar aan. De zomervogels van het vasteland zijn reeds sedert geruimen tijd zuidwaarts getrokken; de watervogels verzamelen zich in groote scharen op de meren [55]en maken zich tot den aftocht gereed; die zoogdieren, welke mede verhuizen, dwalen in groote troepen van de eene plek naar de andere om voedsel te zoeken; de winterslapers stoppen de toegangen tot hunne holen dicht en de reptielen en insecten betrekken hun winterkwartieren.

Een enkele nachtvorst is voldoende om alle wateren met eene ijskorst te bedekken; ettelijke koude dagen slaan meren en poelen in de winterboeien, en alleen de rivieren en beken, die langer weêrstand bieden aan den vorst, verleenen voor een korten tijd nog een geschikt verblijf aan die trekvogels, welke tot nog toe de afreize hebben uitgesteld. Zwakke noordwestenwinden drijven donkere wolken over het land en de sneeuw valt in kleine vlokjes ritselend neder. De gebergten hebben zich den sneeuwmantel bereids over de schouders geworpen; ook de laagsteppe trekt nu haar winterkleed aan. Guur weder duchtend, verlaat de wolf de rietlanden en spiraeaboschjes, die hem tot dusverre tot veilige schuilplaats verstrekten, en begeerig sluipt hij om de dorpen en winterlegers der trekkende herders, die nu de meest beschutte en nog niet afgeweide deelen der laagsteppe opzoeken, om hunne kudden zoo goed mogelijk tegen de nooden en ellenden des winters te beschermen. Evenals de daar gevestigde Kozak of boer, zint ook de herder op middelen om den hongerigen wolf buiten te houden, of hij rijdt de steppe in en vervolgt het verraderlijk spoor des roovers tot diens leger en drijft hem op. Op zijn paard gezeten, dat hij door luid geschreeuw tot sneller spoed aanspoort, een stevigen boomstam als knods in de rechterhand zwaaiende, rent hij den laffen worger zijner kudde na. De omhoog stuivende sneeuw omhult wolf, ros en ruiter, de snijdende vorst kleurt het aangezicht van dezen bloedrood, maar wat nood!

Na een jacht van een enkel uur, van ten hoogste twee uren kan de wolf, die van twintig tot dertig kilometer heeft afgelegd, niet verder loopen; hij keert zich om en stelt zich in tegenweer. De tong hangt het ondier uit den muil, de met ijs omkorste uiteinden van de haren, zijner dampende huid rijzen te berge, de rollende oogen drukken doodsangst uit. Een enkel oogenblik draalt het edele ros, dan stormt het, gedreven door het geroep en de knods zijns berijders voor ’t laatst op den gehaten vijand los. Hoog zwaait de jager zijn verpletterend wapen, suizend stort het neer, en trillende en rochelende ligt de gevelde wolf ter aarde. Door den honger gedreven, gelijk deze, verwisselen [56]tegen denzelfden tijd wilde paarden en antilopen van woonplaats om het bedreigde leven te redden; zelfs het wilde schaap, dat aan het gebergte is gebonden, zwerft van den eenen bergkant naar den anderen; slechts de hazen en de huisvaste steppenhoenders verlaten hun woonplaats niet, de eersten zich met grashalmen en boombast, de laatsten met zoden en knoppen zoo goed mogelijk voedende. Dagen achtereen duurt de sneeuwbui; eindelijk gaat de wind liggen, maar donker als te voren blijft de lucht. De wind draait en waait scherper en steeds scherper uit het oosten, zuidoosten, zuiden of zuidwesten. Een lichte wolk, gevormd door opwaaiende sneeuw, rolt over het witte dek; de wind groeit aan tot een orkaan; de wolk stijgt omhoog, en woedend raast de „boeran” of sneeuwstorm over de steppe; zelfs de meest tegen het weder geharde man verliest zijn denkvermogen en wordt schier zinneloos; zoodanig is de uitwerking van dezen gevaarlijken wind, dien men vreest als den taifoen en den vergiftigen sammoem.


KUDDEN PAARDEN GEDURENDE EEN SNEEUWSTORM IN DE AZIATISCHE STEPPE.

Twee, drie dagen achtereen woedt hij onverpoosd door, mensch en dier bijeen dringende naar dezelfde plek. Hij, die in de onafzienbare steppe door zulk een storm overvallen wordt, is reddeloos verloren, indien niet een bijzonder toeval hem uitkomst schenkt; wie zich, tijdens het woeden van den „boeran”, buitenshuis waagt, kan zelfs in het dorp, of in de steppenstad omkomen, gelijk de ervaring dikwijls leert. Eerst [57]tegen het einde van Februari zijn menschen en dieren vrij wel buiten gevaar, en kunnen zij weder vrij ademhalen, al drukt ook nu nog de winter zwaar op de steppe.

De zon rijst; haar stralen koesteren weder de zuidelijke berghellingen; donkere plekken, die elken dag in grootte toenemen, al worden zij ook tijdelijk weder bedekt met versch gevallen sneeuw, komen overal te voorschijn; het eerste lentewindje begint te waaien. Maar niet dan schoorvoetend houdt het voorjaar zijn intocht in het land, dat nog steeds door den winter in boeien blijft geslagen. Eerst dan, als de levenwekkende zon zwoele zuidenwinden in haar gevolg medevoert, op zijn vroegst in het begin, meest echter eerst tegen het midden der maand April, smelt de sneeuw schielijk op de benedengedeelten der berghellingen en in de diepe, met zwarte aarde gevulde dalen; slechts in de kloven en steile insnijdingen, achter de steil afvallende heuvels en in het struikgewas blijft de sneeuw nog eene maand lang hangen.

Op alle andere plaatsen ontkiemt snel een jeugdig leven. Gretig zwelgt de aarde het vocht in, haar door de smeltende sneeuw geschonken, en de twee, nu voorgoed vereenigde toovenaars, de zon en het water, openbaren hunne alles overweldigende kracht. Nog vóórdat de straks vermelde sneeuwhoopen, nog vóór de snel wegdooiende ijsschollen op de meren zijn gesmolten, zenden alle bolgewassen, alle planten in ’t algemeen, die den winter overleefden, bladeren en bloemstengels naar de zon omhoog. Tusschen de gele grashalmen en de dorre stengels van alle niet door de herfststormen geknakte kruiden schittert het eerste groen. Nu steken kolonisten en zwervende herders het dichte struikgewas aan, en het vratige vuur vernietigt, wat de herfststorm nog spaarde. Zoodra hierdoor de grond plaatselijk is gereinigd, ontluikt het plantenleven met nog grooter kracht. Blad- en knolgewassen ontspruiten aan de schijnbaar dorre aarde; de knoppen botten uit, bloemen ontluiken en de steppe prijkt in weêrgaloozen tooi. Mijlen ver in ’t rond schitteren gele, donkerroode, witte, wit en rood gestreepte tulpen den wandelaar in de oogen. Hoogstens twee of drie bijeen, stijgen zij omhoog, maar zij staan over de geheele steppe verspreid en bloeien op hetzelfde oogenblik in zoo grooten getale, dat zij overal het oog treffen, naar welken kant dit zich richten moge. Spoedig daarop ontwikkelen zich ook de lelies, en nieuwe, nog bekoorlijker kleuren schitteren ons tegen, vooral waar deze beminnelijke kinderen der steppe maar de voorwaarden vervuld vinden voor hun leven, aan [58]de hellingen en in de diepe dalen; langs den oever der rivieren en in de moerassen. Gezelliger en meer verscheidenheid aanbiedende dan de tulpen, treden zij in veel grooter aantal op dan deze; zij nemen geheele streken in beslag en staan zoo dicht opeen, dat men ze kan vergelijken bij de koornbloemen op de roggeakkers, of bij een in bloei staand veld met koolzaad. Gewoonlijk vindt men planten van dezelfde soort bijeen, doch ook komt het voor, dat blauwe en gele leliën in bonte schakeeringen door elkander groeien, en deze twee complémentaire kleuren hebben dan eene uitwerking, die inderdaad betooverend is.

Versieren thans, onmiddellijk na den winter, deze eerste kinderen der lente de steppe, ook de hemel verleent hun geen geringen tooi. Geheel vrij van wolken is de lucht in de lente wel bijna nimmer, meestal zelfs is zij bedekt met wolken van elken vorm, bij het fraaiste weder althans met laag- en schapenwolken, die meer of minder dicht opeengedrongen, zich over het geheele hemelgewelf verbreiden en langs den geheelen horizon op de aarde schijnen te rusten. Indien evenwel deze wolken zwaarder worden, als de hemel verduistert, en de zon slechts hier en daar een enkelen lichtbundel werpt op de door den eersten lenteadem verwarmde steppe, dan komen er tinten en kleuren te voorschijn, die men voor onmogelijk zou houden.

Iedere dag evenwel voegt nieuwe kleuren tot de aanwezige toe. Meer en meer verdwijnt de geelachtige tint, die ook nog in het voorjaar door de herfsthalmen over de steppe wordt gespreid, en steeds frisscher en levendiger komt de eigenlijke lentedos van het reeds zoo schoon getooide landschap te voorschijn. Binnen weinige weken is de steppe als een bont tapijt, waarop alle schakeeringen stralen van ’t donkerste groen tot het tintelendst groenachtig geel; het sterk sprekend grijsachtig groen der artemisia’s verkrijgt thans door bijzonder in ’t oog loopende kruiden en dwergachtige boschjes donkere en lichte tinten. De dwergamandel, die alleen of in gezelschap van erwtgewassen en kamperfoelie groote deelen der steppenlaagten inneemt, staat thans, evenals de twee andere lage struiken, in vollen bloei, en de perzikroode met bloesems bedekte twijgen steken levendig af tegen het groen der grassen en kruiden, en tegen de bloesems van den Garak, zelfs tegen het teedere rozenrood en roodachtig wit van de kamperfoelie, dat op daarvoor geschikte plaatsen dikke boschjes vormt en in vollen bloei staand, alle overige kleuren in het rond tot den grond maakt, waarop hare blaadjes zich scherp afteekenen. Vele, mij als leek onbekende [59]kruiden en planten roepen donkere schaduwen en helder verlichte partijen in ’t leven, en de even spoedig verwelkte als uitgebotte bladeren van andere gewassen zijn als zoovele geelachtig groene en goudgele punten en vlekjes op dat tapijt.

Uit de verte gezien, smelten alle kleuren eenigszins ineen tot een gelijkmatig grauwachtig groen; van nabij echter treedt elke kleur afzonderlijk te voorschijn; zelfs is dit het geval met de vele bloemen, die zich thans geopend hebben, overal ten minste verspreid, op bijzonder gunstige plaatsen groepsgewijs bijeen staan en in de schaduw van het struikgewas tot volle pracht zijn gekomen.

Behalve de oneindige verscheidenheid van bolgewassen treffen vooral heerlijke wikke-soorten, benevens oude bekenden van vreemdsoortig voorkomen uit onze bloementuinen het oog, en steeds grooter en grooter wordt de betoovering, zoodat men eindelijk, schier begoocheld door dit tooneel, waant in een eindeloozen, niet onderhouden bloementuin te wandelen.

Met het plantenleven is ook het dierlijk leven ontwaakt. Nog voordat de laatste sporen van den winter geheel verdwenen zijn, komen de trekvogels weder in de steppe terug; en heeft de lente voorgoed en werkelijk haar intocht gedaan, dan ontsluiten ook de winterslapers hunne onderaardsche kwartieren, alwaar zij het booze jaargetijde in bewusteloozen, schijndooden toestand hebben doorgebracht; evenals de trekvogels nu zich vereenigen met de standvogels, zoo ook voegen zich deze zoogdieren bij die natuurgenooten hunner klasse, welke geen vrees voor den winter hebben gekoesterd, althans dien glansrijk het hoofd hebben geboden. Gelijktijdig vieren de insecten hun opstandingsfeest; zij verlaten hunne schuilhoeken of leggen de pophuid af; amphibieën en reptielen,—kikvorschen, hagedissen en slangen—verlaten almede hunne winterverblijven, om reeds van de eerste zonnestralen te genieten, ten einde de warmte deelachtig te worden, die hen voorgoed tot het volle leven kan doen terugkeeren. Droomend wachten zij op den zomer; voor hen alleen een tijd van ongestoord geluk.

Het wordt levendig in de steppe. Nog niet veelsoortig, maar reeds in groot aantal en overal verbreid, treden de haar toebehoorende dieren op. Nergens is nu meer een plekje ledig. In zulke groote kudden, als de antilopen in de steppen van Centraal-Afrika, of de zebra’s en quagga’s in de Karoe van Zuid-Afrika, en de ontelbare buffels in de prairiën van Noord-Amerika ronddolen, trekken wel is waar de [60]zoogdieren niet door onze steppen; en in zulke groote scharen als aan het zeestrand en op sommige eilanden, in Afrika’s steppen of in de oerwouden der keerkringslanden ziet men de vogels hier niet verschijnen; maar in sommige streken bepalen toch ook zij het landschapsbeeld en schenken zij hieraan een geheel eigenaardig karakter. Ook de steppe bezit of herbergt eene bijzondere dierenwereld.

De voornaamste verzamelplaatsen van het dierlijk leven zijn al weder de wateren, zooals de groote meren en de kleine vijverachtige waterbekkens, alsmede de rivieren en beken. Eerder nog dan aan de tijdelijk of bestendig onder water staande rietlanden, die de oevers der meren omzoomen, herkent men deze aan de honderden en duizenden van moeras- en zwemvogels, ook al ziet men in de verte nog geen water. In veelvuldig afwisselende vlucht zweven en glijden de vischmeeuwen, stormmeeuwen en lachmeeuwen over den waterspiegel; sneller en ongestadiger dan deze vliegen de zeezwaluwen over de rietvelden en meren, en hoog in de lucht beschrijven de schreeuwarenden hun sierlijke kringen; eenden, ganzen en zwanen vliegen van het eene meer naar het andere; rietwouwen schommelen over het riet en zelfs zeearenden en pelikanen laten zich bij tijd en wijle zien. Een goed denkbeeld van de soorten en het aantal, het leven en bedrijf van al deze watervogels krijgt men eerst, wanneer men aan den oever staat of in de rietbosschen dringt. Zooals men denken kan is de zoutsteppe arm aan dierlijk leven. In snelle vlucht trekken de watervogels over den onherbergzamen, met zout bezwangerden oeverzoom en vliegen van den eenen poel naar den anderen; alleen de lach- en vischmeeuwen rusten gaarne een enkele maal bij de nog niet uitgedroogde, vlakke, met zout water gevulde bekkens uit; en eenig en alleen de kasarka vischt in het water zelf, gemeenschappelijk met de sierlijke kluit, die juist deze plekken bij voorkeur opzoekt, om bij paren of in troepen vereenigd, vlijtig het zilte water te doorzoeken, den kleinen kop met den fijnen, gekromden, naar boven gekeerden snavel heen en weêr schuddende. Andere vogels heb ik hier nimmer veel gezien, een enkele gele kwikstaart, een gewone kwikstaart, een kievit en een plevier uitgezonderd; alle anderen vermijden dit ongastvrije oord, en zulks te meer, naardien er in de onmiddellijke nabijheid veel beter en rijker vischwateren te vinden zijn. Overvloedig voedsel zelfs is in de naaste omgeving der meren te vinden. Daarom verzamelen zich hier niet alleen om en op den waterspiegel duizenden moeras- [61]en zwemvogels, maar daarenboven alle kleine zangvogels, wien de droge steppe het noodige levensonderhoud niet vermag te geven; en zoo vinden niet alleen de vischdieven, maar ook vele andere soorten van roovers hier hun dagelijksch brood. Met de strandmeren van Noord-Afrika, alwaar in den winter de gevederde bewoners van drie werelddeelen tot een reusachtig rendez-vous bijeenkomen, met de stilstaande wateren der keerkringslanden, in en om welke te allen tijde honderdduizenden van vogels zich verzamelen, zelfs met de moerassige laagvlakten van den Donau, alwaar elken zomer eindelooze scharen van de kinderen der lucht zich vereenigen, laten de steppenmeren zich wel is waar volstrekt niet vergelijken; in verhouding tot hun aantal ginds is het getal gevederde kolonisten hier zelfs gering te noemen, maar niettemin is en blijft het op zichzelf nog zeer aanzienlijk, en de meren der steppen ontleenen ontegenzeggelijk almede hunne eigenaardigheid hieraan, dat zij de verblijfplaatsen zijn van vogels.

Alles leeft hier in het riet; de wolf zoowel als het wilde zwijn, de arend zoowel als de wilde zwaan, de raaf zoowel als de wilde eend, krakeend en wintertaling, de lijster zoowel als de grasmusch, de baardmees zoowel als de musch, de rietgors zoowel als de ortolaan, de fitis en tjiftjaf zoowel als het blauwborstje, de torenvalk en roodvoetvalk zoowel als de kraanvogel en de kievit, de klauwier zoowel als het bokje, de spreeuw zoowel als de gewone en gele kwikstaart, de kwartel zoowel als de ijsvogel, de zilverreiger en de lepelaar zoowel als de schollevaar en de pelikaan. De dichte rietbosschen zijn de ware en eigenlijke verblijf- en schuilplaatsen voor deze dierenwereld; zij treden in de plaats van het woud, zij beveiligen en verbergen en strekken tot toevluchtsoord voor de liefde en het familiegeluk; zij zijn de getuigen van de luidruchtigste vreugde en de teederste zorgen, de broedplaatsen der jongen en tevens de oorden, waar deze worden grootgebracht.

Van de hier huizende zoogdieren neemt men slechts de sporen waar, tenzij men tot maatregelen van geweld zijn toevlucht neemt en met behulp van honden de rietbosschen doorsnuffelt; de licht bewegelijke vogelwereld daarentegen ontgaat hier het geoefend oog des onderzoekers nergens.

