Kitap dosya olarak indirilemez ancak uygulamamız üzerinden veya online olarak web sitemizden okunabilir.
Kitabı oku: «Paedagogische Overwegingen», sayfa 3
XII DE FABEL *
Ik liet den vierjarigen Wim even in de achterkamer van de woonsuite alleen, om in de voorkamer den pianostemmer eenige inlichtingen te geven. Wim wist niet, dat ik hem in het oog hield. Even te voren had het dienstmeisje een mandje met appelen binnengebracht. Wim had me een gevraagd. Ik had hem gezegd, dat Moeder wilde, dat de appelen bewaard bleven.
Nauwelijks was ik de kamer uit of Wim sloop naar het mandje, nam een hap uit een appel en verborg den appel daarna netjes onder de andere. Een poosje later, het verteluurtje van elken morgen, kwam Wim als gewoonlijk op mijn schoot zitten. Hij sloeg zijn armpjes knusjes om mijn hals, om als het ware, het verhaaltje uit mijn oogen te lezen. Ik was kort geleden begonnen met hem fabels te vertellen. Hij vond het heerlijk. Vaak improviseerde ik er een in verband met iets, dat met Wim was voorgevallen. Zoo ook nu.
Meer beducht voor critiek dan bij Wim, zal ik hier den inhoud van de fabel, die Wim te hooren kreeg, slechts in proza laten volgen.
Ik vertelde hem van een vierjarig berenzoontje, dat zoo flink was, dat hij, wanneer Moeder Berin boodschappen deed, op zich zelf en op alles kon passen. Berenzoontje zorgde er wel voor, dat de hond niet van het vleesch, de poes niet van de melk en het zusje niet van de appelen snoepte, (Wims oogen sloegen neder) Moeder en Vader hielden heel veel van het berenzoontje, omdat hij een brave flinke jongen was, waar ze zoo goed op konden vertrouwen.
Het berenzoontje …
Verder liet Wim me niet gaan. Onder tranen kwam reeds de bekentenis.
Hij smeekte me het gebeurde nooit aan een ander te vertellen. Hij had nu zoo goed gevoeld, hoe slecht hij zich gedragen had.
Hij wilde flink en braaf worden als het berenzoontje. Onder die belofte, legde ik een gaven appel in de plaats.
Men leze de goede fabel op elken leeftijd. Ze verschaft altijd genot, doch verschillend. Bovendien lijkt ze mij voor het kind nuttig. Het is zelden, zooals bij Wim, de zedeles, die het kind treft, noch het voorbeeld tot navolging, maar het kind stelt belang in de eigenschappen en de karakters der dieren. De kinderen herkennen daarin de zeden van den hond, dien ze liefhebben, van de kat, die ze verkeerd waardeeren, van de muis waar ze bang voor zijn, van de geheele dierenwereld, waarin ze zich meer amuseeren dan op school.
Ze vinden er den wolf, die de ondeugende kinderen bedreigt, den vos, die om het kippenhok sluipt, den leeuw, wiens moed geprezen wordt. Ze genieten buitengewoon van de toestanden waarin deze dieren optreden. Ze trekken partij voor den zwakke tegen den sterke, voor den bescheidene tegen den trotsche, voor den onschuldige tegen den schuldige. Een eerste besef van rechtvaardigheid wordt hen onbewust bijgebracht. De begaafden voor wie men niets ongestraft zegt, gaan nog verder. Ze maken vergelijkingen tusschen de karakters der menschen en dieren. Er zijn zelfs kinderen, die meenen, dat sommige fabels in hun ouderlijk huis zijn afgespeeld.
De zin tot vergelijken vormt zich onmerkbaar in hun hersenen. Ze leeren in de fabel hun eigen verworven indrukken kennen, hunne herinneringen ophalen. Wanneer ze levendig geschilderd zijn, oefenen ze zich levendig te voelen. Ze gaan beter rondzien en met meer belangstelling dan vroeger.
Al deze te bewijzen voordeelen, meen ik voldoende te vinden, om de goed gekozen fabel en het juiste sprookje voor het kind te mogen aanbevelen.
Naschrift. Met groot genoegen plaats en onderschrijf ik deze aanprijzing van de fabel. Ik heb het altijd een der aantrekkelijkste zijden der duitsche opvoeding gevonden, waarmede ik, gelijk mijn lezers weten, waarlijk niet zonder voorbehoud dweep, dat de fabel daar, in gezin, school en onderwijs, een zoo belangrijk geëerde en vaste plaats inneemt. Het is wel aardig hiernaast te leggen de echte spijkers-op-laag-water-zoekende critiek, die Rousseau in den Emile, boek III, op Lafontaine uitoefent, daarbij opzettelijk vergetende, dat als men fabels uit een paedagogisch oogpunt uitzoekt of maakt, men natuurlijk anders te werk gaat als die looze verteller La Fontaine.