Wanneer men uit de droge steppe komt en een dezer meren nadert, verdwijnen ten laatste ook de overal voorkomende leeuweriken, terwijl [62]de een of andere plevier zijn opwachting maakt, ‘tzij dat hij door zijn klankrijk geroep de opmerkzaamheid wekt, ‘tzij dat hij zich persoonlijk laat zien; met de haast, aan alle soorten van zijn geslacht eigen, loopt hij hortend en stootend over den grond voort, hier en daar een beestje oppikkende, dan een oogenblik stilhoudende, om dadelijk daarop met gelijke haast weer voort te snellen. Nog voor men bij het riet is aangeland, wordt de lach- of kokmeeuw, misschien ook wel de kleine zeemeeuw, in een gunstig geval tevens een mantelmeeuw of een burgemeester zichtbaar; de eerste vliegt zelfs zeer ver de steppe in, voegt zich bij grazende kudden en verleent aan deze geen geringen tooi, wanneer dichte drommen dier meeuwen de kudden omzweven en de afgeslagen en afgeschudde insecten opvangen, of wanneer zij achter de kudde loopen, als waren zij duiven, die op het veld voedsel zoeken. Dan bemerkt men ook wel eens een wilde gans, het mannetje van een op het nest broedend wijfje, dat zijn gade voor enkele oogenblikken verliet, ten einde op grasrijke plaatsen in de nabijheid van het riet te weiden, zoolang zulks althans nog mogelijk is, en ouderplichten, waarvan ook de woerden hun aandeel op zich nemen, het niet noodzaken zich schuil te houden in de onmiddellijke omgeving des meers, op plaatsen, die daarvoor de meest geschikte gelegenheid aanbieden, en werwaarts de voorzichtige ouders hunne grijsachtig groen-gele kiekens aanvankelijk voeren. Op alle ondiepe, met water bedekte plaatsen langs den oever gaat het levendiger toe. Aan de randen van zulke plassen en vijvers ziet men op daarvoor geschikte strijdplaatsen kleine strandvogels, de kemphanen, prijkende in hun riddertooi, elkander bevechten; zij rennen met gebogen kop op elkander los, richten den snavel als een vooruitgestoken lans op den wijd uitgespreiden tot schild dienenden halskraag der nimmer ontbrekende tegenpartij, nemen eene uitdagende, maar onbeschrijfelijk fiere en schoone houding aan, zien elkander nog eens scherp in de oogen en stormen op elkander los, van weêrszijden op hetzelfde oogenblik stootende en den stoot met het veêrkrachtige borstschild opvangende. Niemand bekomt eenig leed, niemand wordt door dezen tweekamp ook maar eenigszins verhinderd in andere veel minder edele bezigheden; want aan dezen kemphaan ontging in de hitte van den strijd de vlieg niet, die zich juist op een grashalm neêrzette, en aan dien anderen den zwemkever niet, die op den waterspiegel van een klein plasje ronddartelde: fluks loopen beiden naar de juiste plek om den buit te snappen en zich daarmede te versterken, [63]ten einde voor een nieuw gevecht gereed te zijn. Inmiddels verschijnen er nieuwe strijders op de kampplaats en nimmer schijnt het gevecht een einde te nemen. Daar komt een rietwouw schommelend nader; ijlings verlaten onze helden de strijdplaats, verheffen zich in dichte drommen in de lucht en vliegen naar elders, naar een anderen plas, om hier hetzelfde spel van voren aan te beginnen. De gevreesde wouw schrikt alle andere vogels in het moeras op. Onder een vervaarlijk geruisch vliegen de zwakkere eenden op, en, echter meer door dat geraas dan wel door den roofvogel vervaard, volgen een oogenblik later de meer krachtige familieleden; zij stormen onder fluitende vleugelslagen omhoog, vliegen eenige malen om den waterplas heen en vallen er bij troepjes weder op neer; met een trillend geschreeuw stijgt ook de tureluur en met een toonloos, maar ver hoorbaar geschrei ook de watersnip—de roover streek ook zoo dicht over hen heen—naar boven; beiden evenwel vergeten het gevaar, zoodra zij de veilige hoogte hebben bereikt en schijnen nu om niets anders meer te denken dan om den gulden lentetijd en de zalige liefde, die hun borst in vuur zet. Want de tureluur daalt plotseling tot op den waterspiegel neder, fladdert en zweeft met afhangende vleugels naar voren en naar beneden, verheft zich onder aanhoudend geroep opnieuw om wederom te dalen, totdat de loktoon der reeds weer zittende gade hem uitnoodigt met het haar geldende liefdespel op te houden en zich tot haar te spoeden. De watersnip volgde het voorbeeld der anderen; na in eene zigzaglijn tot dubbele torenhoogte omhoog te zijn gestegen, laat zij zich bliksemsnel vallen, terwijl zij den staart waaiervormig uitspreidt, en de buigzame, smalle en spitse buitenste stuurpennen aan de weêrstandbiedende lucht prijsgeeft, waardoor het blatende geluid ontstaat, dat haar den naam van hemelgeit deed verwerven. Alleen een paartje van de langpootige steltkluit, dat in schijnbaar voorname afzondering ver van het strandgewoel zijn eigen zaakjes verricht, liet zich door den wouw geen vrees aanjagen; misschien zag het wel hoe de moedige kokmeeuwen ijlings toevlogen om den onruststoker te verdrijven, ja hoe zelfs een grauwe kuikendief en een steppenwouw zich samen opmaakten, om den hun zoo nauw verwanten, maar bitter gehaten roofkameraad te bevechten. En deze,—zonder te dralen, kiest hij de vlucht; onmiddellijk daarop fluit en trilt en schatert het weêr als te voren op de wateren; want nieuwe gasten zijn op het tooneel verschenen, aangelokt door de nieuwsgierigheid, die allen vogels eigen is—maar [64]niet minder door den welbereiden disch, dien deze poelen hun aanbieden.


EEN STEPPEN-MEER.

Bereikt men eindelijk het riet, dan valt ons ook het kleine gevleugelde goedje in de oogen, en zelfs nog eerder dan het groote, dat zich in den regel meer zorgvuldig verbergt. De kraanvogel, die op de ontoegankelijkste plaatsen broedt, de groote zilverreiger, die aan den binnenkant van het rietbosch staat te visschen, de lepelaar, die op de meer open plaatsen tusschen het riet zijn voedsel zoekt; deze allen verschuilen zich zeer zorgvuldig, terwijl ook de roerdomp, die de dichtst begroeide plaatsen opzoekt, zijn aanwezen slechts door een dof geluid verraadt.

De kleine wereld, waarover ik sprak, stelt zich daarentegen, zonder eenige bezorgdheid te laten blijken, bloot aan ieders blik, en zingt en jubelt op hoogen toon. Vertrouwelijk loopen de gele kwikstaarten op de met gras begroeide plaatsen rond, die het riet aan den buitenkant begrenzen; onbevreesd klautert het sierlijke baardmeesje bij de rietstengels op en neêr, op welker toppen hier een keelvogeltje, ginds een klauwier troont; luide weêrklinkt het vroolijke, ofschoon weinig klankrijke lied der rietzangers ons van alle zijden in het oor, en met welbehagen luisteren wij naar den slag van den merel, naar het liefelijk gekweel van blauwborstje, fitis en spotvogel, en naar het geroep van den koekoek. Op de vrije watervlakte zwemmen echter ongetwijfeld een paar koeten, mannetje en wijfje, met hun kroost, en, wanneer de poel dieper is, tusschen een aantal eenden ook wel een geoorde fuut. En wanneer de avond is gevallen, komen hier bovendien nog roodvoetvalken, kleine torenvalken, spreeuwen en rozé-spreeuwen, om in het riet te overnachten, en nu komt er aan het geschreeuw, het gepiep en gekweel geen eind. Zelfs de schreeuwarend, raaf en bonte kraai verschijnen hier als logeergasten, terwijl de schollevaar en pelikaan althans aan den binnenkant van de vermoeienissen der vischvangst uitrusten.

Over en boven het watervlak eindelijk vliegen en zweven de meeuwen, staan de zeezwaluwen, jagen de zee- en vischarenden, en op plaatsen, waar de diepte van het meer niet al te groot is, visschen om strijd pelikanen en zwanen, in gezelschap van vraatzuchtige schollevaars en futen.

Weinig minder rijk dan de wateren zijn ook de met boomen en kreupelhout omzoomde rivierdalen. De boomen torsen de nesten van grootere en kleinere roofvogels, dienen dezen tevens tot rustplaats; van de toppen schalt het heerlijk gezang van den wielewaal, de slag van [65]den lijster, het lachen der specht, het kirren der ringduif en kleine boschduif; uit het dichte onderhout klinkt het verrukkelijk lied van den poolschen nachtegaal zoo rein, zoo vol, dat zelfs het verwende oor des kenners zich vermeit in deze zeldzaam schoone klanken.

Evenals op de meren ginds drijven ook hier op het watervlak de meest verschillende watervogels, terwijl wij in het riet en het kreupelhout van den oever hetzelfde bonte gezelschap ontwaren van straks in de rietvelden; het molenaartje kleppert, gewone grasmusschen en sperwer-grasmusschen laten hunne welbekende liederen weêrklinken.

Wandelt men door de waterlooze gedeelten der steppe, dan vertoonen zich weder andere dieren aan ons oog. Ook hier zijn het nogmaals de vogels, die men het eerst waarneemt en waarnemen moet. Minstens zes, zoo niet acht soorten van leeuweriken bewonen de steppe en zetten aan het eenzaamste plekje nog levendigheid bij. Onafgebroken klinkt hier den reiziger hun gezang in de ooren; van den grond en van de toppen der lage struiken ruischt het ons tegen; hoog uit de lucht stroomen, zoowel des avonds als des morgens, de rijkste melodieën. Het is slechts één lied, dat men zich verbeeldt te hooren; want de veelstemmige kalanderleeuwerik neemt evengoed wat over van onzen akkerleeuwerik als van den Siberischen leeuwerik, en smelt zijn eigen strofen samen met die der anderen; hij minacht zelfs enkele tonen van den zwarten kalander, den rooden en kortteenigen leeuwerik niet, alle liederen in het zijne vereenigende zonder daarom het gezang der anderen geheel te overstemmen, hoe luid hij ook zijn eigen en geleende melodieën moge voordragen. Wanneer wij op een schoonen voorjaarsdag op onze vaderlandsche velden in verrukking naar het gezang van den akkerleeuwerik luisteren, wanneer wij zien, hoe onophoudelijk de eene lieve zanger na den anderen omhoog steigert, om in bezielde en bezielingwekkende tonen de komst der lente aan te kondigen, dan kunnen wij ons moeilijk voorstellen, dat zulks onbeteekenend is in vergelijking van hetgeen de steppe te zien en te hooren geeft, en toch, zoo is het in waarheid. Want de steppe is de eigenlijke woonplaats des leeuweriks; het eene paartje leeft naast het andere, de eene soort tusschen en te midden van andere soorten en de uitgestrekte steppe schijnt nauwelijks ruimte genoeg voor allen te bevatten. Toch zijn de leeuweriken niet de eenige bewoners dezer plaatsen. Betrekkelijk even talrijk zijn ook hun grootste vijanden, de wouwen, die ’t vooral gemunt hebben op het liefste, wat de leeuwerik bezit, [66]zijn kinderen. In welk gedeelte der steppe men ook moge komen, men kan er zeker van zijn, dat men een dezer roofvogels ontmoet; in het noorden de grauwe kuikendief, in ’t zuiden de steppenwouw, terwijl zij zwevende en zwenkende, dicht langs den grond strijkende, de steppe doorsnellen; niet zelden ziet men op de ruime vlakte troepen van vier tot acht stuks te gelijk jagen. Nog vaker dan deze, ofschoon niet zoo algemeen verbreid, laten zich twee andere steppenkinderen zien, de Italiaansche torenvalk en roodpootvalk, twee soorten, die in doen en laten weinig verschil aanbieden, in schoonheid, sierlijkheid van gedaante en aantrekkelijkheid van beweging met elkander wedijveren. Overal, waar slechts een rustplaats voor deze bekoorlijke wezens te vinden is, waar een telegraafdraad over de steppe gespannen is, een rotsachtig heuveltje zich boven de vlakte verheft, een Kirgiezengraf daarboven uitsteekt, zoekt men ze niet tevergeefs. Even verdraagzaam als gezellig, vrij van jaloerschheid, niettegenstaande zij denzelfden buit najagen, maken zij vlijtig jacht op allerlei insecten, op den vraatzuchtigen treksprinkhaan en op kleine kevers; zij zetten zich om uit te rusten en ter betere vertering van hun voedsel, zorgvuldig daarbij rondziende, op hunne wachtposten neêr, vliegen op, zoodra zij buit bespeuren, spoeden zich derwaarts, en staan met trillende vleugels, wier beweging echter nauwelijks waargenomen wordt, in de lucht, om van hier uit hunne prooi gemakkelijker gade te slaan. Als een steen laten zij zich nu naar beneden vallen, grijpen het insect, verslinden het in de vlucht, stijgen weder omhoog en beginnen opnieuw hetzelfde spel. Niet zelden ziet men tien tot twaalf dezer vogels boven dezelfde plek jagen; onwillekeurig trekken zij de opmerkzaamheid, zooveel afwisseling biedt hun bedrijf. Elken dag kan men ze ontmoeten, uren lang naar hen kijken, en telkens opnieuw wordt men door dit jachtspel geboeid. Zij behooren in het steppenbeeld evenals het zoutmeer, evenals de tulp en de lelie, evenals het kreupelhout en het tschigras en als de witte schaapjeswolken aan het hemelgewelf. Niet te vergeten is nog de rozé-spreeuw, eene weinig minder belangrijke verschijning, de kleurenrijke plaatsvervanger van onzen lieven huis- en tuinvriend, de ijverige verdelger van de vraatzieke sprinkhanen, de trouwste vriend der weidende kudde, de hooggeschatte helper van den mensch, wiens veldvruchten hij beschermt; daarom is hij ook in de oogen der steppenbewoners bijna een heilige vogel. Belangrijk is bovendien het vuist- of steppenhoen, een verbindingslid tusschen hoen en duif, welks geslacht zoo geheel thuis behoort in de steppe, [67]alsmede de groote trap met zijn aanminnige familieleden, de kraag- en dwergtrap, welke laatste reeds daarom de aandacht waard is, wijl hij voor eenige jaren in Duitschland, en wel in Thüringen is aangekomen, alwaar hij evenals in de steppe niet weinig bijdraagt tot versiering van het landschap, wanneer hij in golvende vlucht zijn volle schoonheid ontplooit. En nog andere, fraai, ja prachtig gekleurde vogels kunnen wij onder de bewoners der steppe opnoemen, zooals de aanvallige bijeneter en de Duitsche papegaai, die in vereeniging met valken en duiven de steil afvallende oeverbanken bewonen; de karmijnkleurige goudvink en de geelgors, die in het tschigras en kreupelhout zich ophouden, en vele meer. Zelfs de zwaluwen ontbreken niet in een gebied, alwaar de menschelijke woningen zoo zeldzaam zijn. Dat de oeverzwaluw ook hier aan alle steile meeroevers hare nestholen graaft, schijnt den zaakkundige niet vreemd, maar dat de huiszwaluwen nog heden ten dage van in ’t wild levende tot halfgetemde vogels worden, dat zij nog tegenwoordig hunne nesten aan de rotsen vasthechten, om de rotsen te verlaten zoodra er een grafteeken voor een of anderen Kirgies wordt opgericht, en daarin overgaan, dat de huiszwaluw zelfs in de Joerte gastvrijheid zoekt en ook vindt, wanneer de Kirgies slechts weet zoolang op dezelfde plaats te zullen vertoeven, totdat de eieren in het aan den koppelring der Joerte gehechte nest uitgekomen en de jongen volwassen zijn,—ziet! dat verdient vermeld te worden.

Op dezelfde plaatsen, welker vogelbevolking ik zooeven opnoemde, hebben zich nog andere dieren verzameld. Afgezien van de lastige muggen, vliegen, horzels en wespen of bijen, bemerkt men slechts weinige insectensoorten, ofschoon de genoemde zeer talrijk en over alle deelen van zulke streken verbreid zijn. Hetzelfde geldt van de reptielen, van welke wij in de door ons doorkruiste gedeelten der steppe eenige hagedissen en verschillende slangen aantroffen; zoo, wat de laatsten betreft, twee vergiftige soorten, n.l. de gewone adder en de halysadder. Deze twee slangen zijn wel is waar niet zoo talrijk als de hagedissen, maar toch vrij menigvuldig. Op onze tochten door de steppe zagen wij bijna elken dag dan den eenen dan den anderen Kirgies zijn mes uithalen en zich voorover op zijn paard buigen, om met welgetroffen slag den kop van een dezer giftslangen van den romp te scheiden. En toen wij in Slangenberg, een bergstadje in den Altaï, wilden onderzoeken of die plaats wel op eene rechte wijze aan haar naam was gekomen, keerden de door ons uitgezonden lieden na weinige [68]uren met zulk een rijken buit terug, dat wij niet weinig door dit zakelijk antwoord verrast waren en de waarheid niet meer in twijfel konden trekken van de geschiedenis, aangaande den oorsprong van dien naam, welke hierop neêrkomt, dat men vóór de grondvesting der stad duizenden van giftslangen had verzameld, opgehoopt en verbrand. Kikvorschachtige dieren en kleine zoogdieren zijn veel zeldzamer dan reptielen; van de eersten bemerkten wij slechts ééne paddesoort, van de laatsten enkele muizen, een ziesel, twee blindmollen en de bevallige springmuis, die onder den naam van paardespringer bekend is.

De ziesel en de springmuis zijn allerliefste verschijningen, en vooral de eerste verlevendigt de steppe dikwijls niet weinig, daar dit dier gezellig leeft en op daarvoor geschikte plaatsen, evenals vele andere marmotten in koloniën leeft. Hier ziet men namelijk des avonds de bewoners voor de schuins in den grond dalende pijp van hun hol zitten, of, bij de nadering van een wagen of eene ruiterschaar ijlings er naar toe vlieden, snel nog even zich nieuwsgierig op de achterpooten zetten, op het rechte oogenblik eensklaps in de veilige diepte verdwijnen, om evenwel weinige minuten later weder te voorschijn te komen, klaarblijkelijk met het doel om zich te overtuigen of het dreigend gevaar weder voorbij is. Het geheele gedrag van den ziesel geeft te kennen, dat hij aanhoudend geslingerd wordt door vrees en nieuwsgierigheid. Voor vrees bestaat er aanleiding genoeg, want is het niet de mensch dan zijn het wolven en vossen, koningsarenden en schreeuwarenden, die hem voortdurend op de hielen zitten, en men kan er zeker van zijn, daar vooral ziesels aan te treffen, waar men een koningsarend op een paal aan den weg of op de boomen in de dorpen ziet zitten. Niet zoo dikwijls ontwaart men de springmuis,—voorzeker het sierlijkste zoogdier der steppe—niet zoozeer omdat deze knaagdieren minder talrijk zijn, maar omdat zij, als nachtdieren, eerst na zonsondergang te voorschijn komen; om dezen tijd, en als de maan schijnt nog later, kan men zien, hoe deze bekoorlijke wezens hunne holen verlaten, zich uitrekken en met de korte voorpootjes tegen de borst gedrukt, op de lange kangeroe-achtige achterpooten als op stelten vooruithuppelen, terwijl zij onder het springen het slanke, recht opgerichte lichaam met behulp van den langen, aan twee kanten behaarden staart, in evenwicht houden.

Rusteloos, maar niet te schielijk snelt de paardespringer voort, nu en dan een oogenblik ophoudende, om met zijne lange knevelharen [69]rond te tasten en rond te snuffelen naar voor hem bruikbaar voedsel. Hier pikt hij een zaadkorrel op, ginds graaft hij een bolgewas uit; men zegt zelfs dat hij ook op dieren aast, vogelnesten plundert, eieren en nestjongen rooft, ja zelfs op kleine knaagdieren jaagt, en ik waag het niet hem van deze zonden vrij te spreken. Eene nauwkeurige waarneming evenwel van de levenswijze van dit dier is zeer moeilijk; want zijne zintuigen zijn scherp en zijne geestelijke talenten niet vele, zoodat vrees en schuwheid twee voorname karaktertrekken van de springmuis uitmaken. Zoodra het beestje in eene hem bedenkelijk schijnende nabijheid een mensch ziet naderen, slaat het in eens op de vlucht, en tevergeefs zou men pogen het daarbij te volgen, want zelfs geen ruiter te paard haalt den springer in. Met krachtige sprongen, de lange achterpooten zoover mogelijk uitstrekkende, zich van den in volle lengte uitgestrekten staart als van een balanceerstok bedienende, vliegt de springmuis heen. De eene sprong volgt op den andere, en voor men het weet is zij in het nachtelijk duister verdwenen.

In het steppengebergte treden weer andere diersoorten op, inzonderheid wanneer het gebergte, in plaats van enkel zacht glooiende hellingen, steil in de diepte afvallende rotswanden, uit steengruis samengestelde hoogten, diep ingesneden, woeste kloven, en spitse, onbegroeide toppen en kammen bezit. In de nauwe, groene dalen, door welke een beekje vliet, weidt de vosgans, een ongemeen sierlijke, levendige vogel, ter groote eener goede eend, de gans van het Middel-Aziatische hooggebergte; in de rotsspleten nestelt de rotsduif, de stamsoort onzer tamme duiven; van de rotsblokken, waarop tapuiten, steengorzen en steengoudvinken huizen, dalen de weeke liederen van den steenlijster; de lustige alpenkraai omzweeft de toppen en boven deze trekt des daags de steenarend zijn kringen en glijdt des nachts stil en onhoorbaar de oehoe, beiden er op uit om een der talrijke steenpatrijzen of wel eene onvoorzichtige marmot te pakken. Meer nog evenwel verdient de aandacht de archar der Kirgiezen, een dier reusachtige wilde schapen, die Middel-Azië herbergt, hetzelfde dier, dat ik zoo gelukkig was in het gebergte van Arkat te vellen.

Volgens de nauwkeurige berichten, die de Kirgiezen mij verstrekten, leeft dit trotsche dier niet alleen hier, maar ook op andere minder hooge gebergten der West-Siberische steppen; tot den bronsttijd leven zij in troepjes van vijf tot vijftien stuks, rammen en ooien, in van elkander gescheiden gezelschappen. Iedere afzonderlijke troep blijft op [70]de eenmaal uitgekozen plek zoolang zij niet gestoord of verontrust wordt; gebeurt dit, dan verwisselt zij den eenen bergtop voor een anderen, nooit echter naar verre trekkende. Tegen zonsondergang klimt zulk een troep, aangevoerd door een mannetje, naar de hoogste toppen om aldaar op plaatsen, die voor andere dieren, of moeilijk, of in ’t geheel niet te bereiken zijn, te slapen; met het aanbreken van den dag begeeft zich oud en jong weder naar de dalen om hier te grazen en steeds aan dezelfde bron te drinken; in de middaguren legeren de archars zich in de schaduw der rotsen, op plaatsen, die een vrij uitzicht open laten, om daar te rusten en te herkauwen; tegen den avond trekken zij nogmaals uit om te grazen. Zoo brengen zij des zomers en ’s winters den dag door. Zij vreten alle planten, die ook het voedsel uitmaken van ons tamme schaap; zij zijn, als het moet, even zoo weinig eischend als dit laatste, lijden daarom ook in den winter geen groot gebrek, en zijn in het voorjaar weldra weder zoo goed op krachten, dat zij van nu aan tot den herfst slechts de lekkerste planten uitkiezen. Hun gewone gang is een snelle, zeer spoedig vooruitbrengende draf, dien zij alleen verhaasten wanneer zij opgeschrikt worden; worden zij door een ruiter nagezeten, dan veranderen zij den gewonen tred in een wijd gestrekten galop, en daar zij steeds de richting naar de rotsen inslaan, zijn zij spoedig buiten bereik.

Op de vlakte zoowel als in het gebergte draven zij, op de vlucht, altijd in eene rij achter elkaar, dicht aaneengesloten, en deze rangschikking hernemen zij telkens zoo spoedig mogelijk, wanneer zij plotseling overvallen en uiteengejaagd zijn geworden. Tusschen de rotsen bewegen zij zich uiterst gemakkelijk, met veel behendigheid en zekerheid, onverschillig of zij klimmen of dalen. Zonder zich ’t geringste in te spannen, zonder veel haast zelfs te maken, klauteren zij langs de steilste paden op en neêr, springen over diepe en wijde kloven, en van de hoogte naar de laagte, als waren zij vogels, die vliegen kunnen. Worden de archars vervolgd, dan blijven zij van tijd tot tijd stil staan, klauteren op een hoogere rots, ten einde in ’t rond te zien, en zetten daarop hun tocht zoo bedaard voort, als dreven zij met hun vervolgers den spot. Het bewustzijn van kracht en klautervaardigheid verleent hun een trotsche vermetelheid. Zij overhaasten zich nooit, en slechts dan moeten zij deze langzaamheid boeten, wanneer een verscholen schutter hen in den rug aanvalt.

De ooien leven onderling altijd zeer eendrachtig, de rammen insgelijks, [71]uitgezonderd in den bronsttijd. Deze valt in de tweede helft van October en duurt eene maand lang. Alsnu komen de moedige en strijdlustige rammen in een staat van groote opgewondenheid. De oudsten nemen een bepaalde standplaats in bezit en verdrijven van daar alle zwakken. Met huns gelijken in krachten vechten zij nu op leven en dood; zij plaatsen zich recht tegenover hunne mededingers, gaan op de achterpooten staan, stormen op elkaar los, en stooten met de zware horens zoo geweldig tegen elkander, dat het gebergte er van dreunt.

Somwijlen gebeurt het, dat de horens in elkander verward raken en niet weer los kunnen komen, zoodat zij afbreken; ook wel slingert de een den ander in den afgrond, alwaar hij te pletter valt.

In de laatste dagen van April of in het begin van Mei brengt het schaap een of twee jongen ter wereld. Deze lammeren loopen, zooals wij bij gevangen dieren waarnamen, reeds weinige uren na de geboorte met hunne ouders rond, en volgen dezen binnen weinige dagen op alle wegen met de aan hun geslacht eigen behendigheid en zekerheid. Dreigt er ernstig gevaar, dan verbergt de moeder haar kind tusschen de rotsen, zeker om den vijand te misleiden, en keert, nadat het gevaar geweken is, tot haar jong terug. Dit laatste heeft zich intusschen plat op den grond uitgestrekt, houdt zich zoo stil als een muisje en wordt als aan de rotsen gelijk; zoo ontgaan de lammeren dikwijls aan den blik des vervolgenden vijands,—niet altoos, en ’t allerminst aan de oogen van den steenarend, die een van het moederschaap afgezonderd lam onverwijld aanvalt en doodt. Zoo gebeurde het, terwijl wij in het Arkatgebergte op de jacht waren. Gevangene archarlammeren, die wij van de Kirgiezen ontvingen, bleken allerliefste dieren te zijn; zij vatten terstond de uiers van eene hun opgedrongen min, zoodat men daaruit mag afleiden, dat zij gemakkelijk zijn te temmen en op te voeden.

Indien men er eens huisdieren van maakte zou zulks een belangrijke aanwinst worden voor den veestapel, maar de Kirgies denkt daaraan niet; hij is er alleen maar op uit om de wilde dieren te vangen. Hartstochtelijk wordt die jacht echter niet gedreven en daarom blijft de wolf, ofschoon dit ondier slechts in den winter, wanneer de sneeuw dik op de velden ligt, een enkelen archar kan verscheuren, deszelfs meest gevaarlijke vijand.

Evenals op het gebergte komen er ook op de dorste en meest woeste deelen der steppe, die zelfs in de lente doen denken aan de woestijnen en woestijnsteppen van Afrika, bijzondere, slechts daar [72]thuis behoorende dieren voor. In deze streken verdwijnen behalve het lage pluimgras en de hier tot een klein struikje ineengekrompen bijvoet bijna alle andere gewassen, die men overigens in de hoog- en laagsteppe waarneemt; daarentegen is hier juist een afzonderlijke struik opgeslagen, dien men elders tevergeefs zoekt, n.l. de ramstruik, zoo genoemd wegens zijn buitengewoon hard en droog hout, waar de bijl zelfs op afstuit. Dit gewas wortelt op die enkele plaatsen in de steppe, alwaar een mager, rood, door den regen bijeengestroomd leem den bodem bedekt; het vormt vrij uitgestrekte boschjes en verleent ook andere planten bescherming en schaduw, zoodat zulke groene plekken als oasen zijn in de steppenwoestenij. Toch zijn deze oasen weinig meer bevolkt dan de omringende steppe; want een klauwier, een gewone grasmusch en een fitis uitgezonderd, ziet men hier geen enkelen vogel en nog minder eenig zoogdier. Daarentegen wonen juist in deze eenzame oorden eenige der merkwaardigste steppendieren, behalve die, welke overal in de steppe voorkomen. Zoo behalve de kortteenige leeuwerik en de kalander ook nog de gitzwarte steppen-leeuwerik; zulks schijnt vreemd, wanneer men bedenkt, dat alle grondvogels de kleur dragen van den grond, waarop zij leven, weshalve men dezen leeuwerik op zwarten grond zou zoeken; behalve de kleine plevier, de kuddenkievit; behalve de groote trap, de slanke kraagtrap, door de Kirgiezen pasgangertrap genoemd; behalve het gewone steppenhoen, het vuisthoen—hetzelfde, dat voor eene reeks van jaren bij groote scharen zich in Duitschland (ook in Nederland) vertoonde, zich vestigde in de duinen en op zandachtige plaatsen, maar zoo ongastvrij met geweren en strikken, zelfs met vergift ontvangen werd, dat het zoo spoedig mogelijk het moorddadig land verliet en ongetwijfeld zijn wieg en bakermat weder heeft opgezocht; hier verblijven eveneens, behalve de veelvuldig voorkomende wezel, de steppenantilope en de koelan, het schuwe, wilde steppenpaard. Ten einde niet al te wijdloopig te worden, moet ik mij hier bepalen tot een korte beschrijving van dit laatste dier.

Indien de leer van Darwin juist is, zouden wij den koelan mogen beschouwen als de stamvader van ons paard, dat door eeuwen lang voortgezette veredeling allengs vele wijzigingen heeft ondergaan; deze veronderstelling bevredigt ons in elk geval beter dan aan te nemen, zooals dikwijls zonder genoegzamen grond gedaan wordt, dat die stamsoort is uitgestorven. Sommigen willen in den tarpan, die tegenwoordig nog in de steppen van den Dnjepper vrij rondzwerft, geen verwilderd, [73]maar een wild paard zien; ik houd evenwel liever den koelan voor de oorspronkelijke stamsoort.

De jongste onderzoekingen hebben tot het resultaat geleid, dat onze huishond, wiens zoo onderscheiden rassen men ook niet juist, zelfs niet bij benadering eenigszins nauwkeurig kan aangeven, een afstammeling is van heden ten dage nog levende wolven- en jakhalssoorten, eene uitkomst die aan mijne zienswijze niet weinig steun verleent. Leeft ook de stamsoort onzer huiskat op den huidigen dag nog niet in Afrika in het wild, de stammoeder onzer geit in Klein-Azië en op Kreta? En al mogen wij op dit oogenblik nog in het onzekere verkeeren ten aanzien van de stamouders van ons schaap en rund, zoo is het daarentegen een feit, dat ik van drie verschillende zijden, o.a. van eenen Kirgies, die zegt het dier zelf gejaagd te hebben, zulke overeenstemmende berichten ontvangen heb omtrent een in de binnensteppen van Mongolië nu nog levend, kameelachtig dier, dat overigens alle eigenschappen van eene wilde soort aan zich draagt, dat ik aan de waarheid dier mededeelingen niet kan twijfelen; evenals bij den tarpan kan ik hier hoogstens de vraag opwerpen, of dit kameel de in ’t wild levende stamvader kan zijn van het huisdier der Kirgiezen, dan wel of het als een weer verwilderde nakomeling daarvan moet beschouwd worden. Wanneer de sluier die over deze en dergelijke vraagstukken ligt uitgespreid, meer en meer wordt opgelicht, wanneer de eene stamvader onzer huisdieren na de andere wordt ontdekt, en onder de nog levende dieren opgespoord, waarom zou dan enkel de stamvader van het paard, wiens levensvoorwaarden zoo volkomen vervuld worden door de wijde, onafzienbare steppe, uitgestorven en tot op de laatste sporen verdwenen zijn? Onder de nu nog levende wilde paarden der oude wereld hebben wij dien stamvader te zoeken, en onder dezen heeft geen meer recht op de eer die stamvader te zijn dan de koelan. De tarpan staat ons paard wel is waar in menig opzicht nader, maar wanneer het werkelijk de Hyksos zijn geweest, die in Egypte, welks steenen monumenten ons het eerst het paard te aanschouwen geven, dit dier invoerden, of wanneer de Egyptenaren zelven nog vóór den tijd der Hyksos, alzoo minstens vijf en twintig eeuwen vóór onze jaartelling, het paard hebben getemd en tot een huisdier gemaakt,—in de steppen van den Dnjepper en den Don vingen zij zeer zeker dat wilde dier niet; want dichter bij, in de steppen en woestijnen van Klein-Azië, Palestina en Perzië, alsmede in enkele laagvlakten van Arabië en Indië troffen zij een heden ten dage [74]nog levend, veelbelovend wild paard aan, den koelan. Wel wijkt dit dier in menig opzicht van ons edel huisdier af, echter niet meer dan de windhond, poedel en New-foundlander van den wolf, of eenigen anderen oerhond, niet meer dan de dashond, de pintscher of de zijdehond van den jakhals, niet meer dan de pony van het Arabisch paard, het Belgisch-Fransche karrenpaard van het Engelsche renpaard. De verschillen tusschen ons paard en den koelan schijnen zeer groot te zijn, toch beschouwen beiden zich als kinderen van één bloed, want zij zoeken elkanders gezelschap.

Toen wij op den 3 Juni 1876 door de woeste, eenzame steppe reden, die zich uitstrekt tusschen het Saisanmeer en den Altaï, welke steppe hierboven mij tot type heeft gediend, ontmoetten wij in den loop van den voormiddag niet minder dan vijftien koelans, en onder dezen een enkel paar, dat op den breeden rug van een niet ver verwijderden heuvel weidde. Duidelijk en scherp teekenden zich beide gedaanten tegen den blauwen hemel af, en zoowel bij ons als bij de Kirgiezen, die ons vergezelden, begon het jagershart heftig te kloppen.

Een der beide dieren verwijderde zich toen het ons in ’t oog kreeg, en liep weg, de richting naar ’t gebergte inslaande; het tweede bleef stilstaan en scheen te overleggen wat het doen zou, hief een en andermaal den kop omhoog en rende ons te gemoet. Alle buksen werden in gereedheid gebracht: de Kirgiezen vormden langzaam en voorzichtig een halven cirkel, met het doel het onverstandige, zoo opvallend zorgelooze wild op het rechte oogenblik naar ons toe te drijven. Meer en meer, ofschoon bij tusschenpoozen, maar toch voortdurend, naderde de eenhoever ons; wij beschouwden hem reeds als een zekere buit.

Daar gleed een glimlach over het gelaat van den naast mij rijdenden Kirgies; hij had niet alleen de reden ontdekt van het oogenschijnlijk zoo dwaas bestaan des diers, maar dit zelfs meteen herkend.