Overigens is bovenstaand schetsje, waarop de schrijfster ons reeds vroeger gewezen heeft3, een voortreffelijk staaltje van de goede manier om kinderen indirecte zedelessen uit te deelen door verhalen omtrent anderen, die wel op hen toepasselijk zijn, maar zonder dat wij eenigszins laten merken, dat wij die toepasselijkheid weten, en nog veel minder, dat wij daarvoor gezorgd hebben.
XIII OPRECHTHEID *
We logeerden eenige zomers na elkaâr in hetzelfde hotel. Lien en ik.
Als gevolg daarvan moest ik den St. Nicolaastijd bij mijn vriendinnetje doorbrengen.
Ik verwerkte dan haar heele verlanglijst, die quantitatief enorm, maar qualitatief heel gemakkelijk te vervullen was.
Lien is een kleine vleister. Ze maakt het soms te bont. Het ontaardt dan tot een onoprechtheid, die zeer onaangenaam aandoet en nog tot mindere karaktertrekken kan leiden.
Ze is reeds tien jaar. Lien is overigens een leuke guit. Weken voor St. Nicolaas hebben we het beiden altijd heel druk.
De vooruitzichten tot de feestviering waren het eerste oorlogsjaar echter niet gunstig. De prijzen stegen enorm, zelfs van kleinigheden. Daarom waarschuwde ik Lien, dit jaar er niet zooveel voor te kunnen doen als andere jaren.
„O, dat hindert niets, dan geeft u mij maar één cadeautje of niets.”
„Nu, één cadeautje wil ik wel vast beloven. Maak dan maar een lijstje van boeken. Ik kan er dan wel een uit kiezen. Vallen de omstandigheden mede, dan krijg je er wel een chocoladeletter bij.”
„Heerlijk!” Zij sprong in de hoogte.
Hoe meer ik het betreurde haar niet zóó te kunnen verrassen, hoe opgewekter Lien bij de mededeeling werd. Ze liet echter geen dag voorbij gaan of ze noemde iets, dat ze zoo heel graag gehad zou hebben, als die nare oorlog niet was gekomen.
Eenige dagen voor strooiavond kwam Lien uit school vroolijk bij mij binnen springen, uitroepende: „De andere kinderen op school vieren gewoon St. Nicolaas als vroeger.”
Met een ernst, waaraan niet te twijfelen viel, zei ik: „Jij bent een verstandig meisje. Je hebt het goed gevonden, dit jaar enkel een boek te krijgen. Een volgend jaar dan dubbel, hè Lien?”
Dikke tranen rolden eensklaps over haar wangen.
„Wat is er Lien? Je doet me schrikken!”
„Ik heb het niet echt gemeend”, snikte ze, „en heb het daarom maar goed gevonden.”
„Dat is heel erg jammer. Die teleurstelling heb je je zelf te wijten. Ik kan nu niets meer verzorgen. Misschien kan mijn zuster nog wat lekkers uit Amsterdam sturen. Ik zal het haar schrijven. Breng den brief dan maar dadelijk op de post.” (Hij bevatte heel andere berichten.)
Ze vloog er mede weg.
(Ik deed dit, om het kind eenigszins uit haar waarlijk diep droevige stemming te halen.)
St. Nicolaas ontving ze haar geheele mondeling opgestelde lijst.
Lien was nu nog dankbaarder, nog meer verrast, nog gelukkiger bij elk pakje, dat ze ontvouwde. Bij de apothéose, het hoofdcadeau pakte ze me hartelijk en zei: „Het ware zulke nare dagen, de laatste, maar ik heb de straf wel verdiend. Ik zal voortaan oprecht zijn.”
Lien heeft woord gehouden.
Ze is nu werkelijk een allerliefst meisje geworden.
XIV OVERBLUFFEN *
Lies is een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.
Ze is het jongste van de drie kleine meisjes in het gezin, kinderen van tien, negen en twee en een half jaar oud. Moeder zegt, dat ze met de oudste kinderen nooit eenige moeite heeft gehad, met Lies des te meer.
Het geval interesseert me.
„Lies lijkt me toch een aardig meisje, echt beminnelijk.”