Het was een Kirgiezenpaard, dat op ons afrende, maar dat in zijn teekening veel had van een koelan; dit paard was zijn meester ontloopen, was wellicht onder een troep wilde paarden verdwaald geraakt en bij gebrek aan beter gezelschap daar gebleven; thans echter, nu het in de naderende rossen zijn soortgenooten herkende, liet het in den nood zijn vrienden in den steek. In de onmiddellijke nabijheid onzer Kirgiezen gekomen, bleef het nogmaals stilstaan, wilde het nog eens overwegen, of het wel wenschelijk zou zijn weder opnieuw den pas geheelden rug onder den zadel te krommen; op de eerste schrede achterwaarts [75]volgden echter ook de anderen en zonder aan de vlucht te denken, liet hij zich gewillig een halster aanleggen en weinig minuten later draafde het zoo goedmoedig aan de zijde van den hem leidenden Kirgies, als had het dier nog nooit het vrije leven zijner voorvaderen leeren kennen. Door eigen ervaring hadden wij dus bevestigd gevonden, wat ons door anderen was medegedeeld, t.w. dat koelan en paard somwijlen gemeenschappelijk leven.

De koelan is ontegenzeggelijk een trotsch, in elk opzicht boeiend schepsel, vol zelfbewustzijn, kracht en overmoed. Nieuwsgierig staart hij den ruiter aan, die hem nadert; dan echter draaft hij zoo achteloos weg, alsof hij met zijn vervolgers den spot drijft, terwijl hij al spelender wijs de flanken met zijn staart geeselt. Geeft de ruiter zijn ros de sporen om het tot spoed aan te zetten, dan gaat de draf van den koelan over in een even gemakkelijken als snellen galop; vlug als de wind doorvliegt hij de steppe en is spoedig uit het gezicht. Maar zelfs in dien dollen loop houdt hij nu en dan in, blijft een oogenblik staan, werpt zich om en ziet zijn vervolger in ’t gezicht, hinnikt, keert opnieuw om, werpt overmoedig de achterpooten in de lucht en springt met dezelfde losheid verder. Een vluchtende troep schaart zich steeds in eene rij, en wanneer deze, als op een bevel van den aanvoerder plotseling stilhoudt, zwenkt en verder rent, dan levert zulks een ongemeen schoon gezicht op.

Even als bij alle andere paarden wordt zulk een troep steeds aangevoerd door een hengst, die tevens onbepaald gebieder is. Hij geleidt den troep naar de weide en op de vlucht, weert moedig elken hem niet in kracht te boven gaanden roover af, en duldt onder zijn onderhoorigen geen gevecht, geen medeminnaar, en in ’t algemeen geen volwassen hengst. Daarom ziet men in de streken, alwaar deze dieren rondzwerven, dikwijls kluizenaars ronddolen, die door geen enkelen troep worden opgenomen; het zijn de in langdurigen en verwoeden strijd overwonnen en verdreven hengsten, die nu tot den volgenden bronsttijd eenzaam en verlaten rondzwerven. In September naderen zij de kudden weder, waaruit inmiddels de oude hengst alle opschietende jonge hengsten verdreven heeft. Een grimmige strijd begint, zoodra zij een mededinger ontmoeten. Uren lang ziet men hen om dezen tijd op de toppen der steile bergruggen staan: de wijd geopende neusgaten zijn naar den wind gekeerd, het oog staart in de vlakte beneden hen. Zoodra de verdrevene een anderen hengst in ’t oog krijgt, springt [76]hij dezen in gestrekten galop te gemoet en strijdt met tanden en hoeven, totdat de uitputting de vechtenden scheidt.

Zegeviert hij over den aanvoerder eener kudde, dan treedt hij in diens plaats en rechten, en de merries volgen hem even gewillig als zijn voorganger. Op dien tijd van strijd volgt de verhuizing; want de booze winter drijft ook de koelans van de eene plaats naar de andere, en eerst nadat de lente haar intocht heeft gehouden, keert de troep naar de oude standplaats terug. Hier brengt de merrie tegen het laatst van Mei of het begin van Juni haar veulen ter wereld, dat in alle opzichten gelijkt op het veulen van ons paard, oogenschijnlijk iets plomper, maar toch een zeer aardig, vroolijk diertje. Wij hadden het voorrecht ook het veulen te leeren kennen.

Toen wij een lang gerekten heuvel der genoemde woeste steppe beklommen, zagen wij plotseling op geringen afstand, drie oude koelans met een klaarblijkelijk eerst voor weinige dagen geboren veulen voor ons. Onze Russische gids vuurde een kogel op hen af, en weg renden de wilde paarden; tenauwernood raakten de kleine hoeven den grond, terwijl zij als het ware al spelende hunne behendigheid ten toon spreidden en ten behoeve der veulens blijkbaar hun loop iets inhielden. Vooruit snelden evenwel ook op hetzelfde oogenblik alle Kirgiezen en Kozakken van ons gevolg; vooruit snelden, door de algemeene razernij medegesleept ook onze bedienden; vooruit stoven ook wij. Het was een wilde jacht! Altijd nog met hunne krachten spelende liepen de wilde paarden in de richting der bergen voort, terwijl alle ruiters hun rossen dwongen om hun volle krachten te ontplooien, zoodat de dieren bijna met den buik langs den grond streken. Het juichend geschreeuw der Kirgiezen, het stampen der bliksemsnel voorthollende paarden, het hinniken van onze veel langzamer loopende, onder den teugel knersende rijpaarden, weêrgalmde door de lucht, de fladderende mantels en kaftans, het opstuivende zand verlevendigden de woestijn. Steeds verder en verder voerde ons de dolle jacht. Daar scheidde zich het veulen van zijn oudere gezellen en bleef iets achter; de afstand tusschen hem en de telkens met angst achteruitziende moeder werd steeds grooter, die tusschen het veulen en de ruiters steeds kleiner; nog enkele minuten en het was gevangen. Zonder tegenstand te bieden gaf het zich aan zijn vervolgers over; van de wildheid, de onbedwingbare eigenzinnigheid, de bandelooze, soms in ware ondeugendheid ontaardende moedwilligheid der oudere dieren zijner soort [77]was nog geen spoor waar te nemen. Onschuldig keek het ons met zijne groote, levendige oogen aan; met welbehagen naar het scheen, liet het zich over zijn zachte huid streelen en gewillig aan een koord binden en leiden; onbezorgd als een kind legde het zich naast ons neder, om na de heete jacht, waarvan hij zelf het doelwit was geweest, de voor hem zoo noodige rust te genieten; het was een bekoorlijk, innemend schepsel! O, hadden wij het dier slechts dadelijk eene zoogende merrie, rust en verpleging kunnen verschaffen! Maar dat was onmogelijk, en het lieve, aanvallige wezen stierf dan ook reeds den volgenden dag. Een volwassen wild paard zouden wij met jagerslust gedood hebben; het jonge dier te zien sterven, dit greep ons aan.

Tevergeefs trachtten wij een der oude dieren te vangen; tevergeefs legden wij ons naast het vastgebonden veulen in hinderlaag; tevergeefs hielden wij een drijfjacht—niemand onzer slaagde. Als jager scheidde ik met leedwezen, als natuuronderzoeker ten volle bevredigd uit de armzalige woestenij: ik had immers het edelste zoogdier der steppe leeren kennen. [78]

[Inhoud]

IV.
WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË.

Inhoudsopgave

De eentonige indruk, dien wij van Siberië ontvangen, spruit vooral daaruit voort, dat drie zeer van elkander verschillende, maar zich zelf min of meer gelijkblijvende breedte-gordels bijna overal het landschap beheerschen. Elk dezer gordels bewaart steeds zijn eigen karakter, en brengt dezelfde beelden zoo herhaaldelijk voor oogen, dat we er eindelijk moede van worden niet alleen, maar dat allengs de vatbaarheid voor indrukken in dien graad wordt verstompt, dat men ten laatste bijna ongevoelig wordt voor de werkelijke bekoorlijkheden van het landschap.

Daarom spreekt men zoo zelden met waardeering, nog minder vaak met warmte voor dat uitgestrekte gebied, ofschoon het beide ten volle waard is; dientengevolge heeft zich allengs eene opvatting van Siberië van ons meester gemaakt, die even weinig met de werkelijkheid overeenkomt, als zij zich hardnekkig verzet tegen elke andere, op de feiten der ervaring steunende zienswijze.

Siberië is, zegt men, eene ijzingwekkende ijswoestijn, zonder eenig leven, zonder eenige afwisseling, zonder eenige bekoorlijkheid, een land, verstijfd onder den vloek des hemels en dien van ongelukkige bannelingen. Men verliest daarbij uit het oog, dat wij hier te doen hebben met een derde deel van geheel Azië, met een land, dat bijna tweemaal zoo groot is als geheel Europa, dat zich uitstrekt van den Oeral tot de Stille Zuidzee en van de IJszee tot aan den breedtegraad van Palermo, en dat zulk een groot land onmogelijk in algemeenen zin gelijkvormig, in al zijn deelen gelijk kan zijn. Men vat gemeenlijk slechts een enkel deel in het oog en bekijkt ook dit nog in een valsch licht.

In werkelijkheid biedt Siberië meer afwisseling aan dan iemand zou denken, en is het daaraan rijker dan zijn beschrijvers het afschilderen. Ook de Siberische laagvlakte omvat gebergten, of wordt door bergen omgrensd, ook in Siberië schenken stilstaande en stroomende wateren [79]leven, ook in Siberië giet de zon haar tooverlicht over bergen en dalen, ook in Siberië vindt men hoog geboomte en prachtige bloemen, die het landschap tooien, en ook in Siberië leven gelukkige menschen, die hun geboorteland liefhebben en er trotsch op zijn.

Aan den anderen kant zijn er ontegenzeggelijk ook nu nog wildernissen in Siberië, die voor de zoo even genoemde ongunstige opvatting pleiten, ijswoestijnen, zooals de toendra’s, en de onherbergzame wouden tusschen de toendra en de steppe, welke wouden den derden gordel uitmaken. Hierin waagde zich tot nog toe geen mensch, tenzij slechts voor korten tijd.

Het doen en laten der grensbewoners ging buiten deze wouden om; hoogere machten regeeren onbeperkt daarbinnen, om te vernietigen, wat zij hebben opgebouwd. Het vuur des hemels zet hun geboomte in brand, de loeiende winterstorm rukt het ter aarde. Die wouden werden door geen menschenhand geplant, geen bijlslag werd er in gehoord; oerwouden zijn het in de volle beteekenis des woords. Geheimzinnig trekken zij ons aan, onvriendelijk stooten zij ons af; zij lokken den jager tot een bezoek, maar stremmen zijn voet: eene rijke winst belooven zij den begeerlijken koopman, maar met een wissel op de toekomst schepen zij hem af.

Tusschen de steppe en de toendra ligt deze woudgordel van Siberië.

Hier en ginds grijpt hij daarin, hier en daar buigen steppe of toendra binnen dien gordel. Op sommige plaatsen der beide boomlooze gebieden kan wel is waar een dicht bosch den grond betwisten aan eene plantenwereld, die bijzonder het eigendom is van steppe of toendra, maar zulke afzonderlijke boschpartijen zijn als eilanden in den Oceaan, die geen recht van bestaan schijnen te hebben. In de steppe blijven zij bepaald tot de naar het noorden afvallende berghellingen en tot de rivierdalen; in de toendra tot de diepste gedeelten, en alzoo doen zij zich zoowel hier als ginds als onbeteekenend voor tegenover de eindelooze bosschen van den woudgordel zelf, waarin slechts enkele malen een stroom, een meer, een poel de overigens onafgebroken woudwildernis eenige afwisseling schenkt, waarin slechts hier en daar een brand opene plekken schept, en de mensch, alhoewel slechts aan den uitersten zoom, eene kleine bres maakt. Geheele koninkrijken zouden plaats kunnen vinden in een enkel dezer wouden. Hoe zij er van binnen uitzien, niemand weet zulks; want zelfs de uit deze bosschen voortkomende en naar den hoofdstroom zich spoedende zijrivieren zijn niet bevaarbaar [80]en de koenste pelsjager leerde hier weinig meer kennen dan een grensgordel van ten hoogste honderd kilometer breedte.


HET AZIATISCHE STEPPENHOEN.

De indruk, dien de Siberische bosschen op den Duitschen reiziger teweegbrengen is verre van gunstig. Een blik op die eeuwige, met bosschen bedekte streken ontstelt, maar verwarmt niet, althans slechts zeer zelden. De scheppende, voortbrengende, voltooiende macht van het noorden schijnt niet in staat te zijn het hoofd te bieden aan de vernielende elementen. De grijsheid is hier gehuwd aan de vroege jeugd, zonder dat deze vereeniging een verkwikkelijken invloed uitoefent; een rijkdom zonder maat vertoont zich hier in ’t gewaad eens bedelaars; het afgestorven leven zonder krachtige kiemkracht dringt elke vroolijke gewaarwording terug. Overal neemt men een harden levensstrijd waar, maar nergens wordt men werkelijk aangetrokken, nergens werkt het bosch als een aangenaam tehuis, en het inwendige beantwoordt nergens aan de verwachtingen, die het uitwendige opwekte. De majesteit der oerwouden in zuidelijker gelegen landen ontbreekt in deze aan zich zelf overgelaten, onverzorgde bosschen geheel en al, en het hierin opgewekte leven schijnt reeds van den aanvang af in de boeien des doods gekneld te zijn.

Werkelijk hoogwoud, levenslustig, aan een regelmatige wisseling onderworpen geboomte is zeldzaam; verbrande bosschen zijn menigvuldig. Vroeger of later steekt de bliksem of de strafbare lichtzinnigheid van den Siberiër het woud in brand. Begunstigd door jaargetijde en weder kan zulk een brand schrikbarende verhoudingen aannemen. Niet uren of dagen, maar weken lang woedt hij ongestoord voort. Op den met mos begroeiden, veenachtigen grond kruipt en kronkelt de vlam steeds verder; het dorre hout, dat bij massa’s den bodem bedekt, schenkt haar telkens nieuw voedsel; doode, tot op den grond neêrhangende takken van nog staande, maar in den top reeds verdorde stammen leiden haar naar de kronen van nog frissche boomen. Suizend en knetterend vatten de met hars gedrenkte naalden vlam, en een reusachtige fontein van vuur en vonken stijgt ten hemel.

De hoogste boomen zijn binnen weinige minuten gedood en der vernietiging prijsgegeven; uit de vuurfontein vallen millioenen vonken ter aarde en overal in ’t rond stijgen nieuwe vlammen uit de nieuwe brandstof opwaarts.

En op deze wijze met elke secunde nieuwen bodem erlangende, zich naar alle kanten uitbreidende, loopt het verderf steeds verder en verder; [81]en na verloop van enkele uren staan geheele kwadraatmijlen van het woud in brand. Walmende rookwolken verduisteren het licht der zon honderden wersten ver; langzaam, maar steeds in dichter en dikker lagen neerstortende asch geven over dag, de vurige weêrschijn aan den hemel des nachts aan de verst afwonenden kondschap van het onheil; door doodsangst aangegrepen dieren brengen het bericht in steden en dorpen. Beren verschijnen onmiddellijk na groote boschbranden in streken, waar men ze in jaren niet zag; de wolven trekken, evenals in den winter, bij groote troepen door het veld; elanden, herten, reeën en rendieren zoeken in ver afgelegen wouden een nieuwe schuilplaats op; de eekhorens trekken soms in ontelbare menigte door de bosschen en boomlooze streken, over weilanden en akkers, door dorpen en steden. Hoeveel dieren echter het vuur ten offer vielen, laat zich zelfs niet gissen; wel heeft de ondervinding geleerd, dat bosschen, waarin een brand had gewoed, jarenlang onbevolkt bleven en dat kostbare jachtdieren uit zulke streken geheel en al verdwenen waren. De verwoestingen strekken zich zeker nog veel verder uit, dan wij vermoeden; in het jaar 1870 werd door een brand, die veertien dagen duurde, een half millioen hektaren boschgrond in het gouvernement Tobolsk vernield; rookwolken en asch verspreidden zich daarbij tot op een afstand van 1600 werst.

Jarenlang na den brand is zulk een plaats niets dan een puinhoop, ja een of twee menschenleeftijden later zijn de sporen nog niet geheel uitgewischt. De vlammen doodden wel de boomen, maar verteerden slechts die, welke op het oogenblik van den brand reeds verdord waren; de oppervlakkig geschroeide stammen der andere bleven echter staan, ja zelfs de kruinen boetten alleen hun naalden, twijgen en verdorde takken in. Met het afsterven der boomen begint echter hunne vernietiging. Vroeger of later worden zij onherroepelijk door den storm geveld. De een na den ander wordt ter aarde geworpen, de een na den ander van zijn takken beroofd, ontkruind en ter hoogte van twee derden of drie vierden, van den grond afgerekend, geknakt. Door en over elkander liggen eindelijk duizenden boomlijken in massa’s op een grond, die reeds met talrijke fragmenten was bedekt. Sommige rusten op de wortels of de kruin vertakkingen, andere leunen tegen nog staande stammen; weder andere liggen verbrijzeld tusschen de takken en twijgen van omlaag gestorte kruinen, met gescheiden en ver uiteenliggende kronen en stammen, terwijl de takken naar alle windstreken [82]verspreid en verwaaid werden. En die boomen, welke bij den storm gespaard bleven, verwekken in de ziel van elken minnaar der bosschen nog droefgeestiger gewaarwordingen dan de reeds gevoelde. Als naakte, kale masten stijgen zij omhoog. Weinige behouden nog eenige jaren na den brand hunne kronen of gedeelten daarvan; de van hun takjes beroofde bovenste kruintakken vermeerderen den treurigen indruk nog meer, dan dat zij dien verminderen. Allengs vallen ook de laatste kronen op den grond en nu vermolmen ook de nog staande stammen steeds meer en meer. Spechten bewerken ze aan alle kanten, hameren er nestholten in, en zoo verkrijgt het vocht gelegenheid naar binnen te dringen, zoodat het verrottingsproces een sneller verloop verkrijgt. In den loop der jaren vermolmt ook de reusachtige stam zoo volledig, dat hij in stof verkeert en alle weêrstandsvermogen verliest; als een vormlooze massa valt hij ter aarde, wanneer hij slechts even wordt aangeraakt. Eindelijk verdwijnt ook dat laatste spoor en eene uitgestrekte, hier en daar door enkele overblijfsels van boomen afgebroken vlakte spreidt zich uit voor ’s menschen blik.

Maar een nieuw leven is intusschen uit deze puinhoopen ontkiemd. Reeds weinige jaren na den brand begint de zwarte, door asch en molm bemeste grond weêr met planten bedekt te worden. Korstmossen en mossen, varens en heideplanten, inzonderheid verschillende bessoorten spreiden een kleed van groen, en de overblijfsels der gevallen boomen gedijen hier weelderiger dan elders, om even spoedig weder verschillende dieren tot zich te lokken als de brand ze verdreef. Het zaad van berken, door den wind aangevoerd, kiemt en ontspruit, en allengs is er zulk een dicht, in ’t eerst hoofdzakelijk uit de laatst genoemde plantensoort gevormd struikgewas ontstaan, dat het den schijn heeft, alsof dit opzettelijk door ’s menschen hand was aangeplant. Na eenige jaren heeft de nieuwe opslag de oude lijken aan ’t gezicht onttrokken; nog eenigen tijd later en andere woudboomen nemen de plaats in hunner voorvaderen. Elke boschbrand spaart enkele gedeelten van het woud, soms zelfs blijven eenige boomen te midden van verbrande plekken ongeschonden staan; en zoo zijn de voorwaarden vervuld voor eene bezaaiing der verwoeste streken. Het water en diepe kloven stellen soms perk en paal aan ’t vernielend element; het kan ook gebeuren, dat de vlammen het geboomte aan de achterzijde der kloof bereiken en in brand steken, terwijl al wat in de kloof groeit, gespaard blijft. Alleen staande lariksen, ofschoon even geblakerd, ontkomen dikwijls aan de vernieling. [83]Wel lekken de vlammen aan den voet des stams, wel verkolen zij alle naalden, maar de kroon bot weer uit en de boom blijft, hoezeer kwijnend, nog geruimen tijd in het leven.

Tegenover de verwoestingen, die het vuur aanricht, zijn die welke de mensch veroorzaakt van geringe beteekenis, alhoewel zij, op zichzelf beschouwd, niet zoo geheel onbeduidend mogen genoemd worden. Van boschbouw heeft de Siberiër geen begrip. Voor hem is het woud het eigendom van den „lieven God,” en wat deze bezit, behoort ook aan den boer. Waar zooveel rijkdom heerscht, denkt hij natuurlijk niet aan spaarzaamheid, en hij vraagt slechts naar het oogenblikkelijk voordeel. Elke Siberiër velt zooveel en wat hem goeddunkt, en vernielt daarbij nog veel meer dan wat hij noodig heeft. Om eenige palen te bekomen, houwt hij geheele naaldboomen om, onverschillig of deze jong of oud zijn; heeft hij timmerhout noodig, hij velt drie- à viermalen zooveel als hij behoeft, en wat er te veel is laat hij liggen, zelfs zonder het als brandhout te benutten. Reeds nu laten zich de gevolgen dezer onzinnige handelwijze gevoelen. In de nabijheid der steden en dorpen, zelfs in de nabijheid der wegen, zijn de bosschen zoo ontbloot, dat zij er weinig beter uitzien dan die, waarin een brand heeft gewoed, en nog altijd gaat men met verwoesten voort. Eerst sedert het jaar 1875 heeft men in Siberië houtvesters aangesteld, maar ook deze lieden hebben een meer geopend oog voor het vellen dan wel voor den aanplant der boomen.

De Siberische wouden, ook die waarin noch het vuur noch de bijl heeft gewoed, zien er geheel anders uit dan onze bosschen; zij dragen den stempel eener door niets beperkte natuurlijke groeikracht. Slechts bij uitzondering werkt deze aantrekkelijk op ons.

Het is waar, aanvankelijk wordt men getroffen door die mengeling van worden en vergaan, maar het doode overheerscht allengs het levende en deze indruk bezwaart in plaats van te bezielen.

In zulke oerwouden wisselen dichte gedeelten af met ontbloote plekken, hoog woud met struikgewas, oude grijsaards, die den tijd trotseerden, met een krachtig jong gewas. Ook hier staan en leunen en hangen en liggen overal vermolmde boomen. Uit de tronken van gevallen stammen ontspruiten jonge loten; reusachtige lijken van boomen versperren den weg.

Wilgen en populieren, met den berk de meest gewone loofboomen der bosschen van westelijk Siberië, komen hier tot vollen wasdom; [84]dikwijls zien zij er uit alsof zij voortdurend belemmering ondervinden om tot volledigen groei te raken. Meer dan mansdikke stammen dragen verdraaide kronen van weinig omvang, waaruit jaar op jaar nieuwe twijgen ontspruiten, zonder dat deze het tot ware takken brengen; andere, oogenschijnlijk overoude boomen, treden slechts in den heestervorm op; wederom andere zijn middendoor gebroken, versplinterd en gescheurd, en bij den top verdraaid, terwijl het benedengedeelte slechts door een dunne schil met het boveneind verbonden is. Slechts bij uitzondering verkrijgt men den indruk van een geheel; bijna alles ziet er uit, alsof het kwijnt en meer en meer zijn ondergang te gemoet gaat.

Deze schilderij is evenwel niet van toepassing op alle deelen van het uitgestrekte gebied; integendeel, somtijds, vooral in het zuiden van den woudgordel vallen ons bosschen in ’t oog, waar de blik met welgevallen op rust. Ligging, plaatselijke gesteldheid, de hoedanigheid van den grond en andere omstandigheden werken somtijds samen tot eene heerlijke uitkomst. De boomen groeien dan vroolijk op, de samenstelling van het houtgewas verandert, en het bijna overal weelderige onderhout biedt de rijkste verscheidenheid aan. Elke nieuwe boomsoort, die de armoede des wouds, wat de soorten betreft, vermindert, begroeten wij telkens met nieuw gejuich; maar toch missen wij, zelfs in de rijkste partijen, nog een aantal boomen, die op gelijke breedte in Europa zeer gewoon zijn. Eenvormig en eentonig, evenals de steppe en de toendra zijn en blijven ook de wouden van dit land.

In de rivierdalen van den boomgordel valt die armoede het meest op. Hier heerscht de wilg, die aan de stroomen en op de eilandjes dikwijls uitgestrekte bosschen schept, zoo onbeperkt, dat bijna geen andere boom tot wasdom kan geraken. Mijlen ver maken zij het uitsluitend bestanddeel der bosschen in deze dalen uit; hier en daar schieten zij tot eene goede hoogte op, maar ook dan ontbreekt het nog al te dikwijls aan uitdrukking en bekoorlijkheid.

Want de op zich zelf staande boom is niets schilderachtiger, eerder minder schilderachtig dan het struikachtige wilgenbosch; de kroon blijft steeds dun en onregelmatig van vorm, wordt niet dicht, maar blijft armoedig, zoodat dit gezicht een gevoel van verveling bij ons verwekt.

Staan, zooals meestal, de boomen dicht opeen, zoodat er een bosch ontstaat, dan boeten zij nog meer van hun persoonlijkheid in, daar onder deze omstandigheden alle stammen als palen nevens elkander omhoog rijzen en de van boven recht afgesneden kronen, een geschoren [85]heg gelijk, tot eene enkele bladmassa ineensmelten, zoodat elke afzonderlijke boom verloren gaat. Eene vriendelijke afwisseling geven de daartusschen staande populieren, in het zuiden de zilverpeppel, in het noorden de ratelpopulier; deze brengen in het eentonige landschap wat leven.

In het rivierdal zelf, ofschoon altijd slechts op plaatsen, die niet blootgesteld zijn aan de periodiek terugkeerende overstroomingen, treedt, behalve de genoemde boomen der vlakte, de berk op; groepen van dezen boom vormen vrij geregeld een verbindingslid tusschen de wouden der dalen en de naaldhoutbosschen. Slechts in het zuidelijk gedeelte van onzen gordel verkrijgt de berk zijn volle grootte en schoonheid; hij wordt echter evengoed als de harsbevattende naaldboomen een prooi der vlammen en is daarom weinig in staat om het uitzicht van de bosschen der vlakte in gunstigen zin te veranderen. Zuivere, min of meer onvermengde berkenwouden vormen de grens van den boomgordel in het zuiden en grijpen dikwijls diep in de steppe; maar niet dan bij uitzondering vindt men ook van deze boomsoort echte, dichte wouden, zoodat men steeds gevaar loopt ontnuchterd te worden, wanneer men daarin doordringt.

Alleen de dennenwouden, die alle plaatsen tusschen de stroomloopen innemen, kunnen het oog van den westerling boeien en bevredigen. In zooverre de toendra niet reeds tot ontwikkeling kwam, worden deze wouden gevormd uit dennen en sparren, Altaï-dennen en cederdennen, zeldzamer uit lariksen, populieren en wilgen, hier en daar vermengd met lijsterbessen en vogelkers, alsmede uit berken, welke laatste boomsoort zoo talrijk kan voorkomen, dat het bosch bijna geheel uit deze schijnt te bestaan.

Altaï- en cederdennen zijn de karakterboomen van alle West-Siberische naaldhoutbosschen, beide meestal gelijk gekenmerkt door schoonheid en frisschen groei. Vooral de Altaï-den is een heerlijke boom. Na verwant aan onzen zilverden en de plaatsvervanger van dezen in alle wouden van oostelijk Rusland en westelijk Siberië, valt hij reeds van verre in ’t oog, daar hij boven alle andere naaldboomen uitsteekt. Van den zilverden en de spar onderscheidt hij zich door den trotschen bouw zijner slanke, kegelvormige kroon en zijn weligen, malschen, frisschen, heldergroenen naaldentooi. Hij overtreft alle andere woudboomen meestal in hoogte, en zijn kruin steekt voor een derde boven alle andere toppen uit, waardoor het eentonige van het glad afgeschoren [86]kruinvlak der bosschen verdwijnt, en het geheel een meer eigenaardigen stempel verkrijgt. Maar ook de cederden, die bovenal in het zuiden van den boomgordel gedijt, evenwel ook nog hoog in het noorden dier streek voorkomt, beurt zijn ronde, mollige, meestentijds dichte kruin schilderachtig tusschen de dennen en sparren omhoog en geeft daardoor aan het woud, vooral aan den buitenrand, een aantrekkelijk voorkomen, zoodat het sierlijker schijnt dan het inderdaad is. Dennen en sparren ontbreken op geene plaats, ofschoon zij nergens zoo welig tieren als in de Duitsche middelgebergten, terwijl zij in het noorden alras ineenschrompelen tot oude dwergen.

Ook de lariks, als wiens eigenlijk vaderland Siberië beschouwd kan worden, groeit slechts in het zuiden van den boomgordel, vooral in het gebergte, tot een even statigen boom op als bij ons.

Met de opgenoemde soorten is het aantal der gewoonlijk in Siberië voorkomende boomen nagenoeg uitgeput. Eiken en beuken, olmen en esschen, linden en eschdoorns, zilverdennen en taxusboomen schijnen geheel te ontbreken. Kreupelhout en struiken daarentegen zijn overal en overvloedig. Zelfs in het noorden is de bodem in de wouden buitengewoon vruchtbaar en welig.

Roode bessen en frambozen gedijen nog onder den 58sten, eene kamperfoeliesoort nog onder den 67sten breedtegraad; jeneverbessen, witte elzen, wolwilgen, rijsbessen, blauwe en roode boschbessen en veenbessen nemen naar het noorden eerder toe dan af, en zelfs aan de grens der toendra, die haar dwergberken en rozemarijnheide, hare mossen en veenbessen tot in het binnenste der bosschen vooruitschuift, ziet men nog den grond overal dicht bedekt, daar de mossen des te weelderiger groeien, naarmate de wouden armoediger worden. Maar ook de steppe draagt er het hare toe bij om de wouden te verrijken, daar zij in het zuiden van den boomgordel niet alleen het grootste deel der haar eigendommelijke struiken en gewassen, maar ook verschillende heesters en bloemen aan de wouden afstaat of deze daarmede omgeeft. En zoo worden hier sommige bosschen tot natuurlijke parken, die in de lente en in den voorzomer eene verrukkelijke bloemenpracht kunnen ontwikkelen.

Als voorbeeld van zulk een met alle genoemde bekoorlijkheden prijkend woud, mag dat gelden, hetwelk zich tusschen de steden Slangenberg en Salain in het Kroondomein Altaï bevindt, de „Taiga.” In het uitgestrekte gebied, waaruit zich dit heerlijk woud verheft, brengen ketens en bergen, allerlei soorten van dalen en kommen eene bekoorlijke [87]afwisseling. De eene heuvel bouwt zich naast en boven den anderen op, en de kamlijn van het bosch is overal duidelijk zichtbaar. Altaï- en andere dennen, populieren en wilgen, lijsterbessen en vogelkers zijn tot hooge boomen opgegroeid. Zij staan op bonte wijze dooreen en verdeelen licht en schaduw; de zachte lijnen der bladkruinen worden door de uitstekende toppen der Altaï-dennen aangenaam afgebroken. Erwtenboomen en erwtenstruiken, sneeuwbal en kamperfoelie, het smalbladige zonnekruid en bessenstruiken vereenigen zich tot een bloemrijk onderhout; maar hooge umbellifeeren, vooral scheerling en spiraea’s, varens en vrouwenhaargrassen, ridderspoor en vingerhoedskruid, klokjes en nieskruid, die alle ongemeen welig opschieten, weven een bont tapijt, dat over den bodem ligt uitgespreid; de wilde hop klimt van daar uit in de boomen op en omvat deze met haar ranken. Het heeft allen schijn of hier een bekwaam tuinier volgens de regelen der kunst aan ’t werk is geweest en de schepper was van dit veld- en woudtooneel.

In het zuiden ontwikkelen de boomen hun grootsten tooi in ’t voorjaar—in de noordelijke deelen daarentegen in den herfst. Reeds in de eerste dagen van September worden de bladeren hier geel en tegen het midden dier maand is het noord-Siberische woud bonter dan een onzer vaderlandsche bosschen. Van het donkerste groen tot het levendigste rood, door groen en lichtgroen, licht en donkergeel, bleek- en lakrood zijn alle kleurschakeeringen hier vertegenwoordigd. Op de sombere Altaï- en andere dennen volgen de cederdennen en lariksen; aan deze sluiten zich de weinige nog niet geel geworden berken aan. Alle mogelijke nuancen van donker- en lichtgroen en groenachtig geel geven de witte elzen te aanschouwen; helder scharlakenroode bladeren dragen de populieren, lakroode de lijsterbessen en vogelkersen. Het bonte mengelmoes van al die kleuren is zoo sterk en toch zoo zacht, dat verstand en hart beide volkomen bevredigd worden.

Deze zijn de beelden, welke de wouden van westelijk Siberië voor ’t oog des reizigers ontrollen. Wat wij poogden te schilderen had echter slechts betrekking op een zoom van geringe breedte. De gesteldheid dezer oerwouden is van dien aard, dat het den westerling onmogelijk dunkt, althans in den zomer, dieper daarin door te dringen. Aan de hellingen der bergen wordt men tegengehouden door steilten en kreupelhout, in het heuvelland en de vlakte door omgevallen boomen en ineengegroeid struikgewas, in de ketels en rivierdalen door stilstaande en stroomende wateren, vooral door beken en moerassen. Overal in het gebergte ontmoet men [88]steile hoogten, gevormd uit door en over en op elkander gerolde en gestapelde rotsbrokken en steenen; deze steenmassa’s zijn omgeven en begroeid met korstmossen en mossen, die op verraderlijke wijze alle spleten en kuilen aan ’t oog onttrekken; jeugdig groen is opgeslagen tusschen en op de oude boomen en struiken, die ook hier aanwezig zijn, en dat vlechtwerk van oud en jong werpt een dam op tegen elke poging om zulke plaatsen over te trekken. In de vlakte zijn de bezwaren, die de wouden aanbieden, niet verdwenen. Letterlijk ondoordringbaar hout, zooals in de oerwouden der Keerkringsgewesten, vindt men hier wel is waar niet, maar hindernissen in menigte, daaraan is geen gebrek. De omgevallen boomen zijn te lastiger, dewijl de meeste niet vlak op den ongebaanden weg liggen, maar iets daarboven, zoodat zij tot ware slagboomen zijn geworden, en zulks in een zeer onaangename beteekenis. Menigmaal is het mogelijk er over heen te klauteren, of er onder door te kruipen; maar ook even vaak kan noch het een noch het ander geschieden en dan is men genoodzaakt een omweg te maken. Dit laatste is echter alles behalve aangenaam, daar men hier niet zonder kompas kan reizen zonder gevaar te loopen, voorgoed te verdwalen. Geheel kale plekken ontmoet men zelden, en tracht men deze door te trekken, dan zeggen ons diepe, met modder gevulde kuilen en poelen, dat groote behoedzaamheid hier geraden is. Verlaat men zich op een der vele runderpaden, die in het zuiden van den woudgordel van elk dorp in het bosch voeren en hierin meer of minder diep indringen, dan ziet men zich vroeg of laat toch weêr teleurgesteld, omdat men in de onmogelijkheid verkeert uit te vorschen of te raden werwaarts zulk een weg ons brengt; zij kruisen en doorsnijden honderd andere wegen, loopen door kreupelhout en hoog gras, waaronder omgevallen boomen en takken verraderlijk verborgen liggen, door moerassen en poelen enz.; in ’t kort, het zijn geen voor menschen bruikbare wegen. Het is waar, die hindernissen zijn niet altijd onvoorkomelijk, maar toch zij zijn zoovele en zij komen zoo overal voor, dat men veel eerder dan men dacht, zelfs wanneer de muggen er niet reeds toe dringen, de terugreis aanvaardt. Eerst in den winter, wanneer de vorst alles met een draagbare ijskorst heeft bedekt, rivieren, moerassen en poelen, wanneer een dikke sneeuwlaag alle oneffenheden heeft aangevuld en daarbij genoegzaam verhard is, dan worden de wouden voor de met sneeuwschoenen gewapende jagers en hunne tegen het weder geharde honden toegankelijk; eerst dan kan de inboorling zelf er aan [89]denken strooptochten in het binnenste der wouden te ondernemen.