„Dat is ze ook, maar of het uit haar aard voortkomt of dat het langzamerhand een gewoonte is geworden, ik weet het niet. Wanneer haar stemming door 't een of ander maar even verstoord wordt, begint ze te huilen en blijft daarna uren lang drenzen. We staan daar machteloos tegenover. Alles hebben we geprobeerd. Door hardheid raakt ze angstwekkend overstuur. Zachtheid helpt evenmin. Ze wordt steeds moeilijker op dit punt”.
„Toe, gaat u eens in de vacantie met de kinderen meê uit. U zult het ondervinden”.
Gaarne aanvaard ik de invitatie, om te trachten het drensprobleem op te lossen.
Het was een schoone Juli-morgen, toen we om negen uur op stap gingen, beladen met alles wat kinderharte-wenschen in vervulling kan brengen. Nog wel naar een speeltuin, waarachter een groot weiland. Een eind buiten de stad zijnde, stevenden we arm in arm, vroolijk zingende op ons doel aan. Op eens, wee ons, bemerkt de kleine Lies, dat haar poppenkind een schoentje heeft verloren. Angst op aller gelaat.
– Het spreekt van zelf, dat ik niet ingreep. Ik wilde eerst de familie in actie zien. —
Als gefascineerd door het uitbundig geschrei van Liesje, gaan allen aan het zoeken. De zusjes loopen een heel eind terug. Het is vergeefsch. Het schoentje wordt verloren verklaard. Daarna vangt Liesje aan met het waarlijk ondraaglijke drenzen.
„Ehe… èhe… het poppenschoentje… èhe.”
„Je moogt mijn pop hebben als we thuis komen”, aldus het zachte oudste zusje.
„Moeder zal net zoo een paar nieuwe schoentjes morgen voor Liesje's pop koopen”, tracht Moeder te kalmeeren.
„Er is zooveel ander leuk speelgoed in den tuin,” troost het tweede meisje.
Niets, niets brengt maar eenige verandering.
Liesje blijft onbedaarlijk drenzen. Ehe… èhe… het poppenschoentje… èhe…
Na een kwartier landden we bij de uitspanning. Zoodra we aan een tafeltje zitten om de lunch voor te bereiden, gaat Liesje vlak voor ons in het gras liggen… drenzen. „Ehe… èhe… het schoentje.”
De een brengt haar chocolade. De ander suikertjes. Moeder zoete woordjes. Ze neemt alles aan en in zich op, maar… blijft drenzen.
Liesje wordt in haar idealen bakschommel gezet en er weer drenzend uitgedragen. Naar de caroussel gebracht en er weer drenzend vandaan gehaald.
Moeder zegt, dat ze een voorbeeld aan de andere kinderen moet nemen, die zoo lief zijn. Dat ondervindt ze, maar zelf blijkt ze er geen trek in te hebben.
Ze blijft liggen drenzen. Ehe… éhe… het schoentje…
Nu weet ik er genoeg van. Heel kalm sta ik op, en ga even kalm naar Lies. Ik zet haar overeind, leg haar pop in haar rechterarm, neem haar linkerhandje en breng haar een heel eind verder. Ze was te overmand om tot het besef van verweer te komen. Ik leg haar meteen achter de gelagkamer in het gras. Ze kon ons van daar niet zien zitten. Ik zeg op deelnemenden toon: „ik vind het heel erg naar, dat je zoo'n verdriet hebt Lies. We kunnen je vandaag het schoentje niet weergeven. Wanneer je weer vroolijk bent, kom dan maar weêr bij ons terug.”
Lies was overbluft, door zulk een onverwachten tegenstand. Ze was aan zulk een wijze van behandelen niet gewend. Ze verroerde zich niet, zei niets tegen. Bij het heengaan knikte ik haar goedig vriendelijk toe. Het kind wist niet, dat ik haar uit de gelagkamer kon waarnemen en zoo noodig haar dadelijk kon bereiken. Na tien minuten scheen ze van den schrik bekomen te zijn. Daarna zette ze haar ondeugende stemming van verdriet in vermaak om. Niemand troostte haar meer of nam nog eenige notitie van haar. De grootste prikkel tot het drenzen was weg. Ze was om te stelen.
Ondeugendheid werkt zoo sympathisch. Ze is voor een flinken opvoeder een kracht, om alles voor het moeielijke kind te willen doen, zijn zware taak te verlichten. Helaas, dat diezelfde kracht bij de zwakke moeder tot verwennen leidt.
Lies doet haar eigen laag schoentje uit en bindt het met haar haarlintje om het ontbloote voetje van de pop. Daarna gaat ze hinkepinken in het grasveld en laat haar popje deftig naast haar wandelen. Alles met een triomfantelijk gezicht. Ze heeft haar zin. Popje heeft twee schoentjes aan. Haar vroolijkheid, mede tengevolge van de heerlijke opwekkende landelijke omgeving stijgt ten top. Ze gaat grasbloempjes plukken, tooit haar pop en zichzelve er mede. Ik had moeite niet op haar toe te loopen en haar in mijn armen te troetelen, die kleine zomerfee.
Na een kwartiertje schijnt ze honger te krijgen. Ze begint haar popje te voeren. Telkens loopt ze naar het einde van de gelagkamer, waar ze om een hoekje het gezelschap kan zien zitten.
Nu ga ik naar haar toe.
„Zoo, je kijkt weer vroolijk! Nu gaan we een boterham eten en gezellig samen spelen.”
Ik maakte haar haren weer in orde en trok Liesje het schoentje weer aan, uit vrees voor een spontane verheerlijking van Moeder en de zusjes, die weer heel wat had kunnen bederven.
We bleven tot 's middags zes uur in den tuin, zonder eenig drensincident meer te beleven.
Op weg naar huis riepen de oudste meisjes enthousiast: „Moeder zulk een heerlijk dagje hebben we met Lies buiten nog nooit gehad.”
Lies liet zich gedurende de terugreis het plaatsje aan mijn hand niet ontnemen.
Zoo trok ik nog vele vacantiedagen met het gezelschapje de stad uit.
Moeder verklaarde me: wanneer Lies nog eens een enkelen keer dreigde in haar oude kwaal te vervallen, heb ik maar te vragen: „zal ik het Juffr. E. schrijven?” om het kind tot de orde te roepen.
Niet er op rekenen, zooals de moeder hoopte, dat ze, als ze ouder werd, wel anders zal worden, maar zorgen, dat ze ouder geworden, veranderd is. Daarheen moeten we het toch bij het opvoeden leiden.
Naschrift. Het voorvalletje toont duidelijk, hoe verkeerd het zoogenaamde „afleiden” is. In heel enkele gevallen, bij heel kleine kinderen, en als hoog uitzonderingsgeval, kan het er mee door, soms zelfs een redmiddel zijn, maar als 't zóó dikwijls aangewend wordt, dat het kind het merkt – en dat is zeer spoedig het geval – dan is het spel verloren. Het behoort tot een genre maatregelen, die ik als „omkoopings-paedagogiek” pleeg te karakteriseeren: deze nu is het ware middel om bedorven kinderen te kweeken. Daarentegen is overbluffen, door het kind plotseling te stellen voor de natuurlijke, maar ongewenschte consequenties van zijn gedrag, een uitstekend middel. Slechts vergete men nooit, dat er in de opvoeding geen middelen zijn, die altijd en overal helpen.
Overigens herinnert dit schetsje mij zoo levendig aan de wijze waarop Rousseau den verwenden en onhandelbaren jongen Chenonceaux tot rede bracht, dat ik mij voorgenomen heb dat aardige verhaal eerlang voor ons blad te vertalen.
XV VOORZICHTIG INGRIJPEN *
Driejarige Han is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hij maakt plannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.
Hij zit bijv. een half uur rustig bij je op den grond met zijn auto te spelen. Opeens krijgt hij den inval dat zijn machine over een berg moet, en dan is de mooiste bibelot op de naastbijzijnde console niet meer veilig voor hem.
Men vindt hem een lastigen jongen.
Ik meen, dat hij alle qualiteiten bezit, om een practisch degelijk mensch te worden. Iemand met moed, ijver en doorzettingsvermogen.
Zijn onbesuisdheid vind ik op dien leeftijd natuurlijk, vooral voor een kind van zijn aanleg. Als elk kind onderzoekt Han alles wat hij in handen krijgt, maar met nog meer durf om het uit elkaar te halen.
Geen enkele spoortrein, overigens zijn lievelingsspeelgoed, houdt het langer dan hoogstens vier dagen bij hem uit, 't zij hij van hout, van blik of van ijzer gemaakt is.
Een uitkomst. Perry kondigt als reclame, den zwaren onbreekbaren spoortrein aan. Gegarandeerd. Hij is wel kostbaar, maar moeder schaft er toch een aan. Ze redeneert: duurkoop, goedkoop.