De bosschen van Siberië zijn stom en dood, „tot verhongerens toe dood” gelijk Middendorf het karakteristiek uitdrukt. De stilte, die daar heerscht, wordt eene wezenlijke kwelling. Zoodra de tijd van balderen voor het korhoen voorbij is, verneemt men nog alleen het gezang van den grooten lijster en den merel, het lied van de grasmusch, van het kneutje en den haakvink, de melodie van den fitis en het geroep van den koekoek, maar bijna nergens alle stemmen te gelijk. Het bevend geroep van den tureluur, en van den groenpootigen ruiter wordt hier een gezang; het gesnater van den ekster verkrijgt eenige bekoorlijkheid, zelfs het gekras der bonte kraai of van den raaf werkt opwekkend, de loktoon van een specht of mees zelfs streelt. De stilte is in harmonie met de eenzaamheid van het woud. Wie de verwachting mocht koesteren zich hier aan een vroolijk jagersleven te zullen wijden, komt bedrogen uit. Ongetwijfeld zijn er veel meer dieren, inzonderheid zoogdieren en vogels, in het woud dan wij vermoeden, maar al die dieren verdeelen zich zoo gelijkmatig over dit eindeloos gebied, en zij ondernemen wellicht zulke verre tochten, dat wij elken maatstaf missen ter beoordeeling van hun aantal. Uren gaans, mijlen ver is of schijnt alles, tijdelijk zoo uitgestorven, zoo verlaten, dat de natuuronderzoeker zoowel als de jager wanhopig wordt, daar telkens weer zijne hoop geene bevrediging vindt. De grondigste lokaalkennis laat zelfs den meest ervaren waarnemer in den steek. Oorden, die alle voorwaarden schijnen te vervullen voor een weelderig en behagelijk dierlijk leven, herbergen, voor zoover men kan nagaan, geen enkele diersoort, zelfs geen enkel rondzwervend mannetje. De verwachting van in afgelegen, ver van menschelijke woningen verwijderde, zelfs zoo goed als buiten het menschelijk verkeer liggende wouddistricten, toch een enkel dierlijk wezen te zullen aantreffen, blijkt ijdel, evenals de hoop, dat men er in de diepten des wouds eerder zal ontmoeten dan in de randgedeelten. Ja, de door menschen bewoonde, of althans bebouwde deelen zijn dikwijls nog rijker in dit opzicht dan het centrum der boschwoestijn. Dat overal daar, alwaar de mensch zich voor goed vestigde, het woud uitroeide, weiden en akkers aanlegde, allengs eene grootere verscheidenheid van diersoorten opbloeit dan in de uitgestrekte, door hem nog niet veranderde, in hunne oorspronkelijke eentonigheid volhardende streken, is duidelijk; immers, bebouwing van den grond heeft ten gevolge, dat er geschikte verblijfplaatsen voor sommige soorten [90]ontstaan; dat andere diersoorten in de nabijheid van den gezeten mensch veelvuldiger optreden dan in het ontoegankelijk woud, in weêrwil dat de mensch hen vervolgt en zij ginds aan weinig gevaren zijn blootgesteld, wordt slechts dan begrijpelijk, wanneer men aanneemt, dat zij voortdurend nieuwen toevloed van elders ontvangen. Er moeten dus, op bepaalde tijden althans, verhuizingen op min of meer groote schaal plaats vinden en de meeste West-Siberische dieren moeten daar dan wel aan deelnemen. De ervaring schijnt deze veronderstelling te bevestigen.

Standdieren, in de gewone beteekenis des woords, zijn alleen de holbewonende winterslapers en enkele bergdieren, terwijl alle andere soorten min of meer een nomadenleven leiden. Dieren, die in West-Siberië gedurende den bronsttijd niet gezellig leven, wonen in den tijd, dat zij jongen werpen of broeden, evenmin bijeen. Later vereenigen zich de ouders en kinderen met alle soortgenooten tot troepen of koppels, die nu voortaan, hoofdzakelijk zeker om zich te beter van voedsel te kunnen voorzien, misschien ook door de vliegenplaag daartoe genoodzaakt, gemeenschappelijke strooptochten ondernemen. Plaatsen, welke overvloedig voedsel opleveren, lokken in de eerste plaats de planteneters; deze houden ook de natrekkers vast en worden door de hun vijandige dieren op den voet gevolgd. Op deze wijze worden bepaalde wouddistricten ontvolkt, en andere bevolkt; zoo ontstaan er opstuwingen van den zoo bewegelijken stroom van landverhuizers, die te meer in het oog moeten vallen, naarmate zij sterker contrast vormen met de gewone verlatenheid en ledigheid van het woud. Verzamelplaatsen van dierlijk leven zijn inzonderheid die oorden, waar het vuur heeft gewoed, op welker bevruchten bodem weder bessenstruiken van verschillende soort ontkiemden en tot weligen wasdom geraakten.

Hier bekomen in den herfst niet alleen de Siberische wildsoorten goeden oogst, maar daar smullen ook almede van de bessen, wolven en vossen, marters en veelvraten, sabels en beren, die meerendeels het eerst door de planteneters waren aangelokt. Dieren, die op deze wijze vereenigd geworden zijn, blijven klaarblijkelijk geruimen tijd in zeker verband. De planteneters volgen, zooals ervaren jagers opmerken, met stage volharding de bessen, en de roofdieren hechten zich aan de hielen der planteneters.

Die verhuizingen maken begrijpelijk, hoe in sommige jaren deze bosschen van allerlei jachtdieren wemelen, gene geheel verlaten schijnen. [91]Met verbazing ziet de westerling, die in den naherfst of in het vroege voorjaar West-Siberië bereist, drie- tot vijfhonderd korhoenders, tot een koppel vereenigd, van den grooten, door de bosschen leidenden weg opvliegen, en met niet geringer verbazing doet hij iets later de waarneming, dat dezelfde, of gelijke, niet minder gunstige bosschen slechts spaarzaam met het korhoen bevolkt zijn; moedeloos, omdat hij telkens wordt teleurgesteld, speurt hij in den zomer op de gunstigste plekken het hazelhoen na, en aangenaam verrast, ontwaart hij in den herfst op dezelfde plaatsen dit wild overal.


Met deze zoo eigenaardige, door de eentonige eenvormigheid van Siberië’s uitgestrekte velden bepaalde verhoudingen moet de jager, die met eenige zekerheid zich buit wil verschaffen, geheel vertrouwd zijn, en toch is zelfs de meest ervaren jachtliefhebber in de eindelooze wouden een slaaf van het noodlot. Welk wild hij ook wil opjagen, nimmer kan hij vooruit bepalen waar dit te vinden is. Gisteren overlaadde de jachtgodin [92]hem met weldaden, heden onthoudt zij hem de geringste hulde. Aan wild is geen gebrek; de jager evenwel, die van de opbrengst der jacht zou willen leven, moet verhongeren. Een jagersleven, zooals het in andere landen mogelijk is, is in Siberië ondenkbaar; zelfs geen noemenswaarde winst werpt de jacht in de bosschen af. Enkele dieren, zooals de bever, schijnt men reeds uitgeroeid te hebben; andere, zooals de kostbare sabelmarter, zijn, althans uit de meer bevolkte streken, verdwenen, en naar het binnenste der bosschen teruggedrongen. Ook in Siberië hoort men overal klagen, dat het wild van jaar tot jaar schaarsch wordt, en zooveel staat vast, dat de jacht steeds minder en minder opbrengt. De mensch is niet de eenige oorzaak van dit verschijnsel; boschbranden en nu en dan optredende epidemieën doen het hunne misschien nog meer. En geen Siberiër denkt er om, dat tijdelijke sparing van het wild eene eerste voorwaarde is voor deszelfs behoud. Eene verstandige jacht gaat boven het begrip der Siberische jagers; zij dooden zooveel en langs zooveel wegen en op zoovele wijzen als maar mogelijk is. Buksen en geweren spelen daarbij niet de hoofdrol, vallen en netten, automatische schietwerktuigen en vergift worden door vreemdeling en inboorling het meest gebruikt.

Wild is in de oogen van den Siberiër elk dier, van hetwelk hij na diens dood maar eenige partij kan trekken, het eland zoowel als de vliegende eekhoren, de tijger zoowel als de wezel, het auerhoen zoowel als de ekster. Wat het bijgeloof van den eenen stam spaart, strekt een anderen stam tot buit; diersoorten, welker vleesch de Russen versmaden, zijn in de oogen der Mongolen lekkernijen. Ostjaken en Samojeden voeden vossen, marters, beren, uilen, zwanen, ganzen en andere uit het nest geroofde dieren op, behandelen ze met ware teederheid, zoolang zij jong zijn, verplegen ze zorgvuldig tot het haar- of vederkleed goed ontwikkeld is, en slachten ze dan om het vleesch te eten en de huid te verkoopen. Het aantal huiden, dat uit Siberië op de inlandsche en Europeesche markten wordt gebracht, beloopt millioenen; het aantal dat in het land zelf blijft is wel is waar niet zoo groot, maar nog verre van onaanzienlijk. De hoeveelheid haar- en pluimwild, dat men in bevrozen staat naar heinde en verre verzendt, bedraagt honderdduizenden.

Behalve de huiden van zoogdieren voert men tegenwoordig ook vogelhuiden uit, zooals van zwanen, ganzen, meeuwen, futen en eksters, die tot moffen, kragen en hoedversierselen verwerkt worden. Zeker [93]koopman in de onbeduidende stad Tjukalinsk verhandelt jaarlijks voor zich alleen 30000 futenhuiden, 10000 zwanevellen en 100000 stuks ekstervellen; in vroeger jaren verkocht de man nog meer. Dat deze huidenhandel het aantal dieren van jaar tot jaar moet doen verminderen, is duidelijk; dat eenig en alleen de ontoegankelijkheid der bosch- en waterwoestijnen tegen de volledige uitroeiing der dieren een slagboom opwerpt, wordt een ieder begrijpelijk, die de roekeloosheid der Siberische pelsjagers heeft leeren kennen.

Ofschoon uit het gezegde genoegzaam blijkt, dat het begrip wild in de oogen van zulke jagers eene bijna onbeperkte beteekenis heeft, verstaat men toch meer bepaald onder jachtdieren zulke soorten, die ook bij ons te lande als pels- en pluimwild beschouwd worden.

Voor zoover als zulks betrekking heeft op de dieren van den woudgordel zijn het: het maralhert en het reuzenree, de eland en het rendier; de wolf, vos, poolvos, losch, beer, poolhaas, eekhoren, de gestreepte en vliegende eekhoren, en bovenal de martersoorten, dus het sabeldier, de edel- en steenmarter, de bunzing, kolonok, het hermelijn, de wezel, de veelvraat en vischotter. Bovendien het auerhoen, korhoen en hazelhoen, en eindelijk nog de tijger, die nu en dan uit het zuiden naar het noorden afdwaalt, de irbis, welk dier de bosschen op de bergen bewoont, het insgelijks daar voorkomende muskusdier; het wilde zwijn en het aan de zoomen der noordelijke bosschen voorkomende moerashoen.

Ieder maakt op al deze dieren jacht; de meer beschaafde op wat fatsoenlijker wijs, ofschoon volstrekt niet volgens de regelen der jacht; meestal worden zij gevangen in even vernuftige als doeltreffende vallen.

Onder de laatstgenoemde staat de wijd verbreide slagval bovenaan. De inrichting van dit werktuig is als volgt: op een open plaats van het bosch, liefst zulk een, waar het uitzicht vrij is, wordt een lage, zoo weinig mogelijk in ’t oog vallende omheining geplaatst, die in ’t midden een doorloop heeft, of als zij lang is twee of drie gaten. Elke doorloop is van ter zijden door twee in den grond gedreven palen begrensd, die van boven een dwarsbalk dragen; zij dienen om de beweging te regelen van daartusschen loopende valblokken, twee naast elkaar liggende, met elkaar verbonden, lange, vrij dikke boomstammen. Een lange hefboom wordt op het dwarshout gelegd en houdt de valblokken, die aan den kortsten arm bevestigd zijn, zwevende; een van [94]den langsten arm uitgaand touw is vastgemaakt aan den piketpaal. Deze bestaat uit een korten, aan het eene eind gevorkten, aan ’t ander eind toegespitsten tak en wordt met de vork tegen den eenen van eene kerf voorzienen paal, met de punt tegen een ander iets langer paalstuk geklemd, welk laatste zijnerzijds met het tegenovergestelde uiteinde in den anderen paal een los steunpunt vindt. Beide palen houden elkander in evenwicht, maar vallen onder de geringste drukking van boven of van beneden uiteen. Wanneer de val gesteld is, belegt men de stelpalen met dorre twijgen en takjes, minder met het doel ze aan ’t gezicht te onttrekken, dan wel om de oppervlakte te vergrooten. Trapt eenig dier, al is het een kleine vogel, op een dezer takjes, dan vallen beide stelpaaltjes uit elkaar, de val slaat neêr en het dier wordt verpletterd. Wil men roofdieren vangen, dan legt men aas onder de stelpalen; al het andere wild leidt men door middel van de omheining in de richting van de val. Daar men in vele streken van het woud alle wildpaden, wegen en open plekken door slagvallen verspert en er honderden en duizenden opgesteld zijn, wordt de jager dikwijls rijkelijk beloond voor de geringe moeite, die hem het oprichten dezer voortreffelijke vangwerktuigen heeft veroorzaakt. Boschhoenders, hazen, eekhorentjes, hermelijnen zijn de meest gewone, bunzings, edelmarters en sabels de meer zeldzame slachtoffers. Veelvraten en wolven verliezen insgelijks in deze slagvallen hun leven, maar deze dieren leeren ze kennen, evengoed als de honden, en vermijden ze dan angstig, zoolang zij ter vangst zijn opgesteld, maar schuwen daarentegen niet den jager het daarin gevangen wild te ontrooven of aan te vreten en zoo te bederven.

Samojeden en Ostjaken zijn, behalve dat zij gebruik maken van slagvallen, ook groote liefhebbers van automatische werktuigen, die uit boog en pijl, of een zelfwerkenden armborstboog bestaan. De boog, die den pijl voortdrijft, is krachtig, de pijl voortreffelijk, en het moordwerktuig in zijn geheel zeer gevaarlijk, ook voor onoplettende menschen. Zinrijke inrichtingen houden den boog gespannen, pijl en boog beide in de goede richting; een houten veêr doet den pijl wegsnellen, zoodra een dwars over den weg gespannen koord wordt aangeraakt. Om den pijl zoo te richten, dat hij het hart van het slachtoffer kan treffen, bedient men zich van een met de grootte van het dier overeenkomend, zuilvormig of doorboord mikhout, dat op den weg van het wild gelegd, door een van boven aangebracht gat precies de hoogte aangeeft [95]van het hart des diers, en van een maat, die den loodrechten afstand aanwijst van het hart tot het sleutelbeen, en dus den jager den juisten afstand van het mikpunt tot het aftrektouw leert kennen. Daar alle bewoners des lands de verschillende sporen van het wild nauwkeurig kennen, stellen zij het zelfwerkend apparaat alleen dan tevergeefs op, wanneer een ander, in grootte van het dier, dat getroffen moet worden, aanmerkelijk afwijkend wild die plaats betreedt. Gewoonlijk heeft men het gemunt op vossen, ook dikwijls op wolven, zelfs op elanden en rendieren, terwijl daarentegen de automatische armborst voor kleiner wild, zooals hermelijnen en eekhoorntjes, wordt bestemd. Voor beide legt men lokaas, dat slechts bemachtigd kan worden wanneer het betreffende dier met den kop door eene nauwe, aan het voorste, bij gespannen armborsten aan het onderste deel van het werktuig aangebrachte opening kruipt. Op dit oogenblik valt een stelplankje neêr en het dier wordt door een breeden, beitelvormigen, in eene bepaalde richting gehouden pijl, die door de armborst met kracht wordt weggeslingerd, gedood.

In den jongsten tijd is behalve dit oorspronkelijk jachtgereedschap ook nog het vuurwapen bij de inboorlingen van West-Siberië in gebruik gekomen, zonder evenwel het eerste geheel verdrongen te hebben. Om het dure kruit en lood te besparen, bedient men zich van kleinmondige, verbazend slechte lont-, steen- en slaghoedbuksen, maar men weet van deze gebrekkige wapenen een meesterlijk gebruik te maken. Aan geen geweer van den West-Siberiër ontbreekt een aan den langen kolf bevestigde vork, die tot opleggen dient; ook de meer beschaafde jagers bedienen zich hiervan, en men moet zeggen dat het voor een lontgeweer onmisbaar is. Hagelroeren bezitten de ambtenaren en de meer welvarende stedelingen, niet evenwel de inboorlingen, die van de jacht een bedrijf maken en het kruit om zoo te zeggen bij korrels aftellen. Zij vullen een kleinen horen met het dure kruit, slaan een looden touw ter dikte van het geweer drie of meermalen als een gordel om het lijf en gaan, aldus uitgerust, ter jacht. Het looden touw dient voor het maken van kogels, die niet gegoten worden, maar stuk voor stuk afgeknipt, of nog eenvoudiger, afgebeten; dit stuk lood wordt zonder prop op het kruit gelegd en de buks is geladen. Men begrijpt, dat de inboorlingen slechts in geval van nood op verren afstand mikken; meestal schieten zij op geen grooter afstand dan van eene gemiddelde boomshoogte, maar dan ook zoo [96]zeker, dat zij het oog van den sabelmarter of van het eekhoorntje tot mikpunt kiezen—en in den regel treffen.