Han bevestigt den regel door de uitzondering. Na twee dagen hebben de spiegel en het behang het reeds moeten ontgelden. En uit gegronde vrees voor de kleine zusjes laat moeder de „tank” verwijderen.
Eenig beeld van mijn neef Han, zult u hoop ik wel gekregen hebben. Han en ik zijn hartsvrienden.
Zijn vader moet er eens uit. Dokter heeft een drukke influenzapraktijk achter den rug. Het ouderpaar besluit tot een vierweeksch reisje naar Zwitserland. Juf en de twee kleine meisjes worden bij grootvader gestald, zooals grootvader het betitelde. Ik krijg het vereerend verzoek, zoolang de ouderlijke plichten bij Han waar te nemen. Verschillende moeders hebben hem liever niet. Vader heeft mij als medicus zoo vaak uit den nood geholpen; dat ik me gaarne bereid verklaar.
Zijn oom Jan, van moeders zijde, een nog jonge man, houdt dol veel van den kleinen woesteling. Hij snoeft er niet weinig op, dat hij zoo goed met het vrindje kan omgaan. Hij verwent hem echter onzinnig. Dat moet spaak loopen. Uren mag hij bij hem op zijn kantoor komen spelen. Han vindt daar alles van zijn gading. Klosjes, pennetjes, gespen, knoopjes, kistjes enz. enz. Hij heeft daar ook zijn volledig ingericht magazijn. Oom vraagt me, of ik tijdens de afwezigheid van de ouders 's morgens maar dikwijls met hem op 't kantoor wil komen spelen. Hij is toch meest in zijn particulier kantoor.
Den eersten morgen dwingt Han reeds om er heen te gaan. Hij is al gauw geïnstalleerd. Bedrijvig loopt hij in zijn speelhoek heen en weer, terwijl oom mij een geheel nieuwe machine, zoo juist aangekomen, verklaart.
Drie, viermaal wordt onderwijl kort na elkaâr van de fabriek boven, door de spreekbuis gefloten.
„Ja, als het goed maar om tien uur beneden is om ingepakt te worden”. Een ander maal „driehonderd leesten tegelijk”. Zoo wisselen de antwoorden af.
Opeens loopt Han naar de buis. Een noodgefluit blaast hij. De meesterknecht komt aangesneld en krijgt natuurlijk een verward antwoord op zijn vraag „en wie”. „Dertien leest gauw ja!” Han doet de fluit er weer op. Even later informeert de meesterknecht wat dat beteekent. Oom antwoordt lachend „een opdracht van onzen driejarigen bezoeker”. Meteen verbiedt hij Han, weer te fluiten. Han zwijgt: in gedachten verzonken keert hij naar zijn magazijn terug.
Een paar minuten later, hetzelfde tooneeltje.
De meesterknecht verzoekt nu dringend er voor te zorgen, dat het kind het fluiten laat. Het stoort hem in zijn werk. Oom, reeds eenigszins opgewonden, zegt Han, dat hij niet meer naar de spreekbuis mag gaan.
Haast op hetzelfde oogenblik holt Han opnieuw naar de fluit, maar voordat hij ze te pakken heeft, loopt Oom driftig op hem toe en geeft hem een flinken klap in het gezicht.
Ik weet niet wie meer verontwaardigd was, Han of ik. Hij trapte, beet. Ik riep hem dadelijk tot me, nam het schreiende kind in mijn armen. Daarna bracht ik hem gauw tot kalmte.
„Maar ventje”, berisp ik nu, „Oom had toch gezegd dat je niet meer fluiten mocht.”
„Maar, maar,” snikt hij nog, „ik heb niet gefloten.”
„Je hebt niet gefloten?”
„Nee…e, ik was toch immers Oom, ik speelde toch magazijntje!”
Oom heeft diep berouw over zijn onrechtvaardig ingrijpen. Hij heeft het kind hartelijk lief. Hij wil hem met weldaden overladen om zijn fout weêr goed te maken.
Han wil niets meer van hem weten.
Het kind wilde niet langer blijven en was ook later niet meer te bewegen er heen te gaan.
Han bleef Oom haten4.
Deze had de liefde van het kind verspeeld.