Boschhoenders worden veelvuldiger gejaagd dan ander wild; bij honderdduizenden worden deze vogels gevangen en gedood. In den tijd van het balderen laat men de auer- en korhoenders bijna overal met rust. Van jagersgenot, zooals wij hebben wanneer wij den balderenden auerhaan verrassen, is wegens de ontoegankelijkheid der bosschen hier zelden of nooit sprake; men verlaat zelfs in de Meimaand ter wille van het balderende korhoen zijn warm bed niet, en hoogstens het hazelhoen poogt men door het nabootsen van zijn liefdekreten te verschalken. Wie zou zich ook zooveel moeite en last op den hals halen, in ’t vooruitzicht van misschien toch niet te slagen! In den herfst en in den winter eerst loont de jacht, gelijk de Siberiër dit opvat; wanneer de jonge hanen ruien, wanneer de koppels zich vereenigen in groote troepen, wanneer deze laatste om bessen te zoeken door de wouden trekken, dan is de tijd voor de boschhoenderjacht aangebroken. Wie bezwaren van allerlei aard niet schuwt, jaagt met zijn honden—meest erbarmelijke keffers—het trekkende pluimwild na, en keert in den regel rijk met buit beladen terug; wie heeft geleerd op sneeuwschoenen te loopen, zoekt ook in den winter het auer- en korhoen op. Zoodra de eerste dikke sneeuwlaag is gevallen, breekt er eene periode van rust voor het trekkende wild aan, en elke troep kiest zich eene woonplaats uit, die althans voor de eerste dagen voedsel genoeg oplevert. In ’t begin van den winter voorzien de roode boschbessen, later de vlierbessen daarin overvloedig; zijn deze opgegeten, dan nemen de hoenders lariksnaalden en eindelijk ook denne- en sparrenaalden voor lief. Ook de onrijpe kegels van al deze naaldboomsoorten worden gebruikt. Zoolang zulks mogelijk is zet het wild zijn tochten te voet voort, legt in den loop van eenen dag dikwijls 10 tot 12 werst af, komt nu en dan de bewoonde plaatsen nabij en laat in de versch gevallen sneeuw duidelijke sporen achter, zoodat de vervolgende jager het eindelijk inhaalt. Wordt het gedwongen tot het eten van naalden over te gaan, dan verraden de drekstoffen aan den jager deszelfs spoor; ook de slaapplaatsen geven goede aanwijzingen. Afwijkend van de gewoonte zijner in Duitschland levende soortgenooten, graaft het Siberische auer- en korhoen meer of minder lange, meest tot den grond reikende gangen en kuilen in de sneeuw. Het verlaat deze slaapsteden tegen den morgen of bij dreigend gevaar, door [97]zich met behulp van eenige vleugelslagen omhoog te werken en het sneeuwdek door te breken; deze logementen vallen dus gemakkelijk in het oog, en tevens doen zij weten in welken nacht de hoenders daar zijn geweest, zoodat de jager ook hierin belangrijke vingerwijzingen heeft. Bij aanhoudenden sneeuwval verwijlt het wild dikwijls tot den middag in genoemde slaapsteden.

Het valt den jager dikwijls vrij gemakkelijk het wild tot op korten afstand te naderen, wanneer dit op de boomen is gevlogen of terwijl het met den maaltijd bezig is. Het laat zich door hondengeblaf niet verontrusten en het lokaas onder de boomen trekt zoo zijn aandacht, dat het den bijsluipenden jager niet opmerkt. Zal zulk een jacht goede resultaten opleveren, dan moet een dikke, harde sneeuwlaag den grond bedekken, alle spleten en oneffenheden hebben opgevuld en den jager op zijn sneeuwschoenen kunnen dragen.

Gemakkelijker en ook winstgevender is de jacht met den boelban, een houten pop, die den vorm van het te vangen dier nabootst. Men begeeft zich in den herfst, vóór het aanbreken van den dag naar het bosch, verbergt zich in eene hut van rijswerk, die men in allerijl opslaat, of, wat beter is, die men van te voren reeds heeft gebouwd. Anderen richten nu den boelban op, een opgestopte of uit hout en werk vervaardigde, met zwarte witte en roode lappen overtrokken, en een levenden vogel zoo goed mogelijk nabootsenden pophaan. De boelban wordt zoodanig in een der hoogste boomen bevestigd, dat hij met den kop tegen den wind in is geplaatst. Nu wordt het omliggende boschterrein met behulp van honden afgedreven; alle jonge of nog niet door vroegere ervaring wijs gemaakte korhoenders, die opgeschrikt zijn geworden en den boelban in ’t oog krijgen, vliegen naar den valschen, hun veiligheid belovenden kameraad en zetten zich naast hem neder. De jager in de rijshut, behalve met zijn kleinmondig, weinig knalgevend geweer, ook nog met een hagelroer gewapend, heeft onder de dozijnen dezer vogels de ruimste keus.

In die bosschen, welke gedurende den zomer nog niet verontrust zijn geworden, let het korhoen zoo weinig op den zwakken knal dezer soort van geweren, dat het zelfs niet wegvliegt wanneer een naast hem zittende makker getroffen van den boom stort; met uitgerekten hals staart hij den vallenden kameraad na en blijft rustig zitten, zoodat de schutter nog eens en nog eens kan laden en vuren. Daar de korhoenders zeer talrijk zijn, kan een jager soms in een enkelen morgen [98]uit dezelfde hut twintig en meer dezer dieren neêrschieten.

Niet minder winstgevend en den jager in hooge mate bevredigend is de jacht op hazelhoenders, gelijk deze in Siberië kan plaats hebben. Toebereidselen, van welken aard ook, zijn hierbij onnoodig; zelfs zijn gedresseerde honden, ofschoon men van deze goede diensten kan hebben, niet volstrekt onontbeerlijk. Het hazelhoen is in alle daarvoor geschikte bosschen van West-Siberië zeer menigvuldig, nog menigvuldiger misschien dan het auer- en korhoen, maar het leeft zoo stil, dat men het zelfs dan nog over ’t hoofd kan zien, wanneer het in groote ketens de wouden bevolkt. Tot zulke groote gezelschappen als zijn verwanten, vereenigt het zich nooit; ook trekt het niet zoo ver en is juist daarom meer gelijkmatig over de woudwoestijnen verspreid, weshalve het dan ook eerder in het bereik van den jager komt dan alle andere boschhoenders. In den zomer is het voor goed aan het oog van den onervaren jager onttrokken en het schijnt dezen toe alsof het wild verdwenen is; in den herfst ontwaart men het overal, zelfs op die plaatsen, waar men het eenige maanden geleden tevergeefs zocht. Het hazelhoen is niet minder verzot op bessen dan zijn bloedverwanten, en ten einde die lekkernij machtig te worden, houdt het zich ook op meer uitgestrekte, ontbloote deelen op, die het in het voorjaar en in den zomer zorgvuldig vermeed. Maar zelfs hier weet het zich aan den blik te onttrekken. Het ligt veel vaster dan het auer- en korhoen, en duikt zoolang mogelijk neêr als er iemand nadert, zonder zich daarbij echter angstig te verbergen, om eerst dan op te staan als de vijand zeer nabij is. Als het opvliegt maakt het zoo weinig geraas, dat men het ook nu nog niet ziet of hoort; elke patrijs, ja elke snip maakt meer geraas dan dit lieve dier, van hetwelk men alleen bij het opstaan een zacht geritsel hoort. Opgeschrikt zijnde vliegt het gewoonlijk, ofschoon niet altijd, in een der naastbij staande denneboomen en laat zich hier op den eersten den besten tak neêr, maar blijft verder zoo rustig zitten dat men het ook hier weder even weinig opmerkt als te voren. Dikwijls spant men zich langen tijd tevergeefs in om het in ’t oog te krijgen; men denkt dat het reeds heimelijk weggevlogen is en wordt eerst door zijn afvliegen, of doordat het eenig licht gedruisch laat hooren er tot zijn verwondering opmerkzaam op gemaakt, dat het geheel ongedekt op denzelfden tak zat, waar men het herhaaldelijk had gezocht. De aan alle hoenders zoo eigen geschiktheid om zich voor het oog van anderen te verbergen, heeft bij het hazelhoen haar toppunt bereikt. [99]Voor zijn verblijf kiest het hoen het liefst moerassige of met mos begroeide, aan blauwe en roode boschbessen rijke deelen van het woud, die door oude afgestorven en jonge boomen omgeven zijn. Hier weet het van elke bedekking zulk een geschikt gebruik te maken, dat men het gewoonlijk eerst dan waarneemt, wanneer het voor zijn veiligheid naar een der afgestorven groote boomen vliegt. Verroert het zich niet, dan meent men een boomknoest te zien, want hierop gelijkt het sprekend; het schijnt zich zelf bewust te zijn, dat het zich gerust verlaten kan op de overeenstemming zijner eigene kleur met die der omgeving. Niettemin kijkt het dier, zoolang het vrij zit, nu en dan bezorgd in ’t rond, en dreigt er gevaar, dan verlaat het zoo spoedig mogelijk en even stil zijn hoogen zetel, als het er op gevlogen was. Voor den jager is het een lust op dezen vogel te jagen. Men kan hem overal in het woud ontmoeten en weet niet, hoe men hem zal aantreffen; elk hulpmiddel laat ons hier in den steek, maar men loopt nu ook geen gevaar door minder geoefende jachtgezellen gehinderd te worden, terwijl de voortdurende spanning, waarin men verkeert, te meer wordt beloond en de vroolijke opgewondenheid, die deze soort van jacht te weeg brengt, nog meer genot verschaft dan het wildbraad zelf, ofschoon het moet erkend worden, dat dit allerkostlijkst is.

De boschhoenders zijn, zoowel wat het jachtvermaak als hunne beteekenis voor de volkswelvaart betreft, van zoo groot belang, dat het edelste haaswild van West-Siberië hierbij haast in ’t niet verzinkt. De vier soorten van herten, die men hier aantreft, worden om vele, echter alle even onvoldoende redenen, veel minder geacht dan zij verdienen, en, zoo niet op bepaald ruwe, toch weinig aantrekkelijke, zelfs walgelijke wijze uitgeroeid. Zulks geldt inzonderheid van het maralhert. Dit trotsche, fiere dier, volgens de opvatting van sommigen een reusachtig edelhert, volgens anderen eene afzonderlijke aan ’t genoemde sterk verwante, maar door meerdere lichaamsgrootte en krachtiger gewei daarvan afwijkende soort der hertenfamilie, bewoont alle bosschen van het zuiden, bij voorkeur de bergwouden, en komt hier waarschijnlijk minder zeldzaam voor dan men met het oog op de rustelooze jaagzucht van inboorlingen en vreemdelingen wel denken zou. Die jaagzucht bedreigt het maralhert juist in een tijd, dat het gespaard moest blijven, en zulks om eene zeer eigenaardige reden.

Allen Noord-Aziatischen jagers is het bij dit hert niet om het vleesch, niet om den pels, maar enkel en alleen om het nog groeiende, nog [100]niet volkomen vertakte en nog met de huid bedekte gewei te doen. Hieruit bereiden de Chineesche geneesheeren of kwakzalvers eene tegen goud opgewogen artsenij, die zeer gezocht wordt door alle rijke vergrijsde zonen van het Hemelsche Rijk en klaarblijkelijk doorgaat voor een opwekkend middel, dat zijn equivalent niet bezit. Het meest gewild zijn de half vertakte, nog rijkelijk met bloed gevulde zesenders; men betaalt er van 120 tot 180 gulden voor, terwijl men volkomen uitgegroeide geweien met 12 en 14 takken voor niet meer dan vijf of tien gulden kan verkoopen. Niet alleen de Mongolen van Noord- en Middel-Azië, maar ook de Siberiërs van Russische afkomst beijveren zich om deze kostbare geweien te bemachtigen en zoo spoedig mogelijk met de post naar Kiachta te verzenden, vanwaar vaste kooplieden ze jaarlijks bij duizenden naar China voeren, en altijd nog overtreft de vraag het aanbod. De Siberische boeren houden maralherten in gevangenschap, enkel met het doel om op het geschikte tijdstip de met bloed gevulde geweien af te zagen en te verkoopen. Daar nu, gelijk men weet, alle herten in den tijd, dat zij van gewei verwisselen, dicht begroeide plaatsen mijden en ook minder omzichtig zijn, en daar spiesherten en gaffelherten evenmin verschoond worden als kroonherten, is het duidelijk, dat de hoeveelheid van dit wild aanzienlijk moet verminderen, en ook de vermenigvuldiging verbazend wordt tegengegaan. Wildbraad en pels komen bij deze slachterij niet of weinig in aanmerking; en mocht het eenige moeite kosten het gedoode dier naar huis te dragen, dan laat men het eenvoudig liggen, ten prooi van wolven en vossen.

Evenals het maralhert is ook de Siberische ree of reuzenree van de bij ons te lande voorkomende soort onderscheiden door haar meerdere lichaamsgrootte en haar hoog, bij den rozenstok zwak ontwikkeld gewei. Of de Siberische ree als eene afzonderlijke soort moet beschouwd worden, zulks maakt bij de natuurkundigen nog steeds een punt van nader onderzoek uit. Dit hert bewoont in Siberië bij voorkeur zulke gedeelten van het woud, die zich van een vroegeren brand beginnen te herstellen, daar waar veel Altaï-dennen groeien, de zoomen der bosschen en klein struikgewas; het stijgt in het gebergte tot aanzienlijke hoogten op, niet zelden tot boven de grens van den boomgroei en ook waagt het zich naar buiten, in de steppe, in gezelschap van steenbokken, wilde schapen en antilopen. Overeenkomstig de bijzondere gesteldheid des lands, onderneemt het nu en dan wandeltochten, ook zonder dat boschbranden daartoe aanleiding geven, legt daarbij [101]groote wegen af en zwemt zonder schroom breede rivieren over.

Soms verschijnt het in oorden, waar men het in jaren niet had gezien, vestigt zich hier en onderneemt van daar uit nu en dan strooptochten; gewoonlijk blijft het op deze rondzwervingen op bepaalde wegen, doch wordt nu en dan ook wel eens gedwongen zeer nauwe paden in te slaan. Rotsachtige, steil afvallende oevers van groote stroomen noodzaken het dwarsdalen en kloven in te slaan, alwaar het zijn verderf te gemoet gaat, daar men zulke passen met heggen verspert, waarachter valkuilen zijn aangebracht. Op alle tijden des jaars ziet het zich bedreigd door wolven en losschen, Russen en inboorlingen. Men jaagt het, gelijk alle wild, zonder verschooning, trekt van alle omstandigheden partij en beproeft elke list om het dier machtig te worden. Als de sneeuw begint te smelten, maar koude nachten de bovenste sneeuwlaag in eene dunne ijskorst veranderen, trekt men ter jacht op het maralhert. De jagers zitten te paard en worden door honden vergezeld; ook zetten zij het hert wel op sneeuwschoenen na, drijven het onder getier en geschreeuw voor zich uit, en vermoeien het te eerder, naarmate de ijskorst harder is en de gebroken stukken het dier de pooten verwonden. In het voorjaar lokt men de hinden door de stem der jongen na te bootsen; in den bronsttijd den bok door het geluid te laten hooren van de antwoordende hinde, in het tijdperk daar tusschen gelegen beide geslachten door het aanleggen van kunstmatige zoutvlakten. In den herfst richt men drijfjachten aan, of vervolgt het trekkende hert, als het de rivieren overzwemt, in booten, om het in het water den doodsteek te geven; in den voorwinter achtervolgt men het met sleden en zendt het van deze uit het moordend lood achterna. Het eenige middel wat men niet gebruikt is het stellen van strikken, een geliefkoosd middel bij de Duitsche stroopers; misschien, omdat de spanboog betere resultaten belooft.