XVI SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TOT VERBETERING *
Reeds een paar jaar lang geef ik Riekje Zondagmorgen van elf tot twaalf pianoles. Op verlangen van de beide kinderen, mijn leerlingetje van tien jaar en een driesten knaap van ruim zeven, blijf ik dan bij hen koffiedrinken. Daarna gaan we „en familie” naar Artis. Dat vinden we allemaal echt genoegelijk. Vader is een ingewijde. Hij leert ons de belangrijkste kleinigheden omtrent de daar aanwezige dieren en planten. En op zoo een gezellige wijze. Het eene dienstmeisje, dat dan niet haar vrijen dag heeft, mag toch 's middags een paar uren uitgaan. De familie eet maar wat later dan gewoonlijk en meestal eenvoudig. Een kind met „thuis blijven” te straffen is dus niet mogelijk, zonder een ander eveneens te treffen. Dat doorvoelt ons baasje heel goed. Hij vreest dien dag niets en neemt het waar. Hij doet heelemaal zijn best niet.
Huug is een robbedoes. Wanneer het weer het maar eenigszins toelaat, is hij 's morgens in den tuin. Hij leeft daar geheel vrij. Hij klimt in den boom, spit, wroet, harkt in zijn tuintje, en is dan geen goede kleeren nut.
Voor de koffie frischt Moeder hem zóóver op, dat hij daarna nog zelf op zijn kamer andere kousen en schoenen heeft aan te doen en zich in het wandel-matrozenpak moet steken, werk, dat een flinke jongen als hij, keurig in tien minuten verrichten kan.
Ik ben nu reeds zes Zondagen getuige geweest van de moeite, die de jongen den ouders veroorzaakt.
Allen staan gelaarsd en gespoord bij de voordeur als Huug gewoonlijk nog bezig is met zijn toilet.
Dreigen, straffen, niets heeft geholpen.
„Ik kàn heusch niet gauwer”, verdedigt hij zich met een overtuiging, die een ander kan doen gelooven, dat het hem nooit zou lukken.
Moeder zegt nu voor het eerst, dat hij bij Johanna thuis moet blijven, wanneer hij niet binnen vijf minuten klaar is.
Huug gelooft er blijkbaar niets van. Hij gaat zich quasi haasten, maar schiet niet op.
Ik ben op Moeder's verzoek in de kamer bij hem gebleven. Ze hoopt, dat ik het op eene of andere manier met hem zal klaar spelen.
„Arme jongen! Je moet je zoo haasten. Ik geloof wel, dat je je werkelijk niet gauwer kùnt aankleeden. Weet je in hoeveel tijd ònze Nol zich verkleedt na de koffie?” vraag ik.
Hij, nieuwsgierig: „nu?”
„Zonder te wasschen, in vijf minuten. Maar Nol is ook al acht. Jij bent nog maar zeven en een half. Jij bent nog maar een kleine jongen. Neen, je kunt het nog niet.”
„In hòèveel”, vraagt hij verachtelijk, „in vijf minuten? Peuh! Ik kan het wel in vier.”
Na vier minuten geniet ik het voorrecht Huug, „tiré à quatre épingles”, Moeder en Vader bij de voordeur te presenteeren.
Daarna houdt Huug aan mijn arm, onderweg een kleine nabetrachting.
„Acht, en zeven en een half is eigenlijk even groot niet waar, net eendere jongens?”
„Ja, dat heb ik vandaag nu ook gemerkt. Den vorigen Zondag geloofde ik het nog niet. Ik hield je nog voor klein.”
„Dat vond ik zóó naar, want ik kòn het toch wel. Het was alleen maar vervelend je zoo te haasten.”
Ook door zijn verdere vragen en opmerkingen kreeg ik de stellige overtuiging, dat zijn eigen minderwaardigheidsgevoel, gewekt door mijn verontschuldigend medelijden, Huug veel dieper getroffen had, dan de verwijten en straffen door anderen hem toebedeeld.
Hij voelde zich gekleineerd, iets wat een flinke jongen niet dulden kan.
We hebben daarna geen enkelen Zondag meer last met hem gehad.
Schaamte is een machtige hulp tot moreele verbetering.
De opvoeder zij er voor gewaarschuwd, dat, voor het toepassen van de bovengenoemde behandeling noodig is, dat het kind beschikt over de kracht, tot het uitvoeren van de hem opgelegde taak en het niet-voldoen er aan, uitsluitend op onwil, ongehoorzaamheid, wilszwakte, kortom op zijn onmacht berust. Anders zou het kind, door op zijn minderwaardigheid te worden gewezen, zich ontmoedigd kunnen gaan voelen dat tot mindere inspanning leidt, of het zou door de zucht om net zoo te zijn als de geprezene, tot naijver kunnen geprikkeld worden en zich daarom bovenmatig gaan inspannen. Het middel zou dan erger zijn dan de kwaal.