De eland voert onder veel gunstiger voorwaarden den strijd om het bestaan. Woonplaats, levenswijs, kracht en weerbaarheid beveiligen dit wild tegen vele, zoo niet de meeste vervolgingen. In den vollen zin des woords een dier des wouds, in poelen en moerassen even goed te huis als in het kreupelhout en onder hoog geboomte, alle hinderpalen van woud en moeras gelijkelijk het hoofd biedende, door zijn voedsel ook gevrijwaard voor wintergebrek, ontkomt het gemakkelijker dan alle ander wild zoo wel aan de vervolgingen van den mensch als aan andere vijanden. [102]

Onder deze laatsten behooren wolf en losch, beer en veelvraat; toch is het twijfelachtig of al deze roovers veel vermindering brengen in het aantal elanden. Want deze dieren bezitten in hunne scherp snijdende hoeven bijna nog beter weermiddelen dan in hun gewei en zij weten van de eerste een even goed gebruik te maken als van het laatste. De eland delft wel is waar het onderspit wanneer een beer hem toevallig ontmoet en bespringt, maar een enkelen wolf werpt hij onmiddellijk ter aarde. Zelfs bestaat hij soms zegevierend den strijd tegen eene bende dezer altijd hongerige roovers, en wat den losch en den veelvraat betreft, het verhaal, dat deze hem op den rug zouden springen en den halsslagader doorbijten, vereischt nog bevestiging. Tegenover den mensch alleen is de eland weêrloos. Toch is de jacht op dit dier in de Siberische bosschen een ellendig bedrijf, waarmede zich dan ook uitsluitend de inboorlingen bezighouden. In den zomer kan men het water beminnend wild moeilijk nabij komen; het huist alsdan meerendeels in poelen en moerassen, overdag tusschen hooge moerasplanten in een voor hem alleen toegankelijk leger rustende, ’s nachts voedsel zoekende. De sappige stengels en wortels der waterplanten vindt hij lekkerder dan de scherpe carexsoorten. Om deze reden begeeft hij zich, als hij wil grazen naar de diepere gedeelten van het moeras, haalt de planten zelfs uit het water, steekt zijn plompen kop tot aan de wortels der ooren, die veel op ezelsooren gelijken, in het slijkige water, zoodat de neusgaten hiermede onwillekeurig worden opgevuld, en slingert, telkens als hij den kop omhoogheft, onder een luid, ver klinkend gesnuif, het ingedrongen vocht uit mond en neus. Ervaringrijke jagers hebben, naar aanleiding van deze wijze van voeden, een bijzondere manier van jagen uitgedacht. Men bespiedt eenige achtereenvolgende nachten het wild, brengt dan gedurende den dag in alle stilte lichte, ondiep gaande booten in gereedheid en roeit in den nacht, op het snuivend geluid afgaande, zoo stil mogelijk naar de grazende elanden, wier reuk- en speurvermogen, ten gevolge van het herhaalde onderduiken, zeer verminderd werd, om ze vervolgens met schietgeweer te dooden. De helderheid der Noordsche zomernachten maakt het ontkomen even gemakkelijk als het de nadering bemoeilijkt; de jacht is echter juist hierom zoo opwekkend, zoodat vurige jagers er zich met hartstocht en soms ook met goed gevolg aan wijden. Valt de vorst in dan verlaat de eland de moerassen, omdat het gescheurde en gespleten ijsdek het loopen bemoeilijkt; het dier zoekt nu de meer [103]droge gedeelten van het woud op, totdat de dik gevallen sneeuw hem dwingt ook deze te verlaten, en òf een betere woonplaats uit te vinden, òf rond te dolen. In dezen tijd geeft men de voorkeur aan de jacht met goed gedresseerde en bovenal rustige honden. Op zijn strooptochten waagt de eland zich zelfs in de dorpen, maar verraadt zich alras door zijn kenbaar spoor; spoedig zit hem dan ook de jager op de hielen. Nu laat men de honden los, die het wild moeten vermoeien, echter niet verjagen. Daarom mogen zij het niet van achteren aangrijpen, ook niet te nabij komen, maar blaffend moeten zij er om heen springen, om zijn geheele opmerkzaamheid te trekken. Ziet de eland zich op deze wijze van voren bedreigd, dan blijft hij na een poosje vooruit te zijn gesukkeld, eindelijk staan, bekijkt onrustig de honden, schijnt ze aan te willen vallen, doet dit echter hoogst zelden, en deze besluiteloosheid schenkt den jager den tijd om te naderen en een zeker schot te lossen. Wordt een kleine kudde elanden plotseling door de honden verrast en in de engte gedreven, dan kunnen zij dermate de bezinning verliezen, dat een vlug en goed uitgerust schutter er meerdere na elkander velt. Worden oude, ervaren elanden in den winter, wanneer er dik sneeuw ligt, langen tijd vervolgd, dan slaan zij den eersten den besten gebaanden weg in, dien zij ontmoeten, sukkelen daarop voort, onbedacht of zij den weg naar het bosch of naar een dorp inslaan. Zoo geraken zij niet zelden in de onmiddellijke omgeving der bewoonde plaatsen om nu eerst de richting naar het woud te kiezen. Harde, bevroren sneeuwkorsten zijn voor de elanden even noodlottig als voor de reeën; want onverschrokken en bekwame jagers vallen hen onder zulke omstandigheden zelfs met de zwijnsspriet aan; op hunne sneeuwschoenen halen zij het dier spoedig in, matten het af en gebruiken nu het primitieve jachtwapen. Het vleesch der elanden maakt bij de inboorlingen en kolonisten een geliefkoosd wildbraad uit; het is evenwel zeer goedkoop. De huid echter vindt tegen 6 à 8 roebels grage koopers en levert den broodjager genoeg belooning op voor zijn moeite en inspanning.

Het wilde rendier is wel is waar eigenlijk een bewoner der toendra, doch het wordt ook langs den geheelen woudgordel aangetroffen. Men vindt dit dier geregeld op de oostelijke hellingen van den Oeral, alsmede in de dichte bosschen en op de hooge gedeelten van het gebergte; de jagers spreken daarom van bosch- en bergdieren en schrijven aan beiden verschillende eigenschappen toe—zonder deze evenwel op te noemen. [104]Het rendier toont minder vrees voor bewoonde oorden dan andere hertensoorten, hetgeen misschien te verklaren is uit de omstandigheid, dat er onder de gedoode dieren, behalve wilde, ook verwilderde voorkomen, die men herkent aan de brandmerken of aan de sneden in de ooren. Deze hebben waarschijnlijk in den bronsttijd de kudden der Samojeden en Ostjaken verlaten en zijn al verder zuidwaarts getrokken, totdat zij wilde bloedverwanten ontmoetten en nu met deze bleven samenleven. Eens het slavenjuk ontloopen nemen zij verbazend snel alle wilde gewoonten weder aan. Als jachtdieren vervullen zij onder de woudbewoners evenmin eene belangrijke rol als het wilde rendier. Men doodt het rendier wanneer en op welke wijze men maar kan; enkele vurige jagers van Russische afkomst uitgezonderd, wordt er echter alleen door inboorlingen met volharding en lust op gejaagd.

Tot het eetbare wild rekenen alle verstandige menschen ook den haas; slechts Semieten en Russen denken er anders over. Dientengevolge wordt de jacht op deze dieren in West-Siberië eenig en alleen gedreven door beschaafde en onbevooroordeelde Siberiërs van Russische afkomst, en door de boven alle spijswetten verheven inboorlingen van het noorden van ons gebied. Want ook het vel van den poolhaas heeft, omdat het zoo wreed wordt, weinig waarde in de oogen der jagers. Misschien wordt het wel om die reden door de heidensche bewoners des lands aan hun goden geofferd. Niettegenstaande de onverschilligheid, waarmede de woudbewoners het door ons zoo hoog gewaardeerde knaagdier beschouwen, zoodat zij het niet zelden laten loopen, is de haas nergens in grooten getale aanwezig. Velen laten in slagvallen hun leven, anderen strekken ten prooi aan wolven, vossen en losschen, terwijl ook de strenge winter, die hen tot verre tochten dwingt, hun noodlottig wordt. Belangrijk kan men dit wild dus in geen opzicht noemen.

Onder de niet eetbare pelsdieren van den boomgordel komt aan den wolf de eereplaats toe, in zooverre als hij het meest gehaat en het meest vervolgd wordt. Wel beweert men dat de schade, die hij den mensch onmiddellijk berokkent, niet van zoo groote beteekenis is, althans niet onoverkomelijk, maar nooit verzuimt men de gelegenheid om dit dier machtig te worden. Het staat vast, dat de wolf in West-Siberië slechts bij uitzondering in groote troepen optreedt, en nog zeldzamer den mensch aanvalt; maar even zeker is het ook, dat hij aan het huisgedierte veel schade toebrengt, terwijl die schade dan alleen in de oogen valt, wanneer men de aanzienlijke verliezen, die de kudden der [105]trekkende herders, zoowel van steppe als toendra door den wolf lijden, mede in rekening brengt. De talrijkheid, waarmede dit dier in den boomgordel optreedt, is zelfs bij benadering niet te schatten. De wolf is overal en nergens; vandaag vallen zij in de kudde van een of ander dorp, waar men ze sinds jaren niet bespeurde, en morgen doen zij zulks elders; zij verlaten plotseling sommige streken en keeren er onverwachts weêr in terug, hier met elke vervolging spottend, ginds op geen tegenweer zelfs bedacht. Groote, veel bereisde wegen en aan weiden rijke oorden trekken hen bijzonder aan, omdat zij daar in de lijken der paarden, hier in de zonder opzicht rondloopende, zelfs diep in het woud doorgedrongen huisdieren een gemakkelijke prooi vinden; toch ontbreken de wolven ook niet in boschrijke streken, die buiten alle menschelijk verkeer liggen. Soms ziet men hen, afzonderlijk of in kleine troepen vereenigd, op vollen dag in de onmiddellijke nabijheid der woningen dwalen; niet zelden trekken zij des nachts door de dorpen, ja zelfs door de steden. Zij rooven in een enkelen nacht dozijnen schapen, overvallen paarden en runderen, niet dikwijls evenwel honden, die elders een begeerige buit voor hen zijn. Zij ontzien eenig en alleen de dappere zwijnen, die terstond den strijd met hen wagen en gewoonlijk als overwinnaars uit het perk treden.

Evenals onder de Russen heerscht ook bij de Siberiërs het bijgeloof, dat de zogende wolvin zich wel wacht in de nabijheid van haar jongen te gaan jagen, maar zich op eene vreeselijke wijze wreekt, wanneer men haar welpen aantast; dat zij den roover tot in het dorp, alwaar hij woont, vervolgt en in toomlooze woede verdelgend in diens kudde valt, enz. Ieder Siberiër laat uit vrees voor deze wraakzucht een door hem gevonden nest met jonge wolven onaangeroerd, en slechts enkelen wagen het de jonge wolfjes een Achillespees door te snijden, ten einde ze te verlammen, zoodat zij genoodzaakt zijn tot aan den herfst op de plaats hunner geboorte te blijven. Want, naarmate de jongen in grootte toenemen, vermindert, gelijk men meent, de liefde der moeder, en tevens haar wraakzucht, terwijl de slimme boeren nog daarenboven in de herfstpels eene extra-vergoeding vinden voor dit uitstel van executie.

De middelen, die men gebruikt om de wolven machtig te worden, verschillen zeer naar gelang van plaats en gelegenheid. Kuilen, klemmen, strychnine, stelbogen, enz. doen goede diensten; drijfjachten daarentegen hebben zelden een gunstig gevolg. Liever tracht men den wolf met de slede na te rijden, en hem van hier uit neêr te schieten. [106]Men heeft hem dan eerst op de volgende slimme manier gelokt.

Voor een wijde slede wordt een oud, zeer mak of halfdood paard gespannen, terwijl daarin vier jachtgezellen plaats nemen, t.w. de koetsier, twee schutters en een matig groot varken. De koetsier, die enkel op zijn paard heeft te letten, neemt plaats op den bok; de beide schutters zitten met den rug naar den voorkant der slede en houden het varken, in een zak gebonden, tusschen zich in. Tegen het vallen van den avond rijdt het gezelschap op een harden weg uit en slaat de richting in naar het bosch, alwaar men daags te voren versche wolfssporen heeft gezien. Een der schutters werpt nu, zoodra men deze sporen heeft weêrgevonden, een aan een lang touw bevestigden, los met hooi opgevulden zak uit de slede en laat dien naslepen, terwijl ondertusschen de ander het varken op allerlei wijzen plaagt en tergt om het tot schreeuwen te dwingen. Isegrim hoort dit geluid, denkt waarschijnlijk, dat dit geschrei afkomstig is van een afgedwaald biggetje en nadert stil en voorzichtig, d.w.z. zooveel mogelijk ongezien, den weg, krijgt het naslepend pakje in ’t oog, meent daarin het schreeuwend varken te herkennen, en besluit na lang nadenken en dralen het arme dier uit zijn lijden te verlossen. Met een flinken sprong verschijnt hij op den weg en draaft begeerig achter de slede aan. Wat geeft hij om de dreigende gedaanten daar in het voertuig?! Heeft hij zulke wezens niet dikwijls genoeg van nabij gezien en onder hun oogen geroofd? Nader en nader komt hij de slede, die intusschen met versnelde vaart haar tocht voortzet; nog erger mishandelingen doen het varken nog meer schreeuwen; steeds luider en klagender worden de jammerkreten; zinsverbijsterend werken deze op den roover—nog een sprong, daar knallen twee schoten en rochelend ligt het ondier ter aarde.

Even boosaardig als deze soort van jacht is een andere, die almede zeer gebruikelijk is in dit land. Op geringen afstand van het dorp omheint men een cirkelvormige plek van ongeveer twee meter in middellijn met sterke, dicht naast elkaar, diep in den grond gedreven palen; deze kring wordt omgeven van een tweeden, die overal op gelijken afstand, b.v. veertig, hoogstens vijftig centimeter, van den eersten verwijderd is. Twee zeer dikke palen dienen tot posten voor een deur, die uit een sterke plank is vervaardigd, in stevige scharnieren draait en van automatische sluitboomen is voorzien. Die palen zijn zoo gesteld, dat de deur zich slechts naar binnen kan openen, doch als men er van binnen tegen aandrukt zich vanzelf sluit door [107]de neêrvallende boomen. Beide cirkelvormige, omheinde plaatsen zijn wel is waar van boven niet dicht, maar wel stevig overdekt. Door middel van een valdeur verkrijgt men toegang tot de binnenste ruimte. Zoodra men nu ontdekt, dat de wolven nachtelijke bezoeken in het dorp brengen, maakt men de val in gereedheid. Men brengt een levende geit in de binnenste ruimte en opent de deur, welke in de buitenste ruimte leidt. Het jammerlijk blaten der geit lokt Isegrim. Hij is wel is waar niet ten volle gerust bij ’t aanschouwen van dien ongewonen stal, maar weldra zet hij alle vrees op zij; het arme geitje, nu het den gevreesden vijand in zijn nabijheid ziet, jammert steeds meer en dit prikkelt de vraatzucht van den wolf. Herhaalde malen rent deze met steeds klimmende bloedgierigheid en drift om het staketsel, snuffelt, ruikt, nadert, gaat terug en kijkt aandachtig naar de eenige opening, die hem de gelegenheid schijnt aan te bieden om de geit te lijf te gaan.

Eindelijk krijgt de hartstocht de overhand op zijn aangeboren sluwheid. Nog dralend, maar steeds naderbijkomend, dringt hij eindelijk kop en lichaam door de nauwe opening.

Vol wanhoop drukt zich de geit aan den tegenovergestelden kant der binnenste omheining. Zonder nader overleg volgt de roover haar. De geit loopt den kring rond, de roover doet hetzelfde, slechts met dit verschil, dat de laatste zich tusschen twee rijen palen moet bewegen. Daar belemmert de deur zijn schreden. Maar het offer is thans zoo nabij en zoo zeker te pakken! Onstuimig jaagt hij voorwaarts, de grendel valt voor de weggedrongen en tegen het palissadenwerk gedrukte deur in de passende keep, en … gevangen is de wantrouwende, voorzichtige lomperd; gevangen, zonder in staat te zijn den begeerden buit te naderen. Zich niet kunnende wenden, in het diepst zijns harten vertoornd, loopt, draaft, jaagt hij rusteloos voorwaarts, altijd in ’t rond, een eindeloozen weg hierbij afleggend. De verstandige geit begrijpt alras den toestand, en blijft eindelijk, ofschoon nog steeds jammerende, in ’t midden der ruimte staan; de wolf ziet eveneens eindelijk het vruchtelooze van zijn rondloopen in, tracht zijn vrijheid te herkrijgen, scheurt met zijn tanden spaanders van een voet lengte uit het hout, huilt met half gesmoorde stem van woede en angst—tevergeefs! Na een nacht vol leed en kwelling begint het te schemeren; de morgen breekt aan—zijn laatsten morgen. In het dorp komt beweging; menschenstemmen mengen zich in het geblaf der honden. Donkere, [108]door bassende honden vergezelde mannen naderen het treurtooneel. Onbewegelijk, een lijk gelijk, ligt de wolf op den grond; nauwelijks verraadt een blikken zijner oogen, dat er nog leven in hem is. Met woest geblaf omringen de honden het buitenstaketsel; hij beweegt zich niet. Met hoonend gelach begroeten de mannen hun gevangene; deze blijft roerloos liggen. Maar noch de honden, noch de menschen laten zich bedotten. Door de palen zich heen willende wringen, trachten de eersten den schijndoode te pakken, de laatsten pogen hem den aartsvaderlijken paardenstrik, den arkan over den kop te werpen. Nog eenmaal springt het roofdier op, nog eenmaal raast het door den martelaarsweg, huilend tracht het schrik in te boezemen, bijtend zich te weer te stellen, tevergeefs—de vreeselijke strik mist zijn uitwerking niet; nog eenige minuten en hij is geworgd.

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt; Ostjaken en Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren aan den worgenden strik.

Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote rivieren [109]om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.

Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort en meer andere dieren.

Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild [110]voor hem koestert merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.

De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden losch aangevallen te worden.

Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en 1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks 1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de „beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te [111]worden, langen tijd op om even ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen onder het wild van ons gebied.

Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodat b.v. van daar op de markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de edelmarter.

In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. Bijna onhoorbaar van tak tot tak sluipend, nadert hij de ingegraven vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór deze de vlucht kon nemen.

De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter veel zeldzamer dan zijn bloedverwant; bunzing, hermelijn en wezel zijn overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink [112]daarentegen wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan om zijn huid.


ELANDEN EN AUERHOENDERS.

Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.

De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.

Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.

Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met [113]blaffen kennis van hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.

In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.

In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.

De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.

Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit, [114]waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.

Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammen vervaardigde jachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.

Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs, [115]alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.

De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.

In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar [116]wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men [117]hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze als pestoen of kindermeiden dienst te doen.

Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.

De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den [118]boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op den kortst mogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.

Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.

Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even [119]goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.

De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.

Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken [120]schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.

Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië. [121]

Ücretsiz ön izlemeyi tamamladınız.

Türler ve etiketler

Yaş sınırı:
0+
Litres'teki yayın tarihi:
17 ocak 2025
Hacim:
781 s. 52 illüstrasyon
ISBN:
4064066405496
Yayıncı:
Tercüman:
Telif hakkı:
Bookwire
İndirme biçimi:

Benzer kitaplar